Kitāb al-Aḍāḥī: Boek over de offerdieren
[De lexiologische betekenis van het woord uḍiyyah is toenaderen. Het duidt op de toenadering van de dienaar tot Allah door middel van het opofferen van goederen/dieren, de uitdrukking van zijn overgave en dankbaarheid aan Allah.
Betekenis in‘ilm al-fiqh:
Aḍāḥī is het offeren van een specifiek dier op een bepaald tijdstip, volgens de voorgeschreven regels, met het doel van aanbidding (`ibādah). In het Arabisch wordt een dier dat op deze manier wordt geofferd een “uḍiyyah” genoemd (het meervoud is aḍāhī). De praktijk (sunnah) van de uḍiyyah was in het tweede jaar van de Hijrah.
Juridische beoordeling:
Er bestaat verschil van mening onder de fuqahā’ over de juridische status van uḍiyyah:
Volgens de overheersende opvatting in de Ḥanafī-madhhab en sommige mujtahid imams is het verplicht (wājib) voor diegenen die aan de voorwaarden voldoen. Volgens de meerderheid van de geleerden is het een muakaddah sunnah (sterk aanbevolen, maar niet verplicht).
Voorwaarden voor de verplichting:
Om verplicht te zijn om een dier te offeren, moet een persoon aan vier voorwaarden voldoen:
Moslim zijn;
`Aql wa bāligh (bekwaam en volwassen) zijn. Hierover bestaat verschil van mening:
Volgens Imām Abū Ḥanīfah (overl.150/767) en Abū Yūsuf (overl.182/798) is `Aql wa bāligh geen vereiste; de uḍiyyah kan worden geofferd van het bezit van een rijk kind of een minderjarige onder toezicht van een voogd.
Volgens Imām Muḥammad (overl.189/805) is Aql wa bāligh wél vereist.
Niet op reis zijn (mukīm).
Over voldoende financiële middelen beschikken, gelijk aan de rijkdomsnorm voor zakāh en fitr-sadaqah, na aftrek van schulden en noodzakelijke uitgaven; minimaal 20 misqāl (≈85 g) goud of het equivalent in geld.
Variëteiten van uḍiyyah:
Naast de uḍiyyah dat tijdens `Īd al-Adha wordt geofferd, zijn er ook andere vormen van offeren:
Adaquḍiyyah: een offer beloofd bij een gelofte.‘Aqīqahuḍiyyah: bij de geboorte van een kind.Uḍiyyah offer door iemand die Qirānof Tamattu‘ Haj verricht.Hadyuḍiyyah: als geschenk of offer voor een andere reden.Kafārah (boetedoening) of strafuḍiyyah: bij overtreding van verboden tijdens de Haj.
Deze regels benadrukken dat de uḍiyyah niet s elechts een ritueel is, maar ook financiële verantwoordelijkheid, intentie van aanbidding en naleving van de shari`ah vereist.] (HA)
Tijdstip (van het offeren)
وقتها
١٢٨٠ - حديث جُنْدَبٍ، قَالَ: صَلَّى النَّبِيُّ ﷺ، يَوْمَ النَّحْرِ ثُمَّ خَطَبَ ثُمَّ ذَبَحَ، فَقَالَ: مَنْ ذَبَحَ قَبْلَ أَنْ يُصَلِّيَ فَلْيَذْبَحْ أُخْرَى مَكَانَهَا وَمَنْ لَمْ يَذْبَحْ فَلْيذْبَحْ بِاسْمِ اللهِ
1280. Van Jundab (ibn Sufyān) (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet (de mensen) de ṣalāh (al-ʿīd) verrichtten op de dag van an-naḥr (het offerfeest), daarna hield hij een preek en offerde (het offerdier). Toen zei hij: ‘Wie vóór de ṣalāh (al-ʿīd) heeft geslacht, laat die dan een ander dier slachten in plaats daarvan. En wie nog niet heeft geslacht, laat hem dan slachten in de Naam van Allāh (بِاسْمِ اللهِ).’
١٢٨١ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، قَالَ: ضَحَّى خَالٌ لِي، يُقَالُ لَهُ أَبُو بُرْدَةَ، قَبْلَ الصَّلاَةِ، فَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ: شَاتُكَ شَاةُ لَحْمٍ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ عِنْدِي دَاجِنًا جَذَعَةً مِنَ الْمَعَزِ قَالَ: اذْبَحْهَا، وَلَنْ تَصْلُحَ لِغَيْرِكَ ثُمَّ قَالَ مَنْ ذَبَحَ قَبْلَ الصَّلاَةِ فَإِنَّمَا يَذْبَحُ لِنَفْسِهِ، وَمَنْ ذَبَحَ بَعْدَ الصَّلاَةِ فَقَدْ تَمَّ نُسُكُهُ وَأَصَابَ سُنَّةَ الْمُسْلِمِينَ1281. Van al-Barāʾ Ibn `Aazib (رضي الله عنه):Mijn oom Abū Burdah slachtte zijn offerdier vóór de ṣalāh (al-ʿīd).
Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Dit is slechts schapenvlees (en telt niet als offerdier).’Hij zei: ‘O Rasûlullāh , Ik heb een jong geitenbokje dat vetgemest is.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Slacht het dan, maar na jou zal het voor niemand meer als offerdier geldig zijn.’Vervolgens zei hij: ‘Wie vóór ṣalāh (al-ʿīd) zijn offerdier slacht, die heeft slechts vlees voor zichzelf geslacht.
En wie na ṣalāh al-ʿīd slacht, diens aanbidding is geldig en hij volgt de praktijk (sunnah) van de moslims.”١٢٨٢ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ ذَبَحَ قَبْلَ الصَّلاَةِ فَلْيُعِدْ فَقَامَ رَجُلٌ، فَقَالَ: هذَا يَوْمٌ يُشْتَهى فِيهِ اللَّحْمُ وَذَكَرَ مِنْ جِيرَانِهِ فَكَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ صَدَّقَهُ قَالَ: وَعِنْدِي جَذَعَةٌ أَحَبُّ إِلَيَّ مِنْ شَاتَيْ لَحْمٍ، فَرَخَّصَ لَهُ النَّبِيُّ ﷺ فَلاَ أَدْرِي أَبَلَغَتِ الرُّخْصَةُ مَنْ سِوَاهُ، أَمْ لاَ1282. Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wie vóór de ṣalāh (al-ʿīd) een offerdier heeft geslacht, laat die het opnieuw slachten.’Toen stond iemand op en zei: ‘Dit is een dag waarop mensen verlangen naar vlees,’ en hij noemde enkele van zijn buren (die vlees nodig hadden). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leek zijn woorden te bevestigen.Daarop zei de man: ‘Ik heb een geitenbokje dat in mijn ogen beter is dan het vlees van twee schapen.’an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf hem toestemming om het als offerdier te slachten, maar Anas voegde daaraan toe: ‘Ik weet niet of deze toestemming ook voor anderen gold of niet.’
١٢٨٣ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَعْطَاهُ غَنَمًا يَقْسِمُهَا عَلَى صَحَابَتِهِ، فَبَقِيَ عَتُودٌ، فَذَكَرَهُ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: ضَحِّ أَنْتَ1283. Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf hem schapen om onder de metgezellen te verdelen. Aan het einde bleef er een geitenbokje over. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei toen tegen hem: “Slacht dat ook (als offerdier.)”
[Normaal gesproken moeten offerdieren een bepaalde leeftijd bereikt hebben. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Slacht alleen dieren wat al een jaar oud is. Maar als dat moeilijk voor jullie is, dan mogen jullie een lam in plaats van een schaap slachten.’(Muslim, Abû Dâwûd, Nasaî, Ibni Mâjah)In de bovengenoemde ḥadīth kreeg Abū Burdah (رضي الله عنه) toestemming om een geitenbokje te slachten, maar er werd bij gezegd: ‘Na jou zal het voor niemand meer geldig zijn.’Buiten hem kregen nog twee andere metgezellen toestemming.
Eén keer verdeelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) offerdieren onder de metgezellen en gaf het overgebleven geitenbokje aan ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه) met de woorden: ‘Slacht dit ook als offerdier.’ Hetzelfde geval zien we bij Zayd ibn Khālid (رضي الله عنه) (Abū Dāwūd).Wat betreft Abū Burdah (رضي الله عنه) werd gezegd: ‘Na jou zal het voor niemand meer geldig zijn.’Hieruit blijkt dat dit een specifieke ontheffing (rukhṣah) voor hem was. Op basis hiervan heeft men gezegd dat deze toestemming voor de andere twee metgezellen is opgeheven.Maar aangezien het niet met zekerheid vaststaat dat er sprake is van opheffing (naskh), is deze mening niet algemeen aanvaard. De toestemming om een geitenbokje te slachten wordt gezien als een uitzondering voor deze drie metgezellen.] (AFK)
Aanbevolen om te offeren, het dier zelf direct te slachten zonder daarvoor iemand te machtigen, en het uitspreken van de naam van Allah en het zeggen van Allāhu akbar’ (de takbīr) tijdens het slachten
استحباب الضحية وذبحها مباشرة بلا توكيل، والتسمية والتكبير
١٢٨٤ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: ضَحَّى النَّبِيُّ ﷺ بِكَبْشَيْنِ أَمْلَحَيْنِ أَقْرَنَيْنِ، ذَبَحَهُمَا بِيَدِهِ، وَسَمَّى وَكَبَّرَ، وَوَضَعَ رِجْلَهُ عَلَى صِفَاحِهِمَا
1284. Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) slachtte persoonlijk twee gehoornde rammen met zwarte en witte vlekken. Hij sprak de basmalah uit, zei de takbīr en plaatste zijn knie op hun nek.”
Dieren slachten met alles wat bloed doet vloeien behalve nagels en bot
جواز الذبح بكل ما أنهر الدم إِلا السن والظفر وسائر العظام
١٢٨٥ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ، قَالَ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا لاَقُو الْعَدُوِّ غَدًا، وَلَيْسَتْ مَعَنَا مُدًى فَقَالَ: اعْجَلْ أَوْ أَرِنْ، مَا أَنْهَرَ الدَّمَ وَذُكِرَ اسْمُ اللهِ فَكُلْ، لَيْسَ السِّنَّ وَالظُّفُرَ، وَسَأُحَدِّثُكَ أَمَّا السِّنُّ فَعَظْمٌ، وَأَمَّا الظُّفُرُ فَمُدَى الْحَبَشَةِ وَأَصَبْنَا نَهْبَ إِبِلٍ وَغَنَمٍ، فَنَدَّ مِنْهَا بَعِيرٌ، فَرَمَاهُ رَجُلٌ بِسَهْمٍ، فَحَبَسَهُ فَقَالَ رَسُولَ اللهِ ﷺ: إِنَّ لِهذِهِ الإِبِلِ أَوَابِدَ كَأَوَابِدِ الْوَحْشِ، فَإِذَا غَلَبَكُمْ مِنْهَا شَيْءٌ فَافْعَلُوا بِهِ هكَذَا
1285. Van Rāfiʿ ibn Khadīj (رضي الله عنه):Ik zei: ‘O Rasûlullāh, morgen zullen we de vijand ontmoeten. (We willen onze zwaarden niet bot maken) we hebben geen messen bij ons.’Hij zei: “Handel voortvarend bij het slachten. Eet van alles waar het bloed uit vloeit, mits de naam van Allāh is genoemd behalve van wat met tanden en nagels is geslacht.”Hij zei ook: “Ik zal jullie uitleggen (waarom tanden en nagels niet zijn toegestaan):De tand is een bot (en dus geen snij-instrument), en de nagel is het mes van de Abessijnen (die zij gewoonlijk gebruiken).”We kregen een kudde kamelen en schapen (als oorlogsbuit). Eén van de kamelen ontsnapte en iemand schoot met een pijl om hem te vangen.Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Net zoals wilde dieren op de vlucht slaan als zij mensen zien, zo zijn er ook kamelen die op de vlucht slaan. Als jullie het dier niet onder controle krijgen, handel dan zoals in dit geval (Jaag zoals je op jacht jaagt).’
٦ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ، قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، بِذِي الْحُلَيْفَةِ، فَأَصَابَ النَّاسَ جُوعٌ، فَأَصَابُوا إِبِلًا وَغَنَمًا، قَالَ: وَكَانَ النَّبِيُّ فِي أُخْرَيَاتِ الْقَوْمِ، فَعَجِلوا وَذَبَحُوا وَنَصَبُوا الْقُدُورَ فَأَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ بَالْقُدُورِ فَأُكْفِئَتْ، ثُمَّ قَسَمَ، فَعَدَلَ عَشَرَةً مِنَ الْغَنَمِ بِبَعِيرٍ، فَنَدَّ مِنْهَا بَعِيرٌ، فَطَلَبُوهُ فَأَعْيَاهُمْ وَكَانَ فِي الْقَوْمِ خَيْلٌ يَسِيرَةٌ فَأَهْوَى رَجُلٌ مِنْهُمْ بِسَهْمٍ، فَحَبَسَهُ اللهُ ثُمَّ قَالَ: إِنَّ لِهذِهِ الْبَهَائِمِ أَوَابِدَ كَأَوَابِدِ الْوَحْشِ، فَمَا غَلَبَكُمْ مِنْهَا فَاصْنَعُوا بِهِ هكَذَا قُلْتُ: إِنَّا نَرْجُو أَوْ نَخَافُ الْعَدُوَّ غَدًا، وَلَيْسَتْ مُدًى، أَفَنَذْبَحُ بِالْقَصَبِ قَالَ: مَا أَنْهَرَ الدَّمَ وَذُكِرَ اسْمُ اللهِ عَلَيْهِ، فَكُلُوهُ، لَيْسَ السِّنَّ وَالظُّفُرَ، وَسَأُحَدِّثُكُمْ عنْ ذلِكَ أَمَّا السِّنُّ فَعَظْمٌ، وَأَمَّا الظُّفُرُ فَمُدَى الْحَبَشَةِ1286.
Van Abâyah ibnu Râfa`a via zijn opa Rāfiʿ ibn Khadīj ((رضي الله عنهما):Tijdens (de terugkeer van de Ḥunayn veldtocht) bevonden wij ons met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Dhū'l-Ḥulayfah. De mensen hadden hevige honger. Op dat moment hadden zij veel kamelen en schapen buit gemaakt.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevond zich achteraan in de stoet.
(De metgezellen handelden gehaast vanwege honger) en slachtten reeds de dieren en zetten de kookpotten op. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) arriveerde, beval hij de potten omver te gooien en de inhoud weg te gooien. Vervolgens werd de oorlogsbuit verdeeld (onder de metgezellen): tien schapen werden als gelijkwaardig aan één kameel gerekend.Op dat moment ontsnapte een kameel uit de kudde en hoewel men hem probeerde te vangen, lukte het niet en er waren weinig (ruiters) op paarden (in het leger). Eén van de mannen mikte met zijn pijl en schoot; uiteindelijk liet Allāh het dier tot stilstand komen.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen: 'Zoals sommige wilde dieren uit angst voor de mens vluchten, zo vluchten deze dieren ook. Wanneer jullie dergelijke dieren niet onder controle krijgen, handel dan op deze manier.'Ik zei: 'Het kan zijn dat wij morgen met de vijand te maken krijgen of in angst daarvoor verkeren (en wij willen onze zwaarden niet bot maken), en we hebben geen messen bij ons. Mogen wij dan een dier met een rietstengel slachten?' Hij antwoordde: “Eet van alles wat is geslacht met een voorwerp dat het bloed doet vloeien, mits de Naam van Allāh is uitgesproken, behalve wanneer dit met een tand of een nagel gebeurt. Ik zal je uitleggen (waarom tand en nagel zijn uitgezonderd): tand is een stuk bot (en dus niet snijdend), en nagel is (zoals) de messen van de Abessijnen.”
[Slachten van dieren in de Islām
Bij het slachten van dieren is het principe dat de dierlijke bloedsomloop wordt doorbroken zonder dat het dier lijdt of pijn ondervindt. Dit kan alleen worden bereikt met een scherp snijwerktuig.
Vereisten voor het slachtinstrument:
Volgens de Islamitische geleerden moet het gebruikte gereedschap scherp genoeg zijn om in de noodzakelijke delen van het dier te snijden en het bloed te laten stromen.
Het gebruik van botte of pijnlijke instrumenten wordt als makrūh (afkeurenswaardig) beschouwd.
Moderne technieken:
Tegenwoordig worden dieren soms gedood met de onderstaande methoden. In al deze methoden wordt het dier niet geslacht maar gedood, wat het vlees ḥarām maakt:
Elektrische stroom;
Schietwapens;
Koolstofdioxide gas;
Slaan op het hoofd met hamer of knuppel;
Doorboren van het ruggenmerg.
Als dieren doodgaan voordat de keel wordt doorgesneden, zelfs als een moslim dit doet, valt dit vlees onder de groep die volgens sūrah al-Mā’idah (5:3) ḥarām is. Dit komt omdat de Islamitische wet vereist dat het dier tijdens het slachten levend is, zodat de dood het directe gevolg is van het correcte slachtproces.Als de slager een lid van de Mensen van het Boek is, menen sommige juristen dat het vlees, mits toegestaan in hun religie, door moslims gegeten kan worden.
Voorwaarden voor correcte slachting:
Het belangrijkste doel is het vergieten van het bloed.
Er is discussie onder juristen over welke lichaamsdelen precies doorgesneden moeten worden: slokdarm,
luchtpijp of twee halsslagaders.
Volgens een ḥadīth van Imām Abū Ḥanīfah via Abū Yūsuf is het voldoende om drie van de vier organen te snijden.
Het dier moet altijd met een scherp snijwerktuig worden geslacht; tanden of klauwen zijn niet toegestaan.
Wilde of ontsnapte huisdieren:
Huisdieren die wild zijn geworden en niet gevangen kunnen worden, vallen onder de regels voor jacht.
Het oordeel over deze dieren volgt hetzelfde principe als bij de reguliere jacht: hoe ze worden gedood (geslacht of geschoten) bepaalt de permissie van het vlees.
Deze mening wordt bevestigd door Imām ash-Shāfi‘ī, Imām Aḥmad en Imām Abū Ḥanīfah.
Kortom: het slachten moet pijnloos, met een scherp instrument en volgens de voorgeschreven regels gebeuren om het vlees ḥalāl te maken.] (HA)
Het verbod in de vroege islamitische periode om het vlees van de offerdieren langer dan drie dagen te bewaren, evenals de uitleg van de latere afschaffing van dit verbod en de daaropvolgende toelating om het vlees onbeperkt te bewaren en te consumeren
ما كان من النهي عن أكل لحوم الأضاحي بعد ثلاث في أول الإسلام وبيان نسخه وإِباحته إِلى من شاء
١٢٨٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كُلُوا مِنَ الأَضَاحِي ثَلاَثًا وَكَانَ عَبْدُ اللهِ يَأْكُلُ بِالزَّيْتِ حِينَ يَنْفِرُ مِنْ مِنًى مِنْ أَجْلِ لُحُومِ الْهَدْيِ
1287. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Eet van het offerdierenvlees binnen drie dagen.”Om het eten van het offerdierenvlees te vermijden at `Abdullah ibn 'Umar brood met olijfolie toen hij vanuit Mina vertrok,
١٢٨٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: الضَّحِيَّةُ كُنَّا نُمَلِّحُ مِنْهُ، فَنَقْدَمُ بِهِ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ بِالْمَدِينَةِ، فَقَالَ: لاَ تَأْكُلُوا إِلاَّ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ وَلَيْسَتْ بِعَزِيمَةٍ، وَلكِنْ أَرَادَ أَنْ يُطْعِمَ مِنْهُ، وَاللهُ أَعْلَمُ1288. ʿĀishah (رضي الله عنها):Wij zoutten in Madīnah delen van het vlees van onze offerdieren en boden het aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarna zei hij: 'Eet van het offerdierenvlees slechts drie dagen.' Maar, Allāh weet het beter, (dat verbod was niet absoluut bedoeld) hij wilde (dat jaar) het vlees ook aan anderen aanbieden.”
١٢٨٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كُنَّا لاَ نَأْكُلُ مِنْ لُحُومِ بُدْنِنَا فَوْقَ ثَلاَثِ مِنًى، فَرَخَّصَ لَنَا النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: كُلُوا وَتَزَوَّدُوا فَأَكَلْنَا وَتَزَوَّدْنَا1289. Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Wij plachten niet langer dan drie (dagen) in Minā van het offerdierenvlees te eten. Later gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons toestemming: 'Eet ervan, en neem er proviand van mee.' Dus wij aten ervan en namen proviand mee.”
١٢٩٠ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ ضَحَّى مِنْكُمْ فَلاَ يُصْبِحَنَّ بَعْدَ ثَالِثَةٍ وَفِي بَيْتِهِ مِنْهُ شَيْءٌ فَلَمَّا كَانَ الْعَامُ الْمُقْبِلُ، قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ نَفْعَلُ كَمَا فَعَلْنَا عَامَ الْمَاضِي قَالَ: كُلُوا وَأَطْعِمُوا وَادَّخِرُوا، فَإِنَّ ذَلِكَ الْعَامَ، كَانَ بِالنَّاسِ جَهْدٌ فَأَرَدْتُ أَنْ تُعِينُوا فِيهَا1290. Van Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie een offerdier slacht, laat er dan na drie nachten niets meer van in zijn huis over.”Toen het daaropvolgende jaar aanbrak, vroegen zij: 'O Rasûlullāh, zullen wij dit jaar doen zoals wij vorig jaar deden?' Hij antwoordde: “Eet ervan, geef ervan (aan anderen) te eten en bewaar ervan (voor proviand). Want vorig jaar heerste er onder de mensen grote hongersnood. Daarom wilde ik dat jullie anderen zouden helpen.”
[In de bovenstaande ḥadīth van Jâbir Ibn `Abdullah (رضي الله عنه) werd vermeld dat het verboden was om na drie dagen in Mina nog van het offerdierenvlees te eten, maar dat dit verbod later werd opgeheven.]
Het eerste jong van een kameel of schaap als offer voor afgoden
الفرع والعتيرة
١٢٩١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ فَرَعَ وَلاَ عَتِيرَةَ وَالْفَرَعَ أَوَّلُ النِّتَاجِ كَانُوا يَذْبَحُونَهُ لَطَوَاغِيتِهِمْ
1291. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen (geldige praktijk van) Farāʿ of ʿAtīrah.”(Abū Hurayrah zei:) Farāʿ is het eerste jong van een dier, dat zij (in de jāhiliyyah) plachten te offeren voor hun afgoden (tāghûts). (ʿAtīrah is het offer dat de afgodendienaren speciaal in de maand Rajab slachtten voor hun afgoden.)
[Volgens sommige geleerden was ʿatīrah het offer dat de Arabieren brachten in de maand Rajab, wanneer een wens van hen was vervuld of wanneer hun vee een bepaald aantal had bereikt. Zij beloofden dan om één dier van elke tien te offeren als dank of om zegen te verkrijgen. Volgens Ibn al-Athīr bleef deze gewoonte in de vroege Islamitische periode nog bestaan, maar werd later afgeschaft (mansūkh).De farāʿ is het eerste jong dat een kameel werpt. Volgens Imām ash-Shāfi‘ī offerden de Arabieren dit jong als een gebaar van dank en zegen, zodat de moeder vruchtbaarder zou worden en meer nakomelingen zou baren. Andere geleerden zeggen echter dat de Arabieren deze eerste nakomeling als offer voor hun afgoden brachten.Hoewel de Shāfiʿī’- en de Ḥanbalī geleerden stelden dat men deze offers mocht brengen mits men zich niet aan de heidense vorm hield, menen andere geleerden, waaronder de Mālikīen de Ḥanafī geleerden dat zowel farāʿ als ʿatīrah afgeschaft (mansūkh) zijn. Zij baseren zich op een ḥadīth waaruit blijkt dat deze gebruiken in de beginjaren van de Islām nog werden toegestaan, maar later door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werden afgeschaft.De overleveraar van deze ḥadīth is Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die pas in het 7e jaar na de Hijrah moslim werd. Hieruit blijkt dat het verbod na die periode werd ingesteld en dat de afschaffing dus definitief was.
Ook Ibn Ḥazm en Qāḍī ʿIyāḍ vermelden dat de jumhūr (meerderheid van de geleerden) het erover eens is dat de farāʿ en ʿatīrah offers zijn afgeschaft en geen plaats meer hebben in de Islām.] (HA)