As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Geloof in het hiernamaals

Onderwerp: Hiernamaals & eindtijd

Lees dit boek in de online lezer

INLEIDING

Islām bestaat categorisch uit drie domeinen: geloof, aanbidding en ethiek. Het geloof is de fundamentele basis waarop de andere twee zijn gebouwd. Iemand met een problematisch geloof kan geen gezonde aanbidding en morele levensvisie voortbrengen. De Qur’ān legt vaak de nadruk op het geloof en wijst op de goddelijkheid in bijna elke gelegenheid. Het verwijst naar zaken zoals de Dag des Oordeels, het Hiernamaals, de Afrekening, het Paradijs en het Hellevuur. Het vers waarin Allāh tegen de gelovigen zegt: "O gelovigen, geloof," geeft aan dat het geloof altijd levendig moet blijven voor de gelovigen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ ءَامِنُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَٱلۡكِتَٰبِ ٱلَّذِي نَزَّلَ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ وَٱلۡكِتَٰبِ ٱلَّذِيٓ أَنزَلَ مِن قَبۡلُۚ وَمَن يَكۡفُرۡ بِٱللَّهِ وَمَلَٰٓئِكَتِهِۦ وَكُتُبِهِۦ وَرُسُلِهِۦ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ فَقَدۡ ضَلَّ ضَلَٰلَۢا بَعِيدًا ١٣٦

O, jullie die geloven! Geloof in Allāh en Zijn Boodschapper, en het Boek wat Hij aan Zijn Boodschapper heeft neergezonden, en aan het Boek wat Hij aan degenen voor (hem) heeft neergezonden. En iedereen die niet in Allāh en Zijn Engelen, Zijn boeken, Zijn Boodschappers en de Laatste Dag gelooft, is zeker ver afgedwaald.

(Sûra an-Nisa, 4:136).

Het is de verantwoordelijkheid van de Directie Religieuze Zaken om de samenleving te verlichten op het gebied van religie, en om de taken met betrekking tot het geloof, aanbidding en ethiek in de Islām uit te voeren. Tot nu toe heeft de Directie Religieuze Zaken in de door haar gepubliceerde werken direct of indirect het onderwerp van het geloof behandeld en belangrijke activiteiten uitgevoerd. Omdat dit gebied voortdurend gevoed en versterkt moet worden, is het nuttig om een basisboek van gemiddelde omvang over de zes fundamentele principes van het geloof te ontwikkelen. Om aan deze behoefte te voldoen, heeft de Hoge Raad voor Religieuze Zaken, in samenwerking met de Algemene Directie van Religieuze Publicaties, een project voorbereid. We hebben eerst de inhoud, methode, taal en stijl van de boeken bepaald.

En vervolgens in samenwerking met deskundige schrijvers het project uitgevoerd onder de redactie van Prof. Dr. Bekir Topaloğlu, die zijn leven heeft gewijd aan het vakgebied van de geloofsleer en kalām.

De boekjes zijn gebaseerd op de Qur’ān en de hadieth, die de fundamentele kennisbronnen van de Islām vormen. Wij hebben ons niet in onnodige filosofische of theologische discussies begeven. Deze boekjes presenteren op een holistische manier de islamitische geloofsprincipes. Wij hopen dat deze werken nuttig zullen zijn, en danken de geleerden die eraan hebben bijgedragen.

DIRECTIE RELIGIEUZE ZAKEN

VOORWOORD VAN DE VERTALER

وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِيٓ أَذۡهَبَ عَنَّا ٱلۡحَزَنَۖ إِنَّ رَبَّنَا لَغَفُورٞ شَكُورٌ ٣٤

ٱلَّذِيٓ أَحَلَّنَا دَارَ ٱلۡمُقَامَةِ مِن فَضۡلِهِۦ لَا يَمَسُّنَا فِيهَا نَصَبٞ وَلَا يَمَسُّنَا فِيهَا لُغُوبٞ ٣٥

En zij zullen zeggen: “Alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allah, Die van ons (alle) droefheid verwijderd heeft. Waarlijk, onze Heer is zeker Vergevingsgezind, Meest Waarderend. Hij, Die ons door Zijn genade deze werkelijke verblijfplaats heeft toegewezen, waarin ons geen last, noch vermoeienis raakt. (Nederlandse vertaling van Qur’ān, surah Fatır 35/34-35)

Lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor onze Rab, die ons uit het niets heeft geschapen, ons vervolgens bewust heeft gemaakt van Zijn bestaan, ons heeft geleerd wat we niet wisten en ons heeft begiftigd en vereerd met de hoogste zegen van alle zegeningen, het geloof (iemaan).Salaat (gebed) en salaam (groetenis) aan het beste voorbeeld, onze leider en gids, an-Nabie (an-Nabie) Muhammed Mustafa صلى الله عليه وسلم , evenals zijn familieleden en metgezellen,

Onze Rab heeft de mens op de meest volmaakte wijze geschapen en enkel en alleen om Hem te aanbidden. Hij heeft via openbaring aan Zijn boodschappers, die Hij uit hun eigen volk heeft gezonden, bekendgemaakt hoe zij zich in deze wereld – waarin zij beproefd worden – dienen te gedragen en handelen.

Onze Rab heeft bepaald dat de enige ware godsdienst bij Hem de Islaam is. Hij heeft deze godsdienst vervolmaakt met twee bronnen: de Qur’ān en de sunnah van an-Nabie صلى الله عليه وسلم. Hij heeft in de Qur’ān vermeld dat de Qur’ān het Zijn woord is. Hij heeft tevens in de Qur’ān het bevel gegeven om an-Nabie صلى الله عليه وسلم te gehoorzamen.

قُلۡ إِن كُنتُمۡ تُحِبُّونَ ٱللَّهَ فَٱتَّبِعُونِي يُحۡبِبۡكُمُ ٱللَّهُ وَيَغۡفِرۡ لَكُمۡ ذُنُوبَكُمۡۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣١

Zeg: “Als jullie (echt) van Allah houden, volg mij dan, Allah zal van jullie houden en jullie zonden vergeven. En Allah is de Barmhartige, de Genadevolle. (Āl ‘Imrān 3:31)

Het volgen van an-Nabie صلى الله عليه وسلم (via zijn sunnah) is een teken van liefde voor Allah en dat gehoorzaamheid aan Zijn Rasul een voorwaarde is voor de liefde van Allah voor de mens.

De Qur’ān is een goddelijke openbaring waarin de geboden en verboden van Allah beknopt worden vermeld.

Hoe deze geboden en verboden uitgevoerd dienen te worden, heeft Hij de mu’mins (mu’mins) onderwezen door middel van de woorden, daden en goedkeuringen van de laatste der profeten Muhammad صلى الله عليه وسلم.

De sunnah is de uitleg en praktische toepassing van de Qur’ān . Daarom zei onze moeder ‘Aaishah رضي الله عنها, toen metgezellen haar vroegen naar de akhlaaq (het karakter/moraal/gedrag) van Rasûlullah صلى الله عليه وسلم:

"Lezen jullie de Qur’ān niet? Zijn akhlaaq was de akhlaaq van de Qur’ān ."

Zonder de sunnah is het niet mogelijk om de Qur’ān in praktijk te brengen. In de Qur’ān wordt b.v. het verrichten van de salâh voorgeschreven, maar nergens wordt uitgelegd hoe de salâh dient te worden verricht, noch hoeveel raka`aat er zijn in het fajr-, dhuhr-, ʿasr-, maghrib-, ʿishaaen jumuʿah-salâh.

Zonder de verduidelijking en het voorbeeld van de sunnah zou het uitvoeren van de salâh onmogelijk zijn. Zoals in dit voorbeeld, geldt hetzelfde voor geloofszaken, aanbiddingen, transacties en morele richtlijnen – het is een feit dat deze zonder de sunnah niet correct nageleefd kunnen worden.

De hadiethboeken, waarin de woorden, daden en gedragingen van an-Nabie صلى الله عليه وسلم zijn vastgelegd, zijn door muhaddithien gerangschikt op basis van hun authenticiteitsgraad. Hierbij is rekening gehouden met de autoriteit van de muhaddithien binnen de hadieth wetenschappen en de nauwkeurigheid waarmee zij hun werken hebben opgesteld.

Hieronder is de Nederlandse vertaling van het boek ‘ÂHIRETE IMAN (Het geloven in het Hiernamaals)’ DIB Yayınlari ((geschreven door Prof.Dr. Süleyman Toprak)Het is in het Turks geschreven boekje voor moslims van Turks afkomst. Tussen ellipsis heb ik een aantal opmerkingen geplaatst om het onderwerp te verduidelijken.

VOORWOORD VAN DE SCHRIJVER

Vanaf het moment dat de mens zijn eigen bestaan begon te onderzoeken en zichzelf begon te leren kennen, probeert hij antwoord te vinden op vragen zoals: "Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik hier?

Wat zal mijn eindbestemming zijn?" Totdat hij weet wat de reden van zijn bestaan en doel is, en wat hem na de dood te wachten staat, kan hij geen innerlijke rust vinden en zal hij niet gelukkig zijn. De onvermijdelijke realiteit van de dood, die iedereen vreest en waarvan hij weet dat deze hem uiteindelijk zal treffen, heeft de menselijke geest altijd beziggehouden.

Aangezien de mens is geschapen met een gevoel van eeuwigheid, houdt hij niet van het idee van niet-bestaan en wil hij niet in het niks opgaan. Wanneer hij zich realiseert dat hij de dood niet kan tegenhouden, begint hij zich af te vragen wat er na de dood komt en probeert hij informatie te verkrijgen over datgene wat hij niet met zijn zintuigen kan waarnemen. De meest uitgebreide en betrouwbare informatie over het leven na de dood, die in elke religie verschillend is, komt zonder twijfel van de boodschappers van de ware religie. Want dit gebied kan niet met de zintuigen worden waargenomen, noch kan het met de rede worden begrepen; het is alleen bekend door de openbaring.

De openbaring, Qur’ān en de Sunnah, is de basisbron van de Islām. Het is door de laatste van de profeten, Muhammed (صلى الله عليه وسلم ), aan de mensheid overgebracht. De Qur’ān en de Sunnah bevatten voor elk onderwerp in het leven en het Hiernamaals alle noodzakelijke uitleg.

In ons werk over het geloof in het Hiernamaals hebben we geprobeerd het onderwerp vanuit dit perspectief te benaderen en antwoorden te geven op de vragen die in de geest van elke gelovige (mu’min) rijzen.

Onder de drie hoofdonderwerpen hebben we geprobeerd de informatie uit de Qur’ān en de hadieth (overlevering) met betrekking tot het leven na de dood samen te stellen en vanuit een geloofsperspectief te evalueren: De dood en het Hiernamaals (`ākhirah ), Het graf en de Dag der Opstanding (Qiyāmah) (en De Wederopstanding (Ba`th) en de toestanden in het Hiernamaals.

Ons doel is om de menselijke geest te verlichten met solide informatie over het Hiernamaals, die alleen kan worden verkregen door middel van het Woord van Allāh (de Qur’ān) en ahadieth van Zijn Rasul (صلى الله عليه وسلم ), en zo de harten te vervullen met rust.

Want degene wiens toekomst is verlicht, die weet wat hem te wachten staat in het leven. Hij zal zijn leven dienovereenkomstig inrichten en zich voorbereiden op de toekomst.

Eigenlijk had, naarmate de technologische vooruitgang zich verder ontwikkelt, ook het bewustzijn van geloof bij de mensen moeten toenemen. Het probleem is echter dat technologie mensen in beslag neemt, waardoor ze geen tijd meer hebben voor andere zaken. Terwijl de wereld voor de mens is geschapen, is de mens niet voor de wereld geschapen. De problemen die we als moslims vandaag de dag ervaren zijn grotendeels het gevolg van het verlies van het bewustzijn van het Hiernamaals.

Inspanning is onzerzijds, maar de leiding en het succes komen van Allāh. Moge Allāh ons zegenen in dit leven en het Hiernamaals.

Prof. Dr. Süleyman TOPRAKKonya, 2013

DE DOOD EN HET HIERNAMAALS (`ĀKHIRAH )

I. De waarheid van de dood

De mens, bestaande uit lichaam en ziel (rûh). In wezen bestaat een mens door zijn rûh en niet slechts door zijn lichaam. Terwijl het lot van het lichaam, dat uit aarde is geschapen, opnieuw de aarde is, is de rûh, waardoor de mens zijn menselijkheid verwerft, met het kenmerk van eeuwigheid geschapen. Allāh Ta’ala heeft de mens, vanwege zijn rûh, de engelen doen neerknielen, alles op aarde en in het Paradijs aan hem onderworpen, hem tot de heer van het universum en Zijn plaatsvervanger op aarde gemaakt. (al-Baqarah 2/30) Om deze reden is de beëindiging van het menselijk leven, dat met de geboorte begint, door de scheiding van lichaam en rûh, oftewel de dood, een belangrijk gebeuren. De dood is een van de realiteiten die de mens met zijn zintuigen kan waarnemen.

Ongeacht of men in een leven na de dood gelooft of niet, de enige waarheid is, waar alle mensen op aarde het over eens zijn, de dood. In de Qur’ān wordt deze waarheid aan de gehele mensheid verkondigd met de woorden:كُلُّ نَفۡسٖ ذَآئِقَةُ ٱلۡمَوۡتِۗ

Elke nafs (ziel) zal de dood proeven. (Al-i İmran 3/185.)

A. De aard van de dood

De dood is het einde van de beperkte levensduur van alle levende wezens, inclusief de mens. De dood vindt plaats wanneer de rûh het lichaam verlaat. Zodra de rûh, die het lichaam het leven geeft, scheidt van het lichaam, verandert het lichaam in een hoop vlees en botten. De mens die dit ziet, heeft de behoefte gevoeld om de aard van dit fenomeen te onderzoeken en heeft verschillende meningen geuit. Zoals Imam al-Ghazali het heeft opgemerkt: ”Sommigen geloven dat de dood een totale vernietiging is. Volgens hen is er na de dood geen wederopwekking (ba`th), bijeenbrengen (Hashr), uiteenzenden (naar het Paradijs of het Hellevuur) (Nashr), afrekening (Hasaab), straf (jaz’) en beloning (mukafah). De dood van een mens is vergelijkbaar met de dood van dieren en het verdorren van planten. Dit is de opvatting van degenen die niet in een goddelijke godsdienst, in Allāh of een leven na de dood geloven. Sommigen zeggen: "Wanneer een mens sterft, vergaat hij en wordt hij tot stof, tot de Dag der Opstanding is er noch straf noch beloning." Weer anderen beweren dat wanneer een mens sterft, het lichaam verdwijnt, maar de rûh blijft voortbestaan en niet sterft. Volgens hen zijn het niet de lichamen, maar de arwaah (mv van rûh) die beloning of bestraffing ondergaan; de lichamen worden na de dood niet opnieuw tot leven gebracht.

Volgens de Qur’ān en de ahadieth betekent de dood geen vernietiging, maar slechts een verandering van toestand. Nadat de rûh het lichaam heeft verlaten, eindigt zijn controle over het lichaam. Eigenlijk zijn de organen slechts werktuigen van de rûh zolang deze in het lichaam verblijven. De rûh voelt met de hand, hoort met het oor en ziet met het oog. Alle kenmerken die tot de rûh behoren, blijven bestaan nadat deze het lichaam heeft verlaten.

Het begrip van de aard van de dood hangt grotendeels samen met het begrijpen van de aard van de rûh. Wij oordelen dat iemand is overleden wanneer zijn hart stopt met kloppen en de cellen in zijn weefsels hun energie hebben verbruikt, waardoor het lichaam afkoelt. Maar uit de Qur’ān en ahadieth leren we dat de rûh niet verdwijnt met het beëindigen van het lichamelijke leven, maar slechts verhuist van de ene wereld naar een andere wereld.

Allāh Ta’ala heeft verkondigd dat elke nafs (ziel) de dood zal proeven. (zie Al-i İmran, 3/185) Het proeven van de dood door de ziel, namelijk de rûh, betekent het verlaten van het lichaam. Om iets te kunnen proeven, moet men levend en bewust zijn.

Als de rûh samen met het lichaam zou sterven, hoe zou het dan de dood van het lichaam kunnen proeven? In de Qur’ān wordt bevestigd dat het scheiden van de rûh van het lichaam niet als haar dood wordt beschouwd. Dit blijkt uit de verzen waarin staat dat martelaren niet als doden beschouwd mogen worden, maar juist genieten van de gunsten van Allāh.( zie Al-i İmran 3/169-171.)

وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op de Weg van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun (arwaah: zielen) zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten) Al-i İmran 3/169)

Als martelaren levend zijn, dan zijn zeker ook de profeten, die in rang nog hoger staan dan de martelaren, levend, omdat zij spiritueel nog verhevener zijn.

Daarom is de dood geen vernietiging, maar een overgang van deze beperkte wereld naar een ruimere wereld. Voor de gelovige (mu’min) betekent de dood ook een hereniging met zijn geliefden.

Voor een mu’min is de dood de weg om verlost te worden van de moeilijkheden van deze wereld en om herenigd te worden met zijn geliefden. De kalief `Umar ibn Abdulaziz zei in een van zijn preken:

"Zonder twijfel zijn jullie geschapen voor de eeuwigheid, en met de dood worden jullie slechts overgebracht van de ene wereld naar de andere."

Over de dood staan er vele verzen in de Qur’ān, waarvan er twee als volgt luiden:

قُلۡ إِنَّ ٱلۡمَوۡتَ ٱلَّذِي تَفِرُّونَ مِنۡهُ فَإِنَّهُۥ مُلَٰقِيكُمۡۖ ثُمَّ تُرَدُّونَ إِلَىٰ عَٰلِمِ ٱلۡغَيۡبِ وَٱلشَّهَٰدَةِ فَيُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ٨

Zeg: “Waarlijk, de dood waarvoor jullie vluchten zal jullie zeker ontmoeten, daarna worden jullie tot (Allāh) gestuurd, de Alwetende van het onzichtbare en het zichtbare, en Hij zal jullie dan vertellen wat jullie plachten te doen.”( al-Jum`a 62/8).

أَيۡنَمَا تَكُونُواْ يُدۡرِككُّمُ ٱلۡمَوۡتُ وَلَوۡ كُنتُمۡ فِي بُرُوجٖ مُّشَيَّدَةٖۗ

“Waar jullie ook zijn, de dood zal jullie overmannen, zelfs al hebben jullie een machtig en hoog fort gebouwd!” (an-Nisa 4/78.)

Aangezien de dood onvermijdelijk is, zouden we niet moeten zoeken naar manieren om eraan te ontsnappen, maar moeten we ons bezighouden met het onderzoeken en overpeinzen van zaken die ons na de dood naar de eeuwige gelukzaligheid zullen leiden. In dit opzicht worden mensen in een hadieth (Bukhârî, Riqaaq, 42) in twee categorieën verdeeld: 1. zij die door de dood rust vinden en 2. zij door wiens dood anderen rust geeft. ad 1) Degenen die rust vinden door de dood zijn ongetwijfeld de mu’mins en de rechtschapenen. Sommigen hebben de dood vergeleken met een kuiken dat zijn eierschaal breekt. Zoals de volmaaktheid van het kuiken ligt in het breken van de schaal en het betreden van de wereld, zo ligt de volmaaktheid van de mens in het scheiden van de rûh van het lichaam.

Ad 2) Als een kuiken zich niet aan de regels van het verblijf in het ei houdt, zal deze wereld geen volmaakte plaats voor hem zijn.

Op dezelfde manier, als een mens zich niet aan de geboden en verboden van Allāh houdt in deze wereld, kan hij na de dood geen geluk bereiken.

[Opmerking: Op de Dag der Opstanding (Yawmu’l `ākhirah ) verwijst Hashr naar het bijeenbrengen en leiden van alle opnieuw tot leven gewekte (ba‘s) wezens naar een verzamelplaats voor de afrekening. De plaats waar verzameld wordt, wordt Mahshar genoemd. Hashr is de tweede fase van de gebeurtenissen op de Dag der Opstanding, direct na ba`th, en het tegenovergestelde is Nashr, wat verwijst naar het uiteenzenden van de mensen naar het Paradijs of de het Hellevuur na de afrekening.]

B. De houding van een mu’min tegenover de dood1. Het herinneren aan de dood en zich voorbereiden op de dood

Er is geen duidelijker waarheid dan de dood, die vroeg of laat iedereen zal treffen. De dood is zelfs zekerder dan het feit dat op elke dag een morgen volgt, op elke nacht een dag, en op elke zomer een winter. Als de dood slechts het einde van het bestaan zou betekenen, zou er niets meer te doen zijn. Sommige mensen proberen te ontsnappen aan de dood alsof ze wegrennen voor een leeuw, maar hoezeer ze ook proberen te vluchten, uiteindelijk zal de dood hen inhalen en zal hun angst werkelijkheid worden.

Aangezien de mens niet wil ophouden te bestaan en zijn dood niet het absolute einde betekent, maar slechts een overgang van de ene wereld naar de andere, wordt de noodzaak van voorbereiding op de dood en na de dood duidelijk.

De meest tastbare herinnering aan het leven na de dood is de dood zelf. Daarom zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم :

Vergeet niet de vernietiger van de geneugten, namelijk de dood. (Tirmidhî, Zuhd, 31; İbn Mājah, Zuhd 31)

Rasulullah صلى الله عليه وسلم beschouwde het voorbereiden op de dood voordat deze komt als een teken van leiding (hidayah). Op een dag legde hij zijn hand op de schouder van ʿAbdullah ibn ʿUmar رضي الله عنه en gaf hem, en in zijn persoon het Hellevuur ummah, het volgende advies:

Wees in deze wereld alsof je een vreemdeling bent of een reiziger. Beschouw jezelf als een van de bewoners van het kerkhof. Maak gebruik van je gezondheid voordat je ziek wordt, en van je leven voordat je sterft! Want jij weet niet wat je morgen te wachten staat, o ʿAbdullah! (Tirmidhî, Zuhd,17)

Het is belangrijk om te vermelden dat in de Islām het herinneren aan de dood en het denken over het Hiernamaals niet wordt aanbevolen om het wereldse leven van de mu’min ondraaglijk te maken. Integendeel, deze aanbeveling is bedoeld om een evenwicht te creëren, zodat men zowel zijn wereldse als zijn eeuwige leven op een verantwoorde manier inricht. Iemand die zich goed voorbereidt op de winter, vreest de komst ervan niet, en zo vreest ook degene die goed voorbereid is op het Hiernamaals de dood niet.

Wanneer een mu’min deze wereld verlaat, beseft hij dat zijn persoonlijke "Dag des Oordeels" is aangebroken en dat de engelen hem zullen vragen wat hij vooruit heeft gestuurd, terwijl de mensen die zijn begrafenis bijwonen zullen vragen over wat hij heeft achtergelaten. In feite is het herinneren aan de dood een medicijn voor verharde harten. Het verlost degene die in overvloed en welvaart leeft van de achteloosheid en verlicht het leed van hen die in moeilijkheden verkeren.

2. Niet de dood wensen

Het leven op deze wereld kent veel moeilijke beproevingen. Het verlies van een dierbare, ziekte, armoede of hongersnood kunnen ondraaglijk lijken. Sommige mensen schreeuwen het uit in wanhoop en verlangen naar de dood en sommigen zonder geloof (iemaan) of zwakke geloof proberen zelfs zelfmoord te plegen.

Echter, mensen met een volmaakte iemaan en met zekerheid (yaqien) van overtuiging willen geen zelfmoord plegen en zelfs niet de dood wensen in die moeilijkste tijden. In plaats daarvan tonen zij volledige overgave en vertrouwen in Allāh. Als zij zelf verantwoordelijk zijn voor de tegenslagen die hen treffen, geven zij anderen niet de schuld, maar zoeken zij berouwvol toevlucht tot de goddelijke genade.

Van Anas رضي الله عنه: Rasûlullah صلى الله عليه وسلم zei: Laat niemand van jullie de dood wensen vanwege een moeilijkheid die hem is overkomen. Maar als hij toch de dood wenst, laat hem dan zeggen: 'O Allāh, geef mij het leven zolang het leven beter voor mij is, en neem mijn ziel wanneer de dood beter voor mij is. (Bukhârî,, Daawat, 30; Muslim, Dhikr, 4.)

In een andere hadieth zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم Laat niemand van jullie de dood wensen. Als hij een goeddoener is, kan hij zijn goede daden nog vermeerderen. En als hij zondig is, kan hij misschien nog berouw tonen en zich van bestraffing redden. (Bukhârî,, Tamannie, 6).

II. Het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)

In taalkundige zin betekent `ākhirah "laatste", het tegenovergestelde van awwal ("eerste"). In islamitische terminologie wordt het gedefinieerd als het leven na de dood, dat na de wereldse fase begint en voor eeuwig voortduurt.

In de Qur’ān wordt het Hiernamaals soms afzonderlijk genoemd, en soms in combinatie met het woord dār (verblijf), zoals in dār al-`ākhirah (het verblijf in het Hiernamaals), of yawm (dag) Yawm al al-`ākhir (de Laatste Dag)

Sommige geleerden definiëren `ākhirah als het leven dat begint met de eerste blaas op de Sûr (bazuin) door (de engel) Isrāfiel عليه السلام en duurt voort tot de bewoners van het Paradijs en het Hellevuur hun uiteindelijke bestemmingen hebben bereiken. Het leven dat alle toestanden van de `ākhirah omvat. Anderen omschrijven het als het leven dat begint met de tweede blaas op de Sûr en de wederopstanding (ba`h) van de mensheid en het leven dat daarna eindeloos zal voortduren.

Aangezien de periode tussen het verlaten van het aardse leven, de dood, en de wederopstanding niet gerekend kan worden tot het wereldse leven, is het correcter om de `ākhirah te definiëren als inclusief de fase van het grafen het barzākh-leven.

Het leven in de `ākhirah begint direct na de dood, de wederopstanding, de Dag des Oordeels en het leven tot in de eeuwigheid, In deze zin staat `ākhirah tegenover dunyā (wereld) en `ākhirah-leven tegenover dunyā-leven.

Deze laatste omschrijving omvat niet alleen het leven in het graf en de barzākh (de tussenfase na de dood), dat direct na de dood begint, maar ook de volgende fasen.:

Het blazen op de Sûr door (de engel) Isrāfiel عليه السلام

Het aanbreken van de Dag der Opstanding (Yawm al-Qiyāmah)

De wederopstanding en het verzamelen van de mensheid op de Mahshar-vlakte

Het ontvangen van het boek waarin de goede en slechte daden zijn genoteerd (rechts of links/achter)

De ondervraging van een ieder door Allāh

Ter verantwoording roeping van de daden

De weegschaal waarin de goede en slechte daden worden gewogen

De Sirāt (brug) die iedereen zal moeten oversteken

De Hawd al-Kawthar (waterbassin van an-Nabie صلى الله عليه وسلم bevindt zich op de Mahshar))

De bemiddeling (shafāʿah)

De eeuwige verblijfplaatsen: het Paradijs en het Hellevuur

In de Qur’ān wordt de Dag des Opstanding met verschillende namen aangeduid, waaronder:

Yawm at-Talāq (De Dag van de Ontmoeting) omdat de gelovigen Allāh zullen ontmoeten (el-Mu’min 40/15)

Yawm al-Jamʿ (De Dag van de Verzameling) Omdat de mensen en andere levende wezens bijeengebracht zullen worden. (at-Taghabun 64/9)

Yawm at-Taghābun (de Dag van Misleiding) Omdat zal blijken dat degenen die Zijn geboden en verboden niet naleefden misleid waren. (at-Tagabun 64/9)

Yawm al-Khurūj (De Dag van het Uittreden) omdat iedereen na de wederopstanding uit het graf zullen komen. (Kaf 50/42)

Yawm al-Hasrah (De Dag van de Spijt) Omdat de ongelovigen zullen zien dat hun daden vergeefs waren en zij zullen verlangen om terug te keren naar de wereld. (Maryam 19/39)

De menselijke rede vindt het leven na de dood niet in strijd met de logische wetten, maar beschouwt het juist als een noodzaak.. Een van de sterkste argumenten hiervoor is dat absolute gerechtigheid niet volledig in deze wereld plaatsvindt. Zolang de mensheid op deze aarde bol bestaat, zijn er onder individuen en samenlevingen gestreden, oorlogen zijn er uitgebroken, er waren slachtoffers en daders, onderdrukkers en onderdrukten. Dergelijke gebeurtenissen, die het geweten kwellen, blijven voortduren en zullen in de toekomst waarschijnlijk ook doorgaan. Wie is de onderdrukker en wie de onderdrukte? Hoe zal gerechtigheid geschieden, en wie zal haar uitvoeren? Het antwoord op deze en vele soortgelijke vragen – zowel in woord als in daad – zal pas volledig duidelijk worden op de Dag des Oordeels, wanneer de Allerhoogste en Beste der Rechters, Allāhu Ta`ala, als enige de uiteindelijke oordeel zal vellen.

In de Kalām wetenschap (theologie) worden de geloofskwesties (`itiqād) die niet door rede en ervaring bewezen kunnen worden, maar wel door de openbaring (Qur’ān en Sunnah). Dit wordt aangeduid als 'sam`iyyāt'. In de sam`iyyāt kwesties bestaat de rol van de rede uit het vaststellen van de mogelijkheid van de geopenbaarde bronnen en het bevestigen daarvan

A. Het bewijs van het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)

Het bestaan van `ākhirah behoort tot het ongeziene en kan daarom niet met de zintuigen worden waargenomen. Toch kan worden gesteld dat, terwijl het menselijke lichaam en het universum waarin we leven vergankelijk zijn, het opnieuw tot leven wekken na de dood en het eeuwige leven in `ākhirah rationeel mogelijk en zelfs noodzakelijk is. Het feit dat het wereldse leven een beproeving is, maakt de `ākhirah noodzakelijk.

Omdat mensen, gezien hun positie en verantwoordelijkheden in deze wereld, verschillende mogelijkheden hebben, zullen zij op de proef worden gesteld. Als gevolg hiervan is het onvermijdelijk dat er een tweede leven bestaat, waarin iedereen de beloning of straf ontvangt voor zijn goede of slechte daden. Anders zou de beproeving haar betekenis verliezen.

In de Qur’ān wordt hierover gezegd:

أَمۡ حَسِبَ ٱلَّذِينَ ٱجۡتَرَحُواْ ٱلسَّيِّـَٔاتِ أَن نَّجۡعَلَهُمۡ كَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ سَوَآءٗ مَّحۡيَاهُمۡ وَمَمَاتُهُمۡۚ سَآءَ مَا يَحۡكُمُونَ ٢١

وَخَلَقَ ٱللَّهُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ بِٱلۡحَقِّ وَلِتُجۡزَىٰ كُلُّ نَفۡسِۭ بِمَا كَسَبَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ٢٢

Of dachten degenen die slechte daden verricht hebben, dat Wij hen hetzelfde zullen behandelen als degenen die geloofden en goede daden verricht hebben, zowel in hun leven als in hun sterven? Verkeerd is het oordeel dat zij vellen.

En Allāh heeft het Paradijsen en de aarde in Waarheid geschapen. Zodat iedere ziel wordt vergolden voor hetgeen hij verdiend heeft. En hen zal geen onrecht worden aangedaan.

(al-Jaathiyah 45:21-22)

Een van de aangeboren kenmerken van de mens is het gevoel voor rechtvaardigheid. Het is onmogelijk te stellen dat gerechtigheid te allen tijde en overal in de wereld heerst. Iedereen die de onrechtvaardigheden in de wereld ziet en zich eraan stoort, verlangt naar de vestiging van een grote rechtbank waarin rekenschap wordt afgelegd en gerechtigheid wordt hersteld.

De dag waarop de onderdrukker en de onderdrukte op een rechtvaardige wijze worden beoordeeld, wordt in de eerste surah van de Qur’ān aangeduid als "yawm ad-dien" (de dag van vergelding) (al-Fatiha 1/4).

De rationalistische argumenten die worden gebruikt om het bestaan van de `ākhirah te bewijzen, zoals de menselijke drang naar toekomstige verantwoording en het gevoel van gerechtigheid, verlichten slechts de rede. De beslissing om `ākhirah te accepteren of te verwerpen is afhankelijk van de samenwerking tussen het verstand en het hart. De ongelovigen, die de dood beschouwen als een definitief einde en de wederopstanding ontkennen, vermijden het meeste de dood, met andere woorden ze willen niet geloven dat ze de gevolgen van hun wereldse daden zullen worden vergolden.

Enkele bewijzen uit de Qur’ān over het bestaan van het Hiernamaals (`ākhirah)a) De eerste scheppingDe Qur’ān brengt als argument tegen hen die `ākhirah ontkennen naar voren, de eerste schepping. Het is evident dat Allāhu Ta`ala de mens en alle andere levende wezens uit het niets heeft geschapen, opnieuw in staat is hen te scheppen. In de Qur’ān staat:

وَضَرَبَ لَنَا مَثَلٗا وَنَسِيَ خَلۡقَهُۥۖ قَالَ مَن يُحۡيِ ٱلۡعِظَٰمَ وَهِيَ رَمِيمٞ ٧٨

قُلۡ يُحۡيِيهَا ٱلَّذِيٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٖۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلۡقٍ عَلِيمٌ ٧٩

En (hierover) gaf hij Ons een gelijkenis terwijl hij de schepping van zichzelf over het hoofd zag. (Met een bot in de hand) vraagt hij: Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn? Zeg: Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping! (Yaa-Sien 36:78-79)

Het is algemeen erkend dat het voor degene die iets voor de eerste keer doet gemakkelijker is om hetzelfde voor de tweede keer te doen.

In werkelijkheid is er echter geen sprake van iets dat voor Allāhu Ta`ala gemakkelijker of moeilijker is dan iets anders, wordt in de Qur’ān gezegd:

وَهُوَ ٱلَّذِي يَبۡدَؤُاْ ٱلۡخَلۡقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَهُوَ أَهۡوَنُ عَلَيۡهِۚ وَلَهُ ٱلۡمَثَلُ ٱلۡأَعۡلَىٰ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٧

En Hij is Degene Die de schepping vormt, en het daarna herhaalt en dat is voor Hem nog gemakkelijker. Aan Hem behoren de meest verheven eigenschappen in het Paradijsen en op aarde. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (ar-Roem 30:27)

Hier wordt een gekend principe gebruikt om de mensen een waarheid te laten begrijpen. Ook islamitische theologen zoals Abul-Hasan al-Ash`arie, Juwaynie en al-Ghazalie hebben wat er in de Qur’ān met 'yu`ieduhu' (herhaalt) wordt verwezen naar de wederopstanding in de `ākhirah, en men heeft geprobeerd het bestaan van zowel de eerste schepping als de `ākhirah te bewijzen door het voorbeeld van de Qur’ānische uitleg.

b) Het scheppen van moeilijkere zakenOok in de Qur’ān wordt aan degenen die de `ākhirah ontkennen, aangegeven dat Allāh, die dingen heeft geschapen die nog moeilijker zijn te scheppen, zeker in staat is om de `ākhirah ook te scheppen: Allāhu Ta`ala zegt:.

أَوَلَمۡ يَرَوۡاْ أَنَّ ٱللَّهَ ٱلَّذِي خَلَقَ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضَ وَلَمۡ يَعۡيَ بِخَلۡقِهِنَّ بِقَٰدِرٍ عَلَىٰٓ أَن يُحۡـِۧيَ ٱلۡمَوۡتَىٰۚ بَلَىٰٓۚ إِنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٣٣

Zien zij dan niet dat Allāh, Die het Paradijsen en de aarde geschapen heeft en door hun schepping niet moe geworden is, in staat is om het dode tot leven te brengen? Ja, Hij is zeker tot alle dingen in staat.

(al-Ahqaaf 46:33)

c) Het scheppen van ogenschijnlijk onmogelijke zakenDegenen die geloven dat materie eeuwig is en zeggen:

أَءِذَا مِتۡنَا وَكُنَّا تُرَابٗاۖ ذَٰلِكَ رَجۡعُۢ بَعِيدٞ ٣

Als wij gestorven zijn en tot stof zijn geworden? (worden wij dan weer opgewekt?) Dat is een verre weg terug. (Qaaf 50:3), worden door Allāh aangespoord om na te denken. De Qur’ān geeft voorbeelden uit hun eigen ervaringswereld. Bijvoorbeeld, het omkeren van iets is veel moeilijker dan het omzetten in iets soortgelijks, en soms zelfs onmogelijk. In surah Yaa-Sien:

وَضَرَبَ لَنَا مَثَلٗا وَنَسِيَ خَلۡقَهُۥۖ قَالَ مَن يُحۡيِ ٱلۡعِظَٰمَ وَهِيَ رَمِيمٞ ٧٨

قُلۡ يُحۡيِيهَا ٱلَّذِيٓ أَنشَأَهَآ أَوَّلَ مَرَّةٖۖ وَهُوَ بِكُلِّ خَلۡقٍ عَلِيمٌ ٧٩

ٱلَّذِي جَعَلَ لَكُم مِّنَ ٱلشَّجَرِ ٱلۡأَخۡضَرِ نَارٗا فَإِذَآ أَنتُم مِّنۡهُ تُوقِدُونَ ٨٠

En (hierover) gaf hij Ons een gelijkenis terwijl hij de schepping van zichzelf over het hoofd zag. (Met een bot in de hand) vraagt hij: “Wie doet de beenderen tot leven komen, terwijl ze gruis zijn?”

Zeg: “Hij zal hen doen herleven zoals Hij hen de eerste keer heeft geschapen! En Hij is Alwetend over de gehele schepping!

Hij is Degene Die voor jullie van de groene boom vuur heeft gemaakt, waarna jullie er een vuur mee ontsteken. (Yaa-Sien 36:78-80)

Het ontkennen van de `ākhirah impliceert feitelijk ook het ontkennen van Allāh en Zijn Rasul. Want de zaken van de `ākhirah kunnen niet door zintuigen worden waargenomen of louter met het verstand begrepen. Zij kunnen slechts gekend worden door de openbaringen van Allāh en de berichten van Zijn Rasul. Het verwerpen van de `ākhirah betekent dus het verwerpen van de openbaring/bericht. Dit betekent het ontkennen van Allāh en Zijn Rasul, want in Allāh en Zijn Rasul geloven betekent dat men accepteert dat Allāh en Zijn Rasul de waarheid spreken en alles bevestigen wat zij hebben gebracht.

Het geloof in de `ākhirah is van groot belang voor de mens. Daarom wordt de `ākhirah in de Qur’ān vaak genoemd, soms met duidelijke bewijzen, soms met voorbeelden en beschrijvingen, om het geloof in de `ākhirah stevig in het verstand en het hart van de mens te verankeren.

Want zodra de mens bewustzijn krijgt over zijn bestaan, begint hij vragen te stellen: "Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waarom ben ik hier op aarde? Wat zal er met mij gebeuren aan het einde van het leven op aarde?”Door in Allāh te geloven, leert de mens de oorsprong van het universum en zijn Schepper kennen.

Door in de `ākhirah te geloven, leert hij waar hij na dit leven naartoe zal gaan en wat er met hem zal gebeuren. Degene die weet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat, bevrijdt zich van zorgen over de toekomst. Hij stelt zich een doel in zijn leven en grijpt naar de middelen die hem het beste naar dat doel leiden. Zo krijgt zijn leven betekenis, wordt hij bevrijd van de willekeurigheid, en begrijpt hij waarom en hoe hij zou moeten leven.

Degene die niet in de `ākhirah gelooft, kan zijn levensdoel niet bepalen en zal rusteloos zijn. Hij kan anderen onrecht aandoen omwille van zijn eigenbelang. Hij zal trachten zijn verlangens onbeperkt te vervullen. Hij zal streven naar een eeuwig verblijf in deze wereld en de wereld een paradijs maken – iets wat onmogelijk is. Uiteindelijk zal hij niet gelukkig worden en zowel zijn wereldse als eeuwige leven volledig vernietigen. Tenslotte is de mens geschapen met een afkeer voor het niets en met een verlangen naar de eeuwigheid. De mens die begrijpt dat het wereldse leven niet eeuwig is, wordt bevrijd van de angst voor vernietiging en geleid naar het eeuwige geluk. Dat is slechts mogelijk door het geloof in de `ākhirah.

B. De voordelen van het geloof in de `ākhirah

Het geloof in de `ākhirah heeft een diepe impact op het leven van een mens. Alleen door dit geloof wordt het mogelijk om het wereldse leven in zijn ware aard te begrijpen In feite is het hiernamaalsbegrip in de islam, dat in overeenstemming is met de pure aard van de mens, niet uitsluitend voor de Dag des Laatste Oordeels, maar ook voor het leven op aarde. Immers de wereld en het Hiernamaals zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De wereld is als een akker voor het Hiernamaals, en het Hiernamaals is ook voor de wereld. Het zit in de orde en het systeem van deze wereld. Zoals de mens zijn hiernamaals in de wereld verwerft, zo bouwt hij ook zijn wereld op dankzij zijn geloof in het hiernamaals.

Hieruit blijkt dat het geloof in het Hiernamaals een fundamenteel principe is, dat zowel het ordelijke verloop van wereldse zaken als de verwerving van het Hiernamaals omvat. Daarom is het geloof in het Hiernamaals een zegen voor de mens en hangt zijn geluk ervan af. Geluk wordt gedefinieerd als "de harmonie van een mens met zichzelf." Om deze harmonie te bereiken, is het noodzakelijk om te geloven in het leven na de dood. Dit komt doordat de mens van nature een afkeer heeft van niet-bestaan en de eeuwig wil van voortbestaan. De gedachte dat de dood het absolute einde zou zijn, is de grootste angst van de mens. Wanneer men gelooft in het leven na de dood, ervaart men het geluk van het oplossen van een groot probleem en het vinden van een antwoord op een moeilijke vraag. Dit geloof wekt hoop in alle zaken en brengt rust in het hart.

Het geloof dat de mens na de dood een eeuwig leven zal bereiken, verzekert niet alleen zijn geluk in het Hiernamaals, maar ook het besef dat hij in de aanwezigheid van Allāh rekenschap zal moeten afleggen, voorkomt in de samenleving het ontstaan van kwaad, onrust, onderdrukking, misdaad en onrechtvaardigheid. Het geloof in het Hiernamaals nestelt zich als een actieve waarschuwer in het hart van de mens en spoort hem voortdurend aan tot het verrichten van goede daden, het vermijden van het kwade, het verlaten van slechte gewoonten en het sieren van zichzelf met deugden. Het moedigt hem aan om zich te houden aan de waarheid en gerechtigheid en weerhoudt hem ervan de door Allāh gestelde grenzen te overschrijden, uit vrees voor Hem.

Een ander voordeel van het geloof in het Hiernamaals is dat het hoop vernieuwt, leed verlicht en een grote steun is bij het overwinnen van moeilijkheden.

TWEEDE DEEL: GRAF EN QIYĀMAH (HIERNAMAALS)

I. Het leven in het grafHet leven in het graf wordt vooral uitgelegd door de onsterfelijkheid van de ziel (rûh), daarom is het nuttig om eerst kort het onderwerp van de rûh te behandelen. Er is geen twijfel dat niet het lichaam, dat uit aarde is samengesteld, is dat het leven van de mens na de dood voortzet – hoewel de relatie met het lichaam op een bepaalde manier voortduurt – maar zijn werkelijkheid is zijn persoonlijkheid en rûh. Wat is dan de rûh?

A. De aard en onsterfelijkheid van de ziel (rûh)Het nadenken over de ziel door de mensheid is zo oud als de menselijke geschiedenis zelf. Sinds de mens zichzelf begon te begrijpen, heeft hij gevoeld dat zijn bestaan niet alleen uit het lichaam bestaat. Hij begonnen ook de tweede component, die zijn ware bestaan vormt, te onderzoeken. Want hoewel we alle organen van de mens aan hem toeschrijven – zoals de arm, het been, het hoofd, het oog – kunnen we geen van deze afzonderlijk als "mens" aanduiden. We noemen het een mens vanwege het geheel van deze organen en we verwijzen deze organen naar de mens. Elk van deze organen, wanneer afzonderlijk bekeken, is niet het individu zelf, en evenmin betekent het verdwijnen, rotten en tot aarde vergaan ervan betekent niet dat het individu verdwenen is. Daarom moet de mens naast zijn zichtbare lichaam ook een onzichtbaar bestaan hebben.

Bovenkant formulier

Een van de redenen die de mens heeft geleid tot het idee dat er naast hun materiële bestaan nog een ander (geestelijke) bestaan is, zijn dromen. Aangezien de mens niet in staat was om dromen met het fysieke lichaam te verklaren, dacht men dat er een tweede wezen was dat in dromen ronddwaalde. Vervolgens begon men de aard daarvan te onderzoeken. In de vroege tijden dacht men dat dit tweede wezen een bewegend lichaam was. Immers wanneer de ademhaling stopte, trad de dood in. En vanwege de dromen werd het beschouwd als een schaduwachtige geest. Dit idee leidde tot de opkomst van het geloof in ‘maatje’. (In primitieve samenlevingen werd dit tweede bestaan, dat apart van het lichaam werd beschouwd, "maatje’ genoemd. Men geloofde dat deze "maajet" tijdelijk in dromen van het lichaam scheidde en bij de dood voor altijd het lichaam verliet (zie Mehmet Taplamacıoğlu, Din Sosyolojisi, p. 67-70). Zelfs vandaag de dag zijn er miljoenen mensen over het Hellevuure wereld die geloven dat de ziel iets is als adem of lucht. Later zijn er verschillende opvattingen en theorieën over dit onderwerp ontstaan. Materialisten (naturalisten), die zeggen dat ze geen ander wezen kennen dan wat met de vijf zintuigen waargenomen kan worden. Ze ontkennen Allāh en de rûh omdat deze niet in het domein van experimentele wetenschap vallen. Dergelijke mensen beschouwen de mens alleen als een materieel wezen en proberen alles binnen het kader van materie te verklaren.

Degenen die het bestaan van de rûh accepteren, zijn verdeeld in verschillende denkrichtingen. Sommigen van hen heeft de aanwezigheid van het lichaam als noodzakelijk beschouwd opdat de rûh kan voortbestaan en zich kan manifesteren, en zij beweren dat de rûh, na het afsterven van het lichaam, niet in staat zou zijn om haar bestaan voort te zetten.

De materialistische of naturalistische denkers (geloven dat de natuur zelf de oorsprong en oorzaak is van alles wat bestaat) en de meeste positivisten (geloven dat de ware kennis uitsluitend gebaseerd moet zijn op empirische waarneming, wetenschappelijke methoden en logische analyse) en filosofen die onder hun invloed stonden, hebben de onsterfelijkheid van de ziel en het hiernamaals ontkend.

Omdat vele ervaringen het bestaan van de rûh hebben aangetoond, maar onderzoek naar de essentie ervan heeft geen positief resultaat opgeleverd. Ook degenen die zich in hetzelfde gebied onderzoek verrichten, hebben inmiddels toegegeven dat de rûh niet kan worden onderzocht. En er zijn ook die de rûh ontkennen maar ze kunnen de essentie ervan niet begrijpen.

In alle monotheïstische religies is het bestaan van de rûh met consensus aanvaard. Miljarden mensen die tot deze religies behoren, geloven hier dan ook in.

Vanaf de vroegste tijden zijn er verschillende denkers, wetenschappers en religieuze leiders geweest die verschillende hypothesen hebben ontwikkeld over de aard van de rûh. Hier vermelden we het vers uit de Qur’ān:

وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِۖ قُلِ ٱلرُّوحُ مِنۡ أَمۡرِ رَبِّي وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلۡعِلۡمِ إِلَّا قَلِيلٗا ٨٥

En zij vragen jou over de ziel (die het lichaam in leven houdt). Zeg: “De kennis over de ziel is bij mijn Heer. En van (Allāh’s verheven) kennis wordt jullie maar weinig gegeven. (el-İsra 17/85)

Na dit vers kunnen we stellen dat de kennis die ons is gegeven over rûh slechts bestaat uit de manifestaties van de rûh, laten we onze uitleg als volgt voortzetten:

We geloven dat de mens uit zowel rûh als lichaam bestaat en accepteren de eeuwigheid van de ziel na de dood, daarom geloven we in de toestanden na de dood. Zowel het leven in het graf en de barzākh-leven na de dood als de andere zaken van het Hiernamaals worden verklaard door de onsterfelijkheid van de rûh. Ongeacht waar en hoe de mens sterft, de staat of plaats van het lichaam, zal de rûh de mens blijven vertegenwoordigen en zijn bestaan blijven voortzetten. Het lichaam is uit aarde geschapen en keert terug naar de aarde maar de rûh zal nooit vergaan of verdwijnen.

B. Het bestaan en de aard van het grafleven

Het is niet mogelijk om het grafleven te ontkennen door te beweren dat de Qur’ān geen gedetailleerde uitleg geeft over de toestand van de overledene vanaf het moment van overlijden tot de Dag der Qiyāmah. Want alles wat met ondervraging in het graf, afrekening, bestraffing en beloning te maken heeft, is in de ahadieth terug te vinden. Zoals hierna verder zal worden toegelicht, bevatten sommige verzen duidelijke aanwijzingen over de toestanden in het graf. Het grafleven, ook wel bekend als het rijk der Barzākh (een tussentoestand tussen het leven op aarde en het Hiernamaals), begint na de dood en duurt voort tot de Dag des Wederopstanding (Ba`th), de dag dat de doden uit hun graf zullen herrijzen (ba‘th). Ongeacht of een overledene begraven is of niet, hij zal het leven in Barzākh ervaren. De dood is de weg naar de eeuwigheid en het graf is de eerste halte van het Hiernamaals. De eerste fase van beloning of bestraffing in het Hiernamaals begint in het rijk der Barzākh. Net zoals het in de Islām verplicht is om in het Hiernamaals en alles wat op die dag zal plaatsvinden te geloven, is het ook noodzakelijk om te geloven in het Barzākh-leven dat begint met het scheiden van de rûh van het lichaam en voortduurt tot de Qiyāmah.

En wat betreft de aard en kenmerken van het grafleven, hiermee wordt de relatie tussen de rûh en het lichaam in de rijk der Barzākh bedoeld. Islamitische filosofen hebben betoogd dat de rûh, nadat het lichaam heeft verlaten, noch in het graf noch op de Qiyāmah naar het lichaam zal terugkeren, en dat alle toestanden in deze beide werelden puur spiritueel van aard zullen zijn. Hoewel zij deze opvatting verdedigden om de eeuwigheid van Qiyāmah te waarborgen, heeft Imaam al-Ghazali hen als ongelovigen bestempeld omdat zij de lichamelijke Hashr (opstanding en verzameling van alle mensen op de Dag der Opstanding (Yawm al-Qiyāmah) voor de afrekening).

Ibn Hazm, Ibn Hubayrah en enkele andere geleerden zijn van mening dat de rûh, nadat deze van het lichaam is gescheiden, niet in het graf zal terugkeren, maar pas opnieuw met het lichaam verenigd zal worden na het blazen van de tweede bazuin om zich te verzamelen op de Mahshar (de verzamelplaats waar alle mensen en wezens op Yawm al-Qiyāmah (de Dag der Opstanding) bijeengebracht zullen worden na de baʿth (wederopstanding) om verantwoording af te leggen voor hun daden.)

De meerderheid van de geleerden binnen de soennitische traditie is echter van mening dat de dode in het graf zal worden ondervraagd, in staat zal zijn te beantwoorden, en dat hij de pijn van de bestraffing of de vreugde van de beloning in het graf zal ervaren.

In de Qur’ān staat:

وَأَنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٞ لَّا رَيۡبَ فِيهَا وَأَنَّ ٱللَّهَ يَبۡعَثُ مَن فِي ٱلۡقُبُورِ ٧

En dat het Uur zal komen, daar bestaat geen twijfel over. (En het staat vast) dat Allāh degenen die zich in de graven bevinden, zal doen herrijzen. (al-Haj 22:7)

De Goddelijke Almacht die in staat is om de doden op Yawm al-Qiyāmah (de Dag der Opstanding) tot leven te wekken, is uiteraard ook in staat om hen in hun graven tot leven te brengen op een manier die zij kunnen ervaren voor ondervraging, bestraffing of beloning. Degenen die geloven in de wederopstanding in het graf, verschillen echter van mening over hoe de rûh met het lichaam wordt verenigd:- Sommigen beweren dat de rûh volledig in het lichaam wordt teruggebracht. - Anderen zeggen dat de rûh slechts in die mate wordt teruggegeven dat de overledene de gebeurtenissen in het graf kan waarnemen en ervaren. - Weer anderen stellen dat het voldoende is om in de ondervraging, bestraffing en beloning in het graf te geloven, zonder verdere speculatie over de details, en dat men de precieze aard ervan aan Allāh moet overlaten.

Of de ondervraging, beloning en bestraffing nu alleen de rûh betreft, of het lichaam of beide, alles binnen Allāh’s macht. In dit geval is het de meest juiste weg om te geloven dat de ondervraging in het graf, de zegeningen en de bestraffing ervan waar en werkelijk zijn, en de aard ervan aan Allāh over te laten.

Echter, wanneer de wetenschappelijke discussie over dit onderwerp in overweging wordt genomen, is de meest aanvaardbare uitleg die ook de uitingen in de ahadieth omvat, namelijk dat de ziel het lichaam zodanig levendigheid verleent dat het de toestanden in het graf kan waarnemen.

Sommige geleerden hebben dit principe verwoord als: "De rûh wordt in zoverre aan het lichaam teruggegeven dat het in staat is de ondervraging te begrijpen en te beantwoorden."

Ongeacht of dit leven wordt hersteld in een volledig vergaan lichaam, of in slechts een deel ervan, of in een lichaam dat door verbranding is vernietigd, doet er uiteindelijk niet toe. Vrijwel alle geleerden, die een uitleg hierover hebben gegeven, hebben het grafleven vergeleken met de toestand van de slaap. De ervaringen in dromen wordt beschouwd als een soort parallel met het grafleven. Iedereen weet dat een slapend persoon in zijn droom vreugde of pijn kan ervaren, terwijl de mensen om hem heen zich daar niet van bewust zijn. Op dezelfde manier is het mogelijk dat de doden in het graf ondervraging ondergaan, beloning ontvangen of pijn lijden, zelfs als wij dit niet direct kunnen waarnemen. Dat wij deze realiteit niet met onze zintuigen kunnen waarnemen, betekent niet dat we haar moeten ontkennen. Eigenlijk zijn de zaken die ons over het bovenaardse rijk (Hiernamaals) zijn meegedeeld, beschreven in termen van de objecten en gebeurtenissen die we in deze wereld ervaren, zodat we ze kunnen begrijpen. Anders zouden we geen kennis kunnen hebben van dat rijk waarvan we geen ervaring hebben. Hoewel de toestanden na de dood niet volledig bekend zijn, heeft alles wat tot dat rijk behoort een voorbeeld in deze wereld.

We aanvaarden de verklaringen in de teksten (nass: Qur’ān en sunnah) die betrekking hebben op de zaken die Allāh en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم ) hebben aangekondigd, waarbij ze deze hebben vergeleken met wereldse zaken.

Echter, we proberen niet alles in alle opzichten te vergelijken en te beweren dat ze precies hetzelfde zijn.

Kortom, of het nu gaat om de terugkeer van de rûh of door haar verbinding ermee, de dode in het graf krijgt een zekere mate van zintuigen en een vorm van leven, zodat hij de toestanden in het graf kan waarnemen. Hierdoor kan hij de ondervraging, de straf en de beloningen waarnemen.

De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het erover eens dat zo’n leven aan de dode zal worden gegeven. Dit leven kan zowel geestelijk als geestelijk en lichamelijk zijn. Beide opvattingen zijn door geleerden verdedigd. De opvatting dat het zowel geestelijk als lichamelijk is, sluit echter beter aan bij de letterlijke betekenis van de geopenbaarde teksten (nass). Daarom zullen we proberen de toestanden van het graf te verklaren binnen de eenheid van rûh en lichaam.

C. De toestanden in het graf

Het graf en het rijk der Barzākh, waar de mens zal verblijven tussen de dood en de wederopstanding, vormt een aparte wereld waar het leven voornamelijk geestelijk wordt ervaren. Daarom verschilt het van zowel het Hiernamaals, waar het bestaan fysiek en eeuwig is, als van het wereldse leven. Vanwege deze scheidende rol wordt het leven in het graf ook wel het "Barzākh-leven" (het tussenleven) genoemd.

De toestanden in het graf bestaan uit drie aspecten: ondervraging, straf en beloning.

1. De ondervraging in het graf

Wanneer de overledene in het graf wordt gelegd, komen twee engelen, genaamd Munkar en Nakier, en vragen hem naar zijn Heer (Rab), zijn religie (dien) en zijn profeet (an-Nabie).

Allāh inspireert degenen die als mu’mins hebben geleefd en met geloof (iemaan) zijn gestorven, zodat zij de antwoorden moeiteloos kunnen geven. Vanaf dat moment zullen zij in een staat van vreugde en geluk zijn. Ze zullen wachten op de Dag der Opstanding (Yawmu’l Qiyāmah), verlangend naar hun uiteindelijke verblijfplaats in het Hiernamaals.

Degenen die geen geloof (in de Islām) hadden, in ongeloof (kufr) en opstandigheid (tegen Allāh) (`isyaan) hebben geleefd en in die staat zijn gestorven, zullen daarentegen enorme angst hebben voor de ondervraging. Ze zullen niet in staat zijn om de vragen van de engelen te beantwoorden. Ze zullen zeggen: "Ik weet het niet." Vanaf dat moment begint hun bestraffing. Telkens wanneer hen de plaats in het Hellevuur (Jahannam) wordt getoond, waar ze na de wederopstanding voor eeuwig zullen verblijven, zullen ze wensen dat de Dag des Oordeels nooit aanbreekt.

Ongeacht waar en hoe iemand sterft, zal elke persoon het bestaan van rijk der Barzākh beseffen en ondervraagd worden door de engelen Munkar en Nakier. Zelfs degenen die in het vuur zijn omgekomen, in zee zijn verdronken en door vissen zijn verslonden, of door roofdieren zijn verscheurd of gecremeerd of begraven zijn, zullen het leven in Barzākh ervaren.

Hoe de ondervraging precies plaatsvindt en hoe de overlevende zal beantwoorden, vooral bij mensen van wie het lichaam niet meer intact is of helemaal niets meer van over is, valt buiten onze menselijke vermogens om volledig te begrijpen en uit te leggen. Dit zijn zaken van het ongeziene rijk (ghayb), die we moeten accepteren zoals ze in de geopenbaarde teksten (nass: Qur’ān en sunnah) zijn beschreven.

De ondervraging in het graf is vastgesteld door ahadieth die de graad van mutawaatir in betekenis hebben bereikt. [(Ma`nawie mutawaatir is niet de exacte woorden van een hadieth is door een grote groep overgeleverd, maar wel de algemene betekenis of kernboodschap. Dit gebeurde doordat veel verschillende overleveraars meerdere ahadieth met een vergelijkbare betekenis doorgeven, waardoor er een zekere consensus is ontstaat.)] De geleerden van Ahl as-Soennah zijn het er unaniem over eens dat de ondervraging door Munkar en Nakier een vaststaand feit is.

Volgens verschillende Qur’ān tafsier (exegese) bronnen verwijst het onderstaande vers naar de ondervraging in het graf.

يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧

Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofsgetuigenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig (kafir) zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil. (Ibrahiem, 14:27)Volgens ahadieth die door Bara' ibn `Aazib (رضي الله عنه) zijn overgeleverd, heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat dit vers specifiek over de ondervraging in het graf is geopenbaard. En hij heeft gezegd dat met het woord “`âkhirah" in het vers wordt bedoeld dat de mu’min (de vragen) correct zal beantwoorden bij de ondervraging in het graf.

Samenvattend verwijst "de standvastige uitspraak" (al-qawli’th-thaabit) in dit vers naar de geloofsgetuigenis (kalimatu’sh shahadah en kalimatu’t tawhied), en "het Hiernamaals" (al `âkhirah) verwijst naar het graf. Tijdens de ondervraging zal de mu’min de kalimatu’t tawhied uitspreken, net zoals hij dat hier op aarde deed. Degenen die kalimatu’t tawhied in hun harten hebben geworteld, zullen tijdens de ondervraging niet in verwarring raken en zullen met de hulp van Allāh in staat zijn om hetgeen waarin ze geloven te zeggen. Maar degenen van wie het geloof (iemaan) niet diep in hun harten is doorgedrongen, zullen twijfelen, niet kunnen antwoorden en daardoor bestraffing ondergaan.

In sommige ahadieth staat alleen dat de ondervraging door engelen zal plaatsvinden, terwijl in andere ahadieth ook de namen en kenmerken van deze engelen vermelden worden. In een hadieth van Abu Hurayrah (رضي الله عنه) wordt vermeld dat deze engelen zwart van huid en blauwogig zijn en dat de een Munkar heet en de ander Nakier.

Omdat deze ondervragende engelen onbekend en angstaanjagend zijn voor mensen, worden ze in de ahadieth met deze namen aangeduid. Sommige geleerden van de Mu`tazilah secte interpreteren de naam Munkar als de twijfel van de ongelovige tijdens de ondervraging en Nakier als de plotselinge komst van de engelen of hun bestraffende houding tegenover de ongelovige.

De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het er unaniem over eens dat de vragen in het graf betrekking hebben op geloofszaken (i`tiqaad). Vanwege de variatie in de ahadieth verschillen de meningen echter over de specifieke inhoud van de vragen: of alle geloofszaken worden bevraagd of slechts een deel ervan. Volgens de tafsiergeleerde Imaam al-Qurtubie zijn de vragen afhankelijk van de persoon die wordt ondervraagd. In dat geval zijn de verschillen in de ahadieth toe te schrijven aan de verschillen tussen de mensen zelf, en is er geen sprake van tegenstrijdigheid.

De vragen zullen worden gesteld over zaken waarin mensen vaak tekortschieten, met name over geloof (iemaan) en tawhied (de eenheid van Allāh). Ze zullen in de eigen taal en op een manier worden gesteld die de persoon begrijpt en kan bevatten.

[Opmerking: De ondervraging van de overledene in het graf door de engelen Munkar en Nakier, de hereniging van het lichaam met de geest (rûh) zal werkelijk plaatsvinden en het berust op waarheid. Het samendrukken (van het lichaam) en de bestraffing in het graf van kuffār en sommige zondaren onder de moslims zal werkelijk plaatsvinden.]

2. De bestraffing in het graf

Allāhu Ta`ala heeft bepaalde middelen geschapen om gelovigen te zuiveren van hun zonden. Degenen die tijdens hun leven geen berouw of vergiffenis (taubah wa’l istighfaar) hebben getoond en gevraagd, en wier zonden niet zijn uitgeboet door beproevingen en rampen die Allāh hen heeft opgelegd op aarde, zullen gezuiverd worden in het rijk der Barzākh. Degenen die daar nog niet gereinigd zijn, zullen dit ondergaan op de Dag des Oordeels en uiteindelijk, als laatste mogelijkheid, in het Hellevuur. Pas daarna zullen zij het Paradijs binnengaan, want het Paradijs is de verblijfplaats van de gereinigden.

Degene die tijdens zijn leven oprecht iemaan deed, maar niet in deze hoedanigheid (dus als niet mu’min) is gestorven, zal vanaf het moment van het Barzākh-leven voor eeuwig bestraft worden. De bestraffing of genade in het graf hangt dus af van iemands daden tijdens het wereldse leven. Met andere woorden, iedereen bereidt zijn eigen toestand voor, tijdens zijn leven op aarde, wat hij in Barzākh en Hiernamaals zal ontmoeten.

De geleerden van Ahl as-Sunnah zijn het er unaniem over eens dat ongelovigen en sommige zondige moslims bestraffing in het graf zullen ondergaan, terwijl oprechte en gehoorzame mu’mins daar gunsten zullen ontvangen. Dit baseren zij unaniem op de betekenissen van bepaalde verzen in de Qur’ān. Zo beschrijft Allāh in de tijd van Musa عليه السلام de toestand van de volgelingen van Fir`awn (Farao) na hun dood als volgt:

فَوَقَىٰهُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِ مَا مَكَرُواْۖ وَحَاقَ بِـَٔالِ فِرۡعَوۡنَ سُوٓءُ ٱلۡعَذَابِ ٤٥

ٱلنَّارُ يُعۡرَضُونَ عَلَيۡهَا غُدُوّٗا وَعَشِيّٗاۚ وَيَوۡمَ تَقُومُ ٱلسَّاعَةُ أَدۡخِلُوٓاْ ءَالَ فِرۡعَوۡنَ أَشَدَّ ٱلۡعَذَابِ ٤٦

Dus Allāh redde hem (de mu’min) van het kwade wat zij hadden beraamd, terwijl een kwade bestraffing het volk van Farao omringde.

Zij zullen aan het Vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag.

En de Dag waarop het Uur valt (zal er tegen de Engelen gezegd worden): “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!” (Ghaafir: 45-46)

Uiteindelijk beschermde Allāh de gelovige (mu’min) die zich bij Musa had aangesloten tegen de listen van Fir’awn en zijn volgelingen. Maar Fir’awn en zijn volk werden (na hun dood in het graf-leven) omringd door een strenge bestraffing: het Vuur waaraan zij elke ochtend en avond worden blootgesteld. En op de Dag dat het Uur zal aanbreken, zal er gezegd worden: “Laat het volk van Farao de zwaarste bestraffing binnengaan!”

Exegesewetenschappers (mufassiroen) zijn overeen dat ‘het Vuur worden blootgesteld, in de ochtend en de middag’, de bestraffing die hier wordt genoemd, namelijk de blootstelling aan het Vuur in de ochtend en avond, plaatsvindt in het rijk der Barzākh.

Bovendien hebben grote geleerden zoals Imam Bukhārî Abul Hasan al-Ash`arie en Abul Mu`ien an-Nasafie en vele andere geleerden bevestigen dat deze twee verzen expliciet wijzen op bestraffing in het graf. Het feit dat aan het einde van de betreffende verzen wordt vermeld dat zij op de Dag des Oordeels aan een nog zwaardere bestraffing zullen worden onderworpen, toont aan dat de bestraffing die zij daarvoor 's ochtends en 's avonds ondergingen de bestraffing in het graf is.

Een ander vers dat wijst op bestraffing in het graf, gaat over het volk van Noeh عليه السلام :

مِّمَّا خَطِيٓـَٰٔتِهِمۡ أُغۡرِقُواْ فَأُدۡخِلُواْ نَارٗا فَلَمۡ يَجِدُواْ لَهُم مِّن دُونِ ٱللَّهِ أَنصَارٗا ٢٥

Vanwege hun zonden werden zij verdronken en daarna lieten Wij hen het Vuur binnengaan, en zij vonden buiten Allāh geen helpers. (Noeh: 25)

Hieruit blijkt dat zij onmiddellijk na hun verdrinking in het Vuur werden geworpen, wat duidt op bestraffing in het rijk van Barzākh.

Nadat in de Qur’ān is verklaard dat sommige bedoeïenen en sommige inwoners van Madienah hypocrieten zijn:نَحۡنُ نَعۡلَمُهُمۡۚ سَنُعَذِّبُهُم مَّرَّتَيۡنِ ثُمَّ يُرَدُّونَ إِلَىٰ عَذَابٍ عَظِي

… Wij zullen hen tweemaal straffen en daarna zullen zij worden teruggevoerd naar een grote bestraffing. (at-Tawbah: 101)

Islamitische geleerden hebben op basis van het versdeel, "Daarna zullen zij aan een grote bestraffing worden onderworpen", geconcludeerd dat de twee eerder genoemde bestraffingen andere zijn dan de bestraffing van het Hellevuur en dat één ervan verwijst naar het leven in het graf. Zij zijn het er unaniem over eens dat één van deze bestraffingen in de wereld zal plaatsvinden en de andere in het graf.

Excegese- (tafsier) en geloofsleer (`aqiedah)geleerden noemen ook andere verzen die wijzen op het bestaan van de bestraffing in het graf.

Wat betreft de ahadieth met betrekking tot dit onderwerp, hoewel ze qua keten en tekst tot de categorie âhâd zijn (ahadieth in elke generatie door een beperkt aantal vertellers zijn overgeleverd ), hebben ze gezamenlijk de status van ma`nawie mutawaatir. Daarom accepteren alle Ahl as-Sunnah-geleerden het bestaan van bestraffing in het graf.

Zo verrichtte Rasulullah صلى الله عليه وسلم een begrafenis-salaah en bad:

"O Allāh! Bescherm hem tegen de bestraffing van het graf." (Muslim, Janaiz, 26)

Daarnaast beval hij zijn gemeenschap (ummah) het volgende gebed (du`aa’) te zeggen:

"Wanneer iemand van jullie zijn salaah beëindigt, laat hem dan toevlucht zoeken bij Allāh tegen vier zaken: de bestraffing van het Hellevuur, de bestraffing van het graf, de beproevingen van de levenden en de doden, en de beproeving van de messias Dajjaal.”(Muslim, Mesacid, 25; İbn Mājah, İkame, 26; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, II, 237.)

De Islamitische geleerden hebben op basis van ahadith vastgesteld dat bepaalde zonden een oorzaak kunnen zijn van bestraffing in het graf, zoals:

Onzorgvuldig omgaan met urineren. (İbn Mājah, Taharah, 26; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, II, 388).

Overlijden met schulden. (İbn Mājah, Sadakaat, 12)

Weeklagen over de overledene.( Bukhârî,, Janaiz, 33; Muslim, Janaiz, 9.)

Leugens vertellen.

De Qur’ān lezen zonder ernaar te handelen.

Ontucht plegen.

Rente (riba) nemen/geven. (Bukhârî,, Janaiz, 92, Ta`bir, 48)

Deze ahadieth tonen aan dat het graf de eerste fase is van het Hiernamaals en dat de bestraffing en gunsten daar afhangen van iemands daden in het wereldse leven.

3. De zegeningen van het graf

Een van de geloofspunten met betrekking tot het grafleven is dat Allāhu Ta`ala de mu’mins in de Barzākh zal belonen met gunsten. Het bestaan van deze zegeningen is bevestigd door verzen uit de Qur’ān en ahadieth die de graad van ma`nawie mutawaatir (mutawatir in betekenis) hebben bereikt. De bestraffing in het graf is onder te verdelen in tijdelijke en permanente straf, echter de beloning in het graf zal voortduren tot de Dag des Opstanding.Deze gunsten zijn niet alleen voor degenen die in een graf zijn begraven of alleen voor hen die verantwoordelijk zijn (mukallaf).

Degenen die het verdienen, zullen deze zegeningen ontvangen, zelfs als zij niet in een graf liggen. Daarnaast moet worden opgemerkt dat de Qur’ān duidelijk maakt dat degenen die het goede doen en degenen die het kwade doen, zowel in het wereldse leven als daarna, niet gelijk zullen worden behandeld.

أَمۡ حَسِبَ ٱلَّذِينَ ٱجۡتَرَحُواْ ٱلسَّيِّـَٔاتِ أَن نَّجۡعَلَهُمۡ كَٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ سَوَآءٗ مَّحۡيَاهُمۡ وَمَمَاتُهُمۡۚ سَآءَ مَا يَحۡكُمُونَ ٢١

Of dachten degenen die slechte daden verricht hebben, dat Wij hen hetzelfde zullen behandelen als degenen die geloofden en goede daden verricht hebben, zowel in hun leven als in hun sterven? Verkeerd is het oordeel dat zij vellen. (al-Jaathiyah 45/21

Daarom moeten degenen die zonden hebben begaan bestraft worden, terwijl degenen die geloven en goede daden verrichten, beloond zullen worden.

In de Qur’ān wordt vermeld dat degenen die op de weg van Allāh worden gedood – oftewel martelaren – niet dood zijn, maar levend en begunstigd worden door Allāh.

وَلَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ قُتِلُواْ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتَۢاۚ بَلۡ أَحۡيَآءٌ عِندَ رَبِّهِمۡ يُرۡزَقُونَ ١٦٩

Denk maar niet dat degenen die om het leven kwamen op de Weg van Allāh (omwille van hun godsdienst), daadwerkelijk zijn gestorven. Zeker niet! Hun zielen zijn springlevend bij hun Heer en zij worden voorzien (van hemelse vruchten). (Aali Imraam 3/169)

Dit vers verwijst naar een periode vóór de Dag der Opstanding, namelijk het leven in de Barzākh, en bevestigt dus de beloning in het graf. In een ander vers staat:

وَلَا تَقُولُواْ لِمَن يُقۡتَلُ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ أَمۡوَٰتُۢۚ بَلۡ أَحۡيَآءٞ وَلَٰكِن لَّا تَشۡعُرُونَ ١٥٤

En zeg niet van degenen die op Allāh’s weg zijn gedood: “Zij zijn dood.” Nee, zij leven, maar jullie beseffen (het) niet. (al Baqarah 2/154)

Volgens de Ahl as-Sunnah geleerden gaat dit vers over een werkelijk leven en de voorziening in het Barzākh-leven continueert. Deze verzen omvatten ook andere mu’mins die niet gestraft zullen worden in het grafleven. Daarom zullen niet alleen martelaren, maar alle mu’mins – naar hun niveau en status – beloond worden in het graf en rijk der Barzākh. De martelaren worden speciaal genoemd vanwege hun verheven status bij Allāh.

An-Nabie صلى الله عليه وسلم zei in een hadieth:

"De rûh van de mu’min zal een vogel zijn die zich voedt van de bomen van het Paradijs, totdat hij op de Dag der Opstanding terugkeert naar zijn lichaam." (İbn Mace, Zuhd, 32; Malik b. Anas, al-Muvatta`, Cenaiz, 16; Nesai, Janaiz, 117.)

Dit bevestigt dat gehoorzame mu’mins ook in het graf beloond zullen worden. Daarnaast heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم het graf van een mu’min vergeleken met een tuin van de tuinen van het Paradijs, wat een bewijs is voor het bestaan van de zegeningen in het graf. (Tirmidhî, Qiyāmah, 14 ) Een duister en nauw graf dat verandert in een prachtige tuin is immers een van de grootste gunsten.

Er zijn ook ahadieth die aangeven dat het graf voor de mu’min verlicht zal worden, wat opnieuw wijst op de beloning in het graf.

Verschillende hadiethbronnen vermelden de gunsten die mu’mims in het grafleven zullen ontvangen. Bijvoorbeeld:

De rûh van de mu’min wordt door engelen van genade naar de zeven hemelen verheven.

Na de ondervraging in het graf wordt de mu’min zijn plaats in het Paradijs getoond en wordt er een deur naar het Paradijs geopend, waardoor de geur van het Paradijs zijn graf bereikt.

Het graf wordt voor hem verruimd en verlicht.

De mu’min in de Barzākh zal 's ochtends en 's avonds zijn plaats in het Paradijs getoond krijgen.

II. Het Hiernamaals (de Qiyāmah)

In de taalkundige betekenis betekent ‘Qiyāmah’ "opstaan" of "overeind staan". In islamitische terminologie heeft het twee betekenissen:

Het vergaan van de natuurlijke orde van de wereld.

De wederopstanding van alle overleden en verdwenen wezens, gevolgd door hun reis naar de verzamelplaats (mahshar).

De hier besproken Qiyāmah betreft de algemene vernietiging van de wereld en de wederopstanding, wat de grote Qiyāmah wordt genoemd. Er is ook een kleine Qiyāmah, namelijk de dood van elk individu.

[Opmerking: Moslims geloven in de wederopstand na de dood (ba’th), de bestraffing vanwege de (slechte) daden, de Dag des Oordeels, de ondervraging en de vereffening van de daden (die hier op aarde zijn verricht), het Boek (waarin de daden zijn genoteerd) dat gelezen zal worden, de beloning , de bestraffing die uitgedeeld zal worden, de Sirat (de brug die gespannen is over het Hellevuur) en de Mizān (de weegschaal die de daden (goede en slechte) zal wegen).]

A. Het tijdstip van de opstanding (Qiyāmah)

De term Qiyāmah verwijst meestal naar de ineenstorting van de wereldorde, oftewel het aanbreken van de Dag des Opstanding. In de Qur’ān zegt Allāh:

إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ

"Waarlijk, Allāh, bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur (van de Qiyāmah…). (Loqmaan 31/34)

وَتَبَارَكَ ٱلَّذِي لَهُۥ مُلۡكُ ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَمَا بَيۡنَهُمَا وَعِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَإِلَيۡهِ تُرۡجَعُونَ ٨٥

En gezegend is Degene aan Wie het koninkrijk van het Paradijsen en de aarde behoort, en alles wat daar tussen is. En bij Wie de kennis van het Uur is en tot Wie jullie (allen) zullen terugkeren. (Az Zukhruf 43/85)

يَسۡـَٔلُكَ ٱلنَّاسُ عَنِ ٱلسَّاعَةِۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِۚ وَمَا يُدۡرِيكَ لَعَلَّ ٱلسَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبًا ٦٣

De mensen vragen je over het Uur, zeg: “De kennis daarvan is alleen bij Allāh.” Jij weet het niet. Het kan zijn dat het Uur nabij is! (al Ahzaab 33/63)

Ondanks dit zijn mensen bezig geweest met het zoeken naar aanwijzingen over wanneer de Qiyāmah zal plaatsvinden. Ze hebben verschillende middelen aangesproken om dit te leren. Rasulullah صلى الله عليه وسلم werd deze vraag vaak gesteld, en Allāh beval hem als volgt te antwoorden:

يَسۡـَٔلُكَ ٱلنَّاسُ عَنِ ٱلسَّاعَةِۖ قُلۡ إِنَّمَا عِلۡمُهَا عِندَ ٱللَّهِۚ وَمَا يُدۡرِيكَ لَعَلَّ ٱلسَّاعَةَ تَكُونُ قَرِيبًا ٦٣

De mensen vragen je over het Uur, zeg: “De kennis daarvan is alleen bij Allāh.” Jij weet het niet. Het kan zijn dat het Uur nabij is! (al Ahzaab 33/63)

Voor de mens is het belangrijker om zich niet bezig te houden met wat onmogelijk te weten is, dan zich voor te bereiden op de Qiyāmah en de daaropvolgende afrekening. Allāh, Die in alles een wijsheid heeft, heeft de tijd van de Qiyāmah niet bekendgemaakt aan de mensen. Dit heeft ook een diepere wijsheid: in feite begint de Qiyāmah van een individu bij zijn dood. Daarom moet men altijd voorbereid zijn op zowel de Qiyāmah als de dood.

Rasulullah صلى الله عليه وسلم werd eens door iemand gevraagd: Wanneer zal de Qiyāmah plaatsvinden?" Waarop hij antwoordde:

Wat heb jij ervoor voorbereid? ( Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, III, 192, 202.)

Hiermee benadrukte hij dat het niet gaat om het kennen van het tijdstip, maar om het klaar zijn voor dat moment.

B. Tekenen van de Qiyāmah (de Laatste Dag)

Tot nu toe is uitgelegd dat niemand behalve Allāh de tijd van de Laatste Dag kent en dat ieders persoonlijke einde met zijn dood zijn Qiyāmah plaatsvindt. De reden hiervoor is dat de menselijke wil, die zowel tot goed als kwaad in staat is, niet onder druk wordt gezet. Het is de bedoeling dat de mens in het kader van dit wereldse leven zijn toekomst naar eigen wil voorbereidt, net zoals hij zijn eeuwige leven voorbereidt met dezelfde wil. In de Qur’ān worden er veel uitspraken gedaan over de komst van de Dag der Opstanding (de Uur) en de ontzagwekkende gebeurtenissen die ermee gepaard gaan, maar de exacte tijd wordt niet bekendgemaakt

Het feit dat Muhammad عليه السلام de laatste van de profeten (Khātam an-Nabiyyīn) is (zie al-Ahzaab 33/40), toont aan dat deze wereld haar laatste fase is ingaan. Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft hierover gezegd: "De tijd tussen mijn zending als an-Nabie en de Laatste Dag is zo kort als de afstand tussen deze twee vingers." (Bukhârî,, Rikak, 39; Muslim, Fiten, 132-135)

Dit moet meteen worden opgemerkt: ondanks dat er sinds deze profetische uitspraak veertien eeuwen zijn verstreken, is het niet vreemd dat de Dag der Opstanding nog steeds niet is gekomen.

Dit komt doordat het begrip 'tijd' in deze context verwijst naar geologische tijd, oftewel de vorming van het zonnestelsel, de aarde en de maan. Wetenschappers die zich met dit onderwerp bezighouden, beschouwen tijdsperiodes van 1000 of 2000 jaar als verwaarloosbaar in geologische berekeningen.

Geleerden die zich met de tekenen van de Qiyāmah hebben beziggehouden, hebben bepaalde gedragingen zoals overmatig drankgebruik, overspel, moord, de toename van zondes en verder het toename van het aantal vrouwen in verhouding tot mannen, en de toename van rijkdom, beschouwd als tekenen van de Qiyāmah (de Laatste Dag). Ze hebben hiervoor ook bewijzen uit hadieth verzamelingen aangehaald. Echter, het is vanuit sociologische realiteiten niet mogelijk om te stellen dat de ontwikkelingen in de meer dan tien eeuwen die zijn verstreken sinds het opnemen van dergelijke ahadieth in de hadiethbronnen voortdurend negatief zijn geweest. Integendeel, soms keren de gebeurtenissen in het voordeel van de Islām en de moslims, en soms in hun nadeel.

Het moet hier ook worden herinnerd dat de Islām sinds zijn ontstaan voortdurend is versterkt, zich heeft verspreid en grote hoop heeft gewekt voor de toekomst. Tegenwoordig blijft het aantal mensen dat zich bekeert tot de Islām wereldwijd toenemen, wat een positieve trend is voor de Islām. De groei van het aantal mensen die de Islām omarmen is constant, wat wijst op de voortdurende aantrekkingskracht van de Islām.

Tegelijkertijd is het aantal vrijwillige en weloverwogen afvalligheid (irtidah) uiterst laag, wat aangeeft dat de stabiliteit en vastberadenheid van de gelovigen in de Islām over de tijd heen niet significant zijn afgenomen.

[Opmerking: Wij geloven in de verschijning van de Dajjāl (anti-christ), de nederdaling van ‘Isa عليه السلام als de tekenen van het Uur. Wij geloven ook in de opkomst van de zon vanuit het westen en de opstanding van Dabbatu-l `Ard (een soort dier dat uit aarde zal opstaan en tot de mensen zal spreken) als de grote tekenen van het Uur.]

C. Het aanbreken van de Qiyāmah

Wanneer de tijd van de Laatste Dag aanbreekt, zal de engel Isrāfīl عليه السلام, een van de vier grote engelen, op de Sûr (bazuin) blazen, zoals Allāh heeft bevolen. De precieze aard van deze Sûr, die wordt omschreven als een "hoornvormige bazuin", is alleen bij Allāh bekend.

Wanneer er op de Sûr wordt geblazen, zal alles wat zich in het Paradijsen en op aarde bevindt, behalve degenen die Allāh wil sparen, sterven. Bij de tweede blaas zal de Qiyāmah plaatsvinden: de rûhs zullen terugkeren naar hun lichamen en de mensheid zal weer tot leven komen.

De Qur’ān vermeldt:

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ

يَنظُرُونَ ٦٨

En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in het Paradijsen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allāh wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (Az-Zumar 39/68)

Uit dit vers blijkt dat bij de eerste blaas de Qiyāmah aanbreekt, terwijl bij de tweede blaas de wederopstanding voor de Mahshar plaatsvinden. Hoeveel tijd er tussen deze twee momenten zit, is onbekend.

De Qur’ān beschrijft de gebeurtenissen van de Qiyāmah in veel verzen als huiveringwekkend en angstaanjagend. Enkele verzen luiden:

إِذَا ٱلسَّمَآءُ ٱنفَطَرَتۡ ١

Wanneer het Paradijs gespleten wordt.

وَإِذَا ٱلۡكَوَاكِبُ ٱنتَثَرَتۡ ٢

En als de sterren vallen.

وَإِذَا ٱلۡبِحَارُ فُجِّرَتۡ ٣

En als de zeeën overstromen.

وَإِذَا ٱلۡقُبُورُ بُعۡثِرَتۡ ٤

En als de graven zich omkeren.

عَلِمَتۡ نَفۡسٞ مَّا قَدَّمَتۡ وَأَخَّرَتۡ ٥

Dan weet de ziel wat zij heeft verricht en wat zij nagelaten heeft.

(Infitaar 82/1-5)

Dit toont aan dat er tijdens het aanbreken van de Qiyāmah enorme kosmische veranderingen zullen plaatsvinden en dat zowel het Paradijs als de aarde van vorm zullen veranderen.

Na de Qiyāmah zal de wederopstanding en verzameling op de Mahshar-vlakte plaatsvinden, gevolgd door de verdere gebeurtenissen van het Hiernamaals.

[Opmerking: De Dag des Ordeels (Yawm ad-dien) is een van de voornaamste punten van de Qur’ān verkondiging. Hij ligt in het perspectief van de verrijzenis (Qiyāmah) of samendrijving (al ba`th), welke uitvoerig beschreven wordt. De drie namen, yawm ad-dien, yawm al Qiyāmah en yawm al-ba'th zijn in zekere zin synoniem. Dan zal de verzameling ( hashr) plaats hebben van de mensheid: iedereen zal geoordeeld worden en vergelding ontvangen voor alle eeuwigheid. De mu’mins aan de rechterzijde zullen toegelaten worden tot de geneugten van het Paradijs; de kuffār zullen veroordeeld worden tot de kwellingen van het Hellevuur.

De verkondiging van de Dag des Oordeels klinkt zonder aarzelen, fors en doordringend. Vele voorafgaande tekenen worden in de Qur’ān opgenoemd. De aarde zal ervan schudden en beven, het hemelgewelf zal splijten, de bergen zullen ronddwarrelen als vlokken gekaarde wol (zie Al Qaari`ah 101/5 ), de zon zal opgaan in het westen, een luid geschal zal weerklinken (zie An-Nazi'at 79/6) wanneer er op de bazuin geblazen wordt (zie Al-Muddathir 74, 8). Dan zal de grote fana` komen: de 'vernietiging' van alle creatuur, behalve van datgene wat Allaah volgens zijn soevereine wil besluit te laten voortbestaan. Bij de tweede bazuinstoot zullen, in een oogwenk, de doden de voorbije tijd te samen met de pas vernietigenden ten leven herrijzen.

Dit heeft bedoeling om Allaahs overweldigende Almacht te doen uitkomen en om in de harten van de mu’mins een heilzame vrees op te wekken voor dat ontzagwekkende uur, waarin "alles bloot zal komen liggen", "alles vergaat behalve zijn Aangezicht" (zie Al-Qasas 28, 88), en waar Allaah, de Zijnde, het enig overblijvende Wezen is, majestueus en alleen, als voor de schepping. Zijn rechtvaardigheid straalt in volle glorie bij deze reusachtige rechtszitting, waar alle herrezenen gedaagd zijn om hun daden aan het licht gebracht te zien en het vonnis van de eeuwige Rechter (al-Hakiem) te vernemen.

Wat betreft de Laatste Dag, dat is een Dag, groot van verschrikkingen, waarop kleine kinderen witte haren zullen krijgen (zie Al-Muzammil 73/17), waarop de mensen zullen opstaan uit hun graven en samengedreven worden naar een hoogland voor de Afrekening; vervolgens zal hun zaak uitlopen op de beloning of op de straf. En wat betreft ons geloof daaraan, dat is, voor waar te houden dat hij zeker zal komen. en dat dan zal verschijnen al wat in de Qur’ān en in de ahadieth staat.

Wij geloven in het hiernamaalsleven:

aan verhoor in het graf,

aan de geneugden of de straffen in het graf,

aan de Samendrijving van de menselijke lichamen, en dat de mensen opgewekt zullen worden zoals zij aanvankelijk geschapen zijn,

aan de Afrekening en de Weegschaal,

aan het gegeven worden van het boek, hetzij in de rechterhand, hetzij in de linkerhand (69/19,25 ),

aan de Brug,

aan het binnengaan van het Paradijs door de gelovigen, het verblijf der heerlijkheid, en het binnengaan van de Hel door de ongelovigen, het verblijf der kwelling.]

DERDE DEEL:WEDEROPSTAND EN TOESTANDEN VAN HET HIERNAMAALS (`AKHIRAH)

1. Wederopstand na de dood: ba`th

Het woord ba`th betekent in de taalkundige zin "zenden, tot leven wekken". In termen verwijst het naar de wederopstanding die Allāh verricht om het leven in het Hiernamaals te laten beginnen.

De Qur’ān behandelt het thema van het Hiernamaals veelvuldig, vooral in de Makkaanse sura's, waarbij de boodschap krachtig en herhaaldelijk wordt overgebracht. Imām al-Ghazālî vermeldt dat er meer dan 100 termen en uitdrukkingen in de Qur’ān worden gebruikt om het geloof in het Hiernamaals te benadrukken. Deze goddelijke teksten, zijn unieke voorbeelden op het gebied van fasahah (vloeiende, duidelijke en heldere spraak) en balaagah (retoriek, welsprekendheid of indrukwekkende communicatie) dat ze de mensen waarschuwen die altijd onder de indruk van de materialistische aantrekkingskracht staan en daardoor het idee van de wederopstanding na de dood vergeten,

Deze goddelijke teksten hebben een stijl en schoonheid die uniek zijn in hun welsprekendheid en effectiviteit bij het herinneren aan de Qiyāmah en het Hiernamaals.

A. De mogelijkheid en bewijsvoering van de Wederopstanding (ba`th)

Vanuit rationeel oogpunt is de Wederopstanding mogelijk en hierover zijn vele verzen in de Qur’ān te vinden. Eén van de verzen luidt:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّاسُ إِن كُنتُمۡ فِي رَيۡبٖ مِّنَ ٱلۡبَعۡثِ فَإِنَّا خَلَقۡنَٰكُم مِّن تُرَابٖ ثُمَّ مِن نُّطۡفَةٖ ثُمَّ مِنۡ عَلَقَةٖ ثُمَّ مِن مُّضۡغَةٖ مُّخَلَّقَةٖ وَغَيۡرِ مُخَلَّقَةٖ لِّنُبَيِّنَ لَكُمۡۚ وَنُقِرُّ فِي ٱلۡأَرۡحَامِ مَا نَشَآءُ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى ثُمَّ نُخۡرِجُكُمۡ طِفۡلٗا ثُمَّ لِتَبۡلُغُوٓاْ أَشُدَّكُمۡۖ وَمِنكُم مَّن يُتَوَفَّىٰ وَمِنكُم مَّن يُرَدُّ إِلَىٰٓ أَرۡذَلِ ٱلۡعُمُرِ لِكَيۡلَا يَعۡلَمَ مِنۢ بَعۡدِ عِلۡمٖ شَيۡـٔٗاۚ وَتَرَى ٱلۡأَرۡضَ هَامِدَةٗ فَإِذَآ أَنزَلۡنَا عَلَيۡهَا ٱلۡمَآءَ ٱهۡتَزَّتۡ وَرَبَتۡ وَأَنۢبَتَتۡ مِن كُلِّ زَوۡجِۭ بَهِيجٖ ٥

O mensheid, als jullie de Wederopstanding in twijfel trekken. (Weet dan) waarlijk, dat Wij jullie (stamvader Adam) uit aarde hebben geschapen, daarna van mannelijk zaad (versmolten met) een vrouwelijke eicel, daarna van een bloedklonter, daarna van een klompje vlees, gedeeltelijk gevormd en gedeeltelijk ongevormd, als een verduidelijking voor jullie. En Wij bepalen wie voor een vastgestelde termijn in de baarmoeder blijft, en dan doen Wij jullie (de baarmoeder) als baby’s verlaten, opdat jullie de leeftijd van volle kracht en rijpheid bereiken.

En onder jullie zijn er die (op jonge leeftijd) van het leven worden ontnomen en onder jullie zijn er die een heel hoge leeftijd bereiken, totdat dementie optreed nadat hij kennis heeft gehad. En jullie zien de aarde levenloos, maar zodra Wij er water op doen neerdalen beweegt zij zich en zwelt op en brengt allerlei schitterende plantensoorten voort.

ذَٰلِكَ بِأَنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلۡحَقُّ وَأَنَّهُۥ يُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰ وَأَنَّهُۥ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٦

Dat is omdat Allāh de Waarheid is en omdat Hij Degene is Die het leven geeft aan de doden en omdat Hij Degene is Die tot alle dingen in staat is.

وَأَنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٞ لَّا رَيۡبَ فِيهَا وَأَنَّ ٱللَّهَ يَبۡعَثُ مَن فِي ٱلۡقُبُورِ ٧

En dat het Uur zal komen, daar bestaat geen twijfel over. (En het staat vast) dat Allāh degenen die zich in de graven bevinden, zal doen herrijzen.

Uit dit goddelijke Woord worden drie duidelijke bewijzen genoemd: de mens, de aarde en het water.

De schepping en ontwikkeling van de mens is een duidelijk teken voor wie geloof wil hechten aan Allāh en de Laatste Dag. Want de vorming van de mens in de moederschoot, zijn geboorte, de stadia van zijn ontwikkeling, ouderdom en dood, gebeuren allemaal buiten zijn controle.

Net zo ziet de mens dat droge, dode aarde tot leven komt wanneer er regen op valt, Hij observeert voortdurend hoe het tot leven komt en zich ontwikkelt, en wat hem bereid en aangeboden is voor de voortzetting van zijn leven. In dit alles heeft de persoon geen enkele bijdrage in het kader van het scheppen uit niets. Dit alles is dus het meest zekere rationele bewijs van de opstanding die Allāh heeft beloofd.

B. De Aard van de wederopstanding (ba`th)

De Ahl as-Sunnah geleerden zijn unaniem over eens dat de wederopstanding zal plaatsvinden met zowel de rûh als het lichaam.

Allāh zegt in de Qur’ān:

وَهُوَ ٱلَّذِي يَبۡدَؤُاْ ٱلۡخَلۡقَ ثُمَّ يُعِيدُهُۥ وَهُوَ أَهۡوَنُ عَلَيۡهِۚ وَلَهُ ٱلۡمَثَلُ ٱلۡأَعۡلَىٰ فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٢٧

En Hij is Degene Die de schepping vormt, en het daarna herhaalt en dat is voor Hem nog gemakkelijker. Aan Hem behoren de meest verheven eigenschappen in het Paradijsen en op aarde. En Hij is de Almachtige, de Alwijze. (ar Roem 30/27)

قَدۡ عَلِمۡنَا مَا تَنقُصُ ٱلۡأَرۡضُ مِنۡهُمۡۖ وَعِندَنَا كِتَٰبٌ حَفِيظُۢ ٤

Wij weten wat de aarde van hen zal wegnemen en aan Onze zijde is een Boek dat nauwkeurig bijgehouden wordt. (Qaaf 50/4)

بَلَىٰ قَٰدِرِينَ عَلَىٰٓ أَن نُّسَوِّيَ بَنَانَهُۥ ٤

Ja, Wij zijn in staat om zijn vingertoppen (opnieuw) volmaakt te vormen. (al Qiyāmah 75/4)

Sommige islamitische filosofen dachten dat het leven in het Hiernamaals volgens de natuurwetten van deze wereld zou verlopen en beweerden dat een lichaam dat tot stof is vergaan niet opnieuw geschapen kan worden. Daarom dachten zij dat de Qiyāmah slechts in het rijk van de rûh niveau zou plaatsvinden.

Imām al-Ghazālî oordeelde echter dat degenen die de lichamelijke wederopstanding ontkennen, afdwalen van de Qur’ān en de ahadieth en zo in ongeloof vervallen.

Veel van de persoonlijkheidstheorieën die sinds de 20e eeuw zijn gepresenteerd, proberen de integriteit van de geest-lichaam relatie te behouden.(M.a.w. dat de mens een eenheid van lichaam en geest is)

Een hedendaagse theoretische natuurkundige zei:

"Een lichamelijk bestaan in een door God geschapen nieuwe wereld is logischer dan een louter spiritueel bestaan. Wat de religie wederopstanding noemt, is noch betekenisloos, noch onmogelijk."

De lichamelijke wederopstanding is onlosmakelijk verbonden met de menselijke aard.

De mens is een combinatie van lichaam en rûh en kan zonder lichaam in het Hiernamaals geen volledig bestaand individu zijn.

Een leven dat iemand op alle vlakken tevredenstelt, moet eigenschappen hebben die het gewenste resultaat kunnen opleveren op het gebied van gevoelens en emoties, die het gevoel van realiteit bij hem opwekken. Voor de realisatie hiervan wordt het logischer dat de wederopstanding samen met het lichaam plaatsvindt, dan alleen geestelijk (rûh).

II. Verzameling (hashr) en verzamelplaats (mahshar)

Het woord ‘hashr’ betekent in de taalkundige zin "een groep met dwang uit hun plaats halen en op een plein verzamelen". In islamitische terminologie verwijst het naar de bijeenkomst van alle herrezen wezens op de Dag der Opstanding, om rekenschap af te leggen.

In de Qur’ān wordt dit moment beschreven als:

ذَٰلِكَ يَوۡمٞ مَّجۡمُوعٞ لَّهُ ٱلنَّاسُ

… Dat is een Dag waarop de mensheid zal worden verzameld … (Hud 11/103)

En verder wordt over Hashr gezegd:

يَوۡمَ يَجۡمَعُكُمۡ لِيَوۡمِ ٱلۡجَمۡعِۖ ذَٰلِكَ يَوۡمُ ٱلتَّغَابُنِۗ وَمَن

(Gedenk) de Dag wanneer Hij jullie (allen) bijeen zal brengen voor de Dag van de verzameling dat zal de Dag van wederzijds verlies en winst zijn. …(at-Tagabun 64/9)

ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨…Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (az-Zumar 39/68)

وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَإِذَا هُم مِّنَ ٱلۡأَجۡدَاثِ إِلَىٰ رَبِّهِمۡ يَنسِلُونَ ٥١En er wordt op de bazuin geblazen, daarop snellen zij uit de graven naar hun Heer. (Yasin 36/51)

Op de Dag der Opstanding zal Allāh Ta’âlâ de aarde veranderen zoals Hij wil, en de verzamelplaats (Mahshar) zal, zoals Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft beschreven, "een witte en glanzende vlakte zijn, als een dunne laag brood gemaakt van zuivere tarwebloem, zonder enige kenmerken zoals bergen, dalen of planten. (Bukhârî,, Rikak, 44)

Op deze verzamelplaats zullen engelen, djinn en mensen samenkomen. Onder de mensen zullen zowel de jonge als de oude, de verstandigen als de krankzinnigen allen bijeengebracht worden. Ook de dieren zullen aanwezig zijn.

Voor de verantwoordelijke schepselen (mukallaf), zoals mensen en djinn, is het verzamelen bedoeld voor de afrekening (hasaab).

Voor de dieren is het doel dat zij hun rechten onderling vereffenen (qisās). Nadat dit is gebeurd, zullen de dieren tot stof worden.

Op dat moment zullen de ongelovigen zeggen: وَيَقُولُ ٱلۡكَافِرُ يَٰلَيۡتَنِي كُنتُ تُرَٰبَۢا ٤٠En de ongelovige zal zeggen: “Wee mij! Was ik maar aarde. (an-Naba’78/40) uit angst voor de straf die hen te wachten staat.

Volgens ahadieth van Rasulullah صلى الله عليه وسلم zullen de mensen bijeengebracht worden zoals zij bij hun eerste schepping waren: Zonder schoenen, onbesneden zoals bij de eerste schepping, naakt en zonder lichamelijke gebreken. (Bukhârî,, Rikak, 45; Muslim, Jannah, 41)

Tijdens het wachten in mahshar zal de zon dichtbij worden gebracht, en de mate waarin mensen zweten zal afhangen van hun daden in het wereldse leven. Sommigen zullen tot hun enkels, anderen tot hun knieën, en sommigen zelfs tot hun mond in het zweet staan.( Bukhârî,, Zakaah, 52; Muslim, Jannah, 62.)

Op deze angstige dag zal Allāh zeven groepen mensen onder Zijn Troon schaduw schenken:

Een rechtvaardige heerser.

Een jongere die opgroeide in aanbidding van Allāh.

Iemand wiens hart verbonden is aan de moskee.

Twee mensen die elkaar liefhebben omwille van Allāh en samenkomen en scheiden om deze reden.

Iemand die een hooggeplaatste en mooie vrouw afwijst die hem uitnodigt tot zonde en zegt: "Ik vrees Allāh."

Iemand die in het geheim liefdadigheid geeft, zodat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand geeft.

Iemand die in eenzaamheid Allāh gedenkt en wiens ogen zich vullen met tranen. (Bukhârî,, Adhan, 36; Muslim, Zuhd, 91; Tirmidhî, Zuhd, 53)

Op de Mahshar zal iedereen samengebracht worden met degenen die zij in de wereld volgden:

يَوۡمَ نَدۡعُواْ كُلَّ أُنَاسِۭ بِإِمَٰمِهِمۡۖ

(En gedenk) de Dag wanneer Wij alle mensen met hun leider zullen oproepen. (al-Israa (17:71)

De mensen zullen zich verzamelen in groepen op basis van hun geloof en daden.

De volgelingen van Fir’awn zullen bijvoorbeeld achter hem staan en met hem samen in het Hellevuur worden geworpen:

يَقۡدُمُ قَوۡمَهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَأَوۡرَدَهُمُ ٱلنَّارَۖ وَبِئۡسَ ٱلۡوِرۡدُ ٱلۡمَوۡرُودُ ٩٨

Hij (Fir’awn ) zal vόόr zijn volk lopen op de Dag der Opstanding en hen in het vuur leiden. En slecht is zeker de plaats waar hij hen leidt. (Hud 11/98)

De verzamelplaats zal een angstaanjagende en benauwende plek zijn. Iedereen zal smeken dat de Grote Rechtszaak snel begint, zodat de afrekening kan plaatsvinden. De mensheid zal de grote profeten benaderen, te beginnen met Adam عليه السلام, om bij Allāh te bemiddelen (shafa`ah). Echter, geen van hen zal durven bij Allāh te bemiddelen, behalve Rasulullah صلى الله عليه وسلم, die uiteindelijk een lange smeekbede zal verrichten, waarna Allāh de afrekening zal laten beginnen.(De hadieth die bekendstaat als de "Shafâ`ah al-Kubrâ hadieth" (de hadith over de Grote Bemiddeling) is te vinden in. Sahieh al-Bukhârî,).

Op die dag zal de onrechtvaardige op zijn hand bijten (en smekend zeggen):

وَيَوۡمَ يَعَضُّ ٱلظَّالِمُ عَلَىٰ يَدَيۡهِ يَقُولُ يَٰلَيۡتَنِي ٱتَّخَذۡتُ مَعَ ٱلرَّسُولِ سَبِيلٗا ٢٧

يَٰوَيۡلَتَىٰ لَيۡتَنِي لَمۡ أَتَّخِذۡ فُلَانًا خَلِيلٗا ٢٨

En (gedenk) de dag waarop de onrechtvaardige op zijn handen zal bijten en zal zeggen: “Oh! Had ik maar de Weg met de Boodschapper genomen!

Ah! Wee mij! Had ik maar niet zo’n ongelovige tot boezemvriend genomen! (el-Furkan 25/27-28)

III. De afrekening (hasaab), ondervraging (su`aal) en weegschaal (mîzân)

Wanneer iedereen zich op de verzamelplaats (mahshar) heeft verzameld, zal de Grote Rechtbank worden opgericht. Het Boek van de daden, dat in de wereld door de schrijvende engelen (Kirâman Kâtibîn) werd bijgehouden, zal op die dag aan de eigenaar worden overhandigd. Iedereen zal daarin zijn daden terugzien en zo kunnen inschatten welke behandeling men zal ondergaan.Zij die geloofden en goede daden verrichtten (ashâb al-yamîn), zullen hun boek in de rechterhand ontvangen. Zij die door hun slechte daden bestemd zijn voor het Hellevuur (ashâb ash-shimâl), zullen hun boek in de linkerhand of achter hun rug ontvangen.

De Qur’ān is helder en duidelijk over de afrekening, de ondervraging en het Boek van de daden. De Kirâman Kâtibîn-engelen hebben voor elke persoon een dossier bijgehouden, en op de `ākhirah zal dit geopend worden. Zelfs een daad ter grootte van een stofje, of het nu goed of slecht is, zal worden beloond of bestraft.

(Over deze kwestie wordt in de Qur’ān gezegd:)

فَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ بِيَمِينِهِۦ ٧

فَسَوۡفَ يُحَاسَبُ حِسَابٗا يَسِيرٗا ٨

وَيَنقَلِبُ إِلَىٰٓ أَهۡلِهِۦ مَسۡرُورٗا ٩

وَأَمَّا مَنۡ أُوتِيَ كِتَٰبَهُۥ وَرَآءَ ظَهۡرِهِۦ ١٠

فَسَوۡفَ يَدۡعُواْ ثُبُورٗا ١١

وَيَصۡلَىٰ سَعِيرًا ١٢

إِنَّهُۥ كَانَ فِيٓ أَهۡلِهِۦ مَسۡرُورًا ١٣

Wat betreft degene die dan zijn boek in zijn rechterhand wordt gegeven.

Hij zal zeker een gemakkelijke afrekening krijgen.

En hij zal verheugd tot zijn familie terugkeren.

En wat betreft degene die dan zijn boek achter zijn rug wordt gegeven.

Hij zal om vernietiging schreeuwen.

Hij zal de Hel binnengaan.

Waarlijk, bij zijn familie was hij verheugd. (al-İnshikak 84/7-12)

Volgens een hadieth van Rasulullah صلى الله عليه وسلم:

De eerste daad waarover een dienaar op de Qiyāmah rekenschap moet afleggen, is zijn salaah. Als zijn salaah correct is, zal hij succesvol zijn en slagen. Als het gebrekkig is, zal hij verlies lijden en uiteindelijk schade lijden. (Tirmidhî, Salaat, 188)

Een van de belangrijkste zaken bij de afrekening is het recht van een dienaar (Haq al-`Ibaad: de rechten van mensen onderling. In de Islām is het een zwaarwegend concept dat aangeeft dat het onrechtmatig nemen van iemands recht – of dat nu materieel, fysiek of moreel is – een ernstige zonde is.) Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft gezegd dat (op de Dag des Oordeels) degene die anderen onrecht heeft aangedaan, hun rechten zal moeten aflossen met zijn goede daden. Als zijn beloningen opraken, zullen de zonden van de benadeelden aan hem worden toegeschreven. (Bukhârî,, Mezalim, 10.)

[Opmerking: Het wegen van de daden met de "weegschaal" (mizân) op de Dag des Opstanding is de waarheid. De basin (hawd) van onze Nabie (صلى الله عليه وسلم ) is ook de waarheid. Vergelding en verrekening tussen (mensen die hier op aarde) vijandig waren, zal op de Dag des Oordeels geschieden, d.m.v. het geven van de goede verdiensten (hasanât) van de schuldige persoon aan de rechthebbende persoon is de waarheid. Als de schuldige persoon geen hasanât heeft zullen de slechte verdiensten (sayyiât) van de rechthebbende persoon aan de schuldige gegeven worden, dit is de waarheid en is rechtmatig.

Het Paradijs en het Hellevuur zijn geschapen en ze zijn op dit moment al bestaande. Ze zullen nooit ophouden met het bestaan. De zwart ogige vrouwen (hûr'l `ayn) Jannah zullen nooit sterven. Allâhu Ta`alâ 's straf en Zijn beloning zullen nooit eindigen. Vanwege Allâhu Ta`alâ's gratie (fadl) leidt Hij degene die Hij wil tot verlossing (hidâyah), vanwege Zijn rechtvaardigheid (`adl) voert Hij degene die Hij wil tot dwaling (dalâlah)]

Verder heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat een persoon vijf vragen zal moeten beantwoorden voordat hij de aanwezigheid van zijn Rab mag verlaten:

Hoe hij zijn leven heeft besteed.

Wat zijn daden waren.

Hoe hij zijn bezit heeft verkregen en waaraan hij het heeft uitgegeven.

Hoe hij met zijn lichaam is omgegaan.

Of hij naar zijn kennis heeft gehandeld.( Tirmidhî, Kıyamah, 1)

Op de mahshar zal iedereen ondervraagd worden naar hun daden en overtuigingen.

Dit kan als volgt worden samengevat:

Joden en christenen zullen worden gevraagd of zij Allāh metgezellen of een zoon hebben toegeschreven.

Polytheisten (mushrikûn) zullen rekenschap moeten afleggen over hun afgoderij.

Profeten zullen worden ondervraagd over hun gemeenschappen en hun uitnodiging tot de waarheid.

Hoogmoedigen zullen verantwoording moeten afleggen over hun arrogantie.

De mu’mins zullen ondervraagd worden over hun salaat, aanbiddingen, onrecht (die ze hebben aangedaan), (hoe ze hun) leven (hebben doorgebracht), (hoe ze aan hun) bezit (zijn gekomen), (hoe ze met hun) lichaam (zijn omgegaan) en (hoe hij naar zijn) kennis (heeft gehandeld.

Kinderen en verstandelijk beperkten zullen niet ter verantwoording worden geroepen in de Mahshar. Er wordt algemeen aangenomen dat de kinderen van polytheïsten en ongelovigen in het Paradijs zullen zijn en daar de bewoners zullen dienen, hoewel sommige geleerden van mening zijn dat zij in A’râf (Verheven Scheidingsmuur tussen het Paradijs (Jannah) en het Hellevuur (Jahannam) zullen verblijven. (Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, V, 287)

De weegschaal (Mîzân), waarop de daden worden gewogen zoals Allāh het medegedeeld en bepaald heeft, is een waarheid en is rationeel mogelijk. In de Qur’ān wordt hierover gezegd:

وَنَضَعُ ٱلۡمَوَٰزِينَ ٱلۡقِسۡطَ لِيَوۡمِ ٱلۡقِيَٰمَةِ فَلَا تُظۡلَمُ نَفۡسٞ شَيۡـٔٗاۖ وَإِن كَانَ مِثۡقَالَ حَبَّةٖ مِّنۡ خَرۡدَلٍ أَتَيۡنَا بِهَاۗ وَكَفَىٰ بِنَا حَٰسِبِينَ ٤٧

Op de Dag der Opstanding zullen Wij weegschalen van rechtvaardigheid opstellen, niemand zal dan in wat dan ook onrechtvaardig behandeld worden. En al gaat het om het gewicht van een mosterdzaadje: Wij zullen het (naar voren) brengen.

En Wij zijn als Berekenaars voldoende. (al-Anbiya 21/47)

IV. De Sirāt (Brug)Het woord Sirāt betekent letterlijk “hoofdweg” of “grote weg”, maar in islamitische terminologie verwijst het naar de (dunne en vlijmscherpe) brug die over het Hellevuur is gespannen. De mu’mins zullen via deze brug het Paradijs bereiken, terwijl degenen (ongelovigen (kaafirs), zondaars, huichelaars) die de brug niet kunnen oversteken in het Hellevuur zullen vallen.

Een Qur’ānvers dat naar de Sirāt verwijst, zegt:وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا ٧١

ثُمَّ نُنَجِّي ٱلَّذِينَ ٱتَّقَواْ وَّنَذَرُ ٱلظَّٰلِمِينَ فِيهَا جِثِيّٗا ٧٢

En er is niemand onder jullie of hij treedt daar binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden. Dan zullen Wij degenen redden die Allāh vrezen en Hem plichtsgetrouw waren. En Wij zullen de onrechtvaardigen daarin op hun knieën achterlaten. (Meryem 19/71-72)

Volgens ahadieth heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat de Sirāt boven het Hellevuur zal worden geplaatst, en dat de eersten die erover zullen gaan hijzelf en zijn gemeenschap (ummah) zullen zijn. Op die dag zullen alleen de profeten spreken, en hun du`aa’ zal zijn: "O Allāh, red ons!" (Bukhârî, Rikak, 52; Tirmidhî , Jannah, 20)

Het oversteken van de sirat zal afhangen van de daden van de mu’mins:

Sommigen zullen erover gaan met de snelheid van een bliksemschicht of een windvlaag.

Anderen zullen langzamer gaan, en sommigen zullen zelfs kruipend oversteken.

Ongelovigen (kuffār) en bepaalde zondaars zullen struikelen en in het Hellevuur vallen.(zie Bukhârî,, Rikak, 48; Muslim, Iman, 81; İbn Mājah, Zuhd, 33; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, I, 392)

Er wordt overgeleverd dat de Sirāt, de ware aard ervan is alleen bekend bij Allāh, "dunner is dan een haar en scherper dan een zwaard", wat betekent dat de moeilijkheid om eroverheen te gaan afhangt van iemands zonden en goede daden.

V. HET BASSIN VAN KAWTHAR

De term Hawdh al-Kawthar verwijst naar een bassin waarin water uit de rivier Kawthar wordt verzameld. In de Qur’ān wordt de term hawdh (bassin) niet expliciet genoemd, maar wel Kawthar:

إِنَّآ أَعۡطَيۡنَٰكَ ٱلۡكَوۡثَرَ ١

Voorwaar, Wij hebben jou de Kawthar gegeven! (al Kawthar 108-1)

Volgens interpretaties verwijst Kawthar naar het hemelse bassin of een rivier in het Paradijs. Op de `ākhirah zal elke profeet een bassin hebben waarvan hij en degenen uit zijn gemeenschap die Allāh het toestaat, zullen drinken.

Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft gezegd dat hij zijn gemeenschap aan de rand van zijn bassin zal verwelkomen en degenen die langs komen, zullen drinken van het water van de Hawdh en ze zullen nooit meer dorst hebben.( Bukhârî,, Rikak, 53)

In een hadieth zei Rasulullah صلى الله عليه وسلم:Mijn bassin heeft een rand is zo lang als een reis van een maand. Het water is witter dan melk, de geur is aangenamer dan muskus, en de bekers zijn talrijker dan de sterren aan het Paradijs. Wie ervan drinkt, zal nooit meer dorstig zijn. (Muslim, Fazail, 9; Tirmidhî, Qiyamah, 14, 15.)

VI. De voorspraak (shafâ‘ah)

Het woord shafâ‘ah betekent letterlijk “bemiddeling” of “voor iemand pleiten”. In Islamitische terminologie verwijst het naar het verzoek om vergeving voor zondige mu’mins of het verhogen van de status van degenen zonder zonden, met de toestemming van Allāh.

Volgens de leer van Ahl as-Sunnah is er voorspraak mogelijk voor mu’mins die grote zonden hebben begaan. Rasulullah صلى الله عليه وسلم zei:Mijn voorspraak is er ook voor degenen uit mijn gemeenschap die grote zonden hebben begaan.

(Abu Dawud, Sunnet, 21; İbn Mājah, Zuhd, 37; Tirmidhî, Qiyamah, 11; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, III, 213.)

Daarnaast heeft Rasulullah صلى الله عليه وسلم gezegd dat elke profeet een speciale smeekbede heeft die gegarandeerd wordt verhoord, en dat hij die van hem zal bewaren om op de Laatste Dag (`ākhirah ) als voorspraak voor zijn gemeenschap. (Bukhârî,, Daawat,1; Muslim, Iman, 86)

Onder degenen die voorspraak zullen doen, noemde Rasulullah صلى الله عليه وسلم de profeten, geleerden en martelaren. (İbn Mājah, Zuhd, 37)

De betreffende personen zullen in het Hiernamaals de bevoegdheid die hun wordt gegeven in het voordeel van de mensen gebruiken, voor hen bemiddelen en Allāh aanroepen.

De groepen voor wie voorspraak zal worden gedaan op de `ākhirah :

Op de Dag van Mahshar zullen alle mensen zich verzamelen op het A'rasat-plein en de moeilijkheden van het lange wachten ervaren. Hij (صلى الله عليه وسلم ) zal Allāh smeken om zo snel mogelijk ter verantwoording te worden geroepen. (Bukhârî, Zakât, 52)

De bemiddeling voor een groep mu’mins, zodat zij zonder rekenschap te hoeven afleggen het Paradijs mogen binnengaan.

De bemiddeling voor sommige zondaars, zodat zij, ondanks dat zij het Hellevuur (Jahannam) hebben verdiend, er niet in zullen worden toegelaten.

De bemiddeling opdat de mu’mins die het Hellevuur zijn binnengegaan, daaruit bevrijd zullen worden. (Bukhârî, Rikak, 51.)

De bemiddeling om de status en rangen van het Paradijsbewoners in Jannah te verhogen..

De bemiddeling van Rasulullah صلى الله عليه وسلم voor een groep uit zijn ummah, van wie de zonden zwaarder wegen dan hun goede daden..

Volgens de Ahl-i Sunnah geleerden is bemiddeling een waarheid, het zal plaatsvinden, en het is een middel van redding voor degenen die om bemiddeling vragen en voor wie het toegestaan is om bemiddeld te worden.

Echter, voor de ongelovige (kâfir) en hypocriet (munâfik) is er geen bemiddeling die hen tot redding zal leiden.

Zoals vermeld in de Qur’ān:

فَمَا تَنفَعُهُمۡ شَفَٰعَةُ ٱلشَّٰفِعِينَ ٤٨

Dus is geen bemiddeling of geen bemiddelaar voor hen (ongelovigen) van enig nut. (al-Mudathir, 74:48).

[Opmerking: Niemand uit de profeten, laat staan uit de anderen, zal tot Allaah kunnen spreken ten aanzien van iemand die tot de ongelovigen behoren, omdat zij weten, dat het Woord van de straf reeds vaststaat over hen en dat Allaah daartoe geen verlof geeft. Hij heeft gezegd: مَن ذَا ٱلَّذِي يَشۡفَعُ عِندَهُۥٓ إِلَّا بِإِذۡنِهِۦۚWie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn toestemming?(Baqarah 2/255), en يَوۡمَئِذٖ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنۡ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحۡمَٰنُ وَرَضِيَ لَهُۥ قَوۡلٗا ١٠٩Op die Dag zal er geen bemiddeling bestaan, behalve die (bemiddeling) voor hem, aan wie de Barmhartige toestemming geeft en wiens woorden Hem welgevallen. (Taa Haa, 20/109)]

De Mu'taziliten hebben de bemiddeling verworpen vanwege de bezorgdheid dat het in strijd zou zijn met de goddelijke gerechtigheid. Aan de andere kant omarmen de Sjiieten de bemiddeling als een belangrijk concept.

Het is echter belangrijk om te benadrukken dat het vertrouwen op de bemiddeling van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم ) op de Dag des Oordeels niet mag leiden tot verwaarlozing van de Islamitische verplichtingen. Het juiste gedrag is om in deze wereld inspanning te leveren, waakzaam te zijn met betrekking tot de goddelijke geboden en verboden, en oprecht te streven naar de goedkeuring van Allāh Ta'âlâ. De bemiddeling kan alleen worden behaald door diegenen die in hun daden oprecht zijn en streven naar het naleven van de Islamitische normen.

VII. al-A`rāfHet woord A`rāf betekent letterlijk "muur", "kasteel toren" of "de hoogste top van een berg". In Islamitische context verwijst het naar de hoge afscheiding tussen het Paradijs en het Hellevuur. Degenen wiens goede en slechte daden in evenwicht zijn, zullen hier tijdelijk verblijven voordat zij uiteindelijk het paradijs binnengaan.

In de Qur’ān is er een hoofdstuk genaamd surah al-A`rāf, waarin een dialoog wordt beschreven tussen de mensen van het Paradijs, het Hellevuur en de A`rāf bevinden.(al-A`raf 7/44-51)

Over wie precies tot de mensen van A'rāf behoort, bestaan verschillende meningen. - Sommige geleerden stellen dat het degenen zijn die noch tot het paradijs noch tot het Hellevuur worden toegelaten, zoals kinderen van polytheïsten die vóór de puberteit stierven en mensen die in een periode van fatrah (tussenperiode) leefden, waarin geen openbaring of boodschapper direct tot hen was gezonden.- De meest geaccepteerde mening is echter dat de A`rāf bestemd is voor mu’mins van wie de goede en slechte daden precies in evenwicht zijn. Volgens de deze mening, die beter aansluit bij de Qurān en ahadieth, zijn de bewoners van A`rāf mu’mins van wie de goede en slechte daden, alsook hun beloningen en zonden, in balans zijn. Zulke mensen zullen enige tijd op A`rāf verblijven, waarna er een oordeel over hen geveld zal worden en zij het Paradijs zullen binnengaan.

VIII. Al-Jahannam (het Hellevuur)In de Qur’ān worden zowel het Hellevuur als het Paradijs in een parallelle stijl beschreven. Rasulullah صلى الله عليه وسلم heeft in ahadieth ook details over beiden vermeld. Geleerden hebben deze informatie verder uitgewerkt op basis van ahadieth en rationele en spirituele interpretaties.

[Opmerking: De Jannah (Paradijs) en de Nār (Hellevuur) zijn later geschapen (mahluq) en ze zullen nooit eindigen of nietzijn. Allahu Ta’ala heeft de Jannah en de Nār geschapen voordat Hij de schepselen schiep. Hij schiep daarna hun bewoners.

Hij kan met zijn goedertierenheid degenen naar de Jannah sturen, die Hij wil en met Zijn rechtvaardigheid kan Hij degenen in het Hellevuur stoppen, die Hij wil. Trouwens, ieder mens zal de werken verrichten die voor hem is bestemd waarmee hij de Jannah of de Nār heeft verdiend.Het Hellevuur is het verblijf van de bestendige straf, een verblijf waarin alle soorten straffen zijn, die niet opkomen in de verstanden.]

A. Namen van het HellevuurHet Hellevuur, waarin ongelovigen (kuffār), hypocrieten (munafiqoen) en polytheïsten (mushrikoen) voor eeuwig zullen verblijven, en waarin sommige zondige moslims tijdelijk gestraft zullen worden, wordt in de Qur’ān met verschillende namen aangeduid. De meest herhaalde en algemene term is an-Nār (het Vuur). Zo worden in dezelfde verzen ook de uitdrukkingen ashâbu’l-jannah" (de bewoners van het Paradijs) en ashâbu’n-nâr (de bewoners van de Hel) genoemd. (zie el-A`raf 7/44 en 50)

Een vers vermeldt:

لَهَا سَبۡعَةُ أَبۡوَٰبٖ لِّكُلِّ بَابٖ مِّنۡهُمۡ جُزۡءٞ مَّقۡسُومٌ ٤٤

Zij heeft zeven poorten, aan iedere poort is er een klasse toegewezen. (al-Hijr 15/44)

Hieruit hebben geleerden zeven bekende namen van het Hellevuur afgeleid:

Jahannam: de algemene naam voor het Hellevuur en de bovenste laag ervan. Volgens de opvatting van de geleerden van Ahl as-Sunnah is dit het hoogste gedeelte van het Hellevuur, waar de bestraffing het lichtst is en waar zondige moslims hun straf ondergaan. Wanneer hun bestraffing eindigt, zal deze plek leeg raken.

Jahīm: een laaiend vuur met een hoge temperatuur en een zeer hete plaats. Het komt voor in de Qur’ān en in sommige ahadieth.

In de Qur’ān wordt het zowel op zichzelf gebruikt (zie eş-Shuara 26/91; al-Vakı`a 56/94. ) als in uitdrukkingen zoals "adhâbu’l-jahîm" (de bestraffing van de Hel) (zie ad-Duhan 44/56) en "ashâbu’l-jahîm" (de bewoners van de Hel) (al-Baqarah 2/119)

Hāwiya: Een diepe afgrond gevuld met laaiend vuur: فَأُمُّهُۥ هَاوِيَةٞوَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا هِيَهۡ نَارٌ حَامِيَةُۢ

Zijn toevlucht is de Hel. En wat laat jou weten wat zij is? Dat is een laaiend Vuur! ( el-Qaria 101/9, 11)

Hutama – Een verpletterend vuur dat diep doordringt tot in de harten:

كـَلَّاۖ لَيُنۢبَذَنَّ فِي ٱلۡحُطَمَةِ ٤

وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا ٱلۡحُطَمَةُ ٥

نَارُ ٱللَّهِ ٱلۡمُوقَدَةُ ٦

ٱلَّتِي تَطَّلِعُ عَلَى ٱلۡأَفۡـِٔدَةِ ٧Het Vuur dat Allah heeft aangestoken. En wat laat jou weten wat het verpletterende Vuur is?

Nee! Waarlijk, hij zal in het verpletterende Vuur gegooid worden.

Wat naar hun harten opspringt. (al-Humazah 104/4-7)

Lazā – Een vlammend vuur dat de hoofdhuid wegrukt.كـَلَّآۖ إِنَّهَا لَظَىٰ ١٥ نَزَّاعَةٗ لِّلشَّوَى١٦

In geen geval! Waarlijk, het zal het Hellevuur zijn!

Die de hoofdhuid wegrukt. (al-Ma`arij 70/15-16)

Sa`īr – Een voortdurend brandend vuur die in de Qurān en ahadieth wordt (zie al-Haj 22/4; Lokman 31/21; Saba’ 34/12; Tirmidhie, Daawat, 30)

Saqr – Een vuur dat niet dooft en de huid verschroeit.

وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا سَقَرُ ٢٧لَا تُبۡقِي وَلَا تَذَرُ ٢٨لَوَّاحَةٞ لِّلۡبَشَرِ ٢٩

En wat laat jou precies weten wat het Hellevuur is?Zij (de Hel) laat niet (onverteerd) achter en zij laat niet met rust.

Zij verschroeit (de huid) van de mens. (al-Muddathir 74/27-29)

Andere termen die in de Qur’ān voor het Hellevuur worden gebruikt, zijn onder meer `azāb al-harīq (brandende bestraffing) (zie Al-i İmran 3/181; al-Anfal 8/50.)hamīm (kokend water) (zie al-An`am 6/70; al-Haj 22/19)samoem (hete wind) (zie at-Tur 52/27; al-Waqi`ah 56/42)sijjīn (een gevangenis of een diepe afgrond) (zie al-Mutaffifin 83/7-8.)wayl (wee) (zie İbrahiem 14/2; Maryam 19/34) dār al-bawār (de woonplaats van vernietiging) (zie İbrahiem 14/28)sûu’d-dâr (slechte woonplaats) (zie ar-Ra`d 13/25)asfalu’s-Sâfilîn (het laagste van het laagste). (zie at-Tin 95/5.)

De verschillende namen, die betrekking hebben op vuur, n beschrijvingen duiden op de verschillende niveaus en soorten bestraffingen binnen het Hellevuur.

B. De kwellingen van het Hellevuur

In de verzen over het Hellevuur worden vooral de straffen beschreven die mensen zullen ondergaan in overeenstemming met de zonden die zij op aarde hebben begaan. De meeste van deze straffen worden uitgevoerd met vuur en kokend water. Naast deze fysieke straffen wordt ook beschreven over geestelijke kwellingen. De mensen van het Hellevuur worden vernederd. (Yunus 10/27); Ze worden onderworpen aan de woede van Allāh. (al-Mu’min 40/10.); Ze worden bespot en bekritiseerd. (al-İsra’ 17/18)Voordat ze in het Hellevuur geworpen worden. Ze zullen het Hellevuur vinden als een vulkaan die lavastromen uitspuwt (zie Mursalāt 77/32) die hun gezichten verbrandt, hun ledematen afscheurt, hun vlees verteert en hun ingewanden doet smelten. De mensen van het Hellevuur zullen zich bevinden in een verzengende hitte en kokend water, onder een schaduw van zwarte rook die geen verkoeling biedt. Wanneer hun huid is verbrand, zal er een nieuwe huid worden geschapen zodat ze de pijn voor altijd blijven voelen. (zie an-Nisa’ 4/56)

De dood zal hen van alle kanten omsingelen, maar ze zullen haar niet kunnen proeven. In het Hellevuur zal men hevig verlangen naar de dood, maar die zal er niet zijn. (zie al-A`la 87/13) De inwoners van het Hellevuur zullen niet kunnen sterven om (aan hun pijn) te ontsnappen, noch zal hun leven een leven genoemd kunnen worden. Eén van hun voedselbronnen is de boom van Zaqqum, waarvan de vruchten lijken op de hoofden van de duivels. (zie as-Saffat 37/65; el-Waqi`ah 56/52) Wie hiervan eet, zal extreme dorst krijgen en zich als een dorstige kameel op het water storten, maar het enige wat hij zal vinden is kokend water. (zie al-Waqi`ah 56/53-55)

۞ هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩

يُصۡهَرُ بِهِۦ مَا فِي بُطُونِهِمۡ وَٱلۡجُلُودُ ٢٠

وَلَهُم مَّقَٰمِعُ مِنۡ حَدِيدٖ ٢١

كُلَّمَآ أَرَادُوٓاْ أَن يَخۡرُجُواْ مِنۡهَا مِنۡ غَمٍّ أُعِيدُواْ فِيهَا وَذُوقُواْ عَذَابَ ٱلۡحَرِيقِ ٢٢

Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer. Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden. Daarmee zal alles wat in hun buiken is smelten of verdwijnen, en ook (hun) huiden.En voor hen zijn er kromme ijzeren staven. Iedere keer als zij daarvan weg proberen te komen, uit leed, worden zij daartoe terug gedreven en (er zal) tegen hen gezegd worden: Proef de bestraffing van het branden! (al-Haj 22/19-22)

Kortom, het Hellevuur is een wereld van vuur: het voedsel, het drinken, de vruchten en alle consumptiemiddelen daar zijn van vuur. Het vuur is overal en voor iedereen, maar de intensiteit van de straf is afhankelijk van de slechte daden die men heeft begaan. Een kāfir is niet als een mu’min, en een mu’min is niet als een hypocriet.

إِنَّ ٱللَّهَ لَعَنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ وَأَعَدَّ لَهُمۡ سَعِيرًا ٦٤

خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۖ لَّا يَجِدُونَ وَلِيّٗا وَلَا نَصِيرٗا ٦٥

يَوۡمَ تُقَلَّبُ وُجُوهُهُمۡ فِي ٱلنَّارِ يَقُولُونَ يَٰلَيۡتَنَآ أَطَعۡنَا ٱللَّهَ وَأَطَعۡنَا ٱلرَّسُولَا۠ ٦٦

وَقَالُواْ رَبَّنَآ إِنَّآ أَطَعۡنَا سَادَتَنَا وَكُبَرَآءَنَا فَأَضَلُّونَا ٱلسَّبِيلَا۠ ٦٧رَبَّنَآ ءَاتِهِمۡ ضِعۡفَيۡنِ مِنَ ٱلۡعَذَابِ وَٱلۡعَنۡهُمۡ لَعۡنٗا كَبِيرٗا ٦٨

Waarlijk, Allah heeft de ongelovigen vervloekt en heeft voor hen een laaiend vuur voorbereid.Daarin zullen zij voor altijd verblijven en zij zullen geen beschermers noch helpers vinden.Op de Dag dat hun gezichten zullen worden rondgedraaid in de Hel zullen zij zeggen: “Oh hadden wij Allah maar gehoorzaamd en hadden wij de Boodschapper maar gehoorzaamd.”En zij zullen zeggen: “Onze Heer! Waarlijk wij hebben onze leiders gehoorzaamd en onze notabelen, en zij hebben ons van de Weg misleid.Onze Heer! Geef hen een dubbele bestraffing en vervloek hen met een machtige vervloeking. (el-Ahzab 33/64-68)

[Opmerking: Degenen onder de gemeenschap van Muhammad (صلى الله عليه وسلم ), die grote zonden (kabāir) hebben begaan, zullen niet voor altijd in het Vuur (nār) verblijven, al hebben ze geen berouw (voor hun zonden) getoond. Dit geldt alleen als ze iemān hebben gedaan en Allah als hun godheid (ilah) hebben erkend en met deze tawhied geloof gestorven zijn. Ze zijn afhankelijk van Allahs Wil en Oordeel.

Als Hij wil kan Hij met Zijn goedertierenheid hen vergeven en hun zonden kwijtschelden, zoals het in Zijn Boek vermeld staat:إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨

Waarlijk, Allah vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allah deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan.(Nisa’4/48).

Naast fysieke straffen zullen er in het Hellevuur ook geestelijke straffen zijn, zoals de wanhoop van degenen die beseffen dat hun hoop is vervlogen en dat ze van Allāh's genade zijn uitgesloten. De grootste geestelijke kwelling in het Hellevuur is het onvermogen om Allāh's Aangezicht te aanschouwen. De mensen van het Hellevuur zullen verstoken blijven van deze zegening, (zie el-Mutaffifin 83/15) terwijl hun kwelling in verschillende vormen zonder onderbreking zal voortduren. Ze zullen smeken om de dood en zich wenden tot Mâlik, de leider van de bewaker van het Hellevuur, om voor hen te bemiddelen bij Allāh om hun straf te verlichten.

وَنَادَوۡاْ يَٰمَٰلِكُ لِيَقۡضِ عَلَيۡنَا رَبُّكَۖ قَالَ إِنَّكُم مَّٰكِثُونَ ٧٧

En zij zullen roepen: “O Malik! (bewaker van de Hel) Laat jou Heer een einde aan ons maken.” Hij zal zeggen: “Waarlijk, jullie zullen hier voor altijd verblijven.” (az-Zuhruf 43/77)

[Opmerking: Het oordeel over de ongelovige (kāfir) of de hypocriet na de Afrekening is, dat hij het Vuur binnengaat om daarin eeuwig te verblijven, terwijl de smart en de straf niet van hem aflaten.

Het oordeel over de ongehoorzame moslim na de Afrekening is, indien Allaah hem vergeven heeft, dat hij het Paradijs binnengaat, om daarin eeuwig te verblijven. Maar, indien Hij hem niet vergeven heeft, dat hij gestraft wordt in het Vuur, voor een tijd naar de mate van zijn zonde. Vervolgens zal hij eruit komen en het Paradijs binnengaan om daarin eeuwig te verblijven.

In elk geval: de iemān is de beslissende factor bij de vraag of iemand het Paradijs zal binnengaan of niet. "Wie in zijn hart een grijntje geloof bezit, zal niet tot de bewoners van het Hellevuur behoren' (Bukhârî,). En toch zullen alle daden op de laatste dag aan het licht komen en vergolden worden volgens Allaahs rechtvaardigheid. فَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٍ خَيۡرٗا يَرَهُۥ ٧وَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖ شَرّٗا يَرَهُۥ ٨

Dus wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien. (az-Zalzalah 99/7-8).]

Er is onder de geleerden discussie geweest over de vraag of het Paradijs en het Hellevuur al bestaan en waar ze zich bevinden. De aanhangers van de sekte stromingen Jahmiyyah, Mu`tazilah en Kharijyah beweren dat de schepping van het Paradijs en het Hellevuur voor de Dag des Oordeels zinloos zou zijn, en daarbij is er een vers (zie al-Qasas 28/88 ) dat vermeldt dat alles op die dag zal vergaan. Hiermee is het bewijs geleverd dat ze nog niet zijn geschapen. De Ahl as-Sunnah geleerden zijn het er echter over eens dat zowel het Paradijs als het Hellevuur al geschapen zijn en op dit moment bestaan.

Zij baseren dit onder andere op het feit dat Adam عليه السلام en Hawwa (رضي الله عنها) in het Paradijs werden geschapen en daarvandaan op aarde werden neergezonden. (zie al-Baqarah 2/30-38) Daarnaast wordt in de Qur’ān over het Paradijs en het Hellevuur gesproken in de verleden tijd, waarmee wordt aangeduid dat zij al eerder voor mu’mins en kuffār zijn voorbereid. (zie Al-i İmran 3/131, 133) Bovendien heeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم ) tijdens de nachtreis (Mi`raaj) het Paradijs en het Hellevuur gezien. Al deze bewijzen wijzen erop dat het Paradijs en het Hellevuur momenteel bestaan.

Wat betreft de vraag waar deze zich bevinden: aangezien er geen expliciete openbaring (nass: Qur’an en ahadieth) over is, is het meest passend om dit aan Allāh over te laten. Wij hebben geen enkele mogelijkheid om hier kennis over te verwerven, en onze kennis over het universum beperkt zich tot slechts enkele planeten. Wat we wel zeker weten, is dat het Paradijs en het Hellevuur er altijd zijn geweest, op dit moment bestaan en eeuwig zullen blijven bestaan. Het Hellevuur bevindt zich beneden, terwijl het Paradijs zich in de hoogste regionen, boven de zeven hemelen, bevindt.

Na de bespreking van al-A`raf en het Hellevuur is het nu tijd om te spreken over het eeuwige verblijfsoord van de mu’mins: het Paradijs.

IX. Het Paradijs

In de woordenboeken is het woord jannah (paradijs) een naam die is afgeleid van de stam jann, wat "bedekken, verbergen" betekent, en het verwijst naar een tuin waarvan de grond bedekt is met planten en bomen. Dat de verblijfplaats van mu’mins in het Hiernamaals deze naam heeft gekregen, kan komen doordat het Paradijs qua uiterlijk op de tuinen van de wereld lijkt, of omdat de unieke zegeningen daar verborgen zijn voor het menselijk begrip.

Allāh heeft het Paradijs voorbereid als eeuwige verblijfplaats voor Zijn dienaren die tijdens hun leven vasthielden aan de geloofsleer van de eenheid van Allāh (tawhied), die vroom, (muttaqie) rechtschapen (saalih), geliefd (wali), martelaar (shahid), waarachtig (siddieq), profeet (nabie) of boodschapper (rasul) waren. Het paradijs is een geschenk van Allāh, voortkomend uit Zijn genade, goedheid en vrijgevigheid, voor degenen die in Hem geloven (iemaan) en rechtschapen daden verrichten die Zijn welbehagen verdienen. (zie an-Nisaa’ 4/69-70; al-Mu`minun 23/1-11)

Het Paradijs wordt beschreven als zo ruim als de hemelen en de aarde (zie Al-i İmran 3/133), oftewel zo groot als het menselijk denkvermogen zich kan voorstellen. Het bevindt zich op een zeer hoge plaats, in een oneindige nieuwe dimensie van tijd en ruimte, maar de Kursie (Stoel) en de `Arsh (Troonzetel) van Allāh bevinden zich boven het Paradijs. In een vers van de Qur’ān wordt vermeld dat het Paradijs zich naast de Sidrat al-Muntahā bevindt:

وَلَقَدۡ رَءَاهُ نَزۡلَةً أُخۡرَىٰ ١٣عِندَ سِدۡرَةِ ٱلۡمُنتَهَىٰ ١٤عِندَهَا جَنَّةُ ٱلۡمَأۡوَىٰٓ ١٥

En voorwaar, hij (Muhammed) zag hem (Jibriel) ook bij een tweede afdaling.In de buurt van de lotusboom (de Sidrah al-Muntahā )waar niemand voorbij mag gaan.

In de buurt daarvan is de Tuin van de Verblijfplaats (Jannat al-Ma’wā). (an-Najm 53:13-15)

an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei in een hadieth:

Jibriel bracht mij tot de Sidrah al-Muntahā, die bedekt was met kleuren die ik nog nooit had gezien. Op dat moment betrad ik het Paradijs en zag ik zijn grond, die naar muskus rook, en zijn hemel, die uit parels bestond.

(Bukharie, Salat, 79; Enbiya, 85; Muslim, Iman, 103; Ahmed b. Hanbal, al-Musnad, V, 144)

Ook is vermeld dat in het graf van de mu’mins een raam geopend wordt naar het Paradijs, dat de rûhs van de mu’mins, en in het bijzonder van de martelaren, daar als vogels in de bomen vliegen en genieten van de zegeningen van het Paradijs. (Malik b. Anas, Muvatta’, Cenaiz, 109; Ahmad b. Hanbal, al-Musnad, I, 107)

[Opmerking Het Paradijs is het verblijf van de bestendige heerlijkheid, een verblijf, daarin is wat de rûhs begeren en waarvan de ogen genieten, een verblijf waarin is, wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in het hart van het mensdom niet is opgekomen.]

A. Namen van het Paradijs

Om het rijk van de eeuwige gelukzaligheid te beschrijven, komt het woord "jannah" het meest voor het Paradijs. Zowel in de Qur’ān als in de ahadieth van an-Nabie صلى الله عليه وسلم صلى الله عليه وسلم wordt het Paradijs meestal aangeduid met het woord cennet (paradijs). Daarnaast worden er verschillende andere namen gebruikt, sommige afzonderlijk en andere in combinatie.

Firdaus: Dit woord betekent "een wijngaard of tuin met druiven". In de Qur'aan wordt het zowel samen met het woord "jannah" gebruikt als "jannâtu'l-firdaus", alsook afzonderlijk. (zie al-Kahf 18/107; al-Mu`minun 23/11)

‘Adn: Dit betekent "verblijfsparadijzen" en komt in de Qur’ān voor als Jannāt ‘Adn. (at-Tawbah 9/72; al-Kahf 18/31)

Na‘īm: Dit woord duidt op alle schoonheid en genot die vreugde en rust brengen. In de Qur’ān wordt het gebruikt in de termen Jannah al-Na‘īm (zie ash-Shuara 26/85 ) en Jannāt al-Na‘īm (al-Maidah 5/65). Het wordt ook genoemd als tegenhanger van Jahīm, een van de namen van het Hellevuur. (zie al-İnfitār 82/13.)

Ma’wā: Dit betekent "verblijfplaats" en wordt in de Qur’ān zowel voor het Paradijs als voor het Hellevuur gebruikt. (an-Naziāt 79/37-41)

Rawda: Dit woord betekent "groene tuin met overvloedige waterbronnen" en wordt in de Qur’ān gebruikt als Rawdāt al-Jannāt . (zie ash-Shura 42/22) en soms afzonderlijk als synoniem voor het Paradijs (ar-Rum 30/15)

Dār as-Salām: Dit betekent "het land van vrede en veiligheid" en wordt in de Qur’ān genoemd als een naam voor het paradijs. (zie al-En`am 6/127; Yunus 10/25)

Dār al-Muqāmah: Dit betekent "de werkelijke verblijfplaats, het eeuwige thuis" en wordt in de Qur’ān als volgt genoemd:

وَقَالُواْ ٱلۡحَمۡدُ لِلَّهِ ٱلَّذِيٓ أَذۡهَبَ عَنَّا ٱلۡحَزَنَۖ إِنَّ رَبَّنَا لَغَفُورٞ شَكُورٌ ٣٤

ٱلَّذِيٓ أَحَلَّنَا دَارَ ٱلۡمُقَامَةِ مِن فَضۡلِهِۦ لَا يَمَسُّنَا فِيهَا نَصَبٞ وَلَا يَمَسُّنَا فِيهَا لُغُوبٞ ٣٥وَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَهُمۡ نَارُ جَهَنَّمَ لَا يُقۡضَىٰ عَلَيۡهِمۡ فَيَمُوتُواْ وَلَا يُخَفَّفُ عَنۡهُم مِّنۡ عَذَابِهَاۚ كَذَٰلِكَ نَجۡزِي كُلَّ كَفُورٖ ٣٦En zij zullen zeggen: “Alle lofprijzingen en dankbetuigingen zijn voor Allah, Die van ons (alle) droefheid verwijderd heeft. Waarlijk, onze Heer is zeker Vergevingsgezind, Meest Waarderend. Hij, Die ons door Zijn genade deze werkelijke verblijfplaats heeft toegewezen, waarin ons geen last, noch vermoeienis raakt.Maar degenen die ongelovig zijn, voor hen zal het vuur van de Hel zijn. En er is geen beschikking (om dood te gaan) voor hen bepaald, zodat zij zullen sterven, noch zal de bestraffing voor hen verlicht worden. Dus Zo vergelden Wij elke ongelovige!

(Fatır 35/34-35)

Andere namen die in de Qur’ān worden genoemd zijn Jannat al-Khuld ("het eeuwige paradijs") (zie al-Furqān 25/15), Maqām Amīn ("veilige verblijfplaats") (zie ad-Dukhān 44/51) en Husnā ("de beste beloning" die Allāh schenkt aan degenen die goede daden verrichten). (zie Yunus 10/26)

Al deze namen kunnen namen of eigenschappen van het Paradijs zijn, maar ze kunnen ook gebruikt zijn om naar verschillende aspecten ervan te verwijzen.

B. De geneugten van het Paradijs

In het paradijs zijn er zowel fysieke als geestelijke geneugten die afhankelijk zijn van de daden van de mensen in deze wereld. De Qur’ān en de ahadieth beschrijven de zegeningen van het paradijs zo uitgebreid dat het zelfs moeilijk is om ze volledig te begrijpen of voor te stellen.

Op de Dag des Opstanding zullen degenen die rechtschapen daden hebben verricht hun boek van daden in hun rechterhand ontvangen en tot de eersten behoren die zich in de Jannat an-Na‘īm bevinden, dichtbij Allāh. (zie al-Waqi`ah 56/8-12)

Het paradijs wordt dichterbij gebracht voor de vromen en godvrezenden (muttaqien). (zie Qāf 50/31) In de Qur’ān staat:

يَوۡمَ تَرَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ يَسۡعَىٰ نُورُهُم بَيۡنَ أَيۡدِيهِمۡ وَبِأَيۡمَٰنِهِمۖ بُشۡرَىٰكُمُ ٱلۡيَوۡمَ جَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٢

يَوۡمَ يَقُولُ ٱلۡمُنَٰفِقُونَ وَٱلۡمُنَٰفِقَٰتُ لِلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱنظُرُونَا نَقۡتَبِسۡ مِن نُّورِكُمۡ قِيلَ ٱرۡجِعُواْ وَرَآءَكُمۡ فَٱلۡتَمِسُواْ نُورٗاۖ فَضُرِبَ بَيۡنَهُم بِسُورٖ لَّهُۥ بَابُۢ بَاطِنُهُۥ فِيهِ ٱلرَّحۡمَةُ وَظَٰهِرُهُۥ مِن قِبَلِهِ ٱلۡعَذَابُ ١٣

En op de dag waarop jij de mu’min mannen en de mu’min vrouwen ziet. Hun licht straalt voor hen uit en bij hun rechterhanden. (Er wordt hen gezegd:) “Goed nieuws is voor jullie op deze dag: Tuinen waar rivieren onderdoor stromen (het Paradijs) om daarin voor altijd te verblijven!

Waarlijk, dit is een groot succes!

Op die Dag zullen de hypocrieten – mannen en vrouwen – tegen de gelovigen zeggen: “Wacht op ons! Laat ons wat van jullie licht gebruiken.” Er zal gezegd worden: “Ga terug, naar achterenen zoek dan het licht!” Er zal dan een muur tussen hen worden geplaatst met een poort daarin. Aan de binnenkant is er de Genade en aan de buitenkant is er de bestraffing.

(al-Hadid 57:12)

مَّثَلُ ٱلۡجَنَّةِ ٱلَّتِي وُعِدَ ٱلۡمُتَّقُونَۖ فِيهَآ أَنۡهَٰرٞ مِّن مَّآءٍ غَيۡرِ ءَاسِنٖ وَأَنۡهَٰرٞ مِّن لَّبَنٖ لَّمۡ يَتَغَيَّرۡ طَعۡمُهُۥ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ خَمۡرٖ لَّذَّةٖ لِّلشَّٰرِبِينَ وَأَنۡهَٰرٞ مِّنۡ عَسَلٖ مُّصَفّٗىۖ وَلَهُمۡ فِيهَا مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ وَمَغۡفِرَةٞ مِّن رَّبِّهِمۡۖ كَمَنۡ هُوَ خَٰلِدٞ فِي ٱلنَّارِ وَسُقُواْ مَآءً حَمِيمٗا فَقَطَّعَ أَمۡعَآءَهُمۡ ١٥

Is het (geluk) van het Paradijs dat aan godvrezenden beloofd is, waar rivieren zijn met water waarvan de smaak en de geur niet verandert; rivieren van melk waarvan de smaak niet verandert; rivieren van wijn, heerlijk voor degenen die het drinken; en rivieren van zuivere honing, waarin voor hen allerlei soorten fruit zijn; en de vergiffenis van hun Heer. (Is dit) gelijk (aan de ellende van) degenen die voor altijd in het vuur zullen wonen en kokend water te drinken krijgen, zodat het in hun buiken snijdt? (Muhammad 47/15)

De bewoners van het Paradijs zullen altijd alle soorten voedsel en drank die zij wensen binnen handbereik vinden. Ze zullen geen enkele moeite hoeven te doen om te verkrijgen wat hun hart begeert, en evenmin zullen ze enige last ondervinden na het eten en drinken. Daar zal niets zijn wat verboden is of tot zonden leidt. Tegen hen zal gezegd worden:

كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ هَنِيٓـَٔۢا بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٩

(Er wordt gezegd:) Eet en drinkt in vreugde vanwege wat jullie gedaan hebben.

(at-Tur 52/19)

لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوًا إِلَّا سَلَٰمٗاۖ وَلَهُمۡ رِزۡقُهُمۡ فِيهَا بُكۡرَةٗ وَعَشِيّٗا ٦٢

Zij zullen daarin geen onzinnige gesprekken horen maar slechts de vredesgroet. En zij zullen daar hun levensonderhoud hebben, in de ochtend en de middag. (Maryam 19/62)

In het paradijs zijn er geen loze woorden of leugens. Alleen de stemmen die "Vrede, vrede" verkondigen, zullen er worden gehoord. Men zal herinneringen ophalen, Allāh prijzen en danken. Er zal geen vermoeidheid, verdriet, angst of vernedering zijn.

C. Het zien van Allāh

In de Qur’ān wordt vermeld:وُجُوهٞ يَوۡمَئِذٖ نَّاضِرَةٌ ٢٢

إِلَىٰ رَبِّهَا نَاظِرَةٞ ٢٣

Sommige gezichten zullen op die Dag verlicht zijn.

Naar hun Heer kijkend. (al-Qıyamah 75/22-23.)

[Opmerking De waarheid is dat de Paradijsbewoners hun Rab zullen zien. We weten niet hoe dat is en we kunnen het ook niet met woorden uitleggen. De uitleg (tafsir) van deze verzen is alleen bij Allahu Ta’ala’s Wil en Kennis. De mu'mins zullen Allah in het paradijs zien met hun ogen, zonder vergelijking met iets (bilâ tathbîh) en zonder hoe (bilâ kayfiyyah). Er zal geen afstand zijn tussen Hem en Zijn schepselen.]

Hieruit blijkt dat de mu’mins Allāh zullen aanschouwen, wat hen een immense vreugde en gelukzaligheid zal brengen. Een ander vers stelt:

۞ لِّلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ ٱلۡحُسۡنَىٰ وَزِيَادَةٞۖ وَلَا يَرۡهَقُ وُجُوهَهُمۡ قَتَرٞ وَلَا ذِلَّةٌۚ أُوْلَٰٓئِكَ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَنَّةِۖ هُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٢٦

Voor degenen die het goede hebben gedaan is er het beste en zelfs nog meer (ziyādah). Grauwheid noch vernedering zal hun gezichten bedekken. Zij zijn de bewoners van het Paradijs, en zij zullen daarin voor altijd verblijven. (Yunus 10:26)

an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft uitgelegd dat met "ziyādah" in dit vers het zien van Allāh (ru’yatullah) wordt bedoeld.

Daarnaast wordt in de Qur’ān vermeld hoe Mūsā عليه السلام op de berg Tūr Allāh wilde zien (al-A'raf 7:143), en er wordt gesteld dat de kuffār (ongelovigen) verstoken zullen blijven van beschouwen dit als bewijs dat de mu’mins in het Paradijs Allāh daadwerkelijk zullen zien.

Tegenover deze opvatting hebben de geleerden van de Mu‘tazilah-secte, door het Hiernamaals met de wereld te vergelijken, geconcludeerd dat het onmogelijk is om Allāh te zien. Zij hebben de hierboven genoemde verzen op een manier geïnterpreteerd die past bij hun overtuiging. Echter, hoe kan men twee totaal verschillende werelden met elkaar vergelijken, terwijl zelfs twee nabije planeten onderling andere wetten kennen?

Bovendien vindt het aanschouwen van Allāh plaats in het Hiernamaals, en kennis hierover kan uitsluitend via hadieth – Qur’ān en Sunnah – verkregen worden. Logisch redenerend is het ook aannemelijk, want we kunnen dingen zien omdat ze bestaan. Aangezien Allāh bestaat, is het mogelijk Hem te zien.

Allāh belooft in de Qur’ān:

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢

Allah heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allah is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (at-Taubah 9/72)

[Opmerking Op dezelfde manier is de betekenis van de hadieth as-sahih over dit onderwerp zoals an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) het bedoeld en gezegd heeft. Dit onderwerp kunnen we niet met ons inzicht interpreteren of vermoeden. Want men staat op godsdienstige zaken pas stevig in zijn schoenen als men zich aan (de wil van) Allahu Ta’ala en Zijn Rasul onderwerpt en de zaken die niet zo duidelijk voor hem zijn verwijst naar personen die het weten.

Het is niet juist iemand te geloven die beweert dat de “ru’yat-u-llah” (het geloof in het feit dat (sommige) lieden van het Paradijs Allah zullen zien) alleen plaats zal vinden door een denkbeeldige voorstelling of dit interpreteert. Want de interpretatie van zowel de “ru’yat-ullah”, als de betekenis die “Ululiyyah” (godheid zijn van Allah ) heeft, wordt alleen bereikt door het verlaten van interpretatie en door zich vast te klampen aan de overgave aan Allahs Wil.]

CONCLUSIE

De dood is voor iedereen een onvermijdelijke realiteit. De mens, die niet ervan om in het niets op te gaan. Hij begreep dat hij niet eeuwig op aarde kan leven, begon zich af te vragen wat er na de dood komt en voelde de behoefte om zich daarop voor te bereiden. Maar om deze voorbereiding juist en volledig uit te voeren, is het noodzakelijk om te weten waar men naartoe gaat. De enige bron van kennis over het leven na de dood, die niet door verstand of zintuigen waargenomen kan worden, is de openbaring; de goddelijke Boeken en de woorden van de profeten die de goddelijke boodschappen hebben ontvangen, verkondigen en uitgelegd. Volgens de informatie die de laatste openbaring, de Qur’ān, en de boodschapper ervan, Muhammed (صلى الله عليه وسلم ) geven, is de dood niet het einde. Integendeel, het is de overgang van de sterfelijke wereld naar de onsterfelijke wereld en een nieuwe geboorte voor het eeuwige leven daar. Daarom is het noodzakelijk om je voor te bereiden op deze onvermijdelijke en eeuwige levensfase.

Met het moment van de dood, begint het leven na de dood. Zodra het lichaam in het graf wordt gelegd, worden, wordt de mens door de engelen, Munkar en Nakier ondervraagd, waarna de beloning of de straf, de zegening of de bestraffing begint. Gedurende de Barzakh, die duurt tot de Qiyamah (Dag des Opstanding), worden de kuffār, mushrikun en munafikun bestraft. Voor de mu’mins die zich hebben onthouden van het kwade, is het graf de plaats waar de zegeningen van het Hiernamaals beginnen. Hierna is er voor hen geen lijden meer. De zondige moslims zullen na het lijden in de Barzakh dat past bij hun zonden uiteindelijk zegeningen ontvangen. Maar deze straf zal ofwel in de Barzakh of in het Hellevuur eindigen.

Het leven op de aarde waarop we leven is niet eeuwig. Wanneer de tijd van de Qiyamah, die alleen bij Allah bekend is, is aangebroken, zal de eerste Sûr geblazen worden, die ervoor zorgt dat alles wat op en in aarde is vergaat. Daarna, met de tweede Sûr, zal de Qiyāmah na de dood plaatsvinden; alle opgewekte wezens zullen verzameld worden op de plaats van de Mahshar. Daar zal de weegschaal worden opgesteld. Iedereen zal ondervraagd worden en ter verantwoording worden geroepen. Iedereen zal het boek van hun daden ontvangen, waarin al hun handelingen in deze wereld zijn opgetekend. Wanneer zij erin kijken en lezen, zullen zij hun eigen uiteindelijke bestemming begrijpen. De mu’mins ontvangen hun boek van de rechterkant, de kuffār, mushrikun en munafikun van de linkerkant en van achteren.

Uiteindelijk zullen de mu’mins van wie de goede daden zwaar zijn (en Allahs genade hebben ontvangen) het Paradijs binnengaan. Zij die geen iemaan hebben en dus geen goede daden hebben, en moslims van wie de goede daden lichter zijn, zullen naar het Hellevuur worden gestuurd. Maar de moslims zullen (met Allahs genade), na hun straf of door middel van bemiddeling van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم ) , uiteindelijk het Paradijs binnengaan. De mu’mins die zowel goed als slecht hebben gedaan, zullen enige tijd in de A`raf verblijven, waarna ook zij het Paradijs zullen betreden.

De hel is de plaats waar alle lichamelijke en geestelijke straffen en moeilijkheden worden ervaren. Daar zal iedereen gestraft worden naar de ernst van zijn (slechte) daden. Het Hellevuur zal voor altijd voortbestaan, met daarin de kuffār die er eeuwig zullen verblijven. Het Paradijs is de plaats van zegeningen, bestemd voor de vrome (muttaqien) mu’mins. Daar zullen degenen die er verblijven eindeloze zegeningen ontvangen die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en niemand zich zelfs maar kan voorstellen. Het Paradijs en haar zegeningen, samen met de bewoners, zullen eeuwig durend zijn, net zoals het leven daar.

Maar er is een grotere zegen dan al deze zegeningen, en dat is het verkrijgen van Allāh's welbehagen, het bereiken van Zijn liefde en het aanschouwen van Zijn Aangezicht in het Paradijs. Op een manier die we niet kunnen weten en begrijpen, zal Allāhu Ta`ala door de mu’mins in het Paradijs gezien worden, terwijl de kuffār hiervan worden onthouden.

Moge Allāh ons de zegeningen van het Paradijs en Zijn Aangezicht schenken…