VoorwoordGeboorte en opvoeding van Imām al-Al-Ghazâlî
Imām Al-Ghazâlî werd geboren in het jaar 450 H. in de stad Tus. Zijn vader verdiende zijn brood door wol te spinnen en te verkopen in zijn winkel. Toen hij op zijn sterfbed lag, gaf hij zijn zonen, Mohammed en Ahmed, in handen van een dervish-vriend van hem en vroeg deze vriend om hen onder zijn hoede te nemen. Hij zei: "Hoewel ik altijd veel interesse had in kalligrafie, heb ik het helaas niet kunnen leren. Maar ik was vastbesloten om deze kunst mijn twee zoons aan te leren. Helaas is de eeuwige wil van Allāh gekomen, en er is geen andere weg dan zijn wil te volgen. vertrouw ik mijn zonen aan jou toe als vriend en broer op de weg van Allāh."
Na de dood van hun vader werden de jongens opgevoed door hun voogd, die hen onderwees in de kalligrafie en hen zoveel mogelijk aanmoedigde om kennis te verwerven. Toen het kleine vermogen dat hun vader had nagelaten op was, werd het steeds moeilijker voor de vriend van hun vader om hun onderwijs en opleiding voort te zetten. Daarom zei deze vriend tegen hen: "Ik heb al jullie bezittingen voor jullie gebruikt, en is alles op. Ikzelf ben los van de wereld en heb geen rijkdom die ik voor jullie kan gebruiken. Wat het beste voor jullie is, is dat jullie je inschrijven in een madrasa, omdat jullie studenten van kennis zijn, zodat jullie alles wat jullie nodig hebben kunnen krijgen en jullie tijd nuttig besteden."
Op basis van dit advies schreven zij zich in bij een madrasa en zetten hun studies voort. De basis van hun vooruitgang werd op dat moment gelegd. Imām Al-Ghazâlî verwees hier later naar en zei: "We studeerden kennis niet voor Allāh, maar om andere dingen te bereiken. Maar uiteindelijk leidde Allāh ons naar Hem."
Begin van zijn studie
In zijn jeugd ontving Imām Al-Ghazâlî fiqh-les van de lokale geleerde Ahmed b. Mohammed er-Razikânî. Daarna studeerde hij bij de geleerde Abû Nasr al-Ismâilî in de stad Jurjan, waar hij zijn leraar vroeg om aantekeningen en marges aan zijn boeken toe te voegen, waarna hij terugkeerde naar zijn geboortestad.
De ervaring met de rovers
Imam Esad el-Muhaynî vertelt dat Imām Al-Ghazâlî zelf eens zei: "Toen ik uit Jurjan terugkeerde naar mijn stad, werd onze karavaan onderweg overvallen door rovers. Alles wat we bij ons hadden, werd gestolen. Ik liep achter de rovers aan om ten minste mijn boeken terug te krijgen. De leider van de rovers draaide zich om en zei tegen mij: 'Keer om, anders zullen we je doden!' Ik smeekte hem om mijn boeken terug te geven in de naam van Allāh. Ik legde uit dat de boeken voor mij belangrijker waren dan iets anders.
Hij lachte hard en zei: 'Hoe kun je zeggen dat je van deze boeken geleerd hebt? Wij hebben de boeken gestolen, dus al je kennis is verloren. Als de boeken verloren gaan, is de kennis ook verdwenen.' Na deze woorden gaf hij zijn mannen opdracht om mijn boeken terug te geven."
Deze gebeurtenis, waarin Imām Al-Ghazâlî zijn boeken en zijn kennis herwon, was een keerpunt in zijn leven. Na zijn terugkeer naar Tus werkte hij drie jaar lang onafgebroken en leerde hij alles wat hij van zijn leraar had geleerd, inclusief de aantekeningen in zijn boeken, uit het hoofd. Hij was zo goed voorbereid dat als iemand zijn boeken zou stelen, hij geen kennis zou verliezen.
Studie in Nishapur
Na deze drie jaar van intensieve studie ging Imām Al-Ghazâlî naar de stad Nishapur en volgde daar de lessen van Imam al-Haramayn Abd al-Malik al-Juwayni (1028-1085). Hij leerde nederig van hem en verbeterde zijn kennis in de vakken madhhab, kalam, debat, usûl al-fiqh, `usûl al-hadîs en logica. Pas nadat hij volledig was opgeleid in deze vakken, begon hij de uitspraken van de geleerden goed te begrijpen.
Hij werkte hard om de argumenten van degenen die deze wetenschappen wilden vernietigen, te weerleggen, en slaagde daar met succes in. Hij schreef boeken over elk van deze wetenschappen. Zijn intelligentie was opmerkelijk en zijn intuïtie was uitzonderlijk goed ontwikkeld. Hij had een zeer scherpe waarneming en was in staat om de diepere betekenissen van zaken te begrijpen. Zijn geheugen was sterk en hij was bijzonder bekwaam in het ontdekken van fijne en diepe betekenissen. In de wetenschap was hij een topfiguur en een onverslaanbare debater.
Imam al-Haramayn beschreef zijn studenten als volgt: "Imām Al-Ghazâlî is een oceaan die alles omhult, al-Qiya is een doordringende leeuw, en al-Hawâfîl is een verterend vuur."
De Bereikte Graad
Na de dood van Imam al-Haramayn verliet Imām Al-Ghazâlî Nishapur en ging naar de bijeenkomst van geleerden en intellectuelen die zich hadden verzameld in het legerkamp van de vizier Nizam al-Mulk.
Daar begon hij wetenschappelijke debatten met de geleerden. Tijdens deze debatten versloeg hij hen allemaal, waardoor ze gedwongen werden zijn kennis en superioriteit te erkennen. Vizier Nizam al-Mulk toonde hem de eer die hij verdiende. Binnen korte tijd werd zijn naam overal gehoord en zijn roem verspreidde zich door het hele land.
Nizam al-Mulk benoemde Imām Al-Ghazâlî tot hoofdleraar (rector) van de door hem gestichte Nizamiyah Madrasa in Bagdad. In het jaar 484 H., op 34-jarige leeftijd, arriveerde deze jonge geleerde in Bagdad in een grootse en indrukwekkende stoet. De inwoners van Bagdad omarmden hem met open armen. Zijn reputatie was zo groot dat hij de viziers, koningen en leiders in de schaduw stelde; alles wat hij zei, werd opgevolgd.
Imām Al-Ghazâlî bleef lange tijd in de Nizamiyah Madrasa, waar hij kennis verspreidde, fatwa's uitsprak en boeken schreef. Na enige tijd begon hij echter de wereldse verleidingen en de tijdelijke genoegens van het leven te verachten. Hij verwierp het luxueuze leven waarin hij zich bevond en besloot om de reis naar het huis van Allāh, de Ka'ba, te maken. Hij benoemde zijn broer als zijn vervanger en vertrok in de maand Dhul-Qai'dah van het jaar 488 H. Na een jaar bereikte hij Damascus. Daar verbleef hij een paar dagen voordat hij verder reisde naar Jeruzalem. Na enige tijd keerde hij terug naar Damascus en ging hij in `
`itiqaaf (terugtrekking) in de Grote Omayyad-moskee.
Volgens de overlevering van al-Zahabi bracht Imām Al-Ghazâlî het grootste deel van zijn tijd door in de zawiya (spirituele plek) van Shaykh al-Maqdisi in de `Umayyad-moskee (deze zawiya staat tegenwoordig bekend als de Imām Al-Ghazâlî Zawiya). Volgens Ibn Asakir verbleef Imām Al-Ghazâlî bijna tien jaar in Damascus.
Al-Zahabi vertelt dat Imām Al-Ghazâlî een keer naar de Madrasa al-Aminiya in Damascus ging, waar hij toevallig de leraar hoorde zeggen: "Imām Al-Ghazâlî heeft het gezegd." Omdat Imām Al-Ghazâlî bang was voor arrogantie, verliet hij Damascus. Na zijn vertrek uit Damascus begon hij zijn geboorteland te bereizen. Hij ging naar Egypte en vervolgens naar Alexandrië. Na een tijdje besloot hij de rechtvaardige sultan van Maghrab, Yusuf b. Tashfin, te bezoeken. Echter, op dat moment bereikte het nieuws van de sultan's dood Egypte.
Imām Al-Ghazâlî bleef zijn reizen voortzetten en bezocht verschillende heiligdommen, moskeeën en grafmonumenten. Om zijn nafs (ego, ziel) te zuiveren en te disciplineren, doorstond hij veel ontberingen en verbleef soms in de woestijn en verlaten plekken. Hij toonde geduld in het dragen van de zware last van de aanbiddingen en werkte aan de discipline van zijn nafs.
Hij ging door met zijn spirituele werk totdat hij het hoogste niveau bereikte, het niveau waarop hij een gids werd die mensen naar de tevredenheid van Allāh en het centrum van het geloof leidde. Nadat hij de hadj had verricht, keerde hij terug naar Bagdad, waar hij begon met het geven van preken en advies. Hij sprak in de taal van de ware gelovigen. Het was tijdens deze periode dat hij zijn beroemde werk Ihya' 'Ulûm al-Dîn voltooide.
De prediker van Nishapur, Abdulghaffar b. Ismail al-Farisi, beschreef na het praten over de uitmuntende kwaliteiten van Imām Al-Ghazâlî het volgende:
"Imām Al-Ghazâlî verliet de tijdelijke geneugten van de wereld en wijdde zich aan ascese (zuhd) en vroomheid (taqwa). Terwijl hij op weg was naar de hadj, stopte hij in Damascus, waar hij bijna tien jaar verbleef. Gedurende zijn verblijf daar reisde hij rond en bracht bezoeken."
Imām Al-Ghazâlî schreef werken zoals Ihya' 'Ulûm al-Dîn (Het Herleven van de Godsdienst Wetenschappen )– een ongekend werk – en kleinere boeken zoals el-Arbaîn.
Het is zinloos om te spreken over Al-Ghazâlî's wetenschappelijke waarde voor degenen die zijn werken bestuderen, want zijn intellectuele waarde is buitengewoon.
Hij wijdde zijn tijd volledig aan het zuiveren van zijn ziel, het verbeteren van zijn karakter en het nastreven van het geluk in zowel deze wereld als het hiernamaals. Hij riep de mensen op om zich te richten op het hiernamaals en het aanbidden van de wereld te verwerpen. Hij moedigde aan om de reis naar het hiernamaals voor te bereiden en respect te tonen voor de gidsen op deze weg. Nadat hij deze kennis volledig had verworven, keerde hij terug naar zijn geboorteland en trok zich terug in zijn huis, waar hij zich in diepe gedachten verdiepte. Hij besteedde zijn tijd aan aanbidding en bleef in deze toestand gedurende een bepaalde periode. Gedurende deze tijd schreef hij vele boeken. Toch was er geen enkele schrijver die de weg van Imām Al-Ghazâlî durfde te bekritiseren, en niemand durfde zich tegen zijn richting uit te spreken.
Toen de zoon van de grote vizier Nizam al-Mulk, Fahr al-Mulk, tot vizier werd benoemd, verliet Imām Al-Ghazâlî zijn afzondering niet. Gedurende de regering van deze grote vizier werden de gebieden van Khurasan het meest vooruitstrevende gebied ter wereld. Fahr al-Mulk hoorde over de deugd, de wetenschappelijke status, de zuivere geloofsovertuiging en de onberispelijke levensstijl van Al-Ghazâlî. Daarom ging de vizier naar Imām Al-Ghazâlî en, nadat hij zijn preken en adviezen had beluisterd, zei hij tegen hem: "Je kennis, deugd en advies moeten door iedereen benut worden. Daarom moet je uit je afzondering komen en beginnen met het geven van onderwijs en advies aan iedereen." Imām Al-Ghazâlî antwoordde positief en ging meteen naar Nishapur, waar hij weer begon met lesgeven in de madrasa Maymunat-un-Nizamiya.Imām Al-Ghazâlî begon opnieuw met lesgeven omdat hij zich niet kon onttrekken aan de regeringsfunctionarissen. Hij deed dit met de bedoeling dat de studenten zouden profiteren van zijn lessen. Hij dacht er nooit aan om terug te keren naar het luxueuze leven dat hij voorheen had geleid.
Hij vermeed altijd met klem de eer en hoge posities. Er werden veel meldingen tegen hem gemaakt, maar hij negeerde ze volledig en gaf er geen aandacht aan. Hij deed geen moeite om te reageren op degenen die hem bekritiseerden. Ik heb hem herhaaldelijk bezocht en ik zag in hem geen spoor van de vroegere hardheid of trots. Vroeger was hij, met zijn uitgebreide kennis, zijn hoge reputatie onder het volk, zijn aanbidding en zijn status, zo trots dat hij iedereen die hem benaderde met minachting aankeek. Maar had ik de tegenovergestelde persoon ontmoet...
Trots en arrogantie waren vervangen door verheven moraal en pure, heldere deugden. Ik dacht dat hij zich in een misleidend gewaad had gehuld, maar na diepgaand onderzoek en inspectie kwam ik tot de overtuiging dat dit geen uiterlijk vertoon was. Ik begreep dat hij volledig ontwaakt was en na diepgaande studie in de wetenschappen, door de gave die Allāh de Verhevene hem had geschonken, zich had gewijd aan het verkrijgen van kennis van de wijsheden.
Hij voltooide met succes de studie van vreemde wetenschappen, die buiten de leer van de omgangsvormen stonden. Met het oog op zijn uiteindelijke doel zocht hij naar wegen die hem in het hiernamaals gelukkig zouden maken. Door de gesprekken met Farmedî wilde hij dat de weg voor hem zou worden geopend. Hij volbracht nauwgezet de vrijwillige gebeden, de dhikr (herinneringen aan Allāh) en de aanbevolen handelingen die zijn spirituele gids hem had aangeraden. Hij hechtte veel belang aan dhikr en reflectie. Voor hem was het een kwestie van snelheid om de overgangen te maken die nodig zijn voor een spirituele zoeker.
Daarna verdiepte hij zich in verschillende takken van wetenschap en deed grondige studies van boeken met diepgaande betekenissen. Als resultaat van dit werk werden de deuren van deze kennis voor hem wijd opengezet. Een tijdje was hij bezig met het vergelijken van bewijsstukken en werkte hij hard om de kwesties grondig op te lossen. Later begon er een toestand van angst in hem te verschijnen die hem van alles afleidde en hem verder van alles dan Allāh weghield. Daardoor werd het voor hem heel gemakkelijk om zich los te maken van de wereldse zaken.
Imām Al-Ghazâlî doorliep deze stadia van zelfdiscipline en voltooide alle fasen van de opleiding van zijn ziel. De waarheden begonnen voor hem in al hun helderheid zichtbaar te worden. Volgens onze mening had hij op dat moment terecht de uiteindelijke gelukzaligheid bereikt.
Toen we hem vroegen hoe hij de uitnodiging van vizier Fahr al-Mulk om naar Nishapur te komen had geaccepteerd, antwoordde hij: "Ik achtte het godsdienstig niet juist om terug te blijven in de oproep tot de Islām en niet nuttig te zijn voor degenen die kennis zochten. Omdat ik geloofde dat het tijd was om de waarheid te verkondigen, accepteerde ik de uitnodiging van de vizier. Daarom ben ik niet in strijd met deze uitnodiging."
Later verliet hij de functie van hoofd van de Nishapur Madrasa en trok zich weer terug in zijn huis. Maar dit keer was zijn terugtrekking anders dan de vorige keren. Direct naast zijn huis liet hij een madrasa voor de studenten en een takka voor de soefi's bouwen. Hij wijdde een deel van zijn tijd aan het onderwijzen van de Qur’ān, een ander deel aan het gezelschap van de mensen van het hart (ahl-i kalb), en een ander deel aan de lessen van zijn studenten. Geen enkele tijd ging verloren, noch voor hemzelf, noch voor degenen om hem heen. In zijn bijeenkomsten werd er niets anders dan kennis besproken.”
Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn
Zowel de titel als de korte inleiding tonen aan dat Imām al-Ghazali Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn heeft geschreven als een hervormingsproject voor de Islāmitische gemeenschap. In zowel oude als moderne wetenschappelijke kringen wordt algemeen aangenomen dat Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn met deze intentie is geschreven. In de inleiding klaagt de auteur dat de geleerden, die de leiders op het pad naar het hiernamaals zouden moeten zijn, zich hebben laten misleiden door de duivel en slechts uiterlijk vertoon nastreven. Hij hekelt hoe zij het concept van kennis hebben verdraaid door deze te beperken tot fatwa's die zijn afgestemd op de wensen van politici, inhoudsloze theologische discussies of bombastische preken van predikers die alleen maar bedoeld zijn om de gewone mensen te beïnvloeden. Hij stelt dat ware kennis en het pad naar het hiernamaals, zoals gevolgd door de vrome voorgangers (as-salaf as-salih), in vergetelheid zijn geraakt. Daarom achtte hij het noodzakelijk om een boek te schrijven dat hij Iḥyāʾ ʿUlūm ad-Dīn (afgekort Iḥyāʾ ) noemde (Het Herleven van de Godsdienst Wetenschappen). Bij nadere beschouwing wordt duidelijk dat het werk een analyse biedt van de godsdienst, morele en culturele corruptie waarin moslims zijn terechtgekomen, evenals de sociale en politieke weerspiegelingen hiervan.
Volgens klassieke bronnen schreef Imām al-Ghazali Iḥyāʾ tijdens zijn periode van afzondering (1095-1105). Zelf vermeldt hij, zonder een specifieke datum te noemen, dat dit werk behoort tot de boeken die hij in deze periode schreef (al-Mustaṣfā,). Geleerden schatten dat het boek is geschreven tussen de jaren 488-495 (1095-1101).
Het werk bestaat uit vier delen, waarvan elk deel tien onderwerpen behandelt die worden aangeduid met de titel kitāb. Het eerste deel, getiteld Rubʿ al-ʿIbādāt (Het Kwart van de Aanbiddingen), behandelt onderwerpen als kennis, geloofsleer, reinheid, gebed, zakāt, vasten, hadj, recitatie van de Qur’ān, het gedenken van Allāh, smeekbeden, dagelijkse litanieën (adhkaar) en de waken tijdens de nachten. Het unieke kenmerk van dit deel is dat, naast informatie over de uiterlijke aspecten en rituelen van de aanbiddingen, er ook aandacht wordt besteed aan de spirituele voorwaarden zoals oprechtheid en nederigheid, die Imām al-Ghazali beschrijft als "de handelingen van het hart." Hierdoor heeft Iḥyāʾ een bijzondere plaats in de Islāmitische cultuurgeschiedenis, met name op het gebied van de psychologie van aanbidding.
Het tweede deel, getiteld Rubʿ al-ʿĀdāt (Het Kwart van de Gewoonten), behandelt thema's zoals eeten drinkgewoonten, huwelijk, economisch leven, wat toegestaan (halal) en verboden (haram) is, broederschap, sociale omgang, afzondering, spirituele extase (samāʿ), het aansporen tot het goede en het ontmoedigen van het slechte (amr bi’l-maʿrūf wa nahy ʿani’l-munkar), en de morele eigenschappen van an-Nabie صلى الله عليه وسلم. In dit deel probeert Imām al-Ghazali een theoretische basis te leggen voor een Islāmitisch model van gezin, samenleving, economie en staat, en hij slaagt daar grotendeels in. Dit model benadrukt individuen die een sterke godsdienst en morele kennis, bewustzijn, gevoeligheid en verantwoordelijkheidsgevoel hebben. Een samenleving opgebouwd uit dergelijke individuen zal niet alleen een mooie wereld kennen, maar ook een voorbereiding vormen op het geluk in het hiernamaals.
Het derde deel, Rubʿ al-Muhlikaat (Het Kwart van de Vernietigende Eigenschappen), richt zich op de spirituele en morele dimensies van de mens. Het bespreekt onderwerpen zoals het temmen van de ziel/ego (nafs), het beheersen van eetlust en seksuele verlangens, de gevaren van de tong, woede, haat, jaloezie, wereldse gehechtheid, gierigheid, ambitie, hypocrisie, arrogantie en zelfgenoegzaamheid. Imām al-Ghazali gebruikt hiervoor uitgebreid de literatuur van moraalfilosofie en soefisme, maar overtreft zijn voorgangers met scherpe psychologische en pedagogische analyses. Hij beschrijft de psychologische en sociale oorzaken van deze morele ziekten en wijst op manieren om deze te genezen. Hiermee stimuleert hij lezers van alle niveaus tot zelfreflectie en het ontwikkelen van moreel bewustzijn en wilskracht.
In het hoofdstuk Dham al-Jāh wa’r-Riyāʾ (De Afkeur van Ambitie en Hypocrisie) biedt hij een antropologisch relevante analyse van de psychologische wortels van statusverlangen.
Het vierde en laatste deel, Rubʿ al-Munjiyāt (Het Kwart van de Ridderlijke Eigenschappen), behandelt onderwerpen zoals berouw, geduld en dankbaarheid, vrees en hoop, armoede en ascese, eenheid en vertrouwen in Allāh, liefde, verlangen, tevredenheid, oprechtheid, zelfbewustzijn, reflectie, en het leven na de dood. Deze onderwerpen worden niet alleen op een soefistische en ethische manier besproken, maar bevatten ook diepgaande intellectuele en filosofische analyses. Zo behandelt Imām al-Ghazali bijvoorbeeld in de secties over berouw, geduld en vertrouwen het probleem van wilskracht en vrijheid, waarbij hij zijn filosofische, theologische en mystieke kennis samenbrengt.
Voor het eerst in de Islāmitische geschiedenis behandelt Imām al-Ghazali in het vierde deel van Iḥyāʾ de esthetische filosofie en biedt hij briljante analyses van schoonheid en harmonie als bewijs voor het bestaan van Allāh.
De hoofdsecties van Iḥyâʾ ʿUlûmi’d-Dîn en waar nodig de subsecties beginnen doorgaans met een opsomming van relevante verzen uit de Qur’ān en ahadith, meestal zonder toelichting. Vervolgens worden uitspraken vermeld van de Hulefâ ar-Râshidien en bekende metgezellen en tabi’ien die bekendstaan om hun ascese en godsvrucht.Daarnaast citeert het werk ook vroege soefi’s zoals Junayd al-Baghdâdî, Dhû’n-Nûn al-Misrî, Bâyezîd al-Bistâmî, Fudayl ibn ʿIyâdh en Yahyâ ibn Muʿâdh.
Wat betreft soefistische onderwerpen zijn de werken van soefi-auteurs zoals ʿAbdullah ibn al-Mubârak, Hâris al-Muhâsibî, Abû Tâlib al-Makkî en ʿAbd al-Karîm al-Qushayrî de belangrijkste bronnen van Iḥyâʾ.
In overeenstemming met de belofte in de inleiding om zich zowel op overgeleverde als rationele argumenten te baseren, worden in vrijwel elk hoofdstuk na de overleveringen over het onderwerp verklaringen gegeven onder de titel “Bayân ḥaqîqat ...”. Hierin geeft Imām Al-Ghazâlî diepgaande uitleg, analyses en observaties over de essentie en aard van het onderwerp. Deze besprekingen, die zijn intellectuele en filosofische rijkdom en genialiteit weerspiegelen, hebben Iḥyâʾ onderscheiden van eerdere literatuur op het gebied van soefisme, ethiek en filosofie.
ZESDE BOEK VAN RUB`U’L-İBÂDÂT UIT IHYĀ`U `ULÛMIDDĪN: KITÂBU ASRÂRI’S-SAWM (De geheimen van de vasten)
1. De zichtbare verplichtingen (zâhir al-farâ’id) en sunnah van de vasten, en de regels bij het ongeldig worden van de vasten
2. De geheimen van de vasten (asrâr as-sawm) en de innerlijke voorwaarden (ash-shurût al-bâtiniyyah)
3. Nafl-vasten en de rangorde ervan
Inleiding
Alle lof komt alleen Allah toe, Die Zijn gunst voor Zijn dienaren heeft vermeerderd door de verlangens van de shayṭān af te wijzen, hem te teleurstellen wanneer hij hoopt, en zich te beschermen tegen zijn listen en sluwe plannen, heeft Hij de gelovige dienaren de grootste beloning en goedheid geschonken. Door de vasten (ṣāwm) tot een vesting en een schild voor Zijn geliefden te maken. Allah is het Die, ter wille van de vasten, voor Zijn geliefden de poorten van het Paradijs heeft geopend.Hij heeft hun duidelijk gemaakt dat de satan de mens slechts benadert via de verborgen begeerten die zich in de harten bevinden. En Hij heeft hun ook laten weten dat de ziel die, door het uitbannen van begeerten, tot innerlijke rust (itmīnān) komt, beschikt over een overweldigende kracht en onoverwinnelijke macht om de ruggengraat van haar vijand te breken.Moge ṣalāh en salām zijn voor an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), de grondlegger van de Sunnah en de gids van de mensheid, en voor zijn met voortreffelijk verstand en scherpe inzichten begiftigde metgezellen (رضي الله عنهم). O onze Rab, maak hen voor altijd veilig en geborgen.
“De vasten is de helft van het geduld.” (Ibn Mājah, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)“Geduld (ṣabr )is de helft van het geloof.” (Abū Nuʿaym, al-Ḥilyah; al-Khaṭīb, at-Tārīkh, van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) met een ḥasan overleveringsketen)
Met deze overleveringen is het duidelijk dat de vasten een kwart van het geloof (īmān) vormt. Bovendien onderscheidt de vasten zich, doordat het rechtstreeks aan Allah wordt toegeschreven, in voortreffelijkheid van de andere islamitische zuilen. Allahu Ta`ālā verhaalt namelijk via an-Nabie Muḥammad al-Muṣṭafā (صلى الله عليه وسلم) in een ḥadīth qudsī: “Elke goede daad wordt tienvoudig beloond, tot zelfs zevenhonderd maal.
Behalve de vasten; dat is voor Mij, en Ik ben Degene Die daarvoor de beloning aan Mijn dienaar zal schenken.” (Bukhārī en Muslim, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)Allahu Ta`ālā (جل جلاله) zegt ook in de Qurʾān:قُلۡ يَٰعِبَادِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ لِلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ فِي هَٰذِهِ ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٞۗ وَأَرۡضُ ٱللَّهِ وَٰسِعَةٌۗ إِنَّمَا يُوَفَّى ٱلصَّٰبِرُونَ أَجۡرَهُم بِغَيۡرِ حِسَابٖ ١٠
Zeg: “O mijn dienaren die geloven, vrees jullie Heer. Voor degenen die het goede doen in deze wereld is er goedheid, en de aarde van Allah is uitgestrekt. Slechts degenen die geduldig zijn (tijdens de vasten, in gehoorzaamheid aan Allah en Zijn beproevingen), zullen hun beloning volledig ontvangen zonder berekening (in maten of eenheden.” (az-Zumar 39:10)
De vasten is dus de helft van het geduld (ṣabr), en zijn beloning overstijgt elke vorm van vastgestelde maat en berekening. Wat betreft het kennen van de voortreffelijkheid van de vasten, volstaat naar mijn mening de volgende overlevering van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de ḥadīth qudsī:“Bij Allah, Die mijn ziel in Zijn Hand houdt, zweer ik dat de adem van degene die vast ((ṣāʾim), bij Allah aangenamer is dan de geur van musk”. (Bukhârî en Muslim)Zoals Allahu Ta`ālā (in de ḥadīth qudsī ) zegt:“Mijn dienaar onthoudt zich van zijn begeerte, zijn voedsel en zijn drank omwille van Mijn. Daarom is de vasten voor Mij, en Ik zal de beloning daarvoor aan hem geven.” (Bukhārī en Muslim, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)
“Er is een poort in het Paradijs genaamd Rayyān, waar alleen degenen die vasten (ṣāʾimûn) doorheen zullen gaan”. (Bukhārī en Muslim, van Sahl b. Saʿd (رضي الله عنه)
Degene die vast (ṣāʾim), is beloofd dat hij als beloning voor zijn vasten de genade van Allah zal ervaren.
“De vasten brengt twee soorten vreugde met zich mee:a) de vreugde bij het verbreken van de vasten (iftār),b) de vreugde bij het ontmoeten van Allah. (Bukhārī en Muslim, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)
“Alles heeft een poort, en de poort tot aanbidding is de vasten”. (Ibn Mūbārek, Zuhd, van Abū Dardā’ (رضي الله عنه) met een zwakke keten)
“Zelfs de slaap van degene die vast (ṣāʾim) is een daad van aanbidding”. (Ibn Manbah (of Munabbih), van Ibn Mughirah (رضي الله عنه)
Volgens overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Wanneer de gezegende maand Ramaḍān aanbreekt, worden de poorten van het Paradijs geopend en de poorten van de Hel gesloten. De shayāṭīn worden gebonden, en een omroeper roept: ‘O jullie die het goede zoeken, kom! O jullie die het kwade zoeken, laat af!” (Tirmizī, Ibn Mājah en Ḥākim, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه); Tirmizī noemt het een gharīb overlevering).
Over de interpretatie van de Qurʾānvers:
كُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ هَنِيٓـَٔۢا بِمَآ أَسۡلَفۡتُمۡ فِي ٱلۡأَيَّامِ ٱلۡخَالِيَةِ ٢٤
(Er wordt gezegd:) “Eet en drink smakelijk wegens wat jullie hebben verricht in de vroegere dagen.” (al-Ḥāqqah 69: 24)
Vermeldt al-Wakīʿ: met ’ vroegere dagen’ worden de dagen van de vasten bedoeld, omdat de moslims zich op die dagen onthouden van eten en drinken.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) stelde de vasten gelijk aan wereldlijke ascese (zuhd) op het hoogste niveau en zei:“Waarlijk, Allahu Ta`ālā prijst een aanbiddende jongeman (`ābid) tegenover Zijn engelen en zegt: ‘O jongeman die zijn begeerte voor Mij heeft opgegeven! O jongeman die zijn jeugd aan Mij heeft gewijd! Jij bent bij Mij zoals sommige van Mijn engelen.” (Ibn ʿAdī, van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه) met een zwakke keten)
Verder verhaalt an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dat Allahu Ta`ālā (in de ḥadīth qudsī ) over degene die vast (ṣāʾim) zegt:“O Mijn engelen! Let op Mijn dienaar! Hij heeft zijn begeerte, zijn genot, zijn eten en drinken voor Mijn wil opgegeven.” (Imam Iraqī merkt op dat hij zo’n overlevering niet is tegengekomen in de literatuur; imam Zabidi vermeldt dat Talhah dit van Ibn Saniyyah heeft overgeleverd).
In de uitleg van het vers:فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧
Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (as-Sajdah 32:17)
wordt gezegd dat deze plezier als beloning voor hun vasten bedoeld is. Want Allahu Ta`ālā zegt elders:
قُلۡ يَٰعِبَادِ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ رَبَّكُمۡۚ لِلَّذِينَ أَحۡسَنُواْ فِي هَٰذِهِ ٱلدُّنۡيَا حَسَنَةٞۗ وَأَرۡضُ ٱللَّهِ وَٰسِعَةٌۗ إِنَّمَا يُوَفَّى ٱلصَّٰبِرُونَ أَجۡرَهُم بِغَيۡرِ حِسَابٖ ١٠
Zeg: “O mijn dienaren die geloven, vrees jullie Heer. Voor degenen die het goede doen in deze wereld is er goedheid, en de aarde van Allah is uitgestrekt. Slechts degenen die geduldig zijn (tijdens de vasten, in gehoorzaamheid aan Allah en Zijn beproevingen), zullen hun beloning volledig ontvangen zonder berekening (in maten of eenheden.” (az-Zumar 39:10)
Hieruit blijkt dat de beloning voor degene die vast (ṣāʾim) niet in getallen wordt uitgedrukt, maar overvloedig en in stortvloeden wordt gegeven. Dit is passend, omdat de daad van vasten uitsluitend voor Allah wordt verricht en haar voortreffelijkheid daaruit voortkomt. Hoewel alle aanbidding voor Allah is, heeft de vasten een bijzondere status. Zo heeft Allah bijvoorbeeld het Huis (Bayt – de Kaʿbah) verheerlijkt door het aan Zichzelf toe te schrijven, terwijl niet alleen het Huis, maar het hele universum tot Allah behoort. Hoewel alle daden van aanbidding aan Hem toebehoren, heeft de vasten een bijzondere waardigheid doordat het uitsluitend aan Zijn Wezen wordt toegeschreven en Hij zegt: “Het vasten is voor Mij.”Hiervan zijn er twee redenen:
A) De vasten (ṣawm) houdt in dat de ziel (nafs) wordt weerhouden van eten, drinken en begeerten, en zich hiervan onthoudt.. Dit is in wezen een innerlijk en verborgen handeling; het is niet iets wat anderen zien. Daarentegen zijn andere vormen van aanbidding zichtbaar voor iedereen..
De vasten wordt alleen door Allah gekend, omdat het een innerlijke daad is, verricht met puur geduld (ṣabr).
B) De vasten is tevens een middel om de vijand van Allah te overwinnen. De satan gebruikt de begeerten van de mens als zijn middel om hem te misleiden, en deze begeerten worden slechts versterkt door eten en drinken. Daarom zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Voorwaar, de satan beweegt zich door de mens heen zoals het bloed door de aderen stroomt. Versmal daarom, door honger, de wegen waarlangs de satan beweegt.” (Bukhārī en Muslim, van Safiyyah (رضي الله عنها)
Op basis van dit principe zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) tegen onze moeder ʿĀ’ishah (رضي الله عنها):
“Blijf kloppen op de poort van het Paradijs.”“Met wat?”“Met honger (sawm)…” (Imām Iraqī merkt op dat de bron van deze hadith niet bekend is)Verder zal in het hoofdstuk Rub’ul al-Muhallikāt, onder het deel “Overvloedig eten en diens Medicijn” (al-ʿUbr wa al-Ilāj), de voortreffelijkheid van honger nader worden uitgelegd.
Omdat de vasten specifiek is bedoeld om de listen van de satan te vernietigen, zijn zijn wegen te blokkeren en zijn stroom te beperken, heeft de vasten de bijzondere eigenschap gekregen om rechtstreeks aan Allah te worden toegeschreven. Wie Allahs vijanden helpt vernietigen, helpt de godsdienst van Allah, en wie de godsdienst van Allah ondersteunt, ontvangt de hulp van Allah. Zoals Allahu Ta`ālā zegt:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِن تَنصُرُواْ ٱللَّهَ يَنصُرۡكُمۡ وَيُثَبِّتۡ أَقۡدَامَكُمۡ ٧
O, jullie die geloven! Als jullie hulp bieden (voor de zaak van) Allah, dan zal Hij jullie helpen en jullie voeten stevig plaatsen. (Muhammad 47:7)
Daarom moet de dienaar zijn uiterste inspanning leveren, terwijl het aan Allahu Ta`ālā toekomt om hem te leiden en te belonen.
وَٱلَّذِينَ جَٰهَدُواْ فِينَا لَنَهۡدِيَنَّهُمۡ سُبُلَنَاۚ وَإِنَّ ٱللَّهَ لَمَعَ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٦٩
En wat betreft degenen die hard voor Ons streven, Wij zullen hen zeker naar Onze Paden leiden. En waarlijk, Allah is zeker met de weldoeners.”(al-ʿAnkabūt 29:69)
لَهُۥ مُعَقِّبَٰتٞ مِّنۢ بَيۡنِ يَدَيۡهِ وَمِنۡ خَلۡفِهِۦ يَحۡفَظُونَهُۥ مِنۡ أَمۡرِ ٱللَّهِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُغَيِّرُ مَا بِقَوۡمٍ حَتَّىٰ يُغَيِّرُواْ مَا بِأَنفُسِهِمۡۗ وَإِذَآ أَرَادَ ٱللَّهُ بِقَوۡمٖ سُوٓءٗا فَلَا مَرَدَّ لَهُۥۚ وَمَا لَهُم مِّن دُونِهِۦ مِن وَالٍ ١١
Voor ieder zijn er Engelen in opvolging, voor hem en achter hem. Zij waken over hem op het Bevel van Allah. Waarlijk! Allah zal de goede omstandigheden van de mensen niet veranderen totdat zij hun eigen toestand veranderen. Maar als Allah een bestraffing voor de mensen wil, dan kan dat niet afgewend worden, en naast Hem zullen zij geen Beschermer vinden. ar-Raʿd 13:11)
Met ‘yughayyir” (veranderen) wordt bedoeld dat de begeerten toenemen. Deze begeerten zijn de weiden (bedoeld wordt: valstrikken) van de shayāṭīn; zolang er een weide (valstrik) is, ontbreken de shayāṭīn daar nooit. Zolang de shayāṭīn aanwezig zijn, zal Allahs majesteit zich niet aan de dienaar tonen, en blijft de dienaar ver verwijderd van de omgang met Allah.
Let op wat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hierover zegt:“Als de shayāṭīn de harten van de kinderen van Ādam niet voortdurend zouden doorkruisen, zouden de kinderen van Ādam zeker de werelden van de hemelen hebben aanschouwd en kennis hebben gekregen van het onbekende .” (Imām Aḥmad, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) of een soortgelijke overlevering)
Om deze reden is de vasten zowel de poort van aanbidding als een schild voor de mens geworden. Omdat de voortreffelijkheid van de vasten zo groot is, is het noodzakelijk zowel de uiterlijke als innerlijke voorwaarden (shurût) en pijlers (arkān) ervan te benoemen en uit te leggen. Wij zullen deze aspecten in drie hoofdstukken bespreken.
EERSTE HOOFDSTUK: De uiterlijke verplichtingen en sunnah van de vasten, en de noodzakelijke regels bij het verbreken van de vasten
De uiterlijke (zāhirī) verplichtingen (wājibāt mv van wājib) van de vasten (en afwachten) zijn zes:
1. Het waarnemen (en afwachten) van het begin van de maand RamaḍānDeze verplichting wordt vervuld door het zien van de nieuwe maan (hilāl). Als de lucht bewolkt is, wordt de maand Shabān op dertig dagen voltooid. Het doel van het waarnemen van de maan is kennis van het begin van de maand; dit kan ook worden vastgesteld op basis van het getuigenis van een rechtvaardig persoon.
Voor de maan van Shawwāl geldt, uit voorzorg bij aanbidding, dat het getuigenis van twee rechtvaardige personen nodig is.
Als iemand van van één rechtvaardig persoon hoort dat de sikkel van Ramadān is verschenen, en ervan overtuigd raakt dat degene die dit zegt voor 51% de waarheid spreekt, moet, zelfs als de qāḍī (rechter) niet op het woord van deze rechtvaardige persoon vertrouwt, dient deze persoon toch het ṣawm (vasten) aanvangen. Daarom moet elke dienaar in zijn aanbidding zijn oordeel baseren op de aannemelijkheid (ẓann).
Als de maan in de ene plaats wordt gezien maar niet in een andere, en de afstand tussen deze plaatsen is minder dan twee kūnaks (10–20 km), dan wordt de vasten verplicht voor alle moslims in beide plaatsen. Maar als de afstand groter is dan twee kūnaks, dan geldt het oordeel van elke plaats afzonderlijk: wat in de ene plaats verplicht is (vanwege het zien van de hilāl), is in de andere niet verplicht als daar de hilāl niet is gezien.
2. De intentie (niyyah)Voor elke dag van de vasten is een intentie nodig, die ’s nachts voorafgaand aan de vastendag wordt gemaakt. Het volstaat niet om één keer voor de hele maand Ramaḍān de intentie te nemen. Daarom zeggen wij: “Voor elke nacht moet de intentie opnieuw worden genomen.”
Als iemand overdag niét de intentie heeft uitgesproken voor de Ramadān-vasten of andere farḍ-vasten, is dat niet voldoende. Bij nafl (vrijwillig)-vasten echter, is zo’n intentie overdag wél geldig. Dit is wat bedoeld wordt met de uitspraak: “Men moet ‘s nachts de intentie nemen.”
Als men zich alleen op de vasten of op farḍ-vasten richt zonder de specifieke intentie voor de farḍ van de Ramadān, is dat niet genoeg. Met andere woorden: men moet expliciet de intentie nemen voor de farḍ-vasten van de Ramadān voordat het geldig is.
Als iemand op de vooravond van de nieuwe maan (de dertigste nacht van Shabān), twijfelt of het wel de eerst Ramadān nacht is, en zegt: “Ik heb de intentie genomen om morgen de vasten van Ramaḍān te verrichten”, is dit niet voldoende.
Zo’n intentie is niet definitief. Tenzij deze intentie is gebaseerd op het getuigenis van een rechtvaardig persoon; in dat geval wordt de intentie als zeker beschouwd. Het mogelijke falen of liegen van de rechtvaardige getuige doet niets af aan de zekerheid van deze intentie.
Evenzo geldt dat een intentie gebaseerd op eerdere ervaringen, zoals twijfel op de laatste nacht van Shabān, haar zekerheid niet verliest. Zelfs een persoon die in gevangenschap is en zijn intentie maakt op basis van ijtihād (persoonlijk juridisch oordeel), verliest zijn intentie niet door twijfel. Bijvoorbeeld: als iemand op basis van een aannemelijk vermoeden (zan) ijtihād verricht dat de maand Ramaḍān is aangebroken, maakt twijfel dit niet ongedaan.
Voor iemand die twijfelt of de nieuwe maan al is verschenen, helpt het niet als hij alleen verbaal een zekere intentie uitspreekt; de intentie bevindt zich in het hart. Zolang er twijfel in het hart is, kan de intentie niet als zeker worden beschouwd. Bijvoorbeeld: midden in de maand Ramaḍān kan iemand zeggen: “Als morgen de maand Ramaḍān is, zal ik vasten.” Dit verbaal uitspreken van twijfel schaadt de vasten niet, omdat de twijfel alleen op het niveau van de taal is. In het hart moet de persoon echter zeker geloven dat morgen daadwerkelijk de maand Ramaḍān is.
Wie ’s nachts zijn intentie neemt en daarna iets eet, verliest zijn intentie niet en hoeft deze niet opnieuw te nemen. Als een vrouw tijdens de menstruatie (ḥayḍ) haar intentie neemt en vóór het ochtendgloren (fajr) weer rein wordt, is haar vasten geldig op basis van die intentie.
3. Terwijl men zich bewust is van de vasten, zich opzettelijk onthoudt van het inbrengen van enige substantie in het lichaam.
De vasten wordt ongeldig door het eten, drinken, of het binnendringen van iets via de neus of via voorof het achterkant van het lichaam.Handelingen die de vasten niet verbreken zijn onder andere: het afnemen van bloed uit aderen, ḥajamāt, het aanbrengen van kohl (oogmake-up), of iets in het oor of de urinebuis brengen.
Alleen als er een vloeistof wordt ingebracht die tot in de blaas komt, wordt de vasten ongeldig.Onopzettelijk, bijvoorbeeld door stof op de weg of een vlieg die via mond of neus in de maag terechtkomt, of bij het per ongeluk doorslikken van water tijdens het mondspoelen, wordt de vasten niet ongeldig. Echter, als iemand opzettelijk overmatig mond spoelt en het water in de keel terechtkomt, wordt de vasten ongeldig vanwege opzet.
Omdat er sprake is van eigen nalatigheid. Dat is wat wij bedoelen met het woord “opzettelijk”, dat wil zeggen: bewust handelen. Met de uitdrukking “terwijl hij zich de vasten herinnert” bedoelen wij dat degenen die vergeten dat zij vasten, hiervan worden uitgezonderd. Want voor wie vergeten is dat hij vast, geldt geen gevolg wanneer hij eet of drinkt.Als iemand tijdens het imsâk-moment of in de avond denkt dat het nog nacht is — dus meent dat het al avond is geworden of dat er bij de sahūr nog tijd is en de ochtend nog niet is aangebroken — en eet, en daarna met zekerheid vaststelt dat het al dag was, dan moet hij die dag inhalen (qaḍāʾ). Is hij echter onzeker, dan is er niets vereist. Desondanks dient men tijdens de sahūr en bij het verbreken van de vasten voorzichtig te zijn en erop te letten dat men niet in de dagtijd eet.
[Volgens de Hanafî-madzhab wordt de vasten niet ongeldig als iemand per ongeluk eet of drinkt of seksuele omgang heeft, in tegenstelling tot de Shāfi’îmadzhab, waarvoor dat wél gevolgen heeft. Wanneer men zich bewust is van de vasten, maakt het niet uit of men een kleine of grote hoeveelheid water in de mond neemt; als het echter in de keel komt, wordt de vasten ongeldig. In dat geval is geen kaffārah vereist, slechts het inhalen (qaḍāʾ), omdat sprake is van onoplettendheid.
Stof, zand of een vlieg die van buiten het lichaam binnendringt, maakt de vasten niet ongeldig. Valt echter sneeuw of regen in de mond en wordt het doorgeslikt, dan wordt de vasten wel ongeldig.
Volgens de Hanafîmadzhab maakt olie die in het oor wordt gebracht de vasten ongeldig.
Olie of vloeistof die in de blaas wordt gebracht, of zelfs via een catheter in de voorkant, maakt de vasten echter niet ongeldig, omdat het de maag niet bereikt; er is immers geen directe weg vanaf de voorkant.]
4. Zich onthouden van seksuele gemeenschapDe grens van seksuele gemeenschap is het binnendringen van het geslachtsdeel, zelfs tot aan de plaats van de sunnah (glanspenis).
Als iemand per ongeluk gemeenschap heeft, wordt de vasten niet ongeldig.
Als iemand ’s nachts gemeenschap heeft of een natte droom (ihtilām) heeft en als ritueel onrein (junub) opstaat, blijft de vasten geldig.
Als iemand bij het ochtendgloren (fajr) gemeenschap heeft en het besef van het tijdstip krijgt, maar direct stopt, is de vasten die dag geldig.
Als iemand het besef van het ochtendgloren heeft, maar niet onmiddellijk stopt, wordt de vasten ongeldig en is ook een kaffārah (boetedoening) verplicht.
5. Zich onthouden van masturbatie (istimnā’)Masturbatie betekent opzettelijk het lozen van sperma, hetzij door gemeenschap of op andere wijze. Zo’n handeling verbreekt de vasten. (Alleen door gemeenschap (penetratie) wordt de vasten ongeldig en wordt kaffārah vereist.)
Samen slapen met de echtgenote of haar kussen, zonder dat sperma vrijkomt, verbreekt de vasten niet, hoewel het voor jongeren makrūh (afkeurenswaardig) is. Voor ouderen of mensen die hun begeerte beheersen, geldt geen afkeuring en is het toegestaan. Het vermijden blijft echter aanbevolen.
Wanneer iemand weet dat kussen kan leiden tot het vrijkomen van sperma en hij dit desondanks doet, waarna zijn sperma daadwerkelijk vrijkomt, wordt zijn vasten ongeldig vanwege zijn eigen fout, maar kaffārah is niet verplicht. (Volgens de Hanafî-mazhab blijft de vasten in dit geval geldig.)
6. Zich onthouden van brakenOpzettelijk braken verbreekt de vasten. Maar onvrijwillig braken verbreekt de vasten niet.Het slikken van slijm uit noodzaak verbreekt de vasten niet, omdat men zich hiertegen moeilijk kan weren en dit een algemeen probleem betreft.Indien het slijm echter in de mond komt en men het opnieuw doorslikt, wordt de vasten ongeldig.
[Volgens de Hanafî-mazhab raakt de vasten evenmin ongeldig wanneer men speeksel of slijm inslikt dat zich in de mond bevindt.]
De straffen bij het verbreken van de vasten
Qaḍā’ (inhaalvasten)
Kaffārah (boetedoening)
Fidya (voedselcompensatie)
Zich tot zonsondergang onthouden van zaken die de vasten verbreken, om op die manier op de vastenden te lijken.
1. Qaḍā’Elke mukallaf*- moslim die de vasten nalaat, met of zonder geldige reden, is verplicht het in te halen.
Een vrouw die ongesteld was moet de vasten inhalen zodra ze rein is.Wie de Islām verzaakt (en daarna terugkeert naar de Islām) moet de vasten inhalen.[Volgens de Hanafî-mazhab hoeft dat niet]Voor ongelovigen, kinderen en geestelijk gehandicaten geldt geen inhaalplicht.
Bij het inhalen van de vasten van Ramaḍān is er geen vaste volgorde van dagen verplicht; men mag achtereenvolgens vasten of met tussenpozen.[*mukallaf: een moslim die verstandig (aql) en de puberteit heeft bereikt (bulûgh) is verantwoordelijk en verplicht om de islamitische voorschriften na te leven.]
2. Kaffārah (boetedoening)
Kaffārah is alleen verplicht als de vasten wordt verbroken door seksuele gemeenschap (jima’).Voor andere handelingen die de vasten verbreken, zoals masturbatie (istimnā’), eten, drinken of andere overtredingen, is kaffārah niet verplicht.[Bij de Hanafî’s is seksuele onthouding (istimnāʾ) niet verplicht. Echter, wie opzettelijk eet of drinkt, moet kaffārah verrichten.]
Kaffārah bestaat uit het vrijlaten/vrijkopen van een slaaf.
Als een mukallaf daartoe niet in staat is, moet hij twee opeenvolgende maanden zonder onderbreking vasten.
Als ook dat niet mogelijk is, moet hij zestig arme mensen een mud* voedsel (tarwe, gerst en dadels) geven.
[mud: Er bestaan kleine verschillen tussen rechtsscholen, maar gemiddeld geldt:1 mud ≈ 0,75 liter; ≈ 500–550 gram (afhankelijk van het soort voedsel, bv. tarwe, rijst, dadels)]
3.
Het vasten dat ongeldig is geworden, betekent tot de zonsondergang niet eten/drinken om op de andere vastenden te lijken.
Voor degenen van wie de vasten ongeldig is geworden, is het verplicht, zowel voor degenen die opzettelijk als per ongeluk hun vasten hebben verbroken, om tot de zonsondergang niet te eten/drinken om de andere vastenden te evenaren en de rest van de dag te vasten blijven.[Volgens de Hanafî’s is het nog steeds beter om niet te eten, maar als men toch eet, is er niets verplicht om in te halen.]
Een ongestelde vrouw (ḥayḍ) die halverwege de dag rein wordt, is niet verplicht zich tot de zonsondergang te onthouden van zaken die de vasten verbreken.
Een reiziger die van een twee-kūnak-afstand terugkeert naar huis en niet vast, hoeft zich ook niet te onthouden van eten/drinken tot zonsondergang.
Wanneer op de vooravond van de nieuwe maan de nieuwe maan wordt bevestigd door het getuigenis van een rechtvaardig persoon, wordt het voor iedereen verplicht zich tot zonsondergang van handelingen die de vasten verbreken te onthouden.[Daarbij moet hij die dag ook afzonderlijk inhalen, omdat hij op die dag heeft gegeten.]
Voor een reiziger is het, indien hij fysiek in staat is, beter om te vasten dan te eten.
Als hij niet in staat is om te vasten, is eten beter.[Volgens de Hanafî-madzhab mag men eten nadat men de grenzen van de gemeente heeft overschreden.]
Als iemand op de dag van vertrek vast, mag hij de vasten niet verbreken.
Als iemand op de dag van terugkomst vast, mag hij de vasten eveneens niet verbreken.
4. Fidyah (voedselcompensatie)
Voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, die uit vrees voor de gezondheid van hun kind de vasten verbreken, is fidyah verplicht. Voor elke dag moet één mud graan aan een arme worden gegeven en de vastendag later worden ingehaald (qaḍā’).[Volgens de Hanafî-madzhab zijn zij alleen verplicht tot inhalen (qaḍāʾ); het geven van fidya is niet verplicht.]
Voor zeer oude mensen die fysiek niet in staat zijn om te vasten, is het voldoende elke dag één mud als fidyah te geven.
De Sunnah van de vasten
De sunnah-handelingen van de vasten zijn zes:
Het eten van het suḥūr zo laat mogelijk.
Het verbreken van de vasten (iftār) met dadels of water, vóór de avond-salāh en haastig.
Na de middagzon (zavāl) geen miswāk (tandenstokje) gebruiken.
Vrijgevig zijn tijdens de maand Ramaḍān, zoals vermeld in het boek over de zakāh.
Veelvuldig de Qur’ān reciteren.
Het verrichten van i`tikāf (spirituele afzondering in de moskee).
Het verrichten van itikāf in de laatste tien dagen van Ramaḍān is nog meer deugdzaam. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) volgde namelijk deze gewoonte:
Wanneer de laatste tien dagen van Ramaḍān aanbrak, vouwde hij zijn bed op, kleedde zich, en bereidde zich voor op intensievere aanbidding. Hij gebood hetzelfde aan zijn familie. (Bukhārī en Muslim, van Ā’isha (رضي الله عنها)
Dit betekent dat hij met zijn gezin intensief in aanbidding verdiepte, omdat in deze laatste tien dagen de Laylat al-Qadr kan zijn. Het is waarschijnlijkert deze nacht op één van de oneven nachten van de laatste tien dagen: 21, 23, 25 of 27, is.
Het achtereenvolgend verrichten van itikāf in deze tien dagen is beter dan het doen van de oneven nachten.
Als iemand de intentie neemt om de i`tikāf achtereenvolgend te verrichten, wordt deze onderbroken als hij zonder noodzaak naar buiten gaat; dan moet hij opnieuw beginnen.
Bijvoorbeeld: als iemand naar buiten gaat om een zieke te bezoeken, om getuigenis af te leggen, om deel te nemen aan het dodengebed, om een bezoek af te leggen, of om naar buiten te gaan om zijn wuḍūʾ te vernieuwen, dan wordt de continuïteit van de iʿtikāf onderbroken.Gaat hij echter naar buiten om zijn natuurlijke behoefte te doen, dan wordt deze continuïteit niet verbroken. Degene die in iʿtikāf is, mag naar zijn huis gaan om daar wuḍūʾ te verrichten. Hij mag zich echter niet met iets anders bezighouden terwijl hij naar wuḍūʾ gaat, want an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ging tijdens iʿtikāf alleen naar buiten voor noodzakelijke behoeften.
Hij informeerde tijdens het lopen naar de toestand van de zieke. (Bukhārī en Muslim (eerste deel, van Ā’isha (رضي الله عنها); Abu Dāwūd (tweede deel)Tijdens iʿtikāf seksuele gemeenschap hebben, verbreekt de opeenvolging van de iʿtikāf. Het kussen van zijn echtgenote doet dit echter niet. Degene die in iʿtikāf is, mag in de moskee zich wassen met geur, het huwelijk voltrekken, eten, slapen en zijn handen wassen in een bak; hiertegen is geen bezwaar. Want al deze handelingen zijn noodzakelijke gebeurtenissen voor degene die zijn iʿtikāf voortzet. Het naar buiten brengen van een deel van het lichaam terwijl men in iʿtikāf is, beïnvloedt de continuïteit van de iʿtikāf niet. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) liet zijn hoofd uitsteken terwijl Ā’ishah (رضي الله عنها) zijn haren waste en kamde. (Bukhārī en Muslim, van Ā’ishah (رضي الله عنها)
Als iemand itikāf verlaat voor een noodzaak, is het aan te raden om bij terugkomst opnieuw de intentie van i`tikāf te nemen, ook als hij bij de eerste intentie bijvoorbeeld tien dagen had gepland. Het vernieuwen van de intentie is altijd het meest aanbevolen.
[Volgens de Hanafî-madzhab mag iemand die i’tikāf verricht, om twee redenen naar buiten gaan: één natuurlijke (tabiʿî) en één wettelijke (sharʿî). Een wettelijke behoefte ontstaat bijvoorbeeld wanneer er in de moskee waar men i’tikāf doet geen ṣalāh op de vrijdag wordt verricht; in dat geval gaat men naar een andere moskee waar de vrijdagṣalāh wel wordt gehouden. Een natuurlijke behoefte verwijst naar de gebruikelijke lichamelijke behoeften (dafʿ al-tabiʿî). Voor deze redenen mag men de moskee verlaten. Daarnaast mag men ook in noodgevallen naar buiten, bijvoorbeeld wanneer de moskee instort; men keert echter terug zodra het probleem is verholpen.
Het verrichten van i’tikāf is te vergelijken met iemand die bij de poort van een koning staat en zegt: “Ik keer niet terug voordat mijn zaak is afgehandeld!” Het betekent zich losmaken van de wereld en vergiffenis en genade van Allah vragen. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft i’tikāf nooit verlaten. Hij verliet het slechts één keer om een bepaalde reden, en haalde dit later in de daaropvolgende maand Shawwāl in. Dit maakt i’tikāf een zeer sterk aanbevolen (sunnah-i kifāyah) handeling.]
TWEEDE HOOFDSTUK: De geheimen en innerlijke voorwaarden van de vasten
De vasten kent drie niveaus:
A) De vasten van de AwāmB) De vasten van de ḤawāsC) De vasten van de Aḥas’ul-Ḥawās
1. De vasten van de Awām
Dit niveau van vasten houdt in dat men de maag en de geslachtsdelen beschermt tegen begeerten, met andere woorden: zich onthouden van eten, drinken en seksuele gemeenschap.
2. De vasten van de Ḥawās
Dit niveau betekent dat men, met inachtneming van bovenstaande principes, zijn zintuigen en ledematen, oren, ogen, tong, handen, voeten en de resterende ledematen van zonden afhoudt.
3. De vasten van de Aḥas’ul-Ḥawās
Dit is het hoogste niveau is, met inachtneming van de bijzonderheden van de vasten de Awām en de Ḥawās, het hart volledig zuiveren van wereldse gedachten en alles behalve Allah uit het hart verwijderen.
Zo’n vasten wordt verbroken als men aan iets anders dan Allah en de Dag des Oordeels denkt.
Als men niet aan de godsdienst denkt, dan verbreekt ook het denken aan wereldse zaken de vasten. De wereldse zaken die men nastreeft uit religieuze overwegingen, worden beschouwd als provisie voor het Hiernamaals en vormen daarom geen reden om dit vasten te verbreken. Zelfs het overdenken van wat men zal eten of drinken bij de ifṭār kan als verkeerd worden gezien door de lieden van het hart, omdat dit wantrouwen in Allah’s voorzienigheid uitdrukt en het niet volledig geloven in de door Allah beloofde voorziening. Deze spirituele rang wordt bereikt door de profeten, de oprechte gelovigen (ṣiddīqīn) en degenen die dicht bij Allah zijn (muqarrabīn). Deze rang kan nauwelijks met woorden worden uitgelegd; de realisatie ervan is uitsluitend door daden mogelijk. Het betekent dat men al zijn inspanning/toewijding volledig op Allah richt en alles wat niet Allah is opzij zet.
Deze betekenis wordt prachtig weergegeven in de Qur’ān:
قُلِ ٱللَّهُۖ ثُمَّ ذَرۡهُمۡ فِي خَوۡضِهِمۡ يَلۡعَبُونَ ٩١
” …Zeg: Allah (heeft het neergezonden).” Laat hen zich dan vermaken met hun ijdele praat. (An`am 6/91)
De vasten van de rechtvaardigen en de geheimen ervanDe vasten van Ḥavās is de vasten van de rechtschapenen (ṣāliḥīn). Dit niveau van vasten wordt bereikt door alle ledematen te beschermen tegen zonden, en wordt volledig met de volgende zes aspecten:
1.
Het beschermen van de ogenHet houdt in dat men het hart bezighoudt en afleidt van alles wat het gedenken van Allah (dzikrullah) belemmert, en dat men zich afwendt van alles wat volgens de shariʿah verwerpelijk of afkeurenswaardig is, en zich daartegen beschermt.An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“Een harām-blik is een van de vergiftigde pijlen van Iblīs. Wie deze uit angst voor Allah vermijdt, Allah schenkt hem een geloof waarvan de zoetheid in zijn hart verschijnt.” (Ḥākim, overgeleverd met een authentieke keten van Huzayfah (رضي الله عنه)
Jābir levert over van Anas (رضي الله عنهما), die het van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleverde:
“Vijf dingen verbreken* de vasten van een vastende persoon (sāim):a) Liegenb) Roddelen (ghībah)c) Kletsen met kwaadsprekerij (namīmah)d) Zweren op een leugene) Kijken met begeerte.”(al-Azdī in Zuafâ, van Anas (رضي الله عنه)
[*: Hiermee wordt bedoeld dat het het vasten aantast, dat wil zeggen dat de beloning van het vasten vermindert; het wordt geen volledig (kāmil) vasten. Het betekent niet dat het vasten ongeldig wordt, ook al zijn de handelingen op zichzelf haram.]
2. Het beschermen van de tong
Het betekent de tong beschermen tegen: waan, leugen, roddel (ghībah), kwaadsprekerij (namīmah), vulgaire of grove taal, ruzie en schijnheiligheid (riyā’).
Tegelijkertijd moet men de tong laten zwijgen en deze bezig houden met het gedenken van Allah (dhikr) en het reciteren van de Qur’ān. Dit wordt beschouwd als de vasten van de tong.
Sufyān al-Thawrī zegt:
“Roddelen (ghībah) verbreekt de vasten.” Deze uitspraak wordt overgeleverd door Bishr b. al-Ḥārith.
Leys citeert Mūcāhid:“Er zijn twee eigenschappen die de vasten verbreken: Roddelen (ghībah) en liegen.”
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“De vasten is een schild voor de gelovige.
Daarom, als iemand van jullie vast, laat hij geen obscene taal spreken of zich dom gedragen. Als iemand tegen hem lelijk doet of vecht, laat hij zeggen: ‘Ik ben aan de vasten, ik ben aan de vasten.”( Bukhārī en Muslim, van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)
“Tijdens het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) waren er twee vrouwen die vastten. Tegen het einde van de dag werden ze zo verzwakt door honger en dorst dat ze bijna instortten. Ze stuurden een boodschapper naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) met het verzoek om hun vasten te mogen breken. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde hen een kopje en zei:“Zeg tegen hen: laat hen wat ze gegeten hebben in dit kopje overgeven.”Eén van de vrouwen braakte een halfvolle kop met gestold bloed en een groot stuk vlees; de andere vulde de kop op dezelfde manier. Het volk dat dit zag, stond verbaasd. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) probeerde hun verbazing te verlichten met zijn gezegende woorden en begrip:Deze twee vrouwen vastten door zich te onthouden van wat Allah voor hen toegestaan had, maar verbraken hun vasten met wat Allah verboden had. Ze zaten bij elkaar en spraken kwaad over anderen. Het pus dat jullie in het kopje zien, is het bloed en het vlees van het volk dat zij hebben gegeten. (Imām Aḥmad, van Rasûlullah’s (صلى الله عليه وسلم) vrijgelaten slaaf Ubeyyid (zwakke keten)
3. Het beschermen van het oorMen moet het oor beschermen tegen het horen van alles wat afkeurenswaardig of verboden is, want het luisteren naar wat verboden is op zichzelf ook verboden. Om deze reden heeft Allah degene die roddel (ghībah) beluistert gelijkgesteld aan degene die harām consumeert.
سَمَّٰعُونَ لِلۡكَذِبِ أَكَّٰلُونَ لِلسُّحۡتِۚ
Zij blijven gehoor geven aan de leugen, zij blijven eten van het verbodene. (Mâ’ida/42)
لَوۡلَا يَنۡهَىٰهُمُ ٱلرَّبَّٰنِيُّونَ وَٱلۡأَحۡبَارُ عَن قَوۡلِهِمُ ٱلۡإِثۡمَ وَأَكۡلِهِمُ ٱلسُّحۡتَۚ لَبِئۡسَ مَا كَانُواْ يَصۡنَعُونَ ٦٣
Waarom weerhouden de rabbijnen en de theologen hen niet van zondige woorden en het eten van illegale zaken? Kwaad is het wat zij hebben vertoond. (Mâ’ida/63)
In dit opzicht is het stilzwijgen bij roddel eveneens harām. Allah zegt:وَقَدۡ نَزَّلَ عَلَيۡكُمۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ أَنۡ إِذَا سَمِعۡتُمۡ ءَايَٰتِ ٱللَّهِ يُكۡفَرُ بِهَا وَيُسۡتَهۡزَأُ بِهَا فَلَا تَقۡعُدُواْ مَعَهُمۡ حَتَّىٰ يَخُوضُواْ فِي حَدِيثٍ غَيۡرِهِۦٓ إِنَّكُمۡ إِذٗا مِّثۡلُهُمۡۗ إِنَّ ٱللَّهَ جَامِعُ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ وَٱلۡكَٰفِرِينَ فِي جَهَنَّمَ جَمِيعًا ١٤٠
En het is al tot jullie geopenbaard in het Boek, dat als jullie de Verzen van Allah horen en zij verworpen en bespot worden, dat jullie niet met hen (die dit doen) zitten, totdat zij over andere zaken spreken. Anders zouden jullie zullen jullie zeker zoals hen zijn. Zeker, Allah zal de hypocrieten en ongelovigen allen in de Hel verzamelen. (Nisâ/140)
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei ook:“Degene die roddelt en degene die ernaar luistert, zijn samen schuldig aan de zonde.” (Tabarânî (overleverd van Ibn ʿUmar (رضي الله عنه) met een vergelijkbare keten die als ṣaḥīḥ wordt beschouwd)
4. Het beschermen van de overige ledematenOok andere ledematen moeten van zonden worden weerhouden, zoals de handen en voeten. Men moet de buik beschermen tegen de verlangens van de nafs bij het verbreken van de vasten (iftār). Wie zich onthoudt van halāl voedsel tijdens de vasten maar bij de iftār harām eet, haalt geen enkele spirituele winst uit zijn vasten en het verliest zijn betekenis.
De vasten van zo iemand is te vergelijken met iemand die voor het bouwen van één huis een complete stad afbreekt. Halāl voedsel is alleen schadelijk bij overmatige consumptie; in gematigde hoeveelheden is het nuttig. Daarom is de vasten ingesteld als een daad van aanbidding om het gebruik van voedsel te matigen. Degene die uit vrees voor schade het grootste deel van een medicijn vermijdt en toch een kleine hoeveelheid gif probeert in te nemen, handelt zeker onverstandig. Harām daarentegen is een gif dat de godsdienst vernietigt. Halāl is als een medicijn: in gematigde hoeveelheid heilzaam, in overmaat schadelijk. Het doel van de vasten is dus het matigen van het halāl.
Zoals an- Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“Er zijn veel vastenden die, van hun vasten, geen voordeel hebben behalve honger en dorst.” (Nesā’ī en Ibn Mājah, van Abu Hurayrah (رضي الله عنه)
Sommige geleerden interpreteren deze hadîth als een waarschuwing voor degenen die bij de iftār overmatig eten of harām voedsel nuttigen. Anderen leggen uit dat dit betrekking heeft op iemand die zich onthoudt van halal voedsel, maar wiens vasten wordt vernietigd door roddel (ghībah). Weer anderen zeggen dat het betrekking heeft op degene die zijn ledematen niet tegen harām beschermt.
5. Matig eten bij de iftārTijdens de iftār moet men niet overmatig eten, ook al is het halāl. Een maag die bij de iftār tot overmaat gevuld wordt, zelfs met halāl voedsel, is bij Allah het minst geliefde vat. Hoe kan een vastende persoon zijn nafs, die vijandig staat tegenover Allah, of de shayṭān overwinnen en zijn begeerten breken als hij bij de iftār overmatig eet? Soms bereiden mensen tijdens de iftār veel meer voedsel dan ze normaal nodig zouden hebben, alsof ze een paar maanden in één maaltijd willen inhalen. In sommige tradities worden de meest verfijnde gerechten speciaal voor de maand Ramadān klaargemaakt, en men eet in deze maand een verscheidenheid aan gerechten die men normaal in enkele maanden niet zou nuttigen. Het doel van de vasten is juist de maag leeg houden, de begeerten en lusten beteugelen en zo de nafs te trainen in taqwā (godsbewustheid). Dit is het voornaamste doel van de vasten. De maag wordt van de schemering tot de zonsondergang leeg gehouden, maar als men bij het verbreken van de vasten toegeeft aan de begeerten en zich overgeeft aan overvloedig en smakelijk eten, wordt de eetlust alleen maar groter en neemt de kracht van de nafs toe. Daardoor ontstaan zulke sterke begeerten dat, als de nafs tijdens de vasten niet van tevoren was gematigd door onthouding van voedsel, deze veel rustiger zou zijn geweest. Daarom is de kern en het wezen van de vasten het verzwakken van de krachten van de nafs die in de handen van de shayṭān aanleiding geven tot kwaad. Dit wordt echter alleen bereikt door het beperken van het eten bij het iftār.
Met andere woorden: wat men zou eten als men niet vastte, moet men tijdens de vasten bij het verbreken van de vasten voldoende vinden. Als men de hele dag al het voedsel bij elkaar houdt en alles in één keer bij het iftār opeet, kan men geen enkel voordeel uit zijn vasten halen.Een van de etiquette van de vasten is om overdag niet te slapen, zodat men honger, dorst en lichamelijke zwakte kan ervaren. Door dit te doen wordt het hart gezuiverd. Bovendien kan men ’s nachts, door het lichaam iets verzwakt te laten, gemakkelijker opstaan voor de nachtelijke gebeden (qiyām al-layl). Het wordt verwacht dat op deze manier de shayṭān zich van het hart verwijdert. Een hart dat vrij is van de greep van de shayṭān, kan in de hemelse sferen rondzien. Immers, de Nacht van Kader (Laylat al-Qadr) is de nacht waarin men de mogelijkheid heeft om in de hemelen te aanschouwen. Dit wordt ook bedoeld in de verzen: ‘Voorwaar, Wij hebben de Qur’ān neergezonden in de Nacht van Qadr.’Degene die tussen hart en borst een ‘zak van voedsel’ meedraagt, wordt van deze verheven eer uitgesloten. Alleen de maag leeg houden door zich van voedsel te onthouden is niet voldoende om het gordijn van bescheidenheid op te tillen. Men moet zijn toewijding (himmah) van alles behalve Allah zuiveren. Pas dan bereikt men de volledige realisatie van de waarheid. Het eerste stadium van deze toestand is matig eten. De details hierover zullen, zo Allah wil, in het boek over voedsel (Kitâbü’l-At’imah) worden behandeld
6. Tussen angst en hoop na iftārNa het verbreken van de vasten (iftār) moet het hart van de vastende zich bevinden tussen angst en hoop. Want hij kan niet zeker weten of zijn vasten wordt aanvaard en of hij tot degenen behoort die Allah nabij zijn, of dat zijn vasten niet wordt aanvaard en hij Allah’s toorn ondergaat. Deze toestand van bescheidenheid en onzekerheid hoort bij het einde van elke daad van aanbidding.
Haşan b. Abî Haşan b.
Haşan al-Baṣrî zei, terwijl hij voorbij een groep mensen liep die schater lachten: “O mensen! Allah heeft de maand Ramadan geschapen als een een wedstrijdveld voor de dienaren. Sommigen lopen naar het doel van aanbidding en behalen succes, terwijl anderen achterblijven en de beloning mislopen en verstoken blijft van beloning. Verwonderlijk is de situatie van degenen die lachen en spelen, want op de dag dat het volk het doel bereikt waarvoor het zich inspant, verkeren zij in onoplettendheid, lachend en spelend. Zo blijven zij verstoken van deze zegen. O jullie die lachen! Weet dit goed: bij Allah, als Allah het gordijn zou oplichten, zou de rechtschapene bezig zijn met zijn rechtschapenheid en de zondaar met zijn verdriet, en zo zou de deur naar het lachen gesloten zijn”.Ahnaf b. Kays werd gevraagd: “Jij bent een geestelijk vergevorderde. Vasten maakt u zwak. (Volgens de shari`ah kunnen degenen die oud zijn soms de vasten vermijden door fidyah te betalen.) Waarom vast u dan?”Hij antwoordde: ‘Ik bereid mij voor op een lange reis. Het geduld oefenen bij de bestraffing van Allah is moeilijker dan geduld oefenen bij aanbidding.’Dit zijn de innerlijke betekenissen van de vasten.
Vraag: Als iemand de begeerten van zijn maag en geslachtsdelen onderdrukt maar deze innerlijke betekenissen niet naleeft, is zijn vasten volgens fatwa van de geleerden (fuqahāʾ) nog steeds geldig. Wat denkt u van deze uitspraak?
Antwoord: De juristen die zich enkel op de uiterlijke schijn baseren, bepalen de geldigheid van de vasten aan de hand van uiterlijke voorwaarden, die gebaseerd zijn op zwakkere bewijzen dan de argumenten die wij voor de innerlijke voorwaarden aandragen. Zeker bij zaken zoals roddel en andere spirituele, innerlijke vereisten, zijn hun bewijzen erg zwak.
De juristen die zich op de uiterlijke schijn baseren, richten zich vooral op degenen die aan de wereld gehecht zijn, in onoplettendheid leven en gemakkelijk meegaan met de massa. Wat daarboven gaat, interesseert hen nauwelijks.
De geleerden wiens blik volledig op het Hiernamaals is gericht, De geldigheid van de vasten wordt gezien als aanvaard worden door Allah, (en niet slechts als het voltooien van een ritueel.) Met vasten verstaan zij: het vormen van het karakter naar Allah’s volmaaktheid van alles en iedereen onafhankelijke Wezen (ṣamadīyyah), zo ver mogelijk afzien van begeerten en streven naar de deugd van de engelen, die vrij zijn van begeerten.De rang van een persoon die met het licht van zijn verstand zijn begeerten kan beheersen, is hoger dan die van een dier dat van deze geestelijke kracht is verstoken.[ṣāmiḍiyyah betekent de eigenschap van innerlijke standvastigheid en spirituele onverstoorbaarheid.]
Degenen die hun begeerten niet beheersen en gedwongen zijn deze te bestrijden, staan in rang lager dan de engelen. Naarmate men zich aan de begeerten overgeeft, rolt men af naar de laagste diepten (asfal al-sāfilīn) en eindigt men uiteindelijk lager dan de dieren. Daarentegen, wie zijn begeerten overwint, stijgt naar de hoogste sferen (a‘lâ al-‘illyīn) en bereikt uiteindelijk het vergezicht van de engelen. De engelen zijn spiritueel degenen die het dichtst bij Allah staan. Wie hun navolgt en hun morele eigenschappen aanneemt, komt eveneens dichter bij Allah. Deze nabijheid is niet fysiek van aard, maar betreft de spirituele eigenschappen.
Aangezien volgens de kenners van het hart en het verstand dit de ware betekenis en het diepste doel van de vasten is, wat voor nut kan het dan hebben om zich overdag aan twee maaltijden over te geven en alles tegelijk bij het iftār te eten, terwijl men zich de hele dag van voedsel heeft onthouden? Als dit enige werkelijk voordeel opleverde, wat zou dan de betekenis zijn van de uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): ‘Er zijn vastenden die slechts honger en dorst van hun vasten ervaren’? Op basis van dit inzicht zei Abu Dardâ (رضي الله عنه)
Hoe prachtig is de slaap en de iftār van de wijzen! Hoe kan het dat de wijzen zich verbazen over de vasten en de slapeloze inspanningen van dwazen?
Zelfs een klein aandeel in de aanbidding van iemand die vroomheid (taqwā) en zekerheid (yaqīn) bezit, is superieur en aangenamer bij Allah dan de bergachtige aanbidding van de hoogmoedigen.
Op basis van deze wijsheid zegt een geleerde ook:‘Er zijn vastenden die eigenlijk niet vasten, en er zijn niet-vastenden die werkelijk vasten.’
Degene die niet vast, maar toch zijn ledematen van zonden weerhoudt, is als een vastende in spirituele zin. Degene die vast, maar zijn ledematen niet van zonden weerhoudt, is als een niet-vastende.
Degene die de betekenis en het innerlijke van de vasten begrijpt, weet dat iemand die zich onthoudt van eten en drinken maar door andere zonden wordt belast, vergelijkbaar is met iemand die bij het nemen van wuḍūʾ zijn ledematen slechts drie keer strijkt met een natte hand (mash). Uiterlijk voldoet hij daarmee aan de rituele voorschriften maar het belangrijkste onderdeel, namelijk daadwerkelijk het wassen verzaakt. Om deze reden is de salāh van zo iemand, door zijn onwetendheid, ongeldig en niet geaccepteerd.
Degene die wel eet en drinkt, maar zijn ledematen beschermt tegen verboden handelingen, is te vergelijken met iemand die zijn ledematen bij de wuḍūʾ één keer wast: zijn wuḍūʾ voldoet aan de vereisten, en zijn salāh wordt bij Allah aanvaard, ook al heeft hij een deel van de spirituele deugd verzaakt (namelijk drie keer wassen).
Degene die zich onthoudt van eten en drinken en tegelijkertijd zijn ledematen beschermt tegen zonden, kan worden vergeleken met iemand die elk ledemaat drie keer wast. Zo vervult hij zowel het wezenlijke als het volmaakte aspect van de handeling en bereikt hij de hoogste mate van voltooiing.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei:“De vasten is een toevertrouwde goederen (amānah). Daarom moet ieder van jullie de toevertrouwde goederen die Allah aan hem heeft toevertrouwd beschermen en niet verkwisten.” (al-Haraiti, Makarim'ul-Akhlāq, (van İbn Mes`ûd (رضي الله عنه)
Bij het reciteren van het vers:إِنَّ ٱللَّهَ يَأۡمُرُكُمۡ أَن تُؤَدُّواْ ٱلۡأَمَٰنَٰتِ إِلَىٰٓ أَهۡلِهَا
Waarlijk! Allah heeft jullie bevolen de onderpanden (amānah), die jullie zijn toevertrouwd, terug te geven aan de rechtmatige eigenaren. (Nisâ/58)
legde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zijn hand op zijn oren en ogen en zei:“Het oor is een amānah, het oog is een amānah.”
Als oren en ogen niet onder de bescherming zouden vallen die vereist is bij de vasten, zou an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) niet hebben gezegd dat een vastende moet zeggen: “Ik ben aan de vasten.” (Abû Dāwûd, (Abû Hurayrah (رضي الله عنه)
Met andere woorden: wanneer iemand tegen een vastende vloekt of een conflict zoekt, moet de vastende antwoorden: “Mijn tong is een amānah van Allah; ik ben verplicht deze te beschermen. Hoe kan ik deze amānah schenden door jou kwaad te antwoorden?”
Na deze inzichten wordt duidelijk dat elke daad van aanbidding zowel een uiterlijk aspect (zâhir) als een innerlijk aspect (bâtin) heeft, een schil en een kern. Ook het uiterlijke aspect kent verschillende gradaties, en elk niveau heeft zijn eigen stappen.
Wie dit begrijpt, kan ervoor kiezen alleen het uiterlijke na te leven zonder de kern te bereiken, of hij kan afdalen in het strijdtoneel van de verstandigen en de innerlijke werkelijkheid van de handeling nastreven.
DERDE HOOFDSTUK: Vrijwillige vasten en de volgorde ervan
Weet dat het altijd aanbevolen (mustahabb) is om te vasten. Op de deugdzame dagen is het echter nog meer geprezen. Sommige van deze deugdzame dagen komen slechts één keer per jaar voor, andere binnen een maand, en weer andere elke week.
De volgorde van de vasten
Aanbevolen vasten gedurende het jaar
De deugdzame dagen in het jaar, na de maand Ramadân, zijn de dag van ‘Arafah, de dag van ʿĀshûrāʾ* en de eerste tien dagen van de maanden Dhu l-Hijja en Muharram.[Men moet, indien mogelijk, ook de elfde dag vasten samen met de negende; alleen de tiende dag vasten is niet aanbevolen.]
Alle Al-ashhur al-ḥurum (Heilige Maanden) (Muharram, Rajab, Dhu l-Qaʿda en Dhu l-Hijja) zijn dagen waarop vasten aanbevolen is. Deze dagen worden als bijzonder deugdzaam beschouwd. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) vastte in de maand Sha’bân, alsof het de maand Ramadân was. (Bukhârî en Muslim, van Âishah رضي الله عنها)
In een overlevering staat: “Na de maand Ramadân is het meest deugdzame vasten dat in de maand Muharram wordt verricht.” (Bukhari ve Muslim, (Abu Hurayrah (رضي الله عنه)De maand Muharram is het begin van het islamitische jaar. Het is goed om een jaar op een goede basis te starten en men hoopt dat de zegen van dat jaar hierdoor langer standhoudt.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “De vasten van een enkele dag in Al-ashhur al-ḥurum (de Heilige Maanden) is beter en hoger in beloning dan de vasten van dertig dagen in een andere maand. De vasten van één dag in de maand Ramadân is meer deugdzaam dan de vasten van dertig dagen in de Al-ashhur al-ḥurum (Heilige Maanden).” (Imam Irâkî merkte op dat hij deze exacte overlevering niet aantrof; Tabarânî in al-Mu‘jam’us-Saghîr van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) : “Elke dag vasten in Muharram wordt beloond als dertig dagen vasten.”)Wie drie dagen in een Al-ashhur al-ḥurum (Heilige Maanden) vast en deze laat vallen op donderdag, vrijdag en zaterdag, verkrijgt de beloning van negenhonderd jaar aanbidding. (al-Azdi, van Anas رضي الله عنه)
Na de tweede helft van de maand Sha’bân wordt er niet meer gevast tot de maand Ramadân. (Sunan, boeken van Abu Hurayrah رضي الله عنه)
Het enkele dagen voor Ramadân stoppen met vasten wordt, op basis van deze overlevering, als aanbevolen beschouwd. Toch is het toegestaan om gedurende de gehele maand Sha’bân te vasten en dit door te zetten tot aan Ramadân, omdat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dit één keer zo heeft gedaan. (Sunan boeken, van Ummu Salamah رضي الله عنها)
Hij heeft echter vaak ook pauzes genomen. (Abu Dâwud, van `Âishah رضي الله عنها)
Wanneer iemand niet gewend is regelmatig te vasten, is het niet toegestaan om twee of drie dagen vóór het begin van de maand Ramadân te vasten met het doel zich op Ramadân voor te bereiden.Sommige metgezellen (رضي الله عنهم) hebben gezegd dat het tijdens de hele maand Rajab vasten, om Ramadân niet te laten lijken, als makrûh (afgeraden) wordt beschouwd.
De deugdzame maanden zijn:
Dhu l-Hijja
Muharram
Rajab
Sha’bân
Al-ashhur al-ḥurum (de Heilige Maanden) zijn:
Dhu l-Qaʿda
Dhu l-Hijja
Muharram
Rajab
Van deze maanden staat er één afzonderlijk, terwijl de andere drie opeenvolgend komen. De meest deugdzame van deze maanden is Dhu l-Qaʿda. Dit is omdat het de maand van de haj is, met de eerste tien dagen die bekend staan als ayyam’ul-ma‘lûmāt (de bekende dagen) en de daaropvolgende dagen, ayyam’ul-ma‘dûdāt (de getelde dagen).
De maand Dhu l-Qaʿda, die ook tot de Heilige Maanden behoort, valt eveneens in de periode van de haj, net als de maand Shawwâl. Echter, Shawwâl zelf wordt niet tot de heilige maanden gerekend. De maanden Muharram en Rajab zijn geen haj-maanden.
In een hadith staat:“Er zijn geen dagen die bij Allah geliefder en deugdzamer zijn dan de eerste tien dagen van Dhu’l Hijja. De aanbidding in deze tien dagen is superieur aan wat op andere dagen wordt verricht. Een daad van aanbidding op één dag van Dhu’l Hijja staat gelijk aan een jaarlange aanbidding op een ander moment. Een daad van aanbidding op één nacht van Dhu’l Hijja staat gelijk aan de aanbidding op de nacht van Qadr.Toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) deze woorden had gezegd, werd hem gevraagd:“Is de aanbidding in Dhu’l Hijja dan superieur aan jihād op weg van Allah buiten Dhu’l Hijja?”Waarop hij het volgende antwoord gaf: De aanbidding in Dhu’l Hijja is superieur aan jihad op weg van Allah, behalve in het geval van degene die op weg van Allah strijdt totdat hij zijn rijdier verwondt en bloed verliest”. (Tirmidzî en İbn Mâjah, van Abu Hurayrah (رضي الله عنه); het gedeelte van de hadith over ‘Jihad op weg van Allah’ is van Buhârî van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما).
De deugdzame dagen binnen de maandenBinnen een maand zijn de meest deugdzame dagen het begin, het midden en het einde van de maand. Het midden van de maand wordt aangeduid als ayyam-u bîd (de vollemaan-dagen), namelijk de dertiende, veertiende en vijftiende dag.
De deugdzame dagen binnen de weekBinnen de week zijn de meest deugdzame dagen maandag, donderdag en vrijdag. Omdat deze dagen bijzonder zijn, is het aanbevolen (mustahāb) om op deze dagen te vasten. De beloningen van goede daden verricht op deze dagen worden vermenigvuldigd in waarde.
Het jaarlijkse (senaire) vastenDe vasten dat Savm’ud-Dahr (het hele jaar door vasten) wordt genoemd, omvat de vasten op alle bovengenoemde dagen en ook op andere dagen gedurende het gehele jaar.Reizigers op het pad van Allah hebben verschillende manieren om met betrekking tot dit vasten te handelen. Sommigen hebben gezegd: “Het is makrûh (afgeraden) om het hele jaar door te vasten,” omdat er veel ahadith zijn die dit afraden.
(Bukhârî en Müslim, van `Abdullah b. Amr (رضي الله عنه)
Volgens de sterkste fatwā is de vasten gedurende het hele jaar om twee redenen makrûh:a) Omdat men zijn vasten niet onderbreekt tijdens de twee feesten (`Īdayn) en de dagen van Tashrīq. Als men dit negeert, heeft men in feite het hele jaar door gevast. (Hierbij gaat het om karaaet-i tahrimiyyah, verboden makrûh.)b) Omdat men de sunnah van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) betreffende het verbreken van de vasten negeert en zichzelf dwingt het hele jaar door te vasten. Het is ook afkeurenswaardig (makrūh) dat iemand, terwijl Allah Taʿālā hem daarvoor een een toegestane verlichting of versoepeling (rukhsah) heeft gegeven, zichzelf toch dwingt om te vasten en daarmee zijn nafs onnodig in moeilijkheden brengt. Dit wordt ook als makrûh beschouwd, want Allah houdt ervan dat Zijn dienaren zowel de verplichtingen (azimah) als de toegestane verlichting of versoepeling (rukhsah) uitvoeren.
Daarom geldt dat iemand die het hele jaar door vast zonder de eerder genoemde twee tekortkomingen, en inziet dat het zuiveren en verbeteren van zijn nafs alleen op deze manier mogelijk is, dit mag doen en zelfs behoort te doen. Immers, een groep van de ṣaḥābah en de tābiʿīn heeft op deze wijze gehandeld.In een hadith die Abu Mûsa al-Ash‘arî : an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:“Voor degene die het hele jaar door vast, wordt de Hel nauwer”. (İmam Ahmed, Nasaī en İbn Hibbān)Hierna wees An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met zijn hoofd en wijsvingers, die hij als het cijfer negentig vouwde, naar deze nauwheid. De betekenis van de hadith is dat er in de Hel geen ruimte voor hem overblijft.Qua rangorde is de vasten van de helft van het jaar minder dan het hele jaar vasten, maar dit is gemakkelijker voor de nafs en geschikter om de neiging tot begeerten te overwinnen. Dit houdt in dat men de ene dag vast en de volgende dag niet.Over de verdiensten van dit soort vasten zijn veel overleveringen bekend.
Want de dienaar verdeelt zo zijn dagen: de ene dag vast hij, de andere dag brengt hij dankbaarheid tot uiting.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei hierover:"De sleutels van de schatten van de hemel en de aarde werden mij aangeboden. Ik heb ze niet aanvaard, ik heb ze teruggeworpen en gezegd: Ik zal de ene dag hongerig zijn en de andere dag verzadigd. Wanneer ik verzadigd ben, prijs ik Allah, en wanneer ik hongerig ben, smeek ik Hem." (Tirmidzī, van Abu Umamah (رضي الله عنه)
“Het meest deugdzame vasten is de vasten van mijn broeder Dâwûd; hij vastte de ene dag en at de volgende dag”. (Bukhârî en Muslim, van `Abdullah b. Amr (رضي الله عنه)Een van de bewijzen voor de deugdzaamheid van dit vasten is de toestemming die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gaf aan Abdullah b. Amr (رضي الله عنه) over de vasten. Toen Abdullah b. Amr zei: “O Rasûlullah, ik ben in staat meer te vasten dan wat u heeft voorgeschreven,” antwoordde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Vast één dag en eet de volgende dag.”
Abdullah b. Amr zei: “O Rasûlullah, ik wens een nog deugdzaamere vorm van vasten.” Daarop sprak Rasûlullah (صلى الله عليه وسلم): “Er is geen deugdzaamere vorm dan dit.”Behalve tijdens de maand Ramadân, heeft Rasûlullah (صلى الله عليه وسلم) in geen enkele andere maand volledig gevast. (Bukhârî en Muslim, van Âishah (رضي الله عنها)
Voor iemand die niet in staat is de helft van het jaar te vasten, is het toegestaan een derde van het jaar te vasten: één dag vasten, twee dagen eten. Als men drie dagen aan het begin, drie dagen in het midden en drie dagen aan het eind van de maand vast, wordt ongeveer een derde van het jaar gevast en valt de vasten in de meest deugdzame tijden.
Vasten op de maandag, donderdag en vrijdag van elke week komt ook dicht in de buurt van een derde van het jaar vasten.
Zodra de deugdzame tijden bekend zijn, is het belangrijkste dat iemand de betekenis van vasten begrijpt. Men moet beseffen dat het doel van de vasten is: het zuiveren van het hart en het volledig richten van zijn inzet en streven op niets anders dan Allah.Iemand die de fijnheden van zijn innerlijke wereld kent, handelt volgens zijn toestand. Soms vereist zijn toestand dat hij voortdurend vast, soms dat hij voortdurend niet vast. Op andere momenten kan zijn toestand zowel vasten als niet-vasten vereisen.
Kortom, wanneer iemand de betekenis van de vasten begrijpt en door zelfbewaking van het hart op het pad van het Hiernamaals de grenzen van de vasten kent, is het voor hem duidelijk wat het meest gunstig is voor zijn hart. In dat geval is het voor hem noodzakelijk een voortdurende volgorde aan te houden.
Hierover wordt van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd:Rasûlullah (صلى الله عليه وسلم) vastte soms alsof hij zijn vasten nooit zou breken, en soms verbrak hij zijn vasten alsof hij nooit meer zou vasten. Soms sliep hij alsof hij nooit meer wakker zou worden, en soms bleef hij wakker alsof hij nooit meer zou kunnen slapen.(Bukhârî en Muslim, van Âishah (رضي الله عنها)
Al deze handelingen waren geordend volgens de verlichting van het profeetschap en het juiste gebruik van de tijden.
De geleerden beschouwden het als afkeurenswaardig om meer dan vier dagen achter elkaar niet te vasten. De grens van vier dagen houdt rekening met de dagen van het `iedu’l Fitr en de dagen van Tashrîk. Het afkeurenswaardige van langer dan vier dagen niet vasten is gebaseerd op de wijsheid dat het hart dan verhardt, slechte gewoonten de kop opsteken en de poorten van de begeerte zich openen. Ik zweer bij mijn leven dat de mening van de geleerden over de meerderheid van de mensen volledig correct is, vooral voor hen die twee keer per etmaal eten.Dit zijn de zaken die we over vrijwillig vasten wilden vermelden. Allah weet het het beste.
Het boek “Kitabu Asrâr'is-Sawm (De Geheimen van de vasten) eindigt hier. Met alle lof, bekend en onbekend, prijzen wij Allah. (Bukhârî en Muslim, van Âishah (رضي الله عنها)
Wij prijzen Allah Taʿālā vanwege de lofprijzingen die wij kennen en niet kennen, en vanwege de zegeningen die wij kennen en niet kennen en vragen Hem dat Hij uit Zijn goddelijke majesteit een zee van genade doet uitstorten over onze Nabie (صلى الله عليه وسلم), zijn familie en zijn metgezellen (رضي الله عنهم). Moge Hij hen beschermen tegen het kwaad en hen verheffen tot de hoogste graden van eer.
Moge Hij ook genade schenken aan alle uitverkoren bewoners van de hemelen en de aarde.
Na dit hoofdstuk zal, met de toestemming van Allah, het hoofdstuk Kitabu Asrâr'il-Haj (De Geheimen van de Haj) volgen.
Allah is Degene Die helpt. Er is geen andere Rab dan Hem. Degene Die ons succes schenkt is slechts Hij. Hij is voor ons voldoende en hoe mooi is Hij als Helper!