As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

De verhalen in de Masnawī van Mawlānā Jalāluddīn Rūmī

Auteur: Mawlānā Jalāluddīn Rūmī

Onderwerp: Spiritualiteit

Lees dit boek in de online lezer

Voorwoorden

Voorwoord van de Turkse samensteller

Het behoud van het bestaan van samenlevingen en het opbouwen van een mooie toekomst is nauw verbonden met hoe stevig de band met het verleden is. Vandaag worden wij meer dan ooit geconfronteerd met het feit dat wij degenen die ons culturele verleden hebben gevormd, moeten leren kennen. Belangrijke persoonlijkheden uit ons verleden dienen als model voor de nieuwe generaties te worden gesteld

Het geografische gebied, Anatolie, waarin wij leven, is bijzonder waardevol en rijk aan denkers, wetenschappers en staatslieden die hier zijn voortgebracht. Al eeuwenlang gaan deze personen ons voor met hun kunstwerken, gedichten en levenswijze en werpen zij licht op de toekomst van onze samenleving.

Aan het hoofd van de karavaan van grote geleerden en heiligen die deze landen voor ons betekenisvol hebben gemaakt, staat Mawlânâ Jalāluddīn Rūmī (رحمه الله). De lamp die hij met zijn werken heeft ontstoken, blijft niet alleen deze landen, maar de hele wereld verlichten. Hij roept degenen die onderweg zijn gestrand, degenen die hun weg zijn kwijtgeraakt en degenen die verward zijn, op tot de waarheid van het bestaan.

De echo van de woorden die hij zeven eeuwen geleden uitsprak, blijft steeds sterker klinken. Hij leert de mensheid dat geloof de ware kracht is.

Mawlânâ en zijn werken leren kennen is voor ons een levensnoodzakelijke behoefte. Zijn grootste werk, de Masnawî, is het werk uit de periode waarin hij in alle opzichten tot volle rijpheid was gekomen.

Mawlânâ zegt: “De Masnawî is, wat het bereiken van de waarheid en het ontsluiten van de geheimen van absolute zekerheid (yaqīn) betreft, de grondslag der grondslagen van de Islaam.”

En hij vervolgt: “Er bestaat geen twijfel over dat de Masnawî een genezing voor de harten is, verdriet verdrijft, de Qur’ ān glashelder maakt, overvloed in het levensonderhoud brengt en het karakter verfraait.”

Het rijkste materiaal van de Masnawî zijn de verhalen. Wanneer iemand dit werk leest, voelt hij zich niet alsof hij zomaar een boek leest, maar alsof hij heeft plaatsgenomen in een kring van sohbet*.

Wij hebben de verhalen uit de Masnawî samen met hun wijsheden behandeld. Daarbij hebben wij geprobeerd om, voor zover mogelijk, bij het doel te blijven dat Mawlânâ met het vertellen van ieder verhaal voor ogen had, en vanuit dat doel uitleg te geven.

Wij hopen dat deze verhalen, die wij uit de Masnawî hebben verzameld, een deur en een toegang zullen vormen tot de werken van Mawlânâ.

Samensteller: Ahmet Kasım Fidan

(*: sohbet: een geestelijk gesprek of bijeenkomst waarin godsdienstige en spirituele kennis wordt gedeeld.)

Voorwoord vertaler naar Nederlands

Literaire werken spelen een belangrijke rol bij de verspreiding van bepaalde ideeën. Auteurs uit de oosterse literaturen hebben er door de geschiedenis heen voor gekozen om bepaalde zaken niet rechtstreeks uiteen te zetten, maar mensen door middel van allegorische verhalen te informeren. Deze traditie, die in het bijzonder met dierenverhalen begon, kreeg na verloop van tijd een geheel ander karakter. Iedere persoon, plaats en gebeurtenis uit het dagelijks leven werd vervolgens behandeld om aan te sluiten bij de innerlijke wereld van de mens. Een van de belangrijkste werken in deze traditie is de Mas̱nawī van Mawlānā Jalāluddīn Rūmī (رحمه الله); door dit werk als zodanig te noemen, doen we het recht aan zijn betekenis.De Mas̱nawī, geschreven in de roerige en beproevingsvolle tijden van de dertiende eeuw, die werd geteisterd door de Mongoolse invasie en de aanvallen van de kruisvaarders, wordt beschouwd als een van de meesterwerken van de godsdienstig-soefistische literatuur. In dit werk van ongeveer 25.000 disticha, dat Mawlānā Jalāluddīn-i Rūmī na een lange periode van stilzwijgen schreef, worden de fundamentele drijfveren van het leven op unieke wijze aan de hand van allegorische verhalen uiteengezet. Dankzij de geschiktheid van de mas̱nawī-dichtvorm voor het vertellen van verhalen en de harmonie die het ʿarūḍ-metrum verschaft, worden werken over ethiek in de eenvoud van een verhaal behandeld, zonder mensen te vervelen of te vermoeien.

De verhalen in de Mas̱nawī zijn treffende voorbeelden die de vergankelijkheid van het wereldse leven, de onbuigzame aard van de nafs, de mens als een hulpeloze dienaar van Allahu Taʿālā, de gevolgen waartoe hoogmoed en zelfverheffing iemand kunnen brengen, en de onherstelbare schade die woede, hebzucht en eerzucht veroorzaken, duidelijk maken. In zijn verhalen brengt Mawlānā personages uit de dierenwereld, zoals de leeuw, de wolf en de vos; vooraanstaande figuren uit de Turkse politieke geschiedenis, zoals Maḥmūd van Ghazna, de Khwārizmshāh en ʿImād al-Mulk; personen uit het dagelijks leven, zoals de sultan, de bedelaar, de dorpeling, de stedeling, de soefī en de huisvrouw; en personages als dieven, bandieten en beulen, binnen één en dezelfde culturele omgeving met elkaar en met de lezer in contact. De boodschappen die aan alle mensen, en in het bijzonder aan de bevolking van Anatolië, worden meegegeven, krijgen in de verhalende stijl een concrete en tastbare vorm.

Deze verhalen, die zijn voorzien van tussenzinnen en slotzinnen waarin Mawlānā de les uit het verhaal trekt, hebben hun eigen tijdperk overstegen en zijn tot op de dag van vandaag bewaard gebleven. Een van de belangrijkste kenmerken die Mawlānā van zijn soortgenoten onderscheidt, is de buitengewone beheersing waarmee hij zijn pen hanteert wanneer hij in zijn verhalen de hoofdgedachten naar voren brengt. Wie zijn verhalen leest, merkt dan ook dat de inhoud en de boodschap die wordt overgebracht op volmaakte wijze met elkaar overeenstemmen. Soms krijgt de lezer zelfs het gevoel dat hij, meer dan een literair-didactisch werk te lezen, wordt aangesproken door bepaalde tekenen uit de hiernamaalse wereld.De geselecteerde verhalen uit de Mas̱nawī vormen slechts een bundel uit een unieke verzameling die vele malen is gelezen en ook in de toekomst gelezen zal worden. Zij weerspiegelen de levensbeschouwing van de oosterse mens en diens scherpe, door de literatuur gevormde intelligentie, en herinneren ons voortdurend aan enkele fundamentele waarden waarvan iedereen denkt dat hij ze kent, maar waarvan hij zich vaak niet eens bewust is.

De verhalen uit de Mas̱nawī van Mawlānā Jalāluddīn Rūmī zijn vanuit het Turks naar het Nederlands vertaald. De samensteller van deze verhalen heeft bij sommige verhalen een korte toelichting gegeven. Deze toelichtingen zijn door een doorgetrokken lijn van de verhalen gescheiden en tussen vierkante haken geplaatst. De soefische termen heb ik met behulp van voetnoten of direct achter de term nader toegelicht.

Ten slotte zijn een aantal onderwerpen die nadere toelichting of verdieping vereisen, opgenomen in appendici.

Ik hoop dat ik de lezer een tipje van de sluier heb mogen oplichten van de wereld van de soefische verhalen, die al honderden jaren van generatie op generatie zijn doorverteld.

Succes en leiding komen van Allāh, de inspanning is mijnerzijds.

EERSTE DEEL VAN MASNAWĪ

De sultan en de slavin

Heel lang geleden was er een sultan. Zoals hij in de wereld een machtige sultan was, zo was hij ook in geestelijk opzicht een zeer verheven persoon.

Op een dag ging de sultan te paard met enkele van zijn naasten op jacht. Onderweg zag hij een slavin. Zodra hij haar zag, werd hij verliefd op haar. Zoals een vogel in een kooi heen en weer fladdert, zo begon de ziel van de sultan in de kooi van zijn lichaam heen en weer te fladderen. Hij betaalde het bedrag en kocht de slavin.

De sultan was gelukkig omdat hij zijn verlangen had verkregen. Maar zo beschikte het lot: de slavin werd ziek. De sultan liet artsen uit het westen en het oosten komen, kortom, uit alle windstreken.

Hij zei tegen hen: “Het leven van ons beiden ligt in jullie handen. Zonder haar heeft mijn leven geen enkele betekenis. Zij is immers de ziel van mijn leven. Ik ben bedroefd, gewond en ziek, maar zij is mijn geneesmiddel. Wie mijn ziel kan genezen en haar beter kan maken, zal ik mijn schatten aan parels en koralen schenken.”

De artsen zeiden: “Laten we ons voor dit doel volledig inzetten. Laten we onze kennis, ervaring en al onze vaardigheden samenbrengen. Laten we samen nadenken en de behandeling gezamenlijk uitvoeren. Ieder van ons is in de behandeling van ziekten de ʿĪsā van deze tijd. Wij hebben voor iedere ziekte een geneesmiddel.”

Uit hoogmoed dachten zij dat alles in hun handen lag. Zij zeiden niet: “In shāʾ Allāh, wij zullen haar beter maken.” Daarom liet Allāh, de Waarachtige, hun zien hoe machteloos de mens is. Welke medicijnen de artsen ook gaven en wat zij ook deden om haar te behandelen, de zieke werd niet beter. Integendeel, haar ziekte nam toe.

Intussen verzwakte de arme slavin met de dag en werd zij zo dun als een draad. De tranen stroomden als rivieren uit de ogen van de sultan. Toen de sultan zag dat de artsen machteloos stonden tegenover deze ziekte, rende hij blootsvoets rechtstreeks naar de moskee.

Hij wierp zich neer in sujūd (ter aardewerping) voor de miḥrāb (gebedsnis). De plaats waar hij zich ter aarde wierp, werd door zijn tranen doornat. De sultan verloor zichzelf volledig in de tegenwoordigheid van Allāh. Na enige tijd kwam hij uit de zee van het niets waarin hij was verzonken weer tevoorschijn. Hij kwam tot zichzelf en begon Allāh met mooie woorden te prijzen en tot Hem te bidden.

“O Allāh, voor Wie zelfs het geringste geschenk het bezit en koningschap van deze wereld is! Wat kan ik zeggen? U kent immers al onze verborgenheden.

O Allāh, terwijl wij ons bij al onze verlangens en wensen tot U zouden moeten wenden, zijn wij toch weer van de juiste weg afgedwaald. Wij hebben ons hart aan een slavin gegeven. Toen zij ziek werd, wendden wij ons tot de artsen, terwijl U er bent.

U hebt immers gezegd: ‘O Mijn dienaar, Ik ken alle geheimen die jij verborgen houdt, maar spreek ze toch uit en breng ze aan het licht.’”

Toen de sultan uit de grond van zijn hart vurig en smekend tot Allāh bad, kwam ook de zee van Allāh’s genade en vergeving in beroering en begon zij te bruisen.

Terwijl de sultan onder tranen huilend en smekend bad, raakte hij op een gegeven moment buiten bewustzijn. Hij viel in slaap. In zijn droom zag hij een pîr. Deze pîr (geestelijke meester) zei tegen de sultan:

“Welgemeende felicitaties, o sultan! Je wens is verhoord. Morgen zal er een zeer bekwame arts met een merkwaardige verschijning naar je toe komen. Hij is zeer deskundig in de geneeskunst. Hij is een oprecht, betrouwbaar en rechtschapen persoon. Het geneesmiddel dat hij je zal geven, is als een betovering waartegen geen enkele magie invloed zal hebben.”

De sultan begon de persoon over wie hem in zijn droom was verteld, bij het raam af te wachten. Hij zag een man die als de zon in de schaduw schitterde. Hij leek een deugdzaam, bekwaam en geleerd persoon te zijn. Het was alsof hij nu eens zichtbaar en dan weer onzichtbaar was. Het leek wel een droombeeld: alsof hij tegelijkertijd bestond en niet bestond.

Nog voordat de dienaren de deur konden openen, haastte de sultan zich er zelf naartoe. Hij verwelkomde zijn gast die van verre was gekomen. Zowel de sultan als zijn gast waren, ieder in een afzonderlijk lichaam, als één enkele ziel en als twee zeeën van betekenis die elkaar herkenden. Het was alsof twee zielen elkaar hadden gevonden, zich met elkaar hadden verenigd en één waren geworden.

De sultan zei: “Mijn ware geliefde was niet de slavin, maar jij. Zie hier de wijsheid van Allāh: in deze wereld ontstaat het ene werk uit het andere en de ene oorzaak brengt een andere oorzaak voort.”

De sultan spreidde zijn armen en omhelsde de goddelijke arts.

Als was hij liefde, zo nam hij hem op in zijn hart, ja, tot diep in zijn ziel.

Nadat de begroeting, het ontvangen van de gast, het informeren naar elkaars toestand en het eten achter de rug waren, vertelde de sultan de arts over de toestand van de zieke en haar ziekte. Vervolgens bracht hij hem naar de zieke slavin. De arts keek naar het gezicht van de patiënte en voelde haar pols. Hij vroeg naar de symptomen van haar ziekte en luisterde naar de oorzaken ervan.

“De behandelingen die de andere artsen hebben toegepast, hebben geen nut gehad. In plaats van haar beter te maken, hebben zij haar zie kte juist verergerd,” zei hij.

De arts had begrepen wat de ziekte was, maar vertelde dit niet aan de sultan. Hij stelde vast dat de slavin leed aan een ziekte van het hart, veroorzaakt door haar grote verdriet en droefenis. Haar lichaam was gezond; het was haar hart dat gewond was.

Vervolgens zei hij: “Laat het paleis ontruimen; laat niemand binnen achterblijven. Zorg ervoor dat niemand ons ergens in een hoek of verborgen plek kan afluisteren. Ik zal de patiënte enkele vragen stellen. Aan de hand van de antwoorden die ik krijg, zal ik mijn behandeling bepalen.”

De arts bleef alleen met de patiënte, zoals hij had gevraagd. Hij naderde haar langzaam en vroeg met een zachte en vriendelijke stem: “Waar kom je vandaan? Ik moet weten wat je vaderland is, want ieder land heeft zijn eigen geneesmiddelen. Welke familieleden heb je daar? Met wie ben je het meest verbonden? Zijn er vrienden naar wie je verlangt?”

De arts had zijn hand op de pols van het meisje gelegd. Terwijl hij haar vragen stelde, hield hij tegelijkertijd haar polsslag in de gaten.

De slavin vertelde een voor een over de gebeurtenissen die verband hielden met haar huis, haar meesters en haar landgenoten. Ze vertelde wat haar allemaal was overkomen.

Terwijl de arts enerzijds luisterde naar wat de slavin vertelde, lette hij anderzijds nauwlettend op het ritme van haar polsslag.

Het doel van het voelen van de pols van de patiënte was vast te stellen bij het noemen van welke naam haar hartslag zou versnellen. Want de naam die haar polsslag zou doen versnellen, zou ook onthullen wie de persoon was omwille van wiens liefde de slavin ziek op bed was komen te liggen.

De arts vroeg: “Hoe ben je uit je eigen vaderland vertrokken? In welke stad verbleef je daarvoor?”

De slavin noemde de naam van een stad, maar noch de kleur van haar gezicht, noch haar polsslag veranderde. Vervolgens noemde zij achtereenvolgens de steden waar zij was geweest, de mensen die daar verbleven en de plaatsen waar zij had gezeten en met anderen brood en zout had gedeeld. Toch veranderde er niets in haar toestand.

De polsslag van de slavin bleef die van een gezond mens, totdat de arts haar vroeg naar Samarkand, een bijzonder mooie stad.

Toen de naam Samarkand werd genoemd, versnelde de hartslag van het meisje en kleurden haar wangen rood. Zij was namelijk verliefd op een juwelier uit Samarkand. Zij leed onder de pijn van de scheiding van hem.

Toen de arts de oorzaak had gevonden van het verdriet dat de slavin ziek op bed had doen belanden, vroeg hij in welke wijk en in welke buurt van de stad de juwelier woonde. Hij kwam dit te weten.

Vervolgens zei hij tegen de slavin: “Nu begrijp ik wat jouw ziekte is. Met de hulp van Allāh zal ik je van deze ziekte verlossen. Maar vertel niemand wat je mij hebt verteld. Vertel het vooral niet aan de sultan. Laat je hart een graf zijn voor jouw geheimen.”

De arts verliet de patiënte en ging rechtstreeks naar de sultan. Hij vertelde hem enigszins waar het om ging en zei: “Wat er voor de behandeling moet gebeuren, is dat die juwelier zo snel mogelijk hierheen wordt gebracht. Stuur hem goud en rijkversierde kleding als geschenken om hem over te halen. Nodig hem vanuit Samarkand hierheen uit.”

Daarop stuurde de sultan twee van zijn bekwame mannen naar Samarkand. De gezanten gingen naar de juwelier en overhandigden hem de geschenken van de sultan. Zij vertelden hem dat zijn vakmanschap tot ver buiten de stad bekend was en dat hun sultan hem daarom graag als hoofdjuwelier aan zijn hof wilde hebben. Zij vertelden hem over de vrijgevigheid van hun sultan en hoe overvloedig hij zijn gunsten en giften uitdeelde.

De juwelier liet zich verleiden door de oogverblindende geschenken, de vleierijen die zijn trots streelden en de aantrekkingskracht van de hem beloofde positie.

Hij verliet de stad waar hij woonde en zijn gezin en kwam naar het paleis van de sultan.

De arts ontving de juwelier die naar het paleis was gekomen. Hij nam hem mee en bracht hem voor de sultan. De sultan overlaadde de juwelier met vele blijken van waardering en gunsten. Hij vertrouwde hem het beheer over zijn goudschat toe.

Daarop zei de arts: “O grote sultan! Geef ook die slavin aan deze juwelier, zodat de slavin eveneens kan genezen.”

Daarop schonk de sultan de mooie, maangezichtige slavin aan de juwelier. Ongeveer zes maanden lang genoten zij van hun samenzijn en bereikten zij wat zij verlangden. De slavin genas volledig.

Daarna bereidde de arts een drankje voor de juwelier. Toen de juwelier het drankje had gedronken, begon hij met de dag verder weg te teren.

Toen de juwelier vermagerde, werd hij steeds lelijker. Zijn gezicht werd geel en bleek. Ook het hart van het meisje koelde volledig tegenover hem af. Enige tijd later, toen de juwelier stierf, kwam er ook volledig een einde aan de liefde van het meisje.

Zij werd bevrijd van een liefde die zo mooi leek als de mooiste ter wereld en van haar ziekte. Zij werd gelouterd en volkomen zuiver.

[In dit verhaal staat de sultan symbool voor onze rūḥ, de slavin voor onze nafs, en de arts voor de murshid-i kāmil (volmaakte geestelijke leider). De juwelier is een symbool van de liefde voor de wereld en de verlangens naar wereldse zaken.

Hoewel de rūḥ, die door de sultan wordt voorgesteld, in alle opzichten met verheven eigenschappen is geschapen, heeft hij zijn hart aan de nafs, die door de slavin wordt voorgesteld, geschonken. Zonder rekening te houden met de ware aard van de rūḥ, is hij een gevangene van zijn nafs geworden. De nafs heeft van nature haar blik naar het lagere gericht. De liefde van de slavin voor de juwelier symboliseert de neiging van de nafs tot de wereld. De rūḥ is bedroefd omdat de nafs hem niet tot metgezel kan zijn en omdat zij ziek is. Daarom zoekt hij naar een oplossing.

Hij laat de nafs door vele artsen onderzoeken. De artsen die de nafs niet kunnen genezen, zijn valse shaykhs.

De rūḥ zoekt naar een bekwame en deskundige arts. Deze is de murshid-i kāmil, die als een goddelijke hulp wordt gezonden.

Wanneer de rūḥ de murshid-i kāmil ontmoet, begrijpt hij dat deze zijn ware geliefde is. Hij wil ook dat de nafs aan wie hij zijn hart heeft geschonken, wordt bevrijd van haar geestelijke ziekten. Op advies van zijn murshid brengt de rūḥ de nafs in aanraking met haar wereldse verlangens. Deze vereniging zorgt ervoor dat de nafs genoeg krijgt van de materiële verlangens. Door de geneesmiddelen die de murshid geeft, verdwijnen de wereldse verlangens volledig.

Uiteindelijk, wanneer de juwelier — het symbool van wereldse verlangens en rijkdom — verdwijnt, begrijpt de nafs haar vergissing. Zij wordt bevrijd van begeerte en hartstocht en wordt een volkomen zuivere geliefde, die de rūḥ waardig is.

Het verhaal vertelt over het lijden dat de rūḥ, die in de wereld van de rūḥen een gelukkig bestaan had, na zijn komst naar de wereld ervaart doordat hij wordt meegesleept door materiële verlangens, evenals over de beproevingen en rampspoed die hij ondergaat en de middelen om daarvan bevrijd te worden.]

De kruidenier en de papegaai

Een kruidenier had een groene papegaai met een mooie stem die goed kon praten. Deze papegaai was als het ware de bewaker van de winkel. Tegen klanten die kwamen winkelen maakte hij grapjes en zei hij geestige dingen. Wanneer mensen hem iets vroegen, antwoordde hij als een mens en praatte hij op een prettige manier met hen. Ook zijn typische papegaaiengekrijs was bijzonder aangenaam.

Op een dag was de eigenaar naar huis gegaan en hield de papegaai de wacht in de winkel. Een kat stormde samen met een muis die hij achtervolgde de winkel binnen. De arme papegaai, die door angst voor zijn leven niet meer wist wat hij moest doen, probeerde alle kanten op te vluchten. Toen hij naar een hoek van de winkel sprong, stootte hij daar enkele flessen met rozenolie om. De flessen braken en de olie stroomde eruit. De hele winkel werd een grote chaos.

De winkelier, die nergens van op de hoogte was, kwam terug naar zijn winkel. Toen hij om zich heen keek en begreep wat er was gebeurd, werd hij woedend. Omdat er olie over de papegaai heen was gemorst, dacht hij dat de papegaai dit had veroorzaakt. In zijn woede sloeg hij de papegaai op zijn kop. En door die ene klap gebeurde het onherstelbare: de veren op de kop van de papegaai vielen uit. Hij werd kaal, verloor zijn spraak en kon niet meer praten.

De kruidenier kreeg berouw van wat hij had gedaan en begon te jammeren en te klagen, maar het mocht niet baten. Hij trok zich de haren uit het hoofd en de baard en klaagde: “Had mijn hand maar gebroken mogen worden, dan had ik mijn lieve, welbespraakte papegaai maar nooit geslagen!”

Maar zijn spijt was tevergeefs. De papegaai zat met zijn kale kop stilletjes en teruggetrokken voor zich uit te staren.

Om ervoor te zorgen dat de papegaai zijn vroegere vrolijkheid zou terugkrijgen, gaf de kruidenier aalmoezen en geschenken aan de mensen om hem heen. Ondanks het verstrijken van dagen zei de vogel geen woord. De kruidenier was verbijsterd en stond met tranen in zijn ogen, omdat hij dacht dat de papegaai misschien nooit meer zou spreken.

Hij probeerde hem op allerlei manieren op te vrolijken en maakte allerlei vreemde en merkwaardige geluiden om hem aan het praten te krijgen, maar niets hielp.

Terwijl de eigenaar hiermee doorging, liep er op een gegeven moment een darwish met een kaal hoofd voor de winkel langs. Toen de papegaai hem zag, begon hij plotseling weer te spreken.

Hij riep de darwish toe: “Hé, vriend! Hoe komt het dat jij zo kaal bent geworden? Of heb jij soms ook de flessen met rozenolie omgestoten?”

Toen de aanwezigen deze woorden van de papegaai hoorden, begonnen ze te lachen.

De papegaai dacht namelijk dat de kale darwish, net als hijzelf, de flessen met rozenolie had omgestoten en dat zijn eigenaar hem daarom op zijn hoofd had geslagen, waardoor zijn haar was uitgevallen.

Dat de papegaai zichzelf met de darwish vergelijkt, is beperkt tot zijn eigen kennis en ervaring. De darwish verkeerde in die toestand vanwege de tarīqah (de mystieke weg) waaraan hij verbonden was en de mashrab (mystieke richting) die hij volgde. De papegaai wist dit niet en zijn beoordeling ervan zorgde ervoor dat de mensen om hem heen om hem moesten lachen.

[Dat mensen zich eveneens vergissen in hun oordeel over de awliyāʾ (vrienden van Allāh) heeft dezelfde oorzaak. Mensen vergelijken de awliyāʾ met zichzelf en met hun eigen nafs.

De helderheid van bitterwater en zoet water kan hetzelfde zijn. Om beide van elkaar te kunnen onderscheiden, moet men ervan proeven. Om de awliyāʾ te kunnen beoordelen, moet men die spirituele rang en toestand zelf ervaren en proeven.

Vergelijkingen die wij maken zonder over de benodigde kennis te beschikken, kunnen ertoe leiden dat wij, net als de papegaai, in een belachelijke situatie terechtkomen.]

De meester en zijn schele leerling

Een meester had een schele leerling. Op een dag vroeg de meester zijn leerling om naar de voorraadkamer te gaan en de fles die op de plank stond, mee te brengen.

De schele leerling ging naar de voorraadkamer. Toen hij naar de plank keek, zag hij twee flessen. Hij ging terug naar zijn meester en vroeg: “Meester, er staan twee flessen op de plank. Welke moet ik meenemen?”

De meester antwoordde: “Mijn jongen, er staat maar één fles op die plank. Houd op met scheel kijken en neem die ene fles mee.”

De leerling protesteerde: “Meester, word alstublieft niet boos op mij. Ik heb twee flessen op die plank gezien. Zeg me maar welke je wilt, dan zal ik die meenemen.”

Toen de meester begreep dat hij de jongen niet van zijn ongelijk kon overtuigen, zei hij: “Goed dan, breek één van die twee flessen en breng de andere mee.”

De leerling ging terug naar de voorraadkamer. Hij sloeg één van de flessen op de grond en verbrijzelde het. Toen merkte hij dat beide flessen uit zijn gezichtsveld waren verdwenen.

[De verlangens en woede van mensen zorgen ervoor dat zij de werkelijkheid vertroebeld waarnemen en daardoor de waarheid niet kunnen zien. Zij houden er geen rekening mee dat de fout misschien bij henzelf ligt.]

Âdāb (goede omgangsvormen)

In de tijd van Mūsā (عليه السلام) kwam het levensonderhoud van de Zonen van Isrāʾīl uit de hemel. Zonder enige moeite of beproeving werden zij gevoed uit de overvloedige gunst en vrijgevigheid van Allahu Taʿālā.

Onder het volk van Mūsā (عليه السلام) waren veel onwetenden die de waarde en betekenis van deze goddelijke hulp niet kenden. Uit ondankbaarheid voor de hun geschonken gunsten zeiden zij: “Wij willen de groenten en gewassen die op aarde groeien, zoals uien, knoflook en linzen.”

Deze onbetamelijkheid van hen had tot gevolg dat de hemelse tafel niet langer voor hen werd neergelaten. Hun brood kwam niet meer. Zij konden niet langer het vlees van kwartels en de manna (het voedsel dat volgens de islamitische traditie aan de Zonen van Isrāʾīl werd geschonken) vinden. Om in hun voedselbehoefte te voorzien, moesten zij de aarde bewerken. Zij maakten tuinen aan, ploegden akkers en zaaiden en oogstten gewassen. Het enige wat zij ervoor terugkregen, was vermoeidheid.

Mūsā (عليه السلام) werd opnieuw bemiddelaar voor hun. Hij smeekte zijn Rab. Allāh, wiens vrijgevigheid overvloedig is, liet vanuit de hemel een tafel vol schalen met allerlei gunsten neerdalen.

Ditmaal waarschuwde Mūsā (عليه السلام) hen smekend: “Deze tafel is blijvend. Zij zal niet van de aarde worden weggenomen en haar inhoud zal niet verminderen. Hebzuchtig en gretig zijn aan de tafel van Allāh, Rabu’l-ʿĀlamīn, is ondankbaarheid.”

Alsof Mūsā (عليه السلام) hen helemaal niet had gewaarschuwd, namen deze brutale mensen die verstoken waren van ādāb heimelijk voedsel van de tafel die voor hen was neergedaald. Door de hebzucht van deze ongemanierde mensen met het karakter van bedelaars werd deze poort van goddelijke barmhartigheid gesloten.

[Hebzucht is een oorzaak van armoede en een gebrek aan ādāb tegenover Allāh. Laten wij onszelf beheersen. Laten wij Allahu Taʿālā vragen ons tot mensen met ādāb te maken en laten wij onze Rab smeken ons ādāb te schenken.

Weet dat degene die geen ādāb heeft, verstoken zal blijven van de gunst van Allāh. Laten wij niet vergeten dat onbetamelijkheid en de schadelijke gevolgen ervan zich over de gehele gemeenschap kunnen verspreiden.]

De wrede sultan en zijn sluwe vizier

In vroeger tijden hadden de joden een tirannieke sultan. Hij was een vijand van ʿĪsā (عليه السلام). Hij onderwierp de christenen aan allerlei martelingen, liet hen verbranden en doodde hen.

De verbijsterde sultan kon maar niet aanvaarden dat Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام) beiden profeten waren die de weg van Allāh bewandelden.

Deze sultan had een vizier die nog slechter was dan hijzelf: een bedrieglijke, sluwe en intrigante man. Met zijn listen was hij zelfs in staat stromend water tot stilstand te brengen.

Op een dag zei hij tegen de sultan: “Mijn sultan, de christenen verbergen hun geloof om hun leven te redden. Bovendien kunnen we hen niet uitroeien door hen alleen maar te doden.”

De sultan zei: “Vertel me dan eens hoe we de verspreiding van het christendom en de toename van het aantal christenen kunnen verhinderen. Laten we de nodige maatregelen nemen zodat er nergens ter wereld, noch openlijk noch in het geheim, nog christenen overblijven.”

Daarop vertelde de vizier zijn listige plan: “Mijn sultan! Doe alsof u woedend op mij bent en beveel dat mijn oor en hand worden afgesneden en dat mijn neus en lip worden opengereten. Laat vervolgens op een kruispunt een galg oprichten om mij te executeren. Laat omroepers eropuit gaan om het volk bijeen te brengen. Laat er op het laatste moment iemand komen die u niet kunt weigeren en u om mijn vergiffenis vragen. Stuur mij vervolgens in ballingschap naar een ver verwijderd gebied.

Als u het zo doet, zullen de christenen mij niet wantrouwen. Dan kan ik mij gemakkelijk onder hen begeven en tweedracht en verderf verspreiden. Op de plaats waar ik naartoe wordt verbannen, zal ik tegen hen zeggen: ‘Ik was in het geheim christen geworden. De sultan heeft mijn geheim ontdekt en heeft mij deze wreedheden aangedaan. Als de geestelijke hulp van ʿĪsā (عليه السلام) mij niet had bereikt, zou hij mij vanwege mijn joodse geloof hebben gedood. Ik beschouw het als een grote eer dat ik mijn leven en zelfs mijn hoofd voor ʿĪsā (عليه السلام) mag geven.

Ik ken alle voorschriften van sultans godsdienst. Het doet mij groot verdriet dat het christendom in handen van onwetenden is gebleven. Ik ben bedroefd. Sinds wij de gordel van het christendom om onze middel hebben gebonden, ben ik bevrijd van het jodendom. Alle lof en dank aan Allāh en ʿĪsā (عليه السلام).

Ik ben de gids op het pad van deze ware godsdienst. O mensen, dit is het tijdperk van ʿĪsā (عليه السلام).

Luister met heel uw hart en oprecht naar de voorschriften van zijn godsdienst.’ Zo zal ik mijn preken beginnen.”

De sultan vond de list van de vizier bijzonder slim. Hij vond het een uitstekend plan. Hij voerde onmiddellijk alles uit wat de vizier had gevraagd. Hij verbande zijn vizier naar een gebied waar veel christenen woonden.

Het volk was zeer verbaasd over wat de vizier was overkomen. Op de plaats waar hij was verbannen, begon de vizier de mensen tot zijn geloof op te roepen.

Langzamerhand verzamelden de christenen zich om hem heen. In het geheim vertelde de vizier hun over de geheimen van de Injīl (Evangelie) en de gebeden.

Hoewel hij uiterlijk de voorschriften van het christendom uitlegde, waren zijn woorden slechts lokaas om de christenen in de val te lokken. De ongelovige vizier deed alsof hij hen godsdienstige raad gaf, zoals iemand knoflook in amandelpasta verbergt. Zijn woorden waren als een zoete siroop waarin gif was vermengd.

De oprechte christenen voelden de bitterheid achter zijn woorden, maar konden die niet volledig doorgronden. De onwetende christenen en degenen met weinig inzicht hadden hun hart volledig aan de bedrieglijke vizier overgegeven. De vizier was voor hen inmiddels de vertegenwoordiger van ʿĪsā (عليه السلام) op aarde geworden, en zijn woorden waren als ringen om hun hals. In korte tijd verzamelde hij honderdduizenden christenen om zich heen die zo aan hem gehecht waren dat zij op zijn bevel bereid waren de dood tegemoet te gaan. Zij twijfelden geen moment aan zijn oprechtheid.

In de tussentijd stelde de vizier voor elk van de twaalf amîrs een boekje samen waarin hij de beginselen van het christendom uiteenzette. Elk boekje stond vol met andere voorschriften dan de overige boekjes. De geboden en verboden van de godsdienst stemden onderling niet met elkaar overeen.

In het ene boekje werd riyāḍah (disciplineren en zuiveren van de nafs door geestelijke oefeningen en zelfbeheersing.) en vasten als de basis van berouw en als voorwaarde voor de terugkeer tot Allāh voorgesteld, terwijl in een ander boekje stond dat vasten de mens geen enkel voordeel zou brengen. Volgens dat boekje was vrijgevigheid voldoende om Allāh te vinden.

In een ander boekje werd verklaard dat zowel hongerlijden als vrijgevigheid gelijkstond aan het toekennen van deelgenoten aan Allāh. Volgens dat boekje was tawakkul (het stellen van vertrouwen in Allāh) en volledige overgave aan Allāh het begin van alles.

In weer een ander boekje werd, volledig in tegenstelling tot de gedachte die in het vorige boekje was uiteengezet, gesteld dat wat een dienaar moest doen, dienstbaarheid en aanbidding was en dat tawakkul zonder aanbidding en dienstbaarheid een zonde was.

Geen van de boekjes die de sluwe vizier had samengesteld, stemde met de andere overeen. Wat in het ene boekje werd aanbevolen, werd in een ander verboden en als een zonde beschouwd.

Na enige tijd trok de vizier zich, overeenkomstig zijn list, terug en stopte hij met preken en het geven van raad. Hij verbleef veertig tot vijftig dagen in khalwah (afzondering voor aanbidding en meditatie). Hij liet degenen die in hem geloofden branden in het vuur van de scheiding. Het volk werd radeloos omdat zij verstoken waren geraakt van zijn rustgevende toestand, zijn mooie manier van spreken en het genot van zijn gesprekken. Zij gingen naar hem toe, smeekten en baden hem, klaagden en jammerden. Zij verklaarden dat zij als blinden midden op de weg zonder gids waren achtergelaten.

De vizier zei tegen hen: “Mijn ziel is bij mijn vrienden, maar ik heb geen toestemming om mijn khalwah te verlaten.”

Degenen die in hem geloofden, zeiden: “O edelmoedige! Sinds wij van jou gescheiden zijn, hebben wij alles verloren. Wij zijn zowel geestelijk als in ons geloof als wezen achtergelaten. Als wij een fout hebben gemaakt, vergeef het ons dan. Doe ons geen pijn.”

De vizier zei: “Als jullie in mij geloven en mij vertrouwen, en als jullie mijn volmaaktheid erkennen, waarom blijven jullie dan aandringen? Ik wil mij bezighouden met de toestand van mijn hart.”

De gelovigen zeiden: “O vizier! Wij ontkennen jouw volmaaktheid niet. Wij smeken je onder tranen, omdat wij lijden onder de pijn van de scheiding van jou.”

Vanuit de plaats waar hij zich in khalwah (het zich tijdelijk afzonderen van mensen en wereldse bezigheden om zich volledig te richten op ʿibādah, dhikr, meditatie en geestelijke zuivering) had teruggetrokken, sprak de vizier hen als volgt toe: “Van ʿĪsā (عليه السلام) heb ik een bevel ontvangen: ‘Scheid je van al je vrienden en naasten en blijf alleen.’”

De vizier trok zich niets aan van het smeken, jammeren en klagen van degenen die van hem hielden. Hij bleef in zijn khalwah.

Na enige tijd liet hij de amîrs bij zich komen. Hij sprak ieder van hen afzonderlijk en zei tegen elk van hen: “Na mij zul jij mijn plaats innemen. Jij zult het christendom aan de mensen verkondigen. Jij bent de enige vertegenwoordiger van de ware godsdienst. Maar zolang ik leef, mag je dit geheim aan niemand onthullen.”

Daarbij gaf hij ieder van hen een van de boekjes die hij eigenhandig had geschreven.

Ook met betrekking tot de boekjes gaf hij hun de volgende nadrukkelijke opdracht: “Het ware christendom dat ʿĪsā (عليه السلام) aan de mensheid heeft gebracht, staat in dit boekje geschreven. Alles wat buiten het boek dat ik jou heb gegeven staat, is onjuist.”

Daarna sloot de vizier zich veertig dagen lang achter zijn deur op. Op de veertigste dag maakte hij een einde aan zijn eigen leven.

Toen het volk van zijn dood hoorde, werd het bij zijn graf een plaats als de Dag der Opstanding. Een maand lang bleven zij bij zijn graf zitten, huilend, jammerend en rouwend om hem. Toen de pijn van de rouw wat was verzacht, zei het volk:

“O amîrs! Wie van jullie zal de plaats van de vizier innemen? Laat het ons weten, zodat wij hem kunnen volgen. Wij willen onze handen en onszelf aan hem toevertrouwen. Laat hij een kaars zijn in de plaats van onze ondergegane zon.”

Een van de amîrs, de leiders van de twaalf groepen, trad naar voren en zei: “Die grote man heeft mij als zijn plaatsvervanger en khaliefah achtergelaten. Dit boekje dat ik in mijn hand heb, is het bewijs van mijn woorden.”

Een andere amîr trad naar voren en zei: “Nee, ík ben de ware khaliefah.”

Alle twaalf de amîrs beweerden dat zijzelf de ware khaliefah en plaatsvervanger waren. Iedere amîr had in de ene hand een zwaard en in de andere een boekje. Als dronken olifanten vielen zij elkaar aan. Iedere amîr begon, samen met zijn aanhangers, een strijd om het khalifaat. Zij vochten en bevochten elkaar, en honderdduizenden christenen werden gedood. Torens werden gevormd van afgehakte hoofden.

Zo kwamen de zaden van de fitnah (maatschappelijke onrust) die de vizier had gezaaid, tot bloei. Er ontstonden verdeeldheid en afscheiding onder degenen die in de godsdienst van ʿĪsā (عليه السلام) geloofden. Zo bereikte de vizier, ten koste van zijn eigen leven, uiteindelijk zijn doel.

[In dit verhaal wordt verwezen naar de volgende āyāt van de edele Qurʾān:

مِنَ ٱلَّذِينَ فَرَّقُواْ دِينَهُمۡ وَكَانُواْ شِيَعٗاۖ كُلُّ حِزۡبِۭ بِمَا لَدَيۡهِمۡ فَرِحُونَ ٣٢

Behorend tot degenen die hun godsdienst hebben opgesplitst en en tot sekten zijn geworden, iedere sekte verheugt zich met wat het heeft. (ar-Rūm 30:32)

قُلۡ يَٰٓأَهۡلَ ٱلۡكِتَٰبِ تَعَالَوۡاْ إِلَىٰ كَلِمَةٖ سَوَآءِۭ بَيۡنَنَا وَبَيۡنَكُمۡ أَلَّا نَعۡبُدَ إِلَّا ٱللَّهَ وَلَا نُشۡرِكَ بِهِۦ شَيۡـٔٗا وَلَا يَتَّخِذَ بَعۡضُنَا بَعۡضًا أَرۡبَابٗا مِّن دُونِ ٱللَّهِۚ فَإِن تَوَلَّوۡاْ فَقُولُواْ ٱشۡهَدُواْ بِأَنَّا مُسۡلِمُونَ ٦٤

Zeg: “O Mensen van het Boek, kom tot een gelijkluidend woord dat tussen ons en jullie: dat wij geen ander aanbidden dan Allāh en dat wij Hem geen deelgenoten toekennen. En dat wij elkaar niet als heren naast Allāh plaatsen.” Als zij zich dan afkeren, zeg dan: “Wees getuigen dat wij moslims zijn.” (Āl ʿImrān 3:64)]

Het kind dat in het vuur werd geworpen

Er was een joodse sultan die zijn macht in deze wereld gebruikte om degenen die in ʿĪsā (عليه السلام) geloofden te onderdrukken. Hij stamde uit dezelfde dynastie als de sultan die samen met zijn vizier de christenen tegen elkaar had opgezet. Deze sultan had een methode gevonden die paste bij zijn wreedheid om af te rekenen met degenen die in ʿĪsā (عليه السلام) geloofden.

Hij liet midden in de stad een laaiend vuur aansteken en plaatste er een afgodsbeeld naast. Christenen die niet voor dat afgodsbeeld neerbogen, liet hij in het vuur werpen.

Op een dag brachten zij een vrouw met haar kind in haar armen en eisten van haar dat zij voor het afgodsbeeld zou neerbuigen. Toen de mannen van de sultan merkten dat de vrouw aarzelde om zich neer te buigen, rukten zij het kind uit haar armen en wierpen het in het laaiende vuur.

“Als je niet neerbuigt, zul jij ook in het vuur worden geworpen,” zeiden zij.

De arme moeder was door het lijden van haar kind volledig gebroken. Juist toen zij in haar verbijstering op het punt stond voor het afgodsbeeld neer te buigen, klonk er vanuit het vuur de stem van haar kind: “Moeder, buig niet voor het afgodsbeeld. Kom naar mij toe. Ik ben hier heel gelukkig. Ik bevind mij te midden van schoonheden die ik nooit eerder heb gezien.”

Daarop kwam de moeder uit haar verbijstering tot zichzelf en rende zij tussen de vlammen door het vuur in. Na haar begonnen ook de mensen die zich daar hadden verzameld, zichzelf in het vuur te werpen. De dienaren van de sultan konden niet verhinderen dat de mensen zichzelf in het vuur wierpen.

Zelfs bij het zien van dit alles kreeg de sultan geen medelijden. Hij werd boos op het vuur en zei: “Wat is er met jouw vermogen om te verbranden gebeurd?”

Het vuur antwoordde de sultan: “Ik ben slechts een dienaar die een bevel uitvoert. Zonder het bevel van Allāh kan ik niemand verbranden.”

Het vuur van deze wereld, dat voor de gelovigen tot vrede was gemaakt, wakkerde zijn vlammen verder aan en verspreidde zich rondom. Het omringde de wrede sultan en degenen die hem dienden, verbrandde hen en maakte hen tot as.

[Hierin ligt een oproep aan degenen die in Allāh geloven. O gelovigen! Verdraag moeilijkheden om tegen de nafs in te gaan en de shayṭān (duivel) niet te volgen. Ga daarom het vuur van geduld binnen. Zo zullen jullie de gunsten ontvangen die Allāh aan Ibrāhīm (عليه السلام) schonk. Jullie zullen aanzitten aan de tafel van gunsten midden in het vuur.]

De voorraadschuur en de muis

Wij zijn als mensen die in de voorraadschuur die “deze wereld” wordt genoemd, tarwe verzamelen. We vullen onze voorraadschuur met tarwe, maar we beseffen niet dat de hoeveelheid tarwe die we hebben verzameld ondertussen steeds verder afneemt.

We staan er niet bij stil dat de reden waarom onze tarwe zo snel minder wordt, een muis is die de voorraadschuur is binnengedrongen. We zien niet dat deze muis met allerlei listen en trucs onze tarwevoorraad leegeet.

Deze muis heeft gaten onder onze voorraadschuur geknaagd. Hij eet voortdurend van de tarwe die wij erin opslaan. Zo gaat al onze inspanning verloren.

O jij die de Waarheid zoekt! Eerst moet je een oplossing vinden om van de muis af te komen. Pas nadat je de muis hebt verdreven, kun je je voorraadschuur vullen zoals je wilt.

[Al onze goede daden, werken, aanbiddingen, menselijke gedragingen en hulp aan anderen zijn voor ons als korrels tarwe van beloning die wij in de voorraadschuur van het hiernamaals opslaan. De muis die deze geestelijke voorraadschuur berooft, is onze nafs en haar verlangens.

Om te voorkomen dat onze daden verloren gaan, moeten wij de muis van de nafs uit de voorraadschuur van ons hart verdrijven.]

De sultan en Laylā

De sultan van die tijd raakte nieuwsgierig naar het meisje dat Majnūn door haar liefde tot waanzin had gedreven. Hij gaf zijn dienaren opdracht haar te vinden en voor hem te brengen, omdat hij haar wilde zien.

Zijn dienaren vonden Laylā en brachten haar voor de sultan. De sultan had zich voorgesteld dat Laylā een van de mooiste en meest aantrekkelijke meisjes ter wereld was. Toen hij voor zich echter een slank, donkergekleurd woestijnmeisje zag staan, was hij verbaasd en zei vol verwondering:

“Ben jij werkelijk Laylā, degene die Majnūn tot waanzin heeft gedreven en ervoor heeft gezorgd dat hij alles achter zich liet en de woestijn introk? Je bent niet eens zo mooi. Er zijn immers zoveel meisjes die veel mooier zijn dan jij.”

Laylā antwoordde de sultan onmiddellijk: “Mijn sultan, zwijg! Want jij bent Majnūn niet. Om mijn schoonheid te kunnen zien, moet je met de ogen van Majnūn kijken. Ik ben mooi in de blik van Majnūn.”

[Zoals Majnūn zichzelf tot Laylā beperkte, zo leven degenen die hun hele doel op de wereld en wereldse verlangens richten zonder kennis van de schoonheden van de geestelijke en spirituele wereld.]

Oneerbiedigheid tegenover de Boodschapper van Allāh

Op een dag sprak iemand, uitsluitend om de spot te drijven, de naam van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) uit terwijl hij zijn mond verdraaide. Onmiddellijk kreeg hij daarvan de gevolgen te verduren. Zijn mond raakte scheef en bleef zo staan.

Daarna schaamde hij zich diep voor wat hij had gedaan. Vol berouw kwam hij naar de Boodschapper van Allāh en zei: “O Muḥammad, die kennis heeft van de goddelijke kennis en de geheimen van de kennis van het verborgene! Vergeef mij. Uit onwetendheid heb ik de spot gedreven met uw naam. Terwijl ikzelf degene ben met wie de spot gedreven zou moeten worden.”

[Als je iemand wilt leren kennen en zijn verborgen gedachten aan het licht wilt brengen, informeer dan naar zijn oordeel over goede en zuivere mensen.]

De cirkel van Hūd (عليه السلام) en Shaybān ar-Rāʿī

Toen de bestraffing van Allāh over het volk van Hūd (عليه السلام) kwam, verzamelde hij degenen die in hem geloofden om zich heen. Hij trok een cirkel om hen heen. De hevige storm die Allāh had gezonden om de opstandelingen te vernietigen, blies binnen de cirkel zacht als een ochtendbries en deed de gelovigen geen kwaad. Degenen die buiten de cirkel waren gebleven, werden daarentegen door de wind door de lucht geslingerd en tegen de grond gesmeten.

Ook Shaybān ar-Rāʿī, een van de awliyāʾ van de ummah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), trok, wanneer hij naar de vrijdagṣalāh ging, een cirkel om de schapen die hij als herder hoedde. Niet alleen konden de wolven de kudde niet aanvallen, zij konden de cirkel ook niet overschrijden om bij de schapen te komen. Geen enkel schaap verliet de cirkel.

[Zoals Shaybān ar-Rāʿī door de cirkel die hij trok de verlangens van zowel de wolven als de schapen in bedwang hield, zo houden de awliyāʾ die in de voetsporen van de profeten treden, degenen die van hen houden binnen de grenzen van de voorschriften van de godsdienst.]

De list van de haas

Er was eens, in een ongerept bos waar nog nooit een bijl was doorgedrongen, een leeuw met sterke klauwen, een luide brul en een angstaanjagende verschijning. Alle dieren in het bos waren het zat dat deze leeuw op jacht ging om zijn buik te vullen. Omdat er iedere dag één van hen verdween, begonnen ze te trillen van angst: “Zal ik vandaag aan de beurt zijn?”

Op een dag kwamen de dieren bijeen in een mooie vallei van het bos om een einde te maken aan deze angst. Omdat er onder hen geen enkel dier was dat de leeuw aankon, besloten ze dat de beste oplossing was om iedere dag één van hen als voedsel aan de leeuw aan te bieden. Elke dag zou er worden geloot en het dier dat werd aangewezen, zou uit eigen wil naar de leeuw gaan en zich als voedsel aan hem aanbieden. Zo zouden de andere dieren zonder angst door het bos kunnen rondlopen.

Ze gingen naar de leeuw en legden hem hun voorstel voor. De leeuw zei: “Als ik erop kon vertrouwen dat jullie geen bedrog zouden plegen en je aan jullie woord zouden houden, zou het een mooi voorstel zijn. Maar ik heb al zoveel bedrog van deze en gene meegemaakt dat ik er mijn buik van vol heb. Daarom vertrouw ik jullie niet. Ik zal blijven jagen en zelf mijn levensonderhoud zoeken.”

De bewoners van het bos zeiden tegen de leeuw dat hij tawakkul (vertrouwen op Allāh) moest hebben, dat zijn levensonderhoud door tawakkul vanzelf naar hem toe zou komen en dat hij niet achter zijn prooi aan hoefde te gaan.

De leeuw antwoordde: “Om te leven moet men zich inspannen en achter zijn levensonderhoud aangaan. Men moet de ladder beklimmen die de Schepper van ons en van deze wereld voor ons heeft geplaatst. Dat is de regel. Inspanning is noodzakelijk om in leven te blijven.”

Daarom stond hij niet welwillend tegenover hun voorstel. De bewoners van het bos gaven hem talloze voorbeelden om hem ervan te overtuigen dat tawakkul voldoende was en dat Allāh het schepsel dat Hij heeft geschapen niet van honger zou laten omkomen. Uiteindelijk wisten zij de leeuw te overtuigen. Zij sloten een overeenkomst met hem en gingen uiteen.

De dieren van het bos hielden zich aan de overeenkomst. Iedere dag brachten zij het voedsel van de leeuw tot aan zijn verblijfplaats. Zo verstreken de dagen. Op een dag viel het lot op de haas. De haas kwam hiertegen in opstand en zei: “Hoe lang zal deze onderdrukking nog voortduren? Er moet iemand opstaan en hier een einde aan maken.”

De andere dieren zeiden: “Doe dat niet. Tot nu toe heeft iedereen zich eensgezind aan de afspraak gehouden. We kunnen allemaal weer rustig door het bos rondlopen. Je bent verplicht je aan ons woord en onze eed te houden.”

Daarop vroeg de haas zijn vrienden om uitstel.

Hij zei dat hij zou proberen een manier te vinden om volledig van deze ramp bevrijd te worden.

Toen zij hem vroegen wat hij van plan was, zei hij dat hij zijn geheim niet zou onthullen. Terwijl de leeuw op zijn late maaltijd wachtte, krabde hij uit woede met zijn klauwen over de grond. Toen hij de haas langzaam zag aankomen, brulde hij: “O dom dier! Ben je niet bang om mij te laten wachten? Waar ben je gebleven? Waarom kom je zo langzaam en slenterend aan?”

De haas zei: “Mijn heer, als u zo goed wilt zijn mij te vergeven, laat mij u dan de reden van mijn vertraging uitleggen.”

De leeuw antwoordde: “Bij een dwaas is zijn excuus vaak erger dan zijn fout. Ik zal alleen goedheid tonen aan wie die verdient.”

De haas zei: “Ook al ben ik uw gunst niet waardig, wat ik u ga vertellen is voor u van groot belang.”

Daarop begon hij te vertellen: “Mijn heer, vanmorgen, rond het midden van de ochtend, zijn een wat dikkere haas en ik samen naar u op weg gegaan. Onderweg verscheen er een andere leeuw voor ons. Hij wilde ons doden en opeten.

Hoewel wij tegen hem zeiden: ‘Wij zijn het voedsel van de sultan van dit bos en wij zijn op weg naar hem. Houd ons niet op,’ konden wij hem niet overtuigen.

Hij zei: ‘Wie is jullie sultan dan wel? Hoe durven jullie zijn naam in mijn bijzijn te noemen? Ik zal jullie én jullie sultan aan stukken scheuren!’

Daarop vroeg ik hem toestemming om u hiervan op de hoogte te brengen. De leeuw die ons de weg versperde, zei: ‘Dat is goed, als je je vriend bij mij als gijzelaar achterlaat.’

Ik smeekte hem uitvoerig, maar het mocht niet baten. Hij hield mijn vriend als gijzelaar bij zich en stuurde mij naar u.

Of u zorgt ervoor dat deze onbevreesde leeuw uit onze weg verdwijnt, of u kunt voortaan uw hoop op het voedsel dat u wordt gebracht, wel laten varen.”

De leeuw zei: “Kom onmiddellijk achter mij aan. Breng me naar die brutale kerel. Ik heb al honderden zoals hij hun verdiende straf gegeven; ook hem zal ik zijn straf geven.”

Daarop gingen ze op weg: de haas voorop en de leeuw achter hem aan. De haas bracht de leeuw naar een put waar hij eerder een teken had aangebracht.

Toen ze de diepe put naderden, begon de haas achterop te raken en zich zo te gedragen alsof hij erg bang was.

Toen de leeuw dit zag, werd hij nog bozer en zei: “Waarom blijf je achter? Je hoeft niet bang te zijn zolang je bij mij bent.”

De haas antwoordde: “Mijn sultan, die leeuw zit in de put daar verderop. Daarom ben ik zo bang dat ik niet verder kan lopen.”

De leeuw zei: “Wees niet bang en kom. Ik zal hem met één klauwslag uitschakelen. Loop jij maar vooruit en kijk of hij in de put zit.”

De haas zei: “Ik durf door mijn angst niet dichterbij te komen. Mijn heer, als u mij in uw armen neemt, kan ik de moed opbrengen om te kijken.”

De leeuw nam de haas in zijn armen. Samen naderden ze de put. Toen zij in de put keken, zagen zij de weerspiegeling van de leeuw en de haas op het wateroppervlak.

Toen de leeuw in de put een indrukwekkende leeuw en een dikke haas zag, wierp hij de haas die hij in zijn armen hield opzij en sprong brullend in de put.

In de diepe put verdronk de leeuw en kwam hij om het leven. De haas rende ondertussen vol vreugde naar de andere dieren om hun het goede nieuws te brengen. Onderweg danste hij van blijdschap.

Toen de dieren hoorden dat zij bevrijd waren van de leeuw die hen al lange tijd van het leven beroofde, werd het hele bos met vreugde vervuld. Ze vierden het alsof het een feestdag was. Iedereen feliciteerde de kleine haas en sprak lovende woorden over hem.

De kleine haas zei uit nederigheid: “Ik ben maar een kleine haas. Het is Allāh die kracht geeft. Hij heeft mij geholpen. Hij heeft mijn verstand kracht en mijn hart licht geschonken. Met Zijn hulp heb ik de leeuw overwonnen.”

De man die voor de Engel des Doods vluchtte

In de tijd waarin Sulaymān (عليه السلام) regeerde, kwam een man rennend naar het paleis en verscheen voor Sulaymān (عليه السلام). Zijn gezicht was lijkbleek en hij beefde van angst. Hij smeekte Sulaymān (عليه السلام) hem te helpen.

Sulaymān (عليه السلام) vroeg de man: “Wat is er met je gebeurd? Waar ben je zo bang voor?”

De arme man antwoordde buiten adem: “De Engel des Doods keek mij zo boos aan dat ik bang werd dat hij mijn ziel zou nemen. Daarom ben ik naar u toe gerend.”

Sulaymān (عليه السلام) zei: “En wat verlang je van mij?”

De man antwoordde: “O rechtvaardige sultan die levens beschermt! Uw bevel heeft macht over de wind. Beveel de wind mij naar India te brengen. Misschien kan ik dan mijn leven redden.”

Sulaymān (عليه السلام) beval de wind de man naar de plaats van zijn keuze te brengen.

De wind voerde de man naar een plaats diep in India en zette hem daar neer.

De volgende dag werd de raad gehouden en verzamelde iedereen zich in aanwezigheid van Sulaymān (عليه السلام).

Sulaymān (عليه السلام) zei tegen de Engel des Doods: “Gisteren kwam er een man naar mij toe. Hij zei dat u hem boos had aangekeken. Keek u hem zo aan omdat u hem van zijn huis, zijn gezin en zijn kinderen wilde weghalen? Wat was de reden?”

De Engel des Doods antwoordde: “O Sulaymān! Ik keek hem niet boos aan, maar verbaasd. Want Allahu Taʿālā had mij bevolen: ‘Neem vandaag de ziel van die dienaar van Mij in India.’

Toen ik die man hier zag, was ik verbaasd en zei ik bij mezelf: ‘Wat doet deze man hier? Zelfs als hij honderden vleugels had, zou het voor hem heel moeilijk zijn om India te bereiken.’ Daarom keek ik hem vreemd en verbaasd aan. Maar toen ik naar India ging, trof ik de man daaraan en heb ik mijn taak volbracht.”

[Mensen laten zich door hun hartstochten meeslepen en zijn bang voor armoede en de dood. Toch zouden wij al onze wereldse zaken moeten regelen terwijl we de werkelijkheid van de dood aanvaarden en haar voortdurend voor ogen houden.

Voor wie of waarvoor vluchten wij eigenlijk? Is het geen grote onwetendheid om te denken dat men voor Allāh kan vluchten?]

ʿUmar (رضي الله عنه) en de Romeinse gezant

Tijdens de periode van de khaliefen werd er vanuit het Romeinse Rijk, dat een groot deel van de wereld onder zijn heerschappij had gebracht, een gezant naar Madīnah gestuurd.

Na een reis van vele dagen bereikte de gezant vermoeid Madīnah. Hij vroeg waar het paleis van de khaliefah zich bevond.

Hij wilde zijn bagage uitladen en zijn paard laten rusten. Omdat hij dacht dat deze grote bestuurder, die overwinning na overwinning had behaald en wiens rechtvaardigheid alom bekend was, wel een schitterend paleis moest hebben, vroeg hij de inwoners waar het paleis zich bevond.

De inwoners van Madīnah zeiden tegen de gezant: “De khaliefah heeft geen werelds paleis, maar hij heeft wel een zeer verlicht paleis in zijn hart. Hoewel hij in de wereld bekendstaat als khaliefah en amîr, woont hij als een eenvoudige darwish in een klein huis.”

Toen de Romeinse gezant woorden hoorde die hij nog nooit eerder had gehoord, nam zijn nieuwsgierigheid om ʿUmar (رضي الله عنه) te zien nog verder toe. Hij liet zijn paard en bagage achter en werd vervuld van het verlangen deze grootse man zo snel mogelijk te ontmoeten.

Een bedoeïenen vrouw begreep dat hij een vreemdeling was die op zoek was naar ʿUmar (رضي الله عنه). Zij wees met haar hand naar een dadelpalm en zei: “Daar, onder die dadelpalm, ligt ʿUmar (رضي الله عنه).”

Toen de gezant de aangewezen boom naderde, begon hij van opwinding te beven. Hij was onder de indruk van de waardigheid van de persoon die daar lag te slapen en voelde iets aangenaams in zijn hart. Hij merkte dat twee ogenschijnlijk tegengestelde gevoelens, liefde en ontzag, tegelijkertijd in zijn hart opkwamen. Hij was verbijsterd.

Hij dacht bij zichzelf: “Ik heb tot nu toe vele koningen gezien en ben voor sultans verschenen, maar geen van hen heeft mij zo diep geraakt als deze man met zijn eenvoudige uiterlijk die hier onder deze boom ligt.”

Hij naderde hem eerbiedig, vouwde zijn handen en wachtte.

Na enige tijd werd ʿUmar (رضي الله عنه) wakker en stond op. De gezant betoonde ʿUmar (رضي الله عنه) eerbied en begroette hem.

ʿUmar (رضي الله عنه) beantwoordde de begroeting van de gezant. Hij riep de gezant, wiens hart van angst hevig klopte, bij zich en stelde hem gerust. Hij stelde hem op zijn gemak en vrolijkte hem op. Ze begonnen met elkaar te praten. Door de oprechte en hartelijke houding van ʿUmar (رضي الله عنه) werd hun gesprek steeds intiemer.

ʿUmar (رضي الله عنه) ontdekte dat deze gezant, die er uiterlijk als een vreemdeling uitzag, innerlijk wakker was en een vriend was. Hij voelde aan dat zijn ziel verlangde naar de goddelijke geheimen.

Hij vertelde de gezant over de eigenschappen van Allāh. Tijdens het gesprek vroeg de gezant:

“O amîr van de gelovigen! Hoe is de rūḥ vanuit de wereld van verhevenheden naar de aarde afgedaald? Waarom is hij, terwijl hij vrij was in de wereld van de eeuwigheid, de kooi van het lichaam binnengegaan?”

ʿUmar (رضي الله عنه) antwoordde: “De Waarheid sprak bezweringen over de rūḥ uit en vertelde hem verhalen, en de rūḥ werd door het goddelijke bevel betoverd. Sommige dingen krijgen pas betekenis wanneer zij een stoffelijke vorm aannemen. Zo worden regendruppels in oesters tot parels. Druppels bloed veranderen in de buik van een gazelle in geurige musk. En brood, dat op de tafel levenloos is, wordt in het menselijk lichaam tot een levendige rūḥ.”

De gezant voelde zich door dit antwoord bevrijd van alle zorgen die in zijn gedachten hadden geleefd en voelde dat zijn rūḥ lichter werd. Hij ontdekte wat werkelijk van belang was. Maar nu hij zo’n grote bron had gevonden, wilde hij haar niet verlaten. Om er zoveel mogelijk van te profiteren, bleef hij vragen stellen: “Wat is de wijsheid erachter dat de rūḥ, die als zuiver en helder water is, wordt opgesloten in het lichaam, dat als een troebele plaats is?”

ʿUmar (رضي الله عنه) antwoordde: “Zoals wij een betekenis die niets met klank of woorden te maken heeft, toch in woorden uitdrukken en haar op schrift stellen, zo is de rūḥ in de vorm die wij het lichaam noemen geplaatst.”

De antwoorden die de gezant op zijn vragen kreeg, bedwelmden hem alsof hij uit de beker van de betekenis had gedronken. Hij raakte buiten zichzelf. Hij vergat zowel de boodschap die hij had meegebracht als de reden waarom hij was gekomen.

Hij stond versteld van de grootheid, macht en kracht van Allāh. Toen hij dit spirituele niveau had bereikt, gaf hij zijn positie als gezant op en werd hij een koning in de wereld van de betekenis.

[Mawlānā beschrijft in deze parabel op zijn eigen kenmerkende wijze de schepping, de wijsheid en macht achter de schepping van de schepselen, de ontwikkeling binnen de schepping en het feit dat iemand die niet boven zijn nafs uitstijgt, niet anders is dan iemand die met ijzeren ketenen is vastgebonden.]

De koopman en de papegaai

Een man die handeldreef, had een mooie papegaai. Op een dag begon deze koopman zich voor te bereiden op een reis naar India voor zijn werk. Deze koopman stond bekend om zijn vrijgevigheid. Hij vroeg al zijn slaven en slavinnen één voor één: “Wat zal ik voor je meenemen uit India? Wat wil je hebben?”

Ieder van hen vroeg om iets anders. De vrijgevige en goedhartige koopman noteerde hun wensen en beloofde dat hij alles zou meebrengen.

Toen was de papegaai aan de beurt. Ook aan hem vroeg hij: “O mijn mooie vogel, wat wil jij?”

De papegaai antwoordde: “Wanneer je daar de papegaaien ziet, vertel hun dan over mijn toestand. Zeg: ‘Mijn papegaai stuurt jullie zijn salām-groet. Hij mist jullie en vraagt jullie hem te helpen een manier te vinden om uit zijn gevangenschap te worden bevrijd.’”

Vervolgens ging hij verder: “Terwijl ik hier in den vreemde verteerd word door verlangen en het verdriet van de scheiding, is het dan gepast dat jullie je vermaken en rondvliegen tussen de takken van de prachtige bomen in de groene bossen? Is dit de trouw van vrienden? Jullie leven in genot en plezier met jullie mooie, statige partners, terwijl ik hier gevangen zit. Mijn hart bloedt van verdriet. Denk ten minste in de vroege ochtend, bij het aanbreken van de dageraad, aan deze arme vreemdeling. Het is een geluk wanneer vrienden aan hun vriend denken. Meer verlang ik niet.”

De koopman stemde ermee in de salām-groet en boodschap van de papegaai over te brengen aan zijn vrienden daar. Hij maakte zijn karavaan gereed en vertrok.

Na dagenlang gereisd te hebben, bereikte hij de andere kant van India. Toen hij papegaaien in de bomen zag zitten, hield hij zijn paard stil en riep hen toe. Hij bracht hun de de salām-groet over van de papegaai die hij thuis in een kooi hield. Vervolgens bracht hij één voor één alle woorden over die de papegaai hem had opgedragen te zeggen.

Zodra de koopman was uitgesproken, begon een van de papegaaien daar enkele malen hevig te trillen. Zijn adem stokte en hij viel dood neer.

Toen hij dit zag, kreeg de koopman onmiddellijk spijt van wat hij had gezegd en van wat hij nog had willen zeggen. Hij dacht bij zichzelf: “Ik heb een zonde begaan doordat ik de dood van een levend wezen heb veroorzaakt. Waarschijnlijk was deze papegaai een familielid van mijn papegaai of iemand die hem zeer dierbaar was.”

Hij voltooide zijn handelszaken in India en keerde terug naar zijn vaderland.

Daar aangekomen gaf hij iedereen één voor één de spullen die zij hem hadden gevraagd mee te brengen.

De papegaai keek vanuit zijn kooi toe hoe de koopman de geschenken uitdeelde.

Toen hij klaar was met de slaven en slavinnen, riep hij zijn eigenaar: “Waar is mijn geschenk? Heb je mijn de salām-groet aan mijn papegaaienvrienden overgebracht? Vertel me wat zij je hebben laten weten, zodat ook ik, net als de anderen, gelukkig kan zijn.”

De koopman antwoordde: “Mijn lieve vogel! Je hebt mij iets laten doen waar ik nog steeds verdriet van heb dat ik, door naar jou te luisteren, zo onwetend heb kunnen handelen. Ik heb er enorm veel spijt van, maar wat heeft spijt nog voor nut?”

Toen de papegaai dit hoorde, werd hij nog nieuwsgieriger naar wat er was gebeurd. De koopman kon de aanhoudende vragen van zijn geliefde vogel niet weerstaan en vertelde hem alles van begin tot eind.

“Ik ben naar de plaats gegaan die je had aangewezen. Toen ik je de salām-groet en je boodschap aan je vrienden had overgebracht, kon een van hen de droefheid om jouw boodschap blijkbaar niet verdragen. Hij viel neer en stierf. Toen ik dit zag, kreeg ik er grote spijt van. Maar wat kon ik eraan doen? Ik had de boodschap nu eenmaal al overgebracht.”

De papegaai in de kooi luisterde naar wat de koopman vertelde. Eerst begon hij te trillen en vervolgens verstijfde hij volledig.

Toen de koopman zag dat zijn prachtige papegaai op dezelfde manier neerviel en dood bleef liggen, verloor hij zijn verstand van verdriet. Hij begon te huilen en te jammeren, weeklaagde en sloeg zichzelf van verdriet op de borst. Hij wierp zijn muts op de grond en riep: “O mijn prachtige papegaai! Mijn vogel met zijn lieflijke stem, mijn metgezel, mijn vertrouweling! Wat is er met je gebeurd? Waarom ben je zo geworden?”

Zo hief hij een klaaglied over zijn geliefde papegaai aan.

Toen de koopman de dode papegaai vol verdriet uit de kooi wilde halen, kwam de papegaai plotseling weer tot leven en vloog weg. Hij ging op een hoge tak zitten.

De koopman was verbijsterd door wat de vogel deed. Hij hief zijn hoofd op en zei:

“O mijn prachtige papegaai! Ik begrijp niets van deze zaak. Waar heb je deze list geleerd? Je hebt ons hiermee veel verdriet gedaan.”

De papegaai antwoordde vanaf de plaats waar hij was neergestreken: “Mijn geliefde meester!

Die vogel in India heeft mij door zijn handeling de weg gewezen. Toen hij mijn de salām-groet had ontvangen en vervolgens neerviel alsof hij was gestorven, gaf hij mij daarmee een wijze raad. Hij wilde mij zeggen: ‘Houd op met spreken en vrolijk doen. Omdat je zulke mooie woorden spreekt, ben je in die kooi opgesloten. Wil je bevrijd worden, doe jezelf dan voor als dood. Bevrijd jezelf uit je gevangenschap.’”

Vervolgens gaf hij de koopman een zeer mooie raad die zijn kijk op het leven zou veranderen:

“Mijn heer! Doe jij ook zoals ik. Sterf voordat je sterft. Bevrijd je rūḥ uit de gevangenschap van de kooi van het lichaam. Laat je rūḥ wegvliegen naar de schoonheid van zijn ware vaderland.”

De papegaai zei tegen zijn meester: “Vaarwel.”

Daarna sloeg hij zijn vleugels uit en vloog weg, in de richting van zijn vaderland en zijn vrienden.

Verborgen-regen

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op een dag naar de begraafplaats gegaan voor de begrafenis van een van zijn vrienden. Toen hij daarvandaan terugkwam, ging hij naar `Âishah (رضي الله عنها).

`Âishah (رضي الله عنها) betastte met haar handen de gezegende tulband van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zijn gezicht, zijn haren, zijn kraag, zijn borst en zijn armen.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat zoek je zo?”

`Âishah (رضي الله عنها) zei: “Vandaag was de lucht bewolkt en terwijl u op de begraafplaats was, heeft het geregend. Maar u bent helemaal niet nat geworden.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat had je toen over je hoofd gedaan?”, antwoordde `Âishah (رضي الله عنها): “Ik had uw sjaal over mijn hoofd gedaan.”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O `Âishah, wier hart volkomen zuiver is! Vanwege die sjaal heeft Allāh jou de regen van de verborgene laten zien. De regen die jij hebt gezien, is niet de regen die valt uit de hemel die jij kent. Deze regen valt uit een andere wolk, uit een andere hemel.”

[De woorden van de awliyāʾ (vrome dienaar van Allāhu Taʿālā) zijn als regen die uit de wereld van de verborgene komt.

Zij veranderen het hart van de mensen in een lente. Zij doen de jonge scheuten herleven. Zij maken de bladeren en takken groen.]

De bejaarde muzikant

In de tijd van ʿUmar (رضي الله عنه) was er een muzikant die de harp bijzonder mooi bespeelde. Wanneer nachtegalen naar hem luisterden, raakten zij buiten zichzelf. De melodieën die uit zijn muziekinstrument voortkwamen, maakten de luisteraars soms vrolijk, maar soms namen ze ook het verstand van een mens weg, gaven ze vleugels aan zijn rūḥ en voerden ze hem mee door de werelden van de verbeelding.

De tijd verstreek, de jaren gingen voorbij en de muzikant werd oud. Omdat zijn prachtige stem lelijk was geworden, verloor hij zijn aanzien. Hij was niet langer in staat iets te verdienen en was afhankelijk geworden van zelfs maar een stuk brood.

Op een dag wendde hij zich met een brandend hart in een smeekbede tot Allāhu Taʿālā. Hij zei tot zijn Rab: “Mijn Allāh! U hebt mij een lang leven en vele kansen geschonken. U hebt uw gunst niet onthouden aan een onwaardige dienaar als ik. Zeventig jaar lang heb ik, door allerlei zonden te begaan, tegen U gezondigd. Geen enkele dag hebt U mijn levensonderhoud afgesneden. Nu heb ik geen inkomsten meer. Vandaag ben ik uw gast. Ik kom bij U te gast. Ook mijn muziekinstrument zal ik voor U bespelen.”

Hij nam zijn harp en ging naar de begraafplaats. Op de begraafplaats van Madinah bespeelde hij al wenend geruime tijd zijn harp. Vervolgens maakte hij van zijn harp een kussen en viel in slaap.

Op datzelfde moment werd ook de khaliefah ʿUmar (رضي الله عنه) slaperig. Hij kon de slaap niet weerstaan. Hoewel hij dat normaal gesproken nooit deed, viel hij op dat tijdstip in slaap.

In zijn droom hoorde hij een stem die tot hem zei: “O ʿUmar! Verlos Onze dienaar van zijn behoeftigheid. Op de begraafplaats bevindt zich een oprechte dienaar van Ons. Neem 700 dinar uit de Bayt al-Māl en breng die naar deze dienaar. Zeg tegen hem: ‘Voorzie hiermee voorlopig in je behoeften. Wanneer het geld op is, kom dan opnieuw.’”

ʿUmar (رضي الله عنه) werd wakker, onder de indruk van de ontzagwekkende stem die hij in zijn droom had gehoord. Hij maakte zich onmiddellijk gereed en begaf zich naar de begraafplaats. Hij liep eromheen en maakte verschillende rondes. Hij zag niemand anders dan de bejaarde muzikant. Hij kon zich niet voorstellen dat deze bejaarde muzikant de oprechte dienaar kon zijn over wie hem in zijn droom was verteld. Hij liep opnieuw over de begraafplaats, zocht overal en kon niemand anders vinden.

Hij dacht bij zichzelf: “Hoe kan een bejaarde muzikant nu een zuivere dienaar zijn die mij als iemand die het waard is om te dienen, is aangewezen?”

Als een leeuw die in de woestijn zijn prooi zoekt, liep hij nogmaals overal rond, zowel binnen als buiten de begraafplaats en eromheen. Uiteindelijk raakte hij ervan overtuigd dat er in de omgeving niemand anders was dan de bejaarde muzikant.

“Er bevinden zich in de duisternis vele harten vol licht”, dacht hij. Vervolgens ging hij naar de bejaarde muzikant toe. Hij ging eerbiedig zitten en liet door te niezen weten dat hij was aangekomen.

De bejaarde muzikant schrok wakker. Toen hij amîru'l-mu'minīn ʿUmar (رضي الله عنه) voor zich zag, was hij verbijsterd en begon hij van angst te beven. Zijn gelaat verbleekte. Hij wilde daar weggaan, maar kon dat niet. In zijn hart zei hij: “O Rabbī! Help mij.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Wees niet bang voor mij. Ik heb je een blijde tijding van Allāhqu Taʿālā gebracht. Hij brengt je salām en vraagt hoe het met je gaat. Hij heeft dit geld voor je behoeften gestuurd. Geef het uit en kom naar mij wanneer het op is.”

Toen de bejaarde muzikant dit hoorde, begon hij van schaamte te beven en te huilen. Nadat hij geruime tijd had gehuild, zei hij: “Jij bent een sluier geworden tussen mij en mijn Rab.” Vervolgens brak hij zijn harp in stukken. Huilend en jammerend smeekte hij zijn Rab als volgt: “O mijn Allāh! Heb medelijden met mijn leven dat ik in ongehoorzaamheid heb doorgebracht. Ik heb de waarde van zelfs maar één dag van mijn leven niet ingezien. Ik heb mijn leven tevergeefs verspild. Ik heb mijn adem verspild aan het zingen van liederen. Ik ben vergeten dat ik deze wereld zou verlaten. Wee mij! De dag is voorbij en de avond is gevallen. O mijn Allāh! Ik klaag bij U over mijn nafs, die geen genoegen nam met wat U mij hebt geschonken, en ik toon berouw over alles wat ik heb gedaan.”

Het jammeren van de Hannānah palmstam

In de eerste moskee die in Madienah werd gebouwd, was er nog geen minbar (preekstoel). Op vrijdag, wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) staand zijn khuṭbah (preek) hield, leunde hij tegen een palmstam naast de miḥrāb (gebedsnis). Dit ging acht jaar lang zo door.

In die periode was het aantal moslims toegenomen. Omdat de jamāʿah (gemeenschap) zo groot was geworden, konden sommige moslims het gezegende gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet zien. Daarom werd er een eenvoudige minbar met drie treden gemaakt.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op deze minbar ging staan en zijn khuṭbah begon te houden, kwamen er jammerende geluiden uit de palmstam waartegen hij voorheen tijdens zijn khuṭbah leunde. Er werden geluiden gehoord die leken op het huilen van een baby in de wieg.

De jammerende en klagende geluiden waren zelfs voor iedereen in de moskee hoorbaar. De ṣaḥābah (metgezellen) waren verbaasd dat een levenloze stam op deze manier kon jammeren en klagen.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daalde van de nieuw gemaakte minbar af en ging naar de jammerende palmstam.

“Wat wil je, o stam?” vroeg hij.

De stam antwoordde: “Ik huil vanwege uw afscheid. Voorheen leunde u tijdens het houden van de khuṭbah tegen mij aan. Nu heeft u mij verlaten en bent u op de minbar gaan staan.”

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen de stam: “O boom, die getuige en metgezel bent van het geheim van je verbond, vertel wat je wilt. Als je wilt, zal ik je veranderen in een jonge dadelpalm, vol vruchten. Of wil je in Jannah een altijd groene, onsterfelijke cipres worden?”

De stam antwoordde:“O Rasûlullāh! Ik verlang naar onsterfelijkheid en datgene wat blijvend is.”

Daarna begroeven zij de stam in de grond, zodat hij op de Dag des Oordeels, evenals de mensen, tot leven zal worden gewekt.

[O achteloze! Hoor dit en laat jezelf niet door een boom overtreffen. Jammer ook jij, zoals de stam van Hannānah, vanwege het afscheid en geef gehoor aan de oproep van Allāhu Taʿālā. Vergeet niet je van de wereldse zaken tot Allāh te wenden. Wie zich tot Allāh wendt, komt dichter bij Hem. Wie dichter bij Hem komt, wordt begunstigd met Zijn gunst.]

De stenen in de hand van Abû Jahl

Op een dag wilde Abû Jahl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de proef stellen. Hij verborg stukjes steen in de palm van zijn hand en ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toe.

“Als jij kennis hebt van de geheimen van de hemelen en werkelijk een profeet bent, raad dan eens wat ik in mijn hand verborgen houd?” vroeg hij.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zal ik je vertellen wat er in je hand zit? Of zullen datgene wat je in je hand hebt verborgen, zelf getuigen dat ik een ware profeet ben?”

Abû Jahl zei: “Je tweede voorstel is onmogelijk, dat kan niet.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De macht van Allāhu Taʿālā is zelfs tot méér dan dat in staat”, begonnen de stenen in de hand van Abû Jahl de shahādah uit te spreken.

Elke steen zei: “Lā ilāha illā Allāh, Muḥammadur Rasûlullāh.”

Toen Abû Jahl deze woorden uit de stenen hoorde, wierp hij ze woedend op de grond.

Gezichtspunt

Op een dag zei Abû Jahl tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Onder de Zonen van Hāshim is er niemand die lelijker is dan jij.”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hoewel je je grenzen hebt overschreden, heb je toch de waarheid gesproken.”

Even later kwam Abû Bakr (رضي الله عنه) bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Hij zei: “O zon! Jij bent noch uit het oosten, noch uit het westen; straal met jouw schitterende licht.”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “O mijn dierbare vriend die zich heeft bevrijd van de waardeloze liefde voor deze wereld! Ook jij hebt de waarheid gesproken.”

De ṣaḥābah die daar aanwezig waren, waren hierover verbaasd en vroegen: “O meest eerbiedwaardige van de mensen! Er zijn twee volkomen tegengestelde dingen gezegd. U hebt tegen beiden gezegd dat zij de waarheid spraken. Hoe komt dat?”

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben een spiegel die door de hand van de macht van Allāh is gepolijst. Wie in mij kijkt, ziet zichzelf zoals hij werkelijk is.”

De taaldescundige en de zeeman

Een zelfingenomen taaldeskundige reisde per schip. Onderweg vroeg hij aan de zeeman: “Heb je ooit grammatica bestudeerd?”

De zeeman antwoordde: “Nee, dat heb ik niet.”

De taaldescundige antwoordde: “Dan is de helft van je leven verspild.”

De zeeman voelde zich ongemakkelijk door de houding van de taaldescundige, maar zei niets. Hij liet niet merken dat hij boos was.

Enige tijd later brak er een storm uit op zee. De wind dreef het schip over de golven in de richting van een draaikolk. Terwijl de zeeman tegen de golven vocht, viel zijn blik op de taaldescundige.

De zeeman vroeg met luide stem: “Meester, kunt u zwemmen?”

De taaldescundige antwoordde vanuit zijn angstig ineengedoken houding: “Nee, welbespraakte, goede zeeman, dat kan ik niet.”

De zeeman gaf de taaldescundige een goede les en zei: “Wat jammer, je hele leven is verspild. Want het schip kan niet aan deze draaikolk ontsnappen en zal zinken.”

[Met de taaldescundige worden hier de achteloze mensen bedoeld die trots zijn op hun kennis, die niets meer is dan roddel en nutteloos gepraat, en die niemand voor vol aanzien. Mensen die over dergelijke nutteloze kennis beschikken, mogen met die kennis in deze wereld misschien enig nut hebben, maar wanneer hun schip van het leven de draaikolk van de dood binnenvaart, zullen zij begrijpen dat hun kennis hun tot niets dient. In de draaikolk van de dood kunnen degenen die kennis hebben van de zaken van het hiernamaals, zwemmen.]

Het geschenk van de bedoeïen

Heel lang geleden was er een welwillende en vrijgevige khaliefah. Hij bezat alle eigenschappen die een khaliefah behoorde te bezitten. De stad Bagdad waarin hij woonde, beleefde dankzij hem in alle vier de seizoenen de lente.

In de tijd van deze khaliefah leefden een bedoeïen en zijn vrouw in de woestijn in uiterst armoedige omstandigheden.

Op een nacht begon de vrouw van de bedoeïen tegen haar man te klagen: “Iedereen leeft in comfort, terwijl wij armoede lijden. We hebben geen brood; onze zorgen zijn onze bijgerecht en ons water bestaat uit tranen. Overdag is het zonlicht onze kleding en 's nachts is het maanlicht onze deken. Wanneer de maan aan de hemel verschijnt, steken we onze handen naar haar uit omdat we denken dat het een brood is. Zelfs de armen schamen zich voor onze armoede.”

De bedoeïen antwoordde zijn vrouw: “Verspil je leven niet door te klagen over inkomsten. Wat is er eigenlijk nog van ons leven over? Het meeste is voorbij, er is nog maar weinig over. Allāhu Taʿālā voorziet al Zijn schepselen van levensonderhoud. Een verstandig mens kijkt niet naar de hoeveelheid van zijn levensonderhoud, of die nu gering of overvloedig is. Hij wordt geen gevangene van zijn hebzucht. Al onze moeilijkheden en zorgen zijn voorboden van de dood. Ze maken de dood voor ons gemakkelijker. Voor iemand die een zoet leven in overvloed heeft geleid, zal de dood bitter zijn.

Mijn lieve vrouw, kijk, het is ochtend geworden. Tot wanneer ga jij dit verhaal over onze armoede nog vertellen?

Ik ben tevreden met wat mij gegeven is. Mijn vertrouwen in mijn Rab is grenzeloos. Mijn weg is de weg van tevredenheid.”

De bedoeïen, die tevreden was met wat hij had, probeerde zijn vrouw met allerlei vriendelijke woorden tot bedaren te brengen. Met oprechtheid en een brandend hart gaf hij haar tot de ochtend advies. Maar het had geen effect.

Zijn vrouw zei: “Man! Wat heb jij nu eigenlijk bereikt met die tevredenheid? Wat heb je ermee verdiend? Wat heeft tevredenheid ons anders gebracht dan eindeloze moeilijkheden?”

De vrouw sprak nog vele andere harde en pijnlijke woorden tot haar man.

De bedoeïen zei tegen zijn vrouw: “Vrouw, ben jij wel een vrouw? Of ben je een bron van zorgen en verdriet? Ik begrijp het niet. Ik vertel je dat ik trots ben op mijn armoede, en jij wrijft mij mijn armoede juist onder de neus. Ik heb van niemand iets nodig en stel mijn hoop op niemand. In mijn hart bevindt zich een wereld van tevredenheid. Wat zou het mooi zijn als jij de armoede ook zou omarmen en er vriendschap mee zou sluiten. Als je er spirituele waarden door zou verwerven. Zijn de eer, de gunsten en de weldaden van Allāhu Taʿālā voor jou niet voldoende?

Vrouw, houd je niet langer bezig met mijn armoede en stop met ruzie maken. Versper mijn weg niet. Laat mij met rust, of anders verlaat ik het huis.”

Toen de vrouw zag dat haar man boos en geïrriteerd was geraakt, begon ze te huilen. Ze veranderde van tactiek. Met een zachte, liefdevolle manier van spreken probeerde ze haar man ervan te overtuigen: “Je weet dat ik het stof aan je voeten ben. Mijn lichaam, mijn leven, alles wat ik heb en niet heb, behoort jou toe. Ik sta tot je beschikking. Dat ik zo tegen je heb gesproken, komt door onze armoede en doordat mijn geduld op is. Ik denk aan jouw comfort en wil niet dat je arm blijft. Jij bent mijn leven. Ik houd zoveel van je dat ik alles wat ik bezit voor jou zou opofferen. Omdat ik alleen maar jouw welzijn wil, is het zo verkeerd van je om eraan te denken van mij weg te gaan. Als ik toch een fout heb gemaakt, dan bied ik mijn excuses aan.”

Terwijl de vrouw zulke mooie en lieve woorden sprak, huilde ze tegelijkertijd. De tranen van de mooie vrouw raakten het hart van haar man.

De bedoeïen zei: “Vrouw, als ik je verdriet heb gedaan en je heb gekwetst, dan bied ik mijn excuses aan. Ik wil dat je weet dat ook ik jou omwille van Allāh heel veel liefheb. Vertel mij nu openlijk welke oplossing je hebt bedacht om ons van onze armoede te bevrijden.”

De vrouw zei: “Ga naar de khaliefah in Bagdad. Zijn deur staat open voor zowel een vuuraanbidder als een moslim. Zijn vrijgevigheid tegenover behoeftigen is alom bekend. Iedereen profiteert van hem, zoals iedereen profiteert van de gezegende regen van april.”

De bedoeïen zei: “We moeten een aanleiding bedenken om bij de khaliefah te komen. Kun je met lege handen naar hem toe gaan?”

Zijn vrouw zei: “Neem een kruik met zoet regenwater mee naar de khaliefah. In de schatkamer van de sultan bevinden zich veel kostbare goederen, maar zulk zoet water heeft hij niet.”

Het voorstel van zijn vrouw sprak ook de man aan.

Hij zei tegen zijn vrouw: “Sluit de opening van de kruik goed af. Wikkel de buitenkant in een mooi stuk vilt en naai het vast. Laat mijn sultan zijn vasten met dit water verbreken.

Werkelijk, nergens anders ter wereld zal men zulk heerlijk water kunnen vinden.”

De volgende dag ging de bedoeïen op weg. Hij reisde dag en nacht. Hij lette er ook heel goed op dat er niets met de kruik zou gebeuren. Hij bereikte veilig en wel Bagdad. Hij vroeg waar het paleis van de khaliefah was en kwam dat te weten. De beambten bij de poort van het paleis ontvingen hem met een glimlach.

Ze spraken vriendelijke woorden tot hem, zoals: “De armen hebben de vrijgevigen nodig, en de vrijgevigen hebben de armen nodig”, en lieten hem naar binnen.

De beambten vroegen de bedoeïen: “O eer van de Arabieren, waar kom je vandaan? Hoe is je reis verlopen? Ben je vermoeid?”

De bedoeïen antwoordde: “Met jullie vriendelijke woorden bewijzen jullie mij eer. Als jullie je van mij afwenden, blijf ik berooid achter. Ik ben een vreemdeling die uit de woestijn is gekomen, in de hoop op de gunst van de sultan.”

De bedoeïen reikte de beambten de kruik met het bezonken regenwater aan en zei: “Deze groene, nieuwe kruik met daarin heerlijk bezonken regenwater is mijn geschenk aan mijn sultan. Breng dit geschenk naar de sultan. Moge door de vrijgevigheid van mijn sultan een arme van zijn armoede worden bevrijd.”

De beambten kregen door de oprechtheid van de bedoeïen bijna de neiging om te lachen. Ze lachten echter niet, omdat de goede eigenschappen van de sultan ook op al zijn beambten hun invloed hadden uitgeoefend.

De khaliefah aanvaardde het geschenk van de bedoeïen en bedankte hem. Hij gaf opdracht de kruik met goud te vullen en haar aan de bedoeïen terug te geven.

Tegen zijn mannen zei hij: “De weg door de woestijn is lang en zwaar. Breng deze arme man per schip over de rivier Tigris naar zijn land. Dat is een kortere route.”

De beambten brachten de bedoeïen naar de oever van de Tigris om hem aan boord van het schip te laten gaan. Toen de bedoeïen de Tigris zag, die met zijn verrukkelijk zoete water krachtig stroomde, schaamde hij zich diep.

Hij was niet zozeer onder de indruk van het feit dat de sultan hem een kruik vol goud had geschonken, maar vooral van zijn edelmoedigheid: de sultan had het regenwater dat hij in zijn kruik had meegebracht, aanvaard. Hij bewonderde deze daad, die getuigde van zoveel fijngevoeligheid en hoffelijkheid.

[Mawlânâ heeft zelf uitgelegd wat de personen in dit verhaal symboliseren. De bedoeïen symboliseert het verstand en zijn vrouw symboliseert de nafs. Zowel de nafs als het verstand zijn noodzakelijk om het goede van het kwade te kunnen onderscheiden. Deze twee wonen in het huis van het lichaam, dat uit aarde is geschapen. Dag en nacht voeren zij strijd met elkaar.

De vrouw, oftewel de nafs, brengt voortdurend de behoeften van het huis van het lichaam ter sprake. Zij verlangt eer, zij verlangt status, zij verlangt kleding, zij verlangt brood en zij verlangt een gedekte tafel. Zoals de vrouw in het verhaal doet, gebruikt ook de nafs verschillende tactieken om haar verlangens te bereiken. Soms wordt zij hoogmoedig, soms werpt zij haar gezicht ter aarde en soms toont zij tawāḍuʿ (bescheidenheid).

Het verstand is vrij van lichamelijke verlangens en begeerten. Het leeft met liefde voor Allāhu Taʿālā en met de angst om de liefde voor Allāhu Taʿālā te verliezen.

Met de kruik van de bedoeïen wordt het lichaam van de sālik (de persoon die de weg naar geestelijke zuivering en nabijheid tot Allāhu Taʿālā bewandelt) bedoeld. Het water daarin staat voor de geringe hoeveelheid van zijn daden en kennis. De khaliefah vertegenwoordigt de murshid-i kāmil (volmaakte geestelijke leider). De rivier Tigris staat voor de maʿrifatullāh (diep, innerlijk en spiritueel kennen van Allāhu Taʿālā) waarover de murshid-i kāmil beschikt.

Om profijt te trekken van de kennis van maʿrifatullāh waarover de murshid-i kāmil beschikt, moet men met een lege kruik naar zijn deur gaan.]

De leeuw, de wolf en de vos die op jacht gingen

Op een dag gingen een leeuw, een wolf en een vos naar de bergen om te jagen. Ze spraken met elkaar af elkaar tijdens de jacht te helpen.

Dankzij hun onderlinge hulp zouden ze in het uitgestrekte gebied meer wild kunnen vangen. Hoewel de leeuw het eigenlijk moeilijk vond om vriendschap te sluiten met de wolf en de vos, beschouwde hij hun gezelschap als een gunst en een blijk van zijn vrijgevigheid.

Alles verliep voorspoedig. Ze vingen een wilde os, een berggeit en een konijn. Ze sleepten hun prooi, onder het bloed, naar een waterrijke plek tussen de bomen. Ze waren erg vermoeid en bovendien erg hongerig. Vooral bij de wolf en de vos begon het water hun in de mond te lopen; zij waren er gretig op uit zo snel mogelijk hun deel te krijgen. Ze wachtten tot de koning van het woud deze prooien rechtvaardig zou verdelen.

De leeuw merkte de hebzucht van de wolf en de vos op. Hij zei echter niets. Terwijl hij hen glimlachend aankeek, dacht hij bij zichzelf: “Met degene die geen vertrouwen heeft in de verdeling die ik zal maken en in mijn rechtvaardigheid, weet ik wel raad.”

De leeuw zei: “O ervaren en oude wolf, verdeel de dieren die we hebben gevangen op rechtvaardige wijze onder ons. Stel een nieuwe vorm van rechtvaardigheid in. Jij bent mijn plaatsvervanger.”

De wolf zei: “Mijn sultan! Deze grote en stevige wilde os past bij uw grootheid. Hij past bij uw kracht en uw welgedane gestalte. De geit is middelgroot en past daarom bij mij. Aangezien de vos de kleinste van ons is, komt het kleinste deel van onze prooi, het konijn, hem toe.”

De leeuw werd woedend over deze verdeling en brulde: “O wolf! Ik begrijp niet goed hoe je de verdeling hebt gemaakt. O ezel die niet weet wat zijn plaats is! Kom hier en ga voor mij staan, en zeg het nog eens.”

Toen de wolf dichterbij kwam, gaf de leeuw hem een klap met zijn klauw en verscheurde hem.

De leeuw zei tegen de vos: “O vos! Verdeel deze prooien nu jij eens op rechtvaardige wijze.”

De vos boog eerst eerbiedig voor de leeuw en kuste de grond. Vervolgens zei hij:

“Deze vette wilde os is het ochtendmaal van onze heer. U begint de dag door deze te eten. Deze geit is voor onze edele sultan een heerlijke stoofpot voor de lunch. En laat het konijn het hapje zijn bij het avondmaal van onze gunstige en edelmoedige sultan.”

De leeuw zei: “O vos, jij hebt het licht van de rechtvaardigheid ontstoken. Je hebt de prooi volkomen rechtvaardig verdeeld. Vertel eens, van wie heb je deze verdeling geleerd?”

De vos trok zijn staart tussen zijn poten, glimlachte sluw en zei:

“Van wat mijn heer met de wolf heeft gedaan, van wat mijn heer met de wolf heeft gedaan.”

De leeuw zei: “Omdat je lering hebt getrokken uit wat er met die lage wolf is gebeurd en daardoor wijs hebt gehandeld, schenk ik jou alle prooien.”

Zo beloonde de leeuw de vos.

Als de verdeling in eerste instantie aan de vos was toevertrouwd, zou hij hetzelfde lot als de wolf hebben ondergaan. Daarom dankte de vos honderden malen dat hij de prooi pas na de wolf had mogen verdelen.

[Laten ook wij dankbaar zijn dat wij later op deze wereld zijn gekomen. Laten wij lering trekken uit de redenen waarom vroegere volkeren vernietigd zijn. Laten wij onszelf, net als de vos, beschermen.

In een āyah wordt het volgende gezegd:

قَدۡ خَلَتۡ مِن قَبۡلِكُمۡ سُنَنٞ فَسِيرُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَٱنظُرُواْ كَيۡفَ كَانَ عَٰقِبَةُ ٱلۡمُكَذِّبِينَ ١٣٧

Er zijn er waarlijk vόόr jullie geweest die op de (voor Allāh) gebruikelijke wijze behandeld werden; reis dus over de aarde en zie wat het einde van de ongelovigen is geweest. (Āl ʿImrān, 3/137)]

De deur van de geliefde

Op een dag ging een verliefde naar de deur van zijn geliefde en klopte aan.

Zijn geliefde die binnen was, vroeg: “Wie is daar?”

De verliefde antwoordde: “Ik ben het die op de deur klopt.”

Daarop zei de geliefde: “Blijf bij mijn deur vandaan. Je tijd om binnen te komen is nog niet aangebroken. Aan mijn liefdesmaaltijd is geen plaats voor onrijpe mensen.”

En hij opende de deur niet.

De pijn van het afscheid is wat een mens volwassen maakt en hem van nifāq (huichelarij) bevrijdt.

De verliefde die bij de deur van zijn geliefde was weggestuurd, ging op weg. Een heel jaar lang werd hij verteerd door de pijn van het afscheid en kwijnde hij weg door het verlangen naar zijn geliefde.

Nadat hij door de pijn van het afscheid was gerijpt, begon hij rond het huis van zijn geliefde te lopen. Hij verzamelde zijn moed. Hij zorgde ervoor geen woord te zeggen dat zijn geliefde zou kunnen kwetsen en klopte met ādāb (goede manieren) op de deur.

Zijn geliefde vroeg van binnen: “Wie klopt er op de deur?”

De verliefde antwoordde: “O schoonheid die mijn hart heeft veroverd! Jij bent degene aan de deur.”

De geliefde zei: “Nu jij één met mij bent geworden, kom dan binnen. Het huis van het hart is klein; voor dualiteit is er geen plaats.”

Daarop liet hij de verliefde haar huis binnen.

De plaats van de ṣūfīs

Aan de hoven van de sultans zitten aan de linkerkant de dappere mannen, worstelaars en helden. Dit komt doordat het hart, de plaats van dapperheid en moed, zich aan de linkerkant van het menselijk lichaam bevindt.

Degenen die zich bezighouden met rekenen, administratie en schrijven, evenals de bestuurders, zitten aan de rechterzijde van de sultan. Het bijhouden van registers, schrijven en het dragen van boeken is immers het werk van de rechterhand.

De ṣūfīs krijgen echter een plaats tegenover de sultan. Dat komt doordat de ṣūfīs de spiegel van de rūḥ zijn. In een spiegel kijken is alleen mogelijk wanneer men er tegenover staat. De spiegel laat de rūḥ schitteren en versterkt het hart.

De vriend van Yūsuf (عليه السلام)

Van heel ver kwam een liefdevolle vriend op bezoek bij Yūsuf (عليه السلام). Hij werd zijn gast. Yūsuf (عليه السلام) ging met zijn jeugdvriend zitten en begon met hem te praten.

Ze spraken uitvoerig over de jaloezie van de broers van Yūsuf (عليه السلام), over hoe zij hem in een put hadden geworpen, over de jaren die hij in de gevangenis had doorgebracht, over de moeilijkheden die hij had ondergaan en over de goddelijke hulp die uiteindelijk kwam.

Uiteindelijk vroeg Yūsuf (عليه السلام) zijn gast: “Met lege handen naar de deur van een vriend gaan, is als zonder graan naar de molen gaan. Welk geschenk heb je voor ons meegebracht?”

De gast antwoordde verlegen: “Ik heb naar verschillende dingen gekeken om jou een geschenk te brengen, maar ik vond geen enkel ervan jou waardig. Je kunt geen goudschilfers naar een goudmijn brengen. Je kunt de zee geen druppel water cadeau doen. Als ik zou zeggen: ‘Ik heb jou mijn hart en mijn leven gebracht’, zou dat zijn alsof ik naar Kirmān (ligt in Zuid-Oost Iran) was gegaan om specerijen te verkopen.

O Yūsuf, licht van mijn ogen! Buiten jouw schoonheid is er niets dat niet in de pakhuizen van Egypte te vinden is.

Daarom heb ik jou als geschenk een spiegel gebracht. Telkens wanneer je naar jouw schoonheid kijkt, die als de zon straalt, zul je blij worden en aan mij denken. Mooie mensen kijken immers altijd in de spiegel.”

Hij haalde een spiegel onder zijn arm vandaan en bood die aan Yūsuf (عليه السلام).

[Op de Dag des Oordeels zal Allāhu Taʿālā de mensen vragen:

“Welk geschenk hebben jullie voor de Dag des Oordeels meegebracht?”

Als je in die Dag gelooft en Hem niet ontkent, waarom ben je je dan niet aan het voorbereiden?

Laat het eten en drinken, al is het maar een beetje, achterwege en bereid een geschenk voor de dag waarop je Allāh zult ontmoeten. Sluit je aan bij degenen die 's nachts weinig slapen. Behoor tot degenen die in de tijd vóór het ochtendgloren om vergeving voor hun zonden vragen.]

De dove die zijn zieke buurman bezoekt

Iemand die veel waarde hechtte aan goede betrekkingen met zijn buren en aan de menselijkheid, vertelde een dove die hij kende dat zijn buurman ziek was. Daarop dacht de dove dat hij naar zijn buurman moest gaan om te informeren hoe het met hem ging, maar hij vroeg zich af hoe hij dat met zijn dove oren moest doen.

Hij zei bij zichzelf: “Wanneer iemand ziek is, wordt zijn stem ook zwakker. Hij is mijn buurman, dus ik moet naar hem toe gaan. Maar met deze oren zal ik onmogelijk kunnen horen wat hij zegt. Het beste is dat ik, wanneer zijn lippen bewegen, probeer te raden wat hij zegt en dat ik daar mijn antwoord op afstem.”

Toen hij op bezoek ging, bereidde hij zich voor door te bedenken welk gesprek er tussen hem en zijn buurman zou kunnen plaatsvinden.

“Ik zal zeggen: ‘O mijn bedroefde buurman! Hoe gaat het met je?’

Hij zal mij antwoorden: ‘Het gaat goed met mij.’

Dan zal ik zeggen: ‘Alḥamdulillāh.’

Vervolgens zal ik hem vragen wat voor eten hij heeft gegeten.

Hij zal waarschijnlijk tegen mij zeggen: ‘Ik heb sharbat (vruchtendrank) gedronken of linzensoep gegeten.’

Dan zal ik zeggen: ‘Moge het je goed bekomen.’

Daarna zal ik vragen welke arts voor zijn behandeling is gekomen.

Wanneer hij zegt: ‘Die-en-die arts’, zal ik zeggen: ‘Die arts brengt veel geluk. Hij weet wat hij doet. Goed dat jullie hem hebben laten komen. Met die arts kun je je ziekte als genezen beschouwen.”

Volgens het scenario dat hij in zijn hoofd had bedacht, ging de dove naar zijn buurman. Nadat hij hem had begroet en in een hoek was gaan zitten, vroeg hij: “Hoe gaat het met je, buurman?”

De zieke antwoordde: “Het gaat heel slecht met me. Ik ga dood.”

Toen de dove zei: “Alḥamdulillāh”, ergerde de zieke zich. De woorden van zijn buurman kwetsten hem. Terwijl hij dacht: “Is dit nu het moment om Allāhu Taʿālā te danken?”.

De dove zei: “Wat eet je?”

De zieke antwoordde uit woede: “Het gif van Zaqqum (plant die in Jahannam groeit en waarvan de bewoners eten).”

De dove glimlachte opnieuw, zoals hij van tevoren had bedacht, en zei: “Moge het je goed bekomen.”

Daarop werd de zieke nog bozer, maar hij liet dat niet merken.

De dove ging verder met zijn vragen: “Welke arts komt voor je behandeling?”

De zieke kon zich niet langer inhouden en riep uit alle macht: “Wie zou er komen? De Engel des Doods komt! Wat voor een buurman ben jij? Rot op en verdwijn uit mijn gezicht!”

Daarop antwoordde de dove heel kalm: “Komt hij? Die brengt veel geluk. Wees blij en verheug je. Je kunt je ziekte als genezen beschouwen.”

De zieke was diep bedroefd dat hij zo’n buurman had. Hij zei bij zichzelf: “Blijkbaar hebben we deze buurman nooit echt gekend. Hij is onze grootste vijand.”

Na enige tijd vroeg de dove toestemming om te vertrekken. Hij stond op en verliet verheugd het huis van zijn buurman, in de overtuiging dat hij zijn plicht als buurman had vervuld.

Terwijl de dove met het gelukkige gevoel dat hij zijn taak had volbracht naar huis ging, dacht zijn zieke buurman over hem:

“Een bezoek aan een zieke wordt gebracht om te informeren hoe het met hem gaat en hem een goed gevoel te geven. Deze man heeft mij niet alleen gekwetst, maar mijn ziekte ook nog verergerd.”

[De dove bezocht zijn buurman niet omwille van de tevredenheid van Allāhu Taʿālā, maar alleen om de gewoonte in stand te houden. Hij vertrok in de veronderstelling dat hij een goede daad had verricht. Hij besefte echter niet dat hij zijn buurman niet had kunnen troosten en dat hun vriendschap hierdoor was beschadigd.

Zo leveren ook de daden van een dienaar die niet met ikhlāṣ verricht wordt (een daad uitsluitend omwille van Allāhu Taʿālā verrichten, zonder deze te doen voor aanzien, lof of erkenning van mensen), bij Allāhu Taʿālā hetzelfde resultaat op. Handelingen die uit riya’ (het verrichten van goede daden om door mensen gezien of geprezen te worden), kunnen ertoe leiden dat een dienaar in verborgen shirk (het toekennen van deelgenoten aan Allāhu Taʿālā) vervalt. In plaats van beloning kan hij er zonde mee verdienen.]

De schilderwedstrijd tussen de Grieken en de Chinezen

De Chinezen beweerden: “Wij maken de beste schilderijen en borduurwerken.”

De Grieken antwoordden: “Nee, op dit gebied staat niemand boven ons. Onze vakbekwaamheid is groter.”

De beweringen van beide partijen bereikten de oren van een sultan die bekendstond om zijn rechtvaardigheid.

De sultan zei: “Ik zal jullie op dit gebied op de proef stellen. We zullen zien welke partij gelijk heeft in haar bewering.”

De schilders uit China en Griekenland troffen voorbereidingen voor de wedstrijd. De Chinese schilders zeiden: “Geef ons één kamer en neem zelf een andere kamer. Laat iedere groep in zijn eigen werkruimte zijn kunst en vakmanschap tonen. Uiteindelijk zal de sultan komen en het resultaat beoordelen.”

Van twee kamers waarvan de deuren tegenover elkaar lagen, werd de ene aan de Chinese kunstenaars gegeven en de andere aan de kunstenaars uit Griekenland.

De Chinezen vroegen de sultan om honderd soorten verf. De sultan stelde zijn schatkist ter beschikking van de kunstenaars. Elke ochtend kregen de Chinezen de verfmaterialen waar zij om hadden gevraagd. De kunstenaars maakten hiermee met de grootste nauwkeurigheid allerlei schilderingen en versieringen. Zij brachten prachtige patronen aan.

De schilders uit Griekenland zeiden echter: “Verf heeft geen nut zolang de roest niet is verwijderd. Er kan geen schilderij worden gemaakt.”

Daarom polijstten en lieten zij alles zorgvuldig glanzen. Alle muren werden eenvoudig en zuiver als de hemel.

De Chinezen maakten hun schilderingen af. Ze hadden alle vertrouwen in zichzelf. Uit vreugde en blijdschap organiseerden zij feestelijkheden.

Dit werd aan de sultan gemeld. De sultan ging eerst naar de kamer waar de Chinese schilders hadden gewerkt. Hij bekeek hun schilderijen en borduurwerken. Alles wat zij hadden gemaakt was wonderbaarlijk en buitengewoon mooi. Hij was onder de indruk van de verfijning en schoonheid van de schilderingen.

De sultan verliet de Chinese schilders met grote waardering en ging vervolgens naar de kamer waar de schilders uit Griekenland hadden gewerkt. De Griekse schilders verwijderden het gordijn dat het zicht tussen de twee kamers belemmerde.

De schilderingen die de Chinese schilders met duizenden kleuren en dagenlange inspanning hadden gemaakt, werden weerspiegeld in de gepolijste muren van deze kamer. De versieringen en schilderingen uit de kamer van de Chinese schilders waren hier zelfs nog helderder op de muren te zien.

De kamer waarin de schilders uit Griekenland hadden gewerkt, was veel mooier dan die van de Chinese schilders. De kamer bezat zo’n schitterende schoonheid dat de ogen van degenen die ernaar keken bijna uit hun kassen sprongen.

Zo bleken de schilders uit Griekenland gelijk te hebben in hun bewering. Zij wonnen de wedstrijd.

[In dit verhaal vertegenwoordigen de Chinese schilders de mensen van de uiterlijke kennis. De schilders uit Griekenland vertegenwoordigen de ṣūfīs.

De ṣūfīs die Allāh liefhebben, polijsten de spiegel van het hart met de dhikr van Allāhu Taʿālā, aanbiddingen en goede daden. Het polijsten en reinigen van het vuil en de roest van de spiegel betekent dat men zich bevrijdt van gierigheid, hebzucht en haat.

Het betekent dat men zich bevrijdt van de zwaarte van gedachten en gevoelens en de helderheid van de zee van ʿirfān (een diep en innerlijk inzicht in de goddelijke werkelijkheid en het kennen van Allāhu Taʿālā) bereikt.]

Luqmān en de slaven

Luqmān al-Ḥakīm wordt bij naam genoemd in de Qur’ ān. Hij is een van de drie personen van wie niet bekend is of hij een profeet was (ʿUzayr, Dhū al-Qarnayn en Luqmān).

Er wordt overgeleverd dat hij uit Abessinië of uit een zwart volk afkomstig was, uit zijn land werd weggevoerd en als slaaf aan de Zonen van Isrāʾīl werd verkocht.

Toen Luqmān al-Ḥakīm in dienst was van zijn meester, werd hij door de andere slaven heel erg benijd.

Op een dag stuurde zijn meester Luqmān samen met de andere slaven naar de tuin. Hun taak was om de vruchten die zij uit de tuin hadden verzameld naar hun meester te brengen. De slaven aten de vruchten die zij hadden verzameld met grote gulzigheid, alsof zij de vruchten plunderden.

Toen zij bij hun meester kwamen, zeiden zij: “Luqmān heeft alle vruchten opgegeten.”

Daarop werd de meester boos op Luqmān en begon hij tegen hem te mopperen. Toen Luqmān onderzocht en begreep waarom zijn meester boos was, zei hij: “O mijn edelmoedige meester! Voordat u een oordeel over de slaven velt, moet u hen eerst op de proef stellen. Laat ons allemaal overvloedig warm water drinken. Laat u te paard en ons te voet door het veld rennen. Dan zal duidelijk worden wie de vruchten heeft gegeten en zult u een juist oordeel over ons kunnen vellen.”

Zijn meester deed wat Luqmān had voorgesteld. Vervolgens liet hij hen heen en weer door het veld rennen. De slaven begonnen van vermoeidheid te braken. Toen zij datgene wat zij hadden gegeten en gedronken uitbraakten, werd duidelijk wie de leugenaar was.

[Het heeft geen zin om tegen de spiegel te zeggen: “Laat mij er niet lelijk uitzien.” De weegschaal weegt wat je erop legt. Zo zal Allāhu Taʿālā op de Dag des Oordeels ook alles wat wij verborgen hebben, zonder onderscheid te maken tussen mooi en lelijk, aan het licht brengen en afrekenen.]

De brand die uitbrak in de tijd van ʿUmar (رضي الله عنه)

Tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) brak er in Madienah een grote brand uit. Zelfs stenen werden door het vuur verzwolgen alsof het droog hout was. Het vuur dat de gebouwen en huizen omhulde, zette zelfs de vleugels van vogels die door de lucht vlogen in brand. De helft van de stad was aan de vlammen overgeleverd.

Hoewel men emmers vol water op het vuur gooide, hielp dat niets. Het vuur bleef juist steeds heviger oplaaien. De bevolking kon de brand niet blussen. Toen zij ten einde raad waren, renden zij naar khaliefah ʿUmar (رضي الله عنه).

“O ʿUmar! Dit vuur wordt niet met water geblust”, zeiden zij.

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Dat vuur is een teken van Allāhu Taʿālā. Wat de vlammen zo hevig doet oplaaien, is jullie gierigheid. Laat het water achterwege en help de armen. Toon berouw voor jullie gierigheid en wees vrijgevig.”

De mensen zeiden: “O ʿUmar! Onze deuren staan voor iedereen open. Wij zijn vrijgevige mensen die graag helpen.”

Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Jullie geven niet wat jullie geven omwille van Allāhu Taʿālā. Jullie doel is pronken. Jullie hebben een gevestigde gewoonte: jullie helpen alleen maar om de gewoonte in stand te houden. Geef terwijl jullie vrezen of Allāhu Taʿālā het zal aanvaarden, en terwijl jullie Hem om vergeving vragen, zodat Allāhu Taʿālā jullie genadig zal zijn.”

[Hulp en ṣadaqah (liefdadigheid moeten we aan de werkelijk behoeftigen geven om het welbehagen van Allāhu Taʿālā te verkrijgen. Men moet geen hulp geven aan iemand die het geld zal besteden aan verboden zaken. Hulp die niet met ikhlāṣ aan degenen die er recht op hebben wordt gegeven, zal geen rampspoed afwenden.]

De ikhlāṣ van ʿAlī (رضي الله عنه)

Tijdens een gevecht stond ʿAlī (رضي الله عنه) op het punt een vijand die hij onder zich had te doden. Precies op dat moment spuugde de vijand hem in het gezicht. Daarop liet ʿAlī (رضي الله عنه) zijn vijand los en zag hij ervan af hem te doden.

Hij stond op en zei tegen zijn vijand: “Ik vergeef je. Je bent vrij.”

De krijger die zijn vijand was, was hierover verbaasd en vroeg: “Wat heeft je ervan weerhouden om mij te doden?”

ʿAlī (رضي الله عنه) antwoordde: “Ik gebruik mijn zwaard op de weg van Allāhu Taʿālā enom Zijn welbehagen te verkrijgen, niet omwille van mijn nafs. Toen jij tijdens het gevecht in mijn gezicht spuugde, was dat zwaar voor mijn nafs. Ik werd boos op je. Als ik je in die woede had gedood, zou ik wraak hebben genomen voor mijn nafs. Ik zou je niet omwille van Allāhu Taʿālā hebben gedood.”

Toen de vijand van ʿAlī (رضي الله عنه) deze woorden hoorde, straalde het licht van Allāh in zijn hart en trad hij toe tot het geloof.

Naar aanleiding van deze gebeurtenis werden ook ongeveer vijftig mensen uit de stam van deze dappere man moslim. Dit edele en fijngevoelige gedrag bracht mensen de eer van de islām.

[Het zwaard van ikhlāṣ en liefde is scherper dan het zwaard van staal. Het brengt legers op de knieën.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt:

“Wie omwille van Allāhu Taʿālā liefheeft, omwille van Allāhu Taʿālā boos wordt, omwille van Allāhu Taʿālā geeft en omwille van Allāhu Taʿālā niet geeft, zijn geloof heeft ongetwijfeld zijn volmaaktheid bereikt.” (Fayḍ al-Qadīr, 4/29)]

TWEEDE DEEL VAN MASNAWĪ

De man die het witte haartje op zijn wenkbrauw voor de maansikkel aanzag

In de tijd dat ʿUmar (رضي الله عنه) kaliefah was, brak de maand Ramaḍān aan. Enkele mensen gingen de berg op om de maansikkel te observeren. Onder hen bevond zich ook ʿUmar (رضي الله عنه).

Ze waren vol spanning en verwachting omdat ze de nieuwe maan wilden zien die het begin van de vastenmaand zou aankondigen.

Een van hen zei: “O ʿUmar! Kijk, daar is de maansikkel!”

ʿUmar (رضي الله عنه) keek daarop aandachtig naar de hemel. Hij kon de maansikkel echter niet zien.

Tegen de man die beweerde de maansikkel te zien, zei hij: “Ik kan de hemel beter zien dan jij, maar ik zie de maansikkel niet. Maak je handen eens nat en strijk daarmee over je gezicht. Kijk daarna nog eens. Kun je de maansikkel dan nog steeds zien?”

Toen de man deed wat hem was gezegd, zei hij: “De maansikkel die ik zojuist zag, is nu verdwenen.”

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Een gekruld haartje van je wenkbrauw kwam voor je oog terecht. Dat haartje heeft je misleid.”

[Corrigeer alle afwijkingen in je lichaam en wees oprecht. Geef op de weg waarvan je weet dat die juist is niet toe aan onrecht. Vriendschappen met oneerlijke mensen brengen verwarring in het verstand en leiden een mens op een dwaalspoor.]

De dief die een slang stal

Een dief stal de kist van een slangenbezweerder. De dwaze dief verheugde zich, omdat hij dacht dat hij iets zeer waardevols had gestolen.

Toen hij het deksel van de kist opende, beet de slang de dief. De slang doodde degene die haar had gestolen, terwijl zij hem van pijn liet kronkelen.

De slangenbezweerder ging op zoek naar de dief om zijn verdwenen slang terug te vinden. Tegelijkertijd bad hij tot zijn Rab en vroeg Hem om hulp, in de hoop zijn slang terug te krijgen.

Terwijl de slangenbezweerder zo rondzwierf, kwam hij het dode lichaam van de dief tegen. Toen hij zag dat de dief was vergiftigd en gedood door de slang die hij had gestolen, dacht hij:

“Onze slang heeft de dief uit de weg geruimd. Ik bad dat ik de dief zou vinden en mijn slang zou terugkrijgen. Alle lof zij Allāh dat mijn smeekbede niet is verhoord. Het stelen van mijn slang bleek geen verlies, maar juist winst te zijn.”

[Hoeveel smeekbeden zijn er niet die tegen degene die ze verricht, gericht zijn! Rabu’l-ʿĀlamīn (de Heer der Werelden verhoort deze smeekbeden, die tot iemands schade en ondergang zouden kunnen leiden, uit Zijn goedheid en barmhartigheid niet. De dienaar denkt echter dat zijn smeekbeden niet worden verhoord.]

De dwaze man en ʿĪsā, de Rūḥullāh (عليه السلام)

Op de een of andere manier werd een dwaze man de reisgenoot van ʿĪsā (عليه السلام). Terwijl zij samen onderweg waren, zag deze man enkele botten in een greppel.

Hij zei tegen ʿĪsā (عليه السلام): “O mijn reisgenoot! Leer mij ook hoe u de doden tot leven brengt. Ik wil een nuttig mens worden en de botten van de doden tot leven brengen.”

ʿĪsā (عليه السلام) zei: “Zwijg. Dat is geen werk voor jou.”

De man zei: “O profeet van Allāh! Als ik het niet waardig ben om de ism al-aʿẓam* uit te spreken, wilt u hem dan reciteer, zodat deze botten tot leven komen.”

ʿĪsā (عليه السلام) ergerde zich aan het verzoek van de man. Zijn aanhoudende aandringen maakte hem zeer ongeduldig. Toch willigde hij zijn verzoek in. Hij reciteerde de ism al-aʿẓam over de botten.

Uit de botten die weer tot leven kwamen, kwam een zwarte leeuw tevoorschijn. De leeuw gaf de man een klap met zijn poot en doodde hem. Toen de leeuw het hoofd van de man afrukte en hem verscheurde, bleek dat zijn hersenen niet groter waren dan een walnoot.

ʿĪsā (عليه السلام) vroeg de leeuw: “Waarom heb je deze man gedood?”

De leeuw antwoordde: “Omdat u uw aan hem ergerde.”

ʿĪsā (عليه السلام) vroeg: “Waarom heb je dan zijn bloed niet opgedronken?”

De leeuw antwoordde: “Ten eerste was zijn bloed niet mijn levensonderhoud. Ten tweede heb ik hem niet gedood om op hem te jagen en hem op te eten, maar als een les en een waarschuwing.”

[Die dwaze man had een profeet als ʿĪsā, Rūḥullāh (عليه السلام), gevonden. Maar doordat hij er niet aan dacht zichzelf tot leven te wekken, liet hij deze kans voorbijgaan. Hij zocht geen geneesmiddel voor de kwalen van zijn ziel. In plaats daarvan raakte hij, gedreven door de verlangens van zijn nafs, geïnteresseerd in een zaak die hem geen enkel voordeel opleverde. Uiteindelijk vond hij zijn eigen ondergang.

*: In de islamitische traditie verwijst ism al-aʿẓam doorgaans naar de bijzondere, grootste Naam van Allāhu Taʿālā, waarmee in een smeekbede wordt aangeroepen en waarvan wordt overgeleverd dat een duʿāʾ waarin deze Naam wordt gebruikt, wordt verhoord.]

De ṣūfī en de bediende

Een ṣūfī ging op reis. Tijdens zijn omzwervingen kwam hij op een avond bij een tekke ( ṣūfī-klooster) terecht. Hij werd daar als gast ontvangen. Hij bracht zijn dier naar de stal en bond het daar vast. Zelf ging hij op de ereplaats zitten. Samen met de andere derwisjen in de tekke verlangde hij, volgens de regels van tasawwuf (soefisme), naar de goddelijke fayḍ (spirituele overvloed).

Nadat de dhikr (gedenking van Allāh) en het gesprek waren afgelopen, werd voor de ṣūfī een maaltijd opgediend. Toen hij het eten zag, dacht hij aan zijn dier. Hij zei tegen de bediende:

“Ga naar de stal en geef het dier wat hooi en gerst.”

De bediende zei: “Dat is al van oudsher mijn werk. U hoeft het mij niet eens te zeggen.”

De ṣūfī zei: “Maak de gerst eerst nat voordat je die geeft. Het arme dier is oud en zijn tanden zijn niet meer sterk genoeg.”

De bediende zei: “Lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh (Er is geen macht en geen kracht dan door Allāh)! Je praat overbodig veel. Iedereen die hier komt, leert mij juist de dingen die jij nu aan mij uitlegt.”

De ṣūfī zei: “Haal eerst het zadel van zijn rug en smeer zalf op zijn wonden.”

De bediende zei: “Lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh! Leg mij mijn werk niet uit. Ik heb honderdduizenden gasten zoals jij ontvangen.”

De ṣūfī zei: “Vergeet ook niet mijn ezel water te geven. Zorg er alleen voor dat het water lauw is.”

De bediende zei: “Lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh! Ik begin me nu voor jou te schamen.”

De ṣūfī zei: “Meng ook een klein beetje hooi door zijn gerst.”

De bediende zei: “Lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh! Heer, houd nu maar op met praten.”

De ṣūfī zei: “Veeg ook de plek waar mijn ezel ligt goed schoon. Laat hem niet op stenen en mest liggen. Als de plek waar hij ligt vochtig is, strooi er dan wat droge aarde overheen.”

De bediende zei: “Lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh! Vader, het is nu wel genoeg. Wie zijn werk kent, heeft geen advies nodig.”

De ṣūfī zei: “Vergeet ook niet om met de rosborstel zijn rug goed te verzorgen.”

De bediende zei: “Vader, schaam je nu maar. Wij weten wat we doen. Ik ga meteen gerst en hooi halen.

Maak jij je maar geen zorgen en laat je ezel aan mij over.”

De bediende bracht de ṣūfī naar bed en liet hem alleen met zijn slaap. Hij keek niet naar de ezel en ging zelfs niet naar de stal. In plaats daarvan ging hij naar zijn vrienden, die zich buiten gedroegen als stoere vechtersbazen. Hij vertelde hun wat de ṣūfī allemaal voor zijn ezel had gevraagd en samen lachten ze erom. Ze maakten de ṣūfī belachelijk.

De ṣūfī viel, vermoeid van zijn reis, onmiddellijk in slaap. De hele nacht had hij nare dromen over zijn ezel. Soms werd zijn ezel door wolven verscheurd en soms viel het dier in een put of een kuil.

Toen hij op een gegeven moment, hevig geschrokken, wakker werd, wilde hij naar de stal gaan om zijn ezel te controleren. Maar omdat de derwisjen zich naar hun vertrekken hadden teruggetrokken, waren alle deuren van de tekke gesloten. Er was niets aan te doen.

Hij stelde zichzelf gerust met de gedachte: “Deze bediende heeft samen met ons aan dezelfde tafel gegeten. Mensen die aan dezelfde tafel eten, bedriegen elkaar niet.”

Terwijl de ṣūfī met deze twijfels en kwellende gedachten in slaap bleef, verkeerde de ezel in een zeer slechte toestand. Naast de vermoeidheid van de reis had hij de hele nacht honger geleden. Zijn pakzadel was omgekeerd op zijn rug terechtgekomen en hij leed pijn tussen de stenen en aarde.

Toen het ochtend werd, kwam de gewetenloze bediende naar de stal. Hij zette het pakzadel van de ezel weer goed. Nadat hij het dier een paar keer met een puntige stok had geprikt, richtte de ezel zich van de pijn op.

De ṣūfī besteeg zijn ezel en sloot zich aan bij de karavaan. Ze gingen op weg. Even later had de ezel al zijn kracht verloren en begon hij bij iedere stap voorover op de grond te vallen. Iedereen dacht dat de ezel ziek was.

De een draaide aan het oor van de ezel, een ander keek of hij wondjes in zijn gehemelte had. Weer een ander controleerde of er geen steentje tussen zijn hoefijzers zat. Een ander onderzocht of er misschien een vlek in zijn oog zat.

Toen ze niets konden vinden, vroegen ze de ṣūfī: “O ṣūfī! Je was toch altijd zo trots op hoe sterk en gezond je ezel was? Wat is er met hem gebeurd?”

De ṣūfī antwoordde: “De ezel is zo geworden omdat hij de hele nacht ‘lā ḥawla’ heeft gegeten. Als het voedsel dat een ezel ’s nachts hoort te eten ‘lā ḥawla’ is, dan verricht hij overdag de sajdah (neerknieling) van de tasbīḥ (het verklaren dat Allāh vrij is van iedere tekortkoming) die hij ’s nachts heeft gedaan.”

[In deze parabel is de ṣūfī iemand die de weg naar Allāh zoekt. De ezel staat voor zijn nafs. De bediende stelt de shaykh voor, de murshid die de nafs moet opvoeden en disciplineren.

Men moet op zijn hoede zijn voor valse shaykhs die nog niet de vereiste geestelijke rijpheid hebben bereikt en mensen misleiden omwille van bepaalde wereldse belangen.

Wie achter zulke valse shaykhs aanloopt, blijft, net als de ezel in dit verhaal, verstoken van de goddelijke fayḍ (spirituele overvloed). En in plaats van vooruitgang te boeken op de weg van tasawwuf, struikelen en vallen zij bij iedere stap.]

De valk die van de padishah wegvluchtte

Een van de padishahs had een prachtige valk. Op een dag ontsnapte deze vogel uit het paleis. Hij vloog naar de hut van een oude vrouw die meel aan het zeven was om soep voor haar kinderen te maken.

De oude vrouw ving de prachtige valk, die van een voortreffelijk ras was.

Ze zei: “Arme vogel! Ze hebben niet goed voor je gezorgd. Je vleugels zijn veel te lang geworden en je nagels zijn ook te lang.”

Ze bond de valk vast, knipte zijn vleugels kort en sneed zijn nagels. Vervolgens legde ze stro voor hem neer om te eten.

Ondertussen zei ze: “Mensen die niet weten hoe ze voor je moeten zorgen, maken je ziek. Je moedertje zal heel goed voor je zorgen en je grootbrengen.”

De padishah ging op zoek naar zijn valk. Tegen de avond vond hij de hut waar de oude vrouw woonde. Toen hij plotseling zag hoe zijn valk eraan toe was, werd hij zeer bedroefd en verdrietig.

De padishah zei tegen zijn valk: “Dit is de straf voor jouw ondankbaarheid jegens ons. Hoewel in al je behoeften werd voorzien, ben je weggevlucht uit het paleis waar je werd verzorgd. Waarom ben je deze slechte hut binnengegaan? Wat je is overkomen, heb je dan ook aan jezelf te danken.”

Terwijl de padishah dit zei, streek de valk met zijn gebroken vleugel langs de hand van de padishah. In de taal van zijn toestand wilde hij daarmee zeggen: “Ik heb iets verkeerds gedaan en mij schuldig gemaakt aan een overtreding.”

[Een onwetend mens kan zelfs met zijn liefde schade aanrichten. Terwijl hij denkt dat hij goed doet, kan hij grote ellende veroorzaken.

De mens kan van nature fouten maken. Wanneer hij een fout heeft gemaakt, moet hij er geen volharding in tonen, maar berouw tonen.

Allāh, de Waarachtige, vergeeft degenen die oprecht berouw tonen. Het enige wat nodig is, is dat de dienaar oprecht is en met tranen in de ogen tot Allāh smeekt en zijn toevlucht tot Hem zoekt.]

De vrijgevige shaykh

Shaykh Aḥmad ibn Ḥaḍrawayh, moge Allāh hem genadig zijn, stond bekend om zijn vrijgevigheid. Daarom leefde hij voortdurend met schulden. Het geld dat hij van de rijken leende, verdeelde hij onder de armen en de behoeftigen.

Hij liet op krediet een tekke (ṣūfī-klooster) bouwen. Zijn tekke, zijn leven, zijn bezit, kortom alles wat hij had, besteedde hij op de weg van Allāh. Bij het aannemen van geld van de rijken en het verdelen ervan onder de armen werkte hij als een soort tussenpersoon. Zijn schulden betaalde hij met geschenken die hij uit onverwachte hoek ontving.

Shaykh Aḥmad, die zijn leven op deze manier voortzette in dienst van de behoeftigen, werd op een dag ziek. Op dat moment had hij ongeveer vierhonderd dinar aan schulden. Toen zijn schuldeisers hoorden dat hij zo ziek was dat hij op sterven lag, verzamelden zij zich onmiddellijk rond zijn bed.

Toen de schuldeisers de toestand van de shaykh zagen, verloren zij de hoop hun geld terug te krijgen en trokken zij sombere gezichten.

De shaykh dacht bij zichzelf: “Wat moet ik toch van hun houding denken? Ze doen alsof er in de schatkamer van Allāh geen goud is waarmee mijn vierhonderd dinar kunnen worden betaald.”

Op dat moment klonk buiten de stem van een jongen die halwā (zoet gerecht) verkocht. De shaykh gaf zijn dienende murīd in het geheim opdracht naar buiten te gaan en alle halwā op het dienblad van de jongen te kopen.

De dienaar-ṣūfī ging naar buiten en onderhandelde met de jongen die de halwā verkocht. Hij kocht alle halwā voor een halve dinar. Hij bracht de schaal met halwā naar binnen en zette die naast de shaykh neer.

De shaykh zei tegen de schuldeisers: “Kom, eet van de halwā. Moge het jullie smaken.”

De schuldeisers aten de halwā helemaal op. De jongen die de halwā verkocht, pakte zijn lege dienblad en vroeg de shaykh om betaling.

De shaykh zei vanuit zijn ziekbed: “Hoe kan ik je betalen? Ik ben iemand die schulden heeft en op het punt staat te sterven.”

Toen de jongen dit antwoord hoorde, sloeg hij zijn dienblad op de grond en begon huilend en schreeuwend te roepen.

Omdat hij dacht dat hij was bedrogen, zei hij: “Was mijn voet maar gebroken geweest, dan was ik nooit door de deur van deze tekke gegaan.”

Het geschreeuw en gejammer van de jongen bracht zowel goede als minder goede mensen uit de omgeving naar de tekke. Ook de schuldeisers raakten hierdoor geïrriteerd.

Ze begonnen van alles te zeggen en verweten de shaykh: “Je hebt ons laten lijden, je hebt ons bezit geconsumeerd en alsof dat nog niet genoeg is, doe je deze jongen ook nog onrecht aan.”

De jongen bleef tot aan de tijd van salāh al-ʿaṣr in de tekke huilen. De shaykh trok zich niets van zijn gehuil aan. Hij lag met gesloten ogen ineengedoken onder zijn deken.

Toen de tijd voor de ṣalāh al-ʿaṣr aanbrak, kwam de dienaar binnen met een schaal in zijn handen. Hij zette de schaal naast de shaykh neer. De shaykh zei tegen de dienaar dat hij de schaal aan de schuldeisers moest geven.

De dienaar bracht de schaal naar de schuldeisers en zette haar voor hen neer. Toen zij de doek waarmee de schaal was bedekt weghaalden, bleef iedereen verbaasd staan. In de schaal lagen de vierhonderd dinar waarmee de schuld van de shaykh kon worden afbetaald. Samen met dit bedrag was ook het geld van de jongen die de halwā verkocht speciaal toegezonden.

Toen de schuldeisers dit zagen, schaamden zij zich voor hun slechte vermoeden over de shaykh en kregen zij berouw. Ze grepen de handen van de shaykh vast en vroegen hem om vergeving.

“Grote shaykh, wat is de wijsheid hierachter? Wat is het geheim van deze gebeurtenis? Vertel het ons”, zeiden zij.

Daarop zei de shaykh: “Ik heb Allāh gevraagd mijn schuld te laten betalen. Hij wees mij daarop de juiste weg. Het ontvangen van dat geld was verbonden aan het huilen van de jongen. Het onschuldige huilen van de jongen die halwā verkocht, bracht de zee van Allahs barmhartigheid in beweging. Zijn huilen werd een middel waardoor jullie vorderingen konden worden betaald.”

[Alle mensen zijn afhankelijk van Allahs vergeving en barmhartigheid. Om ervoor te zorgen dat Hij ons vergeeft, moeten wij onze toevlucht zoeken bij onze Rab.

De weg om ons met heel ons hart tot Hem te wenden, is het vergieten van tranen van berouw. Wanneer een dienaar met volledige oprechtheid huilt, wordt zijn huilen een middel waardoor de barmhartigheid van de Rabu’l-ʿĀlamīn tot hem komt.]

De ogen van de zāhid (ascetisch persoon)

Tegen een zāhid* die voortdurend bezig was met aanbidding en huilend tranen vergoot, zei zijn vriend: “Je moet ook zorg dragen voor het recht van je lichaam. Door al dat huilen zul je je ogen verliezen.”

De zāhid antwoordde: “Het oog kent twee toestanden. Ofwel het ziet de goddelijke schoonheden, ofwel het ziet ze niet.

Als het oog het Licht van de Waarheid (al-Ḥaq) ziet, dan is het doel bereikt. Of het zicht daarna verslechtert, of men veel of weinig ziet, is dan niet belangrijk. Want wanneer een mens Allāh bereikt en Zijn welbehagen verkrijgt, heeft het geen enkele waarde meer als hij daarvoor zijn beide ogen verliest.

Maar als dit oog het Licht van Allāh niet kan zien, dan is het beter dat zo’n opstandig oog blind wordt dan dat het blijft zien.”

[*: Een zāhid is iemand die zuhd beoefent: hij hecht weinig waarde aan wereldse genoegens en richt zich vooral op het hiernamaals en de aanbidding van Allāhu Taʿālā.]

De leeuw die de plaats van de os innam

Een dorpeling bond zijn geliefde os vast in zijn stal. Toen de nacht viel, kwam er een leeuw die de os opat. Omdat hij door zijn volle maag loom was geworden, ging hij op de plaats van de os liggen.

De dorpeling kwam ’s nachts naar de stal. Omdat het overal donker was, begon hij op de tast naar zijn os te zoeken. Toen hij de leeuw vond, dacht hij dat hij zijn os had gevonden. Blij begon hij hem links en rechts te aaien.

De leeuw dacht daarop: “Als het hier licht was geweest, zou het hart van deze man die mij zonder enige angst aait, van schrik bijna zijn verlamd. Hij aait en liefkoost mij zo ontspannen omdat hij denkt dat ik zijn os ben.”

[Wie zijn nafs niet kent en zijn listen niet doorziet, is als de man die in het donker denkt dat hij zijn os liefkoost.

Zoals de leeuw een mens met één klap kan verscheuren, zo kunnen de verlangens van de nafs de mens naar het Hellevuur leiden.

De murshid-i kāmil (volmaakte geestelijke leider) vertegenwoordigt het licht. Hij helpt de mens zijn nafs te leren kennen en deze op te voeden en te disciplineren.]

De ezel van de gast

Een ṣūfī verbleef tijdens zijn reis als gast in een tekke. Hij bond zijn ezel eigenhandig in de stal vast. Hij gaf hem zorgvuldig voer en water. Hij liet zijn werk niet aan iemand anders over.

De ṣūfī’s van deze tekke waren zeer arm. Ze kwamen bij elkaar en overlegden wat ze hun gast konden aanbieden. Uiteindelijk besloten ze dat er niets anders op zat dan de ezel van de gast te verkopen. Ze brachten de ezel naar de markt en verkochten hem. Met het geld kochten ze allerlei etenswaren. Ze staken de kaarsen van de tekke aan en kondigden voor die avond een feestmaal en een samāʿ* (spirituele luisterbijeenkomst) aan.

De gast was van een verre reis gekomen en was moe. De mensen in de tekke lieten hem goed uitrusten. Toen de avond viel, nodigden ze hem uit voor het eten. Met de mooiste woorden spraken ze hem vriendelijk toe en betoonden hem eerbied.

Na het eten begon de samāʿ. De gast-ṣūfī wilde de liefde en aandacht die hem waren betoond beantwoorden en deed daarom mee met het enthousiasme van de mensen in de tekke.

De rook die uit de keuken opsteeg, vermengde zich met het stof dat van de vloer opwaaide. De ṣūfī’s draaiden vol liefde en genegenheid rond en brachten de hele ruimte in beroering.

Tegen het einde van de samāʿ begon de muzikant op zijn instrument een langzaam en slepend deuntje te spelen en zong: “De ezel is weg, de ezel is weg.”

De ṣūfī’s volgden dit ritme enthousiast. Terwijl ze met hun voeten stampten en in hun handen klapten, riepen ze allemaal samen tot aan het aanbreken van de ochtend: “O zoon, de ezel is weg, de ezel is weg!” Ook de gast-ṣūfī probeerde mee te gaan in hun enthousiasme. De samāʿ eindigde en het gezelschap ging uiteen. Iedereen trok zich terug naar zijn huis en de tekke liep leeg.

De volgende ochtend haalde de ṣūfī zijn spullen uit zijn kamer om ze op de ezel te laden. Hij maakte zich klaar om te vertrekken. Toen hij naar de stal ging om zijn ezel te halen, kon hij hem nergens vinden. Hij dacht bij zichzelf: “Hij heeft gisteravond maar heel weinig water gedronken. Waarschijnlijk heeft de bediende van de tekke hem meegenomen om hem water te geven.”

Toen de bediende kwam, vroeg hij hem: “Waar is de ezel?”

De bediende zei: “Wat voor vraag is dat? Heb je sinds gisteravond niet voortdurend geroepen: ‘De ezel is weg’?”

De ṣūfī zei: “Ik had mijn ezel aan jou toevertrouwd. Je had voor hem moeten zorgen.”

De bediende zei: “Alle ṣūfī’s stortten zich op mij.

Ik kon niet tegen hen op. Ze hebben hem met geweld van mij afgenomen.”

De ṣūfī zei: “Maar waarom heb je mij dan niet gewaarschuwd?”

De bediende antwoordde: “Bij Allāh, ik ben meerdere keren naar je toe gekomen. Maar jij riep ‘de ezel is weg’ nog enthousiaster dan de anderen. Ik dacht dat je ervan op de hoogte was. Ik bewonderde je zelfs en dacht: wat ben jij toch een ṣūfī die zich volledig aan Allāh overgeeft en een ware ʿārif (innerlijke/spirituele kenner van Allāhu Taʿālā) is.”

De ṣūfī zei: “De ṣūfī’s riepen het werkelijk met zoveel liefde en enthousiasme. Het gaf mij ook veel plezier om hen na te doen. Maar uiteindelijk ben ik mijn ezel kwijtgeraakt. Mijn onbewuste imitatie heeft mij duur komen te staan.”

[Hebzucht naar eten en overmatige liefde voor genot verblinden het verstand van de mens. Ze verhinderen hem de waarheid te vinden. Wie zich bezighoudt met de uiterlijke vormen en genoegens van tasawwuf, komt in zijn geestelijke vooruitgang tot stilstand.

*: samāʿ is een spirituele luisterbijeenkomst waarbij bijvoorbeeld godsdienstige poëzie, lofzangen, dhikr en soms muziek worden voorgedragen of uitgevoerd, met als doel het hart geestelijk te raken en dichter tot Allāhu Taʿālā te komen.]

De failliete man

Er was eens een man die geen bezittingen, eigendommen, huis of onderdak had. Hij was hebzuchtig en schaamteloos. Bovendien bedroog hij de mensen. De rechter (qāḍī) legde hem een straf op en liet hem in de gevangenis opsluiten.

Al snel kreeg hij ook daar iedereen tegen zich in het harnas. Deze man, die de menselijke waardigheid met voeten trad, schoof zich als een vlieg aan bij iedere maaltijd, ook als hij niet was uitgenodigd. In zijn eentje at hij genoeg voedsel voor zestig mensen. Zonder iemand de salām-groet te geven en zonder enige schaamte ging hij aan tafel zitten en gaf hij niemand de kans om ook maar één hap te eten.

De gevangenen klaagden hierover bij de qāḍī: “Of haal die schandelijke man hier weg, of laat zijn eten afzonderlijk naar hem toe brengen.”

Toen de qāḍī de situatie onderzocht, begreep hij dat de gevangenen gelijk hadden. Vervolgens liet hij de man bij zich brengen en zei: “Verlaat deze gevangenis en ga thuis zitten.”

De man antwoordde: “De gevangenis is voor mij als het paradijs. Als u mij daaruit laat vertrekken, zal ik van armoede en ontbering omkomen.”

De qāḍī besloot vervolgens dat iedereen in de stad op de hoogte moest worden gebracht van het slechte karakter van deze man en van het feit dat hij niets bezat.

Hij liet de omroepers komen en zei: “Laat niemand hem iets verkopen. Leen hem geen geld, zelfs niet één cent. Wie naar hem toe komt om een rechtszaak tegen hem aan te spannen, zal niet worden gehoord. Ga door de hele stad en maak dit aan iedereen bekend.”

Ze lieten deze bedrieger op de kameel van een houthakker plaatsnemen en reden de hele dag met hem door de stad.

Toen de avond viel, zei de houthakker: “Je hebt sinds vanmorgen op mijn kameel gezeten. Geef me ten minste het geld voor een handvol hooi voor de kameel.”

Die verachtelijke man antwoordde: “Alles en iedereen in de stad, zowel levenden als levenlozen, heeft inmiddels gehoord wat voor iemand ik ben. Heb jij het dan nog steeds niet gehoord? Tot nu toe hebben wij samen met jouw kameel rondgereden om overal bekend te maken dat ik een failliete man ben. Ga nu maar naar huis.”

[De omroepers in dit verhaal stellen de profeten en de awliyāʾ voor. De failliete man staat voor de wereld. De kameeldrijver vertegenwoordigt de mensen die in onachtzaamheid leven.

De profeten en awliyāʾ waarschuwen de mensen ervoor zich niet onder te dompelen in de vergankelijke genoegens van deze wereld. Mensen die in onachtzaamheid verkeren, trekken zich niets van hun adviezen aan en blijven hun hoop vestigen op de voordelen die zij uit deze wereld kunnen halen.]

De Indiase slaaf

Er was eens een Indiase slaaf. Er ontstond een meningsverschil tussen hem en zijn meester. De slaaf werd zeer boos op zijn meester en wilde hem kwaad doen. Hij klom onmiddellijk op het dak van het huis en sprong met zijn hoofd naar beneden. Zo maakte hij een einde aan zijn eigen leven.

[Het niet aanvaarden van de profeten en awliyāʾ is vergelijkbaar met een zieke die bezwaar maakt tegen zijn arts of een kind dat in opstand komt tegen zijn leraar. Wie zich zo gedraagt, berokkent uiteindelijk alleen zichzelf schade.]

De beproeving van de slaven van de padishah

Een padishah kocht twee slaven voor een lage prijs. Hij riep de slaaf met het verzorgde uiterlijk bij zich en begon een gesprek met hem. De padishah wist dat de ware aard van een mens verborgen ligt onder zijn tong. De slaaf met wie hij sprak, kwam op hem over als intelligent en welbespraakt.

Toen hij de andere slaaf bij zich liet komen, merkte hij dat diens tanden pikzwart waren en dat zijn adem stonk. Ook sprak hij niet bijzonder verzorgd.

De padishah stuurde de slaaf met het mooie gezicht naar het badhuis. Om het begrip en het karakter van de slaaf met de rotte tanden en stinkende adem te leren kennen, zei hij tegen hem: “Ik mag je wel, maar je andere vriend heeft geen goede dingen over jou gezegd. Hij zei dat je omgaat met slechte vrienden en dat je een dief bent.”

De lelijke slaaf antwoordde: “Wat mijn vriend ook heeft gezegd, is waar. Ik neem het hem niet kwalijk om zijn woorden. Ik zoek de fout bij mezelf.”

Wat de padishah ook deed, hij kreeg de slaaf niet zover dat deze één kwaad woord over zijn vriend sprak. De lelijke slaaf somde al diens goede eigenschappen op en verdedigde hem volledig.

De padishah waarschuwde de slaaf en zei: “Ga niet te ver in het prijzen van je vriend. Ik zal hem op de proef stellen. Uiteindelijk zul jij je daarvoor schamen.”

Op dat moment kwam de mooie slaaf terug uit het badhuis. De padishah liet hem voor zich verschijnen en zei: “Gezondheid! Moge je blijvende gunsten ontvangen die nooit zullen verminderen. Je ziet er zeer verzorgd en mooi uit. Was het maar zo dat de slechte eigenschappen waarover je andere slaaf heeft gesproken niet in jou aanwezig waren. Dan zouden wij nog betere vrienden kunnen worden.”

Ook hem wilde de padishah op dezelfde manier op de proef stellen.

De houding van de mooie slaaf veranderde onmiddellijk: “Mijn padishah! Wilt u mij alstublieft vertellen wat die ongelovige over mij heeft gezegd?”

De padishah vertelde hem: “Hij heeft gezegd dat je huichelachtig bent, dat men zich niet door je mooie uiterlijk moet laten misleiden en dat je innerlijk vol verderf zit.”

Toen de slaaf hoorde wat zijn vriend over hem had gezegd, werd hij buitengewoon kwaad. Het schuim kwam hem op de mond en zijn gezicht werd rood van woede. In zijn woede vertelde hij dat hij vroeger bevriend was geweest met deze man, maar dat hij vanwege diens slechte eigenschappen de vriendschap had beëindigd.

Toen hij allerlei slechte dingen over zijn vriend begon op te sommen, bracht de padishah hem tot zwijgen: “Genoeg! Door deze beproeving heb ik de ware aard van jullie beiden leren kennen. Zijn mond stinkt, maar jouw innerlijk is verrot en jouw rūḥ stinkt. Voortaan sta jij onder het bevel van de goedhartige en oprechte vriend van jou.”

[Schoonheid van het gezicht kan lelijkheid van het innerlijk niet verbergen. Het kwaad dat vanbinnen schuilt, komt vroeg of laat aan het licht.

Bovendien vergaat uiterlijke, materiële schoonheid. De schoonheid van het innerlijk, de schoonheid van de betekenis en het wezen van de mens, is daarentegen onsterfelijk.]

De valk tussen de uilen

Padishahs houden valken om mee te jagen. Wanneer zo’n vogel voor de jacht wordt losgelaten, voltooit hij zijn taak en keert hij daarna weer terug naar de padishah. De valk die door een padishah voor de jacht was uitgezonden, raakte op een dag de weg kwijt. Hij kwam terecht in een verlaten ruïne waar uilen woonden. De uilen raakten in paniek. Ze waren bang dat deze valk hen uit deze vervallen plek zou verdrijven en hun woonplaats zou innemen. Ze stortten zich op de kop van de valk. Ze begonnen aan zijn vleugels te trekken om hem van zijn veren te ontdoen.

De valk zei: “O uilen! Jullie hoeven niet in paniek te raken. Die vervallen ruïne mag van jullie zijn. Ik zal naar mijn vaderland terugkeren en mij op de pols van de padishah koesteren.”

Een van de uilen zei: “Deze valk probeert jullie met een list van huis en haard te verdrijven.”

De valk zei: “De mannen van de padishah zijn waarschijnlijk al naar mij op zoek. Als mij ook maar één veer wordt beschadigd, zullen zij alle uilennesten met de grond gelijkmaken. Wie door de padishah wordt bemind, zal nooit zonder bescherming blijven. O uilen! Volg ook mij. Word allemaal een valk.”

Wie de weg naar Allahu Taʿālā zoekt, moet in deze wereld leven zonder de Rabu’l-ʿĀlamīn, de Koning der koningen, ooit uit het oog te verliezen. Hij moet verlangen naar het hiernamaals, zijn ware vaderland, en zich niet laten misleiden door deze vergankelijke wereld die uiteindelijk tot een ruïne zal vergaan.

De dorstige man

Aan de oever van een beek stond een tamelijk hoge muur. Boven op de muur stond een dorstige en een bezorgde man. De muur verhinderde hem het water te bereiken om zijn dorst te lessen. De arme man spartelde als een vis om het water dat voor zijn ogen stroomde te bereiken.

Plotseling bedacht hij dat hij een stuk leemsteen uit de muur kon losmaken en in het water kon gooien. Het geluid dat het water maakte toen de leemsteen erin viel, vervulde hem met een vreugde die hem bedwelmde, zoals een verliefde bedwelmd raakt wanneer hij de stem van zijn geliefde hoort. Daarop begon hij de leemstenen die hij uit de muur losmaakte, een voor een in het water te gooien.

De beek sprak: “O mensenkind! Waarom stoor je mij door steeds leemstenen in mij te gooien? Wat heb jij daar nu aan?”

De dorstige man antwoordde: “Het gooien van de leemstenen heeft voor mij twee voordelen. Ten eerste verzacht het geluid van het water wanneer de leemsteen erin valt mijn dorst. Ten tweede maakt elke leemsteen die ik uit de muur losmaak de muur een stukje lager en brengt mij daardoor dichter bij het water.”

[De muur die de mens ervan weerhoudt het water, dat wil zeggen Allāh, te bereiken, bestaat uit zijn nafsānī (echoistische) verlangens. Zoals een dorstige zich inspant om het water te bereiken, zo moet de mens zich inspannen om de muur van zijn eigen bestaan af te breken.]

De man die doornen plantte

Een man met een gladde tong, maar een hardvochtig karakter, plantte doornen langs de weg. De voorbijgangers berispten hem en vroegen hem de doornen uit te trekken en weg te gooien. De man trok zich niets aan van wat men tegen hem zei.

De doornen groeiden met de dag en bezorgden de voorbijgangers steeds meer last. Door de doornen scheurde de kleding van de mensen en raakten de voeten van de armen gewond.

De gouverneur van die streek beval de man: “Trek deze doornen uit.”

De man antwoordde: “Mijn heer, op een dag zal ik ze uittrekken.”

Terwijl hij steeds zei: “Morgen trek ik ze uit, overmorgen trek ik ze uit”, verstreek de tijd.

De doornen schoten steeds dieper wortel. De gouverneur liet de man bij zich komen en waarschuwde hem opnieuw: “Trek deze doornen zo snel mogelijk uit. Houd je aan je woord. Stel je taak niet uit.”

Toen de man opnieuw zei: “Maakt u zich geen zorgen, ik zal ze uittrekken”, zei de gouverneur: “Je stelt datgene wat je moet doen steeds uit door te zeggen: ‘morgen’. Maar je let niet op het volgende: met iedere dag groeien de doornen en worden ze sterker. Ze wortelen steeds dieper in de grond. Terwijl jij degene bent die de doornen moet uittrekken, word je zelf iedere dag ouder. Je kracht en vermogen nemen af.”

[Beschouw ieder van je slechte eigenschappen als een doorn. Trek deze doornen uit en werp ze weg door de strijd met je nafs aan te gaan, zoals ʿAlī (رضي الله عنه) de poort van de vesting van Khaybar uit de grond rukte.

Als je daartoe niet in staat bent, zoek dan een murshid-i kāmil (volmaakte geestelijke leider) die deze doornen kan enten en ze kan veranderen in rozenstruiken. Laat de murshid-i kāmil je gids zijn bij het veranderen van je slechte eigenschappen in goede eigenschappen.

Pijn wordt zoet door liefde

Lokmān was een bekwame, trouwe en geliefde slaaf. Zijn meester vertrouwde hem meer dan zijn eigen zonen. Want uiterlijk was hij een slaaf, maar in werkelijkheid was hij de meester van zijn nafs. Zijn meester was zich bewust van deze rijpheid in hem en wachtte op een geschikte gelegenheid om Lokmān vrij te laten.

Wanneer er eten voor zijn meester werd gebracht, liet hij Lokmān roepen en vroeg hem er eerst van te eten. Van wat Lokmān met smaak at en dronk, at hij vervolgens zelf met genoegen; wat Lokmān niet at, raakte hij zelf niet aan.

Op een dag kreeg de meester een meloen cadeau. Zoals altijd liet hij Lokmān roepen. Hij sneed een schijf van de meloen af en reikte die aan Lokmān. Lokmān at de aangeboden meloen met smaak. Zijn meester gaf hem nog een schijf. Ook die at Lokmān op dezelfde manier helemaal op.

Toen de meester zag hoe smakelijk Lokmān van de meloen at, dacht hij dat hij er bijzonder veel van hield. Hij gaf hem daarom alle schijven, totdat er nog maar één schijf over was. Toen hij de laatste schijf naar zijn mond bracht en er een hap van nam, merkte hij dat de meloen zo bitter was als vergif. Door de bitterheid sprongen hem de tranen in de ogen. Zijn keel brandde en zijn tong zwol op.

Toen de bittere smaak uit zijn mond verdwenen was, vroeg hij Lokmān: “Hoe kon je zo’n bittere meloen met zoveel smaak opeten?”

Lokmān antwoordde: “Mijn meester! Tot op de dag van vandaag heb ik veel van uw heerlijke gaven mogen ontvangen. Ik schaamde mij ervoor deze gave, die u mij gaf zonder te weten dat ze bitter was, te weigeren. Bovendien heeft mijn liefde voor u ervoor gezorgd dat ik de bitterheid van de meloen niet heb gevoeld.”

Pijn wordt zoet door liefde

Koper wordt door liefde gekneed en verandert in goud

Wat troebel is, wordt door liefde helder

Zorgen vinden door liefde hun geneesmiddel

Liefde brengt de doden tot leven

En maakt zelfs een koning tot jouw slaaf.

Tawbah is niets anders dan berouw

Een gelovige reciteerde de sūrah al-Mulk hardop. Een ongelovige filosoof die daar toevallig langs liep, hoorde het vers:

قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِنۡ أَصۡبَحَ مَآؤُكُمۡ غَوۡرٗا فَمَن يَأۡتِيكُم بِمَآءٖ مَّعِينِۭ ٣٠

Zeg: “Vertel mij! Als al jullie water in de aarde weg zou zakken, wie kan jullie dan van stromend water voorzien?” (Sūrah al-Mulk, 67:30)

Hij maakte hiertegen bezwaar.

“Met een houweel graven we de grond uit en halen we het water dat naar de diepte is weggezakt weer naar boven. Wat is daar nu zo bijzonder aan?” zei hij.

Toen de filosoof die nacht ging slapen, zag hij in zijn droom een heldhaftige man, sterk als een leeuw. Die man gaf de filosoof een klap. Plotseling kon de filosoof met geen van beide ogen meer zien.

De heldhaftige man zei tegen de filosoof: “Dwaze man! Als je daartoe in staat bent, haal dan met een houweel licht uit de bron van je oog.”

Toen de filosoof angstig uit zijn slaap ontwaakte, bemerkte hij dat hij met beide ogen blind was geworden.

Omdat zijn hart met ongeloof was vervuld, huilde en klaagde hij niet en deed hij geen tawbah (berouw). Als hij tawbah had kunnen verrichten, had hij door de gunst van Allāh zijn gezichtsvermogen kunnen terugkrijgen.

[Voor tawbah is berouw nodig. Wanneer iemand vanuit het diepst van zijn hart brandt van berouw, zucht, klaagt en zijn tranen laat vloeien om zijn eigen machteloosheid te erkennen, trekt dit de rahmah (barmhartigheid) van de Rabu’l-ʿĀlamīn aan. Ook an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Tawbah is niets anders dan berouw/spijt.”

Als de bliksem van het hart niet door berouw inslaat, zal de wolk van de ogen geen regen laten vallen. En als zij niet als regen naar beneden stroomt, hoe zal dan het vuur van de zonden worden gedoofd?]

De smeekbede van de herder

Mūsā (عليه السلام) kwam tijdens een van zijn reizen een herder tegen.

De herder zei: “O mijn Allāh! O mijn Allāh! Waar bent U? Ik offer mij voor U op. Ik zal Uw sandalen herstellen. Ik zal Uw haar kammen en Uw kleding wassen. Ik zal Uw luizen verwijderen. Ik zal U melk brengen. Ik zal Uw hand kussen en Uw voeten masseren. Wanneer U slaperig wordt, zal ik de plaats waar U gaat slapen schoonvegen. O mijn grote Allāh! Mogen al mijn geiten voor Uw zaak worden opgeofferd. O mijn Rab, tot Wie ik telkens ‘o, o’ wanhopig roepend mijn nood uitschreeuw!”

Mūsā (عليه السلام) vroeg: “Voor wie zeg je dit allemaal?”

De herder antwoordde: “Voor mijn Allāh, Degene die de hemelen en de aarde heeft geschapen.”

Mūsā (عليه السلام) zei: “Ben je je verstand verloren? Hoe kun je zulke onzinnige dingen zeggen? Dingen als schoenen en sokken zijn behoeften die bij jou horen. Het behoort niet tot de eigenschappen van Rabu’l-ʿĀlamīn dat Hij ergens behoefte aan heeft. Het is beter dat je, in plaats van zo te spreken, watten in je mond stopt en zwijgt.”

Daarop berispte hij de herder streng.

De herder zei: “O Mūsā! Met deze berisping heb je mijn mond dichtgenaaid. Je hebt mijn ziel met het vuur van berouw verbrand.”

Hij slaakte een diepe zucht, scheurde zijn kleding en ging de woestijn in.

Even later kwam er een openbaring tot Mūsā (عليه السلام): “Jij hebt Onze dienaar van Ons verwijderd. Is het jouw taak om Mijn dienaren dichter bij Mij te brengen, of om hen van Mij te scheiden?”

Na deze waarschuwing ging Mūsā (عليه السلام) de herder achterna. Toen hij hem had gevonden, bracht hij hem goed nieuws: “Allāh heeft jou toestemming gegeven. Verricht je aanbidding zoals je gewend bent. Spreek zoals het in je hart opkomt.”

De herder zei: “O Mūsā! Ik ben inmiddels uit de staat van jazbah (sterke geestelijke aantrekking tot Allāh) waarin ik mij eerder bevond geraakt. Nu verkeer ik in een toestand die niet met woorden kan worden beschreven.”

[Wij moeten weten en erkennen dat de gehoorzaamheid en aanbidding die wij verrichten, niet waardig zijn voor Allāhu Taʿālā. Ook onze lofprijzing en het verheerlijken van Allāhu Taʿālā moeten wij, net als de woorden van de herder, als ontoereikend en ongepast beschouwen. Hoe volmaakt onze dankbaarheid ook moge zijn, ten opzichte van Allāhu Taʿālā blijft zij gebrekkig en onvolkomen.]

De man die een slang inslikte

Een ruiter die op zijn paard onderweg was, zag dat er een slang de mond van een slapende man binnenkroop. Hij probeerde hem in te halen en in te grijpen, maar slaagde daar niet in. De slang verdween in de mond van de slapende man.

De ruiter, die een verstandig man was, gaf de slapende man enkele slagen met zijn knots. Hij dreef de man tot onder de appelbomen die in de buurt stonden. Onder de bomen lagen rotte appels. De ruiter dwong de man om de rotte appels te eten.

Terwijl de man met tegenzin de rotte appels opat, klaagde hij: “Kom, wat heb ik jou aangedaan? Waarom doe je mij dit onrecht aan? Als je mij kwaad wilt doen, sla me dan dood, maar martel me niet.”

De ruiter zei: “Zodra je dit hebt opgegeten, moet je beginnen te rennen.”

De man, die al uitgeput en slaaptekort had en nu ook zijn buik had volgegeten, rende onder de brandende zon vloekend achter de ruiter aan.

Uiteindelijk werd de man misselijk en raakte zijn gal opgezet. Hij begon te braken en braakte alles wat hij had gegeten uit. Tussen wat hij uitbraakte, zag hij een enorme zwarte slang. Toen begreep hij waarom de ruiter hem zo had behandeld.

Hij kreeg spijt van de vervloekingen die hij over de ruiter had uitgesproken. Hij verontschuldigde zich bij hem en vroeg hem zijn onwetendheid te vergeven.

“Als u mij had verteld waarom u dit deed, zou ik u niet hebben beledigd,” zei hij.

De ruiter antwoordde: “Als ik je had verteld dat er een slang in je maag was gekropen, zou je niet de kracht hebben gehad om appels te eten, te rennen of te braken. Je zou van angst zijn gestorven.”

De man die van de slang was bevrijd, nam afscheid van de ruiter terwijl hij hem met zijn smeekgebeden bedankte.

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De nafs die zich tussen je twee wenkbrauwen bevindt, is je grootste vijand.”

Het is mogelijk om bevrijd te worden van de slang van de nafs die zich in de mens heeft genesteld door de opvoeding en begeleiding van de vrienden van Allāh (awliyāʾ). Tijdens deze opvoeding moet men bepaalde moeilijkheden en beproevingen verdragen.

De awliyāʾ van Allāh, die de werkelijkheid van de nafs kennen, helpen degene die Allāh zoekt. Zonder hem onmiddellijk de ware omvang en aard van zijn nafs te laten zien, bevrijden zij hem door middel van enkele tijdelijke moeilijkheden van de slang van de nafs.]

De vriendschap van de beer

Een grote slang had zich om een beer gewikkeld en was bezig hem te wurgen. Op dat moment hoorde een dappere man, die daar toevallig langskwam, het geschreeuw van de beer. Hij snelde onmiddellijk te hulp en bevrijdde de beer.

De beer begon de dappere man, die hem van de dood had gered, overal te volgen. Als een trouwe hond liep hij achter hem aan.

Enige tijd later werd de dappere man ziek en kwam hij in bed te liggen. Uit liefde en gehechtheid bleef de beer bij zijn hoofdeinde de wacht houden.

Een bekende die daar langskwam, vroeg de man: “Waarom blijft deze beer bij je hoofdeinde wachten?”

De dappere man vertelde hem wat er was gebeurd en hoe hij de beer van de slang had gered.

De bekende zei: “De vriendschap van een dwaas is erger dan vijandschap. Vertrouw deze beer niet. Je weet niet welk kwaad hij je kan aandoen.”

De dappere man antwoordde: “Je praat zo uit jaloezie. Kijk eens naar de trouw en liefde die deze beer toont.”

De bekende zei: “De liefde van dwazen is bedrieglijk. Mijn zogenaamde jaloezie is beter dan zijn liefde. Kies voor een mens en niet voor een dier. Stuur de beer bij je vandaan.”

Maar hij kon hem niet overtuigen.

“Nu ligt jouw zaak bij Allāh; doe maar wat je wilt,” zei hij en hij vertrok.

De dappere man deed geen afstand van de beer. Na enige tijd viel hij in slaap.

Er kwam een vlieg en ging op het gezicht van de man zitten. De beer joeg de vlieg weg. De vlieg kwam opnieuw terug en weer joeg de beer hem weg.

Nadat de beer de hardnekkige vlieg meerdere keren had verjaagd, werd hij buitengewoon kwaad. Hij pakte een enorme steen. Om de vlieg die op het gezicht van de man was gaan zitten te doden, sloeg hij de steen met volle kracht op het gezicht van de man.

De steen verbrijzelde het gezicht van de man en verpletterde zijn hersenen. Terwijl de beer goed wilde doen, doodde hij zijn vriend.

[De mens moet geen vriendschap sluiten met zijn nafs, die te vergelijken is met deze beer. Hij moet afstand nemen van de verlangens en begeerten van zijn nafs. Het resultaat van vriendschap met de nafs is ḥusrān (verlies en ondergang).]

De vriendschap tussen de ooievaar en de kraai

Een wijze man vertelt:

Op een dag zag ik in de woestijn een ooievaar en een kraai vriendschap met elkaar sluiten. Eerst was ik zeer verbaasd. Daarna begon ik hen te observeren om de reden van deze vriendschap te ontdekken. Na enige tijd zag ik dat ze allebei mank liepen.

[Gemeenschappelijke eigenschappen, zoals afkomstig zijn uit dezelfde geografische streek, hetzelfde beroep uitoefenen of dezelfde mashrab (ṣūfī-orde) delen, vormen het beginpunt van vriendschap en verbondenheid tussen mensen.]

De toespraak van Allahu Taʿālā tot Mūsā (عليه السلام)

Van Allahu Taʿālā kwam de volgende toespraak tot Mūsā (عليه السلام): “O Mūsā! Waarom ben je, toen Ik ziek was, niet naar Mij komen informeren?”

Mūsā (عليه السلام) was verbaasd toen hij deze woorden hoorde en zei: “O mijn Rab! U bent verheven boven gebreken, ziekte en iedere tekortkomende eigenschap. Schenk mij het geheim achter deze boodschap.”

Daarop zei Allāh Taʿālā: “Een van Mijn bijzondere en uitverkoren dienaren is ziek geworden. Als je hem tijdens zijn ziekte had bezocht, zou het zijn geweest alsof je Mij had bezocht.”

[Wie bij Allāh wil zijn, moet zich in de nabijheid van de awliyāʾ (de vrienden van Allāh), begeven. Het samenzijn met hen herinnert ons aan onze menselijkheid. Door onze geestelijke tekortkomingen te zien, helpt het ons om ons te laten opvoeden en verbeteren.

Onze voorgangers hebben ons geleerd dat er tot aan de Dag des Oordeels awliyāʾ op aarde zullen zijn. Laten wij aannemen dat deze personen zoals Mawlānā, ʿAbd al-Qādir al-Gīlānī en Shāh Naqshband in deze wereld hebben geleefd, waarin allerlei vormen van verdorvenheid hun hoogtepunt hebben bereikt. Dit geloof stelt ons in staat hun geestelijke hulp en himmah* te bereiken.

Laten wij Allāh in onze smeekbeden vragen ons de grote geestelijke personen van deze tijd te laten herkennen en ons in staat te stellen van hen te profiteren.

[*: himmah: de innerlijke kracht, geestelijke gerichtheid en vastberadenheid van het hart om een bepaald doel te bereiken, vooral het streven naar Allāhu.]

De murīd die een nieuw huis liet bouwen

Een murīd die nog maar kort geleden ṣūfī was geworden, had een huis voor zichzelf laten bouwen. Met de bedoeling er barakah (zegen) in te brengen, nodigde hij zijn shaykh bij hem thuis uit. Toen zijn shaykh bij hem thuis kwam, vroeg hij de ṣūfī: “Waarom heb je deze ramen in je huis laten maken?”

De murīd antwoordde: “Opdat het huis vanbinnen licht is, mijn meester.”

De shaykh zei: “Het licht zal toch al door het raam naar binnen vallen. Wat belangrijk is, is je intentie. Alles wat je doet, moet je met de bedoeling van aanbidding (ʿibādah) doen. Als je bij het laten maken van de ramen de intentie had gehad om de stem van de adhān (oproep tot de salāh) beter te kunnen horen, zou dat nog mooier zijn geweest.”

De hond en de blinde bedelaar

In een dorp viel een hond een blinde bedelaar aan. De arme blinde bedelaar was doodsbang. Uit angst dat de hond hem zou verscheuren, wist hij niet wat hij moest doen. Hij begon te smeken: “O jachthond! Leeuw onder de leeuwen! Wat win je ermee om een arme bedelaar als ik aan te vallen? Past het bij jouw grootheid om mij aan te vallen? Jouw soortgenoten jagen in de bergen op wilde ezels, terwijl jij je bezighoudt met een blinde bedelaar. Leer jagen en zoek voor jezelf ḥalāl (toegestane) levensonderhoud.”

[Met de hond wordt hier de nafs van de mens bedoeld. Wanneer de nafs wordt opgevoed en getraind, werkt hij, net als een jachthond, in het voordeel van de mens. Als de nafs niet wordt opgevoed, valt hij, net als straathonden, iedereen en alles aan en brengt hij zowel zichzelf als anderen schade toe].

De tuinman en de dorre boom

De tuinman ging met zijn bijl naar de dorre boom in de tuin die hij verzorgde, om deze om te hakken.

De dorre boom smeekte: “O mijn dappere vent, waarom hak je mij om terwijl ik geen enkele schuld heb?”

De tuinman antwoordde: “Jouw verdorde toestand is op zichzelf al voldoende reden om je schuldig te achten.”

De boom zei: “Zoals je ziet, ben ik kaarsrecht en niet krom. Vergeef mij vanwege mijn rechtlijnigheid.”

De tuinman antwoordde: “Was je maar krom en scheef, maar nog wel levend en groen geweest. Dan zou je sterk en krachtig zijn geweest. Je zou niet verdroogd zijn. Met het water dat je uit de aarde had opgenomen, zou je tot leven zijn gekomen. Jouw zaad moet slecht zijn geweest en je o oorspronkelijke aard is aangetast, want daardoor ben je geen mooie boom geworden. Omdat je dor bent, is het zelfs niet mogelijk om je door middel van een tak van een mooie boom te enten en zo mooier te worden. Je verdient het om omgehakt te worden.”

[Om mooie vruchten te verkrijgen, worden bomen geënt. Zo moeten ook mensen, om een mooi karakter te verwerven, in het gezelschap van de awliyāʾ hun kamālāt (geestelijke volmaaktheden) verwerven.

Het is de taak van de awliyāʾ om het lelijke weg te nemen en het mooie tevoorschijn te brengen.]

De dief vangen

Op een dag zag een man een dief in zijn huis. Toen hij hem wilde grijpen, vluchtte de dief. De man zette de achtervolging in. Twee of drie straten verderop stond hij op het punt de dief, bezweet en buiten adem, te pakken te krijgen, toen een andere dief tussenbeide kwam en riep:

“Kom snel hier! Schiet op!”

De man maakte zich zorgen dat er daar misschien iets veel ergers aan de hand was en rende naar de kant waar het geluid vandaan kwam. Toen hij bij degene aankwam die hem had geroepen, vroeg hij: “Wat is er? Wat is er gebeurd? Waarom heb je me zo gehaast geroepen?”

De andere dief deed alsof hij opgewonden was en zei: “Kijk, hier zijn de voetafdrukken van de dief. Hij is deze kant op gegaan. Verspil geen tijd en pak hem!”

De man antwoordde: “Dwaze man! Wat moet ik met zijn voetafdrukken? Ik stond op het punt hem zelf te pakken. Door jouw geschreeuw heb ik hem laten gaan.”

De andere dief zei: “Ik vertel je de waarheid. Dit zijn de voetafdrukken van de dief die is gevlucht.”

De huiseigenaar zei: “Of je bent een dwaas, of je bent een bedrieger. Ik stond op het punt de dief te pakken, maar door jouw geschreeuw heb ik hem laten gaan. Je hebt je met mijn zaak bemoeid en de dief laten ontsnappen.”

[Mawlānā legt met dit verhaal de kwestie van de Dhāt (Wezen) en de Sifāt (Eigenschappen) van Allāh uit.

Degenen die in onachtzaamheid verkeren en degenen die door een sluier van de Dhāt van Allāh zijn afgeschermd, zien alleen de kunstwerken van Allāh en hetgeen Hij heeft geschapen. Omdat zij blijven steken bij de schepselen, oftewel de Sifāt, worden zij verstoken van de Dhāt van Allāh.

In het verhaal vertegenwoordigt de huiseigenaar degenen die zich met de Dhāt van Allāh bezighouden en Allāh hebben bereikt. Degene die de voetafdrukken van de dief aanwijst, vertegenwoordigt daarentegen de mensen van onachtzaamheid die zich bezighouden met de Sifāt.]

De moskee van de munāfiqūn

De munāfiqūn (huichelaars) bouwden in het dorp waar de moskee van Qubāʾ stond een zeer mooie moskee. Vervolgens gingen zij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroegen hem de moskee met zijn aanwezigheid te eren. Zij zeiden tegen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم):

“Maak zowel de moskee als degenen die zich erin bevinden blij door naar ons toe te komen. Jij bent als de maan, terwijl wij de nacht zijn. Als jij bij ons bent, verandert onze nacht in dag en worden wij van onze zonden gereinigd.”

Het zou mooi zijn geweest als de munāfiqūn werkelijk tot īmān (geloof) waren gekomen en deze woorden niet alleen met hun tong uitgesproken, maar ook vanuit hun hart hadden bevestigd. Woorden die niet oprecht en vanuit het hart komen, maar slechts van de tong rollen, lijken op groen dat uit een vuilnisbelt groeit.

Onze barmhartige en genadevolle Nabī (صلى الله عليه وسلم) vermoedde hun bedrog, maar glimlachte naar hen en zei: “Ik zal zeker komen, maar op dit moment zijn we onderweg. We gaan ten strijde. Wanneer we van de strijd terugkeren, zal ik naar die moskee komen.”

Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van de Slag bij Tabūk was teruggekeerd, kwamen die opstandige en bedrieglijke munāfiqūn opnieuw naar Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم) en herinnerden hem aan zijn belofte.

Allahu Taʿālā gaf Zijn Nabī het bevel: “O an-Nabī! Maak hun verraad openlijk bekend. Aarzel niet, zelfs als dat tot een oorlog zou leiden.”

Daarop maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hun werkelijke bedoelingen tegenover hen bekend en gaf hij opdracht deze moskee af te breken.

De vier Indiase moslims

Vier Indiase moslims gingen een moskee binnen om aanbidding (ʿibādah) te verrichten. Zij begonnen aan de ṣalāh. Op dat moment kwam de muʾadhdhin (oproeper tot de ṣalāh ) van de moskee binnen. Een van de Indiërs die ṣalāh verrichtten, vergat dat hij aan het bidden was en riep naar de muʾadhdhin: “O muʾadhdhin, heb je de adhān al opgeroepen? Of is de gebedstijd nog niet aangebroken?”

De Indiër naast hem zei: “Mijn broer, je hebt tijdens de ṣalāh gesproken. Je ṣalāh is daardoor ongeldig geworden.”

Een andere Indiër zei: “Oom, toen jij hem waarschuwde, is ook jouw ṣalāh ongeldig geworden.”

De vierde Indiër zei: “Allāh zij dank, ik heb niet dezelfde fout gemaakt als jullie. Ik heb mijn ṣalāh niet ongeldig gemaakt door te spreken.”

Op deze manier werd de ṣalāh van alle vier de Indiase moslims ongeldig.

[Degenen die hun echoistische eigenschappen niet verlaten en een slecht karakter bezitten, zijn geestelijk ziek. Zij moeten zich inspannen om hun ziekte te behandelen.

Het zien van je eigen tekortkomingen en gebreken is het geneesmiddel voor een geestelijke ziekte.

Wie de tekortkomingen van een ander ziet, koopt als het ware die tekortkoming zelf.

Gelukkig is degene die zich bezighoudt met zijn eigen gebreken en tekortkomingen!]

De ziekte van de ouderdom

Een oude man klaagde bij een dokter: “Mijn hoofd is verward en mijn gedachten zijn een chaos.”

De dokter zei:

“Dat je hoofd verward is en je gedachten een chaos zijn, komt door je ouderdom.”

De zieke oude man klaagde vervolgens: “Mijn rug doet ook hevig pijn.”

De dokter antwoordde: “De ouderdom heeft je lichaam verzwakt.”

De oude man ging verder: “Wat ik ook eet, het valt me zwaar. Ik heb moeite met de spijsvertering.”

De dokter zei: “Dat je maag zijn werk niet goed doet, komt ook door de ouderdom.”

Toen de oude man zei: “Ik heb moeite met ademhalen en lijd aan kortademigheid,”

antwoordde de dokter: “Dat klopt. Wanneer een mens oud wordt, krijgt hij allerlei kwalen. Ook je kortademigheid komt door de ouderdom.”

Daarop werd de oude patiënt kwaad en begon te verontwaardigd te klagen: “O jij dwaas! Is dat alles wat je te zeggen hebt? Heb je dan niet gehoord dat Allāh, Die de ziekte geeft, ook het geneesmiddel heeft gegeven? Net zoals jouw verstand beperkt is, is ook jouw medische kennis beperkt. Je blijft maar zeggen: ‘Het komt door de ouderdom.’ Heb je soms alleen die ene zin geleerd toen je dokter werd?”

De dokter antwoordde lachend: O mijn vriend, die de leeftijd van zestig jaar is gepasseerd! Ook deze boosheid en woede van jou komen door de ouderdom.”

[Mawlānā verklaart in de versregels die op dit verhaal volgen dat de ouderdom van degenen die de goddelijke liefde hebben verworven, van een andere aard is.

Iemand die dronken is van de liefde voor Allāh, is uiterlijk weliswaar oud, maar in zijn innerlijke wereld, leeft hij daarentegen een geestelijk leven dat zo zuiver is als dat van een kind.]

De vader en zijn zoon

Een kind stond voor de kist van zijn vader en hief klaaglijk een rouwzang aan:

“O mijn lieve vader, waar brengen ze je naartoe? Ze gaan je in de aarde begraven.

Ze brengen je naar zo’n krap huis, vol verdriet en ellende, dat eronder geen tapijt en zelfs geen rietenmat wordt uitgespreid.

Daar heb je ’s nachts geen licht en overdag geen stuk brood. Je zult er geen geur van eten ruiken en niemand zal je eten geven.

Je huis heeft geen deur en er is ook geen weg waarlangs je naar het dak kunt gaan. Je zult geen buurman hebben met wie je je verdriet kunt delen.

Wat zal er van je terechtkomen in deze donkere plaats, waar de zon niet schijnt, mijn lieve vader?”

Op dat moment trok een ander kind dat bij de begrafenis aanwezig was aan de hand van zijn vader en vroeg: “Papa, brengen ze deze dode naar ons huis?”

Zijn vader werd boos en zei: “Doe niet zo dom, jongen.”

Het kind zei: “Papa, alles wat dat kind heeft opgesomd, hebben wij ook thuis. Zoals hij het beschreef, hebben wij geen rietenmat, geen licht en zelfs geen fatsoenlijke deur, binnenplaats of dak. We hebben ook niets te eten of te drinken.”

[Harten die niet worden verlicht door de zon van het Licht van Allāh zijn eveneens als graven. Zij zijn afgesloten voor maʿrifah (innerlijk kennen) en ḥaqīqah (innerlijke werkelijkheid). Een graf is beter dan een dergelijk hart.

Kom, verlaat het graf van het hart, dat zich in de put van het lichaam zonder licht bevindt, en bevrijd jezelf ervan. Word de zon van de hemel. Weet dat jij de Yūsuf van jouw tijd bent.]

De bevrijding van de profeet Yūnus (عليه السلام)

Yūnus (عليه السلام) verliet zijn volk uit woede omdat zij niet tot īmān (geloof) kwamen. [Hij ging aan boord van een schip. Toen het schip door zwaar weer in moeilijkheden kwam, werd door middel van loting bepaald dat iemand overboord moest worden gezet. Het lot viel op Yūnus (عليه السلام). Hij werd in zee geworpen], en werd vervolgens door een grote vis opgeslokt.

In de buik van de vis begon de profeet Yūnus (عليه السلام) Allāh te verheerlijken en en Hem vrij te spreken van iedere tekortkoming (tasbīḥ). Yūnus (عليه السلام) verbleef veertig dagen en veertig nachten in de buik van de vis. Daar bleef hij Allāh smeken en Hem gedenken.

Door de barakah (zegening) van zijn tasbīḥ werd hij uit de buik van de vis bevrijd en kwam hij aan land. Allāh Taʿālā vermeldt in de Qurʾān al-Karīm dat Yūnus (عليه السلام) door zijn tasbīḥ in de buik van de vis werd gered en dat hij daar anders tot aan de Dag des Oordeels zou zijn gebleven.

[Deze wereld is een zee. Het lichaam is de vis van deze zee. De rūḥ is, omdat hij het goddelijke licht niet kan zien, als de profeet Yūnus (عليه السلام) in de buik van de vis.

De rūḥ die gevangen zit in de vis van het lichaam, bereikt de bevrijding door Allāh te tasbīḥ te verrichten.]

De bedoeïen en de filosoof

Een bedoeïen had zijn kameel met twee volle zakken beladen. Hij zat tussen de twee zakken in en reisde zo verder. Onderweg ontmoette hij een man die er haveloos en verwaarloosd uitzag. Nadat ze enige tijd met elkaar hadden gesproken, vroeg de man wat er in de zakken zat.

De bedoeïen antwoordde: “In de ene zak zit tarwe en in de andere zand.”

De man vroeg: “Waarom heb je een zak met zand gevuld?”

Toen de bedoeïen antwoordde: “Ik heb de zak met zand meegenomen om de zak met tarwe in evenwicht te houden.”

Dee man zei: “Zou het niet beter zijn geweest als je je verstand had gebruikt en de helft van de tarwe in de ene zak en de andere helft in de andere zak had gedaan?”

Daarmee gaf hij hem een wijze raad.

De bedoeïen zei: “Knap van je! Je hebt me een goed idee gegeven. Je lijkt me een verstandig en geleerd man. Maar je verkeert in een erbarmelijke toestand. Je kleding is versleten. Je hebt zelfs geen rijdier. Waarom loop je te voet?”

De bedoeïen kreeg medelijden met de toestand van de filosoof en overwoog hem op zijn kameel te laten rijden.

“O man van wijze woorden en kennis, vertel me eerlijk: ben je soms een hooggeplaatste staatsdienaar die zich heeft vermomd?”

De filosoof antwoordde: “Ik ben noch een vizier, noch een padishah. Ik ben maar een gewoon mens. Mijn toestand is zoals je die voor je ziet.”

De bedoeïen vroeg opnieuw: “Hoeveel kamelen en hoeveel runderen heb je?”

De filosoof antwoordde: “Daar moet je maar helemaal niet over beginnen. Ik heb er geen enkele.”

De bedoeïen ging verder: “Hoeveel winkels heb je? Wat voor goederen verkoop je?”

De filosoof zei: “Ik heb geen winkel en ook geen goederen om te verkopen.”

De bedoeïen zei:“Dan heb je vast contant geld. Je bent zo geleerd dat je ongetwijfeld de kennis bezit om koper in goud te veranderen. Je verstand en kennis moeten toch iets opleveren?”

De filosoof antwoordde: “O heer van het Arabische volk! Geld en rijkdom zijn helemaal niet aan de orde. Ik heb niet eens genoeg bij me om mijn avondmaaltijd te betalen. Blootsvoets en met nauwelijks kleding aan volg ik degene die mij een hap eten geeft. Van al die kennis die ik bezit, heb ik niets anders gekregen dan lege dromen en hoofdpijn.”

Daarop werd de bedoeïen boos en zei: “Ga weg van hier! Ga bij mij vandaan. Moge jouw ongeluk niet op mij overgaan. Moge de ellende van armoede niet over mijn hoofd worden uitgestort. Als jij die kant op gaat, ga ik deze kant op.

De dwaasheid die ik beging door een van mijn zakken met zand te vullen, is beter dan jouw slimheid.

Want ik vrees Allāh en probeer Zijn geboden te volgen. Mijn hart is gevuld met goddelijke gunsten en geestelijke voeding.”

[Mawlānā richt zich in het vervolg van dit verhaal tot de filosofen die zich tegen de godsdienst verzetten. Wijsheid en filosofische gedachten die voortkomen uit de natuur en uit verbeelding, zijn ver verwijderd van de fayḍ (geestelijke overvloed) van het Licht van de majesteit en de ontzagwekkende grootheid van Allāhu Taʿālā.

Filosofie, die als de wijsheid van deze wereld wordt beschouwd, vermeerdert slechts vermoedens en twijfel. De wijsheid van de godsdienst daarentegen verheft de mens boven de hemelen en brengt hem naar hogere, voorbij deze wereld gelegen werelden.]

De ezel die in de modder valt

Als een ezel, terwijl hij snel probeert te lopen, in de modder valt, blijft hij zich inspannen om los te komen uit de modder waarin hij is weggezakt. Hij beschouwt de plek waar hij is gevallen niet als zijn eigendom. Hij probeert die plek niet geschikt te maken om er te gaan wonen. Hij weet dat dit geen plaats is om te leven en probeert er weg te komen.

O jij die bezwaar maakt tegen de awliyāʾ en zonden begaat! Zijn jouw gevoelens en je begrip dan nog lager dan die van een ezel, zodat jouw hart niet opspringt uit de modder van bezwaar en ontkenning?

Wanneer je zondigt, zeg je dat je machteloos bent en dat dit het enige is waartoe je in staat bent. Met dergelijke redeneringen probeer je jezelf in het gelijk te stellen.

Allahu Taʿālā weet echter welke zonden je begaat. Maar als een blinde hyena weiger je uit trots het naderende gevaar onder ogen te zien. Je sluit je ogen voor je zonden.

De man die trots was op zijn zonden

In de tijd van de profeet Shuʿayb (عليه السلام) zei een man: “Allāh ziet al mijn gebreken en vele zonden en kent mijn schulden, maar Hij roept mij niet ter verantwoording vanwege Zijn gunst en Zijn edelmoedigheid.”

Allahu Taʿālā gebood de profeet Shuʿayb (عليه السلام) deze man als volgt te waarschuwen:

“O onverstandige, beklagenswaardige man die het rechte pad heeft verlaten en in de woestijnen is verdwaald! Je beschrijft jouw toestand precies omgekeerd. Je hebt al zo vaak straf gekregen zonder dat je je daarvan bewust bent. Je bent een gevangene geworden van de verlangens van je nafs, zonder het te beseffen. Van je voeten tot aan je hoofd heb je jezelf met de ketenen van zonden vastgebonden. Je hart is bezoedeld en daardoor kun je de goddelijke geheimen niet zien.

Weet je waar dit op lijkt?

Wanneer een smid een zwarte man is, laat de rook geen sporen op zijn gezicht achter. De kleur van zijn gezicht is immers hetzelfde als die van de rook en het roet. Maar wanneer een man met een lichte huidskleur het beroep van smid uitoefent, wordt zijn gezicht door de werking van het roet en de rook donker.

Net als een zwarte smid ziet iemand die van het kwaad een gewoonte heeft gemaakt zijn eigen zonde niet meer en voelt hij geen gewetenswroeging.

Zoals de roetvlek onmiddellijk zichtbaar wordt op het gezicht van de smid met een lichte huidskleur, zo beseft iemand die in goedheid leeft en wiens hart zuiver is, de invloed van een zonde. Hij zegt: “O mijn Rab, ik heb berouw”, en verricht tawbah.

[De metgezellen vroegen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die heeft gezegd: “Zoals ijzer roest, zo roesten ook de harten.”

Zij vroegen: “Wat is het middel waarmee het hart wordt gepolijst, o Rasûlullāh?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Dhikrullāh (Allāh gedenken).”

Wij moeten onze harten reinigen en oppoetsen door tawbah (berouw) en dhikr (gedenking). Als wij bij het begaan van een zonde geen gewetenswroeging voelen, moeten wij onze toevlucht zoeken bij Allāh.]

De dervish op het schip

Een dervish reisde per schip. Omdat hij geen bagage of bezittingen had, had hij zich in een hoekje opgerold en was hij gaan slapen.

Op het schip raakte een zak met goudstukken kwijt. Ze doorzochten overal het schip, maar konden de zak niet vinden. Iemand wees naar de dervish die aan de kant lag te slapen en zei:

“Laten we die arme man ook doorzoeken. Misschien heeft hij hem.”

Ze maakten de dervish wakker en zeiden: “Op het schip is een zak met goudstukken verdwenen. We hebben iedereen doorzocht en nu zullen we ook jou doorzoeken. Trek snel uit wat je aan hebt.”

De dervish werd diep geraakt doordat hij van diefstal werd beschuldigd. Hij zocht zijn toevlucht bij zijn Rab en smeekte: “O mijn Rab! Ze beschuldigen deze beklagenswaardige dienaar van U van diefstal. Laat Uw hulp mij bereiken.”

Zodra de dervish zijn smeekbede had beëindigd, staken honderdduizenden vissen vanuit alle kanten van de zee hun kop boven het water uit. Iedere vis had een zeer kostbare, onbetaalbare parel in zijn bek.

De dervish nam enkele parels uit de bekken van de vissen, wierp ze in het schip en ging vervolgens in de lucht zitten alsof hij op een stoel zat.

Hij zei tegen de mensen op het schip: “Ga nu maar. Moge er onder jullie geen arme dief zijn.. Laat jullie schip maar van jullie zijn. Allāh is genoeg voor mij. Het bevalt mij om dicht bij Allāh te zijn en ver van jullie verwijderd te blijven. Hij zal mij niet van diefstal beschuldigen en Hij zal mijn touw evenmin in de handen van een kwaadspreker geven.”

De mensen op het schip riepen naar de dervish: “O verheven man! Waarom hebben zij jou deze verheven rang gegeven?”

De dervish antwoordde eerst bij wijze van toespeling, om hen te herinneren aan wat zij hadden gedaan: “Ze hebben mij deze rang gegeven omdat ik een arme man niet aan verdenking heb overgeleverd en Allāh niet heb gekrenkt.”

Vervolgens zei hij: “Moge Allāh ons daarvoor behoeden van dat! Niet omdat ik een arme man heb beschuldigd en aan verdenking heb overgeleverd, maar vanwege de eerbied en adab (goede gewoonte) die ik aan de geestelijke sultans heb betoond, hebben zij mij deze rang gegeven.”

[De mensen van het (geestelijk verlicht) hart staan zo ver van de wereld af als de nacht en de dag van elkaar verwijderd zijn en voor elkaar terugdeinzen. Iemand die deze oprechte dienaren met een zuiver hart beledigt, is als iemand die de padishah van diefstal beschuldigt.]

De boom van karāmah (bijzondere goddelijke gave)

In een bepaald land vertelde een geleerde als een sprookje: “In India staat een boom. Wie van de vrucht van deze boom eet, wordt noch oud noch sterft hij.”

De padishah van het land hoorde dit van een betrouwbare vriend. Hij nam wat er was verteld voor waar aan en raakte verliefd op de vrucht van die boom.

Hij stuurde een van zijn vooraanstaande mannen naar India om deze boom te vinden en de vrucht ervan mee te brengen. De man van de padishah zwierf jarenlang door India en de omliggende gebieden op zoek naar die boom. Hij liet geen stad die hij niet bezocht had, geen berg die hij niet had beklommen en geen vlakte die hij niet had doorkruist. Aan iedereen vroeg hij afzonderlijk naar de boom.

Sommigen van degenen die hij ondervroeg, lachten en zeiden: “Wie naar zo’n boom zoekt, is gek.”

Anderen gaven hem schertsend een tik tegen zijn nek en spotten met hem: “Jij behoort zeker tot die eenvoudige mensen die in deze wereld van hun zorgen zijn bevrijd en hun wensen hebben bereikt. Het kan niet zonder reden zijn dat iemand met zo’n zuiver hart en scherpe intelligentie als jij zich met zo’n onderzoek bezighoudt.”

Soms zeiden ze ook: “Er staat in dat en dat bos een zeer grote, prachtige, groene boom.”

Zo dreven zij de spot met hem.

De man van de padishah woog ieder bericht dat hij hoorde zorgvuldig af en deed alles wat in zijn vermogen lag om de boom te vinden.

De padishah bleef hem financieel en met goederen ondersteunen en stuurde hem voortdurend geld en middelen voor zijn onderzoek.

Uiteindelijk werd hij het rondzwerven in dit vreemde land moe. Het zoeken had hem uitgeput. Hij zag geen uitweg meer. Hij had zelfs geen enkel spoor van de boom kunnen vinden.

Hij besloot terug te keren naar de padishah.

Met verdriet omdat hij de hem opgedragen taak niet had kunnen volbrengen, begon hij aan de terugreis.

Onderweg vernam hij dat er vlak bij de plaats waar hij had overnacht een walī (vriend van Allāh) woonde. Hij besloot hem te bezoeken omwille van Allahs welbehagen. Hij dacht dat de duʿāʾ (smeekbede) van deze walī hem tijdens zijn reis een goede metgezel zou zijn.

Met betraande ogen verscheen hij voor de shaykh en zei: “O mijn shaykh! Ik heb uw barmhartigheid en mededogen nodig. Ik ben wanhopig; schenk mij uw gunst.”

De shaykh zei: “Vertel openhartig wat er aan de hand is. Vertel mij wat je dwarszit.”

De man van de padishah vertelde hem alles wat hem was overkomen tijdens zijn zoektocht naar de boom waarvan degene die de vrucht ervan at niet zou sterven.

De shaykh luisterde rustig naar hem tot hij was uitgesproken.

Vervolgens glimlachte hij en zei: “O zuivere en oprechte man van het (geestelijk verlichte) hart! Jouw vergissing is dat je de boom van kennis voor een werkelijke boom hebt gehouden.

Met deze boom wordt de kennis en wetenschap bedoeld waarover een geleerde beschikt. De boom van kennis is zeer groot, hoog en uitgestrekt. Hij is voortgekomen uit de allesomvattende oceaan van Allāh en is een levenswater (āb-i ḥayāt).”

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wanneer jullie een van de bomen van het Paradijs tegenkomen, ga dan in zijn schaduw zitten en eet van zijn vruchten.”

Een van de Ṣaḥābah vroeg: “O Rasûlullāh! Hoe kunnen wij een boom van het Paradijs tegenkomen terwijl wij nog in leven zijn en ons in deze wereld bevinden?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wanneer jullie een geleerde ontmoeten, hebben jullie een van de bomen van het Paradijs ontmoet.”]

De ruzie over druiven van mensen die elkaars taal niet begrijpen

Een man gaf vier mensen een bepaald bedrag en zei: “Koop met dit geld wat jullie nodig hebben en deel het met elkaar.”

Een van de mannen die het geld had gekregen, was een Pers. Hij zei: “Laten we met dit geld druiven kopen.”

De tweede was een Arabier. Hij zei: “Nee, met dit geld gaan we ʿinab kopen.”

De derde man was een Turk. Hij mengde zich erin en zei:

“Van engūr of ʿinab weet ik niets; we gaan met dit geld druiven kopen.”

De vierde man was een Griek. Hij zei:

“Laat die woorden toch achterwege. Laten we met dit geld stafīl kopen.”

Daarop begonnen de vier mannen met elkaar te ruziën en te vechten.

Ze sloegen elkaar hevig. Terwijl ze in werkelijkheid allemaal hetzelfde wilden.

Door hun onwetendheid sloegen ze elkaar.

Als daar een verstandig mens was geweest die al deze talen kende, zou hij tegen hen hebben gezegd:

“Met dit geld zal ik kopen wat jullie allemaal willen. Met jullie geld zullen jullie alle vier krijgen wat jullie verlangen. Jullie woorden veroorzaken verdeeldheid en strijd. Mijn woorden zullen jullie daarentegen met elkaar verzoenen en verenigen.”

Zolang er geen Sulaymān komt die alle talen kent, zal de verdeeldheid niet verdwijnen.

Er is in iedere tijd een Sulaymān. Hij verenigt en verheldert de harten. Hij laat geen stof of roest in de harten achter. Hij vult de harten met barmhartigheid, zoals het hart van een moeder.

Hij verwezenlijkt de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):

“De moslims zijn als één ziel.”

De ogen van iedere moslim die zijn godsdienst trouw is, zoeken voortdurend naar de Sulaymān van zijn tijd.

De zāhid in de woestijn

Er was een zāhid* die midden in de woestijn woonde en zich bezighield met aanbidding (ʿibādah). Pelgrims die vanuit hun plaatsen van herkomst op weg waren naar de ḥaj kwamen de zāhid bezoeken. Ze waren nieuwsgierig naar deze zāhid die in een dorre, waterloze woestijn leefde. Toen ze bij hem kwamen, zagen ze hem in volledige khushūʿ** op het gloeiend hete zand ṣalāh verrichten.

De zāhid verrichtte zijn sujūd (nederwerping) zo ontspannen alsof hij zich op een groene weide, tussen het gras en de rozen, bevond. Hij verrichtte zijn ṣalāh alsof er zijden tapijten onder zijn voeten lagen. Het gloeiend hete zand, heet genoeg om het water in een kookpot aan de kook te brengen, had geen enkele invloed op hem.

De pelgrims wachtten lange tijd totdat de zāhid zijn ṣalāh en duʿāʾ(smeekbede) had voltooid. Een van de pelgrims, wiens innerlijke oog geopend was, merkte dat er druppels wuḍūʾ-water van de handen en het gezicht van de zāhid vielen.

De pelgrim vroeg de zāhid: “Hier is geen waterput en geen oase. Waar komt dit water vandaan?”

De zāhid hief zijn handen naar de hemel, alsof hij wilde zeggen: “Het komt uit de hemel.”

De pelgrims zeiden: “O sultan van de godsdienst! Los ons probleem op. Moge jouw toestand ons een onwankelbaar geloof schenken. Toon ons een van jouw geheimen, zodat wij ware moslims worden.”

De zāhid verrichtte duʿāʾ:“O mijn Rab! Verhoor de smeekbede van de pelgrims. O mijn Rab! U heeft gezegd: ‘Jullie levensonderhoud is in de hemel.’ Ik heb geprobeerd mijn levensonderhoud in de hemel te zoeken. Open voor mij een deur vanuit de hemelen.”

Terwijl de zāhid deze smeekbede uitsprak, verscheen er aan de hemel een wolk in de vorm van een olifant. Vervolgens begon het water met bakken uit de hemel te stromen.

Alle pelgrims openden hun leren waterzakken en vulden deze met water.

De pelgrims hadden met hun eigen ogen de duʿāʾ van de zāhid gezien en gezien hoe Allāh deze duʿāʾ verhoorde. Daardoor lieten zij hun verkeerde opvattingen over de awliyāʾ achter zich.

[*: zāhid is iemand die zich bewust onthoudt van wereldse genoegens en zich richt op aanbidding en het hiernamaals.

**: khushūʿis innerlijke concentratie en onderwerping aan Allāh.

DERDE DEEL VAN MASNAWĪ

Jonge olifanten

In India woonde eens een geleerde met innerlijke kennis. Op een dag zag hij enkele vrienden die van verre landen kwamen. Aan hun uiterlijk was duidelijk te zien dat zij er ellendig aan toe waren. Ze hadden honger en waren vermoeid van de reis. Deze ʿārif (kenner van Allāh) kreeg medelijden met hen. Hij voelde de behoefte hen te waarschuwen voor de gevaren die hun onderweg konden overkomen.

Nadat hij hen vriendelijk de salām-groet had gegeven, somde hij met een glimlach zijn adviezen op: ‘Ik zie dat jullie er buitengewoon hongerig en ellendig aan toe zijn. Het lijkt wel alsof jullie in de woestijn van Karbalāʾ zijn achtergebleven. Jullie hebben met allerlei ziekten en moeilijkheden te kampen gehad en veel ellende doorstaan. Jullie zijn mijn vrienden. Het is daarom van groot belang dat jullie mijn adviezen opvolgen voor het verdere verloop van jullie reis.

Jullie zullen olifanten tegenkomen. Zij hebben zeer jonge en goed doorvoede kalfjes. Om jullie honger te stillen, mogen jullie beslist geen jonge olifanten jagen en hun smakelijke vlees eten. Het kan gemakkelijk en aantrekkelijk lijken om zo’n jong olifantje te vangen. Maar vergeet niet dat de moeder in de buurt op de loer ligt. Als haar jong iets overkomt, legt de moederolifant kilometers af om haar jong te vinden. Ze zoekt het huilend en jammerend. Door haar woede komen er op dat moment vuur en rook uit haar slurf.’

De ʿārif die zijn reizende vrienden advies gaf, legde ook een andere eigenschap van olifanten uit: ‘Olifanten zijn buitengewoon gehecht aan hun jongen. Door te ruiken kunnen zij vaststellen wie het vlees van hun jong heeft gegeten en in wiens maag het zich bevindt. Vervolgens straffen zij hem onmiddellijk.’

Daarna vervolgde hij: ‘Laat je beslist niet leiden door hebzucht en gierigheid. Laat je verlangen naar voedsel je toekomst niet verduisteren. Als jullie naar mijn adviezen luisteren, zullen jullie gevrijwaard blijven van rampspoed. Jullie hart en ziel zullen niet door zorgen worden gekweld. Ik heb mijn plicht gedaan en jullie gewaarschuwd, zodat jullie later geen spijt zullen krijgen. Moge Allāhu Taʿālā jullie nu allen een goede reis schenken. Ga in vrede en veiligheid.’ Daarop namen zij afscheid.

Onderweg raakte het voedsel van de reizigers op. Ze kwamen in een toestand van schaarste terecht en kregen ondraaglijke honger. Terwijl ze door de kwelling van hun honger verder trokken, zagen ze plotseling een pasgeboren, goed doorvoed en zeer appetijtelijk jong olifantje.

Op Abū ʿAbdullāh na stormden de anderen als uitgehongerde wolven op het jonge olifantje af. Abū ʿAbdullāh probeerde hen tegen te houden.

Hij herinnerde hen aan de woorden van de ʿārif en waarschuwde hen. Maar hij kreeg niemand zover naar hem te luisteren.

Nadat ze het jonge olifantje hadden geslacht, roosterden ze het vlees zorgvuldig en aten ervan. Vervolgens wasten ze hun handen en gingen liggen. Na dagen van honger vielen ze, verzadigd en loom door het vullen van hun magen, in slaap.

Ondanks alle aandringen kon Abū ʿAbdullāh, die uit gehoorzaamheid aan het advies van de ʿārif niet van het vlees van het jonge olifantje had gegeten, niet slapen. Hij zat daar als een herder die door de honger de kudde bewaakt.

Na enige tijd zag Abū ʿAbdullāh de woedende olifant aankomen. Uit angst durfde hij zich niet te verroeren. De olifant die bij hem kwam, rook eerst driemaal aan zijn mond. Terwijl het angstzweet hem uitbrak en hij over zijn hele lichaam beefde, liep de olifant enkele rondjes om hem heen. Zonder hem iets aan te doen, ging hij vervolgens naar de anderen, die lagen te slapen.

Hij rook één voor één aan hun monden. Uit hun monden kwam de geur van zijn jong. Hij tilde ieder van hen met zijn slurf omhoog en sloeg hem met grote kracht tegen de grond. Zo maakte hij de mannen aan stukken.

[In dit verhaal staat de moederolifant voor de profeten en de awliyāʾ. De jonge olifanten staan voor de ummah (gemeenschap) van Muḥammad, de rechtschapen gelovigen. Wie gelovigen onrecht aandoet, hen dwingt steekpenningen te betalen of over hen roddelt, roept daarmee de vergelding van de profeten en de awliyāʾ over zich af.

O achteloze mens! Net zoals de mensen die het jonge olifantje roosterden en opaten, eet jij het vlees van de dienaren van Allāh door over hen te roddelen. Wanneer zij er niet bij zijn, spreek je kwaad over hen en verval je in zonde.

Kom tot bezinning en let op je woorden! Degene die aan je mond ruikt, is Allāhu Taʿālā. Alleen degenen wier mond rein is, zullen hun leven kunnen redden.

*: Karbalāʾ: Ḥusayn ibn ʿAlī رضي الله عنهما, de kleinzoon van an-Nabī ﷺ. werd in. 61 AH (680 n.Chr) bij Karbala in het huidige Irak gedood. Deze gebeurtenis is een van de belangrijkste en meest tragische gebeurtenissen uit de vroege islamitische geschiedenis.]

De duʿāʾ van een zondeloze mond

Allahu Taʿālā sprak tot Mūsā (عليه السلام): ‘O Mūsā! Verricht duʿāʾ tot Mij met een mond die vrij is van zonden.’

Mūsā (عليه السلام) antwoordde: ‘O mijn Rab! Ik heb zo’n mond niet.’

Allāhu Taʿālā sprak: ‘Verricht duʿāʾ tot Allāh met de mond van een ander. Want jij kunt geen zonde begaan met de mond van een ander. Handel zo dat anderen dag en nacht voor jou duʿāʾ verrichten. De mond waarmee jij geen zonde hebt begaan, is de mond van iemand anders die voor jou om vergeving vraagt en voor jou duʿāʾ verricht.

Of reinig je eigen mond. Een mond die de naam van Allāh gedenkt, wordt gereinigd. De naam van Allāh reinigt alle onreinheden en verdrijft zorgen en moeilijkheden.’

[Dat een gelovige duʿāʾ verricht voor zijn gelovige broeder die niet bij hem aanwezig is, behaagt Allāh. Wanneer iemand voor zijn broeder duʿāʾ verricht, zegt de engel die aan zijn hoofdeinde staat: ‘Āmīn.’ Vervolgens zegt hij: ‘Moge voor jou hetzelfde gelden als waarvoor jij duʿāʾ hebt verricht.’

Onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘De duʿāʾ van een broeder voor zijn broeder in diens afwezigheid wordt niet verworpen.’]

De man die ’s nachts Allāh aanriep

Een man was ’s nachts voortdurend bezig met dhikr (gedenken). Het gedenken van Allāh gaf zijn mond en gehemelte zoveel genoegen alsof hij honing at. Op een dag fluisterde de shayṭān hem het volgende in: ‘Hoe lang zal jouw voortdurende gedenken van Allāh nog doorgaan? Dag en nacht zeg je “Allāh”, maar heeft Allāh ook maar één keer tegen je gezegd: “Labbayk, Mijn dienaar”? Aangezien je geen antwoord op je dhikr hebt gekregen, hoe lang zul je dan nog met zo’n schaamteloos en onbevreesd gezicht “Allāh” blijven zeggen?’

Deze influistering had invloed op de man. Hij hield op met zijn dhikr, ging liggen en viel in slaap.

In zijn droom zag hij Khiḍr (عليه السلام). Khiḍr (عليه السلام) vroeg hem: ‘Waarom ben je gestopt met het gedenken van Allāh? Waarom heb je spijt gekregen van je dhikr?’

De man antwoordde: ‘Als antwoord op mijn dhikr kwam er geen enkele “Labbayk”. Ik ben bang dat ik van de deur van mijn Rab word weggejaagd.’

Daarop zei Khiḍr (عليه السلام): ‘Dat jij “Allāh” zegt, is ons antwoord: “Tot Uw dienst, mijn dienaar.

Jouw inspanningen om Allāh te bereiken, zijn onze aantrekkingskracht.

Jouw angst en liefde zijn de lasso van onze genade.

Onder iedere keer dat jij “O mijn Rab” zegt, bevindt zich ons “Labbayk”.

Een achteloze kan “Allāh” niet zeggen; wij geven hem daarvoor geen toestemming.

Wij sluiten zijn mond en hart af, zodat hij niet tot Allāh smeekt en Hem niet aanroept wanneer hem onheil treft.

Allāh gaf Firʿawn het wereldse koninkrijk, maar Hij gaf hem geen enkele beproeving. Beproeving is waardevoller dan het wereldse koninkrijk.”

[Wanneer Allāh van een dienaar houdt, stelt Hij hem op de proef. Als die dienaar geduldig blijft tijdens de beproeving, maakt Allahu Taʿālā hem tot een van Zijn uitverkoren dienaren.

(Hadīth sharīf)]

De hoffelijkheid van de stedeling en de bedrieglijkheid van de dorpeling

In vroeger tijden raakten een stedeling en een dorpeling met elkaar bevriend. Wanneer de dorpeling naar de stad kwam, trok hij bij zijn stadse vriend in en verbleef daar twee of drie maanden. Hij was nauwelijks weg te krijgen uit diens winkel en van diens tafel.

Wanneer hij terugkeerde naar zijn dorp, voorzag zijn stadse vriend kosteloos in al zijn behoeften. Telkens wanneer de dorpeling naar de stad kwam, nodigde hij zijn stadse vriend uit naar het dorp en zei:‘Mijn geliefde vriend! Ga jij nooit eens op reis? Wanneer kom je naar ons dorp om onze gast te zijn? In Allahs naam, breng al je kinderen mee. Het is lente en overal staan de rozen in bloei. De weiden en velden zijn groen geworden. Laat je ogen genieten van de pas geopende bloemen. Als je wilt, kom dan in de zomer, wanneer het fruit rijp is. Ik zal je allerlei soorten fruit en groenten vers en overvloedig aanbieden. Ik zal je van dienst zijn. Je zou mij daar een groot plezier mee doen.’

Om aan het aanhoudende aandringen van de dorpeling te ontkomen, zei de stedeling iedere keer: ‘Ik zal komen’, waarmee hij hem voorlopig tevredenstelde. Vandaag, morgen… en zo verstreken er acht jaar.

Elk jaar kwam de dorpeling weer, werd hij met dezelfde gastvrijheid ontvangen en vertrok hij opnieuw met de woorden: ‘Mijn beste vriend, wanneer komt u nu eens? De winter staat alweer voor de deur.’

Zijn stadse vriend vond telkens een excuus en zei: ‘Dit jaar zijn er gasten uit een bepaalde streek bij mij gekomen. Als ik mij volgend jaar kan vrijmaken van mijn belangrijke bezigheden, wil ik naar jullie dorp komen.’

Wanneer de dorpeling dit hoorde, werd hij verdrietig en zei hij bijna smekend:

‘O mijn edelmoedige vriend! Mijn vrouw en kinderen wachten vol verlangen op u. Stel uw bezoek alstublieft niet langer uit.’

Elk jaar bleef de dorpeling als een ooievaar terugkomen en neerstrijken op het dak van zijn stadse vriend.

De gastheer besteedde ieder jaar gul uit zijn eigen geld en bezittingen. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat richtte hij maaltijden aan, gaf zijn gast te eten en te drinken en ontfermde zich over hem.

Tijdens zijn laatste bezoek bleef de dorpeling drie maanden. Beschaamd door de gastvrijheid die hij had ontvangen, zei hij:

‘Wanneer ga je eindelijk je belofte nakomen en ons huis met je aanwezigheid eren? Je houdt me voor de gek.’

De stedeling antwoordde: ‘Beste vriend, ik wil ook graag naar jou toe komen. Maar ik kan er niets aan doen. Wat de goddelijke beschikking bepaalt, dat gebeurt. De mens lijkt op een zeilschip. Allāh geeft de wind, maar het is niet bekend in welke richting Hij het schip zal voortstuwen.’

De dorpeling pakte de hand van de stedeling vast en zwoer driemaal bij Allāh: ‘O mijn edelmoedige vriend!

Neem je kinderen mee en kom, zodat je mijn gastvrijheid kunt ervaren.’

Zijn vrouw en kinderen hadden ieder jaar meegemaakt hoe de dorpeling erop aandrong dat hij naar het dorp zou komen.

Zij zeiden: ‘O vader! Zelfs de maan en de wolken trekken met ons mee wanneer we reizen. Onze dorpsvriend heeft zoveel recht op ons gekregen. Jij hebt voor hem veel moeite gedaan, veel kosten gemaakt en veel ongemak verdragen. Hij wil zijn schuld aan ons vereffenen door ons als zijn gasten te ontvangen. Hij heeft ons zelfs in het geheim gevraagd: “Overtuig jullie vader en breng hem naar het dorp.”’

De stedeling zei tegen zijn kinderen: ‘Wat jullie zeggen is waar. Maar er bestaat een spreekwoord: “Hoed je voor het kwaad van degene aan wie je een gunst hebt bewezen.”

Ik ben bang dat onze vriendschap hierdoor zal worden verbroken. Vriendschap is het zaad voor de laatste adem. Ze is bestemd voor de Dag des Oordeels en omwille van Allāh.’

De kinderen zeiden: ‘O vader! Ook wij hebben behoefte om eropuit te gaan en te spelen. Kom, doe ons dit plezier.’

Daarop besloot de stedeling naar het dorp te gaan. De voorbereidingen werden getroffen. De spullen die meegenomen moesten worden, werden op de wagen geladen en ze vertrokken.

De kinderen renden blij voor de wagen uit en verheugden zich erop dat ze in het dorp allerlei fruit zouden eten.

Omdat ze de weg naar het dorp waar ze naartoe gingen niet kenden, trokken ze een maand lang van dorp naar dorp. Overdag verbrandden hun gezichten in de zon en ’s nachts leerden ze hun weg te vinden bij het licht van de maan. Ze leden ontberingen, zoals een vogel die op het land leeft maar in het water in moeilijkheden verkeert. Uiteindelijk bereikten ze het dorp waarvoor ze waren uitgenodigd: zijzelf waren hongerig en vermoeid en hun dieren hadden geen voer of gras meer.

Hun dorpsvriend zou hen met duizend-en-één vormen van gastvrijheid hun ontberingen doen vergeten en hen zonder enig gebrek van dienst zijn.

Ze vroegen naar het huis van hun vriend en vonden het. Ze klopten op de deur. Maar niemand deed open. De stedeling was diep bedroefd door deze onbeleefdheid. Ze hadden zo’n lange reis afgelegd en waren door honger en vermoeidheid nauwelijks nog in staat zich te bewegen.

Vijf nachten lang bleven ze voor de deur staan, in de ijzige kou van de nacht en de brandende zon overdag.

De stedeling gaf de salām-groet aan de dorpeling, die zijn huis inen uitliep, nodigde hem uit en herinnerde hem eraan dat hij zijn stadse vriend was die hem zo vaak had uitgenodigd.

De dorpeling reageerde onverschillig: ‘Dat kan. Misschien spreek je de waarheid! Maar wat voor iemand ben je? Ben je goed of slecht? Ik weet niet of het wel juist is om je in huis te laten.’

De stedeling zei: ‘Jarenlang ben je maanden achtereen bij mij thuis gebleven. Hoe vaak heb je niet je buik aan mijn tafel volgegeten? Elk jaar voorzag ik in al je behoeften. Ik heb je talloze gunsten bewezen. Hoe kun je mij dan zo behandelen? Een mens zou zich toch op zijn minst een beetje schamen.’

De dorpeling antwoordde: ‘Ik ken jou niet. Ik weet noch je naam, noch waar je woont. Bovendien ben ik zozeer verdiept in mijn spirituele toestand dat ik niet eens meer weet wat ik gisteren heb gegeten. In mijn hart is niets anders dan Allāh.’

Op de vijfde nacht begon het met bakken uit de hemel te regenen. Door de hevige regen begon de stedeling op de deur van de dorpeling te bonzen en riep: ‘Roep de gastheer!’

Na honderden keren aandringen deed de dorpeling de deur open en vroeg: ‘Wat is er? Wat wil je?’

De stedeling zei: ‘Luister, alles wat ik je tot vandaag aan goeds heb gedaan, schenk ik je als halāl (toegestaan). Zelfs als je mijn bloed zou vergieten, vergeef ik het je. Laat ons alleen in deze regen een plek zien waar we kunnen schuilen. Doe iets omwille van Allāh en verdien er beloning mee.’

De dorpeling zei: ‘Ik heb daar een hutje waarin de tuinman de wacht houdt voor een wolf. Als jij de taak van de tuinman op je neemt, kun je daar met je kinderen verblijven. Anders kun je gaan waar je wilt.’

Omdat de stedeling geen andere keuze had, aanvaardde hij dit aanbod. Samen met zijn gezin zocht hij zijn toevlucht in het krappe hutje. In de donkere nacht waren ze door de stromende regen volledig uitgeput geraakt.

De hele nacht klaagden ze tegen elkaar: ‘O Allāh! Dit is wat ons toekomt. Wij hebben deze situatie zelf verdiend. Zo vergaat het degenen die bevriend raken met laagstaande mensen en mensen die hun menselijkheid verloren hebben. Zo eindigt het voor degene die goeddoet.’

De stedeling pakte pijl en boog en begon uit te kijken naar de wolf. Hij was bang dat de dorpeling zijn baard uit zijn gezicht zou trekken als de wolf zou komen en schade zou aanrichten. Hij hield zijn ogen wijd open en hield de omgeving nauwlettend in de gaten.

Midden in de nacht hoorde hij in het donker iets bewegen. Hij zag een donkere gedaante die op een wolf leek. Hij spande zijn boog, schoot een pijl af en trof de gedaante. Het dier viel op de grond en liet daarbij een wind.

Toen de dorpeling het geluid van de wind hoorde, sprong hij uit zijn bed en kwam naar buiten.

‘Nutteloze man! Je hebt mijn veulen doodgeschoten!’ riep hij.

De stedeling antwoordde: ‘Nee, het was een enorme wolf!’

De dorpeling zei:

‘Ik herken mijn veulen aan de manier waarop het winden laat. Ik ben daar net zo zeker van als ik water van wijn kan onderscheiden.’

De stedeling zei:

‘Laat je niet misleiden door de duisternis van de nacht en de regen.’

‘Nee, mijn broer. Ik kan het winden van mijn veulen uit twintig verschillende winden herkennen.’

Toen steeg het bloed de stedeling naar het hoofd. Hij sprong op en greep de dorpeling bij zijn kraag.

‘O bedrieglijke dwaas! In deze duisternis herken je het winden van je veulen, maar hoe komt het dan dat je mij, je vriend van tien jaar, niet herkent? Wat een stomkop ben je!’

Ben jij soms nog minder dan een hond?

Als een hond bij een deur een stukje brood krijgt, raakt hij aan die deur gehecht. Hij wordt haar dienaar. Zelfs als hij mishandeld wordt, blijft hij de bewaker van die deur. Hij vestigt zich bij die deur en beschouwt het als ondankbaarheid om naar een andere deur te gaan.

Wanneer er vanuit een andere plaats een hond in een wijk komt, verzamelen de honden van die wijk zich. Al blaffend roepen ze die hond tot de orde.

‘Ga eerst terug naar de deur waar je brood hebt gegeten. De dankbaarheid voor de gunsten die je hebt ontvangen, bestaat eruit dat je je hart aan die plaats verbindt. Ga zonder uitstel terug naar je oude plaats. Geef die plaats wat haar toekomt’, zeggen ze.

Als ze het hem niet duidelijk kunnen maken door te blaffen, leggen ze het hem uit door hem te bijten.

[O ṣūfī die het geestelijke voedsel dat jou is geschonken bent vergeten! Hoe vaak heb je aan de deur van de mensen met een zuiver en geestelijk ontwikkeld hart berouw getoond? Je ogen gingen open. Door de spirituele overvloed die je aan de deur van de mensen met een zuiver en geestelijk ontwikkeld hart ontving, raakte je buiten jezelf en werd je in extase gebracht. Je liep dronken van vreugde rond.

Herinner je je dat niet meer?

Houd op met het likken van de schaal van je nafs en wees standvastig in het berouw ter wille van je rūḥ.]

De duʿāʾ (smeekbede) van ʿĪsā (عليه السلام)

De plaats waar ʿĪsā (عليه السلام) zijn aanbidding verrichtte, was als de tafel van de mensen met een zuiver en geestelijk ontwikkeld hart.

Alle mensen die verdriet hadden, zieken, mensen die in moeilijkheden verkeerden, kwamen zodra het ochtend werd naar de plaats waar ʿĪsā (عليه السلام) zijn aanbidding verrichtte en verzamelden zich daar bij de deur.

ʿĪsā (عليه السلام) verrichtte zijn ochtend-wird* en nadat hij zijn onderricht had beëindigd, kwam hij tegen de tijd van de ḍuḥā (voormiddag) naar buiten.

Armen, vreemdelingen, zieken, mensen die onrecht was aangedaan en mensen die onder allerlei zorgen leden, wachtten vol hoop op hem. ʿĪsā (عليه السلام) zei tegen hen:

‘O mensen die door zorgen worden gekweld! Allāh heeft jullie allen verhoord. Kom, ga nu zonder moeite naar de gunst en edelmoedigheid van Allāh.’

Door de zegen van deze smeekbede keerden de mensen vol hoop en vreugde naar hun huizen terug.

[Ook jij hebt veel beproevingen en rampen meegemaakt. Je bent haastig naar de sultan van de godsdienst en de ṭarīqah gegaan. Door zijn himmah werd je beter. Je ziel werd bevrijd van verdriet en ellende. Om deze gunsten niet te vergeten, bind je een touw om je voet. Wanneer je in opstandigheid vervalt, zul je je dit herinneren.

Jouw ondankbaarheid zal ervoor zorgen dat je de gunsten en weldaden die je vroeger hebt ontvangen, vergeet.

Dat je dit vergeet, kwetst het hart van de vriend van Allāh. Wanneer diens hart gekwetst wordt, gaat de deur van gunst en edelmoedigheid dicht.

Ga hen onmiddellijk opzoeken en vraag om vergeving. Huil en laat je tranen stromen als een wolk. Huil, zodat ook voor jou de rozentuin wordt geopend.

*: wird: een dagelijks of regelmatig vastgesteld gebed, dhikr of andere vorm van aanbidding die iemand op vaste tijden verricht. ]

Een hand kan niets voor het hart verborgen houden

Dārwān is een plaats in de buurt van de stad Ṣanʿāʾ in Jemen. In deze oase, midden in een uitgestrekte woestijn, bevond zich de boomgaard van een rechtschapen man.

Deze weldoener hield genoeg van de opbrengst apart voor zijn gezin en verdeelde het overige onder de armen en behoeftigen. Hij ontving daardoor hun smeekbeden voor het goede.

Daarom schonk Allahu Taʿālā overvloed en barakah (zegen) aan de opbrengst van deze rechtschapen dienaar. Deze rechtschapen dienaar overleed.

In tegenstelling tot de vrijgevigheid van hun vader waren zijn kinderen zeer gierig. Toen de tijd van de oogst aanbrak, beraamden zij de avond tevoren welke list zij zouden gebruiken om niets aan de armen te hoeven geven.

Ze dachten dat ze hun list voor Allāh verborgen konden houden. Maar een hand kan niets doen wat voor het hart verborgen blijft. Terwijl zij 's nachts sliepen, liet Allāh een ramp neerdalen die hun hele boomgaard verwoestte. Toen zij 's morgens wakker werden en naar de boomgaard gingen, waren zij verbijsterd door wat ze zagen. Onmiddellijk toonden zij berouw en zochten zij hun toevlucht bij Rabu’l-ʿĀlamīn.

De jakhals die beweerde een pauw te zijn

Op een dag liep een jakhals rond en viel in een verfbak. Terwijl hij probeerde uit de bak te komen, werd zijn hele lichaam met verf bedekt. Wanneer de zon erop scheen, glansden zijn haren schitterend. Hij had alle kleuren van de regenboog over zich heen: groen, rood, roze, geel en nog vele andere kleuren.

De jakhals zei tegen zichzelf: ‘Ik ben geworden als de pauw van de hemelen.’

Hij rende naar de andere jakhalzen om zichzelf aan hen te laten zien.

Toen de jakhalzen hem zo zagen, zeiden ze: ‘O kleine jakhals! Wat is er met jou gebeurd? Die bontgekleurde haren hebben je blijkbaar erg blij gemaakt. Waarom ben je zo trots en hoogmoedig geworden?’

Een van hen stapte naar voren en vroeg: ‘Ben je soms een list aan het uithalen? Of ben je soms een van de uitverkorenen geworden? Jouw toestand lijkt op die van mensen die hard hebben gewerkt, maar niets hebben bereikt en zich uiteindelijk uit schaamteloosheid tot bedrog wenden.

De jakhals die in de verfbak was gevallen, liep naar de jakhals die hem bekritiseerde. Hij boog zich naar diens oor en fluisterde: ‘Kijk toch naar mijn kleuren en mijn schoonheid en ga me niet tegenspreken. Werp je voor mij ter aarde, want ik ben een grote en verheven jakhals die de goddelijke gunst heeft bereikt.’

Daarna wendde hij zich tot alle jakhalzen en zei: ‘O jullie troep jakhalzen! Noem mij vanaf nu geen jakhals meer. Lijk ik soms nog op jullie?’

De jakhalzen vroegen: ‘O onze diamant! Hoe moeten we je dan noemen?’

Hij antwoordde: ‘Noem mij een mannelijke pauw, die op de planeet Venus lijkt.’

Toen de jakhalzen dit hoorden, zeiden ze: “Echte pauwen lopen parmantig door de rozentuinen, sierlijk heen en weer schrijdend en zich koket bewegend. Kun jij ook zo rondlopen?”

‘Nee, dat kan ik niet.’

‘Kun je dan net als een pauw roepen?’

‘Nee, dat kan ik ook niet.’

Daarop zeiden de andere jakhalzen: ‘De schoonheid van het gewaad van de pauw komt voort uit de wortels van zijn veren. Hoe kun jij op hem lijken door alleen maar gekleurde haren te hebben en dit zonder enige grond te beweren? Jij bent een bedrieger die ons probeert te misleiden.’

[Met de jakhals in dit verhaal worden bedriegers bedoeld die hun uiterlijke verschijning versieren en zich mooi proberen voor te doen, terwijl zij innerlijk hun roofzuchtige aard niet hebben afgelegd.

Mawlânâ waarschuwt ons hier om uit de buurt te blijven van valse shaykhs die de kleding van de grote meesters van de taṣawwuf imiteren, hun uitspraken uit het hoofd leren en zich tegenover de mensen voordoen als mensen die volmaaktheid hebben bereikt.]

Hārūt en Mārūt

Toen de twee engelen Hārūt en Mārūt, die in een toestand van spirituele bedwelming verkeerden, het kwaad, de onderdrukking, de zonden en het vergoten bloed op aarde zagen, klaagden zij: ‘Wee de mensheid! Als wij de gelegenheid zouden krijgen, zouden wij de mensen op aarde rechtvaardigheid, liefde, barmhartigheid en aanbidding leren.’

Allāhu Taʿālā zei tegen hen: ‘Als jullie dezelfde neigingen van de nafs en dezelfde begeerten zouden hebben als de mensen, zouden jullie nog slechter zijn. Jullie zouden nog meer zonden begaan.’

Omdat Hārūt en Mārūt zeer veel vertrouwen hadden in zichzelf, beloofden zij dat zij zuiver zouden blijven.

Daarop gaf Rab van de werelden hun het verlangen van de begeerte en liet Hij hen vanuit de hemel naar de aarde neerdalen. Zij begonnen als rechters op te treden in de stad Bābil.

Maar op de weg van de waarheid waren er zulke listen en zulke beproevingen dat ze zelfs bergen als grassprietjes zouden kunnen wegblazen.

Op een dag kwam er een buitengewoon mooie vrouw bij hen met een verzoek. De engelen raakten betoverd door haar volmaakte schoonheid. Hun verstand raakte beneveld en zij vergaten de belofte die zij aan Allahu Taʿālā hadden gedaan.

De vrouw stelde echter enkele voorwaarden voordat zij aan hun verlangens zou voldoen.

Ofwel moesten zij haar echtgenoot doden en moordenaars worden, ofwel moesten zij een afgod aanbidden, ofwel moesten zij wijn drinken. Bedwelmd door hun begeerte vonden zij het drinken van wijn de meest geschikte keuze.

Toen de engelen wijn hadden gedronken en dronken waren geworden, zei de vrouw:

‘Ik heb nog één voorwaarde. Jullie gaan iedere nacht door de ism al-aʿẓam (de Grootste Naam van Allāhu Taʿālā) te reciteren naar de hemel. Leer mij die ook.’

Om hun verlangen te kunnen vervullen, stemden de engelen ook met deze laatste voorwaarde in.

Nadat de vrouw de ism al-aʿẓam had geleerd, reciteerde zij deze en steeg zij op naar de hemel. Zij wilde niet opnieuw naar de aarde terugkeren en zich daar weer bezoedelen.

Er wordt zelfs gezegd dat Allahu Taʿālā deze vrouw tot een ster verhief en dat deze ster de planeet Venus werd.

Allahu Taʿālā gaf de engelen de keuze om de bestraffing in deze wereld of in het Hiernamaals te ondergaan. Hārūt en Mārūt kozen voor de bestraffing in deze wereld.

Met de toestemming van Allāh werden zij bij de poort van Bābil ondersteboven opgehangen. Daar zullen zij tot de Dag des Oordeels worden gestraft.

De geboorte van Mūsā (عليه السلام)

Firʿawn droomde dat Mūsā (عليه السلام) geboren zou worden en dat hij zijn kroon en troon met de grond gelijk zou maken. Hij liet onmiddellijk zijn droomuitleggers, waarzeggers en tovenaars komen. Hij vertelde hun wat hij had gedroomd en vroeg hun een oplossing te vinden.

De waarzeggers vroegen Firʿawn om tijd om de nacht vast te stellen waarop Mūsā (عليه السلام) in de moederschoot zou worden verwekt. Met de hulp van shayāṭīn, ʿafārīt (m.v. van ʿifrīt: listige jiens) en ongelovige djinns stelden zij deze nacht vast.

Zij gingen naar Firʿawn en zeiden: ‘Wij hebben vastgesteld dat het kind op een bepaalde nacht van de maand Muḥarram in de moederschoot zal worden verwekt. Laat vóór die dag uw troon op een groot plein in de stad opzetten. Laat omroepers eropuit trekken en alle mannen van de stad daar bijeenroepen. Toon jezelf aan de mensen, schenk hun allerlei gunsten en zorg ervoor dat zij die nacht daar blijven.’

Tot die tijd was het de Zonen van Isrāʾīl verboden om Firʿawn ook maar te benaderen, laat staan hem in het gezicht te kijken. Wanneer Firʿawn ergens langs kwam, waarschuwden de soldaten de mensen. Iedereen wierp zich met het gezicht op de grond, alsof zij zich ter aarde wierpen. De straf voor het kijken naar het gezicht van Firʿawn was de doodstraf.

Het bericht dat zij het gezicht van Firʿawn zouden mogen zien, maakte de Zonen van Isrāʾīl zeer verheugd. De nieuwsgierigheid en de neiging om verboden dingen te doen die in de menselijke aard besloten liggen, hadden ook de Zonen van Isrāʾī in hun greep gekregen.

Ze trokken hun mooiste en nieuwste kleding aan, maakten zich op en begonnen al vroeg naar het plein te stromen. Toen zijn mannen meldden dat iedereen bijeen was gekomen, verscheen Firʿawn op het plein. Hij toonde zijn gezicht, deelde allerlei geschenken uit en deed beloften. Vervolgens zei hij tegen de Zonen van Isrāʾīl die het plein vulden: ‘Blijf deze nacht hier omwille van mij. Laat niemand naar huis gaan.’

De Zonen van Isrāʾīl stemden hier graag mee in en zeiden: ‘Als u het wilt, blijven we hier zelfs een maand.’

Toen de avond viel, keerde Firʿawn verheugd terug naar zijn paleis. Omdat niemand bij zijn vrouw zou kunnen zijn, zou hij het gevaar waarvoor hij vreesde hebben afgewend.

Zijn schatbewaarder ʿImrān was bij hem. Firʿawn zei tegen hem: ‘Blijf jij vannacht ook in het paleis. Ga niet naar huis naar je vrouw.’

ʿImrān antwoordde: ‘Ik zal bij uw deur slapen. Mijn enige zorg is uw wens te vervullen.’

Daarmee betuigde hij zijn trouw.

ʿImrān behoorde tot de Zonen van Isrāʾīl. Hij was een vertrouweling van Firʿawn. Hij stond bij Firʿawn zeer na aan het hart met wie hij een hechte geestelijke/emotionele band had. Hij deed nooit iets tegen diens bevel in en was zijn meest betrouwbare dienaar.

Nadat Firʿawn zich in zijn kamer had teruggetrokken, ging ook ʿImrān op de aangewezen plaats liggen en viel in slaap.

De vrouw van ʿImrān had vernomen dat haar man samen met Firʿawn naar het paleis was teruggekeerd. Ze wachtte tot midden in de nacht. Toen hij niet kwam, ging ze naar het paleis. De gesloten deuren gingen één voor één open alsof ze nooit op slot waren geweest. Ze kuste haar man en maakte hem wakker.

ʿImrān zei: ‘Wat doe jij hier op dit uur van de nacht?’

De vrouw antwoordde: ‘Ik maakte me zorgen om je en miste je zo erg. Het is de goddelijke beschikking; ik kon mezelf er niet van weerhouden naar je toe te komen.’

De volgende ochtend stuurde ʿImrān zijn vrouw vroeg weg en drukte haar nadrukkelijk op het hart: ‘Laat niemand je zien. Zorg dat niemand te weten komt dat je naar mij toe bent gekomen. Anders zal Firʿawn ons beiden doden. Datgene waarvoor Firʿawn bang is, is gebeurd. Wees voorzichtig. Vertel absoluut niemand iets. Zorg ervoor dat jou noch mij iets overkomt.’

Precies op dat moment begonnen er geluiden uit de richting van het plein te komen. De ster die aangaf dat Mūsā (عليه السلام) in de moederschoot was verwekt, begon aan de hemel te schitteren.

Toen de waarzeggers en tovenaars dit zagen, begonnen zij te schreeuwen, te jammeren en klaagzangen aan te heffen. Firʿawn werd door het lawaai wakker en vroeg aan ʿImrān:

‘Wat is de reden voor al die stemmen en dat lawaai?’

ʿImrān antwoordde: ‘Moge het leven van onze koning lang zijn. De Zonen van Isrāʾīl vieren feest en vermaken zich vanwege uw gunsten.’

Firʿawn was niet tevreden met dit antwoord. Hij stuurde ʿImrān onmiddellijk naar het plein.

Toen ʿImrān daar aankwam, zag hij dat de waarzeggers verdrietig huilden en zich op de borst sloegen.

‘Wat is er met jullie? Waarom doen jullie zo?’ vroeg hij.

De waarzeggers antwoordden: ‘Wij hebben alle voorzorgsmaatregelen genomen die binnen ons vermogen lagen. Desondanks is het kind dat een profeet zal worden in de moederschoot verwekt. Daarom jammeren wij.’

ʿImrān begreep dat het om zijn eigen zoon ging, maar liet niets merken.

Boos schreeuwde hij tegen hen: ‘Jullie hebben onze koning bedrogen! Jullie hebben hem voor het volk laten verschijnen en daarmee zijn eer en ontzag aangetast. Jullie hebben jullie belofte niet kunnen nakomen.’

Toen Firʿawn hoorde wat er was gebeurd, werd hij uitzinnig van woede.

‘Verraders! Ik zal niemand van jullie sparen. Ik zal jullie allemaal laten ophangen. Jullie hebben mijn schatkist leeggehaald en mijn eer vernietigd. Was dit jullie kennis van de sterren? Ik zal jullie tot brandhout voor het vuur maken en jullie het leven zuur maken!’

De waarzeggers zeiden: ‘Deze keer zijn we er niet in geslaagd iets te doen. Geef ons toestemming om de nodige maatregelen te nemen om onze fout goed te maken en uw zorgen weg te nemen. Als we daarin niet slagen, dood ons dan.’

Toen Firʿawn tot bedaren was gekomen, legden zij hun plan uit: ‘We berekenen de dag waarop het kind geboren zal worden. Op die dag zullen we alle jongetjes die geboren worden doden. Zo zullen we het gevaar voorkomen.’

Negen maanden later haastten de waarzeggers zich naar Firʿawn en zeiden: ‘O mijn heer! Dat kind is vandaag ter wereld gekomen. Laat uw troon opnieuw op het grote plein van de stad opzetten. Kondig deze keer aan dat we geschenken zullen geven aan vrouwen en kinderen.’

De vrouwen verzamelden zich samen met hun kinderen verheugd op het plein.

De jongetjes werden bij hun moeders weggehaald en onthoofd.

Ook de vrouw van ʿImrān was samen met haar zoon Mūsā (عليه السلام) naar het plein gekomen. Toen de slimme en listige vrouw zag wat er gebeurde, verborg ze haar zoon onder haar kleding. Gebruikmakend van de chaos op het plein wist ze te ontsnappen.

Om deze keer volledige zekerheid te hebben, stuurde Firʿawn vroedvrouwen als spionnen naar de huizen.

De spionnen zeiden: ‘In die wijk woont een mooie vrouw die pas een baby heeft gekregen.’

De soldaten van Firʿawn deden een inval in het huis van ʿImrān.

De moeder van Mūsā (عليه السلام) verborg hem, door een ingeving van Allāh, in de brandende tannūr (traditionele oven waarin brood werd gebakken). Nadat de soldaten het hele huis hadden doorzocht, vertrokken ze met lege handen.

Toen zijn moeder vol spanning naar de tannūr keek, zag zij Mūsā (عليه السلام) met zijn hand in het vuur spelen.

Enkele verklikkers brachten voor een paar muntstukken opnieuw het nieuws over het kind aan de mannen van Firʿawn over. De moeder van Mūsā (عليه السلام) verkeerde in grote angst dat haar kind bij haar zou worden weggehaald en gedood. Ze wachtte verdrietig thuis.

Allahu Taʿālā gaf haar hart de volgende ingeving: ‘Nadat je je zoon hebt gevoed, leg hem in een kist en laat hem in de rivier Nijl zakken. Wees niet bang en maak je geen zorgen. Wij zullen jou opnieuw met hem verenigen.’

Na deze goddelijke ingeving liet de moeder van Mūsā (عليه السلام) nog voordat de soldaten van Firʿawn kwamen een kist maken. Ze legde haar zoon erin en liet hem met het water van de Nijl meevoeren.

De waarzeggers hadden aan de hand van de ster die aan de hemel verscheen bij de geboorte, verkondigd dat Mūsā (عليه السلام) nog in leven was. Toen zijn moeder Mūsā (عليه السلام) in het water had gelegd, verdween de ster aan de hemel.

De waarzeggers haastten zich naar Firʿawn en brachten hem het goede nieuws:

‘De ster aan de hemel is verdwenen. Het kind is dood.’

Daarop verheugde Firʿawn zich. De beklemming in zijn hart verdween.

Firʿawn had een dochter. Op haar lichaam was een wond ontstaan die de artsen niet konden genezen. De waarzeggers hadden gezegd dat deze wond genezen zou worden door het speeksel van een kind dat in het water gevonden zou worden.

De vrouw van Firʿawn, Āsiyah, haalde Mūsā (عليه السلام) uit de Nijl. Zowel Firʿawn als Āsiyah hielden zeer veel van deze prachtige baby. Zij smeerden zijn speeksel op de wond van hun dochter. Alle wonden genazen.

De waarzeggers zeiden: ‘Dit zou de baby kunnen zijn die u in uw droom hebt gezien.’

Maar Firʿawn luisterde niet naar hen. Hij schonk de baby aan zijn vrouw Āsiyah.

Zo plaatste Allahu Taʿālā Mūsā (عليه السلام) in het paleis van Firʿawn. Daar liet Hij hem voeden en opgroeien.

[De list van Firʿawn en de waarzeggers keerde zich tegen henzelf. Terwijl zij buiten duizenden kinderen doodden, bevond degene naar wie zij werkelijk op zoek waren zich op de meest eervolle plaats van het paleis.

De list van Firʿawn was niet voldoende om Mūsā (عليه السلام) te overwinnen. De ene hand is machtiger dan de andere. Maar tot hoever? Tot aan Allāh.

Want de uiteindelijke bestemming is Zijn tegenwoordigheid. Allāhu Taʿālā alleen kent de waarheid en weet het beste wat waar is.

O achteloze mens, die geen ander doel heeft dan het verwerven van wereldse bezittingen!

Jij verschilt in niets van Firʿawn. Dezelfde slechte eigenschappen bevinden zich ook in jou.

Je bewondert jezelf. Je jaagt het bezit en je begeerten na en wordt hoogmoedig.

Wanneer iemand over je slechte eigenschappen spreekt, raak je geïrriteerd en vind je dat niet prettig. De toestand van anderen lijkt jou slechts een verhaal.

Je beseft niet eens dat je nafs je van Allāh verwijdert.

Als de kansen, rijkdom en macht die Firʿawn bezat in jouw handen zouden liggen, zou ook jij vele mensen schade berokkenen.]

De slapende slang

Een slangenbezweerder ging midden in de winter, door sneeuw en kou, de bergen in om een slang te zoeken. Hij doorkruiste de bergen en zocht overal.

Hij vond een enorme slang die eruitzag alsof hij dood was. Zo’n grote slang, die op een draak leek, had hij zelf nog nooit gezien.

In de gedachte dat hij de aandacht van het volk zou trekken en er geld mee zou verdienen, sleepte hij de slang naar Bagdad. Tegen degenen die hem kwamen bekijken, zei hij trots:

“Het was een hele worsteling. Het kostte me veel moeite, maar uiteindelijk heb ik hem dood weten te vangen.”

Aan de oever van de Tigris legde hij de slang op een verhoging. Hij wilde een grote voorstelling geven en verzamelde daarom mensen om zich heen.

De stad Bagdad raakte in rep en roer door het nieuws over deze enorme slang. Langzaam begon het volk zich te verzamelen.

De slangenbezweerder had voor alle zekerheid voorzorgsmaatregelen genomen: hij had de slang met dikke touwen vastgebonden en er een grof kleed overheen gelegd.

Om de nieuwsgierigheid van de mensen aan te wakkeren, tilde hij telkens een hoekje van het kleed op en liet hij de slang zien. Duizenden nieuwsgierige dwazen hadden zich verzameld. Hij haastte zich niet, zodat er nog meer mensen konden komen.

Intussen scheen de zon van Bagdad op de slang. Door de warmte van de zon begon het ijs waarin de slang verkleumd was geraakt langzaam te ontdooien. De slang begon zich beetje bij beetje te bewegen. De verbazing en nieuwsgierigheid van het volk namen nog verder toe.

Toen de slang goed was opgewarmd, kwam hij weer bij bewustzijn. Hij wist zich van de touwen waarmee hij was vastgebonden te bevrijden.

Toen het volk dit zag, begon iedereen schreeuwend weg te rennen. Daarbij werden veel mensen onder de voet gelopen en kwamen om het leven.

De slangenbezweerder zelf kon uit angst geen vin verroeren. Hij verstijfde ter plekke. De slang, zo groot als een draak, slokte de slangenbezweerder in één hap naar binnen. Vervolgens kronkelde hij zich om de paal van de verhoging en verbrijzelde de botten van de slangenbezweerder die hij had ingeslikt.

[O mens! Jouw nafs al-ammārah (de ziel die tot het kwade aanzet) is als een slang zo groot als een draak. Laat je niet misleiden door zijn schijnbaar dode en slapende toestand.

Zodra hij de kans krijgt om een zonde te begaan, komt hij plotseling tot leven. Hij begint zich als Firʿawn te gedragen en verspert de weg van honderden Mūsā’s en Hārūns.

Ga de strijd met je nafs moedig aan.

Laat de hagelbuien van riyāḍah* en mujāhadah** op hem neerdalen, zodat hij verkleumd van de kou blijft liggen.

Als je je nafs door de zon van begeerte weer tot leven wekt, zal hij jou in één hap verslinden.

*: riyāḍah (riyāḍat an-nafs): het disciplineren en trainen van de nafs. Het gaat om het aanleren van zelfbeheersing door bijvoorbeeld het beperken van eten, slaap, begeerten en wereldse genoegens.

**: mujāhadah: het zich inspannen en strijden tegen de nafs en haar begeerten, om Allāhu Taʿālā te gehoorzamen en geestelijke zuivering te bereiken.]

De werkelijke schuldige

In de tijd van de profeet Dāwūd (عليه السلام) leefde er een man die in het bijzijn van iedereen van ’s morgens tot ’s avonds duā’verrichtte:

“O mijn Rab! Schenk mij rijkdom zonder moeite. Zoals U mij lui hebt geschapen, schenk mij dan ook rizq (levensonderhoud) zonder dat ik ervoor hoef te werken.”

De mensen lachten hem uit omdat hij zonder werk en zonder enige inspanning rijkdom verlangde.

Ze zeiden: “Ben je soms gek? Of gebruik je soms verdovende middelen? Niemand die bij zijn verstand is, zou zoiets vragen. Zelfs Dāwūd (عليه السلام), die Allāh als profeet heeft uitgekozen en aan wie Hij allerlei wonderen heeft geschonken, verdient zijn rizq door te werken. Ondanks zijn verheven positie voorziet hij in zijn rizq door maliënkolders te maken en te verkopen. Dat jij je rizq zonder moeite verlangt, is zowel luiheid als dwaasheid.”

Ze vergeleken zijn toestand met iemand die zonder ladder naar de hemel probeert te klimmen. Soms maakten ze hem ook belachelijk door te zeggen: “De boodschapper van goed nieuws is gekomen! De rizq waar je om hebt gevraagd, is aangekomen. Ga het halen en breng het hierheen, zodat je het ook met ons kunt delen.”

Maar de man trok zich niets aan van de afkeuring en spot van de mensen en bleef doorgaan met zijn smeekbeden.

In de stad stond hij bekend als iemand die in een lege voorraadschuur naar kaas zocht.

Op een dag, toen hij rond de tijd van de ḍuḥā (voormiddag) weer zo duā’verrichtte, kwam er plotseling een os aan die met zijn horens de deur van zijn huis kapotstootte en naar binnen ging.

De man bond de os vast en scheidde zijn kop van zijn lichaam. Nadat hij de keel van de os had doorgesneden, riep hij een slager om de huid van het dier af te halen.

Maar het bleek dat de os van de slager was.

Toen de slager zijn os herkende, begon hij woedend tekeer te gaan:

“Met welk recht heb jij mijn os geslacht? Kom tot inkeer en betaal onmiddellijk je schuld.”

De man antwoordde: “Ik heb mijn Rab al lange tijd gevraagd om rizq zonder moeite. Mijn Rab heeft mijn smeekbede verhoord en deze os naar mij gestuurd. Daarom heb ik hem geslacht.”

De eigenaar van de os greep de man bij zijn arm en begon hem mee te sleuren.

“Kom mee, jij onrechtvaardige, onbeschaamde man! Vertel je onnozele excuses maar aan de profeet Dāwūd. Laat hem beslissen over het geschil tussen ons.”

Terwijl de eigenaar van de os met hem naar Dāwūd (عليه السلام) ging, verzamelde hij mensen om zich heen en begon hij de man te beschuldigen.

“O moslims! Luister eens naar de onzin die deze man uitkraamt. Zeg mij, omwille van Allāh: hoe kan een smeekbede ervoor zorgen dat mijn bezit van hem wordt? Als iemand door een smeekbede eigenaar van goederen en bezit kon worden, zouden alle blinden en bedelaars de rijkste mensen ter wereld zijn.”

Toen de mensen hoorden wat de eigenaar van de os, de slager, had gezegd, zeiden ze tegen de man die de os had geslacht: “Betaal de prijs van de os die je hebt geslacht, of onderga de straf.”

Daarop wendde de man zich tot zijn Rab en smeekte:

“O mijn Rab! U bent Degene Die deze smeekbede in mijn hart heeft gelegd. Deze man beledigt mij door mij een blinde bedelaar te noemen. Terwijl ik het niet aan een van Uw dienaren heb gevraagd, maar alleen aan U. O mijn Rab, alles wordt gemakkelijk gemaakt door Uw gunst. O mijn Rab, laat mij niet te schande worden.”

Samen met een grote menigte kwamen zij aan bij het huis van Dāwūd (عليه السلام).

Dāwūd (عليه السلام) kwam naar buiten en vroeg: “Wat is er aan de hand? Waar gaat het geschil over?”

De eigenaar van de os antwoordde: “O NabieAllah (profeet van Allāh)! Mijn os is naar het huis van deze man gegaan. Deze man heeft hem vervolgens geslacht. Ik eis mijn recht op, maar hij weigert het mij te geven. Ik vraag u om rechtvaardigheid.”

De profeet Dāwūd (عليه السلام) vroeg de arme man: “Waarom heb jij aan het bezit van deze man schade toegebracht?”

De man antwoordde: “O NabieAllah Dāwūd! Al zeven jaar vraag ik mijn Rab dag en nacht in mijn smeekbeden om ḥalāl rizq zonder moeite. Iedereen weet daarvan. Terwijl ik opnieuw zo duʿāʾ verrichtte, kwam er een os mijn huis binnen. Ik heb hem niet geslacht omdat ik dacht dat hij mijn rizq was, maar omdat ik dacht dat mijn Rab mijn smeekbede had verhoord. Daarom heb ik hem uit dankbaarheid geslacht.”

De profeet Dāwūd (عليه السلام) zei: “Dat maakt jou niet gerechtvaardigd. Als je in deze zaak een bewijs hebt dat in overeenstemming is met de sharīʿah (de goddelijke voorschriften), breng dat dan naar voren.”

Daarop wendde de arme man zich opnieuw tot zijn Rab. Hij stortte zich huilend ter aarde in sujūd.

Dāwūd (عليه السلام) voelde dat er achter deze zaak nog iets anders schuilging en zei: “Vraag nu nog niet om een uitspraak in deze zaak. Ik zal mij in khalwah (geestelijke afzondering) terugtrekken en mij tot mijn Rab wenden. Daarna zal ik mijn beslissing bekendmaken.”

De eiser en het volk gingen uiteen. Dāwūd (عليه السلام) trok zich terug in khalwah.

Hij wendde zich tot zijn Rab en smeekte Hem om de waarheid van deze zaak te leren kennen.

De volgende dag kwamen de eigenaar van de os, de arme man die hij had aangeklaagd en een grote menigte die nieuwsgierig was naar de afloop van de zaak naar de tegenwoordigheid van Dāwūd (عليه السلام).

Dāwūd (عليه السلام) zei tegen de eigenaar van de os: “Zie af van het zwartmaken van deze arme man en laat je aanklacht vallen. Verklaar je os ook ḥalāl voor deze moslim.”

“Wat een ramp! Wat voor uitspraak is dit? Wat voor rechtvaardigheid is dit? Past deze beslissing wel bij de roem van uw rechtvaardigheid?” riep hij opstandig uit.

Daarop zei Dāwūd (عليه السلام): “O koppige, achteloze man! Je zult al je bezittingen en eigendommen aan deze arme man schenken. Anders zal het slecht met je aflopen. Het kwaad dat je hebt gedaan, zal aan het licht komen.”

Toen de man dit hoorde, strooide hij aarde over zijn hoofd en scheurde zijn kleding.

Om medelijden van het volk op te wekken, begon hij te schreeuwen: “Door deze onrecht zouden zelfs bergen en stenen splijten! Dāwūd ontneemt mij bewust mijn recht. Wees daar allemaal getuige van!”

Dāwūd (عليه السلام) riep de eigenaar van de os opnieuw bij zich en zei: “Je zult je os ḥalāl verklaren. Je zult al je bezittingen schenken. Ook je vrouw en kinderen zullen zijn slaven en slavinnen worden. Dit is je laatste kans. Let goed op.”

Toen de man deze woorden hoorde, raakte hij buiten zichzelf van woede. Hij begon heen en weer te rennen. Omdat het volk werkelijke situatie van de man niet kende, begonnen zij Dāwūd (عليه السلام) verwijten te maken.

“O uitverkoren profeet! Deze uitspraak past niet bij u.

U begaat duidelijk onrecht. U hebt een onschuldige man, die geen enkele schuld heeft, te gronde gericht.”

Daarop zei Dāwūd (عليه السلام): “Vrienden! Deze man is een moordenaar. Grijp hem en bind zijn handen stevig achter zijn rug. Deze man was de slaaf van de vader van de arme man die hij hier als schuldige heeft gebracht. Jaren geleden heeft hij zijn meester gedood onder een grote boom met dicht bladerkroon die op de vlakte stond. Nadat hij hem had gedood, werd hij door een angstaanjagend visioen dat hij kreeg zo bevangen en hakte het hoofd van zijn meester. Hij begroef het hoofd samen met het lichaam van zijn meester. Kom, we gaan erheen.”

Toen zij aankwamen bij de boom die Dāwūd (عليه السلام) had beschreven, wees Dāwūd (عليه السلام) de plaats aan die moest worden opgegraven.

Toen zij de aangewezen plek hadden uitgegraven, vonden zij een menselijk hoofd en een mes. Op het handvat van het mes stond de naam van de eigenaar van de os geschreven.

Toen duidelijk aan het licht kwam dat de man de moordenaar was, zei Dāwūd (عليه السلام):

“De zachtmoedigheid van Allāh werd deze moord tot nu toe bedekt gehouden. Maar deze man heeft met zijn eigen hand de sluier die over zijn zonde lag, weggetrokken. Hij heeft niet alleen de kinderen van zijn vermoorde meester zelfs maar een kleine hulp geboden, hij vond zelfs één os te veel om hun te geven.”

Vervolgens richtte hij zich tot de moordenaar en zei: “Jij wilde toch rechtvaardigheid? Jouw vrouw was de jāriyah van de man die je hebt vermoord. Zowel zij als de kinderen die uit haar zijn geboren, behoren toe aan de erfgenamen. Jij was zelf ook een slaaf. Alles wat jij hebt verdiend en al je bezittingen komen toe aan deze arme man, die de erfgenaam is. En jouw recht is dat je wordt gedood met het mes waarmee je je meester hebt vermoord.

Dit is de sharīʿah (de goddelijke voorschriften) voor jou en dit is rechtvaardigheid voor jou. Bevalt het je zo?”

De nafs van de mens lijkt op de moordenaar die eigenaar was van de os. De os die werd geslacht staat voor het verstand.

Dāwūd (عليه السلام) is het symbool van de shaykh die de geboden en verboden van Allāh in herinnering brengt.

Het doden van de tirannieke nafs gebeurt met de hulp van de shaykh. De onbegrensde spirituele genoegens die men zonder werken en verdienen verkrijgt, kunnen door de himmah van de shaykh worden verkregen.

Dankzij de awliyāʾ wordt de mens spiritueel rijk.

De prijs van een eed

Een darwish had zich in de bergen teruggetrokken en hield zich uitsluitend bezig met aanbidding. De eenzaamheid was zijn meest nabije metgezel. Hij verkeerde te midden van de spirituele gunsten die hem door Allāh waren geschonken.

Op de berg stonden verschillende fruitbomen. Hij voedde zich met het fruit ervan. Op een dag nam hij zich voor: “Ik zal dit fruit niet van de takken plukken. Ik zal alleen het fruit eten dat door de wind wordt afgeworpen of vanzelf van de boom valt.”

Tot het moment van de beproeving gekomen was, bleef de darwish trouw aan zijn woord.

Op een gegeven moment liet de wind vijf dagen lang geen enkele peer vallen. Het leek wel alsof de peren aan de boom waren vastgespijkerd. Door de honger kreeg de darwish koorts en verloor hij zijn geduld.

De wind boog de takken van een boom zo ver naar beneden dat het fruit als het ware in zijn mond terechtkwam. De darwish hield zich in en strekte zijn hand niet uit. Maar hij kon zijn ogen niet afhouden van de peren die verleidelijk aan de takken heen en weer wiegden.

Toen de wind de tak opnieuw naar beneden boog, kon hij zich niet langer beheersen. Door de pijn van de honger plukte hij de peren en at ze op. Hij kwam terug op zijn eigen belofte.

Enige tijd later kwamen er zo’n twintig à dertig dieven aan op de plaats waar hij zich bevond. Ze begonnen de goederen die ze hadden gestolen onder elkaar te verdelen.

Terwijl ze hun buit verdeelden, deden de mannen van de sultan een inval en betrapten ze de dieven op heterdaad. Ze namen de darwish mee, omdat ze dachten dat hij bij hen hoorde.

Van alle dieven die daar waren gearresteerd, werden de linkerbenen en rechterhanden afgehakt. Ook de rechterhand van de darwish werd afgehakt.

Toen ze op het punt stonden ook zijn linkerbeen af te hakken, zocht de darwish zijn toevlucht tot Allāh en zei: “O mijn Allāh! Mijn hand is niet trouw gebleven aan mijn eed. Omdat zij het fruit heeft geplukt, heeft zij het verdiend om afgehakt te worden. Maar wat heeft mijn voet misdaan?”

Op dat moment kwam er haastig een ruiter aanrijden. Hij riep naar de beul: “Jij hond! Kijk eens wat je aan het doen bent. Deze man behoort tot de uitverkoren dienaren van Allāh!”

De beul wist plotseling niet meer wat hij moest doen. Hij was diep bedroefd. Hij ging de commandant op de hoogte brengen van de gemaakte fout.

De commandant kwam blootsvoets aangerend. Hij greep de nog gezonde hand van de darwish vast en zei: “Allāh is mijn getuige dat ik niet wist wie u was. Vergeef ons voor deze afschuwelijke daad die ik heb aangericht.

Schenk mij uw vergiffenis en verklaar mij vrij van uw recht.”

De darwish zei tegen de commandant: “Ik weet wat mijn zonde is en ik weet ook wat de oorzaak is van wat mij is overkomen. Omdat ik mijn woord heb verbroken, heeft de rechtvaardigheid van Allāh mijn hand weggenomen. Moge mijn hand, mijn voet, mijn innerlijk, mijn uiterlijk en alles wat ik bezit worden opgeofferd aan Zijn beschikking. Wees niet bedroefd. Dit is mijn lot. Jij hebt geen schuld. Ik verklaar je vrij van mijn recht.”

Vanaf die dag werd de darwish onder het volk bekend als “de shaykh wiens hand was afgehakt”.

Hij bouwde voor zichzelf een hut van gras en riet. Terwijl hij geduldig verdroeg wat hem was overkomen, bleef hij daar zijn Rab gedenken. Hij voorzag in zijn levensonderhoud door manden te vlechten.

Op een dag kwam een van zijn geliefde broeders hem onverwachts bezoeken. Hij zag dat de shaykh met beide handen een mand aan het vlechten was.

De shaykh fronste zijn wenkbrauwen en zei berispend: “Waarom heb je mij niet geroepen en om toestemming gevraagd voordat je naar mij toe kwam? Je bent achter mijn geheim gekomen.”

De man bood zijn excuses aan en zei: “Ik heb zo gehandeld omdat ik veel van u houd en u heb gemist. Ik had geen slechte bedoeling.”

De shaykh glimlachte en zei: “Goed, kom dan. Maar vertel dit geheim aan niemand. Niemand mag weten dat ik met beide handen manden vlecht.”

Enige tijd later keken ook anderen door het raam van de hut naar binnen en zagen zij dat de shaykh met beide handen manden aan het vlechten was. Ze begonnen dit overal te vertellen.

De shaykh was zeer bedroefd dat zijn karāmah* (wonderteken) onder het volk bekend werd. Hij bad:

“O mijn Rab! Ik heb geprobeerd dit verborgen te houden, maar U hebt het openbaar gemaakt. U kent de wijsheid hierachter.”

Daarop werd hem door Allahu Taʿālā het volgende ingegeven: “Toen je hand werd afgehakt, waren er mensen die jou niet geloofden. Zij zeiden: ‘Omdat hij op de weg van Allāh een pronkzuchtige en huichelachtige man is, heeft Allāh hem voor de mensen te schande gemaakt.’

Ik wilde niet dat mensen door jou te verwerpen of slechte gedachten over jou te koesteren Mijn toorn over zich zouden afroepen. Daarom wilde Ik hun jouw toestand laten zien, zodat zij zich zouden schamen en zouden ophouden met roddelen.”

[*: karāmah: een buitengewone gebeurtenis die Allāhu Taʿālā aan een walī schenkt, zonder dat deze persoon daarmee aanspraak maakt op profeetschap.]

De vooruitziende goudsmid

Een man kwam naar een goudsmid en zei: “Kun je mij je weegschaal lenen? Ik wil goud wegen.”

De goudsmid antwoordde: “Ik heb geen zeef.”

Toen de man zei: “Spot niet met me. Ik vraag je om een weegschaal”, zei de goudsmid deze keer: “Ik heb geen bezem in mijn winkel.”

De man vroeg: “Waarom spot je steeds met me? Ik vraag om een weegschaal en jij zegt dat je geen bezem hebt.”

Daarop zei de goudsmid: “Ik heb gehoord dat je om een weegschaal vraagt. Maar ik zag dat je oud bent. Je lichaam is zwak en je handen en voeten trillen. Wanneer je het goudstof gaat wegen, zul je een deel ervan morsen. Om het gemorste goudstof op te rapen, zul je daarna bij mij een bezem komen vragen. En om het goud dat je hebt opgeveegd van het stof te scheiden, zul je een zeef nodig hebben. Omdat ik al kon voorzien wat je als laatste zou vragen, zei ik je dat ik geen zeef heb.”

[Verstandige mensen denken vooruit en treffen vooraf voorzorgsmaatregelen door rekening te houden met de afloop van een zaak. Onwetenden daarentegen slaan zich aan het einde van de zaak voor het hoofd en beklagen zich over wat hun is overkomen.

Zo dient de mens zich tijdens zijn leven in deze wereld voor te bereiden door te voorzien wat hem in het hiernamaals te wachten staat. Dan zal hij op de Dag der Opstanding geen spijt hebben.]

De zorg van de muilezel

Een muilezel klaagde bij een kameel: “O mooie metgezel! Of de weg nu omhoog of omlaag gaat, smal of breed is, jij loopt rustig over iedere soort weg. Je valt niet en tuimelt niet op de grond. Ik daarentegen val voortdurend. Het maakt niet uit of de weg droog of modderig is; op iedere weg lig ik telkens weer voorover op de grond. Vertel me de reden, zodat ik ervan kan leren en voorzorgsmaatregelen kan nemen.”

De kameel antwoordde: “Ten eerste kunnen mijn ogen beter zien dan die van jou. Ten tweede kijk ik, omdat ik lang ben, van grote hoogte om mij heen. Zo kan ik de toestand van de weg goed inschatten. Omdat ik zie waar zich kuilen bevinden en waar de weg vlak is, zet ik mijn voeten stevig neer en loop ik verder.

Wat jou betreft: omdat jij niet eens kunt zien wat er drie stappen voor je ligt, is het normaal dat je telkens valt.”

[Met de muilezel wordt in dit verhaal een slecht mens bedoeld: iemand zonder goede manieren die moeilijk met anderen kan opschieten. Met de kameel wordt daarentegen een goedhartig mens bedoeld die met iedereen goed overweg kan en een voortreffelijk karakter bezit.

Hoe de ogen van een blinde oude man opengingen tijdens het lezen van de Qur’ān

Een arme shaykh was te gast in het huis van een blinde oude man. In het huis hing een Qur’ān aan de muur. De shaykh verwonderde zich hierover, want behalve de blinde oude man woonde er niemand in het huis.

Hij dacht bij zichzelf: “Hier woont niemand anders dan een blinde oude man. Wie leest deze Qur’ān dan?”

Hij wilde de gastheer hierover vragen, maar dacht dat het niet gepast zou zijn. Hij besloot daarom geduldig af te wachten totdat de reden vanzelf aan het licht zou komen.

Met deze gedachte ging hij naar bed en viel in slaap.

Midden in de nacht schrok hij wakker door het geluid van de recitatie van de Qur’ān. Hij kon zijn ogen nauwelijks geloven toen hij zag wat er gebeurde. De blinde oude man had de Qur’ān voor zich en was erin aan het lezen. Hij maakte geen enkele fout tijdens het lezen. Tegelijkertijd volgde hij met zijn vinger de regel die hij aan het lezen was.

De shaykh kon zich niet langer inhouden en vroeg: “Hoe kun je, terwijl je blind bent, de Qur’ān al-Karīm zo lezen? Aangezien je met je vinger de tekst volgt, moet je de letters wel kunnen zien.”

De blinde oude man antwoordde de gast, de shaykh, met een vriendelijke glimlach:

“Mijn vriend, wat is er zo verwonderlijk aan mijn toestand in vergelijking met de grootheid van de macht van Allāh? Wanneer Hij iets wil, schept Hij het met of zonder middelen.

Ik heb tot Allāh du`ā’ verricht: ‘O mijn Rab! Niets lees ik liever dan de Qur’ān. Wanneer ik de Qur’ān lees, schenk dan licht aan mijn ogen, zodat ik Uw verzen zonder te haperen en zonder fouten kan lezen.’

Mijn Rab heeft mijn smeekbede verhoord. Telkens wanneer ik de Qur’ān in mijn handen neem, gaan mijn ogen door de gunst van mijn Rab open. Ik kan de letters zien.”

Luqmāns geduld

Luqmān al-Ḥakīm ging op bezoek bij Dāwūd (عليه السلام). Hij zag hoe Dāwūd (عليه السلام) ijzer als deeg kneedde, er ringen van maakte en deze ringen vervolgens als schakels aan elkaar bevestigde om een maliënkolder te maken.

Omdat hij nog nooit zoiets had meegemaakt, was hij diep verwonderd. Hij wilde zichzelf afvragen hoe Dāwūd (عليه السلام) dit voor elkaar kreeg. Toch stelde hij de vraag niet en gaf hij er de voorkeur aan geduldig af te wachten.

“Geduld hebben is beter. Geduld is de gids die de mens naar zijn doel leidt”, sprak hij zichzelf toe.

Hij bleef Dāwūd (عليه السلام) gadeslaan. Toen Dāwūd (عليه السلام) zijn werk had voltooid, trok hij de maliënkolder aan. Hij keerde zich naar Luqmān en zei: “Deze maliënkolder wordt in de oorlog gedragen. Hij beschermt de mens tegen verwondingen door zwaardsteken.”

Nu zijn nieuwsgierigheid was bevredigd, zei Luqmān: “Geduld is de grootste toevlucht van de mens tegenover verdriet en leed.”

Zijn zijn poten of zijn staart die de vos heeft gered ?

Vossen ontsnappen dankzij hun poten aan de handen van de jagers. Maar zodra ze hun holen hebben bereikt, zijn ze hun staarten dankbaar.

Omdat ze denken dat ze dankzij hun staart aan de woede van de jager zijn ontsnapt, bewegen ze speels met hun staarten.

Ze beseffen niet dat hun staart geen enkel nut zou hebben gehad als ze geen poten hadden gehad.

[Als we de leiding van de awliyāʾ volgen, is als de poten die ons tegen honderden gevaren en allerlei kwaad beschermen. Maar ook wij erkennen, net als de vos, niet wat hun toekomt.

Wij houden ons bezig met zaken die slechts als de staart zijn en zien niet hoe de geestelijke invloed van de awliyāʾ over ons is.]

De droom van Yūsuf (عليه السلام)

In zijn droom zag Yūsuf (عليه السلام) dat de zon, de maan en elf sterren/planeten zich voor hem ter aarde wierpen. Hij vertrouwde op de droom die hij had gezien.

Toen zijn broers hem in een put wierpen en hij later in de gevangenis werd opgesloten, verloor hij nooit het geloof dat zijn droom op een dag werkelijkheid zou worden. Zijn droom verlichtte zijn weg als een brandende kaars in de duisternis.

Toen Yūsuf (عليه السلام) in de put was geworpen, hoorde hij een stem die van Allāh afkomstig was: “O dappere jongeman! Op een dag zul je een spirituele koning worden. Je zult jouw broers de pijn en het leed dat zij jou hebben aangedaan, zul je hen ermee confronteren.”

Yūsuf (عليه السلام) had degene die tot hem sprak niet gezien. Maar met zijn hart had hij Degene Die sprak gevoeld. Zijn ziel werd vervuld van kracht en rust door die stem.

Met de kracht die deze stem hem had gegeven, verdroeg hij alle kwellingen en het leed dat hem werd aangedaan.

[Op dezelfde wijze blijft de spirituele vreugde van de stem waarmee onze Rab ons vroeg, op de dag waarop onze arwāh (zielen) werden geschapen: “Ben Ik niet jullie Rab?”, tot aan de Dag der Opstanding in het hart van iedere gelovige voortbestaan.

Daarom verzetten de gelovigen zich niet tegen de beproevingen die hen treffen en raken zij evenmin verveeld door de bevelen van Allahu Taʿālā: “Doe dit, doe dat niet.”]

Waarom ʿĪsā (عليه السلام) voor de wazen wegvluchtte

Op een dag rende ʿĪsā (عليه السلام) met al zijn kracht in de richting van de bergen, alsof een wilde leeuw hem op de hielen zat.

Een man rende achter hem aan en wist hem in te halen. Hij vroeg waarom hij zo vluchtte. Omdat ʿĪsā (عليه السلام) haast had, kon hij de man niet antwoorden.

De man rende nog een tijdje achter hem aan en zei: “Omwille van Allāh, stop even en vertel me waarom u zo vlucht. Achter u bevindt zich immers geen vijand en ook geen wild dier.”

ʿĪsā (عليه السلام) zei: “Houd mij niet op. Ga je eigen weg. Ik vlucht zo hard als ik kan om aan een dwaas te ontsnappen.”

De man was zeer verbaasd en vroeg: “O ʿĪsā! Bent u niet degene die de ogen van blinden en de oren van doven opent?”

ʿĪsā (عليه السلام) antwoordde: “Jawel.”

De man vroeg: “Bent u niet degene die de ism al-aʿẓam over een dode leest en hem daarmee tot leven brengt?”

ʿĪsā (عليه السلام) zei: “Jawel.”

De man vroeg: “Bent u niet degene die vogels uit aarde maakt en hun vervolgens leven schenkt?”

ʿĪsā (عليه السلام) antwoordde: “Ja, dat ben ik.”

De man vroeg, vol nieuwsgierigheid: “Waarom vlucht u dan zo? Nu u al deze wonderen hebt gekregen, waarom bent u dan bang?”

ʿĪsā (عليه السلام) antwoordde: “Ik heb die allerhoogste ism al-aʿẓam over een dove gelezen en zijn gehoor keerde terug. Ik heb hem over een blinde gelezen en zijn ogen gingen open. Ik heb hem over een rotsachtige berg gelezen en de berg spleet en brak open. Ik heb hem over een dode gelezen en die kwam weer tot leven. Ik heb hem over iets levenloos gelezen en het kwam tot leven.

Maar ik heb het met mededogen honderdduizenden keren over het hart van een dwaas gelezen, en het had geen enkel effect. Die dwaas werd als een rotsblok, als een stuk marmer. Hij deed geen afstand van zijn dwaasheid. Daarom vlucht ik voor hem.”

Toen de man vroeg: “Wat is de wijsheid erachter dat de ism al-aʿẓam geen invloed heeft op een dwaas?”

ʿĪsā (عليه السلام) zei: “Dwaasheid is een vorm van toorn van Allāh. Ziekte, blindheid en doofheid zijn beproevingen; zij zijn geen toorn. Wanneer iemand door ziekte of een beproeving wordt getroffen, heeft men medelijden met hem.

Maar een dwaas doet anderen pijn en kwetst hen.”

[Zoals ʿĪsā (عليه السلام) voor een dwaas vluchtte, zo moet men voor een dwaas vluchten.

Het gezelschap van een dwaas brengt schade toe. Zoals de lucht het water aan de aarde onttrekt en het tot damp maakt, zo ontneemt een dwaas de mens zijn spirituele eigenschappen.

Hij maakt de mens spiritueel arm en verandert zijn hart in steen.]

De blinde, de dove en de naakte uit Saba

De stad Saba was een zeer grote stad. Ze was zo groot dat haar omvang gelijk was aan die van een dienblad. Deze verheven en grote stad was niet alleen zeer uitgestrekt, maar ook zeer stevig. Maar haar stevigheid was slechts zo groot als die van een ui.

In de stad Saba woonden ontelbaar veel mensen en andere levende wezens. Toch bestonden ze allemaal uit slechts drie personen. Een van hen was blind, de tweede was doof en de derde was naakt.

Op een dag waren de drie samen. De blinde zei: “Kijk, daar komen bereden soldaten aan. Ik kan zien van welk volk ze zijn en met hoeveel ze zijn.”

De dove zei: “Ja, ja, ik hoor hun stemmen ook. Ik hoor alles wat ze zeggen, zowel wat ze in het geheim als openlijk bespreken.”

De naakte zei: “Ik ben bang dat ze, als ze hier komen, een stuk van mijn lange rok zullen afsnijden.”

Toen de blinde zijn vrienden waarschuwde: “Kijk, ze komen al dichterbij. Kom, laten we vluchten voordat ze ons kwaad kunnen doen.”

De dove zei: “Ja, het lawaai dat ze maken komt steeds dichterbij.”

De naakte zei: “Kom, laten we hier weggaan voordat ze ons uitkleden.”

Daarop gingen ze op weg.

In paniek verlieten ze gezamenlijk de stad en zochten hun toevlucht in een dorp.

Ze hadden inmiddels enorme honger gekregen. In dat dorp vonden ze een zeer vette vogel. Maar er zat geen greintje vlees aan de vogel.

Ze gingen zitten en aten de vogel op. Ze zwollen op als olifanten die hun buik rond hadden gegeten. Ze werden dik en fors. Ze groeiden uit tot ware olifanten en werden zo groot dat de wereld hen nauwelijks nog kon bevatten..

Daarna verdwenen ze met hun enorme lichamen door een kier in een deur.

[De dove in dit verhaal stelt de mens voor die buitensporig veel van het leven verlangt, die nooit genoeg heeft en die de dood van anderen hoort zonder aan zijn eigen dood te denken.

De verziende blinde vertegenwoordigt de mens die beheerst wordt door hebzucht. Hebzuchtige mensen zien hun eigen tekortkomingen niet, maar zoeken naar zelfs de kleinste fout bij anderen om die vervolgens aan de kaak te stellen.

De naakte is een voorbeeld van de toestand van mensen die niets anders zien dan de wereld. Een mens weet dat hij naakt op de wereld komt en naakt zal vertrekken. Hoe kan hij zichzelf dan te gronde richten vanwege wereldse zorgen?

Zoals het leven in deze wereld slechts een droom is, zo is rijkdom bezitten in deze wereld als het vinden van een schat in een droom.

De kier in de deur in dit verhaal staat voor de dood. De weg van de dood is een verborgen, onzichtbare weg.

Wanneer mensen worden geboren, worden zij als het ware met de dood verloofd; wanneer zij sterven, zijn zij met de dood getrouwd.

Zoals een bruid wordt opgemaakt en naar het huis van haar echtgenoot wordt gebracht, zo worden mensen na hun dood verzorgd, gewikkeld in een lijkwade en als reizigers naar het hiernamaals gezonden.]

De beloften van de honden in de winter

Wanneer de winter aanbreekt en de kou intreedt, krijgen de straathonden het zwaar te verduren.Terwijl ze met hun staart tussen hun poten van de kou staan te rillen, hebben ze zichzelf het volgende beloven: “Om aan deze toestand te ontkomen, zal ik, zodra de zomer aanbreekt, een stenen huis bouwen. Als ik me uit de naad werk, zal ik zeker een hutje hebben waarin mijn kleine lichaam past.”

Maar wanneer de zomer aanbreekt, warmen hun botten samen met het weer weer op, ontspant hun huid en komt hun lichaam weer tot leven. Ze vergeten wat ze in de winter hebben doorstaan en zien zichzelf als reusachtig groot.

“Hoe zou ik in mijn huidige toestand in een klein hutje kunnen passen?” zeggen ze dan, waarmee ze de belofte die ze in de kou hebben gedaan, vergeten. Ze eten wat ze hier en daar kunnen vinden. Lui liggen ze in de schaduw en brengen zo hun tijd door. Ook aan het voornemen om een hutje te bouwen dat in hun hart leefde, besteden ze geen aandacht meer.

[Ook de mens wil, wanneer hij door een beproeving wordt getroffen, berouw tonen en voor zichzelf een huis bouwen. Maar zodra hij van de beproeving en rampspoed is verlost, verwaarloost hij het bouwen van het huis van berouw en stelt hij het uit.]

De handdoek in de tannūr (traditionele oven)

Er was een groep gasten naar het huis van Māliks zoon, Anas, gekomen. Anas (رضي الله عنه) onthaalde hen gastvrij en liet de maaltijd opdienen. Na het eten zag Anas dat de handdoek die voor de gasten was gebracht, vergeeld en vuil was geworden. Hij riep het dienstmeisje en zei:

“Neem deze handdoek, leg hem in de tannūr en laat hem daar een tijdje liggen.”

Het dienstmeisje nam de handdoek zonder enig bezwaar aan en wierp hem in de met vuur gevulde tannūr. De gasten stonden versteld van wat er gebeurde. Ze dachten dat de handdoek zou verbranden en tot as zou worden.

Na enige tijd haalde het dienstmeisje de handdoek uit de tannūr. De gasten zagen dat er niet het geringste spoor van verbranding te zien was en dat de handdoek bovendien helemaal schoon was geworden.

De gasten zeiden: “O edele ṣaḥābī (metgezel van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم)! Het vuur heeft de handdoek niet alleen niet verbrand, maar heeft hem zelfs gereinigd. Hoe is dit mogelijk?”

Anas (رضي الله عنه) zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), had vele malen zijn hand en mond aan deze handdoek afgeveegd.”

Daarop richtten zij zich tot het dienstmeisje en vroegen: “Jouw meester kende het geheim van deze zaak. Hoe kwam het dat jij zonder ook maar enige aarzeling zo’n kostbare handdoek meenam en in het vuur wierp?”

Het dienstmeisje antwoordde: “Mijn vertrouwen in de awliyāʾ is volkomen. Wat is de waarde van een handdoek vergeleken met hen? Als mijn meester mij zou bevelen in het vuur te springen, zou ik zonder ook maar een moment te aarzelen springen.”

[O jij die bang bent voor het vuur en de bestraffing! Zoek iemand wiens hand je kunt kussen en die jou tot een verheven geestelijke staat kan brengen waarin je tegen het vuur wordt beschermd. Neem het dienstmeisje als voorbeeld en geef je volledig over aan een vriend van Allāh.]

Het spreken van een baby

Door een wonder van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam op een dag een vrouw uit het dorp waar de slaaf met zijn pikzwarte gezicht, dat wit was geworden, woonde, samen met haar twee maanden oude baby in haar armen naar onze Nabie (صلى الله عليه وسلم). Zodra de baby van twee maanden bij onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam, begon hij te spreken.

“O Boodschapper van Allāh! Allāh heeft jou de salām-groet gegeven,” zei hij.

De moeder, die ongelovig was, berispte haar kind en riep boos: “Zwijg! Wie heeft jou dit geleerd?”

Het kind begon opnieuw te spreken en zei: “Eerst Allāh en daarna Jibrīl.”

Zijn moeder vroeg hem: “Zie jij Jibrīl?”

Het kind antwoordde: “Ja, op dit moment straalt hij boven jouw hoofd als de volle maan.”

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen het kind: “O jij, klein zuigelingetje! Hoe heet je?”

De baby antwoordde: “Bij Allāh is mijn naam ʿAbd al-ʿAzīz, maar de mensen noemen mij ʿAbd al-ʿUzzā.”

Dat een kind van slechts twee maanden oud sprak als een volwassen en volmaakt mens, werd voor zijn moeder een aanleiding om tot het geloof (Islaam) te komen.

[Zoals een kind dat nog niet de leeftijd heeft bereikt waarop het kan spreken, zullen op de Dag des Oordeels al onze ledematen, onze handen, voeten en ogen gaan spreken en ons vertellen wat wij hebben gedaan. Hoe kan een mens, terwijl hij dit weet, toch zondigen?

Hoe de slangenarend de schoen van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) meenam

Op een dag vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om water om de wuḍūʾ (kleine wassing) te verrichten. Hij verrichtte zijn wuḍūʾ zorgvuldig. Toen hij zijn hand uitstrekte om zijn schoen aan te trekken, kwam er plotseling een slangenarend aangevlogen, greep de schoen en vloog ermee omhoog.

Toen de vogel de schoen in de lucht ondersteboven keerde, viel er een slang uit.

Daarna bracht de vogel de schoen terug en legde deze voorzichtig voor onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) neer.

Toen duidelijk werd dat de vogel de schoen met de hulp van Allāh had meegenomen om onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) te beschermen, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Dit voorval is een gunst van Allāh waarmee Hij mij tegen een slangenbeet heeft beschermd. O Allāh, ik zoek mijn toevlucht bij U tegen het kwaad van hen die op twee voeten lopen en van hen die op hun buik voortkruipen.”

[Wat wij als een bestraffing beschouwen in de vorm van beproevingen en rampspoed, kan uiteindelijk voor ons iets goeds zijn. Onze voorgangers hebben taṣawwuf als volgt omschreven: “Dat het hart tijdens moeilijke momenten in vrede verkeert.”

Daarom bewaren de ṣūfī’s hun verdriet en moeilijkheden als een verborgen schat van goud.

De man die de taal van de dieren leerde

Op een dag wilde een nieuwsgierige jongeman van Mūsā (عليه السلام) de taal van de dieren leren. Hoezeer Mūsā hem ook probeerde uit te leggen dat dit hem schade zou kunnen berokkenen, hij kon de jongeman niet van zijn voornemen afbrengen.

De jongeman zei:“O Mūsā! Het past niet bij uw grootmoedigheid om mij af te wijzen. Laat mij op zijn minst de taal begrijpen van de hond die voor mijn deur ligt en van mijn pluimvee.”

Daarop verrichtte Mūsā (عليه السلام) een du`ā’ (smeekbede) voor hem. De man ging verheugd naar huis. De volgende ochtend ging hij op de drempel van zijn deur staan. Toen de dienstmeid het kleed onder de tafel in de tuin uitschudde, viel er een stukje brood op de grond. De haan van het huis pikte het stukje brood onmiddellijk op.

De hond zei: “Waarom neem je iets af waar ik recht op heb? Jij kunt tarwe en gerst eten. Het brood is voor mij.”

De haan antwoordde: “Maak je geen zorgen. Morgen zal het paard van onze meester kreupel raken en worden geslacht. Dan kun je volop smullen.”

Toen de man het gesprek tussen de haan en de hond hoorde, bracht hij zijn paard onmiddellijk naar de markt en verkocht het.

De volgende ochtend spitste de man opnieuw zijn oren en dacht: “Eens kijken waar de haan en de hond het over zullen hebben.”

De hond zei: “Je hebt gelogen. Je zei toch dat het paard van onze meester kreupel zou worden en geslacht, zodat ik volop zou kunnen eten?”

De haan antwoordde: “Onze meester heeft een slimme zet uitgehaald en zijn paard verkocht. Het paard is daar kreupel geworden en geslacht. Maar maak je geen zorgen; morgen zal de muilezel sterven. Dan staat jullie opnieuw een feestmaal te wachten.”

Zodra de man dit hoorde, bracht hij zijn muilezel uit de stal naar de markt en verkocht hem.

Verheugd dat hij aan schade en verlies was ontkomen, keerde hij naar huis terug. Hij dacht bij zichzelf: “Het leren van de taal van de dieren was een zeer winstgevende zaak”.

De volgende ochtend ging hij opnieuw naar de tuin en luisterde naar het gesprek tussen de haan en de hond. Zoals de dag ervoor was de hond boos op de haan.

“Waar is de muilezel? Waar is het vlees? Waar blijft het feestmaal? Jij bent een grote leugenaar.”

De haan antwoordde: “Nee, ik heb niet gelogen. De muilezel zou sterven, maar onze meester heeft ook hem verkocht. Maak je geen zorgen. Morgen zal de kostbare slaaf van onze meester sterven. Ter ere van zijn overlijden zullen er maaltijden worden uitgedeeld en halwā (zoete lekkernij) worden uitgedeeld. We zullen allemaal heerlijk onze buik vullen.”

Toen de man dit hoorde, wachtte hij die dag geen moment.

Zonder op een paar muntstukken meer of minder te letten, bracht hij zijn slaaf naar de markt en verkocht hem.

De man was buitengewoon opgewekt omdat hij aan drie rampen die hem konden treffen, was ontkomen. Vol vreugde bracht hij dank aan Allāh. Toen de volgende dag aanbrak, haastte hij zich opnieuw naar de haan en de hond en begon te luisteren naar wat zij zeiden.

De hond was zeer boos. Ditmaal zei hij: “Al dagen stel je mij met je leugens gerust. Waar is de slaaf die zou sterven? Dankzij de maaltijd die ter gelegenheid van zijn overlijden zou worden gegeven, zouden wij onze buik kunnen vullen. Ken jij dan geen ander woord dan leugens?”

De haan antwoordde: “Ik weiger absoluut te aanvaarden dat ik een leugenaar ben. Hanen kennen geen leugens. Allāh heeft ons geschapen om de mensen de salāh-tijden bekend te maken. Daarom wordt een haan die buiten zijn tijd kraait, geslacht.

De slaaf is gestorven, maar niet in dit huis. Onze meester heeft hem immers verkocht. Onze slimme meester heeft met deze handelwijze zijn bezit gered, maar hij zal zijn eigen leven niet kunnen redden.

De dood van het paard, de muilezel en de slaaf zou bescherming zijn geweest tegen de beproevingen en rampspoed die hem konden treffen. Door hen te verkopen heeft hij zichzelf voor verlies van zijn bezit behoed, maar hij heeft de beproeving over zichzelf afgeroepen. Nu is hij aan de beurt.

Morgen zal onze meester sterven. Zijn erfgenamen zullen de os offeren en voedsel uitdelen.”

Toen de man dit hoorde, riep hij jammerend uit en haastte zich naar Mūsā (عليه السلام).

“Help mij in mijn nood! Red mij van de dood!” riep hij.

Mūsā (عليه السلام) zei: “De pijl is al uit de boog gevlogen. Het besluit van Allāh kan niet worden teruggedraaid. Mijn smeekbede tot Allāh voor jou is dat je gelovig voor Hem mag verschijnen.”

Terwijl Mūsā (عليه السلام) dit nog zei, begon de toestand van de man te veranderen. Zijn benen raakten in elkaar verstrikt. Drie of vier mensen moesten hem optillen en hem naar huis brengen.

[De verstandige mens ziet met het oog van het hart van tevoren waar een zaak uiteindelijk toe zal leiden. Wie weinig kennis heeft, beseft het pas nadat alles is gebeurd.]

De vrouw van wie de kinderen niet in leven bleven

Er was eens een vrouw die ieder jaar een kind ter wereld bracht, maar geen van haar kinderen langer dan zes maanden in leven bleef. Ze had twintig kinderen gebaard en alle twintig waren gestorven. Na de dood van ieder kind barstte zij uit in gejammer.

Uiteindelijk klaagde zij haar hartverscheurende verdriet bij Allāh: “O Allāh! Deze kinderen zijn negen maanden lang een last voor mij, maar ik kan niet langer dan zes maanden van hen genieten. Nog voordat er zes maanden voorbij zijn, neemt U hen van mij weg.”

Die nacht zag zij in haar droom het Paradijs. Tussen de ontelbare gunsten van het Paradijs stond een paleis waarop haar eigen naam geschreven stond. Er werd tegen haar gezegd:

“Dit paleis is voor degene die pijn verdraagt, beproevingen doorstaat en alles opoffert uit liefde voor Allāh. Allāh beproeft Zijn dienaren die nalatig zijn in hun aanbidding met beproevingen.”

Bedwelmd door het aanschouwen van de gunsten van het Paradijs zei de vrouw: “Alles wat van Allāh komt, is mij dierbaar en aanvaard ik met eerbied.”

Langzaam liep zij verder door de tuinen van het Paradijs. Toen zij haar paleis binnenging, zag zij dat al haar kinderen daar waren.

[In een ḥadīth is het volgende overgeleverd: Wanneer het kind van een moeder sterft, zegt Allāhu Ta`ala tegen Zijn engelen: “Hebben jullie de ziel van het kind van Mijn dienares weggenomen?”

De engelen antwoorden: “Ja.”

Allahu Taʿālā zegt: “Hebben jullie de vrucht van haar hart en de vrucht van haar leven weggenomen?”

De engelen antwoorden: “Ja.”

Allāhu Taʿālā vraagt: “Wat zei Mijn dienares?”

De engelen antwoorden: “Zij bracht U lof en zei: ‘Wij hebben ons aan Allāh overgegeven en tot Hem zullen wij terugkeren.’”

Daarop zegt Allāhu Taʿālā: “Bouw voor Mijn dienares een huis in het Paradijs en noem dat huis het Huis van de Lof.”]

Ḥamza trekt zonder harnas ten strijde

Ondanks zijn gevorderde leeftijd nam Ḥamzah (رضي الله عنه) deel aan veldslagen en vocht hij alsof hij volledig buiten zichzelf was. Met getrokken zwaard en zonder harnas stortte hij zich tussen de rijen van de vijand.

Toen mensen hem zo zagen, gaven zij hem het volgende advies: “O oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)! Weet u dan niet dat Allāhu Taʿālā zegt:

وَلَا تُلۡقُواْ بِأَيۡدِيكُمۡ إِلَى ٱلتَّهۡلُكَةِ

…en werp jezelf niet in de vernieling … (al-Baqarah, 2:195)

Toen u jong was en nog sterk en krachtig was, ging u niet zonder harnas de strijd in. Nu bent u oud geworden en is uw rug gebogen. Toch gaat u onbeschermd op de vijandelijke linies af. U weet beter dan wij, dat zwaarden en speren geen gevoel kennen. Zij maken geen uitzondering voor u omdat u oud bent.”

Ḥamzah (رضي الله عنه) legde hun zijn toestand als volgt uit: “In mijn jeugd zag ik de dood als vernietiging en het ophouden te bestaan. Maar dankzij het Muḥammadī licht heb ik geen gehechtheid meer aan de vergankelijke wereld. Voor mij is de dood als het openen van de deur naar de Waarheid.

Het vers ‘en werp jezelf niet in de vernieling’ geldt voor degene voor wie de dood als een gevaar voor zijn ogen verschijnt.”

De mooiste stad

Een geliefde vroeg aan haar geliefde: “Mijn dappere held, je hebt veel verre landen bezocht en vele steden gezien. Welke daarvan is de mooiste?”

De geliefde antwoordde zonder enige aarzeling: “De stad waarin mijn geliefde zich bevindt.”

[Waar de padishah zijn kleed heeft uitgespreid en is gaan zitten, is het voor ons, ook al is die plek zo nauw als een speldegaatje, een uitgestrekte vlakte.

Zelfs wanneer Yūsuf, wiens gezicht zo stralend is als de maan, op de bodem van een put zit, beschouwen wij die plaats als het Paradijs.]

De moskee die de geliefde tot de dood bracht

In de buurt van de stad Ray (Iran) stond een moskee. Iedereen die in deze moskee de nacht doorbracht, werd de volgende ochtend dood aangetroffen. Daarom waarschuwden de mensen uit de omgeving iedereen die daar aankwam: “Overnacht vooral niet in deze moskee. Zit hier een krachtige betovering of talisman achter? Of wonen hier machtige djinn? We weten het niet. Wat we wel weten, is dat degene die hier gaat slapen, ’s morgens zijn rūḥ heeft overgegeven. Wie zijn leven liefheeft, moet hier niet overnachten.”

Ze overwogen zelfs om uit voorzorg ’s avonds de deur van de moskee op slot te doen.

Terwijl de dagen zo verstreken, kwam er een reiziger die over de roem van deze moskee had gehoord. De reiziger was een darwish die tot de mensen van de liefde behoorde. Hij zei dat hij in de moskee wilde overnachten.

Toen de mensen dit hoorden, verzamelden zij zich om hem heen. Iedereen waarschuwde hem en probeerde hem van zijn voornemen af te brengen.

“O reiziger! Wat wij je vertellen is geen legende of verzinsel. Wij zijn er zelf getuige van geweest dat mensen hier levend naar binnen gingen en er dood weer uitkwamen. Kom, laat je leiden door verstand en billijkheid.”

De reiziger antwoordde: “Ik wil niet leven. Ik heb genoeg van dit leven. Ik zal geen spijt krijgen van wat ik doe. Want zoals het voor een vogel aangenaam en zoet is om zijn kooi achter zich te laten en weg te vliegen, zo mooi en zoet is de dood voor mij.”

Nadat de reiziger dit had gezegd, ging hij de moskee binnen en ging liggen. Maar kon hij wel slapen? Hoe kan iemand die is ondergedompeld in de oceaan van de liefde van Allāh in een rivier slapen? De slaap van de geliefde die zijn ondergedompeld in het water van verdriet en smart is als de slaap van vogels en vissen.

Midden in de nacht hoorde de reiziger een angstaanjagende stem: “O jij die voordeel zoekt! Zal ik komen?”

Deze angstaanjagende stem werd vijfmaal herhaald. Het hart van de reiziger leek van angst uit zijn borst te worden gerukt en was doodsbang.

Hij zei bij zichzelf: “O mijn hart, kom tot bezinning en beef niet. Alleen degenen die geen werkelijk geloof (īmān) bezitten, zijn bang voor deze stem.

Net als ʿAlī (رضي الله عنه), die zei: “Of wij veroveren het land, óf wij verliezen ons leven.”

Hij sprong op van zijn slaapplaats, ging rechtop staan en riep: “O dappere held! Ik ben hier. Als je werkelijk dapper bent, kom dan. Ik wacht op je.”

Door deze uitdaging van de reiziger werd de betovering van de moskee verbroken. Van alle kanten begonnen gouden munten naar binnen te stromen.

Er viel zoveel goud naar beneden dat de dappere darwish bang werd dat de deur niet meer open zou kunnen.

Dankzij zijn moed en vastberadenheid had de dappere darwish het goud verkregen. Hij vulde zakken met het goud en begroef ze buiten de moskee.

[Het goud waarover in dit verhaal wordt gesproken, is het goud van de betekenis dat in de munthuis van Allāh is geslagen. Het goud van de betekenis verrijkt het hart en maakt het helderder dan de maan.

O mijn zoon! Wanneer jij een walī, een vriend van Allāh, ontmoet, beoordeel je hem door hem met jezelf te vergelijken en beschouw je hem vanuit zijn menselijke eigenschappen. Je denkt dat er in hem het vuur van de menselijke natuur brandt.

Noem datgene wat in hem straalt niet “vuur”, maar noem het “licht”. De awliyāʾ bezitten het goddelijke licht.

Wees niet bang; werp jezelf in dat vuur. Voor de vrienden is dat licht als een rozentuin. Wie het nadert, verrijkt zijn hart met het goud van de betekenis.]

Het advies van de merrie aan haar veulen

Een merrie en haar veulen waren water aan het drinken. De stalknechten begonnen te fluiten om de andere paarden naar het water te roepen. Toen het veulen het gefluit hoorde, hief het zijn hoofd op en keek angstig om zich heen. Het kon niet verder drinken.

Zijn moeder vroeg: “Mijn lieve kind, waarom schrik je en drink je niet van het water?”

Het veulen antwoordde: “Die mannen zijn aan het fluiten. Ik ben bang omdat ze allemaal tegelijk fluiten.”

Toen de merrie haar veulen zo zag, zei ze: “Let maar niet op hen en houd je bezig met wat je moet doen. Sinds de wereld is geschapen, zijn er altijd mensen geweest die zich met zulke nutteloze zaken bezighouden. Mijn verstandige lieve kind, houd je bezig met je eigen zaak en drink je water.”

[Met het veulen dat hier wordt genoemd, wordt de darwish bedoeld die pas tot de tarīqah (soefi-orde) is toegetreden. De moederlijke merrie vertegenwoordigt de murshid-i kāmil, de volmaakte geestelijke leider.

In iedere tijd zijn er onverstandige mensen geweest die bezwaar maakten tegen de woorden van de awliyāʾ. Daarom zegt Mawlânâ in het vervolg van dit verhaal:

“De woorden van de awliyāʾ zijn als een zuivere en heldere rivier die, wanneer een mens ervan drinkt, hem het levenswater schenkt. Zolang je de gelegenheid hebt, drink dan van dat water, zodat in je hart geestelijke planten, bloemen en rozen tot bloei komen.”]

VIERDE DEEL VAN MASNAWĪ

De man die flauwviel door de heerlijke geuren

Een man liep over de markt en kwam in een straat waar heerlijke geuren werden verkocht. Uit de winkels verspreidden zich allerlei aangename geuren, zoals die van rozen en viooltjes, die zich in golven door de omgeving verspreidden. Nadat de man enkele stappen had gezet, werd hij duizelig door de geuren die hij rook. Hij kon het niet langer verdragen, viel neer en raakte bewusteloos.

De mensen verzamelden zich rond de man die was neergevallen en begonnen naar manieren te zoeken om hem weer bij bewustzijn te brengen.

De een legde zijn hand op diens hart om te controleren of het nog klopte. Een ander sprenkelde rozenwater over zijn gezicht en ogen. Hij wist niet dat juist het rozenwater de oorzaak was van wat de man was overkomen.

Terwijl de een met zijn handen over zijn hoofd wreef, haalde een ander nat stro om zijn koorts te laten zakken en legde dit op zijn borst. Weer een ander mengde agarhout met suiker en brandde dit als wierook bij het hoofd van de arme man. Een ander trok zijn kleren uit om hem verlichting en verkoeling te geven. Ondertussen hield iemand zijn hand vast en controleerde zijn pols.

Een van hen zei: “Zou hij misschien wijn hebben gedronken, hasj hebben gebruikt of opium hebben ingeslikt?” Ze bogen zich meteen over hem heen en roken aan zijn mond. Daar was echter geen enkel teken van. De mensen stonden versteld van de toestand van de man.

Het nieuws over de man die in de parfummarkt was neergevallen en daar bewegingloos lag, verspreidde zich van mond tot mond. Men kwam erachter wie hij was doordat mensen hem herkenden en stuurde bericht naar zijn familieleden.

De arme man was een leerlooier. Hij had een stevig gebouwde en verstandige broer. Zodra deze het nieuws hoorde, kwam hij haastig aangelopen.

Hij had een stukje hondenpoep bij zich.

“Ik weet waarom hij flauwgevallen is. Zodra de oorzaak bekend is, wordt het gemakkelijker om een oplossing te vinden,” zei hij.

Hij dacht bij zichzelf: “Mijn broer werkt al jarenlang om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij looit leer te midden van vieze geuren. De geur van vuiligheid is tot in zijn hersenen en aderen doorgedrongen. Omdat hij voor het eerst in zijn leven door zo’n parfummarkt is gelopen, hebben de heerlijke geuren hem bedwelmd en buiten bewustzijn gebracht.”

De broer van de leerlooier stuurde de mensen weg, zodat niemand zou zien welk geneesmiddel hij zou toedienen. Alsof hij hem iets in het geheim wilde vertellen, bracht hij zijn hoofd dicht bij het oor van zijn broer. Zonder dat iemand het merkte, smeerde hij het fijngewreven stukje hondenpoep dat hij bij zich had onder diens neus.

Even later kwam de man bij en herstelde hij zijn bewustzijn.

De omstanders waren stomverbaasd en zeiden: “Deze man heeft een bezwering over de zieke uitgesproken en in zijn oor geblazen. Hij heeft als het ware een dode man weer tot leven gebracht!”

[Degenen die mensen raad geven, willen iemand die volledig in vuiligheid is ondergedompeld genezen en hem een deur openen door hem met amber en rozenwater te behandelen. Maar schone en zuivere gunsten zijn niet aangenaam voor mensen die midden in de vuiligheid leven. Om de smaak van zuivere gunsten en schoonheid te kunnen waarderen, moet men eerst afstand nemen van de vuiligheid en daarin niet langer leven. Zij blijven echter, als mestkevers, voortdurend vuiligheid met zich meedragen. Daarom vallen zij flauw door de geur van rozenwater.

Als de muskusachtige geur van goede raad en de mooie geur die uit de woorden van degene die raad geeft, iemand geen baat brengt, dan is hij ongetwijfeld gewend geraakt aan slechte geuren.

Zolang jij je neus niet uit de vuiligheid haalt, zul je ook geen aandeel ontvangen van dat licht.]

De man die aarde at

Een man die eraan gewend was geraakt aarde te eten, ging een winkel binnen om suiker te kopen. De kruidenier was een sluwe bedrieger. De gewichten die hij op zijn weegschaal gebruikte, waren niet van steen, maar van aarde.

De man zei: “Ik wil suiker kopen.”

De winkelier antwoordde: “Dat is goed, maar de gewichten van mijn weegschaal zijn van aarde gemaakt. Houd daar rekening mee.”

De man zei: “Ik moet snel suiker kopen en weer vertrekken. Het maakt mij niet uit waarvan de gewichten zijn gemaakt. Bovendien eet ik heel graag aarde.”

De kruidenier legde de aardewerken gewichten op de ene schaal van de weegschaal. Daarna liep hij naar de zak met suiker om aan de andere kant een hoeveelheid suiker te leggen die even zwaar was als de gewichten. Hij begon de grote brokken suiker los te breken.

Intussen kon de man zich niet bedwingen. Hij brak stiekem een stukje af van de aardewerken gewichten die op de schaal lagen en at het op. Het smaakte hem uitstekend. Zonder dat de winkelier het merkte, brak hij nog een stukje af. Hij zorgde er zorgvuldig voor dat de kruidenier hem niet zag.

Maar de gewetenloze kruidenier had hem wel gezien. Hij zei bij zichzelf: “Eet maar, eet nog wat meer, domme man. Hoe meer jij eet, hoe groter mijn winst. Straks, wanneer ik de suiker voor je heb afgewogen en hem aan je meegeef, zul je beter begrijpen wie wie heeft bedrogen.”

[Je vindt het prettig om met je ogen overspel te plegen, maar in werkelijkheid snijd je vlees uit jezelf en maak je dat klaar als kebab om het vervolgens zelf op te eten.

Een verboden blik vermindert het geduld van een mens. Het drijft hem steeds naar meer en naar iets dat nog verder gaat.]

De droom van de darwish

Een darwish vertelde: “Ik droomde dat ik mensen zag die Khiḍr hadden gezien. Ik vroeg hun hoe ik levensonderhoud (rizq) kon verkrijgen dat halāl was en waar helemaal geen zonde aan kleefde.

Ze namen mij mee naar de bergen. Ze schudden de wilde fruitbomen in de bossen en zeiden: ‘Allāhu Ta`ala heeft deze vruchten door middel van onze himmah (geestelijke vastberadenheid) voor jou zoet gemaakt. Je kunt op gemakkelijke wijze, zonder enige moeite, aan zuiver en halāl rizq komen.’

Nadat ik van die vruchten had gegeten, begonnen de bronnen van himmah in mijn hart overvloedig te stromen. Door de invloed en de fayḍ (geestelijke overvloed) van mijn woorden raakten de mensen verbaasd.

Daarop verrichtte ik du`ā’ tot mijn Rab: ‘O mijn Rab! Deze toestand is voor mij een beproeving. Schenk mij een gunst die U voor de mensen verborgen houdt.’

Daarop verdween mijn vermogen om wijze, diepzinnige woorden te spreken. Daarvoor in de plaats kreeg ik een aangenaam hart en bereikte ik grote geestelijke vreugden. Ik zei tegen mezelf: ‘Zelfs als er in het Paradijs geen andere vorm van vreugde zou bestaan dan deze, zou ik hiermee tevreden zijn.’

Op een dag zag ik een arme darwish die uit het bos kwam met een lading brandhout. Enkele gouden munten die ik met mijn eerdere inkomsten had verkregen, waren in de zoom van mijn kleding genaaid. Weer dacht ik bij mezelf: ‘O Allāh, U hebt mij begunstigd en mij verlost van de zorgen over mijn rizq. Laat ik deze gouden munten die ik bij me heb aan de darwish die brandhout verkoopt geven, zodat hij twee of drie dagen zorgeloos kan leven.’

Die darwish keek mij aan alsof hij mijn gedachte had gelezen; zijn blik leek mij zelfs te berispen. Met de waardigheid van een leeuw kwam hij naar mij toe en legde het brandhout op de grond. Door de ontzagwekkende uitstraling van de darwish begon mijn hele lichaam te beven.

Hij verrichtte als volgt d u`ā’: ‘O mijn Rab, ter wille van de eer van Uw uitverkoren dienaren wier gebeden worden verhoord, verander dit brandhout in goud.’

Op hetzelfde moment veranderde het brandhout in goud. Het schitterde als vuur.

Toen ik dit zag, raakte ik buiten bewustzijn. Ik moet geruime tijd bewusteloos zijn geweest. Toen ik weer bijkwam en mijn verbazing voorbij was, zei die man: ‘De uitverkoren dienaren van Allāh zijn zeer afgunstig. Zij vluchten voor bekendheid en roem.’

Daarna verrichtte hij opnieuw d u`ā’tot zijn Rab: ‘O mijn Rab, verander dit goud weer in brandhout.’

Op datzelfde moment veranderde het goud opnieuw in brandhout.

Die gezegende man, die eruitzag als een gewone en zonderlinge darwish, laadde het brandhout weer op zijn schouders en liep in de richting van de stad.

Ik wilde achter die koning van de spirituele betekenis aangaan en hem vragen stellen over enkele zaken die ik niet begreep. Maar zijn ontzagwekkende uitstraling hield mij als het ware aan mijn plaats gebonden. Ik verstijfde en bleef staan.

Ik dacht bij mezelf: ‘Niet iedereen krijgt de gelegenheid om de aanwezigheid van de uitverkoren dienaren van Allāh te betreden. Als iemand door zijn leven en zelfs zijn hoofd op het spel te zetten toch een weg naar hen vindt, dan is dat alleen door hun barmhartigheid.’”

[Wanneer mensen het voorrecht hebben de sohbet* van een ware vriend van Allāh bij te wonen, moeten zij dit als een gunst van Allāh beschouwen. Zij moeten zich inspannen om zonder tijd te verliezen feyḍ te ontvangen.

Men moet de gelegenheid als een buit beschouwen, zodat men niet tot de dwazen behoort die hun weg verliezen.

*: sohbet: een geestelijk gesprek of bijeenkomst waarin godsdienstige en spirituele kennis wordt gedeeld.]

De dichter en twee viziers

Een dichter schreef een gedicht om de gunsten en geschenken van de sultan te ontvangen. Hij bracht het gedicht naar het hof en droeg het aan de sultan voor. De sultan beval dat de dichter duizend gouden munten zou krijgen.

De zeer vrijgevige en goedhartige vizier van de sultan zei: “Mijn sultan, dit is te weinig. Het zou beter zijn als we hem tienduizend gouden munten geven. Een waardevolle dichter die zo’n grote sultan prijst, verdient meer.”

De sultan vertrouwde op het oordeel van zijn vizier en gaf de dichter tienduizend gouden munten, verschillende kledingstukken en kostbare geschenken.

Terwijl de dichter enerzijds Allāh dankte voor deze gunst, wilde hij anderzijds weten aan wie hij deze goedheid te danken had. Men vertelde hem: “De sultan heeft een vizier die Hasan heet en die, zoals zijn naam al zegt, goed en mooi van karakter is. Deze gunsten en geschenken zijn op zijn advies gegeven.”

Daarop schreef de dichter een lange qaṣīdah (mystiek lofdicht) voor de vizier. Ook hem prees hij in zijn gedicht. Hij bracht het gedicht naar het verblijf van de vizier en bood het hem aan.

Enkele jaren gingen voorbij. De dichter werd opnieuw arm. Hij schreef nog een gedicht en bracht dit naar de sultan, van wie hij eerder overvloedige gunsten had ontvangen.

In de qaṣīdah die hij had geschreven, beschreef hij de vrijgevigheid van de sultan en sprak hij zijn dankbaarheid uit.

Zoals hij gewoon was, beval de sultan opnieuw dat de dichter duizend gouden munten zou krijgen. Maar deze keer was de vroegere vrijgevige vizier overleden en was er een uiterst meedogenloze en gierige vizier voor hem in de plaats gekomen.

De gierige vizier zei tegen de sultan: “Geeft men een dichter werkelijk zo’n grote schenking? Ik kan deze dichter tevredenstellen met 25 gouden munten, een veertigste deel van die duizend.”

De aanwezigen zeiden tegen de vizier: “Tijdens de ambtsperiode van de vorige vizier werd deze dichter tienduizend gouden munten gegeven.”

De gierige vizier antwoordde: “Laat het tevredenstellen van hem maar aan mij over. Dat is mijn zaak. Hij zei: “Ik zal hem zo laten afzien dat hij, als ik hem een handvol zwarte aarde van de weg geef, die zal weggrissen alsof ik hem een rozenblaadje uit de tuin heb gegeven.”

De sultan zei: “Zorg ervoor dat je de dichter tevredenstelt. Hoe je dat doet, moet je zelf maar weten.”

De vizier begon de dichter van vandaag tot morgen te laten wachten. De winter ging voorbij en de zomer brak aan. De zomer verstreek en de herfst kwam.

De dichter kreeg niet alleen de gunst waarop hij wachtte niet, maar werd het ook zat om steeds heen en weer te gaan.

Hij ging naar de deur van de vizier en zei: “O edele heer! Als er geen goud is, scheld mij dan uit of stuur mij weg, zodat ik van dit wachten verlost ben. Al maandenlang is mijn leven hier aan uw deur als onderpand achtergebleven.”

Toen de zaak zover was gekomen, gaf de vizier de dichter 25 gouden munten.

De dichter, die maandenlang met grote hoop had gewacht, begon na het zien van de 25 gouden munten na te denken.

De vorige gift was niet alleen veel groter geweest, maar was hem ook onmiddellijk bij zijn vertrek uit het hof overhandigd.

“Wat is er nu gebeurd dat het zo is gelopen?” vroeg hij zich af.

Toen hij de situatie onderzocht, zei een van de mannen van de sultan tegen hem: “De vroegere vrijgevige vizier is uit deze wereld vertrokken. In zijn tijd waren de gunsten vele malen groter. De gierige vizier die voor hem in de plaats is gekomen, stroopt zelfs de huid van de armen af. Neem dat geld en vertrek zo snel mogelijk. Als hij je te pakken krijgt, neemt hij zelfs dat nog van je af. We hebben heel wat moeite moeten doen om ervoor te zorgen dat je dit bedrag überhaupt kreeg.”

De dichter vroeg nieuwsgierig: “Mijn vriend, vertel mij: hoe heet deze man die de kleren van mensen uittrekt en hen uitkleedt?”

“Hasan,” kreeg hij als antwoord.

Toen de dichter zich herinnerde dat ook de vorige vizier Hasan heette, zei hij: “Ook hij heette Hasan, maar met iedere regel die hij met zijn pen schreef, was er een vrijgevige vizier in hem.

Ook deze heet Hasan, maar van zijn baard kunnen touwen worden gevlochten; zo maakt hij de sultan te schande.”

Ibrāhīm ibn Adham doet afstand van zijn troon

Ibrāhīm ibn Adham was de sultan van de stad Balkh. Op een nacht lag hij op zijn rustbed uit te rusten. Plotseling hoorde hij allerlei stemmen en lawaai op het dak van zijn paleis. Het leek alsof er mensen over het dak liepen.

“Wie durft zoiets te doen?” riep hij vanuit het raam naar boven:

“Wie is daar? Wat doen jullie op het dak van het paleis?”

Mensen die hij nog nooit ergens eerder had gezien, bogen hun hoofd over de dakrand en antwoordden: “We zijn op zoek naar wat we kwijt zijn.”

Ibrāhīm ibn Adham vroeg: “Wat zijn jullie kwijtgeraakt?”

Zij antwoordden: “Onze kamelen.”

Verbaasd over dit antwoord vroeg Ibrāhīm ibn Adham: “Zoekt men ooit naar kamelen op het dak van een paleis?”

De mensen die over het dak liepen antwoordden: “Dat wij hier op zoek zijn naar kamelen, is niet vreemder dan dat jij, terwijl je op de troon van het sultanaat zit, hoop je Allāhu Ta`ala te zoeken en te vinden.

Na deze gebeurtenis verliet Ibrāhīm ibn Adham zijn paleis en zijn sultanaat. Hij koos voor het leven van een darwish en werd een van de sultans van de wereld van de spirituele betekenis.

Firʿawn (Farao) en Hāmān

Toen Firʿawn de mooie woorden van Mūsā (عليه السلام) hoorde, verzachtte zijn hart en leek hij dichter bij het geloof te komen. Vele malen neigde hij er door de invloed van de woorden van Mūsā (عليه السلام) toe om te geloven. De woorden van Mūsā (عليه السلام) waren zo krachtig dat, als men ze zelfs tot een steen zou spreken, er melk uit de steen zou stromen.

Toen Firʿawn het voorstel van Mūsā (عليه السلام) aan zijn vizier Hāmān voorlegde, zei de kwaadwillige en wraakzuchtige vizier tegen hem: “U was tot nu toe een sultan; gaat u vanaf nu de dienaar worden van een man wiens mantel met lappen is opgelapt?”

Deze woorden kwamen als een steen die met een katapult was weggeschoten en sloegen het hart van Firʿawn, dat van glas leek te zijn, aan stukken.

Met de mooie woorden van Mūsā, de Kalīmullāh (Woord van Allāh), bouwde hij zijn paleis in honderd dagen op; Hāmān wist het met één ogenblik van woorden volledig te verwoesten en neer te halen.

[O achteloze mens, jouw verstand is ook als die vizier die door zijn verlangens is overwonnen. Ook jouw lichaam blijft de weg naar het geloof en de weg naar Allāh versperren.

Hoewel een vriend jou raad geeft, maakt jouw nafs, dat als een rover door de stad van jouw lichaam rondzwerft, zijn woorden ineffectief.]

De kruiden die in de al-Aqṣā-moskee ontkiemen

Sulaymān (عليه السلام) kwam iedere ochtend naar de al-Aqṣā-moskee en aanbad zijn Rab met volledige oprechtheid. Elke dag zag hij dat er in de moskee een nieuw kruid was ontkiemd en ondervraagde (het kruid): “Hoe heet je en waarvoor ben je nuttig?”

Elk kruid antwoordde hem en vertelde zijn naam, waarvoor het gebruikt kon worden, tegen welke ziekte het als geneesmiddel diende en in welke situaties het schadelijk kon zijn.

Sulaymān (عليه السلام) gaf deze informatie door aan de artsen. De artsen bereidden vervolgens op basis van deze kennis geneesmiddelen en brachten verlichting voor de zorgen van de mensen en genezing voor hun ziekten.

Op een dag kwam Sulaymān (عليه السلام), zoals gewoonlijk, in de vroege ochtendschemering naar de moskee. Terwijl hij rondkeek of er een nieuw kruid was dat de mensen van hun kwalen kon verlossen, zag hij in een hoek een kruid dat op een aar leek. Het was frisgroen, vers en mooi om te zien.

Het kruid begroette Sulaymān (عليه السلام) onmiddellijk met de salām. Sulaymān (عليه السلام) beantwoordde de begroeting van het kruid, dat hem door zijn schoonheid had verbaasd, en vroeg: “Vertel eens, hoe heet je?”

“Mijn sultan, men noemt mij johannesbrood. De plaatsen waar ik groei, worden verwoest en veranderen in ruïnes,” antwoordde het kruid.

Daarop dacht Sulaymān (عليه السلام): “Zolang ik leef, zal deze moskee niet worden verwoest. Dat deze moskee wordt verwoest, kan pas na mijn dood gebeuren. Dat hier johannesbrood is ontkiemd, is een teken dat mijn levenseinde nabij is.”

[In werkelijkheid is jouw hart een moskee. Jouw lichaam heeft zich daarin in neerwerping ter aarde geworpen. Een vriend met een slecht karakter is als het johannesbrood dat in het hart ontkiemt.

Als er in jouw hart genegenheid voor een slechte vriend is ontstaan, dan is dat een teken dat deze moskee van het hart zal worden verwoest.

Kom tot jezelf en vlucht weg van een vriend met een slecht karakter. Praat zo min mogelijk met hem. Weet dat, als de liefde voor een slechte vriend in jouw hart ontkiemt en begint te groeien, dit betekent dat de moskee van je hart zal worden verwoest.]

De kameel van Majnûn

Majnûn besteeg een vrouwelijke kameel om naar het dorp van zijn Laylâ te gaan. Ze legden enige afstand af. Majnûns enige zorg was om zo snel mogelijk het dorp van zijn geliefde te bereiken. De vrouwelijke kameel dacht echter aan haar jong dat ze had achtergelaten. Ook haar enige zorg was om zo snel mogelijk terug te keren en zich met haar jong te herenigen.

Wanneer Majnûn even wegdroomde, keerde de kameel om en rende zij terug naar het dorp om haar jong te bereiken.

Zodra Majnûn weer bij zinnen kwam, stuurde hij de kameel opnieuw in de richting van het dorp van Laylâ.

Zo ging de reis twee of drie dagen door: twee stappen vooruit en één stap achteruit.

Majnûn was verbijsterd, alsof hij al jarenlang onderweg was. Toen hij zag dat deze weg op deze manier nooit zou eindigen, stapte hij van zijn kameel en zei: “O kameel! Wij zijn allebei verliefd, maar onze geliefden bevinden zich op verschillende plaatsen. Wij kunnen geen reisgezellen van elkaar zijn. Onze samenzijn zal ons geen van beiden naar onze bestemming brengen. Het beste is dat wij onze wegen scheiden.”

Daarop liet hij de kameel vrij.

[In dit verhaal vertegenwoordigt Majnûn de menselijke rūḥ. Omdat de rūḥ verliefd is op haar Rab, wil zij naar Hem toe gaan. Maar de kameel van de nafs blijft haar voortdurend in de weg staan. De kameel is het symbool van de nafs, die achter de materiële verlangens aanrent.]

Een hond en een blinde bedelaar

Een hond viel een blinde bedelaar aan die naar het dorp was gekomen om te bedelen. Hij scheurde zijn kleren aan flarden en verscheurde zijn darwish mantel.

De blinde zei: “O hond! Op dit moment rennen jouw soortgenoten in de bergen achter wild aan. Ze jagen op wilde ezels. En jij valt hier in het dorp een blinde man aan. Schande over je!”

[O valse shaykh, die ver verwijderd bent van de welbehagen van Allāh! Net als een hond die een blinde aanvalt, heb jij de blinden en onwetenden te pakken genomen. “Dit zijn mijn murīds”, zeg je. Sta op en kijk naar de leeuwen van Allāh, dat wil zeggen: de awliyāʾ. Jaag, net als zij, op de wilde ezel. Verkrijg, net als zij, nabijheid tot Allāh. Ga niet als een machteloze hond tekeer tegen de onwetenden, zoals een hond een blinde aanvalt.]

In de rozentuin

Een sûfî ging naar een rozentuin om zijn hart te verlichten en geestelijk vreugde te ervaren. Hij trok zich terug in een hoek en ging volgens de adab (hoffelijkheid/ etiquette) zitten. Hij sloot zijn ogen en verdiepte zich in murāqabah*.

Een onwetend persoon die de sûfî zag terwijl hij in de diepten van zijn hart op weg was naar geestelijke genietingen, dacht dat hij sliep en gaf hem een por.

Hij zei: “Waarom slaap je? Open je ogen en kijk naar de schoonheid van deze rozen, de bomen die in bloei staan en het groene gras. Allāhu Ta`ala zegt in de Qur’ān: ‘

فَٱنظُرۡ إِلَىٰٓ ءَاثَٰرِ رَحۡمَتِ ٱللَّهِ كَيۡفَ يُحۡيِ ٱلۡأَرۡضَ بَعۡدَ مَوۡتِهَآۚ إِنَّ ذَٰلِكَ لَمُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ وَهُوَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٥٠

Zie dan de sporen van Allah’s Genade: hoe Hij de aarde na haar dood doet herleven. Waarlijk! Zo is Hij Die de doden zeker doet leven. En Hij is tot alle dingen in staat. (ar-Rūm, 30,50)

De sûfî antwoordde: “O ongelukkige, die een gevangene bent van je verlangens! Het hart is het mooiste werk van Allāh. De tuinen, boomgaarden, bloemen en al het groen dat zich buiten bevindt, zijn slechts weerspiegelingen en beelden van wat zich in het hart bevindt.

Als de tuinen en boomgaarden die je in deze wereld ziet geen weerspiegeling waren van de cypres van vreugde in de wereld van het hart, dan zou Allāhu Ta`ala deze wereld van beelden niet ‘de verblijfplaats van misleiding’ hebben genoemd.”

[Op de dag dat de slaap van achteloosheid jou overvalt, dat wil zeggen wanneer de dood aanbreekt, zullen je ogen opengaan. De werkelijkheid zal zichtbaar worden.

Maar wat heb je eraan om de werkelijkheid pas op je laatste ademtocht te zien?

Gelukkig is degene die vóór zijn dood sterft, dat wil zeggen: degene die tijdens zijn leven kennis heeft gekregen van de oorsprong en werkelijkheid achter de schoonheden van deze wereld.

* murāqabah: Wanneer iemand er met zekerheid van overtuigd is dat zijn gehele uiterlijke en innerlijke wereld voortdurend onder het toezicht van Allāhu Ta`ala staat en dat hij zich in Zijn tegenwoordigheid bevindt, wordt hij geacht de toestand van murāqabah te hebben bereikt.

De innerlijke murāqabah die betrekking heeft op het hart het belangrijkste.

Wanneer iemand zijn innerlijk door murāqabah en ikhlāṣ op orde brengt, zal Allāhu Ta`ala ook zijn uiterlijk sieren met mujāhadah en het volgen van de sunnah. Wie de werkelijkheid van murāqabah heeft bereikt, dient op ieder moment aan zijn Rab te denken.]

De hoja (leraar/imām) met de reusachtige tulband

Een hoja had de binnenkant van zijn tulband gevuld met stukken stof en daar aan de buitenkant zijn tulbanddoek omheen gewikkeld. Zo zou zijn tulband groot en indrukwekkend lijken en zou zijn aanzien toenemen wanneer hij bijeenkomsten bezocht.

Hij dacht dat mensen meer respect zouden hebben voor iemand met zo’n enorme tulband.

De buitenkant van zijn tulband leek op de gewaden van het Paradijs, maar vanbinnen was hij lelijk en verachtelijk, net als het hart van de huichelaars.

De hoja begaf zich vroeg in de ochtend, gekleed in zijn opvallende gewaad, naar de madrasa. In de schemering had een dief die reizigers beroofde zich langs de weg verscholen. Hij wachtte tot iemand voorbij zou komen, zodat hij zijn vakmanschap kon tonen.

Toen de dief de indrukwekkende tulband op het hoofd van de hoja zag, dacht hij dat die veel geld waard zou zijn. Hij griste de tulband van het hoofd van de hoja en rende weg.

De hoja riep hem achterna: “Mijn jongen, maak de tulbanddoek los voordat je hem meeneemt. Controleer hem eerst. Kijk erin. Als hij je bevalt, neem hem dan mee; dan zal ik je mijn recht op deze zaak halāl maken (vergeven).”

Terwijl de dief vluchtte, maakte hij de tulbanddoek los. Zodra hij hem had losgemaakt, vielen de stukken stof overal op de weg uit de tulband. Van die enorme tulband bleef er in de handen van de dief slechts een oud stuk stof van één arshin (68 cm) over.

De dief smeet het stuk stof woedend op de grond en riep: “O ongeremde man! Met deze list heb je mij van mijn werk, mijn inspanning en mijn inkomsten afgehouden!”

De hoja antwoordde: “Ik heb een list gebruikt en je bedrogen, maar ik heb je ook gewaarschuwd. Ik zei immers: ‘Maak de tulbanddoek los voordat je hem meeneemt.’ Daarmee heb ik je gewaarschuwd.”

[Zo is de wereld nu eenmaal...In het begin ontvouwt en verspreidt zij zich prachtig, als een bloem, maar uiteindelijk schreeuwt zij ook luidkeels uit hoe trouweloos zij is.

O jij die vol bewondering op je lip bijt om de schoonheid van de lente, aanschouw de kilte en de vergeling van de herfst.

Ook al heeft het lichaam van de zilverhuidigen je betoverd, aanschouw dan ook het lichaam dat na de ouderdom als een katoenveld wordt.

De dappere krijger die ooit in de gelederen van leeuwen liep, wordt uiteindelijk door een muis overwonnen.

Het gitzwarte, krullende haar dat de verstandigen en wijzen betoverde en naar muskus rook, verandert uiteindelijk in de lelijke staart van een grijze ezel.

Hoe meer iemand het einde (van zijn leven) voor ogen houdt, des te gelukkiger is hij.

Wie de wereld beter doorziet, zal des te meer van haar worden verstoten.]

De drie adviezen van de vogel

Een arme vogel was in een val gelopen en door een list gevangen. De vogel zei tegen de jager die hem had gevangen: “O mijnheer, in je leven heb je al vele malen schapen en runderen gegeten en ook talloze keren kamelen geofferd. Als je zelfs na het eten van hun vlees niet verzadigd bent geraakt, zul je zeker niet verzadigd raken van mij.

Als je mij vrijlaat, zal ik je drie adviezen geven. Daarna kun je op basis van mijn adviezen je beslissing nemen.

Het eerste advies zal ik je geven terwijl ik nog in je hand ben. Het tweede zal ik geven wanneer ik op dat dak zit en het derde wanneer ik in die boom ben neergestreken.

Geloof mij, je zult zeer blij zijn dat je deze drie adviezen hebt gehoord.”

Uit nieuwsgierigheid ging de jager akkoord met het voorstel van de vogel.

“Dit is het advies dat ik je geef terwijl de vogel nog in je hand is: Geloof nooit wat iemand ook zegt als het onmogelijk is.”

Daarna liet de jager de vogel vrij. De vogel vloog weg en ging op het dak van het huis zitten. Daar gaf hij zijn tweede advies: “Maak je geen zorgen over een kans die je uit handen is geglipt. Blijf er niet over klagen en verlang er niet voortdurend naar.”

Nadat de vogel zijn tweede advies had gegeven, vloog hij naar een tak van de boom. Voordat hij zijn derde advies gaf, zei hij: “Er zat een zeer kostbare parel van tien dirham in mijn buik. Met die parel zouden jij en je gezin rijk zijn geworden. Helaas was hij blijkbaar niet voor jou bestemd.”

Toen de jager dit hoorde, begon hij te schreeuwen en te jammeren als een zwangere vrouw tijdens de bevalling.

De vogel zei: “Heb ik je niet gezegd dat je niet verdrietig moet zijn om iets wat je uit handen is geglipt? Nu de parel je is ontgaan, waarom blijf je dan zo jammeren?

Heb je mijn adviezen dan niet begrepen? Ik zei tegen je: geloof nooit wat iemand ook zegt als het onmogelijk is.

Mijn hele lichaam weegt nog geen drie dirham. Hoe zou er dan een parel van tien dirham in mijn buik kunnen zitten?”

Door deze woorden kwam de man enigszins tot zichzelf.

“Goed dan, vertel me nu je derde advies,” zei hij.

De vogel antwoordde: “Je hebt de eerste twee adviezen die ik je gaf zeker niet opgevolgd en toch vraag je mij om een derde advies. Iemand die raad geeft aan een slapend persoon, is als iemand die zaad zaait op dorre grond.

Een scheur die door domheid en onwetendheid is ontstaan, laat zich niet met een lap dichten.”

Daarop vloog de vogel weg.

VIJFDE DEEL VAN MASNAWĪ

De vier vogels die de weg versperren

Vier spirituele vogels die de weg versperren, hebben zich in het hart van de mens gevestigd. Wie een vriend van Allāh wil worden, moet hun koppen afhakken.

Zo worden de obstakels op de weg naar de waarheid weggenomen en wordt de weg van de rûh vrijgemaakt.

Deze vogels zijn de gans, de pauw, de kraai en de haan. Zij vertegenwoordigen vier eigenschappen die in de mens aanwezig zijn.

De gans staat voor de hebzucht van de mens.

De haan staat voor begeerte.

De pauw staat voor aanzien en zelfingenomenheid.

En door zijn eindeloze, nooit aflatende verlangens lijkt de mens op de kraai.

De leiding van een ongelovige, vraatzuchtige gast

Een aantal polytheïsten kwam tegen de avond naar de moskee van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij zeiden tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O sultan die de hele wereld geestelijk als gast ontvangt! Wij zijn deze nacht als jouw gasten gekomen.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen zijn metgezellen: “Verdeel de gasten onder jullie. Neem hen mee naar jullie huizen en bied hun gastvrijheid.”

Ieder van de metgezellen nam een gast mee naar huis. Onder hen was een grote, zwaarlijvige man, zo groot als een olifant. Niemand nodigde hem uit. Daarom nam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem zelf mee.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had zeven melkgevende geiten. De melk die van alle zeven geiten was gemolken, evenals al het brood dat op tafel stond, at en dronk deze enorme gast helemaal op. De vraatzuchtige man, die genoeg voedsel voor achttien mensen had gegeten, zwol op als een trommel. De huisgenoten werden hierdoor boos. Ze bleven allemaal met honger achter.

Uit woede sloot de bediende de deur van de kamer waarin de gast zich voor de nacht had teruggetrokken, van buitenaf af.

Midden in de nacht kreeg de gast aandrang en wilde hij naar buiten. Toen hij zijn hand naar de deur bracht, ontdekte hij dat deze van buitenaf met een ketting was afgesloten. Hoe hard hij ook probeerde, hij kreeg de deur niet open. De kamer begon voor hem steeds benauwder te worden. Uiteindelijk besloot hij te gaan slapen om zijn ellende te vergeten.

In zijn droom zag hij zichzelf in een vervallen en verlaten ruïne. Daar ontlastte hij zich.

Toen de ochtend aanbrak en hij wakker werd, zag hij de vervuiling op de plaats waar hij had geslapen. Hij schaamde zich diep en raakte volledig overstuur.

“Zelfs met aarde kan deze vuiligheid niet worden bedekt,” zei hij bij zichzelf.

Vol spanning wachtte hij tot de deur geopend zou worden. Zodra de deur openging, was hij van plan als een pijl naar buiten te schieten en weg te vluchten.

In de ochtend opende an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de deur van de kamer. Hij zorgde ervoor dat de man ongezien en vrijuit kon vertrekken.

Een onbeschaamd persoon bracht het bed dat door de gast was bevuild naar de aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij wilde daarmee als het ware zeggen: “Kijk eens wat uw gast heeft klaargemaakt.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), de Barmhartigheid voor de werelden, glimlachte en zei: “Breng mij een vat met water. Ik zal het bed zelf schoonmaken.”

Daarop sprongen de bedienden onmiddellijk op en zeiden: “Moge ons lichaam en onze ziel voor u worden opgeofferd!

Wij zijn er om u te dienen. Als u zelfs het dienen zelf doet, waarvoor zijn wij dan nog, o Rasûlullāh?”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik weet hoeveel jullie van mij houden, maar er is een wijsheid in het feit dat ik het zelf was.”

Toen de bedienden zich terugtrokken om het geheim achter deze handeling te ontdekken, begon an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het bed te wassen.

De ongelovige gast droeg een afgodsbeeld om zijn nek, dat hij als een talisman bij zich droeg. Toen hij merkte dat zijn afgodsbeeld verdwenen was, kwam hij terug en zei: “Ik moet het in de kamer hebben laten vallen.”

Hij zag zijn verloren afgodsbeeld in de kamer liggen. Precies op dat moment zag hij dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met zijn eigen handen het bed schoonmaakte dat hij zelf had bevuild.

Op dat moment vergat hij zijn afgodsbeeld volledig. Hij raakte in een staat van spirituele vervoering en begon zichzelf uit berouw te slaan. Hij sloeg zijn hoofd tegen deuren en muren, totdat het begon te bloeden.

Door de nederigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dreigde hij zijn verstand te verliezen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kreeg medelijden met hem. Hij riep hem bij zich en sprenkelde water in zijn gezicht.

Toen de man weer tot zichzelf kwam, zei hij onmiddellijk dat hij berouw wilde tonen en moslim wilde worden. Op aansporing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak hij:

لَا إِلٰهَ إِلَّا اللهُ، مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللهِ

“Lā ilāha illallāh, Muḥammadun Rasûlullāh.”: Er is geen godheid (die het recht heeft aanbeden te worden) behalve Allāh; Muḥammad is de Boodschapper van Allāh.

Daarmee trad hij de kring van het geloof binnen.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval hem die nacht opnieuw als gast te blijven.

De man, die pas moslim was geworden, zei: “Bij Allāh, waar ik ook ben en waar ik ook naartoe ga, ik zal voor altijd uw gast zijn. Ik was dood en u hebt mij tot leven gewekt.

Ik ben uw vrijgelaten slaaf. Vanaf nu ben ik uw huismeester/dienaar.”

Die avond kon de gast bij het eten slechts de helft drinken van de melk die van één geit was gemolken. Hij veegde zijn mond af en trok zich van de tafel terug.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem uitnodigde om verder te eten, antwoordde hij: “Ik ben niet van tafel weggegaan uit schaamte of om mij vroom voor te doen. Ik ben werkelijk meer verzadigd dan ik gisterenavond was.”

Alle huisgenoten stonden verbaasd over deze verandering bij de man.

[Wanneer de hebzucht van het ongeloof verdwenen is, raakt zelfs een draak verzadigd met het voedsel van een mier. Een enkele druppel olijfolie kan een enorme lamp vullen.

Voedsel dat genoeg is voor één vogel kan de buik van een olifant vullen.]

De murīd en de shaykh

Een murīd ging naar de tekke van een shaykh om hem van dienst te zijn.

Toen hij bij de shaykh kwam, zag hij dat deze huilde. De murīd kon zijn tranen evenmin bedwingen en begon ook te huilen.

Nadat hij geruime tijd had gehuild, vroeg hij de shaykh met gepaste eerbied om toestemming en ging naar buiten om de werkzaamheden van de tekke te verrichten. Een oprechte sûfî die zich in die bijeenkomst bevond, volgde hem en kwam bij hem.

Hij gaf de nieuw in de tekke gekomen murīd het volgende advies: “De toestand waarin jij je nu bevindt, is een weerspiegeling van de spirituele fayḍ (goddelijke uitstorting) van onze shaykh. Vergeet niet dat deze fayḍ niet van jou afkomstig is, maar van de shaykh.

O trouwe murīd! Het heeft nut voor jou om, in navolging van het huilen van de shaykh, als een wolk tranen te vergieten en hem daarin na te bootsen, maar alleen als je het verschil tussen jullie beiden kent.

Zeg vooral niet: ‘Zoals die koning van de wereld van de spirituele betekenis en die gids naar de leiding huilde, zo heb ik ook gehuild.’ Dat zou ongeloof betekenen. Je moet weten dat er nog een lange weg voor je ligt voordat je werkelijk zoals hij kunt huilen. Je dient daarnaar te handelen.

Om te kunnen huilen zoals hij, zul je misschien wel dertig jaar onopvallende riyāḍah (ascetische oefeningen) moeten verrichten. Nadat je zeeën vol krokodillen en bergen vol roofdieren bent overgestoken, zul je begrijpen wat het betekent om te huilen zoals de shaykh huilde.

Maar het is ook mogelijk dat je al deze inspanningen en moeilijkheden verdraagt en toch dat huilen niet bereikt. Als je die rang bereikt, dien je Allāhu Ta`ala zeer dankbaar te zijn en Hem uitvoerig te danken met de woorden: ‘De aarde werd mij getoond.’

Het gesprek van de papegaai

Om een papegaai te leren spreken, zetten ze een spiegel voor hem neer. Wanneer de vogel zijn eigen spiegelbeeld ziet, denkt hij dat het een andere papegaai is.

Iemand die zich achter de spiegel heeft verborgen, spreekt vervolgens met een duidelijke en mooie uitspraak de woorden uit die hij de papegaai wil leren. De papegaai denkt dat de papegaai die hij in de spiegel ziet deze woorden uitspreekt. Zo leert hij door de herhaalde woorden uit het hoofd te leren spreken.

De papegaai leert wel spreken, maar heeft geen besef van de betekenis van de woorden die hij uitspreekt.

De profeten zijn voor hun gemeenschappen als een spiegel, en de awliyāʾ zijn voor hun murīds als een spiegel. De profeet leert zijn gemeenschap de geboden van Allāh. De vriend van Allāh wijst de weg van de profeet. Zoals de papegaai die in de spiegel kijkt, begint de murīd zijn shaykh na te volgen.

De geestelijke meesters hebben dan ook gezegd: “Nabootsing is het begin van het bereiken van de werkelijkheid.”

Via de shaykh, die als een spiegel is van de werkelijkheden van het geloof, van goedheid en van schoonheid, bereikt de murīd volmaaktheid.

Degenen die de werkelijkheid niet bereiken, blijven echter nabootsers, zoals de papegaai die de betekenis van de woorden die hij uitspreekt niet kent.

De puppies die in de buik van hun moeder blaffen

Een darwish die zich in de ruimte voor spirituele afzondering bevond, zag in zijn droom een zwangere hond. Hij hoorde het geblaf van de puppies in de buik van de hond.

De darwish stond versteld van deze vreemde toestand. Hoe konden de puppies van een hond die nog in de buik van hun moeder zaten, blaffen?

Toen hij wakker werd, nam zijn verbazing nog verder toe. Op de plaats waar hij zijn spirituele afzondering doorbracht, was niemand aan wie hij deze droom kon laten uitleggen. Daarom zocht hij zijn toevlucht tot Allāhu Ta`ala. Hij zei: “Alleen Allāh kent de uitleg hiervan.” Vervolgens wendde hij zich tot zijn Rab en verrichtte du`ā’ tot Hem: “O mijn Rab, door de droom die ik heb gezien, ben ik verhinderd geraakt mijn dhikr te verrichten. U bent Degene die alle moeilijkheden gemakkelijk maakt”.

Op dat moment hoorde hij een stem uit het ongeziene: “Het spreken van onwetenden die zich over de tasawwuf uitlaten voordat zij de noodzakelijke geestelijke rijpheid hebben bereikt, is als het geblaf van puppies in de buik van hun moeder: even nutteloos als het geblaf van puppy voordat hij geboren is.

[Een sûfî behoort geen uitspraken te doen over spirituele toestanden voordat hij zich heeft bevrijd van de sluiers van zijn nafs en het oog van zijn hart is geopend.

De woorden van mensen die beweren kennis te bezitten en uitspraken doen voordat zij de volmaaktheid hebben bereikt, leiden degenen die naar hen luisteren niet naar het rechte pad en brengen hen niet tot de werkelijkheid.]

De zondaar die achterom kijkt terwijl hij naar de Hel wordt gebracht

Op de verzamelplaats op de Dag des Oordeels werd het oordeel over een zondige dienaar geveld. Zijn dadenregister werd hem van zijn linkerzijde gegeven. De engelen die op aarde over het welzijn van de dienaar waken, begonnen hier hem met duwen en trekken in de richting van de hel te slepen

Deze zondige dienaar werd bij iedere splitsing van de weg hoopvol en keek telkens weer achterom. Omdat hij niets kon doen om zichzelf te redden, liet hij zijn tranen stromen als herfstregen. Tegelijkertijd draaide hij zich telkens om en wendde zijn gezicht in de richting van Allāh.

Er kwam een bevel van Allāhu Ta`ala: “O zondige dienaar, bron van het kwaad! Met wat je hebt gedaan, heb je Mij gekwetst. Je hebt je dadenregister, gevuld met zonden, ontvangen en aangezien de vergelding voor jouw daden de Hel is, waarom loop je dan nog zo langzaam voort en kijk je telkens achterom?

Noch heb je smeekend ’s nachts ṣalāh verricht, noch vastte je overdag terwijl je je onthield van het verbodene en noche bewaakte je je tong. Ook heb je geen berouw getoond over het onrecht dat je hebt begaan. Wat bezit jij anders dan kwaad? Waarop hoop je nog?”

De zondige dienaar zei: “O Allāh, ik ben honderdmaal slechter dan wat U over mij hebt gezegd.

Wanneer ik achterom kijk, kijk ik niet naar mijn eigen daden, mijn oprechtheid, mijn ongehoorzaamheid, mijn zonden of mijn koppigheid. Ik kijk naar de onverdiende vergeving, de gunst en de edelmoedigheid van mijn Rab, Die mij het kleed van het bestaan heeft geschonken zonder daarvoor iets terug te verwachten en zonder dat ik daar enige aanspraak op had.

Al mijn hoop en mijn vertrouwen zijn gevestigd op die Gunstige, de Bezitter van deze gunst.”

Allāhu Ta`ala, zei: “O engelen! Breng hem opnieuw naar Mij. Het oog van het hart van deze dienaar is gericht op rajā (hoop) en niyāz (nederig verzoek). Laat hem, zonder naar zijn schulden te kijken, door Mij vergeven worden.”

[Wij leven in hoop en zuchten niet van wanhoop;

Wij verspillen het geloofskapitaal dat ons is gegeven niet. (Shaykh Ghālib)]

De laarzen en het schapenvacht van Ayāz

De Ghaznawidisch sultan Maḥmūd had een slaaf die Ayāz heette en bekendstond om zijn trouw en schoonheid.

Toen Ayāz aan het hof kwam, had hij zijn oude tjarık (leren schoeisel) en zijn post (schapenvacht) uitgedaan en deze in een lege kamer opgehangen. Vervolgens deed hij de deur van de kamer op slot. Hij liet niemand die kamer binnen.

Elke dag ging hij even naar zijn kamer. Terwijl hij keek naar het leren schoeisel en de schapenvacht die hij in zijn dorp had gedragen, zei hij tegen zichzelf: “Vergeet niet waar je vandaan komt. Laat je niet door hoogmoed beheersen. Kijk, dit zijn je oude schoenen en dit is je schapenvacht.”

De vijanden van Ayāz, die jaloers waren op de nabijheid en het vertrouwen dat de sultan in hem stelde, dienden een klacht tegen hem in: “Er is een afgesloten kamer van Ayāz. Daar bewaart hij kruiken vol goud, zijn zilver en alles wat hij heeft verzameld.”

Hoewel de sultan niet geloofde dat zoiets mogelijk was, werd ook hij nieuwsgierig naar wat zich in die kamer bevond. Hij zei tegen een van de edellieden die dit hadden beweerd:

“Ga vannacht rond middernacht naar die kamer, maak de deur open en ga naar binnen. Neem alles mee wat je vindt. Wat hij ook verborgen heeft, maak het aan iedereen bekend.”

Die edelman ging midden in de nacht samen met dertig betrouwbare mannen naar de kamer, terwijl zij fakkels droegen. Ze kwamen bij de deur en braken die met geweld open. Vervolgens stormden ze naar binnen.

De mannen die de kamer waren binnengegaan, keken overal om zich heen. Ze zagen niets anders dan een paar versleten leren schoenen en een oude schapenvacht.

“Hij heeft deze hier neergelegd om zijn schat te verbergen. Hij moet zijn goud ergens in de grond hebben begraven”, zeiden ze.

Met houwelen en schoppen groeven ze de hele kamer om. Ze haalden zelfs de vloer en het plafond open. Uiteindelijk vonden ze helemaal niets.

Beschaamd over wat ze hadden gezegd en gedaan, gingen ze naar de sultan.

De sultan verborg zijn ware gedachten en zei: “Welnu? Waar is het goud waarover jullie hebben gesproken? Jullie handen zijn leeg.”

De edelman die de opdracht had gekregen om de kamer te doorzoeken en zijn mannen wierpen zich vol schaamte en berouw voor de sultan ter aarde en zeiden: “O onze sultan! Als u ons bloed vergiet, is dat rechtvaardig; als u ons vergeeft, is dat uw edelmoedigheid.”

De sultan zei: “Houd op met mij te smeken en te jammeren. Ayāz zal over jullie oordeel vellen. Ga hem maar om genade vragen.”

Ayāz zei: “Mijn sultan, zolang de zon schijnt, heeft de ster geen macht.

Het bevel behoort aan onze sultan toe. Als ik afstand had kunnen doen van mijn oude schoenen en mijn schapenvacht, zouden deze mensen zich niet door afgunst hebben laten leiden. Als ik de deur niet op slot had gedaan, zouden zij niet in achterdocht zijn vervallen.”

Zo zag Ayāz de tekortkoming bij zichzelf en niet bij anderen.

Sultan Maḥmūd vergaf de edelman en zijn mannen dankzij de voorspraak van Ayāz.

[Het gevoel van aanzien en het verlangen naar een hoge positie maken een mens dronken. Ze nemen zijn verstand weg en verdrijven schaamte uit zijn hart. De gids van het gevoel van aanzien en het verlangen naar een hoge positie is de shayṭān. Want hij was de eerste die in de val van het verlangen naar status liep, toen hij zei: “Ādam kan niet boven mij staan.”

Zoals Ayāz, om niet in hoogmoed te vervallen, lering trok uit zijn oude schoenen en zijn schapenvacht, zo moet de mens niet vergeten dat hij uit aarde is geschapen.]

De beproeving van Sultan Maḥmūd met de parel

Ghaznawidisch Sultan Maḥmūd kwam op een moment dat alle staatslieden aanwezig waren de zaal binnen waar de diwan (bestuursraad) vergadering werd gehouden.

Hij haalde een parel uit zijn zak, legde deze in de handpalm van zijn vizier en vroeg:

“Wat voor soort parel is dit? Wat is de waarde ervan?”

De vizier antwoordde: “Hij is honderd ezelslading goud waard.”

Toen de sultan zei: “Breek de parel en stamp hem helemaal fijn”, antwoordde de vizier:

“Mijn sultan! Hoe zou ik deze parel kunnen breken? Ik wens slechts het goede voor uw bezit. Mijn hart kan er niet mee instemmen zo’n onbetaalbare parel verloren te laten gaan.”

Sultan Maḥmūd deed alsof hij deze houding van zijn vizier waardeerde en schonk hem een gewaad.

Na enige tijd over andere staatszaken te hebben gesproken, gaf de sultan de parel die hij van de vizier had teruggekregen aan de gordijnwachter van het paleis en vroeg hem:

“Als iemand deze parel zou willen kopen, wat zou dan de waarde ervan zijn?”

De gordijnwachter antwoordde: “Deze parel is evenveel waard als de helft van het land. Moge Allāh ons land tegen gevaren beschermen.”

De sultan zei: “Breek deze parel en maak hem helemaal stuk.”

De gordijnwachter antwoordde:

“O mijn sultan, wiens zwaard schittert als de zon! Het zou bijzonder jammer zijn deze parel te breken en in stukken te slaan. Ik kan dit niet over mijn hart verkrijgen. Want zoiets doen zou betekenen dat ik vijandig sta tegenover de schat van mijn sultan.”

De sultan deed alsof ook dit antwoord hem beviel. Ook hem schonk hij een gewaad en verhoogde zijn salaris. Hij prees hem om zijn verstand en inzicht.

Even later gaf hij de parel aan een amīr (bevelhebber). Ook hij gaf hetzelfde antwoord als de anderen.

Aan wie de sultan de parel ook gaf, iedereen sprak over de onschatbare waarde ervan. Vervolgens gaven zij de parel weer terug aan de sultan. De sultan beloonde hen allemaal rijkelijk.

Nadat de sultan veel van zijn mannen op deze wijze had beproefd, zei hij tegen zijn trouwe dienaar Ayāz: “Vertel jij mij ook wat de waarde is van deze parel, waarvan de schittering en schoonheid ongeëvenaard is.”

Ayāz antwoordde: “Mijn sultan, de waarde van deze parel is groter dan wat ik daarover zou kunnen zeggen.”

De sultan zei: “Breek deze parel dan, sla hem aan stukken en maak hem tot stof.”

Zonder ook maar enige aarzeling brak Ayāz de schitterende parel en maakte hem volledig aan stukken.

De andere edellieden maakten bezwaar tegen het feit dat Ayāz de parel had vernietigd. Zij bestempelden zijn gedrag als roekeloosheid.

Zij beseften echter niet dat zij, verblind door de waarde van de parel, het bevel van de sultan hadden geschonden, terwijl dat bevel waardevoller was dan de parel zelf.

Ayāz zei: “O mijn eerbiedwaardige heren! Wat is waardevoller: het bevel van de sultan of de parel? De schoonheid en waarde van de parel hebben jullie verblind. Daardoor konden jullie de sultan niet meer zien. Ik wend mijn ogen niet van mijn sultan af. Hoe waardevol iets ook is, ik zal geen steen laten delen in mijn liefde voor hem.”

Even later gaf de sultan met een stem die de koepels deed weergalmen zijn bevel aan de oude beul: “Verwijder deze verachtelijke mensen uit mijn tegenwoordigheid. Zij zijn hun posities niet waardig. Wie mijn bevel overtreedt ter wille van een stuk steen, is zijn positie niet waardig.”

Op bevel van de sultan haastte Ayāz zich naar de troon. Hij kuste de zoom van het gewaad van de sultan en smeekte om vergeving voor de edellieden.

Omwille van Ayāz vergaf de sultan de schuldigen.

[Werp het rozekleurige speelgoed achter je.

Denk aan Degene Die het kleur geeft en kom tot jezelf.

Ga de beek in en sla de kruik tegen de steen aan.

Geef geur en kleur aan het vuur.

Als je geen struikelblok bent op de weg naar Allāh, laat je dan niet, zoals vrouwen, door kleur en geur verleiden.]

Je doet de geliefde pijn

Majnûn werd plotseling ziek door het verdriet om de scheiding (met Laylâ). Zijn keel raakte verstopt. Men liet een arts komen om hem te behandelen. Nadat de arts Majnûn had onderzocht, zei hij: “Hij moet ḥijāmah (cuppingtherapie) ondergaan om het slechte bloed te laten afnemen.”

Meteen werd er iemand geroepen die ḥijāmah verrichtte. Hij bond Majnûns arm vast om bloed af te nemen. Juist toen hij met zijn lancet wilde snijden, slaakte Majnûn een kreet en zei: “Neem je geld en ga weg. Stop met bloed aftappen. Als ik sterf, laat mij dan maar aan dit verdriet sterven.”

De man die de ḥijāmah verrichtte zei: “Hoewel je zelfs voor een brullende leeuw niet bang bent, waarom ben je hier dan bang voor? Ik weet dat er ’s nachts allerlei wilde dieren om je heen samenkomen.”

Majnûn antwoordde: “Ik ben niet bang voor de wond die jij zult maken. Mijn geduld en mijn uithoudingsvermogen zijn groter dan bergen. Maar omdat mijn hele lichaam gevuld is met Laylâ, ben ik bang dat haar iets wordt aangedaan. Mensen wier hart waakzaam is, weten dat er tussen Laylâ en mij geen verschil bestaat.”

Daarom liet hij geen bloed bij zich aftappen.

[In mijn bestaan is niets anders overgebleven dan een naam.

O mijn schone geliefde, in mijn lichaam bestaat niets anders dan jij.

Daarom ben ik in jou verdwenen zoals azijn en honing in de zee verdwijnen.]

De oprechte tawbah an-naṣûḥ (oprecht berouw)

Er was eens een man die Naṣûḥ heette. Hij verborg zijn mannelijkheid en verdiende zijn brood als dallāk (badhuismedewerker) in een vrouwenbad. Zijn gezicht leek op dat van een vrouw. Omdat hij geen baard had, had hij ook geen gezichtshaar. Maar zijn begeerte was zeer sterk.

Naṣûḥ werkte jarenlang als dallāk en niemand merkte dat hij een man was. Hij droeg een tjarshaf (een ruim, meestal lang kledingstuk waarmee het lichaam en vaak ook het hoofd worden bedekt) en bedekte zijn gezicht met een sluier.

Vanwege de hevigheid van zijn begeerte wilde hij zijn werk in het badhuis niet opgeven. Zelfs de dochters van de sultans waste en masseerde hij.

Hij wist dat wat hij deed verkeerd was. Van tijd tot tijd toonde hij berouw en wilde hij met dit werk stoppen. Maar door de sterke begeerte van zijn ongelovige nafs naar vrouwen kon hij zich niet aan zijn tawbah (berouw) houden.

Op een dag ging hij naar een vriend van Allāh en smeekte hem: “Denk ook aan mij in uw adʿiyah (smeekbeden).”

Deze ʿārif kende zijn toestand. Hij onthulde zijn geheim echter niet. Hij glimlachte op vreemde wijze en verrichtte du`ā’ in zijn hart: “Moge Allāh jou, o slechtgeaarde en slechtgeschapen mens, tawbah schenken voor wat je doet.”

Op een dag, terwijl Naṣûḥ in het badhuis water uit een kom over iemand heen goot, raakte een kostbaar juweel van een van de dochters van de sultan zoek.

Het juweel, een van de ringen van haar oorbel, was buitengewoon kostbaar. De deuren van het badhuis werden stevig gesloten. De vrouwen in het badhuis werden doorzocht, evenals hun bundels en kleding. Ondanks het doorzoeken van al hun bezittingen werd het juweel niet gevonden.

Daarop hield men op met het oppervlakkig doorzoeken van de spullen en begon men iedereen grondig te onderzoeken. Ze doorzochten zelfs hun mond, oren en ieder deel van hun lichaam.

Iemand riep: “Laat iedereen, jong en oud, zich volledig uitkleden!”

De dienaressen van de dochter van de sultan doorzochten iedereen één voor één om het kostbare juweel te vinden.

Naṣûḥ trok zich uit angst terug naar een afgelegen plek. Zijn gezicht was bleek geworden en zijn lippen trilden. Als zijn geheim aan het licht zou komen, betekende dat zijn dood. De angst voor de dood had hem volledig in zijn greep.

Hij zei bij zichzelf: “O Allāh! Ik heb vele malen tawbah verricht en beloofd mijn gedrag te veranderen, maar telkens heb ik mijn belofte gebroken. Ik kon mij niet aan mijn tawbah houden. Als U mij uit deze beproeving en deze vernedering redt, beloof ik U dat ik dit nooit meer zal doen.”

Iedereen in het badhuis was inmiddels doorzocht. Nu was Naṣûḥ aan de beurt.

Toen de dienares zei: “O Naṣûḥ! We hebben iedereen doorzocht. Nu ben jij aan de beurt. Kom hier.”

Naṣûḥ raakte buiten bewustzijn. Het was alsof zijn rûh uit zijn lichaam vloog. Hij verloor volledig zijn verstand en zijn armen en benen werden slap.

Toen zijn bestaan als het ware leeg was geworden, kwam de hulp van Allāh.

Op dat moment klonk de stem: “Het juweel is gevonden!”

Men zag af van het doorzoeken van Naṣûḥ. Omdat het juweel was gevonden, vierde iedereen feest en weerklonken vreugdekreten onder de koepel van het badhuis.

Naṣûḥ kwam weer bij bewustzijn. Sommigen kwamen naar hem toe en zeiden: “Omdat jij dichter bij de dochters van de sultan stond dan wie van ons ook, verdachten we jou het meest en koesterden we verdenking jegens jou. Vergeef ons.”

Naṣûḥ zei: “Het is niet nodig dat jullie mij om vergiffenis vragen of jullie excuses aanbieden. Want ik ben de grootste zondaar onder alle mensen die op deze wereld leven.”

Daarna wendde hij zich tot Allāhu Ta`ala, en sprak zijn dankbaarheid uit: “O mijn Rab! Alle lof en dank aan U. U hebt mij plotseling uit mijn verdriet gered. Zelfs als ieder haartje op mijn lichaam een tong zou hebben en U daarmee zou danken, zou ik U nog steeds niet voldoende kunnen danken.”

Kort daarna kwam een dienares naar Naṣûḥ en zei: “De dochter van onze sultan laat weten dat zij jou wil spreken en heeft je laten roepen. Je weet dat zij niemand anders dan jou als tellak wil hebben.”

Naṣûḥ antwoordde: “Ik ben zelfs niet in staat mijn hand op te tillen. Zeg dat ik ziek ben. Ga snel iemand anders zoeken.”

Naṣûḥ zei bij zichzelf: “Ik ben eenmaal gestorven, vervolgens opnieuw tot leven gekomen en opnieuw op deze wereld gekomen. Hoe zou ik die angst en die pijn uit mijn hart kunnen vergeten? Zolang mijn rûh mijn lichaam niet verlaat, zal ik mijn tawbah niet verbreken.”

Hij verliet het badhuis en ging weg. Vanaf dat moment kwam hij nooit meer terug op zijn tawbah.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ تُوبُوٓاْ إِلَى ٱللَّهِ تَوۡبَةٗ نَّصُوحًا

O jullie die geloven, keer jullie in oprecht berouw tot Allah (tawbah an-naṣûḥ…(at-Taḥrîm, 66:8)

De ezel in de stal van de sultan

Een arme waterdrager had een magere ezel. Op de rug van de ezel waren door het dragen van zware lasten honderden wonden ontstaan. Van gerst als voedsel was al helemaal geen sprake; zelfs droog hooi kon hij niet vinden. De ezel was er ellendig aan toe door de honger, de zware lasten en de manier waarop zijn eigenaar hem met een ijzeren stok aanspoorde.

De waterdrager kende de imrahor (de opzichter over de stallen en paarden van de sultan). Op een dag kwamen zij elkaar tegen en de imrahor vroeg hem: “Wat is er toch met deze ezel gebeurd? Hij zal bijna van vermagering sterven.”

De waterdrager antwoordde: “Mijn beste vriend, je kent mijn armoede. Ik kan voor dat arme dier niet eens hooi vinden om het te voeren.”

De imrahor zei: “Geef mij de ezel een paar dagen. Laat hem in de stal van de sultan gevoerd worden, zodat hij weer op krachten kan komen.”

De waterdrager gaf zijn ezel graag aan zijn barmhartige vriend. Ze brachten de ezel naar de stal van de sultan en bonden hem daar vast.

Om hem heen stonden goed doorvoede, sterke, prachtige en jonge Arabische paarden. Zelfs de plaatsen waar zij hun hoeven neerzetten, werden zorgvuldig schoongehouden. Gerst en hooi stonden precies op tijd voor hen klaar.

Toen de ezel zag hoe de paarden met roskammen werden verzorgd, geborsteld en schoongemaakt, kon hij zich niet langer bedwingen en klaagde: “O mijn grote Allāh! Ik ben slechts een ezel, maar U hebt ook mij geschapen. Waarom ben ik er dan zo ellendig aan toe? Mijn hele lichaam zit onder de wonden. Door gebrek aan verzorging zal ik sterven. Kijk eens naar hun toestand en kijk dan naar mij. Is deze kwelling, deze beproeving, dan alleen voor mij bestemd?”

Kort daarna klonk het geluid van de oorlogstrompet. De Arabische paarden werden gezadeld en hun singels werden strak aangetrokken. Alle paarden werden naar het slagveld gebracht.

Toen de paarden na de strijd terugkeerden, kwamen de prachtige dieren uitgeput en gehavend de stal binnen en stortten op de grond neer. Hun lichamen zaten overal onder de wonden. De pijlpunten waarmee zij in de strijd waren getroffen, staken nog in hun lichamen.

De hoefsmeden kwamen en bonden de poten van de paarden stevig vast. Vervolgens begonnen zij met scherpe messen de wonden verder open te snijden om de pijlpunten eruit te halen.

Toen de ezel dit zag, zei hij: “O mijn Rab! Ik ben tevreden met mijn armoede en mijn gezondheid. Ik wil noch dat heerlijke voedsel, noch die afschuwelijke wonden.”

Zo dankte hij Allāh voor de toestand waarin hij verkeerde.

[In dit verhaal staat de ezel voor mensen die niet tevreden zijn met hun eigen toestand, hun ogen richten op degenen die het beter hebben dan zij en in afgunst leven.

Wie verlossing verlangt, laat de wereld achter zich en leeft met qanāʿah (tevredenheid met wat Allāh hem heeft geschonken).

De ezel en de vos

Een boer had een magere ezel met een gewonde rug en een lege maag. Dag en nacht zwierf hij rond tussen kale rotsen, waar geen gras groeide en geen voer te vinden was. Er was daar niets anders dan water om te drinken.

In een nabijgelegen bos leefde een leeuw die zijn leven wijdde aan de jacht. Hij was gewond geraakt tijdens een gevecht met een mannetjesolifant en was daardoor verzwakt. Hij kon niet meer opstaan en op jacht gaan. Omdat hij niet kon jagen, bleven ook de andere dieren die zich met zijn restjes voedden hongerig.

Op een dag riep de leeuw de vos bij zich en zei: “Je ziet hoe het met mij gesteld is. Ik kan niet jagen. Ga jij naar de weiden en kijk eens rond. Is er een ezel, een os of een ander dier? Betover hem desnoods of misleid hem met je mooie woorden. Breng het dier dat je vindt hierheen. Als ik door hem weer op krachten kom, kan ik daarna op ander wild jagen en daarmee jullie buiken vullen.”

De vos antwoordde: “Uw bevel is mij een eer. List en sluwheid zijn mijn vak.”

Daarna daalde hij van de berg naar het dal af. Op de rotsachtige hellingen zag hij de ezel van de boer rondlopen.

Hij gaf hem vriendelijk de salām en ging naast hem staan.

“Hoe komt het dat je op deze kurkdroge, rotsachtige en dorre plek verblijft?”

De ezel antwoordde: “De Schepper heeft mijn rizq (levensonderhoud) hier voor mij beschikt. Aangezien Hij Degene is Die ons rizq verdeelt, rest ons niets anders dan geduld te hebben en dankbaar te zijn.”

De vos zei: “Het is een verplichting om het bevel van de Schepper te gehoorzamen en op zoek te gaan naar ḥalāl rizq. De sleutel tot het slot van de rizq is inspanning. Dat Allāh geeft zonder dat iemand zich inspant, behoort niet tot Zijn gewoonte.”

De ezel antwoordde: “Wat jij beschrijft, is de toestand van mensen wier tawakkul (vertrouwen op Allāh) zwak is. Wie volledig op Allāh vertrouwt, weet dat Degene Die het leven geeft ook het brood zal geven.”

De vos zei: “Het is maar aan heel weinig schepselen gegeven om zo’n tawakkul te bereiken. Ook voortdurend bezig zijn met iets waarvan maar weinig voorhanden is, getuigt van onwetendheid.”

De ezel antwoordde: “Ook als je niet achter je rizq aanrent, zal het jou vinden. Maar als jij erachteraan rent, kan het allerlei ellende over je brengen.”

De vos zei: “Laat deze verhalen toch achter je en grijp een kans om iets te verdienen.”

De ezel antwoordde: “Ik ken geen betere verdienste dan tawakkul op Allāh.”

De vos zei: “Allāh heeft de aarde ruim geschapen. Het is niet verstandig om op zulke dorre en rotsachtige plaatsen geduldig te blijven. Boven ons zijn weiden zo groen als het Paradijs, zo uitgestrekt dat kamelen erin verdwijnen. Overal stromen bronnen met heerlijk drinkwater.”

Toen de ezel over de weiden hoorde, vergat hij alles wat hij wist. Hij volgde de vos en ging het bos in.

Toen de leeuw zag dat de vos samen met een ezel aankwam, vergat hij door zijn ongeduld vanwege de honger zijn ziekte. Hij brulde vol begeerte.

De ezel schrok en vluchtte terug in de richting van de rotsachtige plaats waar hij eerder had verbleven.

De vos ging naar de leeuw toe en zei: “Ach, mijn heer! Waarom hebt u gebruld voordat hij bij u was? U hebt de ezel laten schrikken en hem laten vluchten.”

De leeuw kreeg spijt van zijn ongeduldige gedrag.

“Neem het me niet kwalijk. Door de honger had ik geen geduld meer en verloor ik mijn verstand. Als het mogelijk is, breng hem dan nog één keer hierheen. Jij beschikt over vele listen. Ik beloof je dat ik deze keer voorzichtig zal zijn. Ik zal niet bewegen totdat hij binnen mijn bereik is. Ik zal doen alsof ik slaap.”

De vos ging zonder tijd te verliezen opnieuw naar de ezel.

Zodra de ezel de vos zag, zei hij: “Dat iemand zoals jij mijn vriend wordt, moge dat nooit gebeuren! Wat heb ik jou aangedaan dat je mij als voedsel aan de leeuw wilde geven?”

De vos zei: “Wat jij voor een leeuw hield, was slechts een betovering. Als die plaats niet betoverd was, zouden alle dieren erop afkomen en hem plunderen. Als er geen talisman over die plek lag, zouden hongerige olifanten deze vlakte dan niet helemaal kaal eten?

Ik stond op het punt je te waarschuwen met de woorden: ‘Als je iets angstaanjagends ziet, wees dan vooral niet bang.’ Maar toen gebeurde dit allemaal.”

De ezel zei: “Wat ben jij toch een slechte vriend! Je gaat me opnieuw bedriegen en als voedsel aan de leeuw geven.”

De vos antwoordde: “Ik heb in mijn hart geen enkele slechte gedachte tegenover jou. Waarom zou ik jou bedriegen? Vrienden vergeven elkaar. Handel niet verkeerd vanwege je achterdocht!

Kom, laten we zo snel mogelijk de weiden bereiken en je honger stillen.”

De vos bleef aandringen.

De ezel had enorme honger. De gedachte aan het verse, groene gras benevelde zijn verstand. Gedreven door zijn verlangen om zijn buik te vullen, volgde hij de vos.

Toen de ezel tot vlak bij hem was gekomen, wierp de leeuw zich in één sprong op hem, trok hem onder zich en verscheurde hem.

Nadat hij zijn buik had gevuld, ging de leeuw naar de bron om water te drinken.

De vos maakte gebruik van zijn afwezigheid en at de lever en het hart van de ezel op.

Toen de leeuw terugkwam, zocht hij het hart en de lever van de ezel. Toen hij ze niet kon vinden, vroeg hij de vos: “Waar zijn zijn hart en zijn lever?”

De vos antwoordde: “Mijn heer! Als hij een hart en een lever had gehad, zou hij dan, nadat hij de eerste keer zo bang was geworden, voor de tweede keer naar deze val zijn gekomen?”

Zo wist de vos de leeuw ervan te overtuigen dat de ezel geen hart en lever had gehad.

[Mawlānā legt in dit lange verhaal, door de mond van de dieren, verschillende onderwerpen uit, zoals rizq, tawakkul, geduld en hebzucht.

Een andere uitleg van het verhaal verwoordt hij in de volgende versregels:

“De Quṭb is als een leeuw; zijn taak is te jagen.

Het volk voedt zich met wat hij achterlaat.

Probeer, voor zover je kunt, de Quṭb tevreden te stellen, zodat hij sterker wordt, op wilde dieren kan jagen en het volk zich ermee kan voeden.”

Wanneer hij zich door inspanning vermoeit en gekwetst raakt, blijft het volk zonder voedsel achter. Want de rizqvan het volk komt tot stand door de hulp van het verstand.

De spirituele rizq van de mensen, de voeding van het hart en hun jazbah (een plotselinge, krachtige geestelijke aantrekking tot Allāh) zijn wat hij achterlaat.

Als jouw hart op jacht wil gaan, moet je dit voor ogen houden en erover nadenken.

De Quṭb is als het verstand, terwijl het volk is als de ledematen van het lichaam. De opvoeding en besturing van het lichaam vinden plaats door middel van het verstand.

Als je hem helpt, komt die hulp jou ten goede en ontwikkelt zij jou; zij verandert hem niet.

Allāhu Ta`ala, heeft gezegd:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِن تَنصُرُواْ ٱللَّهَ يَنصُرۡكُمۡ وَيُثَبِّتۡ أَقۡدَامَكُمۡ ٧

O, jullie die geloven! Als jullie hulp bieden (voor de zaak van) Allah, dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig (op het slagveld) plaatsen. (Muḥammad, 47:7)

De schapenhuid (post) gaat verloren

Een man rende uit alle macht een huis binnen. Hij was buiten adem. Zijn gezicht was bleek geworden en hij beefde van angst.

De eigenaar van het huis vroeg nieuwsgierig: “Wat is er aan de hand? Wat is er met je? Je beeft als een oude man.”

De man antwoordde: “Ze verzamelen alle ezels uit de straten om de wrede sultan te vermaken.”

De eigenaar van het huis zei: “Wat heb jij daarmee te maken? Jij bent toch geen ezel! Waarom maak je je daar zo druk om?”

De man antwoordde: “Ja, ik ben geen ezel, dat weet ik ook. Maar de mannen van de sultan zijn zo fanatiek met deze opdracht bezig en gaan er zo in op, dat tegen de tijd dat ik hun heb uitgelegd dat ik geen ezel ben, mijn huid al verloren zal zijn.”

Hij dacht dat hij zich door zich in dat huis te verbergen, zou kunnen redden.

[Als wij werkelijk mens kunnen zijn, hoeven we niet bang of bezorgd te zijn voor degenen die ezels vangen. De waarde van het mens-zijn is verheven boven de hemel, ja zelfs boven de sterren. Als wij ons niet inspannen om deze weg te bewandelen, hoe ellendig is dan onze toestand en hoe pijnlijke bestraffingen staan ons te wachten!

Het tawakkul van de zāhid

Een zāhid hoorde de volgende ḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):

“Zoals jij op zoek gaat naar je rizq (levensonderhoud), zo gaat jouw rizq ook naar jou op zoek.”

Hij besloot de betekenis ervan te begrijpen.

Om ervoor te zorgen dat zijn rizq hem zou vinden, trok hij zich terug uit de stad en van de plaatsen waar mensen langskwamen. Hij ging aan de voet van een berg in de woestijn liggen, op een plaats waar niemand zou komen, en viel in slaap.

Hij zei bij zichzelf: “Laten we eens kijken hoe mijn rizq naar mij zal komen.”

Na enige tijd kwam een verdwaalde karavaan bij die berg aan. De mensen van de karavaan zagen de zāhid liggen.

Ze zeiden: “Waarom zou deze man hier liggen, op een plaats waar niemand komt? Is hij niet bang voor wolven of rovers? Is hij dood of leeft hij? Laten we eens kijken.”

Ze gingen naar de zāhid toe en voelden aan verschillende delen van zijn lichaam. De zāhid deed alsof hij niets merkte. Hij opende zelfs zijn ogen niet. Hij ging door met zijn beproeving.

De mensen van de karavaan dachten dat de zāhid honger had en brachten hem een stuk brood en wat eten.

Om zijn beproeving nog krachtiger te maken, klemde de zāhid zijn tanden stevig op elkaar.

Hoe zou zijn rizq anders bij hem komen?

De mensen van de karavaan dachten dat zijn tanden door de honger stevig op elkaar geklemd waren. Daarom openden zij met een mes zijn mond, goten er voedsel in en stopten er brood in.

De hond van de bedoeïen

Een bedoeïen huilde en jammerde terwijl de tranen als regen uit zijn ogen stroomden. Steeds weer sloeg hij zich op het hoofd en riep: “Ach, wat is mij toch overkomen!”

Een bedelaar die daar langskwam, vroeg: “Waarom huil je? Wat is de reden van je gejammer?”

De bedoeïen antwoordde: “Mijn goedgeaarde en waardevolle hond is ziek geworden en ligt op sterven. Ik weet niet wat ik zonder hem moet beginnen. Overdag ging hij mee op jacht en ’s nachts hield hij de wacht. Met zijn scherpe ogen ving hij zijn prooi en met zijn scherpe tanden joeg hij dieven weg.”

De bedelaar vroeg: “Wat mankeert hem? Is er geen behandeling voor?”

De bedoeïen antwoordde: “De arme hond is door de honger sterk vermagerd en ziek geworden.”

De bedelaar zei: “Voor deze ziekte is geduld nodig. Allāh beloont degenen die geduldig zijn.”

De tas die de bedoeïen in zijn hand hield, trok de aandacht van de bedelaar.

“Wat zit er in die tas?” vroeg hij.

De bedoeïen antwoordde: “Er zit brood in dat van gisteravond is overgebleven, en mijn proviand. Om vandaag niet ziek te worden van de honger, zal ik dat ook opeten.”

De bedelaar vroeg: “Waarom laat je de hond dan verhongeren en geef je hem niet een stukje brood?”

De bedoeïen antwoordde: “Brood moet je met geld kopen, maar tranen zijn gratis.”

De bedelaar werd boos en zei: “O onverstandige man! Moge je onder de aarde verdwijnen. Zijn tranen soms helemaal niets waard?”

Daarop liep hij bij de bedoeïen vandaan.

[De oorsprong van tranen is bloed. Door verdriet wordt het water.

Zou men voor brood dat uit aarde is geschapen ooit bloed op de grond vergieten?

Maar zoals de bedoeïen zelf waardeloos was, zo waren ook zijn tranen waardeloos.

De waarde van tranen komt aan het licht wanneer de ware dienaren van Allāh, die hun bestaan volledig aan Allāh hebben toegewijd, huilen.

Want wanneer zij huilen, huilt ook de hemel. Wanneer zij hun nood uitschreeuwen, schreeuwt ook de hemel het uit.]

De gazelle in de stal

Een jager had een sierlijke gazelle gevangen en sloot haar op in de stal in zijn tuin, die vol stond met ossen en ezels. De gazelle bleef angstig heen en weer vluchten.

Midden in de nacht kwam de jager naar de stal, vulde de voederbakken met stro en vertrok weer. De ossen en ezels aten het stro dat voor hen was neergelegd alsof het suiker was. De gazelle had last van het stof en de rook die zij veroorzaakten en wendde haar gezicht steeds naar links en rechts.

Toen de ezels hun buik vol hadden, begonnen zij de gazelle uit te lachen. Een van de ezels zei: “Gazellen hebben het karakter van sultans en heren. Wees alstublieft stil en stoor de gazelle niet.”

Een andere ezel maakte spottend opmerkingen over de manier waarop de gazelle angstig rondliep: “Moet je haar zien! Ze heeft zeker een parel gevonden. Zou ze die goedkoop verkopen?”

Een andere ezel zei: “Zeg haar dat ze met zoveel verfijning niet in onze stal moet gaan zitten, maar naar de troon van de sultan moet gaan.”

Een van de ezels had zoveel stro gegeten dat zijn maag ervan was verzuurd. Al boerend nodigde hij de gazelle uit om ook stro te eten. De gazelle wendde haar hoofd af en zei:

“O ezel! Ik heb geen eetlust. Ga jij maar door met eten.”

De ezel zei: “Ja, ik zie het aan je. Je doet zeker erg kieskeurig of je bent verlegen en terughoudend.”

De gazelle zei: “Jij eet stro en hebt daar baat bij. Ik ben een vriend van de weiden en het gras. Ik voed mij in wijngaarden en tuinen en drink mijn water uit heldere bronnen. Mijn lot heeft mij aan een kwelling onderworpen. Zou ik, alleen omdat mij een beproeving is overkomen, mijn mooie aard veranderen? Hoe kun je iemand die zelfs hyacinten, tulpen en basilicum met duizend verfijningen eet, stro aanbieden?”

De ezel antwoordde alsof hij wilde zeggen: “Vertel mij geen sprookjes.”

“Vertel maar, vertel maar! In vreemde landen worden zulke loze woorden vaak gesproken.”

Daarmee maakte hij de sierlijke gazelle nog verdrietiger.

De gazelle zei: “De muskusgeur van mijn navel is mijn getuige. Maar waar hebben jullie de neus die deze geur kan ruiken? Voor jullie, die geen andere geur kennen dan die van elkaars vuil, is de geur van muskus toch al verboden.”

[De toestand van de oprechte dienaar die zich in deze wereld bevindt tussen mensen die gevangen zijn in hun nafs, verslaafd zijn aan begeerten en geen ander doel hebben dan het verzamelen van wereldse bezittingen, is gelijk aan de toestand van de gazelle die in een stal tussen ossen en ezels verblijft.

Wanneer je een mens samenbrengt met iemand die zijn volkomen tegenpool is, onderwerp je hem aan de kwelling van de dood.]

De gewonde ezel

Als men een doek om de wond van een gewonde ezel bindt en die doek aan de wond vastkleeft, en men vervolgens probeert de doek los te trekken, zal de ezel van de pijn onrustig worden en beginnen te schoppen. Denk vooral eens aan het lostrekken van ieder stukje doek dat aan de wond is vastgekleefd. Wat een enorme kwelling is dat voor de ezel!

De hebzucht van de mens naar deze wereld lijkt eveneens op een wond. De bezittingen, eigendommen, huizen en spullen die hij in deze wereld heeft verworven, zijn als stukjes doek die aan de wond vastkleven.

Hoe groter iemands hebzucht, des te groter zijn wond. En hoe groter de wond, des te meer stukjes doek hij moet losmaken om ervan bevrijd te worden.

Omdat de mensen zich aan hun bezittingen hebben vastgeklampt, doet het pijn wanneer zij deze woorden horen.

De mens daarentegen, als hij zijn hart niet onthoudt aan de Schoonheid die hem zijn rūḥ heeft geschonken, zal op het donkerbruine, edele paard rijden. Als hij zich niet afkeert van de verheven awliyāʾ die vrienden van Allāhu Ta`ala zijn, zal hij zich bevrijden van de boeien om zijn hart en voeten en zijn vrijheid terugkrijgen.

[O mens, die jezelf in deze wereld hebt ondergedompeld in materiële genoegens! Sluit je oren niet voor de woorden van de awliyāʾ die de rūḥ tot leven wekken. Wat zij verkondigen is geen sprookje, maar de waarheid. In hun woorden schuilt leven, in hun woorden schuilt liefde, in hun woorden ligt verlossing.

Zij bevrijden je van je toestand als een gewonde ezel en laten je opstijgen op het paard van de goddelijke liefde. Zij reinigen je van de vuiligheid van je zonden en voeren je naar het land van gelukzaligheid, tot in de nabijheid van Allāhu Ta`ala.]

De verovering van de stad Sabzawār

Sultan Muḥammad Khwārazamshāh besloot de stad Sabzawār, waarvan de inwoners er valse geloofsovertuigingen op nahielden, te veroveren.

De legers van de sultan belegerden Sabzawār. Korte tijd later veroverde hij de stad, nadat degenen die weerstand boden met het zwaard waren gedood. De inwoners van de stad kwamen voor de sultan en wierpen zich ter aarde.

“Doe een oorbel in ons oor, zodat wij u slaaf worden. Als u ons leven maar spaart. Wij zullen onze belasting betalen zoals u dat wenst,” smeekten zij om genade.

De sultan zei: “O mensen die van de Waarheid zijn losgeraakt en het valse pad zijn ingeslagen! Ik vraag jullie niet om geld of goud. Voordat jullie mij iemand uit deze stad brengen die Abū Bakr heet, zal ik noch jullie belasting aannemen, noch naar jullie sprookjes luisteren. Als jullie mijn verzoek niet inwilligen, zal ik jullie allemaal neermaaien zoals men een akker oogst.”

De inwoners riepen jammerend: “O verheven sultan! Zoals er in een rivierbedding geen droge leemsteen kan liggen, zo is er in deze stad niemand die Abū Bakr heet.”

De sultan dacht dat zij zo handelden om de onderhandeling op gang te brengen. Daarom brachten zij een zak met goud en stortten die voor hem uit.

De sultan werd woedend en zei: “Wel, Rāfiḍieten (een shiitische secte)! Denken jullie dat ik een kind ben dat met goud en zilver kan worden omgekocht? Voordat jullie mij iemand die Abū Bakr heet als geschenk brengen, hebben jullie geen enkele kans om aan de dood te ontsnappen.”

Daarop lieten zij in de stad een omroeper rondgaan. Zij stuurden mannen naar alle hoeken van de stad. Na drie dagen en drie nachten zoeken en speuren vonden zij in een vervallen ruïne een man die Abū Bakr heette en daar ziek en verwaarloosd lag.

Deze zieke en armzalige man was een reiziger die door de stad trok. Omdat hij ziek was geworden, moest hij noodgedwongen halt gehouden. Uitgeput en totaal verzwakt had hij zijn toevlucht gezocht in deze ruïne.

Zodra zij hem zagen, zeiden zij: “Kom, snel! De sultan wil je zien. Dankzij jou zal de hele stad aan het zwaard ontkomen. Kom, laten we gaan.”

De arme reiziger zei vanuit de plaats waar hij lag: “Als ik de kracht had, zou ik zelf verdergaan naar de plaats waar ik naartoe moet. Ik zou mijn geliefde vrienden bereiken.”

Onmiddellijk maakten zij een brancard, legden de zieke man erop en brachten hem met dragers voor de sultan. Zo werd ook de bevolking van Sabzawār van het zwaard gered.

[In werkelijkheid lijkt deze wereld op de stad Sabzawār.

Hier wordt de waarde van een vriend van Allāh niet erkend. Sterker nog, men ziet hem als een krankzinnige die geen verstand heeft. Terwijl een vriend van Allāh juist de goddelijke barmhartigheid aantrekt naar de plaats waar hij zich bevindt. Rabu’l-ʿĀlamīn maakt Zijn vriend tot een middel waardoor Hij leiding schenkt aan de mensen voor wie Hij leiding heeft gewenst.]

Drie reisgenoten

Een mens heeft gedurende zijn leven drie belangrijke vrienden. Slechts één van hen is trouw. De andere twee zijn meedogenloos en deinzen er niet voor terug hem kwaad te doen.

Een van deze drie vrienden is het geld en bezit waaraan je zoveel waarde hecht. De andere zijn je broeders en metgezellen. Je derde vriend zijn de goede daden en aanbiddingen die je verricht.

Op de dag dat je sterft, laat je bezit je alleen achter. Het verlaat je huis en begeleidt je niet eens tot aan de begraafplaats.

Je dierbare vrienden komen hooguit tot aan je graf. Zelfs daar kunnen ze maar moeilijk een beetje blijven. Ze haasten zich om zo snel mogelijk te vertrekken.

Degene die je trouw blijft en je in het graf en zelfs daarna niet in de steek laat, is je aanbidding en zijn de goede daden die je hebt verricht.

Huilen tijdens de ṣalāh

Aan een ʿārif werd gevraagd: “Als een moslim tijdens de ṣalāh luidkeels jammert en huilt, wordt zijn ṣalāh dan ongeldig?”

De ʿārif antwoordde: “Men moet eerst weten waarom de man huilt. Als hij uit liefde voor Allāh huilt en vanwege zijn zonden berouw heeft en tranen vergiet, wordt zijn ṣalāh niet ongeldig. Integendeel, die ṣalāh wordt nog volmaakter en wordt een aanvaarde ṣalāh. Want de ṣalāh behoort met innerlijke rust en de vrede van het hart te worden verricht.

Als degene die de ṣalāh verricht echter huilt vanwege een lichamelijke kwaal of ongemak, of vanwege zijn scheiding van zijn zoon, wordt zijn ṣalāh ongeldig. Die ṣalāh heeft geen waarde. Want de volmaaktheid van de ṣalāh vereist dat men alles wat tot deze wereld behoort, achterlaat.”

Shaykh Muḥammad Sarazî

In de stad Ghaznīn leefde een zeer geleerde zāhid. Hij heette Muḥammad en kwam uit Sarraz.

Elke avond verbrak hij zijn vasten met de bladeren aan het uiteinde van een wijnstok. Zeven jaar lang leefde hij op deze manier.

Op een dag beklom deze man een berg en zei: “O mijn Rab! Toon mij Uw genade, of anders zal ik mezelf hier naar beneden werpen.”

Toen kwam er vanuit het ongeziene een stem: “De tijd voor die schenking is nog niet gekomen. Zelfs als je naar beneden springt, zul je niet sterven.”

Gedreven door de liefde en vervoering die de toestand van jazbah (geestelijke aantrekking) hem schonk, liet Muḥammad Sarazî zich van de berg naar beneden vallen. Hij kwam terecht in diep water. Hij bereikte de dood waarnaar hij zo vurig had verlangd niet. Want voor hem betekende de dood juist leven.

De stem uit het ongeziene zei: “Verlaat de woestijn en keer terug naar de stad.”

Muḥammad Sarazî vroeg: “Wat zal er dan van mijn dienstbaarheid (khidmah) in de stad worden?”

Er werd gezegd: “Bedel, zoals ʿAbbās-i Dabs, om je nafs te vernederen. Neem van de rijken en verdeel het onder de armen.”

Op bevel van deze stem ging de shaykh vanuit de woestijn de stad Ghaznīn binnen zonder dat iemand hem opmerkte. Hij nam een bedelmand in zijn hand en begon van deur tot deur en van straat tot straat te bedelen. Net als andere bedelaars smeekte hij de mensen: “Geef iets omwille van Allāh.”

Op een dag klopte de shaykh vier keer aan de deur van het huis van een heer om te bedelen. De heer zei: “Wat is dat voor schaamteloosheid, mijn broeder? Je hebt op één dag vier keer aan mijn deur geklopt. Je hebt de eer van het bedelen tot niets gereduceerd. Zelfs ʿAbbās-i Dabs kan niet jouw dienaar zijn.”

De bedelende shaykh zei: “Mijn heer, ik ben slechts iemand die een bevel uitvoert. Als ik werkelijk uit begeerte naar brood zou handelen, zou ik mijn eigen hongerige buik opensnijden. Dit lichaam heeft zeven jaar lang in het vuur van de liefde gebrand en heeft niets anders gegeten dan wijnbladeren.”

Daarna begon hij snikkend te huilen.

Toen de oprechtheid van de shaykh het hart van de heer raakte, begonnen zij allebei te huilen. Nadat zij lange tijd hadden gehuild, kwamen zij weer tot zichzelf.

De heer zei: “Mijn shaykh, hier is mijn kist. Neem wat je wilt, zoveel als je wilt.”

De shaykh antwoordde: “Men heeft mij niet toegestaan om te nemen wat ik zelf goedvind. Mij is bevolen te bedelen zoals de andere bedelaars.”

Hij nam afscheid van de heer nadat zij elkaar om vergeving en kwijtschelding (van elkaars rechten) hadden gevraagd.

De shaykh bedelde twee jaar lang.

Daarna werd hem gezegd: “Vanaf nu zul je blijven geven, maar je zult van niemand meer iets vragen. Wat wij jou schenken, zul jij uitdelen. Om het te geven aan degenen die het nodig hebben en aan mensen die schulden hebben, hoef je slechts je hand onder de mat te steken.”

Een jaar lang bestond het werk van de shaykh uitsluitend hieruit. Aan degene die zijn behoefte uitsprak én aan degene die niets zei, gaf hij precies zoveel als diegene nodig had en zoveel als zijn hart hem ingaf: niet meer en niet minder.

[De profeten en de awliyāʾ, die hun erfgenamen zijn, zijn ieder op hun beurt een zon die bedekt is met het kleed van menselijkheid.

Neem daarom je toevlucht tot hun bescherming, zodat je wordt bevrijd uit de greep van je nafs, die je vijandig gezind is en voortdurend met jou over van alles onderhandelt.]

De darwish en de slaven

Een arme darwish lag op het plein van de stad Khorasan in de zon.

Op dat moment verscheen er een stoet. De mannen reden op raszuivere Arabische paarden en droegen rijkelijk versierde zijden kleding. Om hun middel hadden zij gouden gordels.

De darwish vroeg aan iemand: “Tot welke edellieden behoren zij eigenlijk?”

Men antwoordde hem: “Dit zijn geen edellieden, maar de slaven van de minister van financiën van Khorasan.”

Daarop hief de arme darwish zijn hoofd naar de hemel en zei: “O Allāh! Leer van de minister van financiën van Khorasan hoe men voor zijn dienaar moet zorgen.”

Op een dag liet de sultan de hoge ambtenaar die in Khorasan verantwoordelijk was voor de financiën om een bepaalde reden gevangenzetten.

Die slaven werden een maand lang ondervraagd. Om hen de plaats van de schat van hun meester te laten onthullen, onderwierp men hen aan de meest ondenkbare martelingen.

Geen van deze slaven verklapte het geheim van hun meester. Zij stierven onder de martelingen.

Toen de arme darwish sliep, hoorde hij vanuit het hiernamaals een stem die zei: “Kom! Leer van deze slaven wat het betekent een dienaar te zijn.”

De schoonheid van Laylā

Op een dag zeiden de naasten van Majnūn tegen hem: “Het meisje voor wie jij voortdurend vurig verlangt en naar wie je steeds ‘Laylā, Laylā’ roept, is helemaal niet zo mooi als jij beweert. In onze stad zijn duizenden meisjes die mooier zijn dan zij, meisjes die zo mooi zijn als het licht van de maan.”

Majnūn zei: “Onze lichamen en onze uiterlijke verschijning zijn als een kruik. Schoonheid is de goddelijke ‘wijn’ die zich in die kruik bevindt. Allāhu Ta`ala, laat mij uit de kruik van Laylā’s uiterlijke verschijning de ‘wijn’ van de eeuwige liefde drinken. Jullie zien de kruik, maar jullie kunnen de wijn die erin zit niet zien.

Een oog dat niet op de juiste en kuise wijze kijkt, kan die ‘wijn’ niet aanschouwen. Wie geen zuiver en ontwaakt hart heeft, kan evenmin drinken van de ‘wijn’ van de goddelijke liefde.”

[Men moet naar de schoonheid van Laylā kijken door het venster van het hart van Majnūn.]

Het antwoord van de majūsī

In de tijd van Bāyazīd-i Bisṭāmī leefde er een majūsī die het vuur aanbad. Een vrome, maar oppervlakkige moslim nodigde hem uit tot het geloof (Islām).

De majūsī zei: “Als er in deze wereld iemand is die werkelijk geloof bezit, dan is dat Shaykh Bāyazīd. Ik ben niet sterk genoeg om het geloof dat hij draagt te dragen. Om een moslim te worden zoals Bāyezīd gaat mijn kracht te boven.

Als je wilt dat ik een moslim word zoals jij, dan ben ik daar niet geschikt voor. Jouw Islām, die slechts uit riyāʾ en uiterlijk vertoon bestaat, mag je houden. Het geloof dat jij bezit, jaagt zelfs degene weg die geneigd is tot het geloof.”

De muʾadhdhin met de lelijke stem

Er was een muʾadhdhin (degene die de adhān reciteert) met een zeer slechte stem. Hij begon de adhān te reciteren in een land waarvan het merendeel van de bevolking geen moslim was.

De moslims die daar woonden, zeiden: “Reciteer de adhān niet met deze lelijke stem van je. Je zult onrust onder de mensen veroorzaken en bovendien de Islām schaden.”

De muʾadhdhin trok zich daar niets van aan en bleef met zijn lelijke stem de adhān reciteren.

Op een dag kwam er een ongelovige aan, met geschenken zoals een stel kleding, een kaars en halwā.

“Waar is de muʾadhdhin die de adhān reciteert en wiens stem mij zoveel rust geeft? Ik wil hem mijn geschenken aanbieden,” zei hij.

De moslims waren verbaasd: “Kom tot jezelf. Hoe kan die lelijke stem iemand rust geven?” zeiden zij.

Daarop begon de ongelovige zijn verhaal te vertellen: “Ik heb een zeer mooi en verstandig dochter. Zij had vastbesloten om moslim te worden. Hoeveel raad ik haar ook gaf, ik kon haar niet van haar besluit afbrengen.

Onlangs hoorde zij deze muʾadhdhin de adhān reciteren. Ze vroeg de mensen om haar heen:

‘Wat een afschuwelijk geluid! Wat is dit?’

Haar zus zei: ‘Dit is het geluid van de adhān. De moslims komen op dit geluid bijeen om Allāh te aanbidden.’

Mijn dochter geloofde haar zus niet. Ze vroeg het aan nog enkele andere mensen. Toen iedereen hetzelfde antwoord gaf, werd haar geloof aan het wankelen gebracht. Ze kreeg een afkeer van de islām.

Ook ik ben nu verlost van de angst dat mijn dochter moslim zou worden. Daarom heb ik deze geschenken meegenomen voor de muʾadhdhin die mij tot rust heeft gebracht.”

[Werkelijk, de muʾadhdhin die de adhān met zijn stem verfraait, voert degenen die ernaar luisteren naar een andere wereld. Hij neemt ons weg van onszelf. Hij verwijdert ons van de chaos van het dagelijks leven en doet het vuur van de spirituele wereld in onze rûh ontbranden. Veel mensen die later moslim zijn geworden, hebben verklaard dat zij door de stem van de adhān werden geraakt en daardoor moslim zijn geworden. Ook dit laat zien hoe belangrijk het is dat de adhān met een mooie stem wordt gereciteerd.]

De gast

Een onverwachte gast kwam bij een man thuis. De gastheer verwelkomde hem met een glimlach en zette de tafel voor hem klaar en onthield hem gastvrij.

Die avond was er in de buurt een besnijdenisfeest bij de buren. Zijn vrouw zou naar het feest gaan.

Voordat zij het huis verliet, zei haar man tegen haar: “Leg ons bed naast de deur en leg het bed van onze gast aan de andere kant.”

De vrouw antwoordde: “Zoals u beveelt, o licht van mijn beide ogen.”

Ze maakte de bedden klaar en ging naar de buren.

De gastheer maakte allerlei droge en verse versnaperingen klaar. De hele nacht aten en dronken hij en zijn gast samen. Ze voerden een aangenaam gesprek en vertelden elkaar wat zij in hun leven hadden meegemaakt. Toen de gast slaperig werd, ging hij in het bed naast de deur liggen.

Na al dat aangename gesprek kon de gastheer niet tegen zijn gast zeggen: “We hebben voor jou het andere bed klaargemaakt.” In tegenstelling tot wat hij tegen zijn vrouw had gezegd, ging hij zelf in het bed liggen dat voor de gast was klaargemaakt.

Toen de vrouw terugkwam van het feest, ging zij, zoals zij met haar man had afgesproken, in het bed naast de deur liggen. Omdat ze dacht dat degene die in het bed lag haar man was, zei ze: “Lieve man, buiten is het begonnen te regenen. Door de regen en de modder betekent dit dat onze gast bij ons is blijven steken. Waar we bang voor waren, is gebeurd.”

Toen de gast deze woorden hoorde, sprong hij uit bed en stond op.

“Mevrouw, maakt u zich geen zorgen. Ik ben niet bang voor modder. Een reiziger moet zijn weg vervolgen. Kom, ik neem afscheid van u. Moge Allāh u het goede schenken.”

De vrouw bleef een ogenblik verbijsterd achter en kreeg meteen spijt van haar woorden.

“O man! Ik zei die woorden maar als grap,” smeekte ze, terwijl ze hem uitvoerig om vergeving vroeg.

Maar het mocht niet baten.

De gast liet hen bedroefd en vol berouw achter en ging op weg naar de plaats waar hij vandaan was gekomen. Toen de gastheer en zijn vrouw hem nakeken, zagen zij dat de wegen waarover de gast liep helder verlicht werden, alsof het paradijs daar was. Het licht dat de gast verspreidde, had de duisternis van de nacht boven de vlakte verdreven.

Na deze ervaring maakte de gastheer, om zijn gewetenswroeging te verlichten, van zijn huis een gastenverblijf. Hij stond iedereen die langskwam ten dienste.

Van tijd tot tijd kwam in de harten van beiden, langs een verborgen weg, de herinnering aan hun gast op en hoorden zij als het ware zijn woorden: “Ik was een vriend van Khiḍr. Ik had jullie honderden schatten kunnen brengen. Maar jullie hadden geen aandeel daarin.”

[De gedachten die elke dag in het hart opkomen, zijn als een gast die in de ochtend aan de deur van het huis verschijnt. De komst van een gast kan onrust veroorzaken en een last zijn, maar het behoort tot de plicht van een gastheer om zijn gast gastvrij te onthalen en hem te geven wat hij nodig heeft. Gastvrijheid betekent dat men de grillen en nukken van de gast verdraagt en zijn moeilijkheden verdraagt.]

De strijd van de sûfî

Een sûfî sloot zich aan bij het leger. Korte tijd later trok hij ten strijde.

De strijders trokken het slagveld op en gingen tot de aanval over. De sûfî bleef echter achter bij de groep die zich bezighield met de verzorging van het leger en die bestond uit zwakke en kwetsbare mensen, die de bagage van het leger droegen.

De soldaten die zich op het slagveld stortten, reden te paard, zwaaiden met hun zwaarden en versloegen de vijand. Ze keerden terug met veel buit en gevangenen. Van de buit zeiden ze tegen de sûfî: “Sûfî, kom, neem jij ook een geschenk.”

De sûfî nam geen van de aangeboden geschenken aan.

De dappere strijders vroegen verbaasd: “Waarom ben je zo boos?”

De sûfî zei: “Ik heb niet aan de strijdtocht kunnen deelnemen. Ik ben beroofd gebleven van de verdienste van de staat van een ghāzī (de strijder op de weg van Allāh) en van de beloning die iemand als strijder voor Allāh ontvangt.”

Om de sûfî te troosten, zeiden de strijders: “We hebben veel gevangenen van de vijand gemaakt. Hak het hoofd van een van hen af en word zo ook een ghāzī.”

De sûfî was blij met dit voorstel. Om de beloning van deelname aan de strijd te verkrijgen, nam hij een gevangene met gebonden handen mee en bracht hem achter de tent.

Toen de sûfî lange tijd niet achter de tent vandaan kwam, werden de strijders ongerust. Ze stuurden iemand om te kijken wat er aan de hand was. Wat hij daar aantrof, was verbazingwekkend.

De gevangene, wiens handen gebonden waren, had de sûfî op de grond geworpen en beet hem in de keel. Het bloed dat uit de keel van de sûfî stroomde, had zijn baard doorweekt. Hij lag halfdood.

De ghāzī’s trokken de gevangene weg en hakten zijn hoofd af. Ze sprenkelden rozenwater over het gezicht van de sûfî en brachten hem weer bij bewustzijn.

“O sûfî! Hoe kon een gevangene met gebonden handen jou onder zich krijgen? Vertel ons eens hoe dit is gebeurd.”

De sûfî zei: “Juist toen ik zijn hoofd wilde afhakken, keek hij mij zo woedend aan dat ik mijn verstand verloor. Ik werd zo bang alsof ik tegenover een heel leger stond en raakte buiten bewustzijn. Wat er daarna gebeurde, herinner ik mij niet.”

Daarop zeiden de strijders: “Zolang jij zo’n (zachtmoedig) hart hebt, moet je vooral niet proberen ten strijde te trekken. Wanneer de dappere krijgers als leeuwen de strijd trekken, rollen zij met hun zwaarden de hoofden van de vijanden als ballen (over de grond).

Onthoofde lichamen kronkelen van pijn op de grond. Hoofden zonder lichaam komen onder de hoeven van de paarden terecht.

Niet iedereen kan het slagveld betreden dat op een zee van bloed lijkt. Oorlog voeren is niet hetzelfde als je mouwen opstropen en bulgur-pap eten. Er is moed voor nodig. Oorlog is het werk van de Turken, niet van meisjes.”

[Door het verhaal te vertellen van een lafaard die zichzelf voor een dappere krijger houdt en ten strijde trekt, beschrijft Mawlānā mensen die zich als sûfî voordoen en sûfî-zijn verkopen, terwijl zij geen ware sûfî’s zijn.]

Om bij het volk aanzien te verwerven, geven deze personen zich voor als ṣūfī’s, maar zij hebben geen strijd met hun nafs gevoerd. Zij hebben het leed van de liefde niet gekend en zijn niet door de hand van de liefde gebrandmerkt. Omdat zij zonder moed en slap zijn, komen hun listen al snel aan het licht.]

De strijd tegen de nafs

ʿAyyāḍī (quddisa sirruhū: moge zijn geheim geheiligd worden) vertelt:

“Met de hoop de martelaarsdood (shahīd) te sterven, ben ik zeventig keer ten strijde getrokken, zonder harnas en met ontbloot bovenlijf. Er was geen plek op mijn lichaam die niet door een pijl was verwond. Mijn lichaam was door de zwaardwonden als een zeef geworden, maar de martelaarsdood was mij niet gegund.

Daarop besloot ik de strijd met mijn nafs aan te gaan. Ik trok mij terug in khalwah en begon de beproeving van de afzondering te doorstaan.

Voortdurend beoefende ik riyāḍah (geestelijke oefening). Ik at en dronk slechts zoveel als nodig was om niet te sterven en sliep zeer weinig. Zonder onderbreking zette ik mijn strijd met mijn nafs voort.

Op een dag zag ik een groep mensen vertrekken om ten strijde te trekken. Ook in mij ontstond het verlangen om ten strijde te trekken. Mijn nafs zei tegen mij: ‘Kom, ga naar het slagveld.’

Ik verbaasde mij erover dat mijn nafs mij de deugden van de strijd opsomde en mij daarmee probeerde aan te moedigen. Ik was volkomen verbijsterd.

Want de nafs houdt van nature niet van aanbidding en gehoorzaamheid.

Ik sprak mijn nafs toe: ‘O nafs! Vertel de waarheid. Waarom wil je ten strijde trekken?’

Toen mijn nafs geen antwoord gaf, bedreigde ik hem: ‘Als je de waarheid niet vertelt, zal ik je met nog meer riyāḍah te gronde richten. Je zult eraan bezwijken.’

Op dat moment zei mijn nafs, stil en zonder enig geluid, maar in duidelijke bewoordingen in mijn binnenste: ‘Door de riyāḍah die jij beoefent, dood je mij iedere dag. Voortdurend word ik gemarteld. Door mij zonder voedsel en slaap te laten, zul je langzaam mijn leven nemen.

Bovendien weet niemand van het lijden dat ik onderga. In de strijd zal ik één keer sterven en ervan verlost zijn. De mensen zullen jouw dapperheid prijzen. Omdat je als martelaar bent gestorven, zal jouw naam en faam zich verspreiden.’

Daarop zei ik tegen mijn nafs: ‘Je bent zowel een huichelaar (munāfiq) als iemand met twee gezichten. Zoals je in deze wereld een huichelaar bent, zo ben je ook na je dood een huichelaar. Noch in deze wereld word je een ware moslim, noch in het hiernamaals. In beide werelden ben je nutteloos.’

Zolang dit lichaam in leven is, beloofde ik mijn hoofd niet meer uit de khalwah te steken.”

De sûfî’s beschouwen de strijd tegen de nafs als de grote strijd (jihād).

De strijd tegen de vijand wordt daarentegen de kleine strijd genoemd.

Over het belang van het sterven als martelaar in de grote strijd tegen de nafs vertelt Mawlānā:

“Er zijn in deze wereld velen die met het zwaard van de liefde op de weg van Allāh als martelaar zijn gestorven. Zij lijken in deze wereld alsof zij dood zijn. In werkelijkheid zijn zij levende doden. Zij hebben het geheim bereikt van de hadīth ash-sharīf: ‘Sterf voordat jullie sterven.’ Terwijl zij nog in leven waren, hebben zij hun nafs gedood.

In hun aardse lichamen was hun dierlijke nafs al gestorven voordat zij stierven, terwijl hun menselijke rûh levend bleef. Zij gaan levend naar het hiernamaals.”

Wat is de ḥaq (waarheid)? Wat is de bāṭil (valsheid)?

Een man vroeg aan een welbespraakte geleerde: “Wat is de ḥaq? Wat is de bāṭil?”

De geleerde pakte het oor van degene die de vraag had gesteld en zei: “Dit is bāṭil, terwijl je oog ḥaq is.”

Vervolgens ging hij verder met zijn uitleg: “Horen is, vergeleken met het zien, onbetrouwbaar en behoort tot bāṭil. De mens bereikt de waarheid door te zien.

Al zouden honderdduizenden zuivere oren naast elkaar staan, toch hebben zij nog steeds een oog nodig dat ziet.

Het oor vormt door het horen een voorstelling. Die voorstelling is het begin van het bereiken van schoonheid en volmaaktheid.

Als je je inspant en moeite doet, zal je voorstelling werkelijkheid worden.

Wat je oor heeft gehoord, zal je oog dan ook zien.

Op dat moment wordt wat bāṭil was, ḥaq.”

ZESDE DEEL VAN MASNAWĪ

Een zinloze vraag

Een onwetende dorpeling stapte op een prediker af en zei: “Ik heb niemand op de minbar (preekstoel) zulke mooie woorden horen spreken als u. U hebt een prachtige preek gehouden. Ik heb een vraag voor u. Als u die beantwoordt, zal ik blij zijn.

Als een vogel op de toren van een burcht neerstrijkt, is dan zijn kop waardevoller of zijn staart?”

De prediker gaf het volgende antwoord op deze zinloze vraag: “Als het gezicht van de vogel naar de stad is gericht en zijn staart naar het dorp, dan is zijn kop meer waard dan zijn staart. Maar als zijn staart naar de stad is gericht en zijn kop naar het dorp, dan is zijn staart waardevoller dan zijn kop.”

De tussenkomst van de dief

Een dief was een huis binnengedrongen. De huiseigenaar werd wakker toen hij voetstappen hoorde. Hij wilde een kaars aansteken om de omgeving te verlichten. Hij pakte zijn aansteker en begon ermee te slaan.

De dief, die de bedoeling van de man begreep, maakte gebruik van de duisternis en kwam dichterbij. Telkens wanneer de man met de aansteker sloeg, doofde de dief het vlammetje.

De man sloeg keer op keer met de aansteker. Iedere keer doofde de dief het vuur.

De huiseigenaar zei tegen zichzelf: “Deze tondel (licht ontvlambaar materiaal) moet wel nat zijn. Zodra hij vlam vat, dooft hij meteen weer.”

Omdat de man de dief in de pikdonkere duisternis niet kon zien, luisterde hij aandachtig om zich heen. Toen hij geen geluid hoorde, ging hij gerustgesteld weer slapen.

Ook de dief kon rustig zijn werk doen.

[In het hart van degene die Allāh ontkent, bevindt zich eveneens iemand die het vuur dooft. Door zijn blindheid kan hij het niet zien.

O arme ontkenner! Je beweert dat je verstandig bent. Kom dan eens kijken naar je eigen dwaasheid. Wat is volgens het verstand aannemelijker: te denken dat ieder huis een vakman en een architect heeft die het heeft gebouwd, of te denken dat het vanzelf is ontstaan?]

Het recht van inspanning

De edellieden van Sultan Maḥmūd waren erg jaloers op Ayāz. Ze konden niet begrijpen waarom de sultan zoveel waarde hechtte aan een slaaf. Op een dag vroegen zij de sultan:

“U geeft uw slaaf Ayāz evenveel salaris als dertig mannen. Is Ayāz werkelijk qua verstand en bekwaamheid in zijn werk gelijk aan dertig edellieden?”

Sultan Maḥmūd gaf op dat moment geen antwoord op deze vraag.

Enkele dagen later nam hij zijn edellieden mee op jacht. De sultan wees naar een karavaan die hij in de verte zag en zei tegen een van de edellieden: “Ga eens vragen uit welke stad deze karavaan afkomstig is.”

De edelman ging het vragen en kwam terug.

“Mijn sultan, ze komen uit de stad Ray,” zei hij.

“En waar gaan ze naartoe?” vroeg de sultan.

De edelman bleef stil en wist geen antwoord te geven.

Daarop gaf de sultan een andere edelman de opdracht het antwoord op deze vraag te achterhalen. Ook hij ging eropuit en kwam terug.

“Mijn heer, ze gaan naar Jemen,” zei hij.

De sultan vroeg: “En wat vervoeren ze?”

Ook daarop kon hij geen antwoord geven.

Ditmaal zei de sultan tegen een andere edelman: “Ga jij ook en ontdek wat hun lading is.”

De edelman ging en kwam terug.

“Er zijn allerlei goederen aan boord. Maar het grootste deel bestaat uit schalen die in Ray zijn gemaakt,” zei hij.

Toen vroeg de sultan: “Wanneer is de karavaan uit Ray vertrokken?”

Ook deze edelman stond met zijn mond vol tanden.

Zo stuurde de sultan meer dan dertig edellieden eropuit om informatie te verzamelen. Geen van hen slaagde erin alle gevraagde informatie volledig mee terug te brengen.

Daarop wendde Sultan Maḥmūd zich tot zijn edellieden en zei: “Eerder, toen ik samen met Ayāz op jacht was, zag ik een karavaan. Ik stuurde Ayāz eropuit om te achterhalen waar de karavaan vandaan kwam. Toen hij terugkwam, vertelde hij mij, zonder dat ik hem ook maar enige verdere opdracht had gegeven, alle informatie over de karavaan correct.

Hij beantwoordde al mijn vragen. Wat dertig edellieden in dertig afzonderlijke keren probeerden te achterhalen, had hij in één enkele keer onderzocht en mee teruggebracht.”

De edellieden begrepen nu waarom Sultan Maḥmūd Ayāz een vergoeding gaf die gelijkstond aan het salaris van dertig edellieden. Zij kregen spijt van hun afgunst en zeiden tegen de sultan: “Dit is een door Allāh geschonken inzicht. Dit kan men niet door inspanning verkrijgen.”

Sultan Maḥmūd antwoordde daarop: “Degenen die in de strijd van het leven falen, zijn degenen die zich niet naar behoren hebben ingespannen. Succes is de beloning voor inspanning en hard werken.”

De jager en de vogel

Een vogel vloog naar een weiland. Daar had een jager een val opgesteld. Nadat hij tarwekorrels in de val had gestrooid, lag de jager tussen het gras op de loer.

Het vogeltje herkende de jager niet. Het begon om hem heen te cirkelen.

De vogel zei: “Wie ben jij? Waarom draag je zulke groene kleding en wat doe je hier midden in de wildernis?”

De jager zei: “Ik ben een zāhid die zich van deze wereld heeft afgekeerd. Ik voed mij met gras en bladeren. De dood van mijn buurman heeft mij een les geleerd. Daarom heb ik besloten mij, voordat de dood mij bereikt, voor te bereiden op mijn hiernamaals.”

De vogel zei: “In de godsdienst van Muḥammad (عليه السلام) bestaat geen monnikenleven. Het belangrijkste is dat men de mensen tot nut is. Het verrichten van de vrijdagṣalāh, het voortdurend verrichten van de ṣalāh in gemeenschap en het verdragen van de ongemakken die mensen veroorzaken, worden in het bijzonder aanbevolen. Wat jou te doen staat, is de geboden van de godsdienst te volgen en je verre te houden van bidʿah (een nieuwigheid die in de godsdienst wordt ingevoerd zonder grondslag in de sharīʿah). Kom, zie af van deze verkeerde houding en sluit je aan bij de gemeenschap die de genade van Allāh heeft ontvangen.”

De jager zei: “Wie slechts leeft voor zijn dagelijkse brood, verschilt niet van een ezel. Omgaan met mensen die geen ander doel hebben dan achter brood aan te rennen, dát is pas monnikenleven.”

De vogel zei: “Wanneer zulke struikelblokken je op de weg van Allāh in de weg staan, moet je de strijd aangaan. In onze godsdienst is er, zoals in de godsdienst van ʿĪsā (عليه السلام), geen sprake van je in een grot verbergen. Onze godsdienst gebiedt ons juist naar voren te treden en te strijden.”

De jager zei: “Om het kwaad te bestrijden, zijn macht, kracht en helpers nodig. Waar je niet bij machte bent om weerstand te bieden en waar je geen helpers hebt, is vluchten geschikter.”

De vogel zei: “Als jij een oprechte vriend bent, zul je talloze vrienden vinden. Als je niet weet hoe je een vriend moet zijn, zul je geen hulp krijgen. De wolf grijpt het lam dat zich van de kudde heeft afgescheiden. Wie alleen achterblijft, wordt door de shayṭān misleid. Zelfs de profeten hebben op de weg van Allāh naar metgezellen gezocht.”

Het gesprek tussen de jager en de vogel ging op deze manier nog lange tijd door. Op een gegeven moment viel het oog van de vogel op de tarwekorrels.

Hij vroeg de jager: “Van wie zijn deze tarwekorrels?”

De jager zei: “Ze zijn toevertrouwd aan mij als bezit van een wees die niemand heeft.”

De vogel zei: “Ik heb grote honger. Als je het toestaat, zal ik hiervan eten en mijn honger stillen. In noodzakelijke omstandigheden is het zelfs toegestaan om aas te eten.”

De jager zei: “Je hebt zelf je eigen fatwā gegeven. Als er geen sprake is van noodzaak, zul je als schuldig worden beschouwd. Zelfs als er wel sprake zou zijn van noodzaak, raad ik je aan ervan te eten. Ik heb gezegd dat de tarwekorrels aan iemand zijn toevertrouwd. Als je ervan wilt eten, moet je ervoor betalen.”

De vogel had door zijn honger geen kracht meer over. Ook had hij zijn wilskracht verloren om na te denken en de juiste beslissing te nemen. Met grote gulzigheid stortte hij zich op de tarwekorrels. Hij at de tarwe wel op, maar liep daarbij ook in de val.

Om uit de val te komen, reciteerde hij de sūrah Yāsīn en de sūrah al-Anʿām, maar het mocht niet baten.

De vogel zei vanuit de val: “Zo vergaat het degenen die zich door de betoverende woorden van de zāhids laten misleiden.”

Toen de jager dit hoorde, riep hij: “Neen, zo is het niet. Zo vergaat het degenen die zich onrechtmatig het bezit van wezen toe-eigenen en ervan eten.”

Neem voorzorgsmaatregelen voordat het te laat is

Een karavaan hield onderweg halt om de nacht door te brengen.

Toen de mensen van de karavaan gingen slapen, viel ook de bewaker die belast was met de bescherming van de karavaan in slaap.

De dieven die op de loer lagen, maakten gebruik van deze gelegenheid en beroofden de karavaan volledig.

Toen de mensen van de karavaan ’s morgens wakker werden, zagen zij dat al hun bezittingen verdwenen waren. Onmiddellijk gingen zij op zoek naar de bewaker die zij met de bescherming van de karavaan hadden belast en vonden hem.

“Wat is er met onze bezittingen en onze kamelen gebeurd? Leg verantwoording af.”

De bewaker zei: “’s Nachts kwamen de dieven. Ze namen alles mee wat er was en gingen ervandoor.”

De mensen van de karavaan zeiden: “Moge je nek breken, dwaze kerel! Wat heb jij gedaan?”

De bewaker zei: “Wat kon ik dan doen? Ze waren met velen en bovendien gewapend.”

De mensen van de karavaan zeiden: “Als ze met zoveel waren en je begreep dat je hen niet aankon, had je op zijn minst kunnen schreeuwen en ons wakker kunnen maken.”

De bewaker zei: “Ik wilde schreeuwen, maar ze dreigden mij dat ze mij zonder genade zouden doden terwijl ze een mes op mij richtten. Van angst kon ik zelfs geen adem halen. Maar als jullie willen, kan ik nu zo hard schreeuwen als jullie maar willen.”

[Huil voordat de dood komt. Huilen na de dood heeft geen nut. Huil voordat de ramp je treft, want huilen nadat zij is gekomen, helpt niet meer. Als je Yāsīn reciteert voordat de shayṭān je de weg verspert, zal de macht van de shayṭān jou niet bereiken.]

De slaap van de verliefde

In vroegere tijden was er een verliefde die een maanachtig gezicht als geliefde had. Jarenlang had hij niemand anders dan haar in zijn hart toegelaten. Met geduld en verlangen wachtte hij op de hereniging. Eindelijk kwam er een bericht van zijn geliefde.

“Kom vannacht. Wacht tot middernacht in die en die kamer. Ik zal komen met heerlijk eten en zoetigheden die ik voor jou heb bereid”, zei ze.

Toen de verliefde dit hoorde, slachtte hij offerdieren. Hij gaf feestmalen. Toen de nacht aanbrak, ging hij naar de afgesproken kamer en begon daar te wachten.

Nadat middernacht was verstreken, kwam zijn geliefde, zoals zij had beloofd. Maar de verliefde had zich door zijn slaap laten overmeesteren.

De geliefde knipte een stuk van de kleding van haar verliefde af. Alsof ze wilde zeggen: “Je bent nog maar een kind; neem deze maar en ga ermee spelen”, stopte ze enkele walnoten in zijn zak.

De verliefde schrok bij het aanbreken van de dageraad wakker. Hij zag dat er een stuk uit zijn kleding was geknipt en dat er walnoten in zijn zak waren gestopt.

Hij zei bij zichzelf: “Mijn geliefde is werkelijk zeer trouw. Wat ik ook heb gedaan, ik heb het uiteindelijk mezelf aangedaan.”

[In vroegere tijden zouden de geliefden van Allāh, net als een wachter, tot de ochtend wakker blijven en de nacht doorbrengen met aanbidding. Zij beschouwden slaap als verboden voor de verliefde. Ook Mawlânâ sprak in deze betekenis als volgt: “O verliefde! Spring op en bevrijd jezelf van het lijden. Dorst én het geluid van water én slaap — kan dat allemaal tegelijk?]

Het refrein van de muzikant

Een onwetende Turkse edelman had de avond ervoor te veel gedronken. Vroeg in de ochtend werd hij wakker. Nog bedwelmd en suf van de roes vroeg hij om een muzikant.

Men bracht de muzikant. De edelman gaf hem opdracht te spelen en te zingen. De muzikant speelde enerzijds en zong anderzijds het volgende lied:

“Ik weet niet, ben jij de maan of ben je de zon?

Ik weet niet, wat wil je van mij?

Ik weet niet, hoe kan ik jou van dienst zijn?

Welke vorm van dienstbaarheid kan ik jou bewijzen?

Moet ik zwijgen? Of moet ik jou met mijn woorden prijzen?

Ik verkeer in een wonderlijke toestand. Als jij niet van mij gescheiden bent,

Waar ben ik dan? En waar ben jij?

Ik weet niet hoe jij mij meesleept.

Je laat mij over het land lopen,

Je laat mij verdrinken in de zee.

Ik weet niet hoe je dit doet.”

Het woord “ik weet niet”, dat in de tekst van het lied steeds opnieuw werd herhaald, maakte de edelman bijzonder kwaad. Hij sprong overeind en stortte zich op de muzikant. Hij hief zijn knots op en stond op het punt die op het hoofd van de muzikant neer te laten, toen een van de sergeanten de knots vastgreep. Hij kalmeerde de edelman en zei: “Het past u niet om een arme muzikant te doden.”

De edelman zei: “Het refrein van deze brutale kerel heeft mijn hoofd op hol gebracht. Hij blijft maar ‘ik weet niet, ik weet niet’ zeggen. Als hij het niet weet, laat hem dan vertellen wat hij wél weet, dan zullen we luisteren. Wat heeft het voor zin om steeds maar om de woorden heen te draaien en ze te rekken?”

Daarop zei de muzikant: “Omdat mijn bedoeling verborgen is, blijf ik mijn woorden rekken. Om iets van de geur van het Bestaan, van Hem die bestaat, op te vangen, erken ik, met de woorden ‘ik weet het niet’, het bestaan van Allāhu Ta`ala.

Omdat je vol bent van ik-heid, ben je je van mij niet bewust. Je bent als een leeuw die zijn eigen weerspiegeling in het water van een put ziet, haar voor een vijand houdt en haar aanvalt.

De slechtheden die je in mij ziet en waarvoor je kwaad wordt, behoren jou toe. Met de knots waarmee je mij wilt slaan, sla je in werkelijkheid jezelf, maar je bent je daarvan niet bewust.

Wanneer je je hiervan bewust wordt, zul je de vijand van je eigen nafs worden.”

Een beetje hebzucht brengt veel schade

Een oprecht, goedgelovige man had een prachtige ram. Hij had een touw om zijn nek gebonden en trok hem achter zich aan. Een dief sneed ongemerkt het touw door en stal de ram.

De man sleepte het touw nog een tijdje achter zich aan. Toen hij zich omdraaide en zag dat de ram verdwenen was, begreep hij dat hij was bestolen. Terwijl hij zich op de borst sloeg en luidkeels schreeuwde, begon hij alle kanten op te rennen.

De dief die de ram had gestolen, stond intussen bij een waterput te huilen en riep:

“O wee, o wee!”

De oprecht, goedgelovige man van wie de ram was gestolen, werd nieuwsgierig, liep naar hem toe en vroeg: “Wat is er aan de hand, vriend? Is jouw ram soms ook gestolen? Waarom huil je?”

De dief zei: “Mijn buidel met honderd goudstukken is in de put gevallen. Ik weet niet wat ik moet doen. Als je mijn buidel vol goud uit de put haalt, geef ik je een vijfde ervan van harte.”

De eenvoudige man aarzelde geen moment bij dit aanbod.

“Allāh sluit één deur, maar opent tien andere. Als de ram is verdwenen, komt er een kameel voor in de plaats”, zei hij.

Hij trok zijn kleren uit en daalde af in de put. De dief nam ondertussen al zijn bezittingen mee, samen met zijn kleding, en vluchtte weg.

De arme, oprecht, goedgelovige man van wie de ram was gestolen, raakte door zijn hebzucht ook zijn kleding kwijt.

[Men moet de voorzorgsmaatregelen die zijn weg naar het licht kunnen leiden, mag men deze kans niet laten schieten. Hebzuchte karakter is als een dief. Als een droombeeld bedriegt hij de mens voortdurend, telkens in een andere gedaante en met een andere list.]

Beklaag je nafs

Op de dag van ʿĀshūrāʾ kwamen alle inwoners van Aleppo bijeen bij de Antiochiëpoort van de stad om te rouwen om de Ahl al-Bayt (de familie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij somden één voor één de wreedheden van Yazīd en Shimr op en barstten uit in luid gejammer en tranen. Hun stemmen vulden de hele vlakte en de woestijn.

Op een dergelijke dag van ʿĀshūrāʾ kwam er een onbekende dichter naar de stad. Uit nieuwsgierigheid liep hij in de richting van de menigte. Toen hij de mensen luid zag jammeren en huilen, zei hij bij zichzelf: “Er zal wel een belangrijke edelman zijn gestorven. Voor een gewoon iemand zou zo’n menigte niet bijeenkomen.”

Hij liep naar de menigte toe en vroeg aan iemand: “Ik ben een vreemdeling en weet daarom van niets. Als u mij vertelt wat de kenmerken waren van degene die is gestorven, zal ik een mooie klaaggedicht voor hem schrijven. U kunt mij dan ook wat geld geven voor mijn levensonderhoud als dichter.”

Een van degenen die dit hoorde, zei: “Ben je gek, of ben je een vijand van de Ahl al-Bayt? Weet je dan niets van de dag van ʿĀshūrāʾ? Weet je niet dat drie dagen rouwen om de Ahl al-Bayt waardevoller is dan honderd jaar aanbidding?”

De dichter zei: “Iedere gelovige die veel van Muḥammad houdt, houdt evenveel van zijn oogappel, onze heer Ḥusayn. Dat is waar. Maar waar is de tijd van Yazīd nu? Hoeveel jaren zijn er sindsdien verstreken? Hoe laat heeft het nieuws van de tragedie van Karbalāʾ jullie bereikt? Zelfs de blinden hebben die misdaden gezien. Zelfs de doven hebben het aangrijpende verhaal ervan gehoord. Sliepen jullie tot nu toe? Hebben jullie pas nu van Karbalāʾ gehoord? Nu rouwen jullie en scheuren jullie je kleren.”

[O jullie die in slaap zijn gevallen, jullie die zijn verzonken in de slaap van onachtzaamheid! Rouw niet om Ḥusayn, maar rouw in werkelijkheid om jezelf. Huil en jammer om jullie eigen verwoeste harten en jullie verwoeste levenshouding. Want jullie hart ziet niets anders dan deze wereld. Waar is het licht dat het geloof op jullie gezichten deed schijnen? Waar is het geluk dat de godsdienst jullie heeft geschonken? Hoewel jullie in de zee van Allahs gunst en vrijgevigheid zijn gedompeld, waarom zijn jullie handen dan nog steeds helemaal leeg?]

De bevrijding van Bilāl (رضي الله عنه)

Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنه)was een slaaf. Omdat hij de islām had aanvaard, onderwierp zijn meester hem aan allerlei onmenselijke martelingen en kwellingen. Vooral rond de voormiddag, wanneer de hitte sterk toenam, sloeg hij hem met doornige takken. Zonder acht te slaan op het bloed dat uit de wonden op zijn lichaam stroomde, bleef Bilāl vanuit zijn goddelijke liefde zeggen: “Allāh is één, Allāh is één.”

Op een dag kwam Abū Bakr (رضي الله عنه) daar langs. Toen hij de toestand van Bilāl zag, ging hij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg toestemming om Bilāl te bevrijden.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ook aan deze goede daad wil ik deelnemen. Treed namens mij als mijn gevolmachtigde op. Ik zal de helft van jouw vergoeding betalen.”

Abū Bakr (رضي الله عنه) zei: “Tot uw dienst.”

Daarop ging hij naar het huis van de meedogenloze polytheist. Hij klopte aan en ging naar binnen. Hij sprak hem vele harde woorden toe vanwege wat hij Bilāl had aangedaan.

Daarop zei de polytheist: “Jij houdt ervan om goed te doen. Als je zoveel medelijden met hem hebt, koop hem dan.”

Abū Bakr (رضي الله عنه) zei: “Ik heb een zeer mooie polytheistische slaaf. Kom, laten we onze slaven met elkaar ruilen.”

De polytheist vroeg: “Hoeveel geld geef je er nog bovenop?”

Abū Bakr (رضي الله عنه) betaalde zoveel geld dat de hebzuchtige polytheist tevreden was en kocht Bilāl vrij.

De wrede polytheist, die dacht dat hij een goede zaak had gedaan, begon te lachen.

Abū Bakr (رضي الله عنه) vroeg: “Wat is er? Waarom lach je zo?”

De polytheist zei: “Als je niet zo gretig had geleken om een zwarte slaaf te kopen, had je hem voor een tiende van het bedrag dat je hebt betaald kunnen krijgen. Jij hebt zijn waarde zelf verhoogd. Wat mij betreft is hij nog geen halve munt waard.”

Abū Bakr (رضي الله عنه) zei: “O dwaas! Jij hebt, als een kind, een onbetaalbare parel weggegeven in ruil voor een walnoot. Voor mij is hij de waarde van beide werelden waard. Als je tijdens de onderhandeling nog iets meer had aangedrongen, zou ik al mijn bezit hebben gegeven om hem te vrij te kopen. Ik zou zelfs handenvol goud bij anderen hebben geleend.”

Abū Bakr (رضي الله عنه) pakte Bilāl, die door de martelingen onder de wonden en kneuzingen zat, bij de hand en bracht hem naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Toen Bilāl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag, viel hij van vreugde flauw. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, begon hij te huilen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) omhelsde hem en betoonde hem zijn genegenheid.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Abū Bakr (رضي الله عنه): “O Ṣiddīq! Ben ik niet ook deelgenoot aan deze goede daad? Wat is mijn aandeel?”

Abū Bakr (رضي الله عنه) zei: “O Rasûlullāh! Wij zijn beiden slaven aan uw deur. Mijn vrijheid bestaat erin uw dienaar en slaaf te zijn. Ik heb Bilāl uit liefde voor u vrijgelaten.”

Het gebed van de bedelaar

Een bedelaar die bijzonder veel van brood hield, bedelde met een zenbil in zijn hand. Toen een rijke man uit Gaylān brood in zijn bedelmand legde, was de bedelaar zeer verheugd. Hij verrichtte een duʿāʾ en zei: “O mijn Rab! Breng deze weldoende dienaar veilig en gezond naar zijn huis terug.”

De rijke man uit Gaylān werd boos om deze duʿāʾ en zei: “Ach, dwaze man! Als ‘huis en haard’ inderdaad is wat ik onder huis en haard versta, moge Allāh jou daarheen brengen.”

[Woorden worden uitgesproken naar het begripsvermogen van degene die luistert. Om de woorden van de spreker te begrijpen, is verstand bij de luisteraar vereist.]

Zo’n bedelaar

Een arme man klopte aan bij de deur van een huis. Hij vroeg om een sneetje brood, vers of oud.

De huiseigenaar snauwde: “Wat doet brood hier? Denk je soms dat dit een bakkerij is?”

De bedelaar zei: “Geef me dan op zijn minst een beetje olie.”

De huiseigenaar zei: “Dit is ook geen slagerij, dus hier is geen olie.”

De bedelaar zei: “Geef me dan ten minste een beetje meel.”

De huiseigenaar zei: “Dit is ook geen molen.”

De bedelaar zei: “Geef me dan op zijn minst een glas water, zodat we kunnen drinken.”

De huiseigenaar zei: “Dit is noch een beek noch een fontein.”

Wat de arme bedelaar ook vroeg, de huiseigenaar maakte er een grap van en zei dat hij het niet had. Daarop ging de arme bedelaar het huis binnen, tilde zijn kleding op en maakte aanstalten om zijn behoefte te doen.

De huiseigenaar greep in en vroeg: “Wat ben je aan het doen?”

De bedelaar antwoordde: “Gewetenloze man! In zo’n bouwval waar helemaal niets te vinden is, kan men alleen maar zijn behoefte doen.”

[Mawlânâ wil met dit verhaal zeggen: “Als het huis van iemands lichaam verstoken is van deugdzaamheid, kennis, aanbidding, menselijkheid, mededogen en goed karakter, en als het goddelijke licht in dat huis niet straalt, dan is dat lichaam als een mobiele toiletruimte die met allerlei soorten voedsel wordt gevoed.]

De klap van de gerechtigheid

Een man die door ziekte volledig uitgeput was geraakt, ging naar een dokter. De zieke zei tegen de dokter: “Voel mijn pols en begrijp wat mij mankeert.”

De dokter voelde de pols van de patiënt, luisterde naar zijn hart en onderzocht hem grondig. Hij kwam tot de conclusie dat de dood van de man nabij was. Er was geen enkele hoop meer.

Hij zei tegen de patiënt: “Je hebt geen medicijnen en ook geen dieet nodig. Als je doet waar je hart naar verlangt, zal je ziekte genezen.”

De patiënt was blij met het advies van de dokter. Om wat verlichting te zoeken, ging hij langs de rivier wandelen.

Aan de oever van de rivier zat ook een sûfî die zijn handen en gezicht aan het wassen was. Hij had een bijzonder mooie nek. Plotseling kreeg de patiënt de ingeving om die mooie nek een flinke klap te geven. De dokter had immers gezegd dat zijn kwaal erger zou worden als hij niet deed waar zijn hart naar verlangde. Als hij de klap niet gaf, zou hij zich er ellendig onder voelen.

Hij liep naar de sûfî toe en gaf, terwijl hij “o Allāh!” riep, een stevige klap in diens nek. De klap klonk luid en scherp.

De sûfî sprong woedend overeind.

“Onbeschaamde man! Wat heb ik jou aangedaan?”

Hij stond op het punt hem eveneens een klap te geven, maar zag toen dat de man nauwelijks op zijn benen kon staan. Als hij hem zou slaan, zou hij hem misschien in zijn handen laten sterven. “O ṣabr (geduld)!” zei hij en zag af van vergelding.

Hij greep hem bij zijn kraag en bracht hem rechtstreeks voor de rechter. Hij vertelde wat er was gebeurd en zei dat hij een klacht tegen de man wilde indienen.

De rechter kreeg medelijden met de zieke man. Hij wilde hem geen zware straf opleggen en vroeg hem: “Hoeveel geld heb je bij je?”

De zieke antwoordde: “Ik heb niets anders dan zes cent.”

De rechter sprak zijn vonnis uit: “Houd drie cent voor jezelf en geef de andere drie aan de sûfî die een klacht tegen je heeft ingediend.”

Op dat moment viel het oog van de zieke man op de nek van de rechter. De nek van de rechter was nog mooier dan die van de sûfî.

“De straf voor het slaan van iemand in de nek blijkt dus ook nog zo gering te zijn”, dacht hij.

Hij liep naar de rechter toe en deed alsof hij hem iets in het oor wilde fluisteren. Vervolgens gaf hij de rechter een flinke klap in zijn nek.

De rechter sprong woedend overeind.

De zieke man zei: “Neem deze zes cent en verdeel ze onder elkaar. Ik ga ervandoor.”

De rechter zei: “Kom hier! We zijn nog niet klaar met jou.”

De zieke man antwoordde: “Edelachtbare! Het lijdt geen twijfel dat al uw vonnissen rechtvaardig zijn.

Uw uitspraken veranderen niet naar gelang de omstandigheden of de personen. In uw vonnis is geen vergissing of onrechtvaardigheid.”

De rechter zei: “Dit is voor ons nu eenmaal de klap van de voorbestemming (qadar).”

Daarop liet hij de man vrij.

[Doe je broeder niet aan wat je zelf niet aangedaan wilt worden. Vergeet niet dat ook jij in de put kunt vallen die je voor een ander graaft.]

Sultan Maḥmūd en de Indiase slaaf

Sultan Maḥmūd van Ghazna voerde oorlog tegen de Indiërs. Uit de buit die werd veroverd, viel een Indiase slaaf hem ten deel.

De sultan nam deze slaaf als zijn eigen zoon aan. Hij gaf hem een hoge positie en benoemde hem tot bevelhebber van het leger. Hij beschouwde hem zelfs als de erfgenaam van zijn troon.

Ondanks al deze gunsten was de slaaf voortdurend verdrietig. Zijn ogen waren steeds vol tranen. Op een dag kon de sultan het niet langer verdragen en vroeg: “O gezegende jongen! Waarom huil je ondanks al deze rijkdom, eer en aanzien?”

De Indiase slaaf antwoordde: “Toen ik nog een kind was en mijn moeder boos op mij werd, vervloekte zij mij altijd met de woorden: ‘Moge Allāh jou in de handen van Sultan Maḥmūd laten vallen.’

Wanneer mijn vader deze vervloeking van mijn moeder hoorde, werd hij boos op haar en zei:

‘Vrouw, schaam je! Kun je je kind dan geen andere vervloeking toewensen? Je geeft hem de ergste vervloeking die er is. In plaats van hem zo te vervloeken, zou het nog beter zijn als je wenste dat hij door honderd zwaardslagen zou sterven.’

Door deze gesprekken van mijn ouders heb ik u altijd beschouwd als iemand met een hels karakter en als een wrede tiran.

Had mijn moeder en mijn vader toch eens kunnen zien hoeveel gunsten u mij hebt geschonken en hoe groot uw vrijgevigheid is. Daarom word ik verdrietig en kan ik mijn tranen niet bedwingen.”

[O onachtzame mens! Armoede is koningschap. Ook het hiernamaals is voor jou een grote bron van geluk. Je echoïstische verlangens en begeerten proberen je bang te maken voor armoede, terwijl armoede in werkelijkheid koningschap is.

Als je de barmhartigheid van Rabu’l-ʿĀlamīn kende, zou je niet bang zijn voor armoede, maar zou je kijken naar het uiteindelijke resultaat.

Als je armoede aanvaardt, zul je op de Dag van de Opstanding, net als de slaaf bij de sultan, tranen van vreugde vergieten.]

De kleermaker die stof steelt

Een verteller was uitgebreid en met veel enthousiasme de listen van kleermakers aan het vertellen: hoe zij te werk gingen en hoe zij stof stalen. Een van de aanwezigen vroeg:

“O verteller! Wie is de meest bedreven kleermaker in de listen die jij kent?”

De verteller antwoordde: “De meest bedreven kleermaker en dief van deze stad is Ciğeroğlu. In vingervlugheid en diefstal overtreft hij iedereen.”

De man zei: “Morgen neem ik de atlasstof die ik thuis heb mee en ga ik naar Ciğeroğlu. Als hij mij weet te misleiden en een stuk van mijn stof weet te stelen, mag het Arabische paard dat jullie daar zien van jullie zijn. Maar als hij er niet in slaagt ook maar iets te stelen, moeten jullie voor mij een paard kopen.”

Daarmee maakte hij duidelijk dat hij de weddenschap serieus meende. De aanwezigen gingen met de weddenschap akkoord.

De volgende dag nam hij een rol atlasstof onder zijn arm en ging rechtstreeks naar de kleermakerszaak van Ciğeroğlu. Hij groette en gaf de salām.

De meester stond onmiddellijk op en ontving hem met een vriendelijke glimlach.

“Kom binnen, welkom, wees van harte welkom, mijnheer”, zei hij.

Hij wees hem een plaats aan en informeerde naar zijn welzijn. Hij genoot buitengewoon veel respect. Ciğeroğlu kwetterde als een nachtegaal.

De man liet zich door de zoete woorden van de kleermaker vermurwen. Hij legde de stof die hij bij zich had voor de kleermaker neer en zei: “Maak hiervan voor mij een kaftan. Laat het gedeelte vanaf de taille naar beneden ruim zijn en het bovenste gedeelte nauw. Zorg ook dat het mooi genaaid wordt.”

De kleermaker, die er meester in was om ieder mens precies naar de mond te praten, zei:

“Mijnheer, de wensen van zulke beminnelijke en hoffelijke klanten als u zijn voor ons een bevel. Het is ons een eer u van dienst te mogen zijn.”

Hij overlaadde hem met complimenten.

Eerst mat de kleermaker de stof en nam hij de maten van de man op. Nu was het tijd om de stof te knippen. Ondertussen bleef hij onafgebroken praten en vertelde hij allerlei vermakelijke verhalen. Hij leidde de aandacht van de man af door te vertellen over de vrijgevigheid en gierigheid van klanten die hoge posities bekleedden.

Toen de kleermaker zijn schaar pakte om de stof te knippen, begon hij grappige anekdotes te vertellen en liet hij de man lachen. Door de ene grap na de andere die de kleermaker vertelde, schaterde de man het uit. Hij lachte zo hard dat hij zijn ogen nauwelijks nog kon openen.

Terwijl hij lachte, sneed de kleermaker een stuk van de stof af en legde het onder zijn knie.

Toen de man weer wat bij zinnen kwam, zei hij: “Bij Allāh, vertel nog een grap.”

De kleermaker had genoeg grappen. Hij vertelde er nog één. Terwijl de man lachte, sneed hij opnieuw een stuk stof af en stopte het onder zijn kleding.

De man was volledig buiten zichzelf geraakt. Hij was de weddenschap die hij was aangegaan helemaal vergeten. Hij bleef tegen de kleermaker zeggen: “Vertel er nog één, nog één!”

De kleermaker vertelde opnieuw een grap. Terwijl de man schaterde van het lachen, viel hij achterover op de grond. De kleermaker stal rustig zoveel stof als hij maar kon.

Toen de man van de grond opstond en weer bij zijn positieven kwam, smeekte hij de kleermaker: “Ik zou je mond wel willen kussen, vertel nog één grap.”

Maar toen kreeg de kleermaker medelijden met hem. Hij vond dat hij genoeg had gestolen. Hij zei tegen de man: “O, dwaze man, jij die je laat beheersen door je eigen gelach! Als ik nog één grap vertel, zal de kaftan te nauw zijn bij je rug. Doe jezelf geen kwaad. Als je de werkelijkheid kende, zou je bloedige tranen huilen in plaats van lachen.”

[Lediggangers, mensen die niets om handen hebben en degenen die voortdurend op zoek zijn naar verhalen en vertellingen, lijken op de man uit dit verhaal die zo stellig beweerde. De vergankelijke wereld, die ons bedriegt, verdriet doet en bezighoudt, is als de kleermaker.

Alle vormen van begeerte en de vrouwen zijn de grappen die de kleermaker vertelt.

Ons leven is de stof die aan de kleermaker wordt gegeven om er iets van te naaien.

Wie het kaftan van eeuwige gelukzaligheid wil aantrekken, laat uit de atlasstof van zijn leven een kledingstuk van taqwā maken.

O mens die door twijfel wankelt en halsoverkop in de kuil van onwetendheid bent gevallen!

Hoe lang zul je nog naar sprookjes luisteren?

Hoe lang zul je je nog laten misleiden door de verlokkingen van deze wereld?

Je hebt geen verstand in je hoofd en geen rust in je rûh.

De kleermaker van onachtzaamheid heeft de kostbare stof van je leven met de schaar van de maanden stukje voor stukje verknipt.

En toch houd jij je nog steeds bezig met de hoge kosten van het levensonderhoud en de moeilijkheden om rond te komen.

Kom, kijk niet naar deze kant van de wereld.

Beschouw de moeilijkheden van het leven als een genade en een gunst van Allāh.]

Geduld verdragen bij ongemak is gemakkelijker dan scheiding

Een vrouw klaagde bij haar man over haar toestand: “O man die alle menselijkheid verloren heeft! Waarom kijk je nooit naar mij om? Hoe lang moet ik nog zo ellendig en in zulke moeilijke omstandigheden leven?”

Haar man zei: “Mijn lieve vrouw, je weet dat ik arm ben. Toch probeer ik ervoor te zorgen dat ik je niet zonder eten of kleding laat. Zolang mijn handen en voeten mij nog van dienst zijn, zal ik in je behoeften voorzien.”

De vrouw liet de vuile en volledig versleten mouwen van haar jurk zien en zei: “Wie laat zijn vrouw in deze kleding rondlopen?”

Haar man zei: “Je hebt gelijk. Er is niets aantrekkelijks aan deze kleding. Maar wat kan ik doen? Dit is alles wat ik kan opbrengen. Mijn lieve vrouw, als je wilt, kun je het ook zo bekijken: is het beter dat je in oude kleding rondloopt, of dat ik van je scheid en wij uit elkaar gaan?”

[Wat betreft het naleven van de geboden van de godsdienst lijkt de moslim op de vrouw die geen armoede kan verdragen. Het verrichten van de ṣalāh en de vasten lijken de mens zwaar te vallen. Afstand nemen van de genoegens van het leven en de verlangens van de nafs beteugelen is moeilijk.

Maar ver verwijderd raken van Allāh is nog moeilijker en pijnlijker dan dit alles.

Zorg er daarom voor dat je liefde voor Allāh koestert. Het is onmogelijk dat de Geliefde zich niet bewust is van degene die van Hem houdt.]

De sûfî en de priester

Een ʿārif, een vriend van Allāh, vroeg aan een bejaarde christelijke priester: “Wie is ouder, jij of je baard?”

De priester antwoordde: “Ik ben vóór mijn baard geboren. Ik heb vele jaren zonder baard geleefd.”

Daarop zei de ʿārif: “Je baard is grijs geworden en heeft zijn zwarte kleur verloren. Jij bent echter nog steeds dezelfde kleur als toen je geboren werd. Je hebt geen enkele stap vooruit gezet. Hoewel je baard na jou is geboren, heeft hij jou ingehaald.”

Na deze woorden van de vriend van Allāh deed de priester de zunnār* om zijn middel af en aanvaardde hij de islām.

[Kijk nooit op een minachtende manier naar een niet-moslim en keer je nooit van hem af. Je weet immers niet hoe jouw eigen leven zal eindigen. Bedenk dat je vóór je dood nog moslim kunt worden.

* zunnār: een gordel of ceintuur die traditioneel door niet-moslims werd gedragen, met name door christenen en zoroastriërs in bepaalde islamitische samenlevingen.]

De vriendschap tussen de muis en de kikker

Een muis en een kikker ontmoetten elkaar aan de oever van een beek en werden vrienden. Hun genegenheid voor elkaar nam met de dag toe. Iedere ochtend ontmoetten ze elkaar, praatten ze met elkaar en vertrouwden ze elkaar hun zorgen toe.

Wanneer de zon ’s avonds onderging, trok de muis zich terug in een holte tussen de rotsen en de kikker in zijn nest in het water. Ze konden nauwelijks wachten tot de ochtend aanbrak om elkaar weer te zien.

Op een dag zei de muis tegen de kikker: “Het is voor mij niet genoeg om alleen van de ene ochtend tot de andere met je te praten en mijn zorgen met je te delen. Ik wil je vaker zien. Wanneer ik ergens mee zit of in moeilijkheden verkeer, wil ik gemakkelijk bij je kunnen komen. Omdat je niet altijd boven op het water bent, kan ik je mijn stem niet laten horen. Laten we hier een oplossing voor vinden.”

Samen zochten ze naar een oplossing. Uiteindelijk deed de muis het volgende voorstel:

“We zoeken een lang touw. Ik bind het ene uiteinde aan mijn poot en jij bindt het andere uiteinde aan jouw poot. Wanneer we elkaar nodig hebben, trekken we aan het touw om elkaar te waarschuwen en elkaar te ontmoeten.”

De kikker was niet erg enthousiast over dit voorstel. Maar hij wilde zijn vriend niet voor het hoofd stoten en stemde zonder tegenstribbelen toe.

Terwijl de muis met het touw aan zijn poot langs de oever van de beek liep, dook er plotseling een ekster op. Deze greep de muis en vloog ermee de lucht in.

Omdat het touw aan de poot van de muis ook aan de poot van de kikker was vastgebonden, werd de kikker eveneens de lucht in getrokken.

De mensen die dit tafereel zagen, vroegen zich verbaasd af: “Met welke list heeft de ekster de kikker, die in het water leeft, weten te vangen?”

De kikker, die in de lucht hing, klaagde: “Dit is wat er gebeurt met iemand die vriendschap sluit met een wezen dat niet van zijn eigen soort is.”

[In dit verhaal is de ekster een symbool van de dood. De waterkikker vertegenwoordigt de rûh en de muis het lichaam. De waterkikker is rein. De muis daarentegen is een onaangenaam en onrein dier. Wanneer een rein wezen vriendschap sluit met een onrein wezen, leidt dit hem naar het verderf.

Mensen die hun nafs niet opvoeden en hun rûh niet verheffen, maar zich overgeven aan het comfort van hun lichaam, lijken op de kikker die achter de muis aan gaat.]

De sûfî is de zoon van zijn tijd

Een welvarende en goeddoende rijke man die zilveren munten uitdeelde aan de mensen om hem heen, vroeg aan een sûfî: “O mijn mooie sûfî, voor wie ik mijn ziel op zijn weg zou leggen en mijn hart aan zijn voeten zou werpen! Zal ik je vandaag 1 cent geven? Of heb je liever de 3 cent die ik je morgen zal geven?”

De sûfî antwoordde: “Als je mij gisteren een halve cent had gegeven, zou dat voor mij beter zijn geweest dan wat je vandaag zult geven én beter dan de 100 cent van morgen. Een onmiddellijke klap is beter dan een gift op krediet. Kijk, daarom buig ik mijn hoofd voor je. Sla maar toe, als het maar vooraf betaald wordt.”

[Kom tot bezinning, o ziel van mijn ziel, o jij die mijn honderden werelden bent. Beschouw het moment waarin je je bevindt als een buit die je moet benutten. Het uitstellen en vertragen van wat je moet doen, is een ramp.]

Wat de derwisj zal krijgen

In Tabriz woonde een rijke man genaamd muḥtesib Badraddin `Umar, die toezicht hield op de kooplieden en zorgde voor de orde in het handelsleven. Naast zijn rijkdom was hij ook om zijn vrijgevigheid wijd en zijd beroemd. De faam van deze edelmoedige en gulle man had ook een arme en onbekende darwish bereikt die in een naburige stad woonde.

Deze darwish leende, vertrouwend op de vrijgevigheid van Badraddin `Umar, 9000 gouden munten. Toen de tijd kwam om zijn schuld terug te betalen, ging hij op weg naar Tabriz. Hij dacht bij zichzelf: “Ik zal voor Badraddin `Umar verschijnen en hem mijn situatie uitleggen. Met de giften die hij mij zal schenken, zal ik mijn schuld aflossen.”

Toen hij de stad had bereikt, vroeg hij waar het huis van Muḥtesib Badraddin `Umar was. Terwijl hij onderweg was, was Badraddin `Umar echter uit deze vergankelijke wereld naar de wereld van de eeuwigheid vertrokken.

Toen de darwish dit hoorde, slaakte hij een luide kreet en viel flauw. Tot middernacht kwam hij niet bij bewustzijn. Toen hij zijn ogen opendeed, zei hij: “O Allāh! Ik ben schuldig. In plaats van het aan U te vragen, heb ik mijn hoop gevestigd op iemand die door U is geschapen. Wie kan in vrijgevigheid aan U gelijk zijn? In werkelijkheid behoort ook wat hij gaf aan U toe. U hebt hem vrijgevigheid en barmhartigheid geschonken.”

Zo toonde hij berouw aan zijn Rab.

De kethüdâ, de assistent/beheerder van Muḥtesib Badraddin `Umar, hoorde van de toestand van de darwish. Hij trok zich zijn verdriet aan en ging langs de kooplieden om geld voor hem in te zamelen.

Hij wist echter slechts ongeveer 100 dinar bijeen te brengen.

Daarop ging de darwish naar het graf van Badraddin `Umar. Hij begon tegen hem te spreken alsof hij nog leefde: “O grote man op wie de armen steunden en hun vertrouwen stelden! Ik hoorde over uw schenkingen, die zo wijd waren als een zee, en stelde mijn vertrouwen daarin. Ik heb links en rechts 9000 gouden munten geleend. Wie zal mij nu uit deze armoede verlossen, mij weer laten glimlachen en mijn schuld aflossen?”

Met soortgelijke woorden vertelde hij tot de avond bij het graf over zijn toestand.

Toen het avond werd, nodigde de assistent van Badraddin `Umar, de kethüdâ van Tabriz, de arme darwish bij zich thuis uit. Hij gaf hem de 100 dinar die hij had ingezameld. Nadat hij tot middernacht met de darwish had sohbet gehouden, gingen zij naar bed en vielen in slaap.

De kethüdâ van Tabriz zag Badraddin `Umar in zijn droom.

Badraddin `Umar zei tegen hem: “Ik had gehoord dat een arme man, vertrouwend op mij, schulden had gemaakt. Voor deze arme man heb ik op een bepaalde plaats enkele juwelen verborgen. Ik heb zijn naam erop geschreven. Met deze juwelen kan hij zijn schuld aflossen. Wat daarna overblijft, mag hij besteden zoals hij wil. Laat hij mij ook niet vergeten in zijn smeekbeden.”

De kethüdâ werd vol vreugde wakker. Hij haalde de juwelen tevoorschijn van de plaats die in de droom was beschreven en overhandigde ze aan de darwish.

[Er zijn vele mensen die als aarde zijn; men denkt dat zij in hun graf slapen. Toch zijn zij, wat betreft het brengen van nut en het schenken van fayḍ, beter dan honderden levende mensen.

Honderdduizenden mensen trekken voordeel uit de schaduw van de awliyāʾ die de schaduw van hun lichaam in deze wereld achterlieten en naar het hiernamaals zijn gegaan.]

Het goede van de tiran

Een sultan ging op vrijdag naar de moskee. Zijn wachters riepen enerzijds naar de mensen langs de weg: “Maak plaats!”, en probeerden anderzijds met hun stokken een weg vrij te maken door op hen in te slaan. Wie door een stok werd geraakt, liep een hoofdwond op of scheurde zijn hemd.

Op dat moment bevond zich daar toevallig ook een arme, beklagenswaardige man. Hij kreeg vele stokslagen van de wachters. Zijn lichaam zat onder het bloed. In zijn pijn riep hij de sultan achterna: “O degene die Allāh niet vreest! Kijk eens naar het onrecht dat u begaat. Als u dit al in het openbaar, voor de ogen van het volk, doet, moge Allāh iedereen dan beschermen tegen uw verborgen vormen van onrecht. U gaat zogenaamd naar de moskee en denkt dat u een goede daad verricht. Als dit uw goede daad is, wie weet hoe groot dan uw kwaad en slechtheid zal zijn!”

[Zo zijn de goede daden van tirannen. Trek zelf maar de vergelijking met hun kwade daden.]

De plaats van de schat

Een man ging failliet. Hij bezat helemaal niets meer. Door zijn zorgen en ellende verkeerde hij als het ware in zijn laatste levensmomenten. In zijn wanhoop begon hij zijn Rab te smeken. Na de ṣalāh verrichtte hij niyāz (nederigheid en onderwerping). Jarenlang huilde en smeekte hij.

“O mijn Rab, Die vogels en dieren voedt! Uw gunsten zijn eindeloos en ontelbaar. Ik ben echter niet in staat Uw gaven te beschrijven. Schenk mij alstublieft ook mijn levensonderhoud op een gemakkelijke wijze,” smeekte hij.

Uiteindelijk kreeg hij op een nacht in zijn droom te horen: “Ga naar een zekere papierhandelaar die jouw buurman is. Tussen de papieren die hij verkoopt, bevindt zich een papier met deze kleur en deze vorm. Neem het mee en lees in het geheim de informatie die erop staat. Handel vervolgens daarnaar.”

Degene die hem in de droom deze blijde boodschap bracht, waarschuwde hem ook:

“Als je moeite hebt om de schat te vinden, wees dan geduldig en geef niet op. Als anderen erachter komen, wees dan vooral niet bedroefd. Niemand kan iets afnemen van de schat die jou toekomt. Geef de hoop niet op. Herhaal vaak het vers:

قُلۡ يَٰعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ أَسۡرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ لَا تَقۡنَطُواْ مِن رَّحۡمَةِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ جَمِيعًاۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥٣

Zeg: “O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de Genade van Allah (aangaande Zijn vergiffenis en toelating tot het Paradijs), waarlijk Allah vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (az-Zumar 39:53)

De man werd blij wakker uit zijn droom. Toen het ochtend werd, ging hij rechtstreeks naar de winkel van de papierhandelaar. Hij begon tussen de stapels papier rond te kijken. Zodra hij het beschreven papier zag, pakte hij het en stopte het in zijn zak. Hij wenste de eigenaar van de winkel voorspoed en vertrok.

Toen hij op een afgelegen plaats was gekomen, haalde hij het papier uit zijn zak en las het. Op het papier werd de plaats van een schat beschreven.

Hij verbaasde zich erover dat zich in zo’n winkel, tussen al die papieren, een papier bevond waarop de plaats van een schat stond aangegeven. Op het papier stond:

“Neem een pijl en boog in je handen. Ga naar een mausoleum waarin zich het graf van een martelaar bevindt, met de achterzijde naar de stad gericht en de ingang naar de vlakte. Ga met je rug naar het graf van de martelaar staan en richt je gezicht naar de qiblah (Ka`bah). Span je boog en schiet een pijl af. Graaf op de plaats waar de pijl neerkomt.”

De man die dit had gelezen, kocht onmiddellijk een stevige boog en een mooie pijl. Hij nam ook zijn houweel en schop mee en ging op weg naar het genoemde mausoleum.

Toen hij bij het mausoleum aankwam, ging hij met zijn rug naar het graf staan. Hij richtte zich naar de qiblah. Hij spande zijn boog stevig en schoot zijn pijl af. Opgewonden ging hij naar de plaats waar de pijl was neergekomen en begon daar te graven. Er kwam echter niets tevoorschijn.

Hij groef een beetje naar rechts, daarna een beetje naar links, en bleef graven totdat zijn houweel en schop bot waren geworden. Hij raakte volledig uitgeput, maar vond de schat niet.

“Waarschijnlijk heb ik de pijl in de verkeerde richting geschoten,” dacht hij.

Hij schoot opnieuw een pijl af en groef op de plaats waar deze was neergekomen. Weer vond hij niets. Het werd avond en hij ging naar huis.

De volgende dag ging hij opnieuw verder. Vanaf dat moment schoot de man iedere dag een pijl af en groef hij op de plaats waar die neerkwam. Ondanks het feit dat hij dagenlang onvermoeibaar bleef graven, vond hij de schat niet.

Intussen trok wat de man deed de aandacht van de mensen. Allerlei geruchten begonnen de ronde te doen. Uiteindelijk bereikten de geruchten zelfs de oren van de sultan.

Toen de man hoorde dat zijn situatie bij de sultan bekend was geworden, bood hij zonder enige weerstand het papier aan de sultan aan. Hij vertelde openhartig wat hem was overkomen.

“Mijn sultan, al een maand zoek ik volgens de aanwijzingen op dit papier naar de schat. Ik heb niets gevonden. Alle moeite en ellende die ik heb doorstaan, zijn voor niets geweest. Mijn sultan, die oorlogen wint en vestingen verovert, moge met zijn geluk, macht en kracht deze schat tevoorschijn brengen,” zei hij.

De sultan liet misschien wel zes maanden, misschien zelfs langer, zijn geselecteerde soldaten met krachtige bogen pijlen afschieten. Hij liet de grond overal uitgraven. Maar de schat werd niet gevonden. Het was alsof de schat alleen een naam had, maar geen werkelijkheid; als de Zumrudu-anka-vogel (feniks/ sīmurgh) was hij nergens te vinden.

In de vlakte was er geen enkele plek meer die niet was omgegraven. De sultan werd het zoeken naar de schat beu.

Hij liet de man bij zich komen en zei woedend: “Neem je kaart en steek hem waar de zon niet schijnt! Je hebt ons van ons werk en onze bezigheden afgehouden. Je hebt onze tijd gestolen. Je hebt ons moeite bezorgd. Aangezien jij toch niets anders te doen hebt, kun je zolang je wilt naar de schat zoeken. Als je hem vindt, is hij voor jou. Ik schenk hem je.”

De man nam de kaart aan. Hij dacht bij zichzelf: Waar heb ik een fout gemaakt. Deze kaart was hem immers, na jarenlang bidden, van mijn Rab gegeven”.

Hij keerde zich opnieuw tot zijn Rab en verrichtte niyāz.

“O mijn Rab! De duivel van hebzucht en gretigheid heeft mij misleid. Ik heb berouw van al deze inspanning en moeilijkheden. Ik zoek mijn toevlucht bij U. U hebt mijn deur gesloten; open die nu ook weer, o Allāh,” zei hij.

Na deze smeekbede van de man kwam er opnieuw een ingeving van Allāh: “Wij hebben tegen jou gezegd: doe een pijl op de boog en schiet hem af. Wij hebben niet gezegd dat je met krachtige bogen experimenten moest uitvoeren met het afschieten van pijlen. Jij toont slechts tevergeefs je vaardigheid in het afschieten van pijlen door je kracht te verspillen. Ga nu, pak zomaar een boog, leg de pijl erop en schiet hem af. Probeer hem niet ver weg te sturen. Wanneer je graaft op de plaats waar de pijl neerkomt, zul je begrijpen hoe dicht de schat bij jou is.”

De man deed wat hem was opgedragen en vond uiteindelijk de schat.

Het geduld van de shaykh met zijn vrouw

Een darwish had de faam van Shaykh Harakānī gehoord. Om hem te bezoeken en zijn duʿāʾ te ontvangen, vertrok hij vanuit de stad Talkan (noordoosten van Afghanistan). Om deze grote man te ontmoeten, trok hij over vlakten en bergen. Dagen en nachten lang liep hij. Uiteindelijk bereikte hij de stad waar de shaykh zich bevond. Hij vroeg waar diens huis was en kwam dat te weten. Met adab en respect ging hij erheen en klopte op de deur.

De vrouw van de shaykh stak haar hoofd door de deuropening.

“Wat wil je?” vroeg ze.

De darwish antwoordde: “Ik ben vanuit de stad Talkan gekomen om de shaykh te bezoeken.”

Toen de vrouw dit hoorde, barstte ze in lachen uit.

“Moet je eens naar je baard kijken, en kijk dan eens naar de reden waarom je zoveel moeite hebt gedaan om deze lange reis af te leggen. Heb je in je eigen land soms niets te doen? Je bent voor niets op reis gegaan. Is het werkelijk de moeite waard om al deze ontberingen te ondergaan om een dwaas te bezoeken? Of ben je soms je eigen land beu geworden? Pas maar op dat de shayṭān je niet heeft misleid en je niet op reis heeft gestuurd.”

De vrouw beledigde hem op allerlei manieren en sprak allerlei lelijke woorden. De darwish luisterde geduldig naar haar.

Uiteindelijk zei hij: “Wat er ook gebeurt, ik wil die shaykh, die de heerser over de innerlijke betekenis is, ontmoeten. Wil je mij vertellen waar de shaykh is?”

De vrouw antwoordde: “Het zou beter voor je zijn als je naar je land terugkeert zonder de shaykh te ontmoeten. Dan zul je niet ten prooi vallen aan dwaling en losbandigheid. Omdat hij goed van de tongriem gesneden is, heeft hij veel dwazen zoals jij in zijn val gelokt en van hun pad afgebracht.

Degene die jij je shaykh noemt, zit overdag lui te nietsdoen, eet wanneer hij iets voorgeschoteld krijgt en gaat ’s avonds als een kadaver liggen slapen. Hij is niets meer dan een zondaar die niet eens weet wat aanbidding is. Zijn enige bezigheid is het volk met bedrog en riyaʾ (het verrichten van goede daden om door mensen gezien te worden) te misleiden. Ga maar terug zonder hem te ontmoeten, zodat hij je geen kwaad kan doen.”

De jonge darwish kon deze woorden niet langer verdragen.

“Genoeg, zwijg nu. Ik ben geen wolk die door de wind wordt voortgejaagd, zodat ik vanwege een beetje stof van deze deur zou terugkeren. O oude vrouw! Weet dat je het licht van Allāh niet kunt doven door ertegen te blazen. Het is immers als de zon,” zei hij.

De darwish begreep dat hij van deze vrouw niet te weten zou komen waar de shaykh was.

Hij begon daarom navraag te doen en te zoeken naar de plaats waar de shaykh zich bevond.

Iemand zei tegen hem: “Onze shaykh, de quṭb van dit land, is naar het bos gegaan om hout te halen.”

De darwish ging daarop vol liefde op weg naar het bos. Terwijl hij liep, bleef hij bij zichzelf denken: “Hoe kan zo’n grote vriend van Allāh samenleven met zo’n slechtgehumeurde vrouw? Waarom houdt een shaykh deze vrouw in zijn huis? Hoe kan hij met haar overweg en met haar tot overeenstemming komen?”

Omdat hij dacht dat deze gedachten influisteringen van de shayṭān waren, sprak hij vanuit zijn hart lā ḥawla wa-lā quwwata illā bi-Llāh (Er is geen macht en geen kracht dan door Allāh) uit. Terwijl hij zijn weg vervolgde, zag hij plotseling Shaykh Harakānī voor zich, gezeten op een leeuw.

De shaykh had zijn hout op de leeuw geladen en zat er zelf bovenop. In zijn hand hield hij een mannetjeslang als een zweep.

Deze grote walī glimlachte naar de jonge darwish. Nog voordat de darwish iets kon zeggen, sprak hij: “O darwish die van verre gekomen bent om mij te ontmoeten! Schenk geen aandacht aan de influisteringen van de shayṭān. Omdat ik die opvliegende, ongelovige vrouw verdraag en geduldig haar kwellingen onderga, draagt deze leeuw ook mijn last.

De awliyāʾ onderwerpen zich zonder te klagen of te mopperen aan wat van Allāh tot hen komt. Het verdragen van moeilijkheden en het strijden daartegen behoort tot hun overgave aan Allāh.”

[Geduld is de sleutel tot innerlijke verruiming. Om het geheim van geduld te doorgronden, moet men zijn last met een glimlach en met genoegen dragen.

Als je geduldig bent met het kwaad van mensen van lage aard, zul je het licht van de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bereiken.]

De vriendschap tussen een moslim, een jood en een christen

Een jood, een moslim en een christen gingen samen op reis. Net zoals het verstand bevriend is met de nafs, werd ook deze moslim een reisgenoot van hen.

Onder de mensen die in karavanserais (versterkte pleisterplaats langs handelsroutes waar reizigers en karavanen konden overnachten, rusten en hun dieren verzorgen) overnachten, bevinden zich mensen uit verschillende landen en met allerlei beroepen. Uit noodzaak verblijven zeer goede mensen er samen met zeer slechte mensen. Wanneer de ochtend aanbreekt, gaat iedereen zijn eigen weg.

Deze drie reisgenoten bereikten tegen de avond een pleisterplaats. Een weldoener daar bood hun warm brood en een schaal met honing-halwā aan. Omdat de moslim vastte, had hij honger. De anderen zaten echter al vol.

Toen de tijd voor de avondṣalāh aanbrak, zei de moslim: “Laten we de halwā eten.”

De anderen antwoordden: “Wij zitten tot aan onze keel toe vol. Laten we de halwā tot morgen bewaren.”

De moslim hield vol: “Ik kan niet langer wachten. Laten we hem vanavond eten.”

De anderen zeiden: “Je zegt dit alleen omdat je de halwā helemaal alleen wilt opeten.”

Daarop stelde de moslim voor om de halwā te verdelen. Ook daarmee stemden ze niet in. Hun bedoeling was namelijk dat de moslim de nacht hongerig zou doorbrengen en zou lijden.

Uiteindelijk zei de moslim: “Als jullie erop staan hem ’s ochtends te eten, dan zij het zo.”

Toen de ochtend aanbrak, werden ze wakker. Ieder waste zijn mond en gezicht. Vervolgens verrichtte ieder volgens zijn eigen godsdienst zijn wird.

Nadat zij hun oefeningen hadden beëindigd, zei een van hen: “Laat iedereen de droom vertellen die hij heeft gezien. Degene wiens droom het mooist is, mag de halwā opeten.”

Eerst nam de jood het woord: “In mijn droom was ik op weg gegaan. Mūsā (عليه السلام) verscheen voor mij. Hij pakte mij bij de hand en bracht mij naar de berg Ṭūr. Ik werd gehuld in licht en werd onzichtbaar. Ook Mūsā en de berg Ṭūr werden onzichtbaar.

Vervolgens manifesteerde Allahs eigenschap van majesteit zich aan de berg. De berg spleet open en viel uiteen in drie stukken. Een deel viel in de zee en maakte het zeewater zoet. Een ander deel viel op de aarde en uit de aardbodem ontsprongen zoete waterbronnen. Een derde deel vloog door de lucht en viel in de omgeving van de Kaʿbah; zo werd het de berg ʿArafāt.

Daarna zag ik mensen die leken op Mūsā (عليه السلام), met een staf in hun handen en een derwisjmantel op hun rug. Mij werd meegedeeld dat dit allemaal profeten waren die Allāh liefhadden.

Ik zag de grote engelen. Zij waren allemaal uit sneeuw geschapen. Daarnaast zag ik nog een groep engelen. Deze engelen, die hulp van Allāh vroegen, waren uit vuur geschapen.”

De jood vertelde nog over vele andere wonderbaarlijke toestanden.

Daarna begon de christen zijn droom te vertellen: “In mijn droom zag ik ʿĪsā (عليه السلام). Samen met hem steeg ik op naar de vierde hemel. Daar was de zon die de wereld verlicht. Ik aanschouwde de wonderbaarlijke toestanden van de hemel. Het is onmogelijk om wat ik daar zag te vergelijken met wat er op aarde is. Ik kan die schoonheid en uitgestrektheid niet onder woorden brengen.”

Daarna vertelde de moslim zijn reisgenoten wat hij had gedroomd: “Mijn sultan, mijn heer, mijn profeet, Muḥammad Muṣṭafā an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), kwam naar mij toe en zei tegen mij:‘Een van je reisgenoten is bevriend geraakt met Mūsā (عليه السلام) en samen met hem naar de berg Ṭūr gegaan. Hij is ondergedompeld in licht.

De andere is door ʿĪsā (عليه السلام) meegenomen naar de vierde hemel. Beiden zijn zij opgegaan in het gezelschap van de engelen.

Jij bent bij hen beiden achtergebleven. Je hebt schade geleden. Word wakker en eet op zijn minst de halwā.”

Toen de jood en de christen deze woorden hoorden, vroegen zij: “Of heb je de halwā soms opgegeten en je gereinigd?”

De moslim antwoordde: “Hoe zou ik de opdracht van mijn profeet kunnen weerstaan? Als jullie profeet jullie zo’n opdracht had gegeven, zouden jullie die dan hebben geweigerd? Ik heb de opdracht opgevolgd en de halwā opgegeten. Op dit moment ben ik door de bedwelming die de halwā heeft veroorzaakt zelfs niet helemaal bij zinnen.”

Daarop zeiden zij: “Bij Allāh, jouw droom is een volkomen waarachtige droom. Hij is honderdmaal mooier dan de droom die wij hebben gezien. Jouw droom is geen droom, maar waakzaamheid. Zelfs nadat je wakker bent geworden, zien wij er nog de uitwerking van.”

De fout van Yūsuf (عليه السلام)

De Aziz van Egypte wilde een einde maken aan de geruchten en roddels die waren ontstaan over Yūsuf (عليه السلام) en zijn vrouw Zulaykhā. Hij liet Yūsuf (عليه السلام) daarom in de gevangenis werpen.

Yūsuf (عليه السلام) wijdde zich in de gevangenis aan aanbidding. Soms bekommerde hij zich ook om de armen en hield hij zich bezig met de behandeling van zieken. Allāh had Yūsuf (عليه السلام) de kennis geschonken om dromen uit te leggen. Wanneer iemand in de gevangenis een droom had gezien, liet hij deze door Yūsuf (عليه السلام) uitleggen. Wat Yūsuf (عليه السلام) zei, kwam precies zo uit.

In de gevangenis bevonden zich ook de wijnschenker en de bakker van de sultan van Egypte. Beiden waren afgodendienaars. Zij kwamen naar Yūsuf (عليه السلام) en vertelden hem dat zij een droom hadden gezien.

De wijnschenker zei: “Ik zag in mijn droom dat ik druiven perste en voor de sultan wijn maakte.”

De bakker zei: “Ik bracht de sultan brood op een schaal die ik op mijn hoofd droeg. Vogels kwamen op die schaal zitten en aten het brood op.”

Yūsuf (عليه السلام) zei tegen de wijnschenker: “Jij zult worden vergeven en opnieuw in dienst van de sultan treden.”

Tegen de bakker zei hij: “Jij zult helaas worden geëxecuteerd. De vogels zullen op je hoofd neerstrijken en je hersenen opeten.”

Enige tijd later kwamen de woorden van Yūsuf (عليه السلام) precies zo uit. De wijnschenker werd vergeven en trad opnieuw in dienst van de sultan. De bakker werd geëxecuteerd en de vogels aten zijn hersenen.

Toen de wijnschenker op het punt stond de gevangenis te verlaten, zei Yūsuf (عليه السلام) tegen hem: “Breng mijn toestand bij de sultan onder de aandacht. Vertel hem dat ik zonder schuld in de gevangenis zit.”

De shayṭān liet de wijnschenker Yūsuf (عليه السلام) en zijn woorden vergeten.

Yūsuf (عليه السلام) had hulp gevraagd aan een dienaar en niet aan Allāh. Dit werd de oorzaak dat de goddelijke bestraffing kwam. Hij bleef zeven jaar in de gevangenis.

Allāhu Ta`ala leerde Yūsuf (عليه السلام) dat men niet op een verrotte stok moet leunen en dat men zich moet neerleggen bij het goddelijke besluit. Om het verdriet uit zijn hart weg te nemen, schonk Hij hem bovendien Zijn liefde.

Yūsuf (عليه السلام) bereikte door de geestelijke vreugde van de liefde voor Allāh de ware vrijheid. Voortaan bestonden er in zijn ogen noch een gevangenis, noch duisternis.

[Alle mensen op deze wereld zijn gevangenen die wachten op hun dood. Welk nut kan de ene gevangene hebben voor een andere gevangene die in ellende kronkelt?]

De zonen van de sultan

Een sultan had drie zonen. Elk van hen was welopgevoed, verstandig en intelligent. In vrijgevigheid, moed en hun gehechtheid aan eer en waardigheid deden zij geen van elkaar onder.

De prinsen waren als drie kaarsen, het licht van de ogen van hun vader. Op een dag verschenen zij voor hun vader. Zij vroegen toestemming om de bestuurlijke en economische toestand van het land van dichtbij te gaan bekijken. Hun vader gaf hun toestemming.

Toen zij afscheid zouden nemen en zijn zegen vroegen, zei de sultan tegen hen:

“Ga waarheen jullie hart verlangt. Welke stad of welk fort jullie ook willen inspecteren, inspecteer die. Maar ga niet naar het fort Hoshruba (de fort van de geestesvervoering). Want dat fort is het fort van verdriet en rampspoed. Het is vol gevaren. Laat dit fort, dat overal met prachtige afbeeldingen is versierd, jullie niet misleiden. Ga dat fort beslist niet binnen en kijk niet naar de afbeeldingen. Laat jullie verlangens jullie de weg niet versperren. Als jullie niet naar mijn woorden luisteren, zullen jullie in een rampspoed terechtkomen waaruit jullie nooit meer zullen kunnen ontsnappen.”

De prinsen zeiden: “Wij zullen handelen zoals u hebt opgedragen, vader. Het past ons niet om buiten uw bevel te treden.”

Daarop gingen zij op weg.

De prinsen hadden er veel vertrouwen in dat zij de raad van hun vader zouden opvolgen. Daarom vergaten zij “in shāʾ Allāh” te zeggen. Zij vroegen niet om de hulp van Allāh.

Na lange tijd door het land te hebben rondgereisd, ontstond in het hart van de prinsen het verlangen om naar het verboden fort te gaan. In de menselijke natuur ligt immers een neiging tot datgene wat verboden is. Werden Ādam en Ḥawwāʾ (عليهما السلام) niet naar de aarde gezonden omdat zij van de verboden vrucht hadden gegeten?

De prinsen zouden dit vergeten fort, dat zich in een afgelegen uithoek van het land bevond, misschien nooit hebben bezocht. Juist het verbod van hun vader om erheen te gaan, trok hun harten in die richting.

Het fort had vijf poorten die toegang gaven tot zee en land. Terwijl de prinsen vol bewondering tussen duizenden prachtige afbeeldingen rondliepen, zagen zij een afbeelding van een buitengewoon mooi meisje. Het beeld dat zij zagen, ontstak het vuur van de liefde in hun hart. De liefde voor het mooie meisje drong als een speer hun hart binnen. Hoe langer zij naar haar keken, des te groter werd hun verlangen.

Ze kregen duizendmaal spijt dat ze niet naar het advies van hun vader hadden geluisterd. Ze begrepen dat hun vader hun had verboden naar het fort te gaan om hen te beschermen tegen de rampspoed van de liefde, maar het was inmiddels te laat.

Ze begonnen te onderzoeken van wie het portret van dit wereldschoon meisje was.

Na langdurige inspanningen legde een shaykh met een geopend oog van het hart hun het geheim van het portret uit.

De shaykh zei: “Dit meisje, om wie zelfs de ster Ülker (Grote Beer) jaloers is, is de dochter van de sultan van China. Zij wordt op een zeer bijzondere manier bewaakt. Er wordt zelfs niet toegestaan dat vogels boven de plaats waar zij zich bevindt vliegen.”

De drie verliefde en bedroefde prinsen overlegden samen wat zij moesten doen. Hun gedachten, hun liefde en hun verdriet waren allemaal hetzelfde.

Ze besloten niet te klagen over de rampspoed van de liefde, weinig te huilen en veel geduld te hebben. Vervolgens gingen zij op weg naar China.

Ze lieten hun moeder en vader achter en verlieten het land waar zij later sultan zouden worden en de troon zouden bestijgen. Ter wille van hun liefde lieten zij alles achter zich en richtten zij zich op de verborgen geliefde.

Nadat de prinsen enige tijd met geduld als hun gids door China hadden rondgereisd, zei de oudste: “Mijn broeders, het verdriet van de scheiding van de geliefde zal mij doden. Ik heb geen geduld meer, mijn kracht is uitgeput. Mijn rûh is tot in mijn keel gekomen. Ik brand en smacht naar de hereniging met de geliefde.”

Zijn broers gaven hem raad alsof zij hem een verhaal vertelden: “Broeder, kom tot jezelf. Strooi ook geen zout in onze wonden. Handel niet zonder de gevaren te berekenen. Probeer niet uit het nest te vliegen als een vogel die nog geen vleugels heeft. Zie af van het aangaan van een strijd zonder wapens. Ga op zijn minst bij een ervaren shaykh te rade. Maak zijn voorzorgsmaatregelen tot jouw gids. Als iemand zelf geen verstand bezit, moet hij het verstand van een ander als gids nemen. Voor de mens is het verstand als een arm en een vleugel.”

De broers spraken nog vele andere woorden om hun oudere broer van zijn besluit af te brengen. Ze gaven hem telkens opnieuw advies. Maar hij trok zich niets van hun raad aan.

De oudste prins zei: “Deze woorden van jullie vergroten mijn afkeer van jullie. Weten jullie dan niet dat mijn borst als een vuurhaard met vuur is gevuld? In plaats van geduld is de liefde gekomen. Zij heeft mijn hart in brand gezet en aangestoken.

Ofwel zullen ze mijn hoofd eraf hakken, ofwel zal ik het gezicht zien van mijn geliefde aan wie ik mijn hart heb geschonken.”

De twee broers zeiden: “Broeder! Wij doen wat volgens ons juist is. Als wij je niet waarschuwen, hebben wij onze plicht niet vervuld. Waarom word je gekwetst door wat wij zeggen om je te waarschuwen? Wij weten niet meer wat we moeten doen.”

Terwijl zij zo met elkaar spraken, sprong de oudste prins overeind en zei: “Allāh zij met jullie”, waarna hij van hen wegging.

Buiten zichzelf van de smart van de liefde, in een staat van bedwelming, bereikte hij het paleis van de sultan van China. Zonder tijd te verliezen verscheen hij voor de sultan en kuste de grond.

De sultan van China kende de toestand van de drie prinsen van begin tot eind. Toch brachten de dienaren hem, overeenkomstig hun plicht, op de hoogte van de oudste prins:

“Mijn sultan! Deze prins heeft u als een grote sultan erkend en is met zijn gewonde hart naar u toe gekomen om zijn toevlucht bij u te zoeken. Hij is uw gunst en genade waardig.”

De sultan zei: “Geef deze jongeman welke positie, welk bezit of welk land hij ook maar wenst. Ik schenk hem twintigmaal, ja zelfs meer dan twintigmaal, het bezit dat hij heeft verlaten.”

Daarna liet hij hem niet bij zich komen.

Een van de dienaren zei: “Mijn heer! De prins heeft zowel het sultanaat als zijn rijkdom en bezittingen verlaten en is naar u toe gekomen. Zijn enige verlangen in zijn hart is uw dienaar en slaaf te worden.

Mijn sultan! Deze prins is de gouverneur van het rijk van de liefde. Bevrijd hem niet en ontneem hem zijn taak niet. Houd hem uitsluitend met zijn liefde bezig. Hoewel zijn lichaam zwak en zijn vermogen gering is, zal de gunst en edelmoedigheid van onze sultan zijn tekortkomingen aanvullen.”

De sultan liet de prins bij zich komen en bewees hem gastvrijheid en eer. De gunsten van de sultan namen het verdriet en de smart van de prins weg en verdreven zijn zorgen.

De prins smolt als de maan die voor de zon smelt en bevrijdde zich van zijn eigenheid. Hij werd gezuiverd van zijn slechte eigenschappen. Zijn volmaaktheden namen toe; hij ontwikkelde zich en werd vernieuwd.

Hij stak zijn hart in brand met liefde. Lange tijd bleef hij in de tegenwoordigheid van de sultan, steeds bereid zichzelf ieder moment op te offeren ter wille van zijn liefde.

Maar hij kon zijn liefdesziekte niet genezen. Hij vond geen weg naar de vereniging met de geliefde. Een tijdlang klemde hij zijn tanden op elkaar en verdroeg hij het geduldig. Uiteindelijk had hij geen kracht meer om te wachten. Zonder zijn wens vervuld te zien, kwam zijn leven ten einde. Hij zag het gezicht van de geliefde nooit. Zijn rûh bereikte echter de ware Geliefde.

Alleen de middelste prins kon bij de begrafenis van de oudste prins aanwezig zijn. De jongste prins was op dat moment ziek.

Toen de sultan van China de middelste prins zag, deed hij alsof hij hem niet herkende en vroeg hij de dienaar: “Wie is dit?”

De dienaar antwoordde: “Hij is de broer van de overledene.”

De sultan sprak hem vervolgens liefdevol toe met woorden als: “Jij bent voor ons de herinnering aan je oudere broer.”

De bezielende en tedere woorden van de sultan wekten de middelste prins als het ware opnieuw tot leven.

In het hart van de prins, die door het vuur van de scheiding leed, vond een uitbarsting van spirituele fayḍ plaats. Hij bereikte toestanden die een sûfî niet zou kunnen bereiken, zelfs niet na het doorstaan van honderden vormen van ascese en beproeving. Hij kreeg kennis van honderdduizenden geheimen. Veel van de toestanden over het hiernamaals waarover hij in boeken had gelezen, beleefde hij nu duidelijk en rechtstreeks.

Tussen de sultan en de prins vond een onzichtbare spirituele uitwisseling plaats. Fayḍ stroomde vanuit het hart van de sultan over het hart van de prins. Dankzij deze fayḍ werd de spirituele waarneming van de prins geopend.

In plaats van de sultan te danken voor zijn himmah, bleef de prins ongevoelig voor de eer die hem werd bewezen en voor de nabijheid die hem werd geschonken. Na verloop van tijd veranderde deze onverschilligheid in opstandigheid en hoogmoed.

De prins zei bij zichzelf: “Ben ik soms ook geen prins? Ben ik niet zelf als een sultan? Waarom heb ik mij aan het bevel van deze sultan onderworpen en voor hem gebogen?”

Deze ondankbaarheid van de prins, die zich aan zinloze en ongepaste gedachten had overgegeven, werd de sultan door middel van inspiratie bekendgemaakt.

Het spirituele leven van de prins kwam ten einde. Zijn hart werd gevuld met verdriet en smart. Toen hij zijn fout inzag, toonde hij berouw. Uit angst zijn geloof (īmān) te verliezen, zocht hij zijn toevlucht bij Allāh. Hij verrichtte huilend niyāz. Een jaar later stierf hij.

Van de drie prinsen was de jongste de meest begaafde. Hij gaf zijn geduld niet op tegenover beproevingen en tegenspoed. Hij bleef waakzaam tegenover de listen van de nafs. Hij week niet af van de rechte weg.

Nog vóór zijn dood doorgrondde hij het geheim van het sterven en bereikte hij de Geliefde. Uiteindelijk verkreeg hij zowel de dochter van de sultan als het sultanaat van China.

De koppigheid van de faqīh

In Bukhara woonde een gulle amīr. Hij bekommerde zich om de armen en deed van ’s morgens tot ’s avonds talloze goede daden. De ene dag schonk hij aan zieken, de andere dag aan weduwen en weer een andere dag aan behoeftigen. Mensen die geen werk konden vinden of door schulden waren overmand, kwamen naar hem toe.

De amīr had een bepaalde gewoonte wanneer hij giften uitdeelde. Hij stond behoeftige mensen niet toe hem mondeling om iets te vragen. Degenen die zijn gewoonte kenden, gingen langs de weg staan waar hij langs zou komen en wachtten daar stilletjes. De amīr wikkelde vervolgens zoveel goud als hij naar eigen inzicht wilde geven in een stukje papier en overhandigde het hun.

Op een dag zei een oude man tegen deze amīr: “Een einde aan mijn honger kan ik niet maken. Geef mij zakāh.”

De mannen van de amīr wilden de oude man tussen de andere behoeftigen vandaan halen en wegsturen. Maar de oude man verzette zich. Hij begon te schreeuwen en te klagen en maakte er een enorme scène van.

De amīr kon het niet langer verdragen en zei: “Vader, wat bent u toch een schaamteloze man!”

De oude man antwoordde: “Jij bent schaamtelozer dan ik. Je hebt deze wereld opgegeten en verslonden, maar je hebt nog steeds niet genoeg. Je bent zo hebzuchtig dat je zelfs probeert de andere wereld in handen te krijgen.”

De woorden van de oude man bevielen de amīr bijzonder goed. Hij schonk hem een grote hoeveelheid. Behalve deze oude man was er niemand die door hem mondeling om een gift te vragen erin slaagde hulp van de amīr te krijgen.

Deze gulle amīr organiseerde ook een dag waarop hij giften uitdeelde aan godsdienstige geleerden (fuqahāʾ). Een van de fuqahāʾ die voor een gift kwam, drong al jammerend naar voren. Huilend, smekend en klagend probeerde hij de amīr te overtuigen. Hij somde al zijn moeilijkheden op en vroeg om een gift, maar de amīr gaf hem helemaal niets.

Dezelfde faqīh bond de volgende dag planken aan beide kanten van zijn been en wikkelde er lappen omheen. Hij deed alsof hij gehandicapt was. Vervolgens mengde hij zich onder de gehandicapten om een gift te ontvangen. De amīr herkende hem echter en gaf hem opnieuw niets.

De volgende dag bedekte hij zijn gezicht met een stuk kleed. Hij dacht: “Misschien herkent de amīr mij niet en kan ik dan een gift krijgen.” Maar de amīr herkende hem opnieuw en gaf hem niets.

Enige tijd later trok hij een laken aan en vermomde zich als een vrouw. Samen met weduwen en wezen begon hij op de weg op de komst van de amīr te wachten.

Ook deze keer herkende de amīr hem en gaf hem niets.

Hoewel de faqīh honderd verschillende listen bedacht om een gift te krijgen, slaagde hij er niet in. In zijn wanhoop besloot hij nog één laatste poging te wagen.

Hij ging naar een lijkkledermaker en zei tegen hem: “Wikkel mij in een kleed en leg mij midden op de weg waar de amīr langs zal komen. Zorg er vooral voor dat je geen geluid maakt. Als de amīr medelijden krijgt en geld voor mijn lijkwade op mij werpt, zullen we het bedrag samen delen.”

Ook de lijkkledermaker was een arme man die zelf behoeftig was. Hij stemde met het voorstel in. Hij wikkelde de geleerde in een kleed, bracht hem naar de weg waar de amīr langs zou komen en legde hem daar neer.

Toen de amīr daar langskwam, wierp hij een hoeveelheid goud op het kleed. De faqīh kwam eerder dan de lijkkledermaker uit het kleed tevoorschijn om het geld te pakken.

Nadat hij het geld had meegenomen, zei hij tegen de amīr: “O amīr die de deuren van jouw vrijgevigheid voor mij gesloten hield! Zie je wel? Heb je gezien hoe ik toch een gift van jou heb weten los te krijgen?”

De amīr antwoordde: “O koppige! Je hebt het gekregen, je hebt het gekregen, maar je hebt het gekregen nadat je gestorven was. Voordat je stierf, kon je niets van mij krijgen.”

[Zoals de faqīh die door te doen alsof hij dood was toch een gift van de amīr ontving, zo zal ook de reiziger op het pad naar Allāh, als hij vóór zijn werkelijke dood het geheim van “sterven voordat je sterft” bereikt, zowel in deze wereld als in het hiernamaals de gunsten en gaven van zijn Rab ontvangen.]

APPANDIX 1: VERTELSTIJL IN DE MASNAWĪ

Auteur: Dr. Yakup Şafak

Mawlânâ Jalāluddīn Rūmī (1207-1273) was een van de belangrijkste figuren uit onze islamitische cultuur en literatuur geschiedenis. Zijn leven werd gekenmerkt door de extase van de liefde en het lijden van de scheiding. Aan het einde van zijn leven liet hij de moslimwereld en de mensheid een omvangrijk oeuvre na. In zijn werken komen de meest oprechte gevoelens van een verliefde rūḥ (geest) tot uitdrukking. Tegelijkertijd wordt de ṣūfī-leer daarin op een bijzonder mooie wijze uitgewerkt. Het belangrijkste van deze werken is de Masnawī, die bovendien als een literair meesterwerk wordt beschouwd.

Mawlânâ, die zich ten doel stelde het bewustzijn van eenheid, de liefde voor Allāh, de liefde voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), respect voor de mens en verdraagzaamheid in de harten te verankeren en ervoor pleitte de islām met een op de liefde gebaseerde oprechtheid te beleven, bracht zijn ideeën voornamelijk via zijn Masnawī onder de massa en zorgde ervoor dat zij deze aanvaardden.

Zoals bekend staat de Masnawī, waarin vrijwel elk onderwerp dat het individu en de samenleving aangaat aan de orde komt, van begin tot eind vol met verzen uit de Qurʾān, ahadith (profetische overleveringen), toespelingen, verhalen, anekdotes en spreuken. Elk verhaal en elke anekdote is passend bij het onderwerp, geestig en van een aard die een blijvende indruk achterlaat. Naast de ideeën die de Masnawī bevat, zijn het juist deze eigenschappen die het werk onsterfelijk hebben gemaakt en ervoor hebben gezorgd dat het zelfs vandaag de dag een grote aantrekkingskracht uitoefent op brede kringen van zowel binnenlandse als buitenlandse lezers.

De betekenis van het eerste vers van de Masnawī luidt, volgens de oude handgeschreven versies: “Luister, hoe deze nay (een traditioneel Perzisch/Turks blaasinstrument, gemaakt van riet) klaagt! Hij vertelt over de scheidingen.” Dat in de tweede versregel van het vers het werkwoord “hikâyet mî koned” (“hij vertelt/verhaalt”) is gekozen, komt ongetwijfeld doordat het woord hikâyet zowel het rechtstreeks als het indirect, in de vorm van een verhaal, vertellen van een gebeurtenis of toestand omvat.

Zoals uit de daaropvolgende verzen blijkt, vertelt de nay niet rechtstreeks wat hem is overkomen, maar doet hij dit in de vorm van een verhaal: “De nay spreekt over een met bloed gevulde weg; hij vertelt de liefdesverhalen van Majnūn.” (Masnawī 1/11) Maar de mensen laten zich vooral meeslepen door de nieuwsgierigheid en opwinding die de gebeurtenissen oproepen.

Het geheim dat achter de verhalen en parabels schuilgaat, oftewel de werkelijke boodschap ervan, ontgaat hun.

(De nay gaat verder:) “Ik heb in iedere gemeenschap geklaagd; ik werd bevriend met zowel mensen die in moeilijke omstandigheden verkeerden als met mensen die het goed hadden. Iedereen werd volgens zijn eigen veronderstelling mijn vriend, maar niemand zocht naar de geheimen in mijn binnenste. Mijn geheim is niet ver verwijderd van mijn klacht, maar niet ieder oog en ieder oor bezit dat licht.” (Masnawī 1/5-7)

De commentatoren zeggen dat de nay de insân-ı kâmil (de volmaakte mens) vertegenwoordigt en dat de nayistan (rietveld) de goddelijke wereld vertegenwoordigt. Daaruit blijkt dus dat zelfs de allereerste zinnen en het onderwerp van de Masnawī reeds betrekking hebben op parabels en verhalen.

Om de redenen achter deze vertelwijze in de Masnawī te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk inzicht te hebben in de figuurlijke uitdrukkingswijze die kenmerkend is voor de islamitische literatuur. Een diepgaande analyse hiervan zou echter een uitgebreide behandeling vereisen. Daarom zullen we ons hier, aan de hand van de Masnawī, beperken tot het kort bespreken van enkele belangrijke punten.

Ten eerste wekken verhalen en parabels de nieuwsgierigheid van de mens op en trekken zij zijn aandacht. Hierdoor blijven de behandelde onderwerpen gemakkelijker in het geheugen van de lezer en luisteraar hangen.

Ten tweede kunnen ontwikkelde arwāḥ (geesten) en het menselijke denken de diepte en rijkdom die in hen besloten liggen alleen tot uitdrukking brengen door middel van veelomvattende woorden en zinnen die talrijke associaties oproepen. Mawlânâ klaagt er dikwijls over dat woorden tekortschieten om betekenissen uit te drukken. ‘Tāhirü’l-Mevlevî’ zegt in de inleiding van zijn commentaar op de Masnawī: “Hoogstaande onderwerpen en diepe wijsheden kunnen door dergelijke voorbeelden tot op zekere hoogte worden begrepen.”

Ten derde willen personen die bekend zijn met de geheimen van de wereld van de spirituele betekenis enerzijds willen zij de geheimen niet onthullen aan degenen die er niet voor geschikt zijn, en anderzijds beschouwen zij het rechtstreeks naar voren brengen van zichzelf als een vorm van zelfverheffing. Mawlânâ wijst er dan ook op dat er geen andere oplossing of weg is dan een figuurlijke vertelwijze, wanneer hij zegt:

“De ʿārifūn (mensen met spiritueel inzicht) die uit de beker van Allāh hebben gedronken, kennen de geheimen, maar verbergen ze. Aan wie zij de geheimen leren, verzegelen zij de mond, zodat die geheimen niet worden onthuld.” (Masnawī 5/2239-2240)

Volgens zijn eigen woorden is het daarom ook zo dat “het mooier is om over het geheim van de schoonheden te spreken terwijl men het over andere zaken heeft.” (Masnawī 1/136)

Bovendien moeten degenen die op zoek zijn naar lering en wijsheid niet kijken naar de verhalen en anekdotes als zodanig, maar naar de eigenlijke boodschappen die ermee worden overgebracht: “Broeder! Een verhaal is als een maatvat; de betekenis is als het graan dat erin zit. De verstandige neemt het graan en kijkt niet of het maatvat er wel of niet is.” (Masnawī 2/3622-3623)

“Een grap en een geestige opmerking kan dienen om iemand iets bij te brengen. Luister ernaar alsof het serieus is; laat je niet misleiden door het feit dat het aan de buitenkant een grap lijkt! Alles wat serieus is, is volgens de bespotters slechts een grap of een dwaasheid; maar voor verstandige mensen is zelfs een grap serieus..” (Masnawī 4/3558-3559)

Binnen dit kader zijn in de Masnawī, zij het in beperkte mate, van tijd tot tijd ook obscene verhalen en anekdotes opgenomen.

We weten dat er ook in sommige verzen en ahadith intieme uitdrukkingen voorkomen die niet aan het algemene publiek kunnen worden meegedeeld. De islām heeft als doel de mens te bevrijden van lage verlangens, uit het moeras van de begeerte en van wilde en primitieve neigingen. Islam wil de mens verheffen en hem dichter brengen tot Allāh de Bezitter van oneindige macht en kracht.

Daarom heeft de islām er niet voor teruggedeinsd om, wanneer dat nodig was, van een dergelijke uitdrukkingswijze gebruik te maken. Soms was dit noodzakelijk vanwege de aard van het onderwerp, en soms diende het om het individu en de samenleving te waarschuwen en op te voeden.

Geleerden, denkers en opvoeders die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als “uswah ḥasanah” (het goede voorbeeld) aanvaardden en hun levensvisie en kennis baseerden op de leer van de Qurʾān en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), hebben zich eveneens van tijd tot tijd van deze weg bediend. Zoals bij alles zijn er natuurlijk ook hier mensen geweest die de maat uit het oog verloren. Wanneer we echter de overgeleverde schriftelijke werken bestuderen, blijkt dat expliciete uitdrukkingen over het algemeen werden gebruikt in overeenstemming met de doelstellingen van de islām. Uitdrukkingen die slechts aanstootgevend waren, zonder bij te dragen aan dit doel en zonder enige literaire verfijning, werden niet gewaardeerd. Bovendien werd het slechts zelden als middel ingezet om een boodschap aan de samenleving over te brengen.

Dit blijkt ook uit het feit dat dergelijke uitdrukkingswijzen en verhalen niet alleen voorkomen in werken als de Mesnevī van Mevlânâ, die slechts in bepaalde kringen en op een bepaald niveau worden gelezen. Zelfs in gedrukte werken als de Gülistan en de Bahâristan, die eeuwenlang in onze madrasa’s (oude scholen) en binnen alle lagen van de samenleving werden gelezen en onderwezen, komen dergelijke passages voor, zij het in beperkte mate. Dit laat duidelijk zien vanuit welk perspectief onze vroegere samenleving dit onderwerp benaderde.

In onze vroegere cultuur treffen we obscene elementen vooral aan in literaire werken. In het bijzonder komen ze voor in boeken met geestige anekdotes en in sommige mesnevī’s (boeken die in de mesnevī-orde zijn geschreven). Deze anekdotes en uitdrukkingen zijn doorgaans zo geformuleerd dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van de poëzie. Daardoor konden zelfs de meest delicate onderwerpen worden behandeld, zonder dat daarbij een bepaald niveau van literaire verfijning werd overschreden.

Daarnaast treffen we ook in sommige soefiwerken en hagiografische geschriften, verweven tussen gebeurtenissen en verhalen die moeilijk te interpreteren zijn, hier en daar obscene beschrijvingen aan.

Ook in de klassieke poëzie, die sterk werd gevormd door de ṣūfī-gevoeligheid en waarin niet alleen schoonheid als zodanig, maar schoonheid in al haar verschijningsvormen werd bezongen, komen dergelijke uitdrukkingen voor. Hoewel dichters doorgaans vooral de schoonheid van het gelaat bezongen, verwezen zij soms ook naar de intieme lichaamsdelen van de geliefde. Deze figuurlijke en symbolische wijze van uitdrukken werd door de mensen van die tijd algemeen aanvaard. Het onderwerp werd daarbij beschouwd als een onderdeel van het eigen en bijzondere karakter van literaire werken.

Kortom, onze samenleving heeft door de geschiedenis heen een bijzondere belangstelling getoond voor humor, subtiele spot en geestigheid. Dit kan mede worden gezien als een uiting van een scherpe en levendige intelligentie. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zij, als natuurlijk onderdeel van het mens-zijn, ook op dit gebied belangstelling heeft getoond en enkele literaire werken heeft voortgebracht.

In een door mannelijke dominantie gekenmerkte samenleving die, vergeleken met de huidige tijd, tamelijk gesloten was, kwamen mannen en vrouwen doorgaans afzonderlijk bijeen. Zij converseerden en vermaakten zich binnen hun eigen kringen. Bovendien waren vrouwen meestal niet in de gelegenheid om te lezen en te schrijven. Tegen deze achtergrond bleven intieme en expliciete uitdrukkingen voornamelijk beperkt tot kleine en specifieke kringen.

Door het godsdienstige bewustzijn, het onderwijsniveau en het hoge niveau van zedelijkheid kregen dergelijke uitdrukkingen echter nauwelijks de gelegenheid om zich op grote schaal te verspreiden.

Naar onze mening was deze benadering in wezen gebaseerd op op het besef dat de mens de kostbaarste schepping op aarde is. Hij beschikt niet altijd over de mogelijkheid om een andere taal te creëren of te gebruiken voor de gevoelens, genoegens, abstracte ervaringen en gedachten die in zijn innerlijke wereld leven, mits daarbij de godsdienstige grondbeginselen niet werden aangetast en de maatschappelijke orde niet werd verstoord. Daarom werd het als noodzakelijk en vanzelfsprekend beschouwd dat de mens zich op welke wijze dan ook kon uitdrukken. Daarbij was er ruimte voor verdraagzaamheid en respect voor zijn geestelijke en intellectuele ontwikkeling van de mens.

Zo bedienden de meest vooraanstaande personen van de samenleving, staatslieden, shaykh al-islāms, geleerden, sûfī’s en literatoren zich zelfs bij de meest verheven en heilige onderwerpen steeds van dezelfde retoriek.

Als we terugkeren naar de Masnawī, moeten we de verhalen en anekdotes in dit waardevolle werk vanuit dit perspectief beoordelen. Sinds het ontstaan ervan heeft de Masnawī eeuwenlang een belangrijke rol gespeeld in de vorming van onze culturele wereld. Het belang en de invloed van dit werk blijven bovendien wereldwijd tot op de dag van vandaag toenemen.

Zo zegt M. Fuad Köprülü, een van de vooraanstaande deskundigen op het gebied van onze cultuur en literatuur: “Dat hij bij het beschrijven van sommige obscene aspecten van het leven enigszins te realistisch is, kan, wanneer men de persoonlijkheid van Mawlânâ en het doel waarmee de Masnawī werd geschreven in aanmerking neemt, op geen enkele wijze als verwijt worden aangemerkt.”

Evenzo zegt Abdülbaki Gölpınarlı, die in de wetenschappelijke wereld bekendstaat om zijn waardevolle onderzoek naar Mawlânâ en het mevlevī-orde: “Mawlânâ, die een echte man van het volk was, zag er, net als het volk, geen enkel bezwaar in om obscene verhalen soms te vertellen. In deze passages stelde Mawlânâ vooral de schadelijke gevolgen van een overmatige gehechtheid aan wellust op de voorgrond; (…) hij stelde een samenleving zonder vrouwen in al haar weerzinwekkendheid aan de kaak. (…) Hij schroomde er nooit voor om, wanneer de gelegenheid zich voordeed, zowel de madrasa als de takkah (ṣūfī-klooster) te bekritiseren en toonde daarmee zijn realisme in al zijn openheid tot uitdrukking.”

Daarom is het zowel verstandelijk als gewetensmatig noodzakelijk om de kleine hoeveelheid obscene verhalen en anekdotes die in de Masnawī zijn geschreven te beoordelen met inachtneming van de kenmerken van de periode waarin het werk werd geschreven, de denken kunstwereld van de auteur, zijn doel en stijl, de traditie, het verschillende karakter van literaire werken, de gevoeligheid van het onderwerp enzovoort. Het is een kwestie van gezond verstand en geweten om deze zaken te beoordelen zonder ze los te maken van de samenhang van het werk als geheel en van de hierboven genoemde voorwaarden.

Mawlânâ haalt de woorden van Sanāʾī aan: “Mijn bayt is geen bayt (huis), maar een iklim (sfeer, omgeving of tijdperk); mijn hazl is geen hazl (spot, humor, grap), maar taʿlīm (opvoeding, onderricht).”

Daarna zegt hij: “De uiterlijke vorm van de woorden van de Masnawī brengt degene die zich door de uiterlijke vorm laat misleiden op een dwaalspoor en doet hem zijn weg verliezen; maar degene die naar de betekenis kijkt, wijst zij de weg en brengt zij op het rechte pad.

Ook Allāh heeft gezegd:

يُضِلُّ بِهِۦ كَثِيرٗا وَيَهۡدِي بِهِۦ كَثِيرٗاۚ وَمَا يُضِلُّ بِهِۦٓ إِلَّا ٱلۡفَٰسِقِينَ

Hij (Allāh) liet er velen mee dwalen en Hij leidt er velen mee. En Hij misleidt slechts degenen die niet aan Zijn gehoorzaamheid beantwoorden. (al-Baqarah 2:26)

De ʿārif zegt: “Wanneer hij het woord ‘wijn’ gebruikt en daarmee de goddelijke wijn bedoelt, beschouw dat dan niet als iets ongerijmds. Hoe zou iets voor een ʿārif ooit werkelijk verloren kunnen gaan? Als jij de wijn begrijpt die de shaytān heeft gedronken, hoe zou je dan kunnen bevatten wat met de wijn van God wordt bedoeld?” (Masnawī 6/655-658)

Mawlânâ, die bij bepaalde onderwerpen niet volstond met slechts een waarschuwing, maar het noodzakelijk achtte de lezer soms te choqueren en hem op indringende wijze te waarschuwen, zegt over de ramp van de begeerte, die hij in enkele van zijn verhalen centraal stelt, het volgende: “Hebzucht laat zelfs lelijkheden mooi lijken; onder de rampen die men op zijn weg kan tegenkomen, is er geen ergere dan de begeerte. Honderdduizenden goede en mooie mensen heeft zij een slechte naam bezorgd; honderdduizenden het heeft zelfs een verstandig en weldenkend persoon versteld doen staan. Begeerte ontstaat door eten en drinken. Eet weinig, drink weinig; of trouw met een vrouw en vermijd zo het kwaad.

O jij die raad geeft! Als begeerte niet noodzakelijk was voor het voortbrengen van het nageslacht, dan zou Ādam uit schaamte zichzelf gecastreerd hebben.” (Masnawī , Gölp. 5/1369-1370, 1373, 941)

“Bescherm je vleugel, geef je niet over aan begeerte, zodat de vleugel van verlangen je naar de paradijzen verheft. De godsdienstige mensen worden niet verteerd door het vuur van begeerte, terwijl dit vuur anderen tot diep in de aarde heeft doen zinken.” (Masnawī 3/2133, 1/862)

Tot slot kan men in ieder werk dat morele raadgevingen bevat wel een of twee anekdotes van deze aard aantreffen, en in de divan van iedere dichter enkele gedichten. De mensen van vroeger zagen er geen bezwaar in deze, zij het in beperkte mate, voor educatieve of artistieke doeleinden te gebruiken. Zij brachten deze zaken echter niet tot het niveau van platvloers vermaak en probeerden er geen banale betekenissen aan te ontlenen.

Ook in de Masnawī zijn met dit doel enkele opscene verhalen en anekdotes opgenomen. Dat sommige daarvan op nadrukkelijke en zeer gedetailleerde wijze worden verteld, moet eerder worden gezien tegen de achtergrond van de omstandigheden van die tijd dan worden toegeschreven aan de persoonlijke stijl van de auteur.

Een dergelijke uitdrukkingswijze werd in die periode immers niet noodzakelijk als vreemd of ongepast beschouwd. Zij sluit bovendien aan bij de maatschappelijke werkelijkheid van een tijd waarin gemeenschappen met verschillende culturen, religies en etnische achtergronden naast en met elkaar leefden. De islamitische beginselen waren bovendien nog niet onder alle lagen van de bevolking volledig gevestigd. Daardoor kwamen ook ongeoorloofde en onnatuurlijke relaties en gewoonten voor.

Het staat eveneens vast dat degenen die de beproevingen van een ideaal en een geloof, zowel in zichzelf als binnen de samenleving, doorstonden, de zwaarte van iedere fase die zij bereikten, op hun schouders voelden.

Om de samenleving waarin zij leefden te verheffen tot het niveau dat zij zelf hadden bereikt, moesten zij voortdurend de obstakels overwinnen die hun op de weg naar ontwikkeling en vooruitgang in de weg stonden.

Als een natuurlijk gevolg van de menselijke aard moesten zij daarbij ook de strijd aangaan met degenen die niet bereid waren zich los te maken van hun vertrouwde leefwereld en eigen belangen.

Naar onze mening hebben onze voorouders deze werkelijkheid over het algemeen goed begrepen. Daarom sloten zij personen die hun verheven karakter hadden bewezen en zich onderscheidden door hun moraal, opofferingsgezindheid, liefde en verdraagzaamheid, in hun hart. Ook hun geestigheid, die kleur gaf aan het leven, en hun ideeën die de mens verheffen en oplossingen voor problemen aandragen, werden gewaardeerd. Zo werden zij als voorbeeldige persoonlijkheden beschouwd.

Vanuit dezelfde opvatting behandelden ook bestuurders en gezagsdragers hun buitengewone uitingen en uitspraken met verdraagzaamheid en respect. Zelfs wanneer deze soms de gevestigde regels en gewoonten van de samenleving aan het wankelen brachten, hadden zij daar begrip voor. Zij wisten immers dat deze uitingen en uitspraken een bepaald doel dienden.

APPENDIX: 2: MAWLÂNÂ CELÂLEDDÎN-i RÛMÎ (gest. 672/1273)

Auteur: Reşat Öngören (TDV Islam Ansiklopedisi)

Mawlānā werd op 6 Rabīʿ al-Awwal 604 (30 september 1207) geboren in de stad Balkh in Khorāsān. Op basis van een gedicht uit de Dīvān-i Kabīr is echter gesteld dat hij bij zijn ontmoeting met Shams-i Tabrīzī in 642/1244 tweeënzestig jaar oud was en dat zijn geboortejaar daarom 580 (1184) zou moeten zijn.

In de inleiding van de Mas̱nawī vermeldt Mawlānā zijn naam als Muḥammad b. Muḥammad b. Ḥusayn al-Balkhī. Zijn bijnaam was Jalāluddīn. De titel “Mawlānā”, die “onze meester” betekent, werd gebruikt om hem eer te bewijzen en hem te verheffen. De Perzische titel “Khodāwandagār”, die “sultan” of “heerser” betekent, werd hem door zijn vader gegeven.

Daarnaast werd hij, naar zijn geboortestad, aangeduid als “Balkhī”. Vanwege Anatolië, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbracht, werd hij ook aangeduid als “Rūmī”, “Mawlānā-i Rūm” en “Mawlānā-i Rūmī”. Vanwege zijn positie als mudarris (docent in de islamitische wetenschappen) werd hij eveneens genoemd met titels als “Mollā Hunkâr” en “Mollā-yı Rūm”.

Afgezien van bepaalde informatie die Mawlānā zelf in zijn werken verstrekt, zijn de gegevens over Mawlānā en zijn omgeving grotendeels gebaseerd op de Ibtidānāmah (Waladnāmah) van zijn zoon Sulṭān Walad, de Risālah van zijn murīd Farīdūn-i Sipahsālār en de Manāqib al-ʿĀrifīn van Aḥmad Aflākī, een murīd van zijn kleinzoon Ulu ʿĀrif Çelebi.

Ook zijn tijdgenoot ʿAbd al-Qādir al-Qurashī verstrekt in zijn werk al-Jawāhir al-Muḍiyyah, dat over de Ḥanafī-geleerden handelt, beknopte informatie over hem.

Hoewel de informatie in de Ibtidānāmah uit de eerste hand afkomstig is, is deze kort en bondig. In het werk van Aflākī, dat op veel punten de meest uitvoerige informatie bevat, komen daarentegen enkele overdrijvingen, tegenstrijdigheden en fouten voor.

In de werken van Mawlānā wordt geen informatie verstrekt over zijn afkomst.

In de Risāle-i Sipehsālār wordt vermeld dat de vader van Mawlānā, Bahāeddīn Walad, afstamde van Abū Bakr (رضي الله عنه), en in al-Jawāhir al-Muḍiyyah wordt een genealogie opgenomen die teruggaat tot Abū Bakr (رضي الله عنه). Ook Aflākī en latere auteurs, zoals ʿAbd ar-Raḥmān-i Jāmī en Dawlatshāh, vermelden dat hij van Abū Bakr (رضي الله عنه) afstamde.

Aflākī zegt daarentegen, op basis van een uitspraak van Bahāeddīn Walad, dat zijn afstamming via zijn moeder tot ʿAlī (رضي الله عنه) teruggaat. De discussies over Mawlānā’s Turkse afkomst dateren pas uit de recente periode. Deze discussies hebben zich grotendeels toegespitst op zijn kwatrijn (rubāʿī): “Beschouw mij niet als een vreemdeling, ik kom uit deze wijk. In jullie wijk zoek ik mijn huis. Hoewel ik als een vijand lijk, ben ik geen vijand. Hoewel ik in het Hindi spreek, is mijn afkomst Turks.”

Naast degenen die verdedigen dat met het woord “Turk” in dit gedicht een etnische afkomst wordt bedoeld, zijn er ook geleerden die stellen dat het woord hier een andere betekenis heeft. Weer anderen menen dat hiermee wordt verwezen naar een geestelijke verwantschap met het Turkse volk.

De vader van Mawlānā, Bahāeddīn Walad, behoorde tot een in Balkh gevestigde familie van geleerden en stond bekend onder de titel “Sulṭān al-ʿUlamāʾ” (sultan van de geleerden). Volgens Sipehsālār liep de ṭarīqah-silsilah (de spirituele genealogie of overdrachtsketen van een ṣūfī-orde) van Bahāeddīn Walad terug tot Aḥmad al-Ghazzālī. Er wordt ook vermeld dat hij een murīd (iemand die de spirituele weg volgt onder begeleiding van een shaykh) was van Najmuddīn-i Kubrā, de stichter van de Kubrawiyyah-ṭarīqah.

Volgens Aflākī was de moeder van Bahāeddīn Walad een dochter van ʿAlāʾuddīn Muḥammad Khwārazamshāh , uit de dynastie van de Khwārazamshāh s. Hoewel deze overlevering niet voorkomt in de oudere Risāle-i Sipehsālār, is gesteld dat zij een verzinsel van Aflākī zou zijn. Daarbij is erop gewezen dat Aflākī later nergens meer vermeldt dat Bahāeddīn Walad de kleinzoon van Sulṭān ʿAlāʾuddīn Khwārazamshāh was.

Volgens Aflākī bekritiseerde Bahāeddīn Walad in zijn preken geleerden als Fakhruddīn ar-Rāzī en Zayn-i Kīshī, evenals Khwārazamshāh ʿAlāʾuddīn Muḥammad, die hun opvattingen aanhing. Hij bekritiseerde hen scherp omdat zij de Griekse filosofie hadden aanvaard.

Zijn tegenstanders maakten gebruik van de verslechterde verhouding tussen Bahāeddīn Walad enerzijds en de bestuurders en geleerden anderzijds. Zij beweerden dat hij politieke bedoelingen had en samen met zijn aanhangers een opstand voorbereidde. Daarop verzocht Khwārazamshāh ʿAlāʾuddīn Muḥammad hem het land te verlaten, waarna hij gedwongen was samen met zijn familie Balkh te verlaten.

Hoewel Farīdūn-i Sipehsālār vermeldt dat Fakhruddīn ar-Rāzī zich persoonlijk bijzonder had ingespannen voor het besluit om Bahāeddīn Walad uit het land te verwijderen nadat diens verhouding met de heerser was verslechterd, blijkt volgens Aflākī dat Bahāeddīn Walad Balkh pas in 609 (1212-1213) verliet, minstens drie jaar na het overlijden van Fakhruddīn ar-Rāzī. Mawlānā was op dat moment vijf jaar oud.

Sulṭān Walad vermeldt niets over het besluit om Bahāeddīn Walad uit het land te verwijderen. Volgens hem verliet Bahāeddīn Walad de stad nadat hij, omdat hij gekrenkt was door de inwoners van Balkh, door een geestelijk teken had besloten naar de Ḥijāz te reizen. Nog voordat hij zijn bestemming had bereikt, werd Balkh door de Mongolen binnengevallen.

De informatie die Farīdūn-i Sipehsālār en Aflākī geven over de reis van Bahāeddīn Walad naar de Ḥijāz komt niet met elkaar overeen.

De vader van Mawlānā verbleef samen met zijn murīds en familie enige tijd in verschillende steden die op de route lagen en bereikte uiteindelijk Bagdad. Daar werd hij ontvangen door Shihābuddīn as-Suhrawardī. Terwijl hij vanuit Bagdad via Kūfa op weg was naar de Ḥijāz, kreeg hij het bericht dat de Mongolen Balkh hadden ingenomen.

Aangezien bekend is dat de steden van Khorāsān in 617 (1220) door de Mongolen werden binnengevallen, moet Bahāeddīn Walad zich in dat jaar in Bagdad hebben bevonden. De jaartallen die Aflākī geeft voor de latere fasen van de reis zijn hiermee echter in tegenspraak.

Aflākī vermeldt dat Bahāeddīn Walad op zijn terugreis uit de Ḥijāz Damascus aandeed, in 614 (1217) naar Malatya kwam en in 616 (1219) Sivas bereikte. Vervolgens reisde hij via Erzincan naar Akşehir, waar hij vier jaar lang lesgaf in de madrasah die op zijn naam was gebouwd. Vandaar ging hij naar Lārende (Karaman), waar hij eveneens ten minste zeven jaar als mudarris (docent die onderwijs geeft in islamitische wetenschappen) werkzaam was in de madrasah die voor hem was gebouwd. Daarna vestigde hij zich op uitnodiging van Sultan ʿAlāʾuddīn Kayqubād in Konya.

Verder vermeldt Aflākī dat Mawlānā, toen hij zeventien of achttien jaar oud was, in Lārende trouwde met Gevher Khātūn, de dochter van de geleerde Sharafuddīn Lālā uit Samarqand.

In 623 (1226) werd Sulṭān Walad geboren en een jaar later zijn andere zoon ʿAlāʾuddīn.

Uit Aflākī’s woorden lijkt te kunnen worden opgemaakt dat Mawlānā zijn meer dan zeven jaar durende opleiding aan de madrasah in Lārende voltooide en daarna trouwde. Dit komt echter niet overeen met zijn huwelijksleeftijd en evenmin met de geboortedata van zijn kinderen. De door Aflākī genoemde jaartallen wijzen er namelijk op dat Mawlānā al één of twee jaar na zijn vestiging in Lārende trouwde.

De moeder van Mawlānā, Mūmīne Khātūn, overleed in Lārende. Op de plaats waar zij werd begraven, werd later de Karaman Mawlawīkhāneh gebouwd.

Farīdūn-i Sipehsālār vermeldt daarentegen dat Mawlānā veertien jaar oud was toen hij in Konya aankwam. Op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat Bahāeddīn Walad in 618 (1221) in Konya aankwam.

Sulṭān Walad beperkt zich ertoe, zonder verdere details te geven, te vermelden dat Bahāeddīn Walad vanuit de Ḥijāz naar het land van Rūm kwam en dat Sultan ʿAlāʾuddīn Kayqubād hem in Konya bezocht.

Uit Mawlānā’s werk ‘Fīhi mā fīh’ kan daarentegen worden opgemaakt dat zij zich tijdens de belegering van Samarqand door de Khwārazamshāh in die stad bevonden. Dit wijst erop dat zij tijdens hun reis eerst naar Samarqand gingen.

Verder wordt vermeld dat Bahāeddīn Walad onderweg de stad Nishāpūr aandeed. Daar bezocht Farīduddīn ʿAṭṭār hen en schonk hij Mawlānā zijn ṣūfī-masnawī Asrārnāme (Boek der Geheimen).

Volgens Dawlatshāh zei Farīduddīn ʿAṭṭār tijdens deze ontmoeting tegen Bahāeddīn Walad over Mawlānā: “Deze zoon van jou zal niet veel tijd nodig hebben; hij zal in deze wereld het vuur ontsteken in de harten van de mensen wier hart door liefde voor Allāh brandt.”

Hellmut Ritter beschouwde deze ontmoeting echter als twijfelachtig, omdat Farīduddīn ʿAṭṭār volgens hem op dat moment waarschijnlijk al was overleden. Het is echter bekend dat ʿAṭṭār tot 618 (1221) heeft geleefd.

Na het overlijden van zijn eerste echtgenote, Gevher Khātūn, trouwde Mawlānā met Kīrā Khātūn, de dochter van de Konyalı ʿIzzeddīn ʿAlī. Zij was weduwe en had een kind genaamd Shamsuddīn Yaḥyā. Uit dit huwelijk werden Amīr Muẓaffaruddīn ʿĀlim Çelebi en Melike Khātūn geboren.

Nadat Bahāeddīn Walad twee jaar als mudarris had gedoceerd aan de Altınapa-madrasah in Konya, overleed hij op 18 Rabīʿ ath-Thānī 628 (23 februari 1231). Mawlānā was op dat moment vierentwintig jaar oud. Hij volgde zijn vader op en begon eveneens als mudarris te doceren.

Het jaar daarop kwam Sayyid Burhānuddīn Muḥaqqiq-i Tirmidhī, een van de murīds van Bahāeddīn Walad die zich tijdens Mawlānā’s jeugd met diens opvoeding had beziggehouden, naar Konya om zijn shaykh te bezoeken. Daar aangekomen vernam hij echter dat zijn shaykh was overleden. Er wordt ook vermeld dat Sayyid Burhānuddīn al eerder op de hoogte was geweest van het overlijden van zijn shaykh. Hij was naar Konya gekomen omdat Bahāeddīn Walad hem in een droom had opgedragen zijn zoon te onderrichten.

Toen Sayyid Burhānuddīn in Konya aankwam, schreef hij een brief aan Mawlānā, die zich in Lārende bevond, en riep hem naar Konya. Toen zij elkaar ontmoetten, vertelde hij hem dat zijn vader een volmaakte shaykh was geweest, zowel in de ʿilm-i ẓāhir (de formele/godsdienstige kennis die door studie wordt verkregen, zoals fiqh, tafsīr, hadith en Arabische taalwetenschappen) als in de kennis van de spirituele toestand (ʿilm-i ḥāl).

Hij zei dat Mawlānā ook in de kennis van de spirituele toestand dezelfde hoge graad moest bereiken die hij in de uiterlijke wetenschappen had bereikt. Daarop werd Mawlānā een murīd van Sayyid Burhānuddīn en diende hij hem gedurende negen jaar.

Volgens Aflākī stuurde Sayyid Burhānuddīn Mawlānā een jaar na hun ontmoeting naar Damascus, zodat hij zich verder zou verdiepen in de ʿilm-i ẓāhir.

Deze reis vond vermoedelijk plaats in 630 (1233). Sayyid Burhānuddīn begeleidde Mawlānā tijdens deze reis van Konya tot Kayseri. Vandaar reisde Mawlānā verder naar Aleppo, terwijl Sayyid Burhānuddīn niet terugkeerde, maar bij Ṣāḥib Isfahānī, de bestuurder van Kayseri, bleef.

In Aleppo studeerde Mawlānā aan de Ḥallāwiyyah-madrasah bij Kamāluddīn Ibn al-ʿAdīm, die tevens bestuurder van de stad was. Sipehsālār vermeldt dat hij bij Ibn al-ʿAdīm in verschillende madrasahs studeerde, maar noemt de namen daarvan niet.

Vervolgens reisde Mawlānā door naar Damascus en vestigde hij zich in de Muqaddamiyyah-madrasah. Het is niet bekend hoe lang hij in Aleppo verbleef.

Aflākī vermeldt dat er gezegd wordt dat Mawlānā vier of zeven jaar in Damascus verbleef. Bedīʿuzzamān Furūzānfar heeft echter, rekening houdend met het feit dat Sayyid Burhānuddīn (gest. 639/1241) na Mawlānā’s terugkeer uit Damascus nog in leven was, betoogd dat Mawlānā onmogelijk langer dan vier jaar in deze stad kan zijn gebleven.

Sipehsālār vermeldt dat Mawlānā ijāzah (certificaat van overdracht) verkreeg in zowel de rationele als de overgeleverde wetenschappen, in het bijzonder in wetenschappen als de Arabische taal en literatuur, lexicografie, fiqh, tafsīr en ḥadīth.

Hij vermeldt tevens dat Mawlānā in Damascus gedurende lange tijd gezelschap had van Muḥyiddīn Ibn al-ʿArabī, Saʿduddīn-i Ḥammūye, ʿUthmān-i Rūmī, Awḥaduddīn-i Kirmānī en Ṣadruddīn-i Qūnawī.

Volgens Aflākī wilde Ṣāḥib Isfahānī, toen Mawlānā vanuit Damascus naar Kayseri terugkeerde, hem in zijn paleis als gast ontvangen. Sayyid Burhānuddīn stemde hier echter niet mee in. Hij zei dat Mawlānā zijn vader in kennis had overtroffen en dat hij zich in khalwah (spirituele afzondering) moest terugtrekken “om parels van de kennis van het verborgene (ʿilm al-ladun) uit te strooien”.

Vervolgens bracht hij hem naar een cel die hij voor hem had ingericht en liet hij hem drie opeenvolgende arbaʿīn (een periode van veertig dagen van spirituele afzondering) volbrengen. Daarna reisden zij samen naar Konya.

Daar gaf Sayyid Burhānuddīn hem ijāzah om anderen geestelijk te onderrichten en te begeleiden (irshād), waarna hij naar Kayseri terugkeerde. Daar overleed hij. Mawlānā bezocht zijn graf en keerde vervolgens opnieuw naar Konya terug.

Sulṭān Walad vertelt dat Mawlānā negen jaar Sayyid Burhānuddīn diende. Omdat hun harten in de wereld van de betekenis (ʿālam al-maʿnā) met elkaar verbonden waren, waren zij in woord, wezen en geheim één. Toen Burhānuddīn uit deze wereld heenging, bleef Mawlānā alleen achter. Hij wendde zich tot Allāh en bracht, brandend van verlangen en gekweld door zorgen, vijf jaar door met riyāḍah (geestelijke oefening en zelfdiscipline). Gedurende deze periode kwamen talloze karāmāt (wonderbaarlijke tekenen) van hem aan het licht.

Ondertussen zette hij zijn activiteiten van irshād (geestelijke begeleiding) voort. Hij bleef de mensen toespreken en onderhield gesprekken met zijn murīds, van wie de meesten tot de geleerden en bestuurders behoorden.

Mawlānā ontmoette Shams-i Tabrīzī vijf jaar na het overlijden van Sayyid Burhānuddīn in Konya. Deze persoon, die door de pīrs (geestelijk leraren) van zijn tijd “de Kāmil van Tabrīz” werd genoemd en vanwege zijn vele reizen de naam “Shams-i Paranda” (de vliegende Shams) droeg, had aanvankelijk in Tabrīz in dienst gestaan van Shaykh Abū Bakr-i Sallāf. Daarna had hij met vele mutaṣawwifīn (mystici) gesprekken gevoerd.

Volgens de ene opvatting was hij een murīd van Ruknuddīn-i Sujāsī geworden; volgens een andere opvatting was hij een murīd van Bābā Kamāl Jandī. Jāmī vermeldt dat het mogelijk is dat hij met alle genoemde shuyūkh contact heeft gehad.

Aflākī zegt dat Shams op 26 Jumādā ath-Thāniyah 642 (29 november 1244) in Konya aankwam. Dit komt vrijwel overeen met de informatie die Sulṭān Walad geeft. De datum die Aflākī vermeldt, komt ook voor in de Maqālāt, die is samengesteld uit uitspraken van Shams-i Tabrīzī.

In de Maqālāt vertelt Shams dat hij, nadat hij had gebeden: “Laat mij kennis maken met Uw awliyāʾ”, in een droom te horen kreeg: “Wij zullen je tot metgezel maken van een walī.” Toen hij vroeg waar deze walī zich bevond, werd hem de volgende nacht verteld dat deze walī zich in Anatolië bevond, maar dat de tijd voor hun ontmoeting nog niet was aangebroken.

Er bestaan verschillende overleveringen over de inhoud van het gesprek dat tussen Shams en Mawlānā plaatsvond bij hun eerste ontmoeting.

Sipehsālār vermeldt dat Shams-i Tabrīzī op een nacht in Konya aankwam en zijn intrek nam in de Pirinççiler Han. De volgende ochtend zat hij op de divan voor de herberg, toen hij oog in oog kwam te staan met Mawlānā, die daar voorbijging. Op deze wijze vond hun eerste spirituele ontmoeting plaats. Mawlānā ging onmiddellijk op een divan tegenover hem zitten. Lange tijd keken zij elkaar aan zonder ook maar één woord te spreken.

Daarna begon Shams te spreken.

Hij vertelde dat Bāyazīd-i Bisṭāmī, uit zijn gehechtheid aan de Nabie, omdat hij niet wist hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een meloen at, zijn hele leven geen meloen had gegeten. Toch had Bāyazīd uitspraken gedaan als: “Ik prijs mijzelf; hoe verheven is mijn staat!”

en: “Er is niemand in mijn gewaad behalve Allāh.”

Vervolgens wees Shams op de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), waarbij hij vroeg hoe deze uitspraken met elkaar moesten worden verklaard: “Soms wordt mijn hart troebel en daarom vraag ik Allāh iedere dag zeventigmaal om vergiffenis.”

Mawlānā antwoordde: “Bāyazīd was weliswaar een van de volmaakte awliyāʾ, maar toen hem de verhevenheid van de maqām (geestelijke staat) van tawḥīd waartoe hij was opgestegen werd getoond, probeerde hij deze toestand uit te drukken met de bovengenoemde woorden.

Rasûlullāh daarentegen doorliep iedere dag zeventig maqāmāt. Wanneer hij, nadat hij een maqām had bereikt, de verhevenheid daarvan zag en daarmee vergeleken de geringheid van de vorige maqām aanschouwde, vroeg hij om vergiffenis omdat hij eerder met die lagere toestand genoegen had genomen.”

Shams-i Tabrīzī was zeer ingenomen met dit antwoord. Hij stond op en omhelsde Mawlānā. Volgens Aflākī vestigde Shams-i Tabrīzī zich bij zijn aankomst in Konya in de Şekerciler Han. Mawlānā verliet samen met zijn leerlingen een van de vier madrasahs waar hij lesgaf, de Pamukçular-madrasah, en reed op een muildier. Plotseling verscheen Shams voor hem, greep de teugel van het muildier en vroeg: “O jij die de kenner bent van de munten van deze wereld en van de spirituele wereld, wie was groter: Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) of Bāyezīd-i Bisṭāmī?”

Mawlānā antwoordde: “Muḥammad Muṣṭafā (صلى الله عليه وسلم) is het hoofd van alle profeten en awliyāʾ.” Daarop zei Shams: “Maar hij zei toch: ‘Ik prijs U, o Allāh, wij hebben U niet gekend zoals het behoort’, terwijl Bāyezīd zegt: ‘Hoe verheven is mijn staat! Ik ben de sultan van de sultans.’

Hierop antwoordde Mawlānā: “Omdat de dorst van Bāyezīd gering was, werd hij met één slok water verzadigd en was de beker van zijn begrip meteen gevuld. De dorst van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) nam daarentegen steeds verder toe. Zijn borst was door Allāh verruimd (al-Inshirāḥ 94:1). Hij sprak voortdurend over zijn dorst en verlangde ernaar iedere dag dichter bij Allāh te komen.” Toen Shams dit antwoord hoorde, raakte hij buiten zichzelf. Enige tijd later gingen zij samen te voet naar de madrasah.

ʿAbd ar-Raḥmān-i Jāmī vertelt het voorval eveneens zoals Aflākī het heeft overgeleverd en vermeldt daarnaast de volgende overlevering: Terwijl Mawlānā bij een vijver zijn boeken had opengeslagen en aan het studeren was, kwam Shams naar hem toe en vroeg: “Wat zijn dit?”

Mawlānā antwoordde: “Dit is allemaal kīl ü kāl.”

Daarop zei Shams: “Wat heb jij hiermee te maken?” en wierp de boeken in de vijver. Toen Mawlānā hierop reageerde, haalde Shams de boeken weer uit het water. Mawlānā zag dat het water de boeken niet had beschadigd en vroeg: “Wat voor geheim is dit?”

Shams antwoordde: “Dit is dhawq (geestelijk proeven van een spirituele werkelijkheid), dit is ḥāl (toestand); jij weet hier echter niets van.”

In de ‘Taẕkirah’ van Dawlatshāh wordt de vraag van Shams als volgt weergegeven: “Wat is het doel van mujāhadah (geestelijke inspanning en strijd), riyāḍah, het verwerven en herhalen van kennis?”

Mawlānā antwoordde: “Het kennen van de voorschriften van de Sunnah en de adab van de sharīʿah (de goddelijke voorschriften).”

Daarop zei Shams: “Dat alles heeft betrekking op het uiterlijke.”

Toen Mawlānā vroeg: “Wat is er dan boven dit alles?”, antwoordde Shams: “Kennis is datgene wat de mens tot het gekende brengt.”

Vervolgens reciteerde hij een vers van Sanāʾī met de betekenis: “Onwetendheid is waardevoller dan kennis die je niet van jezelf wegneemt.”

Mawlānā werd hierdoor diep geraakt. Na dit voorval zag hij af van het bestuderen van boeken en het geven van onderwijs en bleef hij voortdurend bij Shams.

ʿAbd al-Qādir al-Qurashī, een tijdgenoot van Aflākī, vermeldt dat de ontmoeting in het huis van Mawlānā plaatsvond. Terwijl Mawlānā samen met zijn leerlingen een kwestie besprak, kwam Shams binnen en ging bij hen zitten. Na enige tijd wees hij naar de boeken en vroeg Mawlānā: “Wat zijn dit?”

Hij antwoordde: “Dit zijn zaken die jij niet kent.”

Vervolgens verscheen er vuur tussen de boeken.

Mawlānā raakte in paniek en vroeg: “Wat is dit voor toestand?”

Shams antwoordde: “Ook dit ken jij niet”, waarna hij vertrok.

Daarentegen kan worden gesteld dat het voorval dat Ibn Baṭṭūṭah heeft opgetekend, dat in geen enkel opzicht de hierboven genoemde bronnen volgt en geen enkele subtiliteit van het soefisme bevat, niet waarheidsgetrouw is.

Volgens Aflākī was deze ontmoeting niet de eerste ontmoeting tussen Mawlānā en Shams. Eerder, toen Mawlānā voor zijn studie in Damascus verbleef en daar rondliep, kwam Shams-i Tabrīzī, met een kap op zijn hoofd en gekleed in een zwart gewaad van vilt, naar Mawlānā toe. Hij kuste zijn hand en zei: “O kenner van de munten van de wereld, begrijp mij.” Vervolgens mengde hij zich onder de menigte en verdween.

Op een andere plaats vertelt Aflākī dit voorval echter met verwisseling van de rollen van Shams en Mawlānā.

Nadat Mawlānā Shams-i Tabrīzī had ontmoet, verbrak hij vrijwel al zijn contacten met de mensen. Hij liet zijn lessen aan de madrasah en zijn taak om zijn murīds te begeleiden in irshād terzijde en begon al zijn tijd door te brengen in sohbet (geestelijke omgang) met Shams.

Dit veroorzaakte onder de murīds wrok jegens Shams, die zij niet kenden en die volgens hen hun shaykh van hen had weggenomen.

Toen er onder de bevolking, die verstoken bleef van Mawlānā’s preken, allerlei geruchten de ronde begonnen te doen, wordt vermeld dat Shams plotseling de stad verliet. Na dit voorval, dat Mawlānā zeer bedroefde, beseften de murīds dat de situatie nog verder was verslechterd en boden zij Mawlānā hun excuses aan.

Enige tijd later vernam Mawlānā uit een brief die Shams had gestuurd dat hij zich in Damascus bevond. Daarop schreef hij hem zeer aangrijpende brieven waarin hij hem dringend vroeg terug te keren. Aangezien de eerste van deze brieven dateert van 21 Shawwāl 643 (11 maart 1246), moet Shams ongeveer zestien maanden in Konya hebben verbleven.

Aflākī vermeldt dat Mawlānā tijdens deze periode van scheiding een farajī (een openvallende mantel) liet maken van een stof die “hindibārī” werd genoemd en die door rouwenden werd gedragen. Hij zette een honingkleurige vilten kulāh (ṣūfī-hoofddeksel) op zijn hoofd en wikkelde daarover een tulband in de stijl van een shakarāwīz. Ook liet hij de rabāb (traditioneel snaarinstrument), die tot dan toe vier snaren had gehad, van zes snaren voorzien en begon hij met het organiseren van bijeenkomsten voor samāʿ(een spirituele luisterbijeenkomst waarbij men bijvoorbeeld naar godsdienstige poëzie, gezangen of muziek luistert, met als doel spirituele ontroering en toenadering tot Allāhu Taʿālā).

Sipehsālār vermeldt dat Shams hem ertoe had aangespoord samāʿ te beoefenen. Sulṭān Walad vertelt dat zijn vader hem vervolgens naar Damascus stuurde. Toen Shams na herhaaldelijk te zijn uitgenodigd instemde om naar Konya terug te keren, keerden zij samen naar Konya terug.

Sulṭān Walad vergelijkt de relatie tussen Mawlānā en Shams met de relatie tussen Mūsā (عليه السلام) en Khiḍr (عليه السلام).

Hij zegt dat Mawlānā, net zoals Mūsā (عليه السلام), hoewel hij een profeet was, op zoek ging naar Khiḍr (عليه السلام), eveneens op zoek ging naar Shams, ook al was er niemand die de maqām had bereikt waartoe hij zelf in zijn tijd was opgeklommen.

Ditmaal brachten Mawlānā en Shams zes maanden door in de cel van Mawlānā’s madrasah, waar zij gesprekken voerden over maʿrifatullāh (het kennen van Allāhu Taʿālā). Niemand anders dan Sulṭān Walad en Shaykh Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb mocht bij hen binnenkomen.

In deze periode trouwde Shams met Kimyā Khātūn, de aangenomen dochter van Mawlānā. Toen de murīds en de bevolking opnieuw begonnen te roddelen, zei Shams tegen Sulṭān Walad dat zij hem wilden scheiden van Mawlānā, die in kennis en irfān (innerlijk inzicht) zijn gelijke niet kende. Hij zei dat, als hij deze keer zou verdwijnen, niemand zijn spoor zou kunnen vinden. Op een dag verdween hij plotseling. Vermeld wordt dat de tweede verdwijning van Shams-i Tabrīzī plaatsvond in 645 (1247).

Aflākī vermeldt dat er vóór de verdwijning van Shams een aanslag op hem was gepleegd. Terwijl Shams met Mawlānā in gesprek was, kwam een groep van zeven personen voor de deur van de cel. Een van hen vroeg Shams naar buiten te komen. Shams zei tegen Mawlānā: “Ze roepen mij om mij te doden”, en ging naar buiten. Op dat moment werd Shams met een mes gestoken. Hij slaakte een luide kreet en verdween. Daarna werd er niets anders gevonden dan enkele druppels bloed.

Aflākī vermeldt dat ook ʿAlāʾuddīn, de zoon van Mawlānā, tot de samenzweerders behoorde. Om die reden zou ook hij, net als de anderen, door een rampspoed zijn getroffen en zijn gestorven. Tevens vermeldt Aflākī dat Mawlānā de begrafenis van zijn zoon niet bijwoonde.

Sipehsālār beperkt zich daarentegen tot de volgende beschrijving. Omdat Mawlānā en Shams meer aandacht schonken aan Sulṭān Walad, ontstond er bij ʿAlāʾuddīn jaloezie.

Bovendien was het winter toen Shams met Kimyā Khātūn trouwde en had Mawlānā hun daarom de hal van de keuken toegewezen. Wanneer ʿAlāʾuddīn naar zijn vader kwam, moest hij door deze ruimte gaan. Shams waarschuwde hem daarom dat hij zich daarbij zorgvuldig en respectvol diende te gedragen.

ʿAlāʾuddīn kon deze waarschuwing echter niet verdragen en reageerde hierop. Vervolgens vertelde hij het voorval aan de bevolking, waardoor de geruchten en roddels nog verder toenamen.

Aflākī vermeldt dat Mawlānā, die Shams-i Tabrīzī nergens kon vinden, na veertig dagen in plaats van zijn witte tulband een rookkleurige tulband om zijn hoofd wikkelde. Hij liet een farajī maken van Jemenitische en Indiase stof en droeg deze kleding tot het einde van zijn leven.

Sulṭān Walad vermeldt dat zijn vader na de tweede verdwijning van Shams gedichten begon te reciteren die van liefde doordrenkt waren en dag en nacht onafgebroken samāʿ beoefende.

Enige tijd later reisde Mawlānā in de hoop Shams te vinden naar Damascus, maar keerde terug zonder hem te hebben gevonden. Enkele jaren later ging hij opnieuw naar Damascus. Hoewel hij hem daar maandenlang zocht, vond hij hem opnieuw niet. Volgens Bedīʿuzzamān Furūzānfar reisde Mawlānā in deze periode maar liefst viermaal naar Damascus.

Aflākī vermeldt dat hij tijdens zijn derde reis Ḥusāmuddīn Çelebi achterliet om zich in zijn plaats om de murīds te bekommeren. Hij verbleef ongeveer een jaar in Damascus. Toen vooraanstaande geleerden en bestuurders, onder wie de sultan van Rūm, hem brieven stuurden met het verzoek naar Anatolië terug te keren, keerde hij terug.

Volgens een andere overlevering die Aflākī vermeldt, werd Shams tijdens de aanslag gedood en werd zijn lichaam in een put geworpen. Op een nacht liet Shams Sulṭān Walad in een droom weten in welke put hij was geworpen. Sulṭān Walad haalde hem samen met zijn murīds uit de put en begroef hem bij Emīr Badruddīn, de architect van Mawlānā’s madrasah.

Volgens een andere overlevering die Aflākī optekende en die later ook door Jāmī werd vermeld, bevindt het graf van Shams zich naast dat van Bahāʾuddīn Walad.

Dawlatshāh vermeldt dat onder de bevolking het gerucht was verspreid dat Shams door de zoon van Mawlānā, ʿAlāʾuddīn, was gedood. Hij verklaart echter uitdrukkelijk dat dit beslist niet waar is.

Sulṭān Walad vertelt dat Mawlānā hem later bij zich riep en hem vroeg zich aan Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb te onderwerpen. Hij zei daarbij dat hij zelf geen verlangen had naar het shaykhschap.

Ṣalāḥuddīn, die zich bezighield met het beroep van goudsmid, had zich in zijn jeugd aangesloten bij Sayyid Burhānuddīn Muḥaqqiq-i Tirmidhī en vervolgens bij Mawlānā. Nadat Shams-i Tabrīzī was gekomen, nam hij ook deel aan diens sohbet. Ditmaal begon Mawlānā gesprekken te voeren met Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb.

Een aantal murīds beweerde dat Ṣalāḥuddīn onwetend was en niet geschikt was voor het shaykhschap. Sommigen gingen zelfs zover dat zij van plan waren hem in het geheim te doden en ergens te begraven, maar de aanslag werd voorkomen. Ook Mawlānā wijst op de jaloezie van de murīds door te vermelden dat Çavuşoğlu, een van zijn oude vrienden, vijandig tegenover Shaykh Ṣalāḥuddīn werd nadat deze de positie van khalīfah had ingenomen.

Mawlānā liet zijn zoon Sulṭān Walad trouwen met Fāṭimah Khātūn, de dochter van Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb, en bracht zo een familieband tussen hen tot stand.

Toen Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb tien jaar later overleed, stelde Mawlānā zijn murīd Ḥusāmuddīn Çelebi uit Urmiyah, die ook bekendstond als Ibn Akhī Türk, aan als zijn khalīfah.

Sulṭān Walad vermeldt dat zijn vader Shams-i Tabrīzī met de zon, Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb met de maan en Ḥusāmuddīn Çelebi met een ster vergeleek en hem op één lijn met de engelen beschouwde. Het ontstaan van de Mas̱nawī vond plaats op aansporing van Ḥusāmuddīn Çelebi.

Volgens Sulṭān Walad overleed Mawlānā tien jaar na de aanstelling van Ḥusāmuddīn Çelebi als khalīfah; volgens Sipehsālār was dit negen jaar later. Na ziek te zijn geworden overleed hij op 5 Jumādā ath-Thāniyah 672 (17 december 1273).

Omdat hij had opgedragen dat er bij zijn begrafenis niet gehuild of geweeklaagd moest worden en omdat hij de dag van zijn overlijden als het moment van hereniging beschouwde, werd zijn sterfdag “shab-i ʿarūs” (bruiloftsnacht) genoemd. Sindsdien worden ook de sterfdagherdenkingen onder deze naam gehouden.

Sulṭān Walad vertelt dat een zeer grote menigte mensen van allerlei religies en madhāhib de begrafenis van Mawlānā bijwoonde. Volgens hem zagen de moslims hem als het licht en het geheim van an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de christenen als hun ʿĪsā (عليه السلام) en de joden als hun Mūsā (عليه السلام).

Volgens Aflākī had Mawlānā opgedragen dat Ṣadruddīn-i Qūnawī zijn begrafenisṣalāh zou leiden. Sipehsālār vermeldt echter dat Ṣadruddīn-i Qūnawī, toen hij naar voren kwam om de ṣalāh te leiden, door hevig snikken buiten bewustzijn raakte. Daarom werd de ṣalāh geleid door de qāḍī Sirājuddīn al-Urmawī.

Na het overlijden van Mawlānā bleef Ḥusāmuddīn Çelebi nog tien jaar als khalīfah werkzaam. Na zijn overlijden volgde Sulṭān Walad hem op.

De murīds van Mawlānā waren voornamelijk afkomstig uit de gewone bevolking. Mensen uit allerlei ambachten en beroepen namen deel aan de bijeenkomsten van samāʿ.

Tegelijkertijd onderhield hij ook nauwe betrekkingen met de bestuurders van zijn tijd. Mawlānā hield deze betrekkingen echter doorgaans binnen het kader van raadgevingen en zorgde ervoor zich niet te mengen in de politieke strijd die voortkwam uit de onderlinge conflicten en rivaliteit van de bestuurders.

Onder de staatslieden van de Seltsjoeken bevonden zich ʿIzzuddīn Kaykāvūs II, Jalāluddīn Karatay, de qāḍī ʿIzzuddīn van Konya, Emīr Badruddīn Gevhertaş, Qilij Arslān IV, Muʿīnuddīn Parvānah, Majduddīn Atābeg, Amīnuddīn Mīkāʾīl, Tājuddīn Muʿtaz, Ṣāḥib ʿAṭā Fakhruddīn ʿAlī, ʿAlāʾuddīn Qayṣar, Jalāluddīn Mustawfī, Atābeg Arslandoğmuş, Nūruddīn Cacaoğlu, de heerser van Kırşehir, en zijn arts, Raʾīs al-Aṭibbāʾ Akmaluddīn an-Nakhjuvānī. Zij behoorden tot degenen die grote eerbied en toewijding voor hem hadden. Gürcü Khātūn, de echtgenote van Muʿīnuddīn Parvānah, en Gömeç (Gumaç) Khātūn, de echtgenote van Qilij Arslān IV, behoorden eveneens tot zijn murīds.

Vanwege enkele uitspraken van Mawlānā over de Mongolen is beweerd dat hij sympathie voor de Mongolen zou hebben gehad. Zijn opvattingen over de Mongolen bestonden echter uit niets meer dan het vanuit een soefistisch perspectief beschouwen en interpreteren van de gebeurtenissen. Vanuit dit perspectief verklaarde Mawlānā enerzijds de opkomst van deze grote macht van zijn tijd, terwijl hij anderzijds hun wreedheden aan de kaak stelde en zei dat zij niet lang zouden voortbestaan.

Aan de basis van Mawlānā’s interpretatie van alle gebeurtenissen lag de overtuiging dat zelfs in de meest negatieve omstandigheden positieve kanten en ontwikkelingen aanwezig kunnen zijn. Zo viel de Mongoolse bevelhebber Baycu, die Konya had belegerd, de stad niet aan, zoals Mawlānā had voorzien, en werden de Mongolen later moslim.

Mawlānā had een hechte vriendschap met Fakhruddīn-i ʿIrāqī. Toen ʿIrāqī in Konya de lessen van Ṣadruddīn-i Qūnawī volgde, nam hij ook deel aan de samāʿ-bijeenkomsten van Mawlānā.

Hoewel de verhouding tussen Mawlānā en Ṣadruddīn-i Qūnawī aanvankelijk niet goed was, lijkt deze geleidelijk te zijn verbeterd. Ṣadruddīn-i Qūnawī was aanvankelijk gekant tegen samāʿ, maar nam later afstand van dit standpunt en werd bevriend met Mawlānā. De overlevering dat Mawlānā enkele van zijn lessen bijwoonde, kan niet met zekerheid worden bevestigd.

Onder degenen die Mawlānā ontmoetten en sohbet met hem hadden, bevonden zich ook Najmuddīn-i Dāye, een khalīfah van Najmuddīn-i Kubrā, de stichter van de Kubrawiyyah, Ḥājī Mubārak Haydar, een khalīfah van Quṭbuddīn Haydar, de stichter van de Haydariyyah, Saʿdī-i Shīrāzī, Quṭbuddīn-i Shīrāzī, Humāmuddīn Tabrīzī en Khwājah Rashīduddīn.

Gedachtegoed van Mawlānā

Mawlānā was in de volle betekenis van het woord een geleerde, ṣūfī en dichter. Zijn opleiding, waarmee hij in zijn jeugd onder begeleiding van zijn vader was begonnen, zette hij voort in Aleppo en Damascus. Ook zijn eerste soefistische opleiding ontving hij van zijn vader.

Van zijn vader, Bahāʾuddīn Walad, die bekendstond onder de bijnaam Sulṭān al-ʿUlamāʾ, wordt gezegd dat hij een khalīfah was van Najmuddīn-i Kubrā, de stichter van de Kubrawiyyah. Ook wordt vermeld dat hij hilāfah had ontvangen binnen de ṭarīqah-silsilah die via Aḥmad al-Ghazzālī terugging.

Na het overlijden van zijn vader werd Mawlānā onderricht en begeleid in irshād door zijn khalīfah Sayyid Burhānuddīn Muḥaqqiq-i Tirmidhī, die bekendstond als “Sayyid-i Sir”, omdat men zei dat hij wist wat er in ieders hart leefde of van tevoren had aangekondigd dat Shams-i Tabrīzī zou komen.

Na Sayyid Burhānuddīn, die volgens de bijnaam “Fakhr al-Majdhūbīn” die Sipehsālār hem geeft, een extatische ṣūfī moet zijn geweest, vormde de ontmoeting met Shams-i Tabrīzī een keerpunt in het leven van Mawlānā. Nadat Shams in Konya was aangekomen, liet Mawlānā zijn preken, zijn lessen aan de madrasah en zijn taak om zijn murīds in irshād te begeleiden terzijde. In deze periode kwam de ware Mawlānā, die de goddelijke liefde en wajd (extase) bezong, tot bloei. Waar zijn liefde aanvankelijk verborgen was in zijn taqwā (godsvrucht), werd zijn taqwā voortaan verborgen in zijn liefde.

Een groot deel van de gedichten in de Dīwān-i Kabīr, een van de hoogtepunten van de wereldpoëzie, ontstond in deze periode. Nadat de Dīwān-i Kabīr was voltooid, volgde tijdens de daaropvolgende periode van rust de Mas̱nawī, een van de meest verbreide en belangrijkste werken van de islamitische cultuur.

De bron van Mawlānā’s godsdienstig-soefistische gedachtegoed is de Qurʾān en de Sunnah. Hij bracht dit zelf tot uitdrukking in het volgende vers: “Zolang mijn rūḥ in mijn lichaam is, ben ik de dienaar van de Qurʾān. Ik ben het stof aan de voeten van de uitverkorene Muḥammad ...”

Ook zei hij: “Ik ben als een passer: met één been sta ik stevig op de sharīʿah (de goddelijke voorschriften), terwijl ik met het andere been de tweeënzeventig volkeren bereis.” Daarmee gaf hij aan dat hij als moslim de gehele mensheid kon omvatten.

………………………………………………..

Volgens Mawlānā verkrijgt de dienaar door zich van zijn ego te ontdoen ware vrijheid van wil.

Want degene die zich van zijn individualiteit heeft bevrijd en het absolute Bestaan heeft bereikt, is met zijn wil, evenals met zijn bestaan, in Allāh opgegaan. Zijn wil en keuze zijn de wil en keuze van Allāh. Op dit niveau kan men bij de dienaar zowel spreken van jabr (dwang) als van vrije keuze. Zolang hij zich echter niet van zijn individualiteit heeft bevrijd, is het een leugen wanneer hij zijn daden aan Allāh toeschrijft.

Omdat Mawlānā de filosofen en de mutakallimūn (theologen) die door hen waren beïnvloed als tekortschietend beschouwde vanwege het feit dat zij uitsluitend belang hechtten aan het verstand, stelt hij dat qiyās (analogie) en istidlāl (redenering op basis van bewijsmateriaal) de mens tot fouten kunnen brengen. Volgens hem kan het verstand, dat vanwege zijn aard nuttig is in wereldse aangelegenheden, bij het bereiken van goddelijke waarheden en de wuslat (het bereiken van nabijheid tot Allāh, Allāh) juist een belemmering vormen. Voor de spirituele reis is goddelijke liefde noodzakelijk. Een van de gebieden waarop het verstand tekortschiet, is dat van de liefde en de spirituele toestanden. In de Qurʾān wordt gezegd: “Allāh houdt van hen en zij houden van Allāh.” De oorsprong van de liefde is dus goddelijk.

…………………………………………………….

Via studies over zijn gedachtegoed en vertalingen van zijn werken heeft hij tegenwoordig wereldwijd een groot publiek weten te bereiken en te beïnvloeden. In onderzoek naar zijn biografie en gedachtegoed is ook aandacht besteed aan de manier waarop zijn opvattingen zich over de hele wereld hebben verspreid en aan de wijze waarop zij mensen met verschillende culturele en godsdienstige achtergronden hebben beïnvloed.

In dit verband behandelt het werk van Efdal İkbal, The Impact of Mowlana Jalaluddin Rumi on Islamic Culture, de invloed van Mawlānā op India en Pakistan. In het laatste hoofdstuk van Annemarie Schimmels The Triumphal Sun: A Study of the Works of Jalâloddin Rumi wordt zijn invloed op het Oosten en het Westen behandeld. In een omvangrijk gedeelte van Şefik Can’s Mawlânâ: Hayatı, Şahsiyeti ve Fikirleri wordt zijn invloed op de Turkse, Perzische en Indiase literatuur en op westerlingen besproken.

Emine Yeniterzi behandelt in een gedeelte van haar studie Mawlānā Celāleddīn Rūmī zijn invloed op de Turkse, oosterse en westerse literatuur. Ten slotte wordt in een zeer omvangrijk gedeelte van Franklin D. Lewis’ Rumi: Past and Present, East and West: The Life Teaching and Poetry of Jalāl al-Dīn Rumi, zijn invloed in Iran, India, Pakistan, Afghanistan, de Arabische landen, het Ottomaanse Rijk, Turkiye en de westerse landen behandeld.

Er zijn ook studies verricht waarin handgeschreven bronnen en onderzoeken over het leven, de werken en het gedachtegoed van Mawlānā zijn samengebracht.

De eerste hiervan is de studie van Hellmut Ritter, waarin hij handschriften uit Turkse bibliotheken en ander onderzoek bijeenbracht (“Philologika XI.: Maulānā Ğalāladdīn Rūmī und sein Kreis”).

De meest omvangrijke studie op dit gebied is uitgevoerd door Mehmet Önder, İsmet Binark en Nejat Sefercioğlu in twee delen. Hiervoor werden de catalogi van alle bibliotheken die zowel binnen als buiten Turkiye toegankelijk waren, evenals encyclopedieën, tijdschriften, jaarboeken en kranten systematisch doorzocht. Adnan Karaismailoğlu heeft daarnaast de voordrachten die tijdens Mawlānā-congressen werden gepresenteerd, bijeengebracht.

Ook in Iran zijn verschillende bibliografische studies samengesteld. In het door Mândânâ Sâdık Behzâd geschreven Kitābnāme-i Mevlevī) en in deel VII van Kitābshināsī-yi Īrān zijn studies over Mawlānā in verschillende talen bijeengebracht.

Daarnaast zijn er het artikel van Müfide H. Başarır, getiteld “The New York Public Library, The Research Libraries’de Bulunan Mevlâna ile İlgili Eserlerin Tanıtılması”, en een artikel van Gabriel Mandel Khān al-Afghānī, “La bibliographie italienne sur Mevlâna.”

Werken

Hoewel er onder de gedichten en brieven van Mawlānā ook Arabischtalige teksten voorkomen, zijn zijn werken in het Perzisch geschreven.

Dīvān-i Kabīr (Dīvān-i Shams-i Tabrīzī).

Omdat dit werk, dat uit ghazals en rubāʿī’s bestaat, een zeer omvangrijke omvang heeft, wordt het Dīwān-i Kabīr genoemd. Omdat in de ghazals doorgaans de pseudoniemen Shams en Shams-i Tabrīzī worden gebruikt, staat het ook bekend als Dīwān-i Shams en Dīwān-i Shams-i Tabrīzī. De meeste gedichten behoren tot de periode na Mawlānā’s ontmoeting met Shams. In de ghazals komen ook de namen Ṣalāḥuddīn (Ṣalāḥuddīn-i Zarkūb) en Ḥusāmuddīn Çelebi als pseudoniemen voor. Daarnaast zijn er gedichten waarin het pseudoniem “Khāmūsh” wordt gebruikt. Men neemt aan dat vooral de meer ascetisch getinte gedichten hiervan in de eerste periode zijn uitgesproken. De rubāʿī’s in het werk zijn ook afzonderlijk als een boek verzameld.

Mas̱nawī. Het werk bevat alle onderwerpen van het soefistische gedachtegoed en wordt gerekend tot de belangrijkste werken van de islamitische cultuur. Om het van andere mas̱nawī’s te onderscheiden, wordt het ook aangeduid als Mas̱nawī-i Mawlawī, Mas̱nawī-i Maʿnawī en Mas̱nawī-i Sharīf. De auteur zelf gaf het bovendien titels als “Keşşāfu’l-Qurʾān”, “Fiqh-i Akbar”, “Ṣayqal al-arwāḥ” en “Ḥusāmīnāmah”.

Fīhi mā fīh. Dit werk bestaat uit de gesprekken en sohbet-bijeenkomsten van Mawlānā die tijdens zijn leven door zijn zoon Sulṭān Walad of door een andere murīd werden opgetekend en na zijn overlijden werden verzameld.

Majālis-i Sabʿah. Dit werk bestaat uit de toespraken die Mawlānā tijdens zijn preken en sohbet-bijeenkomsten hield. Naast de uitleg van de relevante āyāt en ahadith worden in deze toespraken ook gedichten van dichters als Sanāʾī en ʿAṭṭār opgenomen, evenals enkele verhalen die in de Mas̱nawī worden verteld en gedichten uit de Dīwān-i Kabīr.

Mektûbât.

Dit werk bestaat uit de brieven die Mawlānā om verschillende redenen aan uiteenlopende personen schreef. Daartoe behoren brieven die hij aan zijn naasten, zijn kinderen en zijn murīds stuurde, maar het merendeel ervan werd aan bestuurders geschreven om hun de verzoeken van mensen in nood kenbaar te maken.

Aan Mawlānā worden twee soorten awrād toegeschreven, een grote en een kleine. Deze awrād, die bestaan uit een volgens een bepaalde ordening samengestelde verzameling van enkele duʿāʾ’s en sūrahs, zijn gezamenlijk uitgegeven onder de titel ‘Avrād-ı Kabîr ve Avrâd-ı Ṣaġīr-i Ḥażret-i Mawlânâ’.

APPENDIX 3: TASAWWUF

De geestelijke en innerlijke levenswijze die wordt beleefd binnen het kader van de uiterlijke/zichtbare (ẓāhir) en innerlijke/verborgen (bāṭin) voorschriften (aḥkām) van de islām.

Auteur: Reşat Öngören (TDV Islam Ansiklopedisi)

Hoewel in de eerste werken die over tasawwuf zijn geschreven aandacht werd besteed aan het ontstaan en de oorsprong van het woord sûfî, hebben op één of twee auteurs na maar weinig schrijvers zich beziggehouden met de vraag hoe het woord tasawwuf is afgeleid. Een van de sûfî-auteurs die dit onderwerp behandelen, Abû Nuʿaym al-Iṣfahânî (gest. 430/1038), stelt dat tasawwuf afkomstig is uit een samenvoeging van de woorden ṣafâ en wafâ. Daarnaast vermeldt hij dat het mogelijk is afgeleid van sûfânah, een woestijnplant die door de zâhid (asceet) werd gegeten; van Sûfah, de naam van de stam die zich aan de dienst van de Kaʿbah had toegewijd; van sûfah in de woordverbinding sûfatu’l-kafâ (het haar in de nek), dat werd gedragen door degenen die zich aan al-Ḥaq (Allāh) onderwierpen; of van sûf (een wollen kledingstuk), omdat dit als een goedkope kledingsoort werd beschouwd en daardoor geen aanleiding gaf tot trots.

ʿAbd al-Karîm al-Qushayrî zegt daarentegen dat hij geen bewijs heeft gevonden waaruit blijkt dat tasawwuf afkomstig is van een Arabische stam en dat het waarschijnlijker is dat het een niet-afgeleid bijnaamwoord is. Volgens hem kregen degenen die zich in het gezelschap van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevonden de benaming ṣaḥâbah, degenen die zich in het gezelschap van de ṣaḥâbah bevonden tâbiʿîn en degenen die zich in het gezelschap van de tâbiʿîn bevonden tabaʿ at-tâbiʿîn. Later werden degenen die de voorschriften van de godsdienst met grote nauwgezetheid naleefden aangeduid als “ʿâbid” en “zâhid”. Vanaf de 2e (8e) eeuw werd de inspanning van de vooraanstaande leden van Ahl as-Sunnah om voortdurend (bewust-zijn) met Allāh te zijn en zich te beschermen tegen onachtzaamheid, als reactie op de bidʿah die in de loop der tijd was ontstaan, tasawwuf genoemd.

Daarnaast is naar voren gebracht dat de ʿâbid en zâhid vanwege het dragen van wollen kleding, die een symbool van nederigheid was, sûfî werden genoemd.

Men stelde dat uit het woord sûf het werkwoord “taṣawwafa” (wol dragen) was afgeleid om hun levenswijze uit te drukken en dat de term tasawwuf als maṣdar (verbaal zelfstandig naamwoord) van dit werkwoord werd gebruikt. Omdat deze opvatting zowel qua betekenis als grammatica passend werd geacht, kreeg zij algemene aanvaarding. Degenen die de weg van tasawwuf volgden, werden sûfî, ahl at-tasawwuf of mutaṣawwif genoemd.

In het Westen werd tasawwuf opgevat als “theosophy”, in de betekenis van een stroming die de geheimen en wetten van het universum en de manieren om daar invloed op uit te oefenen onderwijst, of als “mysticisme”, waarmee de innerlijke en spirituele kant van een godsdienst wordt aangeduid. Daarom werd het aanvankelijk aangeduid als “islamitisch mysticisme”. Toen echter duidelijk werd dat er wezenlijke verschillen bestaan tussen tasawwuf en mysticisme, begon men het woord “sufisme” te gebruiken.

René Guénon heeft uiteengezet dat tasawwuf vanwege zijn kenmerken als een levenswijze moet worden beschouwd die volledig verschilt van mysticisme. Tot deze kenmerken behoren het bestaan van een methode die actief wordt beoefend, het beleven ervan onder leiding van een gids (shaykh, murshid), de silsilah, de gidsen die teruggaat tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en het feit dat de tasavvufweg (ṭarîqah) die iemand binnengaat overeenkomstig zijn eigen smaak, begrip en inzichtsniveau, beschikt over eigen âdâb (gedragsregels), arkân (m.v. van rukn: zuilen) en adhkâr (m.v. van dhikr: gedenkingen). In de westerse literatuur wordt tegenwoordig ook het begrip tasawwuf gebruikt.

Er zijn zeer uiteenlopende definities van tasawwuf gegeven. Naar verluidt zijn er wel duizend definities. Deze definities beschrijven tasawwuf als geestelijke levenswijze, zijn verbondenheid met het Boek en de Sunnah, de verhouding van de dienaar tot Allāh en tot mâ-siwâ (alles wat anders is dan Allāh), en functies zoals het reinigen van het hart, het disciplineren van de nafs en het ontwikkelen van een goede moraal. Ook de eigenschappen en taken van de sûfî worden erin beschreven.

De verscheidenheid aan definities hangt in belangrijke mate samen met de geestelijke toestand en rang van de sûfî die de definitie geeft op het moment dat hij deze formuleert. Daarom wordt gezegd dat er evenveel definities zijn als er sûfî’s zijn.

Dede Ömer Rûshenî en Olanlar Shaykh Ibrâhîm Efendi hebben een aantal van de definities die verspreid in de bronnen voorkomen, in dichtvorm samengebracht. De Engelse oriëntalist Reynold A. Nicholson heeft achtenzeventig definities in chronologische volgorde weergegeven.

Volgens Muḥammad ibn Wâsiʿ (gest. 123/741), die tot de eerste personen behoort die tasawwuf definieerden, bestaat tasawwuf uit khushûʿ (innerlijke nederigheid en onderwerping aan Allāh), het gering achten van de nafs, qanaʿah (berusting in wat Allāh heeft geschonken) en bescheidenheid.

Junayd al-Baghdâdî stelde dat tasawwuf onder meer inhoudt: genoegen nemen met weinig wat wereldse zaken betreft, zich met het hart op Allāh verlaten, zich richten op ṭâʿah (het gehoorzamen van Allāh en Zijn geboden) en ʿibâdah (het aanbidden van Allāh), geduld hebben tegenover wereldse verlangens, kiezen voor het nuttige van wat men kan verkrijgen, zich afwenden van mâ-siwâ en zich tot Allāh wenden, Allāh oprecht gedenken, ikhlâṣ (zuiverheid van intentie) verwezenlijken tegenover influisteringen, yaqîn (onwankelbare zekerheid) verkrijgen tegenover twijfel, en vrede vinden bij Allāh door zich te bevrijden van afstand en vervreemding. Hij verklaarde tevens dat tasawwuf gebaseerd is op eigenschappen zoals de karam (vrijgevigheid) van Ibrâhîm (عليه السلام), de riḍā (tevredenheid) van Isḥâq (عليه السلام), de ṣabr (het geduld) van Ayyûb (عليه السلام), het teken van Zakariyyâ (عليه السلام), de eenzaamheid van Yaḥyâ (عليه السلام), het dragen van wol door Mûsâ (عليه السلام), de reis van ʿÎsâ (عليه السلام) en de faqr (armoede) van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).

Sommige sûfî’s hebben de aard van tasawwuf aan de hand van verschillende niveaus uiteengezet. Volgens deze benadering betekent tasawwuf op het niveau van ʿilm (kennis) het zuiveren van het hart van vertroebeling, het goed omgaan met de schepselen en het volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in shariʿah-aangelegenheden. Op het niveau van ḥaqîqah (de innerlijke werkelijkheid) betekent tasawwuf het ontbreken van bezit, het bevrijd zijn van slavernij aan eigenschappen en genoegen nemen met de Schepper. Wanneer het wordt uitgedrukt in de taal van al-Ḥaq, betekent tasawwuf dat Allāh de mensen zuivert van hun eigenschappen en hen daardoor de hoedanigheid van sûfî verleent.

Junayd al-Baghdâdî definieerde tasawwuf als “een eigenschap en hoedanigheid waarin de dienaar verblijft”. Toen hem werd gevraagd: “Is dit een eigenschap van de dienaar of van al-Ḥaq?”, antwoordde hij: “In werkelijkheid is het een eigenschap van al-Ḥaq, maar naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een eigenschap van de dienaar”.

In de definitie “Tasavvuf is het zowel uiterlijk als innerlijk naleven van de âdâb van de shariʿah” worden de âdâb van de shariʿah omschreven als “goddelijke eigenschappen”. Daarom is tasawwuf opgevat als het zich tooien met goddelijke eigenschappen.

In de Qur’ān (al-Baqarah 2/200; Āl ʿImrān 3/145; an-Nisāʾ 4/77; Hūd 11/15-16; al-ʿAnkabūt 29/64; ash-Shūrā 42/20) en in de ahadith (Bukhārī, “Riqāq”, 3; Tirmidhī, “Zuhd”, 25; Ibn Mājah, “Zuhd”, 1, 6) heeft de sterke nadruk op het feit dat mu’mins zich niet moeten verliezen in het wereldse leven en materiële genoegens, maar voorrang moeten geven aan het hiernamaals en geestelijke waarden, ertoe geleid dat de sûfî’s meer belang zijn gaan hechten aan het leven in het hiernamaals dan aan het wereldse leven. Een vrome mu’min worden die Allāh aanbidt alsof hij Hem ziet (Bukhārī, “Īmān”, 37; Muslim, “Īmān”, 1) werd het doel van tasawwuf.

Anderzijds hebben de aanwijzingen dat harten alleen rust vinden door het gedenken van Allāh (ar-Raʿd 13/28), dat de mu’mins Allāh veelvuldig moeten gedenken (al-Aḥzāb 33/41), dat het noodzakelijk is om met een qalb salīm (een innerlijk zuiver hart dat vrij is van shirk, ongeloof, huichelarij en andere geestelijke ziekten, en dat oprecht gericht is op Allāh) voor Allāh te verschijnen voor redding in het hiernamaals (ash-Shuʿarāʾ 26/89), en dat wanneer het hart goed en zuiver is, ook de overige lichaamsdelen goed en zuiver worden (Bukhārī, “Īmān”, 39; Muslim, “Musāqāt”, 107), ertoe geleid dat het veelvuldig gedenken van Allāh en de zuivering van het hart aan de basis van het tasavvuf-leven werden geplaatst.

Daarom werden aan tasawwuf namen gegeven als “ʿilm al-qulūb” en “maʿrifat al-qulūb”, en werden sûfî’s aangeduid met benamingen als “ahl al-qulūb”, “aṣḥāb al-qulūb”, “arbāb al-qulūb” en “ahl-i dil”*. Ook het onderwerp van het bestaan, de zuivering van de rūḥ en de noodzakelijke voorwaarden voor het zuiveren van de nafs en het verheffen van de moraal, de geestelijke maqāmāt (mv maqām: geestelijke staat of een stadium op de weg naar Allāh dat iemand door inspanning, oefening en geestelijke ontwikkeling bereikt) en aḥwāl (mv van ḥāl: geestelijke toestand die iemand door de genade van Allāh in het hart ontvangt), gevoelens zoals wajd (en intense innerlijke ervaring die het hart overkomt), istighrāq (het volledig opgaan in de herinnering aan Allāh, waardoor men zich tijdelijk nauwelijks van het overige bewust is), ʿishq (vurige liefde voor Allāh), liefde en afkeer, evenals kennis hierover, behoren tot de onderwerpen van tasawwuf.

In de 1e (7e) en 2e (8e) eeuw namen de ʿābid en zāhid, die zuhd en faqr verkozen, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld. Hij bracht een deel van de nacht door met ʿibādah om een dienaar te zijn die Allāh zeer dankbaar was (Bukhārī, “Tahajjud”, 6; Muslim, “Munāfiqīn”, 79). Ook namen zij de ṣaḥābī’s die ernaar streefden op dezelfde wijze te leven als voorbeeld.

Daarom probeerden zij naast de farāʾiḍ (verplichtingen) ook de nāfilah-ʿibādāt (vrijwillige aanbiddingen) te verrichten.

De voorwaarde die in de Qur’ān wordt gesteld dat gehoorzaamheid aan an-Nabie noodzakelijk is om van Allāh te houden en door Hem geliefd te worden (Āl ʿImrān 3/31), de waarschuwing aan de mu’mins dat zij Allāh, zijn rasūl en het strijden op de weg van Allāh boven alles moeten verkiezen (at-Tawbah 9/24), en de ahadith waarin wordt aangegeven dat een goede mu’min meer van an-Nabie moet houden dan van zichzelf” hebben de eerste sûfî’s diepgaand beïnvloed wat betreft het volledig volgen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit liefde. Daarom beschouwden zij het voortzetten van het geestelijke en spirituele leven dat hij leidde als hun eerste taak.

De verklaring dat het ware en eeuwige leven na de dood begint en dat de wereld vergankelijk is (al-Kahf 18/45-46), bracht het inzicht voort dat men de mogelijkheden van dit leven niet voor tijdelijke genoegens moet gebruiken, maar ze moet benutten voor redding in het eeuwige leven.

Daarnaast hebben de verklaringen en waarschuwingen in de verzen en ahadith:

- datʿibādāt en allerlei vormen van goedheid hun waarde ontlenen aan innerlijke eigenschappen zoals niyyah (intensie) en ikhlāṣ (oprechtheid),

- dat een diep gevoel van godsdienstige bezorgdheid en verantwoordelijkheid (taqwā) in het geweten moet overheersen,

- dat de mens voortdurend waakzaam moet zijn tegenover de misleidende neigingen en begeerten van zijn nafs (hawā),

- en dat men moet geloven in qadar (voorbeschikking) en taslīm (zich volledig overgeven aan de wil en voorbeschikking van Allāhu, zonder bezwaar of verzet),

- bezorgd moet zijn over zijn verantwoordelijkheid voor het hiernamaals,

- het bestaan diepgaand moet aanschouwen

- en de betekenis achter het zichtbare moet proberen te begrijpen,

- eveneens een omgeving en denkwijze geschapen waarin tasawwuf zich kon ontwikkelen.

Er zijn ook geleerden die het ontstaan van tasawwuf in verband brengen met de politieke conflicten, onderdrukking en onrechtvaardigheden die na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ontstonden, en met ontwikkelingen die erop wezen dat de levenswijze gebaseerd op oprechte godsdienstigheid uit de periode van ʿAṣr as-Saʿādah (Tijdperk van de Gelukzaligheid) plaats had gemaakt voor egoïsme en een sterke begeerte naar rijkdom en pracht en praal.

De eerste zāhid en sûfî’s, die zich vanuit godsdienstig en moreel oogpunt concentreerden op de zuivering van het hart, verdeelden de handelingen van de mensen in handelingen van het lichaam en handelingen van het hart.

- De handelingen van het lichaam noemden zij uiterlijke daden (aʿmāl-i ẓāhir),

- en de handelingen van het hart innerlijke daden (aʿmāl-i bāṭin).

De uiterlijke daden en de daarop betrekking hebbende voorschriften vormen de vormelijke en uiterlijke kant van de islamitische godsdienst;

De handelingen van het hart, zoals īmān, taṣdīq, ikhlāṣ, yaqīn, maʿrifah, muḥabbah, qurb, taqwā, murāqabah, tawakkul, ṣabr, riḍā, khawf, rajāʾ, wajd, verdriet, ḥayāʾ en haybah**, en de daarop betrekking hebbende voorschriften vormen haar geestelijke en innerlijke kant.

Maʿrūf al-Karkhī wilde met zijn definitie: “Tasavvuf is het aannemen van de werkelijkheden, spreken over de geheimen en geen hoop vestigen op datgene wat zich in de handen van de mensen bevindt”, duidelijk maken dat de Islam niet slechts uit vorm en rituelen bestaat, maar dat daarnaast ook waarde moet worden gehecht aan haar wezenlijke betekenis. Dit betekent dat de godsdienstige voorschriften moeten worden geïnterpreteerd overeenkomstig hun doelstellingen en wijsheden, volledig moeten worden nageleefd en in praktijk moeten worden gebracht. Daarom werden de sharʿī voorschriften zoals farḍ, ḥarām, makrūh en mubāḥ door de sûfî’s op dezelfde wijze toegepast op de handelingen van het hart.

Tasavvuf werd dan ook gedefinieerd als: “Door de uiterlijke kant van de shari`ah na te leven, haar uiterlijke voorschriften in het innerlijke te zien, en door haar innerlijke kant na te leven, haar innerlijke voorschriften in het uiterlijke te zien.”

In een andere definitie wordt benadrukt dat de tasavvufî levenswijze alleen tot stand komt door naast de uiterlijke voorschriften van de godsdienst ook de innerlijke voorschriften ervan na te leven. Een van de sûfî-auteurs uit de klassieke periode, Muḥammad ibn Ibrāhīm al-Kalābādhī, verklaarde dat de kennis van de sûfî’s de kennis is van de geestelijke toestanden die worden verkregen als gevolg van rechtschapen daden. Daarvóór is het echter noodzakelijk kennis te hebben van de shari`ah, zodat de godsdienstige voorschriften op de juiste wijze kunnen worden nageleefd. Vervolgens wordt, door de nafs van het kwaad te zuiveren en zich te tooien met de ādāb van Allāhs Boek en de kennis van maʿrifah verkregen.

Het denken van tasawwuf is gebaseerd op de liefde voor Allāh (maḥabbatullāh) en de vrees voor Allāh (makhāfatullāh). Omdat de vrees voor Allāh tegelijkertijd een terughoudendheid is die voortkomt uit liefde voor Allāh, vullen deze twee begrippen elkaar aan. Volgens de islām bestaat er wederzijdse liefde tussen de dienaren en Allāh: zoals de dienaren van Allāh houden, houdt Allāh ook van zijn dienaren.

Zoals in de verzen wordt vermeld, worden eigenschappen als berouw, zuiverheid, geduld, taqwā, iḥsān, rechtvaardigheid en tawakkul, waardoor Allāh zijn dienaren liefheeft, door de mensen van tasawwuf zorgvuldig nagestreefd tijdens het vormingsproces dat de seyrüsülûk (de geestelijke weg) wordt genoemd en onder begeleiding van een murshid-i kāmil wordt uitgevoerd. Als gevolg hiervan ontstaat er een geestelijke relatie tussen de dienaar en Allāh.

Tijdens deze vorming, die tot doel heeft het hart te bevrijden van geestelijke ziekten en de nafs te zuiveren van slechte eigenschappen, wordt van de murīd verlangd dat hij naast de farāʾiḍ ook de nāfilah-ʿibādāt verricht en zijn awrād en adhkār absoluut niet verwaarloost. Zo wordt in een ḥadīth al-qudsī gezegd: “Mijn dienaar kan Mij niet benaderen met iets dat beter is dan de zaken die Ik hem verplicht heb gesteld. Mijn dienaar blijft Mij ook door middel van vrijwillige daden van aanbidding naderen, totdat Ik van hem houd. Wanneer Ik van hem houd, ben Ik zijn oor waarmee hij hoort, zijn oog waarmee hij ziet, zijn hand waarmee hij vasthoudt en zijn voet waarmee hij loopt” (Bukhārī, “Riqāq”, 38).

Daarom benadrukten de sûfî’s dat naast de farāʾiḍ ook de nāfilah-ʿibādāt de liefde en de nabijheid tot al-Ḥaq naar hogere niveaus brengen. Het doel van de tasavvufî vorming is dat iemand wat betreft īmān yaqīn verkrijgt en wat betreft zijn daden opstijgt tot de maqām van ʿubūdiyyah (het geestelijke station van dienstbaarheid aan Allāhu Ta`ala) zodat hij zijn verplichtingen als dienaar op het niveau van iḥsān vervult.

Anderzijds werd het niet mogelijk geacht om zich volledig tot Allāh te wenden en de wiṣāl (geestelijke vereniging) te bereiken zolang de banden met gevoelens en verlangens die de mens naar materiële zaken en de begeerten van de nafs leiden, niet volledig waren verbroken. Hierbij gaat het onder meer om de begeerte naar macht en aanzien, liefde voor bezit, lust en verlangen naar roem. In deze context werd tasawwuf gedefinieerd als “alle banden met alles verbreken en met Allāh zijn” en als “dat Allāh de ‘ik’ die zich in jou bevindt, laat sterven en jou door jezelf tot leven brengt”.

Binnen tasawwuf wordt geloofd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bepaalde ṣaḥābī’s de adhkār heeft onderwezen. Doordat deze methoden van dhikr door latere generaties werden voortgezet, ontstonden er ketens van dhikr (silsilat adh-dhikr).

De ketens die via ʿAlī en Abū Bakr zijn overgeleverd, hebben zich via verschillende vertakkingen tot in de huidige tijd voortgezet.

Ṣaḥābī’s die uitblonken door hun leven van ʿibādah en zuhd, worden beschouwd als de eerste schakels van de tasawwuf-keten.

Vele tab`īn (zoals Waysal Qarānī, Ḥasan al-Baṣrī, Ibrāhīm ibn Adham…) behoren tot de tweede schakel.

Vanaf de eerste periode van tasawwuf hebben de sûfî’s, die probeerden de listen van de nafs en de shayṭān niet te volgen en de godsdienst oprecht te beleven, ervoor gekozen afstand te bewaren tot degenen die zij buiten deze levenswijze beschouwden en aanduidden als “de mensen van de wereld” (ahl ad-dunyā), “de mensen van de uiterlijke vormen” (ahl ar-rusūm) en “de gewone mensen” (al-ʿawām). De gewone mensen zijn immers gehecht aan begeerten van de nafs en aan wereldse belangen en genoegens.

De sûfî’s hebben daarentegen vanaf het begin aanbevolen omwille van Allāh vrienden en broeders te worden en hebben groot belang gehecht aan de vriendschappen die met dit doel werden aangegaan. Vanaf de 2e (8e) eeuw werden daarom khānqāhs (ṣūfī-kloosters) opgericht waar sûfî’s die door een geestelijke broederband met elkaar verbonden waren, bijeen konden komen om sohbet te houden en dhikr te verrichten en zich van tijd tot tijd in afzondering konden terugtrekken.

In latere perioden werden deze centra van tasawwuf ook aangeduid met namen als dargāh, tekke en zāwiyah. Om ervoor te zorgen dat deze centra ordelijk functioneerden en activiteiten uitvoerden overeenkomstig hun doel, werden regels opgesteld waaraan men zich diende te houden (ādāb en arkān), en werden hierover boeken geschreven.

Het is bekend dat de khānqāhs in bepaalde perioden ook de functie van madrasa’s vervulden. Naast tasavvufî vorming werden hier ook lessen gegeven in wetenschappen zoals tafsīr, ḥadīth, fiqh en ʿaqīdah.

In de loop der tijd werden bovendien voorzieningen zoals bibliotheken, gastenverblijven, tabkhānahs (gemeenschappelijke keukens) en ziekenhuizen aan deze centra toegevoegd, waardoor zij verschillende functies gingen vervullen.

Anderzijds werden de verschillen die zichtbaar waren in het begrip en de beoefening van tasawwuf door de grote sûfî’s beschouwd als verschillen in temperament en mashrab (soefi-orde). Hierdoor kregen degenen die geneigd waren tot een tasavvufî levenswijze de mogelijkheid om uit deze verschillende richtingen degene te kiezen die het beste bij hun eigen mashrab paste. In dit kader ontstonden vanaf de 3e (9e) eeuw verschillende soefi-ordes.groepen.

In de 1e en 2e (7e en 8e) eeuw vallen de steden Madinah, Kûfah en Basrah en de regio Khurâsân op als centra waar een leven van zuhd intensief werd beoefend.

In Madinah bevonden zich veel zāhid, onder wie vooral Saʿîd ibn al-Musayyab;

In Kûfah bevonden zich zāhid zoals ʿAbd al-Malik ibn Abjar, Ḍirâr ibn Murrah, Muṭarrif ibn Ṭarîf en Muḥammad ibn Sûqā, die het noodzakelijk achtten veel te huilen (bakkāʾîn);

En in Basrah bevonden zich zāhid-sûfî’s zoals Ḥasan al-Baṣrî en zijn leerlingen Mālik ibn Dînâr en ʿAbd al-Wâḥid ibn Zayd, alsook Râbiʿah al-ʿAdawiyyah.

Met Ḥasan al-Baṣrî ontwikkelde zich een opvatting van zuhd waarin vrees en verdriet de boventoon voerden, terwijl met Râbiʿah al-ʿAdawiyyah een leven van zuhd ontstond dat gebaseerd was op liefde voor Allāh. Ook de opvatting van zuhd in de regio Khurâsân kwam overeen met die van de school van Ḥasan al-Baṣrî. De eerste zāhid-sûfî’s uit deze regio, onder wie personen als Fuḍayl ibn ʿIyâḍ en Shaqîq al-Balkhî, waren immers gevormd onder invloed van de opvattingen over tasawwuf uit de omgeving van Bagdad en Basrah.

Vanaf het einde van de 2e (8e) eeuw werd de traditie van Ḥasan al-Baṣrî in Syrië vertegenwoordigd door sûfî’s zoals Abû Sulaymân ad-Dârânî, in Egypte door Dhû’n-Nûn al-Miṣrî en in Bagdad door al-Ḥârith al-Muḥâsibî. Ad-Dârânî benadrukte dat het begrip khawf samen met rajâʾ moest worden behandeld. Dhû’n-Nûn werd bekend als de eerste sûfî die het onderwerp maʿrifah in de tasavvufî betekenis ervan ter sprake bracht. In Egypte was Dhû’n-Nûn al-Miṣrî, in Khurâsân Bâyezîd al-Bisṭâmî en Shaqîq al-Balkhî, en in Bagdad Sarî as-Saqaṭî onder de eerste sûfî’s die over tasavvufî toestanden en maqāms spraken.

Bij al-Ḥârith al-Muḥâsibî, die de lijn van Ḥasan al-Baṣrî in Bagdad voortzette, zijn invloeden zichtbaar van sûfî’s als Abû Sulaymân ad-Dârânî, Dhû’n-Nûn al-Miṣrî en Bishr al-Ḥâfî. Aan de basis van Muḥâsibî’s opvatting van tasawwuf staan zuhd, zelfonderzoek van de nafs en de begrippen khawf en rajâʾ. Muḥâsibî, die de basis van het zelfonderzoek van de nafs legde in maʿrifah, khawf en rajâʾ, besteedde binnen tasawwuf aandacht aan het begrip ḥāl. Hij stelde dat de aḥwāl onder controle moeten worden gehouden en gebaseerd moeten zijn op het Boek en de Sunnah.

De belangrijkste tasavvufî stromingen die vanaf de 3e (9e) eeuw ontstonden, waren de school van Bagdad, vertegenwoordigd door sûfî’s als al-Ḥârith al-Muḥâsibî, Sarî as-Saqaṭî, Junayd al-Baghdâdî en Abû al-Ḥusayn an-Nûrî, en de school van Nishâpûr, vertegenwoordigd door sûfî’s als Bâyezîd al-Bisṭâmî en Ḥamdûn al-Qaṣṣâr.

Bij de eerste school lag vooral de nadruk op tawḥîd en maʿrifah, terwijl bij de tweede vooral de opvattingen van malâmah en futuwwah centraal stonden.

De beweging in Irak, die haar centrum in Bagdad had, werd tasawwuf genoemd en haar aanhangers werden sûfî genoemd. De beweging in de regio Khurâsân, met Nishâpûr als centrum, werd daarentegen malâmah genoemd en haar aanhangers werden malâmatî genoemd.

Hoewel de sûfî’s zich nauwgezet hielden aan de geestelijke beginselen van vroomheid, hechtten zij ook belang aan uiterlijke kenmerken en praktijken zoals ādāb, arkān, khirqah (ṣūfī-mantel) en samāʿ(ṣūfī-bijeenkomst voor spiritueel luisteren). Hierdoor vormden zij binnen de samenleving een afzonderlijke groep. De malâmatî’s, die er de voorkeur aan gaven eruit te zien als gewone mensen uit de bevolking, verzetten zich daarentegen categorisch tegen gedragingen die hen als een afzonderlijke groep herkenbaar maakten en tegen zaken zoals khirqah en samāʿ die hun identiteit zichtbaar maakten. Omdat zij ernaar streefden ikhlâṣ te bereiken zonder in riyâʾ (pronkzucht) te vervallen, namen zij het leven van een gewone moslim als uitgangspunt.

Het feit dat vanaf Sulamî naast de sûfî’s ook de malâmatî’s werden opgenomen in de boeken over de ṭabaqāt (generaties) van de sûfî’s, laat zien dat de malâmatî-houding werd beschouwd als onderdeel van het tasavvufî leven, maar tegelijkertijd als een afzonderlijke stroming en een eigen mashrab.

De opvattingen van de school van Bagdad werden door talrijke ṭarîqah’s overgenomen, met name door die waarin samāʿ en dawrān (ritmisch ronddraaien of in beweging komen tijdens dhikr) en luid uitgesproken dhikr werden beoefend, en zijn op die manier tot in de huidige tijd voortgezet. Ook de malâmatî-opvatting heeft, in het bijzonder binnen de Naqshbandiyyah en vele andere ṭarîqah’s, als een bepaalde ontstaan haar bestaan voortgezet.

Ook vanaf de 3e (9e) eeuw werden werken geschreven waarin aandacht werd besteed aan onderwerpen als het hart, de rūḥ en de nafs, hun verschillende toestanden, de moraal en adab van de murîds, de uitleg van tasavvufî toestanden en maqāms, awrād en duʿāʾ’s, de opvattingen van belangrijke sûfî’s, naast de fiqhī aspecten van de ʿibādāt ook hun geestelijke en tasavvufî betekenissen, een tasawwuf-opvatting die in overeenstemming is met de Qur’ān en de Sunnah, de dwalingen van afwijkende tasawwuf-groepen die hier niet mee overeenstemmen en de tasawwuf-groepen die zich aan de lijn van Ahl as-Sunnah houden. Het tasavvufî leven ontwikkelde zich in grote mate binnen het kader dat door deze werken was geschetst.

……………………………………

Daarnaast werden vanaf de 3e (9e) eeuw werken van het type ṭabaqāt geschreven waarin de deugden en wijze uitspraken van de mensen van tasawwuf werden verzameld. In deze werken werd naast de levensgeschiedenissen van de sûfî’s ook verwezen naar de tasavvufî toestanden en maqāms die zij hadden doorgemaakt en naar de weg en mashrab die zij hadden aangenomen.

………………………………….

Ook vormden de mensen van tasawwuf vanaf de vroegste perioden een traditie door, met als doel irshād (geestelijke leiding) en vorming, brieven te schrijven aan verschillende personen, in het bijzonder aan hun murîds. Na verloop van tijd leidde deze traditie tot het ontstaan van werken van het type maktûbāt (briefwisseling).

…………………………

Volgens de opvatting van tasawwuf bevinden zich onder de awliyāʾ van Allāh (awliyāʾullāh) personen die worden aangeduid met begrippen als “rijālullāh” en “rijāl al-ghayb”. Aan hen zijn taken toevertrouwd die vergelijkbaar zijn met de taken van engelen die worden aangeduid met namen als Jibrīl, Mīkāʾīl, Isrāfīl en al-mudabbirāt (an-Nāziʿāt 79/5).

Zij zouden zich inzetten voor het handhaven van de geestelijke en spirituele orde in de wereld, het tot stand brengen van het goede en het wegnemen van het kwade.

………………………………………….

Onder deze awliyāʾ, over wie in de bronnen verschillende gegevens worden vermeld met betrekking tot hun titels, bevoegdheden, aantallen en verblijfplaatsen, bestaat een bepaalde hiërarchie. Degene die bovenaan staat, wordt aangeduid met namen als “quṭb”, “quṭb al-aqṭāb”, “ghawth” en “ghawth al-aʿẓam”***.

Anderzijds wordt geloofd dat de sûfî’s die hun hart van mâ-siwā hebben gezuiverd en het aan Allāh hebben verbonden, bepaalde bijzondere kennis en toestanden bereiken. Deze kennis, die niet door iedereen kan worden bereikt, wordt “ʿilm al-khawāṣṣ” genoemd. De awliyāʾ die hierover beschikken worden “khawāṣṣ” genoemd en degenen onder hen die het hoogste niveau hebben bereikt “khāṣṣ al-khawāṣṣ”.

………………………………………………..

Hoewel de eerste sûfî’s bij het uitdrukken van de liefde voor Allāh doorgaans de woorden ḥubb, muḥabbah, ḥabīb en maḥbūb gebruikten, begonnen latere sûfî’s in brede kring de woorden ʿishq, ʿāshiq en maʿshūq te gebruiken. Zo ontstond het begrip goddelijke liefde.

………………………………………………..

Imām al-Ghazālī, die aan het begin van de 6e (12e) eeuw overleed, neemt in de geschiedenis van de tasawwuf een bijzondere plaats in.

……………………………………….

Ghazālī, die een opvatting van de tasawwuf aanhing die niet in strijd was met de kennis van de shari`ah, heeft zich met al zijn inspanningen ingezet om aan te tonen dat het tasavvuf-leven in overeenstemming is met de islām. In veel van zijn werken, met name in Iḥyāʾ ʿulūm ad-dīn, besteedde hij aandacht aan tasavvufische verklaringen van geloof, ʿibādah en morele waarden. Hij ging daarbij uitvoerig in op hun doel, wijsheden en geheimen.

Als de meest invloedrijke geleerde van zijn tijd bekritiseerde hij extreme tasavvufische opvattingen en wist hij het vertrouwen van de geleerden van de uiterlijke kennis te winnen.

Na al-Ghazālī gingen de geleerden zich in soennitische kringen intensiever bezighouden met de tasawwuf, dat daar een stevige basis had gevonden en zich verder ontwikkelde. Deze ontwikkeling mondde vooral tijdens de Ottomaanse periode uit in een harmonieuze samenwerking tussen de kringen van de madrasa en de tekke. In deze periode zien we dat veel geleerden uit de madrasa de weg van de tasawwuf betraden en dat sommigen van hen hun seyrüsülûk voltooiden en vervolgens de leiding van een tekke op zich namen.

Imām al-Ghazālī baseerde de tasawwuf, aan de hand van het vers:

ٱللَّهُ نُورُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ

“Allāh is het licht van de hemelen en de aarde” (an-Nūr 24/35), enkele ahadith en de uitspraken van eerdere sûfî’s, op een voornamelijk op het licht gerichte opvatting. Hij schreef zijn werk Mishkāt al-anwār om deze opvatting uiteen te zetten. Volgens hem is Allāh het meest verheven en ware licht; Hij is de bron van alle andere lichten. Alle spirituele en lichamelijke, immateriële en materiële bestaansvormen zijn weerspiegelingen van dat licht. Alle lichten die door emanatie uit de bron van het licht zijn voortgekomen, kennen ontelbaar veel graden. Naarmate de lichten verder van hun bron verwijderd raken, neemt hun graad van lichtgevendheid af en neemt hun duisternis toe. Juist omdat het bestaan van Allāh zo duidelijk is, met andere woorden vanwege de helderheid van Zijn licht (ishrāq), is Hij voor de mensen verborgen geraakt (Mishkāt al-anwār, p. 119, 135-136, 142-144).

Met deze opvattingen vormde al-Ghazālī een inspiratiebron voor Shihāb ad-Dīn as-Suhrawardī al-Maqtūl, de grondlegger van de Ishrāqiyyah binnen de tasawwuf.

De aard van de Ishrāqiyyah, die tegenover de opvatting in de islamitische intellectuele geschiedenis waarin redenering (istidlāl) als basis voor de bron van kennis wordt beschouwd, juist het bereiken van kennis door middel van kashf (geestelijk onthuld krijgen van een verborgen of voor het gewone menselijke zintuig ontoegankelijk inzicht) als resultaat van de tasavvufische ervaring centraal stelt, wordt door as-Suhrawardī uiteengezet in Ḥikmat al-ishrāq.

………………………………

De tasavvufische groepen die vanaf het tijdperk van gelukzaligheid (Asr-ı Sa`âdah) rond de zich voortzettende dhikr-silsilahs ontstonden, vormden in de loop der tijd onder verschillende namen tarīqahs.

…………………………….

Door de tasavvufische groepen werd de tasavvuf-cultuur over de gehele islamitische wereld verspreid. Enerzijds droeg dit bij aan een levendig godsdienstig leven onder de moslims, terwijl het anderzijds op veel plaatsen aanleiding gaf tot bekeringen tot de islām. De eerste bronnen van de tasawwuf werden in het Arabisch geschreven. Toen hun werken in het Perzisch begonnen te schrijven, werd ook het Perzisch een taal van de tasawwuf. Toen Aḥmad Yasawī zijn tasavvufische leven en opvattingen in het Turks verwoordde en veel van zijn khalīfahs deze traditie in Turkistan voortzetten, werd naast het Arabisch en Perzisch ook het Turks aan de talen van de tasawwuf toegevoegd. In Anatolië werd deze traditie vervolgens wijd verbreid door de gedichten en werken van vele mutasawwifs, met name Yûnus Emre.

In het tasavvufische leven deden zich vanaf de vroegste periode van tijd tot tijd afwijkingen voor. De gevoelige houding van vooraanstaande sûfî’s tegenover deze kwestie en hun kritiek open verwerping van afwijkende groepen zorgden er echter voor dat de hoofdstroom zich in de juiste richting bleef ontwikkelen. Over overtuigingen die in strijd waren met het Boek en de Sunnah schreven auteurs uit de klassieke periode, zoals Abū Naṣr as-Sarrāj, Muḥammad ibn Ḥusayn as-Sulamī, al-Qushayrī, al-Hujwīrī en al-Ghazālī, werken waarin werd gewezen op afwijkende opvattingen en praktijken en waarvoor werd gewaarschuwd.

Het ging onder meer om:

de bewering dat Allāh in het menselijk lichaam binnentreedt (ḥulūl);

de vereniging van de dienaar met Allāh (ittiḥād);

het vervallen van de verplichting tot ʿibādah nadat yaqīn is bereikt;

het verliezen van de waarde van de shari`ah tegenover de ḥaqīqah;

het beschouwen van de awliyāʾ als hoger dan de profeten;

de overgang van de rūḥ van het ene lichaam naar het andere (tanāsukh);

het niet erkennen van iets als ḥarām en alles als mubāḥ beschouwen (ibāḥah);

de bewering dat de mens onder dwang staat;

het handelen in strijd met de fundamentele regels van de godsdienst onder het voorwendsel dat men zich van riyāʾ wil bevrijden.

Daarnaast werd de praktijk van tarīqahs die tijdens de dhikr gebruikmaakten van muziek vanaf de vroege perioden door de geleerden bekritiseerd, omdat muziek volgens hen niet toegestaan was. Over deze kwestie werden talrijke verhandelingen voor en tegen deze praktijk geschreven. In latere perioden werden bepaalde opvattingen en praktijken van de beoefenaars van de tasawwuf met name bekritiseerd door geleerden als Abū al-Faraj Ibn al-Jawzī, Taqī ad-Dīn Ibn Taymiyyah, Ibn Qayyim al-Jawziyyah en Ibn Khaldūn.

Ibn al-Jawzī stelde in zijn werk Talbīs Iblīs dat sommige tasavvufische opvattingen en praktijken de activiteiten van de shaytān (satan) bevorderden en ertoe leidden dat mensen afdwaalden en de godsdienst verlieten.

Anderzijds zijn er ook geleerden geweest die stelden dat de tasawwuf onder invloed stond van het Bāṭinisme en het Shīʿisme, onder meer vanwege de liefde voor Ahl al-Bayt en het feit dat personen uit de lijn van de twaalf imams in sommige silsilahs voorkomen.

Volgens de Shīʿitische geleerde Ḥaydar al-ʿĀmulī, die beweerde dat de grondbeginselen van de tasawwuf in feite al in het Shīʿisme aanwezig waren, behoren de uiterlijke en sharʿī wetenschappen tot het Shīʿisme, terwijl de innerlijke wetenschappen tot het sûfî-zijn behoren. Volgens hem is iedere ware Shīʿī noodzakelijkerwijs een sûfî, en iedere ware sûfî een Shīʿī. Het blijkt echter dat een aanzienlijk deel van deze opvattingen berust op geforceerde interpretaties.

Vooral door degenen die het oriëntalistische perspectief aanhangen, wordt gesteld dat de oorsprong van de tasawwuf buiten de Islām gezocht moet worden. Er wordt beweerd dat het onder invloed van het christendom, het gnosticisme, de Perzische en Indiase mystiek of het neoplatonisme is ontstaan.

De belangrijkste referentiebron van degenen die stellen dat de tasawwuf van Indiase oorsprong is, is Bîrûnî, die wijst op de overeenkomsten tussen de tasawwuf en de Indiase geloofsovertuigingen. Ali Sâmî an-Neşşâr heeft de door Bîrûnî naar voren gebrachte opvattingen echter één voor één behandeld en beantwoord.

Opvattingen van westerse oriëntalisten over de tasawwuf

De westerse oriëntalisten die de Indiase oorsprong benadrukken, zijn tot deze overtuiging gekomen door de gedichten van sûfî-dichters als Mawlânâ Jalâleddîn-i Rûmî, Hâfız-ı Shîrâzî en Saʿdî-i Shîrâzî te vergelijken met de Wadānta’s, met name vanuit het oogpunt van het begrip tajallî en ṣudûr en wat betreft het begrip fanāʾ****.

Sommigen daarentegen hebben de overeenkomst tussen de tasawwuf en de Indiase mystiek oppervlakkig gevonden en naar voren gebracht dat de werkelijke bron het christelijke monnikendom was.

Degenen die stellen dat het begrip tajallî en ṣudûr van Indiase oorsprong is, hebben vanwege het feit dat men meer waarde hecht aan geloof dan aan daden en zich niet op de sharîʿah richt, een overeenkomst tussen de tasawwuf en het christendom gelegd. Zij hebben het ascetische leven binnen de tasawwuf aan de invloed van het Evangelie toegeschreven. Vanwege overeenkomsten in sommige uitspraken van de sûfî’s, vanwege het geestelijke leven en het begrip faqr, en vanwege de voorkeur voor het dragen van wol (ṣûf), hebben zij eveneens een verband gelegd tussen de tasawwuf en het christendom.

De voornaamste grondslag van degenen die stellen dat de tasawwuf van Iraanse oorsprong is, is de these dat de Arabieren, die belang hechtten aan het uiterlijke en als onbekwaam tot filosofische contemplatie werden beschouwd, een dergelijk systeem niet konden hebben ontwikkeld en dat dit alleen onder invloed van de Ariërs (Ârî), die in het noordelijke deel van Iran leefden, tot stand kon zijn gekomen. Op basis van het zeer frequente gebruik van de woorden ḥaq en ṣidq in de manichese literatuur heeft men beweerd dat de tasawwuf, waarin de nadruk op deze twee zaken wordt gelegd, onder invloed van het manicheïsme, een van de oude Iraanse religies, is gebleven.

De oriëntalisten die spreken over de invloed van het neoplatonisme, aanvaarden over het algemeen dat de tasawwuf een Islāmische oorsprong heeft, maar stellen dat het in de loop der tijd aan de invloed van deze filosofie is blootgesteld. Dit hebben zij geformuleerd als het feit dat de sûfî’s gebruikmaakten van het neoplatonisme om hun bovenredelijke ervaringen op rationele wijze te kunnen uitdrukken. Het neoplatonisme heeft eerst het christendom beïnvloed en is vervolgens via het christendom overgegaan op de tasawwuf dat onder invloed daarvan was ontstaan. De oosterse sûfî’s werden beïnvloed door de ascetische opvatting van het boeddhisme, de westerse sûfî’s door het christelijke monnikendom, terwijl de filosofie van het neoplatonisme de theoretische kant van de tasawwuf zou hebben gevormd.

Sommige oriëntalisten hebben, ondanks de aanwezigheid van vele Arabische sûfî’s vanaf de vroegste periode, vanuit het feit dat sûfî’s als Ibrāhîm b. Adham, Shaqîq al-Balkhî, Bāyazîd al-Bistāmî en Yaḥyā b. Muʿādh ar-Rāzî geen Arabieren waren, beweerd dat de tasawwuf van Turkse en Indiase oorsprong is en in Khurāsān is ontstaan en zich van daaruit heeft verspreid.

Er zijn ook mensen geweest die spraken over de invloed van het taoïsme op de tasawwuf.

Sommigen hebben echter benadrukt dat de tasawwuf uit de Qur’ān is voortgekomen. Hoewel Reynold Alleyne Nicholson de tasawwuf probeerde te verbinden met niet-Islāmische factoren zoals het christendom, het neoplatonisme, het gnosticisme en het boeddhisme, heeft deze opvatting in latere jaren verlaten en de rol van de Islām bij het ontstaan van de tasawwuf erkend.

Degenen die de doctrines van de Islāmische, Indiase en Chinese tasawwuf op intellectueel niveau hebben bestudeerd, hebben aangegeven dat er wat fundamentele lijnen en ideeën betreft overeenkomsten bestaan tussen de Chinese mystiek en de Islāmische tasawwuf, maar dat elk ervan binnen zijn eigen traditie een afzonderlijk geheel vormt. Zij hebben verklaard dat de tasawwuf volledig op de Islām als bron berust.

[*: Deze termen hebben allemaal betrekking op het “hart” (qalb) en worden in ṣūfī-literatuur gebruikt voor kennis of mensen die zich op het innerlijke leven richten:

ʿIlm al-qulūb: kennis van de harten

Maʿrifat al-qulūb: inzicht in de harten

Ahl al-qulūb: de mensen van het hart; degenen die zich met het innerlijke hart bezighouden

Aṣḥāb al-qulūb: de bezitters/gezellen van de harten

Arbāb al-qulūb: degenen die het innerlijke hart kennen en beheersen

Ahl-i dil: mensen met een zuiver, diepzinnig en spiritueel innerlijk leven.]

**:

īmān: geloof, geloofsovertuiging

taṣdīq: bevestiging, innerlijke bevestiging van de waarheid

ikhlāṣ: oprechtheid, zuiverheid van intentie

yaqīn: onwankelbare zekerheid, stellige overtuiging

maʿrifah: geestelijke kennis, innerlijk inzicht

muḥabbah: liefde

qurb: nabijheid, geestelijke nabijheid tot AllāhuTa`ala

taqwā: godsvrucht, bewustzijn van AllāhuTa`ala

murāqabah: geestelijke waakzaamheid, bewustzijn van het toezicht van AllāhuTa`ala

tawakkul: vertrouwen op AllāhuTa`alavolledige toevertrouwing aan Hem

ṣabr: geduld, volharding, standvastigheid

riḍā: tevredenheid met de beschikking van AllāhuTa`ala

khawf: vrees, vrees voor AllāhuTa`ala

rajāʾ: hoop, hoop op de barmhartigheid van AllāhuTa`ala

wajd: geestelijke vervoering, extase

ḥuzn: droefheid, geestelijk verdriet

ḥayāʾ: schaamte, bescheidenheid, eerbiedige terughoudendheid

haybah: ontzag, eerbiedig ontzag voor de majesteit van Allāhu Ta`ala

***:

- quṭb: de geestelijke leider die volgens bepaalde ṣūfī-opvattingen in zijn tijd de hoogste rang onder de awliyāʾ heeft.

- quṭb al-aqṭāb: de hoogste quṭb, dus de hoogste geestelijke rang binnen de hiërarchie van de awliyāʾ.

- ghawth: titel voor een zeer hooggeplaatste walī die wordt beschouwd als iemand door wie Allāhu Ta`ala geestelijke hulp en bijstand schenkt.

- ghawth al-aʿẓam: eretitel die in bepaalde ṣūfī-tradities wordt gebruikt voor een walī die als de hoogste geestelijke helper wordt beschouwd.

****:

- tajallī: het zich manifesteren van een goddelijke eigenschap, licht of werkelijkheid aan het hart van een mens. Het gaat dus om een geestelijke ervaring waarin iets van de goddelijke werkelijkheid zich aan het hart “onthult”.

- ṣudūr: het voortkomen of voortvloeien van iets, bijvoorbeeld het voortkomen van het geschapene uit een goddelijke oorsprong.

- fanāʾ: De murīd die het ṣūfī-leven binnentreedt, traint zijn nafs onder toezicht en begeleiding van een murshid gedurende een periode die afhankelijk is van zijn vermogen, door middel van verschillende vormen van riyāḍah (geestelijke zelfdiscipline) en mujāhadah (strijd tegen de eigen nafs).

Het punt dat als gevolg van deze training en tazkiyah (zuivering) wordt bereikt, wordt “fanāʾ-baqāʾ” (het verdwijnen van het ego en het voortbestaan in Allāh) genoemd.