DE ESSENTIE VAN DE ISLAM: DE GRENZEN VAN IMAN (ISLAMITISCHE GELOOFSLEER) EN KUFR (ONGELOOF).
Prof. Dr. Ahmed Saim Kilavuz
Dit boek is een bloemlezing van: " Imân-küfür siniri tekfir meselesi " (Marifet Yayinlari, Istanbul 1984).
Schrijver: Prof. Dr. Ahmed Saim Kilavuz (Theologische Faculteit Universiteit van Uludag Bursa, Turkije)
VOORWOORD
De lof is aan Allāhu Taʿālā . Wij prijzen Allāhu Taʿālā en vragen Zijn hulp en vergiffenis. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāhu Taʿālā voor al het kwade die van de shayṭān (satan) en onze nafs (ego) komt. Als Allāhu Taʿālā iemand op de rechte weg leidt, is niemand in staat hem te misleiden. En als Allāhu Taʿālā iemand misleidt, is niemand in staat hem op het rechte pad te krijgen. Wij getuigen dat er geen godheid is dan Allāhu Taʿālā en wij getuigen ook dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم ) Zijn dienaar (`abd) en Zijn Boodschapper (Rasûl) is.
Aṣ‑ṣalāh en as‑salām voor de laatste der Rasûl en de Nabie (profeet) van Allāhu Taʿālā, Muḥammad Muṣṭafā (صلى الله عليه وسلم ). As Salām aan hem die de mensheid uit de duisternis van ongeloof en onrecht heeft gehaald en As Salaam aan een ieder die zijn boodschap volgt.
Het ethico-religieuze concept in de Qur’ān kan op verschillende manieren worden benaderd. Men kan vertrekken vanuit de uitvoerig en nauwkeurig uitgewerkte Sharīʿah (islamitische wetgeving), die alle aspecten van het menselijk leven tot in de kleinste details reguleert. De grondslag van deze wet wordt gevormd door de Qur’ān en de Sunnah van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en van de Rechtgeleide khaliefen: Abū Bakr (رضي الله عنه), ʿUmar (رضي الله عنه), ʿUthmān (رضي الله عنه) en ʿAlī (رضي الله عنه).
Men kan het onderwerp echter ook benaderen vanuit de minder uitgebreid ontwikkelde theologie (kalām). Deze bestaat uit theoretische uiteenzettingen van de fundamentele principes waarin een gelovige (mu’min) dient te geloven, de houding die hij tegenover Allāhu Taʿālā behoort aan te nemen en de wijze waarop hij volgens de voorschriften van zijn dīn behoort te leven. In dit werk zullen wij beide benaderingen hanteren.
Voordat wij hiermee aanvangen, willen wij eerst een belangrijk aandachtspunt uiteenzetten. Bij het vertalen van islamitische termen naar het Nederlands — of naar welke niet-Arabische taal dan ook — is grote voorzichtigheid geboden. Zo wordt de term dīn vaak weergegeven als “godsdienst”, īmān als “geloof” en kufr als “ongeloof”. Deze vertalingen dekken de oorspronkelijke betekenis echter niet volledig. Dit geldt in feite voor alle vertalingen van islamitische kernbegrippen. Het is daarom noodzakelijk hier reeds aan het begin nadrukkelijk op te wijzen, aangezien wij hier tijdens de verdere studie herhaaldelijk mee te maken zullen krijgen.
De waarden en betekenissen die door deze termen worden aangeduid, bezitten een eigen, specifiek islamitisch karakter. In niet-Arabische talen kan doorgaans slechts een benadering van hun werkelijke betekenis worden weergegeven. Bovendien worden deze begrippen in het Westen vaak ingevuld vanuit een joods-christelijk begrippenkader, terwijl de overeenkomstige islamitische termen een geheel eigen inhoud, context en belevingssfeer hebben. Om die reden hebben wij in dit werk — evenals in andere werken — bewust de Arabische benamingen van deze termen behouden.
HOOFDSTUK 2: DE GRENZEN TUSSEN GELOOF (IMAN) EN ONGELOOF (KUFR)
2) DE VERKLARING VAN IMAN (GELOOF) EN KUFR (ONGELOOF)
2.1) DE BETEKENIS VAN DE TERMEN IMAN EN KUFR.
Īmān is het infinitief van het Arabische werkwoord āmana en kent meerdere betekenissen, waaronder: het bevestigen en accepteren van iemands woorden; zich toevertrouwen aan; zich verlaten op; iets met een touw vastbinden (āmanahu); het aanvaarden van de Islām (āmana fulānun); het vrijwillig accepteren van iets (āmana lahu); en het geven van zekerheid of veiligheid (āmanahu). Īmān vormt de menselijke reactie op degene in wie men gelooft en gaat gepaard met een gevoel van geborgenheid en veiligheid. Deze verschillende betekenislagen laten zich moeilijk in één enkel Nederlands begrip samenvatten.
Volgens de taalkundigen betekent īmān het geloven en bevestigen (taṣdīq) van iets — in dit verband de Islām. Degene die īmān bezit, wordt mu’min (gelovige) genoemd, terwijl datgene waarin geloofd wordt, mu’minun bih heet.
[Īmān is in wezen een vorm van “getuigenis”. Een mu’min is daarom iemand die getuigenis aflegt van Degene en van datgene waarin hij gelooft, namelijk in Allāh en in alles wat van Hem is neergezonden. Zo behoort “al-Mu’min” tot de Schone Namen (asmā’ al-ḥusnā) van Allāh; dit houdt in dat Allāh Zelf getuigt van Zijn eigen waarachtigheid: “Ik ben Allāh, er is geen godheid behalve Ik.” Het geloof (getuigenis) van de geschapenen kan worden gezien als een deelname aan het Ongeschapene getuigenis van Allāhu Taʿālā Zelf.
Een geleerde heeft de Islām als volgt verbeeld:
het hoofd ervan is tawḥīd (monotheïsme),
de romp is maʿrifatullāh (het kennen van Allāh),
de wortels zijn yaqīn (zekere, vaste kennis),
de aderen zijn ikhlāṣ (oprechtheid),
de takken zijn Allāhs geboden en verboden,
de bladeren zijn vrees voor Allāh,
de vruchten zijn Allāhs raḥmah (barmhartigheid),
de standplaats is het hart van de muslim,
de rivier die haar voedt is Allāhs kennis,
het water is de Qur’ān,
en haar naam is de heilige boom.]
Kufr (ongeloof) vormt niet alleen een centraal begrip dat alle goede daden (sawāb) van een persoon tenietdoet, maar neemt tevens zo’n fundamentele plaats in binnen de gehele islamitische ethiek dat een heldere omschrijving en afbakening van deze term noodzakelijk is. Om goede en slechte daden juist te kunnen beoordelen, is het essentieel īmān en kufr duidelijk van elkaar te onderscheiden.
Kufr of kafr is het infinitief van het Arabische werkwoord kafara, waarvan de letterlijke betekenis “bedekken” is. Om die reden wordt iemand wiens geloof door ongeloof wordt bedekt een kāfir (ongelovige) genoemd. In dezelfde taalkundige zin wordt ook een landbouwer die zaden met aarde bedekt, de nacht die alles met duisternis omhult en de schede die het zwaard omsluit, met dit werkwoord aangeduid. In religieuze zin wordt kufr meestal gebruikt als het tegenovergestelde van īmān en betekent het het ontkennen en verhullen van de islamitische geloofsprincipes. Soms duidt het op het ontkennen van of ondankbaarheid jegens de weldaden van Allāh, hetgeen wordt aangeduid als kufr an-niʿmah.
(Hieronder en in de rest van dit werk worden, in plaats van de oorspronkelijke Arabische teksten, Nederlandse toelichtingen van de Qur’ān-āyāt weergegeven; dit geldt eveneens voor de aḥādīth.)
[ "...En wie dank betuigt doet dat in zijn eigen voordeel en wie ondankbaar (kafara) is...(moet weet dat) mijn Rab (Heer) behoefteloos en edel is." (Nahl (19)/40)]
en van Ibn-i 'Abbâs (رضي الله عنه) is het volgende hadîth (traditie) overgeleverd:
Rasulullâh (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Aan mij is de hel (jahannam) getoond. Meeste van hen die daar zaten, waren vrouwen die in kufr waren (ontkenden)".
Daarop zeiden ze: "Vrouwen die Allâh ontkennen"?
Rasulullâh (صلى الله عليه وسلم ) antwoordde: "(Neen) degene die hun mannen en diens gunsten ontkennen. Als jij je hele leven lang zo'n vrouw goed behandelt en je hebt een keer een slechte bui, dan zegt ze: "Ik heb nooit iets goeds van jou meegemaakt" (Bukhârî, Muslim en anderen).
Over de betekenis van īmān binnen de islamitische wetgeving (Sharīʿah) bestaat onder de ’ulamā’ verschil van inzicht. Hieronder worden de voornaamste opvattingen uiteengezet.
a) Īmān is het bevestigen (taṣdīq) met het hart van alles wat van Allāh en Zijn Boodschapper (Rasūl) is gekomen.
Deze opvatting is sinds de vierde eeuw na de Hijrah door het merendeel van de theologen van Ahl as-Sunnah wa-l-Jamāʿah aangehangen. Tot hen behoren onder anderen Imām al-Ashʿarī, Imām al-Māturīdī, Qāḍī Abū Bakr al-Bāqillānī, al-Juwaynī, Imām al-Ghazālī en Sayf ad-Dīn al-Āmidī. Ook de taalkundigen zijn unaniem van mening dat īmān in de voor-islamitische periode de betekenis had van het innerlijk bevestigen van iets met het hart.
Hun bewijzen uit de Qur'ân zijn de volgende âyât:
Yûsûf (12):17 (Nederlandse uitleg van de Qur'ân âyah)" ...en U zult ons niet geloven (mu'min)..." m.a.w. u zult ons niet bevestigen. Allâhu Ta'âlâ zegt het volgende in de Qur'ân over de huichelaars (munâfiqûn): Al-Mâ'idah (5):41 (Nederlandse uitleg):
"O Boodschapper, laat u niet smarten, degenen die uit het midden van de joden zijn en die met elkaar wedijveren in ongeloof, terwijl ze niet met hun harten geloven en toch met hun monden zeggen: wij geloven.."
Al- An'âm (6):125 (Nederlandse uitleg)
"Als Allâh iemand op het juiste pad (m.a.w. de îmân) wenst dan verruimt Hij zijn borst (hart) voor de Islâm..."
Iemand die gedwongen wordt zijn îmân te loochenen terwijl hij dit niet met zijn hart gelooft, blijft gewoon een mu'min. An-Nahl (16):106 (Nederlandse uitleg)
" Terwijl iemands hart vol is van îmân, uitgezonderd degenen die gedwongen worden, niet in Allâh gelooft nadat hij îmân heeft gedaan en zijn borst opent voor het ongeloof (kufr), op hen is Allâhs toorn en zij zullen een zware kastijding hebben".
Al Hudjurât (49),14 (Nederlandse uitleg)
" De arabieren (bedoeinen) zeggen: "Wij geloven".
Zeg: "Jullie geloven niet, maar zeg (tenminste)": "Wij onderwerpen ons (aslamnâ)", (want) de îmân is nog niet in jullie harten ingegaan..."
(Met andere woorden: īmān betekent het bevestigen met het hart; het louter uitspreken van woorden zonder innerlijke overtuiging volstaat niet. Allāhu Taʿālā zegt in de Qur’ān over degenen die voor eeuwig in het paradijs zullen verblijven, over wie Hij tevreden is en die tevreden zijn over Hem: Al-Mudjâdalah (58):22 (Nederlandse uitleg)
"... en deze zijn zij in wier harten Hij geloof (îmân) heeft gegriefd en die Hij met geest (rûh) heeft gesteund..."
Zij stellen dat een muslim onder bedreiging zijn īmān met de tong kan ontkennen, zoals hierboven reeds is besproken, zonder dat het īmān dat in het hart verborgen is daardoor in gevaar komt. Hieruit concluderen zij dat īmān uitsluitend mogelijk is door bevestiging met het hart.
Hun bewijzen uit de Hadîth:
Tijdens een van de veldtochten van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم ) doodde één van zijn metgezellen (sahâba) een vijand, terwijl deze zei: "Er is geen godheid dan Allâh". Toen Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) dit vernam zei hij op een boze toon: " Heb je zijn hart geopend om te kijken of hij de waarheid sprak of loog?" (Muslim, Abû Dâwud, Ibni Mâdjah, Ahmad).
Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) zei:" Er is geen hart dat niet tussen Allâhs twee vingers zit. Als Allâh wil laat Allâh het hart (van Zijn dienaren) op het rechte pad of laat het van de waarheid afdwalen. Daarop heeft Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) voortdurend de volgende smeekbede (du`ā) opgezegd : " O Allâh, die de harten stabiel houdt, continueer onze harten in Uw geloof". (Ibni Mâdjah, Tirmidzî, Ahmad).
Verder kunnen we in vele ahadîth lezen dat muslims die ter grootte van een tarwekorrel of een maanzaadje of een zandkorreltje îmân in hun hart hebben nadat ze in de hel hebben gezeten in het paradijs (Jannah) zullen komen (Bukhârî, Muslim en anderen). Abû Hurayrah (رضي الله عنه) vertelde dat een groep sahâba naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde hen zeggen: “Wij ervaren zulke gevoelens diep in ons hart dat ieder van ons dit als een grote zonde zou beschouwen, mochten wij het uitspreken.”".
Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) zei: "Voelen jullie echt zo iets"?
"Ja, (Rasûlallâh)", zeiden ze.
Daarop zei Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) "Dit is de îmân zelve".
Uit de voorgaande ahadîth blijkt dat de îmân in het hart zit.
Hun bewijs uit de ijmāʿ (consensus):
In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd een doofstomme, tongloze of iemand die onder dwang zijn geloof moest ontkennen, toch als muslim beschouwd. Daarentegen waren de huichelaars (munāfiqūn), die met hun tong hun īmān betuigden zonder innerlijke overtuiging, geen muslims.
Hieruit blijkt dat īmān geloven, bevestigen en zich onderwerpen aan het bestaan en de waarachtigheid van Allāh en alles wat Hij aan Zijn Nabie Muhammad (صلى الله عليه وسلم) heeft neergezonden, omvat.
De ’ulamā’ hebben de volgende weerlegging gegeven aan een groep die van mening was dat īmān uitsluitend bestaat uit bevestiging met het hart en kennis (maʿrifah): kennis (maʿrifah) is het tegengestelde van onwetendheid (jahl), maar het tegengestelde van īmān is kufr. Als īmān slechts kennis zou zijn, zou onwetendheid automatisch kufr zijn. Dat zou betekenen dat elke onwetende een ongelovige is en elke geleerde een mu’min. Bovendien zouden volgens deze redenering de joden, de christenen en zelfs de duivel muslim moeten zijn, omdat zij Allāh en Zijn Nabie kennen. Dit staat echter haaks op wat de Qur’ān leert.
b) Īmān is het bevestigen (taṣdīq) met het hart en dit betuigen met woorden (iqrār) van alles wat van Allāh en Zijn Boodschapper (Rasûl) is gekomen.
Deze opvatting wordt vooral aangehangen door de meeste Hanafietische ’ulamā’. Imām Abū Ḥanīfah schrijft in zijn boek al-Wasiyyah:
“Īmān is het betuigen met de tong (iqrār) en het bevestigen met het hart (taṣdīq). Alleen iqrār kan geen īmān vormen, want dan zouden de huichelaars ook als muslims gelden. Alleen kennis van Allāh en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is eveneens geen īmān, want dan zouden de Ahl al-Kitāb (de mensen van het Boek: joden en christenen) ook als muslims moeten worden beschouwd.”
Er bestaat echter verschil van mening over de vraag of het betuigen van de īmān met de tong, naast de bevestiging met het hart, een verplicht fundament (rukn) van de īmān is. Er zijn twee standpunten:
Sommigen stellen dat beide handelingen — taṣdīq en iqrār — een verplicht fundament van de īmān vormen. Volgens deze visie geldt dat iemand die, zonder belemmering zoals handicap of dwang, zijn īmān niet openbaar maakt, zowel in dit leven als in het hiernamaals als niet-muslim wordt beschouwd.
De meerderheid is van mening dat het bevestigen met het hart het enige verplichte fundament (rukn) van de īmān is, terwijl het betuigen met de tong een verplichting is die buiten de īmān staat. Iqrār geldt hierbij voor personen die onder de islamitische wetgeving leven. Met andere woorden: de Sharīʿah stelt dat iemand zijn īmān hier op aarde openbaar maakt, zodat kan worden beoordeeld of hij een muslim of niet-muslim is.Iemand die zijn īmān wel met het hart bevestigt, maar niet met de tong betuigt, begaat een grote zonde.
Voor Allāh is hij een muslim, maar voor andere mensen, die niet in de harten kunnen kijken, wordt hij als niet-muslim beschouwd. De islamitische staat kan in dat geval de rechten en plichten van een muslim niet op hem toepassen.
Omgekeerd geldt dat personen die hun īmān met de tong hebben betuigd, maar dit niet met het hart hebben bevestigd (de huichelaars), op aarde niet door de Sharīʿah voor hun ongeloof gestraft kunnen worden. Ze worden op aarde echter als muslims behandeld, terwijl zij in het hiernamaals hetzelfde oordeel ontvangen als ongelovigen.
Kortom: de Sharīʿah beoordeelt de uiterlijke handelingen en niet wat er in de harten verborgen is.
Hun bewijzen uit de Qur'ân is o.a. de volgende 'ayah:
An Nahl (16),106: (Nederlandse uitleg)
" Terwijl iemands hart vol is van îmân, uitgezonderd degenen die gedwongen worden, niet in Allâh gelooft nadat hij îmân heeft gedaan, en zijn borst opent voor het ongeloof (kufr) op hen is Allâhs toorn en zij zullen een zware kastijding hebben".
De īmān die hier wordt besproken, betreft de īmān die men met de tong betuigt. Wanneer iemand zegt dat hij niet gelooft, weten wij niet of hij dit werkelijk met hart en ziel ontkent of slechts met zijn tong. Daarom zijn beide handelingen — bevestiging met het hart en betuiging met de tong — noodzakelijk voor een volledige īmān.
Hun bewijzen uit de Hadîth:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei:
"Ik ben aangesteld (door Allâh) tot het voeren van oorlog totdat de mensen zeggen dat er geen godheid is dan Allâh en Muhammad Zijn Boodschapper is. Door het zeggen van deze zin zullen hun leven en bezittingen beschermd worden".....(Bukhârî, Muslim).
" Degene die ter grootte van een tarwe of gerst korrel of een stofdeeltje îmân heeft en "er geen godheid dan Allâh en Muhammad is Zijn Boodschapper" zegt, zal uit de hel verwijderd worden".
(Bukhârî, Muslim, Tirmidzî, Ibni Mājah) Uit het voorgaande blijkt dat de twee componenten van de îmân (tastîq en iqrâr) onafscheidelijk van elkaar zijn.
c) Īmān is het bevestigen (taṣdīq) met het hart van alles wat van Allāh en Zijn Boodschapper (Rasûl) is gekomen, dit betuigen met woorden (iqrār), en het verrichten van de fundamenten van de Islām [goede daden (ʿamal ṣāliḥ)].
Deze opvatting wordt zowel aangehangen door de ’ulamā’ van Ahl as-Sunnah wa-l-Jamāʿah, waaronder Imām Mālik, Imām Shāfiʿī, Imām Aḥmad ibn Ḥanbal, Imām al-Awzāʿī, Imām Ibn Taymiyyah en Imām Ibn Ḥazm, als door de ’ulamā’ van Ahl al-Bidʿah, zoals de Muʿtazilieten, Khārijieten en Zaydiyyah.
Volgens deze geleerden behoort het verrichten van goede daden (ʿamal ṣāliḥ) tot de īmān. Er bestaat echter verschil van inzicht over de vraag of alle goede daden hiertoe behoren, zowel de verplichte (farḍ of wājib) als de vrijwillige (nāfilah) handelingen.
De meerderheid van de Ahl al-Bidʿah is van mening dat alle handelingen onderdeel van de īmān zijn. Hiervan is het standpunt van de Khārijieten het meest radicaal: zij stellen dat een muslim die een verplichte of vrijwillige daad niet verricht, als niet-muslim wordt beschouwd.
Andere groepen binnen de Ahl al-Bidʿah beperken dit tot alleen de verplichte handelingen, die zij als onderdeel van de īmān beschouwen.
De Muʿtazilieten onderscheiden drie soorten zonden:
Zonden die leiden tot ongeloof (kufr): dit zijn daden die het accepteren van Allāh en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) onmogelijk maken.
Zonden die geen kufr veroorzaken: bijvoorbeeld het niet bedekken van lichaamsdelen die volgens de Sharīʿah verplicht zijn te bedekken.
Zonden die geen kufr veroorzaken, maar iemand van zijn īmān ontdoen: personen die dit soort zonden begaan bevinden zich op de grens tussen īmān en kufr, ook wel fisq genoemd. Voorbeelden zijn overspel, alcoholgebruik, opzettelijk een mens doden en andere grote zonden. Zij zijn noch volledig muslim, noch volledig kāfir, maar fāsiq. Indien zij sterven zonder berouw (tawbah), zullen zij voor eeuwig in de hel terechtkomen.
Imām al-Ashʿarī en andere ’ulamā’ van Ahl as-Sunnah wa-l-Jamāʿah zijn van mening dat het niet nakomen van een handeling — verplicht of vrijwillig, met of zonder geldige reden — iemand niet van zijn geloof kan ontdoen. Het niet verrichten van amal-i ṣāliḥ of het begaan van een grote zonde maakt een muslim tot een zondaar (fāsiq), en niet tot iemand die zijn īmān verliest, zoals de Muʿtazilieten beweren.
Volgens deze opvatting kan het verrichten van goede daden (amal-i ṣāliḥ) het īmān versterken, en het nalaten ervan het īmān verzwakken. De goede daden vormen geen integraal onderdeel van de īmān, maar maken de īmān vollediger en sterker.
d) Īmān is volgens sommige opvattingen alleen het betuigen met de tong (iqrār), of het is de kennis van het hart over de īmān-zaken, zonder dat dit met het hart bevestigd hoeft te worden.
Deze en andere meningen worden door sommige Ahli Bidʿah ’ulamā’ aangehangen. De Ahli Sunnah wal Jamaʿah ’ulamā’ hebben met behulp van de Qur’ān en Ahādīth aangetoond dat deze opvattingen onjuist zijn. Dit zal hier verder niet worden behandeld.
2.2) DE CORRELATIE TUSSEN IMAN EN `AMAL.
We zagen hierboven al dat volgens sommige ’ulamā’, zowel van Ahl as-Sunnah als van Ahl al-Bidʿah, de īmān uit drie fundamenten bestaat: taṣdīq, iqrār en ’amal-i ṣāliḥ. Daarom stelden de Khārijieten dat muslims die grote zonden begingen of een van de goede daden niet verrichtten, als niet-muslim werden beschouwd.
De Muʿtazilieten waren van mening dat zo iemand nog wel muslim was, maar zonder īmān, zich bevindend op de grens tussen īmān en kufr (manzila baynal manzilatayn). Als hij vóór zijn dood geen berouw (tawbah) toonde voor zijn slechte daden, zou hij rechtstreek en voorgoed in het hellevuur komen.
Op dit punt wijken de ’ulamā’ van Ahl as-Sunnah wa-l-Jamāʿah en de salaf (voorgeslacht: sahāba en tābiʿūn, de muslims die de sahāba hebben gezien) af van de bovengenoemden. Zij zijn van mening dat zo iemand gewoon een muslim blijft.
De Khārijieten en de Muʿtazilieten baseerden hun standpunt op de onderstaande āyāt:
1) Al Bayyinah (98),5: (Nederlandse uitleg)
" Hun werd slechts bevolen Allâh te dienen en daarbij als aanhangers van het zuivere geloof (dinu'l kayyimah), de godsdienst geheel aan Hem te wijden en de salâh (vijfmaal daagsgebed) te verrichten en de zakâh (verplichte aalmoes) te geven. Dit is de juiste godsdienst."
Uit de bovenstaande 'ayah worden de essentiële godsdienstoefeningen ('ibadât), zoals de salâh en de zakâh, aangeduid met het zuivere geloof (dinu'l qayyimah). In surah ali Imrân `ayah 19 (Nederlandse uitleg)"De godsdienst (dîn) bij Allah is de Islâm..") en `ayah 85 (Nederlandse uitleg)"Wie iets anders dan de Islâm als godsdienst wenst, van hem zal het dan niet worden aanvaard. Hij (zal dan) in het hiernamaals tot de verliezers behoren".) Onder het woord "dîn" (godsdienst) wordt de Islâm bedoeld. Daarom is de Islâm, inclusief alle ’ibadāt, gelijk aan de dîn. Met andere woorden: de Islâm komt overeen met de īmān.
De antwoorden van de Ahl-i Sunnah ’ulamā’ zijn als volgt:
Het aanwijzend voornaamwoord "thalika" (dit) in Soerah al-Bayyinah (98:5) wordt in het Arabisch gebruikt voor een mannelijk zelfstandig naamwoord enkelvoud.
"Thalika" verwijst in deze context naar het vrouwelijke zelfstandig naamwoord "wājibāt" (verplichtingen), dat meervoud is, maar ook naar het mannelijke zelfstandig naamwoord "ikhlāṣ" (zuiverheid). In dit geval slaat het zuivere geloof (dinu’l-kayyimah) niet op de godsdienst (dîn), maar op zuiverheid (ikhlāṣ).
De dîn is Islâm, maar de Islâm is niet hetzelfde als dîn.
Al Hudjurât (49),14: (Nederlandse uitleg)
" De arabieren (bedoeinen) zeggen: Wij geloven. Zeg: Jullie geloven niet, maar zeg (tenminste): Wij onderwerpen ons (aslamnâ), (want) de îmân is nog niet in jullie harten ingegaan...".
[Het Arabische woord dîn wordt meestal vertaald als godsdienst, zoals hierboven al is opgemerkt. Soms wordt het ook vertaald als "oordeel", bijvoorbeeld in yawm ad-dîn (Surah al-Fatiha 1:4, de Dag des Oordeels), of als de wetten van Allāh die Hij aan de mensheid heeft gegeven om in alle facetten van het leven toe te passen. Alleen de huidige laïcisten in islamitische landen interpreteren dîn in de westerse betekenis van "godsdienst" en stellen de Islâm en dîn daarmee gelijk.
De Islâm wordt echter op verschillende manieren opgevat: enerzijds als het praktiseren van de goddelijke wetten (Sharīʿah) door de mensen, wat een onderdeel van de dîn vormt, en anderzijds als de ummah die gehoorzaamheid toont aan deze Sharīʿah, inclusief het politieke (kalifaat-)systeem.
Uit deze argumenten blijkt dat de Islâm niet hetzelfde is als īmān. Het bewijs hiervan wordt onder meer door Imām Abū Ḥanīfah gegeven.
2) Ali Imrân (3),97: (Nederlandse uitleg)
"...en de bedevaart naar het Huis (had) is een recht van Allâh op de mensen, en wie niet gelooft, waarlijk Allâh is boven enige behoefte aan de werelden verheven."
Hieruit concludeerden zij dat het niet verrichten van de Haj, een godsdienstoefening (‘ibādah), iemand tot niet-muslim maakt.
De Ahli Sunnah wal Jamaʿah ’ulamā’ en de salaf nemen de letterlijke betekenis van deze āyah echter niet over, maar interpreteren (ta’wīl) het als volgt: het ontkennen dat Haj een verplichte godsdienstoefening is, maakt een muslim tot niet-muslim. Als een muslim wél gelooft dat Haj verplicht is, maar deze niet verricht terwijl hij de mogelijkheid en de middelen heeft, is hij een grote zondaar.
3) An Nisâ' (4),93 : (Nederlandse uitleg)
" En wie een gelovige (mu'min) opzettelijk doodt zijn straf is de hel waarin hij voor altijd zal blijven..."
Uit de letterlijke betekenis van deze āyah concludeerden sommigen dat het vermoorden van een mu’min, wat een grote zonde is, iemand tot ongelovige kan maken. De interpretaties van de soennieten zijn als volgt:
Als een muslim gelooft dat het toegestaan (halāl) is om een mu’min te doden, wordt zo iemand als niet-muslim beschouwd.
Als een muslim daadwerkelijk een andere muslim vermoordt vanwege diens īmān, wordt hij als niet-muslim beschouwd.
Als men de letterlijke betekenis van deze āyah volledig zou accepteren, zou dat echter in tegenspraak zijn met de volgende āyah: An Nisâ' (4),48: (Nederlandse uitleg)
" Allâh vergeeft het verenigen van andere godheden met Hem niet en vergeeft alles behalve dat aan wie Hij wil..."
Daar er geen tegenstrijdigheden in Allâhs Boek kunnen zijn, moeten we deze en vele andere âyât van dit soort interpreteren.
4) Al Mâ'idah (5),44: (Nederlandse uitleg)
"...en wie niet oordeelt (regeert: yahkumu) met hetgeen Allâh heeft geopenbaard, deze zijn de ongelovigen."
Uit de letterlijke betekenis van de āyah hebben de Ahli Bidʿah ’ulamā’ en enkele hedendaagse soennitische ’ulamā’ geconcludeerd dat iemand, zelfs als hij gelooft in de juistheid en perfectie van de wetten van Allāh, toch als niet-muslim wordt beschouwd als hij deze wetten niet in praktijk brengt en niet als grondslag gebruikt bij het besturen van een land.
De interpretaties van de soennieten zijn als volgt:
Als een muslim gelooft dat het toegestaan (halāl) is om niet volgens Allāhs wetten te regeren, valt hij in ongeloof.
Als iemand gelooft dat Allāhs wetten verouderd, nutteloos of ongeldig zijn, of dat ze de behoeften van deze moderne tijd niet kunnen vervullen en daarom ons leven en onze maatschappij niet kunnen leiden of besturen, wordt zo iemand als niet-muslim beschouwd.
[Waarschijnlijk doelen de hedendaagse soennitische ’ulamā’ hiermee op regeringsfunctionarissen en wetgevers in veel islamitische landen die formeel wel in de wetten van Allāh geloven, maar in de praktijk de door mensen opgestelde wetten verkiezen boven de wetten van Allāh. Zij ontkennen daarmee de absolute juistheid van Allāhs wetten. Als men de situatie in de islamitische wereld observeert, zijn dit vaak navolgers van oosterse of westerse ideologieën die in tegenspraak zijn met de Islâm.]
Hun bewijzen uit de Hadîth:
Abû Hurayrah (رضي الله عنه) heeft het volgende van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) overgeleverd:
Degene die overspel pleegt, is geen mu’min zolang hij overspel pleegt. Degene die diefstal begaat, is geen mu’min zolang hij diefstal pleegt. Degene die alcohol gebruikt, door wijn of andere alcoholhoudende dranken te drinken, is geen mu’min zolang hij drinkt."(In sommige ahadîth wordt ook een struikrover vermeld). (Bukhârî, Muslim en anderen).
De Khārijieten en de Muʿtazilieten concludeerden uit deze ahādīth dat het plegen van grote zonden, zoals hierboven genoemd, iemand van zijn īmān kan ontdoen.
De soennitische ’ulamā’ nemen, net als hierboven, de letterlijke betekenis van deze ahādīth echter niet over, maar interpreteren het als volgt:
Een muslim die overspel pleegt, is op het moment van de daad niet een oprechte mu’min en zijn īmān is niet volledig. Zo’n muslim kan worden vergeleken met een persoon die geen handen of voeten heeft en toch nog kan leven.
Een muslim die overspel pleegt, is op het moment van de daad geen mu’min, maar pas daarna weer.
Imām al-‘Amidī zegt over deze hadīth: “Het woord mu’min in deze hadīth is niet afgeleid van de infinitief īmān, maar van de stam amn (zeker zijn). De hadīth betekent dus: iemand die overspel pleegt is niet zeker van Allāhs bestraffing.”
Als deze hadīth niet op deze manier wordt geïnterpreteerd, zou zij in tegenspraak komen met de volgende hadīth.
Abû Dharr (رضي الله عنه) heeft overleverd: Toen ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) kwam zag ik dat hij onder een witte mantel sliep. (Ik ging weg en toen) ik (weer) terug kwam sliep hij nog steeds. (Toen ik voor de derde keer) terug kwam was hij ontwaakt. Ik ging naast hem zitten en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) zei:" Er is geen dienaar (van Allâh) die zijn îmân bevestigd heeft met: "Er is geen godheid dan Allâh (en Muhammad is Zijn Nabie)" en in deze staat sterft, het paradijs zou kunnen binnengaan. Ik zei:" Als hij overspel of diefstal heeft gepleegd?". Hij zei:"(Ja) zelfs als hij overspel of diefstal heeft gepleegd." Hij (Abû Dharr (رضي الله عنه) herhaalde de vraag tot drie maal aan toe. De vierde maal zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ): " Al is dit in tegenspraak met Abû Dharrs (gevoelens. Hij zal het paradijs binnengaan.)".(Bukhârî, Muslim, Tirmidzî).
Van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is de volgende hadīth overgeleverd: “Degene die opzettelijk het gebed (ṣalāh) de rug toekeert, is een ongelovige (kāfir)” (Tirmidhī, Nasā’ī en Ibn Mājah). Deze hadīth wordt door de soennitische ’ulamā’ als volgt geïnterpreteerd: degene die gelooft dat het toegestaan is het gebed te verlaten, is een niet-muslim. Hier komen we later nog op terug.
De ahādīth waarin wordt gezegd dat:
Het fisq (in opstand komen tegen Allāh) is om muslims uit te schelden,
Het kufr is hen te doden,
en andere slechte daden die verboden zijn en worden bedreigd,
moeten worden geïnterpreteerd als: “Iemand die gelooft dat het toegestaan is deze slechte ’amal te verrichten, is een kāfir.”
Ahādīth zoals:
“Niemand zal het paradijs binnengaan, voordat zijn buren verzekerd zijn tegen zijn slechte daden” (Bukhārī, Muslim),
“Het teken van iemands īmān is zijn liefde voor de Ansār (sahāba uit Madīnah)” (Bukhārī, Muslim),
en andere ahādīth die muslims aanmoedigen tot goede daden, moeten ook geïnterpreteerd worden. Dit soort ahādīth worden de zogenaamde “targhīb” (aanmoedigende) en “tarhīb” (bedreigende) ahādīth genoemd, die volgens de Ahli Sunnah wal Jamaʿah ’ulamā’ geïnterpreteerd behoren te worden.
Er zijn veel meer voorbeelden hiervan bekend, maar laten we eerst kijken naar de bewijzen van de Ahli Sunnah wal Jamaʿah ’ulamā’ over de correlatie tussen īmān en ’amal.
In de Qur’ān zijn vele āyāt die beginnen met: “Degene die īmān heeft en goede daden (’amali ṣāliḥāt) verricht...”. De woorden “īmān en ’amal” worden van elkaar gescheiden door het verbindingswoord “en”. Volgens de Arabische grammatica zijn woorden die door “en” worden gescheiden twee verschillende woorden. In sommige āyāt wordt īmān samen met grote zonden genoemd. Als voorbeeld kan de volgende āyah worden gegeven:
Al Hudjurât (49),9: (Nederlandse uitleg)
"En indien twee partijen der gelovigen met elkaar oorlog voeren, breng dan verzoening tussen hen tot stand..."
Allâh noemt de muslims die een grote zonde (moord) begaan toch nog mu'mins.
[Imām Abū Ḥanīfah zegt over dit onderwerp: “Wat betreft de īmānen tawḥīd-zaken (het erkennen van Allāhs eenheid, monotheïsme) zijn alle mu’mins aan elkaar gelijk.
Met andere woorden, alle muslims geloven in essentie in dezelfde īmānen tawḥīd-zaken, terwijl ze in ’amal-zaken van elkaar verschillen” (Fiqh-i Akbar).
Hij vervolgt: “’Amal is iets anders dan īmān en īmān is iets anders dan ’amal. Soms zijn muslims vrijgesteld van bepaalde ’amal. Op zulke momenten, wanneer een muslim een of meer ’amal niet hoeft te verrichten, kan niet worden gezegd dat de īmān van de muslim daardoor wordt verwijderd. Bijvoorbeeld, in het geval van menstruatie hoeft een muslimah geen gebed te verrichten, te vasten, de Qur’ān te lezen, de Ka’bah te bezoeken of andere ’ibādāt uit te voeren. We kunnen dan ook niet zeggen dat haar īmān is verdwenen, noch kunnen we haar bevelen afstand te doen van haar īmān.
Allāh heeft haar in de Qur’ān vrijgesteld van het vasten om dit op een ander tijdstip in te halen. Op dezelfde manier kunnen we niet zeggen dat ze vrijgesteld is van haar īmān om op een ander moment in te halen. Als ’amal en īmān hetzelfde zouden zijn of ’amal een onderdeel van de īmān zou vormen, dan zou op het moment dat de ’amal van een muslim wordt vrijgesteld, ook de īmān verdwijnen. Dit zou echter in strijd zijn met de basisprincipes van het geloof” (al-Wasiyyah).]
Uit de hierboven beschreven āyāt en de uitleg blijkt dat ’amal, ongeacht het soort, niet hetzelfde is als īmān, maar dat ze elkaar juist aanvullen tot een volledig geheel. Zonder īmān heeft ’amal geen waarde voor Allāh, en een muslim zal ook geen innerlijke rust ervaren als zijn īmān niet wordt ondersteund door goede daden.
We kunnen īmān zien als een zaadje dat in het hart wordt geplant. ’Amal-i ṣāliḥ (goede daden) zijn de factoren die het zaad doen ontkiemen, groeien en uiteindelijk bloeien. Zonder goede daden kan het zaad niet ontkiemen of groeien.
Hoewel goede daden zonder īmān geen waarde hebben, mogen we ook niet vergeten dat īmān zonder goede daden nooit volledig kan zijn en daardoor niet kan rijpen of volwassen worden. Daarom zegt men dat het moeilijker is om īmān te beschermen dan om het te verwerven.
Net zoals een mens zonder bepaalde lichaamsdelen kan blijven leven, zal een muslim, in shā’Allāh, zonder goede daden zijn īmān niet verliezen.
2.3) DE CORRELATIE TUSSEN IMAN EN ISLAM.
Volgens de Muʿtazilieten, de Hanafī-Māturīdī-theologen en de Ahli Sunnah wal Jamaʿah ’ulamā’, die de īmān accepteren als bestaande uit de fundamenten tastīq, iqrār en ’amal, zijn de begrippen īmān en Islām in wezen aan elkaar gelijk.
Imām al-Māturīdī zegt hierover: “Hoewel in de Qur’ān en in de Sunnah de termen īmān en Islām van elkaar gescheiden worden gebruikt als twee verschillende termen, hebben ze in werkelijkheid dezelfde betekenis. Want volgens alle ’ulamā’ valt iemand die in ongeloof vervalt ook buiten de grenzen van de Islām.”
Volgens Nūraddīn as-Sābūnī, een Māturīdī-theoloog, is Islām overgave en gehoorzaamheid aan Allāh, en dit kan alleen tot stand komen als men gelooft in de godheid en heerschappij van Allāh (īmān). Omdat īmān het bevestigen van alle verboden en geboden van Allāh (Islām) inhoudt, zijn īmān en Islām in wezen hetzelfde.
Hun bewijzen uit de Qur'ân zijn: (Nederlandse uitleg)
Yûnus (10),84: "En Mûsâ zei: O mijn volk, indien jullie in Allâh geloven en jullie aan Hem onderwerpen (muslim zijn) vertrouw dan (alleen) op Hem."
An Naml (27),81:" Noch kan jij voor de blinden een leidsman uit hun dwaling zijn; jij kunt niemand doen horen, behalve degene die in Onze tekenen (âyât) geloven; en zij zijn die muslim zijn."
Az Zâriyât (51),35 en verder: " Maar Wij vonden er slechts een huis [waarin mensen waren die in de boodschappen van Lût ( عليه السلام) geloofden] waarin muslims waren."
In de bovenstaande âyât (en ook Al Hudjurât (49),9) blijkt dat Allâh voor één en dezelfde groep mensen mu'min en soms muslim zegt; îmân en islâm zijn niet twee verschillende dingen.
Hun bewijzen uit de hadîth:
"Abdullâh ibni 'Umar (رضي الله عنهما) heeft van Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) het volgende overleverd: "Islâm is op 5 fundamenten gevestigd: zeggen dat er geen godheid is dan Allâh en dat Muhammad Zijn Boodschapper is, het verrichten van de salâh, het betalen van de zakâh, vasten tijdens de maand Ramadân (sawm) en het verrichten van de pelgrimstocht (Had)." (Bukhârî, Muslim en anderen). Uit deze hadīth blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) īmān—het zeggen dat er geen godheid is behalve Allāh en dat Muhammad Zijn Boodschapper is—als een onderdeel van de Islām heeft aangeduid.
Hieruit volgt ook dat er geen strikt onderscheid kan worden gemaakt tussen mu’min en muslim: elk mu’min is een muslim en elke muslim is een mu’min. [De schrijver van dit werk volgt deze mening, en daarom worden de termen muslim en mu’min in dit werk door elkaar gebruikt.]
Hanafī-Māturīdī-theologen verdedigen de opvatting dat īmān en Islām elkaar aanvullen, waarbij īmān de innerlijke bevestiging is en Islām de overgave en gehoorzaamheid aan Allāh uitdrukt.
[Imām Abū Ḥanīfah zegt in zijn boek Fiqh-i Akbar: “Islām is zich innerlijk onderwerpen en uiterlijk nederigheid tonen aan Allāhs bevelen. Hoewel de termen īmān en Islām verschillende betekenissen hebben, geldt: zonder Islām is er geen īmān en zonder īmān is er geen Islām. Deze termen kunnen worden vergeleken met de rug en de buik van een persoon. Het woord din (godsdienst) wordt gebruikt voor zowel Islām als īmān; voor alle shari’ah’s zegt men din.”
ʿAlī al-Qārī legt dit als volgt uit: “De īmān is de innerlijke onderwerping en de Islām de uiterlijke onderwerping” (zie al-Hudjūrāt 49/14). Hadīth Djibrīl bevestigt dit: daar staat dat īmān tasdīq (bevestiging) is en Islām iqrār (betuiging) en ’amal-i ṣāliḥ (goede daden). Met andere woorden, īmān is met het hart, dus verborgen, en Islām is met het lichaam, dus zichtbaar; samen vormen ze een eenheid.
Het woord din omvat tasdīq, iqrār en het accepteren van alle wetten die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) van Allāh heeft ontvangen. Voorbeelden uit de Qur’ān zijn:
“En wie een andere godsdienst (din) dan de Islām wenst, het zal van hem niet worden aangenomen…” (Al-i ʿImrān 3/85)
“Waarlijk, de godsdienst bij Allāh is de Islām…” (Al-i ʿImrān 3/19)
“…En voor jullie heb Ik de Islām als godsdienst (din) gekozen…” (Al-Mā’idah 5/3)
(Uit Sharhu-l Fiqhi-l Akbar)]
De theologen die de termen īmān en Islām als twee verschillende begrippen onderscheiden, zijn met name de ’Asharieten en enkele Māturīdīen. Zij stellen dat īmān de innerlijke overgave en gehoorzaamheid aan Allāh is, terwijl Islām de uiterlijke uitdrukking daarvan is. Met andere woorden: īmān bevindt zich in het hart en Islām wordt zichtbaar door de daden en het lichaam.
Volgens Imām al-ʿAsharī omvat Islām īmān, maar niet alles wat Islām is, hoeft ook īmān te zijn. Daarentegen geldt dat alles wat īmān is, ook Islām omvat.
Hun bewijs uit de Qur'ân: (Nederlandse uitleg)
Al Hudjûrât (49),14:" De arabieren (bedoeinen) zeggen: "Wij geloven". Zeg: "Jullie geloven niet, maar zeg ( tenminste ): Wij onderwerpen ons (aslamnâ), (want) de îmân is nog niet in jullie harten ingegaan..."
De reden voor de openbaring van deze āyah is als volgt: ten tijde van een grote droogte kwam een groep uit de clan van de Zonen van Aslam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de kalimah-i shahādah (geloofsbelijdenis) uit te spreken en op die manier materiële steun van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te ontvangen. Hierop openbaarde Allāhu Taʿālā deze āyah. Uit deze āyah blijkt dat Allāhu Taʿālā Islām en īmān van elkaar heeft onderscheiden als twee afzonderlijke begrippen.
Hun bewijs uit de hadîth:
In de zogenaamde hadîth-i Jibrîl heeft Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ) aan de begrippen îmân en islâm twee aparte verklaringen gegeven namelijk:
Op de vraag: "Wat is de îmân ?", antwoorde Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ): "Îmân is; het geloven in Allâh, Zijn engelen, terugkeer naar Allâh (Dag des Oordeels: Akhirah), Zijn profeten en wederopstanding na de dood.
Op de vraag:"Wat is de islâm?",antwoordde Rasûlallâh (صلى الله عليه وسلم ): "(Islâm is); 'ibâdah verrichten voor Allâh, geen deelgenoten toekennen (aan Allâh), het verrichten van de salâh, het betalen van de zakâh, vasten tijdens de maand Ramadân (sawm) en het verrichten van de pelgrimstocht (Had) (en de rest van de hadîth) (Bukhârî, Muslim en anderen).
2.4) TOENAME EN AFNAME VAN DE IMAN.
Hierboven zagen we dat er onenigheid bestaat over de betekenis van het begrip īmān. Er is ook verschil van mening over de vraag of īmān onveranderd blijft in de harten van de muslims, of juist toeof afneemt in relatie tot de hoeveelheid goede daden.
Bij de groep 'ulamā die van mening zijn dat īmān onafhankelijk is van de daden, blijft īmān onveranderd. Zij stellen dat īmān noch toenoch afneemt wat betreft de geloofszaken waarin geloofd moet worden. Immers, als men niet alles accepteert wat van Allāhu Taʿālā en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is gekomen, betekent dit dat er twijfel of persoonlijke opvattingen aanwezig zijn, wat geen bewijs kan zijn voor het vaststellen van geloofszaken. Alleen tijdens het leven van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was er sprake van een toeof afname van īmān: hoe meer āyāt werden geopenbaard, hoe meer geloofszaken bekend werden.
Als īmān zou toeof afnemen, zou het ongeloof (het tegenovergestelde van īmān) in een persoon ook toeof afnemen. Omdat het niet mogelijk is dat zowel īmān als kufr tegelijkertijd in een persoon aanwezig is, blijft de kwantitatieve īmān [de geloofszaken die bevestigd moeten worden en de manier waarop dit gebeurt (tastîq, iqrār, 'amal)] onveranderd. Wie behalve één geloofspunt al het andere accepteert, valt in ongeloof. Īmān is volledig alleen als alle geloofszaken zonder twijfel worden geaccepteerd.
Kwalitatief kan īmān echter wel toeof afnemen door het verrichten van goede daden. Wie veel goede daden verricht, heeft een sterke of perfecte īmān; zonder goede daden is de īmān zwak en is de kans groter dat men in ongeloof valt.
Îmān kan ook verschillen in de manier waarop het tot stand is gekomen. Zo is de īmān van iemand die iets zelf heeft gezien veel sterker dan van degene die het via bericht of rede heeft vernomen. Daarom vroeg Ibrāhīm (عليه السلام) aan Allāh om te mogen zien hoe Hij de doden doet herrijzen. Als Allāh hem vraagt of hij niet gelooft, antwoordt hij: “(zien met mijn ogen) zal mijn hart tevreden stellen” (Al-Baqarah 2/269).
Als we aannemen dat 'amal een onderdeel is van īmān, dan is het mogelijk dat īmān toeof afneemt. Als tastîq echter een essentieel onderdeel van īmān is, dan is dit niet mogelijk. Zo kan de salāt niet toenemen omdat de prosternaties of buigingen langer worden uitgevoerd, maar de zegeningen van de salāt nemen wel toe door het verrichten van de sunnah-handelingen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).
In sura at-Tawba (9),124 (Nederlandse uitleg): "En telkens als een hoofdstuk (surah) geopenbaard wordt, zijn er sommige van hen die zeggen: Wiens îmân heeft deze (surah) versterkt?. Wat betreft degenen die îmân hebben gedaan (elk nedergezonde surah) versterkt hun îmân .." en in sura al Fath (48),4: "Hij is het die gerustheid in de harten van de gelovigen nederzond, opdat zij îmân tot hun îmân toegevoegd zouden hebben..." is " de toename in geloof (îmân) " geïnterpreteerd als de sterkte van de îmân. In al Anfâl (8),2: "Slechts zij zijn mu'mins, wiens harten vol zijn van angst, wanneer Allâh vermeld wordt, en wanneer hun Zijn verzen (âyât) gereciteerd worden, doen ze in hun îmân toenemen, en op hun Heer vertrouwen ze", is "de toename in geloof (îmân) " geïnterpreteerd als de manier waarop het geloven in âyât tot stand is gekomen of zoals hierboven al is beschreven, hoe meer âyât er werden geopenbaard des te meer geloofszaken er bekend werden en daardoor ook de îmân van de muslims toenam. In de âyah in al Baqara (2),143: (Nederlandse uitleg)" ...en Allâh zou jullie îmân niet ongedaan maken..." is "niet ongedaan maken van geloof (îmân)" geïnterpreteerd als de gebeden die verricht werden voordat de gebedsrichting van Masdjidi Aqsa (in Qudus) naar Masdjidi Harâm (in Mekkah) veranderd werd, niet ongeldig zijn.
De 'ulamā die de toeen afname van de īmān accepteren, baseren dit op de letterlijke betekenis van de eerder genoemde āyāt. Volgens de Mu'tazilieten, de Ahli Sunnah wal Djama'ah 'ulamā en de Kharadjīten, die de īmān uit de fundamenten tastîq, iqrār en 'amal erkennen, kan īmān zowel kwalitatief als kwantitatief veranderen.
Een van de bewijzen hiervoor is de hadîth die door Mudjāhid, Abū Hurayrah (رضي الله عنه) en Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما) van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd: "Îmān kan toeen afnemen" (Ibni Mājah).
Sommige 'ulamā beoordelen deze hadîth echter als onbetrouwbaar en zwak (dha'if) (zoals ‘Alī al-Qārī en M.F. ‘Abdulbāqī), of zelfs als verzonnen (Suyūṭī en al-Jawzī). [Er is ook een hadîth die zegt dat īmān noch toenoch afneemt, en dat geloven daarin zelf een vorm van ongeloof is. Over deze hadîth wordt hetzelfde gezegd als hierboven (zie ‘Alī al-Qārī: Sharḥu-l Fiqhi-l Akbar).]
2.5) DHARURATI DINIYYAH.
Ieder die de kalimâ-i shahâdah of kalimâ-i tawhîd uitspreekt met zijn volledige hart is een muslim. Dit wordt ook wel ijmâlî īmān genoemd. Iemand die werkelijk gelooft in Allâhs eenheid en in het profeetschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) accepteert daardoor automatisch ook het geloof in Allâhs engelen, Boeken, Profeten, de Dag des Oordeels en het Raadsbesluit (Qadhā) en de Voorbeschikking (Qadar).
Deze en andere geloofszaken, waarin elke muslim behoort te geloven, worden samengevat onder de zogenaamde dharurāti dīniyyah. Met dharurāti dīniyyah wordt bedoeld dat het boodschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn, die op zeer betrouwbare bronnen zijn gebaseerd, namelijk de Qur’ān en ahādīth tawātur (ahādīth waarvan de echtheid vaststaat), en waarover geen diepgaande scholing of onderzoek nodig is door het gewone volk. Elke muslim behoort hiervan kennis te hebben.
Volgens de 'ulamā die īmān beschouwen als het bevestigen (tastîq) en betuigen (iqrār) van alles wat van Allâh en Zijn Boodschapper (Rasûl) is gekomen met het hart, valt iemand in ongeloof als één of meerdere van de dharurāti dīniyyah-zaken niet met het hart bevestigd worden.
Imâm-i Rabbânî heeft de dharurâti dîniyyah-zaken als volgt samengevat:
Het geloven in Allâhs eenheid, Zijn gezonden Boeken en Bladzijden, Zijn Profeten, Zijn Engelen, de Dag des Oordeels, de wederopstanding, de beloning en de bestraffing in respectievelijk de hemel (Jannah) en de hel (Jahannam), de vernietiging van alles wat geschapen is en alles wat zich voor, tijdens en na de Dag des Oordeels zal afspelen.
Het geloven in de verplichting van het vijfmaal daags gebed (salâh), het aantal rak‘at, de verplichte aalmoes (zakâh), het vasten in de maand Ramadân en, indien de condities en mogelijkheden aanwezig zijn, de bedevaart (Haj) naar Hijâz.
Het geloven dat de volgende zaken verboden zijn: het gebruik van alcohol, het vermoorden van onschuldige mensen, ongehoorzaamheid aan je ouders, stelen, overspel plegen, het ontvreemden of verspillen van de bezittingen van wezen, en andere soortgelijke handelingen.
Het verwerpen, ontkennen of zelfs twijfelen aan de bovengenoemde en vele andere dharurâti dîniyyah-zaken betreffende geloof, daden en ethiek, die in de Qur’ân en de shar‘î hadîth tawâtur zijn vermeld, brengt een muslim in ongeloof.
Er zijn zelfs ‘ulamâ die zeggen dat het ontkennen van een hadîth mashhûr (een graad lager dan hadîth tawâtur) iemand in ongeloof kan brengen. Volgens de meerderheid van de ‘ulamâ bevindt zo iemand zich echter in dwaling, maar komt hij nog niet in de status van een ongelovige.
2.6) SOORTEN KUFR
De theologen hebben zich gebogen over de soorten en niveaus van ongeloof. Ongeloof dat voortkomt uit een verkeerd denkpatroon, een daad of een woord kent verschillende niveaus, en ook de straf op aarde of in het hiernamaals verschilt per type. Zo is de straf voor het toekennen van deelgenoten aan Allâh groter dan het niet accepteren van de profeetschap van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Een ongelovige die alles wat Rasûlullâh heeft gebracht met zijn hart ontkent, heeft een veel grotere zonde begaan dan iemand die met zijn hart gelooft maar door een handeling of woord tijdelijk in ongeloof is gevallen.
De theologen hebben ongeloof (kufr) in vier categorieën verdeeld:
1) Kufr-i inkariyyah: het volledig ontkennen van Allâh, Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) en alles wat Rasûlullâh heeft gebracht, zowel met het hart als met de tong. Een voorbeeld hiervan wordt genoemd in de Qur’ân, al-Baqarah (2/6): (Nederlandse uitleg)"Zij die ongelovig zijn, voor hen maakt het niet uit of je hen waarschuwt of niet; zij geloven niet".
2) Kufr-i juhudiyyah: met het hart de waarheid erkennen maar dit niet met de tong betuigen. Het ongeloof van Iblis en Umayyah bin Salt valt onder deze categorie. In al-Baqarah (2/89) staat: (Nederlandse uitleg) "En toen tot heneen boek van Allah (Qur'ân) kwam dat bevestigde wat zij hadden -voordien hadden zij om bijstand gevraagd tegen hen die ongelovig zijntoen dan dat wat zij al wisten (de Qur'ân) tot hen kwam, geloofden zij er niet in. Allahs vloek komt dus over de ongelovigen."
3) Kufr-i inadiyyah: het hart bevestigt de waarheid en soms wordt dit met de tong betuigd, maar door hoogmoed, sociale positie, nationalistische gevoelens of andere redenen wil men de Islâm niet volledig accepteren. Het ongeloof van Rasûlullâhs oom Abû Talib valt onder deze categorie..
Kufr-i nifaqiyyah: het hart ontkent de waarheid, maar de tong betuigt het tegenovergestelde. Het ongeloof van de huichelaars behoort tot deze categorie.
Sommige Hanafi fuqaha (geleerden die zich bezighouden met de Islâmitische wetleer) noemen ook van een vijfde soort ongeloof n.l. kufr-i jahiliyyah: volgens de meeste ulama valt iemand in ongeloof bij het zeggen van woord(en) of het verrichten van handelingen waarvan men niet weet dat men in ongeloof valt. Met andere woorden onwetendheid kan geen excuus zijn voor dit soort zaken. Daarom moeten muslims twee keer nadenken voordat ze iets zeggen of doen.
Sommigen zeggen dat onwetendheid wel een excuus is. [ Allâh weet het het beste].
[ Volgens Imâm Ibn-i Taymiyyah kunnen we kufr in twee categorieën onderverdelen n.l.:
1) De kleine kufr: ondankbaarheid aan Allahs weldaden (ni`mah): (Nederlandse uitleg)"...En wie dank betuigt doet dat in zijn eigen voordeel en wie ondankbaar (kafara) is...(moet weet dat) mijn Heer Behoefteloos en Edel is." (Nahl (19/40) (zie ook Lukmân (31/12).
In de ahadîthboeken vinden we vele voorbeelden hiervan. Als voorbeeld kunnen we de volgende ahadîth aanhalen:
-Iemand die opzettelijk aanspraak doet op iemand als zijnde zijn eigen vader buiten zijn echte vader, valt in ongeloof.
- Het vermoorden van een muslim is ongeloof.
- Het verlaten van de salâh is ongeloof.
- Degene die aanspraak doet op iemand als zijn vader i.p.v. zijn eigen vader valt in ongeloof.
2) De grote kufr: het ontkennen van Allah en de basis principes van de Islam.
De kleine kufr, die het tegenovergestelde is van dankbaarheid, is duidelijk niet hetzelfde als de grote kufr. Bij de kleine kufr worden de weldaden van Allâh ontkend, maar de ondankbare muslim valt hierdoor niet in ongeloof. Bij de grote kufr wordt daarentegen Allâh en de dharurâti dîniyyah zaken ontkend, waardoor de overtreder wel in ongeloof valt.
Wanneer een muslim een bevel van Allâh niet nakomt, kunnen twee oorzaken een rol spelen: of hij gelooft in de juistheid van het bevel, of hij gelooft er niet in. Als hij gelooft dat het bevel verplicht is, maar het niet uitvoert, heeft hij het eerste deel van de verplichting vervuld, namelijk het geloof erin, terwijl hij het tweede deel, de uitvoering, niet heeft vervuld. Als hij het bevel verwerpt, heeft hij noch in de juistheid van het bevel geloofd, noch het in praktijk gebracht.]
2.7) SHIRK EN KUFR.
In de Shari'ah betekent shirk het toekennen van deelgenoten aan Allâh in Zijn Eénheid (‘Uluhiyyah), Zijn Eigenschappen (Sifât) en Zijn Handelingen (Fi’îl). Kufr en shirk zijn nauw verwant: shirk ontstaat door deelgenoten aan Allâh toe te kennen, terwijl kufr voortkomt uit geloven, doen of zeggen van dingen die tot ongeloof leiden.
Volgens Imâm Abû Hanîfah is kufr een algemene term en shirk een onderdeel daarvan. Elk mushrik (iemand die deelgenoten aan Allâh toekent) is een kâfir (ongelovige), maar niet elke kâfir is een mushrik. Zo zijn de joden en christenen kâfir, maar geen mushrik (al-Bayyinah 98:1 e.v.): (Nederlandse uitleg) "Zij onder de mensen van het boek (Joden en Christenen) en de polytheisten (mushrikûn) die ongelovig zijn zullen pas ophouden als het duidelijke bewijs tot hen komt. Een gezant van Allah die rein gemaakte bladen aan hen voorleest, waarin juiste dingen geschreven staat." In deze ayat worden Ahli Kitâb en mushrikûn afzonderlijk genoemd, wat aangeeft dat het twee aparte groepen van ongelovigen betreft.
Sommigen menen echter dat deze termen dezelfde betekenis hebben. In de Qur'ân lezen we dat ook Ahli Kitâb shirk hebben gepleegd: de christenen geloven in de drie-eenheid en de joden volgen alles wat hun rabbijnen zeggen, waardoor zij volgens sommigen ook als mushrik worden gezien.
Volgens Ibn Taymiyyah en zijn leerling Ibn al-Qayyim zijn er twee soorten shirk:
Shirk-i Rububiyyah: het toekennen van deelgenoten aan Allâh als Rab (Meester, Opvoeder, Heer van de schepping en Instandhouder van alles), of het accepteren dat er een ander almachtig wezen bestaat met dezelfde eigenschappen en handelingen als de Éne Almachtige Godheid: as-Saba' (34),22: (Nederlandse uitleg) "Zeg: "Roept hen maar aan van wie jullie beweren dat zij naast Allah bestaan. Zij hebben geen grijntje heerschappij in de hemelen, noch op de aarde. Zij hebben in geen van beide een aandeel en Hij heeft onder hen geen enkele helper."
Shirk-i Uluhiyyah: het toekennen van deelgenoten aan Allâh als de Enige Godheid (Ilâh), aan wie om hulp, aanbidding (‘ibadât) en smeekbede (du`â) wordt gevraagd. Dit soort shirk wordt afgewezen in surah al-Fâtiha (1/4): (Nederlandse uitleg) "Alleen dienen wij U alleen van U vragen wij om hulp".
2.8) IRTIDAD (RIDDAH) EN KUFR.
Irtidad is het infinitief van de achtste vorm (irtadda) van het werkwoord radda, dat zich terugtrekken kan betekenen. Volgens de Shari’ah betekent het zich distanciëren van de Islâm (geloofsverzaking). Degene die dit doet, wordt een murtad (afvallige) genoemd.
In de eerste eeuw na de Hijrah zien we voor het eerst geloofsverzaking. De afvalligen van die tijd kunnen in twee groepen worden ingedeeld:
Afvalligen van de Islâma) Een groep die in de profeetschap van twee valse profeten, Musaylimatu-l Ka'ab (12/633) en Aswadu-l Ansi (11/632), geloofde.b) Een groep die terugkeerde naar hun oorspronkelijke godsdienst.
De sahâba waren het erover eens dat mensen uit deze twee groepen als ongelovigen moesten worden beschouwd. Hun mannen moesten worden gedood, terwijl hun vrouwen en kinderen tot slaven gemaakt konden worden. 'Ali (رضي الله عنه) heeft zelf een afvallige vrouw tot slavin gemaakt; zij werd de moeder van één van zijn zonen, Muhammad Ibnu'l Hanafiyyah (81/700).
Afvalligen die de Islâm geloofden maar de zakâh (verplichte aalmoes) ontkenden en niet betaaldenZij stelden dat de zakâh alleen aan Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zelf gegeven kon worden. Door deze overtuiging kwamen ze in opstand tegen de Islâmitsiche Staat en haar staatshoofd, kalief Abû Bakr (رضي الله عنه), en ontkenden ze een van de fundamentele pijlers van de Shari’ah.
Er is een duidelijk verschil tussen een murtad en een kâfir: een kâfir heeft nooit de Islâm geaccepteerd, terwijl een murtad eerst als muslim leefde en de Waarheid kende, maar de duisternis boven het licht verkoos. Daarom zijn de wereldlijke en hiernamaals straffen voor een murtad zwaarder dan voor een kâfir.
2.9 ) GROTE ZONDE (KABIRAH) KWESTIE.
"Kabîrah (meervoud: kabâir) of kabiratu-l ithm betekent grote zonde. Sommige Ashari-theologen maken geen onderscheid tussen kleine (saghîrah) en grote zonden; zij zijn van mening dat alle zonden groot zijn. De meeste 'ulamâ' maken echter wel een onderscheid, omdat in de Qur'ân en de ahadîth expliciet wordt gesproken over kabîrah.: (Nederlandse uitleg)
" Indien jullie de grote zonden, die jullie verboden zijn schuwen, zullen Wij jullie boze neigingen wegnemen..."(an-Nisa 4/31); Degene die de grote zonden en de onzedelijkheden schuwt, behalve kleine fouten; waarlijk Uw Heer is mild in het vergeven."( an-Nadjm (53),32).
Een overtreding wordt als kabîrah beschouwd als de Qur'ân of de Sunnah een waarschuwing of bedreiging noemt, met wereldlijke en/of hiernamaals straffen, zoals lichamelijke straffen (ḥadd of qiṣāṣ), verdoemenis of andere specifieke vervloekingen voor de overtreder. Alleen de Shari'ah kan bepalen of iets een kabîrah of een saghîrah is en welke straffen eraan verbonden zijn.
Het verlaten van een verplichte (fardh of wâjib) handeling of het verrichten van een verboden (harâm) handeling geldt als kabîrah. Zo’n persoon wordt ook wel een fâsiq genoemd. Als een muslim uit luiheid een vrijwillige (sunnah) handeling nalaat of een afkeurenswaardige (makrûh) handeling verricht, is dat een saghîrah. Wordt dit echter met opzet en hardnekkig volgehouden, dan kan het omslaan tot een kabîrah, zij het van een lagere graad dan de hierboven genoemde.
In de ahadîth wordt vermeld dat shirk en kufr de grootste zonden (kabâir) zijn. De Qur'ân zegt dat Allâh shirk niet vergeeft, maar andere zonden wel, naar Zijn wil (zie an-Nisâ' 4/48 en 116). Alle islamitische groeperingen zijn het erover eens dat kabâir zoals shirk en kufr iemand tot ongeloof kunnen brengen. Er bestaat echter verschil van mening over andere kabâir. Imâm Mâturîdî onderscheidt kabâir in geloofszaken (aqîdah**) en praktische zaken (**amal), waarbij de eerste tot kufr gerekend wordt en de tweede niet—te vergelijken met kleine en grote kufr.
Er is geen universele, vaste lijst van grote zonden, waardoor onenigheid bestaat over hun aantal. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) heeft afhankelijk van tijd en omstandigheden verschillende hoeveelheden genoemd.
" Zal ik jullie vertellen welke de aller grootste kabâir zijn?
Deze zijn: - deelgenoten toekennen aan Allâh (shirk), - ongehoorzaamheid aan de ouders, - valse getuigenis afleggen (Bukhari, Muslim en anderen), - valse eed afleggen,(Bukhari), - magie, - opzettelijk iemand vermoorden, - bezittingen van wezen ontvreemden, - rente accepteren, - deserteren uit de oorlog, - een eervolle mu'minah laster opleggen (Bukhari, Muslim en Abû Dawud van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) overleverd), - (in Abû Dawud wordt de zeven kabair van hierboven aangevuld met) het toegestaan (halal) vinden van de verboden handelingen in Masdjidi-l Haram, - Ibn-i 'Umar (رضي الله عنهما) vult het aan met overspel en ongehoorzaamheid aan de muslim ouders. - volgens 'Ali (رضي الله عنه) is diefstal en drinken van alcoholhoudende dranken ook kabâir.
Het is goed mogelijk dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم ) niet alle kabâir heeft opgesomd, maar slechts die zonden noemde die op dat moment relevant waren voor de vrager of afgestemd waren op de situatie en de noodzaak van die tijd. Er zijn immers veel meer kabâir dan hierboven genoemd. Sommige 'ulamâ' schatten het aantal op ongeveer zeventig, anderen op 467, en volgens Ibn-i ‘Abbâs loopt het zelfs op tot zevenhonderd.
Abû Talib al-Makkî (386/996) onderscheidt de volgende 17 kabâir:
Hart (4): shirk, volharden in zonden, de hoop op Allâhs barmhartigheid opgeven, en zekerheid hebben over Zijn bestraffing.
Tong (4): laster over overspel, valse getuigenis afleggen, magie bedrijven, en een valse eed afleggen.
Maag / consumptie (3): zonder recht de bezittingen van een wees ontvreemden, rente accepteren, en alcoholhoudende dranken gebruiken.
Geslachtsorgaan (2): overspel en pederastie.
Handen (2): opzettelijk iemand vermoorden en stelen.
Gehele lichaam (1): ongehoorzaamheid aan de ouders.
[2.10) KUFR EN IMAN ZIJN VERDIENSTEN VAN DE MENS ZELF.]
Allâh heeft ieder schepsel oorspronkelijk vrij geschapen van îmân en kufr. Vervolgens heeft Allâhu Ta'ala zich tot hen gewend en hen Zijn geboden en verboden bekendgemaakt. Degene die dit niet accepteert, wordt door zijn eigen daad van verloochening en doordat Allâh Zijn hulp van hem heeft onthouden, een kâfir geworden. Degene die dit wel accepteert, doet door zijn eigen handelingen (fi‘il), bevestiging (tasdîq) en betuiging (iqrâr) van Allâhu Ta‘ala, en met Zijn leiding en hulp, îmân (moslim geworden). (Fiqh-i Akbar van Imâm Abû Hanîfah)
'Ali al-Qârî heeft het bovenstaande als volgt uitgelegd: Allâhu Ta'ala heeft de mensen het vermogen gegeven zich te onderwerpen dan wel zich te keren tegen Allâh: (Nederlandse uitleg)" Hij is het die jullie geschapen heeft, maar er zijn ongelovigen (kâfir) en gelovigen (mu'min) onder jullie" (at-Taghâbun 64/2). Een ongelovige verloochent vanwege zijn eigen koppigheid en met zijn eigen wil. En Allâh schept dan zijn ongeloof. Vanwege Allâhs rechtvaardigheid helpt Hij niet en stemt Hij ook niet toe in het ongeloof van een kâfir: (Nederlandse uitleg) " Waarlijk Allâh doet de mensen geenszins onrecht, maar de mensen zijn onrechtvaardig tegen zichzelf " (Yunus 10/44). Vanwege Allâhs goedertierenheid helpt Hij degenen die îmân en 'amal-i salih (goede daden) hebben gedaan en Hij brengt ze tot succes: (Nederlandse uitleg) " ... waarlijk Allâh is goedertieren jegens de mensen doch de meeste mensen danken niet" (al-Baqarah 2/243). (uit " Sharhu-l Fiqhi-l Akbar")
HOOFDSTUK 3: DE DIMENSIE EN DE GRENZEN VAN KUFR
3.1) INLEIDING.
De takfîr, oftewel het vaststellen van de grens tussen îmân en kufr, wordt bestudeerd binnen drie disciplines: ‘ilm-i `aqîdah (geloofsleer), ‘ilm-i kalâm (theologie) en ‘ilm-i fiqh (wetsleer).
De geloofsleer en theologie onderzoeken wanneer, waarom en onder welke omstandigheden een muslim zijn status als muslim verliest en in kufr valt.
De fiqh richt zich op de praktische consequenties van het afvallen van de Islâm.
Als we kijken naar de tijd van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم), de zogenaamde ‘Asr-i Sa‘adah (eeuw van harmonie), zien we dat hij noch individuen noch specifieke groepen belastte met takfîr. Zelfs de huichelaars (munâfiqûn) in Madinah, die hij persoonlijk kende, werden behandeld als muslims zolang ze de woorden “ik ben een muslim” uitspraken. Zijn doel was iedereen te islamitiseren, niet te veroordelen.
In zijn ahadîth zien we dat hij bij takfîr generaliserend te werk ging, zonder namen te noemen:
“Iemand die opzettelijk iemand als zijn vader aanduidt buiten zijn werkelijke vader, valt in ongeloof.”
“Iemand die naar een waarzegger gaat en diens woorden bevestigt, valt in ongeloof.”
“Iemand die een eed doet buiten Allâhs naam, valt in ongeloof.”
“Iemand die zijn salâh niet verricht, valt in ongeloof.”
(Deze voorbeelden hebben betrekking op kufr-i ‘amal, oftewel tijdelijke of kleine kufr door daden.)
De eerste discussies over wanneer een muslim zijn rechten van muslim-zijn verliest ontstonden rond kwesties zoals: grote zonden, eigenschappen van Allah, qadar (raadsbesluit) en qadhâ (voorbeschikking), en politieke kwesties. Vanuit deze discussies ontstonden naast de Ahl-i Sunnah (Salafiyyah) de volgende groeperingen:
De Murji‘ieten bleven trouw aan de gevestigde orde en lieten het lot van de zondaar aan Allah over.
De Kharijieten waren fel tegen de gevestigde orde, ontkenden qadar en gaven de mens absolute vrije wil.
De Jabarieten benadrukten Allahs absolute almacht en sloten menselijke zelf-determinatie volledig uit.
De Mushabbieten gingen te ver bij het interpreteren van Allahs eigenschappen; zij namen de Qur’ân en ahadîth letterlijk en verwierpen het bila kayfa wa la tashbîh van de salaf. Zij stelden het Wezen van Allah gelijk aan dat van Zijn schepselen.
De Mu‘tazilieten ontkenden sommige eigenschappen van Allah en interpreteerden allegorische ayat met de rede.
[Kortom, de discussie over takfîr ontwikkelde zich uit de behoefte de grenzen van geloof, ongeloof en zonde af te bakenen, waarbij verschillende groepen uiteenlopende opvattingen aannamen over vrije wil, Allahs eigenschappen en de rol van de mens.]
Reeds kort na het ontstaan van de Islâm ontwikkelde zich een dogmatische theologie. De waarheden die in de Qur'ân werden geopenbaard, vroegen om nadere uitwerking. Men trachtte deze waarheden te begrijpen en in overeenstemming te brengen met het menselijke denken. Deze systematische benadering van religieuze waarheden werd ‘Ilm-i Kalâm genoemd, oftewel de wetenschap van de rede, en degenen die dit beoefenden werden mutakallim genoemd.
Aan het einde van de eerste eeuw na de Hijrah verschenen de Mu‘tazilieten met hun ‘ilm-i kalâm. Zij ontkenden sommige eigenschappen van Allâh en interpreteerden de mutashabihat (allegorische āyāt waarvan de werkelijke betekenis alleen bij Allâh bekend is) met behulp van de rede. Hiertegenover stond de Salafiyyah, vertegenwoordigers van de Ahli Sunnah wal Jama‘ah, die vasthielden aan de traditionele uitleg.
Pas anderhalf eeuw later waren sommige Salafiyyah-‘ulamâ, zoals Ibn-i Qullab al-Basri (240/854) en al-Kharis al-Muhasibi (243/857), van mening dat bepaalde, maar niet alle, geloofsprincipes met de rede verklaard konden worden.
Over het algemeen accepteerde de Salaf (het voorgeslacht: de sahâbah, hun opvolgers tabi‘ûn, en degenen die hen opvolgden in `aqîdah-zaken) de Qur’ân en de ahadîth zoals ze waren. Ze hechtten geen waarde aan de pogingen van de mutakallim, met name de Mu‘tazilieten, om de godsdienst met de rede te beschermen. Alle moeilijkheden in de Qur’ân, zoals de antropomorfische voorstellingen, werden opgelost met het principe: “zonder te vragen hoe en zonder vergelijking te maken” (bila kayfa wa la tashbîh). Wat in het Woord van Allâh en de ahadîth stond, was voldoende; meer uitleg was niet nodig.
De grondlegger van de Ahl-i Sunnah ‘Ilm-i Kalâm is Imâm al-Ash‘ari, die de Mu‘tazilieten tot zijn veertigste jaar (300/912) volgde. Zijn bekering tot de Ahl-i Sunnah wordt als volgt verteld:
Bij de discussie over het punt dat Allâh altijd het beste doet voor de mens, zoals de Mu‘tazilieten leerden, vroeg Imâm al-Ash‘ari aan zijn leraar Abû ‘Ali al-Jubba‘i:
"Wat zegt u over drie broeders, waarvan één in gehoorzaamheid leeft (muslim), één in ongehoorzaamheid (kâfir), en de derde jong sterft?"
Jubba‘i antwoordde: "De eerste ontvangt zijn beloning in het paradijs, de tweede wordt gestraft in de hel, en de laatste wordt noch gestraft noch beloond."
Imâm al-Ash‘ari vroeg: "Wat als de laatste zegt: 'O mijn Rab, wanneer U mij had laten leven, dan zou ik goed hebben gehandeld en het paradijs hebben binnengaan, zoals mijn muslim broer?"
Jubba‘i antwoordde: "Allâh zou zeggen: 'Ik weet dat als Ik jou had laten leven, jij zou afdwalen van de goddelijke voorschriften (Shari‘ah) en goddeloos zijn, en de hel zou binnengegaan zijn.'"
Imâm al-Ash‘ari vervolgde: "Dan zou de tweede zeggen: 'O mijn Rab, waarom liet U mij niet jong sterven zoals mijn broeder?'"
Hierop wist Jubba‘i geen antwoord en zweeg verwonderd stil, en Imâm al-Ash‘ari verliet hem.
[Deze gebeurtenis markeert het keerpunt in al-Ash‘ari’s weg naar het volgen van de Ahli Sunnah wal Djama‘ah.]
[ De werkelijke reden van zijn bekering gaat waarschijnlijk veel dieper dan alleen dit specifieke voorval. Door zijn intensieve studie van de Qur’ân en de ahadîth ontdekte hij dat de Mu‘tazilische benadering van kalâm geen bevredigende antwoorden bood. Daarom keerde hij terug naar de Qur’ân en de ahadîth en stelde hij het verstand onder aan deze twee bronnen. Alle leerstellingen, ook die gebaseerd op de rede, die tot conclusies leidden die in tegenspraak waren met Allâhs openbaring, moesten worden verworpen of gecorrigeerd.
Tegelijkertijd volgde hij de Salafiyyah niet volledig. Voor zover rationele argumenten in overeenstemming waren met de openbaring, konden deze worden behouden.
De rede diende bij hem als een instrument om de openbaring te verdedigen tegen de Ahl-i Bid‘ah, maar bleef altijd ondergeschikt aan de Qur’ân en hadîth.]
Na zijn bekering begon hij systematisch de Mu‘tazilah en andere Ahl-i Bid‘ah `aqîdah-systemen te bestrijden, zoals blijkt uit de uitgebreide reeks geschriften die tot ons zijn overgeleverd. Zijn leer genoot brede aanvaarding in Baghdad en Basrah.
Tegelijkertijd werkte Imâm al-Mâturîdî (333/944) in Mawaraunnahr de geloofsleer van Imâm Abû Hanîfah verder uit en plaatste deze tussen de leer van Imâm al-Ash‘arî en de Salafiyyah. Dankzij het werk van deze twee imâms ontstond een Sunni `ilm-i kalâm als tegenwicht tegen de kalâm van de Ahl-i Bid‘ah. Het verschil tussen hun leerstellingen betreft vooral kleinere details, niet de fundamentele principes.
De werken van de Ahl-i Sunnah-theologen behandelden de uitleg van de geloofsprincipes waaraan een muslim zich moest houden. Tegelijkertijd verwierpen zij de geloofsprincipes van de Ahl-i Bid‘ah die niet in overeenstemming waren met die van de Ahl-i Sunnah. Ze boden inzicht in de geloofsprincipes, problemen en debatten van hun tijd, en werkten de principes verder uit naarmate nieuwe kwesties aan de orde kwamen.
Vanaf het einde van de heerschappij van de Omajjaden tot het kalifaat van al-Ma‘mun (218/833) bereikte de vertaling van de oude Griekse wetenschappen zijn hoogtepunt en verschenen de eerste islamitische filosofen, zoals al-Kindî (252/866). Deze filosofen, beïnvloed door de Griekse denktraditie, probeerden geloofszaken via metafysica te verklaren.
In deze periode was de islamitische gemeenschap verdeeld in vier groepen:
Salafiyyah, voornamelijk behorend tot de Hambaliyyah-school;
Ahl-i Bid‘ah (zoals Kharijieten, Mu‘tazilieten, Shi‘ieten, Murji‘ieten etc.);
’Ashariyyah en Mâturîdiyyah, waarin de Ahl-i Sunnah-theologen vielen;
Islamitische filosofen.
Elke groep verdedigde de juistheid van zijn eigen ideeën, en de fanatieke leden zagen anderen vaak als ongelovig.
Imâm Ghazâlî merkt hierover terecht op: “Tegenwoordig wordt kufr vaak gedefinieerd als sterke tegenstand tegen bepaalde groepen, zoals ’Ashâriyyah, Mu‘taziliyyah en de Hambaliyyah-school. Door blindelings navolgen en fanatisme raken zij ver verwijderd van de tolerantie die de Islâm voorschrijft.”
Als voorbeeld noemt hij de controverse tussen Asharieten en Hambalieten: de Hambalieten verklaarden de Asharieten voor ongelovig omdat zij ‘fawq’ (Allâh is boven) en ‘istiwa’ (Allâh is op Zijn arsh) ontkennen. Daarop verklaarden de Asharieten de Hambalieten voor ongelovig omdat zij de âyah “niets is als Zijn gelijkenis” interpreteren en Allâh met iets vergelijken.
Na deze historische schets zullen we ons hier concentreren op de dimensie en grenzen van kufr binnen de Ahl-i Sunnah. De aspecten van kufr bij de Ahl-i Bid‘ah blijven buiten beschouwing, hoewel de schrijver deze in zijn werk wel behandelt.
3.2) TAKFIR VOLGENS DE AHL-I SUNNAH
Volgens de meeste 'ulamâ' wordt iedereen die de salâh in de richting van de Qiblah verricht beschouwd als Ahl-i Qiblah (of Ahl-i Islâm). In een bredere omschrijving is Ahl-i Qiblah ook iedereen die gelooft dat alles buiten Allâh geschapen is, dat er na de dood een opstanding zal plaatsvinden, dat Allâh alles in zowel totaliteit als detail weet, en die alle Dharuriyyât-i Diniyyah unaniem accepteert.
Binnen de Ahl-i Qiblah kan men onderscheid maken tussen Ahl-i Sunnah en Ahl-i Bid‘ah. De Ahl-i Sunnah is de groep die de weg van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم), diens ashâb (m.v. van sahâba) en hun geloofsprincipes volgt. Zij volgen daarnaast de ijtihad van de Salafiyyah, Imâm Mâturîdî en Imâm al-Ash‘arî om Allâhs wil te doorgronden en daarop gebaseerde wetsregels vast te stellen. Deze groep wordt ook wel Ahl-i Haq of Firqa-i Najiyyah genoemd.
De Ahl-i Bid‘ah daarentegen hebben onder het mom van de Shari‘ah nieuwlichterij (bid‘ah) geïntroduceerd en de weg van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم), diens ashâb en hun geloofsprincipes verlaten.
De essentie van dit hoofdstuk is het uiteenzetten van de takfir vanuit het perspectief van de Ahl-i Sunnah. Het is van groot belang te begrijpen welke geloofsprincipes, gedachten, handelingen en woorden een muslim ongelovig kunnen maken, onder welke omstandigheden takfir tot stand komt, en aan welke wettelijke en religieuze consequenties iemand in dat geval onderhevig is.
Het is een zeer moeilijke kwestie om iemand die bekendstaat als muslim als ongelovige aan te merken, omdat dit juridische gevolgen heeft. Een muslim die in een islamitische staat leeft en de Shari‘ah-wetten volgt, kan de doodstraf krijgen bij verwerping van de Islâm zonder berouw te tonen. Na overlijden kan zo iemand bijvoorbeeld niet gewassen worden, wordt er geen salâh al-janazah over hem verricht, en wordt hij niet op een islamitische begraafplaats begraven. Met andere woorden: hij behoudt niet dezelfde rechten als een muslim, wat de complexiteit van dit onderwerp illustreert.
3.3) ONJUIST GELOOF ('AQIDAH) DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT.
1) TA'WIL (INTERPRETATIE).
Veel nageslacht (halaf) nemen de allegorische âyât en ahadîth niet letterlijk, maar interpreteren deze, een proces dat in het Arabisch ta’wîl wordt genoemd.
Soms worden de termen ta’wîl en tafsîr (uitleg) door elkaar gebruikt, maar doorgaans verwijst ta’wîl naar het verklaren van teksten waarvan de betekenis niet direct duidelijk is, zoals bij de allegorische âyât en ahadîth.
Afhankelijk van de `aqîdah van bepaalde scholen verschillen de meningen over de vraag of de letterlijke betekenis gevolgd moet worden of dat interpretatie (ta’wîl) toegestaan is.
Onder de salaf en halaf 'ulamâ' bestaat onenigheid over de legaliteit van ta’wîl. Volgens de Salafiyyah is ta’wîl niet toegestaan, omdat in de Qur'ân staat dat de uiteindelijke verklaring van de allegorische âyât bij Allâh ligt. Zo zegt Allâh in Al-i 'Imran (3/7):
"Hij is het die tot jou het Boek heeft nedergezonden; een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen (muhkam), zij zijn de grondslag van het Boek, en een deel bestaat uit meerduidige tekenen (mutashâbih). Zij die in hun hart een neiging tot het verkeerde hebben, volgen bij hun streven naar verzoeking en bij hun streven naar eigenzinnige verklaring het deel dat meerduidig is. Maar de verklaring daarvan kent niemand behalve Allâh. En zij die een diepgewortelde kennis hebben, zeggen: ‘Wij geloven erin. Het komt van onze Heer’."
Volgens de Salaf betekent dit dat men onvoorwaardelijk in de allegorische âyât moet geloven, zonder te vragen naar de precieze betekenis of vergelijkingen te maken.
De halafiyyah lezen dezelfde âyah echter anders: "Maar de verklaring ervan kent niemand behalve Allâh én zij die een diepgewortelde kennis hebben…" Zij concluderen hieruit dat interpretatie (ta’wîl) wel mogelijk is en dat de Qur'ân bedoeld is om volledig begrepen te worden. Beide Ahl-i Sunnah groepen gebruiken dus hetzelfde bewijs, maar trekken verschillende conclusies.
Over de vraag of de rede moet worden gebruikt bij ta’wîl, zijn de Salafiyyah van mening dat er geen noodzaak voor is, terwijl de halaf 'ulamâ' dit juist wel ondersteunen. Imâm Mâturîdî stelt dat de rede gebruikt kan worden voor onderwerpen die niet in strijd zijn met de Shari‘ah; bij tegenstrijdigheid moet men zich echter onderwerpen aan de wetten van Allâh.
Bij de tafsîr van de Qur'ân wordt de betekenis van de allegorische âyât vaak afgeleid uit de muhkam âyât (verzen waarvan de betekenis duidelijk en beslissend is). Zo worden allegorische verzen geïnterpreteerd aan de hand van eenduidige verzen (muhkam âyât).
Wat betreft specifieke voorbeelden: de Mu‘taziliyyah neigden het meest naar ta’wîl van theoretische onderwerpen. Asharieten pasten op bepaalde punten ook ta’wîl toe, bijvoorbeeld bij het wegen van daden in de weegschaal (al-'Araf 7/8). Imâm al-Ash‘arî interpreteert dit als: “Niet de daden zelf, maar de zwaarte van de bladeren waarop de daden zijn geschreven, wordt gewogen. Afhankelijk van de graad en hoeveelheid van de daden bepaalt Allâh de zwaarte van de bladeren.” De Mu‘taziliyyah interpreteren de weegschaal meer figuurlijk, als een maatstaf voor de hoeveelheid daden, in plaats van de fysieke zwaarte van de bladeren.
Imâm Ghazâlî stelt dat het noodzakelijk is dogmatische zaken die op het eerste gezicht rationeel moeilijk te begrijpen zijn, te interpreteren. Het is namelijk onmogelijk dat er dogmatische wetten bestaan die volledig buiten het bereik van de rede liggen. Rationeel gezien is ta’wîl daarom een noodzakelijkheid.
In de Qur’ân en ahadîth komen ogenschijnlijk tegenstrijdige dogmatische zaken voor, vooral wat betreft hun letterlijke betekenis. Sommige woorden lijken Allâh met Zijn schepselen gelijkenis aan te geven. Alleen via ta’wîl kunnen deze schijnbare tegenstrijdigheden worden verzoend.
Zelfs Imâm Ahmad bin Hambal (241/855), die zich normaal gesproken afzijdig hield van ta’wîl en de mening van de salaf verdedigde, moest in bepaalde gevallen een interpretatie toepassen. Zo legde hij de âyât over de nabijheid en aanwezigheid van Allâh ten opzichte van de mensen uit in termen van ‘ilm (kennis). Imâm ath-Thawri (161/778) interpreteerde de âyah “Waar jullie ook zijn, Hij is met jullie” (al-Hadid 57/4) eveneens als verwijzend naar Zijn kennis (‘ilm).
Wanneer mag ta’wîl worden toegepast?
Volgens de Ahl-i Sunnah is ta’wîl absoluut niet toegestaan bij muhkam zaken, maar wel bij mutashâbih zaken. De meeste 'ulamâ' zijn van mening dat iemand die zich aan de regels van ta’wîl houdt, niet tot ongelovige verklaard kan worden. Ibn-i Hazm (456/1064) stelt dat iemand die een ta’wîl uitvoert, maar hierbij de waarheid niet volledig kan achterhalen, een geldig excuus heeft als hij fout blijkt te zijn. Indien zijn ta’wîl correct is, ontvangt hij twee beloningen van Allâh; indien onjuist, één beloning, omdat zijn intentie is gericht op het ophelderen van de waarheid. Indien echter blijkt dat zijn ta’wîl in strijd is met de Qur’ân en ahadîth, moet hij deze onmiddellijk loslaten, anders valt hij in ongeloof.
Een groep die door foutieve ta’wîl buiten de grenzen van de Islâm trad, zijn de Bâtiniyyah. Hoewel de betekenis van bepaalde âyât en ahadîth duidelijk is (muhkam âyât, Dharurat-i Diniyyat en alle essentiële zaken van de Shari’ah), interpreteren zij deze op een manier die in strijd is met de mutawâtir Islâmitische wetten en de Arabische grammatica. Hierdoor ontkennen zij zowel de Islâm als Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Voorbeelden van hun interpretaties zijn: salâh wordt begrepen als liefde voor hun imâm, Haj als het bezoeken en dienen van hun imâm, en sawm als het geheimhouden van de geheimen van hun imâm.
Na deze bespreking van ta’wîl in dogmatische zaken, kunnen we nu overgaan tot de vraag welke onjuiste geloofsprincipes iemand in ongeloof doen vallen.
2) 'AQIDAH OVER ALLAH DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT
In de fiqhen kalam-werken wordt aangegeven dat bepaalde verkeerde opvattingen over Allâh (`aqâid) leiden tot ongeloof. Tot deze onjuiste geloofsovertuigingen behoren zaken zoals: deelgenoten toekennen aan Allâh (shirk), het ontkennen van Allâhs Wezen, opzettelijk verwerpen van één van Zijn Eigenschappen, of het toeschrijven van kinderen aan Allâh.
Zoals eerder besproken, is shirk de grootste zonde. Voorbeelden hiervan zijn:
Het accepteren van een twee-goden systeem, zoals bij de magiërs, waar één godheid het goede schept en een andere het kwade (an-Nahl 16/51: "En Allah heeft gezegd: ‘Neemt geen twee goden. Er is slechts één God. Vreest daarom Mij alleen’").
Het accepteren van een drie-goden systeem, zoals bij de christenen (vader-zoon-heilige geest, an-Nisa 4/171, al-Maidah 5/73).
Het toekennen van zonen aan Allâh, zoals sommige joden en christenen doen (at-Tawbah 9/30 e.v.).
Andere `aqâid die tot kufr leiden zijn onder meer:
Allâh eigenschappen toekennen die in strijd zijn met Zijn grootheid en godheid.
Zijn namen, eigenschappen of bevelen bespotten.
Zijn beloning voor het goede of Zijn straf voor het kwade verwerpen.
Opzettelijk eigenschappen zoals onvolkomenheid of onmogelijkheid aan Hem toeschrijven.
Wel in Allâhs Zijn en Wezen geloven, maar ontkennen dat Hij de eigenschap Hayât (leven) heeft.
Allâhs Wezen vergelijken met iets dat geschapen is.
Geloven dat:Allâh zich manifesteert via een mens of iets anders.
Allâhs eigenschappen zoals hand, gezicht enz. dezelfde zijn als die van de mensen en Hij dus uit een lichaam bestaat (sommige Hambalieten volgen de Salaf en zeggen dat Allâh met handen en gezicht bestaat, niet op menselijke wijze maar passend bij Zijn Grootheid; dit is geen kufr).
Buiten Allâh ook andere dingen altijd al bestaan (azali), zoals sommige filosofen over het heelal zeggen.
Allâh pas iets kan weten over geschapen dingen na hun schepping.
Allâh alles alleen in het geheel (kulliyah) weet en niet in details (juz'iyah).
Allâhs oneindige kennis ('ilm-i azali) veranderlijk is of tegenstrijdigheden kent.
Allâhs eigenschappen geschapen (mahluq) zijn en later ontstonden (hâdis), dus twijfel over hun beginloosheid (qadim).
Allâhs kennis (‘ilm) ontkennen.
De hoop op Allâhs barmhartigheid opgeven en er zeker van zijn dat men bestraft zal worden.
Bepaalde mensen naast Allâh verafgoden en in hun godheid geloven door smeekbeden tot hen te richten voor hulp, leiding (hidayah) of voorziening (rizq).
3) 'AQIDAH OVER DE PROFETEN DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT
De volgende geloofsovertuigingen over de profeten worden als kufr beschouwd:
Het volledig verwerpen van het profeetschap.
Het ontkennen van één of meerdere profeten.
Het accepteren van het profeetschap in het algemeen, maar het ontkennen van de profeetschap van met name Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) of 'Isâ (عليه السلام).
Profeet(en) verafgoden.
Geloven dat:Elk diersoort een profeet heeft.
Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) woorden onjuist, waardeloos of met het oog op wereldlijke voordelen zijn gesproken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gelogen heeft om angst of hoop in de harten van mensen te wekken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen wonderen heeft verricht en dat de via tawâtur overgeleverde wonderen niet waar zijn.
Bepaalde mensen hoger in graad zijn dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vrij zijn van gehoorzaamheid aan Allâh.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen Isrâ (nachtreis van Masdjid al-Harâm naar Masdjid al-Aqsâ) heeft verricht. (Het ontkennen van de Miradj, de hemelreis, is echter geen kufr, omdat alleen de Isrâ via tawâtur bevestigd is in de Qur’ân.)
4) 'AQIDAH OVER GODDELIJKE BOEKEN EN DE QUR'AN DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT
De volgende overtuigingen over de Qur'ân leiden tot kufr:
Het ontkennen van de gehele Qur'ân, één of meerdere soera’s, één âyah, een deel van een âyah, één woord, één letter van een woord, of een recitatie die via tawâtur is overgeleverd en over wie ijmâ' (consensus) bestaat.
Geloven in toevoegingen, veranderingen, wanorde of tegenstrijdigheden in de Qur’ân, of twijfelen aan het feit dat er niets aan de Qur’ân gelijk is.
De Qur’ân, een gedeelte daarvan, of een âyah bespotten, kleineren of onderwaarderen.
Fouten in tafsîr (exegese) of ta’wîl (interpretatie) die volgens de geaccepteerde methodes zijn gemaakt, leiden niet tot kufr. Het verwerpen van iemands tafsîr of ta’wîl is eveneens geen kufr.
Er is verschil van mening over de basmala (“Bismillâh…”) die aan het begin van soera’s staat: Hanafieten en Shafi'ieten zien dit als âyah, Malikieten niet. Het geloof hierin of niet heeft geen gevolgen voor kufr.
Over de Thora (Tawrah) en Evangelie (Injîl) bestaan ook meningsverschillen: sommigen zien het ontkennen van bepaalde verzen als kufr, anderen niet, omdat de originele tekst niet volledig bewaard is. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) adviseerde: “Als de Ahl-i Kitâb jullie een bericht brengt, accepteer het niet maar ontken het ook niet” (Bukhârî, Abû Dâwud, Ahmad).
Een onderwerp dat in de kalam boeken breeduit bediscussieerd wordt is het onderwerp of het kufr is te geloven dat de Qur'ân hâdis (later ontstaan) en mahluq (geschapen) is. Vele Ahl-i Sunnah 'ulamâ, waaronder Imâm Abû Hanafi, zijn leerlingen, Imâm Ibn-i Hambal, Imâm al-Ashari etc. zijn van mening dat dit wel het geval is. In geen van de betrouwbare ahadîth boeken vinden we echter een hadîth die dit bevestigd. Er is wel een hadîth die zegt : " De Qur'ân is Allâhs Woord en is niet geschapen. Degene die zegt dat het wel geschapen is, heeft Allâh verloochend." Volgens 'Ali al-Qâri is deze hadîth verzonnen en staat in geen van de betrouwbare ahadîth bronnen. En al zou het een betrouwbare hadîth zijn dan nog kan het niet als bewijs geleverd worden in geloofsprincipes, omdat het niet een mutawâtir hadîth is, maar een ahad hadîth.
Dus wat de theologen at-Taftazani, al-'Amidi en al- Jurjani ook op dit punt opmerkten, kan de onenigheid tussen de Ahl-i Sunnah en Mu'taziliyyah, die de Qur'ân als mahluq beschouwen, niet leiden tot takfir van de Mu'taziliyyah door de Ahl-i Sunnah. Deze fatwa moeten we interpreteren als: " Degene die gelooft dat de Qur'ân mahluq is, ontkent Allâhs gunsten, m.a.w het is een kleine kufr."
Alle `ulamâ’ zijn het erover eens dat Allâh de eigenschap al-Mutakallim (Degene Die spreekt) bezit. De onenigheid betreft echter de aard van dit spreken: is het niet-geschapen (ghayr mahluq) en eeuwig (qadîm), of is het een hâdis (later ontstaan) en mahluq (geschapen) eigenschap?
De Hambalieten zijn van mening dat zowel de woorden van de Qur’ân als het geluid dat door deze woorden voortgebracht wordt, azalî (beginloos) zijn.De Mu‘tazilieten daarentegen stellen dat de Qur’ân in zijn geheel — zowel woorden als geluid — mahluq is. Volgens hen is Allâh Mutakallim in figuurlijke zin, omdat Hij de woorden en het geluid heeft geschapen en deze heeft laten vastleggen in al-Lawh al-Mahfûdh (letterlijke betekent het de beschermde tablet, hier: "een boek" waarin alles wat Allâh voorbeschikt heeft, beschreven staat, en beschermd is tegen allerlei veranderingen en de werkelijke vorm is ons niet bekend) het op schrift gesteld is.
De Ahl-i Sunnah-theologen maken echter onderscheid tussen twee vormen van het goddelijke spreken:
Kalâm-i Nafsi is één is met Allâhs Zijn en dus Qâim (eeuwig bestaan) en azali (eindeloos en continueerend).
Kalâm-i Lâfdhi, die voortkomt uit Kalâm-i Nafsi in de vorm van geluid en woorden, is hâdis en mahluq. Kalâm-i Lâfdhi bestaat dus uit âyât en sura's (Qur'ân) en is aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) geopenbaard. (Kalâm-i Nafsi: betekenis dat in Allâh Zijn zelf (nafs) zit en Qâim is met Zijn nafs.
Als we aan iets denken vormen we een betekenis in ons hart. Dit kunnen we met ons spraak en handen tot uitdrukking brengen in woorden en geschrift. Hetgeen dat in ons hart zit noemen we Kalâm-i Nafsi en de uitdrukking ervan Kalâm-i Lâfdhi.) We zien dat Mu'tazilieten het Woord van Allâh niet in tweeën splitsen in Nafsi en Lâfdhi. Volgens hen is kalam hâdis, dus niet qâim met Allâh Zijn maar met Jabrâil en Lawh-i Mahfudh. Daarom is Allâhs Mutakallim zijn figuurlijk bedoeld. Maar volgens hen is Kalâm-i Nafsi niet hâdis en ook niet mahluq zoals de Ahl-i Sunnah het ook zegt.
5) AQIDAH OVER DE ENGELEN (MALAIKATUN) EN DE DAG DES OORDEELS (AKHIRAH) DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT
Het bestaan van engelen wordt expliciet vermeld in de Qur’ân en is tevens overgeleverd door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die hen zelf heeft gezien. Daarom is het ontkennen van de muhkam (beslissende) âyât die betrekking hebben op de engelen kufr (zie o.a. al-Baqarah 2/285 en an-Nisâ’ 4/136).
Engelen zijn subtiele, fijne wezens die uit licht zijn geschapen. Degene die de engelen een geslacht toeschrijft, zoals het vrouwelijk geslacht, valt in ongeloof (zie an-Nisâ’ 4/135 en al-Isrâ’ 17/40). Net als de mens zijn zij geschapen om Allâh te dienen. In tegenstelling tot de mens voeren zij echter elk bevel van Allâh volledig uit, houden zij zich ver van het kwade en begaan zij nooit zonden.
Om die reden vervalt ieder die schandelijke uitspraken doet over de engelen, hen kleineert of bespot, in ongeloof.
Het geloof in de Dag des Oordeels (Akhirah) wordt in de Qur’ân uitvoerig behandeld. Deze en de voorafgaande onderwerpen kunnen niet uitsluitend met de rede worden beredeneerd zonder terug te grijpen op de openbaring (wahy) en de ahadîth. Op vele plaatsen in de Qur’ân wordt het geloof in Allâh en het geloof in de Akhirah naast elkaar genoemd.
Om die reden is het ontkennen van de Akhirah kufr.
De volgende `aqîdah over de Akhirah is kufr:
1) ontkennen van de Qiyâmah (het einde van het wereldlijke leven), de opstanding van de doden en bijeen drijving op een bepaalde berechtigings plaats (mahshar), Jannah, Jahannam, Sirât (een "brug" dat over de Jahannam is gespannen, mensen die naar de Jahannam gaan zullen de overkant niet halen en erin vallen en de mensen die naar de Jannah zullen gaan zullen met verschillende snelheden de overkant halen.) en de mizân ("een weegschaal", waarvan wij de werkelijke vorm niet weten, die het goede en het kwade weegt).
2) geloven dat bovengenoemde zaken geïnterpreteerd mogen worden tot puur geestelijk i.p.v. geestelijk en lichamelijk zoals de letterlijke betekenis dat ook aangeeft.
Er zijn geen duidelijke âyât over het vergankelijke leven in het graf en Sirât, alleen maar enkele tekenen. Maar er zijn wel betrouwbare (sahih) ahadîth daarover, die niet het niveau van tawâtur hebben bereikt. Er zijn wel âyât over Mizân (zie al-A'raf 7/8 en verder; al-Anbiya 21/47; al-Mu'min 23/102 en verder; al-Qari'a 101/ 6 en verder). Zolang een bericht niet het niveau van tawâtur heeft bereikt kan het niet als beslissend (qati) bewijs worden aangevoerd in geloofszaken , maar als vermoedend (ẓannî) bewijs. Daarom is het ontkennen van iets dat niet tawatur is, niet kufr maar bid`ah.
6) AQIDAH OVER GEMENGDE ONDERWERPEN DIE KUFR MET ZICH MEEBRENGT.
a) Ontkennen van:
- Dharurât-i Diniyyah zaken of zelf eraan twijfelen.
- Qa'bah, Makkah, Masdjid-i Harâm en de salâh richting naar de Qa'bah is.
b) Iets dat bekend staat als het absoluut verboden (harâm) als toegestaan (halâl) accepteren en andersom ook. Want met zo'n `aqîdah ontkent men automatisch Allâh, Rasull'llâh (صلى الله عليه وسلم ) en alles wat hij ons heeft verkondigd.
Verder is het kufr te geloven dat kleine of grote zonden, die met beslissend bewijs vast staan, niet als zonden beschouwen.
c) Wensen dat iets dat halâl is harâm was en iets dat fardh is geen fardh was (v.b. wensen dat het vermoorden van een onschuldig iemand niet harâm was).
d) In de voorspellingen van de waarzeggers en horoscopen geloven. Want alleen Allâh weet het verborgene (ghayb).
e) Geloven dat îmân en kufr hetzelfde zijn.
f) Tevreden zijn over iemands ongeloof.
g) Er is onenigheid onder de 'ulamâ' of iemand kâfir wordt als hij zaken ontkent die met ijmâ bevestigd zijn. Er bestaan drie meningen over dit onderwerp:
Het absoluut ontkennen van ijmâ is kufr. Qâdhi 'Iyâd vermeldt dat dit de mening is van de meerderheid van de theologen en fuqahâ. Zelfs het ontkennen van een ijmâ die gebaseerd is op habar-i wâhid wordt in deze zienswijze als kufr beschouwd.
Het ontkennen van ijmâ is geen kufr. Deze opvatting stelt dat ijmâ geen qati (beslissend) bewijs is, maar slechts ẓannî (vermoedend) bewijs.
Beperkingen op het ontkennen van ijmâ. Sommige 'ulamâ proberen dit onderwerp te verduidelijken door restricties aan te brengen:a) Volgens Imâm Shâfi'i geldt dat een ijmâ die niet gebaseerd is op Qur'ân of mutawâtir ahadîth, maar op habar-i wâhid, qiyâs of ijtihâd, zwakker is dan habar-i wâhid. Zoals eerder vermeld, is het ontkennen van geloofsprincipes die met habar-i wâhid vaststaan geen kufr. Hoe kan het dan mogelijk zijn dat het ontkennen van ijmâ, dat op habar-i wâhid is gebaseerd, wél kufr zou zijn? Deze redenering wordt onder meer gevolgd door Ibn-i ‘Abidin, een van de grootste Hanafi fuqahâ van de 19e eeuw.b) Het ontkennen van ijmâ over Dharurât-i Diniyyah is wél kufr, omdat het de ontkenning van een essentieel religieus principe inhoudt. Het ontkennen van ijmâ over zaken die hier niet onder vallen, is daarentegen geen kufr.
Alle 'ulamâ zijn het erover eens dat het ontkennen van ẓannî-i ijmâ geen kufr oplevert.
Volgens de schrijver is de opvatting van Imâm Shâfi'i en Ibn-i ‘Abidin het meest passend. Het is immers een zware beschuldiging iemand van ongeloof te betichten enkel omdat hij ijmâ ontkent die niet door Qur'ân of mutawâtir ahadîth wordt ondersteund
3.4) TAALGEBRUIK DAT KAN LEIDEN TOT KUFR ( ALFADH-I KUFR ).
In de fiqh-werken treffen we geen systematisch en geordend overzicht aan van het onderwerp alfâdh al-kufr. Wat we wel aantreffen, zijn afzonderlijke fatâwâ over specifieke gevallen. De verhandelingen die dit onderwerp behandelen, beperken zich meestal tot algemene hoofdlijnen en formuleren geen duidelijke, vastomlijnde criteria. De hoeveelheid fatâwâ in de fiqh-werken over alfâdh al-kufr is bovendien zo omvangrijk en gedetailleerd, dat het niet mogelijk is deze volledig in dit werk op te nemen. Daarom zullen wij ons hier beperken tot het uiteenzetten van de algemene principes.
Volgens Badrurrashîd, een Hanafietische ‘âlim die een afzonderlijke verhandeling over alfâdh al-kufr heeft geschreven, zijn er drie vormen van taalgebruik die ertoe kunnen leiden dat iemand in ongeloof vervalt:
1) alfadh-i istihza: bespotten met één van de basis principes van de Islâm
2) alfadh-i istihfaf: de Dharurat-i Diniyyah zaken kleineren
3) alfadh-i istihlal: zeggen dat haram, die met zekerheid vaststaat, halal is of andersom.
a) ALFADH-I KUFR OVER DE BASIS PRINCIPES VAN DE IMAN.
In het algemeen wordt het als kufr beschouwd om in taalgebruik foutieve aqîdah over fundamentele principes van de Islâm (zie onderdeel 3.3) te uiten, die tot ongeloof leiden. Iemand die zo’n foutieve aqîdah bevestigt en openbaar betuigt, is een kâfir; wie het alleen in het hart gelooft, maar niet uitspreekt, wordt als een munâfiq beschouwd. Immers, de tong is de tolk van het hart, en geloof kan alleen via de tong bekend gemaakt worden.
Hieronder volgt een overzicht van alfâdh-i kufr uit met name Hanafi fiqh werken:
1) Alfâdh-i kufr met betrekking tot Allâh
a) Het is kufr om denigrerende woorden te uiten of grapjes te maken over Allâhs Wezen, Eigenschappen, Namen, bevelen, verboden en Werken, ongeacht of men het menens is of niet (zie at-Tawbah 9/69 e.v.).
b) Volgens al-Bayâdi (1098/1687) is het kufr te zeggen: "Ik weet niet of mijn Rab in de hemel of op aarde is". Hiermee wordt namelijk gesuggereerd dat Allâh plaatsen richtinggebonden is, iets dat alleen voor schepselen geldt en dus Allâhs volmaaktheid ontkent.
c) Volgens sommige geleerden is het kufr te zeggen dat eigenschappen zoals “hand” of “gezicht” bij Allâh hetzelfde zijn als bij mensen. Daartegenover stellen al-Amidi (631/1233) en al-Djurdjâni (816/1413) dat iemand die zo spreekt niemand anders dient dan Allâh en daarom niet in ongeloof valt.
Als voorbeeld wordt een hadîth aangehaald waarin Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) een slavin vraagt waar Allâh is, waarop zij antwoordt: "In de hemel (samā)", en Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) haar als mu'minah beoordeelt (Muslim, Muwatta'). Daarnaast nemen Salaf ‘ulamâ’ uit de `aqâid verhandelingen de zin "Allâh is boven (fawk) aanwezig" letterlijk, zonder interpretatie, vergelijking of voorstelling.
d) Het is kufr om te zeggen: "Allâh is een tiran", "Ik ben onafhankelijk van Allâh" of "Als Allâh mij dit beveelt, doe ik het niet".
e) De ‘ulamâ hebben vastgesteld dat het bespotten of kleineren van Allâh of Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gelijk staat aan vervloeken van Hen, en dat dit kufr is. Personen die zich hier schuldig aan maken kunnen in een islamitische staat de doodstraf krijgen. Sommige ‘ulamâ beschouwen deze vorm van kufr zelfs als erger dan afvalligheid (irtidâd).
2) Alfâdh-i kufr met betrekking tot de profeten, engelen en de Dag des Oordeels
a) Iemand die weigert te erkennen dat een profeet werkelijk een profeet is, of spot met een profeet, valt in ongeloof.
b) Het beweren dat een Waliyyullah (Allâhs geliefden, in de volksmond vaak “heiligen” genoemd) een hogere graad heeft dan een profeet, wordt beschouwd als kufr.
c) Het vragen van een nep-profeet om een wonder te verrichten:
Indien de vraag wordt gesteld om de leugens van die persoon bloot te leggen, is dit geen kufr.
Indien de vraag letterlijk bedoeld is om een wonder te verkrijgen, is dit kufr.Degene die aanspraak maakt op profeetschap zonder werkelijk profeet te zijn, is een kâfir en kan gedood worden indien hij geen berouw toont.
d) Zoals eerder besproken, is het kufr om profeten te vervloeken, kleineren, bespotten, schandelijk te maken of laster aan hen te bezorgen (zie at-Tawbah 9/61; al-Ahzab 33/57, 60 e.v.).
Dit geldt eveneens voor de engelen en de zaken die verband houden met de Dag des Oordeels (Akhirah).
3) Alfadh-i kufr over de Boeken en de Qur'ân.
a) Kleineren of spotten met de Qur'ân of een onderdeel ervan is kufr
b) We zagen hierboven dat er onenigheid is over het feit of het kufr is te zeggen dat de Qur'ân mahluq is. Maar als iemand zegt, dat de Qur'ân niet het Woord van Allâh is maar van een sterveling, is kufr.
b) ALFADH-I KUFR OVER DE SAHABA.
1) Het is geen kufr de sahâba te kleineren, te bespotten of te haten (zolang men niet gelooft, dat het halal is, want dan is het kufr), maar het is bid`ah en dwaasheid. Degene die het zegt is een fâsiq. In vele ahadîth lezen we dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) de deugdzaamheden (fadhilât) van zijn sahâba vertelt en daarbij de muslims verbiedt deze te vervloeken. Er is een hadîth die zegt: "Het vervloeken van mijn ashab is zo'n zonde, die niet vergeven zal worden". Volgens de hadîth critici is deze hadîth verzonnen.
Volgens Iman Malik moet iemand, die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) vervloekt, de dood straf krijgen en als hij de sahâba vervloekt op een gepaste manier op de juiste weg gebracht worden. Volgens Imâm Ahmad en Hanafi 'ulamâ' moet iemand, die de sahâba vervloekt zwaar lichamelijk gestraft worden.
Het is kufr de sahâba voor ongelovig uit te maken (takfir). Er zijn vele âyât die de deugdzaamheden van de sahâba vermelden:
- "En zo hebben Wij jullie tot een rechtvaardig gemeenschap (khayra ummatin) gemaakt, opdat jullie getuigen zullen zijn tot de mensen en de Boodschapper een getuige tot jullie..." (al-Baqarah 2/143).
- "Jullie zijn de beste gemeenschap (khaya ummatin) onder de mensen. Jullie bevelen wat recht is, verbieden wat vervoeielijk is en geloven in Allâh..." (Ali 'Imran 3/110)
- "...Hij is het, die jou met Zijn hulp en met de gelovigen (ashab) sterkte. O, profeet, Allâh is jou en degenen van de gelovigen (ashab), die jou volgen, genoeg" (al-Anfal 8/62 en 64).
- " Voorzeker Allâh was welbehagen met de gelovigen, toen zij jou onder de boom trouw zwoeren, en Hij kende wat in hun hart was, en Hij zond gerustheid op hen neder en beloonde hen met een nabij gelegen overwinning." (al-Fatih 48/18).
- " En de voorsten, de eersten van de Muhadjirin (mu'mins uit Makkah) en Ansar (mu'mins uit Medinah) en degenen die hen in goedheid volgen, met hen is Allâh's welbehagen en zij zijn met Allâh's welbehagen. En Hij heeft paradijsen voor hen bereid, waardoorheen rivieren stromen, om er in eeuwigheid te wonen; dat is de grote zegepraal".(at-Tawbah 9/100).
Uit deze âyât blijkt dat de sahâba mu'min zijn, Allâh tevreden over hen is en dat ze voor altijd in het paradijs zullen zijn. Vandaar dat iemand een kâfir wordt, als hij de sahaba takfir doet.
Naast deze âyât zijn ook veel ahadîth over de deugdzaamheden van de sahâba. De volgende ahadîth gaan daarover:
- " Vervloek mijn ashab niet. Bij Allâh. die mijn leven in Zijn handen heeft, al zou één van jullie ter grootte van de berg Uhud aan goud (op weg van Allâh) weggeven, dan nog bereiken jullie niet wat zij één of twee handjes vol weggeven."(Muslim, Abû Dawud, Tirmidzî en Ahmad)
- "De beste (khayr) onder mijn ummah is de generatie (sahâba), die in mijn tijd heeft geleefd, vervolgens degenen die hen volgen (tabi'ûn) en tenslotte degenen die hen volgen". (Bukhari).
Daarnaast zijn er ook sahâba, die al in hun leven met het paradijs gelukzaligd zijn: "Er zijn tien mensen, die al in Jannah zijn: Abû Bakr, 'Umar.
'Uthman, 'Ali, Talha, Zubayr, 'Abdurrahman, Sa'd, Said en Abû 'Ubaydah (رضي الله عنهم) (Tirmidzî).
Iemand die de sahâba takfir doet, doet een uitverkoren gemeenschap takfir. Er zijn (ahâd) ahadîth die zeggen dat iemand kâfir wordt als hij een mu'min takfir doet. In het eerste geval wordt een hele gemeenschap belasterd met takfir en in het tweede geval slechts één persoon. Verder heeft de sahâba de Qur'ân en de ahadîth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) aan de muslim gemeenschap na hen doorgegeven. Daarom is dit oordeel over degene die de sahâba takfir doen op zijn plaats.
2) Overspel laster op `Aishah (رضي الله عنها ) kufr, omdat haar onschuld door de Qur'ân wordt bevestigd. Want hiermee wordt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) voor een leugenaar uitgemaakt en een tawatur (Qur'ân ayah) ontkend:
- "Waarlijk, degenen die de leugens (over 'Aishah) verzonnen, zijn uit jullie midden. Beschouw het niet als een kwaad voor jullie; neen, het is jullie goed. Ieder man hunner zal hebben wat hij aan zonde heeft verdient; de (aangaande) hem ('Abdullah bin Ubayyah), die het voornaamste deel daarvan op zich nam, hij zal een zware kastijding hebben." en " En waarom zeiden jullie niet, toen jullie het (overspel laster op `Aishah (رضي الله عنها )hoorden: Het betaamt ons niet daarover te spreken; glorie zij U, dit is een grote lastering." (Nur 24/ 11 en 16).
De laatste ayah laat zien dat `Aishah (رضي الله عنها )onschuldig is.
In de ahadîth boeken is het gehele gebeuren uitvoerig beschreven.Het lasteren van de andere vrouwen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) met overspel wordt of gelijk gesteld aan vervloeking of bespotting van de sahâba, m.a.w. wordt geen kâfir, maar wordt verdoemd en vanwege laseringsstraf 80 stok slagen gegeven, of gelijk gesteld aan de lastering van `Aishah (رضي الله عنها ), m.a.w. wordt een kâfir, want het is een marteling voor Rasul'lullah (صلى الله عليه وسلم ).
3) Ontkennen dat Abû Bakr (رضي الله عنه) de grot vriend van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) was, is kufr:
- "Indien jullie hem niet bijstaan, stond Allâh hem zeker bij, toen degenen die hem niet geloofden (de polytheisten in Makkah), hem (uit Makkah) verdreven, hij was de tweede van de twee [ Rasul'lullah (صلى الله عليه وسلم ) en zijn vriend Abû Bakr (رضي الله عنه) ], toen zij in de grot (in het Sawr gebergte) waren, toen zei hij tot zijn metgezel: "Treur niet, waarlijk Allâh is met ons..." (at-Tawbah 9/40).
4) In vele fatawa boeken wordt vermeld, dat het kufr is de 'ulamâ' en fuqaha te vervloeken. We zagen dat het niet eens kufr is de sahaba te vervloeken, waarom de 'ulamâ' en fuqaha dan wel?. Dit een onjuiste fatwa, die elk grond van juistheid mist.
C) KUFR AQIDAH IN TAALGEBRUIK.
De enige fundamentele principe van irtidad is: na îmân gedaan te hebben een woord zeggen dat kufr is.
De condities voor irtidad zijn tweelerlei n.l.:
1) aql: de persoon in kwestie moet geestelijk volwassen zijn. Uitzonderingen zijn:
- gestoorde, slapende en flauw gevallen personen kunnen geen murtad worden: " De pen is van de volgende drie personen verwijderd (vrij van straf): onvolwassen kind, de slapende en de gestoorde die niet meer tot zichzelf komt". (Abû Dawud, Tirmidzî Nasai en Ahmad).
In al deze gevallen zijn deze personen niet bij hun verstand, dus één conditie wordt niet nagekomen.
- er is onenigheid over de irtidad van dronken personen: Hanafieten zijn van mening dat ze geen murtad kunnen worden, terwijl de Hambalieten en de Shafi'ieten het wel van mening zijn.
- ernstige zieken kunnen geen murtad worden.
- de irtidad van een normaal ontwikkeld kind, dat nog niet beseft wat het goede en het kwade is, is volgens Imâm Yusuf en Imâm Ahmad ongeldig, terwijl zijn muslim-zijn geldig is.
Volgens Imâm Abû Hanafi en Imâm Muhammad is de irtidad (en het muslim-zijn) van zo'n kind geldig, maar het kind krijgt geen doodstraf, zoals het geval is bij de volwassen, het wordt echter gedwongen îmân te doen. Volgens Imâm Shafi'i is noch de irtidad noch het muslim-zijn geldig.
2) ihtiyar: als de persoon in kwestie uit vrije wil de woorden uitspreekt, die kufr zijn, wordt een murtad,. De gedwongen, bedreigde of onder druk gezette personen kunnen dat niet worden.
-Een persoon kan op twee manieren gedwongen (ikrah) worden de kufr woorden te zeggen:
1) Ikrah-i tâm : doden, in het lichaam snijden of steken, zware lichamelijke letsel aanbrengen etc. Als men bij itrah-i tâm situaties zijn îmân ontkent, terwijl zijn hart gevuld is met îmân, valt men niet in ongeloof (zie an-Nahl 16/103).
2) Ikrah-i nâqis: vastgebonden, gevangenis straf, lichte lichamelijke straf, waarbij geen letsel opgelopen kunnen worden etc. Bij ikrah-i nâqis situaties kan men onmogelijk kufr woorden zeggen, i.v.m. het vallen in ongeloof.
- Een persoon, die onder dwang muslim is geworden, kan geen doodstraf krijgen als hij de islâm verwerpt.
-Als iemand, wiens hart gevuld is met îmân, ongedwongen uit vrije wil, menens of als grap, woorden zegt, die tot kufr leiden, wordt hier op aarde als niet-muslim behandeld. (zie verder 2.1 punt b).
Er is onenigheid of vanwege onwetendheid iemand in ongeloof kan vallen als hij kufr woorden zegt. Zoals we hiervoor al zagen waren de meeste 'ulamâ' van mening dat onwetendheid geen excuus kan zijn in alfadh-i kufr (zie verder 2.6).
De schrijver is echter van mening dat onwetendheid een excuus is voor een persoon, als hij een woord zegt dat leidt tot kufr. Immers niet iedereen kan alles, wat tot kufr kan leiden, weten. Daar de Islâm vanuit een breed tolerantie standpunt handelt, is tegenwoordig deze fatwa dan ook meest gepast bij zijn doelstelling. Onder de Hanafi 'ulamâ' zijn vooren tegenstanders van deze mening. In het boek " as-Siyaru-l-Kabir" van Imâm Muhammad staat dat zijn leraar, Imâm Abû Hanîfah, het volgende hierover gezegd heeft:" Als iemand niet met zijn hart gelooft, dat hetgeen wat hij gezegd heeft kufr is, dan wordt hij geen kâfir". Imâm at-Taftazani (793/1390) zegt in zijn "Sharhu-l 'Aqaid" dat, als iemand, uit onwetendheid, zegt dat iets dat haram is, halal is, dan wordt hij geen kâfir. Deze mening is door de 'ulamâ' na hem geaccepteerd.
In onze tijd is de onwetendheid onder de moslims, zowel in landen waar zij de meerderheid vormen als waar zij een minderheid zijn, zeer groot. Verschillende factoren dragen bij aan deze problematiek. Eén van de belangrijkste oorzaken is het anti-islamitische onderwijsen opvoedingsbeleid van niet-islamitische regeringen. In hun eigen landen worden moslims op een geraffineerde manier van de Islâm vervreemd. En wanneer zij al onderwezen worden in de Islâm, gebeurt dit vaak binnen de beperkende sociaal-politieke kaders van de overheid, die meestal een nationaal, etnisch of groepsgebonden karakter hebben.
Als gevolg hiervan begrijpen veel moslims de essentie van de Islâm niet meer. Daardoor weten zij ook niet goed of wat zij geloven, doen en zeggen werkelijk tot de Islâm behoort, of slechts voortkomt uit culturele gewoonten en tradities. Daarom dient een moslim één duidelijk doel voor ogen te hebben: de islamitisering van zichzelf, zijn gezin, zijn familie, zijn directe omgeving (dorp, stad en land) en uiteindelijk zelfs de gehele mensheid.
Zowel de ‘ulamâ’ met hun werken als alle moslims gezamenlijk kunnen bijdragen aan het verwezenlijken van deze doelstelling.
De verantwoordelijkheid voor iemand die vanwege onwetendheid in ongeloof vervalt, rust namelijk niet uitsluitend op die persoon zelf, maar ook op alle andere moslims die hem in onwetendheid hebben laten verkeren.
Gezien de huidige omstandigheden van de moslims dient de tolerantie van de Islâm daarom maximaal te worden toegepast en moet onwetendheid als excuus worden aanvaard. Pas wanneer moslims leven onder een islâmitische regering die de Sharî‘ah in haar totaliteit toepast, zullen zij de Islâm volledig leren kennen en naleven. In dat geval kan onwetendheid geen excuus meer vormen voor verkeerd geloof, verkeerde daden of verkeerde uitspraken.
- Denken aan kufr dingen kan niet leiden tot ongeloof. Want de straffen hier op aarde zijn gebaseerd op uiterlijke vormen: " Allâhu Ta'ala zal de dingen die mijn gemeenschap in gedachten heeft, indien ze het niet zeggen of doen, vergeven". (Bukhari, Muslim en anderen).
1) " INSHA'ALLAH ( als Allâh wil) ben ik muslim" kwestie [ istisna ( uitzondering ) in da îmân ].
a) De meeste Salaf (o.a. Ibn Mas'ud (رضي الله عنه), Imâm Shafi'i, Ahmad bin Hambal, Ibn Taymiyyah) zijn het er overeens dat istisnâ in de îmân, m.a.w. "Inshâ'Allâh (als Allâh wil) ben ik mu'min" zeggen, als letterlijk opgevat en zonder interpretatie (ta'wil), toegestaan is. Hieruit mag men niet opmaken dat degene die dat zegt twijfels heeft over zijn îmân, maar eerder aangeeft dat het onmogelijk is iets te weten over iemands îmân toestand of volmaaktheid van de îmân in de toekomst.
b) Volgens de Halaf is istisnâ van de îmân niet juist, daarom moet een mu'min " voorwaar, ik ben een mu'min" zeggen. Immers bij istisnâ van de îmân lijkt het alsof men over zijn tastiq (bevestigen met het hart) of iqrâr (betuigen met de tong) twijfelt. Deze mening wordt door de meeste theologen aangehangen. Als met de istisnâ bedoeld wordt dat alles wat er komt aan Allâh moet worden overgelaten, is het juist:
- "En zeg niet van iets: waarlijk, ik zal het morgen doen.
Tenzij het Allâh wil ...." (al-Kahf 18/23-24).
Om alle problemen te omzeilen kan men beter " als Allâh het wil ga ik als mu'min dood" of " als Allâh het wil is mijn îmân geaccepteerd" zeggen.
2) Kafir zeggen tegen een muslim.
Het is een feit dat bepaalde muslim groeperingen of personen, in welk land ze ook leven, personen, groepen of scholen (mathahib, m.v. van mathhab), die niet op dezelfde lijn liggen met hun mening of de mening van hun eigen groep of school, tot kâfir worden verklaard. De vraag rijst dan, wat gebeurt met zo'n persoon, die uit fanatisme een muslim , zonder interpretatie ( ta'wil ) of ijtihād, tot een kâfir uitmaakt. Het antwoord van de meeste 'ulamâ' is dat deze persoon ongetwijfeld zelf een kâfir wordt. Want iemand die een muslim gelijk stelt aan een kâfir, heeft indirect de Islâm aan het ongeloof gelijk gesteld, dus de Waarheid als ongeloof aangeduid.
Er zijn vele ahadîth over dit onderwerp: " Als iemand tegen zijn (muslim) broeder, "O kâfir" , zegt dan komt dit woord ongetwijfeld naar één van hen beide terug "(Bukhari, Muslim en anderen), " Als iemand een (muslim) broeder takfir doet, komt deze kufr naar één van hen terug" (Muslim, Ahmad) en " Als iemand een mens aanroept met " 0 kâfir" of, hoewel het niet zo is, " O, de vijand van Allâh", dit woord keert terug naar zichzelf". Uit deze ahadîth blijkt dat, als iemand een muslim met kufr belastert spreekt de waarheid of liegt. Als hij de waarheid heeft gesproken dan is diegene kâfir. Maar als hij het gelogen of onjuist heeft, dan keert de belastering naar zichzelf terug en dan wordt hij zelf een kâfir.
Volgens de theologen zijn de ahadîth over dit onderwerp ahad, m.a.w.ze kunnen niet zo bepalend zijn zoals de ahadîth-i mutawâtir, daarom kunnen ze niet als bewijs aangevoerd worden tegen personen, die anderen takfir doen. Daarom zijn de meeste ulama van mening dat een echtpaar, die tengevolge van een geschil of ruzie, elkaar takfir doen, niet kâfir worden en ook niet gescheiden zijn.
Dit geldt alleen in gevallen waarbij men niet met het hart gelooft dat de echtgenoot(e) werkelijk een kâfir is en er sprake is van woede uitbarsting. Dit wordt vergeleken met een dronkaard, die niet weet wat hij op dat moment zegt. Hetzelfde geldt ook voor andere gevallen binnen een gezin.
3.5) WERKEN DIE KUFR VEROORZAKEN.
1) Grote zondaar (murtakib-i kabîrah).
Hiervoor zijn de meningen van de verschillende groeperingen over de toestand van een muslim die een grote zonde verricht behandeld. Hier zullen de meningen van één van de grootste Tabi'un, al-Hasan al- Basri ( 110/728 ),de salafiyyun, Ahl-i Hadîth en Ahl-i Sunnah theologen, beschrijven.
al-Hasan al- Basri zegt dat iemand, die grote zonden (kabâir) verricht, een munâfiq is. De bijzonderheden van een munâfiq ondersteund hij met ahadîth: " Een munâfiq liegt als hij praat, komt zijn beloften niet na, verraadt wat toevertrouwd wordt en is wreed als hij vijandig is" (Bukhari, Muslim en anderen).
Deze mening is niet juist, want een munâfiq is iemand die zijn kufr verbergt. Immers een murtakib-i kabîrah verbergt niet zijn kufr en hij gelooft ook niet in ongeloof. Om een compromis te vinden tussen deze mening en die van de Ahl-i Sunnah, hebben de ulama de "munâfiq" geïnterpreteerd als "onvolwassen îmân". Verder zijn overleveringen bekend waarin staat dat al-Hasan al-Basri deze mening heeft verlaten.
De salafiyyun, Ahl-i Hadîth en Ahl-i Sunnah theologen zeggen dat murtakib-i kabîrah geen kâfir kan worden. Zo'n persoon is mu'min vanwege zijn îmân en fâsiq vanwege de kabâir die hij verricht heeft. De fâsiq, die de Ahl-i Sunnah gebruikt is anders dan die van de Mu'tazilieten. Fisq kan, naast de îmân en kufr, niet een derde dimensie zijn. Want er is of îmân of kufr in iemands hart en fisq is ook niet het tegenovergestelde van îmân.
Hun bewijzen uit de Qur'ân, die gedeeltelijk al hiervoor beschreven is, zijn: "O gelovigen, vanwege de gedooden is jullie vergelding voorgeschreven..." (Baqarah 2/178). In deze 'ayah is moorden en îmân doen naast elkaar geschreven. Een kabâir heeft de îmân niet teniet gemaakt.
"En indien twee partijen van de gelovigen twisten, breng dan verzoening tussen hen tot stand.." (Hudjurat 49/9). In deze 'ayah worden mensen die met elkaar strijden mu'min genoemd.
" O gelovigen, neem Mijn en jullie vijand niet tot vrienden.."
(Mumtahanah 60/1). In deze 'âyah wordt degene die Allâhs vijanden als vriend neemt als muslim genoemd.
" O gelovigen, waarom zeggen jullie wat jullie niet doen..." (Saff 61/2). In deze 'âyah berispt Allâh de muslims.
Een berisping is de grootste straf belofte van Allâh. In al deze âyât blijkt dat een murtakib-i kabîrah gewoon een muslim blijft. Er zijn ook ahadîth die de mening van de Ahl-i Sunnah versterken [ zie de hadîth van Abû Zarr al Ghifari ( r.a. ), die hierboven al is genoemd ].
Zoals uit het voorgaande blijkt, is een murtakib-i kabîrah, iemand die grote zonden begaat – ondanks het niet tonen van berouw, zowel hier op aarde als in het Akhirah, nog steeds een muslim. Er bestaat echter onenigheid over degenen die de salâh niet verrichten.
Iedereen is het erover eens dat ontkennen dat de salâh verplicht is, evenals kleineren of spotten met de salâh, kufr is.
De discussie betreft de persoon die wél gelooft in de verplichting van de salâh, maar deze niet verricht vanwege luiheid of andere redenen.
Volgens alle Ahl-i Sunnah theologen geldt: wie met zijn hart het îmân bevestigt en dit met zijn tong betuigt, en de verplichting van de salâh niet ontkent, is een mu'min. Zo iemand is echter zondig en verdient straf voor zijn nalatigheid. Dit oordeel geldt voor elke vorm van ‘ibâdah; er wordt geen uitzondering gemaakt.
Mening van Ahmad bin Hambal:
Volgens Ahmad bin Hambal en zijn opvolgers is ieder die de salâh opzettelijk verlaat zonder geldige reden een kâfir. Deze mening is gebaseerd op de hadîth:
"Degene die de salâh opzettelijk verlaat is een kâfir." (Tirmidzî, Nasâ’î, Ibn Mājah)
Omdat er geen soortgelijke hadîth bestaat over andere vormen van ‘ibâdah, beperken de Hambalieten hun oordeel tot het verlaten van de salâh.
Strafmaatregelen in een islamitische staat
De verschillende fuqahâ geven de volgende richtlijnen voor degenen die de salâh niet verrichten:
De persoon wordt een bepaald aantal dagen uitgenodigd om de salâh te hervatten.
Indien hij de salâh hervat, gaat hij vrijuit.
Indien hij niet hervat:Imâm Ahmad bin Hambal: de persoon wordt wegens afvalligheid tot de dood veroordeeld.
Imâm Malik en Imâm Shafi’i: de persoon wordt tot de dood veroordeeld vanwege het onheil (fitnah) dat hij veroorzaakt.
Imâm Abû Hanîfah: de persoon wordt gevangen gezet en gestraft (ta‘zîr) totdat hij de salâh hervat.
Specifieke gevallen in de Hanafî fatwâ-literatuur
Opzettelijk de salâh verrichten zonder wassing (wudû of ghusl) wordt als kufr beschouwd, omdat dit spot drijven met de Islâm is.
Opzettelijk in een andere richting dan de Qiblah bidden wordt eveneens als kufr gezien, aangezien via tawâtur (overlevering) uit de Qur’ân bekend is dat de Qiblah de juiste richting van de salâh is voor moslims.
2) Houdingen die tot de symptomen van kufr worden gerekend.
De theologen en de fuqaha hebben bepaalde gedragingen, kledingen en werken tot de symptomen van kufr gerekend. Een deel van deze zaken zijn gedragingen, die gedaan worden om niet-muslim gemeenschappen( joden, christenen, boedisten, hindoes, atheïsten etc.) te imiteren. Daarover heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) het volgende gezegd: " Wie op ( het gedrag, kleding, manieren, denken etc. van ) een ( niet-muslim ) gemeenschap lijkt is één van hen." ( Abû Dawud, Ahmad en zie voor andere ahdith in Tirmidzî ). " Imiteer de polytheisten niet, maak de snorren kort en laat de baarden lang staan" ( Bukhari, Muslim Malik bin Anas ).
We kunnen de houdingen, die tot kufr kunnen leiden, als volgt worden opgesomd:
a) Beelden, personen, zon, maan, sterren, vuur en andere dingen verafgoden is shirk ( zie A'raf 7/37, Ibrahim 14/30 )
b) De gehele of een deel van de Qur'ân opzettelijk in onreine dingen gooien
c) De Qur'ân recitatie onder begeleiding van muziek instrumenten
d) Naar de gebedsplaatsen van niet-muslims gaan om samen met hen hun gebeden te verrichten
e) Buigen of knielen voor iemand met 'ibadah-intenties
f) Opzettelijk de kruis van de christenen [ en de symbolen van andere godsdiensten en volkeren ] dragen
g) De "ghiyâr" dragen ( een kledingstuk dat door de niet-muslims in een Islâmitische land, dat met de Shari'ah wordt bestuurd, wordt gedragen voor het onderscheid tussen de muslims en hen ).
h) De "zunnâr" dragen ( een riem, die door de christenen en de magians ( vuur aanbidders ) wordt gedragen )
i) Eee hoofdbedeksel dragen die typisch is voorniet-muslims.
De boven genoemde symptonen, betreffende de kleding, zijn aan tijd en plaats afhankelijk. Er is een algemene overeenstemming (ijmâ) dat het verrichten van deze werken kufr is. maar wat in één periode als kufr werd beschouwd, kan in een andere tijd geaccepteerd zijn omdat het een gewoonte onder moslims is geworden (bijv. de hoed). [De fuqahâ moeten daarom voortdurend onderzoeken welke gedragingen als kufr gelden en dit aan de ummah bekendmaken. Dit is een moeilijke taak, omdat er onder de moslims geen volledige eenheid bestaat.]
j) Magie ( sihr ) bedrijven:
Er is consensus (ijmâ) dat het leren, onderwijzen en bedrijven van magie harâm is, en het geloof in het tegendeel is kufr. Er is echter onenigheid of iemand die in het verbod gelooft maar magie bedrijft, automatisch een kâfir wordt.
Volgens Imâm Abû Hanîfah, de opvolgers van Imâm Malik, Imâm Ahmad bin Hambal en hun opvolgers, is een magiër een kâfir. De straf is de doodstraf: "De straf voor een magiër is met het zwaard" (Tirmidzî). Dit geldt ongeacht of de persoon moslim of niet-moslim is. Bij vrouwen volgen de hanafieten een lichtere straf: opsluiting en boete.
Volgens Imâm Shafi’i is een magiër die geen geloof ontkent en geen woorden of handelingen verricht die kufr veroorzaken, geen kâfir; alleen zijn magie is harâm.
Volgens Imâm Maturidî is de eerste mening onjuist. De meeste hanafi-theologen zeggen dat zolang de fundamenten van îmân niet worden ontkend door de magie, dit geen kufr is, maar de magiër blijft fâsiq en zondig. Als fundamenten van îmân wél worden ontkend, is het kufr. In beide gevallen kan de doodstraf worden toegepast: in het eerste geval vanwege het kwaad dat hij in de gemeenschap veroorzaakt, in het tweede geval wegens irtidad.
Alle ulama zijn het erover eens dat de goede daden van een murtad die sterft zonder berouw ongeldig zijn. In de Qur’ân staat:
"Wie van jullie zich van de godsdienst afkeert en ongelovig sterft, diens daden in dit leven en in het hiernamaals zijn vruchteloos. Zij zijn degenen die het vuur als thuis hebben; zij zullen daarin eeuwig verblijven."(al-Baqarah 2/217; zie ook al-Maidah 5/5, al-An’am 6/88, az-Zumar 39/65, Muhammad 47/9, 28/…)
Er is echter onenigheid onder de ulama over de goede daden van een murtad die berouw toont en weer moslim wordt:
Volgens de hanafieten hoeft zo iemand de ibâdât die ongeldig werden door zijn afvalligheid niet in te halen, hoewel dit bij een moslim die zijn ibâdât onvolledig verricht wél geldt.
Redenen:
De tijd waarin deze ibâdât verricht hadden moeten worden, is verstreken (uitzondering: bedevaart).
De zonden van de persoon die hij beging vóór hij moslim werd, worden vergeven zodra hij ophoudt met ongeloof.(al-Anfal 8/38)
3) De oorzaken van ongegrond takfir.
Hoewel Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) en de meeste Ahl as-Sunnah theologen en rechtgeleerden altijd zeer voorzichtig zijn geweest met het uitspreken van takfîr, zien we tegenwoordig steeds vaker dat moslims elkaar voor ongelovige uitmaken. Hieronder volgen enkele belangrijke oorzaken van ongegronde takfîr:
Onwetendheid over de Islâm en haar bronnen.
Fanatisme dat voortkomt uit onwetendheid. Veel mensen geloven dat alleen hun eigen mening, of de mening van hun school (mazhab), correct is en dat alle andere standpunten fout zijn. Dit leidt ertoe dat zij soms andere moslims die hun mening niet volgen, voor ongelovige verklaren. Dergelijke personen hebben vaak nauwelijks kennis van islamitische theologie of wetsleer en denken alsof zij het paradijs bezitten en Allâh’s barmhartigheid beperken tot een minimum.
Jaloezie, vijandigheid en het verdedigen van persoonlijke belangen.
Gewoontes en dagelijks taalgebruik. Bij veel moslims is het een gewoonte geworden anderen voor ongelovige uit te maken.
Daardoor wordt het woord “kâfir” makkelijk en vaak gebruikt.
Politieke onderdrukking. Na de periode van de Rechtgeleide Kaliefen (Khulafâ-i Râshidûn) is de moslimgemeenschap vaak onder politieke druk komen te staan. In veel moderne islamitische landen wordt een seculier politiek systeem gevolgd dat grotendeels Westerse modellen kopieert. Moslims zijn hierdoor beperkt in hun godsdienstige beleving: de Islâm wordt alleen getolereerd op individueel en ethisch niveau, terwijl politieke en maatschappelijke toepassing vaak wordt verboden, soms met gevangenisstraf of zelfs de dood als gevolg. Deze anti-islamitische politieke context zet moslims in een dilemma: moeten zij de Islâm volgen zoals de staat deze voorschrijft, of zoals de Qur’ân en de ahadîth aangeven? Vaak leidt dit tot het loslaten van principiële waarden en het overnemen van westerse gewoontes, inclusief het accepteren van secularisme als oplossing voor vooruitgang.
De rol van de 'ulamâ' in maatschappij en politiek is verdwenen. Historisch gezien hadden de 'ulamâ' een belangrijke adviserende en corrigerende rol naar de regering en de bevolking. Tegenwoordig werken veel voorgangers als ambtenaren binnen staatsstructuren, zijn ze afhankelijk van de regering, en missen ze de vrijheid om objectief te denken, te schrijven of advies te geven. In sommige landen, zoals Turkije, verzorgt en financiert de staat religieus onderwijs en werk. Zo ontstaat een staatsgodsdienst, aangepast aan politieke voorkeuren, waarbij de volledige waarheid van de Islâm niet aan de bevolking wordt verteld en sommige zaken worden gecensureerd. Hierdoor luisteren veel moslims eerder naar de officiële instanties dan naar onafhankelijke 'ulamâ', en verliezen ze vertrouwen in de traditionele geleerden.
Onbevoegde interpretatie van religieuze bronnen. Omdat het vertrouwen in de 'ulamâ' is afgenomen, proberen veel moslims zelf de Qur’ân en ahadîth te interpreteren. Dit leidt vaak tot verkeerde interpretaties van islamitische wetten en principes, waardoor ongegronde takfîr steeds vaker voorkomt.
TENSLOTTE.
In dit werk hebben we de termen îmân en kufr vanuit verschillende invalshoeken belicht. Uit ons betoog blijkt dat het niet eenvoudig is om een moslim voor een ongelovige uit te maken enkel omdat hij andere opvattingen heeft dan een ander. De ‘ulamâ’ hebben altijd benadrukt dat een van de belangrijkste kenmerken van Ahl as-Sunnah wal-Jamâ‘ah is dat zij, in tegenstelling tot de Ahl al-Bid‘ah, moslims die in dwaling verkeren niet tot ongelovige verklaren, maar erkennen dat zij zich vergissen.
Het heeft geen zin om medemoslims als ongelovig te bestempelen omdat zij andere ideeën aanhangen dan die van een bepaalde school of persoon. Moslims hebben geen belang bij het laten vervallen van hun broeders in ongeloof. Door tolerantie en broederschap kunnen we elkaar juist ondersteunen in ons geloof in Allâh en Zijn godsdienst. Ons doel is niet om ongeloof te verspreiden, maar het geloof te versterken en te delen. Dit kan alleen door op de weg van Allâh te handelen en Zijn welbehagen te zoeken.
Îmân is het mooiste wat een mens kan bezitten, en wie het eenmaal heeft, moet het behouden tot het moment van zijn dood. Daarom moeten we zonder enige twijfel geloven in het onfeilbare Woord van Allâh. Ons verstand mag dit Woord niet overtreffen, noch mogen we het onderwerpen aan onze eigen ideeën of wensen; wij moeten ons volledig naar Hem en Zijn geboden richten.
Een moslim mag nooit de hoop op Allâh’s vergeving opgeven. Hij mag nooit één of meer religieuze waarheden van de Islâm ontkennen, kleineren, belachelijk maken of eraan twijfelen. Altijd dienen de wetten van Allâh boven die van mensen te staan.
Wal hamdulillahi Rabil 'alamin. ( Lof zij aan Allah de Heer der werelden ).