As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Jacht met getrainde honden

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Jacht met getrainde honden

١٢٥٤ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ ﵁، قَالَ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا نُرْسِلُ الْكِلاَبَ الْمُعَلَّمَةَ، قَالَ: كُلْ مَا أَمْسَكْنَ عَلَيْكَ قُلْتُ: وَإِنْ قَتَلْنَ قَالَ: وَإِنْ قَتَلْنَ قُلْتُ: وَإِنَّا نَرْمِي بِالْمِعْرَاضِ، قَالَ: كُلْ مَا خَزَقَ، وَمَا أَصَابَ بِعَرْضِهِ فَلاَ تَأْكُلْ

1254 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Ik zei: “O Rasûlullāh, wij sturen onze (getrainde jacht)honden op (de prooi) af.” Hij zei: “Eet wat zij voor jou gevangen hebben.” - “Ook als zij (de jachthonden) het gedood hebben?” - “Ook als zij het gedood hebben.” - “En wij werpen met een miʿrāḍ (een pijl zonder punt)?” - “Eet wat (de miʿrāḍ) doordringt, maar wat geraakt wordt met de zijkant ervan (en het doodt), eet er dat niet van.”

[Voor het woord “miʿrād” bestaan verschillend omschrijvingen. Uit de ḥadīth blijkt dat het gaat om een pijl waarvan de punt van ijzer is en scherp, terwijl het achterste deel bestaat uit een dikke stok.]

[De ḥadīth geeft aan dat het vlees van een prooi, gevangen door getrainde jachthonden, waarbij bij het uitsturen de naam van Allah is uitgesproken, toegestaan (ḥalāl) is om te eten, zelfs als de hond het dier zelf heeft gedood.Het is echter noodzakelijk dat geen ongetrainde hond of een hond die gestuurd is door iemand van wie het slachten niet is toegestaan (zoals een niet-moslim die niet behoort tot de Mensen van het Boek) aan de jacht heeft deelgenomen.Wanneer een getrainde hond, volgens deze voorwaarden (shurūṭ), op de prooi wordt afgestuurd en deze doodt, is het vlees van die prooi toegestaan om te eten.Als de jager echter bij de prooi aankomt vóórdat het dier sterft, dan moet hij het zelf slachten.Vindt de jager de prooi levend aan maar slacht het niet en wacht tot het dier sterft door de beet van de hond, dan is het vlees niet toegestaan om te eten.

Zelfs als de jager het dier om een reden die niet door hemzelf is veroorzaakt niet kan slachten, blijft het vlees verboden (ḥarām). Als de hond het dier echter doodt vóórdat de jager arriveert, is het vlees wel toegestaan, aangezien het grijpen van de prooi door de hond wordt beschouwd als een vorm van slachting..Voor het vlees van een prooi die door een getrainde hond is gevangen, gelden nog een andere voorwaarde (sharṭ): de hond mag niet van het vlees van de prooi hebben gegeten. Wanneer de hond van de prooi eet, wordt dit gezien alsof hij de prooi voor zichzelf heeft gevangen. In wezen houdt deze voorwaarde in dat de hond getraind moet zijn, wat impliciet ook betekent dat hij niet van zijn vangst eet. Een hond wordt pas als getraind beschouwd als hij aan volgende drie voorwaarden voldoet:

a. Wanneer hij op de prooi wordt afgestuurd, gaat hij er daadwerkelijk op af.b. Wanneer hij wordt teruggeroepen, stopt hij met de jacht en keert terug.c. Wanneer hij de prooi vangt, eet hij er niet van.

Miʿrāḍ verwijst naar een stok die van hout is gemaakt, met scherpe uiteinden en een dik middengedeelte.De kwestie die hier besproken wordt, betreft of het vlees van een prooi die met een dergelijke stok is gedood wel of niet toegestaan is om te eten. Uit de ḥadīth blijkt dat wanneer een dier sterft doordat het geraakt wordt door het dikke gedeelte van de miʿrād, het vlees niet toegestaan is. Wanneer het dier echter sterft doordat de scherpe punt binnendringt en het dier verwondt, is het vlees wel toegestaan.

Dieren die worden gedood door een slag met een zwaar voorwerp, zelfs als zij daarbij verwondingen oplopen, vallen onder de categorie van dieren waarvan het vlees volgens de Qur’ān verboden is:حُرِّمَتۡ عَلَيۡكُمُ ٱلۡمَيۡتَةُ وَٱلدَّمُ وَلَحۡمُ ٱلۡخِنزِيرِ وَمَآ أُهِلَّ لِغَيۡرِ ٱللَّهِ بِهِۦ وَٱلۡمُنۡخَنِقَةُ وَٱلۡمَوۡقُوذَةُ وَٱلۡمُتَرَدِّيَةُ وَٱلنَّطِيحَةُ وَمَآ أَكَلَ ٱلسَّبُعُ إِلَّا مَا ذَكَّيۡتُمۡ وَمَا ذُبِحَ عَلَى ٱلنُّصُبِ وَأَن تَسۡتَقۡسِمُواْ بِٱلۡأَزۡلَٰمِۚ ذَٰلِكُمۡ فِسۡقٌۗ ٱلۡيَوۡمَ يَئِسَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِن دِينِكُمۡ فَلَا تَخۡشَوۡهُمۡ وَٱخۡشَوۡنِۚ ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ فَمَنِ ٱضۡطُرَّ فِي مَخۡمَصَةٍ غَيۡرَ مُتَجَانِفٖ لِّإِثۡمٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٣

Verboden voor jullie zijn: het kadaver, het bloed en het vlees van het varken, en hetgeen waarover anders (dan de Naam) van Allah is uitgesproken, het gewurgde, het geslagene, het gevallene,het gestokene terwijl het geslacht werd, en dat waar de wilde dieren van gevreten hebben – tenzij jullie in staat zijn om het te slachten – en (verboden is) datgene wat op steenaltaren geofferd is en wat jullie met pijlen verloten. Dat is een zware zonde.

Op deze dag hebben de ongelovigen alle hoop op jullie godsdienst opgegeven, vrees hen dus niet, maar vrees Mij. Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islam voor jullie als godsdienst gekozen. Maar voor hem die door erge honger gedreven is en die niet wil zondigen, Allah is dan de Vergevingsgezinde, de Genadevolle. (surah al-Mā’idah: 5/3). Deze dieren worden mawqūdha genoemd, en hun vlees is door Allah ḥarām verklaard. (HA)

١٢٥٥ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ، قَالَ: سَأَلْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قُلْتُ: إِنَّا قَوْمٌ نَصِيدُ بِهذِهِ الْكِلاَبِ فَقَالَ: إِذَا أَرْسَلْتَ كِلاَبَكَ الْمُعَلَّمَةَ، وَذَكَرْتَ اسْمَ اللهِ فَكُلْ مِمَّا أَمْسَكْنَ عَلَيْكُمْ وَإِنْ قَتَلْنَ، إِلاَّ أَنْ يَأْكُلَ الْكَلْبُ، فَإِنِّي أَخَافُ أَنْ يَكُونَ إِنَّمَا أَمْسَكَهُ عَلَى نَفْسِهِ، وَإِنْ خَالَطَهَا كِلاَبٌ مِنْ غَيْرِهَا فَلاَ تَأْكُلْ1255 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wij zijn een volk dat met deze (jacht)honden jaagt.” Hij zei: “Wanneer je je getrainde honden loslaat en de Naam van Allāh uitspreken (Bismillaah), eet dan van wat zij voor jullie gevangen hebben, ook als zij het doden, behalve als de hond ervan heeft gegeten, want ik vrees dat hij (de jachthond) het voor zichzelf heeft gevangen.

En als er andere honden bij (de jacht) waren naast die van jou, eet er dan ook niet van.”

١٢٥٦ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ ﵁، قَالَ: سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ عَنِ الْمِعْرَاضِ، فَقَالَ: إِذَا أَصَابَ بِحَدِّهِ فَكُلْ، وَإِذَا أَصَابَ بِعَرْضِهِ فَلاَ تَأْكُلْ، فَإِنَّهُ وَقِيْذٌ قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أُرْسِلُ كَلْبِي وَأُسَمِّي، فَأَجِدُ مَعَهُ عَلَى الصَّيْدِ كَلْبًا آخَرَ لَمْ أُسَمِّ عَلَيْهِ، وَلاَ أَدْرِي أَيُّهُمَا أَخَذَ قَالَ: لاَ تَأْكُلْ إِنَّمَا سَمَّيْتَ عَلَى كَلْبِكَ، وَلَمْ تُسَمِّ عَلَى الآخَرِ1256 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Ik vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over het gebruik van de miʿrāḍ (pijl zonder punt).

Hij zei: “Als (de prooi) geraakt wordt met de scherpe punt, eet er dan van; als het geraakt wordt met de zijkant (en daardoor sterft), eet er dan niet van, want dat is het een dode prooi (en het eten van een dood dier is harām) (zie sûrah al Ma’idah 5/3).”“O Rasûlullāh, ik stuur mijn hond uit en spreek de Naam van Allāh (Bismillaah) uit, maar ik vind bij de prooi een andere hond samen met mijn hond, en ik weet niet welke van hen (de prooi) heeft gevangen.” Hij antwoordde: “Eet er dan niet van. Jij hebt alleen over jouw hond de Naam van Allāh uitgesproken, niet over de andere.”

١٢٥٧ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ ﵁، قَالَ: سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ عَنْ صَيْدِ الْمِعْرَاضِ قَالَ: مَا أَصَابَ بِحَدِّهِ فَكُلْهُ، وَمَا أَصَابَ بِعَرْضِهِ فَهُوَ وَقِيذٌ وَسَأَلْتُهُ عَنْ صَيْدِ الْكَلْبِ فَقَالَ: مَا أَمْسَكَ عَلَيْكَ فَكُلْ، فَإِنَّ أَخْذَ الْكَلْبِ ذَكَاةٌ، وَإِنْ وَجَدْتَ مَعَ كَلْبِكَ أَوْ كِلاَبِكَ كَلْبًا غَيْرَهُ فَخَشِيتَ أَنْ يَكُونَ أَخَذَهُ مَعَهُ، وَقَدْ قَتَلَهُ فَلاَ تَأْكُلْ، فَإِنَّمَا ذَكَرْتَ اسْمَ اللهِ عَلَى كَلْبِكَ وَلَمْ تَذْكُرْهُ عَلَى غَيْرِهِ1257 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Ik vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over het jagen met een miʿrāḍ. Hij antwoordde: “Wat met de scherpe punt geraakt wordt, eet er dan van; wat door de zijkant wordt geraakt, dat is dode prooi.”Daarna vroeg ik hem over het jagen met honden. Hij antwoordde: “Eet wat zij voor jou gevangen hebben, want de vangst van de hond geldt als een geldige slachting.

Maar als je bij jouw hond of honden een andere hond aantreft en je vreest dat deze andere hond heeft meegeholpen en het dier heeft gedood, eet er dan niet van, want jij hebt de Naam van Allāh alleen over jouw hond uitgesproken, niet over de andere.”

[Het is verplicht om de basmalah uit te spreken wanneer je de jachthond loslaat; als je het niet uitspreekt, dat is het (gevangen) dier niet ḥalāl. Dit geldt ook wanneer je een pijl afschiet of een jachtgeweer gebruikt: de Naam van Allāh moet altijd uitgesproken worden.] (HY)

١٢٥٨ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أَرْسَلْتَ كَلْبَكَ وَسَمَّيْتَ فَأَمْسَكَ وَقَتَلَ فَكُلْ، وَإِنْ أَكَلَ فَلاَ تَأْكُلْ، فَإِنَّمَا أَمْسَكَ عَلَى نَفْسِهِ؛ وَإِذَا خَالَطَ كِلاَبًا لَمْ يُذْكَرِ اسْمُ اللهِ عَلَيْهَا فَأَمْسَكْنَ وَقَتلْنَ فَلاَ تَأْكُلْ، فَإِنَّكَ لاَ تَدْرِي أَيُّهَا قَتَلَ؛ وَإِنْ رَمَيْتَ الصَّيْدَ فَوَجَدْتَهُ بَعْدَ يَوْمٍ أَوْ يَوْمَيْنِ لَيْسَ بِهِ إِلاَّ أَثَرُ سَهْمِكَ فَكُلْ، وَإِنْ وَقَعَ فِي الْمَاءِ فَلاَ تَأْكُلْ1258 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als je je hond loslaat en de Naam van Allāh uitspreekt, en hij vangt en doodt het dier, eet er dan van. Maar als de hond ervan heeft gegeten, eet er dan niet van, want dan heeft hij het voor zichzelf gevangen.

Als jouw hond zich mengt met andere honden waarop de Naam van Allāh niet is uitgesproken, en zij vangen en doden het dier, eet er dan niet van, want je weet niet welke van hen het gedood heeft.

En als je op een prooi hebt geschoten en deze na één of twee dagen vindt, en het dier vertoont geen andere sporen dan die van jouw pijl, eet er dan van. Maar als het dier in het water gevallen is, eet er dan niet van.”

١٢٥٩ - حديث أَبِي ثَعْلَبَةَ الْخُشَنِيِّ، قَالَ: قُلْتُ يَا نَبِيَّ اللهِ إِنَّا بِأَرْضِ قَوْمٍ أَهْلِ الْكِتَابِ، أَفَنَأْكُلُ فِي آنِيَتِهِمْ وَبِأَرْضِ صَيْدٍ، أَصِيدُ بِقَوْسِي وَبِكَلْبِي الَّذِي لَيْسَ بِمُعَلَّمٍ وَبِكَلْبِي الْمُعَلَّمِ، فَمَا يَصْلُحُ لِي قَالَ: أَمَّا مَا ذَكَرْتَ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ فَإِنْ وَجَدْتُمْ غَيْرَهَا فَلاَ تَأْكُلُوا فِيهَا، وَإِنْ لَمْ تَجِدُوا فَاغْسِلوهَا وَكُلُوا فِيهَا، وَمَا صِدْتَ بِقَوْسِكَ فَذَكَرْتَ اسْمَ اللهِ فَكُلْ، وَمَا صِدْتَ بِكَلْبِكَ الْمُعَلَّمِ فَذَكَرْتَ اسْمَ اللهِ فَكُلْ وَمَا صِدْتَ بِكَلْبِكَ غَيْرَ مُعَلَّمٍ فَأَدْرَكْتَ ذَكَاتَهُ فَكُلْ1259 – Van Abū Thaʿlabah al-Khushanī (رضي الله عنه):Ik zei: “O NabieAllah wij wonen in een land (Shām) van mensen van het Boek. Mogen wij eten van hun schalen? En waar wij wonen is in een jachtgebied. Ik jaag met mijn boog, met mijn niet-getraind en getrainde hond. Hoe kan ik (op een islamitisch verantwoorde manier jagen) zonder in het verboden (ḥarām) te vervallen?”Hij antwoordde: “Wat betreft de mensen van het Boek: als je andere (schalen) vindt, eet er dan niet uit.

Als je niets anders vindt, was ze dan en eet eruit.Wat je met je boog jaagt en de Naam van Allāh hebt uitgesproken, eet het.Wat je met je getrainde hond jaagt en je hebt de Naam van Allāh genoemd, eet het.Wat je met een ongetrainde hond jaagt, als je het dier nog levend bereikt en je slacht het, eet het dan.”

Het is ḥarām om het vlees te eten van elk roofdier met hoektanden en van elke vogel met klauwen

تحريم أكل كل ذي ناب من السباع وكل ذي مخلب من الطير

١٢٦٠ - حديث أَبِي ثَعْلَبَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنْ أَكْلِ كُلِّ ذِي نَابٍ مِنْ السِّبَاعِ

1260 – Van Abū Thaʿlabah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het eten van elk roofdier met hoektanden.

[Net zoals het vlees verboden is van landdieren die hun prooi met hun scherpe tanden grijpen en verscheuren, zoals de wolf, hond, kat, leeuw, tijger, hyena en dergelijke, zo is ook het eten van roofvogels die met hun klauwen jagen verboden verklaard.] (AFK)

Het is ḥalāl om het vlees van zeedieren te eten

إِباحة ميتة البحر

١٢٦١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: بَعَثَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ ثَلاَثَمِائَةِ رَاكِبٍ، أَمِيرُنَا أَبُو عُبَيْدَةَ بْنُ الْجَرَّاحِ، نَرْصُدُ عِيرَ قُرَيْشٍ، فَأَقَمْنَا بِالسَّاحِلِ نِصْفَ شَهْرٍ، فَأَصَابَنَا جُوعٌ شَدِيدٌ حَتَّى أَكَلْنَا الْخَبَطَ، فَسُمِّيَ ذَلِكَ الْجَيْشُ جَيْشَ الْخَبَطِ فَأَلْقَى لَنَا الْبحْرُ دَابَّةً يُقَالُ لَهَا الْعَنْبَرُ، فَأَكَلْنَا مِنْهُ نِصْفَ شَهْرٍ، وَادَّهَنَّا مِنْ وَدَكِهِ، حَتَّى ثَابَتْ إِلَيْنَا أَجْسَامُنَا فَأَخَذَ أَبُو عُبَيْدَةَ ضِلَعًا مِنْ أَضْلاَعِهِ فَنَصَبَهُ، فَعَمَدَ إِلَى أَطْوَلِ رَجُلٍ مَعَهُ، وَأَخَذَ رَجُلًا وَبَعِيرًا فَمَرَّ تَحْتَه

قَالَ جَابِرٌ: وَكَانَ رَجُلٌ مِنَ الْقَوْمِ نَحَرَ ثَلاَثَ جَزَائِرَ ثُمَّ نَحَرَ ثَلاَثَ جَزَائِرَ ثُمَّ نَحَرَ ثَلاَثَ جَزَائِرَ ثُمَّ إِنَّ أَبَا عُبَيْدَةَ نَهَاهُ

1261 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde ons uit, driehonderd ruiters, en onze leider (amīr) was Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ, om de karavaan van Quraysh in de gaten te houden.

We verbleven een halve maand aan de kust, en leden hevige honger tot we de bladeren (en vruchten) van een doornige boom (al-khabaṭ) aten, daarom werd dit leger het “Leger van al-Khabaṭ” genoemd. Toen wierp de zee voor ons een zeedier op dat ʿAnbar (walvis) werd genoemd. We aten daarvan gedurende een halve maand smeerden ons in met zijn vet totdat onze lichamen weer op krachten kwamen.Abū ʿUbaydah nam een rib van het dier en zette die rechtop; vervolgens riep hij de langste man van ons, zette hem op een kameel, en die reed onder de rib door.Jābir zei: “(Tijdens het verblijf aan de kust) was een man (ruiter) onder het leger die drie kamelen slachtte, daarna nog drie, en daarna weer drie. Toen heeft Abū ʿUbaydah hem verboden daarmee door te gaan.”

Het is ḥarām om (tamme) ezelvlees te etenتحريم أكل لحم الحمر الإنسية

١٢٦٢ - حديث عَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنْ مُتْعَةِ النِّسَاءِ يَوْمَ خَيْبَرَ، وَعَنْ أَكْلِ الْحُمُرِ الإِنْسِيَّةِ

1262 – Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood op de dag van Khaybar het tijdelijke huwelijk (mutʿah) met vrouwen en het eten van tamme ezels.

١٢٦٣ - حديث أَبِي ثَعْلَبَةَ، قَالَ: حَرَّمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لُحُومَ الْحُمُرِ الأَهْلِيَّةِ1263 – Van Abū Thaʿlabah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het eten van het vlees van tamme ezels verboden.

[In de Islām komt het verbod (ḥarām) voort uit twee bronnen: óf vanwege de naam (ism), óf vanwege de onderliggende reden (ʿillah). In dit geval is het verbod gebaseerd op de ʿillah, de onderliggende reden. Dat wil zeggen, het vlees van roofdieren met scherpe tanden, roofvogels met klauwen, en aaseters is verboden verklaard. Maar de dode dieren uit de zee zijn daarentegen wél toegestaan verklaard. De betreffende openbaringen (Qur’ān en Sunnah: mv van naṣ, nuṣūṣ) hebben betrekking op jacht op het land.] (HY)

١٢٦٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: نَهى النَّبيُّ ﷺ عَنْ أَكْلِ لحُومِ الْحُمُرِ الأَهْلِيَّةِOnderkant formulier

1264 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het eten van het vlees van tamme ezels verboden.

[Tamme ezelvlees is door deze ḥadīth verboden verklaard. Tegelijkertijd is deze overlevering een bewijs dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de bevoegdheid heeft om zaken als ḥalāl en ḥarām te bepalen.] (HY)

١٢٦٥ - حديث ابْنِ أَبِي أَوْفَى، قَالَ: أَصَابَتْنَا مَجَاعَةٌ، لَيَالِيَ خَيْبَرَ، فَلَمَّا كَانَ يَوْمُ خَيْبَرَ، وَقَعْنَا فِي الْحُمُرِ الأَهْلِيَّةِ فَانْتَحَرْنَاهَا، فَلَمَّا غَلَتِ الْقُدُورُ نَادَى مُنَادِي رَسُولِ اللهِ ﷺ أَكْفِئُوا الْقُدُورَ فَلاَ تَطْعَمُوا مِنْ لُحُومِ الْحُمُرِ شَيْئًا قَالَ عَبْدُ اللهِ (هُوَ ابْنُ أَبِي أَوْفَى): فَقُلْنَا إِنَّمَا نَهى النَّبِيُّ ﷺ لأَنَّهَا لَمْ تُخَمَّسْ، قَالَ: وَقَالَ آخَرُونَ حَرَّمَهَا الْبَتَّةَ1265 – Van `Abdullah Ibn Abī Awfā رضي الله عنهما):Tijdens de nachten van Khaybar werden we getroffen door een hongersnood. Op de dag van Khaybar stortten wij ons op de tamme ezels en slachtten ze. Toen de potten begonnen te koken, riep een omroeper van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Keer de potten om en eet niets van het vlees van de tamme ezels.”ʿAbdullāh (d.w.z. Ibn Abī Awfā) zei: “Wij zeiden: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het slechts verboden omdat het niet als oorlogsbuit was verdeeld (met een vijfde deel afgedragen (khums: deel voor Allāh en Zijn Rasûl).” Anderen zeiden: “Hij heeft het absoluut verboden verklaard.”

١٢٦٦ - حديث الْبَرَاءِ وَعَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى، أَنَّهُمْ كَانُوا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فَأَصَابُوا حُمُرًا فَطَبَخُوهَا، فَنَادَى مُنَادِي النَّبِيِّ ﷺ: أَكْفِئُوا الْقُدُورَ1266 – Van al-Barā’ en ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنهما):Zij waren met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (in Khaybar) toen zij tamme ezels aantroffen en (hun vlees) kookten. Toen riep een omroeper van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Keer de potten om!”

١٢٦٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ ﵄، قَالَ: لاَ أَدْرِي أَنْهى عَنْهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ أَجْلِ أَنَّهُ كَانَ حَمُولَةَ النَّاسِ فَكَرِهَ أَنْ تَذْهَبَ حَمُولَتُهُمْ، أَوْ حَرَّمَهُ فِي يَوْمِ خَيْبَرَ، لَحْمَ الْحُمُرِ الأَهْلِيَّةِ1267 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Ik weet niet of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het verboden heeft omdat het het rijdier van de mensen was, en hij het dus niet wilde laten verdwijnen, of dat hij het daadwerkelijk het vlees van de tamme ezels absoluut heeft verboden.

١٢٦٨ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ رَأَى نِيرَانًا تُوقَدُ يَوْمَ خَيْبَرَ قَالَ: عَلَى مَا توقَدُ هذِهِ النِّيرَانُ قَالُوا: عَلَى الْحُمُرِ الإِنْسِيَّةِ، قَالَ: اكْسِرُوهَا وَأَهْرِقُوهَا قَالُوا: أَلاَ نُهَرِيقهَا وَنَغْسِلُهَا قَالَ: اغْسِلُوا1268 – Van Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag op de dag van Khaybar verschillende kampvuren branden en vroeg: “Waarom branden deze vuren?”Zij antwoordden: “Voor het vlees van tamme ezels.” “Breek de potten en giet het weg,” zei hij. “Mogen wij het niet gewoon uitgieten en de potten wassen?” , vroegen zijDaarop zei hij: “Was ze dan.”

[De toestemming van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de vaten te wassen, toont aan dat vaten waarin wijn heeft gezeten met water gereinigd kunnen worden.]

Toegestaan om paardenvlees te etenفي أكل لحوم الخيل

١٢٦٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ ﵄، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَوْمَ خَيْبَرَ، عَنْ لُحُومِ الْحُمُرِ، وَرَخَّصَ فِي الْخَيْلِ

1269 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood op de dag van Khaybar het eten van (tamme) ezel vlees, maar stond het eten van paardenvlees toe.

[In deze ḥadīth wordt aangegeven dat paardenvlees ḥalāl is en gegeten mag worden. Helaas heeft de Turkse samenleving hier een vergelijking gemaakt met ezelvlees, en op basis daarvan ook paardenvlees als ḥarām beschouwd.] (HY)

١٢٧٠ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ ﵄، قَالَتْ: نَحَرْنَا عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ، فَرَسًا فَأَكَلْنَاهُ1270 – Van Asmā’ bint Abī Bakr (رضي الله عنها):Zij zei: Wij slachtten tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een paard en aten het.

[In wezen is het eten van paardenvlees niet ḥarām. Toch zijn Imām Mālik, Imām Abū Ḥanīfah en al-Awzāʿī van mening dat het makrūh is. Hun bewijs hiervoor is een ḥadīth, overgeleverd door Abū Dāwūd, waarin vermeld wordt dat het eten van paardenvlees verboden zou zijn. Omdat deze ḥadīth echter qua authenticiteit niet sterk is, en er meerdere sterke overleveringen zijn waarin vermeld wordt dat paardenvlees juist ḥalāl is, vormt dit een belemmering om op basis van de overlevering van Abū Dāwūd te handelen. Daarom konden bovengenoemde geleerden het niet als zeker ḥarām beschouwen en noemden zij het makrūh.Een ander bewijs dat deze geleerden aanhalen is vers 5-8 uit sûrah an-Naḥl, waarin vermeld wordt dat de dieren door Allāh geschapen zijn ten dienste van de mens, en dat een deel ervan gegeten wordt. Daarna wordt gezegd: ‘

وَٱلۡخَيۡلَ وَٱلۡبِغَالَ وَٱلۡحَمِيرَ لِتَرۡكَبُوهَا وَزِينَةٗۚ وَيَخۡلُقُ مَا لَا تَعۡلَمُونَ ٨

En (Hij heeft) paarden, muildieren en ezels voor jullie (geschapen) om op te rijden en (zij zijn) als een sieraad. En Hij schept (andere) zaken waar jullie geen kennis van hebben.

Aangezien het vers spreekt over dieren die gegeten worden, en vervolgens specifiek deze drie noemt zonder het eten ervan te vermelden, wordt dit uitgelegd als een aanwijzing dat deze dieren niet gegeten worden, maar bedoeld zijn voor vervoer en verfraaiing dienen.Aan de andere kant stellen geleerden als Imām Muḥammad, Imām Abū Yūsuf, Imām ash-Shāfiʿī en ʿAbdullāh ibn al-Mubārak, op basis van de ḥadīth en soortgelijke overleveringen, dat het eten van paardenvlees toegestaan en ḥalāl is.] (AFK)

[Er zijn aḥādīth die aangeven dat het eten van paardenvlees ḥalāl is, maar er zijn ook aḥādīth die dit als ḥarām beschouwen (Abu Dâwûd, At‘imah 25, 3790; 32, 3806; Tirmidzî, Sayd 11; Nasâî, Sayd 69‑71; İbn Mâjah, Zabāih 14).

Om deze reden zijn de geleerden verdeeld over de toelaatbaarheid van het eten van paardenvlees:

Volgens Abū Ḥanīfe is het tahrīman makrūh (sterk af te raden).

Volgens de twee Imāms (Imām ash-Shāfi‘ī en Imām Aḥmad) is het tanzīhan makrūh (minder streng afgekeurd).

Sommigen, zoals Ḥasan al-Baṣrī, Sa‘īd b.

Jubayr, Imām ash-Shāfi‘ī, Imām Aḥmad en enkele andere geleerden, hebben verklaard dat het eten van paardenvlees ḥalāl is.

De aḥadīth die melden dat sommige metgezellen paardenvlees aten, hebben waarschijnlijk betrekking op noodgevallen.De aḥadīth die aangeven dat het ḥalāl was, verwijzen naar de Slag van Ḥaybar, toen dit vlees daadwerkelijk werd gegeten.Bovendien, aangezien Khālid b. Walīd pas na de Slag van Ḥaybar moslim werd, kan worden begrepen dat de ḥadīth die het eten van paardenvlees ḥarām verklaren, in feite niet langer de eerdere aḥadīth opheffen waarin het als ḥalāl werd aangeduid.

Kortom: de meningen van de geleerden lopen uiteen, en factoren zoals oorlog, noodzaak of historische omstandigheden speelt een belangrijke rol bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van paardenvlees.] (HA)

Toegestaan om hagedis te eten

إِباحة الضب

١٢٧١ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الضَّبُّ، لَسْتُ آكُلُهُ، وَلاَ أُحَرِّمُهُ

1271 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei over de doornstaart hagedis (ḍab). “Ik eet het niet, maar ik verbied het ook niet.”

١٢٧٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: كَانَ نَاسٌ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ، فِيهمْ سَعْدٌ، فَذَهَبُوا يَأْكُلُونَ مِنْ لَحْمٍ، فَنَادَتْهُمُ امْرَأَةٌ مِنْ بَعْضِ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ، إِنَّهُ لَحْمُ ضَبٍّ، فَأَمْسَكُوا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كُلُوا أَوِ اطْعَمُوا، فَإِنَّهُ حَلاَلٌ أَوْ قَالَ: لاَ بَأْسَ بِهِ وَلكِنَّهُ لَيْسَ مِنْ طَعَامِي1272 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Sommige metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waaronder Saʿd ibni Abie Waqqās, waren vlees aan het eten, waarop een van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen waarschuwde: “Het is vlees van doornstaart hagedis (ḍab).”Daarop hielden zij op met eten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eet ervan of geef het aan anderen om te eten. Het is halāl, of hij zei: er is geen bezwaar tegen, maar het behoort niet tot mijn voedsel.”

١٢٧٣ - حديث خَالِدِ بْنِ الْوَلِيدِ، أَنَّهُ دَخَلَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، عَلَى مَيْمُونَةَ، وَهِيَ خَالَتُهُ، وَخَالَةُ ابْن عَبَّاسٍ، فَوَجَدُ عِنْدَهَا ضَبًّا مَحْنُوذًا قَدِمَتْ بِهِ أُخْتُهَا، حُفَيْدَةُ بِنْتُ الْحارِثِ، مِنْ نَجْدٍ فَقَدَّمَتِ الضَّبَّ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ وَكَانَ، قَلَّمَا يُقَدِّمُ يَدَهُ لِطَعَامٍ، حَتَّى يُحَدَّثَ بِهِ وَيُسَمَّى لَهُ فَأَهْوَى رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَدَهُ إِلَى الضَّبِّ، فَقَالَتِ امْرَأَةٌ مِنَ النِّسْوَةِ الْحُضُورِ: أَخْبِرْنَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، مَا قَدَّمْتُنَّ لَهُ، هُوَ الضَّبُّ يَا رَسُولَ اللهِ فَرَفَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَدَهُ عَنِ الضَّبِّ فَقَالَ خَالِدُ بْنُ الْوَلِيدِ: أَحَرَامٌ الضَّبُّ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: لاَ، وَلكِنْ لَمْ يَكُنْ بِأَرْضِ قَوْمِي، فَأَجِدُنِي أَعَافُهُ، قَالَ خَالِدٌ: فَاجْتَرَرْتُهُ فَأَكَلْتُهُ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ يَنْظُرُ إِلَيَّ1273 – Van Khālid ibn al-Walīd (رضي الله عنه):Ik ging samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis van Maymunah binnen, zij was zijn tante en ook de tante van Ibn ʿAbbās.

Daar troffen we geroosterde doornstaart hagedis (ḍab ) aan, die haar zus Ḥufaydah bint al-Ḥārith uit Najd had meegebracht. Zij bood de ḍab aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij reikte zijn hand ernaar uit. Toen zei een van de aanwezige vrouwen: “Informeer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wat jullie hem aanbieden! Ze antwoordden: ‘O Rasûlullāh, het is doornstaart hagedis.” Daarop trok Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn hand terug.Khālid ibn al-Walīd zei: “Is doornstaart hagedis verboden, o Rasûlullāh ?” Hij antwoordde: “Nee, maar het is niet gebruikelijk in het land van mijn volk, en ik voel er een natuurlijke afkeer van.”Khālid zei: “Ik trok het naar mij toe en at ervan, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar mij keek (maar hij verbood het niet).”

١٢٧٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أَهْدَتْ أُمُّ حُفَيْدٍ، خَالَةُ ابْنِ عَبَّاسٍ، إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، أَقِطًا وَسَمْنًا وَأَضُبًّا، فَأَكَلَ النَّبِيُّ ﷺ مِنَ الأَقِطِ وَالسَّمْنِ، وَتَرَكَ الضَّبَّ تَقَذُّرًا

قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: فَأُكِلَ عَلَى مَائِدَةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلَوْ حَرَامًا مَا أُكلَ عَلَى مَائِدَةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ

1274 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Ummu Ḥufayd, de tante van Ibn ʿAbbās, schonk aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een geschenk bestaande uit zure melk (aqiṭ), gesmolten vet en doornstaart hagedisvlees. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dronk van de melk en at het vet, maar liet de doornstaart hagedisvlees liggen uit afkeer. Ibn ʿAbbās zei: Er werd gegeten aan de tafel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en als het verboden zou zijn geweest, zou het niet op de tafel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gegeten.

Toegestaan om sprinkhaan te eten

إِباحة الجراد

١٢٧٥ - حديث ابْنِ أَبِي أَوْفَى، قَالَ: غَزَوْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، سَبْعَ غَزَوَاتٍ، أَوْ سِتًّا، كُنَّا نَأْكُلُ مَعَهُ الْجَرَادَ

1275 – Van Ibn Abī Awfā (رضي الله عنه):Wij namen deel aan zeven of zes veldtochten (ghazwāt) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en wij aten samen met hem sprinkhanen.

Toegestaan om konijn te etenإِباحة الأرنب

١٢٧٦ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: أَنْفَجْنَا أَرْنَبًا بِمَرِّ الظَّهْرَانِ، فَسَعَى الْقَوْمُ فَلَغَبُوا، فَأَدْرَكْتُهَا، فَأَخَذْتُهَا، فَأَتَيْتُ بِهَا أَبَا طَلْحَةَ، فَذَبَحَهَا، وَبَعَثَ بِهَا إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ بِوَرِكِهَا أَوْ فَخِذَيْهَا فَقَبِلَهُ، وَأَكَلَ مِنْهُ

1276 – Van Anas (رضي الله عنه):Wij joegen op een konijn in Marri az-Zahrān (in de buurt van Makkah). De mensen achtervolgden het dier, maar werden moe. Ik haalde het konijn in en ving het, en bracht het naar Abū Ṭalḥah. Hij slachtte het en stuurde de heup of beide dijen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij accepteerde het en at ervan.

Bij het jagen of strijden tegen de vijand is het ḥalāl om hulpmiddelen te gebruiken waarvan men profiteert. Echter, het gebruik van een slinger is af te raden

إِباحة ما يستعان به على الاصطياد والعدو وكراهة الخذف

١٢٧٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مُغَفَّلٍ، أَنَّهُ رَأَى رَجُلًا يَخْذِفُ فَقَالَ لَهُ: لاَ تَخْذِفْ، فَإِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنِ الْخَذْفِ، أَوْ كَانَ يَكْرَهُ الْخَذْفَ وَقَالَ إِنَّهُ لاَ يُصَادُ بِهِ صَيْدٌ وَلاَ يُنْكَى بِهِ عَدُوٌّ، وَلكِنَّهَا قَدْ تَكْسِرُ السِّنَّ وَتَفْقَأ الْعَيْنَ ثُمَّ رَآهُ بَعْدَ ذَلِكَ يَخْذِفُ، فَقَالَ لَهُ: أُحَدِّثكَ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ أَنَّهُ نَهى عَنِ الْخَذْفِ أَوْ كَرِهَ الْخَذْفَ، وَأَنْتَ تَخْذِفُ لاَ أُكَلِّمُكَ كَذَا وَكَذَا

1277 – Van ʿAbdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه):Hij zag een man stenen slingeren (of met de vingers wegslingeren) en zei tegen hem: “Doe dat niet, want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit verboden, of hij had er een afkeer van.” Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Daarmee wordt geen jacht gevangen, en de vijand wordt er niet mee verwond, maar het kan wel een tand breken of een oog uitslaan.” Vervolgens zag hij hem opnieuw stenen slingeren en zei: “Ik vertel jou iets van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) namelijk dat hij dit verboden heeft of er een afkeer van had, en jij blijft het toch doen? Ik zal niet meer met jou spreken gedurende zo-en-zoveel tijd!”

[Een prooi die geraakt is met een werpsteen en niet ritueel is geslacht, valt onder het oordeel van een dode prooi die door het slaan is omgekomen, zoals verboden is in sûrah al-Mā’idah, 5/3. Omdat het vlees van een dergelijk dier niet gegeten mag worden, is het verspilling. Bovendien doodt deze manier van werpen de vijand niet, maar kan het juist anderen verwonden, bijvoorbeeld een oog uitslaan of soortgelijke schade veroorzaken. Daarom wordt deze vorm van werpen, hoewel nutteloos, als schadelijk en ongewenst beschouwd.] (AFK)

Verbod op levend dier als schietschijf te gebruiken

النهي عن صبر البهائم

١٢٧٨ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ، أَنْ تُصْبَرَ الْبَهَائِمُ

1278 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verboden dat dieren als schietschijf worden vastgebonden om er vervolgens op te schieten of ze te kwellen.

١٢٧٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: كُنْتُ عِنْدَ ابْنِ عُمَرَ، فَمَرُّوا بِفِتْيَةٍ، أَوْ بِنَفَرٍ نَصَبُوا دَجَاجَةً يَرْمُونَهَا، فَلَمَّا رَأَوُا ابْنَ عُمَرَ تَفَرَّقُوا عَنْهَا وَقَالَ ابْنُ عُمَرَ: مَنْ فَعَلَ هذَا إِنَّ النَّبِيَّ ﷺ لَعَنَ مَنْ فَعَلَ هذَا1279 – Van Ibn ʿUmar via Saʿīd ibn Jubayr (رضي الله عنهما):Ik was bij Ibn ʿUmar en er kwamen jonge lui voorbij die een kip als schietschijf hadden vastgebonden en daarop aan het schieten waren. Toen zij Ibn ʿUmar zagen, renden ze ervandoor. Toen zei Ibn ʿUmar: ‘Wie heeft dit gedaan? An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft vervloekt wie zoiets doet.’