HET VERHAAL VAN DE DRIE REIZIGERS IN DE GROT
Overgeleverd door Aboe `Abdurrahmaan Abdullah bin `Umar bin Khattaab (rahuma) Ik hoorde Rasoelullaah (sas) (Allah’s boodschapper) zeggen: ”Voor jullie vertrokken er drie mannen samen op reis, totdat ze bij een grot aankwamen om te overnachten. Ze gingen naar binnen. (Na een tijdje) rolde er een rots van de berg af en maakte de ingang van de grot dicht. Ze zeiden tegen elkaar: ”Waarlijk, niemand van jullie zal uit deze grot bevrijd worden, behalve dat je Allahu Ta`ala (de Verhevene) aanroept met verwijzing naar jullie rechtschapen daden”.
Eén van de mannen onder hen zei: ”Oh Allah, mijn ouders waren oud en (elke avond) gaf ik noch mijn gezin en noch mijn bediendes melk te drinken, totdat ik mijn ouders had laten drinken. Op een dag was ik te ver (van huis geraakt) doordat ik op zoek ging naar een boomrijk gebied (om de dieren te laten grazen). Toen ik thuis kwam sliepen ze al. Ik melkte de dieren en bracht toen de melk naar hun toe waarop ze nog steeds sliepen. Ik vond het niet gepast mijn familie en mijn bediendes eerder melk te geven. Terwijl mijn kinderen op de grond huilden (van honger), wachtte ik op hun met een kom melk in mijn hand tot het ochtendgloren aanbrak. Toen ze wakker werden dronken ze hun melk op. Oh Allah, als ik dit alleen voor Uw Aangezicht heb gedaan, verlos ons dan uit deze hachelijke situatie, die veroorzaakt is door deze rots”.
Hierop schoot de rots een klein stuk je opzij, maar nog konden zij er niet uit.
De volgende man zei:” Oh Allah, mijn oom had een dochter die mij het liefst was onder de mensen. (Volgens een andere overlevering: Ik hield zo van haar zoals alleen een man van een vrouw kan houden). Ik zocht toenadering tot haar, maar ze hield zich afzijdig. Later werd ze getroffen door ongemak in een jaar van schaarste (hongersnood) en kwam zodoende naar mij toe. Ik gaf haar honderd twintig dinaar (goudstukken) op voorwaarde dat ze mijn wens(verlangen) niet zou weigeren. Ze ging ermee akkoord. Toen ben ik op het punt stond om mijn verlangens te bevredigen (of volgens een andere overlevering: toen ik tussen haar benen stond) zei ze: ”Heb angst voor Allah, om mijn (maagdelijke) zegel te verbreken behalve met recht (m.a.w. binnen een wettig huwelijk). Op dat moment verliet ik haar, ondanks dat ze nog steeds het liefst onder de mensen voor mij was. Tevens liet ik ook het goud dat ik haar gegeven had bij haar achter. Oh Allah, als ik dit alleen voor Uw Aangezicht heb gedaan, verlos ons dan uit deze hachelijke situatie.
Hierop schoot de rots een klein stuk je opzij, maar nog steeds konden zij er niet uit.
De derde (man) zei: ”Oh Allah, ik had landarbeiders in dienst en betaalde hun lonen, met uitzondering van één man, die zonder zijn loon aan te nemen vertrok. Ik investeerde zijn loon en kreeg daardoor veel bezittingen.
Op een dag kwam hij naar me toe en zei: “Oh Allah’s dienaar (`Abdoellaah) betaal me mijn loon”.
Ik zei tegen hem: “Al die kamelen, vee, schapen en slaven , die je ziet zijn jouw loon”.
Hij zei: “O Allahs dienaar, drijf de spot niet met me”.
Ik zei: “Ik drijf de spot niet met jou”.
Daarop nam hij alles mee en liet niets achter. Oh Allah, als ik dit alleen voor Uw Aangezicht heb gedaan, verlos ons dan uit deze hachelijke situatie. Hierop schoof de rots helemaal opzij en liepen ze de grot uit. (Riyad’us Salihien met verwijzing naar Sahih’il Bukharie)
HET VERHAAL VAN EEN MELAATSE, EEN KALE EN EEN BLINDE MAN.
Rasoel-lullah (sallalahu `alayhi wassallam) vertelde zijn vrienden, het volgende verhaal:
Vroeger leefde onder de Zonen van Israël drie mannen; een melaats, een kale en een blinde. Allaah wilde deze drie mannen beproeven. Daarom stuurde Allaah een engel -die uitzag als een mannaar deze drie mannen.
De engel kwam bij de melaats, en vroeg aan hem:
- Wat zou jij het liefste -van Allaahwillen hebben?.
De melaats zei tegen de engel :
- De mensen vinden mij zo lelijk. Daarom zou ik een mooie en gave huidskleur willen hebben en ik zou ook willen dat ik van deze ziekte genezen werd.
De engel wreef met zijn handen over het lichaam van de melaats en hij was meteen genezen van zijn ziekte. Bovendien had hij een mooie en gave huidskleur gekregen.
- Van welk huisdier houd jij het meeste van?.
De melaats, die nu helemaal genezen was, zei:
- Ik hou het meest van een kameel.
Hij kreeg een vrouwtjes kameel die al tien maanden drachtig was.
- Moge Allaah deze kameel gezegend maken.
Vervolgens ging de engel naar de kale man toe.
De engel vroeg aan hem:
- Wat zou jij het liefste van Allaah willen hebben?.
De kale man zei tegen de engel:
- De mensen vinden mij zo lelijk. Daarom zou ik een mooi bos haar willen hebben en ik zou ook willen dat ik van deze kaalheid genezen werd.
De engel wreef met zijn handen over het hoofd van de kale man en hij was meteen genezen van zijn kaalheid. Bovendien had hij een mooi bos haar.
- Van welk huisdier houd jij het meeste van?.
De kale man, die nu helemaal genezen was, zei:
- Ik hou het meest van een koe.
Hij kreeg een koe die ook drachtig was.
- Moge Allaah deze koe gezegend maken.
Tenslotte ging de engel naar de blinde man toe.
De engel vroeg aan hem:
- Wat zou jij het liefste van Allaah willen hebben?.
De blinde man zei tegen de engel:
- Ik zou graag willen dat Allaah mijn ogen beter maakte zodat ik de mensen kon zien.
De engel wreef met zijn handen over de ogen van de blinde man en Allaah liet zijn ogen weer zien.
- Van welk huisdier houd jij het meeste van?.
De blinde man, die nu alles kon zien, zei:
- Ik hou het meest van een schaap.
Hij kreeg een schaap dat ook drachtig was.
De kameel van de man die eerst melaats was, de koe van de man die eerst kaal was en het schaap van de man die eerst blind was kregen in de loop van de jaren jongeren.
Vele jaren later had de eerste man weilanden vol kamelen, de tweede man weilanden vol koeien en de derde man weilanden vol schapen.
Toen kwam de engel na al die jaren als een melaats naar de man die eerst melaats was en zei:
- Ik ben een arme melaats. Ik ben op doorreis. Ik moet vandaag ergens zijn. Aller eerst met Allaahs hulp en daarna met jou hulp kan ik vandaag nog daar aankomen. Ik vraag je bij Allaah, die jou een mooie en gave huidskleur heeft gegeven en ook heel veel kamelen en bezittingen, mij een kameel cadeau te geven, zodat het mij naar de plaats van bestemming kan brengen.
De man die eerst melaats was zei:
- Er zijn zo veel arme mensen die om mijn kamelen komen vragen.
- Dus hij gaf niets aan de engel.
Toen zei de engel:
- Ik denk dat ik jou ken. Jij was toch een arme melaats die door de mensen verafschuwd werd?.
De man zei:
- Zeker niet. Al deze kamelen en bezittingen heb ik van mijn ouders geërfd.
- Als alles wat je mij vertelt hebt gelogen is, moge Allaah je dan weer maken zoals je vroeger was. En hij werd weer een lelijke arme melaats.-
Vervolgens ging de engel als een kale man naar de man toe die eerst kaal was. De engel vroeg hetzelfde aan deze man wat hij aan de melaats vroeg. Deze man antwoordde het zelfde als de melaats en hij gaf ook niets aan de engel
- Als alles wat je mij vertelt hebt gelogen is, moge Allaah je dan weer maken zoals je vroeger was. En hij werd weer een lelijke arme kale man.
Tenslotte ging de engel naar de man toe die eerst blind was.
- Ik ben een arme behoeftige reiziger. Ik ben op doorreis. Ik moet vandaag ergens zijn. Aller eerst met Allaahs hulp en daarna met jou hulp kan ik vandaag nog daar aankomen. Ik vraag je bij Allaah, die jou ogen heeft doen zien, mij een schaap cadeau te geven, zodat ik weer kan reizen.
De man die eerst blind was zei:
- Ik was eerst blind. Allaah heeft mijn ogen beter gemaakt zodat ik weer kon zien. Ik was arm en Allaah heeft mij rijk gemaakt. Neem zoveel van mijn schapen als je wilt en laat zoveel schapen aan mij over als je wilt. Bij Allaah, ik zal geen enkel probleem maken omdat je dit voor Allaah doet.
- Ik hoef jou schapen niet. Je mag het zelf houden.
Toen vertelde de engel het verhaal van de andere twee mensen.
Toe zei hij:
- Allaah heeft jullie beproeft. Allaah is tevreden over jou. Maar Allaah is boos geworden op je twee andere vrienden.
Beste kinderen,
Uit deze hadith van de Profeet Muhammad (sallalahu `alayhi wassallam) zien we dat Allaah alle mensen beproeft. Alles wat gebeurt komt van Allaah:
- Allaah maakt ons ziek, kaal en blind maar Allaah maakt ons ook weer gezond en niet de dokter of medicijnen
- Allaah geeft ons eten, drinken, geld, bezittingen, maar Allaah kan het ook van ons afnemen. Want alles is van Allaah. Alles wat wij hebben heeft Allaah ons te leen gegeven.
- Omdat Allaah ons alles geeft moeten we Allaah ook dankbaar zijn door naar Allaah en de Profeet Muhammad (sallalahu `alayhi wassallam) te luisteren, en het meest van Allaah en de Profeet Muhammad (sallalahu `alayhi wassallam) te houden.
- Allaah houdt niet van gierige mensen, zoals de melaats en de kale man in het verhaal. Allaah houdt juist van vrijgevige mensen, zoals de blinde man. Allaah houdt van mensen die eten, drinken, geld, kleren en bezittingen geven aan arme mensen.
- Allaah houdt ook niet van liegen. Als mensen liegen dan wordt Allaah boos op die mensen, zoals de melaats en de kale man. Allaah houdt juist van mensen die de waarheid spreken, zoals de blinde man.
- Allaah houdt niet van mensen die ondankbaar zijn tegen Allaah, zoals de melaats en de kale man in het verhaal. Allaah houdt juist van mensen die dankbaar zijn tegen Allaah. Wij moeten altijd dankbaar zijn tegen Allaah, al worden we ziek. Want als je ziek bent en je dankt Allaah hiervoor dan geeft Allaah je zegeningen of Allaah vergeeft je zondes.
Laten we met elkaar afspreken dat we vanaf nu niet gierig meer zullen zijn en niet meer zullen liegen, al is het maar een klein leugentje of een leugen voor de grap. We willen toch dat Allaah van ons houdt.
Laten we altijd de waarheid spreken, al krijgen we daardoor straf. Laten we ook vrijgevig zijn. Als we dat doen dan zal Allaah van ons houden, netzoals Allaah van de blinde man houdt.
HET VERHAAL VAN DE RIJKE EN DE ARME.
In de Qur'aan vertelt Allaah ons over twee vrienden, aan de ene gaf Allaah twee tuinen met druiveplanten, die omringd werden met palmen. Allaah gaf hem ook akkers waarin hij groenten en graan verbouwde. Allaah had hem dus rijk en welvarend gemaakt. Daarentegen maakte Allaah van zijn vriend een arme sloeber.
In de beide tuinen van de rijke man gaf Allaah veel vruchten en schoten daarbij in niets tekort. Allaah liet tussen de beide tuinen een rivier stromen.
Nadat hij zijn oogst binnen gehaald had, schepte hij op tegen zijn arme vriend en hij zei:
Ik heb meer bezit dan jij en ik heb ook een grotere familie en gezin dan jij.
Vol trots ging hij terug naar zijn tuin.
Hoewel Allaah hem alles had gegeven, ontkende hij Allaahs gunsten. Door zijn ondankbaarheid aan Allaah was hij trots en hebzuchtig geworden. Hij dacht dat alleen hij en de natuur ervoor gezorgd hadden dat er een rivier tussen zijn tuinen liep, dat de planten goed groeiden en dat zijn tuinen en akkers zo veel groente, fruit en graan gaven.
Hij geloofde dat zijn tuinen, bomen, water en alles wat hij bezat voor altijd zou bestaan en dat niemand van hem kon afnemen. Het enige waaraan hij dacht was dan ook zijn werk, familie, geld en bezittingen. Zijn geloof in de natuur, werk, rijkdom en familie was sterker dan in Allaah. Daarom zei hij: Ik denk niet dat mijn tuinen en akkers ooit zullen vergaan. En ik denk ook niet dat de Dag des Oordeels zal komen.
Hij kon niet geloven dat er een leven in het hiernamaals kon zijn. Maar hij zei:
Als er toch een leven hierna is, dan zal ik naar mijn Heer teruggebracht worden en ik zal nog beters dan deze tuinen en akkers krijgen van mijn Heer.
Hij vond zichzelf zo'n goede mens dat hij dacht dat Allaah hem in het Hiernamaals wel zou belonen met het Paradijs. Hij dacht dat Allaah van hem hield. Waarom zou Allaah hem anders zoveel geld, bezittingen en kinderen hebben gegeven en zijn arme vriend niet. Hij dacht dat Allaah aan de mensen van wie Hij hield als beloning hier op aarde geld, bezittingen, kinderen en gezondheid gaf. En hij dacht dat rijke mensen ook in het Hiernamaals konden doen en laten waar ze zin in hadden. Dat is natuurlijk niet zo.
Doordat hij niet in de Dag des Oordeels geloofde, was zijn geloof in Allaah zwak en zijn liefde voor zijn kinderen, geld en bezittingen groot. Voor hem maakte het niet uit of de Dag des Oordeels kwam of niet, hem kon toch niets gebeuren, hij was toch rijk en welvarend.
Zijn arme vriend met wie hij in gesprek was, werd erg boos op hem en hij zei tegen hem:
Ontken jij Allaah die jou uit aarde en dan uit een druppel schiep en je dan tot man gevormd heeft? Maar Allaah is mijn Heer, en ik voeg aan mijn Heer niemand als metgezel toe.
Ik aanbid naast Allaah geen andere goden, zoals mijn gezin, werk of bezittingen. Hoe kan je Allaah ontkennen.
Toen je dood in je moeders buik zat heeft Allaah je als baby laten leven, daarna ben je steeds groter en groter geworden en er komt een dag dat Allaah je ook laat sterven. En op de Dag des Oordeels zal Allaah je weer laten leven uit de dood. Buiten Allaah is geen ander godheid, Allaah laat alles leven, groeien, bloeien en doodgaan, Allaah geeft Alles eten en drinken, Allaah laat alles slapen en bewegen, Allaah laat het water stromen, de wolken bewegen en de maan, zon en de sterren stralen. En Allaah heeft, bij het doen van al die dingen, van niemand hulp nodig. Ik zeg niet zoals jij, dat de natuur of ik ervoor zorgen dat alles wat in de tuin en akker is groeit en bloeit, nee, alleen Allaah doet dat. Ik geloof in Allaah en de Dag des Oordeels. Ik geloof dat alles door Allaah gebeurt op de manier hoe Allaah het wil.
Hij zei ook:Toen jij in je tuin ging, dan had je in plaats van op te scheppen, dat ik minder bezit en kinderen heb dan jij, Allaah dankbaar kunnen zijn voor al het moois dat Allaah je gegeven heeft, en je had beter kunnen zeggen: Maashaa'Allaah laa qoewwata illaa billaah (Zoals Allaah het wil, alleen in Allaah is kracht). Allaah kan mij in het hiernamaals iets beters geven dan jouw tuin. En Allaah kan een zware regenbui uit de hemel zenden die jouw tuinen en akkers vernietigt en een kale en glibberige grond van maakt. Of dat het water van de rivier er diep wegzakt zodat jij het niet meer kunt vinden. Dan zal je pas zien dat alles wat je bezit in een keer is verdwenen.
Allaahs straf kwam snel. Het regende zo hard dat al zijn vruchten volkomen werden verwoest. Toen de rijke man dit zag, begon hij zich de handen te wringen. Al het werk dat hij in zijn tuinen en akkers gedaan had was voor niets geweest. Hij had niets meer over van al zijn bezittingen. Hij had geen vruchten meer, hij had geen bomen meer al zijn groente en graan was verwoest. De rivier die tussen zijn tuinen stroomde was drooggevallen. Toen hij Allaahs straf had gezien vroeg hij vergiffenis maar hij was te laat ermee. En hij zei:
Ah, had ik aan mijn Heer maar niemand als metgezel toegevoegd, had ik maar buiten Allaah geen andere goden, zoals de natuur, bezittingen en familie, aanbeden.
Hij had over zijn grote familie en gezin opgeschept maar toen Allaahs straf kwam, was buiten Allaah voor hem geen van zijn vrienden en familieleden die hem er tegen konden helpen. Hij kreeg dan ook van niemand hulp. Hij kon zichzelf niet eens redden, laat staan zijn bezittingen.
Als de komst van Allaah straf zover is, heeft alleen Allaah nog bescherming te bieden. Hij geeft de beste beloning en het beste uiteinde.
Hiermee is het verhaal van deze twee mensen tot een einde gekomen. Allaah vertelt ons dan dat het begin en het einde van het leven hier op aarde als water is, die uit de hemel als regen komt. De planten op aarde groeien door dit regen water door elkaar in verschillende geuren en kleuren. Dan worden deze planten droge stengels die de wind wegblaast. Allaah is over alles machthebber. Bezittingen en zonen en dochters zijn de pracht van het leven op aarde, niet de bezittingen, geld en kinderen maar goede daden zullen voor altijd blijven. Goede daden hebben bij jouw Heer betere beloning en een betere verwachting.
HET VERHAAL VAN DE BEPROEVING VAN EEN MOSLIM JONGEN, DE MONNIK, DE KONING EN DE TOVENAAR.
Vroeger leefde er eens een koning, die een tovenaar in dienst had.
Toen de tovenaar oud werd, vroeg hij de koning:
- Ik ben oud geworden, wilt u mij een jonge man sturen, aan wie ik mijn toverkunsten kan leren.
De koning zond de tovenaar een jonge man zodat hij hem de toverkunst kon bijbrengen. (De jonge man ging elke dag naar de tovenaar.) Op zijn weg naar de tovenaar ontmoette de jonge man een monnik. (De monnik was een moslim, die de mensen tot de Islaam riep en hen over de Islaam vertelde). De jonge man luisterde (aandachtig) naar de monnik, en zijn woorden maakten grote indruk op hem.
Op weg naar de tovenaar (en terug naar huis), ging hij altijd bij de monnik langs (om dingen over de Islaam te leren). Omdat hij te laat bij de tovenaar kwam, gaf de tovenaar hem pakslaag. (Hij kwam ook te laat thuis. En zijn ouders gaven hem ook pakslaag.)
Toen hij dit bij de monnik klaagde, zei de monnik:
- Als je bang bent voor de tovenaar, (omdat je te laat bent) zeg dan:
- Ze hebben mij thuis opgehouden.
- En als je bang bent voor je ouders ,(omdat je te laat bent) zeg dan:
- De tovenaar heeft mij opgehouden.
Zo ging het dag in dag uit. Op een zekere dag werd de weg door een enorm roofdier (een leeuw), geblokkeerd, waardoor niemand meer over de weg durfde te lopen. De jonge man zei:
- Vandaag zal ik er achter komen wie beter is, de tovenaar of de monnik.
Hij pakte een steen van de grond en zei:
- O mijn Allaah, als U meer van de zaak van de monnik houdt (die de mensen tot de Islaam roept) dan de zaak van de tovenaar (die de mensen met tovenarij bedriegt), zorg ervoor dat het beest met deze steen dood gaat, zodat de mensen weer over de weg kunnen lopen.
Hij gooide de steen naar het beest en doodde het. De mensen konden nu hun weg weer verder volgen. Hij ging naar de monnik en vertelde hem wat er gebeurd was. De monnik zei:
- Mijn jongen, vanaf vandaag ben jij een betere (moslim) dan ik. Je zaak (geloof in Allaah, liefde voor Allaah en vertrouwen op Allaah) is zo perfect, dat (Allaah) je binnenkort zal beproeven. Als je beproefd wordt, wil je dan mijn naam niet noemen, (en niet vertellen dat ik jou de Islaam heb geleerd)?.
(Door zijn sterk geloof in Allaah), kon de jonge man (met Allaahs wil en hulp) de blinden genezen, (zodat ze weer konden zien), de melaatsen genezen en in feite kon hij de mensen van vele soorten ziektes genezen.
Toen een blinde vriend van de koning over hem hoorde, kwam hij met heel veel geschenken naar hem. Hij zei tegen de jonge man :
- Als je mij geneest, dan zal ik je met al deze geschenken overladen.
- Ik kan niemand beter maken. Het is Allaah die (mensen van hun ziektes) geneest. En als jij in Allaah gelooft, dan zal ik bidden tot Allaah om je te genezen.
De vriend van de koning getuigde zijn geloof in Allaah (en werd moslim).
Daarop genas Allaah hem, (zodat hij weer kon zien.)
Toen deze man bij de koning kwam, ging hij naast de koning (bij zijn troon) zitten, zoals hij het altijd deed. (De koning merkte natuurlijk meteen op dat zijn vriend kon zien.) Daarom zei de koning:
- Wie heeft je ogen beter gemaakt?.
De vriend van de koning zei:
- Mijn Heer.
- Heb jij dan een andere Heer dan mij?.
(In dat land moesten de mensen in de koning geloven alsof hij een god was.)
De vriend van de koning zei:
- Jouw Heer en mijn Heer is niemand anders dan ALLAAHU TA`ALA.
Daarop liet de koning hem arresteren. Hij liet hem net zolang martelen totdat hij zei waar de jonge man was (die hem tot de Islaam uitnodigde en hem genas).
Vervolgens werd de jonge man (opgepakt en) bij de koning voorgeleid. (De koning herkende de jonge man natuurlijk meteen.)
- O mijn jongen, het is mij ter ore gekomen, dat je zo bekwaam bent geworden in de tovenarij, dat je zelfs blinden en melaatsen kunt genezen en dat je zo en zo doet. (Klopt dat allemaal ?.)
- Ik genees niemand; het is Allaah Die geneest.
De koning liet hem ook arresteren en martelen. (De koning wilde weten wie hem van zijn geloof had veranderd en hem tot de Islaam had uitgenodigd.) (Hoewel de jonge man de monnik beloofd had niet zijn naam te noemen als hij beproefd werd) Kon de jonge man niet meer tegen al het martelen.) Dus hij noemde de naam van de monnik.
De monnik werd ook (opgepakt en) bij de koning voorgeleid.
Er werd tegen de monnik gezegd:
- Verander van je geloof. (Zeg dat je geen moslim bent. Zeg dat je niet meer in Allaah gelooft als Heer, maar in de koning).
De monnik weigerde (om een ongelovige te worden).
De koning vroeg om een zaag. Hij plaatste de zaag in het midden van zijn hoofd en hij zaagde totdat zijn hoofd in tweeën uit een viel.
Vervolgens werd de vriend van de koning gebracht.
Er werd tegen hem gezegd:
- Verander van je geloof. (Zeg dat je geen moslim bent. Zeg dat je niet meer in Allaah gelooft als Heer maar in de koning).
De vriend van de koning weigerde (om een ongelovige te worden).
De zaag werd in het midden van zijn hoofd geplaatst en er werd gezaagd totdat zijn hoofd in tweeen uit een viel.
Tenslotte werd de jonge man gebracht. Er werd tegen hem gezegd:
- Verander van je geloof. (Zeg dat je geen moslim bent. Zeg dat je niet meer in Allaah gelooft als Heer maar in de koning).
De jonge man weigerde (om een ongelovige te worden).
De jonge man werd aan een groep hovelingen van de koning overhandigd. En de koning zei tegen hen:
- Breng hem naar die en die berg, klim met hem de berg op en als jullie de top van de berg bereikt hebben, vraag hem om van zijn geloof te veranderen, als hij het weigert, gooi hem dan (van de berg af).
De hovelingen van de koning namen hem mee en dwongen hem de berg op te klimmen. De jonge man zei (de volgende du`a):
- O mijn Allaah, bescherm mij tegen hen, op de manier hoe U het wilt.
Op dat moment begon de berg te schudden en de hovelingen van de koning vielen allen van de berg, dood neer. De jonge man liep terug naar de koning. De koning zei:
- Wat is er gebeurd met je metgezellen (mijn hovelingen) ?.
- Allaah heeft mij tegen hen beschermd.
De jonge man werd weer aan een aantal hovelingen van de koning overhandigd.
En de koning zei tegen hen:
- Breng hem weg en vaar met hem op een kleine boot de oceaan op. Als jullie in het midden van de oceaan zijn, vraag hem om van zijn geloof te veranderen, als hij weigert, gooi hem dan (in de oceaan).
De hovelingen van de koning namen hem mee.
De jonge man zei (weer de volgende du`a):
- O mijn Allaah, bescherm mij tegen hen op de manier hoe U het wilt.
Op dat moment kantelde de boot en hovelingen van de koning verdronken allen in de oceaan. De jonge man liep (weer) terug naar de koning.
- Wat is er gebeurd met je metgezellen (mijn hovelingen) ?.
- Allaah heeft mij tegen hen beschermd.
(De koning had een aantal maal geprobeerd de jonge man te doden maar het mislukte iedere keer. Allaah heeft de jonge man geholpen tegen de ongelovigen omdat:
- hij in Allaah geloofde,
- het meest van Allaah hield,
- voor niemand anders bang was dan voor Allaah,
- alleen hulp aan Allaah vroeg,
- alleen op Allaah vertrouwde en
- alles deed wat Allaah van hem wilde en niets deed wat hij zelf of de sjaytaan wilde.
De jonge man keerde steeds terug naar de koning om hem te laten zien dat Allaah de enige Heer was en dat Allaah alleen de moslims hielp. Zo hoopte hij dat de koning ook moslim zou worden. Maar jammer genoeg wilde de koning niet moslim worden. Hij gaf de hoop op dat de koning moslim zou worden.) Daarom zei hij aan de koning :
- Je kunt mij niet doden, mits je doet wat ik je ga zeggen.
- Wat is dat ?.
- Je moet (alle) mensen op een (groot) plein verzamelen. Je moet mij aan een stam (van een boom) vastbinden. Dan moet je een pijl uit mijn pijlkoker op de boog spannen en zeg:
- (Ik schiet) in naam van Allaah, de Heer van deze jonge man
Schiet de pijl op mij. Als je dat doet, dan pas kun je mij doden.
(Op deze manier probeerde de jongen de mensen te laten zien dat Allaah hun Heer is en niet de koning en dat ze daarom alleen de Islam als godsdienst konden kiezen. Hij wilde ook laten zien dat alleen iets kan gebeuren als Allaah het wil en niet als de koning het wil.)
Zo verzamelde de koning (alle) mensen op een plein, bond de jonge man vast aan een stam (van een boom). Vervolgens nam hij een pijl uit de pijlkoker en plaatste daarna de pijl op de boog en zeg:
- (Ik schiet) in naam van Allaah, de Heer van deze jonge man
Hij schoot de pijl en hij raakte op de slaap van de jonge man .
De jonge man legde zijn hand op zijn slaap, waar de pijl hem had geraakt en hij overleed.
De mensen zeiden:
- Wij betuigen ons geloof in de Heer van deze jonge man .
(Precies wat de jongen wilde was gebeurd: iedereen geloofde nu in Allaahs eenheid, en iedereen werd moslim).
De hovelingen van de koning kwamen naar de koning toegesneld, en ze zeiden tegen hem:
- Hebt u gezien waarvoor u zo bang voor was?. (Dat u volk moslim zou worden). Bij Allaah, waar U bang voor was is u overkomen. Alle mensen geloven (in Allaah als hun Heer en niet in u). (Ze zijn nu allen moslim geworden.)
Meteen beval de koning zijn mannen om bij elke hoek van de straat grachten te graven.
Toen de grachten gegraven waren, werd er vuur daarin gegooid. De koning zei (aan zijn mannen):
- Een ieder die niet van zijn godsdienst (Islaam) verandert, zal gedwongen in het vuur gegooid worden of er zal gevraagd worden (vrijwillig) in het vuur te springen.
De mannen van de koning deden wat hun was opgedragen.
(De moslims kozen liever de dood in het vuur dan van de Islaam af te vallen), totdat er een vrouw met haar baby kwam. Zij aarzelde even in het vuur te springen (of de Islaam op te geven). Op dat moment zei de baby aan haar moeder:
- O mama, heb geduld (met deze beproeving), want (al ga je dood) je geloof is de Waarheid.
KAROEN EN ZIJN RIJKDOM.
Karoen behoorde tot het volk van Moesa (as). Hij was de zoon van Musa (as)'s oom. En hij gedroeg zich schandalig tegenover Musa (as) en zijn volk. Allaah had hem zoveel schatten gegeven dat de sleutels van de schatkisten met moeite door een groep sterke mannen gedragen konden worden. Allaah gaf Karoen die rijkdommen om hem hier op aarde te beproeven.
Door zijn rijkdom luisterde Karoen niet naar Allaah en Musa (as). Moslims probeerden hem naar het juiste weg (de Islaam) te brengen. Daarom zei een groep goede moslims onder zijn volk aan Karoen: Ga niet zo uitbundig met je rijkdom toejuichen. Ga niet zo met je rijkdom opscheppen. Wees Allaah dankbaar voor wat Hij jou gegeven heeft. Allaah houdt niet van hen die uitbundig toejuichen met hun rijkdom. Allaah houdt niet van mensen die opscheppen met hun rijkdom. Allaah houdt niet van mensen die ondankbaar zijn aan Allaah. En probeer met wat Allaah jou gegeven heeft de Woning van het Hiernamaals (Paradijs) te krijgen. Geef je rijkdom aan liefdadigheid, armen, behoeftigen en verricht goede werken, zodat je dichter bij Allaah kunt komen. Je hebt immers alles van Allaah gekregen en je moet het ook op weg van Allaah uitgeven. Als je dat doet dan zal Allaah je in het Hiernamaals belonen met Zijn Aangezicht en het Paradijs.
Vergeet je aandeel hier op deze wereld niet. Vergeet niet de noodzakelijke behoeften, zoals eten, drinken, kleden, werken, wonen, in dit leven.
Mensen die veel aan hun rijkdommen denken worden mislukkelingen. Want ze worden egoïstisch en gierig. Ze denken alleen aan hun zelf en niet aan armen. Ze vergeten dat alles wat ze bezitten eigenlijk van Allaah is. Ze geven hun geld niet op weg van Allaah maar op weg van de sjaytaan (satan): ze worden gierig, ze betalen hun zakaat niet, ze geven geen aalmoes aan de armen, ze leven een lux leven, ze drinken alcohol, ze scheppen op met hun bezittingen, ze verspillen hun geld....
Karoen was zo'n mislukkeling. Hij gaf zijn geld uit op weg van de satan en niet op weg van Allaah. Vandaar dat de moslims hem probeerden te overtuigen van zijn fouten.
We moeten niet vergeten dat Allaah recht op je zelf heeft: geloof in Allaah en alles wat Allaah aan ons gegeven heeft door Zijn Profeten, aanbid geen ander godheid dan Allaah en zeg niet dat buiten Allaah andere godheden zijn. Je eigen lichaam heeft recht op jou: doe geen dingen die Allaah jou verboden heeft maar doe wat Allaah jou geboden heeft. Dus doe geen haraam dingen maar halaal dingen. Je gezin heeft recht op jou: bescherm, voed en kleed hen. Andere mensen hebben recht op jou.
De moslims zeiden aan Karoen: Doe goed aan alles wat Allaah geschapen heeft, zoals Allaah aan jou goed heeft gedaan en streef niet naar verderf op de aarde. Ga geen oorlog maken, ga niet stelen, ga niet liegen, ga niet schelden, ga niet bedelen, ga niet vechten, ga geen haraam dingen eten en drinken, ga de natuur die Allaah heeft geschapen verpesten, want Allaah houdt niet van de verderfzaaiers niet.
Toen Karoen dit hoorde, was hij zo blind en arrogant dat hij zei: Al die rijkdommen heb ik verdiend door mijn kennis, vaardigheid, hard werk en slimheid. Allaah heeft mij dit alles gegeven omdat ik het echt verdiend heb en omdat Allaah van mij houdt. Waarom zou ik dan iets ervan aan de armen en behoeftigen geven?. Want alleen ik heb recht op al mijn rijkdommen, en niemand anders.
Het duurde niet lang of Allaah nam hem onder handen.
Wist Karoen dan niet dat Allaah voor zijn tijd generaties van mensen heeft vernietigd door hun ongeloof, opschepperij, arrogantie, gierigheid en ondankbaarheid, die sterker waren dan Karoen en die meer rijkdom bijeengebracht hadden?. Maar de boosdoeners worden niet langdurig over hun zonden ondervraagd, omdat ze heel veel zondes hebben.
Karoen bleef opscheppen en ondankbaar en ongehoorzaam. Op een dag kwam Karoen en zijn bedienden in pracht en praal naar buiten, naar hun volk. Zij die net als Karoen van het leven hier op aarde hielden en al het aardse pracht en praal wensten zeiden: Ach hadden wij toch hetzelfde rijkdom als wat Allaah aan Karoen gegeven heeft. Hij is wel iemand met geweldig veel bezit. Zij waren jaloers op de rijkdom van Karoen.
Maar de goede moslims aan wie kennis in de Islaam gegeven was zeiden: Wee jullie, Allaahs beloning in Paradijs is beter voor wie gelooft in de Islaam en goede daden verricht, dan al die pracht en praal. En Allaah geeft deze beloning aan hen die geduldig zijn, en niet veel aan de pracht en praal van deze wereld geven.
Allaah gaf Karoen genoeg tijd om berouw te tonen en terug te keren naar de Islaam. Maar het was te vergeefs. Uiteindelijk liet Allaah de aarde met hem en zijn huis wegzinken en er was niemand die hem tegen Allaah kon helpen. Hij kon zichzelf niet eens beschermen. Noch zijn rijkdommen, noch zijn familie, noch zijn vrienden, noch zijn bedienden en noch zijn trots kon hem redden van de ondergang en de dood.
En zij die de vorige dag nog in plaats van Karoen gewenst hadden zeiden 's morgens: O wee, Allaah voorziet ruimschoots in het levensonderhoud van wie van Zijn dienaren Hij wil en Hij vermindert in levensonderhoud van wie van Zijn dienaren Hij wil. Als Allaah ons niet een gunst had bewezen, dan had Hij ons net als Karoen laten wegzinken. Want wij wilden hetzelfde worden als Karoen. O wee, het gaat de ongelovigen niet voorspoedig.
Voor mensen die gelooft in Allaah en in alles wat Allaah aan Zijn profeten heeft gegeven, gehoorzaam en dankbaar zijn aan Allaah, geduldig zijn, niet opscheppen, niet onrecht doen... is er een beloning van Allaah: Dat is de Woning voor het Hiernamaals. Wij geven het Paradijs aan hen die niet op aarde opschepperig rondlopen en geen verdorvenheid op aarde zaaien. En het (goede) uiteinde komt de godvrezenden toe. Voor hen die met een goede daad komt is er iets beters dan dat. Voor hem die met een slechte daad komt.. aan hen die slechte daden begaan hebben wordt slechts vergolden wat zij gedaan hebben.
DE PROFEET MUSA (AS) EN KHIDR (AS).
Op een dag hield Musa, Boodschapper van Allaah, zo'n preek dat de mensen ervan huilden en hun hart verzachtten. Na het einde van de preek kwam een man naar Musa (as) toe en zei: O Boodschapper van Allaah, Is er iemand op aarde die geleerder is dan jou?.
De man wilde weten wie het meest over de Islaam wist?.
Musa (as) zei: Nee, ik ben de grootste geleerde onder de mensen.
Allaah berispte Musa (as) omdat hij de absolute kennis niet alleen aan Allaah had toegekend.
Daarom openbaarde Allaah aan hem: Ja, een van Onze dienaar is geleerder dan jij.
Deze dienaar van Allaah heette Khidr (as).
Musa (as) antwoordde: O mijn Heer, waar is hij?. Ik wil hem graag ontmoeten.
Allaah zei: Op de plaats waar de beide zeeën samenkomen.
Musa (as) vroeg: O mijn Heer, geef mij een teken waarop ik deze plaats kan herkennen.
Allaah zei: Neem een vis, die ingezouten is, in een mand en ga op reis. Op de plaats waar de vis tot leven komt en je hem verliest zul je Onze dienaar, Khidr (as), vinden.
Musa (as) deed precies wat Allaah hem had bevolen te doen, hij nam een ingezouten vis en deed hem in een mand en ging op reis. Hij werd begeleid door zijn knecht, Yoescha bin Noen.
Musa (as) zei aan Yoescha bin Noen: Ik zal je verder niet lastig vallen, maar je opdracht is dat je mij moet waarschuwen wanneer deze vis tot leven komt en mij verlaat.
Ik zal niet ophouden tot ik de plaats bereik waar de beide zeeen samenkomen, al zou ik jaren lang moeten lopen.
Yoescha zei: Je vraagt inderdaad niet te veel van mij. Yoescha droeg de mand met de vis erin, totdat ze bij een rots aankwamen, waar ze even uitrustten en sliepen.
Terwijl Yoescha in de schaduw van de rots op een natte plek zat en Musa (as) sliep, glipte de vis levend uit de mand de zee in. Yoescha zei tegen zichzelf: Ik zal hem niet wakker maken.
Maar toen Musa (sa) wakker werd, vergat hij hem te vertellen dat de vis levend was geworden. En dat dit de plek moest zijn waar ze Khidr (as) zouden ontmoeten.
Toen de vis in het water de zee in dook, stopte Allaah de
waterstroom aan beide zijde van de weg die door de vis was gemaakt, en op die manier ontstond er een watertunnel.
Ze reisden daarna nog de rest van de dag en de nacht door. De volgende ochtend zei Musa (as) tot zijn knecht: Breng ons ontbijt, want door deze reis zijn we erg moe geworden. Tot voorbij de plek waar de vis tot leven kwam, werd Musa (as) niet moe van de reis.
Yoescha zei: Heb je gezien, wat er gebeurd is, toen wij bij de rots waren. Ik vergat je te zeggen dat de vis tot leven kwam en uit de mand in zee was gesprongen. En niemand anders dan de satan heeft mij hem laten vergeten. Daarna heb ik niet meer aan de vis gedacht. Ik zag dat de vis zich een weg baande de zee in, het was verbazingwekkend, het leek wel een watertunnel.
Musa (as) zei: Dat was het wat wij zochten!. Toen draaiden zij om en keerden op hun schreden terug.
Zij vonden toen Khidr (as), aan wie Allaah barmhartigheid had gegeven en aan wie Allaah kennis onderwezen had, die Allaah aan niemand anders geleerd had.
Khidr (as) zat op een groen tapijt midden in de zee. Hij was van top tot teen in zijn gewaad gewikkeld.
Musa (as) zei: As salaamu `alaykoem.
Khidr (as) deed zijn gewaad van zijn gezicht en antwoordde verbaasd: Wa alaykumus salaam. Bestaat er zo'n groet in jou land?. Wie ben je?.
Musa (as) antwoordde: Ik ben Musa.
Khidr (as) zei: Ben jij de Musa van de Zonen van Israël?.
Musa (as) antwoordde: Ja.
Khidr (as) zei: Wat wil je?
Musa (as) wilde zijn kennis uitbreiden daarom zei hij: Mag ik jou volgen zodat jij mij onderwijst in wat Allaah jou onderwezen heeft?.
Khidr (as) zei: Heb je niet genoeg aan de Tawraat en aan de Goddelijke Openbaring, o Musa?. Je zult het met mij niet kunnen uithouden. Hoe zul jij het kunnen uithouden bij iets dat jij met je kennis niet kunt omvatten?. Ik heb enig kennis van Allaah die Hij aan mij heeft geleerd die jij niet weet, terwijl jij enig kennis hebt, die Allaah jou heeft geleerd die ik niet weet.
Hoe kon Musa (as) geduldig zijn voor iets dat tegen de Islam lijkt te zijn.
Musa (as) antwoordde: Je zult zien dat ik, zo Allaah wil, geduldig zal zijn en ik zal jou in geen bevel ongehoorzaam zijn.
Hij zei: Als jij mij dan volgt, vraag mij dan niets., zolang ik er zelf niet tot jou over spreek.
Omdat ze geen boot hadden, liepen ze samen langs de kust. Ondertussen kwam een boot voorbij varen en ze vroegen aan de bemanning of ze aan boord mochten. Doordat de bemanning Khidr (as) herkende, namen ze hen zonder iets voor te vragen aan boord. Toen ze aan boord waren, kwam een mus aanvliegen. Het stond op de rand van de boot en stak een of tweemaal zijn snavel in zee.
Khidr (as) zei: O, Musa, mijn kennis en jou kennis hebben niets van Allaahs kennis vermindert behalve dan dat hoeveelheid water dat de mus met zijn snavel uit zee heeft genomen.
Toen ze op zee voeren, haalde Khidr (as) een plank uit de boot, zonder dat iemand het bemerkte. Zo ontstond er een gat in de boot, die weer gemakkelijk te maken was.
Musa (as) was erg verbaasd wat Khidr deed en zei op een boze toon: Deze mensen hebben ons een gratis rit gegeven. Maak jij een gat in hun boot om haar opvarenden te laten verdrinken?. Daar heb je echt iets vreselijks begaan.
Khidr (as) antwoordde: Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden ?.
Musa (as) zei: Neem mij niet kwalijk dat ik het vergat en reken het mij niet te zwaar aan.
Ze verlieten de boot. Zo gingen ze lopend verder totdat zij een jongentje tegenkwamen, die met andere kinderen speelde. Khidr (as) nam het jongentje weg bij zijn vriendjes. Hij pakte het hoofd van de jongen vast, draaide met zijn handen zijn nek om en doodde hem ter plekke.
Musa (as) was nog kwader dan hiervoor en zei: Hoe kan je een onschuldig mens doden en niet eens uit vergelding voor het leven van iemand anders ?. Daar heb je echt iets verwerpelijks begaan.
Khidr (as) antwoordde: Heb ik niet gezegd dat je het met mij niet zou kunnen uithouden ?.
Musa (as) zei: Maar wat je net deed was erger dan het eerste. Als ik hierna nog eens naar iets vraag, dan moet je mij niet verder met je mee laten gaan. Van mij kant heb je al een verontschuldiging gekregen.
Zo gingen zij dan verder totdat zij bij de mensen van een stadje waren. Ze vroegen hun voedsel. Maar zij weigerden hun gastvrijheid te verlenen. Toen vonden ze daar een muur die dreigde in te storten, maar Khidr (as) zette hem overeind.
Musa (as) zei: Hoewel deze mensen ons noch gastvrij behandeld noch gevoed hebben, heb je hun toch geholpen. Als je wilde, had je daarvoor loon kunnen krijgen.
Khidr (as) antwoordde: Dit is dan de scheiding tussen jou en mij. Ik zal je de uitleg mededelen van wat jij niet kon uithouden. Wat het schip betreft, dat was van arme mensen, die op zee werkten en ik wenste het te beschadigen. Hun stond namelijk een koning te wachten die elk schip met geweld nam. Als de koning de beschadigde boot zou zien dan laat hij hen met rust. De arme eigenaar zal haar dan daarna wel repareren.
Wat de jongeman betreft, hij was als een ongelovige geschapen tijdens zijn schepping. Zijn ouders waren gelovige mensen, die erg zorgzaam voor hem waren. En wij vreesden dat hij hen door onbeschaamdheid en ongeloof te zeer zou kwellen. Wij wensten dus dat hun Heer hun iemand voor hem in de plaats zou geven die zuiverder en vriendelijker zou zijn dan hij.
En wat de muur betreft, die was van twee weesjongens in de stad en er was een schat onder de muur begraven. Deze schat behoorde toe aan hun beide. Hun vader was een rechtschapen man geweest. Jouw Heer wenste dat zij volgroeid zouden zijn en hun schat te voorschijn halen: het was barmhartigheid van jouw Heer. Ik deed het niet uit eigen beweging. Dat is de uitleg van wat jij niet kon uithouden.
Uit dit verhaal leren we dat we altijd op zoek moeten zijn naar kennis. We moeten dingen leren die we nog niet kennen, al moeten we hiervoor lange reizen maken. Toen Musa (as) van Allaah hoorde dat er een dienaar van Allaah was, die iets wist dat Musa (as) niet wist, reide hij naar verre landen om dat te leren. Hoewel Khidr (as) geen profeet was, ging Musa (as) bij hem leren. Hij zei niet: Ik ben een van de grootste profeten van Allaah. Ik weet genoeg over de Islam, dus ik hoef niets meer bij te leren.
De leerling moet zijn leraar vertrouwen op wat hij hem leert. Als de leraar zegt dat je fout bent dan moet je dat ook kunnen toegeven. Je moet je verontschuldigen, en hem beloven dat je het niet meer zult doen en dat je in het vervolg naar hem zult luisteren.
We zien dat Allaah armen, behoeftigen, goede moslims en wezen op een of van der manier beschermt en helpt.