Kitāb al-Aqḍiyah: Boek van de rechterlijke oordelen
[Aqḍiyah is het meervoud van qaḍiyah. Lexicaal betekent qaḍiyah (en het verwante qaḍāʾ) iets stevig vaststellen, voltooien of afronden. Het verwijst ook naar het uitvoeren of toepassen van een oordeel.Degene die een oordeel correct velt en uitvoert, wordt een qāḍī genoemd. In de Islām worden personen die belast zijn met het uitspreken van rechtvaardige oordelen qāḍī of ḥākim genoemd; dit zijn rechters die verantwoordelijk zijn voor het handhaven van gerechtigheid.] )HA)
De eed behoort toe aan de gedaagde
اليمين على المدعى عليه
١١١٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ إِنَّ امْرَأَتَيْنِ كَانَتَا تَخْرِزَانِ فِي بَيْتٍ أَوْ فِي الْحُجْرَةِ، فَخَرَجَتْ إِحْداهُمَا وَقَدْ أُنْفِذَ بإِشْفًا فِي كَفِّهَا، فَادَّعَتْ عَلَى الأُخْرَى، فَرُفِعَ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: قَالَ رَسُولَ اللهِ ﷺ: لَوْ يُعْطَى النَّاسُ بدَعْوَاهُمْ لَذَهَبَ دِمَاءُ قَوْمٍ وَأَمْوَالُهُمْ ذَكِّرُوهَا بِاللهِ، وَاقْرَءُوا عَلَيْهَا (إِنَّ الَّذِينَ يَشْتَرُونَ بِعَهْدِ اللهِ) فَذَكَّرُوهَا فَاعْتَرَفَتْ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الْيَمِينُ عَلَى الْمُدَّعَى عَلَيْهِ
1113 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Twee vrouwen waren leer aan het bewerken (zoals voor sandalen of waterzakken) in een huis of kamer.Toen verliet de ene vrouw het huis met een scherpe priem in haar handpalm. Ze beschuldigde de andere vrouw van het verwonden, waarna de zaak aan Ibn ʿAbbās werd voorgelegd.
Ibn ʿAbbās zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Als mensen zomaar op basis van hun beweringen worden geloofd, dan zouden het bloed en de bezittingen van mensen verloren gaan.’(Hij voegde eraan toe:) ‘Herinner haar aan Allāh en reciteer voor haar:
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَشۡتَرُونَ بِعَهۡدِ ٱللَّهِ وَأَيۡمَٰنِهِمۡ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيۡهِمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٧٧
Waarlijk, degenen die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun verbond met Allāh en voor hun eed, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allāh zal niet tot hen spreken of naar hen kijken op de Dag der Opstanding, noch zal Hij hen reinigen en zij zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (sûrah Āl ʿImrān 3:77)
Zij herinnerden haar eraan, en daarop bekende zij.Daarop zei Ibn ʿAbbās: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “ (In een rechtszaak) is het de beschuldigde die de eed aflegt.”
[Wanneer een eiser voor de rechter verschijnt en zijn zaak uiteenzet, en de gedaagde erkent de tegen hem ingebrachte aanklachten, dan baseert de rechter zich op deze bekentenis en spreekt een vonnis tegen de gedaagde uit, waarmee de zaak wordt afgerond.
Als de gedaagde de aanklacht ontkent of afwijst, vraagt de rechter van de eiser bewijs. Indien de eiser het bewijs levert en zijn zaak kan aantonen, spreekt de rechter een vonnis uit ten nadele van de gedaagde.
Als de eiser niet in staat is bewijs te leveren, kan de rechter, op verzoek van de eiser, de gedaagde de mogelijkheid bieden een eed af te leggen. Als de gedaagde de eed aflegt, wordt hij vrijgesproken en is de zaak gesloten.
Weigert de gedaagde te zweren, dan spreekt de rechter een vonnis uit op basis van die weigering, en wordt de zaak eveneens afgesloten.
In dat geval wordt de eed niet aan de eiser aangeboden, omdat de gedaagde al geweigerd heeft te zweren.] (HA)
Het oordeel (wordt geveld) op basis van het uiterlijke, en het pleiten gebeurt met argumenten
الحكم بالظاهر واللحن بالحجة
١١١٤ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، زَوْجِ النَبِيِّ ﷺ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ سَمِعَ خُصُومَةً بِبَابِ حُجْرَتِهِ، فَخَرَجَ إِلَيْهِمْ، فَقَالَ: إِنَّمَا أَنَا بَشَرٌ، وَإِنَّه يَأْتِينِي الْخَصْمُ فَلَعَلَّ بَعْضَكُمْ أَنْ يَكونَ أَبْلَغَ مِنْ بَعْضٍ، فَأَحْسِبُ أَنَّهُ صَدَقَ فَأَقْضِيَ لَهُ بِذلِكَ؛ فَمَنْ قَضَيْتُ لَهُ بِحَقِّ مُسْلِمٍ فَإِنَّمَا هِيَ قِطْعَةٌ مِنَ النَّارِ فَلْيَأْخُذْهَا أَوْ فَلْيَتْرُكْهَا
1114 – Van Ummu Salamah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde een woordenwisseling bij de deur van zijn kamer. Daarop kwam hij naar buiten en zei: “Voorwaar, ik ben ook slechts een mens (net als jullie) (ik weet het onbekende niet). En hkan et gebeuren dat een van jullie een geschil bij mij brengt, en dat de andere vaardiger is in zijn betoog zodat ik op basis daarvan meen dat de eerste de waarheid spreekt en een uitspraak in zijn voordeel doe. Wie ik dan ook ten onbedoeld iets van het recht van een moslim heb toegekend: dat is slechts een stukje van het vuur. Laat hij het dan nemen, of laten.”
[De uitspraak in de ḥadīth “Ik ben ook slechts een mens zoals jullie” benadrukt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als mens alleen de uiterlijke, zichtbare zaken kon waarnemen. In situaties waarin hij geen openbaring (wahy) ontving, bevond hij zich in hetzelfde menselijke perspectief als ieder ander: hij kende het verborgene niet en oordeelde uitsluitend op basis van wat zichtbaar en aantoonbaar was.
Dit betekent dat zijn rechterlijke beslissingen op menselijke waarneming en bewijsvoering berustten, en niet op een alwetend inzicht in het innerlijke van mensen. Tegelijkertijd zijn wij verplicht hem te volgen in religieuze zaken, omdat hij daarin met gezag spreekt namens Allāh.
Belangrijk is dat als iemand in een rechtszaak, puur door vaardigheid in spreken of sterke argumenten, gelijk krijgt terwijl hij feitelijk ongelijk heeft, dit de oorspronkelijke wet van Allāh niet verandert.
Met andere woorden: iets dat Allāh harām heeft verklaard, wordt niet halāl enkel omdat een rechter op basis van zichtbaar bewijs een oordeel in iemands voordeel velt.] (HY)
[Wat in de hadith wordt bedoeld, is het volgende: als een oordeel dat men geeft op basis van het uiterlijk, schijnbare bewijs niet overeenkomt met de innerlijke werkelijkheid of de waarheid van de zaak, kan het zijn dat wat men heeft beslist, bijvoorbeeld dat iets harām is of iemand naar de Hel leidt, feitelijk niet juist is.Uit de letterlijke betekenis van deze ḥadīth blijkt dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) soms een oordeel kan vellen op basis van de zāhir dat niet volledig overeenkomt met de bāṭin.Toch zijn de ‘ulamāʾ van uṣūl al-fiqh het erover eens dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) geen fouten maakt bij het vellen van oordelen (ahkām) en dat zijn oordelen niet kunnen worden verworpen of genegeerd. Hierop wordt als volgt geantwoord: Er is geen tegenstelling tussen deze ḥadīth en de regel van uṣūl al-fiqh.De ‘ulamāʾ bedoelen met hun uitspraak dat het gaat om oordelen die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zelf op basis van zijn eigen ijtihād velt. Het oordeel dat in deze ḥadīth wordt genoemd, is echter niet het resultaat van ijtihād, maar wordt gegeven op basis van een bewijs zoals een eed of getuigenverklaring. Zo’n oordeel kan niet als een fout worden beschouwd, omdat het oordeel is gegeven volgens de goddelijke verplichting en daarom sahīḥ (geldig) is.De goddelijke verplichting kan bijvoorbeeld bestaan uit het aanhoren van twee getuigen. Als de getuigen liegen, ligt de verantwoordelijkheid bij hen, niet bij het oordeel zelf. Het oordeel zelf bevat geen tekortkoming.an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ik ben slechts een mens” Hiermee wijst hij op zijn menselijke aard.Een mens kan het verborgen en de innerlijke werkelijkheid van gebeurtenissen niet kennen, tenzij Allah het hem openbaart. Net als andere mensen mag an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) oordelen op basis van het uiterlijke bewijs. Alleen Allah kent de verborgen waarheid van de oordelen.
Daarom geeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zijn oordeel op basis van uiterlijke bewijzen zoals getuigen en eden.Dit oordeel kan tegen de goddelijke verborgen waarheid ingaan, maar hij is verplicht om op basis van de beschikbare bewijzen te oordelen, zodat de gemeenschap (ummah) hem kan volgen.] (HA)
De rechtszaak van Hind (binti `Utbah)
قضية هند
١١١٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ هِنْدَ بِنْتَ عُتْبَةَ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَبَا سُفْيَانَ رَجُلٌ شَحِيحٌ، وَلَيْسَ يُعْطِينِي مَا يَكْفِينِي وَوَلَدِي، إِلاَّ مَا أَخَذْتُ مِنْهُ وَهُوَ لاَ يَعْلَمُ فَقَالَ: خُذِي مَا يَكْفِيكِ وَوَلَدَكِ بِالْمَعْرُوفِ
1115 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Hind bint ʿUtbah zei: “O Rasûlullāh ! Abū Sufyān is een gierige man. Hij geeft mij niet genoeg voor mij en mijn kind, behalve wat ik onopgemerkt van hem neem. (Is het voor mij een zonde dat ik stiekem iets van zijn bezit neem?)”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Neem wat voldoende is voor jou en je kind volgens wat gebruikelijk is.”
١١١٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: جَاءَتْ هِنْدُ بِنْتُ عُتْبَةَ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا كَانَ عَلَى ظَهْرِ الأَرْضِ مِنْ أَهْلِ خِبَاءٍ، أَحَبُّ إِلَيَّ أَنْ يَذِلُّوا مِنْ أَهْلِ خِبَائِكَ، ثُمَّ مَا أَصْبَحَ الْيَوْمَ عَلَى ظَهْرِ الأَرْضِ أَهْلُ خِبَاءٍ أَحَبَّ إِلَيَّ أَنْ يَعِزُّوا مِنْ أَهْلِ خِبائِكَ قَالَ: وَأَيْضًا وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَبَا سُفْيَانَ رَجُلٌ مِسِّيكٌ، فَهَلْ عَلَيَّ حَرَجٌ أَنْ أُطْعِمَ مِنَ الَّذِي لَهُ عِيَالَنَا قَالَ: لاَ أُرَاهُ إِلاَّ بِالْمَعْرُوفِ1116 – Van ʿĀʾisha (رضي الله عنها):Hind bint ʿUtbah kwam en zei: “O Rasûlullāh, (voordat ik moslim werd) was er geen enkele familie op aarde wiens vernedering/ellende ik liever wenste dan die van uw familie. Maar nu (nadat ik moslim ben geworden) is er geen enkele familie op aarde die ik liever eervol/gerespecteerd zie dan die van uw familie.”Hij zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, wat dit betreft, is bij mij is het hetzelfde.”Toen zei zij: “O Rasûlullāh, Abū Sufyān is een gierige man. Is het voor mij toegestaan om zonder zijn weten van zijn bezit te nemen voor onze levensonderhoud?”Hij zei: “Ik zie daarin geen bezwaar, zolang het op een gebruikelijke manier gebeurt.”
[Hind (رضي الله عنها) is de dochter van `Utbe Ibn Rabia`, een vijand van de Islām. Haar vader werd gedood in de Slag bij Badr. Om wraak te nemen op haar vader kwam ze naar de Slag bij Uḥud, waar ze Hamza (رضي الله عنه) liet doden en zijn lever in haar mond kauwde. Samen met haar echtgenoot Ebû Sufyan hebben ze de Islām geaccepteerd na de ververing van Makkah, en haar haat en wrok veranderden in liefde. Eenzelfde situatie deed zich voor bij Sumâmah Ibn Asâl uit de stam van Bani Hanifah.] (AFK)
Het is verboden om overbodige of nutteloze vragen te stellen, evenals om het principe van “weiger en eis” toe te passen, wat betekent dat men geen verplicht recht mag nalaten te vervullen en geen aanspraak mag maken op iets waar men geen recht op heeft
النهي عن كثرة المسائل من غير حاجة والنهي عن منع وهات، وهو الامتناع من أداء حق لزمه، أو طلب ما لا يستحقه
١١١٧ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ اللهَ حَرَّمَ عَلَيْكُمْ عُقُوقَ الأُمَّهَاتِ، وَوَأْدَ الْبَنَاتِ، وَمَنعَ وَهَاتِ، وَكَرِهَ لَكُمْ قِيلَ وَقَالَ، وَكَثْرَةَ السُّؤَالِ، وَإِضَاعَةَ الْمَالِ
1117 – Van al-Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh heeft jullie verboden: ongehoorzaam te zijn aan moeders, dochters levend begraven, niet betalen (van een schuld die je moet terugbetalen) en het nemen van iets (waarop je geen recht hebt.) En Hij heeft voor jullie afkeurenswaardig bestempeld: roddelen en zinloos gepraat, onnodige vragen stellen, en rijkdom verspillen.
Uitleg over de beloning van de rechter wanneer hij ijtihād verricht en het bij het juiste heeft of zich vergist
بيان أجر الحاكم إِذا اجتهد فأصاب أو أخطأ
١١١٨ - حديث عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: إِذَا حَكَمَ الْحَاكِمُ فَاجْتَهَدَ ثُمَّ أَصَابَ فَلَهُ أَجْرَانِ، وَإِذَا حَكَمَ فَاجْتَهَدَ ثُمَّ أَخْطَأَ فَلَهُ أَجْرٌ
1118 – Van ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه):Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Een rechter die een oordeel velt op basis van ijtihād (zorgvuldige inspanning om tot een juridisch oordeel te komen): als hij het juiste (oordeel) geeft, krijgt hij twee beloningen. En als hij zich inspant maar een fout maakt, krijgt hij (alsnog) één beloning.”
[Een rechter (ḥākim) die bekwaam is in ijtihād en zijn oordeel baseert op zorgvuldig overwogen inspanning, ontvangt twee beloningen: één voor de inspanning van zijn ijtihād en één voor het juiste oordeel dat overeenkomt met de waarheid.
Als zijn ijtihād echter niet overeenkomt met het oordeel van Allāh (عز وجل), verliest hij de beloning voor correctheid, maar behoudt hij nog steeds één beloning, namelijk voor zijn oprechte inspanning.
Degene die echter niet bekwaam is in ijtihād maar toch op eigen gezag een oordeel probeert te vellen, wordt niet verontschuldigd; hun verkeerde beslissingen worden als zonden beschouwd.
Zoals vermeld in de ḥadīth:
“Rechters vallen in drie categorieën: één in het Paradijs en twee in de Hel. Degene die de waarheid kent en rechtvaardig oordeelt, is in het Paradijs. Degene die, hoewel hij de waarheid kent, onrechtvaardig oordeelt, en degene die zonder kennis oordeelt, zij beiden zijn in de Hel.”] (HA)
Het is afkeurenswaardig dat een rechter oordeelt als hij boos is
كراهة قضاء القاضي وهو غضبان
١١١٩ - حديث أَبِي بَكْرَةَ، أَنَّهُ كَتَبَ إِلَى ابْنِهِ، وَكَانَ بِسِجِسْتَانَ، بِأَنْ لاَ تَقْضِيَ بَيْنَ اثْنَيْنِ وَأَنْتَ غَضْبَانُ، فَإِنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يَقْضِيَنَّ حَكَمٌ بَيْنَ اثْنَيْنِ وَهُوَ غَضْبَانُ
1119 – Van Abū Bakrah (رضي الله عنه):Hij schreef aan zijn zoon, die in Sijistān verbleef, het volgende: “Spreek geen oordeel uit tussen twee mensen terwijl je boos bent, want ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Laat een rechter geen uitspraak doen tussen twee mensen terwijl hij boos is.”
Het verwerpen van ongeldige oordelen en het afwijzen van innovaties
نقض الأحكام الباطلة ورد محدثات الأمور
١١٢٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ أَحْدَثَ فِي أَمْرِنَا هذَا مَا لَيْسَ فِيهِ فَهُوَ رَدٌّ
1120 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in onze zaak (godsdienst: dīn) iets nieuws introduceert dat er niet toe behoort, zal verworpen worden.”
[Wie een overeenkomst sluit op basis van onrecht, handelt buiten de grenzen van de dīn; zo’n overeenkomst van onderdrukking en onrecht zal verworpen worden. Deze ḥadīth legt tevens een fundamenteel principe van de Islām bloot: wat in de Islām geldig is, is uitsluitend het Woord van Allāh en de Sunnah van Zijn Rasûl. Alles wat daarbuiten valt, is ongeldig en niet bindend..] (HY)
[Bid‘ah betekent handelingen of geloofspraktijken die eerder niet bestonden en later zijn ontstaan.Vanwege de verschillende opvattingen over de reikwijdte van bid‘ah, hebben islamitische geleerden verschillende definities gegeven.Volgens sommige geleerden is bid‘ah alles wat na an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) is verschenen. Deze geleerden hebben aan het woord bid‘ah een bredere betekenis gegeven dan de letterlijke. Om deze reden waren zij verplicht de later ontstane handelingen en geloofspraktijken te onderscheiden in goede en slechte. Dingen die later zijn ontstaan en niet in strijd zijn met de Qur’ān en de Sunnah, of die voortvloeien uit een goddelijke verplichting, worden een bid‘ah-i ḥasana (goede bid‘ah) genoemd; dingen die ermee in strijd zijn, worden een bid‘ah-i sayyi’a (slechte bid‘ah) genoemd. Degenen die bid‘ah op deze manier definiëren en indelen, gebruiken als bewijs de woorden van ʿUmar (رضي الله عنه):Toen ʿUbayy b. Kaʿb (رضي الله عنه) de salāh at-tarāwīḥ, dat oorspronkelijk acht rak‘āt zelfstandig werd verricht, tijdens het leven van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) maar in zijn khalifaattijd in gemeenschap twintig rak‘āt werd verricht, zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Wat een mooie bid‘ah is dit!”
Andere geleerden definiëren bid‘ah als: alles wat na an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) is ontstaan, met betrekking tot de godsdienst (dīn), een toevoeging of vermindering van de godsdienst inhoudt.
Volgens deze geleerden zijn de handelingen die door de eerste groep onder bid‘ah-i ḥasana werden geplaatst, niet werkelijk bid‘ah. Het is verkeerd om ze zo te noemen, omdat zulke handelingen een grondslag hebben in de Qur’ān en de Sunnah. Met andere woorden: zij kunnen niet als iets “later ontstaan” worden beschouwd.Eigenlijk geldt voor beide groepen geleerden dat toevoegingen aan de godsdienst of verminderingen ten opzichte van de oorspronkelijke voorschriften verboden zijn, en dus een slechte bid‘ah vormen. Toch wordt gezien dat de tweede groep geleerden consistenter is in hun definitie van bid‘ah, omdat de zaken die de eerste groep onder bid‘ah-i ḥasana plaatste, in feite geen latere innovaties zijn; zij hebben een basis in de de Qur’ān en de Sunnah Het is ook een feit dat de volgelingen (muqallidīn) van de eerste groep, die de bedoelingen van deze geleerden niet volledig begrepen, soms ook dingen die een toevoeging of vermindering in de godsdienst vormden onder bid‘ah-i ḥasana plaatsten. En de volgelingen van de tweede groep plaatsten daarentegen sommige zaken die niet als bid‘ah beschouwd mochten worden, toch onder bid‘ah en verzette zich daartegen, en begonnen bijna elk oordeel of nieuwe praktijk als bid‘ah te bestempelen.egenwoordig zijn vele vormen van bidʿah in het leven van moslims binnengedrongen. Daarom is waakzaamheid geboden voor iedereen die de geboden van de Islām strikt wil naleven. Men moet zich bewust zijn dat woorden, handelingen en gedragingen die een toevoeging of vermindering van de Islām vormen, harām zijn en uit het dagelijks leven verwijderd moeten worden. De enige leidraad in dit opzicht is de Qur’ān en de Sunnah, en niets wat daarvan afwijkt mag als religieus geaccepteerd worden.] (HA)
Uitleg over het verschil van mening tussen de mujtahid-geleerden
بيان اختلاف المجتهدين
١١٢١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: كَانَتِ امْرَأَتَانِ مَعَهُمَا ابْنَاهُمَا، جَاءَ الذِّئْب فَذَهَبَ بِابْنِ إِحْدَاهُمَا، فَقَالَتْ صَاحِبَتُهَا إِنَّمَا ذَهَبَ بِابْنِكِ، وَقَالَتِ الأُخْرَى إِنَّمَا ذَهَبَ بِابْنِكِ؛ فَتَحَاكَمَتَا إِلَى دَاوُدَ، فَقَضى بِهِ لِلْكُبْرَى؛ فَخَرَجَتَا عَلَى سُلَيْمَانَ بْنِ دَاوُدَ، فَأَخْبَرَتَاهُ فَقَالَ: ائْتُونِي بِالسِّكِّينِ أَشُقُّهُ بَيْنَهُمَا، فَقَالَتِ الصُغْرَى: لاَ تَفْعَلْ، يَرْحَمُكَ اللهُ، هُوَ ابْنُهَا فَقَضى بِهِ لِلصُّغْرَى
1121 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er waren twee vrouwen en zij hadden elk een zoontje. Een wolf kwam en nam het kind van een van hen mee. De oudere vrouw (van wie het kind was meegenomen door de wolf) zei: ‘De wolf heeft jouw kind meegenomen.’ En de andere zei: ‘Nee, hij heeft jouw kind meegenomen.’ Vervolgens gingen ze met hun zaak naar Dāwūd (عليه السلام), die het kind aan de oudere vrouw toekende. (Het kind dat door de wolf werd meegesleurd, was dan van de jongere vrouw). Daarop verlieten zij (de rechtszaal) en gingen naar Sulaymān (عليهما السلام), de zoon van Dāwūd (عليهما السلام) en zij vertelden hem wat er was gebeurd. Hij zei: ‘Breng mij een mes, ik zal het kind doormidden snijden en het tussen jullie beiden verdelen.’ Toen zei de jongere vrouw: ‘Doe dat niet, moge Allāh u genadig zijn! Hij is haar kind.’ Daarop kende hij het kind toe aan de jongere vrouw.”
De aanbeveling dat de rechter verzoening tot stand brengt tussen de twee partijen in een geschil
استحباب إِصلاح الحاكم بين الخصمين
١١٢٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اشْتَرَى رَجُلٌ مِنْ رَجُلٍ عَقَارًا لَهُ، فَوَجَدَ الرَّجُلُ الَّذِي اشْتَرَى الْعَقَارَ فِي عَقَارِهِ جَرَّةً فِيهَا ذَهَبٌ، فَقَالَ لَهُ الَّذِي اشْتَرَى الْعَقَارَ: خذْ ذَهَبَكَ مِنِّي، إِنَّمَا اشْتَرَيْتُ مِنْكَ الأَرْضَ وَلَمْ أَبْتَعْ مِنْكَ الذَّهَبَ وَقَالَ الَّذِي لَهُ الأَرْضُ: إِنَّمَا بِعْتُكَ الأَرْضَ وَمَا فِيهَا؛ فَتَحَاكَمَا إِلَى رَجُلٍ فَقَالَ الَّذِي تَحَاكَمَا إِلَيْهِ: أَلَكُمَا وَلَدٌ قَالَ أَحَدُهُمَا: لِي غُلاَمٌ، وَقَالَ الآخَرُ: لِي جَارِيَةٌ؛ قَالَ: أَنْكِحُوا الْغُلاَمَ الْجَارِيَةَ، وَأَنْفِقُوا عَلَى أَنْفُسِهِمَا مِنْهُ وَتَصَدَّقَا
1122 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Iemand kocht een stuk grond van een man. De koper vond in die grond een pot vol goud. Hij zei tegen de verkoper: ‘Neem jouw goud terug. Ik heb alleen het land van je gekocht, niet het goud.’ De verkoper zei: ‘Ik heb je het land verkocht met alles wat erin zit.’ Daarop wendden zij zich tot een rechter (om hun geschil te laten beslechten). De rechter vroeg: “Hebben jullie kinderen?”- ‘Ik heb een jongen.’ - ‘Ik heb een meisje.’ - ‘Laat de jongen met het meisje trouwen, besteed een deel (van het goud) aan hen en geef er een deel ṣadaqah.’