As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb al-Buyūʿ: Boek van de handel

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb al-Buyūʿ: Boek van de handel

[Volgens de ʿIlm al-Uṣūl al-Fiqh worden de zaken die Allāh heeft voorgeschreven in vier categorieën verdeeld:

1. Zaken die puur het recht van Allāh zijn.Hiermee doelt men op zaken die het algemeen belang dienen. Een voorbeeld daarvan is het verbod op overspel: het doel hiervan is het beschermen van de nageslacht tegen verwarring en vervalsing, en dit belang geldt voor de gehele samenleving.

2. Zaken die puur het recht van de dienaar (mens) zijn.Hiermee bedoelt men zaken die uitsluitend betrekking hebben op een individueel belang. Een voorbeeld daarvan is het verbod om andermans bezit te stelen.

3. Zaken waarin zowel het recht van Allāh als dat van de dienaar zijn, maar waarin het recht van Allāh overheerst.Zoals de ḥad-straf voor qadhf (het iemand ten onrechte beschuldigen van overspel). Hier is zowel sprake van het recht van Allāh, omdat de straf is ingesteld om mensen af te schrikken, als van het recht van de dienaar, omdat het de vrouw beschermt tegen schande. Toch weegt het recht van Allāh zwaarder; daarom is in deze kwestie geen erfenisregeling van toepassing.

4. Zaken waarin zowel het recht van Allāh als dat van de dienaar zijn, maar waarin het recht van de dienaar overheerst.Zoals qiṣāṣ (wedervergelding). Het is het recht van Allāh omdat het de wereld beschermt tegen wanorde. Het is het recht van de dienaar omdat er onrecht aan hem persoonlijk is aangedaan, en dit aspect overheerst. Daarom is er bij qiṣāṣ ruimte voor vergeving en het doorwerken van erfrecht. Daarom behoort de handel (koop en verkoop), die deel uitmaakt van de muʿāmalāt (transacties), tot de tweede categorie: zaken die onder het recht van de dienaar vallen.

De wijsheid achter het toestaan van handel

De wijsheid achter de legitimiteit van handel ligt daarin dat Allāh dit noodzakelijk heeft gemaakt voor een goed en duurzaam samenleven. De mens is immers niet in staat om zelfstandig in al zijn behoeften te voorzien. Zo kan hij bijvoorbeeld niet alleen een akker ploegen, het graan zaaien, oogsten, malen en er brood van maken. Daarom is hij genoodzaakt bepaalde behoeften via aankoop te vervullen.

Wanneer hij niets zou kopen, zou hij zijn behoeften óf met dwang moeten nemen, óf moeten bedelen, óf niets kunnen doen en uiteindelijk verhongeren. Al deze mogelijkheden zijn ongewenst, waarbij bedelen vanwege de daarmee gepaard gaande vernedering bijzonder afkeurenswaardig is. Daarom is het drijven van handel toegestaan: zodat mensen op een geordende en rechtmatige wijze in hun behoeften kunnen voorzien.

Betekenis van bayʿ (koop/verkoop)

Het woord buyūʿ is het meervoud van bayʿ en betekent handel of koop/verkoop.

Het kan zowel verkopen als kopen aanduiden.

Lexicaal gezien verwijst bayʿ naar het ruilen van een goed tegen een ander goed. In de sharīʿah geldt hetzelfde, maar hierbij is wél de voorwaarde van wederzijdse instemming van beide partijen vereist. Met andere woorden: een goed ruilen tegen een ander goed, waarbij beide partijen ermee akkoord gaan.

Voorwaarden van bayʿ (koop/verkoop)

1. Voorwaarden in de handelaar:De handelaar moet beschikken over gezond verstand en onderscheidingsvermogen, zodat hij in staat is winst en verlies te begrijpen.

2. Voorwaarden in het verhandelde goed:Het goed moet sharʿī waarde hebben en daadwerkelijk leverbaar zijn.

3. Voorwaarden in de partijen:Beide partijen moeten tevreden zijn met de overeenkomst.

4. Voorwaarden in de formulering van het contract:Het contract moet worden gesloten met duidelijke woorden van aanbod (ījāb) en aanvaarding (qabūl), bijvoorbeeld: “Ik verkoop dit” – “Ik koop dit”.

Rukn (essentieel onderdeel) van bayʿ

De rukn van bayʿ bestaat uit ījāb en qabūl:

Ījāb: de woorden of handeling van degene die het aanbod als eerste doet.

Qabūl: de instemming die daarop volgt.

Volgens de meerderheid van de geleerden (jumhūr) is mondeling aanbod en aanvaarding verplicht bij waardevolle goederen. Bij kleine zaken, zoals brood of groenten, is dit echter niet vereist. Binnen de Shāfiʿī-madzhab geldt dit zelfs voor kleine goederen, maar veel Shāfiʿī-geleerden (zoals Imām an-Nawawī en latere geleerden) volgen hier de jumhūr.

Daarnaast moeten bij contracten de gebruikte woorden in de verleden tijdsvorm (māḍī) worden uitgesproken, om de duidelijkheid en vastheid van de overeenkomst te waarborgen.

Ḥukm (juridische status) van bayʿ

In essentie is handel mubāḥ (toegestaan). Afhankelijk van de omstandigheden kan het echter ook wājib, mandūb, ḥarām of makrūh zijn.

Bewijzen voor de legitimiteit van handel:

Uit de Qurʾān:وَأَحَلَّ ٱللَّهُ ٱلۡبَيۡعَ وَحَرَّمَ ٱلرِّبَوٰاْۚ … Maar Allāh heeft de handel toegestaan en de rente verboden… (Sūrah al-Baqarah: 275)

وَأَشۡهِدُوٓاْ إِذَا تَبَايَعۡتُمۡۚ … Maar neem getuigen als jullie een handelscontract afsluiten… (Sūrah al-Baqarah: 282)

Consensus (ijmāʿ): de geleerden van de ummah zijn het erover eens dat handel toegestaan is.

Uit de Sunnah: meerdere aḥādīth bevestigen de legitimiteit van handel..] (Bulughu’l marām)

Mulāmasah of munābadhah bij verkoop is ongeldig

إِبطال بيع الملامسة والمنابذة

٩٦٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنِ الْمُلاَمَسَةِ وَالْمُنَابَذَةِ

965 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het verboden om te handelen via mulāmasah en munābadhah.

[Mulāmasah en munābadzah waren vormen van handel die afkomstig zijn uit de tijd van de jāhiliyyah. Met de komst van de Islām zijn deze vormen van koop en verkoop door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verboden verklaard.

Mulāmasah is een soort koop waarbij het aanraken van een voorwerp de koper automatisch verplicht om het te kopen.

Munābadzah houdt in dat de koper een steen of iets dergelijks gooit op de koopwaar, en zich verplicht om datgene te kopen waarop de steen valt.

Hoewel er verschillende toelichtingen zijn gegeven op deze handelswijzen, vatten de bovenstaande omschrijvingen de kern ervan samen. Het verbod op deze soorten handel is ingesteld omdat zowel de koper als de verkoper geen vrije keus (keuzerecht) hadden wat in strijd met de principes van rechtvaardige en transparante handel in de Islām .] (AFK)

٩٦٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: يُنْهى عَنْ صِيَامَيْنِ وَبَيْعَتَيْنِ؛ الْفِطْرِ وَالنَّحْرِ، وَالْمُلاَمَسَةِ وَالْمُنَابَذَةِ966 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Er werd twee soorten vasten en twee soorten handel verboden: (namelijk vasten op de dag van) (`Ied) al-Fiṭr en(`Ied) an-Naḥr, en de handel via mulāmasah en munābadzah.

٩٦٧ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ لِبْسَتَيْنِ وَعَنْ بَيْعَتَيْنِ: نَهى عَنِ الْمُلاَمَسَةِ وَالْمُنَابَذَةِ فِي الْبَيْعِ؛ وَالْمُلاَمَسَةُ لَمْسُ الرَّجُلِ ثَوْبَ الآخَرِ بِيَدِهِ بِاللَّيْلِ أَوْ بِالنَّهَارِ وَلاَ يُقَلِّبُهُ إِلاَّ بِذلِكَ، وَالْمُنَابَذَةُ أَنْ يَنْبِذَ الرَّجُلُ إِلَى الرَّجُلِ بِثَوْبِهِ وَيَنْبِذَ الآخَرُ ثَوْبَهُ، وَيَكُونَ ذلِكَ بَيْعَهُمَا مِنْ غَيْرِ نَظَرٍ وَلاَ تَرَاضٍ وَاللِّبْسَتَيْنِ: اشْتِمَالُ الصَّمَّاءِ؛ وَالصَّمَّاءُ أَنْ يَجْعَلَ ثَوْبَهُ عَلَى أَحَدِ عَاتِقَيْهِ، فَيَبْدُوَ أَحَدُ شِقَّيْهِ لَيْسَ عَلَيْهِ ثَوْبٌ، وَاللِّبْسَةُ الأُخْرَى احْتِبَاؤُهُ بِثَوْبِهِ وَهُوَ جَالِسٌ لَيْسَ علَى فَرْجِهِ مِنْهُ شَيْءٌ967 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft twee manieren van kleding dragen en twee vormen van handel verboden:Hij verbood mulāmasah en munābadzah in handel.

Mulāmasah: iemand raakt dag en nacht een kledingstuk van een ander aan met zijn hand en gebruikt dit als enige manier om het te keuren, zonder het echt daadwerkelijk te bekijken.

Munābadzah: de ene persoon werpt zijn kledingstuk naar de ander, en de ander werpt ook zijn kledingstuk; dit geldt als een koop, zonder dat er wederzijds instemming is gegeven.

Wat betreft de twee kledingwijzen:

De eerste manier van kleden is een kledingstuk om slechts één schouder dragen waardoor één kant van het lichaam onbedekt blijft.

Een andere manier van kleden is dat iemand (gaat zitten), zonder iets aan te hebben dat zijn ʿawrah (de delen van het lichaam die bedekt moeten worden volgens de islamitische voorschriften) bedekt, trekt de knieën op en houdt deze met zijn handen vast, (waardoor er een risico op ontbloting ontstaat).

Het is verboden om het kalf van een ongeboren kalf van een drachtige kameel te verkopen

تحريم بيع حبل الحبلة

٩٦٨ – حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنْ بَيْعِ حَبَلِ الْحَبَلَةِ، وَكَانَ بَيْعًا يَتَبَايَعُهُ أَهْلُ الْجَاهِلِيَّةِ، كَانَ الرَّجُلُ يَبْتَاعُ الْجَزُورَ إِلَى أَنْ تُنْتَجَ النَّاقَةُ، ثُمَّ تُنْتَجُ الَّتِي فِي بَطْنِهَا

968 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het handelen via ‘habali al-habalah’.Dat was een verkoopvorm uit de tijd van de jāhiliyyah: een man kocht een kameel met de afspraak dat deze geleverd zou worden wanneer de kamelin een jong had gekregen, en vervolgens opnieuw wanneer het jong in haar buik weer een jong droeg, waardoor de levering over meerdere generaties werd uitgesteld.

[Een dergelijke verkoop is een transactie waarvan het einde niet vaststaat en waarvan de voorwaarden niet duidelijk zijn afgebakend. Hierdoor kunnen gemakkelijk meningsverschillen ontstaan. Zo is de termijn van levering niet exact vastgesteld: de kameel kan bijvoorbeeld nalaten te werpen, of als zij werpt, kan het geboren jong zelf weer geen jong krijgen. Omdat er dus geen duidelijke zekerheid over de termijn bestaat, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit soort verkopen verboden.] (AFK)

Het verbod op het verkopen van iemand boven het bod van zijn broer, en het uitbrengen van een bod boven het bod van een ander (najjāsh). Het verbod van het doen lijken alsof het dier meer melk heeft dan het in werkelijkheid heeft (taṣriyyah)

تحريم بيع الرجل على بيع أخيه وسومه على سومه وتحريم النجش وتحريم التصرية

٩٦٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَبِيعُ بَعْضُكُمْ عَلَى بَيْعِ أَخِيهِ

969 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie handelen op de handel van zijn broeder.”

٩٧٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ تَلَقَّوُا الرُّكْبَانَ وَلاَ يَبِيعُ بَعْضُكُمْ عَلَى بَيْعِ بَعْضٍ وَلاَ تَنَاجَشُوا وَلاَ يَبِيعُ حَاضِرٌ لِبَادٍ وَلاَ تُصَرُّوا الْغَنَمَ وَمَنِ ابْتَاعَهَا فَهُوَ بِخَيْرِ النَّظَرَيْنِ بَعْدَ أَنْ يَحْتَلِبَهَا؛ إِنْ رَضِيهَا أَمْسَكَهَا، وَإِنْ سَخِطَهَا رَدَّهَا وَصَاعًا مِنْ تَمْرٍ970 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ga de karavanen niet tegemoet (om ze vóór de markt op te vangen), laat niemand van jullie handelen op de koop van zijn broeder, wees niet najjāsh (het kunstmatig opdrijven van de prijs van een product zonder de intentie om het te kopen, om zo anderen te misleiden of de prijs te verhogen), laat een stadsbewoner niet verkopen vóór een bedoeïen, en laat de uiers van schapen niet ophopen (om ze vetter te doen lijken). Wie ze koopt, heeft na het melken de keuze tussen twee opties: “Als hij tevreden is, behoudt hij het dier; en als hij ontevreden is, geeft hij het dier terug (aan de eigenaar) samen met een ṣāʿ dadels (als vergoeding voor de melk die hij gemolken heeft).”

٩٧١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ التَّلَقِّى، وَأَنْ يَبْتَاعَ الْمُهَاجِرُ لِلأَعْرَابِيِّ، وَأَنْ تَشْتَرِطَ الْمَرْأَة طَلاَقَ أُخْتِهَا، وَأَنْ يَسْتَامَ الرَّجُلُ عَلَى سَوْمِ أَخِيهِ؛ وَنَهى عَنِ النَّجْشِ وَعَنِ التَّصْرِيَةِ971 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood:

- dat iemand (een karavaan die goederen naar een stad brengt), buiten de stad tegemoet gaat om hun goederen (goedkoper) te kopen (voordat ze de markt bereiken); - dat een stadsbewoner (muḥājir) handelt namens een plattelandsbewoner (aʿrābī) en diens goederen verkoopt;

- dat een vrouw (bij een huwelijksaanzoek als voorwaarde stelt) dat haar moslimzuster gescheiden wordt (zodat zij zelf met de man kan trouwen); - en dat iemand een bod uitbrengt boven boven het bod van zijn moslimbroeder.

(Daarnaast) verbood hij het kunstmatig opdrijven van onderhandelingen en het misleiden van kopers door een dier niet te melken, zodat de melk zich in de uiers ophoopt.

[Hij heeft ook het opdrijven van prijzen (zonder de intentie om te kopen) verboden, evenals najjāsh en taṣriyyah (het bedriegen van kopers door de melk in de uier van een dier op te hopen door het niet te melken).Het verkopen van de goederen van een plattelandsbewoner door iemand die in de stad woont, is om twee redenen verboden verklaard:

De plattelander, die de marktprijzen niet goed kent, kan gemakkelijk worden misleid over de waarde van zijn goederen.

De stedelijke handelaren kunnen de goederen van de plattelanders opkopen voordat deze de consument bereiken, waardoor zij de markt kunnen manipuleren door te hamsteren, wat opzettelijke prijsstijgingen tot gevolg kan hebben.

Indien deze nadelen niet optreden, vervalt het verbod in deze kwestie.] (AFK)

Het verbod voor verkopers om onderweg handel te drijven

تحريم تلقى الجلب

٩٧٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: مَنِ اشْتَرَى شَاةً مُحَفَّلَةً فَرَدَّهَا فَلْيَرُدَّ مَعَهَا صَاعًا؛ وَنَهى النَّبِيُّ ﷺ أَنْ تُلَقَّى الْبُيُوعُ

972 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):

Wie een zogende (opgehouden) ooi koopt en haar terugbrengt, moet daarnaast een ṣāʿ dadels samen met het dier teruggeven. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood bovendien om handelaren buiten de stad tegemoet te gaan.

Het verbod dat een stadsbewoner namens een boer verkoopt

تحريم بيع الحاضر للبادي

٩٧٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ تَلَقَّوُا الرُّكْبَانَ وَلاَ يَبِيعُ حَاضِرٌ لِبَادٍ (قَالَ الرَّاوِي) فَقُلْتُ لاِبْنِ عَبَّاسٍ: مَا قَوْلُهُ لاَ يَبِيعُ حَاضِرٌ لِبَادٍ قَالَ: لاَ يَكُونُ لَهُ سِمْسَارًا

973 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ga de karavanen niet tegemoet en laat een stadsbewoner niet verkopen voor een bedoeïen.”De verteller (Tāwûs) zei: Ik vroeg aan Ibn ʿAbbās: “Wat betekent: een stadsbewoner mag niet verkopen voor een bedoeïen?”Hij zei: “Dat hij geen makelaar voor hem is.”

[In deze ḥadīth zijn twee punten van bijzondere betekenis te onderscheiden:

Het kopen van goederen voordat ze de markt bereiken, door de verkoper onderweg op te vangen. Volgens de letterlijke betekenis van de ḥadīth is dit verboden.

Imām Abū Ḥanīfa en andere mujtahidīn van de Ḥanafī-madzhab stellen echter: als het opvangen van de verkoper onderweg géén nadeel oplevert voor de eigenaar van de goederen, is er geen bezwaar; veroorzaakt het wél schade, dan wordt het beschouwd als tahrīman makrūh (streng afkeurenswaardig).

Volgens de Ḥanafī-geleerden blijkt uit ḥadīth nr. 977 dat er in die tijd toch handel plaatsvond door het tegemoetkomen van de karavaan.

Het verbod is voornamelijk ingesteld omdat de verkoper de marktprijzen niet kent en daardoor gemakkelijk misleid kan worden.

Als er geen sprake is van misleiding, vervalt de reden voor het verbod en is deze handelswijze toegestaan.

Het tweede punt betreft het verbod dat een stedeling handelt met de goederen van iemand van buiten de stad (bijvoorbeeld een bedoeïen of boer).

Imām Abū Ḥanīfa is van mening dat dit verbod opgeheven (mansūkh) is. Volgens hem is zo’n transactie toegestaan, gebaseerd op de woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De dīn is oprechtheid/raad (nasīḥah).” en: “Als een van jullie zijn broeder raad wil geven, laat hij dan oprecht voor hem zijn.” Dus zolang de tussenpersoon de verkoper geen schade berokkent, is er geen bezwaar tegen deze vorm van handel.Bovenkant formulier

] (AFK)

٩٧٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالَكٍ ﵁، قَالَ: نُهِينَا أَنْ يَبِيعَ حَاضِرٌ لِبَادٍ974 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

Het was ons verboden als stadsbewoner de goederen van een bedoeïen te verkopen (omwille van winstbejag).

Het verbod van het verkopen van een goed voordat men het in bezit heeft genomen

بطلان بيع المبيع قبل القبض

٩٧٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أَمَّا الَّذِي نَهى عَنْهُ النَّبِيُّ ﷺ، فَهُوَ الطَّعَامُ أَنْ يُبَاعَ حَتَّى يُقْبَضَ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: وَلاَ أَحْسِبُ كُلَّ شَيْءٍ إِلاَّ مِثْلَهُ

975 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):

Wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verboden, (is het volgende): “Het voedsel mag niet worden verkocht totdat het daadwerkelijk in bezit is genomen.” Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) (voegde hieraan toe): “En ik meen dat dit geldt voor alle (goederen) (niet alleen voor voedsel).”

٩٧٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنِ ابْتَاعَ طَعَامًا فَلاَ يَبيعُهُ حَتَّى يَسْتَوْفِيَهُ

976 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie voedsel koopt, mag het niet verkopen totdat hij het volledig in ontvangst heeft genomen.”

[Zodra beide partijen een overeenkomst hebben gesloten en de onderhandelingsplaats hebben verlaten, wordt de overeenkomst definitief en is het contract bindend.Zolang zij de onderhandelingsplaats niet hebben verlaten, is de koop nog niet rechtsgeldig afgerond.

Als echter tijdens de onderhandeling de voorwaarde wordt gesteld dat één van de partijen ook na het uiteengaan het recht behoudt om de koop te annuleren, valt dit buiten de algemene regel. In dat geval mag de partij die dit recht heeft gekregen de koop alsnog intrekken nadat zij zijn uiteen gegaan.] (AFK)

٩٧٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانُوا يَبْتَاعُونَ الطَّعَامَ فِي أَعْلَى السُّوقِ فَيَبِيعُونَهُ فِي مَكَانِهِمْ، فَنَهَاهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَنْ يَبِيعُوهُ فِي مَكانِهِ حَتَّى يَنْقُلُوه977 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Mensen kochten voedselproducten op het bovenste deel van de markt en verkochten deze vervolgens weer op hun eigen plek zonder ze eerst te vervoeren.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) verbood hen om voedsel te verkopen op de plaats waar het was gekocht, voordat zij het eerst naar hun eigen plek hadden gebracht.

Het vaststellen van het keuzerecht (khiyār al-majlis) voor de kopers en verkopers

ثبوت خيار المجلس للمتبايعين

٩٧٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْمُتَبَايِعَانِ كُلُّ وَاحِدٍ مِنْهُمَا بِالْخِيَارِ عَلَى صَاحِبِهِ مَا لَمْ يَتَفَرَّقَا إِلاَّ بَيْعَ الْخِيَارِ

978 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De twee handelspartners hebben beiden het recht op keuze (khiyār), zolang zij nog niet uit elkaar zijn gegaan, behalve in het geval van een verkoop met afstand van het keuzerecht is gedaan. (Hiervoor is het niet nodig dat zij van elkaar gescheiden zijn of juist bij samen blijven.)”

[Zolang de omstandigheden of het onderwerp van de koop tijdens de bijeenkomst onveranderd blijven, hebben zowel de verkoper als de koper het recht zich nog te bedenken en hun beslissing te herzien. Dit wordt in de fiqh aangeduid als ḥaq al-khiyār (recht van keuze).Het keuzerecht is ingesteld om te waarborgen dat de wil van de partijen op een verantwoorde manier tot uitdrukking komt en om het risico van mogelijke misleiding of benadeling van één of beide partijen te voorkomen. Dankzij dit recht worden partijen tot op zekere hoogte beschermd tegen overhaaste of impulsieve beslissingen en de negatieve gevolgen daarvan.Daarnaast bestaat ook het voorwaardelijke keuzerecht, waarbij de koop afhankelijk wordt gemaakt van vooraf gestelde voorwaarden. In een dergelijk geval kan het keuzerecht van de ene partij langer gelden dan dat van de andere.] (Diyanet)

٩٧٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: إِذَا تَبَايَعَ الرَّجُلاَنِ فَكُلُّ وَاحِدٍ مِنْهُمَا بِالْخِيَارِ مَا لَمْ يَتَفَرَّقَا، وَكَانَا جَمِيعًا؛ أَوْ يُخَيِّرُ أَحَدُهُمَا الآخَرَ فَتَبَايَعَا عَلَى ذلِكَ فَقَدْ وَجَبَ الْبَيْعُ، وَإِنْ تَفَرَّقَا بَعْدَ أَنْ يَتَبَايَعَا وَلَمْ يَتْرُكْ وَاحِدٌ مِنْهُمَا الْبَيْعَ فَقَدْ وَجَبَ الْبَيْعُ979 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer twee mensen een koop sluiten, heeft ieder van hen het recht op keuze zolang zij samen zijn, of zolang de één aan de ander het keuzerecht laat.Als zij dit onderling zo afspreken, wordt de koop definitief. Gaan zij na de koop uiteen zonder dat een van hen afstand heeft gedaan van dit recht, dan blijft de koop eveneens bindend.”

Eerlijkheid en integriteit bij handel en bij het presenteren van een goed

الصدق في البيع والبيان

٩٨٠ - حديث حَكِيمِ بْنِ حِزَامٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الْبَيِّعَانِ بِالْخِيَارِ مَا لَمْ يَتَفَرَّقَا أَوْ قَالَ: حَتَّى يَتَفَرَّقَا، فَإِنْ صَدَقَا وَبَيَّنَا بُورِكَ لَهُمَا فِي بَيْعِهِمَا، وَإِنْ كَتَمَا وَكَذَبَا مُحِقَتْ بَرَكَةُ بَيْعِهِمَا

980 – Van Ḥakīm ibn Ḥizām (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Beide verkopers hebben het recht op keuze zolang zij nog niet uit elkaar zijn gegaan, of zoals hij zei: totdat zij uiteen gaan.Als zij eerlijk zijn en openheid betrachten, zal er zegen op hun koop rusten.Maar als zij iets verzwijgen of liegen, zal de zegen uit hun koop verdwijnen.”

De bedrogen van (ver)koper

من يخدع في البيع

٩٨١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَجُلًا ذَكَرَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ يُخْدَعُ فِي الْبُيُوعِ، فَقَالَ: إِذَا بَايَعْتَ فَقُلْ لاَ خِلاَبَةَ

981 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Een man vertelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat hij bij transacties steeds werd bedrogen.Waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer je een koop sluit, zeg dan: ‘Lā khilābah’ (er mag geen bedrog zijn in de handel).”

[De persoon die in de ḥadīth wordt genoemd, is Ḥabbān Ibn Munkiz (رضي الله عنه). Hij was tijdens een veldtocht samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen er stenen naar hem werden gegooid, waardoor hij bewusteloos raakte en spraakproblemen kreeg. Vanwege deze spraakproblemen probeerden sommige handelaren hem in handelszaken te misleiden, waarna hij zijn bovenstaande klacht indiende.] (AFK)

Het verbod om vruchten te verkopen voordat ze rijp zijn en zonder de voorwaarde dat ze direct geplukt worden

النهى عن الثمار قبل بدوّ صلاحها بغير شرط القطع

٩٨٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ نَهى عَنْ بَيْعِ الثِّمَارِ حَتَّى يَبْدُوَ صَلاَحُهَا، نَهى الْبَائِعَ وَالْمُبْتَاعَ

982 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het verkopen van vruchten voordat hun rijpheid zichtbaar is, en dit verbod geldt zowel voor de verkoper als voor de koper.

٩٨٣ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنْ بَيْعِ الثَّمَرِ حَتَّى يَطِيبَ، وَلاَ يُبَاعُ شَيْءٌ مِنْهُ إِلاَّ بِالدِّينَارِ وَالدِّرْهَمِ إِلاَّ الْعَرَايَا983 – Van Jābir (رضي الله عنه):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood het verkopen van vruchten (aan de boom) voordat ze rijp zijn. Rijpe, verse vruchten mogen alleen worden verkocht tegen goud of zilver (dus tegen geld). Alleen de ʿarāyā (vrijgestelde gevallen)-transacties vormen hierop een uitzondering. (Deze mogen worden verkocht tegen verse of gedroogde dadels).

[`Ariyyah is de benaming voor een vorm van ruilhandel waarbij iemand, om zijn familie verse dadels te laten eten, de vruchten van enkele dadelbomen ruilt tegen gedroogde dadels, op voorwaarde dat de hoeveelheid niet meer bedraagt dan vijf wask (ongeveer 610 kg).] (Diyanet)

٩٨٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنْ بَيْعِ النَّخْلِ حَتَّى يَأْكُلَ أَوْ يُؤْكَلَ وَحَتَّى يُوزَنَ قِيلَ لَهُ: وَمَا يُوزَنُ قَالَ رَجُلٌ عِنْدَهُ: حَتَّى يُحْرَزَ984 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood het verkopen van dadelpalmen voordat er van gegeten kan worden of voordat ze geschikt zijn om te eten, en voordat het (de opbrengst) is gewogen.Er werd gevraagd: “Wat wordt er gewogen?”Een man bij hem antwoordde: “Totdat het is verzameld/opgeslagen.”

Het verbod op de verkoop van gedroogde dadels met verse dadels behalve bij ʿarāyā (vrijgestelde gevallen)-transacties

تحريم بيع الرطب بالتمر إِلاَّ في العرايا

٩٨٥ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَرْخَصَ لِصَاحِبِ الْعَرِيَّةِ أَنْ يَبِيعَهَا بِخَرْصِهَا

أخرجه البخاري في: ٣٤ كتاب البيوع: ٨٢ باب بيع المزابنة وهي بيع الثمر بالتمر

985 – Van Zayd ibn Thābit (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond toe dat de eigenaar van de ʿariyyah (het fruit op een palmboom dat voor directe consumptie bedoeld is) dit verkoopt op basis van schatting (zonder exacte meting).

[De ʿariyyah-verkoop houdt in dat een huishouden, om in hun behoefte aan verse dadels te voorzien, de opbrengst van één of twee dadelbomen ruilt tegen een geschatte hoeveelheid droge dadels die deze vruchten zullen opleveren zodra ze zijn gedroogd.

Omdat de opbrengst van een dadelboom onzeker is, was het oorspronkelijk verboden om dadels die nog aan de boom hangen te verkopen, vanwege mogelijke meningsverschillen over de hoeveelheid en de kwaliteit van de oogst.

Toch raakten sommige mensen, vooral de armen, zonder dadels. Hun voorraad raakte op terwijl de dadels aan de boom nog niet rijp waren. Om te kunnen eten, kochten zij dadels van anderen die nog voorraad hadden, en ruilden oude dadels tegen dadels die later van de boom zouden worden geoogst.

Vanwege deze moeilijkheden heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de uitzondering toegestaan. Het verbod op de verkoop van onrijpe vruchten werd voor dadels opgeheven. Deze uitzonderingsregel staat bekend als de ʿariyyah-verkoop.] (AFK)

٩٨٦ - حديث سَهْلِ بْنِ أَبِي حَثْمَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنْ بَيْعِ الثَّمَرِ بِالتَّمْرِ وَرَخَّصَ فِي الْعَرِيَّةِ أَنْ تُبَاعَ بِخَرْصِهَا يَأْكُلُهَا أَهْلُهَا رُطَبًا

986 – Van Sahl ibn Abī Ḥathmah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het verkopen van vruchten in ruil voor dadels (verse dadels tegen gedroogde dadels), maar stond de ʿariyyah toe om deze op basis van schatting te verkopen, zodat haar familie de vruchten vers kon consumeren.

٩٨٧ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ وَسَهْلِ بْنِ أَبِي حَثْمَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنِ الْمُزَابَنَةِ، بَيْعِ الثَّمَرِ بِالتَّمْرِ، إِلاَّ أَصْحَابَ الْعَرَايَا فَإِنَّهُ أَذِنَ لَهُمْ987 – Van Rāfiʿ ibn Khadīj en Sahl ibn Abī Ḥathmah (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood muzābanah, het verkopen van verse dadels in ruil voor gedroogde dadels, behalve voor de bezitters van ʿarāyā, aan wie (deze handel) toestemming was gegeven.

[De lexicale betekenis van het woord muzābanah is wederzijdse verdediging tussen twee personen. Omdat beide verkopers in deze vorm van handel hun rechten tegenover de ander verdedigen, wordt het genoemd.

Muzābanah houdt in dat men verse dadels die nog aan de boom hangen, verkoopt tegen een geschatte hoeveelheid droge dadels. Omdat deze schatting en taxatie niet vrij is van fouten, beweert de ene partij vaak dat hij bedrogen is en wil hij de koopovereenkomst ontbinden, terwijl de andere partij wil dat de verkoop blijft gelden. Hierdoor raken verkoper en koper voortdurend verwikkeld in wederzijdse discussie en verdediging.

Omdat bij de verkoop gelijkheid in hoeveelheid vereist is, en de opbrengst van de boom niet foutloos te schatten is, ontstaan er voortdurend meningsverschillen tussen beide partijen. De werkelijke reden voor het verbod ligt in deze onvermijdelijke onenigheid.] (AFK)

٩٨٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ رَخَّصَ فِي بَيْعِ الْعَرَايَا فِي خَمْسَةِ أَوْسُقٍ أَوْ دُونَ خَمْسَةِ أَوْسُقٍ988 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf toestemming voor de verkoop van ʿarāyā (dadelpalmtransacties) tot een hoeveelheid van vijf awsuq (m.v. van wasq) of minder.

[Wasq is een oude Arabische maat voor inhoud/gewicht, vooral gebruikt voor graan, dadels en andere landbouwproducten.

1 wasq = 60 ṣāʿ

In moderne maten komt dat ongeveer neer op ongeveer 130–135 liter (afhankelijk van het gewicht van het product).] (AFK)

[Wask was een maaten gewichtseenheid die in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah werd gebruikt. Het werd meestal toegepast voor het meten van droge voedingsmiddelen. Het gewicht van één wask bedroeg ongeveer 122 kg. ] (Diyanet)

(zie ook Appendix 10: Fysischische grootheden)

٩٨٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنِ الْمُزَابَنَةِ، وَالْمُزَابَنَةُ بَيْعُ الثَّمَرِ بِالتَّمْرِ كَيْلًا، وَبَيْعُ الزَّبِيبِ بِالْكَرْمِ كَيْلًا989 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood muzābanah.Muzābanah is het verkopen van (verse) vruchten (in de boom) in ruil voor (gedroogde) dadels op basis van (gelijke) hoeveelheid. Hetzelfde geldt voor het verkopen van rozijnen in ruil voor verse druiven, mits de hoeveelheden gelijk zijn.

٩٩٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ المُزَابَنَةِ أَنْ يَبِيعَ ثَمَرَ حَائِطِهِ إِنْ كَانَ نَخْلًا بِتَمْرٍ كَيْلًا، وَإِنْ كَانَ كَرْمًا أَنْ يَبِيعَهُ بِزَبِيبٍ كَيْلًا، أَوْ كَانَ زَرْعًا أَنْ يَبِيعَهُ بِكَيْلِ طَعَامِ، وَنَهى عَنْ ذَلِكَ كُلِّهِ990 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood muzābanah: dat iemand de vruchten van zijn tuin (bijvoorbeeld dadels aan de palmboom) verkoopt tegen een bepaalde hoeveelheid gedroogde dadels.Of dat hij zijn wijngaard verkoopt tegen een hoeveelheid (gedroogde) rozijnen.Of dat hij zijn gewas verkoopt tegen een bepaalde maat graan.Hij verbood dit alles.

Degene die een dadelpalm heeft verkocht waarop al vruchten zitten

من باع نخلا عليها ثمر

٩٩١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ بَاعَ نَخْلًا قَدْ أُبِّرَتْ فَثَمَرُهَا لِلْبَائِعِ إِلاَّ أَنْ يَشْتَرِطَ الْمُبْتَاعُ

991 – Van `Abdullah Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie dadelbomen verkoopt nadat ze bestoven zijn, dan behoren de vruchten toe aan de verkoper, tenzij de koper dit uitdrukkelijk als voorwaarde stelt.”

[Op basis van deze ḥadīth is ook afgeleid dat het toegestaan is om vruchten die zich nog aan de boom bevinden, te verkopen vóórdat zij rijp zijn. Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De opbrengst van de boom behoort toe aan de verkoper.” In dit geval worden de boom en de vruchten erop verkocht terwijl de vruchten nog niet rijp zijn.] (HY)

Verboden soorten verkoop: muḥāqalah, muzābanah en mukhābarah. Het verkopen van vruchten vóórdat ze rijp zijn en het verkopen met het oogmerk dat de verkoop jaren duurt (langdurige verkoop) is verboden

النهى عن المحاقلة والمزابنة وعن المخابرة وبيع الثمرة قبل بدوّ صلاحها، وعن بيع المعاومة وهو بيع السنين

٩٩٢ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، نَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنِ الْمُخَابَرَةِ وَالْمُحَاقَلَةِ وَعَنِ الْمُزَابَنَةِ وَعَنْ بَيْعِ الثَّمَرِ حَتَّى يَبْدُوَ صَلاَحُهَا، وَأَنْ لاَ تُبَاعَ إِلاَّ بِالدِّينَارِ وَالدِّرْهَمِ إِلاَّ الْعَرَايَا

992 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood: mukhābarah, muḥāqalah, muzābanah, het verkopen van vruchten voordat hun rijpheid zichtbaar is en het verkopen behalve tegen dīnār of dirham, behalve bij de uitzondering van de ʿarāyā-transacties.

[Een van de overleveraars van de ḥadīth, ʿĀṭā (رضي الله عنه), zei:“Jabir (رضي الله عنه) legde ons de verboden vormen van verkoop als volgt uit:

Mukhābarah: een verkoop waarbij iemand een braakliggend stuk land aan een ander geeft, en degene die het land bewerkt aan het einde een deel van de oogst ontvangt die aan de eigenaar van het land toekomt.

Muzābanah: de verkoop van verse dadels aan de boom tegen een bepaalde hoeveelheid droge dadels.

Muḥāqalah: lijkt op muzābanah, maar betreft gewassen in het veld; het is het verkopen van graan dat nog in de aar zit tegen een bepaalde hoeveelheid schoongemaakt graan.

Het voornaamste doel van het verbod op deze vormen van verkoop is het voorkomen van meningsverschillen die ontstaan door onduidelijke en niet nauwkeurig afgebakende transacties, waarbij de grenzen van de overeenkomst niet duidelijk zijn vastgesteld.] (AFK)

[Mukhābarah: Een partnerschap waarbij de ene partij het land inbrengt en de andere partij arbeid en inzet levert, met de afspraak dat de opbrengst volgens een vooraf bepaalde verhouding wordt verdeeld.Muhāqalah: Het verkopen van graan dat nog op de akker staat in ruil voor een geschatte hoeveelheid schoongemaakt graan van dezelfde soort, gebaseerd op een schatting.Muzābanah: Het verkopen van verse, nog niet geplukte vruchten aan de boom tegen een geschatte hoeveelheid gedroogde vruchten van dezelfde soort.ʿAriyyah: Een ruil waarbij iemand, om zijn gezin van verse dadels te voorzien, de vruchten van enkele dadelpalmen mag ruilen tegen droge dadels, mits de hoeveelheid niet meer bedraagt dan vijf wask (ongeveer 610 kg).](Diyanet)

Het verhuren van land

كراء الأرض

٩٩٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كَانَتْ لِرِجَالٍ مِنَّا فُضُولُ أَرَضِينَ، فَقَالُوا: نُؤَاجِرُهَا بِالثُّلثِ وَالرُّبُعِ وَالنِّصْفِ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ كَانَتْ لَهُ أَرْضٌ فَلْيَزْرَعْهَا أَو لِيَمْنَحْهَا أَخَاهُ فَإِنْ أَبَى فَلْيُمْسِكْ أَرْضَهُ

993 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما):

Sommige metgezellen onder ons hadden ongebruikt landbouwgrond. Ze zeiden: “Wij willen die verhuren voor een derde, een vierde of de helft van de oogst.”Waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wie grond bezit, laat hem die zelf bewerken, of het (tijdelijk) aan zijn broeder te leen geven (met de bedoeling dat het wordt teruggegeven). En als hij dat niet wil, laat hij zijn grond dan behouden.”

[Het verbod op het verpachten van landbouwgrond is bedoeld om onrecht te voorkomen dat ontstaat doordat het beste deel van de oogst altijd aan de eigenaar van de grond toekomt.

In een andere overlevering wordt vermeld dat het land wordt verpacht onder de voorwaarde dat de opbrengst van het goed bewaterde deel van de eigenaar is. Hieruit blijkt dat degene die het land pacht, hierdoor verlies lijdt.] (AFK)

٩٩٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ كَانَتْ لَهُ أَرْضٌ فَلْيَزْرَعْهَا أَو لِيَمْنَحْهَا أَخَاهُ فَإِنْ أَبَى فَلْيُمْسِكْ أَرْضَهُ994 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie grond heeft, laat hem die zelf bewerken of aan zijn broeder te leen geven. En als hij dat niet doet, moet hij zijn grond behouden (niet verhuren voor een deel van de oogst).”

٩٩٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنِ الْمُزَابَنةِ وَالْمُحَاقَلَةِ؛ وَالْمُزَابَنَةُ اشْتِرَاءُ الثَّمَرِ بِالتَّمْرِ فِي رُءُوسِ النَّخْلِ995 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood muzābanah en muḥāqalah.Muzābanah is het kopen van fruit aan de palmboom in ruil voor gedroogde dadels.

[Muhāqalah is het verkopen van een gewas dat zich nog op het veld staat, voordat het rijp of of geschikt is om te gebruiken. Het houdt in dat men graan dat nog in de aar zit verkoopt op basis van een schatting van de uiteindelijke opbrengst, in ruil voor een equivalente hoeveelheid schoon graan.

Ook deze vorm van verkoop is verboden, omdat er geen zekerheid bestaat over de gelijkheid tussen het verkochte en de tegenprestatie (het graan waarmee wordt betaald), waardoor het risico op onrechtvaardigheid groot is.] (HY)

٩٩٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ وَرَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ عَنْ نَافِعٍ، أَنَّ ابْنَ عُمَرَ، كَانَ يُكْرِي مَزَارِعَهُ عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ وَأَبِي بَكْرٍ وَعُمَرَ وعُثْمَانَ وَصَدْرًا مِنْ إِمَارَةِ مُعَاوِيَةَ، ثُمَّ حُدِّثَ عَنْ رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ نَهى عَنْ كِرَاءِ الْمَزَارِعِ؛ فَذَهَبَ ابْنُ عُمَرَ إِلَى رَافِعٍ فَذَهَبْتُ مَعَهُ، فَسَأَلَهُ؛ فَقَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنْ كِرَاءِ الْمَزَارِعِ، فَقَالَ ابْنُ عُمَرَ: قَدْ عَلِمْتَ أَنَّا كُنَّا نُكْرِي مَزَارِعَنَا عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ بِمَا عَلَى الأَرْبِعَاءِ وَبِشَيْءٍ مِنَ التِّبْنِ996 – Van Ibn ʿUmar en Rāfiʿ ibn Khadīj, via Nāfiʿ(رضي الله عنهما):

Ibn ʿUmar verhuurde zijn landbouwgrond tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم),en onder de kaliefen Abū Bakr, ʿUmar, ʿUthmān en in het begin van de regering van Muʿāwiyah.Toen hoorde hij van Rāfiʿ ibn Khadīj dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het verhuren van landbouwgrond had verboden. Ibn ʿUmar ging daarop naar Rāfiʿ toe en ik ging met hem mee.

Hij vroeg: “Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit verboden?”Rāfiʿ antwoordde: “Ja, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het verhuren van landbouwgrond verboden.”Daarop zei Ibn ʿUmar: “Maar jij weet dat wij onze velden verhuurden in ruil voor een vierde van het gewas en een hoeveelheid stro.”

[Het landbouwcontract dat Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) in deze ḥadīth beschrijft en toelicht, verschilt wezenlijk van reguliere overeenkomsten. Er werd geen contract gesloten op basis van een vastgesteld deel van de oogst, zoals de helft, een derde of een vierde. In plaats daarvan ging het om een schadelijke vorm van pacht, waarbij het beter bewaterde deel van het land – en daarmee de hogere opbrengst – aan de eigenaar werd toegewezen.

Wat ‘Abdullāh ibn ‘Umar hiermee duidelijk wilde maken, is dat het verbod in de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gericht is op dit soort overeenkomsten met nadelige voorwaarden. Met andere woorden: wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verboden heeft, is het verhuren van landbouwgrond met onduidelijke en oneerlijke voorwaarden.

De familie van Rāfiʿ pachtte hun land onder de voorwaarde dat de opbrengst van het goed bewaterde deel aan hen toekwam, terwijl zij bovendien een deel van het stro ontvingen. Dit soort overeenkomst berust op onzekerheid, kan nadelig zijn en aanleiding geven tot conflicten – en daarom is het verboden verklaard.Het verbod geldt dus niet voor het verhuren van landbouwgrond in het algemeen, maar specifiek voor contracten met onduidelijke of oneerlijke voorwaarden.] (HY)

[Wat betreft het pachten van land, is het nuttig om de samengevatte overlevering van Rāfiʿ ibn Ḥādīj (رضي الله عنه) te begrijpen in het licht van een andere betrouwbare overlevering. De gedetailleerde overlevering luidt als volgt:

Hanzalah ibn Qays (رضي الله عنه) zei: “Ik vroeg Rāfiʿ ibn Ḥādīj naar de juridische status van het verhuren van land in ruil voor goud of zilver. Hij antwoordde: “Daar is geen bezwaar tegen.

Maar in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verhuurden mensen hun velden in ruil voor een deel van de oogst. Bijvoorbeeld: de planten langs de rivier of een bepaald deel van het gewas bleef bij hen. Soms leed het ene deel schade en het andere deel niet, en soms was het andersom. In zulke gevallen accepteerden de mensen alleen het deel van de oogst dat geen schade had geleden als huur. Daarom verbood an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit soort pachtovereenkomsten.”

“Als het land echter wordt gepacht tegen een vastgestelde huur in geld, is daar geen bezwaar tegen.”

Hieruit blijkt dat het verbod op het pachten van land bedoeld was om bepaalde ongewenste praktijken in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te voorkomen. Het geldt niet voor situaties waarin land wordt verhuurd tegen een vaste geldsom.] (Diyanet)

Het verhuren van land tegen een oogstafspraak

كراء الأرض بالطعام

٩٩٧ - حديث ظُهَيْرِ بْنِ رَافِعٍ، قَالَ: لَقَدْ نَهَانَا رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ أَمْرٍ كَانَ بِنَا رَافِقًا (قَالَ رَافِعُ بْنُ خَدِيجٍ رَاوِي هذَا الْحَدِيثِ) قُلْتُ: مَا قَالَ رسُولُ اللهِ ﷺ فَهُوَ حَقٌّ قَالَ: دَعَانِي رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَا تَصْنَعُونَ بِمَحَاقِلِكُمْ قُلْتُ: نُؤَاجِرُهَا عَلَى الرُّبُعِ وَعَلَى الأَوْسُقِ مِنَ التَّمْرِ وَالشَّعِيرِ قَالَ: لاَ تَفْعَلُوا، ازْرَعُوهَا أَوْ أَزْرِعُوهَاَ أَوْ أَمْسِكُوهَا قَالَ رَافِعٌ، قُلْتُ: سَمْعًا وَطَاعَةً

997 – Van Ẓuhayr ibn Rāfiʿ (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons iets verboden wat voordelig voor ons leek.Rāfiʿ ibn Khadīj, die dit overleverde, zei: “Wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zegt, is absoluut de waarheid.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep mij en vroeg: ‘Wat doen jullie met jullie akkers?’Hij antwoordde: “Wij verhuren die voor een vierde of voor enkele zakken dadels of gerst.”Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Doe dat niet. Bewerk ze zelf, of geef ze (zonder tegenprestatie aan anderen) om ze te laten bewerken, of houd ze gewoon voor jezelf.”Hij antwoordde: “Ik hoor en gehoorzaam.”

De uitspraak: “Bewerk je ze (akkers) zelf of geef ze (zonder tegenprestatie aan anderen) om ze te laten bewerken” betekent dat het land laten bewerken zonder vergoeding een manier is om deel te nemen aan andermans arbeid en een uiting van onderlinge hulp en solidariteit.

Met deze woorden verbood Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de toegestane vorm van verhuur niet. Integendeel, terwijl hij de legitieme pachtvorm erkent, benadrukte hij dat het zonder tegenprestatie laten bewerken van het land en daarmee een medegelovige steunen in zijn moeilijkheden nog beter en verdienstelijker is.] (HY)

Het gratis ter beschikking stellen van land voor bewerking

لأرض تمنح

٩٩٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ لَمْ يَنْهَ عَنْهُ (أَيِ الْمُخَابَرَةِ) وَلكِنْ قَالَ: أَنْ يَمْنَحَ أَحَدُكُمْ أَخَاهُ خَيْرٌ لَهُ مِنْ أَنْ يَأْخُذَ عَلَيْهِ خَرْجًا مَعْلُومًا

998 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood mukhābarah niet, maar zei: “Het schenken van grond aan je broeder(om te bewerken) is beter voor jou dan er een vaste opbrengst voor te vragen.”