As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Fiqhu'l akbar en Aqidat't Tahawiyyah

Auteur: Abu Hanifah / At-Tahawi

Onderwerp: Geloofsleer

Lees dit boek in de online lezer

Fiqhu'l akbar

De lof is aan Allāhu Taʿālā . Wij prijzen Allāhu Taʿālā en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāhu Taʿālā voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allāhu Taʿālā iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allāhu Taʿālā iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allāhu Taʿālā en wij getuigen ook dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Zijn dienaar en Zijn Gezant is.

As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasoel (Boodschapper) en de Nabie (Nabie) van Allāhu Taʿālā, Muhammad Mustafa (صلى الله عليه وسلم ) . As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.

Inleiding

Abû Hanîfah, die een grote bijdrage heeft geleverd aan zowel de vorming van de geloofsleer (ʿaqîdah) als aan de rechtswetenschap (fiqh) van Ahli’s-sunnah wa’l-Jamâʿahh wa’l Djama`ah, gaf aan de wetenschap die de geloofsleer behandelt de naam “al-fiqh fî d-dîn”. Aan hem zijn hierover verschillende werken toegeschreven, waarvan de verhandeling die bekend werd onder de naam al-Fiqh al-Akbar uit twee afzonderlijke overleveringen bestaat. De ene overlevering is via zijn leerling Abû Mutîʿ al-Balkhî overgeleverd, de andere via zijn zoon Hammâd ibn Abû Hanîfah. De eerste overlevering werd later bekend als al-Fiqh al-Absat, terwijl de tweede bekend werd als al-Fiqh al-Akbar.

Hoewel auteurs uit de vroege periode, een verhandeling met de titel al-Fiqh al-Akbar aan Abû Hanîfah toeschreven, maakten zij geen melding van al-Fiqh al-Absat. In citaten waarin auteurs als Abû Mansûr al-Mâturîdî, ʿAbd al-Qâhir al-Baghdâdî, Fakhr al-Islâm al-Pazdawî en Abû al-Muʿîn an-Nasafî expliciet de naam al-Fiqh al-Akbar noemen, worden inhoudelijke elementen aangetroffen die in beide overleveringen voorkomen. Hieruit blijkt dat zij deze twee overleveringen onder één en dezelfde naam aanduidden. Ook de opvattingen die door Ibn ʿAbd al-Bar aan Abû Hanîfah worden toegeschreven, vertonen overeenstemming met al-Fiqh al-Akbar. In de manâqib-werken wordt eveneens een werk met de titel al-Fiqh al-Akbar aan Abû Hanîfah toegeschreven, maar zonder dat de overleveraars worden vermeld. Zo noemt Bazzâzî in zijn Manâqib Abî Hanîfah deze toeschrijving zonder een overleveraar te noemen. Hij beschouwt de bewering dat al-Fiqh al-Akbar aan Abû Hanîfah al-Bukhârî zou toebehoren als een verzinsel van de Muʿtazilah, die Imâm al-Aʿzam tot hun eigen gelederen wilden rekenen, en hij vermeldt dat hij het handschrift heeft gezien van Shams al-Aʾimma al-Kardarî, waarin het werk aan Imâm wordt toegeschreven. Ook Ibn Taymiyyah vermeldt bij het citeren uit de overlevering van Abû Mutîʿ al-Balkhî dat deze onder de Hanafieten bekendstaat onder de naam al-Fiqh al-Akbar.

Eveneens in de werken van latere auteurs zoals Taşköprüzâde en Kâtib Çelebi wordt naast al-Fiqh al-Akbar geen afzonderlijke verhandeling met de titel al-Fiqh al-Absat aan Abû Hanîfah toegeschreven.

Oriëntalisten die onderzoek deden naar de vroeg-islamitische geloofsleer, zoals A. J. Wensinck, evenals westerse onderzoekers die door hem beïnvloed lijken te zijn, zoals L. Gardet en M. Watt, wijzen er eveneens op dat er twee verschillende versies van de verhandeling al-Fiqh al-Akbar bestaan. Wensinck onderscheidt de overlevering van Abû Mutîʿ al-Balkhî als al-Fiqh al-Akbar I en die van Hammâd ibn Abû Hanîfah als al-Fiqh al-Akbar II. Hij stelt daarbij dat de overlevering van al-Balkhî waarschijnlijk de oorspronkelijke opvattingen van Abû Hanîfah weergeeft en kort na zijn overlijden op schrift kan zijn gesteld, terwijl de overlevering van Hammâd qua stijl en inhoud tot een latere periode behoort en uiterlijk uit de tiende eeuw na Christus stamt, en daarom als een latere Hanafitische geloofsleer kan worden beschouwd.

Latere islamitische geleerden aanvaarden weliswaar de toeschrijving van al-Fiqh al-Akbar aan Abû Hanîfah, maar wijzen erop dat sommige onderwerpen die in het werk voorkomen tijdens zijn leven nog niet ter discussie stonden, en dat er daarom later aanvullingen aan het werk kunnen zijn gedaan. Een van de vertegenwoordigers van deze opvatting, Shiblî Nuʿmânî, wijst erop dat het gebruik van filosofische termen zoals “substantie” en “accident”, die in die periode nog niet gangbaar waren, erop duidt dat de huidige inhoud van al-Fiqh al-Akbar niet in zijn geheel aan Abû Hanîfah kan worden toegeschreven. Ahmed Amîn merkt op dat er van Abû Hanîfah meerdere overleveringen onder deze naam zijn doorgegeven, en dat zelfs de mening voorkomt dat al-Fiqh al-Akbar een werk over de praktische rechtsleer zou zijn. Hij stelt echter dat deze overleveringen niet allemaal correct kunnen zijn.

Volgens hem behoort het werk in de basis wel tot Imâm Abû Hanîfah, maar zijn er later aanvullingen aan de verhandeling toegevoegd. Zo strookt het toeschrijven aan Abû Hanîfah van opvattingen die oorspronkelijk bij de Murjiʾah horen, zoals dat îmân uitsluitend bestaat uit innerlijke bevestiging en uiterlijke belijdenis, dat de mu’minûn gelijk zijn in kennis en zekerheid maar in andere zaken van elkaar verschillen, en dat iemand die zichzelf als mu’min belijdt niet tot kāfir wordt verklaard vanwege een zonde, niet met zijn karakter als jurist die het handelen centraal stelt.

Muhammad Abû Zahra stelt dat de tekst van al-Fiqh al-Akbar niet in zijn geheel zonder onderscheid aan Imâm Abû Hanîfah kan worden toegeschreven, maar dat zij onderwerp voor onderwerp moet worden onderzocht. Zo zijn passages die wijzen op de rangorde in voortreffelijkheid van de vier rechtgeleide kaliefen en op de verschillen tussen muʿjizah, karâmah en istidrâj, waarschijnlijk later aan het werk toegevoegd. Deze passages komen namelijk niet overeen met de gegevens in de manâqib-werken over Abû Hanîfah en behoorden bovendien niet tot de kwesties die in zijn tijd werden bediscussieerd.

De Nederlandse vertaling van Fiqhu'l akbar:

1) TAWHID (MONOTHEISME) EN ÎMAN (GELOOF).

Het fundament van de tawhîd (het verkondigen van Allâhu Taʿālā's eenheid in Zijn Wezen, Namen en Eigenschappen) en de enige juiste manier om daarin (standvastig en zonder twijfel) te geloven, bestaat uit het zeggen van de volgende verplichte geloofsbelijdenis: "Ik geloof in:

- Allah

- Zijn engelen (malâ’ikah, e.v. malak)

- Zijn Boeken (kutub, e.v. kitâb)

- Zijn Gezanten (rusul, e.v. rasûl)

- de wederopstand na de dood (al ba`thu ba`da'l mawt)

- de voorbeschikking (qadar), m.a.w. dat het goede (khayr) en het kwade (shar) door Allâhu Taʿālā is voorbeschikt

- de afrekening (hasâb)

- de weegschaal (mîzân)

- het paradijs (Jannah)

- de hel (nâr)

(Verder geloof ik ook) dat al deze dingen op waarheid berust en werkelijkheid (haq) zijn".

2) ÎMAN IN ALLAHU TA`ALA.

Allâhu Taʿālā is één (wâhid), niet in de zin van hoeveelheid, maar in de zin dat Hij geen deelgenoten (sharîk) heeft.

(i.p.v. de Arabische tekst van de onderstaande en verder te volgen ayat (verzen van de Qur’ân) geven we alleen de Nederlandse uitleg ervan): (Qur'ân 112/1-4)

"Zeg: Hij is één (ahad).

Allah is as-Samad (alles is van Hem afhankelijk).

Niet is Hij voortgebracht, noch heeft Hij voortgebracht.

En niemand is aan Hem gelijkwaardig".

Hij lijkt op geen van de geschapenen en geen van de geschapenen lijkt op Hem. Hij is (beginen) eindeloos en zal (beginen) eindeloos zijn met Zijn Namen (asmâ’) en Zijn Eigenschappen (sifât) die zowel bij Zijn wezen (dhâtiyyah) als bij Zijn Werken (fi`liyyah) behoren.

Allâhu Taʿālā's Eigenschappen die bij Zijn dhâtiyyah behoren zijn:

- al Hayât (leven)

- al Qudrah (macht)

- al 'Ilm (kennis)

- al Kalâm (spreken)

- as Sami` (zien)

- al Basar (horen)

- al Irâdah (wil)

Allâhu Taʿālā's Eigenschappen die bij zijn fi`liyyah behoren zijn:

- at Takhlîq (scheppen)

- at Tarzîq (onderhouden)

- al Inshâ' (produceren)

- al Ibdâ` (vernieuwen)

- as Sun` (voortbrengen)

- en andere Eigenschappen die betrekking hebben op Zijn Werken.

Allâhu Taʿālā is eindeloos en zal (beginen) eindeloos blijven met Zijn Namen en Zijn Eigenschappen. Geen van Zijn Namen en Eigenschappen zijn later ontstaan.

- Allâhu Taʿālā weet in het oneindige krachtens Zijn eigenschap al `Ilm. Zijn al `Ilm eigenschap heeft Hij al in het oneindige (sifat'i fi'l azalî).

- Allâhu Taʿālā is Almachtig krachtens Zijn eigenschap al Qudrah eigenschap. Zijn al Qudrah eigenschap heeft Hij al in het oneindige.

- Allâhu Taʿālā spreekt krachtens Zijn al Kalâm eigenschap. Zijn al Kalâm eigenschap heeft Hij al in het oneindige.

- Allâhu Taʿālā schept krachtens Zijn eigenschap als al- Khâliq (de Schepper). Zijn eigenschap als al- Khâliq heeft Hij al in het oneindige.

Alles wat Allâhu Taʿālā maakt, doet Hij met Zijn eigen Handelen (al Fi`il). Zijn Handelen is een eigenschap die Hij al in het oneindige heeft.

Allâhu Taʿālā is de Handelende (al Fâ`il) en het product van Zijn handeling (maf`ûl) zijn de geschapenen (makhlûq). Maar Allâhu Taʿālā's Handelen is niet geschapen. Deze Eigenschappen heeft Hij al in het oneindige. Ze zijn noch later ontstaan noch geschapen. Een ieder die zegt dat deze Eigenschappen, die zowel bij Zijn Wezen (dhâtiyyah) als bij Zijn Werken (fi`liyyah) behoren, geschapen zijn of later ontstaan zijn of aan (deze waarheden) twijfelt of onzeker daarover is, met betrekking tot deze twee punten, is een ongelovige (kâfir) aan Allâhu Taʿālā.

3) DE QUR`AN IS HET WOORD VAN ALLAHU TA`ALA.

De Qur'ân al Karîm is het Woord van Allâhu Taʿālā, hij is geschreven in boeken (musâhif , e.v. mushaf), bewaard in het geheugen (van mensen), wordt gereciteerd met de tong, en is geopenbaard aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) . Onze uitspraak, op schriftstelling en recitatie van de Qur'ân zijn geschapen (makhlûq), terwijl de Qur'ân zelf niet geschapen (ghayri makhluq) is. Alles wat Allâhu Taʿālā vermeldt en zegt in de Qur'ân over de geschiedenis van Mûsâ ( عليه السلام) en andere anbiyā’ (عليهم السلام), over de farao (fir`awn) en de satan (iblîs), dit alles is het Woord van Allâhu Taʿālā.

Allâhu Taʿālā's Woord is ongeschapen, maar het woord van Mûsâ ( عليه السلام) en van de andere (anbiyā’) zijn geschapenen. De Qur'ân is het Woord van Allâhu Taʿālā al vanaf de oneindigheid (qadîm), dit geldt niet voor (het woord van) hen (die geschapenen zijn). Mûsâ ( عليه السلام) heeft het Woord van Allâhu Taʿālā gehoord, zoals het in de Qur'ân staat: "... en Allah sprak met Musa..." (Qur'ân 4/162). Allâhu Taʿālā heeft de eigenschap van spreken al voor Hij met Mûsâ ( عليه السلام) sprak, want Allâhu Taʿālā schiep vanaf de oneindigheid voor Hij de schepselen schiep. Toen Hij met Mûsâ ( عليه السلام) sprak, sprak Hij met Zijn Woord, dat één van Zijn oneindige Eigenschappen is.

Al Zijn Eigenschappen verschillen van die van de geschapenen.

- Hij weet, maar het gelijkt niet op onze kennis.

- Hij is machtig, maar het gelijkt niet op onze kracht.

- Hij ziet, maar het gelijkt niet op ons zien.

- Hij hoort, maar het gelijkt niet op ons horen.

- Hij spreekt, maar het gelijkt niet op ons spreken

Wij spreken d.m.v. (lucht), organen en letters, maar Allâhu Taʿālā spreekt zonder werktuigen en letters. Letters zijn geschapen, maar het spreken van Allâhu Taʿālā is ongeschapen.

Allâhu Taʿālā is "shay" ("ding") (zie Qur'ân 6/19), niet zoals andere dingen (in de zin van positief bestaan); de betekenis van Zijn "shay" zijn is:

- Hij is zonder "jism" (lichaam)

- Hij is zonder "jawhar" (substantie)

- Hij is zonder " `arad" (accidens)

- Hij heeft noch "hadda" (begrenzing), noch "didda" (tegenhanger), noch "nidda" (deelgenoot) en noch "mithl" (gelijke).

4) EIGENSCHAPPEN VAN ALLAHU TA`ALA ZONDER NAAR HET HOE (BILA KAYFIYYAH) TE VRAGEN.

Zoals Allâhu Taʿālā in de Qur'ân vermeldt, heeft Hij (o.a.):

- yad ("een hand")

- wajh ("een gezicht")

- en nafs ("een ziel")

En wat Allâhu Taʿālā in de Qur'ân zegt betreffende Zijn yad, Zijn wadjh en nafs; dit alles behoort tot Zijn Eigenschappen zonder naar het hoe te vragen (bilâ kayfiyyah) (m.a.w. het is niet toegestaan naar enig uitleg te vragen of uitleg te geven). Men kan niet zeggen dat Zijn yad gelijk staat aan Zijn qudrah (macht), of Zijn ni`mah (weldaad), want dit zou kunnen leiden tot het teniet doen van Zijn (yad) eigenschap. Alleen degenen die tot de Qadariyyah en Mu`tazillah school behoren, zeggen zo iets. Daarentegen is Zijn yad (één van) Zijn Eigenschappen, zonder dat we weten hoe. Hetzelfde geldt ook voor twee van Zijn (andere) Eigenschappen: Zijn ghadab (wraak) en Zijn ridâ' (welbehagen), het zijn twee van Zijn Eigenschappen, zonder dat we weten hoe.

Allâhu Taʿālā heeft de dingen niet uit reeds bestaande dingen geschapen. Allâhu Taʿālā heeft kennis over dingen voor ze bestonden, al in de oneindigheid.

Hij heeft ze zo voorbeschikt (qadar) en besloten (qadâ') dat niets kan gebeuren, zowel hier op aarde (dunyâ) als in het hiernamaals (âkhirah), behalve door:

- Zijn mashî’ah (wil)

- Zijn `ilm (kennis)

- Zijn qadâ' (raadsbesluit)

- Zijn qadar (voorbeschikking)

- en het geschrevene op Lawh'i Mahfûz (tabel waar al het voorbeschikte is opgeschreven).

Zijn schrijven is van van beschrijvende karakter en niet van een bevelende karakter. Qadâ', qadar en mashî’ah zijn Zijn oneindige Eigenschappen, zonder naar het hoe vragen.

Allâhu Taʿālā weet de nog niet bestaande dingen al in hun staat van niet-bestaan, als niet-zijn; en Hij weet hoe ze zullen zijn (nadat Hij ze heeft geschapen). Hij weet de bestaande dingen in de staat van hun zijn en Hij weet ook hoe ze zullen zijn als ze in niets opgaan. Allâhu Taʿālā weet het opstaan (van een persoon..etc) in de staat van zijn opstaan. Hij weet het zitten in de staat van zijn zitten. (De kennis van Allâhu Taʿālā over de toestands positie van dingen) verandert Zijn kennis niet en voegt ook niets daaraan toe. Maar deze verandering en dit verschil treden wel op bij de geschapenen.

5) ÎMAN (GELOOF) EN KUFR (ONGELOOF) ZIJN DE VERDIENSTEN VAN DE MENS ZELF.

Allâh heeft ieder schepsel vrij van îmân en kufr geschapen. Vervolgens heeft Allāhu Taʿālā zich tot hen gewend en hen Zijn geboden (amr) en verboden (nahy) bekend gemaakt. Iemand die dit niet geaccepteerd heeft, is door zijn eigen daad en verloochening én doordat Allâh Zijn hulp van hem heeft onthouden een kâfir (ongelovige) geworden. Iemand die dit wel heeft geaccepteerd, heeft door zijn eigen werken/daden (fi'il), bevestiging (tasdîq) en betuiging (iqrâr) (van Allâhu Ta'alâ) en met Allāhu Taʿālā's leiding en hulp, îmân verworven.

6) AHDU MITHAQ (VERBOND).

Allâhu Taʿālā nam uit de lendenen van Adam (عليه السلام) zijn nageslacht en begiftigde hen met intellect/verstand. Hij richtte zich tot hen en beval hen îmân te doen en verbood hen van ongeloof (kufr). Daarop hebben zij Zijn heerschappij (rabbubiyyah) betuigd en deze (betuiging) werd hun îmân. (En om deze reden) worden ze geboren met deze îmân als zijnde een natuurlijke godsdienst (fitrah=Islâm). Degene die hierna (nl. na zijn adolescentie/ volwassenwording) een kâfir wordt, is van deze fitrah afgedwaald en (zijn verbond met Allâhu Taʿālā) veranderd. En degene die hierna blijft geloven en betuigt (dat Allâhu Taʿālā één is), is aan deze fitrah (en verbond) trouw en standvastig gebleven. Allâhu Taʿālā heeft geen van Zijn schepselen gedwongen tot îmân of kufr. En Hij heeft hen ook niet als gelovige (mu'min) of als ongelovige (kâfir) geschapen. Allâhu Taʿālā weet een ieder die in kufr bevindt als een kâfir in de staat van zijn kufr. En wanneer hij daarna tot îmân komt, weet Allâhu Taʿālā hem als een mu'min, in de staat van zijn îmân. Hij bemint hem, zonder dat er ook maar enige verandering optreedt in Zijn kennis of in Zijn Eigenschap, (ondanks het feit dat de dienaar eerst een kâfir was en daarna een mu'min.)

7) EEN DIENAAR IS NIET DE SCHEPPER VAN ZIJN EIGEN DADEN.

Alle handelingen van een dienaar, zowel in bewegingsals in rusttoestand, zijn in werkelijkheid door henzelf verworven (kasb), maar Allâhu Taʿālā is de Schepper (al- Khâliq) ervan. (De schepping van de handelingen) geschiedt met:

- Zijn mashî’ah (wil)

- Zijn `ilm (kennis)

- Zijn qadâ' (raadsbesluit)

- Zijn qadar (voorbeschikking)

Alle goede verdiensten (at-tâ`ât) van een dienaar zijn verplicht (wâdjib) gesteld op grond van Allâhu Taʿālā 's:

- amr (bevel)

- muhabbah (liefde)

- ridâ' (welbehagen)

- `ilm (kennis)

- mashî`ah (wil)

- qadâ' (raadsbesluit)

- en qadar (voorbeschikking)

Alle slechte verdiensten (ma`âsiyyah) van een dienaar gebeuren met Zijn:

- `ilm (kennis)

- qadâ' (raadsbesluit)

- qadar (voorbeschikking)

- en mashî`ah (wil)

maar niet vanwege Zijn:

- muhabbah (liefde)

- ridâ' (welbehagen)

- en amr (bevel)

8) Alle anbiyā’ (anbiyā’) (عليهم السلام) zijn vrij van zonde, zowel kleine als grote.

Ze (anbiyā’ ) zijn vrij van ongeloof (kufr) en ongepaste daden (qabâ`ih). Ze kunnen echter wel misstappen (zallât) of kleine foutjes (khatâ') begaan.

9) DE EIGENSCHAPPEN VAN ONZE NABIE (صلى الله عليه وسلم ) .

Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) is

- Zijn geliefde (habîb)

- Zijn dienaar (`abd)

- Zijn Gezant (rasûl)

- Zijn uitverkorene (safî)

- en Zijn geselecteerde dienaar (naqî).

Hij heeft nimmer afgoden gediend, noch was hij eniger tijde een polytheïst, zelfs niet voor een seconde van tijd. Hij heeft nooit een grote of een kleine zonde begaan.

10) VOORTREFFELIJKHEID VAN ABÛ BAKR (رضي الله عنه),`UMAR (رضي الله عنه) `UTHMÂN (رضي الله عنه), `ALÎ (رضي الله عنه)

De beste onder de mensen na de anbiyā’ (صلى الله عليه وسلم ) is Abû Bakr As Siddîq (رضي الله عنه); na hem is `Umar ibn al-Khattâb al-Fâruq (رضي الله عنه); na hem is `Uthmân ibn `Affân Dhû n Nurayn (رضي الله عنه); en na hem is `Alî ibn Tâlib al Murtad â (رضي الله عنه). Ze zijn Zijn dienaren die aan de waarheid (haq) vasthielden en naar de waarheid handelden. Wij eren en beminnen hen allen. Wij gedenken alle sahâba (metgezellen) (رضي الله عنه) van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) met het goede.

11) DE EIGENSCHAPPEN VAN DE AHL'I SUNNAH WA’L DJAMÂ`AH.

Geen van de muslims verklaren wij voor een kâfir (ongelovige) vanwege welke zonde hij ook heeft begaan, (zelfs al is het een grote zonde is -zolang hij het niet toegestaan (halâl) acht die zonde te begaan). Wij wijzen hem niet uit het domein van de îmân; wij noemen hem werkelijk een mu’min (gelovige in het islamitische monotheïsme). Hij kan een mu’min zijn met slechte gewoonten (fâsiq), maar geen kâfir.

Het is aanbevelenswaardig (sunnah) over de binnenschoenen (met natte handen) te vegen (bij de kleine wassing (wudû'), i.p.v. de voeten geheel te wassen.) De extra salât (salâh at‑tarâwîh) tijdens de nachten van de maand Ramadân is eveneens sunnah. De vijfmaal daags salât achter elke mu'min, of hij goed (bir) dan wel slecht (fâdjir) is, is toegestaan.

12) GOEDE EN SLECHTE DADEN IN VERHOUDING TOT DE GELOOFSPOSITIE VAN EEN MUSLIM

Wij zeggen niet dat zonden een muslim geen schade kunnen berokkenen, evenmin zeggen wij dat hij (noodzakelijk) de hel zal binnengaan of dat hij daar eeuwig zal blijven, als hij als muslim dit aardse leven verlaat, ook al is hij een zondaar (fâsiq). En evenmin zeggen wij, zoals de Murjî’ah, dat onze goede daden (hasanât) zeker geaccepteerd zijn en onze zonden vergeven. Wij zeggen echter wanneer iemand een goede daad verricht, die aan alle voorwaarden voldoet, vrij is van elke gebrekkigheid die haar teniet kan doen; zonder dat die daad ongedaan gemaakt kan worden door afvalligheid (irtidâd) of ongeloof (kufr) en deze persoon in deze toestand als muslim naar het hiernamaals gaat, dan zal Allâhu Taʿālā deze daad van Zijn dienaar (inshâ’Allâh) niet voorbij laten gaan, maar haar accepteren en hem hiervoor belonen.

Wat betreft degene die slechte daden begaat -polytheïsme (shirk) en ongeloof (kufr) uitgezonderden die geen berouw (tawba) toont, voordat hij sterft als een muslim, is afhankelijk van Allâhu Taʿālā's wil. Als Hij wil straft Hij hem in de hel of Hij vergeeft hem zonder bestraffing. Hij bestraft (Zijn muslim dienaren) nooit voor altijd.

Als welke daad dan ook wordt gemengd met pronkzucht (riyâ'), wordt zijn beloning daardoor tenietgedaan hetzelfde geldt wanneer de daad wordt vermengd met eigendun/ijdelheid (`ujb).

13) TEKENEN (ÂYÂT) (VAN DE ANBIYĀ’) EN WONDEREN (KARAMÂT VAN DE HEILIGEN)

De tekenen (âyât) van de anbiyā’ ( عليه السلام) en de wonderen (karamât) van de heiligen (awliyâ') zijn waar en werkelijk (haq). De berichten (Qur'ân en ahadîth) die overgeleverd zijn over de bovennatuurlijke zaken, verricht zijn of verricht zullen worden door de vijanden van Allâhu Taʿālā (iblîs, farao en dajjâl:anti-christ), noemen wij noch âyât noch karamât, maar wij noemen ze de vervulling van hun behoeftes. Allâhu Taʿālā vervult de behoeftes van Zijn vijanden in de vorm van "istidrâj" (iemand overreden tot dwaling en onheil) om Zijn weldaden in dit wereldse leven voor hen te vermeerderen en hen (in het hiernamaals) te straffen, zodat ze daardoor misleid worden en hun ongeloof en hun opstand tegen Allâhu Taʿālā (tughyân) toe zal nemen. Allâhu Taʿālā is de Schepper (al-Khâliq) vóór Hij schiep en de Onderhouder (ar-Razzâq) vóór Hij onderhield.

14) HET ZIEN VAN ALLAHU TA`ALA.

Allâhu Taʿālā zal in het hiernamaals gezien worden. De mu'mins zullen Hem in het paradijs (Jannah) zien met hun ogen, zonder vergelijking met iets (bilâ tathbîh) en zonder hoe (bilâ kayfiyyah). Er zal geen afstand zijn tussen Hem en Zijn schepselen.

15) ÎMÂN IS IQRÂR EN TASDÎQ

Het geloof (îmân) omvat betuiging met de tong en bevestiging met het hart (tastîq).

16) ÎMÂN NEEMT NOCH TOE NOCH AF

Het îmân van de bewoners van de hemel en de aarde neemt noch toe noch af wat betreft de zaken waarin geloofd moet worden (m.a.w. het îmân neemt kwantitatief niet toe of af). Maar het îmân neemt toe en af wat betreft de subjectieve zekerheden (yaqîn) en het bevestigen met het hart (tastîq) (m.a.w. tastîq in graden van sterkte: het îmân neemt kwalitatief toe en af). De mu'mins zijn gelijk in îmân en in tawhîd, maar ze verschillen in de verrichtte daden (`amal).

17) WAT IS ISLÂM

Islâm betekent zich absoluut overgeven en nederige gehoorzaamheid aan Allâhu Taʿālā's bevelen. Taalkundig gezien is er een verschil tussen Islâm en îmân. Er kan geen îmân zijn zonder Islâm en er kan geen Islâm zijn zonder îmân. De twee begrippen zijn zoals binnenals buitenkant van iets. Dîn (godsdienst) is de verzamelnaam voor îmân, Islâm en alle godsdienstige wetten (Shari`ah).

18) WAT BETEKENT YAQÎN EN MA`RIFAH

Wij kennen Allâhu Taʿālā met adequate kennis (ma`rifah) zoals Hij zich zelf met al Zijn Eigenschappen in Zijn Boek (Qur'ân) beschrijft. Niemand is in staat Allâhu Taʿālā oprecht met adequate dienst (`idâdah) te aanbidden, zoals Hij behoort aanbeden te worden. Maar een mens kan Hem alleen dienen door Zijn bevelen te volgen, zoals Hij die in Zijn Boek en in de sunnah van Zijn Gezant (Rasûl) (صلى الله عليه وسلم ) heeft voorgeschreven. Alle mu'mims zijn aan elkaar gelijk in:

- kennis (ma`rifah)

- innerlijke zekerheid (yaqîn)

- vertrouwen (in Allâhu Taʿālā) (tawakkul)

- liefde (voor Allâhu Taʿālā) (muhabbat)

- tevredenheid (met Allâhu Taʿālā) (ridâ')

- vrees (voor Allâhu Taʿālā) (khawf)

- hoop (op Allâhu Taʿālā) (rajâ')

- en het geloven in deze (en andere) dingen.

Zij verschillen in alle aangelegenheden die niet rechtstreeks aan de îmân verbonden zijn. Allâhu Taʿālā schenkt Zijn weldaden aan Zijn dienaren en Hij handelt ook rechtvaardig (`adl) jegens hen. Soms beloont Hij hen meer dan ze aan goede verdiensten (sawâb) hebben. Soms straft Hij hen vanwege hun zondes uit Zijn rechtvaardigheid. En soms vergeeft Hij hen uit louter genade (fadl).

19) DE VOORSPRAAK (SHAFA`AH) VAN DE ANBIYĀ’ ( عليه السلام).

De voorspraak van de anbiyā’ عليهم السلام (op de Dag des Oordeels) is waarheid. De voorspraak van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ) aan de mu'mins, die hebben gezondigd en zelfs diegenen die grote zonden (kabâir) hebben begaan en daardoor straf hebben verdiend, is een vaststaand feit.

20) HET WEGEN VAN DE DADEN (WAZN AL‑A`MÂL)

Het wegen van de daden met de "weegschaal" (mîzân) op de Dag des Oordeels (yawm al-qiyâmah) is waarheid. De bassin (hawd) van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is eveneens waarheid. De vergelding en afrekening tussen mensen die in dit leven vijandig tegenover elkaar stonden, zal op de Dag des Oordeels plaatsvinden, d.m.v. het toekennen van de goede verdiensten (hasanât) van de schuldige aan de rechthebbende is eveneens waarheid. Als de schuldige geen hasanât heeft zullen de slechte verdiensten (sayyiât) van de rechthebbende aan de schuldige worden overgedragen. Ook dit is waarheid en rechtvaardig.

21) BUITEN ALLÂHU TA`ALÂ IS ALLES VERGANKELIJK.

Het paradijs (Jannah) en het vuur (nâr) zijn geschapen en ze zijn op dit moment al bestaande. Ze zullen nooit ophouden te bestaan. De zwart ogige vrouwen (hûr'l `ayn) (in de Jannah) zullen nooit sterven. Allâhu Taʿālā 's straf (`iqâb) en Zijn beloning (sawâb) zullen nooit eindigen. Vanwege Allâhu Taʿālā's genade (fadl) leidt Hij wie Hij wil tot verlossing/leiding (hidâyah), vanwege Zijn rechtvaardigheid (`adl) laat Hij dwie Hij wil in dwaling (dalâlah) vervallen. Zijn vervallen in dwaling betekent "khidzlân". De betekenis van het woord khidzlân is: Hij onthoudt Zijn goedheid en Zijn genade van een dienaar en Hij helpt hem niet bij het volbrengen van goede daden waarvan Hij tevreden is. Dit is vanwege Zijn rechtvaardigheid. En dit is ook het geval met Zijn bestraffing van degenen die overgelaten zijn aan zichzelf vanwege hun zondes.

22) DE SATAN KAN DE ÎMÂN NIET MET GEWELD BEROVEN

Het is niet toegestaan te zeggen dat de satan (shayân) de îmân van een mu'min met geweld kan beroven. Maar we kunnen wel zeggen dat iemand afstand doet van zijn îmân en dat de satan het van hem daarna ontneemt.

23) DE ONDERVRAGING DOOR DE ENGELEN (MUNKAR EN NAKÎR)

De ondervraging van de overledene in het graf door de engelen Munkar en Nakîr, de hereniging van het lichaam met de ziel (rûh) zal werkelijk plaatsvinden; dit is waarheid. Het samendrukken (van het lichaam) en de bestraffing in het graf van ongelovigen en sommige zondaren onder de muslims (`usât al‑mu’minîn) zullen eveneens werkelijk plaatsvinden en zijn waarheid.

24) DE "DICHTBIJHEID" VAN DE DIENAREN AAN ALLAHU TA`ALÂ

Het is toegestaan de geleerden (`ulamâ') te volgen wanneer zij, de Eigenschappen van Allâhu Taʿālā in het Persisch (of ander niet-arabisch taal) weergeven, behalve in het geval van (antroposofische) eigenschap yad ("hand"). Het is wel toegestaan " bêrûy‑i Khudâ " (Allâhu Taʿālā 's wadjh ("gezicht") in Perzisch) te zeggen, zonder vergelijking met iets te maken en naar het hoe te vragen. Allâhu Taʿālā's "dichtbijheid" en "verafheid" zijn niet in de zin van fysieke afstand (een kortere of langere afstand), maar in de zin van respect en gelukzaligheid (karâmah) en veronachtzaamheid (hawân). De gehoorzame dienaar (aan Allâhu Taʿālā) is, zonder naar hoe te vragen, "dicht bij Hem" en de ongehoorzame dienaar (aan Allâhu Taʿālā) is, ook zonder naar hoe te vragen, "ver van Hem af". Nabijheid, afstand en benadering van Allâhu Taʿālā hebben te makem met de innerlijke verhouding van de mens tot Allâhu Taʿālā. Zo is het ook met Allâhu Taʿālā 's nabijheid in het paradijs als zijnde een buur van Allâhu Taʿālā en met de nabijheid van iemand als zijnde voor Allâhu Taʿālā staan.

25) WAT IN HET BOEK STAAT IS HET WOORD VAN ALLAHU TA`ALA

De Qur'ân al Karîm (Nobel) is aan Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) (stukje voor stukje) geopenbaard en (later) in boekvorm geschreven. Daar de verzen (âyât) van de Qur'ân Allâhu Taʿālā's Woord zijn, zijn ze gelijk aan elkaar in voortreffelijkheid en grootheid. Sommige hoofdstukken (sûra's) en verzen (âyât) zijn echter verdienstelijker dan anderen, vanwege hun recitatie en inhoud, dit is o.a. het geval met "ayat'l kursi" (2/256). In deze âyah wordt gesproken over Allâhu Taʿālā's majesteit (djalâl), grootheid (`adîm) en Eigenschappen (sifât). In deze âyah zijn dus de voortreffelijkheid van recitatie en inhoud samen verenigd. En andere âyât bezitten alleen de voortreffelijkheid van recitatie, zoals de beschrijving van de kâfirs. Degenen die in deze âyât genoemd worden, nl. de kâfirs, zijn niet voortreffelijk. Allâhu Taʿālā 's Namen en Eigenschappen zijn gelijk aan elkaar in grootheid en voortreffelijkheid zonder enig verschil.

26) DE DOOD VAN RASŪLULLĀH'S (صلى الله عليه وسلم ) OUDERS

De ouders van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) zijn gestorven zonder de ware godsdienst (Islâm) te hebben gekend. Rasûlullâh's (صلى الله عليه وسلم ) oom, de vader van `Ali (صلى الله عليه وسلم ) is als kâfir gestorven.

27) RASŪLULLĀH'S (صلى الله عليه وسلم ) KINDEREN

Qâsim (رضي الله عنه), Tâhir (رضي الله عنه) en Ibrâhîm (رضي الله عنه) waren de zonen van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) ; Fâtima (رضي الله عنها), Ruqiyyah (رضي الله عنها), Zaynab (رضي الله عنها) en Umm'l Qulsum (رضي الله عنها) waren de dochters van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) .

28) `ILM'I TAWHID

Als iemand over welke subtiele kwestie dan ook betreffende ilm at‑tawhîd (de leer van de geloofsprincipes van de Islâm) in twijfel verkeert, is het zijn plicht voorlopig te zeggen: "Ik geloof in de waarheid over dit onderwerp die bij Allâhu Taʿālā is", tot hij een geleerde vindt. Hij moet hem dan hier omtrent raadplegen. Hij mag de vraag niet uitstellen en er is geen excuus voor hem als hij in zijn twijfel zou volhouden, neen, hij zou de schade van ongeloof op zich nemen.

29) DE MIRAJ (DE HEMELREIS)

De bericht (ahadîth) over Miradj (Hemelreis) berust op waarheid. Degene die dit niet accepteert is een dwalende (nieuwlichter).

30) DE TEKENEN VAN HET URE

De verschijning van Dadjdjâl (Anti-Christ), Ya`djûdj (Gog) en Ma`djûdj (Magog), het opkomen van de zon vanuit het westen, nederdaling van `Isa ( عليه السلام) uit de hemel en andere (grote) tekenen van de Dag des Oordeels, die ons via betrouwbare berichten hebben bereikt berust op waarheid.

Allâhu Taʿālā leidt degene die Hij wil op het rechte pad (as sirâh al-mustaqîm).

Aqîdadatu-t-Tahâwiyyah (geloofsprincipes volgens Tahâwî)

De lof is aan Allāhu Taʿālā . Wij prijzen Allāhu Taʿālā en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāhu Taʿālā voor al het kwade die van de shaytan (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allāhu Taʿālā iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allāhu Taʿālā iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allāhu Taʿālā en wij getuigen ook dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Zijn dienaar en Zijn Gezant is.

As-salaat (gebeden) en as-salaam (groetenis) zijn voor de laatste der Rasûl (Boodschapper) en de Nabie van Allāhu Taʿālā, Muhammad Mustafa (صلى الله عليه وسلم ) . As Salaam aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.

Inleiding

De oorspronkelijke titel van dit werk is ‘Bayânü ʿaqīdati Ahli’s-sunnah wa’l-Jamâʿah’. In deze verhandeling (risâlah) worden verschillende vraagstukken uit de kalâm-wetenschap behandeld, met name het onderwerp tawḥîd, binnen de klassieke indeling van de kalâm en volgens de methode van de Salaf (voorgangers). Abû Jaʿfar at-Tahâwî volgt in dit werk niet de methode van polemische weerlegging tegen de opvattingen van groeperingen buiten Ahli’s-sunnah wa’l-Jamâʿah’, zoals sommige andere imams van de Salaf eveneens deden ter verdediging van de soennitische akîda. Integendeel, zoals hij zelf aan het begin van het werk aangeeft, legt hij hoofdzakelijk de nadruk op de opvattingen van Abû Hanîfah en diens vooraanstaande leerlingen Abû Yûsuf en Muhammad. In de risâlah worden de geloofspunten die als kenmerk van het soennisme worden beschouwd en waarvan het geloof noodzakelijk is, zonder discussie uiteengezet in korte maar inhoudelijk rijke zinnen. Het werk bezit een bijzondere waarde doordat het behoort tot de belangrijkste bronnen die de aan Abû Hanîfah toegeschreven geloofsleer in hun vroegste en meest authentieke vorm vastleggen.

De risâlah, met een omvang van ongeveer tien grote pagina’s, behandelt allereerst de eenheid van Allah vanuit het perspectief van Zijn Wezen en Zijn Eigenschappen. Daarbij wordt met nadruk vastgesteld dat in de Eigenschappen van Allah geen enkele verandering mogelijk is, en wordt het belang benadrukt van het accepteren van de overgeleverde teksten met betrekking tot de Eigenschappen zonder ta’wîl. Wat de profetie betreft, wordt uitsluitend de profetie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) behandeld, met bijzondere nadruk op het feit dat de profetie is beëindigd. De Qur’ān wordt beschouwd als een manifestatie van de Eigenschap van het goddelijke spreken, en met overgeleverde bewijzen wordt aangetoond dat hij niet geschapen is. Met betrekking tot het vraagstuk van al-qadar wordt gesteld dat dit een goddelijk geheim is dat onoplosbaar blijft voor de mens.In de risâlah wordt aanvaard dat het vermogen tot handelen reeds vóór de daad aanwezig is, waarmee vanuit het perspectief van Ahli’s-sunnah wa’l-Jamâʿah een oorspronkelijke verklaring van dit onderwerp wordt gegeven. Hierdoor kan worden gesteld dat het werk bij de behandeling van deze kwestie een verhelderende basis heeft gelegd voor latere soennitische kalâmgeleerden.

Een ander belangrijk thema dat in de risâlah sterk wordt benadrukt, is de rust en veiligheid van de maatschappelijke orde.

Het liefhebben van de metgezellen (رضي الله عنهم) wordt, zelfs in overdrachtelijke zin, gerekend tot godsdienst en îmân, terwijl het koesteren van haat tegen hen in dezelfde betekenis wordt aangemerkt als kufr en opstandigheid. De gehoorzaamheid van de moslims aan hun kaliefen en imams wordt, zolang zij niet bevelen tot zondig handelen, beschouwd als een verplichting die gelijkstaat aan gehoorzaamheid aan Allah. Vrijwel alle onderwerpen van de geloofsleer worden in de risâlah weergegeven in kernachtige formuleringen die doorgaans steunen op verzen en overleveringen, zonder aandacht te besteden aan tegengestelde meningen of polemische discussies. Aan het slot van het werk wordt er bovendien op gewezen dat men zich dient te hoeden voor de opvattingen van groeperingen zoals de Mushabbihah, de Jabriyyah, de Jahmiyyah en de Qadariyyah.

al-ʿAqīdatu’ṭ-Ṭaḥâwiyyah, die onder alle Ahli’s-sunnah wa’l-Jamâʿah--geleerden een terechte bekendheid geniet, kent voor zover kan worden vastgesteld twaalf commentaren. De meeste van deze commentaren dragen de titel Sharḥ al-ʿAqīdatu’ṭ-Ṭaḥâwiyyah, en van een deel daarvan zijn de auteurs van Turkse afkomst.

Wie is Abû Dja'far -at-Tahawî

In de 4de eeuw na Hidjrah zien we vele ahl-i Sunnah wa'l Djama'ah geleerden, onder wie Abū l‑Ḥasan al‑Ashʿarī (overleden 323/936), Abū Manṣūr al‑Māturīdī (overleden 333/944) en Abū Jaʿfar at‑Ṭaḥāwī (overleden 321/934) – die de ʿaqīda (geloofsleer) van Ahl al‑Sunna verdedigden tegenover niet‑Ahl‑al‑Sunna‑groeperingen, de zogeheten Ahl al‑Bidʿa (nieuwlichters).Dit was noodzakelijk omdat laatstgenoemden de Islām vermengden met niet‑islamitische opvattingen of de rede boven de Islām plaatsten. Over Imām al‑Ashʿarī en Imām al‑Māturīdī is veel bekend; daarentegen is Imām at‑Ṭaḥāwī buiten Egypte in de islamitische wereld minder bekend. Daarom zullen wij hieronder in het kort zijn leven, zijn werken en zijn plaats onder de islamitische geleerden (ʿulamāʾ) beschrijven.Er bestaat meningsverschil over zijn geboortedatum (239, 238, 230 of 229). Volgens de laatste datum zou hij op zijn negentigste jaar zijn overleden (moge Allāhs welbehagen met hem zijn). Er zijn echter geen duidelijke berichten dat hij inderdaad zo lang heeft geleefd.

Ten tijde van Imām at‑Ṭaḥāwī was Egypte een bakermat voor de islamitische wetenschappen. Nadat hij van zijn vader onderricht had ontvangen in fiqh (rechtsleer) en uṣūl (methodologie), vertrok hij naar Cairo, waar hij onderwijs genoot van zijn oom Imām al‑Muzanī. Van huis uit volgde hij de Shāfiʿī‑school (madhhab); pas op zijn vijfentwintigste of dertigste stapte hij over naar de Ḥanafī‑school. Omdat hij leefde in de tijd van de grote hadîth geleerden (muhaddithîn), (Imâm Bukhârî (256/870), Muslim (261/875), Abû Dâwud (275/088), Tirmidzî (279/892), an‑Nasāʾī (303/915) en Ibni Mâdjah (275/886), zijn zijn werken op Qur'ân en hadîth gebaseerd en zijn zij de bronnen geworden voor de Hanafî school. Enkele van zijn werken zijn op het gebied van fiqh, `aqîdah, 'usl, hadîth en tawsir (exegese) tot op de dag van vandaag bewaard gebleven terwijl het overgrote gedeelte ervan alleen via referenties bekend zijn. Op zijn werken zijn vele commentaren geschreven.

Hij heeft de functie van qadhi (rechter) geweigerd om zijn leven te wijden aan het schrijven van boeken en het opleiden van leerlingen. Hij is in een plaatsje in Egypte (Karafah) overleden.

Hieronder volgt de vertaling van een van zijn beroemdste `aqîdah verhandeling die bekend staat onder de titel "Aqidatu-t Tahâwiyyah". Er zijn maar liefst dertien commentaren op dit boek geschreven. Het vormt dan ook een van de betrouwbaarste bronnen voor de Ahl-i Sunnah aqîdah. Daarom heb ik besloten dit boekje uit het Turks ("Ehli Sunnet inanc esaslari: Tahavi ve akaid risalesi" door Dr. Arif Aytekin (Seha Nesriyat, Ankara) m.b.v. de originele Arabische tekst ('Aqidatu-l Tahâwîyyah, Istanbul) in het Nederlands te vertalen. Ik hoop dat hiermee een dienst is bewezen voor de Islâm. Hulp en succes komt alleen van Allâh de Rab der werelden.

De vertaling van de verhandeling "Aqidatu-t Tahâwiyyah"

In naam van Allâh de Erbarmste de Barmhartigste

Lof zij aan Allâh, de Heer der werelden. De mu'mins (gelovigen) die zich distancieren van elk soort ondeugd bereiken de beste resultaten. De salâts (groetenissen) zijn aan onze heer en Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) en aan al zijn familieleden.

Imâm Hudjdjatu-l Islâm Abû Dja'far at-Tahâwî (moge Allâh's wel behagen met hem zijn), zegt het volgende over zijn ʿaqīda‑risālah:

Deze verhandeling is in overeenstemming met de madzhab (school) van Abû Hanîfah Nu'man bin Thâlib al Kuffî, (zijn leerlingen) Abû Yûsuf Ya'qûb bin Ibrâhîm al Ansârî en Abû 'Abdullâh Muhammad bin Hasân ash Shaybânî (moge Allâh's wel behagen met hen zijn), met hun geloof (îmân) en geloofsfundamenten, tevens is het een uiteenzetting van de ʿaqīda van Ahl al‑Sunna wa‑l‑Jamāʿah.

(1–10: Allāh en Zijn eenheid)

1.) Wat betreft "tawhîdilillâh" (eenheid van Allâh) en ons standvastig geloof dat Allâh ons tot succes zal leiden, zeggen wij: Allâh is "wâhid" (zowel in het oneindige verleden als toekomst is Allâh één in Zijn Wezen, Namen en Eigenschappen), en Hij heeft geen deelgenoten (lâ sharîka lahu).

2.) Niets lijkt op Hem.

3.) Niets kan Hem onderdanig maken.

4.) Er is geen godheid buiten Hem.

5.) Hij is het beginloze "Qadîm" (Allâh heeft geen begin), en eindeloze "Dâim" (Allâh heeft geen einde) (Zijn bestaan) is (dus) ononderbroken.

6.) Allâh's bestaan kan op geen enkel wijze ophouden of in niet‑bestaan overgaan.

7.) Alleen Zijn wil geschiedt.

8.) Voorstellingen (awhâm) kunnen Hem niet bereiken en gedachten (afhâm) kunnen Hem niet omvatten.

9.) (Geen enkel) bestaande wezens (anâm) kunnen op Hem lijken.

10.) Allâh is het onsterfelijke "al-Hay" (Levend ), de nooit slapende "al-Qayyûm" (Allâh is er altijd en beschermt de geschapenen).

(11–20: Zijn scheppen, eigenschappen en voorbeschikking)

11.) Hij schept (de geschapenen) zonder behoefte aan deze te hebben (al-Khâliq: Hij schept alle dingen uit het niets en geeft hun vormen) en voorziet hen van levensonderhoud (ar-Razzâq: Allâh geeft aan alle levende wezens hun voeding op de wijze die Hij wil).

12.) Allâh doet sterven zonder vrees (al-Mumît: Allâh schept de dood, zonder enige moeite ervoor te doen en Hij doet weer leven (al-ba'th).

13.) Allāh bezat reeds vóórdat Hij (de dingen) schiep de Eigenschap van "Qadîm" (beginloos) en (door de schepping van de dingen) is er geen toename in Zijn Eigenschappen ontstaan. Hij is met Zijn Eigenschappen "azalî" (oneindig en continueerend) en ook "abadî" (beginloos en altijd al geweest).

14.) Allâh heeft niet pas de naam "al-Khâliq" gekregen op het moment dat Hij de mensen en alle andere dingen schiep en Hij heeft ook niet pas de naam "al-Bârî" (Schepper van de mensen en andere wezens) gekregen toen Hij hen schiep. Hij was daarvoor reeds al "al-Khâliq" en "al-Bârî".

15.) Allâh is met de eigenschap als "Rab" (Heer, die laat groeien, verzorgt en opvoedt zonder iets er voor terug te vragen) gekenmerkt, Hij kan niet "marbûb" (groot gebracht, verzorgd en opgevoed) zijn. Hij is "al-Khâliq" maar niet "mahlûq" (geschapen).

16.) Zo heeft Allāh niet pas de Naam Muḥyī l‑mawtā (Degene die de doden doet herleven) gekregen toen Hij de doden deed herleven. Evenzo is Hij niet pas al-Khāliq toen Hij de schepselen voor het eerst schiep; integendeel, Allāh was reeds Degene die de doden doet herleven en Degene die schept.

17.) Dit alles is omdat Allāh Almachtig (al-Qadīr) is over alles, alles van Hem afhankelijk is en alles onder Zijn bevel staat. Allāh heeft aan niemand en niets behoefte en Allāh heeft geen gelijke. Hij is as‑Samīʿ (de Alhorende) en al‑Baṣīr (de Alziende).

18.) Allâh heeft alle schepsels geschapen in overeenstemming met Zijn " 'ilm-i azalî" (Zijn oneindige en continueerende kennis).

19.) Allâh heeft de "qadar" (voorbeschikking) van de schepsels bepaald.

20.) Allâh heeft ook hun "ajal" (vastgestelde tijd van de dood) bepaald.

21.) (Nog vóór de schepping) was niets van hun handelingen (af'âl) aan Allâh verborgen.

Allâh wist voorzeker al van te voren, vóór hun schepping, alles wat ze zouden doen.

22) Vervolgens heeft Allâh hen bevolen Hem te gehoorzamen (ṭāʿa) en hen verboden ongehoorzaam (maʿṣiyah) aan Hem te zijn.

23) Alles komt tot stand met Zijn "qadar" (voorbeschikking) en Zijn "mashīʾah" (wil en wens). (Over alles wat geschiedt) is alleen Zijn "mashīʾah" beslissend. Buiten Zijn "mashīʾah" kunnen de dienaren geen eigen wil hebben. Wat Allāh wil en wenst, geschiedt, en wat Hij niet wil en niet wenst, geschiedt niet.

24.) Met Zijn goedertierenheid (fadl) brengt Allâh degene die Hij wil op het rechte pad (Islâm), beschermt hem en geeft hem gezondheid. En met zijn rechtvaardigheid ('adl) laat Hij degene die Hij wil in dwaling. Hij laat hem aan zichzelf over en beproeft hem (in deze wereld).

25.) Dit (handelen van de mens en de jins (geesten) is tussen de goedertierenheid (fadhl) en rechtvaardigheid (ʿadālah) van Allâhs wil (mashīʾah).

26) Allâh is vrij van en verheven boven alles wat tegengesteld aan Hem is en van alles wat op Hem zou lijken (geen gelijkenis met Hem.)

27) Er is niets dat zijn raadsbesluit (qaḍāʾ) kan verwerpen, Zijn wet (ḥukm) kan uitstellen en Zijn bevel (amr) kan overweldigen.

28) Wij geloven zonder enige twijfel in al deze zaken en zijn tot overtuiging gekomen dat alles door Hem tot stand komt.

(29–41: an-Nabie, de Qurʾān, zien van Allāh, Miʿrāj, ḥawḍ en shafāʿah)

29 en 30 ) (Net als op het punt van de tawhîd (monotheisme) zeggen wij):

- Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) is Zijn uitverkoren dienaar ('abduhu-l muṣṭafā)

- Hij is Zijn voortreffelijke Nabie (nabiyyuhu’l mujtabâ),

- Hij is Zijn Gezant (rasûl) , waar Hij tevreden over is (rasuluhu-l murtadzâ),

- Hij is de zegel (m.a.w.laatste) der anbiyā’ (khatamu-l anbiyâ'),

- Hij is de voorganger van de vromen (degenen die zich van verre houden van het kwade) (Imâm al-Aṭ-Ṭāʾiqī),

- Hij is de heer der Gezanten (sayyidu-l mursalîn), en

- Hij is de geliefde van de Heer der Werelden (ḥabību Rabbi l‑ʿālamīn).

31.) Na zijn profeetschap zijn alle beweringen omtrent een profeetschap niets anders dan leugenachtige beweringen van mensen die op het verkeerde spoor zijn en een slaaf van hun eigen ego zijn.

32.) Hij is de Nabie die gezonden is tot de gehele mensheid en de jin's ("geesten"). Hij is de Gezant der beide werelden (rasūlu’th thiqalayn) die de Ḥaq, Hudā, Nūr en Ḍiyāʾ (namen van de Qurʾān, die respectievelijk de Waarheid, leiding, licht en verlichting betekenen) met zich heeft meegebracht.

33) (We zeggen) dat de Qur'ân het Woord van Allāhu Taʿālā (Kalâmullâh) is. Hij is van Hem (afkomstig), zonder dat we naar het "hoe" vragen als Woord gekomen. (Vervolgens) heeft Hij hem geopenbaard aan Zijn Nabie (Muhammad (صلى الله عليه وسلم). (En tenslotte) hebben de mu'mins (gelovigen) hem als de Waarheid bevestigd (met hun hart en hun tong). En ze zijn tot de overtuiging gekomen dat ze daadwerkelijk in de Qur'ân geloven als het ware Woord van Allâh (en niet in de figuurlijke betekenis van het woord maar in de letterlijke betekenis).

34.) Als iemand naar de Qur'ân luistert en zegt dat het de woorden van een mens is, vervalt hij in het ongeloof (kufr). Allāhu Taʿālā heeft zulke mensen veroordeeld, hun beweringen afgekeurd en hen met de hel bedreigd (vanwege hun verkeerde geloof): (i.p.v. de Arabische tekst van de Qur’ân verzen geven we alleen de Nederlandse betekenis) "Ik werp hem in de hel" (al‑Muddaththir 74:26).

Over degene die over de Qur'ân zegt: "Dit is niets anders dan het woord van een sterveling" (al‑Muddaththir, 76:25), heeft Allāhu Taʿālā eveneens met de hel bedreigd en tot de mensen van de hel gerekend. Hieruit maken we op dat de Qur'ân het Woord van de Schepper tot de mensen is en dat de woorden van de mensen nooit op het Woord van de Qur'ân kunnen lijken. Wie Allâh karakteriseert met menselijke eigenschappen en begrippen valt ongetwijfeld in het ongeloof. Wie dit beseft zal hieraan een voorbeeld nemen en zich distancieren van zulke beweringen van de ongelovigen. Als resultaat zal hij begrijpen dat vanwege het feit dat Allâh eigenschappen heeft ook niet op de mens hoeft te lijken.

35.) De waarheid is dat (sommige van) de lieden van het paradijs (mu'mins) hun Heer (Rab) zullen zien:(Nederlandse betekenis) "(Sommige) aangezichten zullen te dien dage verlicht zijn en naar hun Heer kijken "( al‑Qiyāma, 75:22.23). We weten niet hoe dit is en we kunnen het ook niet met woorden beschrijven. De uitleg (tafsir) van deze âyât is alleen bij Allāhu Taʿālā's Wil en Kennis. Evenzo is de betekenis van de betrouwbare overleveringen (aḥādīth ṣaḥīḥa) Wij mogen deze kwestie niet op grond van onze eigen mening interpreteren (taʾwīl) of vermoeden. Want men staat in godsdienstige aangelegenheden pas werkelijk stevig wanneer hij zich onderwerpt aan als (de wil van) Allāhu Taʿālā en Zijn Gezant (صلى الله عليه وسلم ) en de zaken die niet zo duidelijk voor hem zijn terug verwijst naar personen die het weten.

36.) Het bestaan van (iemands) Islâm is alleen mogelijk door overgave en gehoorzaamheid (aan Allâh en Zijn Nabie (صلى الله عليه وسلم ). Daarom kan ieder die verlangt de zaken te doorgronden die verboden zijn (de kwesties in Qurʾān en ḥadīth die niet door de rede opgelost kunnen worden), vervolgens geen genoegen neemt met zijn eigen interpretatie (taʾwīl) en zich daardoor niet onderwerpt aan wat voor hem wel duidelijk is, worden weerhouden van zuivere tawḥīd, zuivere kennis en het ware geloof (īmān).

Op dat moment zal hij wankelen tussen "kufr" (ongeloof) en "îmân" (geloof); tussen "tastîq" (innerlijke bevestiging met het hart) en "takdzîb" (innerlijke verwerping met het hart) en tussen "ikrâr" (mondelinge betuigen met de tong) en "inkâr" (mondelinge verwerping met de tong) als een aarzelend, verstrooid en argwanend persoon, die noch een overtuigde mu'min noch een ontkennende leugenaar (ongelovige) is.

37.) Het is onjuist iemand te geloven die beweert dat de "ru'yatu’llâh" (het geloof in het feit dat (sommige) lieden van het paradijs Allâh zullen zien) alleen plaats zal vinden door een denkbeeldige voorstelling of dit (subjectief) interpreteert (taʾwīl). Want de taʾwīl van zowel de "ru'yatu’llâh", als de betekenis die " `Ululiyyah" (godheid zijn van Allâh ) heeft, wordt alleen bereikt door het verlaten van taʾwīl en door zich vast te klampen aan de overgave aan Allâhs wil.

De godsdienst, die de anbiyā’ verkondigden, is hierop gebaseerd: (dus taʾwīl vermijden en volledige overgave aan datgene dat verkondigd wordt). Wie zich niet behoedt tegen het ontkennen van Allâhs Eigenschappen (nafiy) en het geloven dat Allâh gelijkenis vertoont met Zijn schepsels (tashbīh ), dan is hij op het verkeerde pad en hij zal nooit tot echt "tanzîh" (Allâh vrij verklaren van elke gelijkenis met de schepselen) komen. Want onze Rab (Verheven zij Hij: Djalla wa 'alâ ) wordt gekenmerkt door:

- de Eigenschap van "Wahdâniyyah" (Allâhs eenheid in Zijn Wezen (Zat) (=eigenschappen die uitsluitend Allâh toekomen) en

- en de Eigenschap "Fardâniyyah" (Allâhs eenheid in Zijn Werken (Fi'îl) (=eigenschappen die beperkte zin ook bij schepselen voorkomen).

Geen van de schepselen bezit een eigenschap zoals Hij die bezit.

38.) Allâh is vrij van begrenzing, eindigheid, onderwerping aan wetten, ledematen en gebruik van instrumenten. De driedimensionale ruimte die de schepselen omvat, omvat Allāh niet.

39.) De Miʿrāj (de hemelreis) heeft werkelijk plaatsgevonden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft Isrāʾ (nachtreis) verricht. Terwijl hij in een wakkere toestand was, is hij (zowel) lichamelijk (als geestelijk) de hemelen opgestegen. Vervolgens is hij naar bepaalde verheven plaatsen gebracht waar Allāh hem wilde hebben. Allâh heeft hem daar onthaald met dingen (giften) die Hij wenste en heeft aan zijn dienaar geopenbaard wat Hij openbaarde (Allâh heeft hem hier op aarde en in het hiernamaals geprezen en verheven).

40.) De " ḥawḍ " (de naam van een rivier of een bassin in het paradijs), die Allāhu Taʿālā aan de ummah (gemeenschap) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft geschonken, is waar en waarheid (haq)

41.) De shafāʿah (voorspraak), die Allâh aan de ummah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) heeft gereserveerd, zoals in de ahadîth is vermeld, is waar en waarheid.

42–48: Mithāq, kennis, qadar, Lawḥ en Qalam

42.) De "mithāq" (het verbond dat Allâh van de zielen van de nakomelingen van Adam (عليه السلام) heeft afgenomen betreffende Zijn Heerschap (Rab) is waar en waarheid.

43.) Allāhu Taʿālā weet soinds de oneindige het totale aantal mensen dat het paradijs zal binnengaan en het totale aantal dat in de hel zal gaan; dit aantal kan noch toenemen noch afnemen.

44.) Evenzo weet Allāhu Taʿālā in het oneindige de daden, woorden en bewegingen van de mensen in hun geheel. Allâh geeft ieder de mogelijkheid om daden te verrichten waarvoor hij geschapen is. De daden ('amal) worden beoordeeld naar de laatst verrichtte daad. De "saʿīd " (gelukkige die het paradijs zal betreden) is degene die met Allāhu Taʿālā's raadsbesluit (qaḍāʾ) tevreden is. De " shaqî" (ongelukkige die de hel zal betreden) is degene tegen Allāhu Taʿālā's qaḍāʾ in opspraak komt (en niet accepteert).

45.) De grondslag van "qadar" (voorbeschikking) is het geheim (sir) dat Allāhu Taʿālā in zijn Schepping heeft verstopt. Noch de " malak-i muqarrab" (de engel die het " dichtst" bij Allâh en Zijn Openbaring is), noch de "nabiyyi-l mursal" (anbiyā’ die een shari'ah (wet) hebben meegekregen) zijn hierover (namelijk de sir) geïnformeerd of op de hoogte gesteld.

Zich verdiepen in en zich verbeeldingen maken over dit onderwerp is de oorzaak van mislukking, de weg die naar dwaasheid en verdorvenheid leidt. Wees daarom gewaarschuwd en doe afstand van elk standpunt, gedachte en mening (die leiden tot de verdieping in qadar zaken).

de kennis van qadar voor de mensen verborgen gehouden en hun verboden om naar deze kennis te streven, zoals Hij in Zijn Boek heeft bevolen: (Nederlandse betekenis)"Hij (Allâh) kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet maar zij (schepselen: de mensen en de jinns) zullen worden ondervraagd " (al Anbiya'23). In het geval dat iemand vraagt waarom Allâh iets op een bepaalde wijze heeft gemaakt, verwerpt daarmee het oordeel van het Boek. En degene die het oordeel van het Boek verwerpt wordt tot de ongelovigen (kafirîn) gerekend.

46.) Dit alles is wat de geliefden van Allāhu Taʿālā (awliya Allâh), wier harten gevuld zijn met licht (nūr), nodig hebben, Dit is (ook) het niveau van degenen die gespecialiseerd zijn in de kennis. Kennis is tweevoudig:

de aanwezige kennis (al‑ʿilm al‑mawjūd) onder de schepselen,

en de afwezige, verborgen kennis (al‑ʿilm al‑mafqūd), die alleen bij Allāh bekend is (hier: qadar).

Het ontkennen van de aanwezige kennis (al ilm-i mawjûd: alle godsdienstige wetten) en het claimen van de verborgen kennis (al 'ilm-i mafqûd: de wetenschap die alleen bij Allâh bekend is, hier is dit de qadar) is ongeloof (kufr). Het geloof (îmân) is alleen mogelijk door alilm-i mawjûd het accepteren en al-ilm-i mafqûd te laten wat het is.

47.) Wij geloven in de " Lawḥ al-Mahfūẓ (het Bewaarde Tablet: waar qadar wordt geschreven), in de "Qalam" ("de Pen" die de qadar schrijft) en alles wat in "Lawh" is opgeschreven. Als alle schepsels bij elkaar zouden komen en ze zouden proberen datgene wat Allâh heeft vastgesteld te voorkomen, zouden zij dat nooit kunnen. Hetzelfde geldt ook voor datgene wat Allâh heeft vastgesteld, dat niet zou mogen plaatsvinden. Het zou de schepsels allen tezamen nimmer lukken dit wel te laten gebeuren, als ze het zouden proberen te doen.

Alles wat tot de Dag des Oordeels (Yawmu-l Qiyamah) zal gebeuren heeft de qalam opgeschreven en voltooid. Iets dat de dienaar niet zal overkomen, zal hem dat ook niet treffen. Iets dat hem zal overkomen zal hem dan ook treffen.

48.) De dienaar moet weten, dat alles wat uit de schepselen voortkomt, wordt voorafgegaan door Allāhs kennis. (De dienaar moet weten dat Allâh deze kennis) met Zijn Wil (mashīʾah) op een vaste (muhkam) en onvermijdelijke (mubram) wijze heeft voorbeschikt. Deze (voorbeschikking die op Zijn eeuwige kennis berust) kan nooit door de schepsels, noch in deze wereld noch in het hiernamaals, worden vertraagd, opgeheven, ongedaan gemaakt, verminderd of vermeerderd.

Deze (houding van de dienaar) is vanwege de afspraak die hij over zijn geloof (îmân) heeft gemaakt, door zijn kennis die hij over de fundamenten van de godsdienst heeft, zijn belijdenis die hij in Allâhs Rububiyyah (Allâhs Rab zijn) heeft en zijn tawhîd eigenschappen. Vandaar dat Allāhu Taʿālā het volgende zegt in de Qur'ân: (Nederlandse betekenis ):

"Hij heeft elk ding geschapen en daarvoor een maat bepaald" (al‑Furqān 25:2) en

"Allâhs gebod is een Raadsbesluit (qadar) dat besloten is " (al‑Aḥzāb 33:38).

Wee degene die zich inzake qadar vijandig opstelt tegenover Allāhu Taʿālā en zijn zieke hart als fundament voorbereid om zijn mening te ondersteunen. Zo'n iemand gebruikt zijn verbeelding om het ongeziene te willen doorgronden (hier wordt qadar bedoeld) gebruikt, legt zich toe op het verborgen geheim (sir) (van Allâh) en onthult dit met zijn gedachten. Hij heeft een ernstige lastering begaan. D en wordt door de uiting van zijn meningen gelijk aan een leugenaar die lastert.

49–52: ʿArsh, Kursī, profeten, engelen en Ahl al‑Qibla

49.) (Zoals Allâh het in de Qur'ân bericht heeft) is "Arsh" en "Kursi" de waarheid (haq). Allāhu Taʿālā heeft geen behoefte aan de Arsh of wat lager daaraan is. Allâh heeft alles inclusief de Arsh, die boven alles zit, "omgeven" (fawqa). Het woord "omgeven" is de interpretatie van het woord dat Allâh in de Qur'ân als "fawqa" gebruikt). Allâh heeft met Zijn " fawqa" de schepsels machteloos (ʿājiz) gemaakt.

50.) Wij zeggen vanwege ons îmân (geloof), (die gevormd wordt door) bevestiging met het hart (taṣdīq) en overgave (aan Allâhs wil) (taslîm), dat Allāhu Taʿālā Ibrâhîm (عليه السلام) als vriend (Khalîl) heeft genomen en tot Musâ ( عليه السلام) heeft gesproken.

51.) Wij geloven is de engelen (malāʾika), de anbiyā’ en de Boeken (kutub) die aan de gezanten (mursalîn) zijn geopenbaard en wij betuigen dat (de komst van) de anbiyā’ op klaarheldere waarheid (haqqa-l mubîn) berust.

52.) Ahl-i Qiblah (de mensen die in de richting van de Qiblah de salât verrichten) beschouwen we als muslim en mu'min zolang ze alles bevestigen wat de Nabie (صلى الله عليه وسلم ) (van Allâh) heeft gebracht (de Qur'ân), zelf heeft gezegd en van hem is bericht (ahadîth).

53–60: Qurʾān, zonde, īmān, gelijkheid van gelovigen

53.) Wij speculeren niet (over zaken die) over Allâh gaan. En wij redetwisten ook niet over Zijn godsdienst (Islâm).

54.) Wij bestrijden elkaar niet over de Qur'ân. Wij weten dat de Qur'ân het Woord van Rabbu’l `Alamīn (Heer der Werelden) is. Hij heeft hem nedergezonden aan Ruhu-l amîn (Jabrâil ( عليه السلام) en onderwezen aan de Heer der anbiyā’ (Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) . Verder weten we ook dat Allâhs Woord geen enkel gelijkenis vertoont met de woorden van de geschapenen. Wij geloven niet dat de Qur'ân geschapen is en en wij keren ons hierin niet tegen de gemeenschap van de moslims (Ahl al‑Sunna wa‑l‑Jamāʿa).

55.) Zolang de ahl-i Qiblah een zonde (ithm) niet als iets dat toegestaan (halâl) beschouwen, rekenen wij hen niet tot de ongelovigen (vanwege welke zonde die ze ook begaan met uitzondering shirk en kufr).

56.) Wij zeggen niet: "Zolang iemand îmân (geloof) heeft, zullen geen van de zonden hem schaden."

57.) Wij hopen dat de mu'mins, die goede daden verrichten, door Allâh zullen worden vergeven en dat Hij uit Barmhartigheid in het paradijs (Jannah) zal binnenleiden. Wij hebben echter geen absolute zekerheid dat ze stellig vergeven zullen worden, noch getuigen wij dat zij met zekerheid het paradijs zullen binnengaan. Wij smeken om vergiffenis voor de zondaren en vrezen voor hun afloop, maar we geven de hoop voor hen niet op.

58.) Wie in zichzelf absolute veiligheid (amn) koestert, (vanwege zijn goede daden en overtuigd dat hij het paradijs zeker zal binnentreden), en wie de hoop (yaʾs) (op Allāhs barmhartigheid) opgeeft, staan beiden ver (van de gemeenschap, (beide vallen in ongeloof). De weg van de mensen van de Qibla ligt tussen amn en yaʾs in.

59.) Een dienaar verliest zijn geloof (īmān) pas wanneer hij godsdienstige zaken ontkent die hem buiten de grenzen van het geloof plaatsen.

60.) Het geloof (îmân) bestaat uit het betuigen met de tong (iqrâr) en het bevestigen met het hart (tasdîq) (van de geloofspincipes).

61–66: Sharīʿa, eenheid van īmān, grote zondaars

61.) Alles wat Allāhu Taʿālā in de Qur'ân heeft geopenbaard, en alles wat van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) als betrouwbaar (sahîh) is overgeleverd, die samen de Shari'ah (canonieke wet van de Islâm) en de godsdienstige uitleg (bayan) vormen, zijn beide de waarheid.

62.) Îmân is één; een ieder die îmân heeft (in de Islâm gelooft), is (wat betreft de grondslagen van het īmān ) gelijk. De voortreffelijkheid onder de muslims is (alleen) vanwege hun eerbiedige vrees (om Allāh te ongehoorzamen) (khashyah), devotie/godsvrucht (taqwâ'), het mijden van hun lust gevoelens/begeerten (hawâ') en hun vasthouden aan de kernzaken (van de Islām.)

63.) Alle mu'mins zijn Rahmâns (Allâhs) vrienden (awliyâ ar-rahmân). De beste onder jullie zijn degenen die gehoorzaam zijn aan Allâh en de Qur'ân volgen.

64.) De (zuilen van de) îmân zijn: geloven in Allâh, in Zijn engelen, in Zijn Boeken, in Zijn anbiyā’, in de laatste Dag (Yawmi-l Ākhirah), in de opstanding uit de dood (ba'th) en de Beschikking (qadar), m.a.w dat het goede en het kwade, het bittere en het zoete van Allāhu Taʿālā komt.

65.) Wij geloven in dit alles en wij maken geen onderscheid tussen Zijn gezanten. Alles wat zij van Hem hebben gebracht, bevestigen wij.

66.) Degenen uit de gemeenschap van Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) , die grote zonden (kabâir) hebben begaan, zullen niet voor altijd in de hel (nâr) blijven, al hebben ze geen berouw (voor hun zonden) getoond. Dit geldt alleen als ze îmân hebben gedaan en Allâh als hun godheid (ilâh) hebben erkend en met deze tawhîd geloof gestorven zijn.

Ze zijn afhankelijk van Allâhs Wil (mâshiah) en Oordeel (hukm). Als Hij wil kan Hij met Zijn goedertierenheid (fadhl) hen vergeven en hun zonden kwijtschelden, zoals het in Zijn Boek vermeld staat:(Nederlandse betekenis) "Waarlijk Allâh vergeeft het verenigen van andere godheden met hem (shirk) niet, en vergeeft wat behalve dat aan wie Hij wil..." (Nisa'4/48). Als Hij wil kan Hij hen met Zijn rechtvaardigheid ('adl) in de hel straffen.

Vervolgens kan hij hen met Zijn Barmhartigheid (raḥmah) en met de voorspraak (shafāʿah) van gehoorzamende bemiddelaars, uit de hel bevrijden en in het paradijs doen binnengaan. Allâhs behandeling (van de grote zondaars) is mdat Hij de Vriend is van degenen die Hem (als hun godheid) erkennen. Hij stelt deze dienaren (grote zondaars onder de muslims) niet gelijk aan degenen die Zijn leiding (hidāya) hebben afgewezen en Zijn vriendschap niet wilden. O, Allâh de Heerser en Vriend van de Islâm en zijn volgelingen (muslims) maak ons standvastig in de Islâm totdat we U ontmoeten !

67–76: Ahl al‑Qibla, imāms, jihād, ḥaj, engelen

67.) Het verrichten van de salâh achter (elk lid van de) Ahl-i Qiblah, of hij een goede (bir) of een slechte (fâdjir) (imām: voorganger) en het verrichten van de dodensalâh (ṣalāh al‑janāzah) over hen, achten wij toegestaan.

68.) Wij wensen geen van hen (Ahl-i Qiblah) uitdrukkelijk het paradijs of de hel toe en wij getuigen niet dat ze ongelovig (kâfir), polytheist (mushrik) of huichelaar (munâfiq) zijn geworden, zolang zij geen deelgenoten toekennen aan Allâh (shirk), geen daden verrichten die tot ongeloof (kufr) leiden of geen huichelarij (nifâq) bedrijven. Hun innerlijke toestand laten wij over aan Allāhu Taʿālā.

69.) Wij achten het niet toegestaan het zwaard op te heffen tegen één van de leden van de gemeenschap van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم ), behalve tegenover degene die rechtens de doodstraf verdient

70.) Wij komen niet in opstand tegen onze imâms (khalifah) die onze (Islâmitische) staat besturen en ook niet tegen onze (mu'min) bestuurders, die onze (publieke) zaken regelen, ook nietals zij ons onrecht aandoen. Wij zullen niet vijandig zijn tegen hen en wij zullen niet nalaten hen te gehoorzamen. Wij vinden het verplicht hen te gehoorzamen, alsof we Allāhu Taʿālā gehoorzamen. (dat doen we) zolang ze ons niet met het slechte aanbevelen. Wij smeken (du`ā’) tot Allâh dat dat Hij hen goed en beter maakt.

71.) Wij volgen de sunnah en de (ahl-i Sunnah wa'l Jama`ah) gemeenschap en wij houden ons verre van deviatie, verdeeldheid en sektarisme.

72.) Wij houden van rechtvaardige, eerlijke en betrouwbare mensen en wij haten onrechtvaardige, oneerlijke en onbetrouwbare mensen die ons vertrouwen beschamen.

73.) Over onderwerpen die moeilijk zijn of waar we onmogelijk uit kunnen komen, zeggen wij: " Allâh weet het het best (Allâhu a`lam) (en geloven zoals het er staat)".

74.) Wij achten het juist dat men tijdens reizen of verblijf (in plaats van de voeten geheel te wassen) over leren sokken veegt met natte handen (mashḥ ʿala l‑khuffayn).

75.) De bedevaart (ḥaj) en de jihād (strijd op weg van Allâh) zijn twee verplichtingen die tot de Dag des Oordeels voortdurend zullen plaatsvinden. Het gebeurt onder leiding van "ulu-l amr" (mu'min leiders van de muslim gemeenschap), of ze nu rechtvaardig of zondig zijn. Deze twee verplichtingen kunnen noch afgeschaft noch hervormd worden (n de zin van opgeheven).

76.) Wij geloven dat de kirāman kātibīn (eervolle schrijvende engelen) door Allāh zijn aangesteld om ons te bewaken (en onze daden op te schrijven) .

77–86: Dood, graf, hiernamaals, istīṭāʿa en daden

77.) Wij geloven in de Malak al‑Mawt (doodengel) die belast is met het nemen van de arwâh (ev rûh) van alle levende wezens.

78.) Wij geloven in de bestraffing (ʿadzāb) en genieting (naʿīm) (van de gestorvenen) in het graf(sleven) van degenen die het verdiend hebben. En wij geloven in de engelen Munkar en Nakīr, die in het graf zullen vragen naar iemands Rab, zijn godsdienst (dīn) en zijn Nabī. Dit is tot ons gekomen via de aḥādīth van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم ) en van zijn metgezellen (ashâb) (رضي الله عنهم).

79.) (Als een overledene in zijn) graf (qabr) (wordt gelegd) wordt (het) of een tuin onder de tuinen van het paradijs of een kuil onder de kuilen van de hel.

80.) Wij geloven in:

- de wederopstand na de dood (ba'th),

- de bestraffing t.g.v. de (slechte) daden,

- de Dag des Oordeels

- de ondervraging en de vereffening van de daden (die hier op aarde zijn verricht),

- het Boek (waarin de daden zijn genoteerd) dat gelezen zal worden,

- de beloning (thawâb),

- de bestraffing (`uqâb),

- de ṣirāṭ ("de brug" die gespannen is over de hel)

- en de mîzân ("de weegschaal"die de daden (goede en slechte) weegt).

81.) De Jannah (paradijs) en de Nâr (hel) zijn later geschapen (mahlûq) en ze zullen nooit eindigen of nietzijn. Allāhu Taʿālā heeft de Jannah en de nâr geschapen vóór Hij de schepselen schiep. Hij schiep daarna hun bewoners. Hij kan door zijn goedertierenheid degenen naar de Jannah sturen, wie Hij wil en met Zijn rechtvaardigheid kan Hij degenen in de hel stoppen, wie Hij wil.

Elke mens zal de werken verrichten die voor hem is bestemd waarmee hij de Jannah of de Nâr heeft verdiend. Het goede (khayr) en het kwade (shar) zijn (van te voren) voor de schepping al voorbestemd en voorgeschreven (muqaddar). (m.a.w. een mens kan alleen datgene verrichten dat door Allâh is voorbestemd en bepaald maar in geen van beiden kan hij door Allâh gedwongen worden het te verrichten.)

82.) De istita'ah (kracht en vermogen) die noodzakelijk is bij het tot stand komen van een fi'il (actie, handeling) gaat samen met die fi'il.

(Met andere woorden een mens heeft het vermogen en kracht de handeling te verrichten voordat hij het kan verrichten.

Zonder dit vermogen en kracht zou hij hiertoe niet in staat kunnen zijn. Een mens wordt verantwoordelijk gesteld voor de daden die hij verricht, omdat hij de istita`ah heeft gekregen van Allâh, voordat hij de fi'il (daad) kan verrichten. Daarom is de mens (en de jin) verantwoordelijk voor het volbrengen van Allâh's geboden en verboden. We zagen al hierboven dat het onderzoeken naar qadar zaken hetzelfde is als het onderzoeken naar de verborgen geheimen (sir) van Allâh. Dit leidt naar een doodlopende weg en dwaling. Degene die meent dat hij de qadar wetenschap heeft doorgrond en beheerst valt in ongeloof. Dus wat moet een dienaar dan doen wat betreft de qadar. Allâh zegt dat er heel weinig over de qadar kennis aan de mensen is gegeven, daarom moet een mu'min een weg volgen dat tussen hoop en angst is of tussen zekerheid en wanhoop is. Onder invloed van twee afstotende gedachtes moet een mu'min goede daden verrichten. Immers, de mens zal verantwoordelijk moeten zijn voor datgene wat in zijn vermogen ligt te kunnen doen).

Uit het oogpunt op het definitieve succes van de desbetreffende zaak, kan deze istita`ah bij het tot stand komen van een fi'il niet aan de geschapenen toegeschreven worden. Maar met betrekking tot "sihhah" (gezondheid), vermogen, voor de fi'il geschikte omstandigheid en gezondheid van de organen is de istita'ah voor de fi'il aanwezig. De vermelding (in de Qur'ân), die een persoon aan zijn verantwoordelijkheden herinnert, is hieraan verbonden. Vandaar dat Allāhu Taʿālā zegt:(Nederlandse betekenis) "Allâh legt niemand een plicht op behalve zoveel zijn vermogen het hem toestaat." (Baqarah 2/286)

83.) Allâh schept de handelingen (af`âl) van de dienaren, en de dienaren verdienen het.

84.) Allāhu Taʿālā legt alleen een plicht op zoveel het vermogen van de dienaren aankan. En zij kunnen alleen die plichten aan die Hij hen aanbiedt. Dat is de uitleg van: "Lâ hawla wa lâ quwwata illâ billâh." (het vermogen en de macht is alleen bij Allâh).

Wij zeggen: "Als iemand zich beschermt tegen het in opstand komen tegen Allâh, heeft hij noch het vermogen, noch de impuls en noch een uitweg (dit te doen) behalve met de hulp van Allâh (ta'at Allâh). De gehoorzaamheid aan Allâh en de continuering in Zijn gehoorzaamheid kan ook alleen met Zijn toestemming tot succes leiden (tawfiqa'llah).

85.) Alles komt tot stand door:

- Allâhs wil (mashīʾah),

- Zijn kennis ('ilm),

- Zijn raadsbesluit (qaḍāʾ) en

- Zijn voorbeschikking (qadar) .

Allâhs wens (mashīʾah) overtreft alle andere wensen.

Zijn qaḍāʾ overtreft alle andere listen. Allâh doet wat Hij wil en is nooit en te nimmer onrechtvaardig (ẓālim). Hij is vrij van alle slechtheden en onrechtvaardigheden, schande (`ayb) en schaamte (shain):(Nederlandse betekenis) "Hij kan niet ondervraagd worden omtrent hetgeen Hij doet doch zij (de dienaren) zullen worden ondervraagd (omtrent hetgeen zij doen) ".(Anbiya/23).

86.) De smeekbeden (daʿawāt) van de levenden en de aalmoezen (ṣadaqāt) (die ze geven), komen hun overledenen ten goede.

87–96: Alles is Allāhs eigendom, toorn en welbehagen, ṣaḥāba, awliyāʾ, tekenen van het Uur

87) Allāhu Taʿālā (verhoort en) beantwoordt de smeekbeden (da`awât) en voorziet de behoeften (van iedereen).

88.) Allâh is de Eigenaar van alles, terwijl niets Hem bezit. Niets kan onafhankelijk van Hem bestaan, zelfs niet voor de duur van een oogwenk. (Wie gelooft dat het mogelijk is) dat men binnen een fractie van een seconde onafhankelijk van Allâh te bestaan, vervalt in ongeloof en behoort tot de verliezers.

89.) Allāhu Taʿālā wordt toornig (yaghaḍab) en welbehagen (yarḍā) met iemand, maar Zijn toorn en welbehagen zijn niet als die van de mens.

90.) Wij houden van de Metgezellen (aṣḥāb) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) Wij keren noch onze rug naar één van hen toe, noch gaan wij te ver in onze liefde voor één van hen. Wij haten degenen die hen haten en dingen tegen hen zeggen die buiten het goede valt. Wij gedenken hen alleen met het goede. Ons liefde voor hen behoort tot onze godsdienst (dîn), geloof (îmân) en oprechtheid in het geloof (ihsân). Haat tegen hen is ongeloof (m.a.w. ongelovig zeggen tegen eminente sahâba) huichelarij (nifâq) en opstandigheid (ṭughyān).

91.) Wij erkennen en zeggen dat na Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم ), Abû Bakr as Siddîq (رضي الله عنه) het khalifaatschap bekleedde en hij de voortreffelijkste en vooraanstaande persoon uit de gemeenschap van Muhammad (صلى الله عليه وسلم ), is. Vervolgen hebben `Umar ibn-i Khattab (رضي الله عنه) , `Uthman ibn-i 'Affan (رضي الله عنه) en tenslotte `Ali ibn-i Talib (رضي الله عنه) de khalifaatschap bekleed. Zij worden de Khalifâ-i Râshidûn (de rechtgeleide khaliefen) genoemd en zij waren de imâms die de mensen naar het rechte pad en verlossing hebben geleid.

92) Wij getuigen dat (onder andere) tien metgezellen (sahâba) door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) met de Jannah (paradijs) gelukzaligd zijn (tijdens hun leven) en ze zullen met Rasûlullāhs getuigenis de Jannah binnentreden. Rasûlullāhs woord is de waarheid. Deze tien metgezellen zijn: Abû Bakr, `Umar, `Uthman, `Ali, Talha, Zubayr, Sa`ad, Saʿīd,`Abdurrahman bin Awf en `Ubaydah bin al-Jarrah ((رضي الله عنهم).

93) Wie slechts goede dingen zegt over de metgezellen van Rasūlullāh, zijn reine echtgenotes (azwāj ṭāhirāt) en zijn nageslacht, heeft zich verre gehouden van huichelarij (nifāq).

94) Wij zeggen niets anders dan goede dingen over de sahâba, tabi'ûn (de generatie na de metgezellen), degenen die hen in goedheid volgen, de fuqahāʾ (wetgeleerden) en de redelijke geleerden onder de salaf (vroegere generaties). Wie kwaad over hen spreekt, is van het rechte pad afgedwaald.

95) Wij verheffen geen van de 'awliyâ' (letterlijk: de vrienden van Allâh, in de volkstaal: zeer vrome mu'mins) boven de anbiyā’. Volgens ons is één van de anbiyā’ voortreffelijker dan welke 'awliyâ' dan ook. Wij geloven in de wonderen (karamât) van de 'awliyâ' en accepteren de berichten daarover die via betrouwbare overleveraars tot ons zijn gekomen.

96) Wij geloven in de verschijning van de Dajjal (anti-christ), de nederdaling van 'Isâ ( عليه السلام) als de tekenen van het Uur. Wij geloven ook in de opkomst van de zon vanuit het westen en de opstanding van Dābbatu l‑Arḍ (een wezen dat uit de aarde zal komen en tot de mensen zal spreken) als grote tekenen van het Uur.

(De overige grote tekenen van het Uur zijn o.a.:

- de gehele aarde zal door rook worden omhuld,

- een volk, dat Ya’juj en Ma’juj wordt genoemd, zal dood en verderf op aarde zaaien,

- aardverzakkingen in het westen, het oosten en op het Arabische schiereiland zullen plaatsvinden

- een groot vuur in Yemen zal ontstaan.)

97–101: Waarzeggerij, eenheid, middenweg en slot

97) Wij bevestigen noch de waarzeggers, noch de astrologen en noch wie iets beweert dat indruist tegen het Boek, de Sunnah en de ijmāʿ -ummah (consensus van de geleerden in de gemeenschap).

98) Wij zien eenheid en saamhorigheid als de waarheid (haq) en goedheid (ṣawāb) ; verdeeldheid zien wij als dwaling en bestraffing.

99) In de hemel en op aarde is er slechts één godsdienst bij Allāh: de Islām. Allāhu Taʿālā zegt (Nederlandse betekenis):" Waarlijk de (ware) godsdienst bij Allâh is de Islâm" (al-i Imrân:19) en " En voor jullie is de Islâm als godsdienst gekozen" (al‑Māʾidah 5:3).

100) De Islâm is een middenweg tussen - overmaat (ghuluw) en tekortschieten (taqṣīr) (in het nakomen van godsdienstige verplichtingen); - tashbîh (anthropomorfisme in het Wezen en eigenschappen van Allâh) en taʿṭīl (ontkenning van Allâhs eigenschappen); - jabr (mens heeft helemaal geen invloed op het verrichten van zijn handelingen n.l. fatalisme) en qadar (de mens heeft al zijn handelingen in zijn hand, hij is zelf de schepper van zijn eigen daden, m.a.w. de qadar wordt verworpen);- `amn (zekerheid) en ya's (wanhoop) (ten aanzien van Allāhs oordeel.).

101) Dit geheel is onze godsdienst (dîn) en geloofsleer (iʿtiqād) in al zijn openheid (ẓāhir) en verborgenheid (bāṭin). Wij nemen afstand van allen die met de hierboven beschreven geloofsprincipes in tegenspraak zijn. Wij vragen Allāhu Taʿālā dat Hij ons continueert in de Islâm, onze laatste adem uit laat blazen met de Islâm, ons weerhoudt van onze slechte begeertes en van onjuiste ideeën van: Mushabbihah (sekte die tashbih geloofsgedachte aanhangt), Mu'tazilah (sekte die ta'dil geloofsgedachte aanhangt), Jamiyyah, Jabriyyah (sectes die jabr geloofsgedachte aanhangen), Qadariyyah (sekte die qadar geloofsgedachte aanhangt) en alle andere sectes, die nieuwlichterij (bid`ah) (in geloofsprincipes) hebben geïntroduceerd en van het rechte pad zijn afgedwaald. Ze hebben zich tegen de Ahl-i Sunnah gekeerd. wij nemen afstand van hen (en hun ideeën). Volgens ons zijn zij in dwaling (ḍalāla) en en brengen zij schade (raḍiyya) (met hun ideeën).

Onfeilbaarheid (ʿiṣma) (tegen onwetenden) en succes (tawfīq ) (op de waarheid) komt alleen van Allâh.

Wal hamdulillahi rabbil 'alamin (lof is aan Allah, de Heer der heelal).