As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb al-Fadā’il: Boek van de voortreffelijkheden

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb al-Fadā’il: Boek van de voortreffelijkheden

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@ [In de islamitische literatuur wordt de term “de eigenschappen die iets of iemand voortreffelijk maken” gebruikt om de voortreffelijkheid (faḍā’il) van daden, tijden, personen, steden, landen, stammen etc. aan te duiden, dus hun superioriteit ten opzichte van andere soortgelijke zaken.Over al deze onderwerpen zijn afzonderlijke werken geschreven.Tot deze categorie behoren onder andere:

“Faḍā’ilu’s-Ṣaḥābah” – de voortreffelijkheden van de metgezellen,

“Faḍā’ilu’l-Qur’ān” – de voortreffelijkheden van de Qur’ān,

en over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), werken die bekendstaan als “Khaṣā’ith”, waarin zijn bijzondere deugden en unieke eigenschappen worden behandeld.] (HA)

De wonderen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

في معجزات النبيّ ﷺ

١٤٦٨ - حديث أَنسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، وَحَانَتْ صَلاَة الْعَصْرِ، فَالْتَمَسَ النَّاسُ الْوَضُوءَ، فَلَمْ يَجِدُوهُ، فَأُتِيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِوَضُوءٍ، فَوَضَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي ذلِكَ الإِنَاءِ يَدَهُ، وَأَمَرَ النَّاسَ أَنْ يَتَوَضَّؤُوا مِنْهُ قَالَ: فَرَأَيْتُ الْمَاءَ يَنْبَعُ مِنْ تَحْتِ أَصَابِعِهِ، حَتَّى تَوَضَّؤُوا مِنْ عِنْدَ آخِرِهِمْ

1468 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en het was tijd voor de salāh al-‘asr. De mensen gingen op zoek naar water voor wuḍūʾ, maar ze konden niets vinden. Toen werd er water naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebracht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stak zijn hand in dat vat en beval de mensen om daarvan hun wuḍūʾ te verrichten.Hij (Anas) zei: “Ik zag het water onder zijn vingers opwellen (als uit een bron) totdat de laatste van hen wuḍūʾ had verricht.”

[Het woord mu`jizah is afgeleid van de wortel “`ajz”, wat betekent: iets dat hulpeloos maakt, machteloos stelt of een ongekende, overweldigende gebeurtenis aanduidt. In terminologische zin verwijst mu`jizah (wonder) naar een buitengewone gebeurtenis die door Allah wordt geschapen in de hand van een profeet om de juistheid van zijn profetische aanspraak aan te tonen, een gebeurtenis die niet door anderen kan worden nagebootst.Een wonder overstijgt de krachten van alle schepselen, engelen, djinn en mensen en dient om het profeetschap te bevestigen en te valideren.Het ontstaan van een wonder is rationeel gezien niet onmogelijk. In feite zijn de gebeurtenissen om ons heen en het leven zelf een verzameling van wonderen. Een natuurwet, die als een constante en onveranderlijke verhouding tussen twee dingen wordt beschouwd, wordt ontdekt door ervaring en uitgedrukt als een wet, maar deze wet is niet absoluut noodzakelijk omdat dezelfde oorzaken niet altijd dezelfde resultaten opleveren.De kern van een wonder berust op drie elementen:

1.Het verzoek van ongelovigen of polytheïstenom.

2.De confrontatie tegenover deze mensen.

3.De versterking van het geloof van de gelovigen.

Soms vragen de ongelovigen een profeet om een wonder te tonen. De profeet brengt, met toestemming van Allah, een wonder om hen uit te dagen. Bijvoorbeeld, het volk van Samud vroeg van Salih (عليه السلام) dat hij een vrouwelijke kameel uit een rots zou tevoorschijn brengen. Salih (عليه السلام) vervulde dit verzoek als bewijs van zijn profeetschap.Ook de Makkaanse polytheïsten vroegen Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), op maar liefst 25 plaatsen in de Makkahanse surahs expliciet om een wonder te tonen. De reactie van de Qur’ān op zulke eisen was duidelijk: sussen en ongeldig maken.Soms vragen ongelovigen geen wonder, maar de profeet toont toch een of meerdere wonderen als bewijs van zijn profeetschap. Bijvoorbeeld Mûsā (عليه السلام) liet zijn hand wit worden door deze in zijn kleding te steken, en zijn staf veranderde in een grote slang, naast negen andere wonderen. Met goddelijke hulp en ondersteuning creëerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wonderen die het geloof van de gelovigen versterkten en zijn profeetschap bevestigden. Dergelijke wonderen worden in de aḥadīth overgeleverd. Deze aḥadīth zijn mānawî-mutawātir en niet lafdîmutawātir ontkenning ervan leidt niet tot ongeloof, en deze wonderen behoren niet tot de kern van de geloofsleer.Al-Qurtubî (overl. 671/1273) zegt hierover: “Het verhaal van het water dat uit de vingers van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stroomde, vond op enkele plekken plaats voor grote menigten en is daarom via vele kanalen overgeleverd.

De verzameling van deze aḥadīth geeft zeker kennis en mānawîmutawātir weer.”Qadı `İyâd (overl. 544/1149) schrijft in zijn werk Shifâ: “Het verhaal van het water dat uit de vingers van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stroomde en het vermenigvuldigen van voedsel is overgeleverd door betrouwbare en vele overleveraars, van velen tot anderen, waaronder vele sahâbah. Deze wonderen vonden plaats bij verschillende gebeurtenissen zoals de Slag bij de Gracht, de expeditie van Buwât, de Umrah van Hudaybiyah, de expeditie van Tabûk en tijdens militaire acties van moslims en hun gemeenschappen.”Geen enkele sahâbî heeft de verteller van dit verhaal tegengesproken; zij bevestigden het verhaal zoals het verteld werd. Zoals eerder vermeld, wordt zo duidelijk dat al deze gebeurtenissen als wonder van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschouwd worden.] (HA)

١٤٦٩ - حديث أَبِي حُمَيْدٍ السَّاعِدِيِّ قَالَ: غَزَوْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ غَزْوَةَ تَبُوكَ فَلَمَّا جَاءَ وَادِيَ الْقُرَى، إِذَا امْرَأَةٌ فِي حَدِيقَةٍ لَهَا فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ، لأَصْحَابِهِ اخْرُصُوا وَخَرَصَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَشَرَةَ أَوْسُقٍ فَقَالَ لَهَا: أَحْصِي مَا يَخْرُجُ مِنْهَا فَلَمَّا أَتَيْنَا تَبُوكَ، قَالَ: أَمَا إِنَّهَا سَتَهُبُّ اللَّيْلَةَ رِيحٌ شَدِيدَةٌ، فَلاَ يَقُومَنَّ أَحَدٌ، وَمَنْ كَانَ مَعَهُ بَعِيرٌ فَلْيَعْقِلْهُ فَعَقَلْنَاهَا وَهَبَّتْ رِيحٌ شَدِيدَةٌ؛ فَقَامَ رَجُلٌ فَأَلْقَتْهُ بِجَبَلِ طَيِّء

وَأَهْدَى مَلِكُ أَيْلَةَ لِلنَّبِيِّ ﷺ بَغْلَةً بَيْضَاءَ، وَكَسَاهُ بُرْدًا وَكَتَبَ لَهُ بِبَحْرِهِمْ

فَلَمَّا أَتى وَادِيَ الْقُرَى، قَالَ لِلْمَرْأَةِ: كَمْ جَاءَ حِدِيقَتُكِ قَالَتْ: عَشَرَةَ أَوْسُقٍ، خَرْصَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي مُتَعَجِّلٌ إِلَى الْمَدِينَةِ، فَمَنْ أَرَادَ مِنْكُمْ أَنْ يَتَعَجَّلَ مَعِي فَلْيَتَعَجَّلْ

فَلَمَّا أَشْرَفَ عَلَى الْمَدِينَةِ، قَالَ: هذِهِ طَابَةُ فَلَمَّا رَأَى أُحُدًا، قَالَ: هذَا جُبَيْلٌ يُحِبُّنَا وَنُحِبُّهُ، أَلاَ أُخْبِرُكُمْ بِخَيْرِ دُورِ الأَنْصَارِ قَالُوا: بَلَى قَالَ: دُورُ بَنِي النَّجَّارِ، ثُمَّ دُورُ بَنِي عَبْدِ الأَشْهَلِ، ثُمَّ دُورُ بَنِي سَاعِدَةَ، أَوْ دُورُ بَنِي الْحارثِ بْنِ الْخَزْرَجِ، وَفِي كُلِّ دُورِ الأَنْصَارِ يَعْنِي خَيْرًافَلَحِقْنَا سَعْدَ بْنَ عُبَادَةَ فَقَالَ أَبُو أُسَيْدٍ: أَلَمْ تَرَ أَنَّ نَبِيَّ اللهِ ﷺ، خَيَّرَ الأَنْصَارَ فَجَعَلَنَا أَخِيرًا فَأَدْرَكَ سَعْدٌ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ خُيِّرَ دُورُ الأَنْصَارِ فَجُعِلْنَا آخِرًا فَقَالَ: أَوَلَيْسَ بِحَسْبكُمْ أَنْ تَكُونُوا مِنَ الْخِيَارِ

1469 – Van Ḥumayd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):Wij namen deel aan de veldtocht (ghazwah) van Tabūk samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Toen wij Wādī al-Qurā bereikten, zagen wij daar een vrouw in haar tuinan-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen zijn metgezellen: “Schat de opbrengst (van de dadels) in.” En hijzelf schatte het op tien wasq (tussen 175 en 195 kg). Vervolgens zei hij tegen haar: “Houd bij hoeveel (dadels er uit de tuin) komt.”Toen wij Tabūk bereikten, zei hij: “Weet dat er vannacht een hevige wind zal opsteken en laat niemand van jullie opstaan. En wie een kameel bij zich heeft, moet hem vastbinden.” Dus bonden we onze kamelen vast.

Er stak inderdaad een hevige wind op en een man stond toch op, waarop de wind hem op de berg Ṭayy slingerde’.De koning van Aylah (een oude nederzetting aan zee) stuurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een witte muilezel als geschenk. Hij (an-Nabī) schonk hem een mantel en schreef hem (de koning) (een brief over bepaalde zaken, waarin stond dat zij veilig zouden zijn, mits zij de jizyah betaalden) met betrekking tot hun zee.Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terugkeerde naar Wādī al-Qurā, vroeg hij de vrouw: “Hoeveel (dadels) heeft jouw tuin opgeleverd?” Ze antwoordde: “Tien wasq, precies zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geschat had.”Toen zei hij: “Ik wil snel terug naar Madīnah. Wie van jullie met mij wil meereizen, laat hem zich haasten.”Toen hij uitkeek op Madīnah, zei hij: “Dit is Ṭābah (een andere naam voor Madīnah).” En toen hij de berg Uḥud zag, zei hij: “Dit is een berg die van ons houdt en wij houden van hem.”Daarna zei hij: “Zal ik jullie vertellen welke huizen van Anṣār het beste zijn?” Zij zeiden: “ja, zeker!” Hij zei: “De huizen van Banū an-Najjār, daarna de huizen van Banū ʿAbd al-Ashhal, daarna de huizen van Banū Sāʿidah, of de huizen van Banū al-Ḥārith ibn al-Khazraj. En in alle huizen van de Anṣār bevindt zich het goede.”We ontmoetten daarna Saʿd ibn ʿUbādah. Abū Usayd zei: “Zie je dan niet dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de huizen van de Anṣār heeft genoemd, maar ons als laatste?”Toen haalde Saʿd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in en zei: “O Rasûlullāh , u hebt de huizen van de Anṣār genoemd en ons als laatsten genoemd!”Daarop zei hij: Is het dan jullie niet voldoende om tot de besten te behoren?”

[Aylah is de enige haven van Jordanië die toegang geeft tot de zee, namelijk de haven van Aqabah. Het eerste contact van de moslims met Aylah vond plaats in het 9e jaar van de Hijrah, tijdens de expeditie van Tabūk, toen de gemeenschap onder leiding van de monnik Yuhanna b. Rū’bah zich gehoorzaam en loyaal verklaarde aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde, naar aanleiding van het positieve antwoord op de brief die hij aan de monnik van Aylah had gestuurd, een verdrag/verbond naar hen. ] (Diyanet)

Het vertrouwen van Rasûlullāh op Allāhu تَعَالَى (tawakkal) en dat Allāhu تَعَالَى hem beschermt tegen de mensenتوكله على الله تعالى وعصمة الله تعالى له من الناس

١٤٧٠ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: غَزَوْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ غَزْوَةَ نَجْدٍ فَلَمَّا أَدْرَكَتْهُ الْقَائِلَةُ، وَهُوَ فِي وَادٍ كَثِيرِ الْعِضَاهِ، فَنَزَلَ تَحْتَ شَجَرَةٍ، وَاسْتَظَلَّ بِهَا، وَعَلَّقَ سَيْفَهُ فَتَفَرَّقَ النَّاسُ فِي الشَّجَرِ يَسْتَظِلُّونَ وَبَيْنَا نَحْنُ كَذَلِكَ إِذْ دَعَانَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَجِئْنَا، فَإِذَا أَعْرَابِيٌّ قَاعِدٌ بَيْنَ يَدَيْهِ فَقَالَ: إِنَّ هذَا أَتَانِي وَأَنَا نَائِمٌ فَاخْتَرَطَ سَيْفِي فَاسْتَيْقَظْتُ وَهُوَ قَائِمٌ عَلَى رَأْسِي، مُخْتَرِطٌ صَلْتًا قَالَ: مَنْ يَمْنَعكَ مِنِّي قُلْتُ: اللهُ فَشَامَهُ، ثُمَّ قَعَدَ فَهُوَ هذَا قَالَ: وَلَمْ يُعَاقِبْهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ

1470 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما:Wij namen deel aan de veldtocht naar Najd samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) . Tijdens de qā’ilah (middagrust) bevond hij zich in een vallei vol doornstruiken. Hij stapte af onder een boom en zocht daar schaduw. Hij hing zijn zwaard op aan de boom.

De mensen verspreidden zich in het struikgewas om ook schaduw op te zoeken.Terwijl wij ons in die toestand verkeerden, riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons. Wij kwamen bij hem en daar zat een bedoeïen (polytheist) voor hem. Hij zei: “Deze man kwam naar mij toe terwijl ik lag te slapen, en hij trok mijn zwaard uit de schede. En toen ik wakker werd, stond hij met blinkend getrokken zwaard boven mijn hoofd.

Hij zei: 'Wie zal jou nu tegen mij beschermen?' Ik zei: ‘Allāh.’ Daarop stak hij zijn zwaard terug in de schede en ging zitten. Dit is die man.” (Jābir ibn ʿAbdillāh zei:) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) strafte hem niet.

Uitleg van de gelijkenis van datgene waarmee an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is gezonden aan leiding en kennis

بيان مثل ما بعث النبيّ ﷺ من الهدى والعلم

١٤٧١ - حديث أَبِي مُوسى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَثَلُ مَا بَعَثَنِي اللهُ بِهِ مِنَ الْهُدَى وَالْعِلْمِ، كَمَثَلِ الْغَيْثِ الْكَثِيرِ، أَصَابَ أَرْضًا، فَكَانَ مِنْهَا نَقِيَّةٌ قَبِلَتِ الْمَاءَ فَأَنْبَتَتِ الْكَلأَ وَالْعُشْبَ الْكَثِيرَ وَكَانَ مِنْهَا أَجَادِبُ أَمْسَكَتِ الْمَاءَ فَنَفَعَ اللهُ بِهَا النَّاسَ فَشَرِبُوا وَسَقَوْا وَزَرَعُوا وَأَصَابَتْ مِنْهَا طَائِفَةً أُخْرَى، إِنَّمَا هِيَ قِيعَانٌ لاَ تُمْسِكُ مَاءً، وَلاَ تَنْبتُ كَلأَ، فَذَلِكَ مَثَلُ مَنْ فَقِهَ فِي دِينِ اللهِ وَنَفَعَهُ مَا بَعَثَنِي اللهُ بِهِ، فَعَلِمَ وَعَلَّمَ وَمَثَلُ مَنْ لَمْ يَرْفَعْ بِذَلِكَ رَأْسًا وَلَمْ يَقْبَلْ هُدَى اللهِ الَّذِي أُرْسِلْتُ بِهِ

وَفِي رِوَايَةٍ: وَكَانَ مِنْهَا طَائِفَةٌ قَيَّلَتِ الْمَاءَ

1471 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:”De gelijkenis van wat Allāh mij heeft meegegeven aan leiding (hudā) en kennis (`ilm), is als de gelijkenis van overvloedige (en gezegende) regen die op aarde valt. – Een deel van de aarde is zuiver en neemt het water op, en brengt gras en veel gewas voort;– Een ander deel is dor maar houdt het water vast, zodat Allāh daarmee de mensen begunstigt: zij drinken ervan, geven (hun dieren) te drinken, en bewateren er het land mee;– Een derde deel is slechts een kale vlakte: zij houdt geen water vast en laat niets groeien.

Dat is de vergelijking van degene die inzicht/kennis heeft in de godsdienst van Allāh, die profiteert van wat Allāh met mij heeft nedergezonden (leiding en kennis) en die zelf leert en anderen onderwijst.En het is ook de gelijkenis van degene die daar niets om geeft/zich ervan afwendt, en de leiding van Allāh die waarmee ik gezonden ben, (de godsdienst) niet aanvaardt.Abû `Abdullah (al-Bukhārī) zei: “In de ḥadīth van Ishaq van Abû Usamah staat het volgende:En een deel van de aarde houdt slechts tijdelijk water vast (maar zonder profijt).Het woord kāʾin betekent dat het water zich bovenop, op de oppervlakte bevindt, en safṣaf betekent dat het hoger ligt dan de aarde, met andere woorden: dat het rechtop en vlak is”.

Zijn (an-Nabī) medeleven met zijn ummah en zijn uiterste inspanning om hen te waarschuwen voor wat hen kan schadenشفقته ﷺ على أمته ومبالغته في تحذيرهم مما يضرهم

١٤٧٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِنَّمَا مَثَلِي وَمَثَلُ النَّاسِ كَمَثَلِ رَجُلٍ اسْتَوْقَدَ نَارًا، فَلَمَّا أَضَاءَتْ مَا حَوْلَهُ، جَعَلَ الْفَرَاشُ ⦗٩٤⦘ وَهذِهِ الدَّوَابُّ الَّتِي تَقَعُ فِي النَّارِ يَقَعْنَ فِيهَا، فَجَعَلَ يَنْزِعُهُنَّ وَيَغْلِبُنَهُ، فَيَقْتَحِمنَ فِيهَا فَأَنَا آخُذُ بِحُجَزِكُمْ عَنِ النَّارِ وَهُمْ يَقْتَحِمُونَ فِيهَا

1472 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Voorwaar, mijn gelijkenis en de gelijkenis van de mensen is als die van een man die een vuur aansteekt. Wanneer het vuur de omgeving verlicht, beginnen de nachtvlinders/motten en andere insecten zich in het vuur te storten en vallen daarin. De man probeert hen er uit weg te trekken, maar zij zijn hem te sterk af en storten zich er toch in. Zo ben ik degene die jullie aan jullie gordels vastgrijp om jullie van het vuur weg te houden, maar jullie rukken je los en storten je er toch in.”

[Volgens een oude gewoonte onder de Arabieren, wanneer een man een groep mensen wilde waarschuwen en hen een angstaanjagend bericht wilde overbrengen, trok hij zijn kleding uit. Als hij zich op een afstand bevond, waarschuwde hij hen met dat kledingstuk. Daarmee gaf hij aan dat er een ramp of een ernstige gebeurtenis was voorgevallen. Dit werd meestal gedaan door degene die de voorhoede of de wachter van een groep was.Het doel van deze handeling was dat de toeschouwer het beter zou opmerken, meer zou schrikken, en dat het tafereel meer afschrikwekkend zou zijn. Deze manier was effectiever om die gemeenschap aan te sporen zich voor te bereiden op een vijand. Met deze woorden heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons zeer beknopte maar krachtige raadgevingen gegeven en ons hiermee gewaarschuwd.] (HY)

(Rasûlullāh) (صلى الله عليه وسلم) is de laatste der profeten (Khātamu’n Nabiyyīn)ذكر كونه ﷺ خاتم النبيين

١٤٧٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ مَثَلِي وَمَثَلُ الأَنْبِيَاءِ مِنْ قَبْلِي كَمَثَلِ رَجُلٍ بَنى بَيْتًا فَأَحْسَنَهُ وَأَجْمَلَهُ إِلاَّ مَوْضِعَ لَبِنَةٍ مِنْ زَاوِيَةٍ، فَجَعَلَ النَّاسُ يَطُوفُونَ بِهِ، وَيَعْجَبُونَ لَهُ، وَيَقُولُونَ: هَلاَّ وُضِعَتْ هذِهِ اللَّبِنَةُ فَأَنَا اللَّبِنَةُ، وَأَنَا خَاتَمُ النَّبِيِّينَ

1473 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, mijn gelijkenis en de gelijkenis van de profeten vóór mij is als die van een man die een huis bouwde en het prachtig en compleet maakte. Echter, er ontbrak slechts één steen in een hoek. De mensen liepen eromheen, bewonderden het, en zeiden: ‘Waarom is deze baksteen niet geplaatst?’ Ik ben die baksteen, en ik ben het zegel der profeten (khātamu’n Nabī) (laatste der profeten). (Ik heb de ontbrekende stuk aangevuld).”

١٤٧٤ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَثَلِي وَمَثَلُ الأَنْبِيَاءِ كَرَجُلٍ بَنى دَارًا فَأَكْمَلَهَا وَأَحْسَنَهَا إِلاَّ مَوْضِعَ لَبِنَةٍ فَجَعَلَ النَّاسُ يَدْخُلُونَهَا وَيَتَعَجَّبُونَ وَيَقُولُونَ: لَوْلاَ مَوُضِعُ اللَّبِنَةِ1474 – Van Djābir ibn ‘Abdillah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn gelijkenis en de gelijkenis van de profeten vóór mij is als die van een man die een huis bouwde en het prachtig en compleet maakte. Echter, er ontbrak slechts één steen in een hoek. De mensen liepen eromheen, bewonderden het, en zeiden: ‘Als het (lege) plekje voor de baksteen er niet was?”

De bevestiging van de bassin (Ḥawd) van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn kenmerkenإِثبات حوض نبينا ﷺ وصفاته

١٤٧٥ - حديث جُنْدَبٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: أَنَا فَرَطكُمْ عَلَى الْحَوْضِ

1475 – Van Jundub (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: : “Ik ben degene die jullie vooruit zal gaan naar Ḥawḍ (de bassin op de Dag des Oordeels).”

١٤٧٦ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي فَرَطُكُمْ عَلَى الْحَوْضِ، مَنْ مَرَّ عَلَيَّ شَرِبَ، وَمَنْ شَرِبَ لَمْ يَظْمَأْ أَبَدًا لَيَرِدَنَّ عَلَيَّ أَقْوَامٌ أَعْرِفُهُمْ وَيَعْرِفُونِي، ثُمَّ يُحَالُ بَيْنِي وَبَيْنَهُمْ1476 – Van Sahl ibn Sa’d (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Voorwaar, ik zal jullie vooruitgaan naar Ḥawḍ. Wie daar bij mij komt, zal er van drinken. En wie daarvan drinkt, zal nooit meer dorst krijgen.

Zeker, er zullen mensen bij mij komen die ik ken en zij kennen mij, maar er zal een barrière tussen mij en hen geplaatst worden’.

[De Ḥawḍ is de grote bron waaruit de rivieren van het Paradijs ontspringen. In het Hiernamaals zal Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich met zijn ummah bij deze bron verzamelen. In de Qur’ān al-Karīm wordt de grootste van de paradijsrivieren aangeduid als Kawthar. In de aḥādīth wordt verteld dat het water van Kawthar witter is dan zilver, geurt als musk en zoeter is dan honing (Bukhārī, Riqāq 57).Toch zullen er mensen zijn die, hoewel zij tot aan de bron komen, niet van het water zullen mogen drinken en ervan zullen worden weggejaagd. Dit zijn degenen die eerst moslim waren, maar daarna de dīn/Islām hebben verzaakt. Omdat zij ooit moslim waren, zal an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen herkennen aan het licht (nūr) op hun gezichten afkomstig van de wuḍūʾ. Ook zij zullen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herkennen, omdat zij vroeger in (zijn boodschappen) geloofden. Maar omdat zij in het wereldse leven de Islām hebben verlaten, zullen zij in het Hiernamaals van de Ḥawḍ worden verdreven en mogen zij er niet van drinken.Deze ḥadīth verwijst naar de afvalligheidsbewegingen (irtidād) die na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ontstaan. ] (Diyanet)

١٤٧٧ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، يَزِيدُ فِيهِ فَأَقُولُ: إِنَّهُمْ مِنِّي، فَيُقَالُ إِنَّكَ لاَ تَدْرِي مَا أَحْدَثُوا بَعْدَكَ، فَأَقُولُ: سُحْقًا سُحْقًا لِمَنْ غَيَّرَ بَعْدِي1477 – Van Abū Sa'īd al-Khudrī (رضي الله عنه):(Als aanvulling op de ḥadīth van hierboven zei) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Dan zal ik zeggen: “Zij behoren tot mij.”En er zal tegen mij gezegd worden: “Jij weet niet wat zij na jou hebben geïntroduceerd (veranderd).”Dan zal ik zeggen: “Weg met degenen die na mij veranderingen (in de godsdienst) hebben aangebracht, weg met hen!”

١٤٧٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: حَوْضِي مَسِيرَةُ شَهْرٍ، مَاؤُهُ أَبْيَضُ مِنَ اللَّبَنِ، وَرِيحُهُ أَطْيَبُ مِنَ الْمِسْكِ، وَكِيزَانُهُ كَنُجُومِ السَّمَاءِ، مَنْ شَرِبَ مِنْهَا فَلاَ يَظْمَأُ أَبَدًا1478 – Van `Abdullah Ibn ‘Amr (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn Ḥawḍ is (in alle richtingen even breed als) de afstand van een maand reizen. Het water is witter dan melk, en zijn geur is aangenamer dan muskus. Het (aantal) bekers in Ḥawḍ zijn als de sterren aan de hemel. Wie daarvan drinkt, zal nooit meer dorst krijgen.”

١٤٧٩ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ ﵄ قَالَتْ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي عَلَى الْحَوْضِ حَتَّى أَنْظُرَ مَنْ يَرِدُ عَلَيَّ مِنْكُمْ، وَسَيُؤْخَذُ نَاسٌ دُونِي، فَأَقُولُ: يَا رَبِّ مِنِّي ومِنْ أُمَّتِي فَيُقَالُ: هَلْ شَعَرْتَ مَا عَمِلُوا بَعْدَكَ، وَاللهِ مَا بَرِحُوا يَرْجِعُونَ عَلَى أَعْقَابِهِمْ

فَكَانَ ابْنُ أَبِي مُلَيْكَةَ (رَاوِي هذَا الْحَدِيثِ عَنْ أَسْمَاءَ) يَقُولُ: اللهُمَّ إِنَّا نعُوذُ بِكَ أَنْ نَرْجِعَ عَلَى أَعْقَابِنَا، أَوْ نُفْتَنَ عَنْ دِينِنَا

1479 – Van Asmā' bint Abī Bakr (رضي الله عنهما): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal bij het bassin (Ḥawḍ) zijn, totdat ik zie wie van jullie naar mij komt.

Er zullen mensen van mij weggehouden worden, en ik zal zeggen: ‘O mijn Rab, ze behoren tot mij en het zijn (mensen van) mijn gemeenschap (ummah).’ Dan zal er tegen mij gezegd worden: ‘Weet je wat zij na jou hebben gedaan?’ Bij Allāh, zij bleven voortdurend terugkeren (op hun schreden). De overleveraar van deze ḥadīth, Ibn Abī Mulaykah zei: “O Allāh, wij zoeken toevlucht bij U om niet op onze schreden terug te keren, of om niet verleid te worden van ons geloof (dīn).”

١٤٨٠ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ قَالَ: صَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى قَتْلَى أُحُدٍ، بَعْدَ ثَمَانِي سِنِينَ، كَالْمُوَدِّعِ لِلأَحْيَاءِ وَالأَمْوَاتِ، ثُمَّ طَلَعَ الْمِنْبَرَ، فَقَالَ: إِنِّي بَيْنَ أَيْدِيكُمْ فَرَطٌ، وَأَنَا عَلَيْكُمْ شَهِيدٌ، وَإِنَّ مَوْعِدَكُمُ الْحَوْضُ، وَإِنِّي لأَنْظُرُ إِلَيْهِ مِنْ مَقَامِي هذَا، وَإِنِّي لَسْتُ أَخْشى عَلَيْكُمْ أَنْ تُشْرِكُوا، وَلكِنِّي أَخْشى عَلَيْكُمُ الدُّنْيَا، أَنْ تَنَافَسُوهَا1480 – Van ‘Uqbah ibn ‘Āmir (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte salâh voor de gesneuvelden/martelaren van Uḥud, acht jaar nadat zij waren gesneuveld, alsof hij afscheid nam van de levenden en de doden.

Daarna beklom hij de preekstoel (minbar) en zei: “Voorwaar, ik ben jullie vooruitgegaan naar Ḥawḍ, en ik zal voor jullie getuigen. En de plaats waar wij elkaar zullen ontmoeten is Ḥawḍ. Voorwaar, ik zie het vanaf deze plaats. Ik vrees niet dat jullie zullen afdwalen naar shirk (deelgenoten toekennen aan Allāh), maar ik vrees voor jullie de wereld (dunyā) (met elkaar wedijveren om wereldse bezittingen).

[(an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed dit acht jaar na de Slag bij Uḥud. (Bukhārī, Maghāzī: 16; Abū Dāwūd, Janā’iz: 71). De metgezel die deze ḥadīth overleverde, ʿUqbah (رضي الله عنه), zei: “Dit was de laatste keer dat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de minbar zag.” (Muslim, Fazāʾil: 31). Uit deze uitspraak begrijpen we dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit deed vlak voor zijn overlijden.Het is bekend dat er voor martelaren geen ṣalāh wordt verricht.

Daarom hebben sommige geleerden de ṣalāh waarover ʿUqbah (رضي الله عنه) sprak, geïnterpreteerd als een smeekbede voor de martelaren. Hanafitische geleerden hebben deze ḥadīth echter als bewijs aangevoerd dat het toegestaan is om ṣalāh al-janāzah voor martelaren te verrichten. Volgens hen was de ṣalāh dat ʿUqbah (رضي الله عنه) beschreef inderdaad een ṣalāh al-janāzah, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft deze in zijn laatste dagen verricht.Aan de andere kant hebben sommigen op basis van deze ḥadīth ook de conclusie getrokken dat het toegestaan is om de ṣalāh al-janāzah een tijd na de begrafenis te verrichten. Zo heeft Abū Dāwūd deze ḥadīth opgenomen onder de titel: “Het verrichten van de ṣalāh al-janāzah in het graf enige tijd na het overlijden.” (Abū Dāwūd, Janā’iz).] (AFK)

١٤٨١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: أَنَا فَرَطُكُمْ عَلَى الْحَوْضِ، وَلَيُرْفَعَنَّ رِجَالٌ مِنْكُمْ، ثُمَّ لَيُخْتَلَجُنَّ دُونِي، فَأَقُولُ: يَا رَبِّ أَصْحَابى فَيُقَالُ: إِنَّكَ لاَ تَدْرِي مَا أَحْدَثُوا بَعْدَكَ1481 - Van `Abdullah ibn Mas‘ud رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zal jullie vooruitgaan bij Ḥawḍ, en er zullen mensen onder jullie naar voren worden gebracht, maar zij zullen van mij worden weggerukt. Dan zal ik zeggen: 'O mijn Rab! (Dat zijn) mijn metgezellen (ashābī)!' Er zal worden gezegd: 'Jij weet niet wat zij na jou hebben geïntroduceerd (veranderd in de godsdienst: bid`ah).”

[In het Hiernamaals zal elke profeet een Ḥawḍ (bassin) hebben. Uit dit bassin zullen zowel de profeet zelf als de door Allah gekozen leden van zijn gemeenschap drinken. Voor An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geldt echter iets bijzonders: hij zal twee bassins hebben:

De Kawthar- Ḥawḍ op de Dag des Oordeels:Op de Dag des Oordeels zal deze bassin aan An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) worden gegeven op de verzamelplaats van de mensheid. Uit dit bassin zal An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) water geven aan zijn gemeenschap, die in dat tijdstip dorst heeft, en hen proberen te verlichten. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn gemeenschap zullen zich op die dag bij dit bassin verzamelen en bijeenkomen.

De Ḥawḍ in het Paradijs:Deze ontstaat door het samenkomen van het water dat uit de rivier Kawthar stroomt. In verschillende aḥadīth wordt vermeld dat het water van de Kawthar-rivier via kanalen naar dit bassin geleid zal worden.

Het bassin en de Kawthar zijn overgeleverd door talrijke sahâbah als een ghaibî (verborgen) werkelijkheid.] (HA)

١٤٨٢ - حديث حارِثَةَ بْنِ وَهْبٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، وَذَكَرَ الْحَوْضَ فَقَالَ كَمَا بَيْنَ الْمَدِينَةِ وَصَنْعَاءَ1482 - Van Harithah ibn Wahb رضي الله عنه:Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) spreken over de Ḥawḍ en hij zei: “Het is zo groot als de afstand tussen Madīnah en Ṣanʿāʾ (in Jemen).”

١٤٨٣ - حديث فَقَالَ لَهُ الْمُسْتَوْرِدُ، أَلَمْ تَسْمَعْهُ قَالَ الأَوَانِي قَالَ: لاَ قَالَ الْمُسْتَوْرِدُ تُرَى فِيهِ الآنِيَةُ مِثْلَ الْكَوَاكِبِ أخرجهما 1483 - Van Al-Mustawrid, hij zei (aan de overleveraar):Heb je hem niet horen zeggen dat er bekers in te zien zijn?”De ander zei: “Nee.”Daarop zei al-Mustawrid: “Je ziet er nu de bekers in zoals de sterren aan de hemel.”

١٤٨٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ قَالَ: أَمَامَكُمْ حَوْضٌ كَمَا بَيْنَ جَرْبَاءَ وَأَذْرَحَ1484 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):“Voor jullie ligt er Ḥawḍ zo groot als de afstand tussen Jarbāʾ en Adzruḥ.”

[Jarbā' en Adzruḥ zijn twee nederzettingen in de regio van Shām. Aangezien deze ḥadīth is uitgesproken in Madīnah , duidt dit op een afstand die gelijk is aan die tussen Madīnah en Jarbā' en Adzrāḥ. Dergelijke uitdrukkingen worden gebruikt om aan te geven dat de afstand zeer groot is.] (AFK)

[Jarbā en Adzruḥ zijn twee nederzettingen waar een joodse bevolking leefde en die tijdens de Slag van Tabūk onder islamitisch gezag werden gebracht. Tegenwoordig liggen beide plaatsen binnen de grenzen van Jordanië. ] (Diyanet)

١٤٨٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵄، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لأَذُودَنَّ رِجَالًا عَنْ حَوْضِي، كَمَا تُذَادُ الْغَرِيبَةُ مِنَ الإِبِلِ عَنِ الْحَوْضِ1485 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: an_Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, ik zal zeker mensen van mijn Ḥawḍ verjagen zoals vreemde kamelen van een drinkplaats worden verjaagd.”

[Een andere naam voor de Dag van het Hiernamaals is de Dag van Misleiding (Yawm at-Taghābun, sûrah at-Taghābun: 9). Op die dag zullen de mensen zich realiseren dat zij misleid zijn geweest. Degenen die in de wereld dachten dat zij tot de gemeenschap van Muhammed (عليه السلام) behoorden, en meenden dat zij in aanmerking zouden komen voor zijn voorspraak, zullen zich op die dag bewust worden van hun misleiding vanwege hun wereldse levenswijze. Dan zal de ware toestand van vele ellendige bedriegers die door mensen als volgelingen van de weg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werden beschouwd, aan het licht komen, en zij zullen verdreven worden van de Ḥawḍ al-Kawthar.Daarom moeten we onszelf ondervragen om niet in een dergelijke situatie terecht te komen. In hoeverre volgen wij werkelijk de weg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ? Laat onze huidige levenswijze zien dat wij op zijn pad wandelen?

Kunnen wij in onze huidige staat met een gerust hart hopen op de voorspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)? We dienen onszelf die vragen te stellen. Als het antwoord positief is, dan is dat prachtig. Maar als het antwoord negatief is, dan moeten we onszelf dringend herpakken en beteren.] (AFK)

١٤٨٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ قَدْرَ حَوْضِي كَمَا بَيْنَ أَيْلَةَ وَصَنْعَاءَ مِنَ الْيَمَنِ، وَإِنَّ فِيهِ مِنَ الأَبَارِيقِ، كَعَدَدِ نُجُومِ السَّمَاءِ1486 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De omvang van mijn Ḥawḍ is als de afstand tussen Aylah (bij de Rode Zee) en Ṣanʿāʾ (in Jemen). En daarin bevinden zich aarden bekers zo talrijk als de sterren aan de hemel.”

١٤٨٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَيَرِدَنَّ عَلَيَّ نَاسٌ مِنْ أَصْحَابِي الْحَوْضَ حَتَّى عَرَفْتُهُمُ اخْتُلِجُوا دُونِي، فَأَقُولُ: أَصْحَابِي فَيَقُولُ: لاَ تَدْرِي مَا أَحْدَثُوا بَعْدَكَ1487 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen mensen uit mijn metgezellen naar mijn Ḥawḍ komen, en ik zal ze herkennen, maar zij zullen worden weggevoerd voor mij. Ik zal zeggen: '(Ze behoren tot) mijn metgezellen!' en het zal tegen mij gezegd worden: 'Jij weet niet wat zij na jou hebben veranderd.'

Op Uḥud vochten Jibrīl en Mikā’īl namens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)في قتال جبريل وميكائيل عن النبيّ ﷺ يوم أُحُد

١٤٨٨ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ ﵁، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَوْمَ أُحُدٍ، وَمَعَهُ رَجُلاَنِ يُقَاتِلاَنِ عَنْهُ، عَلَيْهِمَا ثِيَابٌ بِيضٌ، كَأَشَدِّ الْقِتَالِ، مَا رَأَيْتهُمَا قَبْلُ وَلاَ بَعْدُ

1488 - Van Sa'd ibn Abi Waqqas (رضي الله عنه):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag/Slag van Uḥud. Hij was samen met twee mannen, die (heldhaftig) streden. Ze droegen witte kleding, en ze streden zo fel zoals in hevige strijd. Ik had ze nooit eerder gezien, noch daarna.”

De moed van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn voortrekkersrol in de oorlog في شجاعة النبيّ ﷺ وتقدّمه للحرب

١٤٨٩ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ أَحْسَنَ النَّاسِ وَأَشْجَعَ النَّاسِ، وَلَقَدْ فَزِعَ أَهْلُ الْمَدِينَةِ لَيْلَةً، فَخَرَجُوا نَحْوَ الصَّوْتِ، فَاسْتَقْبَلَهُمُ النَّبِيُّ ﷺ، وَقَدِ اسْتَبْرَأَ الْخَبَرَ وَهُوَ عَلَى فَرَسٍ، لأَبِى طَلْحَةَ، عُرْيٍ، وَفِي عُنُقِهِ السَّيْفُ، وَهُوَ يَقُولُ لَمْ تُرَاعُوا، لَمْ تُرَاعُوا ثُمَّ قَالَ: وَجَدْنَاهُ بَحْرًا أَوْ قَالَ: إِنَّهُ لَبَحْرٌ

1489 - Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was de beste van de mensen en de moedigste van de mensen. Op en nacht schrokken de mensen van Madīnah van een geluid (vanwege een eventuele vijandelijke aanval) en gingen op onderzoek uit. Zij werden tegemoetgereden door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die al eerder was uitgegaan om het geluid te verkennen. Hij reed op een ongezadeld paard van Abū Ṭalḥah met zijn zwaard om zijn nek en zei: 'Wees niet bang, wees niet bang!' Vervolgens zei hij: 'Wij hebben (het paard) snel (als oceaan) gevonden,' of hij zei: 'Voorwaar, (het paard) is (als) een oceaan!' (Het paard bewoog normaal gesproken traag).

[De moed van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is een feit dat bij iedereen bekend is. Ondanks dat hij zijn vader nog vóór zijn geboorte verloor, zijn moeder op zesjarige leeftijd en zijn grootvader toen hij acht was, heeft hij nooit moedeloosheid getoond.

Hij wist te volharden tegenover tegenslagen en beproevingen.Toen hij zijn profeetschap verkondigde, werden de meeste mensen zijn vijanden; zij beschuldigden hem ervan krankzinnig te zijn, door geesten bezeten of een tovenaar te zijn. Toch bleef hij, dankzij zijn geloof in Allah, standvastig in zijn strijd tegen al deze leugens en beschuldigingen. Dertien jaar lang, in Makkah, werd hij voortdurend blootgesteld aan laster en verdachtmakingen. Desondanks bleef hij moedig en week hij nooit af van zijn missie.In Madīnah bleef hij met dezelfde moed handelen tegenover de hypocrieten, de joden en anderen die zich tegen hem verzetten. In vele veldslagen vluchtte hij niet, verliet zijn positie niet, en zelfs toen hij oog in oog stond met de dood, keerde hij zich niet om om te vluchten. Hij verliet zijn metgezellen niet en toonde nooit vrees om de vijand tegemoet te treden.

Tijdens de slag bij Ḥunayn, toen het islamitische leger in een hinderlaag terechtkwam en de meeste moslims Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) achterlieten en op de vlucht sloegen, verliet Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn plaats niet. Want vluchten paste niet bij hem. Hij kende de smaak van het geloof, de geur van de martelaarschap, de essentie van de jihād, en vooral de vereisten van de profetische missie beter dan wie ook.] (HA)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was de meest vrijgevige van alle mensen in het doen van goed, zelfs vrijgeviger dan de gezonden wind كان النبيّ ﷺ أجود الناس بالخير من الرّيح المرسلة

١٤٩٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَجْوَدَ النَّاسِ، وَكَانَ أَجْوَدُ مَا يَكونُ فِي رَمَضَانَ، حِينَ يَلْقَاهُ جِبْرِيلُ وَكَانَ يَلْقَاهُ فِي كُلِّ لَيْلَةٍ مِنْ رَمَضَانَ، فَيُدَارِسُهُ القُرْآنَ فَلَرَسُولُ اللهِ ﷺ أَجْوَدُ بِالْخَيْرِ مِنَ الرِّيحِ الْمُرْسَلَةِ

1490 - Van Ibn Abbas ((رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de meest vrijgevige van de mensen. De periode waarin hij het meest vrijgevig was, was tijdens de maand Ramaḍān, wanneer Jibrīl (عليه السلام) hem ontmoette. Jibrīl (عليه السلام) ontmoette hem iedere nacht van de Ramaḍān en reciteerden de Qurʾān beurtelings. Voorwaar, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op het pad van het goede vrijgeviger dan de wolken die regen brengen.

[Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) ontmoette in de maand Ramaḍān iedere nacht Jibrīl (عليه السلام). Ze kwam bijeen om de tot dan toe neergezonden verzen van de Qur’ān samen te reciteren en te bespreken. In het jaar van zijn overlijden deden zij dit twee keer.

Hoewel Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) van nature al uitermate vrijgevig was, was hij in de maand Ramaḍān nog vrijgeviger. Dat kwam doordat hij tijdens de bespreking van de Qur’ān met Jibrīl (عليه السلام) meer inzage kreeg in de onzichtbare werkelijkheden (ghayb) en diepere kennis over de goddelijke wijsheid. Deze toename in spirituele nabijheid en inzicht leidde ertoe dat hij in deze maand nog overvloediger goedheid en weldaden schonk.

ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) vergeleek zijn vrijgevigheid met een ongehinderde windvlaag die vrijelijk waait zonder enige belemmering, omdat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) in zijn gulheid en goedheid verspreiden zelfs sneller en ruimer was dan de wind zelf.] (HA)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de beste van de mensen in gedragكان رسول الله ﷺ أحسن الناس خلقًا

١٤٩١ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: خَدَمْتُ النَّبِيَّ ﷺ، عَشْرَ سِنِينَ، فَمَا قَالَ لِي: أُفٍّ وَلاَ: لِمَ صَنَعْتَ وَلاَ: أَلاّ صَنَعْتَ

1491 - Van Anas (رضي الله عنه):Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tien jaar gediend, en hij heeft nooit tegen mij gezegd: “Uf!” of “Waarom deed je dat?” of: “Waarom heb je dat niet zo gedaan?”

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was een zeer tedere, zorgzame, begripvolle en liefdevolle persoon. Hij zorgde voor alle materiële en geestelijke problemen van zijn vrienden, naasten en van alle gelovigen die hem volgden; hij nam alle voorzorgsmaatregelen voor hun gezondheid, veiligheid en vreugde, spreidde zijn beschermende vleugels over hen en versterkte voortdurend hun geloof en vroomheid, terwijl hij hun het Hiernamaals deed overdenken. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herinnerde zijn metgezellen eraan om barmhartig te zijn en was het mooiste voorbeeld voor hen.] (HY)

١٤٩٢ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: لَمَّا قَدِمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الْمَدِينَةَ، أَخَذَ أَبُو طَلْحَةَ بِيَدِي، فَانْطَلَقَ بِي إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَنَسًا غُلاَمٌ كَيِّسٌ، فَلْيَخْدُمْكَ قَالَ: فَخَدَمْتُهُ فِي الْحَضَرِ وَالسّفَرِ فَوَاللهِ مَا قَالَ لِي، لِشَيْءٍ صَنَعْتُهُ: لِمَ صَنَعْتَ هذَا هكَذَا وَلاَ لِشَيْءٍ لَمْ أَصْنَعْهُ: لِمَ لَمْ تَصْنَعْ هذَا هكَذَا1492 – Van Anas (رضي الله عنه):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah kwam, nam Abû Ṭalḥah (stiefvader van Anas) mij bij de hand en bracht mij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij zei: 'O Rasûlullāh, Anas is een slimme jongeman, laat hem u dienen.' Ik diende hem zowel thuis als tijdens het reizen. En bij Allāh, hij zei nooit tegen mij, voor iets wat ik had gedaan: “Waarom deed je dat zo?” noch voor iets wat ik niet had gedaan: “Waarom deed je dat niet zo?”

Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) is nooit om iets gevraagd, of hij zei ‘nee’ en dit toont zijn overvloedige vrijgevigheid ما سئل رسول الله ﷺ شيئًا قط فقال لا، وكثرة عطائه

١٤٩٣ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: مَا سُئِل النَّبِيُّ ﷺ عَنْ شَيْءٍ قَطُّ، فَقَالَ: لاَ

1493 – Van Jabir (رضي الله عنه):Het is nooit voorgekomen dat er iets aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd en hij ‘nee’ zei.

١٤٩٤ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَوْ قَدْ جَاءَ مَال الْبَحْرَيْنِ قَد أَعْطَيْتُكَ هكَذَا وَهكَذَا وَهكَذَا فَلَمْ يَجِى مَالُ الْبَحْرَيْنِ حَتَّى قبِضَ النَّبِيُّ ﷺ فَلَمَّا جَاءَ مَالُ الْبَحْرَيْنِ أَمَرَ أَبُو بَكْرٍ، فَنَادَى: مَنْ كَانَ لَهُ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ عِدَةٌ أَوْ دَيْنٌ فَلْيَأْتِنَا فَأَتَيْتُهُ، فَقُلْتُ: إِنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ لِي: كَذَا وَكَذَا فَحَثَى لِي حَثْيَةً، فَعَدَدْتُهَا فَإِذَا هِيَ خَمْسُمِائَةٍ وَقَالَ: خُذْ مِثْلَيْهَا1494 - Van Jabir ibn `Abdullah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als het bezit (oorlogsbuit) van Bahrayn naar mij zou komen, zou ik het je zo, zo en zo geven.” Het bezit (oorlogsbuit) van Bahrayn kwam echter niet, totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed.Toen het bezit wél kwam, beval Abū Bakr en (iemand riep toen uit): “Wie een belofte of schuld bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft, laat die bij ons komen.”Dus ik kwam naar hem toe en zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had mij dit en dat beloofd.”Daarop pakte hij een handvol voor mij, en toen ik het telde, bleek het vijfhonderd (dirhams) te zijn.

Toen zei hij: “ Neem het dubbele daarvan.”

Zijn (صلى الله عليه وسلم) barmhartigheid jegens kinderen en zijn familie, zijn nederigheid/ bescheidenheid en de voortreffelijkheid daarvanرحمته ﷺ الصبيان والعيال وتواضعه وفضل ذلك

١٤٩٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ: دَخَلْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، عَلَى أَبِي سَيْفٍ الْقَيْنِ وَكَانَ ظِئْرًا لإِبْرَاهِيمَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ فَأَخَذَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِبْرَاهِيمَ فَقَبَّلَهُ وَشَمَّهُ ثُمَّ دَخَلْنَا عَلَيْهِ، بَعْدَ ذلِكَ، وَإِبْرَاهِيمُ يَجُودُ بِنَفْسِهِ فَجَعَلَتْ عَيْنَا رَسُولِ اللهِ ﷺ تَذْرِفَانِ فَقَالَ لَهُ عَبْدُ الرَّحْمنِ بْنُ عَوْفٍ ﵁: وَأَنْتَ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ: يَا ابْنَ عَوْفٍ إِنَّهَا رَحْمَةٌ ثُمَّ أَتْبَعَهَا بِأُخْرَى فَقَالَ ﷺ: إِنَّ الْعَيْنَ تَدْمَعُ، وَالْقَلْبَ يَحْزَنُ، وَلاَ نَقُولُ إِلاَّ مَا يَرضى رَبُّنَا وَإِنَّا بِفِرَاقِكَ، يَا إِبْرَاهِيمُ لَمَحْزُونُونَ

1495 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Wij gingen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Abū Sayf al-Qayn de smit, die de melkvader was van Ibrāhīm (عليه السلام), de zoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam Ibrāhīm vast, kuste hem en rook aan hem. Daarna gingen wij weer naar hem toe, toen Ibrāhīm zijn laatste adem uitblies.De ogen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begonnen te tranen. Toen zei ʿAbd ar-Raḥmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه): “O zelfs u, O Rasûlullāh ?”Hij antwoordde: “O Ibn ʿAwf, dit is (een teken van) barmhartigheid.”Daarop volgden nog meer tranen, en hij zei: “De ogen huilen, en het hart is bedroefd, maar wij zeggen niets behalve wat onze Rab behaagt. En zeker, wij zijn bedroefd om jouw afscheid, O Ibrāhīm.”

١٤٩٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: جَاءَ أَعْرَابِيٌّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: تقَبِّلُونَ الصِّبْيَانَ فَمَا نُقَبِّلُهُمْ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَوَ أَمْلِكُ لَكَ أَنْ نَزَعَ اللهُ مِنْ قَلْبِكَ الرَّحْمَةَ1496 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Een bedoeïen kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Jullie kussen jullie kinderen, maar wij kussen ze niet.” Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “ Als Allāh de barmhartigheid uit jouw hart heeft weggenomen, wat kan ik dan nog voor je doen?”

١٤٩٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: قَبَّلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، الْحَسَنَ بْنَ عَلِيٍّ، وَعِنْدَهُ الأَقْرَعُ بْنُ حَابِسٍ التَّمِيميُّ، جَالِسًا فَقَالَ الأَقْرَعُ: إِنَّ لِي عَشَرَةً مِنَ الْولَدِ مَا قَبَّلْتُ مِنْهُمْ أَحَدًا فَنَظَرَ إِلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ قَالَ: مَنْ لاَ يَرْحَمُ لاَ يُرْحَمُ1497 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kuste (zijn kleinzoon) Hasan ibn `Ali, en bij hem was al-Aqra' ibn Ḥābis at-Tamīmī die bij hem zat. Al-Aqra' zei: “Ik heb tien kinderen, maar ik heb geen van hen gekust.” Daarop keek Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem aan en zei: “Wie geen genade toont, zal geen genade ontvangen.”

١٤٩٨ - حديث جَرِيرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ لاَ يَرْحَمُ لاَ يُرْحَمُ1498 - Van Jarīr ibn `Abdullah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie geen genade/barmhartigheid toont, zal geen genade ontvangen.”

[De ḥadīth geeft aan dat we barmhartigheid dienen te zijn jegens kinderen, de zwakken, de behoeftigen, en zelfs jegens alle mensen en dieren of zij nu gelovig of ongelovig zijn.

Barmhartigheid betekent: levende wezens te voorzien van voedsel en drinken, dieren niet te zwaar te belasten, hen niet te slaan, niet te verhongeren en geen pijn te doen. Wie geen medelijden heeft met mensen of zij nu gelovig of ongelovig zijn en wie geen mededogen toont met dieren, wie zijn dieren niet voedt of drenkt, hun last niet verlicht, hen onbarmhartig slaat, of hard optreedt tegen mensen zonder mededogen of rechtvaardigheid, zal in het Hiernamaals niet delen in de barmhartigheid van Allah. In de woorden van de Qur’ān:

إِنۡ أَحۡسَنتُمۡ أَحۡسَنتُمۡ لِأَنفُسِكُمۡۖ وَإِنۡ أَسَأۡتُمۡ فَلَهَاۚ ًا ٧ “Als jullie goed doen, doen jullie goed voor jullie zelf, en als jullie kwaad doen (doen jullie dat) tegen jezelf. (surah al- İsrâ: 17/7)

Hiermee wordt benadrukt dat iedere daad van barmhartigheid tegenover mensen, dieren of welk levend wezen dan ook, uiteindelijk een gunst is die de mens aan zichzelf bewijst. De gelovige dienaar moet daarom barmhartig zijn tegenover ieder mens en evenals tegenover andere levende wezens. Want de Islām waarin hij gelooft, is gegrond op respect, verdraagzaamheid, vrede en het erkennen van de rechten en vrijheden van anderen, zelfs van dieren en planten.] (HA)

De hoge mate van schaamte/bescheidenheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

كثرة حيائه ﷺ

١٤٩٩ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ أَشَدَّ حَيَاءً مِنْ الْعَذْرَاءِ فِي خِدْرِهَا

1499 - Van Abû Sa`īd al-Khudri رضي الله عنه,:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was bescheidener (hayā’) dan een jong meisje in haar privévertrek.

[Hayā’ betekent schaamte of bescheidenheid. Het verwijst naar het gevoel van verlegenheid of terughoudendheid dat iemand ervaart tegenover Allah en mensen als gevolg van woorden of daden die afkeur verdienen. Hayā’ is een van de hoogste normen van menselijke moraal. Het betekent dat een persoon zijn grenzen kent en schaamte voelt voor een daad die verkeerd is, en dat zijn gezicht rood wordt van verlegenheid, dit is een grote deugd. Deze eigenschap houdt iemand weg van het kwaad en stimuleert hem om alleen daden te verrichten die gepast zijn en waarvoor hij niet gestraft of berispt zal worden.De ware hayā’ is dat een persoon eerbied en schaamte voelt tegenover zijn Schepper, Allah (سبحانه وتعالى). Hier wordt ook de verbinding tussen hayā’ en īmān (geloof) benadrukt: de mate en de plaats van schaamte wordt geleid door de dīn en de īmān en een waarachtig geloof bepaalt wat gepast is en wat niet, en vormt zo het kompas van iemands schaamtegevoel en morele gedrag.] (HA)

١٥٠٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنٍ عَمْرِو، قَالَ: لَمْ يَكُنِ النَّبِيُّ ﷺ فَاحِشًا وَلاَ مُتَفَحِّشًا وَكَانَ يَقُولُ: إِنَّ مِنْ خِيَارِكُمْ أَحْسَنَكُمْ أَخْلاَقًا1500 - Van `Abdullah ibn `Amr رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was noch grof (in zijn woorden of gedragingen) (fāhish) noch iemand die zich tot grofheid liet verleiden (mutafahhish). Hij zei: “Voorwaar, de beste onder jullie zijn degenen met de beste karaktereigenschap/gedrag (akhlāq).”

Over de barmhartigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegenover vrouwen en zijn bevel aan de koetsiers om hen beleefd te behandelenفي رحمة النبيّ ﷺ للنساء، وأمر السواق مطاياهن بالرفق بهن

١٥٠١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي سَفَرٍ، وَكَانَ مَعَهُ غُلاَمٌ لَهُ أَسْوَدُ، يُقَالُ لَهُ أَنْجَشَةُ، يَحْدُو فَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ: وَيْحَكَ يَا أَنْجَشَةُ رُوَيْدَكَ بِالْقَوَارِيرِ

1501 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op reis, en bij hem was een zwarte slaafjongen die Anjashah werd genoemd, die met een melodieuze stem (de kamelen waarop de echtgenoten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zaten) voortdreef.(Toen de kamelenvaart maakten) zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Wee jou, Anjashah! Rustig aan met de glazen!”

[Met “glazen” wordt verwezen naar de vrouwen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die meereden, een metafoor voor hun gevoeligheid en breekbaarheid, waarmee an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Anjasha aanmaant om voorzichtig te zijn bij het aandrijven van de kamelen, zodat zijn vrouwen niet zouden schrikken of ongemak ervaren]. (AFK)

(an-Nabī) صلى الله عليه وسلم hield zich verre van zonden, zijn voorkeur voor de gemakkelijkste keuze binnen het toelaatbare, en zijn vergelding omwille van Allah wanneer Zijn verboden zaken werden geschondenمباعدته ﷺ للآثام واختياره من المباح أسهله وانتقامه لله عند انتهاك حرماته

١٥٠٢ - حديث عَائِشَة، أَنَّهَا قَالَتْ: مَا خُيِّرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بَيْنَ أَمْرَيْنِ إِلاَّ أَخَذَ أَيْسَرَهُمَا، مَا لَمْ يَكُنْ إِثْمًا فَإِنْ كَانَ إِثْمًا كَانَ أَبْعَدَ النَّاسِ مِنْهُ وَمَا انْتَقَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لِنَفْسِهِ، إِلاَّ أَنْ تُنْتَهَكَ حُرْمَةُ اللهِ فَيَنْتَقِمَ للهِ بِهَا

1502 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moest kiezen tussen twee (wereldse) zaken dan koos hij de makkelijkste van de twee, zolang het geen zonde was. Maar als het een zonde was, dan hield hij zich het meest verre ervan. En hij heeft zich nooit voor zichzelf gewroken, behalve als een van de grenzen van Allāh geschonden werd; dan nam hij wraak omwille van Allāh.”

[Het is aanbevolen (mustahab) om, mits het niet ḥarām of makrūh is, het gemakkelijkste van twee mogelijkheden te kiezen.

Qādī Iyād schrijft hierover: “Waarschijnlijk is het dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hier de keuzevrijheid (mukhayyar) is gegeven door Allah. Hij werd vrijgelaten om te kiezen tussen twee straffen, of om oorlog te voeren tegen de kuffār of jizyah van hen te nemen, of in hoeverre zijn ummah zich zou inspannen in ibādah. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) koos altijd het gemakkelijkste van deze opties.”

Wat betreft de uitspraak van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):

Het kan worden begrepen dat wanneer een keuzevrijheid werd gegeven door de kuffār of de munāfiqīn, dit een analogie is van de vrijheid die Allah of de moslims verlenen.

Wanneer de keuzevrijheid van Allah of de moslims komt, vervalt de uitzondering die in de uitdrukking wordt genoemd (dat iets geen zonde is).] (HA)

De heerlijke geur van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zijn zachte aanraking, en het verkrijgen naar zegen (tabarruk) door zich door hem te laten aanrakenطيب رائحة النبيّ ﷺ ولين مسه والتبرّك بمسحه

١٥٠٣ - حديث أَنَس ﵁، قَالَ: مَا مَسِسْتُ حَرِيرًا وَلاَ دِيبَاجًا أَلْيَنَ مِنْ كَفِّ النَّبِيِّ ﷺ، وَلاَ شَمِمْتُ رِيحًا قَطُّ أَوْ عَرْفًا قَطُّ أَطْيَبَ مِنَ رِيحِ أَوْ عَرْفِ النَّبِيِّ ﷺ

1503 – Van Anas (رضي الله عنه):Ik heb nooit zijde of satijn aangeraakt dat zachter was dan de handpalm van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). En ik heb nooit een geur geroken die aangenamer was dan de geur van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”

De aangename geur van het zweet van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en het verkrijgen van zegen (tabarruk) ermeeطيب عرق النبيّ ﷺ والتبرّك به

١٥٠٤ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ أُمَّ سُلَيْمٍ كَانَتْ تَبْسُطُ لِلنَّبِيِّ ﷺ نِطَعًا فَيَقِيلُ عِنْدَهَا عَلَى ذلِكَ النِّطَعِ قَالَ: فَإِذَا نَامَ النَّبِيُّ ﷺ أَخَذَتْ مِنْ عَرَقِهِ وَشَعَرِهِ فَجَمَعَتْهُ فِي قَارُورَةٍ، ثُمَّ جَمَعَتْهُ فِي سُكٍّ

1504 – Van Anas (رضي الله عنه):(Mijn moeder) Ummu Sulaym had een (lederen)kleed voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitspreid, waarop hij dan (middag)dutje deed.(Anas) zei: “Wanneer hij dan sliep, verzamelde zij zijn zweet en zijn haren in een flesje, en voegde dit later samen met andere geur.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezocht vaak het huis van zijn melk-tante Ummu Sulaym (رضي الله عنها) en ging daar soms slapen tijdens de middag. Deze ḥadīth laat zien dat Ummu Sulaym, uit liefde voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), een haarlok van hem of zijn zweet wilde bewaren, om zo een herinnering aan hem te hebben. Onder de ṣaḥābah komen soortgelijke handelingen voor die uit liefde voortkwamen en waarbij men zegening (tabarruk) hoopte te verkrijgen, uit eerbied en vroomheid. ] (Diyanet)

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zweet zelfs tijdens koud weer wanneer de openbaring komtعرق النبيّ ﷺ في البرد وحين يأتيه الوحي

١٥٠٥ - حديث عَائِشَةَ، أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، أَنَّ الْحارثَ بْنَ هِشَامٍ ﵁، سَأَلَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ يَأْتِيكَ الْوَحْيُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَحْيَانًا يَأْتِينِي مِثْلَ صَلْصَلَةِ الْجَرَسِ، وَهُوَ أَشَدُّهُ عَلَيَّ، فَيُفْصَمُ عَنِّي وَقَدْ وَعَيْتُ عَنْهُ مَا قَالَ وَأَحْيَانًا يَتَمَثَّلُ لِي الْمَلَكُ رَجُلًا فَيُكَلِّمُنِي فَأَعِي مَا يَقُولُ قَالَتْ عَائِشَةَ: وَلَقَدْ رَأَيْتُهُ يَنْزِلُ عَلَيْهِ الْوَحْيُ فِي الْيَوْمِ الشَّدِيدِ الْبَرْدِ فَيَفْصِمُ عَنْهُ، وَإِنَّ جَبِينَهُ لَيَتَفَصَّدُ عَرَقًا

1505 – VanʿĀishah, de Moeder der Gelovigen (رضي الله عنها):Al-Hārith ibn Hishām (رضي الله عنه) vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh hoe komt de openbaring tot u?”Hij zei: “Soms komt die tot mij als klokgeluid, en dat is het zwaarste voor mij en wanneer het dan van mij weggenomen wordt, onthoud ik wat er gezegd is.

En soms verschijnt de engel (Jibriel (عليه السلام) voor mij in de gedaante van een man en spreekt tot mij, en ik begrijp wat hij zegt.”ʿĀʾishah zei: “En ik heb hem gezien terwijl de openbaring tot hem kwam op een zeer koude dag, en toen het beëindigd was, druppelde zweet van zijn voorhoofd.”

[In een ḥadīth heeft Zayd ibn Sabit (رضي الله عنه) tijdens het beschrijven van het zware gevoel dat hij ervaarde bij de openbaring gezegd: “Allāh zond openbaring naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en op dat moment was zijn dijen op mijn dijen. Er kwam zoveel gewicht op mij neer dat ik vreesde dat mijn knieën zouden bezwijken en breken.” (Bukhâri, Jihâd en Sīra: 31)In de een andere ḥadīth wordt ook de toestanden beschreven die men ervaarde wanneer de openbaring neerdaalt. De gebeurtenis van de openbaring is iets dat niet met de rede begrepen kan worden, het is zwaar, het is moeilijk, het is niet eenvoudig om het te verdragen. Daarom heeft Allāh in het begin van de openbaring aangegeven: “ إِنَّا سَنُلۡقِي عَلَيۡكَ قَوۡلٗا ثَقِيلًا ٥ Waarlijk, Wij zullen een gewichtige Woorden tot jou neerzenden. (sûrah Muzammil: 5)

Van alle menselijke eigenschappen is het ontvangen van de woorden van Allāh wellicht het zwaarst. Zulke communicatie kan alleen plaatsvinden door het overstijgen van de menselijke staat en het betreden van het rijk van de engelen. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door zich van zijn menselijke eigenschappen te ontdoen en ontvankelijk te worden voor de openbaring, bepaalde toestanden ervaren. Een van de redenen waarom de openbaring niet in één keer, maar in fasen werd neergedaald, waarschijnlijk zodat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in staat wordt gesteld om de onzichtbare impact en het gewicht van de openbaring te verdragen en zich eraan aan te passen. Zoals in de Qur’ān staat:

وَقَالَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَوۡلَا نُزِّلَ عَلَيۡهِ ٱلۡقُرۡءَانُ جُمۡلَةٗ وَٰحِدَةٗۚ كَذَٰلِكَ لِنُثَبِّتَ بِهِۦ فُؤَادَكَۖ وَرَتَّلۡنَٰهُ تَرۡتِيلٗا ٣٢

En degenen die ongelovig zijn zeggen: “Waarom is de Qur’ān niet in één keer aan hem geopenbaard?” Maar zo hebben Wij daarmee jouw hart versterkt. En Wij hebben het geleidelijk aan jou geopenbaard, in gedeelten. (sûrah Al-Furqan: 32)] (AFK)

[De lexicologische betekenis van het woord “wahy” is geheimzinnig spreken, bevelen, inspireren enz. In de islamitische terminologie verwijst het naar de goddelijke openbaring die Allah aan Zijn boodschappers en in het bijzonder aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezonden. De namen van de profeten die deze openbaring ontvingen worden op vele plaatsen in de Qur’ān vermeld. De openbaring kwam aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in verschillende vormen:

Waarachtige dromen:De eerste vorm van wahy was via waarachtige dromen die Resulullah (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn slaap zag. Door deze dromen zag hij toekomstige waarheden. Deze dromen werden “Rüya’as- Sâdiqah” of “Rüya’ as- Sâlihah)” genoemd.

Inplanting in het hart:Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wakker was, werd de openbaring direct in zijn hart geplaatst, zonder dat een engel zichtbaar was.

In menselijke gedaante:Jibrīl عليه السلام verscheen in menselijke gedaante om de openbaring aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te brengen. Dit was de meest gemakkelijke vorm van openbaring voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

In geluid van een bel of klok:Soms kwam de openbaring aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een geluid dat leek op een bel of klok.

Dit was de zwaarste vorm van wahy, waarbij de engel niet zichtbaar was. Deze vorm werd gebruikt voor verzen die waarschuwing of angst uitdrukten.

In oorspronkelijke gedaante:Jibrīl عليه السلام verscheen soms in zijn eigen oorspronkelijke vorm om het goddelijke bevel aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over te brengen. Dit gebeurde tweemaal zichtbaar: de eerste keer bij het begin van het profeetschap in de grot Hira, en de tweede keer tijdens de Mi`rāj bij Sidaetu’l-Muntaha.

Direct van Allah tijdens waakzaamheid:Dit gebeurde wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) direct van Allah hoorde terwijl hij wakker was. Voorbeelden hiervan zijn: het opleggen van het vijfmaal per dagsgebed en de laatste drie verzen van surah al-Baqarah die zonder tussenkomst van Jibrīl عليه السلام werden geopenbaard.

Tijdens de slaap:Jibrīl عليه السلام bracht soms de openbaring aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij sliep. Sommige Qur’ān exegeten geven als voorbeeld dat surah al-Kawthar op deze manier werd geopenbaard.] (HA)

De beschrijving van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en dat hij het mooiste gelaat van de mensen had

في صفة النبيّ ﷺ وأنه كان أحسن الناس وجهًا[De Qur’ān noemt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “van voortreffelijke schepping” en “het mooiste voorbeeld”. Zijn voortreffelijke schepping omvat zowel zijn fysiologische (het lichaam, gezicht, houding en uiterlijk) als fysiognomische (de gelaatstrekken en gezichtsuitdrukking) en als innerlijke en karakter eigenschappen (morele, ethische en persoonlijke kwaliteiten zoals mededogen, geduld, eerlijkheid, nederigheid, en barmhartigheid) . An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) staat daarom zowel in uiterlijk als in innerlijk en karakter op het hoogste niveau. Wanneer zijn voortreffelijke schepping gecombineerd wordt met de ethische principes die de Islām belichaamt, vormt dit zijn unieke persoonlijkheid.An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) was als mens buitengewoon zachtmoedig, waardig, ernstig en statig. Hij was uniek in zijn medeleven, barmhartigheid en zachte hart.

Hij behandelde iedereen rondom hem met een glimlach. Zonder onderscheid was hij zeer beleefd tegenover al zijn familieleden en tegenover al zijn metgezellen.Dankzij deze mooie menselijke eigenschappen vervulde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn profeetschap met succes en hielp hij zijn omgeving te groeien. Hij streefde ernaar een samenleving te creëren waarin gelovigen gelijk en broederlijk waren, door de sociale scheidslijnen tussen rijken en slaven te doorbreken, en zo een samenleving zonder onderscheid en klassen te vormen.Als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hard of ruw tegenover zijn metgezellen was geweest, zou er niemand in zijn omgeving zijn gebleven. In plaats daarvan toonde hij mededogen, barmhartigheid en zachtheid tegenover mensen.Naast het tonen van ongeëvenaarde geduld en uithoudingsvermogen tegenover alle vormen van marteling, onderdrukking en mishandeling die hem aangedaan werden, is het feit dat hij geen wrok koesterde tegen degenen die slecht tegen hem handelden en de voorkeur gaf aan vergeving een kenmerkend menselijk eigenschap van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).](HA)

١٥٠٦ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، مَرْبُوعًا، بَعِيدَ مَا بَيْنَ الْمَنْكِبَيْنِ، لَهُ شَعَرٌ يَبْلُغُ شَحْمَةَ أُذنَيْهِ، رَأَيْتُهُ فِي حُلَّةٍ حَمْرَاءَ، لَمْ أَرَ شَيْئًا قَطُّ أَحْسَنَ مِنْهُ1506 – Van al-Barā’ ibn ʿÂzib (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was van gemiddelde lengte en breed gebouwd tussen de schouders. Hij had haar dat tot zijn oorlellen reikte. Ik zag hem eens in een rood kledingstuk. Ik heb nooit iets mooiers dan hem gezien.

١٥٠٧ - حديث الْبَرَاءِ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَحْسَنَ النَّاسِ وَجْهًا، وَأَحْسَنَهُ خَلُقًا، لَيْسَ بِالطَّوِيلِ الْبَائِنِ وَلاَ بِالْقَصِيرِ1507 – Van al-Barā’ (ibn ʿÂzib) (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had het mooiste gezicht en het mooiste karakter (akhlāq) Hij was niet uitzonderlijk lang en ook niet kort.

De beschrijving van het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)صفة شعر النبي ﷺ

١٥٠٨ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: كَانَ شَعَرُ رَسُولِ اللهِ ﷺ رَجِلًا لَيْسَ بِالسَّبِطِ وَلاَ الْجَعْدِ، بَيْنَ أُذُنَيْهِ وَعَاتِقِهِ

1508 – Van Anas (رضي الله عنه):Het haar van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was golvend, het was noch steil, noch kroesend.Het reikte tot tussen zijn oren en zijn schouders.

١٥٠٩ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ يَضْرِبُ شَعَرُهُ مَنْكِبَيْهِ1509 – Van Anas (رضي الله عنه):Het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reikte tot op zijn schouders.

De grijze haren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)شيبه ﷺ

١٥١٠ - حديث أَنَسٍ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ سِيرِينَ، قَالَ: سَأَلْتُ أَنَسًا أَخَضَبَ النَّبِيُّ ﷺ قَالَ: لَمْ يَبْلُغِ الشّيْبَ إِلاَّ قَلِيلًا

1510 – Van Anas (رضي الله عنه), via Muhammad ibn Sīrīn:Ik vroeg aan Anas: ‘Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn haar (en baard) ooit geverfd?’Hij antwoordde: ‘Er was maar heel weinig grijs in zijn haar (en baard) (het was niet nodig).”

١٥١١ - حديث أَبِي جُحَيْفَةَ السُّوَائِيِّ، قَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، وَرَأَيْتُ بَيَاضًا مِنْ تَحْتِ شَفَتِهِ السُّفْلَى، الْعَنْفَقَةَ1511 – Van Abū Juhayfah as-Suway’i (رضي الله عنه): Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ik zag een grijze plek onder zijn onderlip, de ʿanfaqah (haarloos plekje tussen lip en kin).

١٥١٢ - حديث أَبِي جُحَيْفَةَ ﵁، قَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، وَكَانَ الْحَسَنُ بْنُ عَلِيٍّ، عَلَيْهِمَا السَّلاَمُ، يُشْبِهُهُ1512 – Van Abū Juhayfah (رضي الله عنه):Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Hasan ibn Ali (عليهما السلام) hij leek veel op hem.”[De overleveraar gaat verder): Ik zei tegen Abû Juhaifah: “Kun je hem voor mij beschrijven?” Hij antwoordde: “Hij had een witte huid, en in zijn zwarte haar was grijs vermengd.

Hij beval (iemand) om ons dertien kamelen te geven, maar voordat wij ze in ontvangst konden nemen, overleed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ] (AFK)

Bevestiging van het zegel van de profeetschap, zijn beschrijving en de plaats ervan op het lichaam van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)إِثبات خاتم النبوة وصفته ومحله من جسده ﷺ

١٥١٣ - حديث السَّائِبِ بْنِ يَزِيدَ، قَالَ: ذَهَبَتْ بِي خَالَتِي إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ ابْنَ أَخْتِي وَجِعٌ فَمَسَحَ رَأْسِي، وَدَعَا لِي بِالْبَرَكَةِ ثُمَّ تَوَضَّأَ، فَشَرِبْتُ مِنْ وَضُوئِهِ، ثُمَّ قُمْتُ خَلْفَ ظَهْرِهِ، فَنَظَرْتُ إِلَى خَاتَمِ النُّبُوَّةِ بَيْنَ كَتِفَيْهِ، مِثْلَ زِرِّ الْحَجَلَةِ

1513 – Van as- Sāʾib ibn Yazīd (رضي الله عنه): Mijn tante bracht mij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Rasûlullāh , de zoon van mijn zuster is ziek.’Toen wreef hij over mijn hoofd, en hij deed duʿāʾ voor zegen voor mij. Vervolgens verrichtte hij wuḍūʾ, en ik dronk van zijn wuḍūʾ-water. Toen ging ik achter hem staan en keek naar het Zegel van het profeetschap (Khātami an-Nubuwwah) tussen zijn schouders, het leek op de borstvlek van een patrijs.

[De term khātam betekent letterlijk “zegel” en verwijst hier naar het zegel van de profeetschap (nubuwwah). Het idee is dat er na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen profeet meer zal komen.

Kadi Beyzâvî legt uit:“Het zegel van de profeetschap (Khātamu’n Nubuwwah) is het teken dat zich bevindt tussen de schouders van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). In de boeken van eerdere gemeenschappen is dit kenmerk beschreven en het diende als een teken voor de beloofde toekomstige Nabī. Het was ook een bescherming voor zijn profeetschap, zoals een zegel een document beschermt.”

Volgens sommige aḥadīth stond er op het zegel geschreven: ‘Muhammedur Rasulullah’. Een andere ḥadīth vermeldt: ‘Allahu wahdah’ (Allah is Eén) en: “Ga waar je wilt, want je bent overwinnaar”, hoewel deze ḥadīth zwak is. Sommige geleerden zeggen dat het zegel van licht (nûr) was.

` ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: “Na het overlijden van an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) heb ik naar zijn zegel gezocht, maar ik zag dat het verwijderd was.”

Wat betreft plaats en vorm: het zegel bevond zich tussen de schouderbladen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en had de grootte van een grote tentknop of een kwartel-ei. Sommige aḥadīth geven aan dat het uit vlees bestond of uit twee stukken vlees samengevoegd tot de grootte van een duivenei. Dit zijn betrouwbare aḥadīth over de aard en het kenmerk van het zegel.

Andere mythische verhalen over het zegel zijn door ḥadīthgeleerden verworpen. Ibn Ḥajar al-Haythamī merkt op dat sommige overleveraars het zegel van profeetschap en het fysieke zegel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door elkaar haalden.] (HA)

Over de beschrijving van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zijn zending en zijn leeftijdفي صفة النبيّ ﷺ ومبعثه وسنه

١٥١٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ يَصِفُ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: كَانَ رَبْعَةً مِنَ الْقَوْمِ، لَيْسَ بِالطَّوِيلِ وَلاَ بِالْقَصِيرِ، أَزْهَرَ اللَّوْنِ، لَيْسَ بِأَبْيَضَ أَمْهَقَ، وَلاَ آدَمَ، لَيْسَ بِجَعْدٍ قَطَطٍ، وَلاَ سَبْطٍ رَجِلٍ؛ أُنْزِلَ عَلَيْهِ وَهُوَ ابْنُ أَرْبَعِينَ، فَلَبِثَ بِمَكَّةَ عَشْرَ سِنِينَ يُنْزَلُ عَلَيْهِ، وَبِالْمَدِينَةِ عَشْرَ سِنِينَ، وَلَيْسَ فِي رَأْسِهِ وَلِحْيَتِهِ عِشْرُونَ شَعَرَةً بَيْضَاءَ

1514 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen hij (Anas) an-Nabī’s (صلى الله عليه وسلم) (uiterlijke eigenschappen) beschreef, zei hij:“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was (onder zijn volk) van gemiddelde lengte, noch te lang, noch te kort.Zijn huid was blank met een tint die neigde naar rood, niet helemaal blank en niet bruin.Zijn haar was niet gekruld of steil, maar golvend.De openbaring werd aan hem geopenbaard toen hij veertig jaar oud was.Hij verbleef tien jaar in Makkah, waar de openbaring aan hem werd geopenbaard, en daarna tien jaar in Madīnah. In zijn hoofden baardhaar waren er nog geen twintig grijze haren

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was na het ontvangen van de profetie dertien jaar in Makkah.

De eerste jaren van deze periode waren de jaren van de verborgen uitnodiging, een tijd waarin de openbaring slechts af en toe neerdaalde. Volgens de meerderheid van de geleerden duurde deze periode drie jaar. Anas (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tien jaar in Makkah verbleef, en hiermee bedoelde hij de jaren waarin de openbaring opnieuw begon en de openlijke uitnodiging werd gedaan.] (AFK)

Hoe oud an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op de dag dat hij overleedكم سنّ النبيّ ﷺ يوم قبض

١٥١٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ تُوُفِّيَ وَهُوَ ابْنُ ثَلاَثٍ وَسِتِّينَ

1515 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stierf toen hij 63 jaar (63 maanjaren) oud was.

Hoe lang an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Makkah en Madīnah verbleefكم أقام النبيّ ﷺ بمكة والمدينة

١٥١٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: مَكَثَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بِمَكَّةَ ثَلاَثَ عَشْرَةَ، وَتُوُفِّيَ وَهُوَ ابْنُ ثَلاَثٍ وَسِتِّينَ

1516 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbleef dertien jaar in Makkah, en hij stierf toen hij 63 jaar oud was.

De namen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)في أسمائه ﷺ

١٥١٧ - حديث جُبَيْرِ بْنِ مُطْعِمٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لِي خَمْسَةُ أَسْمَاءٍ؛ أَنَا مُحَمَّدٌ وَأَحْمَدُ، وَأَنَا الْمَاحِي الَّذِي يَمْحُو اللهُ بِي الْكُفْرَ، وَأَنَا الْحَاشِرُ الَّذِي يَحْشَرُ النَّاسُ عَلَى قَدَمِي، وَأَنَا الْعَاقِبُ

1517 – Van Jubayr ibn Mut'im (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik heb vijf namen: ik ben Muhammad, en ik ben Ahmad, en ik ben Māḥī (uitwisser), degene door wie Allāh het ongeloof uitwist, en ik ben Ḥāshir (verzamelaar), degene die de mensen zullen volgen en bij wie ze verzameld zullen worden, en ik ben `Aqib (de laatste der profeten/boodschappers).”

[De naam “Muhammad” betekent “degene die meer geprezen wordt dan anderen”. Dit verwijst naar het feit dat, vanwege de vele uitstekende eigenschappen van de Islām en zijn ummah die in de Thora zijn geprezen, Allah hem de naam Muhammed gaf. Zozeer zelfs dat Mûsā (عليه السلام) verlangde om tot deze ummah te behoren vanwege het overvloedige lofwaardige karakter ervan.De naam “Ahmad” betekent “degene wiens lof zo talrijk is dat telof rekenmethoden tekortschieten”, oftewel iemand die door de hemelen, de aarde, de mensen in deze wereld en in het Hiernamaals wordt geprezen vanwege zijn overvloedige lovenswaardige eigenschappen.Betekent van Māḥī is, degene die Allah door hem (an-Nabī صلى الله عليه وسلم) het ongeloof zal vernietigen. Want niemand heeft het ongeloof vernietigd als door de komst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Behalve degenen van de Ahl al-Kitâb die achterbleven, waren toen alle mensen die op aarde leefden ongelovig. Onder hen bevonden zich polytheïsten, de door Allah verworpen joden, afgedwaalde christenen, materialistische sabianen die Rab en het Hiernamaals ontkenden, sterrenaanbidders, vuuraanbidders, en filosofen die de goddelijke shari`ah die de profeten brachten niet erkenden of accepteerden.Zo vernietigde Allah hen door middel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daardoor werd de religie van Allah superieur aan alle andere religies, en zijn boodschap verspreidde zich over de hele wereld. Zijn oproep bereikte alle gebieden zoals zonnestralen zich verspreiden.Het woord “Ḥāshir” betekent “samenbrengen” en “verzamelen”. Want mensen zullen voor hem worden verzameld. Alsof hij als profeet is gezonden om de mensen bijeen te brengen.`Âqib betekent degene die als laatste na de profeten/boodschappers komt. Want er zal na hem geen profeet of boodschapper meer komen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is de laatste van de profeten/boodschappers. Daarom wordt hij in algemene zin “Âqıb” genoemd.] (HA)

Zijn (صلى الله عليه وسلم) kennis en zijn intense ontzag (voor Allah)علمه ﷺ وشدة خشيته

١٥١٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: صَنَعَ النَّبِيُّ ﷺ شَيْئًا، فَرَخَّصَ فِيهِ فَتَنَزَّهَ عَنْهُ قَوْمٌ، فَبَلَغَ ذلِكَ النَّبِيَّ ﷺ، فَخَطَبَ، فَحَمِدَ اللهَ، ثُمَّ قَالَ: مَا بَالُ أَقْوَامٍ يَتَنَزَّهُونَ عَنِ الشَّيْءِ أَصْنَعُهُ فَوَاللهِ إِنِّي لأَعْلَمُهُمْ بِاللهِ، وَأَشَدُّهُمْ لَهُ خَشْيَةً

1518 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deed iets en maakte het toegestane uitzondering (ruhsah), maar sommige mensen onthielden zich van wat hij toestond. Toen dit an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bereikte, stond hij op en hield een toespraak. Hij prees Allāh, en zei: “Wat is er met sommige mensen die zich onthouden van iets dat ik doe? Bij Allāh, ik ben waarlijk degene onder hen die Allāh het beste kent en het meest godvrezend is.

[Alle lof zij Allāh, die liefde en genade tussen echtgenoten creëert en de gezinsleven bevordert. Ik loof Hem en dank Hem voor de goedheid en zegeningen die Hij heeft geschonken. Ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh. Hij is Eén en heeft geen deelgenoot. Hij zegt:

إِنَّمَا ٱلۡمُؤۡمِنُونَ إِخۡوَةٞ فَأَصۡلِحُواْ بَيۡنَ أَخَوَيۡكُمۡۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُرۡحَمُونَ ١٠

De gelovigen zijn niet anders dan broeders.

Verzoen je dus met jullie broeders, en vrees Allāh, zodat jullie genade kunnen ontvangen (sûrah al-Hujjurat: 10)

En ik getuig dat Sayyidina en Nabiyyina Muhammad (صلى الله عليه وسلم) Zijn dienaar en boodschapper is. Hij heeft de mensen uitgenodigd met wijsheid, en hij is het beste voorbeeld in zowel zijn woorden als daden. Moge Allāh gebeden en zegeningen zenden op hem, zijn familie en zijn metgezellen. Het islamitische gezin is de kern van een rechtvaardige samenleving. De rechtvaardigheid van het individu hangt af van de rechtvaardigheid van het gezin. Evenzo hangt de rechtvaardigheid van de samenleving geheel af van de rechtvaardigheid van het gezin. De Islām heeft veel zorg besteed aan het gezinsleven en heeft het op een manier geregeld die niet verder kan worden verbeterd. Voor het verheffen van het islamitische gezin heeft de Islām de principes en factoren bepaald die de oprichting en continuïteit van familiebanden waarborgen. Binnen het gezin heerst harmonie. Het is een plek waar het vaandel van liefde wappert en de gevoelens van liefde en genade samenkomen.Deze woorden onderstrepen dat ware vroomheid maar betekent niet dat men zich boven de Sunnah stelt, maar juist volgt wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft voorgeschreven en voorgedaan.] (AFK)

De verplichting om hem (صلى الله عليه وسلم) te volgenوجوب اتباعه ﷺ

١٥١٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ الزُّبَيْرِ، أَنَّ رَجُلًا مِنَ الأنْصَارِ خَاصَمَ الزُّبَيْرَ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فِي شِرَاجِ الْحَرَّةِ الَّتِي يَسْقُونَ بهَا النَّخْلَ فَقَالَ الأَنْصَارِيُّ: سَرِّحِ الْمَاءَ يَمُرُّ فَأَبى عَلَيْهِ فَاخْتَصَمَا عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لِلزُّبَيْرِ: اسْقِ يَا زُبَيْرُ ثُمَّ أَرْسِلِ الْمَاءَ إِلَى جَارِكَ فَغَضِبَ الأَنْصَارِيُّ، فَقَالَ: أَنْ كَانَ ابْنَ عَمَّتِكَ فَتَلَوَّنَ وَجْهُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، ثُمَّ قَالَ: اسْقِ يَا زُبَيْرُ ثُمَّ احْبِسِ الْمَاءَ حَتَّى يَرْجِعَ إِلَى الْجَدْرِفَقَالَ الزُّبَيْرُ: وَاللهِ إِنِّي لأَحْسِبُ هذِهِ الآيَةَ نَزَلَتْ فِي ذلِكَ (فَلاَ وَرَبِّكَ لاَ يُؤْمِنُونَ حَتَّى يُحَكِّمُوكَ فِيمَا شَجَرَ بَيْنَهُمْ)

1519 - Van `Abdullah ibn Zubayr (رضي الله عنه):Een man van de Ansâr diende een klacht in bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over Zubayr ibn al-ʿAwwâm vanwege een geschil over de irrigatie van hun dadelbomenplantages met water uit de bron van al-Harra, met betrekking tot de irrigatiekanalen en de beurten om water te gebruiken. (Het water uit deze kanalen stroomde eerst door het stuk land van Zubayr, vóór het land van de Ansārī bereikte.

Zubayr hield het water eerst tegen om zijn eigen stuk grond te besproeien. Nadat hij daarmee klaar was, liet hij het water verder stromen zodat zijn buurman er ook gebruik van kon maken.)De Ansārī zei: “Laat het water stromen zodat het mij bereikt.” Maar Zubayr weigerde. Ze brachten de zaak toen voor aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen Zubayr zei: “Irrigeer jij eerst, o Zubayr, en laat dan het water naar je buurman stromen.”Maar de Ansārī werd boos (op Rasûlullāh) en zei: “(Zegt u dat) omdat hij de zoon van uw tante is?”. (Hij was niet akkoord met het oordeel van Rasûlullāh ).Daarop veranderde het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van kleur (uit woede), en hij zei toen: “Irrigeer jij eerst, o Zubayr, en houd dan het water tegen totdat het terugkomt tot aan de muur (van je tuin).”

[Net buiten Madīnah bevond zich de Harrah-regio, waar palmbomenplantages lagen. Het geschil over het irrigeren van deze tuinen werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voorgelegd, omdat hij zowel religieus als juridisch leider van de gemeenschap was. Volgens de stroom van het water moest het eerst naar de tuin van Zubayr (رضي الله عنه) gaan, en nadat daar de bomen voldoende waren bewaterd, moest het naar de tuin van een ṣaḥābī van de Ansār stromen. Zo loste an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het geschil op.Toen de ṣaḥābī echter ontevreden was met deze beslissing en beweerde dat dit een bevooroordeling was gebaseerd op familiebanden, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) boos. Eerst beval hij Zubayr ibn ʿAwwām om slechts zoveel water vast te houden als nodig was om de bomen voldoende te bewateren en daarna het water naar de buurman te leiden.

Vervolgens instrueerde hij dat het water zo lang werd vastgehouden dat het zich tegen de muur ophoopte, maar niet zo dat het het recht van de andere ṣaḥābī zou schenden. Zo werd de irrigatietijd verlengd, terwijl Zubayr volledig recht had op zijn deel van het water. ] (Diyanet)Het respecteren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en het vermijden om hem overmatig te vragen naar wat niet noodzakelijk is, wat niet tot hem behoort, wat geen verplichting is, of wat niet kan gebeuren

توقيره ﷺ وترك إِكثار سؤاله عما لا ضرورة إِليه أو لا يتعلق به تكليف، وما لا يقع، ونحو ذلك١٥٢٠ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: إِنَّ أَعْظَمَ الْمُسْلِمِينَ جُرْمًا مَنْ سَأَلَ عَنْ شَيْءٍ لَمْ يُحَرَّمْ فَحُرِّمَ مِنْ أَجْلِ مَسْئَلَتِهِ

1520 - Zubayr (رضي الله عنه):(Vervolg van de voorgaande ḥadīth:) Bij Allāh, ik ben ervan overtuigd dat het volgende vers juist over deze gebeurtenis is neergezonden:فَلَا وَرَبِّكَ لَا يُؤۡمِنُونَ حَتَّىٰ يُحَكِّمُوكَ فِيمَا شَجَرَ بَيۡنَهُمۡ ثُمَّ لَا يَجِدُواْ فِيٓ أَنفُسِهِمۡ حَرَجٗا مِّمَّا قَضَيۡتَ وَيُسَلِّمُواْ تَسۡلِيمٗا ٦٥

Bij jullie Rab, zij kunnen geen īmān hebben tot zij jou voor al hun geschillen tot hun rechter maken en bij zichzelf geen weerstand voelen in jouw beslissingen en zij aanvaarden (het dan) volledig.’ (sûrah an-Nisā: 65)”

[Uit andere aḥadīth van deze ḥadīth blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanvankelijk Zubayr (رضي الله عنه) had geadviseerd om afstand te doen van zijn recht op voorrang bij het irrigeren, en het water slechts kort te gebruiken, zodat de ander meer ruimte zou hebben. Maar die persoon was zelfs daarmee niet tevreden] (AFK)[Van het openbare water dat door de valleien stroomt, heeft iedereen het recht om volgens een beurtvolgorde gebruik te maken van dit water, waarbij men de stroomrichting van het water volgt. Degene die stroomopwaarts is, maakt als eerste gebruik van zijn recht door het water naar zijn eigen akker of tuin te leiden. Nadat hij de hoeveelheid water heeft genomen die nodig is voor zijn gebruik, laat hij het vervolgens doorstromen naar zijn buurman die stroomafwaarts ligt. Op deze manier maakt ook hij gebruik van zijn recht.In dit geschil wilde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanvankelijk tussen Zubayr en de Ansārī via verzoening rechtspreken. Hij beval dat het land slechts geïrrigeerd zou worden en dat het water niet vastgehouden mocht worden. Na de tegenwerping van de Ansārī gaf hij het bevel dat beide partijen hun recht volledig mochten uitoefenen.De melding dat deze gebeurtenis was de aanleiding voor de openbaring van het betreffende vers is zeer waardevolle informatie. Hiermee wordt bewezen dat er geen bezwaar gemaakt kan worden tegen enig oordeel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .] (HY)

١٥٢١ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: خَطَبَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، خُطْبَةً، مَا سَمِعْت مِثْلَهَا قَطُّ قَالَ: لَوْ تَعْلَمُونَ مَا أَعْلَمُ لَضَحِكْتُمْ قَلِيلًا وَلَبَكَيْتُمْ كَثِيرًا قَالَ: فَغَطَّى أَصْحَابُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وُجُوهَهُمْ، لَهُمْ خَنِينٌ فَقَالَ رَجُلٌ: مَنْ أَبِي قَالَ: فُلاَنٌ فَنَزَلَتْ هذِهِ الآيَةُ (لاَ تَسْأَلُوا عَنْ أَشْيَاءَ إِنْ تُبْدَلَكُمْ تَسُؤْكُمْ)1521 – Van Sa`d ibn Abie Waqqās (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, de grootste zonde onder de moslims is van degene die vraagt naar iets wat (nog) niet verboden was, waarna het vanwege zijn vraag wél verboden werd.”

[De reden waarom de zonde van deze persoon zo ernstig is, is dat de verantwoordelijkheid die voortkomt uit zijn gedrag alle moslims raakt. Wanneer de negatieve handeling van iemand niet beperkt blijft tot zichzelf maar ook anderen beïnvloedt, wordt dit beschouwd als een van de grootste zonden. Daarom dient een moslim voortdurend zijn gedrag te controleren en zich te onthouden van handelingen die anderen op een negatieve manier kunnen beïnvloeden.In deze ḥadīth wordt op een zeer belangrijk punt gewezen. Er zijn bepaalde kwesties en bepalingen die niet expliciet zijn gemaakt en waarvan de details niet zijn verduidelijkt. Dit komt niet doordat Allahu تعالى deze details vergeten zou zijn, maar omdat Hij voor de mensen ruimte heeft willen laten. Als deze details namelijk expliciet gemaakt zouden worden, zou het domein worden beperkt en gespecificeerd. Wanneer mensen echter zulke onderwerpen overmatig gaan onderzoeken en onnodige vragen beginnen te stellen, kan dat uiteindelijk leiden tot beperkingen in die zaken, waardoor het moeilijker wordt voor mensen.

Dit wordt dan beschouwd als een zware overtreding tegenover de gemeenschap.In een ḥadīth heeft onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende gezegd:“Allāh heeft bepaalde verplichtingen (farāid) opgelegd, verspil deze niet. Hij heeft grenzen gesteld, overtreed deze niet. Hij heeft bepaalde zaken verboden, nader die niet. En Hij heeft over sommige dingen gezwegen, niet uit vergetelheid maar uit barmhartigheid, dus ga daar niet naar op zoek.” (Overgeleverd door ad-Dâraqutni in zijn Sunan, IV/184; zie ook al-Jâmi‘ al-Usûl, V/59)Hoewel de keten van overleveraars in deze ḥadīth onderbroken is, is de betekenis ervan bevestigd in andere aḥādīth en wordt deze als hasan (goede ḥadīth) beschouwd.] (AFK)

١٥٢٢ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ، حَتَّى أَحْفَوْهُ الْمَسْئَلَةَ، فَغَضِبَ، فَصَعِدَ الْمِنْبَرَ، فَقَالَ: لاَ تَسْأَلُونِي الْيَوْمَ عَنْ شَيْءٍ إِلاَّ بَيَّنْتُهُ لَكُمْ فَجَعَلتُ أَنْظُرُ يَمِينًا وَشِمَالًا فَإِذَا كُلُّ رَجُلٍ لاَفٌّ رَأْسَهُ فِي ثَوْبِهِ يَبْكِي فَإِذَا رَجُلٌ كَانَ إِذَا لاَحَى الرِّجَالَ يُدْعَى لِغَيْرِ أَبِيهِ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ مَنْ أَبِي قَالَ: حُذَافَةُ ثُمَّ أَنْشَأَ عُمَرُ، فَقَالَ: رَضِينَا بِاللهِ رَبًّا، وَبِالإِسْلاَمِ دِينًا، وَبِمُحَمَّدٍ ﷺ رَسُولًا، نَعُوذُ بِاللهِ مِنَ الْفِتَنِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا رَأَيْتُ فِي الْخَيْرِ وَالشَّرِّ كَالْيَوْمِ قَطُّ، إِنَّهُ صُوِّرَتْ لِي الْجَنَّةُ وَالنَّارُ حَتَّى رَأَيْتُهُمَا وَرَاءَ الْحَائِطِ1522 – Van Anas (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak (khutba) zoals ik er nog nooit een had gehoord. Hij zei: “Als jullie wisten wat ik weet, zouden jullie weinig lachen en veel huilen.”Toen bedekten de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun gezichten.

Ze begonnen snikkend te huilen. Daarop vroeg een man: “Wie is mijn vader?”Hij zei: “Die en die.”Vervolgens werd deze āyah geopenbaard:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَسۡـَٔلُواْ عَنۡ أَشۡيَآءَ إِن تُبۡدَ لَكُمۡ تَسُؤۡكُمۡ وَإِن تَسۡـَٔلُواْ عَنۡهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلۡقُرۡءَانُ تُبۡدَ لَكُمۡ عَفَا ٱللَّهُ عَنۡهَاۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ١٠١

O, jullie die geloven! Vraag niet over zaken die als zij voor jullie duidelijk worden gemaakt, moeilijkheden veroorzaken. Maar als jullie daarover vragen terwijl de Qur’ān geopenbaard wordt, dan worden zij jullie duidelijk. Allāh heeft dat vergeven, en Allāh is de Vergevingsgezinde, de Verdraagzame. (sûrah al-Maa’idah, 5:101)

[In de periode waarin de openbaring (wahy) kwam, waren religieuze verantwoordelijkheden en verplichtingen verbonden aan het stellen van vragen. Daarom werden de gelovigen bevolen om zich te onthouden van zinloze vragen en opdringerig gedrag. Het stellen van vragen werd aangemoedigd wanneer het bijdroeg aan leren en goede daden, dat wil zeggen wanneer het een betekenis en nut had. Het was echter verboden om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te storen door nutteloze of triviale vragen te stellen.] (Diyanet)

١٥٢٣ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: سُئِلَ النَّبِيُّ ﷺ، عَنْ أَشْيَاءَ كَرِهَهَا، فَلَمَّا أُكْثِرَ عَلَيْهِ غَضِبَ ثُمَّ قَالَ لِلنَّاسِ: سَلُونِي عَمَّا شِئْتُمْ قَالَ رَجُلٌ: مَنْ أَبِي قَالَ: أَبُوكَ حُذَافَةُ فَقَامَ آخَرُ فَقَالَ: مَنْ أَبِي يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ: أَبُوكَ سَالِمٌ مَوْلَى شَيْبَةَ فَلَمَّا رَأَى عُمَرُ مَا فِي وَجْهِهِ، قَالَ: يَا رَسُول اللهِ إِنَّا نَتُوبُ إِلَى اللهِ ﷿1523 – Van Anas رضي الله عنه:Mensen bleven Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zoveel vragen stellen dat hij erover boos werd.

Hij ging toen de preekstoel op en zei: “Vandaag zullen jullie mij over niets vragen, of ik zal het jullie duidelijk maken!”(Anas zei:) “Ik keek naar rechts en naar links, en zag dat elke man zijn hoofd in zijn kleed had gewikkeld en aan het huilen was.”Toen stond een man op. (Hij stond erom bekend dat hij bij conflicten met anderen fel tekeer kon gaan). Hij werd met de naam van iemand anders dan zijn echte vader aangeroepen en hij zei: “O Rasûlullāh , wie is mijn vader?”Hij antwoordde: “(Jouw vader is) Ḥuḏāfah.”Toen (`Umar zag dat Rasûlullāh boos werd) stond ‘Umar op en zei:‘Wij aanvaarden Allāh als onze Rab, de Islām als onze dīn, en Muhammad (صلى الله عليه وسلم) als onze Rasûl. Wij zoeken onze toevlucht bij Allāh tegen fitan (beproevingen).”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “(Toen ik jullie voor ging in de salâh is mij) het Paradijs en het Helleuur getoond, tot ik ze beiden aan de andere kant van deze muur zag. Ik heb nooit eerder een dag gezien met zoveel goed en kwaad als vandaag “Qatâdah placht bij het overleveren van deze ḥadīth ook het volgende vers te reciteren:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَسۡـَٔلُواْ عَنۡ أَشۡيَآءَ إِن تُبۡدَ لَكُمۡ تَسُؤۡكُمۡ وَإِن تَسۡـَٔلُواْ عَنۡهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلۡقُرۡءَانُ تُبۡدَ لَكُمۡ عَفَا ٱللَّهُ عَنۡهَاۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ١٠١

O, jullie die geloven! Vraag niet over zaken die als zij voor jullie duidelijk worden gemaakt, moeilijkheden veroorzaken. Maar als jullie daarover vragen terwijl de Qur’ān geopenbaard wordt, dan worden zij jullie duidelijk. Allāh heeft dat vergeven, en Allāh is de Vergevingsgezinde, de Verdraagzame. (sûrah al-Maa’idah, 5:101)

[Dit vers werd geopenbaard naar aanleiding van enkele vragen van de sahābah. Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vragen kreeg die te gedetailleerd waren, kon het voorkomen dat het antwoord vanuit Allāh tot verplichting of verbod zou kunnen leiden. Dat bracht extra moeilijkheden voor de moslims met zich mee. Daarom werd afgeraden om onnodige, geforceerde of overdreven gedetailleerde vragen te stellen.Deze ḥadīth bevat veel lering en nut voor de moslims. Het daaropvolgende geopenbaarde vers werpt licht op de kwestie. Allahu تَعَالَى onderwijst Zijn dienaren met dit vers in gedragsen spreeketiquette en verbiedt hen om zich bezig te houden met zaken die voor hen geen nut hebben.

Want als zulke vragen beantwoord worden, kan er een oordeel volgen dat voor hen zwaar valt of een situatie ontstaan die hen niet bevalt.Dit vers werd geopenbaard over metgezellen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) veel vragen stelden, zoals wie hun vader was of waar hun verloren kamelen waren, en gebiedt hen om met dit soort gedrag te stoppen.In het vers staat:‘يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَسۡـَٔلُواْ عَنۡ أَشۡيَآءَ إِن تُبۡدَ لَكُمۡ تَسُؤۡكُمۡ وَإِن تَسۡـَٔلُواْ عَنۡهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلۡقُرۡءَانُ تُبۡدَ لَكُمۡ عَفَا ٱللَّهُ عَنۡهَاۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ١٠١

O, jullie die geloven! Vraag niet over zaken die als zij voor jullie duidelijk worden gemaakt, moeilijkheden veroorzaken. Maar als jullie daarover vragen terwijl de Qur’ān geopenbaard wordt, dan worden zij jullie duidelijk. Allāh heeft dat vergeven, en Allāh is de Vergevingsgezinde, de Verdraagzame. (sûrah al-Maa’idah, 5:101)Wat hiermee bedoeld wordt, is:“O jullie die veel vragen stellen, als jullie die vragen stellen nádat de oordelen van de Qur’ān geopenbaard zijn, dan zal Mijn Nabī jullie het Boek uitleggen en daarmee ook jullie vragen beantwoorden. Zo brengen jullie door je vragen geen zaken voort die voorheen niet verplicht of verboden waren maar nu wel worden opgelegd.”Het woord “fitnah” komt van de stam “fatn”, dat betekent: het beproeven of zuiveren van metalen zoals goud of zilver door ze te verhitten, om het zuivere van het onzuivere te scheiden. In bredere zin betekent het: beproeving, test, ervaring.Daarnaast heeft het woord fitnah ook andere betekenissen zoals: ongeloof, zondigheid, dwaling, schande, verdeeldheid, iemand misleiden, waanzin, innerlijke onrust, conflict, strijd, begeerte, rampspoed en straf.

In sommige ahādīth en āyāt wordt fitnah voornamelijk in deze laatste betekenis gebruikt: onrust, opstand, geweld of strijd onder mensen.] (HY)

١٥٢٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: وَلَيَأْتِيَنَّ عَلَى أَحَدِكُمْ زَمَانٌ لأَنْ يَرَانِي أَحَبُّ إِلَيْهِ مِنْ أَنْ يَكُونَ لَهُ مِثْلُ أَهْلِهِ وَمَالِهِ

1524 - Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd over bepaalde zaken ondervraagd die hij niet prettig vond. Toen men hem bleef bestoken met vragen, werd hij boos. Vervolgens zei hij tegen de mensen: “Vraag mij wat jullie willen.”Een man zei: “Wie is mijn vader?”Hij antwoordde: “Jouw vader is Huzāfah.”Daarna stond een ander op en vroeg: “Wie is mijn vader, o Rasûlullāh ?”Hij antwoordde: “Jouw vader is Sālim, de mawla (vrijgemaakte slaaf) van Shaybah.”Toen ʿUmar de gelaatsuitdrukking van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag, zei hij:“O Rasûlullāh , wij keren ons berouwvol tot Allāh, de Almachtige en Majesteitelijke (عز وجل).”

De verdienste van het kijken naar an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) en het verlangen naar hemفضل النظر إليه ﷺ، وتمنيه

١٥٢٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: وَلَيَأْتِيَنَّ عَلَى أَحَدِكُمْ زَمَانٌ لأَنْ يَرَانِي أَحَبُّ إِلَيْهِ مِنْ أَنْ يَكُونَ لَهُ مِثْلُ أَهْلِهِ وَمَالِهِ

1525 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorzeker, er zal voor één van jullie een tijd komen waarin het hem dierbaarder zal zijn om mij te zien, dan dat hij zijn familie en zijn bezit zou hebben.

De voortreffelijkheid van ‘Īsā (عليه السلام)فضائل عيسى ﵇

١٥٢٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: أَنَا أَوْلَى النَّاسِ بِابْنِ مَرْيَمَ، وَالأَنْبِيَاءُ أَوْلاَدُ عَلاَّتٍ، لَيْسَ بَيْنِي وَبَيْنَهُ نَبِيٌّ

1526 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Ik ben de meest nabije van de mensen tot de zoon van Maryam (`Isā عليه السلام). De profeten zijn (als) halfbroers van vaderszijde (zelfde vader maar verschillende moeder); er is geen profeet tussen mij en hem.”

حَدَّثَنَا أَبُو الْيَمَانِ، أَخْبَرَنَا شُعَيْبٌ، عَنِ الزُّهْرِيِّ، قَالَ حَدَّثَنِي سَعِيدُ بْنُ الْمُسَيِّبِ، قَالَ قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللَّهِ ﷺ يَقُولُ:«مَا مِنْ بَنِي آدَمَ مَوْلُودٌ إِلَّا يَمَسُّهُ الشَّيْطَانُ حِينَ يُولَدُ، فَيَسْتَهِلُّ صَارِخًا مِنْ مَسِّ الشَّيْطَانِ، غَيْرَ مَرْيَمَ وَابْنِهَا»ثُمَّ يَقُولُ أَبُو هُرَيْرَةَ: «وَإِنِّي أُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ».

1527 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er wordt geen kind van de kinderen van Adam geboren zonder dat de shayṭān het raakt bij de geboorte, waarna het begint te huilen door de aanraking van de shayṭān, behalve Maryam en haar zoon (`Isā عليه السلام).’.Daarna reciteerde Abû Hurayrah:

وَإِنِّيٓ أُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ ٱلشَّيۡطَٰنِ ٱلرَّجِيمِ ٣٦…Ik zoek mijn toevlucht bij U voor haar en voor haar nageslacht tegen satan, de verworpene.” (sûrah Āl ‘Imrān: 36)

[Uit de ḥadīth blijkt dat de satan (shayṭān) elke pasgeboren baby zal aanraken. Echter, het wordt vermeld dat deze aanraking geen schade zal toebrengen aan de vrome dienaren van Allāh, en dat Maryam en haar zoon een uitzondering hierop vormen. Dit komt doordat, hoewel de satan probeert aan te raken, er een belemmering tussen hen komt.Volgens Zamahsharī is de betekenis van deze ḥadīth als volgt: “De satan verlangt ernaar elke pasgeboren baby te misleiden, maar Maryam en haar zoon zijn hiervan uitgezonderd. Want deze twee zijn beschermd.” Zoals het vers zegt:

قَالَ رَبِّ بِمَآ أَغۡوَيۡتَنِي لَأُزَيِّنَنَّ لَهُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَأُغۡوِيَنَّهُمۡ أَجۡمَعِينَ ٣٩ِلَّا عِبَادَكَ مِنۡهُمُ ٱلۡمُخۡلَصِينَ ٤٠

(Iblies) zei: “O mijn Rab! Omdat U mij hebt laten dwalen zal ik voor hen (hun zondes) verfraaien op de aarde en zal ik ze allen misleiden. Behalve Uw uitverkorenen, de (oprechte) dienaren onder hen.” (sûrah Hicr: 39-40), degenen die deze eigenschappen bezitten, worden ook beschermd. Het huilen van de baby bij de geboorte, als gevolg van de aanraking van de satan, symboliseert de verlangens en pogingen van de satan. Het is alsof de satan zegt: “Dit is degene die ik op het verkeerde pad wil brengen,” door letterlijk aan te raken en te slaan.] (AFK)

١٥٢٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: رَأَى عِيسى ابْنُ مَرْيَمَ رَجُلًا يسْرِقُ فَقَالَ لَهُ: أَسَرَقْتَ قَالَ: كَلاَّ، وَاللهِ الَّذِي لاَ إِلهَ إِلاَّ هُوَ فَقَالَ عِيسى: آمَنْتُ بِاللهِ وَكَذَّبْتُ عَيْنِي1528 - Van Abû Hurayrah(رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “`Isā ibn Maryam عليه السلام zag een man stelen en vroeg hem: 'Heb jij gestolen?' De man antwoordde: 'Nee (ik heb niets gestolen), bij Allāh, de Enige, er is geen godheid behalve Hij.' Toen zei `Īsā عليه السلام: 'Ik geloof in Allāh en ik beschuldig mijn ogen.

(Iemand die bij Allāh zweert, heb ik zijn woord bevestigd, en als ik iemand zie stelen, heb ik mijn eigen ogen tegen gesproken).”

De voortreffelijkheid van Ibrāhīm (عليه السلام)من فضائل إِبراهيم الخليل ﷺ

١٥٢٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ: رَسُولُ اللهِ ﷺ: اخْتَتَنَ إِبْرَاهِيمُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، وَهُوَ ابْنُ ثَمَانِينَ سَنَةً، بِالْقَدُّومِ

1529 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ibrahim عليه السلام liet zich besnijden toen hij tachtig jaar oud was, met een klauwhamer.”[De besnijdenis van het stukje huid dat zich aan het uiteinde van het mannelijk voortplantingsorgaan bevindt, wordt ‘khitān’ genoemd. Hoewel er in de Qur’ān geen vers is dat direct spreekt over khitān, wordt besnijdenis toch beschouwd als een symbool van de Islām.De oorsprong van de besnijdenis gaat terug tot Ibrahim عليه السلام en het was ook een gebruik onder de Arabieren in de tijd van de jāhiliyyah. Bij de Arabieren werden zowel mannen als vrouwen besneden. Voor de besnijdenis van mannen gebruikten ze het woord khitān, en voor vrouwen ‘ḥafd’. De uitdrukking al-khitanān (de twee besnijdenissen) wordt gebruikt voor zowel mannen als vrouwen en verwijst naar de geslachtsdelen.

Wanneer deze elkaar raken, is een grote reiniging (ghusl) verplicht.Het is de verantwoordelijkheid van de vader om zijn kind te laten besnijden vóór de puberteit, vanaf de leeftijd van zeven dagen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet zijn kleinzonen Hasan en Husayn رضي الله عنهما besnijden op de zevende dag na hun geboorte.In sommige gemeenschappen worden meisjes op een vergelijkbare manier besneden als jongens. Deze praktijk, die meestal in het geheim wordt uitgevoerd, komt nog steeds voor bij sommige moslims in Egypte, Saudi-Arabië en Java. In deze gemeenschappen bestond de besnijdenis al vóór de komst van de Islām, maar heeft het na de komst van de Islām een religieuze betekenis gekregen.Met de vooruitgang van de medische wetenschap zijn de gezondheidsvoordelen van besnijdenis beter begrepen. In samenlevingen waar mannen niet worden besneden, komt baarmoederziekte aanzienlijk vaker voor dan in samenlevingen waar besnijdenis gebruikelijk is.Een ḥadīth van Abū Yaʿlā via ʿAlī ibn Rabāḥ bevestigt dat Ibrahim عليه السلام zich met een klauwhamer liet besnijden: “Ibrahim عليه السلام kreeg het bevel zich te laten besnijden. Hij liet zich toen met een klauwhamer besnijden, en dit viel hem zwaar. Allāh تَعَالَى openbaarde hem waarom hij zich haastte, terwijl hem het instrument daarvoor nog niet bevolen was. Ibrahim عليه السلام zei: 'O mijn Rab! Ik vond het ongepast om Uw bevel uit te stellen.'] (HY)

[De besnijdenis bij mannen is een traditie die afkomstig is van Ibrahim عليه السلام en werd door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voortgezet.

In de ḥadīth wordt aangegeven dat deze besnijdenis, gezien vanuit gezondheid en reinheid, ook op latere leeftijden toegepast kan worden.In een andere ḥadīth legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de praktijk van besnijdenis uit als een van de fundamentele kenmerken en behoeften van de menselijke natuur (fiṭrah): "Vijf zaken behoren tot de fiṭrah: besneden zijn, de schaamstreek scheren, de baard verzorgen, de nagels knippen en de oksels reinigen." (Buhārī, Libās, 63) ] (Diyanet)

١٥٢٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: نَحْنُ أَحَقُّ بِالشَكِّ مِنْ إِبْرَاهِيمَ، إِذْ قَالَ رَبِّ أَرِنِي كَيْفَ تُحْيِي الْمَوْتَى قَالَ أَوَ لَمْ تُؤْمِنْ قَالَ بَلَى وَلكِنْ لِيَطْمَئِنَّ قَلْبِي وَيَرْحَمُ اللهُ لُوطًا، لَقَدْ كَانَ يَأْوِي إِلَى رُكْنٍ شَدِيدٍ وَلَوْ لَبِثْتُ فِي السِّجْنِ طُولَ مَا لَبِثَ يُوسُفُ لأَجَبْتُ الدَّاعِيَ1530 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij hebben meer recht op twijfel dan Ibrāhīm عليه السلام, toen hij zei:

وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ أَرِنِي كَيۡفَ تُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ قَالَ أَوَلَمۡ تُؤۡمِنۖ قَالَ بَلَىٰ وَلَٰكِن لِّيَطۡمَئِنَّ قَلۡبِيۖ

En (gedenk) toen Ibrahim (zonder argwaan of twijfels) zei: “Mijn Heer! Toon mij (in levenden lijve) hoe U de doden weer tot leven wekt.” Hij zei: “Geloof je dan niet (met je hart)?” Hij zei: “Jawel, maar opdat mijn hart tot rust komt.” (sûrah Baqarah 2/260)

En moge Allāh Lût عليه السلام genadig zijn; waarlijk, hij zocht toevlucht tot een sterke steun. En zei:

قَالَ لَوۡ أَنَّ لِي بِكُمۡ قُوَّةً أَوۡ ءَاوِيٓ إِلَىٰ رُكۡنٖ شَدِيدٖ ٨٠

Hij zei: “Ik wenste dat ik de kracht had om jullie te overweldigen of dat ik tenminste een krachtige ondersteuning had (dan zou ik tegen jullie op kunnen treden).” (sûrah Hûd 80)Als ik zo lang in de gevangenis had verbleven als Yūsuf عليه السلام, dan zou ik degene die mij riep (uit de gevangenis) zeker hebben beantwoord.”[Het betekent: “Dus ik zou niet gezegd hebben: ‘Laat mijn onschuld eerst bewezen worden, laat mijn vrijlating geen gunst lijken maar een rechtvaardig herstel van mijn recht wat van mij ontnomen is!’ maar ik zou direct naar buiten zijn gegaan. Echter, hij [Yūsuf عليه السلام] verliet de gevangenis niet meteen na zo'n lange onterechte gevangenschap; hij wilde dat zijn zaak eerst onderzocht werd en dat zijn onschuld officieel erkend werd. (Zie sûrah Yūsuf: 50), zó geduldig was hij.] (AFK)

١٥٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: لَمْ يَكْذِبْ إِبْرَاهِيمُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، إِلاَّ ثَلاَثَ كَذَبَاتٍ: ثِنْتَيْنِ مِنْهُنَّ فِي ذَاتِ اللهِ ﷿ قَوْلُهُ (إِنِّي سَقِيمٌ) ⦗١١٦⦘ وَقَوْلُهُ (بَلْ فَعَلَهُ كَبِيرُهُمْ هذَا) وَقَالَ: بَيْنَا هُوَ ذَاتَ يَوْمٍ وَسَارَةُ، إِذْ أَتَى عَلَى جَبَّار مِنَ الْجَبَابِرَةِ فَقِيلَ لَهُ: إِنَّ ههُنَا رَجُلًا مَعَهُ امْرَأَةٌ مِنْ أَحْسَنِ النَّاسِ، فَأَرْسَلَ إِلَيْهِ، فَسَأَلَهُ عَنْهَا، فَقَالَ: مَنْ هذِهِ قَالَ: أُخْتِي فَأَتَى سَارَةَ، قَالَ: يَا سَارَةُ لَيْسَ عَلَى وَجْهِ الأَرْضِ مُؤْمِنٌ غَيْرِي وَغَيْرُكِ، وَإِنَّ هذَا سَأَلَنِي فَأَخْبَرْتُهُ أَنَّكِ أُخْتِي، فَلاَ تُكَذِّبِينِي فَأَرْسَلَ إِلَيْهَا فَلَمَّا دَخَلَتْ عَلَيْهِ ذَهَبَ يَتَنَاوَلُهَا بِيَدِهِ، فَأُخِذَ فَقَالَ: ادْعِى اللهَ لِي، وَلاَ أَضُرُّكِ فَدَعَتِ اللهَ، فَأُطْلِقَ ثُمَّ تَنَاوَلَها الثَّانِيَةَ، فَأُخِذَ مِثْلَهَا أَوْ أَشَدَّ فَقَالَ: ادْعِي اللهَ لِي وَلاَ أَضُرُّكِ فَدَعَتْ، فَأُطْلِقَ فَدَعَا بَعْضَ حَجَبَتِهِ، فَقَالَ: إِنَّكُمْ لَمْ تَأْتُونِي بِإِنْسَانٍ، إِنَّمَا أَتَيْتُمُونِي بِشِيْطَانٍ فَأَخْدَمَهَا هَاجَرَ فَأَتَتْهُ، وَهُوَ قَائِمٌ يُصَلِّي فَأَوْمَأَ بِيَدِهِ، مَهْيَا قَالَتْ رَدَّ اللهُ كَيْدَ الْكَافِرِ (أَوِ الْفَاجِرِ) فِي نَحْرِهِ، وَأَخْدَمَ هَاجَرَقَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: تِلْكَ أُمُّكُمْ يَا بَنِي

مَاءِ السَّمَاءِ1531 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Hij zei: Ibrāhīm (عليه السلام) heeft slechts drie keer gelogen. Twee keren waren niet anders dan omwille van Allāh عز وجل. Hij zei (aan zijn volk die de afgodsbeelden verafgoodden): فَقَالَ إِنِّي سَقِيمٞ ٨٩ En hij zei: “Waarlijk, ik ben ziek. (sûrah as-Sāffāt: 89). En dat hij al de afgodsbeelden verbrijzelde en vervolgens het voorwerp waarmee hij dat had gedaan om de hals van de grootste ervan hing) en zei:قَالَ بَلۡ فَعَلَهُۥ كَبِيرُهُمۡ هَٰذَا فَسۡـَٔلُوهُمۡ إِن كَانُواْ يَنطِقُونَ ٦٣ (Ibrahim) zei: “Nee, deze, de grootste van hen heeft het gedaan. Vraag het hen als zij kunnen spreken! (sûrah al-Anbiyā: 63).

En hij zei: “Op een dag kwam hij en Sārah in (het land van) een tirannieke heerser. Er werd tegen hem (de heerser) gezegd: 'Hier is een man met een vrouw die tot de mooiste vrouw behoort.'Hij liet hen bij zich roepen en vroeg hem (Ibrāhīm): 'Wie is deze vrouw?'Hij antwoordde: 'Zij is mijn zuster.'(Daarmee bedoelde hij: zuster in het geloof, om zichzelf en haar te beschermen.)Toen ging hij naar Sārah en zei: 'O Sārah! Op het aardoppervlak is er op dit moment geen andere gelovige dan jij en ik. Deze man heeft mij gevraagd wie jij bent, en ik heb hem gezegd dat jij mijn zuster bent. Ontken dit alsjeblieft niet tegenover hem.'Toen stuurde de koning (een boodschapper) en riep haar bij zich, en toen zij bij hem binnenkwam, stak hij zijn hand naar haar uit (om haar aan te raken), maar hij werd verlamd.Hij zei: “Smeek Allāh voor mij, dan zal ik jou geen kwaad doen.”Dus zij smeekte Allāh, en hij werd losgelaten.Toen probeerde hij het opnieuw, en werd nog harder gegrepen dan de eerste keer.Hij zei: “Smeek Allāh voor mij, dan zal ik je geen kwaad doen.”Dus zij smeekte Allāh opnieuw, en hij werd weer bevrijd.Toen riep hij een van zijn bedienden en zei: “Jullie hebben mij geen mens gebracht, maar een shayṭān!”En hij schonk haar Hājar als dienares.

Toen keerde zij terug naar Ibrāhīm (عليه السلام), terwijl hij staande in salāt was, en zij gaf met haar hand een teken: “Wat is er gebeurd.Zij zei: “Allāh heeft de list van deze ongelovige – of verdorvene – teruggekaatst in zijn eigen borst, en Hij heeft mij Hājar als dienares gegeven.”Abū Hurayrah zei: “Zij (Hājar) is jullie moeder, o kinderen van hemelwater (Arab)*!”

{*: Een poëtische verwijzing naar de Arabieren die afstammen van Ismāʿīl, zoon van Ibrāhīm en Hājar, en dus ‘kinderen van regenwater’ zijn, een metafoor voor hun herkomst uit Makkah.}

[Het werkwoord ‘kadzaba’ en zijn afgeleiden, dat wij vertalen als “gelogen”, duidt in het Arabisch op betekenissen die buiten de waarheid liggen: liegen, bedrog plegen, misleiden. In het Arabisch wordt het ook figuurlijk in verschillende betekenissen gebruikt. Het kan bijvoorbeeld ook betekenen dat iemand iets anders vertelt dan de werkelijkheid, of een grap maakt. Zo wordt een 1-aprilgrap aangeduid met het woord dat 'april-leugen' betekent. Wanneer men denkt dat een kameel melk zal blijven geven maar haar melk stopt, zegt men: “De melk van de kameel heeft gelogen.” Ook wordt het gebruikt als de ogen niet goed zien of zich vergissen: dan spreekt men van een 'leugen van het oog'. Voor een loze hoop wordt 'valse hoop' gezegd.De uitspraken die Ibrahim (عليه السلام) gebruikte, zijn dubbelzinnige, bedekte uitspraken die meerdere betekenissen kunnen hebben en bij de toehoorder een andere indruk wekken dan wat werkelijk bedoeld is. Dergelijke uitspraken worden niet beschouwd als leugens die door de religie verboden zijn, omdat de spreker iets anders bedoelt dan wat de toehoorder denkt te begrijpen.)] (AFK)

[Mazin schrijft in verband met ‘kadzaba’: “Alle profeten zijn beschermd tegen liegen wanneer het gaat om het overbrengen van een oordeel of een openbaring van Allah. Bij dit soort liegen is er geen onderscheid tussen klein of groot; liegen in dit opzicht is uitgesloten. Maar is het mogelijk dat een kleine leugen voorkomt die niet tot het domein van de verkondiging behoort, maar betrekking heeft op wereldse aangelegenheden of eigenschappen? Over dit punt zijn twee bekende opvattingen overgeleverd van de salaf en de khalaf.”

Qādī `Iyād schrijft hierover: “Wat zeker is, is dat het ondenkbaar is dat profeten zouden liegen in zaken die verband houden met tabligh (het overbrengen van de boodschap). Laten we hun kleine zonden buiten beschouwing laten en ook de uitspraak van een leugen, of deze nu klein of groot is, beschouwen als ondenkbaar. Want het ambt van profeetschap staat niet toe dat men liegt. Als men zou geloven dat liegen toestaan is, dan zou dat het vertrouwen in de woorden van de profeten ondermijnen.”

Muḥammad ʿAlī Sābūnī schrijft over hetzelfde onderwerp:

“Er is in deze ḥadīth geen enkel bewijs dat aangeeft dat Ibrāhīm (عليه السلام) niet ma‘sūm (onfeilbaar) zou zijn. Integendeel, uit deze ḥadīth blijkt juist dat Ibrāhīm (عليه السلام) ma‘sūm is. Want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bedoelde met de drie genoemde gevallen geen echte leugen. Met deze uitspraak wilde hij slechts verklaren dat sommige handelingen of uitspraken van Ibrāhīm (عليه السلام) wel leugenachtig leken, maar in werkelijkheid geen leugen waren. En dit is geen echte leugen, noch van de aard van liegen in de ware betekenis van het woord.”] (HA)

De voortreffelijkheid van Mūsā (عليه السلام)من فضائل موسى ﷺ

١٥٣١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: كَانَتْ بَنُو إِسْرَائِيلَ يَغْتَسِلُونَ عُرَاةً، يَنْظُرُ بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ وَكَانَ مُوسى يَغْتَسِلُ وَحْدَه فَقَالُوا: وَاللهِ مَا يَمْنَعُ مُوسى أَنْ يَغْتَسِلَ مَعَنَا إِلاَّ أَنَّهُ آدَرُ فَذَهَبَ مَرَّةً يَغْتَسِلُ، فَوَضَعَ ثَوْبَهُ عَلَى حَجَرٍ، فَفَرَّ الْحَجَرُ بِثَوْبِهِ، فَخَرَجَ مُوسى فِي إِثْرِهِ يَقُولُ: ثَوْبِي يَا حَجَرُ حَتَّى نَظَرَتْ بَنُو إِسْرَائِيلَ إِلَى مُوسى، فَقَالُوا: وَاللهِ مَا بِمُوسى مِنْ بأسٍ وَأَخَذَ ثَوْبَهُ، فَطَفِقَ بِالْحَجَرِ ضَرْبًا

فَقَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: وَاللهِ إِنَّهُ لَنَدَبٌ بِالْحَجَرِ، سِتَّةٌ أَوْ سَبْعَةٌ، ضَرْبًا بِالحَجَرِ

1532 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Banī Isrā’īl plachten zich naakt te wassen, waarbij zij naar elkaar keken. Mūsā (عليه السلام) echter waste zich alleen.

Daarop zeiden zij: ‘Bij Allāh, niets weerhoudt Mūsā ervan zich met ons te wassen, behalve dat hij een gezwel aan zijn testikels heeft’.Op een dag ging hij zich wassen (op een plek ver van de mensen), legde zijn kleding op een steen, en toen rende de steen weg met zijn kleding. Mūsā (عليه السلام) ging achter de steen aan en riep: ‘Mijn kleding, o steen!’Toen zagen Banū Isrā`īl Mūsā (عليه السلام) (bloot) en zeiden: ‘Bij Allāh, er is niets mis met Mūsā!’Daarop nam hij zijn kleding terug en begon de steen te slaan. Abū Hurayrah zei: ‘Bij Allāh, er zitten nog steeds sporen van slagen op die steen, zes of zeven, als gevolg van de slagen van Mūsā (عليه السلام).”

١٥٣٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: أُرْسِلَ مَلَكُ الْمَوْتِ إِلَى مُوسى عَلَيهِ السَّلاَمُ فَلَمَّا جَاءَهُ صَكَّهُ فَرَجَعَ إِلَى رَبِّهِ، فَقَالَ: أَرْسَلْتَنِي إِلَى عَبْدٍ لا يُرِيدُ الْمَوْتَ فَرَدَّ اللهُ عَلَيْهِ عَيْنَهُ وَقَالَ: ارْجِعْ فَقُلْ لَهُ يَضَعُ يَدَهُ عَلَى مَتْنِ ثَوْرٍ فَلَهُ بِكُلِّ مَا غَطَّتْ بِهِ يَدُهُ، بِكُلِّ شَعْرَةٍ سَنَةٌ قَالَ: أَيْ رَبِّ ثُمَّ مَاذَا قَالَ: ثُمَّ الْمَوْتُ قَالَ: فَالآنَ فَسَأَلَ اللهَ أَنْ يُدْنِيَهُ مِنَ الأَرْضِ الْمُقَدَّسَةِ رَمْيَةً بِحَجَرٍ

قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: فَلَوْ كُنْتُ ثَمَّ لأَرَيْتُكُمْ قَبْرَهُ إِلَى جَانِبِ الطَّرِيقِ، عِنْدَ الْكَثِيبِ الأَحْمَرِ

1533 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):De Engel des Doods werd naar Mūsā (عليه السلام) gezonden. Toen hij bij hem kwam, sloeg Mūsā (عليه السلام) hem (en hij sloeg zijn oog eruit), en de engel keerde terug naar zijn Rab en zei: ‘U heeft mij naar een dienaar gestuurd die niet wil sterven!’Toen gaf Allāh hem zijn oog terug en zei: ‘Keer terug naar hem en zeg: Laat hem zijn hand op de rug van een stier leggen. Voor elk haartje dat zijn hand bedekt, zal hij een jaar (leven) krijgen.’Hij (Mūsā عليه السلام) zei: ‘O mijn Rab, en daarna?’Hij (Allāh) zei: ‘Daarna komt de dood.’Hij zei: ‘Dan (laat het) nu (zijn).’Daarop vroeg hij Allāh om hem dicht bij het Heilige Land (Qudus) te brengen, op de afstand van een steenworp.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als ik daar was geweest, zou ik jullie zeker zijn graf hebben laten zien, vlak naast de weg, bij de rode heuvel.”

[Het slaan van de engel door Mūsā (عليه السلام) gebeurde omdat de engel niet in de vorm van een engel, maar in de gedaante van een mens kwam en zich op een manier gedroeg die Mūsā (عليه السلام) ertoe bracht zich te verdedigen, of omdat de engel in menselijke gedaante zonder toestemming zijn huis was binnengekomen.] (AFK)

[In deze ḥadīth wordt verteld dat de Engel des Doods in de gedaante van een mens naar Mûsa عليه السلام kwam, en dat Mûsa عليه السلام niet doorhad dat het een engel was. Daarom sloeg hij hem toen hij probeerde zijn ziel (rûh) te nemen.Deze ḥadīth is qua isnād (keten van overleveraars) authentiek, maar kan ook als een symbolische voorstelling worden uitgelegd. Volgens deze interpretatie laat de ḥadīth zien hoe de Engel des Doods en Mûsa عليه السلام de menselijke kwetsbaarheid tegenover de realiteit van de dood illustreren, de onvermijdelijkheid van de dood en de noodzaak van overgave aan dit goddelijke bevel.De genoemde "Kasîb-i Ahmar", oftewel de rode zandheuvel, wordt gedacht op de huidige berg Nebo bij Ma‘dabah in Jordanië te zijn. Vanaf deze heuvel kan men Jeruzalem in de verte zien, en het wordt door christenen beschouwd als een pelgrimsoord. Men gelooft dat het graf van Mûsa عليه السلام in deze regio ligt. ] (Diyanet)

١٥٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: اسْتَبَّ رَجُلاَنِ، رَجُلٌ مِنَ الْمُسْلِمِينَ، وَرَجُلٌ مِنَ الْيَهُودِ قَالَ الْمُسْلِمُ: وَالَّذِي اصْطَفَى مُحَمَّدًا عَلَى الْعَالَمِينَ فَقَالَ الْيَهُودِيُّ: وَالَّذِي اصْطفَى مُوسى عَلَى الْعَالَمِينَ فَرَفَعَ الْمُسْلِمُ يَدَهُ، عِنْدَ ذلِكَ، فَلَطَمَ وَجْهَ الْيَهُودِيّ فَذَهَبَ الْيَهُودِيُّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَأَخْبَرَه بِمَا كَانَ مِنْ أَمْرِهِ وَأَمْرِ الْمُسْلِمِ فَدَعَا النَّبِيُّ ﷺ الْمُسْلِمَ، فَسَأَلَهُ عَنْ ذلِكَ، فَأَخْبَرَهُ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ تُخَيِّرُونِي عَلَى مُوسى، فَإِنَّ النَّاسَ يَصْعَقُونَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، فَأَصْعَقُ مَعَهُمْ، فَأَكُونُ أَوَّلَ مَنْ يُفِيقُ، فَإِذَا مُوسى بَاطِشٌ جَانِبَ الْعَرْشِ، فَلاَ أَدْرِي أَكَانَ فِيمَنْ صَعِقَ فَأَفَاقَ قَبْلِي، أَوْ كَانَ مِمَّنِ اسْتَثْنَى اللهُ1534 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Twee mannen, een moslim en een jood, kregen ruzie.

De moslim zei: “Bij Degene die Muhammad (صلى الله عليه وسلم) boven de werelden heeft verkozen (als Nabī)!”Daarop zei de jood: “Bij Degene die Mūsā boven de werelden heeft verkozen (als Nabī)!”Toen hief de moslim zijn hand op en sloeg de jood in zijn gezicht. De jood ging vervolgens naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem wat er tussen hem en de moslim was gebeurd.Toen riep an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de moslim en vroeg hem ernaar. De moslim vertelde hem wat hij had gezegd.

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Verkies mij niet boven Mūsā!Waarlijk, op de Dag der Opstanding zullen de mensen bewusteloos raken, en ik zal samen met hen bewusteloos raken. Vervolgens ben ik de eerste die weer bijkomt, en dan zie ik Mūsā daar aan de zijkant van de Troon (`Arsh) (vasthouden).Ik weet niet of hij bij degenen hoorde die ook bewusteloos raakten en vóór mij bijkwam, of dat hij onder degenen valt die door Allāh uitgezonderd zijn.”

[Over degenen die uitgezonderd worden van het bewusteloos raken op de Dag des Oordeels, staat in de Qur’ān:وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ

“En er werd op de bazuin geblazen, en allen in de hemelen en op de aarde vielen bewusteloos neer, behalve wie Allāh wilde (uitzonderen).” (sûrah az-Zumar: 68)] (AFK)

١٥٣٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: بَيْنَمَا رَسُولُ اللهِ ﷺ جَالِسٌ، جَاءَ يَهُودِيٌّ فَقَالَ: يَا أَبَا الْقَاسِمِ ضَرَبَ وَجْهِي رَجُلٌ مِنْ أَصْحَابِكَ فَقَالَ: مَنْ قَالَ: رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ قَالَ: ادْعُوهُ فَقَالَ: أَضَرَبْتَهُ قَالَ: سَمِعْتُهُ بِالسُّوقِ يَحْلِفُ، وَالَّذِي اصْطَفَى مُوسى عَلَى الْبَشَرِ قلْتُ: أَيْ خَبِيثُ عَلَى مُحَمَّدٍ ﷺ فَأَخَذَتْنِي غَضْبَةٌ ضَرَبْتُ وَجْهَهُ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ تُخَيِّرُوا بَيْنَ الأَنْبِيَاءِ، فَإِنَّ النَّاسَ يَصْعَقُونَ ⦗١١٩⦘ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، فَأَكُون أَوَّلَ مَنْ تَنْشَقُّ عَنْهُ الأَرْضُ فَإِذَا أَنَا بِمُوسى آخِذٌ بِقَائِمَةٍ مِنْ قَوَائِمِ الْعَرْشِ، فَلاَ أَدْرِي أَكَانَ فِيمَنْ صَعِقَ أَمْ حُوسِبَ بِصَعْقَةِ الاولَى1535 - Van Abū Sa'īd al-Khudrī (رضي الله عنه):Terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat, kwam er een jood en zei: “O Abā al-Qāsim, een man van jouw metgezellen heeft mij in het gezicht geslagen.”- “Wie?”- “Een man van de Anṣār.”- “Roep hem.”Hij werd geroepen en hij (de Anṣārī) zei: “Ik hoorde hem op de markt zweren: ‘Bij Degene Die Mūsā boven de mensen heeft verkozen!’Daarop zei ik: ‘O verderfelijke (kerel), (heb jij Mūsā) boven Muhammad (صلى الله عليه وسلم) verkozen?!

Ik werd woedend en sloeg hem in het gezicht.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen: “Maak geen onderscheid tussen de profeten, want op de Dag der Opstanding zullen de mensen bewusteloos vallen.

Ik zal de eerste zijn bij wie het graf wordt geopend (bij het opstaan), en daar zie ik Mūsā, die zich aan één van de pilaren van de Troon (`Arsh) vasthoudt.

Mūsā bevond zich mogelijk onder degenen die flauw zouden vallen, maar ik weet niet of hij vóór mij is bijgekomen, of dat zijn bewusteloosheid (op de Sīnāberg) reeds als zijn aandeel daarin is gerekend.

[ فَلَمَّا تَجَلَّىٰ رَبُّهُۥ لِلۡجَبَلِ جَعَلَهُۥ دَكّٗا وَخَرَّ مُوسَىٰ صَعِقٗاۚ … Dus toen zijn Rab zich aan de berg openbaarde, liet Hij deze instorten en tot stof vergaan, en Mūsā viel bewusteloos neer. ....” (sûrah al-A’rāf: 143)Deze āyah verwijst naar de bewusteloosheid van Mūsā عليه السلام. De uitspraak in de eerder genoemde ḥadīth, ‘Of behoorde hij tot degenen die door Allāh uitgezonderd zijn’, is niet in tegenspraak met de uitspraak in deze ḥadīth. ‘Of werd hij reeds ter verantwoording geroepen met de eerste flauwte’.Want de betekenis is: “Ik weet niet tot welke van de drie het behoort:– of hij al ontwaakte vóór mij,– of hij behoort tot degenen die uitgezonderd zijn,– of dat zijn bewusteloosheid (bij de Sīnāberg) al als zijn aandeel hierin gerekend werd.”] (HY)

Vermelding van Yūnus (عليه السلام) en de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Het behoort een dienaar niet te zeggen: Ik ben beter dan Yūnus ibn Mattā (عليه السلام)’في ذكر يونس ﵇ وقول النبيّ ﷺ لا ينبغي لعبد أن يقول أنا خير من يونس بن متّى

١٥٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَنْبَغِي لِعَبْدٍ أَنْ يَقُولَ أَنَا خَيْرٌ مِنْ يُونُسَ بْنِ مَتَّى

1536 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Het past een dienaar niet om (over mij) te zeggen: 'Ik ben beter dan (an-Nabī) Yūnus zoon van Mattā.'

[De profeten verschillen onderling niet in het profeetschap zelf. In de Qur’ān staat:

لَا نُفَرِّقُ بَيۡنَ أَحَدٖ مِّن رُّسُلِهِ … “Wij maken geen onderscheid tussen Zijn Boodschappers… (sûrah al-Baqarah: 285). Dit is vergelijkbaar met een soldaat en een commandant in een leger: er is geen verschil tussen hen in het feit zijn zij beiden soldaten. Aan de andere kant verschillen zij wel in hun inzet, de resultaten die zij bereiken, en de verantwoordelijkheden die zij dragen. Daarom geldt dat profeten, hoewel zij qua profeetschap allen op hetzelfde niveau staan als gezonden door Allāh, wel onderling in rang kunnen verschillen op basis van hun strijd en de resultaten die zij hebben bereikt. Allāh heeft hierover gezegd:

تِلۡكَ ٱلرُّسُلُ فَضَّلۡنَا بَعۡضَهُمۡ عَلَىٰ بَعۡضٖۘ

Dat zijn de Boodschappers van wie Wij sommigen boven de anderen hebben uitverkoren;...” (al-Baqarah: 253). Uit deze ḥadīth begrijpen wij dat onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) met deze uitspraak bescheidenheid heeft getoond, en dat alle profeten gezonden zijn door Allāh en gelijkwaardig zijn in dat opzicht.)] (AFK)

١٥٣٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَنْبَغِي لِعَبْدٍ أَنْ يَقُولَ أَنَا خَيْرٌ مِنْ يُونُسَ بْنِ مَتَّى وَنَسَبَهُ إِلَى أَبيهِ1537 – Van Ibn ‘Abbaas رضي الله عنهما: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het past een dienaar niet om te zeggen: ‘Ik ben beter dan Yūnus, zoon van Mattā’.”En hij vermeldde hem met de naam van zijn vader.

De voortreffelijkheid van Yūsuf (عليه السلام)من فضائل يوسف ﵇

١٥٣٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قِيلَ يَا رَسُولَ اللهِ مَنْ أَكْرَمُ النَّاسِ قَالَ: أَتْقَاهُمْ فَقَالُوا: لَيْسَ عَنْ هذَا نَسْأَلُكَ قَالَ: فَيُوسُفُ نَبِيُّ اللهِ ابْنُ نَبِيِّ اللهِ ابْنِ نَبِيِّ اللهِ ابْنِ خَلِيلِ اللهِ قَالُوا: لَيْسَ عَنْ هذَا نَسْأَلُكَ قَالَ: فَعَنْ مَعَادِنِ الْعَرَبِ تَسْأَلُونَ خِيَارُهُمْ فِي الْجَاهِلِيَّةِ خِيَارُهُمْ فِي الإِسْلاَمِ إِذَا فَقُهُوا

1538 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Er werd gezegd: “O Rasûlullāh, wie is de meest eervolle onder de mensen?”Hij antwoordde: “Degene met de meeste godsvrucht (taqwā) onder hen.”- “Daarover vragen wij u niet.”- “Dan is het Yūnus, NabieAllah, zoon van NabieAllah (Yaq`kub), zoon van NabieAllah (Ishāq), zoon van Khalīlullah (de Vriend van Allāh: Ibrahim).”- “Daarover vragen wij u ook niet.”- “Jullie vragen dan naar de afkomst van de Arabieren: de besten van hen in de jāhiliyyah periode zijn ook de besten van hen in de Islām, indien zij inzicht hebben (in de godsdienst).”

[Onder de Arabieren uit de tijd van de jāhiliyyah was het wijdverbreid dat men zich bezighield met racistische opvattingen en zich met hun afstamming en afkomst opschepte om zich superieur te voelen.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde alle wereldse maatstaven voor superioriteit terzijde en koppelde de waarde van een mens aan zijn toewijding aan Allāh en de diepgang van zijn bewustzijn van het dienen van Hem. Zelfs degenen die vóór de Islām bekend stonden om hun mooie karakter en prominente positie in de samenleving, zouden alleen als waardevol en voortreffelijk blijven als zij in Allāh geloofden, de Islām begrepen en naar Zijn leiding leefden. ] (Diyanet)

De voortreffelijkheid van al-Khiḍr (عليه السلام)من فضائل الخضر ﵇

١٥٣٨ - حديث أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: قَامَ مُوسى النَّبِيُّ خَطِيبًا فِي بَنِي إِسْرَائِيلَ، فَسُئِلَ: أَيُّ النَّاسِ أَعْلَمُ فَقَالَ: أَنَا أَعْلَمُ فَعَتَبَ اللهُ عَلَيْهِ إِذْ لَمْ يَرُدَّ الْعِلْمَ إِلَيْهِ فَأَوْحى اللهُ إِلَيْهِ أَنَّ عَبْدًا مِنْ عِبَادِي بِمَجْمَعِ الْبَحْرَيْنِ هُوَ أَعْلَمُ مِنْكَ قَالَ: يَا رَبِّ وَكَيْفَ بِهِ فَقِيلَ لَهُ: احْمِلْ حُوتًا فِي مِكْتَلٍ، فَإِذَا فَقَدْتَهُ فَهُوَ ثَمَّ فَانْطَلَقَ، وَانْطَلَقَ بِفَتَاهُ يُوشَعُ بْنِ نُونٍ، وَحَمَلاَ حُوتًا فِي مِكْتَلٍ، حَتَّى كَانَا عِنْدَ الصَّخْرَةِ، وَضَعَا رُؤُوسَهُمَا وَنَامَا فَانْسَلَّ الْحُوتُ مِنَ الْمِكْتَلِ فَاتَّخَذَ سَبِيلَهُ فِي الْبَحْرِ سَرَبًا وَكَانَ لِمُوسى وَفَتَاهُ عَجَبًا فَانْطَلَقَا بَقِيَّةَ لَيْلَتِهِمَا وَيَوْمَهُمَا فَلَمَّا أَصْبَحَ، قَالَ مُوسى لِفَتَاهُ: آتِنَا غَدَاءَنَا، لَقَدْ لَقِينَا مِنْ سَفَرِنَا هذَا نَصَبًا وَلَمْ يَجِدْ مُوسى مَسًّا مِنَ النَّصَبِ حَتَّى جَاوَزَ الْمَكَانَ ⦗١٢١⦘ الَّذِي أُمِرَ بِهِ فَقَالَ لَهُ فَتَاهُ: أَرَأيْتَ إِذْ أَوَيْنَا إِلَى الصَّخْرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ الْحُوتَ قَالَ مُوسى: ذلِكَ مَا كُنَّا نَبْغِي فَارْتَدَّا عَلَى آثَارِهِمَا قَصَصًا فَلَمَّا انْتَهَيَا إِلَى الصَّخْرَةِ، إِذَا رَجُلٌ مُسَجًى بِثَوْبٍ (أوْ قَالَ تَسَجَّى بِثَوْبِهِ) فَسَلَّمَ مُوسى فَقَالَ الْخَضِرُ: وَأَنَّى بِأَرْضِكَ السَّلاَمُ فَقَالَ: أَنَا مُوسى فَقَالَ:

مُوسى بَنِي إِسْرَائِيلَ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: هَلْ أَتَّبِعُكَ عَلَى أَنْ تُعَلِّمَنِي مِمَّا عُلِّمْتَ رُشْدًا قَالَ إِنَّكَ لَنْ تَسْتَطِيعَ مَعِي صَبْرًا يَا مُوسى إِنِّي عَلَى عِلْمٍ مِنْ عِلْمِ اللهِ عَلَّمَنِيهِ لاَ تَعْلَمُهُ أَنْتَ، وَأَنْتَ عَلَى عِلْمٍ عَلَّمَكَهُ لاَ أَعْلَمُهُ قَالَ: سَتَجِدُنِي إِنْ شَاءَ اللهُ صَابِرًا وَلاَ أَعْصِي لَكَ أمْرًا فَانْطَلَقَا يَمْشِيَانِ عَلَى سَاحِلِ الْبَحْرِ، لَيْسَ لَهُمَا سَفِينَةٌ فَمَرَّتْ بِهِمَا سَفِينَةٌ، فَكَلَّمُوهُمْ أَنْ يَحْمِلُوهُمَا، فَعُرِفَ الْخَضِرُ، فَحَمَلُوهُمَا بِغَيْرِ نَوْلٍ فَجَاءَ عُصْفُورٌ فَوَقَعَ عَلَى حَرْفِ السَفِينَةِ، فَنَقَرَ نَقْرَةً أَوْ نَقْرَتَيْنِ فِي الْبَحْرِ فَقَالَ الْخَضِرُ: يَا مُوسى مَا نَقَصَ عِلْمِي وَعِلْمُكَ مِنْ عِلْمِ اللهِ إِلاَّ

كَنَقْرَةِ هذَا الْعُصْفُورِ فِي الْبَحْرِ فَعَمَدَ الْخَضِرُ إِلَى لَوْحٍ مِنْ أَلْوَاحِ السَّفِينَةِ فَنَزَعَهُ فَقَالَ مُوسى: قَوْمٌ حَمَلُونَا بِغَيْرِ نَوْلٍ، عَمَدْتَ إِلَى سَفِينَتِهِمْ فَخَرَقْتَهَا لِتُغْرِقَ أَهْلَهَا قَالَ: أَلَمْ أَقُلْ إِنَّكَ لَنْ تَسْتَطِيعَ مَعِي صَبْرًا قَالَ: لاَ تُؤَاخِذْنِي بِمَا نَسِيتُ فَكَانَتِ الأُولَى مِنْ مُوسى نِسْيَانًا فَانْطَلَقَا، فَإِذَا غُلاَمٌ يَلْعَبُ مَعَ الغِلْمَانِ، فَأَخَذَ الْخَضِرُ بِرَأْسِهِ مِنْ أَعْلاَهُ فَاقْتَلَعَ رَأْسَهُ بِيَدِهِ فَقَالَ مُوسى: أَقَتَلْتَ نَفْسًا زَكِيَّةً بَغَيْرِ نَفْسٍ قَالَ: أَلَمْ أَقُلْ لَكَ إِنَّكَ لَنْ تَسْتَطِيعَ مَعِي صَبْرًا فَانطَلَقَا حَتَّى إِذَا أَتَيَا أَهْلَ قَرْيَةٍ اسْتَطْعَمَا أَهْلَهَا، فَأَبَوْا أَنْ يُضَيِّفُوهُمَا، فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارًا يُرِيدُ أَنْ يَنْقَضَّ، فَأَقَامَهُ قَالَ الْخَضِرُ بِيَدِهِ فَأَقَامَهُ فَقَالَ لَهُ مُوسى: لَوْ شِئْتَ لاَتَّخَذْتَ عَلَيْهِ أَجْرًا قَالَ: هذَا فِرَاقُ بَيْنِي وَبَيْنِكَ قَالَ النَبِيُّ ﷺ: يَرْحَمُ اللهُ مُوسى لَوَدِدْنَا لَو صَبَرَ حَتَّى يُقَصَّ عَلَيْنَا مِنْ أَمْرِهِمَا

1539 –Sa`īd ibn Jubayr (رضي الله عنه) zei (Ibn Abbas رضي الله عنهما meldde dat Nawf al-Bakalī beweerde dat de Mûsâ عليه السلام die met Khiḍr عليه السلام was, niet dezelfde Mûsâ عليه السلام was die naar de Israëlieten was gestuurd, maar een andere Mûsâ Ibn Abbas antwoordde: “De vijand van Allāh liegt.” Van Ubay ibn Kaʿb (رضي الله عنه): an-Nabī zei: Nabī Mūsā (عليه السلام) stond op om een preek (khutba) voor Banī Isrā`īl te geven. Hij werd toen gevraagd: “Wie is de meest geleerde onder de mensen?” Hij antwoordde: “Ik ben de meest geleerde (onder de mensen).” Daarop verweet Allāh hem omdat hij de kennis niet aan Allāh had toegeschreven. Toen openbaarde Allāh aan hem: “Een van Mijn dienaren bij de plaats waar de twee zeeën samenkomen, is geleerder dan jij.”Hij zei: “O mijn Rab, hoe kan ik hem bereiken?”Er werd tegen hem gezegd: “Neem een vis mee in een (grote) mand. Wanneer je de vis verliest, daar zul je hem vinden.”Dus vertrok hij samen met zijn dienaar Yûsha` ibn Nûn, en zij namen een vis mee in een mand. (Terwijl ze over zee reisden en de plaats bereikten waar de twee zeeën samenkomen) kwamen zij bij de rots aan en legden zij hun hoofd neer en sliepen. De vis glipte uit de mand en vond zijn weg naar de zee, (als) in een tunnel. Dit verbaasde Mūsā en zijn dienaar.Zij gingen door de rest van de nacht en de volgende dag. Toen het ochtend werd, zei Mūsā tegen zijn dienaar: “Breng ons ons eten, want we zijn moe geworden van deze reis.” En Mūsā voelde geen vermoeidheid totdat hij de plaats voorbijging waar hij had moeten stoppen.Zijn dienaar zei: “Zie je toen wij bij de rots schuilden vergat ik de vis te noemen.”Mūsā zei: “Dat is wat we zochten!” En ze keerden op hun schreden terug, hun sporen volgend.Toen zij bij de rots aankwamen, zagen zij een man gehuld in een kledingstuk (of hij had zichzelf met zijn kleding bedekt). Mūsā gaf hem salām.

Khiḍr zei: Waar komt deze begroeting vandaan, die in deze streken niet bekend is?Mūsā zei: “Ik ben Mūsā.”Khiḍr vroeg: “Mūsā van Banī Isrā`īl?”Hij zei: “Ja.”Toen zei hij (Mūsā: “Mag ik je volgen opdat je mij iets leert van wat jou als rechte leiding geleerd is?”Khiḍr zei: “Voorwaar, jij zult geen geduld met mij kunnen hebben, O Mūsā! Ik heb kennis van Allāh gekregen die jij niet hebt, en jij hebt kennis gekregen die ik niet heb.”Mūsā zei: “Als Allāh het wil, zul je mij geduldig vinden, en ik zal tegen jouw bevel niet ingaan.”Ze vertrokken en daar ze geen boot hadden liepen ze langs de kust van de zee. Zij hadden geen boot. Een schip voer langs hen, en zij vroegen of ze mee mochten varen. Ze herkenden Khiḍr en namen hen aan boord zonder vergoeding.Toen landde er een vogel op de rand van het schip en pikte één of twee keer in het water. Khiḍr zei: “O Mūsā, jouw kennis en de mijne zijn vergeleken met de kennis van Allāh slechts als deze ene of twee druppels water die deze vogel uit de zee neemt.”Toen verwijderde Khiḍr een plank uit het schip. Mūsā zei: “Deze mensen hebben ons meegenomen zonder vergoeding, en jij beschadigt hun schip om hen te laten zinken?”Hij zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”Mūsā zei: “Neem mij niet kwalijk vanwege wat ik vergat.”Dat was de eerste fout van Mūsā uit vergetelheid.

Zij gingen verder en vonden een jongen die met andere jongens speelde. Khiḍr greep hem bij zijn hoofd en rukte het met zijn hand eraf.

Mūsā zei: “Heb je een onschuldig ziel gedood zonder dat hij een ander heeft gedood?”Khiḍr zei: “Heb ik je niet gezegd dat je geen geduld met mij zult kunnen hebben?”(De overleveraar zei: Dit antwoord was strenger dan het vorige.)(Mûsâ zei: “Als ik je daarna nog iets vraag, houd mij dan niet gezelschap. Je hebt dan een geldig excuus van mijn kant.”)Zij trokken verder tot zij bij de bewoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om voedsel, maar zij weigerden hen gastvrij te ontvangen. Toen vonden zij daar een muur die op het punt van instorten stond. Khiḍr herstelde hem met zijn eigen hand.Mūsā zei: “Als je wilde, had je er een vergoeding voor kunnen vragen.”Toen zei al-Khiḍr: “Dit is het moment waarop onze wegen zich scheiden.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh Mūsā genadig zijn! Wij zouden graag gewild hebben dat hij geduld had getoond, zodat wij meer van hun verhaal zouden hebben gehoord.”Appendix 15: Is al-Khiḍr in leven of dood

[Wat we hieruit begrijpen, is dat de kennis van Allāh zó groot is, dat het menselijke verstand te boven gaat. Achter zaken die wij als onprettig beschouwen, kunnen zich diepe wijsheden en verfijnde bedoelingen schuilhouden. Over de identiteit, het leven en het overlijden van Khiḍr (عليه السلام), die volgens het verhaal Mūsā (عليه السلام) heeft ontmoet, vinden we in de Qur'ān noch in authentieke aḥadīth gedetailleerde informatie. In een ḥadīth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Khiḍr zat op een dor en wit stuk grond. Wanneer hij opstond, groeiden daar onmiddellijk golvende groene gewassen. Daarom wordt hij Khiḍr (de Groene) genoemd.” (al-Bukhārī, Kitāb al-Anbiyā: 27; at-Tirmidzī, Tafsīr: al-Kahf)Afgezien van deze ḥadīth vinden we in betrouwbare bronnen geen correcte informatie over zijn afstamming, identiteit of naam. De berichten die daarover wel circuleren zijn ongegrond en vallen eerder onder legenden dan onder geverifieerde kennis.

Aan dergelijke verzinsels zonder religieuze basis moet geen waarde worden gehecht.](AFK)

[In het verhaal van Mūsā (عليه السلام) en Khiḍr (عليه السلام) zitten lessen en leringen voor ons: Waarlijk, Allāh doet in Zijn koninkrijk wat Hij wil. Hij oordeelt onder Zijn dienaren zoals Hij wil over wat schadelijk en wat nuttig is. Het verstand speelt geen rol in Zijn daden en oordelen. Wat de dienaar past, is tevredenheid tonen en zich overgeven. Zo is het ook dat het verstand tekortschiet bij sommige zaken die verband houden met de Heerschappij van Allahu تعالى )].(HY)

Hieronder het voorgaande verhaal in de Qur’ān:

وَإِذۡ قَالَ مُوسَىٰ لِفَتَىٰهُ لَآ أَبۡرَحُ حَتَّىٰٓ أَبۡلُغَ مَجۡمَعَ ٱلۡبَحۡرَيۡنِ أَوۡ أَمۡضِيَ حُقُبٗا ٦٠(En gedenk) toen Mūsā tegen zijn jonge knecht zei: “Ik zal het (reizen) niet opgeven tot ik de samenvloeiing van de twee zeeën bereik, al moet ik eeuwenlang doorgaan.”

فَلَمَّا بَلَغَا مَجۡمَعَ بَيۡنِهِمَا نَسِيَا حُوتَهُمَا فَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ سَرَبٗا ٦١Maar toen zij de samenvloeiing van de twee zeeën bereikten, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.

فَلَمَّا جَاوَزَا قَالَ لِفَتَىٰهُ ءَاتِنَا غَدَآءَنَا لَقَدۡ لَقِينَا مِن سَفَرِنَا هَٰذَا نَصَبٗا ٦٢En toen zij verder waren gegaan, zei Mūsā tegen zijn jonge knecht: “Breng ons eten, (de vis) waarlijk, wij zijn erg moe geworden van deze zware reis.”

قَالَ أَرَءَيۡتَ إِذۡ أَوَيۡنَآ إِلَى ٱلصَّخۡرَةِ فَإِنِّي نَسِيتُ ٱلۡحُوتَ وَمَآ أَنسَىٰنِيهُ إِلَّا ٱلشَّيۡطَٰنُ أَنۡ أَذۡكُرَهُۥۚ وَٱتَّخَذَ سَبِيلَهُۥ فِي ٱلۡبَحۡرِ عَجَبٗا ٦٣Hij zei: “Weet je nog dat wij onszelf bij die rots hebben neergelegd? Waarlijk, ik was de vis beslist vergeten en niemand anders dan Satan heeft mij doen vergeten te herinneren. Het heeft zijn weg op een vreemde (manier) naar de zee gevonden!”

قَالَ ذَٰلِكَ مَا كُنَّا نَبۡغِۚ فَٱرۡتَدَّا عَلَىٰٓ ءَاثَارِهِمَا قَصَصٗا ٦٤(Mūsā) zei: “Dat is waar wij naar gezocht hebben.” Dus keerden zij in hun voetstappen terug.

فَوَجَدَا عَبۡدٗا مِّنۡ عِبَادِنَآ ءَاتَيۡنَٰهُ رَحۡمَةٗ مِّنۡ عِندِنَا وَعَلَّمۡنَٰهُ مِن لَّدُنَّا عِلۡمٗا ٦٥Toen vonden zij één van Onze dienaren, die Wij Onze genade hadden gegeven, en die Wij in Onze kennis onderwezen hadden.

قَالَ لَهُۥ مُوسَىٰ هَلۡ أَتَّبِعُكَ عَلَىٰٓ أَن تُعَلِّمَنِ مِمَّا عُلِّمۡتَ رُشۡدٗا ٦٦Mūsā zei tegen hem (Khiḍr): “Mag ik je volgen, zodat jij mij iets kunt leren van die kennis die jou onderwezen is?”

قَالَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٦٧Hij (Khiḍr) zei: “Waarlijk! Jij zult niet in staat zijn om geduld met mij te hebben!

وَكَيۡفَ تَصۡبِرُ عَلَىٰ مَا لَمۡ تُحِطۡ بِهِۦ خُبۡرٗا ٦٨En hoe kun je nu geduld hebben over iets waar je geen kennis van hebt?”

قَالَ سَتَجِدُنِيٓ إِن شَآءَ ٱللَّهُ صَابِرٗا وَلَآ أَعۡصِي لَكَ أَمۡرٗا ٦٩Mūsā zei: “Als Allāh het wil zult je mij geduldig vinden en ik zal jou niet in het minste ongehoorzaam zijn.”

قَالَ فَإِنِ ٱتَّبَعۡتَنِي فَلَا تَسۡـَٔلۡنِي عَن شَيۡءٍ حَتَّىٰٓ أُحۡدِثَ لَكَ مِنۡهُ ذِكۡرٗا٧٠Hij zei: “Volg mij dan, maar vraag mij niet tot ik het zelf bij jou ter berde breng.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا رَكِبَا فِي ٱلسَّفِينَةِ خَرَقَهَاۖ قَالَ أَخَرَقۡتَهَا لِتُغۡرِقَ أَهۡلَهَا لَقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـًٔا إِمۡرٗا ٧١Dus gingen zij beiden verder tot zij in het schip waren en hij liet het zinken. Mūsā zei: “Heb je het laten zinken zodat haar bemanning zou verdrinken?” Waarlijk, jij hebt iets kwaads verricht.

قَالَ أَلَمۡ أَقُلۡ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٢Hij zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou kunnen hebben?”

قَالَ لَا تُؤَاخِذۡنِي بِمَا نَسِيتُ وَلَا تُرۡهِقۡنِي مِنۡ أَمۡرِي عُسۡرٗا ٧٣(Mūsā) zei: “Roep mij niet ter verantwoording voor wat ik vergeten ben, en maak het mij niet moeilijk.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَا لَقِيَا غُلَٰمٗا فَقَتَلَهُۥ قَالَ أَقَتَلۡتَ نَفۡسٗا زَكِيَّةَۢ بِغَيۡرِ نَفۡسٖ لَّقَدۡ جِئۡتَ شَيۡـٔٗا نُّكۡرٗا ٧٤Toen gingen zij beiden verder, tot zij een jongen tegenkwamen, en hij hem doodde. Mūsā zei: “Heeft u een onschuldig persoon gedood die niemand vermoord heeft? Waarlijk, u heeft een vreselijke daad verricht.” ۞

۞ قَالَ أَلَمۡ أَقُل لَّكَ إِنَّكَ لَن تَسۡتَطِيعَ مَعِيَ صَبۡرٗا ٧٥(Khiḍr) zei: “Heb ik je niet verteld dat je geen geduld met mij zou hebben?”

قَالَ إِن سَأَلۡتُكَ عَن شَيۡءِۭ بَعۡدَهَا فَلَا تُصَٰحِبۡنِيۖ قَدۡ بَلَغۡتَ مِن لَّدُنِّي عُذۡرٗا ٧٦(Mūsā) zei: “Als ik je hierna over iets vraag, houdt mij dan niet in jouw gezelschap, je hebt al een verontschuldiging van mij gekregen.”

فَٱنطَلَقَا حَتَّىٰٓ إِذَآ أَتَيَآ أَهۡلَ قَرۡيَةٍ ٱسۡتَطۡعَمَآ أَهۡلَهَا فَأَبَوۡاْ أَن يُضَيِّفُوهُمَا فَوَجَدَا فِيهَا جِدَارٗا يُرِيدُ أَن يَنقَضَّ فَأَقَامَهُۥۖ قَالَ لَوۡ شِئۡتَ لَتَّخَذۡتَ عَلَيۡهِ أَجۡرٗا ٧٧Toen gingen zij beiden verder tot zij bij de inwoners van een stad kwamen. Zij vroegen hen om eten, maar zij weigerden hen gastvrijheid te verlenen. Toen vonden zij een muur die bijna omviel en hij (Khiḍr) repareerde hem. (Mūsā) zei: “Als jij gewild had, waarlijk je had daar loon voor kunnen vragen!”

قَالَ هَٰذَا فِرَاقُ بَيۡنِي وَبَيۡنِكَۚ سَأُنَبِّئُكَ بِتَأۡوِيلِ مَا لَمۡ تَسۡتَطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرًا ٧٨(Khiḍr) zei: “Dit is het moment tussen mij en jou om afscheid te nemen en het moment waarop ik je de uitleg van (die) zaken geef waarmee jij niet in staat was geduld te hebben.

أَمَّا ٱلسَّفِينَةُ فَكَانَتۡ لِمَسَٰكِينَ يَعۡمَلُونَ فِي ٱلۡبَحۡرِ فَأَرَدتُّ أَنۡ أَعِيبَهَا وَكَانَ وَرَآءَهُم مَّلِكٞ يَأۡخُذُ كُلَّ سَفِينَةٍ غَصۡبٗا ٧٩Wat het schip betreft: die behoorde aan arme mensen die op zee hun brood verdienden. Ik wilde haar onbruikbaar maken, want hun koning komt alle schepen met geweld in beslag nemen.

وَأَمَّا ٱلۡغُلَٰمُ فَكَانَ أَبَوَاهُ مُؤۡمِنَيۡنِ فَخَشِينَآ أَن يُرۡهِقَهُمَا طُغۡيَٰنٗا وَكُفۡرٗا ٨٠Wat de (vermoorde) jongen betreft, zijn ouders waren gelovigen en wij waren bang dat hij (op latere leeftijd door zijn onwetendheid) hen (vanwege hun kinderliefde) zou overhalen tot opstandigheid en ongeloof.

فَأَرَدۡنَآ أَن يُبۡدِلَهُمَا رَبُّهُمَا خَيۡرٗا مِّنۡهُ زَكَوٰةٗ وَأَقۡرَبَ رُحۡمٗا ٨١Onze bedoeling (voor zijn moord) was dat hun Heer hem zou vervangen door een betere zoon, die rechtvaardiger en godvrezender is, en (daarmee) onder Onze genade valt (ten gunste van zijn ouders).

وَأَمَّا ٱلۡجِدَارُ فَكَانَ لِغُلَٰمَيۡنِ يَتِيمَيۡنِ فِي ٱلۡمَدِينَةِ وَكَانَ تَحۡتَهُۥ كَنزٞ لَّهُمَا وَكَانَ أَبُوهُمَا صَٰلِحٗا فَأَرَادَ رَبُّكَ أَن يَبۡلُغَآ أَشُدَّهُمَا وَيَسۡتَخۡرِجَا كَنزَهُمَا رَحۡمَةٗ مِّن رَّبِّكَۚ وَمَا فَعَلۡتُهُۥ عَنۡ أَمۡرِيۚ ذَٰلِكَ تَأۡوِيلُ مَا لَمۡ تَسۡطِع عَّلَيۡهِ صَبۡرٗا ٨٢Wat de muur betreft: deze behoorde toe aan de twee weesjongens in de stad. Onder (deze muur) bevond zich een (verborgen)” schat die hen (rechtmatig) toebehoorde; en (vanwege het feit dat) hun vader een rechtschapen man was (zorgde Allāh niet alleen voor de bescherming van de kinderen maar ook voor het geheim van de schat want) het was de bedoeling van jouw Heer dat zij zouden opgroeien tot ze de volwassenheid hadden bereikt (om dan vervolgens) de schat op te graven als een genade van jullie Heer. Ik deed het niet op eigen gezag. Dit is de uitleg over hetgeen waarvoor jij geen geduld kon opbrengen.” .”(Surah al-Kahf: 60-82)

كتاب فضائل الصحابةKitabu’l fadāika’s sahābah: Het boek van de voortreffelijkhedenvan de sahābah[De metgezellen (aṣ-Ṣaḥābah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

Degenen die in an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geloofden, hem zagen en stierven als moslim, worden de metgezellen (aṣṣaḥābah) genoemd.

Taalkundig is het woord aṣḥāb het meervoud van ṣāḥib, wat “vriend” of “gezelschap” betekent. In islamitische terminologie verwijst het naar “de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)”, en in bredere zin naar alle gelovigen die Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben gezien. De termen ṣaḥābī (enkelvoud) en ṣaḥābah (meervoud) hebben dezelfde betekenis.

Om als een ṣaḥābī beschouwd te worden, is het vereist dat men, al is het maar kort, Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ontmoet. Daarom worden degenen die tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leefden, in hem geloofden, maar hem nooit ontmoetten, zelfs al schreven of correspondeerden zij met hem, niet tot de metgezellen gerekend.

Een voorbeeld hiervan is de beroemde koning van Abessinië, an-Najāshī (رضي الله عنه). Hoewel hij in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leefde, in hem geloofde en hem steunde, wordt hij niet tot de metgezellen gerekend, omdat hij hem niet persoonlijk ontmoette.

De ṣaḥābah (رضي الله عنهم), de edele metgezellen en trouwe vrienden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), hebben in grote mate geprofiteerd van zijn gezelschap en van zijn voorbeeldige persoonlijkheid. Zij probeerden met uiterste toewijding te leven zoals hij dat wenste, als ware gelovigen, met zuivere harten en oprechte daden. Zij offerden hun leven en bezittingen op voor de versterking en verspreiding van de Islām. Op deze weg schuwden zij niets, zelfs niet de dood. Zij hielden van Allah en Zijn Boodschapper meer dan van hun kinderen, hun bezittingen en zelfs hun eigen leven. Zij verlieten zonder aarzeling huis en haard (Hijrah), offerden hun bloed op weg van Allah.

De voortreffelijkheid van de ṣaḥābah blijkt dan ook uit hun nabijheid tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en uit hun trouw aan zijn missie.

Daarom worden zij op vele plaatsen in de Qur’ān al-Karīm geprezen door Allāh , en in talloze aḥādīth door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

De wahy die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van Allah ontving, onderwees hij en paste toe in zijn leven. Enkel via betrouwbare aḥadīth van de metgezellen konden ze worden doorgegeven aan de latere generaties van moslims. Dan wordt het duidelijk waarom de ṣaḥābah werkelijk de lof en het respect verdienen waarmee zij in de Islām worden genoemd.

Feḍāʾil aṣ-Ṣaḥābah

De term Feḍāʾil aṣ-Ṣaḥābah betekent “de voortreffelijkheden van de metgezellen” en wordt gebruikt voor het geheel van aḥadīth, werken en literatuur die hun deugden en bijzondere verdiensten behandelen.

In de bronnen komt deze uitdrukking ook voor in varianten zoals:

Feḍāʾil al-Aṣḥāb (de voortreffelijkheden van de metgezellen),

Manāqib aṣ-Ṣaḥābah (de lofwaardige eigenschappen van de metgezellen),

Feḍāʾil Aṣḥābi an-Nabī (de voortreffelijkheden van de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم),

Maʿrifat aṣ-Ṣaḥābah (het kennen van de metgezellen).

De bronnen van hun voortreffelijkheid

Tot de zaken die bij de metgezellen als tekenen van voortreffelijkheid worden beschouwd, behoren onder meer:

behoren tot de Ashar-i Mubashsharah (de tien metgezellen die in hun leven met het Paradijs zijn verheugd),

behoren tot de Muhājirūn (de emigranten uit Makkah) of de Anṣār (de helpers uit Madīnah),

behoren tot de Ahl al-Bayt (de familie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)),

deelnemen aan de Slag van Badr,

deelnemen aan de veldslagen van Uḥud en Khandaq (de Greppel),

of aanwezig zijn bij de Bayʿah ar-Riḍwān (de trouwbelofte onder de boom bij al-Ḥudaybiyyah).

Daarnaast behoren ook andere bijzondere kenmerken tot de Feḍāʾil aṣ-Ṣaḥābah, zoals:

door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk met het Paradijs verheugd worden,

behoren tot de eersten die de Islām aannamen,

vervolging en marteling ondergaan omwille van het geloof,

grote financiële offers brengen voor de zaak van Allah,

deelnemen aan één of meerdere veldslagen naast an-Nabī (صلى الله عليه وسلم),en andere daden van uitzonderlijke toewijding en opoffering.

Verschillen in rang

Niet alle metgezellen bezitten echter dezelfde graad van voortreffelijkheid. Hun rang verschilt naar gelang hun vroegheid in de Islām, hun offers en hun nabijheid tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

De muhaddithūn (ḥadīthgeleerden) merkten op dat de verdienste van iemand die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) slechts één keer heeft gezien, niet gelijk is aan die van iemand die zijn hele leven aan zijn dienst heeft gewijd. Daarom hebben zij de ṣaḥābah, rekening houdend met hun volgorde van toetreding tot de Islām, in verschillende niveaus (ṭabaqāt) ingedeeld, volgens sommige geleerden in vijf, volgens anderen in twaalf of zelfs zeventien rangen.] (HA)

Zie ook appendix 12: al-‘Aṣabah

De voortreffelijkheid van Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه)من فضائل أبي بكر الصديق ﵁

١٥٣٩ - حديث أَبِي بَكْرٍ ﵁، قَالَ: قُلْتُ لِلنَّبِيِّ ﷺ، وَأَنَا فِي الْغَارِ، لَوْ أَنَّ أَحَدَهُمْ نَظَرَ تَحْتَ قَدَمَيْهِ لأَبْصَرَنَا فَقَالَ: مَا ظَنُّكَ، يَا أَبَا بَكْرٍ بِاثْنَيْنِ اللهُ ثَالِثُهُمَا

1540 – Van Abū Bakr (رضي الله عنه):[Tijdens de Hijrah (emigratie) van Makkah naar Madînah] zei ik tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl we in de grot (Ṯhawr) waren]: 'Als een van hen onder zijn voeten zou kijken, dan zouden ze ons zeker zien.'Hij zei: ‘Wat denk jij, (o Abā Bakr), van de twee mensen van wie Allāh de derde is?’

[Zijn echte naam was Abdullah b. ʿUthmān b. ʿĀmir b. Kaʿb b. Saʿd b. Taym b. Murrat et-Taymī. In de tijd van de jāhiliyyah werd hij ʿAbd al-Kaʿba genoemd, wat “dienaar van de Kaʿba” betekent. Daarnaast zijn ook andere namen aan hem toegeschreven. Omdat hij van het hellevuur werd bevrijd, kreeg hij de bijnaam Atīq, en omdat hij op de ochtend van de Isra’-nacht als eerste handelde om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te bevestigen, kreeg hij ook de bijnaam as-Ṣiddīq.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم)’s metgezel, Abū Bakr (رضي الله عنه), werd twee jaar na het Olifant-gebeuren in Makkah geboren. Tijdens de jāhiliyyah behoorde hij tot de vooraanstaande Kureyshieten. Hoewel alcohol in die tijd wijdverbreid was, dronk hij nooit. In veel zaken werd zijn advies gevraagd en werd naar zijn mening geluisterd. Zaken zoals boetes, schulden en compensaties die betrekking hadden op zijn stam werden aan hem voorgelegd. Hij was goed bekend met de Arabische genealogie en geschiedenis en was een bekwame handelaar.

Abū Bakr (رضي الله عنه) was de eerste man die de Islām accepteerde. Daarom heeft hij veel moeilijkheden en beproevingen doorstaan. Hij wijdde zichzelf volledig aan het dienen van Allah’s dīn. Velen werden dankzij hem moslim. De meerderheid van de metgezelens die het paradijs werd beloofd, waren door hem tot de Islām geleid.

Abū Bakr (رضي الله عنه) was onder de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) degene die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het meest liefhad. Hij was zowel een vriend van zijn jeugd als zijn trouwe metgezel. Toen Allah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tot profeet koos, stond hij altijd aan zijn zijde als een onafscheidelijke schaduw. In Makkah beschermde hij met zijn bezittingen en leven zowel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als de andere metgezellen. Tijdens de emigratie van Makkah naar Madīnah was hij de reisgenoot van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Kortom: Abū Bakr (رضي الله عنه) stond bekend om zijn moed, daadkracht, standvastigheid en doorzettingsvermogen in alle moeilijke momenten. Hij nam samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deel aan alle oorlogen.] (HA)

١٥٤٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، جَلَسَ عَلَى الْمِنْبَرِ، فَقَالَ: إِنَّ عَبْدًا خَيَّرَهُ اللهُ بَيْنَ أَنْ يُؤْتِيَهُ مِنْ زَهْرَهِ الدُّنْيَا مَا شَاءَ، وَبَيْنَ مَا عِنْدَهُ، فَاخْتَارَ مَا عِنْدَهُ فَبَكَى أَبُو بَكْرٍ، وَقَالَ: فَدَيْنَاكَ بِآبَائِنَا وَأُمَّهَاتِنَا فَعَجِبْنَا لَهُ وَقَالَ النَّاسُ: انْظُرُوا إِلَى هذَا الشَّيْخِ، يُخْبِرُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، عَنْ عَبْدٍ خَيَّرَهُ اللهُ بَيْنَ أَنْ يُؤْتِيَهُ مِنْ زَهْرَةِ الدُّنْيَا وَبَيْنَ مَا عِنْدَهُ، وَهُوَ يَقُولُ: فَدَيْنَاكَ بِآبَائِنَا وَأُمَّهَاتِنَا فَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ هُوَ الْمُخَيّرَ، وَكَانَ أَبُو بَكْرٍ هُوَ أَعْلَمَنَا بِه

وَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ مِنْ أَمَنِّ النَّاسِ عَلَيَّ فِي صُحْبَتِهِ وَمَالِهِ أَبَا بَكْرٍ، وَلَوْ كُنْتُ مُتَّخِذًا خَلِيلًا مِنْ أُمَّتِي لاَتَّخَذْتُ أَبَا بَكْرٍ، إِلاَّ خُلَّةَ الإِسْلاَمِ لا يَبْقَيَنَّ فِي الْمَسْجِد خَوْخَةٌ إِلاَّ خَوْخَةُ أَبِي بَكْرٍ

1541 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):(Vlak voor zijn overlijden) gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (een preek) op de minbar en zei:“Allāh heeft een dienaar de keuze gegeven tussen (het verkrijgen) van de pracht (en praal) van het wereldse leven wat hij maar wil, en (de weldaden) wat bij Allāh is.

En hij koos voor wat bij Allāh is.”Toen begon Abū Bakr te huilen en zei: “Wij offeren onze vaders en moeders voor u op!”Wij waren verbaasd over zijn reactie, en de mensen zeiden: “Kijk naar deze oude man! Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spreekt over een dienaar die tussen het wereldse en het Hiernamaals mocht kiezen, en hij zegt: 'Wij offeren onze vaders en moeders voor u op!'“Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was die dienaar, en Abū Bakr was degene van ons die dat het best begreep.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei vervolgens: “Voorwaar, van de mensen is er niemand die mij met zijn gezelschap en bezittingen meer heeft geholpen dan Abū Bakr. Als ik iemand tot mijn intieme vriend (khalīl) zou nemen uit mijn gemeenschap, dan zou ik Abū Bakr nemen, maar de broederschap (liefde en vriendschap) in de Islām zijn voldoende. Laat geen enkele deur naar de moskee open (oftewel ongeblokkeerd) blijven behalve de deur van Abū Bakr.

[Deur die in de ḥadīth wordt genoemd en die uitkomt op de Masjid an-Nabawī, is het letterlijk een deur die toebehoorde aan bepaalde personen, of is het een symbolische uitdrukking? Dit is niet met zekerheid bekend. Echter, op basis van sommige aḥadīth lijkt het erop dat er daadwerkelijk deuren waren in de moskee die toebehoorden aan bepaalde personen.

Zoals blijkt uit de ḥadīth van Ibn ʿAbbās die door at-Tirmidzī is overgeleverd als een gharīb (zeldzame) ḥadīth (Manāqib: 93), waarin wordt vermeld dat alle deuren van de moskee gesloten moesten worden behalve de deur van Abū Bakr (رضي الله عنه). Hieruit is afgeleid dat hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen onderscheid maakte in liefde tussen zijn metgezellen, de liefde voor Abū Bakr (رضي الله عنه) toch de overhand had.] (AFK)

١٥٤١ - حديث عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، بَعَثَهُ عَلَى جَيْشِ ذَاتِ السَّلاَسِلِ فَأَتَيْتُهُ فَقُلْتُ: أَيُّ النَّاسِ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: عَائِشَةُ فَقُلْتُ: مِنَ الرِّجَالِ قَالَ: أَبُوهَا، قُلْتُ: ثُمَّ مَنْ قَالَ: ثُمَّ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ فَعَدَّ رِجَالًا1542 – Van ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had hem (`Amr ibn al- ʿĀṣ) als bevelhebber gestuurd over het leger van de veldtocht naar Dhāt as-Salāsil (in het jaar 7 na Hijrah). Hij (ʿAmr) zei: “Ik kwam (na de veldtocht) bij hem en vroeg: ‘Wie van de mensen is het meest geliefd bij u?’- ‘ʿĀishah.’- ‘En van de mannen?’- ‘Haar vader.’- ‘En daarna wie?’- ‘Daarna ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb’Vervolgens noemde hij nog andere mannen.”

١٥٤٢ - حديث جُبَيْرِ بْنِ مُطْعِمِ، قَالَ: أَتَتِ امْرَأَةٌ النَّبِيَّ ﷺ فَأَمَرَهَا أَنْ تَرْجِع إِلَيْهِ قَالَتْ: أَرَأَيْتَ إِنْ جِئْتُ وَلَمْ أَجِدْكَ كَأَنَّهَا تَقولُ: الْمَوْتَ قَالَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ: إِنْ لَمْ تَجِدِيني فَأْتِي أَبَا بَكْرٍ1543 – Van Jubayr ibn Muṭʿim (رضي الله عنه):Een vrouw kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij beval haar om later terug te komen.Zij zei: “Wat als ik kom en u niet aantref?”, het is alsof ze de dood bedoelde.Daarop zei hij: “Als je mij niet aantreft, ga dan naar Abū Bakr.”

١٥٤٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: صَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، صَلاَةَ الصُّبْحِ ثُمَّ أَقْبَلَ عَلَى النَّاسِ، فَقَالَ: بَيْنَا رَجُلٌ يَسُوقُ بَقَرَةً إِذْ رَكِبهَا فَضَرَبَهَا فَقَالَتْ: إِنَّا لَمْ نُخْلَقْ لِهذَا؛ إِنَّمَا خُلِقْنَا لِلْحَرْثِ فَقَالَ النَّاسُ: سُبْحَانَ اللهِ بَقَرَةٌ تَكَلَّمُ فَقَالَ: فَإِنِّي أُومِنُ بِهذَا، أَنَا وَأَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ وَمَا هُمَا ثَمَّ وَبَيْنَمَا رَجُلٌ فِي غَنَمِهِ إِذْ عَدَا الذِّئْبُ فَذَهَبَ مِنْهَا بَشَاةٍ، فَطَلَبَ حَتَّى كَأَنَّهُ اسْتَنْقَذَهَا مِنْهُ، فَقَالَ لَهُ الذِّئْبُ: هذَا، اسْتَنْقَذْتَهَا مِنِّي، فَمَنْ لَهَا يَوْمَ السَّبُعِ، يَوْمَ لاَ رَاعِيَ لَهَا غَيْرِي فَقَالَ النَّاسُ: سُبْحَانَ اللهِ ذِئْبٌ يَتَكَلَّمُ قَالَ: فَإِنِّي أُومِنُ بِهذَا أَنَا وَأَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ وَمَا هُمَا ثَمَّ1544 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aṣ-ṣubḥ, daarna keerde hij zich naar de mensen en zei: “Er was eens een man die een os voortdreef.

Toen hij erop ging zitten en hem sloeg, zei de os: ‘Wij zijn niet hiervoor geschapen, wij zijn slechts geschapen voor het ploegen van het land.’De mensen zeiden: ‘Subḥānallāh! Een os die spreekt?!’Hij zei: ‘Voorwaar, ik geloof dit en Abū Bakr en ʿUmar geloven het ook, hoewel zij er op dat moment niet bij waren.’En (hij vervolgde): ‘Een keer gebeurde het dat een wolf een schaap greep.

De herder ging hem achterna en wist het schaap van hem te redden’. Daarop zei de wolf: “Deze heb je van mij gered, maar wie zal haar beschermen op de dag van het roofdier, de dag waarop er geen herder voor haar zal zijn behalve ik?”De mensen zeiden: ‘Subḥānallāh! Een wolf die spreekt?!’Hij zei: ‘Voorwaar, ik geloof dit en Abū Bakr en ʿUmar geloven het ook, hoewel zij er op dat moment niet bij waren’.Abû Salamah zei: ‘Op de dag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit verhaal vertelde, waren Abû Bakr en `Umar niet aanwezig in de gemeenschap’.

De voortreffelijkheid van `Umar (رضي الله عنه)

من فضائل عمر رضي الله تعالى عنه

١٥٤٤ - حديث عَلِيٍّ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: وُضِعَ عُمَرُ عَلَى سَرِيرِهِ، فَتَكَنَّفَهُ النَّاسُ، يَدْعُونَ وَيُصَلُّونَ، قَبْلَ أَنْ يُرْفَعَ، وَأَنَا فِيهِمْ فَلَمْ يَرُعْنِي إِلاَّ رَجُلٌ آخِذٌ مِنْكِبِي؛ فَإِذَا عَلِيٌّ، فَتَرَحَّمَ عَلَى عُمَرَ وَقَالَ: مَا خَلَّفْتَ أَحَدًا أَحَبَّ إِلَيَّ أَنْ أَلْقَى اللهَ بِمِثْلِ عَمَلِهِ مِنْكَ وَايْمُ اللهِ إِنْ كُنْتُ لأَظُنَّ أَنْ يَجْعَلَكَ اللهُ مَعَ صَاحِبَيْكَ، وَحَسِبْتُ أَنِّي كُنْتُ كَثِيرًا أَسْمَع النَّبِيَ ﷺ، يَقُولُ: ذَهَبْتُ أَنَا وَأَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ، وَدَخَلْتُ أَنَا وَأَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ، وَخَرَجْتُ أَنَا وَأَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ

1545 - Van `Alī via Ibn `Abbās (رضي الله عنهم): Toen `Umar (als martelaar) stierf, werd hij op zijn baar gelegd, en de mensen stonden rondom hem. De mensen baden (duʿā’) voor hem en verrichtten de salāh (al-janāzah) voor hem voordat hij werd begraven. Ook ik was daar. Ik voelde plotseling iemand die mijn schouder vastgreep. Ik keek en het was `Alī. Hij zei, terwijl hij zich barmhartig toewendde naar `Umar: “Er is niemand die je hebt achtergelaten wiens daden ik liever zou willen hebben bij de ontmoeting met Allāh dan die van jou.

Bij Allāh, ik dacht werkelijk dat Allāh jou zou samenbrengen met je twee metgezellen (Rasûlullāh en Abû Bakr).Ik herinner me dat ik vaak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde zeggen: “ Ik was met Abû Bakr en `Umar daar en daar, Ik deed zo en zo met Abû Bakr en `Umar, ik ging samen met Abû Bakr en`Umar daar en daar naar toe.”[`Umar (رضي الله عنه) werd in Makkah geboren, ongeveer vier jaar vóór de Fijār-oorlog. Hij groeide op in een vooraanstaand milieu en kreeg een degelijke opvoeding. In de tijd van de jāhiliyyah behoorde hij tot de invloedrijke groep binnen de Quraysh-stam. In het vijfde jaar na de openbaring van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd hij moslim. Allāhu تَعَالَى versterkte de Islām door middel van hem. Zijn acceptatie van de Islām was een overwinning, zijn Hidjrah (emigratie) een triomf, en zijn overname van het khalifaat een barmhartigheid.

Door de hand van de Zoroastriër Abū Lu’lu’ah werd hij gedood, waardoor hij als martelaar (shahīd) uit deze wereld vertrok naar het Hiernamaals. Hij werd vermoord vier dagen vóór het einde van de maand Dhū al-Ḥijjah in het 23ste jaar na de Hidjrah, en werd begraven op de dag na het verschijnen van de nieuwe maan van Muḥarram, op 1 Muḥarram van het 24ste jaar van de Hidjrah.

Omdat hij de waarheid en de valsheid het duidelijkst van elkaar onderscheidde, kreeg hij de bijnaam al-Fārūq (“degene die onderscheid maakt tussen waarheid en valsheid”).] (HA)

٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: بَيْنَا أَنَا نَائِمٌ رَأَيْتُ النَّاسَ يُعْرَضُونَ عَلَيَّ، وَعَلَيْهِمْ قُمُصٌ، مِنْهَا مَا يَبْلُغُ الثُدِيَّ، وَمِنْهَا مَا دُونَ ذَلِكَ وَعُرِضَ عَلَيَّ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ وَعَلَيْهِ قَمِيصٌ يَجُرُّهُ قَالُوا: فَمَا أَوَّلْتَ ذَلِكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: الدِّينَ1546 - Van Abû Sa`īd al-Khudri رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen ik sliep, zag ik (in mijn droom) mensen die aan mij voorbijgingen, en ze droegen tunieken, sommige tot aan de borst, anderen korter. `Umar ibn al- Khaṭṭāb werd aan mij getoond en hij droeg een tuniek die hij meesleepte. Ze vroegen: ‘Hoe heeft u (deze droom) geïnterpreteerd, O Rasûlullāh ?' Hij antwoordde: 'Het betekent de godsdienst (dīn: Islām).”

١٥٤٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: بَيْنَا أَنَا نَائِمٌ، أُتِيتُ بِقَدَحِ لَبَنٍ، فَشَرِبْتُ حَتَّى إِنِّي لأَرَى الرِّيَّ يَخْرُجُ فِي أَظْفَارِي ثُمَّ أَعْطَيْتُ فَضْلِي عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ قَالُوا: فَمَا أَوَّلْتَهُ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: الْعِلْمَ1547 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'Toen ik sliep, werd ik een kop melk aangeboden, en ik dronk totdat ik duidelijk de dorst voelde verdwijnen uit mijn vingernagels. Toen gaf ik het restant aan `Umar ibn al- Khaṭṭāb.Ze vroegen: Hoe heeft u (deze droom) geïnterpreteerd, o Rasûlullāh ?' Hij antwoordde: 'Het betekent kennis (`ilm).'

١٥٤٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: بَيْنَا أَنَا نَائِمٌ رَأَيْتُنِي عَلَى قَلِيبٍ، عَلَيْهَا دَلْوٌ فَنَزَعْتُ مِنْهَا مَا شَاءَ اللهُ ثُمَّ أَخَذَهَا ابْنُ أَبِي قُحَافَةَ فَنَزَعَ بِهَا ذَنُوبًا أَوْ ذَنُوبَيْنِ وَفِي نَزعِهِ ضَعْفٌ، وَاللهُ يَغْفرُ لَهُ ضَعْفَهُ ثُمَّ اسْتَحَالَتْ غَرْبًا، فَأَخَذَهَا ابْنُ الْخَطَابِ، فَلَمْ أَرَ عَبْقَرِيًّا مِنَ النَّاسِ يَنْزِعُ نَزْعَ عُمَرَ، حَتَّى ضَرَبَ النَّاسُ بَعَطَنٍ

1548 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Terwijl ik lag te slapen, zag ik mezelf bij een waterput staan waarop een emmer hing.

Ik haalde er zoveel water uit als Allāh wilde.Daarna nam de zoon van Abū Quḥāfah (Abū Bakr) de emmer en haalde er één of twee keer water uit, maar zijn optrekken was zwak, en moge Allāh hem vergeven.Vervolgens veranderde de emmer in een grote emmer (met veel water), en toen nam de zoon van al-Khaṭṭāb (ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb) het over. Ik heb nog nooit iemand onder de mensen gezien die zo krachtig en vaardig water putte als ʿUmar, totdat de mensen hun dieren bij de drinkplaats lieten rusten.”

١٥٤٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ ﵄، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: أُرِيتُ فِي الْمَنَامِ أَنِّي أَنْزِعُ بِدَلْوٍ بَكْرَةٍ عَلَى قَلِيبِ فَجَاءَ أَبُو بَكْرٍ، فَنَزَعَ ذَنُوبًا أَوْ ذَنُوبَيْنِ نَزْعًا ضَعِيفًا واللهُ يَغْفِرُ لَهُ، ثُمَّ جَاءَ عُمَرُ بْنُ الخَطَّابِ فَاسْتَحَالَتْ غَرْبًا، فَلَمْ أَرَ عَبْقَرِيًّا يَفْرِي فَرِيَّهُ، حَتَّى رَوِيَ النَّاسُ وَضَرَبُوا بِعَطَنٍ1549 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tijdens de slaap werd mij getoond dat ik water ophaalde met een emmer uit een put met een leren touw. Toen kwam Abū Bakr en hij haalde één of twee emmers op, maar zijn optrekken was zwak, en moge Allāh hem vergeven. Daarna kwam ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb en de emmer veranderde in een zeer grote. Ik heb nog nooit een groot man gezien die zich zo krachtig bewees als hij. De mensen dronken totdat zij verzadigd waren en hun dieren bij de drinkplaats lieten rusten.”

١٥٤٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: دَخَلْت الْجَنَّةَ أَوْ أَتَيْتُ الْجَنَّةَ فَأَبْصَرْتُ قَصْرًا فَقُلْتُ: لِمَنْ هذَا قَالُوا: لِعُمَرَ ابْنِ الْخَطَّابِ فَأَرَدْتُ أَنْ أَدْخُلَهُ، فَلَمْ يَمْنَعْنِي إِلاَّ عِلْمِي بِغَيْرَتِكَ قَالَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ: يَا رَسُولَ اللهِ بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي يَا نَبِيَّ اللهِ أَوَ عَلَيْكَ أَغَارُ1550 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “(In mijn droom) trad ik het Paradijs binnen, of: ik kwam bij het Paradijs aan, en ik zag daar een paleis. Ik vroeg: ‘Van wie is dit?’ Ze zeiden: ‘Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb’Ik wilde binnengaan, maar ik herinnerde me aan jouw jaloezie.”`Umar ibn al-Khaṭṭāb zei: “O Rasûlullāh , moge mijn vader en moeder als losprijs voor u zijn, o NabieAllah zou ik (ooit) jaloers op u kunnen zijn!?”

١٥٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: بَيْنَا نَحْنُ عِنْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، إِذْ قَالَ: بَيْنَا أَنَا نَائِمٌ، رَأَيْتُنِي فِي الْجَنَّةِ فَإِذَا امْرَأَةٌ تَتَوَضَّأُ إِلَى جَانِبِ قَصْرٍ، فَقُلْتُ: لِمَنْ هذَا الْقَصْرُ فَقَالُوا: لِعُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ فَذَكَرْتُ غَيْرَتَهُ فَوَلَّيْتُ مُدْبرًا فَبَكَى عُمَرُ، وَقَالَ: أَعَلَيْكَ أَغَارُ يَا رَسُولَ اللهِ1551 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Wij waren bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij zei:”Terwijl ik lag te slapen, zag ik mijzelf in het Paradijs.

En daar zag ik een vrouw die wudû’ verrichtte naast een paleis.Ik vroeg: ‘Van wie is dit paleis?’ Ze zeiden: ‘Van`Umar ibn al-Khaṭṭāb.Ik herinnerde mij toen zijn (bekende) jaloezie, dus keerde ik me om (en ging weg).Toen begon `Umar te huilen en zei: ‘Zou ik (ooit) jaloers op u kunnen zijn, o Rasûlullāh ?’”

١٥٥١ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، قَالَ: اسْتَأْذَنَ عُمَرُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَعِنْدَهُ نِسَاءٌ مِنْ قُرَيْشٍ يُكَلِّمْنَهُ، وَيَسْكَثِرْنَهُ، عَالِيَةً أَصْوَاتُهُنَّ فَلَمَّا اسْتَأْذَنَ عُمَرُ قُمْنَ يَبْتَدِرْنَ الْحِجَابَ فَأَذِنَ لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ يَضْحَكُ فَقَالَ عُمَرُ: أَضْحَكَ اللهُ سِنَّكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: عَجِبْتُ مِنْ هؤُلاَءِ اللاَّتِي كُنَّ عِنْدِي فَلَمَّا سَمِعْنَ صَوْتَكَ ابْتَدَرْنَ الْحِجَابَ قَالَ عُمَرُ: فَأَنْتَ يَا رَسُولَ اللهِ كُنْتَ أَحَقَّ أَنْ يَهَبْنَ ثُمَّ قَالَ: أَيْ عَدُوَّاتٍ أَنْفُسِهِنَّ أَتَهَبْنَنِي وَلاَ تَهَبْنَ رَسُولَ اللهِ ﷺ قلْنَ: نَعَمْ أَنْتَ أَفَظُّ وَأَغْلَظُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: وَالَّذِي نَفْسِي بَيَدِهِ مَا لَقِيَكَ الشَّيْطَانُ قَطُّ سَالِكًا فَجًّا إِلاَّ سَلَكَ فَجًّا غَيْرَ فَجِّكَ1552 – Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه):`Umar vroeg toestemming om bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen te komen, terwijl er vrouwen van Quraysh bij hem zaten.

Ze spraken met hem en vroegen hem (veel dingen), met luide stemmen.Toen `Umar toestemming vroeg (om binnen te komen), stonden zij haastig op en haastten zich achter het gordijn.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem toestemming, en hij lachte (toen `Umar binnenkwam).`Umar zei: “Moge Allāh uw glimlach blijvend maken.

(Waarom lacht u), o Rasûlullāh .

“Ik verwonderde mij over deze vrouwen die bij mij waren; toen zij jouw stem hoorden, haastten zij zich achter het gordijn,” zei hij.`Umar zei: “Het is passender dat zij zich voor u terughoudend opstellen, o Rasûlullāh !”Daarna zei hij: “(O vrouwen) vijanden van julliezelf! “Jullie tonen geen terughoudendheid tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maar wél tegenover mij? Zij zeiden: “Ja, jij bent (in aanleg en aard) hard en grof maar Rasûlullāh niet.Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is: als de shaytān jou op een steeg zou tegenkomen, dan zou hij zich zeker naar een andere steeg begeven dan waar jij bent binnengelopen.

١٥٥٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: لَمَّا تُوُفِّيَ عَبْدُ اللهِ، جَاءَ ابْنُهُ عَبْدُ اللهِ بْنُ عَبْدِ اللهِ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَسَأَلَهُ أَنْ يُعْطِيَهُ قَمِيصَهُ يُكَفِّنُ فِيهِ أَبَاهُ، فَأَعْطَاهُ ثُمَّ سَأَلَهُ أَنْ يُصَلِّيَ عَلَيْهِ فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لِيُصَلِّيَ، فَقَامَ عُمَرُ فَأَخَذَ بِثَوْبِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ تُصَلِّي عَلَيْهِ وَقَدْ نَهَاكَ رَبُّكَ أَنْ تُصلِّي عَلَيْهِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّمَا خَيَّرَنِي اللهُ فَقَالَ (اسْتَغْفِرْ لَهُمْ أَوْ لاَ تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ إِنْ تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ سَبْعِينَ مَرَّةً) وَسَأَزِيدُهُ عَلَى السَّبْعِينَ قَالَ: إِنَّهُ مُنَافِقٌ قَالَ: فَصَلَّى عَلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَأَنْزَلَ اللهُ (وَلاَ تُصَلِّ عَلَى أَحَدٍ مِنْهُمْ مَاتَ أَبَدًا وَلاَ تَقُمْ عَلَى قَبْرِهِ)1553 – Van `Abdullah ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Toen (de leider van de munafikûn/hypocrieten) `Abdullah (ibn Ubay) overleed, kwam zijn zoon `Abdullah ibn `Abdullah naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem om zijn (eigen) hemd (als kafan: doodskleed) voor zijn vader.

Hij gaf het hem. Daarna vroeg hij hem om de ṣalāh al-janāzah over zijn vader te verrichten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond op om de ṣalāh te verrichten, maar ʿUmar sprong op, pakte het gewaad van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vast en zei: “O Rasûlullāh , ga je voor hem ṣalāh verrichten terwijl uw Rab u heeft verboden om voor hem (hypocriet) te bidden?”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāh heeft mij de keuze gegeven en gezegd:ٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ أَوۡ لَا تَسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ إِن تَسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ سَبۡعِينَ مَرَّةٗ فَلَن يَغۡفِرَ ٱللَّهُ لَهُمۡۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ كَفَرُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡفَٰسِقِينَ ٨٠

Of jij nu vergeving voor hen vraagt of geen vergeving voor hen vraagt, (en zelfs) als jij zeventig maal voor hen vergeving vraagt, Allāh zal hen niet vergeven, want zij waren ongelovig aan Allāh en Zijn Boodschapper. Allāh leidt geen mensen die verdorven zijn.[At-Tawbah (9): 80]En ik zal meer dan zeventig keer om vergeving vragen!”Daarop zei ʿUmar: “Hij was een hypocriet!”Toch verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de salāh (al-janazah) over hem. Toen openbaarde Allāh (het volgende vers):

وَلَا تُصَلِّ عَلَىٰٓ أَحَدٖ مِّنۡهُم مَّاتَ أَبَدٗا وَلَا تَقُمۡ عَلَىٰ قَبۡرِهِۦٓۖ إِنَّهُمۡ كَفَرُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَمَاتُواْ وَهُمۡ فَٰسِقُونَ ٨٤

En bid nooit het begrafenisgebed over een dode van hen en sta niet bij zijn graf. Zeker, zij waren ongelovig aan Allāh en Zijn Boodschapper en zij stierven terwijl zij verdorven waren.[At-Tawbah (9): 84].

[ʿUmar (رضي الله عنه) had een uitzonderlijk vermogen om gebeurtenissen te begrijpen, oplossingen te vinden en vooruit te zien hoe zaken zich zouden ontwikkelen. Hij had een uitstekend inzicht en intuïtie in het voorspellen en vaststellen van juiste doelen.

Zowel tijdens het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als na diens overlijden deed ʿUmar (رضي الله عنه) zeer juiste vaststellingen en nam hij correcte beslissingen.

Volgens aḥadīth waren sommige van zijn juiste inzichten zelfs een aanleiding voor het neerdalen van openbaring (wahy). Hieronder enkele voorbeelden daarvan:

Toen hij verzocht dat de plaats van Ibrāhīm (عليه السلام) als plaats van ṣalāh zou worden genomen, werd hierover de āyah (al-Baqarah: 2/125)neergezonden.

Toen hij wenste dat de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich zouden bedekken, werd hierover de āyah (al-Aḥzāb: 33/59) neergezonden.

Toen de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) jaloers werden, enʿUmar (رضي الله عنه) zei dat, indien an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen zou verlaten, Allah hem betere vrouwen zou schenken, werd hierover de āyah ([at-Taḥrīm: 66/5) neergezonden.

Toen hij verzocht dat de wijn (khamr) verboden zou worden, werden hierover de āyāt (al-Mā’idah: 5/90–91) geopenbaard.

Tijdens de Slag bij Badr, toen hij wilde dat de ongelovige gevangen zouden worden gedood, werd hierover de āyah (al-Anfāl: 8/67–68) neergezonden.

Toen hij tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat hij de ṣalāh al-janāzah niet moest verrichten over de leider der huichelaars ʿAbdullāh ibn Ubayy, werd hierover de āyah (at-Tawbah: 9/84) neergezonden.

In de zaak van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), toen zij onterecht werd beschuldigd, verklaarde ʿUmar (رضي الله عنه) tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zij zuiver was; hierover werd de āyah (an-Nūr: 24/16) neergezonden.

Toen twee mannen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwamen voor een oordeel, en één van hen niet tevreden was met zijn beslissing, ging hij naar Abû Bakr (رضي الله عنه) en vervolgens naar ʿUmar (رضي الله عنه). Deze laatste onthoofdde de man die het oordeel van an-Nabī niet aanvaardde, en daarop werd de āyah (an-Nisā’: 4/65) geopenbaard.

Toen een jood onterend sprak over Jibrīl (عليه السلام) en ʿUmar (رضي الله عنه) hem scherp antwoordde, werd hierover de āyah (al-Baqarah: 2/98) geopenbaard.

Toen hij hoorde dat Allah de mens had geschapen uit het extract van klei en de daaropvolgende stadia beschreef, zei hij: “Geprezen zij Allah, de beste der Scheppers!”, waarop de openbaring van de āyah (al-Mu’minūn: 23/12-14) volgde, waarin precies die woorden staan.

De grote ḥadīthgeleerde Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī zei hierover: “Volgens de aḥadīth hebben wij kennis van vijftien van zulke overeenkomsten van ʿUmar.”

En as-Suyūṭī vermeldt in zijn werk Tārīḫ al-Khulafā’ deze en nog andere voorbeelden.] (HA)

De voortreffelijkheid van ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه)

من فضائل عثمان بن عفان ﵁

١٥٥٣ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: كُنْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فِي حَائِطٍ مِنْ حِيطَانِ الْمَدِينَةِ، فَجَاءَ رَجُلٌ فَاسْتَفْتَحَ، فَقَالَ النَبِيُّ ﷺ: افْتَحْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بِالْجَنَّةِ فَفَتَحْتُ لَهُ، فَإِذَا أَبُو بَكْرٍ، فَبَشَّرْتُهُ بِمَا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، فَحَمِدَ اللهَ ثُمَّ جَاءَ رَجُلٌ فَاسْتَفْتَحَ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: افْتَحْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بَالْجَنَّةِ فَفَتَحْتُ لَهُ، فَإِذَا هُوَ عُمَرُ فَأَخْبَرْتُهُ بِمَا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، فَحَمدَ اللهَ ثُمَّ اسْتَفْتَحَ رَجُلٌ فَقَالَ لِي: افْتَحْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بِالْجَنَّةِ عَلَى بَلْوَى تُصِيبُهُ فَإِذَا عُثْمَانُ فَأَخْبَرْتُهُ بِمَا قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَحَمِدَ اللهَ، ثُمَّ قَالَ: اللهُ الْمُسْتَعَانُ

1554 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Ik was met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een van de tuinen van Madīnah. Er kwam een man die aanklopte (vroeg toestemming om binnen te komen). Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Doe voor hem open en geef hem de blijde tijding van het Paradijs.’Ik deed (de poort) open, en zie: het was Abū Bakr.

Ik gaf hem de blijde tijding zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, en hij dankte Allāh (alhamdulillah).Daarna kwam er weer een man die ook aanklopte, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Doe voor hem open en geef hem de blijde tijding van het Paradijs.’Ik deed open, en zie: het was ʿUmar. Ik vertelde hem wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, en hij dankte Allāh.Toen klopte er weer een man aan. Hij zei tegen mij: ‘Doe voor hem open en geef hem de blijde tijding van het Paradijs, maar (het zal zijn) na een beproeving die hem zal treffen.’En zie: het was ʿUthmān. Ik vertelde hem wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd, en hij dankte Allāh, en zei vervolgens: ‘Allāh is de Helpende/’Allāh is de enige bij wie hulp wordt gezocht.”[De afstamming van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en die van ʿUthmān (رضي الله عنه) komen samen bij hun gemeenschappelijke voorvader ʿAbd Manāf. ʿUthmān (رضي الله عنه) werd genoemd met de bijnaam “Dhū’n-Nūrayn” (De bezitter van twee lichten) omdat hij eerst trouwde met Ruqayyah (رضي الله عنها), de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en na haar overlijden trouwde met diens andere dochter Umm Qulthūm (رضي الله عنها).

ʿUthmān (رضي الله عنه) stond bekend om zijn vrijgevigheid en zelfopoffering. Hij behoorde tot de gelukkigen die hun rijkdom ruimhartig besteedden op weg van de Islām. Hij werd vermoord op de achttiende dag van de maand Dhū’l-Ḥijjah, in het 35ste jaar van de Hidjrah, na de ṣalāh al-ʿAṣr.] (HA)

١٥٥٤ - حديث أَبِي موسى الأَشْعَرِيِّ، أَنَّهُ تَوَضَّأَ فِي بَيْتِهِ ثُمَّ خَرَجَ فَقلْتُ لأَلْزَمَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ وَلأَكُونَنَّ مَعَهُ يَوْمِي هذَا، قَالَ: فَجَاءَ الْمَسْجِدَ فَسَأَلَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالُوا: خَرَجَ وَوَجَّهَ ههُنَا فَخَرَجْتُ عَلَى إِثْرِهِ أَسْأَلُ عَنْهُ حَتَّى دَخَلَ بِئْرَ أَرِيسٍ فَجَلَسْتُ عِنْدَ الْبَابِ، وَبَابهَا مِنْ جَرِيدٍ، حَتَّى قَضى رَسُولُ اللهِ ﷺ، حَاجَتَهُ فَتَوَضَّأَ، فَقُمْتُ إِلَيْهِ، فَإِذَا هُوَ جَالِسٌ عَلَى بِئْرِ أَرِيسٍ، وَتَوَسَّطَ قُفَّهَا، وَكَشَف عَنْ سَاقَيْهِ وَدَلاَّهُمَا فِي الْبِئْرِ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، ثُمَّ انْصَرَفْتُ فَجَلَسْتُ عِنْدَ الْبَابِ فَقُلْتُ لأَكُونَنَّ بَوَّابَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، الْيَوْمَ فَجَاءَ أَبُو بَكْرٍ فَدَفَعَ الْبَابَ، فَقُلْتُ: مَنْ هذَا فَقَالَ: أَبُو بَكْرٍ فَقُلْتُ: عَلَى رِسْلِكَ ثُمَّ ذَهَبْتُ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ هذَا أَبُو بَكْرٍ يَسْتَأذِنُ فَقَالَ: ائْذَنْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بِالْجَنَّةِ فَأَقْبَلْتُ حَتَّى قُلْتُ لأَبِي بَكْر: ادْخُلْ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ يُبَشِّرُكَ بِالْجَنَّةِ فَدَخَلَ أَبُو بَكْرٍ، فَجَلَسَ عَنْ يِمِينِ رَسُولِ اللهِ ﷺ مَعَهُ فِي الْقُفِّ، وَدَلَّى رِجْلَيْهِ فِي الْبِئْرِ، كَمَا صنَعَ النَّبِيُّ ﷺ، وَكَشَفَ عَنْ سَاقَيْهِ ثُمَّ رَجَعْتُ فَجَلَسْتُ، وَقَدْ تَركْتُ أَخِي يَتَوَضَّأُ وَيَلْحَقُنِي فَقُلْتُ: إِنْ يُرِدِ اللهُ بفُلاَنٍ

خيْرًا (يُرِيدُ أَخَاهُ) يَأْتِ بِهِ فَإِذَا إِنْسَانٌ يُحَرّكُ الْبَابَ فَقُلْتُ: مَنْ هذَا فَقَالَ: عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ فَقُلْتُ: عَلَى رِسْلِكَ ثُمَّ جِئْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ

فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، فَقُلْتُ: هذَا عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ يَسْتأْذِن فَقَالَ: ائْذَنْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بِالْجَنَّةِ فَجِئْتُ، فَقُلْتُ: ادْخُلْ، وَبَشَّرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِالْجَنَّةِ فَدَخَلَ فَجَلَسَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فِي الْقُفِّ، عَنْ يَسَارِهِ، وَدَلَّى رِجْلَيْهِ فِي الْبِئْرِ ثُمَّ رَجَعْتُ فَجَلَسْتُ فَقُلْتُ: إِنْ يُرِدِ اللهُ بِفُلاَنٍ خَيْرًا يَأْتِ بِهِ فَجَاءَ إِنْسَانٌ يُحَرِّك الْبَابَ فَقُلْتُ: مَنْ هذَا فَقَالَ: عُثْمَانُ بْنُ عَفَّانَ فَقُلْتُ: عَلَى رِسْلِكَ فَجِئْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَأَخْبَرْتُهُ، فَقَالَ: ائْذَنْ لَهُ وَبَشِّرْهُ بِالْجَنَّةِ، عَلَى بَلْوَى تُصِيبهُ فَجِئْتُهُ، فَقُلْتُ لَهُ: ادْخُلْ، وَبَشَّركَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِالْجَنَّةِ عَلَى بَلْوَى تُصِيبُكَ فَدَخَلَ، فَوَجَدَ الْقُفَّ قَدْ مُلِى َ، فَجَلَسَ وُجَاهَهُ مِنَ الشِّقِّ الآخَر

قَالَ سَعِيدُ بْنُ الْمُسَيَّبِ (رَاوِي الْحَدِيثِ عَنْ أَبِي مُوسى): فَأَوَّلْتهَا قُبُورَهُمْ

1555 – Van Sa`îd ibnu’l-Masayyab via Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنهما) zei, dat hij (Abū Mūsā) in zijn huis wudû’ verrichtte en daarna naar buiten ging, en hij zei: “Ik zei tegen mezelf: 'Vandaag zal ik mij vastklampen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de hele dag met hem samen optrekken.'Hij (Abū Mūsā ) ging naar de moskee en vroeg naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop zij zeiden: “Hij is vertrokken en ging die kant op.”Ik (verliet de moskee) en ging hem achterna, totdat hij bij de waterput in de tuin van Arīs binnenging.Ik ging bij de poort zitten, wier poort van palmvezel was, totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn behoefte had gedaan en wudû’ verrichtte.

Ik kwam naar hem toe, en zie: hij zat op de rand van waterput van Arīs. Hij zat in het midden van de rand, had zijn benen ontbloot en liet ze in de waterput hangen.Ik gaf hem de salām, keerde toen terug en ging weer bij de poort zitten. Ik zei tegen mezelf: “Vandaag zal ik de poortwachter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn.”Toen kwam Abū Bakr en duwde tegen de poort. - “Wie is daar?” - “Abū Bakr.”- “Wacht even.”Toen ging ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Het is Abū Bakr, hij vraagt toestemming om binnen te komen.”- “Sta hem toe binnen te komen en geef hem de blijde tijding van het Paradijs.”Ik keerde terug en zei tegen Abū Bakr: “Kom binnen, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geeft jou de blijde tijding van het Paradijs.”Hij kwam binnen, ging rechts van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten op de rand van de put, liet zijn benen in de put hangen, net zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gedaan, en hij ontblootte ook zijn benen.Daarna keerde ik terug en ging weer zitten. Ik had mijn broer achtergelaten die wudû’ aan het verrichten was en mij zou volgen.

Als Allāh het goede voor heeft met die-en-die (bedoelend zijn broer), zal Hij hem (hierheen) brengen.”Toen kwam er iemand die tegen de poort duwde. - “Wie is daar?” - “ʿUmar ibn al- Khaṭṭāb.” - “Wacht even.”Ik ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem de salām en zei:“Het is ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, hij vraagt toestemming om binnen te komen.”- “Sta hem toe binnen te komen en geef hem de blijde tijding van het Paradijs.”Ik ging naar hem en zei: “Kom binnen, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geeft jou de blijde tijding van het Paradijs.”Hij kwam binnen en ging links van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten op de rand van de put, en hij liet zijn benen in de put hangen.Toen keerde ik terug en ging weer zitten, als Allāh het goede voor heeft met die-en-die, zal Hij hem (hierheen) brengen.”Toen kwam er iemand die tegen de poort duwde. - “Wie is daar?” - “ʿUthmān ibn ʿAffān.”- “Wacht even.”Ik ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en informeerde hem. - “Sta hem toe binnen te komen en geef hem de blijde tijding van het Paradijs, na een beproeving die hem zal treffen.”Ik ging naar hem en zei: “Kom binnen, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geeft jou de blijde tijding van het Paradijs, na een beproeving die jou zal treffen.”Hij kwam binnen, maar vond dat de rand van de put al vol was, dus ging hij tegenover hen zitten, aan de andere kant van de put.Sa`īd ibn al-Mûsāyyib (de overleveraar van deze hadîth van Abū Mūsā) zei: “Ik heb het uitgelegd als een aanduiding van hun graven (het zitten van Abū Bakr rechts van an-Nabī en ʿUmar links van an-Nabī bij de rand van de put als een verwijzing naar hun graf naast Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

De voortreffelijkheid van ʿAlī ibn Abû Ṭālib (رضي الله عنه)

من فضائل عليّ بن أبي طالب ﵁

١٥٥٥ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، أَن رَسُولَ اللهِ ﷺ خَرجَ إِلَى تَبُوكَ، وَاسْتَخْلَفَ عَلِيًّا فَقَالَ: أَتخَلفُنِي فِي الصِّبْيَانِ وَالنِّسَاءِ قَالَ: أَلاَ تَرْضى أَنْ تَكُونَ مِنِّي بِمَنْزِلَةِ هارونَ مِنْ موسى إِلاَّ أَنَّهُ لَيْسَ نَبِيٌّ بَعْدِي

1556 – Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertrok (voor de veldtocht) naar Tabūk en stelde ʿAlī aan als zijn plaatsvervanger (in Madīnah). Daarop zei ʿAlī: “Laat u mij achter bij de vrouwen en de kinderen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ben jij er dan niet tevreden mee dat jij voor mij bent zoals Hārûn (عليهما السلام) voor Mūsā (عليهما السلام), behalve dat er geen profeet na mij zal zijn?”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertrok voor de veldtocht naar Tabūk. Hij vertrok vanuit Madīnah op een donderdag in de maand Rajab van het negende jaar na de Hijrah. Want hij hield ervan om op een donderdag ten strijde te trekken. Dit was de laatste veldtocht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Nadat ʿAlī als plaatsvervanger in Madīnah was achtergelaten, begonnen de hypocrieten te roddelen en zeiden: “Muhammed liet ʿAlī achter vanwege iets dat hij bij hem zag en wat hem niet beviel” Hierop bewapende ʿAlī zich en haalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in bij het gebied Jurf.Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem vroeg naar de reden van zijn komst, vertelde ʿAlī over de roddels. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij hebben gelogen. Ik heb jou aangesteld als plaatsvervanger over degenen die ik achterlaat. Keer terug, en wees mijn plaatsvervanger onder mijn familie en jouw familie. Wil je niet voor mij dan zijn als Hārûn voor Mūsā?

Alleen: na mij zal er geen profeet meer komen.” ʿAlī zei: “O Rasûlullāh , dat is zo.” Vervolgens keerde hij terug naar Madīnah.] (HY)[ʿAlī (رضي الله عنه) behoorde tot de eerste mensen die de Islām aanvaardden. Dat hij op jonge leeftijd moslim werd, had veel te maken met het feit dat hij onder de opvoeding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond. De inwoners van Makkah werden namelijk getroffen door een jaar van hongersnood, en in dat jaar nam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ʿAlī (رضي الله عنه) onder zijn hoede, om zijn vader te ontlasten. Zo groeide ʿAlī (رضي الله عنه) op in het huis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en was voortdurend in zijn nabijheid.

Hij nam deel aan alle veldslagen, met uitzondering van de slag van Tabūk. ʿAlī (رضي الله عنه) trouwde met Fāṭimah (رضي الله عنها), de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en de nakomelingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stammen van hen af.

ʿAlī (رضي الله عنه) was de schoonzoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Op een jonge leeftijd was hij toegewijd aan de Islām en zijn overgave daaraan onevenaard. Daarom had hij een bijzondere positie bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en bij de andere metgezellen. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de slag van Tabūk vertrok, liet hij ʿAlī (رضي الله عنه) in zijn plaats in Madīnah achter.

Toen de munāfiqūn (huichelaars) hem hierover kleineerden, greep ʿAlī (رضي الله عنه) zijn wapens en ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) achterna om hem over hun woorden te informeren. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hem dat dit vergelijkbaar was met hoe Mūsā (عليه السلام), toen hij de Ṭūr-berg beklom om met Allah te spreken, zijn broer Hārūn (عليه السلام) achterliet als zijn plaatsvervanger. Hārūn (عليه السلام) was immers zowel zijn broer als zijn helper, en had een bijzondere positie naast hem. Op dezelfde manier stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ʿAlī (رضي الله عنه) aan op een positie die overeenkomt met die van Hārūn (عليه السلام) bij Mūsā (عليه السلام), een teken van eer, nabijheid en vertrouwen.] (HA)

١٥٥٦ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ، يَوْمَ خَيْبَرَ: لأُعْطِيَنَّ الرَّايَةَ رَجُلًا يَفتَحُ اللهُ عَلَى يَديْهِ فَقَامُوا يَرْجُونَ لِذلِكَ، أَيُّهُمْ يُعْطَى فَغَدَوْا وَكُلُّهُمْ يَرْجُو أَنْ يُعْطِي فَقَالَ: أَيْنَ عَلِيٌّ فَقِيلَ: يَشْتَكِي عَيْنَيْهِ فَأَمَرَ، فَدُعِي لَهُ، فَبَصَقَ فِي عَيْنَيْهِ، فَبَرَأَ مَكَانَهُ حَتَّى كَأَنَّهُ لَمْ يَكُنْ بِهِ شَيْءٌ فَقَالَ: نقَاتِلُهُمْ حَتَّى يَكُونُوا مِثْلَنَا فَقَالَ: عَلَى رِسْلِكَ، حَتَّى تَنْزِلَ بِسَاحَتِهِمْ، ثُمَّ ادْعُهُمْ إِلَى الإِسْلاَمِ، وَأَخْبِرْهُمْ بِمَا يَجِبُ عَلَيْهِمْ، فَوَاللهِ لأَنْ يُهْدَى بِكَ رَجُلٌ وَاحِدٌ خَيْرٌ لَكَ مِنْ حُمْرِ النَّعَمِ1557 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Hij hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van Khaybar zeggen: “Ik zal de vaandel geven aan een man door wiens handen Allāh de overwinning zal schenken.”De mensen (sahābah) stonden klaar in de hoop (dat het over hen zou gaan), ieder van hen hoopte dat hij het zou krijgen.

De volgende ochtend kwamen zij allen bijeen, in de hoop dat het aan hen zou worden gegeven.Toen zei hij: “Waar is ʿAlī?”Er werd gezegd: “Hij heeft last van zijn ogen.”Toen beval hij dat men hem moest roepen. Vervolgens spuwde hij in zijn ogen en ze genazen onmiddellijk, alsof hij niets had gehad.Daarna zei ʿAlī: “Zullen wij hen bevechten totdat zij (moslim) worden zoals wij?”Hij zei: “Doe rustig aan, totdat je hun terrein bereikt. (Begin niet meteen.) Roep hen op tot de Islām en informeer hen over wat hen verplicht is.

Want, bij Allāh, dat Allāh door jou toedoen één persoon (tot de Islām) leidt, is beter voor jou dan (het bezit van) rode kamelen.”

[Deze ḥadīth laat duidelijk zien dat de Islām een religie van schoonheid en eer is, niet van doden en bloedvergieten. Er wordt gezegd: “Nodig hen vóór de strijd uit tot het geloof. Als zij het niet accepteren, strijd dan tegen hen!” En er wordt eraan toegevoegd: “Bij Allah! Dat iemand door jouw hand leiding vindt, is voor jou beter dan het bezit van rode kamelen.”(HY)

١٥٥٧ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ ﵁ قَالَ: كَانَ عَلِيٌّ ﵁ تَخَلَّفَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ فِي خَيْبَرَ، وَكَانَ بِهِ رَمَدٌ فَقَالَ: أَنَا أَتَخَلَّفُ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَخَرَجَ عَلِيٌّ، فَلَحِقَ بِالنَّبِيِّ ﷺ فَلَمَّا كَانَ مَسَاءُ اللَّيْلَةِ الَّتِي فَتَحَهَا فِي صَبَاحِهَا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لأُعْطِيَنَّ الرَّايَةَ أَوْ قَالَ: لَيَأْخُذَنَّ غَدًا رَجُلٌ يُحِبُّهُ اللهُ وَرَسُولُهُ، أَوْ قَالَ: يُحِبُّ اللهَ وَرَسُولَهُ يَفْتَحُ اللهُ عَلَيْهِ فَإِذَا نَحْنُ بِعَلِيٍّ، وَمَا نَرْجُوهُ فَقَالُوا: هذَا عَلِيٌّ فَأَعْطَاهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَفَتَحَ اللهُ عَلَيْهِ1558 – Van Salamah ibn al-Akwa` (رضي الله عنه):ʿAlī was achtergebleven bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de veldtocht naar Khaybar vanwege een oogontsteking.Hij zei: “Zou ik werkelijk achterblijven bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)?”Vervolgens vertrok ʿAlī en haalde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in.Toen de nacht viel, op de avond vóór de ochtend waarop de stad veroverd zou worden, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zal het vaandel geven aan een man die Allāh en Zijn Rasûl liefheeft, of van wie Allāh en Zijn Rasûl houdt, en Allāh zal de overwinning door zijn handen schenken.”Wij verwachtten niet dat het ʿAlī zou zijn (want hij had last van zijn oog).

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem riep, zeiden ze: “Dit is ʿAlī.”Toen gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem het vaandel, en Allāh schonk de overwinning door hem.

١٥٥٨ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ قَالَ: جَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بَيْتَ فَاطِمَةَ، فَلَمْ يَجِدْ علِيًّا فِي الْبَيْتِ فَقَالَ: أَيْنَ ابْنُ عَمِّكِ قَالَتْ: كَانَ بَيْنِي وَبَيْنَهُ شَيْءٌ، فَغَاضَبَنِي، فَخَرَجَ، فَلَمْ يَقِلْ عِنْدِي فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لإِنْسَانٍ: انْظُرْ أَيْنَ هُوَ فَجَاءَ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ هُوَ فِي الْمَسْجِدِ رَاقِدٌ فَجَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَهُوَ مُضْطَجِعٌ، قَدْ سَقَطَ رِدَاؤُهُ عَنْ شِقِّهِ، وَأَصَابَهُ تُرَابٌ فَجَعَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَمْسَحُهُ عَنْهُ، وَيَقُولُ: قُمْ أَبا تُرَابٍ قُمْ أَبَا تُرَابٍ1559 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam het huis van Fāṭimah binnen maar trof ʿAlī daar niet aan.Hij zei:”Waar is jouw neef (zoon van je oom)?”Zij antwoordde: “Er was iets tussen mij en hem, daarop werd hij boos op en verliet mij en het huis zonder bij mij qaylulah (middag dutje) te doen.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen iemand: “Ga kijken waar hij is.”Die persoon kwam terug en zei: “O Rasûlullāh hij is in de moskee, hij ligt (te slapen).”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar hem toe en trof hem (in de moskee) aan.

Hij lag op zijn mantel die van zijn zij was afgegleden en er lag stof op hem.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon het stof van hem af te vegen terwijl hij zei: “Sta op, Abā Turāb (vader van zand)! Sta op, Abā Turāb!”

De voortreffelijkheid van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ

في فضل سعد بن أبي وقاص ﵁

١٥٥٩ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: كَانَ النَبِيُّ ﷺ سَهِرَ، فَلَمَّا قَدِمَ الْمَدِينَةَ، قَالَ لَيْتَ رَجُلًا مِنْ أَصْحَابِي صَالِحًا يَحْرُسُنِي اللَّيْلَةَ إِذْ سَمِعْنَا صَوْتَ سِلاَحٍ فَقَالَ: مَنْ هذَا فَقَالَ: أَنَا سَعْدُ بْنُ أَبِي وَقَّاصٍ، جِئْتُ لأَحْرُسَكَ وَنَامَ النَّبِيُّ ﷺ

1560 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had (na terugkomst van een veldtocht) een slapeloze nacht gehad. Toen hij in Madīnah aankwam, zei hij: “Was er maar een rechtschapen man onder mijn metgezellen die mij vannacht zou bewaken.”Opeens hoorden we het geluid van wapens.Hij zei: “Wie is dat?”Er werd geantwoord: “Ik ben Saʿd ibn Abī Waqqāṣ, ik ben gekomen om u te bewaken.”Toen viel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in slaap.

[Saʿd b. Abī Waqqās (رضي الله عنه) behoorde tot de eerste mensen die de Islām aanvaardden. Toen hij moslim werd, was hij 17 jaar oud. Hij is een van de metgezellen die met het Paradijs beloond is. Hij maakte deel uit van het zesledige raadgevend comité (shūra) waarvan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tevreden over was tijdens zijn overlijden.

Saʿd b. Abī Waqqās (رضي الله عنه) was degene die de stad Kūfah stichtte. Hij overleed in 55 na Hijrah, buiten Madīnah, in een plaats genaamd ʿAqīq. Zijn ṣalāh aljanāzah werd geleid door Marwān. Volgens de meest betrouwbare ḥadīth was hij 80 jaar oud toen hij stierf.] (HA)

[In Adabu'l-Mufrad, 24 (Imām Buhârî); Tirmidzî, Tafsiru'l-Qur’ān 30, 89; Ahmad b. Hanbel, Musnad, 1/181, 185 is het volgende ḥadīth overgeleverd: Van Saʿd b. Abī Waqqās (رضي الله عنه):Over Saʿd b. Abī Waqqās zijn er verscheidene verzen in de Qur’ān geopenbaard:1.

Over zijn moeder en gehoorzaamheid aan ouders:Saʿd vertelde dat zijn moeder had gezworen dat ze nooit meer met hem zou spreken of hem eten en drinken zou geven zolang hij de Islām niet verliet. Ze zei: "Jij zegt dat Allah jou heeft opgedragen goed te zijn voor je ouders. Ik ben jouw moeder. Ik beveel je je godsdienst te verlaten."Saʿd zei dat zijn moeder drie nachten wachtte en uiteindelijk van honger flauwviel. Toen gaf haar zoon `Umayr haar water. Vervolgens begon zijn moeder Saʿd te vervloeken. Hierop werd het volgende vers uit de Qur’ān geopenbaard:

وَوَصَّيۡنَا ٱلۡإِنسَٰنَ بِوَٰلِدَيۡهِ حَمَلَتۡهُ أُمُّهُۥ وَهۡنًا عَلَىٰ وَهۡنٖ وَفِصَٰلُهُۥ فِي عَامَيۡنِ أَنِ ٱشۡكُرۡ لِي وَلِوَٰلِدَيۡكَ إِلَيَّ ٱلۡمَصِيرُ ١٤

En Wij hebben de mens verplicht om (goed en plichtsgetrouw) voor zijn ouders te zijn. Zijn moeder droeg hem in zwakheid op zwakheid en het zogen van hem duurde twee jaren. Dank Mij en jullie ouders, en bij Mij is de uiteindelijke bestemming.

وَإِن جَٰهَدَاكَ عَلَىٰٓ أَن تُشۡرِكَ بِي مَا لَيۡسَ لَكَ بِهِۦ عِلۡمٞ فَلَا تُطِعۡهُمَاۖ وَصَاحِبۡهُمَا فِي ٱلدُّنۡيَا مَعۡرُوفٗاۖ وَٱتَّبِعۡ سَبِيلَ مَنۡ أَنَابَ إِلَيَّۚ ثُمَّ إِلَيَّ مَرۡجِعُكُمۡ فَأُنَبِّئُكُم بِمَا كُنتُمۡ تَعۡمَلُونَ ١٥

Maar als zij (beiden) erop aandringen dat jij iets aan Mij toekent waarvan je geen kennis hebt, gehoorzaam hen dan niet, maar behandel hen vriendelijk in de wereld en volg het Pad van degene die zich in berouw en gehoorzaamheid tot Mij keert. Tot Mij zal dan jullie terugkeer zijn en Ik zal jullie dan vertellen wat jullie gedaan hebben. (surah Lokmān 31:14-15)

2. Over oorlogsbuit (ghanimah):Saʿd zei: "Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een grote oorlogsbuit vergaard. Ik zag een zwaard ertussen liggen en nam het onmiddellijk mee naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Schenk mij dit zwaard! Ik ben iemand die u goed kent.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Leg het terug waar je het gevonden hebt.’ Toen probeerde ik het terug te leggen, maar mijn ego weerhield me en ik ging terug en zei opnieuw: ‘Geef het mij!’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verhoogde zijn stem: ‘Leg het terug!’ Daarop werd het volgende vers geopenbaard:

يَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلۡأَنفَالِۖ قُلِ ٱلۡأَنفَالُ لِلَّهِ وَٱلرَّسُولِۖ فَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَأَصۡلِحُواْ ذَاتَ بَيۡنِكُمۡۖ وَأَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓ إِن كُنتُم مُّؤۡمِنِينَ ١

Zij vragen jou (O Mohammed) over de oorlogsbuit.

Zeg: “De oorlogsbuit is voor Allah en Zijn Boodschapper.” Vrees Allah dus en beslecht alle geschillen tussen jullie en gehoorzaam Allah en Zijn Boodschapper, als jullie gelovigen zijn. (surah al-Anfāl 8:1)

3. Over ziekte en nalatenschap:Saʿd (رضي الله عنه) zei: "Toen ik ziek was, stuurde ik een bericht naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij kwam onmiddellijk naar mij. Ik zei: ‘Laat mij mijn bezit verdelen zoals ik wil.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond dit niet toe. Ik zei: ‘Laat mij de helft van mijn bezit (op weg van Allah) geven.’ Ook dat stond hij niet toe. Ik zei: ‘Laat mij een derde geven.’ Hij zei niets. Hieruit werd duidelijk dat het toegestaan is om een derde van je bezit als testament te schenken."

4. Over eten en drinken voor de openbaring van de wetgeving omtrent alcoholSaʿd (رضي الله عنه) zei: "Ik ging naar enkele mensen van de Ansār en de Muhājirīn die zeiden: ‘Kom, wij zullen je voeden en je wijn laten drinken.’ Dit was voordat alcohol werd verboden. Toen ik bij hen kwam, zag ik een gebraden kameelkop en een vat wijn. Ik at en dronk met hen. Daarna raakte ik verwikkeld in een discussie over de Ansār en Muhājirīn, en ik zei: ‘De Muhājirīn zijn beter dan de Ansār.’ Een man pakte mijn gezicht en sloeg mijn neus met de kameelkop. Ik ging meteen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem te informeren. Daarna openbaarde Allah de wet over alcohol voor mij." (HA)

١٥٦٠ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: مَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يُفَدِّي رَجُلًا بَعْدَ سَعْدٍ سَمِعْتُهُ يَقُولُ: ارْمِ، فِدَاكَ أَبِي وَأُمِّي1561 – Van ʿAlī (رضي الله عنه):Ik heb nooit gehoord dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vader en moeder voor iemand anders dan Saʿd (ibn Abī Waqqāṣ) heeft opgeofferd (hem opgehemeld), zoals ik hem heb horen zeggen:“Schiet! Moge mijn vader en moeder als losprijs voor jou zijn!”

١٥٦١ - حديث سَعْدٍ قَالَ: جَمَعَ لِي النَّبِيُّ ﷺ، أَبَوَيْهِ يَوْمَ أُحُدٍ1562 – Van Saʿd (ibn Abī Waqqāṣ) (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft op de dag van (de Slag van) Uḥud voor mij zijn vader en moeder opgeofferd (door te zeggen): “Moge mijn vader en moeder als losprijs/opgeofferd voor jou zijn/worden!”

De voortreffelijkheid van Ṭalḥah en Zubayr (رضي الله تعالى عنهما)

فضائل طلحة والزبير رضي الله تعالى عنهما

١٥٦٢ - حديث طَلْحَةَ وَسَعْدٍ عَنْ أَبِي عُثْمَانَ، قَالَ: لَمْ يَبْق مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي بَعْضِ تِلْكَ الأَيَّامِ، الَّتِي قَاتَلَ فِيهِنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ، غَيْرُ طَلْحَةَ وَسَعْدِ، عَنْ حَدِيثِهِمَا

1563 – Van Ṭalḥah en Saʿd, van Abū ʿUthmān (Abdurrahmân en-Nahdî ) (رضي الله تعالى عنهم)Tijdens de dagen (van de Slag van Uḥud) waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vocht, was er niemand meer bij hem, behalve Ṭalḥah en Saʿd (Ibn Abû Waqqās), zoals zij zelf berichtten.

[Tijdens de Slag van Uhud raakte het leger verspreid door een foutieve actie van een groep sahābah die zijn bevelen niet opvolgden. En hoewel de soldaten in paniek raakten, verlieten sommigen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beslist niet. Onder deze personen waren Ṭalḥah b. Ubeydullah en Sa‘d b. Abû Wakkâs (رضي الله عنهما). ] (Diyanet)[Ṭalḥa (رضي الله عنه) behoorde tot de eerste moslims. Hij werd moslim door de aanmoediging van Abū Bakr (رضي الله عنه) in de vroege periode van de Islām. Vervolgens verrichtte hij de Hijrah naar Madīnah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte hem daar broeder met Abū Ayyūb al-Anṣārī (رضي الله عنه). Behalve bij de slag van Badr nam hij deel aan alle andere veldslagen. Hij behoorde tot de metgezellen die met het Paradijs beloond zijn. In het 36e jaar na Hijrah werd hij door Marwān gedood. Toen hij stierf, was hij 60 jaar oud.

Az-Zubayr (رضي الله عنه) behoorde eveneens tot de eerste moslims. Toen hij moslim werd, was hij 15 jaar oud, sommigen zeggen dat hij zelfs op jongere leeftijd moslim werd. Hij was één van de tien metgezellen die met het Paradijs beloond zijn. Hij trouwde met Asmāʾ (رضي الله عنها), de dochter van Abū Bakr (رضي الله عنه).

In 36 na Hijrah, toen hij zich had teruggetrokken van de Slag bij al-Jamal en op de terugweg was, werd hij door enkele oproerkraaiers aangevallen en gedood.

Toen hij gedood werd, was hij 66 of 67 jaar oud.] (HA)

١٥٦٣ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ يَأْتِينِي بِخَبَرِ الْقَوْمِ يَوْمَ الأَحْزَابِ قَالَ الزُّبَيْرُ: أَنَا ثُمَّ قَالَ: مَنْ يَأْتِينِي بِخَبَرِ الْقَوْمِ قَالَ الزُّبَيْرُ: أَنا فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ لِكُلِّ نَبِيٍّ حَوَارِيًّا، وَحَوَارِيَّ الزُّبَيْرُ1564 – Van Jābir (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei (tijdens de Slag van Khandaq (Greppel): “Wie komt er naar mij met het nieuws/informatie over het volk (Banū Qurayzah) op de dag van de Slag van de Verbondgenoten (al-Ahzāb)?”Zubayr zei: “Ik!”Toen vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opnieuw: “Wie komt er naar mij met het nieuws over het volk?”Zubayr zei opnieuw: “Ik!”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke profeet heeft een helper (ḥawārī), en mijn helper is Zubayr.”

[Op de dag van Khandaq, toen de joden van Banū Qurayẓah zich niet hielden aan hun afspraak en zich voorbereidden om de polytheisten te helpen, verzamelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) informatie over hun situatie om gepaste maatregelen te treffen.De term ḥawārī was de benaming voor de Helpers en leerlingen van ʿĪsā (عليه السلام), die hij aanstelde om zijn raadgevingen en geloofsleer te verspreiden. Mettertijd werd het woord ḥawārī ook in bredere zin gebruikt voor ‘iemand die zich met hart en ziel inzet voor een bepaalde zaak’. Figuurlijk betekent ḥawārī ook vriend of helper.

Zoals in deze ḥadīth, waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Iedere profeet heeft een ḥawārī; en mijn helper is Zubayr.] (HY)

١٥٦٤ - حديث الزُّبَيْرِ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ الزُّبَيْرِ، قَالَ: كُنْتُ، يَوْمَ الأَحْزَابِ، جُعِلْتُ أَنَا وَعُمَرُ بْنُ أَبِي سَلَمَةَ، فِي النِّسَاءِ فَنَظَرْتُ فَإِذَا أَنَا بالزُّبَيْرِ عَلَى فَرسِهِ، يَخْتَلِفُ إِلَى بَنِي قُرَيْظَةَ، مَرَّتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا فَلَمَّا رَجَعْتُ قُلْتُ: يَا أَبَتِ رَأَيْتُكَ تَخْتلِفُ، قَالَ: أَوَ هَلْ رَأيْتَنِي يَا بُنيّ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَالَ: مَنْ يَأْتِ بَنِي قُرَيْظَةَ فَيَأتِينِي بِخَبَرِهِمْ فَانْطَلَقْتُ، فَلَمَّا رجَعْتُ جَمَعَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ أَبَوَيْهِ، فَقَالَ: فِدَاكَ أَبِي وَأُمِّي1565 – Van Zubayr via `Abdullah ibn Zubayr (رضي الله تعالى عنهما)Ik was op de dag van de Slag van de Verbondgenoten (al-Ahzāb) samen met `Umar ibn Abi Salamah bij de vrouwen achtergelaten (omdat we nog te jong waren).

Toen keek ik om me heen en zag ik (mijn vader) Zubayr op zijn paard heen en weer rijden naar Banu Qurayzah, twee of drie keer. Toen ik terugkwam, zei ik: “O mijn vader, ik zag je heen en weer rijden.”Hij vroeg: “Heb je mij werkelijk gezien, O mijn zoon?”Ik antwoordde: “Ja.”Toen zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd: 'Wie wil naar Banu Qurayza gaan en mij nieuws (informatie) over hen te brengen.”Ik sprong meteen op mijn paard (en sloop stiekem hun gelederen binnen om informatie over hen in te winnen en hun oorlogstactieken te achterhalen.)Toen ik terugkwam, noemde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn moeder en vader tesamen en zei: “Moge mijn vader en moeder voor jou opgeofferd worden.”

[Bij de Arabieren wordt de uitdrukking “Moge mijn vader en moeder voor jou opgeofferd worden” gebruikt om iemand te eren. Zubayr ibn al-ʿAwwām (رضي الله عنه) was de neef van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) via diens tante, en tevens de echtgenoot van Asmāʾ (رضي الله عنها), de dochter van Abū Bakr (رضي الله عنه). Tijdens de Slag van Khandaq bestond er, terwijl er tegen de afgodsdienaren werd gevochten, ook bezorgdheid dat de joden van binnenuit zouden aanvallen. In deze kritieke situatie wilde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) informatie inwinnen over de situatie van de Banū Qurayẓah-joden en vroeg daarom om een vrijwilliger die zich hiervoor zou opofferen. Meteen sprong Zubayr ibn al-ʿAwwām naar voren.Hij behoort tot één van de tien sahabāh die met het Paradijs is gelukwenst. De gebeurtenis is aan ons overgeleverd door zijn zoon ʿAbdullāh ibn Zubayr, die in die tijd ongeveer drie jaar oud was. In de ḥadīth van Muslim vertelt ʿAbdullāh ibn Zubayr dat hij samen met ʿUmar ibn Abī Salamah op de Hassan-burcht verbleef. Zij klommen om de beurt op elkaars rug om naar buiten te kijken, en op dat moment zag hij zijn vader Zubayr .” Muslim, Kitāb Faḍāʾiluṣ-Ṣaḥābah, 49] (AFK)

De voortreffelijkheid van Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ (رضي الله تعالى عنه )

فضائل أبي عبيدة بن الجراح رضي الله تعالى عنه

١٥٦٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ لِكُلِّ أُمَّةٍ أَمِينًا، وَإِنَّ أَمِينَنَا، أَيَّتُهَا الأُمَّةَ، أَبُو عُبَيْدَةَ بْنُ الْجَرَّاحِ

1566 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke gemeenschap (ummah) heeft een vertrouweling (amīn), en onze vertrouweling, O gemeenschap (van Muhammad), is Abû `Ubaydah ibn al-Jarrāh.”

[Abū ʿUbaydah (رضي الله عنه) was één van de vijf personen die op dezelfde dag moslim werd. Hij werd moslim door de aanmoediging van Abū Bakr (رضي الله عنه). Toen hij de Hijrah naar Madīnah verrichtte, werd hij broeder gemaakt met Saʿd ibn Muʿādz (رضي الله عنه). Hij stond bekend als al-amīn (de betrouwbare) van deze ummah. Hij nam deel aan de Slag bij Badr en aan alle daaropvolgende veldslagen. Tijdens de pest van ʿAmwās werd hij getroffen door de ziekte en overleed, volgens de meest authentieke ḥadīth, in het 18e jaar na Hijrah. Toen hij stierf, was hij 58 jaar oud.] (HA)

١٥٦٦ - حديث حُذَيْفَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لأَهْلِ نَجْرَانَ: لأَبْعَثَنَّ، يَعْنِي عَلَيْكُمْ، يَعْنِي أَمِينًا حَقَّ أَمِينٍ فَأَشْرَفَ أَصْحَابُهُ، فَبَعَثَ أَبَا عَبَيْدَةَ ﵁1567 – Van Hudzayfah ibnul-Yamân (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen de mensen van Najrān: “Ik zal zeker een betrouwbare persoon naar jullie sturen, een echt betrouwbare persoon.” Zijn metgezellen keken elkaar aan, en hij stuurde Abû `Ubaydah naar hen.

[Volgens de ḥadīth van Anas (رضي الله عنه), overgeleverd door Muslim, is het als volgt:“De mensen van Jemen kwamen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden: ‘Stuur iemand met ons mee die ons de sunnah en de Islām leert.’ Daarop pakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de hand van Abū ʿUbaydah en zei: ‘Dit is de betrouwbare man van deze ummah.’] (HY)[Najrān is een nederzetting in Jemen waarvan de bevolking christelijk was. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde hen een brief waarin hij hen uitnodigde tot de Islām of, indien zij dat weigerden, om de jizyah-belasting te betalen. Een delegatie van veertien personen reisde af naar Madīnah om met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in gesprek te gaan en te discussiëren. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde hen de Islām uit en er ontstonden lange discussies over ʿĪsā (عليه السلام), maar zij wilden de Islām niet accepteren. Daarop reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende vers en deed hen een voorstel tot mubāhalah (wederzijdse vervloeking):

فَمَنۡ حَآجَّكَ فِيهِ مِنۢ بَعۡدِ مَا جَآءَكَ مِنَ ٱلۡعِلۡمِ فَقُلۡ تَعَالَوۡاْ نَدۡعُ أَبۡنَآءَنَا وَأَبۡنَآءَكُمۡ وَنِسَآءَنَا وَنِسَآءَكُمۡ وَأَنفُسَنَا وَأَنفُسَكُمۡ ثُمَّ نَبۡتَهِلۡ فَنَجۡعَل لَّعۡنَتَ ٱللَّهِ عَلَى ٱلۡكَٰذِبِينَ ٦١

Iedereen die met jou redetwist over hem (Isa) na (al deze) kennis die tot jullie is gekomen, zeg: “Kom, laten wij onze zonen en jullie zonen, onze vrouwen en jullie vrouwen, onszelf en julliezelf bij elkaar roepen – laat ons daarna vurig bidden en de vloek van Allāh roepen over degenen die liegen.” (surah Āli ʿImrān: 61)

Zij schrokken en durfden deze vervloeking niet aan te gaan. Ze gingen niet over tot de Islām, maar gingen wel akkoord met het betalen van de jizyah-belasting. De verzen van sûrah Āli ʿImrān, van vers 33 tot en met 63, werden over deze gebeurtenis geopenbaard.] (AFK)

De voortreffelijkheid van Hasan en Husayn

فضائل الحسن والحسين ﵄

١٥٦٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ الدَّوْسِيِّ ﵁، قَالَ: خَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ فِي طَائِفَةِ النَّهَارِ، لاَ يُكَلِّمُنِي وَلاَ أُكَلِّمُهُ، حَتَّى أَتَى سُوقَ بَنِي قَيْنُقَاعَ، فَجَلَسَ بِفَناءِ بَيْتِ فَاطِمَةَ، فَقَالَ: أَثَمَّ لُكَعُ أَثَمَّ لُكَعُ فَحَبَسَتْهُ شَيْئًا، فَظَنَنْتُ أَنَّهَا تلْبِسُهُ سِخَابًا، أَوْ تُغَسِّلُهُ فَجاءَ يَشْتَدُّ حَتَّى عَانَقَهُ وَقَبَّلَهُ، وَقَالَ: اللهُمَّ أَحْبِبْهُ وَأَحِبَّ مَنْ يُحِبُّه

1568 – Van Abû Hurayrah ad-Dawsī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging uit in de vroege middag, en hij sprak niet met mij, noch sprak ik tegen hem, totdat hij op de markt van Banu Qaynuqa` aankwam. Hij ging zitten bij het huis van Fātimah en zei (zijn kleinzoon Hasan roepende): “Ben je daar Lukk`a (kleintje)? Ben je daar Lukk`a (kleintje)?” Fātimah hield hem even vast, en ik dacht dat ze hem misschien een reukarmband aandeed of hem baadde. Toen kwam hij rennend naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe. Hij omhelste hem en kuste hem, waarop hij zei: “O Allāh, houd van hem en houd van degene die van hem houdt.”[Hasan (رضي الله عنه) was de oudste zoon van ʿAlī (رضي الله عنه). Hij was een voorname, knappe, intelligente, waardige, edelmoedige, prijzenswaardige en vrome man, die veel goede daden verrichtte en een groot aanzien genoot. Hij leek sterk op zijn grootvader, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Hasan (رضي الله عنه) werd geboren in het derde jaar na de Hijrah, in de maand Ramaḍān. Hij heeft dertien aḥādīth overgeleverd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Op zevenendertigjarige leeftijd nam hij het khalifaatschap op zich en regeerde ongeveer zes à zeven maanden over ʿIrāq, al-Ḥijāz, Khurāsān en Yemen. Daarna droeg hij, na een vredesverdrag, het khalifaatschap over en trok zich terug in Madīnah. In 49 jaar na de Hijrah werd hij vergiftigd en overleed in Madīnah, waarna hij werd begraven op de begraafplaats al-Baqīʿ.Ḥusayn (رضي الله عنه) was de jongere zoon van ʿAlī (رضي الله عنه). Hij werd geboren in het vierde jaar na Hijrah. Ḥusayn (رضي الله عنه) werd in het eenenzestigste jaar na Hijrah, op 54-jarige leeftijd, op de dag van ʿĀshūrāʾ in Karbalāʾ vermoord als martelaar.Al-Hasan (رضي الله عنه) en al-Ḥusayn (رضي الله عنه) behoren tot de voorbeeldige imāms en rechtgeleide leiders wier weg gevolgd dient te worden. Aan beiden is groot onrecht aangedaan, maar zij zijn altijd het pad van de Islām en van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) blijven volgen, zonder daar ooit van af te wijken.] (HA)

١٥٦٨ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، وَالْحَسَنُ عَلَى عَاتِقِهِ، يَقُولُ: اللهُمَّ إِنِّي أُحِبُّهُ فَأَحِبَّهُ1569 - Van al-Bara' رضي الله عنه: Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Hasan was op zijn schouder, en hij zei (de du`ā’): 'O Allāh, ik houd van hem, en houd ook van hem.'“

De voortreffelijkheid van Zayd ibn Ḥārithah en Usāmah ibn Zayd

فضائل زيد بن حارثة وأسامة بن زيد ﵄

١٥٦٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ زَيْدَ بْنَ حَارِثَةَ، مَوْلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، مَا كُنَّا نَدْعُوهُ إِلاَّ زَيْدَ بْنَ مُحَمَّدٍ حَتَّى نَزَلَ الْقُرْآن (ادْعُوهُمْ لآبَائِهِمْ هُوَ أَقْسَطُ عِنْدَ اللهِ)

1570 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله تعالى عنهما): Zayd ibn Ḥārithah, de bevrijde slaaf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd door ons nooit anders genoemd dan Zayd ibn Muhammad, totdat de Qur’ān geopenbaard werd met de woorden:

ٱدۡعُوهُمۡ لِأٓبَآئِهِمۡ هُوَ أَقۡسَطُ عِندَ ٱللَّهِۚNoem hen bij (de namen van) hun vaders, dat is juister (en rechtvaardiger) in het aangezicht van Allāh…,(Surah Al-Ahzab, 33:5)

[Tijdens de Mu’tah-oorlog was Usâmah’s (رضي الله عنه) vader Zayd ibn Ḥārithah (رضي الله عنه) gesneuveld. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bereidde om deze nederlaag te wreken een leger tegen de Romeinen voor en plaatste aan het hoofd van dat leger Zayd’s zoon, Usâmah (رضي الله عنه), toen hij pas 18 jaar oud was.Vanwege Usâmah’s jeugd, zijn afkomst als zoon van een vrijgelaten slaaf, en het feit dat er binnen de sahābah anderen waren met meer gezag, maakten sommige mensen bezwaar tegen zijn aanstelling als commandant. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op dat moment ziek. Omdat zijn ziekte voortduurde, werd de mars van het leger uitgesteld. Na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervulde Abû Bakr (رضي الله عنه) deze wens van hem. Zo werd dit leger, onder leiding van Usâmah (رضي الله عنه), het laatste leger dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had ingesteld en het eerste dat Abû Bakr (رضي الله عنه) had uitgezonden.] (HA)

١٥٧٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ بَعْثًا، وَأَمَّرَ عَلَيْهِمْ أُسَامَةَ بْنَ زَيْدٍ، فَطَعَنَ بَعْضُ النَّاسِ فِي إِمَارَتِهِ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَنْ تَطْعُنُوا فِي إِمَارَتِهِ فَقَدْ كُنْتُمْ تَطْعُنُونَ فِي إِمَارَةِ أَبِيهِ مِنْ قَبْلُ، وَايْمُ اللهِ إِنْ كَانَ لَخَلِيقًا لِلإِمَارَةِ، وَإِنْ كَانَ لَمِنْ أَحَبِّ النَّاسِ إِلَيَّ، وَإِنَّ هذَا لَمِنْ أَحَبِّ النَّاسِ إِلَيَّ بَعْدَهُ1571 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله تعالى عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde een expeditie en stelde Usāmah ibn Zayd aan als hun leider. Sommige mensen uitten kritiek op zijn leiderschap. Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Als jullie kritiek hebben op zijn leiderschap, destijds hadden jullie ook kritiek op het leiderschap van zijn vader, vóór hem. Bij Allāh, hij was zeker geschikt voor leiderschap, en hij was een van de mensen die het meest geliefd was bij mij, en deze jongeman is de meest geliefde persoon voor mij na hem.'“

[Zayd ibn Ḥārithah (رضي الله عنه) werd samen met zijn moeder gevangen genomen tijdens een aanval terwijl zij op weg waren om hun stam te bezoeken. Hij werd vervolgens als slaaf verkocht op de markt van ʿUkāẓ. Op dat moment was Zayd acht jaar oud.

Ḥakīm ibn Ḥizām kocht hem en schonk hem aan Khadījah (رضي الله عنها), die hem vervolgens na haar huwelijk aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schonk.Later hoorden zijn vader en zijn oom dat Zayd zich in Makkah bevond, waarna zij naar Makkah kwamen om hem terug te kopen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet de keuze aan Zayd over: tergkeren bij zijn familie of bij hem blijven. Zayd koos ervoor om bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te blijven. Daarop adopteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem als zijn zoon. Later huwde hij hem uit aan Rasûlullāhs voedster Ummu Ayman. Uit dit huwelijk werd Usāmah ibn Zayd geboren.Zayd was de eerste slaaf die moslim werd. Hij werd door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aangesteld als bevelhebber van het leger tijdens de Slag bij Mûʾtah, waar hij heldhaftig vocht en als martelaar stierf. Kort voor zijn overlijden stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een leger samen onder leiding van Usāmah ibn Zayd die pas achttien jaar oud was, en beval dit leger in de richting van Mûʾtah te vertrekken, waar zijn vader was gesneuveld. Vlak voor het vertrek overleed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zijn opvolger Abū Bakr stuurde dit leger alsnog naar de beoogde bestemming.Het feit dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de zoon van een voormalige slaaf, en bovendien een jonge man, aanstelde als bevelhebber boven honderden vooraanstaande metgezellen, toont aan dat in het Islāmitisch leiderschapssysteem geen waarde wordt gehecht aan afkomst of leeftijd, maar dat bekwaamheid de doorslag geeft.Hoewel er in het leger van Usāmah zeker oudere en meer ervaren metgezellen aanwezig waren, is de keuze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opmerkelijk. Niet alleen omdat hiermee duidelijk wordt dat afkomst en stamverwantschap in de Islām geen enkele waarde hebben, maar ook om jonge mensen de kans te geven zich te ontwikkelen en hun capaciteiten te ontwikkelen en te bewijzen.Wie precies kritiek uitte op deze beslissing is niet volledig bekend.

Ibn Ḥajar vermeldt alleen de naam van ʿAyyāsh ibn Abī Rabīʿah. Mogelijk dachten de critici dat dit een persoonlijke beslissing van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, buiten openbaring om, en vreesden zij dat een oorlog onder leiding van een jonge, onervaren bevelhebber verkeerd kon aflopen. Het is ook mogelijk dat deze bezwaren van mensen waren bij wie de Islām nog niet volledig in het hart was doorgedrongen, en die nog beïnvloed waren door de jāhiliyyah praktijken en de bijbehorende groepsbinding. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trok zich echter niets aan van hun mening en voerde datgene uit waarvan hij wist dat het juist was.] (AFK)

De voortreffelijkheid van ʿAbdullāh ibn Jaʿfar

فضائل عبد الله بن جعفر ﵄

١٥٧١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ جَعْفَرٍ قَالَ ابْنُ الزُّبَيْرِ لاِبْنِ جَعْفَرٍ ﵄: أَتَذْكُرُ إِذْ تَلَقَّيْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنَا وَأنْتَ وَابْنُ عَبَّاسٍ قَالَ: نَعَمْ فَحَمَلَنَا وَتَركَك

1572 - Van ʿAbdullāh ibn Jaʿfar (رضي الله عنهما): Ibn Zubayr zei tegen Ibn Jaʿfar: “Herinner jij je nog toen wij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegemoetgingen (op de dag van de verovering van Makkah), jij, ik en Ibn ʿAbbās?”Hij zei: “Ja.”ʿAbdullāh ibn Jaʿfar zei: “Hij liet ons toen allemaal meerijden, behalve jou, jou liet hij staan.”

De voortreffelijkheid van Khadījah, de Moeder der Gelovigen رضي الله تعالى عنها

فضائل خديجة أم المؤمنين رضي الله تعالى عنها

١٥٧٢ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقولُ: خَيْرُ نِسَائِهَا مَرْيَمُ ابْنَةُ عِمْرَانَ، وَخَيْرُ نِسَائِهَا خَدِيجَةُ

1573 - Van ʿAlī (رضي الله عنه): Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen horen: 'De beste vrouw van haar tijd is Maryam, de dochter van Imrān, en de beste vrouw van haar tijd (van mijn ummah) is Khadījah.”

[De afstamming van Khadījah (رضي الله عنها) en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) komt samen bij Qusy. Van al de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is Khadījah (رضي الله عنها) degene die hem qua afstamming het dichtst verwant is. Het huwelijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met Khadījah (رضي الله عنها) heeft 24 jaar geduurd. Alle kinderen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), behalve Ibrāhīm (عليه السلام), zijn van Khadījah (رضي الله عنها).] (HA)

١٥٧٣ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كَمَلَ مِنَ الرِّجَالِ كَثِيرٌ، وَلَمْ يَكْمُلْ مِنَ النِّسَاءِ إِلاَّ آسِيَةُ امْرَأَة فِرْعَوْنَ، وَمَرْيَمُ بِنْتُ عِمْرَانَ وَإِنَّ فَضْلَ عَائِشَةَ عَلَى النسَاءِ كَفَضْلِ الثَّرِيدِ عَلَى سَائِرِ الطَّعَامِ1574 - Van Abū Mūsā (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Veel mannen hebben de volmaaktheid bereikt. Maar van de vrouwen zijn er maar (twee) die volmaakt zijn: Āsiyah, de vrouw van Firʿawn, en Maryam, de dochter van Imrān. En de voortreffelijkheid van ʿĀishah boven de andere vrouwen is zoals de voortreffelijkheid van tharīd boven al het andere voedsel.'

[Tharīd is een traditioneel Arabisch gerecht dat bestaat uit brokjes brood geweekt in een vleesbouillon met vlees (vaak lamsvlees of kip) en soms groenten zoals pompoen, wortels of kikkererwten.

Het brood (vaak geroosterd of oud platbrood) absorbeert de rijke bouillon, waardoor het een zachte, smaakvolle structuur krijgt.](AFK)

١٥٧٤ - حديث أَبِي هرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: أَتَى جِبْرِيلُ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ هذِهِ خَدِيجَةُ قَدْ أَتَتْ مَعَهَا إنَاءٌ فِيهِ إِدَامٌ أَوْ طَعَامٌ أَوْ شَرَابٌ فَإِذَا هِيَ أَتَتْكَ فَاقْرَأْ عَلَيْهَا السَّلاَمَ مِنْ رَبِّهَا وَمِنِّي، وَبَشِّرْهَا بِبَيْتٍ فِي الْجنَّةِ مِنْ قَصَبٍ، لاَ صَخَبَ فِيهِ وَلاَ نَصَبَ1575 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): (Toen Khadījah proviand bracht naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn verblijf in Hirah grot) kwam Jibrīl naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: O Rasûlullāh , hier komt Khadījah met een schaal waarin eten of drinken zit. Wanneer zij naar jou komt, geef haar namens haar Rab en mij de salām, en breng haar het nieuws van een huis in het Paradijs van kostbare parelstenen, waar geen lawaai of vermoeidheid zal zijn.'

١٥٧٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى عَنْ إِسْمَاعِيلَ، قَالَ: قلْتُ لِعَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى ﵁: بَشَّرَ النَّبِيُّ ﷺ خَدِيجَةَ قَالَ: نَعَمْ بِبَيْتٍ مِنْ قَصَبٍ، لاَ صَخَبَ فِيهِ وَلاَ نَصَبَ1576 – Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā via Ismāʿīl ibnu Abî Khâlid (رضي الله عنهما):Ik vroeg aan ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه): 'Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Khadījah het goede nieuws gebracht?' Hij zei: 'Ja, van een huis (in het Paradijs) van kostbare parelstenen, waarin geen lawaai is en geen vermoeidheid.'

١٥٧٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: مَا غِرْتُ عَلَى أَحَدٍ مِنْ نِسَاءِ النَّبِيِّ ﷺ، مَا غِرْتُ عَلَى خَدِيجَةَ، وَمَا رَأْيْتُهَا وَلكِنْ كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُكْثِر ذِكْرَهَا وَرُبَّمَا ذَبَحَ الشَّاةَ ثُمَّ يُقَطِّعُهَا أَعْضَاءً، ثُمَّ يَبْعَثُهَا فِي صَدَائِقِ خَدِيجَةَ؛ فَرُبَّمَا قُلْتُ لَهُ: كَأَنَّهُ لَمْ يَكنْ فِي الدُّنْيَا امْرَأَةٌ إِلاَّ خَدِيجَةُ فَيَقُولُ: إِنَّهَا كَانَتْ، وَكَانَتْ، وَكَانَ لِي مِنْهَا وَلَدٌ 1577 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ik heb op niemand van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zo jaloers geweest als op Khadījah, terwijl ik haar nooit gezien heb. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak vaak over haar. Soms slachtte hij een schaap, sneed het in stukken en stuurde die dan naar de vriendinnen van Khadījah.

Dan zei ik weleens tegen hem: ‘Alsof er op de wereld geen andere vrouw was dan Khadījah!’ Waarop hij dan zei: ‘Zij was wie zij was, en ik had kinderen van haar.’”

١٥٧٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتِ: اسْتَأْذَنَتْ هَالَةُ بِنْتُ خُوَيْلِدٍ، أُخْتُ خَدِيجَةَ، عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَعَرَف اسْتِئْذَانَ خَدِيجَةَ، فَارْتَاعَ لِذلِكَ، فَقَالَ: اللهُمَّ هَالَة قَالَتْ: فَغِرْتُ فَقُلْتُ: مَا تَذْكُرُ مِنْ عَجُوزٍ مِنْ عَجَائِزِ قرَيْشٍ، حَمْرَاءَ الشِّدْقَيْنِ، هَلَكَتْ فِي الدَّهْرِ، قَدْ أَبْدَلَكَ اللهُ خَيْرًا مِنْهَ1578 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Hālah bint Khuwaylid, de zuster van Khadījah, vroeg toestemming om bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen te komen.

Toen herkende hij haar (stem), manier van toestemming vragen, die leek op die van Khadījah. En hij was opgewonden en zei: ‘O Allāh, het is Hālah!’ʿĀishah vervolgde: “Ik werd jaloers en zei: ‘Wat blijf je toch denken aan die oude vrouw onder de oude vrouwen van Quraysh, met rode tandvleesranden, die al lang geleden gestorven is, terwijl Allāh jou iets beters dan haar heeft gegeven?’

De voortreffelijkheid van ʿĀishah (رضي الله عنها)

في فضل عائشة رضي الله تعالى عنها

١٥٧٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ لَهَا: أُرِيتُكِ فِي الْمَنَامِ مَرَّتَيْنِ، أَرَى أَنَّكِ فِي سَرَقَةٍ مِنْ حَرِيرٍ، وَيَقُولُ: هذِهِ امْرَأَتكَ، فَاكْشِفْ عَنْهَا فَإِذَا هِيَ أَنْتِ، فَأَقُولُ: إِنْ يَكُ هذَا مِنْ عِنْدِ اللهِ يُمْضِهِ

1579 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: “Ik zag jou twee keer in mijn droom (voordat we getrouwd waren). Ik zag dat jij gewikkeld was in een zijden doek, en er werd gezegd: (Jirīl zei:) ‘Dit is jouw vrouw.’ Ik trok de doek weg en zie, jij was het. Toen zei ik: ‘Waarlijk, als dit van Allāh komt, dan zal Hij het laten plaatsvinden.’

١٥٧٩ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنِّي لأَعْلَمُ إِذَا كُنْتِ عَنِّي رَاضِيَةً، وَإِذَا كُنْتِ عَلَيَّ غَضْبَى قَالَتْ، فَقُلْتُ: مِنْ أَيْنَ تَعْرِفُ ذلِ فَقَالَ: أَمَّا إِذَا كُنْتِ عَنِّي رَاضِيَةً فَإِنَّكِ تَقُولِينَ: لاَ، وَرَبِّ مُحَمَّدٍ وَإِذَا كُنْتِ غَضْبَى، قلْتِ: لاَ، وَرَبِّ إِبْرَاهِيمَ قَالَتْ قلْتُ: أَجَلْ وَاللهِ يَا رَسُولَ اللهِ مَا أَهْجُرُ إِلاَّ اسْمَكَ1580 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: ‘Voorwaar, ik weet wanneer jij tevreden over mij bent, en wanneer jij boos op mij bent.’- ‘Hoe weet je dat?’- ‘Als jij tevreden over mij bent, dan zeg je: “Nee, bij de Rab van Muhammad!” Maar als jij boos op mij bent, dan zeg je: “Nee, bij de Rab van Ibrāhīm.”- ‘Inderdaad, bij Allāh, o Rasûlullāh ik vermijd dan slechts jouw naam.’

١٥٨٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كُنْتُ أَلْعَبُ بِالْبَنَاتِ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، وَكَانَ لِي صَوَاحِبُ يَلْعَبْنَ مَعِي؛ فَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا دَخَلَ يَتَقَمَّعْنَ مِنْهُ، فَيُسَرِّبُهُنَّ إِلَيَّ، فَيَلْعَبْنَ مَعِي1581 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ik speelde met poppen bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ik had speelmaatjes die met mij meespeelden. Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnenkwam, verstopten zij zich (achter een gordijn) voor hem. Maar hij liet hen dan weer bij mij terugkomen, zodat zij met mij konden blijven spelen.

١٥٨١ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّاسَ كَانُوا يَتَحَرَّوْنَ بِهَدَايَاهُمْ يَوْمَ عَائِشَةَ ⦗١٤٢⦘ يَبْتَغُونَ بِهَا، أَوْ يَبْتَغُونَ بِذَلِكَ، مَرْضَاةَ رَسُولِ اللهِ ﷺ1582 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):De mensen waren geneigd hun geschenken te brengen op de dag (dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij mij verbleef), in de hoop daarmee de tevredenheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te verkrijgen.”

١٥٨٢ - حديث عَائِشةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، كَانَ يَسْأَلُ فِي مَرَضِهِ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، يَقُولُ: أَيْنَ أَنَا غَدًا أَيْنَ أَنَا غَدًا يُرِيدُ عَائِشَةَ فَأَذِنَ لَهُ أَزْوَاجُهُ يَكونُ حَيْثُ شَاءَ فَكَانَ فِي بَيْتِ عَائِشَةَ حَتَّى مَاتَ عِنْدَهَا قَالَتْ عَائِشَةُ: فَمَاتَ فِي الْيَوْمِ الَّذِي كَانَ يَدورُ عَلَيَّ فِيهِ، فِي بَيْتِي فَقَبَضَهُ اللهُ وَإِنَّ رَأْسَهُ لَبَيْنَ نَحْرِي وَسَحْرِي1583 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg tijdens zijn ziekte waarin hij overleed telkens: ‘Waar zal ik morgen zijn? Waar zal ik morgen zijn?’, waarmee hij bedoelde: (wanneer zou het zijn beurt zijn om) bij ʿĀishah te verblijven. Daarop gaven zijn echtgenotes hem toestemming om te verblijven waar hij wilde. Zo verbleef hij bij ʿĀishah tot hij overleed. ʿĀishah zei: ‘Hij overleed op de dag waarop hij normaal gesproken bij mij verbleef, in mijn huis. Allāh nam zijn ziel (toen hij) tussen mijn borst en hals was.’

١٥٨٣ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّهَا سَمِعَتِ النَّبِيَّ ﷺ، وَأَصْغَتْ إِلَيْهِ قَبْلَ أَنْ يَمُوتَ، وَهُوَ مُسْنِدٌ إِلَيَّ ظَهْرَهُ يَقُولُ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِي وَارحَمْنِي وَأَلْحِقْنِي بِالرَّفِيقِ1584 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij met zijn rug tegen mij aan leunde vlak vóór zijn overlijden, (du`ā’) zeggen:اللّهُمَّ اغْفِرْ لِي وَارحَمْنِي وَأَلْحِقْنِي بِالرَّفِيقِ(O Allāh, vergeef mij, wees mij genadig en verenig mij met de (Verheven) Vriend).”

١٥٨٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كُنْتُ أَسْمَعُ أَنَّهُ لاَ يَمُوتُ نَبِيٌّ حَتَّى يُخَيَّرَ بَيْنَ الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ فَسَمِعْت النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ فِي مَرَضِهِ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، وَأَخَذَتْهُ بُحَّةٌ، يَقُولُ: (مَعَ الَّذِين أَنْعَمَ اللهُ عَلَيْهِمْ) الآيَةَ فَظَننْتُ أَنَّهُ خُيِّرَ1585 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ik hoorde dat (Rasûlullāh صلى الله عليه وسل zei): ‘Een profeet sterft niet voordat hij de keuze krijgt tussen het leven op aarde en het Hiernamaals.’ Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn ziekte, waarin hij overleed, met een hese stem (het volgende vers reciteren):‘وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَٰٓئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّٰلِحِينَۚ وَحَسُنَ أُوْلَٰٓئِكَ رَفِيقٗا ٦٩

En degenen die Allāh en de Boodschapper gehoorzamen, zullen dan in het gezelschap verkeren van degenen aan wie Allāh Zijn gunst heeft verleend, namelijk, de Profeten, de oprechten, de martelaren en de rechtvaardigen. En uitmuntend zijn deze metgezellen. (sûrah an-Nisā’ 69)Ik begreep dat hij ook tussen de wereld en het Hiernamaals werd vrijgelaten om te kiezen.

[Er kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: 'O Rasûlullāh , u bent mij liever dan mezelf, mijn familie en mijn kinderen. Wanneer ik thuis ben en u herinner, word ik ongeduldig en kom ik naar u om u te zien. Ik herinnerde me de dood en uw dood, en ik weet dat wanneer u het Paradijs binnenkomt, u met de profeten zult samen zijn.

Als ik het Paradijs binnenga, vrees ik dat ik u niet zal zien.'Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde deze man niet totdat het vers van de Qur’ān werd geopenbaard:

‘وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَٱلرَّسُولَ فَأُوْلَٰٓئِكَ مَعَ ٱلَّذِينَ أَنۡعَمَ ٱللَّهُ عَلَيۡهِم مِّنَ ٱلنَّبِيِّـۧنَ وَٱلصِّدِّيقِينَ وَٱلشُّهَدَآءِ وَٱلصَّٰلِحِينَۚ وَحَسُنَ أُوْلَٰٓئِكَ رَفِيقٗا ٦٩

En degenen die Allāh en de Boodschapper gehoorzamen, zullen dan in het gezelschap verkeren van degenen aan wie Allāh Zijn gunst heeft verleend, namelijk, de Profeten, de oprechten, de martelaren en de rechtvaardigen. En uitmuntend zijn deze metgezellen. (sûrah an-Nisā’ 69)] (HY)

١٥٨٥ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَهُوَ صَحِيحٌ يَقُولُ: إِنَّهُ لَمْ يُقْبَضْ نَبِيٌّ قَطُّ حَتَّى يَرَى مَقْعَدَهُ مِنَ الْجَنَّةِ، ثُمَّ يُحَيَّا أَوْ يُخَيَّرَ فَلَمَّا اشْتَكَى، وَحَضَرَهُ الْقَبْضُ، وَرَأْسُهُ عَلَى فَخِذِ عَائِشَةَ، غُشِيَ عَلَيْهِ فَلمَّا أَفَاقَ، شَخَصَ بَصَرُهُ نَحْوَ سَقْفِ الْبَيْتِ ثُمَّ قَالَ: اللهُمَّ فِي الرَّفِيقِ الأَعْلَى فَقُلْتُ: إِذًا لاَ يُجَاوِرُنَا فَعَرَفْتُ أَنَّهُ حَدِيثُهُ الَّذِي كَانَ يُحَدِّثُنَا وَهُوَ صَحِيحٌ1586 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen hij gezond was: “Waarlijk, er is geen profeet wiens ziel wordt genomen totdat hij zijn plaats in het Paradijs ziet.

Vervolgens wordt het hem toegestaan om naar de plek van zijn bestemming te gaan, en dit wordt aan zijn wens overgelaten, of hij wordt in de keuze vrijgelaten.Toen hij ziek werd en de dood naderde, lag hij met zijn hoofd op de dij van ʿĀishah en hij viel flauw. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, keek hij naar het plafond van het huis en zei: اللّهُمَّ فِي الرَّفِيقِ الأَعْلَى “O Allāh, (verenig mij met) de Verheven Vriend.” Toen zei ik: “Dan zal hij niet langer bij ons zijn.” Ik begreep toen dat dit de woorden waren die hij altijd had verteld en dat dit de waarheid was.

[Het verzoek om een keuze te maken tussen de wereld en het Hiernamaals is wanneer de Engel des Dood bij hem komt en hij moet kiezen of hij nog een tijdje in de wereld blijft of onmiddellijk naar het Hiernamaals gaat.] (AFK)

١٥٨٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، كَانَ إِذَا خَرَجَ، أَقْرَعَ بَيْنَ نِسَائِهِ فَطَارَتِ الْقُرْعَةُ لِعَائِشَةَ وَحَفْصَةَ وَكَانَ النَبِيُّ ﷺ إِذَا كَانَ بِاللَّيْلِ سَارَ مَعَ عَائِشَةَ يَتَحَدَّثُ فَقَالَتْ حَفْصَةُ: أَلاَ تَرْكَبِينَ اللَّيْلَةَ بَعِيرِي وَأَرْكَبُ بَعِيرَكَ تَنْظُرِينَ وَأَنْظُرُ فَقَالَتْ: بَلَى فَرَكِبَتْ فَجَاءَ النَّبِيُّ ﷺ إِلَى جَمَلِ عَائِشَةَ، وَعَلَيْهِ حَفْصَةُ، فَسَلَّمَ عَلَيْهَا، ثُمَّ سَارَ حَتَّى نَزَلوا وَافْتَقَدَتْهُ عَائِشَةُ فَلَمَّا نَزَلُوا، جَعَلَتْ رِجْلَيْهَا بَيْنَ الإِذخِرِ، وَتَقُولُ: يَا رَبِّ سَلِّطْ عَلَيَّ عَقْرَبًا أَوْ حَيَّةً تَلْدَغُنِي، وَلاَ أَسْتَطِيعُ أَنْ أَقُولَ لَهُ شَيْئًا1587 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op reis ging, dan liet hij door loting bepalen welke van zijn echtgenotes met hem mee zou reizen en de loting viel op ʿĀishah en Hafsah.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) plachte 's nachts met ʿĀishah mee te reizen en met haar te praten.Toen zei Hafsah (aan ʿĀishah): “Wil jij vannacht niet op mijn kameel rijden en ik op die van jou?

Dan zie ik wat jij niet ziet, en jij ziet wat ik niet zie. ʿĀishah antwoordde: “Ja, dat is goed.”Toen zij van kameel wisselden, kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar de kameel van ʿĀishah, terwijl (Hafsah) erop zat, en hij haar salām gaf, waarna hij verder met haar reisde totdat zij hun kamp opsloegen.Toen merkte ʿĀishah dat hij er niet was, en zodra zij hun kamp hadden opgezet, zette zij haar voeten tussen het idzkhir-gras en zei: “O mijn Rab, laat een schorpioen of een slang op mij los die mij steekt, want ik ben niet in staat om hem (an-Nabī) iets te zeggen.”

١٥٨٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: فَضْلُ عَائِشَةَ عَلَى النِّسَاءِ كَفَضْلِ الثَّرِيدِ عَلَى الطَّعَامِ1588 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De voortreffelijkheid van ʿĀishah boven (andere) vrouwen is als de voortreffelijkheid van tharīd boven (ander) voedsel.”

١٥٨٩ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ لَهَا: يَا عَائِشَةُ هذَا جِبْرِيلُ يَقْرَأُ عَلَيْكِ السَّلاَمَ فَقَالَتْ: وَعَلَيْهِ السَّلاَمُ وَرَحْمَةُ اللهِ وَبَرَكَاتُهُ تَرَى مَا لاَ أَرَى ترِيدُ النَّبِيَّ ﷺ1589 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: “O ʿĀishah, dit is Jibrīl (عليه السلام) die jou de salām geeft.”Toen zei zij: “Wa alayhissalām ve rahmatullāhi wa barakatuhu’ (vrede, de barmhartigheid en zegeningen van Allāh zij met hem). Jij ziet wat ik niet zie,” doelend op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Vermelding van de ḥadīth van Ummu Zar`ذكر حديث أم زرع

١٥٩٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: جَلَسَ إِحْدى عَشْرَةَ امْرَأَةً، فَتَعَاهَدْنَ وَتَعَاقَدْنَ أَنْ لاَ يَكْتُمْنَ مِنْ أَخْبَارِ أَزْوَاجِهِنَّ شَيْئًا

قَالَتِ الأُولَى:

زَوْجِي لَحْم جَمَلٍ غَثٍّ، عَلَى رَأْسِ جَبَلٍ، لاَ سَهْلٍ فَيُرْتَقَى، وَلاَ سَمِينٍ فَيُنْتَقَلُ

قَالَتِ الثَّانِيَةُ:

زَوْجِي لاَ أَبُثُّ خَبَرَه، إِنِّي أَخَافُ أَنْ لاَ أَذَرَهُ، إِنْ أَذْكُرْهُ أَذْكُرْ عُجَرَهُ وَبُجَرَهُ

قَالَتِ الثَّالِثَةُ:

زَوْجِي الْعَشَنَّقُ، إِنْ أَنْطِقْ أُطَلَّقْ، وَإِنْ أَسْكُتْ أُعَلَّقْ

قَالَتِ الرَّابِعَةُ:

زَوْجِي كَلَيْلِ تِهَامَةَ، لاَ حَرٌّ وَلاَ قُرٌّ، وَلاَ مَخَافَةَ وَلاَ سَآمَةَ

قَالَتِ الْخَامِسَةُ:

زَوْجِي إِنْ دَخَلَ فَهِدَ، وَإِنْ خَرَجَ أَسِدَ، وَلاَ يَسْأَلُ عَمَّا عَهِدَ

قَالَتِ السَّادِسَةُ:

زَوْجِي إِنْ أَكَلَ لَفَّ، وَإِنْ شَرِبَ اشْتَفَّ، وَإِنِ اضطَجَعَ الْتَفَّ، وَلاَ يُولِجُ الْكَفَّ، لِيَعْلَمَ الْبَثَّ

قَالَتِ السَّابِعَةُ:

زَوْجِي غَيَايَاءُ أَوْ عَيَايَاءُ، طَبَاقَاءُ، كُلُّ دَاءٍ لَهُ دَاءٌ، شَجَّكِ أَوْ فَلَّكِ، أَوْ جَمَعَ كُلًاّ لَكِ

قَالَتِ الثَّامِنَةُ:

زَوْجِي الْمَسُّ مَسُّ أَرْنَبٍ، وَالرِّيحُ رِيحُ زَرْنَبٍ

قَالَتِ التَّاسِعَةُ:

زَوْجِي رَفِيعُ الْعِمَادِ، طَوِيلُ النِّجَادِ، عَظِيمُ الرَّمَادِ، قَرِيبُ الْبَيْتِ مِنَ النَّادِ

قَالَتِ الْعَاشِرَةُ:

زَوْجِي مَالِكٌ، وَمَا مَالِكٌ مَالِكٌ خَيْرٌ مِنْ ذلِكَ، لَهُ إِبِلٌ كَثِيرَاتُ الْمَبَارِكِ، قَلِيلاَتُ الْمَسَارِحِ، وَإِذَا سَمِعْنَ صَوْتَ الْمِزْهَرِ أَيْقَنَّ أَنَّهُنَّ هَوَالِكُ

قَالَتِ الْحَادِيَةَ عَشْرَةَ:

زَوْجِي أَبُو زَرْعٍ، فَمَا أَبُو زَرْعٍ أَنَاسَ مِنْ حُلِيٍّ أُذُنَيَّ، وَمَلأَ مِنْ شَحْمِ عَضُدَيَّ، وَبَجَّحَنِي فَبَجِحَتْ إِلَيَّ نَفْسِي وَجَدَنِي فِي أَهْلِ غُنيْمَةٍ بَشِقٍّ، فَجَعَلَنِي فِي أَهْلِ صَهِيلٍ وَأَطِيطٍ وَدَائِسٍ وَمُنَقٍّ فَعِنْدَهُ أَقُولُ فَلاَ أُقَبَّحُ، وَأَرْقُدُ فَأَتَصَبَّحُ، وَأَشْرَبُ فَأَتَقَنَّحُ

أُمُّ أَبِي زَرْعٍ، فَمَا أُمُّ أَبِي زَرْعٍ عُكُومُهَا رَدَاحٌ، وَبَيْتُهَا فَسَاحٌ

ابْنُ أَبِي زَرْعٍ، فَمَا ابْنُ أبي زَرْعٍ مَضْجِعُهُ كَمَسَلِّ شَطْبَةٍ، وَيُشْبِعُهُ ذِرَاعُ الْجَفْرَةِ

بِنْتُ أَبِي زَرْعٍ، فَمَا بِنْتُ أَبِي زَرْعٍ طُوْعُ أَبِيهَا وَطَوْعُ أُمِّهَا، وَمِلْءُ كِسَائِهَا، وَغَيْظُ جَارَتِهَا

جَارِيَةُ أَبِي زَرْعٍ، فَمَا جَارِيَةُ أَبِي زَرْعٍ لاَ تَبُثُّ حَدِيثَنَا تَبْثِيثًا، وَلاَ تُنَّقِّثُ مِيرَتَنَا تَنْقِيثًا، وَلاَ تَمْلأُ بَيْتَنَا تَعْشِيشًا

قَالَتْ: خَرَجَ أَبُو زَرْعٍ وَالأَوْطَابُ تُمْخَضُ، فَلَقِيَ امْرَأَةً مَعَهَا وَلَدَانِ لَهَا كَالْفَهْدَيْنِ، يَلْعَبَانِ مِنْ تَحْتِ خَصْرِهَا بِرُمَّانَتَيْنِ، فَطَلَّقَنِي وَنَكَحَهَا فَنَكَحْتُ بَعْدَهُ رَجُلًا سَرِيًّا، رَكِبَ شَرِيًّا، وَأَخَذَ خَطِّيًّا، وَأَرَاحَ عَلَيَّ نَعَمًا ثَرِيًّا، وَأَعْطَانِي مِنْ كُلِّ رَائِحَةٍ زَوْجًا وَقَالَ: كُلِي، أُمَّ زَرْعٍ وَمِيرِي أَهْلَكِ

قَالَتْ: فَلَوْ جَمَعْتُ كُلَّ شَيْءٍ أَعْطَانِيهِ، مَا بَلَغَ أَصْغَرَ آنِيَةِ أَبِي زَرْعٍ

قَالَتْ عَائِشَةُ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كُنْتُ لَكِ كَأَبِي زَرْعٍ لأُمِّ زَرْعٍ

1590 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Elf vrouwen gingen zitten en spraken af, en bezwoeren elkaar, dat zij niets geheim zouden houden van wat zij over hun echtgenoten zouden vertellen.De eerste zei: Mijn man is als mager kameelvlees op de top van een hoge berg, niet gemakkelijk te beklimmen. Bovendien is hij niet eens vet, dat je hem daar zomaar vandaan zou halen en opeten.De tweede zei: Ik kan het nieuws over mijn man niet rondvertellen, want als ik eenmaal over hem begin, ben ik bang dat ik álles zal zeggen, niets, geheim of openbaar, zal ik dan kunnen verzwijgen.De derde zei: Mijn man is lang van gestalte.

Als ik spreek, word ik verstoten, en als ik zwijg, word ik genegeerd.De vierde zei: Mijn man is als de nacht van Tihamah: noch heet noch koud, noch beangstigend noch saai.De vijfde zei: Mijn man is als een luipaard als hij thuiskomt (stil en snel), en als een leeuw als hij buitenshuis is, en hij stelt geen vragen over wat hij achterliet.De zesde zei: Mijn man, als hij eet, verslindt hij; als hij drinkt, slurpt hij; als hij zich neerlegt, rolt hij zich op; en hij reikt nooit met zijn hand om mijn verdriet te begrijpen.De zevende zei: Mijn man is nutteloos of krankzinnig. Hij heeft alle ziektes die je kunt bedenken. Hij kan je het hoofd inslaan, je botten breken of beide tegelijk doen.De achtste zei: De aanraking van mijn man is als die van een konijn (zacht), en zijn geur is als die van een geurige plant, zarnab (een soort basilicum of lavendel).De negende zei: Mijn man heeft hoge pilaren in zijn huis, zijn zwaardriem is lang, zijn haard is altijd warm, en zijn huis is dicht bij degenen die raad zoeken.De tiende zei: Mijn man is Mālik. En wat is een bezitter! Hij is bezitter van alles wat in je opkomt wat beter is. Hij heeft veel kamelen die zelden worden losgelaten om te grazen, en wanneer zij het geluid van de tamboerijn horen, zijn zij ervan overtuigd dat het hun einde is (ze worden geslacht voor gasten).De elfde zei: Mijn man is Abû Zar`, en wat is Abû Zar`! Hij voorzag mijn oren van sieraden en vulde mijn armen met vlees (ik kwam aan van comfort en voeding). Hij behandelde mij met zoveel liefde dat ik mijzelf mooi vond door zijn bewondering.Hij vond mij tussen arme mensen met weinig bezittingen en bracht mij naar een huishouden vol edele paarden en kamelen.Bij hem sprak ik zonder afgewezen te worden. Ik sliep uit tot in de ochtend. En ik dronk tot mijn dorst volledig gelest was. Weet je wat voor iemand zij was.

De moeder van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s moeder was! Haar voorraad was royaal, en haar huis was ruim. De zoon van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s zoon was! Zijn bed was als een scherp, gepolijst zwaard, en een stuk van een geitenpoot was voor hem al voldoende. De dochter van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s dochter was! Zij gehoorzaamde haar vader en haar moeder, was goed gevuld en haar buurvrouw kon haar alleen maar benijden. De dienares van Abû Zar`, en weet je wat voor iemand Abû Zar`s dienaar was! Zij onthulde onze geheimen niet, verspilde ons bezit niet en vulde ons huis niet met rommel.Toen gebeurde het dat Abû Zar`op een dag het huis verliet, terwijl de melkkuipen werden geschud. Hij ontmoette een vrouw met twee kinderen die speels onder haar taille speelden met twee granaatappels. Daarop scheidde hij van mij en huwde haar.Na hem huwde ik een voorname man, die op een snel rijdier reed, mij met edele paarden omgaf, mij rijk vee gaf, en van iedere soort geurige gave een paar schonk. Hij zei tegen mij: “Eet, O Ummu Zarʿ, en geef het ook aan jouw familie.”Maar, zei zij, als ik alles zou verzamelen wat hij mij gegeven heeft, het zou niet opwegen tegen het kleinste vaatwerk van Abû Zar`.ʿĀishah zei: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Ik ben voor jou als Abû Zar` voor Ummu Zar` was.”

De voortreffelijkheid van Fātimah dochter van an-Nabī عليها الصلاة والسلام

فاطمة بنت النبيّ عليها الصلاة والسلام

١٥٩١ - حديث الْمِسْوَرِ بْنِ مَخْرَمَةَ عَنِ ابْنِ شِهَابٍ، أَنَّ عَلِيَّ بْنَ حُسَيْنٍ حَدَّثَهُ أَنَّهُمْ حِينَ قَدِمُوا الْمَدِينَةَ، مِنْ عِنْدِ يَزِيدَ بْنِ مُعَاوِيَةَ، مَقْتَلَ حُسَيْنِ بْنِ عَلَيٍّ، رَحْمَةُ اللهِ عَلَيْهِ، لَقِيَهُ الْمِسْوَرُ بْنُ مَخْرَمَةَ، فَقَالَ لَهُ: هَلْ لَكَ إِلَيَّ مِنْ حَاجَةٍ تَأْمُرُنِي بِهَا فَقُلْتُ لَهُ: لاَ فَقَالَ لَهُ: هَلْ أَنْتَ مُعْطِيَّ سَيْفَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَإِنِّي أَخَافُ أَنْ يَغْلِبَكَ الْقَوْمُ عَلَيْهِ وَايْمُ اللهِ لَئِنْ أَعْطَيْتَنِيهِ، لاَ يُخْلَصُ إِلَيْهِمْ أَبدًا حَتَّى تُبْلَغَ نَفْسِي إِنَّ عَلِيَّ بْنَ أَبِي طَالِبٍ خَطَبَ ابْنَةَ أَبِي جَهْلٍ عَلَى فَاطِمَةَ عَلَيْهَا السَّلاَمُ فَسَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَخْطُبُ النَّاسَ فِي ذَلِكَ، عَلَى مِنْبَرِهِ هذَا، وَأَنَا يَوْمَئِذٍ مُحْتَلِمٌ فَقَالَ: إِنَّ فَاطِمَةَ مِنِّي، وَأَنَا أَخَافُ أَنْ تُفْتَنَ فِي دِينِهَا ثُمَّ ذَكَرَ صِهْرًا لَهُ مِنْ بَنِي عَبْدِ شَمْسٍ، فَأَثْنَى عَلَيْهِ فِي مُصَاهَرَتِهِ إِيَّاهُ، قَالَ: حَدَّثَنِي فَصَدَقَنِي، وَوَعَدَنِي فَوَفَى لِي، وَإِنِّي لَسْتُ أُحَرِّمُ حَلاَلًا، وَلاَ أُحِلُّ حَرَامًا، وَلكِنْ، وَاللهِ لاَ تَجْتَمِعُ بِنْتُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَبِنْتُ عَدُوِّ اللهِ أَبَدًا

1591 – Van al-Miswar ibn Makhramah (رحمة الله عليه):Van Ibn Shihab, van ʿAlī ibn Husayn (Zaynālabidīn):Toen wij naar Madīnah terugkeerden vanuit het kamp van Yazīd ibn Muʿāwiyah, na de dood van Husayn ibn ʿAlī, ontmoette al-Miswar ibn Makhramah mij.Hij zei tegen mij: “Is er iets wat je van mij wilt?

Iets dat je mij wilt opdragen?”Ik zei: “Nee.”Toen zei hij: “Zou je mij het zwaard van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) willen geven? Ik vrees dat de mensen het van jou zullen afnemen. Bij Allāh, als je het mij geeft, dan zal het hen nooit bereiken zolang ik leef.”Vervolgens zei hij: ʿAlī ibn Abû Ṭālib vroeg de dochter van Abû Jahal ten huwelijk, terwijl hij al getrouwd was met Fātimah, de dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover de mensen toespreken op zijn mimbar, terwijl ik in die dagen net in de puberteit was. Hij zei: “Voorwaar, Fātimah is van mij en ik vrees dat zij beproefd zal worden in haar dīn (geloof) vanwege jaloezie.” Daarna noemde hij zijn schoonzoon uit de stam Banû ʿAbd Shams (echtgenoot van Zaynab, Abû,l-`Âs ibnu Rabī`i) en hij prees hem om hoe hij met hem was verwant via huwelijk. Hij zei: “Hij vertelde mij iets, en hij sprak de waarheid; hij beloofde mij iets, en hij kwam zijn belofte na. Ik verklaar wat ḥalāl is niet als ḥarām, en wat ḥarām is niet als ḥalāl, maar bij Allāh, de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de dochter van de vijand van Allāh zullen nooit samen (binnen een huwelijk) bij één man (verenigd) zijn!”

[De vrouw met wie `Alī (رضي الله عنه) een schoonfamilierelatie wilde, was de dochter van Abū Jahl, genaamd Juwayriyyah. Sommigen zeggen dat haar naam Jamīlah was. Deze vrouw was eigenlijk een goede moslima geworden.Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was bezorgd over zijn dochter Fātimah (رضي الله عنها), omdat hij wist dat zij na het overlijden van haar moeder en zussen alleen was achtergebleven. Gezien de jaloers gevoelens bij vrouwen, zou haar verdriet tot het uiterste toenemen en, omdat ze niemand had om haar hart te luchten, zou ze in een depressie kunnen raken en daardoor in religieus opzicht een groot gevaar lopen.

Deze zorg uitte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een preek. Toen `Alī (رضي الله عنه) een schoonfamilierelatie wilde aangaan met de dochter van Abū Jahl, hield hij zich aan de algemene richtlijn van de āyah:

وَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تُقۡسِطُواْ فِي ٱلۡيَتَٰمَىٰ فَٱنكِحُواْ مَا طَابَ لَكُم مِّنَ ٱلنِّسَآءِ مَثۡنَىٰ وَثُلَٰثَ وَرُبَٰعَۖ فَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تَعۡدِلُواْ فَوَٰحِدَةً أَوۡ مَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُكُمۡۚ ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَلَّا تَعُولُواْ ٣

En als jullie vrezen, dat jullie niet rechtvaardig met de (vrouwelijke) wezen kunnen handelen (in hun recht op een bruidsschat), trouw dan (andere) vrouwen naar keuze, twee of drie of vier, maar als jullie vrezen dat jullie niet rechtvaardig (met hen) kunnen handelen dan slechts één of wat jullie rechterhanden bezitten. Zo kunnen jullie beter voorkomen onrechtvaardig te handelen. (surah an-Nisā 4/3)Toen hij echter merkte dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit niet goedkeurde, stopte hij onmiddellijk met het huwelijksaanzoek.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood om twee redenen dat zijn eigen dochter en de dochter van Abū Jahl onder één huwelijkscontract zouden worden gebracht:Ten eerste zou dit huwelijk Fāṭimah (رضي الله عنها) pijn doen.

In dat geval zou an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf ook verdriet ervaren en, vanwege het medeleven dat hij voor `Alī (رضي الله عنه) en Fāṭimah (رضي الله عنها) voelde, verhinderde hij deze huwelijkspoging.Ten tweede vreesde hij dat Fāṭimah (رضي الله عنها) door jaloezie in verleiding (fitnah) zou vallen.Sommige geleerden zeggen: “Het doel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was niet om te verbieden dat de dochter van Abū Jahl en Fāṭimah (رضي الله عنها) onder één huwelijkscontract zouden komen. Hij heeft slechts door Allahs genade bekendgemaakt dat dit niet mogelijk zou zijn.” Dit wordt ondersteund door een ḥadīth waarin staat: “Ik maak noch wat ḥalāl is ḥarām, noch wat ḥarām is ḥalāl,” wat aangeeft dat de dochter van Abū Jahl in principe legaal voor ‘Alī (رضي الله عنه) was.Bovendien had Allah het samen zijn van de dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de dochter van een vijand van Allah eerder verboden. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allah, de dochter van Rasûlullāh zal nooit onder een huwelijkscontract komen met de dochter van een vijand van Allah,” wat kan worden opgevat als het aangeven van Allahs verbod.In dit geval valt het huwelijk van de dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de dochter van een vijand van Allah onder de categorie huwelijken die ḥarām zijn.Tegelijkertijd herinnert an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) `Alī (رضي الله عنه) aan het voorval van Abū’l-‘Ās, wat versterkt dat `Alī (رضي الله عنه) de belofte had gedaan geen ander met Fatīmah (رضي الله عنها) te laten trouwen. Daarom wordt hij aangemoedigd deze belofte na te komen of, indien nodig, zijn dochter te scheiden.In een andere ḥadīth geeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een gesprek het voorbeeld van het Abū’l -‘Ās-voorval aan `Alī (رضي الله عنه).

Dit komt omdat Abū’l -‘Ās had beloofd geen tweede vrouw te nemen over Zaynab en altijd trouw was gebleven aan deze belofte. Bovendien had hij, zowel vóór als na zijn acceptatie van de Islām, altijd goed voor Zaynab gezorgd en haar nooit verdriet aangedaan.] (HA)

١٥٩٢ - حديث الْمِسْوَرِ بْنِ مَخْرَمَةَ، قَالَ: إِنَّ عَلِيًّا خَطَبَ بِنْتَ أَبِي جَهْلٍ، فَسَمِعَتْ بِذَلِكَ فَاطِمَةُ، فَأَتَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: يَزْعُمُ قَوْمُكَ أَنَّكَ لاَ تَغْضَبُ لِبَنَاتِكَ، وَهذَا عَلِيٌّ نَاكِحٌ بِنْتَ أَبِي جَهْلٍ فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَسَمِعْتُهُ حِينَ تَشَهَّدَ يَقُولُ: أَمَّا بَعْدُ، أَنْكَحْتُ أَبَا الْعَاصِ بْنَ الرَّبِيعِ، فَحدَّثَنِي وَصَدَقَنِي، وَإِنَّ فَاطِمَةَ بَضْعَةٌ مِنِّي، وَإِنِّي أَكْرَهُ أَنْ يَسُوءَهَا وَاللهِ لاَ تَجْتَمِعُ بِنْتُ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَبِنْتُ عَدُوِّ اللهِ، عِنْدَ رَجُلٍ وَاحِدٍ فَتَرَكَ عَلِيٌّ الْخِطْبَةَ1592 – Van al-Miswar ibn Makhramah (رحمة الله عليه):ʿAlī vroeg de dochter van Abû Jahal ten huwelijk.Toen Fātimah hiervan hoorde, ging zij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Jouw volk beweert dat jij niet boos wordt omwille van jouw dochters, en daar is ʿAlī, die van plan is om met de dochter van Abû Jahal te trouwen!”Toen stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op, en ik hoorde hem de tashahhud (getuigenis van het geloof) uitspreken, en zei het volgende: “Amma baʿd (vervolgens): ik heb Zaynab aan Abû,l-`Âs ibnu Rabī`i uitgehuwelijkt.

Hij sprak met mij, en hij sprak de waarheid. En voorwaar, Fātimah is een deel van mij, en ik haat het dat haar iets zou kwetsen.

Bij Allāh, de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de dochter van de vijand van Allāh zullen nooit samen bij één man (verenigd) worden!”Daarop liet `Ali het aanzoek varen.

١٥٩٣ - حديث عَائِشَةَ، وَفَاطِمَةَ عَلَيْهَا السَّلاَمُ عَنْ عَائِشَةَ، أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ قَالَتْ: إِنَّا كُنَّا، أَزْوَاجَ النَّبِيِّ ﷺ، عِنْدَهُ جَمِيعًا لَمْ تُغَادَرْ مِنَّا وَاحِدَةٌ فَأَقْبَلَتْ فَاطِمَةُ عَلَيْهَا السَّلاَمُ تَمْشِي، لاَ، وَاللهِ مَا تَخْفَى مِشْيَتُهَا مِنْ مَشْيَةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَلَمَّا رَآهَا رَحَّبَ قَالَ: مَرْحَبًا بِابْنَتِي، ثُمَّ أَجْلَسَهَا عَنْ يَمِينِهِ أَوْ عَنْ شِمَالِهِ ثُمَّ سَارَّهَا فَبَكَتْ بُكَاءً شَدِيدًا فَلَمَّا رَأَى حُزْنَهَا سَارَّهَا الثَّانِيَةَ، فَإِذَا هِيَ تَضْحَكُ فَقُلْتُ لَهَا، أَنَا مِنْ بَيْنَ نِسَائِهِ: خَصَّكِ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بِالسِّرِّ مِنْ بَيْنِنَا، ثُمَّ أَنْتِ تَبْكِينَ فَلَمَّا قَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، سَأَلْتُهَا: عَمَّا سَارَّكِ قَالَتْ: مَا كُنْتُ لأُفْشِيَ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ سِرَّهُ فَلَمَّا تُوُفِيَ قُلْتَ لَهَا: عَزَمْتُ عَلَيْكِ، بَمَا لِي عَلَيْكِ مَنَ الْحَقِّ، لَمَّا أَخْبَرْتِنِي قَالَتْ: أَمَّا الآنَ، فَنَعَمْ فَأَخْبَرَتْنِي، قَالَتْ: أَمَّا حِينَ سَارَّنِي فِي الأَمْرِ الأَوَّلِ، فَإِنَّهُ أَخْبَرَنِي: أَنَّ جِبْرِيلَ كَانَ يُعَارِضُهُ بِالْقُرْآنِ كُلَّ سَنَةٍ مَرَّةً، وَإِنَّهُ قَدْ عَارَضَنِي بِهِ، الْعَامَ، مَرَّتَيْنِ، وَلاَ أَرَى الأَجَلَ إِلاَّ قَدِ اقْتَرَبَ، فَاتَّقِي اللهَ وَاصْبِرِي، فَإِنِّي نِعْمَ السَّلَفُ أَنَا لَكِ قَالَتْ: فَبَكَيْتُ بُكَائِي الَّذِي رَأَيْتِ فَلَمَّا رَأَى جَزَعِي سَارَّنِي

الثَّانِيَةَ، قَالَ: يَا فَاطِمَةُ أَلاَ تَرْضَيْنَ أَنْ تَكُونِي سَيِّدَةَ نِسَاءِ الْمُؤْمِنِينَ، أَوْ سَيِّدَةَ نِسَاءِ هذِهِ الأُمَّةِ1593 – Van Fātimah (عليها السلام), via ʿĀishah, moeder der gelovigen (رضي الله عنها):Op een dag waren wij, de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) allemaal bij hem aanwezig, geen van ons ontbrak, toen Fātimah (عليها السلام) aankwam lopen.”Bij Allāh, haar manier van lopen verschilde niet van die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .Toen hij haar zag, verwelkomde hij haar en zei: “Welkom (marhaba), mijn dochter!”Hij liet haar aan zijn rechterof linkerzijde zitten. Vervolgens fluisterde hij haar (iets) in haar oor, waarna zij snikkend begon te huilen. Toen hij haar verdriet zag, fluisterde hij haar opnieuw (iets) in haar oor, waarna zij begon te lachen.Ik (ʿĀishah) zei tegen haar in het bijzijn van zijn vrouwen: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf jou een geheim mee, terwijl je onder ons allen was, en jij huilde en vervolgens lachte je, (wat is de reden hiervan)!”Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opstond, vroeg ik haar: “Wat heeft hij jou in het geheim gezegd?”Zij antwoordde: “Ik zal het geheim van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet verklappen.”Nadat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, zei ik tegen haar: “Ik vraag het jou met het recht dat ik op jou heb: vertel het mij!”Toen zei zij (Fātimah): “Nu kan het. De eerste keer dat hij mij iets toefluisterde was: hij zei: Jibrīl (عليه السلام) placht met mij de Qur’ān eenmaal per jaar over en weer te reciteren. Maar dit jaar heeft hij het twee keer met mij gereciteerd. Ik zie dit slechts als een teken dat mijn tijd nabij is. Vrees Allāh en wees geduldig. Vrees Allāh en wees geduldig, want voorwaar, ik ben voor jou een voortreffelijk voorganger.”Zij zei: “Daarom huilde ik zoals jij zag.”“Toen hij mijn verdriet zag, sprak hij mij opnieuw toe en zei:‘O Fātimah, ben je er dan niet tevreden mee dat jij de meest verheven (sayyidah) vrouw van de gelovigen zult zijn, of de meest verheven vrouw van deze ummah?’

[Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) had zeven kinderen. Hiervan waren drie jongens: Qāsim, Abdullah en Ibrāhīm

En vier dochters: Ruqayyah, Zaynab, Ummu Qulthūm en Fāṭimah رضي الله عنهم)

Fāṭimah werd geboren kort vóór de profeetschap van Resulullāh (صلى الله عليه وسلم). In het tweede jaar na Hijrah trouwde zij metʿAlī (رضي الله عنه) vóór de Slag van Badr. Het huwelijksconsumptie vond echter plaats na de Slag van Uhud. Fāṭimah kreeg de de volgende kinderen Ḥasan, Ḥusayn, Ummu Qulthūm en Zaynab (رضي الله عنهم). Zij was 15 jaar oud toen ze trouwde.

De andere dochters van Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) overleden terwijl hij nog leefde, maar Fāṭimah stierf vijf maanden na Resulullāh (صلى الله عليه وسلم). De afstamming van Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) is voortgezet via de kinderen van Fāṭimah, omdat de zoon van Ruqayyah, Abdullah jong overleed en haar dochter Ummu Qulthūm had geen kinderen; en de zoon van Zaynab, `Ali, stierf op jong leefftijd en haar dochter, Umamah, had geen kinderen (رضي الله عنهم)

Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) hield veel van Fāṭimah, was gul jegens haar en was tevreden met haar. Fāṭimah was een vrouw die zeer geduldig, vroom, deugdzaam, zelfbeheerst, tevreden en dankbaar jegens Allah was, en zich voortdurend beschermde tegen het kwaad.

Fāṭimah hield ook zeer van haar vader. Tijdens het sterfdebed van Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) fluisterde hij haar iets in de oor waardoor ze moest huilen. Daarna fluisterde hij weer iets waardoor ze lachte. Zij was blij toen hij haar vertelde dat zij de eerste in de familie zou zijn die hem na zijn dood zou volgen en dat zij de verheven (sayyidah) vrouw zou zijn van de vrouwen van deze ummah. Fāṭimah stierf ongeveer vijf maanden na Resulullāh (صلى الله عليه وسلم) en leefde 24 of 25 jaar.] (HA)

De voortreffelijkheid van Ummu Salamah, moeder der gelovigen

من فضائل أم سلمة أم المؤمنين ﵂

١٥٩٤ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّ جَبْرِيلَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، أَتَى النَّبِيَّ ﷺ وَعِنْدَهُ أُمُّ سَلَمَةَ فَجَعَلَ يُحَدِّثُ، ثُمَّ قَامَ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ لأُمِّ سَلَمَةَ: مَنْ هذَا قَالَ، قَالَتْ: هذَا دِحْيَةُ قَالَتْ أُمُّ سَلَمَةَ: ايْمُ اللهِ مَا حَسِبْتُهُ إِلاَّ إِيَّاهُ، حَتَّى سَمِعْتُ خُطْبَةَ نَبِيِّ اللهِ ﷺ يُخْبِرُ جِبْرِيلَ

1594 – Van Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنه):Jibrīl (عليه السلام) kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl Ummu Salamah bij hem was, en hij (Jibrīl) sprak met hem, waarna hij vertrok. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen Ummu Salamah: “Wie was dat?”Zij antwoordde: “Dat was Dihyah.”Ummu Salamah zei: “Bij Allāh, ik dacht dat hij echt Dihyah was, totdat ik de preek van NabieAllah (صلى الله عليه وسلم) (die hij gaf om de openbaring die hij net van Jibrīl had ontvangen aan de metgezellen mee te delen) hoorde, waarin hij zei dat het Jibrīl was.”

[Dihyah b. Halîfah (رضي الله عنه) was een van de jonge sahābah, een aantrekkelijke, stevig gebouwde man met een lichte huidskleur. Hij nam deel aan de veldslagen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en diende als boodschapper om de uitnodigingsbrief tot de Islām die aan de Byzantijnse keizer Heraklius was geschreven, te overhandigen. Wanneer Jibril (عليه السلام) in menselijke gedaante bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam, nam hij soms het uiterlijk van Dihyah (رضي الله عنه) aan. ] (Diyanet)

[Ummu Salamah (رضي الله عنها) behoorde tot degenen die als eersten naar Abessinië emigreerden. Haar echtgenoot, Abû Salamah (رضي الله عنه), overleed daar.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde met haar om haar te troosten.Dihye (رضي الله عنه) was een van de metgezellen die deelnamen aan de slag bij Badr en aan andere veldslagen, en hij behoorde tot de knapste onder de metgezellen. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezanten naar de buurlanden zond om hen tot de Islām uit te nodigen, werd Dihye (رضي الله عنه) als gezant naar de keizer van Byzantium gestuurd. Jibrīl (عليه السلام) kwam tot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de gedaante van juist deze metgezel.] (HA)

De voortreffelijkheid van Zaynab, moeder der gelovigen

من فضائل زينب أم المؤمنين ﵂

١٥٩٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ بَعْضَ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ قُلْنَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: أَيُّنَا أَسْرَعُ بِكَ لُحُوقًا قَالَ: أَطْوَلُكُنَّ يَدًا فَأَخَذُوا قَصَبَةً يَذْرَعُونَهَا فَكَانَتْ سَوْدَةُ أَطْوَلَهُنَّ يَدًا فَعَلِمْنَا بَعْدُ، أَنَّمَا كَانَتْ طُولَ يَدِهَا الصَّدَّقَةُ، وَكَانَتْ أَسْرَعَنَا لُحُوقًا بِهِ، وَكَانَتْ تُحِبُ الصَّدَقَةَ

1595 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Sommige vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroegen aan hem: “Wie van ons zal jou eerder ontmoeten?”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Degene die het langste hand van jullie (heeft).”Ze namen een rietstengel en begonnen elkaars (handen) te meten, en het bleek dat Sawdah de langste hand had. Later realiseerden we ons (na haar dood) dat haar lange hand de gave van liefdadigheid (ṣadaqah) was, en zij was degene die het snelst bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou komen, omdat zij het meest van liefdadigheid hield.

[Van de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eerste die na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed, was Zaynab bint Jahsh (رضي الله عنها). Zaynab was werkelijk een vrijgevige en edelmoedige vrouw. Daarom sprak an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover op een toespelende manier, doelend op Zaynab. De echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begrepen de ware betekenis hiervan pas nadat Zaynab was overleden] (HA).

De voortreffelijkheid van Ummu Sulaym, de moeder van Anas ibn Mālik

من فضائل أم سليم أم أنس بن مالك

١٥٩٦ - حديث أَنَسٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، لَمْ يَكُنْ يَدْخُلُ بَيْتًا بِالْمَدِينَةِ، غَيْرَ بَيْتِ أُمِّ سُلَيْمٍ، إِلاَّ عَلَى أَزْوَاجِهِ فَقِيلَ لَهُ فَقَالَ: إِنِّي أَرْحَمُهَا، قُتِلَ أَخُوهَا مَعِي

1596 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging in Madīnah, buiten de huizen van zijn echtgenoten, geen enkel huis binnen, behalve dat van Ummu Sulaym. Het werd hem gevraagd waarom, en hij antwoordde: ‘‘Voorwaar, ik ben haar genadig, haar broer (Harām ibn Milhān) stierf op (de dag van de Maʿūna-put) bij mij (de martelaarsdood).

[Ummu Sulaym is de moeder van Anas ibn Mālik. Haar broer die als martelaar is gestorven, is Harām ibn Milhān. Hij is als martelaar gevallen bij het voorval van de Maʿūna-put. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zelf niet aanwezig bij dit voorval. De uitdrukking “ bij mij” in de hadîth betekent “bij mijn soldaten” of: “hij werd gedood omdat hij aan mijn kant stond.” Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het huis van Ummu Sulaym binnenging, komt doordat zij zijn mahram was. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging ook het huis van haar zuster, Ummu Harām, binnen om daar uit te rusten.] (AFK)

De voortreffelijkheid van `Abdullah ibn Mas'ud en zijn moeder (رضي الله تعالى عنهما)

من فضائل عبد الله بن مسعود وأمه رضي الله تعالى عنهما

١٥٩٧ - حديث أَبي مُوسى الأَشْعَرِيِّ ﵁، قَالَ: قَدِمْتُ، أَنَا وَأَخِي مِنَ الْيَمَنِ، فَمَكثْنَا حِينًا مَا نُرَى إِلاَّ أَنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ مَسْعُودٍ رَجُلٌ مِنْ أَهْلِ بَيْتِ النَّبِيِّ ﷺ، لِمَا نَرَى مِنْ دُخُولِهِ وَدُخُولِ أُمِّهِ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ

1597 – Van Abû Mûsā al-Ash'ari (رضي الله عنه):Ik kwam samen met mijn broer uit Jemen, en we verbleven een tijdje in Madînah, en we zagen niet anders dan dat `Abdullah ibn Mas'ud iemand was van Ahli Bayt (familielid) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vanwege het feit dat hij en zijn moeder regelmatig het huis van an-Nabī binnengingen.”

[De term Ahli Bayt komt van de wortels ahl en ahali, die beide “mensen” betekenen. Bayt betekent “huis”. Het betekent dus “de lieden van het huis”, oftewel de familieleden. Deze term wordt gebruikt voor de familie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). De Ahli Bayt van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt in de Qurān als volgt genoemd:

يَٰنِسَآءَ ٱلنَّبِيِّ لَسۡتُنَّ كَأَحَدٖ مِّنَ ٱلنِّسَآءِ إِنِ ٱتَّقَيۡتُنَّۚ فَلَا تَخۡضَعۡنَ بِٱلۡقَوۡلِ فَيَطۡمَعَ ٱلَّذِي فِي قَلۡبِهِۦ مَرَضٞ وَقُلۡنَ قَوۡلٗا مَّعۡرُوفٗا ٣٢

وَقَرۡنَ فِي بُيُوتِكُنَّ وَلَا تَبَرَّجۡنَ تَبَرُّجَ ٱلۡجَٰهِلِيَّةِ ٱلۡأُولَىٰۖ وَأَقِمۡنَ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتِينَ ٱلزَّكَوٰةَ وَأَطِعۡنَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥٓۚ إِنَّمَا يُرِيدُ ٱللَّهُ لِيُذۡهِبَ عَنكُمُ ٱلرِّجۡسَ أَهۡلَ ٱلۡبَيۡتِ وَيُطَهِّرَكُمۡ تَطۡهِيرٗا ٣٣

O vrouwen van an-Nabī! Jullie zijn niet als andere vrouwen, als jullie Allāh vrezen. Wees daarom niet minzaam (verleidelijk) in jullie manier van spreken, waardoor degene in wiens hart een ziekte is begeerte gaat voelen, en spreek op een eerbare manier.En blijf in jullie huizen. En stel je (schoonheid) niet tentoon zoals in de tijden van de onwetendheid werd gedaan. En onderhoudt de salāh en geef de zakāh en gehoorzaam Allāh en Zijn Boodschapper. Allāh wenst slechts de onreinheid van jullie weg te nemen, o Lieden van het huis, en jullie schoon en zuiver te maken. (surah Ahzāb 32-33)] (HY)

١٥٩٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ خَطَبَ، فَقَالَ: وَاللهِ لَقَدْ أَخَذْتُ مِنْ فِي رَسُولِ اللهِ ﷺ بِضْعًا وَسَبْعِينَ سُورَةً، وَاللهِ لَقَدْ عَلِمَ أَصْحَابُ النَّبِيِّ ﷺ أَنِّي مِنْ أَعْلَمِهِمْ بِكِتَابِ اللهِ، وَمَا أَنَا بِخَيْرِهِم

قَالَ شَقِيقٌ (رَاوِي الْحَدِيثِ): فَجَلَسْتُ فِي الْحِلَقِ أَسْمعُ مَا يَقُولُونَ، فَمَا سَمِعْتُ رَدًّا يَقُولُ غَيْرَ ذَلِكَ

1598 – Van Shaqīq ibn Salamah via `Abdullah ibn Mas'ud (رضي الله عنهما):Hij (`Abdullah ibn Mas`ud) hield een preek en zei: “Bij Allāh, ik heb meer dan zeventig surahs uit de mond van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geleerd. Bij Allāh, de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) weten heel goed dat ik onder hen degene ben die het Boek van Allāh het best kent. Toch ben ik niet de beste onder hen”.Shaqīq zei: “Ik zat in hun kennisbijeenkomsten om te luisteren naar wat zij zeiden. Ik heb niemand gehoord die het tegendeel zei van de woorden (van Ibn Masʿūd)”.

١٥٩٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: وَاللهِ الَّذِي لاَ إِلهَ غَيْرُهُ مَا أُنْزِلَتْ سُورَةٌ مِنْ كِتَابِ اللهِ إِلاَّ وَأَنَا أَعْلَمُ أَيْنَ أُنْزِلَتْ وَلاَ أُنْزِلَتْ آيَةٌ مِنْ كِتَابِ اللهِ إِلاَّ وَأَنَا أَعْلَمُ فِيمَ أُنْزِلَتْ وَلَوْ أَعْلَمُ أَحَدًا أَعْلَمَ مِنِّي بِكِتَابِ اللهِ تُبَلِّغُهُ الإِبِلُ لَرَكِبْتُ إِلَيْهِ1599 – Van `Abdullah ibn Mas'ud (رضي الله عنه):Hij zei: “Bij Allāh, er is geen godheid behalve Hij, er is geen sûrah uit het Boek van Allāh die is neergezonden zonder dat ik weet waar het werd geopenbaard, en geen vers uit het Boek van Allāh die is neergezonden zonder dat ik weet waarom het werd geopenbaard. En als ik zou weten dat er iemand is die het Boek van Allāh beter kent dan ik, en kamelen hem kunnen bereiken, dan zou ik zeker op een kameel stappen en naar hem toe reizen.

٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو عَنْ مَسْرُوقٍ، قَالَ: ذُكِرَ عَبْدُ اللهِ عِنْدَ عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو، فَقَالَ: ذَاكَ رَجُلٌ لاَ أَزَالُ أُحِبُّهُ بَعْدَ مَا سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقولُ: اسْتَقْرِئوا الْقُرْآنَ مِنْ أَرْبَعَةٍ: مِنْ عَبْدِ اللهِ مَسْعُودٍ (فَبَدَأَ بِهِ)، وَسَالِم مَوْلَى أَبِي حُذَيْفَةَ، وَأُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ، وَمُعَاذِ بْنِ جَبَلٍ1600 - Van `Abdullah ibn `Amr via Masrûq (رضي الله عنهما):`Abdullah ibn Mas`ûd werd genoemd bij `Abdullah ibn `Amr, en hij zei: 'Dat is een man die ik altijd zal liefhebben, nadat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb horen zeggen: “Leert de Qur’ān van vier mensen: van `Abdullah ibn Mas’ûd (en hij begon met hem), van Salim, de vrijgemaakte slaaf van Abû Hudzayfah, van Ubay ibn Ka`b, en van Mu'adz ibn Jabal.'“

De voortreffelijkheid van Ubay ibn Ka`b en een groep van de Ansār (رضي الله تعالى عنهم)

من فضائل أُبَيّ بن كعب وجماعة من الأنصار رضي الله تعالى عنهم

١٦٠١ - حديث أَنَسِ ﵁، قَالَ: جَمَعَ الْقُرْآنَ عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ أَرْبَعَةٌ: كُلُّهُمْ مِنَ الأَنْصَارِ؛ أُبَيٌّ، وَمُعَاذُ بْنُ جَبَلٍ، وَأَبُو زَيْدٍ، وَزَيْدُ ابْنُ ثَابِتٍ

1601 - Van Anas (رضي الله عنه): De Qur’ān werd in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door vier mensen uit het hoofd geleerd: allemaal van de Ansār; Ubay ibn Kā`b, Mu'adz ibn Jabal, Abû Zayd, en Zayd ibn Thābit.”

١٦٠٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالكٍ ﵁، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لأُبَيٍّ: إِنَّ اللهَ أَمَرَنِي أَنْ أَقْرَأ عَلَيْكَ لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا قَالَ: وَسَمَّانِي قَالَ: نَعَمْ فَبَكَى1602 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Ubay ibn Kā`b: “Allāh heeft mij bevolen om jou de sûrah 'Lām yakuni-lladhīna kafarū' (sûrah al-Bayyinah) voor te lezen.”Hij (Ubay) vroeg: “Heeft Hij mij bij naam genoemd?”Hij antwoordde: “Ja.”Daarop begon hij te huilen.

[Ubay ibn Kāʿb (رضي الله عنه) behoort tot de metgezellen die de Qur’ān het mooist kon reciteren. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in de hadîth van hierboven gezegd: “Leert de Qur’ān van vier personen,” en hij noemde onder hen ook Ubay.De sûrah al-Bayyinah, bestaande uit negen verzen en beschouwd als de kern van de Qur’ān, waarin profeetschap, oprechtheid (ikhlās), de salāh, de zakāh, de Dag der Opstanding, en de beschrijving van de mensen van het Paradijs en van het Hellevuur beschreven worden. Het is door Allāh bevolen om gereciteerd te worden door Ubay ibn Ka`b. Toen Ubay dit verheugende nieuws ontving, kon hij zijn oren niet geloven en vulden zijn ogen zich met tranen van blijdschap.] (AFK)

De voortreffelijkheid van Saʿd ibn Mu`ādz

من فضائل سعد بن معاذ ﵁

١٦٠٣ - حديث جَابِرٍ ﵁: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: اهْتَزَّ الْعَرْشُ لِمَوْتِ سَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ

1603 - Van Jābir (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De `Arsh (Troon van Allāh) schudde vanwege de dood van Saʿd ibn Mu`ādz.”

١٦٠٤ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: أُهْدِيَتْ لِلنَّبِيِّ ﷺ حُلَّةٌ حَرِيرٍ، فَجَعَلَ أَصْحَابُهُ يَمَسُّونَهَا وَيَعْجَبُونَ مِنَ لِينِهَا فَقَالَ: أَتَعْجَبُونَ مِنْ لِينِ هذِهِ لَمَنَادِيلُ سَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ خَيْرٌ مِنْهَا، أَوْ أَلْيَنُ1604 - Van al-Barā' ibn Aazib (رضي الله عنه):Er werd een zijden gewaad aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geschonken. Zijn metgezellen raakten het aan en waren verwondeerd over de zachtheid ervan. (Het viel bij de metgezellen in de smaak)Daarop zei hij: “Verwonderen jullie je over de zachtheid van dit gewaad? De doeken van Saʿd ibn Mu`ādz (in het Paradijs) zijn beter dan dit, of zachter dan dit.”

١٦٠٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: أْهْدِيَ لِلنَّبِيِّ ﷺ جُبَّةُ سُنْدُسٍ، وَكَانَ يَنْهى عَنِ الْحَرِيرِ فَعَجِبَ النَّاسُ مِنْهَا فَقَالَ: وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ لَمَنَادِيلُ سَعْدِ بْنِ مُعَاذٍ فِي الْجَنَّةِ أَحْسَنُ مِنْ هذَا1605 – Van Anas (رضي الله عنه):Er werd een gewaad van sundus (zijdeachtig brokaat) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geschonken, terwijl hij zijde had verboden.

De mensen waren verwonderd (het viel hen in de smaak) over het gewaad.Toen zei hij: “Bij Degene in Wiens Hand het leven van Muhammad is, de doeken van Saʿd ibn Mu`ādz in het Paradijs zijn mooier dan dit.”

[Sa‘d ibn Mu‘ādz (رضي الله عنه) behoorde tot de Anṣār en was de leider van de Aws-stam. Hij nam deel aan de veldslagen van Badr, Uhud en Khandaq. Tijdens de slag van Khandaq raakte hij gewond. Ondanks zijn verwonding werd hij aangesteld als scheidsrechter om te oordelen over de Banû Qurayzah-joden.

Sa‘d ibn Mu‘ādh had de Islām aangenomen door de uitnodiging van Muṣ‘ab ibn ‘Umayr (رضي الله عنه), die naar Madīnah was gezonden, en behoorde tot degenen die buitengewoon veel diensten aan de Islām had bewezen. Hij leverde een grote bijdrage aan het vestigen en versterken van de Islām in Madīnah. Een van zijn onvergetelijke daad was dat, toen de Makkaanse polytheïsten tijdens de veldtocht voorafgaand aan de slag van Badr met hun leger naderden, Sa‘d verklaarde dat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in elke situatie zouden steunen, niet alleen binnen Madīnah. Want volgens de eed van ‘Aqabah hadden de moslims uit Madīnah zich enkel verplicht om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen de grenzen van Madīnah te beschermen.

De Troon (al-‘Arsh) is iets dat door Allah is geschapen en onderworpen is aan Zijn bevel. Wanneer Allah wil dat de Troon beeft, dan beeft hij. Tevens had Allah de Troon een gevoel van liefde voor Sa‘d gegeven, zoals Hij ook de berg Uhud een gevoel van liefde voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gegeven.

Toen Sa‘d ibn Mu‘ādz overleed, beefde de Troon door het bevel van Allah. Zo toonde de Troon zijn liefde en eerbied voor Sa‘d. Dat de Troon beefde vanwege Sa‘d betekende dat deze verheugd was over de komst van zijn ziel. Sommige geleerden hebben dit beven van de Troon uitgelegd als het beven van de engelen die de Troon dragen.] (HA)

De voortreffelijkheid van `Abdullah ibn ʿAmr ibn Harām, de vader van Jābir (رضي الله عنهما)

من فضائل عبد الله بن عمرو بن حرام والد جابر رضي الله تعالى عنه

١٦٠٦ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ ﵄، قَالَ: جِيءَ بِأَبِي، يَوْمَ أُحُدٍ، قَدْ مُثِّلَ بِهِ، حَتَّى وُضِعَ بَيْنَ يَدَيْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَقَدْ سُجِّيَ ثَوْبًا فَذَهَبْتُ أُرِيدُ أَنْ أَكْشِفَ عَنْهُ، فَنَهَانِي قَوْمِي، ثُمَّ ذَهَبْتُ أَكْشِفُ عَنْهُ فَنَهَانِي قَوْمِي، فَأَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَرُفِرَ فَسَمِعَ صَوْتَ صَائِحَةٍ، فَقَالَ: مَنْ هذِهِ فَقَالُوا: ابْنَةُ عَمْرِو أَوْ أُخْتُ عَمْرِو، قَالَ: فَلِمَ تَبْكِي أَوْ لاَ تَبْكِي، فَمَا زَالَتِ الْمَلاَئِكَةُ تُظِلُّهُ بِأَجْنِحَتِهَا حَتَّى رفِعَ

1606 - Van Jābir ibn ʿAbdillaah (رضي الله عنهما):Mijn vader werd op de dag van `Uḥud gebracht. (Hij was shahīd gevallen). Men had zijn lichaam verminkt (zijn neus of oor, of een deel van zijn lichaam is afgesneden ) en hij werd voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neergelegd. Hij was in een doek gewikkeld. Ik wilde het doek van hem afnemen, maar mijn stamgenoten hielden me tegen. Toen probeerde ik opnieuw het doek af te nemen, maar zij weerhielden me opnieuw.Toen gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevel, en het doek werd verwijderd.Hij hoorde het geluid van een jammerende vrouw en vroeg: “Wie is dat?”Men zei: “De dochter van ʿAmr of de zus van ʿAmr.”Hij zei: “Waarom huilt deze vrouw, of zij nu huilde of niet, de engelen bleven hem met hun vleugels overschaduwen totdat zijn begrafenis werd voltrokken.”

[Jābir (رضي الله عنه)’s vader, ‘Abdullah ibn `Amr (رضي الله عنه), was tijdens de slag van Uhud op wrede wijze door de vijand gemarteld en stierf als martelaar (shahīd).

Zijn neus en beide oren waren afgesneden. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) troostte de zus van de martelaar, Fātima (رضي الله عنها), toen zij begon te huilen.De overleveraar van de ḥadīth twijfelde of Jābir zei “de dochter van `Amr” of “de zus van `Amr”. Als het de dochter van `Amr betreft, zou deze vrouw de tante van Jābir zijn. Als het de zus van `Amr betreft, dan zou deze vrouw de tante van ‘Abdullah zijn. Bovendien kan het woord “zoon” ook in de tekst zijn weggelaten.] (HA)

De voortreffelijkheid van Abū Dzar

من فضائل أبي ذر ﵁

من فضائل أبي ذر ﵁

١٦٠٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَمَّا بَلَغَ أَبَا ذَرٍّ مَبْعَثُ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ لأَخِيهِ: ارْكَبْ إِلَى هذَا الْوَادِي فَاعْلَمْ لِي عِلْمَ هذَا الرَّجُلِ الَّذِي يَزْعُمُ أَنَّهُ نَبِيٌّ يَأْتِيهِ الْخَبَرُ مِنَ السَّمِاءِ وَاسْمَعْ مِنْ قَوْلِهِ ثُمَّ ائْتِنِي فَانْطَلَقَ الأَخُ حَتَّى قَدِمَهُ، وَسَمِعَ مِنْ قَوْلِهِ، ثُمَّ رَجَعَ إِلَى أَبِي ذَرٍّ، فَقَالَ لَهُ: رَأَيْتُهُ يَأْمُرُ بِمَكَارِمِ الأَخْلاَقِ، وَكَلاَمًا، مَا هُوَ بِالشِّعْرِ فَقَالَ: مَا شَفَيْتَنِي مِمَّا أَرَدْتُ فَتَزَوَّدَ وَحَمَلَ شَنَّةً لَهُ، فِيهَا مَاءٌ، حَتَّى قَدِمَ مَكَّةَ فَأَتَى الْمَسْجِدَ فَالْتَمَسَ النَّبِيَّ ﷺ، وَلاَ يَعْرِفُهُ وَكَرِهَ أَنْ يَسْأَلَ عَنْهُ، حَتَّى أَدْرَكَهُ بَعْضُ اللَّيْلِ فَرآهُ عَلِيٌّ، فَعَرَفَ أَنَّهُ غَرِيبٌ فَلَمَّا رَآهُ تَبِعَهُ فَلَمْ يَسْأَلْ وَاحِدٌ مِنْهُمَا صَاحِبَهُ عَنْ شَيْءٍ حَتَّى أَصْبَحَ ثُمَّ احْتَمَلَ قِرْبَتَهُ وَزَادَهُ إِلَى الْمَسْجِدِ، وَظَلَّ ذلِكَ الْيَوْمَ، وَلاَ يَرَاهُ النَّبِيُّ ﷺ، حَتَّى أَمْسى فَعَادَ إِلَى مَضْجَعِهِ فَمَرَّ بِهِ عَلِيٌّ، فَقَالَ: أَمَا نَالَ لِلرَّجُلِ أَنْ يَعْلَمَ مَنْزِلَهُ فَأَقَامَهُ، فَذَهَبَ بِهِ مَعَهُ، لاَ يَسْأَلُ وَاحِدٌ مِنْهُمَا صَاحِبَهُ عَنْ شَيْءٍ حَتَّى إِذَا كَانَ يَوْمُ الثَّالِثِ، فَعَادَ عَلِيٌّ مِثْلَ ذلِكَ، فَأَقَامَ مَعَهُ ثُمَّ قَالَ: أَلاَ تُحَدِّثُنِي مَا الَّذِي أَقْدَمَكَ قَالَ:

إِنْ أَعْطَيْتَنِي عَهْدًا وَمِيثَاقًا لَتُرْشِدَنَّنِي، فَعَلْتُ فَفَعَلَ، فَأَخْبَرَهُ قَالَ: فَإِنَّهُ حَقٌّ، وَهُوَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَإِذَا أَصْبَحْتَ فَاتَّبِعْنِي، فَإِنِّي إِنْ رَأَيْتُ شَيْئًا أَخَافُ عَلَيْكَ قُمْتُ كَأَنِّي أُرِيقُ الْمَاءَ فَإِنْ مَضَيْتُ فَاتَّبِعْنِي، حَتَّى تَدْخُلَ مَدْخَلِي فَفَعَلَ، فَانْطَلَقَ يَقْفُوهُ، حَتَّى دَخَلَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَدَخَلَ مَعَهُ، فَسَمِعَ مِنْ قَوْلِهِ، وَأَسْلَمَ مَكَانَهُ فَقَالَ لَهُ النَّبِيُّ ﷺ ارْجِعْ إِلَى قَوْمِكَ فَأَخْبِرْهُمْ حَتَّى يَأْتِيَكَ أَمْرِي قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بَيَدِهِ لأَصْرُخَنَّ بِهَا بَيْنَ ظَهْرَانَيْهِمْ فَخَرَجَ حَتَّى أَتَى الْمَسْجِدَ، فَنَادَى بِأَعْلَى صَوْتِهِ: أَشْهَدُ أَنْ لاَ إِلَهَ إِلاَّ اللهُ، وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ ثُمَّ قَامَ الْقَوْمُ فَضَرَبُوهُ حَتَّى أَضْجَعُوهُ وَأَتَى الْعَبَّاسُ، فَأَكَبَّ عَلَيْهِ قَالَ: وَيْلَكُمْ أَلَسْتُمْ تَعْلَمُونَ أَنَّهُ مِنْ غِفَارٍ، وَأَنَّ طَرِيقَ تِجَارِكُمْ إِلَى الشَّامِ فَأَنْقَذَهُ مِنْهُمْ ثُمَّ عَادَ مِنَ الْغَدِ لِمِثْلِهَا، فَضَرَبُوهُ، وثَارُوا إِلَيْهِ، فَأَكَبَّ الْعَبَّاسُ عَلَيْهِ

1607 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Toen Abū Dzar hoorde over de zending van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (als de laatste profeet), zei hij tegen zijn broer: “Rijd naar dat dal (Makkah) en zoek voor mij informatie over deze man die beweert dat hij een profeet is, aan wie nieuws uit de hemel wordt geopenbaard.

Luister naar wat hij zegt en kom dan terug naar mij.”Zijn broer vertrok (en kwam in Makkah aan).

Hij kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) luisterde naar zijn woorden en keerde terug naar Abū Dzar en zei: “Ik heb hem gezien; hij beveelt goede zeden en spreekt woorden die geen poëzie zijn.”Abū Dzar zei: “Je hebt mijn verlangen niet bevredigd.”Hij nam wat proviand en water in een leren zak mee en ging naar Makkah. Daar begaf hij zich naar de moskee (Masjid al Harām), op zoek naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij kende hem niet en vond het ook niet prettig om naar hem te vragen.Toen een deel van de nacht voorbij was, zag ʿAlī hem en merkte dat hij een vreemdeling was. Hij volgde hem zonder dat een van hen iets tegen de ander zei tot het ochtend werd.Abū Dzar droeg zijn waterzak en proviand naar Masjid al Harām, bleef daar de hele dag, maar zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet. Toen de avond viel, keerde hij terug naar zijn slaapplek (in Masjid al Harām).ʿAlī kwam voorbij en zei: “Is het nog steeds niet tijd voor de man om zijn verblijfplaats te kennen?”Hij nam hem mee zonder dat ze elkaar iets vroegen. Op de derde dag herhaalde ʿAlī hetzelfde en toen zei hij: “Zou je me niet willen vertellen wat je hierheen heeft gebracht?”Abū Dzar antwoordde: “Als jij me een belofte doet en een eed aflegt dat je mij naar de waarheid zult leiden, zal ik het je vertellen.”Dat deed hij en Abū Dzar vertelde hem over zijn zoektocht.ʿAlī zei: “Voorwaar, hij is de waarheid, en hij is Allāhs Rasûl (Boodschapper). Wanneer de ochtend aanbreekt, volg mij dan. Als ik iets zie waarvan ik vrees dat het jou schade zou berokkenen, zal ik doen alsof ik mijn (kleine) behoefte doe. Ga dan niet verder. Als ik doorga, volg mij tot je mijn verblijfplaats binnengaat.”Zo deed hij het.

Hij volgde ʿAlī tot hij met hem het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) binnenging.Hij luisterde naar zijn woorden en accepteerde de Islām ter plekke.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Keer terug naar jouw volk en informeer hen (over mijn profeetschap), totdat mijn bevel tot jou komt.”Maar Abū Dzar zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik zal het (kalimah at-tawhīd) luidkeels verkondigen te midden van hen (polytheisten)!”Hij ging Masjid al Harām binnen en riep met luide stem: “Ik getuig dat er geen godheid is dan Allāh, en dat Muhammad de Boodschapper van Allāh is!”Toen stormden de mensen op hem af en sloegen hem totdat hij op de grond lag. ʿAbbās kwam aanrennen, boog zich over hem heen en zei: “Wee jullie! Weten jullie dan niet dat hij van (de stam) Ghifār is? Jullie handelsroute naar Shām loopt door hun gebied!”Zo redde hij hem van hen. De volgende dag deed Abū Dzar hetzelfde. Ze sloegen hem opnieuw en renden op hem af. ʿAbbās boog zich weer over hem heen (en redde hem opnieuw).

De voortreffelijkheid van Jarīr ibn `Abdullah

ن فضائل جرير بن عبد الله ﵁

١٦٠٨ - حديث جَرِيرٍ ﵁، قَالَ: مَا حَجَبَنِي النَّبِيُّ ﷺ مُنْذُ أَسْلَمْتُ، وَلاَ رَآنِي إِلاَّ تَبَسَّمَ فِي وَجْهِي وَلَقَدْ شَكَوْتُ إِلَيْهِ أَنِّي لاَ أَثْبُتُ عَلَى الْخَيْلِ، فَضَرَبَ بِيَدِهِ فِي صَدْرِي، وَقَالَ: اللهُمَّ ثَبِّتْهُ وَاجْعَلْهُ هَادِيًا مَهْدِيًّا

1608 - Van Jarīr (رضي الله عنه):Sinds ik de Islām heb aangenomen, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mij nooit buitengesloten, en telkens als hij mij zag, glimlachte hij naar mij.(In een andere hadîth:) Ik klaagde bij hem dat ik niet stevig op een paard kon blijven zitten.Toen sloeg hij met zijn hand op mijn borst en zei: “O Allāh, maak hem standvastig (op het paard). Maak hem tot iemand die de juiste weg wijst (mahdī) en zelf ook geleid (hādī) wordt.”

[Jarīr ibn `Abdullah (رضي الله عنه) is in de tiende jaar na de Hijrah moslim geworden. Hij was afkomstig uit Jemen en was een van de leiders van zijn stam. Hij kwam naar Madînah en gaf persoonlijk de trouwbelofte aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij was samen met de cavalerie van zijn stam. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ontving hem met gastvrijheid en eer, en later gaf hij hem de taak om de afgodstempel in Jemen, die ook wel de Ka`bah van Jemen werd genoemd, genaamd Dzul-Khalaṣah, te vernietigen.] (AFK)

١٦٠٩ - حديث جَرِيرٍ قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَلاَ تُرِيحُنِي مِنْ ذِي الْخَلَصَةِ وَكَانَ بَيْتًا فِي خَثْعَمَ، يُسَمَّى كَعْبَةَ الْيَمَانِيَةَ قَالَ: فَانْطَلَقْتُ فِي خَمْسِينَ وَمَائَةِ فَارِسٍ مِنْ أَحْمَسَ، وَكَانُوا أَصْحَابَ خَيْلٍ قَالَ: وَكُنْتُ لاَ أَثْبُتُ عَلَى الْخَيْلِ فَضَرَبَ فِي صَدْرِي، حَتَّى رَأَيْتُ أَثَرَ أَصَابِعِهِ فِي صَدْرِي، وَقَالَ: اللهُمَّ ثَبِّتْهُ وَاجْعَلْهُ هَادِيًا مَهْدِيًّا فَانْطَلَقَ إِلَيْهَا، فَكَسَرَهَا وَحَرَّقَهَا ثُمَّ بَعَثَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ يُخْبِرُهُ فَقَالَ رَسُولُ جَرِيرٍ: وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ مَا جِئْتُكَ حَتَّى تَرَكْتهَا كَأَنَّها جَمَلٌ أَجْوَفُ، أَوْ أَجْرَبُ قَالَ: فَبَارَكَ فِي خَيْلِ أَحْمَسَ وَرِجَالِهَا، خَمْسَ مَرَّاتٍ1609 – Van Jarīr (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: ‘Wil je mij niet verlossen van Dzul-Khalaṣah?’Het was een heiligdom van de stam van Khath`am, dat ook wel de 'Ka`bah van al-Yamāniyyah' werd genoemd.Hij zei: “Daarop vertrok ik met honderdvijftig ruiters van (de stam) Ahmas.

Zij waren mensen van de paarden (goede ruiters).”Ik kon mijzelf niet goed op het paard houden. (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sloeg met zijn hand op mijn borst, totdat ik het spoor van zijn vingers op mijn borst kon zien.En hij zei (de volgende du`ā’): “O Allāh, maak hem standvastig (op het paard).

Maak hem tot iemand die de juiste weg wijst (mahdī) en zelf ook geleid (hādī) wordt.”Vervolgens trok hij eropuit, en hij vernietigde het heiligdom en stak het in brand.Daarna stuurde hij een boodschapper naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem te informeren.De boodschapper van Jarīr zei: ‘Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, ik ben niet naar u gekomen totdat ik het (heiligdom) achterliet alsof het een holle of schurftige kameel was (of zwart geworden door verbranding).’Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vijf maal: “Moge Allāh de paarden en de ruiters van Ahmas (clan) zegenen’.

[Dzu’l-Khalaṣah was een uit steen gehouwen afgodsbeeld buiten Makkah, die vereerd werd door Arabische stammen. Het stond bekend om de feesten die er werden gehouden, de gelofteoffers die werden gebracht en het trekken van waarzegpijlen om plannen voor de toekomst te maken. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de vernietiging van dit afgodsbeeld beval, ontstond er een gewapend conflict tussen Jarîr (رضي الله عنه), de sahābah die bij hem waren, en enkele stammen in de omgeving, maar uiteindelijk werd het beeld vernietigd. ] (Diyanet)

De voortreffelijkheid van `Abdullah ibn ʿAbbās

فضائل عبد الله بن عباس ﵄

١٦١٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، دَخَلَ الْخَلاَءَ، فَوَضَعْتُ لَهُ وَضُوءًا، قَالَ: مَنْ وَضَعَ هذَا فَأُخْبِرَ فَقَالَ: اللهُمَّ فَقِّهْهُ فِي الدِّينِ

1610 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging het toilet binnen, en ik zette voor hem wudû’-water klaar.Hij zei: ‘Wie heeft dit klaargezet?’Toen werd hem (door Maymunah bintu’l-Harith ) verteld wie het had gedaan, waarop hij zei: ‘O Allāh, geef hem begrip (fiqh) in de godsdienst.’

[Abdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) is de zoon van Abbās (رضي الله عنه), de oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zijn moeder was Ummu’l-Faḍl Lubābah (رضي الله عنها), de zus van de moeder der gelovigen, Maimūnah (رضي الله عنها). Ongeveer drie jaar voor de Hidjrah werd hij in Makkah geboren. Dankzij zijn tante Maimūnha had hij vaak de kans om in het huis van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te verblijven en daar veel van hem te leren. Omdat hij opgroeide onder de nabijheid en opvoeding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van nature een scherpe intelligentie bezat, werd hij een autoriteit op het gebied van islamitische wetenschappen, met name in de tafsīr wetenschap.Na an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) diende hij als wetenschappelijk adviseur voor de Rāshidīn-kaliefen, werd door Ali (رضي الله عنه) benoemd tot gouverneur van Basra, maar trad later terug en keerde terug naar de Hijāz. Toen ʿAbdullāh ibn Zubayr (رضي الله عنه) in opstand kwam tegen ʿAbdulmalik ibn Marwān, trok hij samen met Muḥammad ibn Ḥanafiyya zijn familie naar Makkah. Ondanks aandringen zwoer hij geen trouw aan ʿAbdullāh ibn Zubayr (رضي الله عنه). Later verhuisde hij met zijn studenten en familie naar Ta’if, waar hij zich bezighield met wetenschap en onderwijs. Hij overleed daar in het jaar 68 na Hidjrah, rond de leeftijd van 70 jaar.] (HA)

De voortreffelijkheid van `Abdullah ibn `Umar

من فضائل عبد الله بن عمر ﵄

١٦١١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ الرَّجُلُ، فِي حَيَاةِ النَّبِيِّ ﷺ إِذَا رَأَى رؤْيَا قَصَّهَا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَتَمَنَّيْتُ أَنْ أَرَى رُؤْيَا، فَأَقُصَّهَا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَكُنْتُ غُلاَمًا شَابًّا وَكُنْتُ أَنَامُ فِي الْمَسْجِدِ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَرَأَيْتُ فِي النَّوْمِ كَأَنَّ مَلَكَيْنِ أَخَذَانِي، فَذَهَبَا بِي إِلَى النَّارِ فَإِذَا هِيَ مَطْوِيَّةٌ كَطَيِّ الْبِئْرِ، وَإِذَا لَهَا قَرْنَانِ، وَإِذَا فِيهَا أُنَاسٌ، قَدْ عَرَفْتُهُمْ فَجَعَلْتُ أَقُولُ: أَعُوذُ بِاللهِ مِنَ النَّارِ قَالَ: فَلَقِيَنَا مَلَكٌ آخَرُ، فَقَالَ لِي: لَمْ تُرَعْ فَقَصَصْتُهَا عَلَى حَفْصَةَ، فَقَصَّتْهَا حَفْصَةُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: نِعْمَ الرَّجُلُ عَبْدُ اللهِ لَوْ كَانَ يُصَلِّي مِنَ اللَّيْلِ فَكَانَ، بَعْدُ، لاَ يَنَامُ مِنَ اللَّيْلِ إِلاَّ قَلِيلًا

1611 – Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):Ten tijde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertelde men zijn droom aan hem als men iets had gezien. En ik wenste dat ik ook een droom zou zien, zodat ik die aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kon vertellen.Ik was een jonge knaap, en ik sliep in de moskee tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Toen zag ik in mijn slaap alsof twee engelen mij hadden genomen en mij naar het Hellevuur brachten.

Het was als een samengevouwen put, en het had twee horens (kolommen), en daarin waren mensen die ik herkende.Ik begon te zeggen: ‘Ik zoek toevlucht bij Allāh tegen het Hellevuur!’Toen kwam er een andere engel en zei tegen mij: ‘Wees niet bang.’Ik vertelde de droom aan (mijn zus) Hafsah en zij vertelde het aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Daarop zei hij: ‘Wat een voortreffelijke man is `Abdullah , als hij maar salāh zou verrichten in de nacht!’(Salim ibn `Abdullah ibn `Umar zei:) “Vanaf dat moment sliep hij daarna slechts weinig in de nacht.”

[`Abdullah Ibn `Umar is de zoon van `Umar (رضي الله عنه). Hij werd samen met `Umar (رضي الله عنه) moslim en emigreerde met hem mee. Omdat hij nog jong was, kon hij niet deelnemen aan de Slag bij Badr. Daarna nam hij wel deel aan de overige veldtochten en veroveringen. Hij bemoeide zich niet met kwesties over het kalifaat die onder de moslims ontstonden. `Abdullah Ibn `Umar was door zijn intelligentie en persoonlijke capaciteiten een van de jongeren die het meest profiteerden van de opvoeding en het onderwijs van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij overleed in Makkah in het 73e jaar na Hijrah op 86-jarige leeftijd.] (HA)

De voortreffelijkheid van Anas ibn Mālikمن فضائل أنس بن مالك ﵁

١٦١٢ - حديث أَنَسٍ عَنْ أُمِّ سُلَيْمٍ قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ أَنَسٌ خَادِمُكَ، ادْعُ اللهَ لَهُ قَالَ: اللهُمَّ أَكْثِرْ مَالَهُ وَوَلَدَهُ وَبَارِكْ لَهُ فِيمَا أَعْطَيْتَهُ

1612 – Van Anas via (zijn moeder) Ummu Sulaym (رضي الله عنهما):Zij zei: “O Rasûlullāh laat Anas uw dienaar zijn, doe du`ā’ bij Allāh voor hem.”Hij zei: “O Allāh, vermeerder zijn bezit en zijn kinderen, en zegen voor hem wat U hem heeft gegeven.”

١٦١٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: أَسَرَّ إِلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ سِرًا، فَمَا أَخْبَرْتُ بِهِ أَحَدًا بَعْدَهُ وَلَقَدْ سَأَلَتْنِي أُمُّ سُلَيْمٍ، فَمَا أَخْبَرْتُهَا بِهِ1613 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertrouwde mij een geheim toe, en ik heb het (na zijn overleden) aan niemand verteld. Zelfs toen Ummu Sulaym mij ernaar vroeg, vertelde ik het haar niet.”

[Anas ibn Malik (رضي الله عنه) was tijdens de Hijrah nog maar 10 jaar oud. Zijn moeder, Ummu Sulaym (رضي الله عنها), had hem aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgedragen om hem te dienen. Daardoor diende Anas tien jaar lang an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). En groeide op onder zijn begeleiding en opvoeding. Hij kreeg de du`ā’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ontving daardoor zegeningen voor zijn kinderen, rijkdom en een lang leven. Hij overleed in Basra in het 90ste of 93ste jaar van de Hijra op 103-jarige leeftijd.] (HA)

De deugdzaamheid van `Abdullah ibn Salām (رضي الله تعالى عنه)من فضائل عبد الله بن سلام رضي الله تعالى عنه

١٦١٤ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ قَالَ: مَا سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ لأَحَدٍ يَمْشِي عَلَى الأَرْضِ إِنَّهُ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ إِلاَّ لِعَبْدِ اللهِ بْنِ سَلاَمٍ قَالَ: وَفِيهِ نَزَلَتْ ⦗١٦٤⦘ هذِهِ الآيَةُ (وَشَهِدَ شَاهِدٌ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ الآية)

1614 – Van Saʿd ibn Abī Waqqaas (رضي الله عنه):Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit iemand die op aarde liep horen zeggen dat hij van de mensen van het Paradijs is, behalve tegen `Abdullah ibn Salām.En hij zei, (het volgende vers is over hem geopenbaard): قُلۡ أَرَءَيۡتُمۡ إِن كَانَ مِنۡ عِندِ ٱللَّهِ وَكَفَرۡتُم بِهِۦ وَشَهِدَ شَاهِدٞ مِّنۢ بَنِيٓ إِسۡرَٰٓءِيلَ عَلَىٰ مِثۡلِهِۦ فَـَٔامَنَ وَٱسۡتَكۡبَرۡتُمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلظَّٰلِمِينَ ١٠

Zeg: “Vertel mij! Als dit van Allāh is, en jullie ontkennen het, terwijl er een getuige van de Kinderen van Israël verklaart dat deze Qur’ān van Allāh is, dus hij geloofde terwijl jullie te trots zijn.” Waarlijk! Allāh leidt het onrechtvaardige volk niet. (surah al-Aḥqāf: 10)

Een van de overleveraars, `Abdullah ibnu Yûsuf) zei: “Ik weet niet of Imām Mâlik zei dat de nederdaling van dit vers in dit verhaal zit op basis van zijn eigen mening is of het in de hadîth zelf is.”

١٦١٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ سَلاَمٍ عَنْ قَيْسِ بْنِ عُبَادٍ، قَالَ: كُنْتُ جَالِسًا فِي مَسْجِدِ الْمَدِينَةِ، فَدَخَلَ رَجُلٌ عَلَى وَجْهِهِ أَثَرُ الْخُشُوعِ فَقَالُوا: هذَا رَجُلٌ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ فَصَلَّى رَكْعَتَيْنِ، تَجَوَّزَ فِيهِمَا، ثُمَّ خَرَجَ وَتَبِعْتُهُ، فَقُلْتُ: إِنَّكَ حِينَ دَخَلْتَ الْمَسْجِدَ، قَالُوا: هذَا رَجُلٌ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ قَالَ: وَاللهِ مَا يَنْبَغِي لأَحَدٍ أَنْ يَقُولَ مَا لاَ يَعْلَمُ وَسَأُحَدِّثُكَ لِمَ ذَاكَ رَأَيْتُ رُؤْيَا عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَصَصْتُهَا عَلَيْهِ وَرَأَيْتُ كَأَّنِّي فِي رَوْضَةٍ (ذَكَرَ مِنْ سَعَتِهَا وَخُضْرَتِهَا) وَسْطَهَا عَمُودٌ مِنْ حَدِيدٍ، أَسْفلُهُ فِي الأَرْضِ وَأَعْلاَهُ فِي السَمَاءِ فِي أَعْلاَهُ عُرْوَةٌ، فَقِيلَ لَهُ ارْقَهْ قُلْتُ لاَ أَسْتَطِيعُ فَأَتَانِي مِنْصَفٌ فَرَفَعَ ثِيَابِي مِنْ خَلْفِي فَرَقِيتُ، حَتَّى كُنْتُ فِي أَعْلاَهَا فَأَخَذْتُ بِالْعُرْوَةِ فَقِيلَ لَهُ: اسْتَمْسِكْ فَاسْتَيْقَظْتُ، وَإِنَّهَا لَفِي يَدِي فَقَصَصْتهَا عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: تِلْكَ الرَّوْضَةُ الإِسْلاَمُ، وَذَلِكَ الْعَمُودُ عَمُودُ الإِسْلاَمِ، وِتِلْكَ الْعُرْوَةُ عُرْوَةُ الوُثْقى فَأَنْتَ عَلَى الإِسْلاَمِ حَتَّى تَمُوتَ وَذَاكَ الرَّجُلُ عَبْدُ اللهِ بْنُ سَلاَمٍ

1615 – Van `Abdullah ibn Salām via Qays ibn ʿUbād (رضي الله عنهما):Ik zat in de moskee van Madînah, toen er een man binnenkwam op wiens gezicht tekenen van nederigheid zichtbaar waren. Ze zeiden: ‘Deze man is van de mensen van het Paradijs.’Hij verrichtte twee rakʿah salāh kort maar volledig, en vertrok daarna. Ik volgde hem en zei: ‘Toen jij de moskee binnenging, zeiden zij: ‘Dit is een man van de mensen van het Paradijs.’Hij zei: ‘Bij Allāh, het is niemand toegestaan iets te zeggen wat hij niet weet. Maar ik zal je vertellen waarom dat gezegd werd. Ik zag een droom tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ik vertelde hem hierover. Ik bevond me in een tuin. (Hij beschreef de grootte en de groene pracht van de tuin), en vervolgde daarna: “In het midden was een ijzeren zuil die zijn basis op de grond had en zijn top in de lucht, en bovenaan was een handvat. Er werd tegen me gezegd: 'Klim omhoog.' Ik zei: 'Dat kan ik niet.' Toen kwam een dienaar, die mijn kleding vasthield en me omhoog trok tot aan de top van de paal, waar ik het handvat vastpakte. Er werd tegen me gezegd: 'Houd goed vast.' Terwijl ik het handvat vasthield, werd ik wakker. Ik ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelde het hem. Hij zei: 'De tuin die je zag, is de Islām, de zuil is de zuil van de Islām, en het handvat dat je zag, is de Urwatu’l-Wuthqa (de stevige band). Je zult tot je dood in de Islām blijven.'En die man was `Abdullah ibn Salām.”

De voortreffelijkheid van Hassan ibn Thabit

فضائل حسان بن ثابت ﵁

١٦١٦ - حديث حَسَّانِ بْنِ ثَابِتٍ عَنْ سَعِيدٍ بْنِ الْمُسَيَّبِ، قَالَ: مَرَّ عُمَرُ فِي الْمَسْجِدِ وَحَسَّانُ يُنْشِدُ، فَقَالَ: كُنْتُ أُنْشِدُ فِيهِ، وِفِيهِ مَنْ هُوَ خَيْرٌ مِنْكَ ثُمَّ الْتَفَت إِلَى أَبِي هُرَيْرَةَ، فَقَالَ: أَنْشُدُكَ بِاللهِ أَسَمِعْتَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: أَجِبْ عَنِّي، اللهُمَّ أَيِّدْهُ بِرُوحِ الْقُدُسِ قَالَ: نَعَمْ

1616 – Van Hassān ibn Thābit via Sa`īd ibn al-Mûsāyyib ((رضي الله عنهما):`Umar liep door de moskee terwijl Hassān poëzie voordroeg. Hij (`Umar) vond het lelijk (om poëzie in de moskee voor te dragen).Daarop zei hij (Hassān): ‘Ik droeg ook poëzie voor in deze moskee, terwijl er iemand (Rasûlullāh ) in aanwezig was die beter is dan jij.’Toen keerde hij zich tot Abû Hurayrah (met betrekking tot het voordragen van poëzie in de moskee) Abû Hurayrah als getuige) en zei: ‘Zeg voor Allāh, heb jij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “(Geef antwoord met je poëzie op deze ongelovigen die de Rasûlullāh en zijn metgezellen belasteren). Beantwoord ze namens mij, O Allāh, ondersteun hem met de Heilige Geest (Jibril)”?’(Abû Hurayrah bevestigde dit en) zei: Ja, (ik heb het gehoord).

[‘Hijw’ betekent iemand hekelen of bespotten op een scherpe of spottende manier. Hassān ibn Thābit (رضي الله عنه), die bekend staat als de dichter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdedigde met zijn poëzie de metgezellen en de Islām tegen de spotdichten van de ongelovigen. Hij behoorde tot de stam van de Banū an-Najjār.

Omdat de grootmoeder van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de moeder van zijn grootvader ʿAbd al-Muttalib, uit deze stam kwam, werd Hassān als een verwant van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschouwd.Hassān beheerste de dichtkunst op een niveau dat hem in staat stelde te wedijveren met toonaangevende dichters van zijn tijd zoals al-Aʿshā, an-Nābighah en al-Hutayʾa. Hij nam deel aan de beroemde poëziewedstrijden op de Ukāz-markt en wedijverde daar met andere beroemde dichters. Vanwege de kwaliteit van zijn poëzie werd hij gewaardeerd door koningen zoals ʿAmr ibn al-Ḥārith van de Ghassāniden en Nuʿmān ibn al-Mundhir van de Laḫmiden in al-Ḥīrah, die hem in hun paleizen ontvingen.Na de tweede Bayaʿh al-ʿAqaba accepteerde hij op zestigjarige leeftijd de Islām. Met zijn toetreding tot de Islām verkreeg de moslimgemeenschap een invloedrijke dichter wiens faam zich uitstrekte voorbij de Ḥijāz tot in andere Arabische regio's. Hassān ibn Thābit bleef vanaf dat moment dicht bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en wijdde zijn beste poëzie aan hem. Hij gebruikte zijn woorden als een krachtiger wapen dan het zwaard in de verdediging van de Islām en van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Vanaf de vroege dagen werden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moslims blootgesteld aan mondelinge aanvallen en spot van de Quraysh en hun dichters. Deze aanvallen namen toe na de Hijrah en hadden een grote invloed op de publieke opinie, wat veel verdriet en ongemak veroorzaakte bij de moslims. Daarom besloot Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om met dezelfde middelen te reageren en gaf hij dichters onder de metgezellen zoals Thābit ibn Qays, Kaʿb ibn Mālik en ʿAbdullāh ibn Rawāḥah de opdracht om antwoord te geven.

Geen van hen evenaarde echter de doeltreffendheid van Hassān ibn Thābit, die zei: “Bij Degene Die jou met de waarheid heeft gezonden, ik zal hen met mijn tong aan stukken scheuren zoals huid in stukken wordt gescheurd.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verklaarde dat deze poëzie effectiever was tegen de Quraysh dan pijlen. (Muslim, Faḍāʾil aṣ-Ṣaḥābah, 157)Met zijn poëzie verpletterde Hassān ibn Thābit de joodse dichter en Islām vijand Kaʿb ibn al-Ashraf, waardoor deze uit Madînah moest vertrekken. Toen hij naar Makkah vluchtte, durfde niemand hem daar als gast te ontvangen uit angst voor de spotdichten van Hassān.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hechtte veel waarde aan de dichtkunst van Hassān ibn Thābit en liet zelfs een speciale plek voor hem in de moskee vrijmaken om zijn gedichten te kunnen voordragen. In een poëzieduel met een groep van zeventig à tachtig mannen van de stam van Banū Tamīm, die naar Madînah kwamen, versloeg Hassān hen met zijn poëzie, wat ertoe leidde dat velen van hen de Islām accepteerden.Na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd Hassān ibn Thābit ouder en hield zich nog maar weinig met poëzie bezig. Tijdens het kalifaat van ʿUmar droeg hij enkele keren poëzie voor in de moskee. Toen de khaliefah daar vreemd op reageerde, antwoordde hij: Ik heb hier poëzie voorgedragen in aanwezigheid van iemand die beter is dan jij,” waarmee hij verwees naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). (Bukhārī, Badaʾ al-Khalq, 6)Zijn poëzie uit de jāhiliyyah tijdperk bestond vooral uit hekeldichten (‘hijw’), lofzangen, liefdesverzen (‘gazal’) en openingsverzen (‘nasīb’). Na zijn Islām bleef hij vooral actief in het schrijven van hekeldichten, lofzangen en elegieën, maar hij liet zich ook inspireren door de overwinningen van de moslims, hun heldendaden, en door verzen uit de Qurʾān en hadîth. Deze invloeden uitten zich in wijze uitspraken en spreekwoorden in zijn poëzie.

Daarom vormen zijn gedichten een belangrijk voorbeeld van de impact van de Islām en de Qurʾān op de Arabische literatuur. Islamitische begrippen komen in zijn poëzie bovendien vaker voor dan bij andere dichters uit zijn tijd.] (AFK)

١٦١٧ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لِحَسَّانَ: اهْجُهُمْ أَوْ هَاجِهِمْ وَجِبرِيلُ مَعَكَ1617 – Van Barā’ (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Hassān: ‘ihjuhum’ (bekritiseer hen met je poëzie, maak hen belachelijk) of ‘hājihim’ (val hen aan met je poëzie), en Jibrīl is met jou.’

١٦١٨ - حديث عَائِشَةَ عَنْ عُرْوَةَ، قَالَ: ذَهَبْتُ أَسُبُّ حَسَّانَ عِنْدَ عَائِشَةَ، فَقَالَتْ: لاَ تَسُبُّهُ، فَإِنَّهُ كَانَ يُنَافِحُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ1618 – Van ʿĀishah via ʿUrwah (رضي الله عنهما):ʿUrwah (overgeleverd van zijn vader Hishām) zei: “Ik bekritiseerde Hassān in aanwezigheid van ʿĀishah, maar zij zei: ‘Beledig hem niet, want hij verdedigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”

١٦١٩ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مَسْرُوقٍ، قَالَ: دَخَلْنَا عَلَى عَائِشَةَ، وَعِنْدَهَا حَسَّان بْنُ ثَابِتٍ، يُنْشِدُهَا شِعْرًا، يُشَبِّبُ بِأَبْيَاتٍ لَهُ، وَقَالَ:

حَصَانٌ رَزَانٌ مَا تُزَنُّ بِرِيبَةٍ وَتُصْبِحُ غَرْثَى مِنْ لُحُومِ الْغَوَافِلِ

فَقَالَتْ لَهُ عَائِشَةُ: لكِنَّكَ لَسْتَ كَذلِكَ قَالَ

مَسْرُوقٌ: فَقلْتُ لَهَا لِمَ تَأْذَنِي لَهُ أَنْ يَدْخُلَ عَلَيْكِ وَقَدْ قَالَ اللهُ تَعَالَى (وَالَّذِي تَوَلَّى كِبْرَهُ مِنْهُمْ لَهُ عَذَابٌ عَظِيمٌ) فَقَالَتْ: وَأَيُّ عَذَابٍ أَشَدُّ مِنَ الْعَمى قَالَتْ لَهُ: إِنَّهُ كَانَ يُنَافِحُ، أَوْ يُهَاجِي عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ

1619 – Van ʿĀishah via Masrûq (رضي الله عنهما):Wij gingen op bezoek bij ʿĀishah, en bij haar was Hassān ibn Thābit, die voor haar poëzie voordroeg. Hij reciteerde enkele verzen waarin hij (ʿĀishah) lofprijsde met zijn gedichten. Daarin zei hij: “Zij is kuis, waardig en onbesproken.

Doordat zij zich niet inlaat met het belasteren van kuise vrouwen, blijft zij hongerig (m.a.w. als je roddelt eet je het vlees van je overleden broeder/zuster).”ʿĀishah zei tegen hem: ‘Maar jij bent niet zoals zij (jij hebt wel geroddeld).’Masroeq zei: ‘Dus ik vroeg haar: Waarom sta je hem toe jouw huis binnen te komen, terwijl Allāhu تعالى zegt: وَٱلَّذِي تَوَلَّىٰ كِبۡرَهُۥ مِنۡهُمۡ لَهُۥ عَذَابٌ عَظِيمٞ ١En degene van hen die grootste aandeel had: voor hem zal er een grotere bestraffing zijn. (sûrah an-Nûr: 11]Zij zei: ‘En welke bestraffing is erger dan blindheid (Hassān was blind geworden)?’Daarop zei zij over hem: ‘Waarlijk, hij verdedigde of dichtte ter verdediging van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .’

[Toen er een lastercampagne tegen ʿĀishah werd gevoerd, was Hassān ibn Thābit ook één van hen, en om die reden werd hij bekritiseerd. Echter, omdat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn poëzie verdedigde, is zijn fout enigszins verzacht.] (AFK)

[Hassan b. Sābit (رضي الله عنه) was een ṣaḥābī die bekend stond als dichter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en die zijn poëzie gebruikte om in de strijd tegen de polytheïsten de Islām te dienen.

In die tijd kan hij worden gezien als een soort mediakracht. Tijdens het incident van `Ifk werd hij door de hypocrieten misleid om te geloven in de laster tegen `A’ishah (رضي الله عنها), maar hij bood later berouwvol zijn excuses aan. In deze ḥadīth blijkt dat `A’ishah Hassan vergaf en zelfs later, toen deze ṣaḥābī zijn gezichtsvermogen verloor, met genade behandelde en zijn diensten aan de Islām waardeerde.] (Diyanet)

١٦٢٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: اسْتَأْذَنَ حَسَّانُ النَّبِيَّ ﷺ فِي هِجَاءِ الْمُشْرِكِينَ قَالَ: كَيْفَ بِنَسَبِي فَقَالَ حَسَّانٌ: لأَسُلَّنَّكَ مِنْهُمْ كَمَا تُسَلُّ الشَّعَرَةُ مِنَ الْعَجِينِ1620 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Hassān vroeg toestemming aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om poëzie te reciteren waarin hij de polytheisten zou hekelen (hijā’). Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Wat dan met mijn afstamming, (m.a.w. hoe kun je hen hekelen met je gedichten, terwijl mijn afkomst met die van de afgodendienaren dezelfde is?)’Hassān antwoordde: ‘Ik zal uw (afstammeling) uit (de Quraysh) afzonderen zoals een haar uit deeg wordt getrokken.’

De voortreffelijkheid van Abû Hurayrah al-Dûsīمن فضائل أبي هريرة الدوسي ﵁

١٦٢١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: إِنَّكُمْ تَزْعُمُونَ أَنَّ أَبَا هُرَيْرَةَ يُكْثِرُ الْحَدِيثَ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ وَاللهُ الْمَوْعِدُ إِنِّي كُنْتُ امْرَءًا مِسْكِينًا، أَلْزَمُ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَلَى مِلْءِ بَطْنِي وَكَانَ الْمُهَاجِرونَ يَشْغَلُهُمُ الصَّفْقُ بِالأَسْوَاقِ وَكَانَتِ الأَنْصَارُ يَشْغَلُهُمُ الْقِيَامُ عَلَى أَمْوَالِهِمْ فَشَهِدْتُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ ذَاتَ يَوْمٍ وَقَالَ: مَنْ يَبْسُطْ رِدَاءَهُ حَتَّى أَقْضِيَ مَقَالَتِي، ثُمَّ يَقْبِضْهُ فَلَنْ يَنْسى شَيْئًا سَمِعَهُ مِنِّي فَبَسَطْتُ بُرْدَةً كَانَتْ عَلَيَّ فَوَالَّذِي بَعَثَهُ بِالْحَقِّ مَا نَسِيتُ شَيْئًا سَمِعْتُهُ مِنْهُ

1621 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Jullie beweren dat Abû Hurayrah veel ahadîth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overlevert. Allāh zal hierover rekenschap vragen. (Allah zal op de Dag des Oordeels oordelen of jullie onrecht hebben, of dat ik op het rechte pad ben in het overleveren van zoveel ahadîth).Ik was een arme man die altijd bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbleef en nam genoegen met wat nodig is om niet uit te hongeren.

De Muhajirûn werden bezig gehouden door de handel op de markten, en de Ansâr waren bezig met het werk op hun bezittingen en landerijen. Ik was getuige van het volgende: op een bepaalde dag zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Wie zijn mantel uitspreidt totdat ik mijn toespraak heb beëindigd en het daarna opvouwd, zal niets vergeten van wat hij van mij gehoord heeft.’Ik spreidde de mantel die ik droeg uit, en bij Degene die hem (Rasûlullāh) met de waarheid zond, ik heb niets vergeten van wat ik van hem heb gehoord.”

In een andere ḥadīth zei hij: “Als de twee verzen uit het Boek dat Allāh heeft nedergezonden er niet waren geweest, zou ik nooit iets hebben verteld.”En toen reciteerde hij:

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَكۡتُمُونَ مَآ أَنزَلۡنَا مِنَ ٱلۡبَيِّنَٰتِ وَٱلۡهُدَىٰ مِنۢ بَعۡدِ مَا بَيَّنَّٰهُ لِلنَّاسِ فِي ٱلۡكِتَٰبِ أُوْلَٰٓئِكَ يَلۡعَنُهُمُ ٱللَّهُ وَيَلۡعَنُهُمُ ٱللَّٰعِنُونَ ١٥٩

إِلَّا ٱلَّذِينَ تَابُواْ وَأَصۡلَحُواْ وَبَيَّنُواْ فَأُوْلَٰٓئِكَ أَتُوبُ عَلَيۡهِمۡ وَأَنَا ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ١٦٠

Waarlijk, degenen die duidelijke bewijzen verhullen, en de aanwijzingen en de Leiding die Wij hebben neergezonden, nadat Wij het voor de mensen in het Boek duidelijk hebben gemaakt, zij zijn degenen die Allāh vervloekt en vervloekt worden door de vervloekers.Behalve degenen die berouw hebben getoond en zich beteren en openlijk de Waarheid verklaren. Van deze zal Ik het berouw aanvaarden.

En Ik ben degene Die het berouw aanvaard, de Genadevolle. (Surah al-Baqarah: 159-160)

[Volgens de ḥadīth van Imām al-Bukhārī is het als volgt overgeleverd: “O Rasûlullāh, ik hoor veel dingen van u, maar ik vergeet ze.”Toen zei hij: “Open je mantel.”Ik opende mijn mantel, en hij schepte met zijn hand in (de lucht of een beweging), en zei toen: “Doe het dicht.”Ik sloot het, en sindsdien ben ik niets meer vergeten.”] (AFK)

[Abû Hurayrah (رضي الله عنه) heette oorspronkelijk Abdushshams (dienaar van de zon). Volgens ḥadīth gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem de naam Abdurrahman. Tijdens de verovering van Khaybar kwam hij uit Jemen en werd moslim. Bij aankomst in Madīnah sloot hij zich aan bij de Aṣhab as-Ṣuffa*, en ondanks de volledige ontberingen van armoede en nood bleef hij onafgebroken bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarom heeft hij een zeer groot aantal aḥadīth uit het hoofd geleerd. Vanwege zijn overvloedige aḥadīth van aḥadīth werd hij soms bekritiseerd, waarop hij weer antwoord gaf. Over zijn overlijden zijn drie aḥadīth bekend, in de jaren 56, 57 en 58 na Hijrah.] (HA){*: De Aṣhab as-Ṣuffa waren een groep metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die na hun emigratie naar Madīnah geen eigen onderkomen hadden en tijdelijk leefden in een overdekte zitplaats (as-Ṣuffa) in de Moskee van an-Nabī.}

De voortreffelijkheid van de mensen van Badr en het verhaal van Ḥātib ibn Abī Balta`ah من فضائل أهل بدر ﵃ وقصة حاطب بن أبي بلتعة

١٦٢٢ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: بَعَثَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَنَا وَالزُّبَيْرَ وَالْمِقْدَادَ بْنَ الأَسْوَدِ قَالَ: انْطَلِقُوا حَتَّى تَأْتُوا رَوْضَةَ خَاخٍ، فَإِنَّ بِهَا ظَعِينَةَ، وَمَعَهَا كِتَابٌ، فَخُذُوهُ مِنْهَا فَانْطَلَقْنَا، تَعَادَى بِنَا خَيْلُنَا حَتَّى انْتَهَيْنَا إِلَى الرَّوْضَةِ فَإِذَا نَحْنُ بِالظَّعِينَةِ فَقُلْنَا: أَخْرِجِي الْكِتَابَ فَقَالَتْ: مَا مَعِي مِنْ كِتَابٍ فَقُلْنَا: لَتُخْرِجَنَّ الْكِتَابَ أَوْ لَنُلْقِيَنَّ الثِّيَابَ فَأَخْرَجَتْهُ مِنْ عِقَاصِهَا فَأَتَيْنَا بِهِ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَإِذَا فِيهِ: مِنْ حَاطِبِ بْنِ أَبِي بَلْتَعَةَ، إِلَى أُنَاسٍ مِنَ الْمُشْرِكِينَ، مِنْ أَهْلِ مَكَّةَ، يُخْبِرُهُمْ بِبَعْضِ أَمْرِ رَسولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَا حَاطِبُ مَا هذَا قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ لاَ تَعْجَلْ عَلَيَّ إِنِّي كُنْتُ امْرَءًا مُلْصَقًا فِي قُرَيْشٍ، وَلَمْ أَكُنْ مِنْ أَنْفُسِهَا وَكَانَ مَنْ مَعَكَ مِنَ الْمُهَاجِرِينَ، لَهُمْ قَرَابَاتٌ بِمَكَّةَ يَحْمُونَ بِهَا أَهْلِيهِمْ وَأَمْوَالهُمْ؛ فَأَحْبَبْتُ، إِذ فَاتَنِي ذَلِكَ مِنَ النَّسَبِ فِيهِمْ، أَنْ أَتَّخِذَ عِنْدَهُمْ يَدًا يَحْمُونَ بِهَا قَرَابَتِي وَمَا فَعَلْتُ كُفْرًا وَلاَ ارْتِدَادًا، وَلاَ رِضًا بِالْكُفْرِ بَعْدَ الإِسْلاَمِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَقَدْ صَدَقَكُمْ فَقَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ دَعْنِي أَضْرِبْ عُنُقَ هذَا الْمُنَافِقِ قَالَ:

إِنَّهُ قَدْ شَهِدَ بَدْرًا، وَمَا يُدْريكَ لَعَلَّ اللهَ أَنْ يَكُونَ قَدِ اطَّلَعَ عَلَى أَهْلِ بَدْرٍ، فَقَالَ: اعْمَلُوا مَا شِئْتمْ فَقَدْ غَفَرْتُ لَكُمْ

1622 – Van ʿAlī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde mij samen met Zubayr en Miqdād ibn al-Aswad en zei: ‘Ga naar de Khakh tuin, daar is een reizende vrouw, op een kameel in een overdekte tent, met een brief, neem het van haar (en brengt het naar mij).’Wij gingen op weg en haastten ons met onze paarden tot we bij (Khakh) tuin aankwamen en we troffen inderdaad de reizende vrouw aan op een kameel in een overdekte tent. Wij zeiden tegen haar: ‘Haal de brief tevoorschijn.’ Ze antwoordde: ‘Ik heb geen brief.’ Wij zeiden: ‘Je zult de brief tevoorschijn halen, of we zullen je kleren uitrekken.’Ze haalde de brief uit haar haar, en we brachten het naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen we het openden, zagen we dat het een brief was van Ḥātib ibn Abī Balta`ah aan enkele polytheisten uit Makkah, waarin hij hen op de hoogte bracht van sommige zaken die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (van plan was om te ondernemen tegen Quraysh).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O Ḥātib, wat is dit?’ Hij antwoordde: ‘O Rasûlullāh , wees niet haastig met (het geven van oordeel over) mij. Ik was een man die (als buitenstaander) bij de stam van Quraysh werd gerekend/beschermeling van Quraysh was. Maar ik ben nooit een van hen geweest.Maar degenen die met jou waren, de Muhajirûn, hadden familieleden in Makkah die hun families en hun bezittingen beschermden. Maar ik heb niemand die mij kan beschermen. Dit gebrek aan stamverwantschap wilde ik een band opbouwen zodat mijn familie en bezittingen beschermd zouden worden. Ik heb deze daad niet verricht nadat ik moslim ben geworden door weer ongelovig te worden, afvallig te zijn van mijn geloof, of door tevredenheid te tonen met het ongeloof.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Hij heeft de waarheid gesproken.’ Umar zei: ‘O Rasûlullāh , laat mij zijn nek slaan, want hij is een hypocriet.’ Hij antwoordde: ‘Waarlijk, hij heeft Badr meegemaakt.

Wie weet, misschien heeft Allāh degenen die bij Badr aanwezig waren aangekeken en gezegd: ‘Doe wat jullie willen (wat jullie ook doen), Ik heb jullie vergeven!

De overleverraar (Amr Ibn Dinār) zei: Het volgende vers is naar aanleiding van dit voorval geopenbaard: En Allāh zegt: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَتَّخِذُواْ عَدُوِّي وَعَدُوَّكُمۡ أَوۡلِيَآءَ تُلۡقُونَ إِلَيۡهِم بِٱلۡمَوَدَّةِ

O jullie die geloven. Neem niet Mijn vijanden en jullie vijanden tot vrienden aan wie jullie genegenheid betonen....’ (Surah Al-Mumtahanah 90:1)

[Ḥātib (رضي الله عنه) behoorde tot de Muhājirīn en nam deel aan de Slag bij Badr. In het 6e jaar na Hijrah werd hij door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als gezant naar de Mukawqis van Egypte gestuurd; hij verbleef daar vijf dagen en keerde terug met een aantal geschenken.

Tijdens het kalifaat van Abū Bakr (رضي الله عنه) werd hij naar Egypte gestuurd en sloot daar een vredesovereenkomst met de Egyptenaren, die tot 20 na Hijrah van kracht bleef. Hij overleed in 30 na Hijrah tijdens het kalifaat van ʿUthmān (رضي الله عنه), en zijn ṣalāh al janazah werd geleid door ʿUthmān (رضي الله عنه).

Mevdudi verklaart bij de interpretatie van deze āyah (surah Al-Mumtahanah 90:1):“Tijdens een periode waarin ongeloof en Islām elkaar bestrijden, kan een gelovige, enkel vanwege zijn geloof, niet handelen tegen andere gelovigen of betrokken raken bij een actie die Islām zou schaden, ongeacht de reden. Zo’n handeling is tegenstrijdig met het geloof; zelfs als de intentie niet slecht is, is het voor een gelovige niet toegestaan om zo te handelen. Wie dit doet, is van het rechte pad afgedwaald.”] (HA)

De voortreffelijkheid van Abū Mūsā en Abū ʿĀmir al-Ashʿarīمن فضائل أبي موسى وأبي عامر الأشعريين ﵄

١٦٢٣ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: كُنْتُ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، وَهُوَ نَازِلٌ بَالْجِعْرَانَةِ، بَيْنَ مَكَّةَ وَالْمَدِينَةِ، وَمَعَهُ بِلاَلٌ فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ أَعْرَابِيٌّ، فَقَالَ: أَلاَ تُنْجِزُ لِي مَا وَعَدْتَنِي فَقَالَ لَهُ: أَبْشِرْ فَقَالَ: قَدْ أَكْثَرْتَ عَلَيَّ مِنْ (أَبْشِرْ) فَأَقْبَلَ عَلَي أَبِي مُوسى وَبِلاَلٍ، كَهَيْئَةِ الْغَضْبَانِ، فَقَالَ: رَدَّ الْبُشْرَى، فَاقْبَلاَ أَنْتُمَا قَالاَ: قَبِلْنَا ثُمَّ دَعَا بِقَدَحٍ، فِيهِ مَاءٌ، فَغَسَلَ يَدَيْهِ وَوَجْهَهُ فِيهِ، وَمَجَّ فِيهِ، ثُمَّ قَالَ: اشْرَبَا مِنْهُ، وَأَفْرِغَا عَلَى وُجُوهِكُمَا وَنُحُورِكُمَا، وَأَبْشِرَا فَأَخَذَا الْقَدَحَ، فَفَعَلاَ فَنَادَتْ أُمُّ سَلَمَةَ، مِنْ وَرَاءِ السِّتْرِ: أَنْ أَفْضِلاَ لأُمِّكُمَا فَأَفْضَلاَ لَهَا مِنْهُ طَائِفَةً أخرجه البخاري في ٦٤ كتاب المغازي: ٥٦ باب غزوة الطائف في شوال سنة ثمان

1623 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):(Na de slag bij Hunayn) was ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich bevond in al-Jiʿrānah, tussen Makkah en Madînah. Bilāl was bij hem.

Er kwam een bedoeïen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Wilt u uw belofte (oorlogsbuit) nakomen die u mij had gedaan?’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: ‘Wees blij!’ De bedoeïen antwoordde: “U hebt mij al te veel verteld van “Wees blij!”Toen wendde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich naar Abū Mūsā en Bilāl, alsof hij boos was, en zei: ‘Hij (bedoeïen) heeft de blijdschap (de boodschap van vreugde) teruggegeven, willen jullie de blije tijding accepteren?’ Ze antwoordden: ‘Wij hebben geaccepteerd.’Daarna vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een beker met water, waste zijn handen en zijn gezicht erin, en liet water uit zijn mond stromen.

Vervolgens zei hij: ‘Drink hieruit en giet het over je gezicht en hals, en wees beide blij!’ Ze namen de beker en deden zoals hij had gevraagd. Toen riep (echtgenote van Rasûlullāh) Ummu Salamah van achter het gordijn: ‘Gun jullie moeder een deel van het water.’ Ze gaven haar een beetje van het water.

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezegd dat hij de oorlogsbuit van de Slag bij Hunayn zou verdelen na zijn terugkeer uit Ta'if. De bedoeïen kond echter niet geduld opbrengen en vroeg herhaaldelijk om zijn deel van de buit.]

١٦٢٤ - حديث أَبِي مُوسَى ﵁، قَالَ: لَمَّا فَرَغَ النَّبِيُّ ﷺ، مِنْ حُنَيْن، بَعَثَ أَبَا عَامِرٍ عَلَى جَيْشٍ إِلَى أَوْطَاسٍ فَلَقِي دُرَيْدَ بْنَ الصِّمَّةِ فَقُتِلَ دُرَيْدٌ، وَهَزَمَ اللهُ أَصْحَابَهُ قَالَ أَبُو مُوسى: وَبَعَثَنِي مَعَ أَبِي عَامِرٍ فَرُمِيَ أَبُو عَامِرٍ فِي رُكْبَتِهِ رَمَاهُ جُشَمِيٌّ بِسَهْمٍ فأَثْبَتَهُ فِي رُكْبَتِهِ فَانْتَهَيْتُ إِلَيْهِ، فَقُلْتُ: يَا عَمِّ مَنْ رَمَاكَ فَأَشَارَ إِلَي أَبِي مُوسى، فَقَالَ: ذَاكَ قَاتِلِي الَّذِي رَمَانِي فَقَصَدْتُ لَهُ فَلَحِقْتُهُ فَلَمَّا رَآنِي وَلَّى فَاتَّبَعْتُهُ وَجَعَلْتُ أَقُولُ لَهُ: أَلاَ تَسْتَحِي أَلاَ تَثْبُتُ فَكَفَّ فَاخْتَلَفْنَا ضَرْبَتَيْنِ بِالسَّيْفِ، فَقَتَلْتُهُ ثُمَّ قُلْتُ لأَبِي عَامِرٍ: قَتَلَ اللهُ صَاحِبَكَ قَالَ: فَانْزِعْ هذَا السَّهْمَ فَنَزَعْتُهُ، فَنَزَا مِنْهُ الْمَاءُ قَالَ: يَا ابْنَ أَخِي أَقْرِىءِ النَّبِيَّ ﷺ السَّلاَمَ، وَقُلْ لَهُ: اسْتَغْفِرْ لِي وَاسْتَخْلَفَنِي أَبُو عَامِرٍ عَلَى النَّاسِ، فَمَكُثَ يَسِيرًا، ثُمَّ مَاتَ فَرَجَعْتُ، فَدَخَلْتُ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، فِي بَيْتِهِ عَلَى سَرِيرٍ مُرْمَلٍ، وَعَلَيْهِ فِرَاشٌ قَدْ أَثَّرَ رِمَالُ السَّرِيرٍ بِظَهْرِهِ وَجَنْبَيْهِ، فَأَخْبَرْتُهُ بِخَبَرِنَا، وَخَبَرِ أَبِي عَامِرٍ وَقَالَ قُلْ لَهُ اسْتَغْفِرْ لِي فَدَعَا بِمَاءٍ فَتَوَضَّأَ، ثُمَّ رَفَعَ يَدَيْهِ فَقَالَ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِعُبَيْدٍ أَبِي

عَامِرٍ وَرَأَيْتُ بَيَاضَ إِبْطَيْهِ ثُمَّ قَالَ: اللهُمَّ اجْعَلْهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَوقَ كَثِيرٍ مِنْ خَلْقِكَ مِنَ النَّاسِ فَقُلْتُ: وَلِي فَاسْتَغْفِرْ فَقَالَ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِعَبْدِ اللهِ بْنِ قَيْسٍ ذَنْبَهُ، وَأَدْخِلْهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ

مُدْخَلًا كَرِيمًا

قَالَ أَبُو بُرْدَةَ (رَاوِي الْحَدِيثِ): إِحْدَاهُمَا لأَبِي عَامِرٍ، والأُخْرَى لأَبِي مُوسى

1624 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de strijd van Ḥunayn had beeindigd, benoemde hij Abū ʿĀmir als bevelhebber over het leger en stuurde hem naar Awṭās. Daar ontmoette hij (de bevelhebber van het vijandelijke leger) Durayd ibn al-Ṣimmah, die hij doodde. En Allāh bracht de nederlaag over zijn troepen. Abū Mūsā zei: ‘Ik werd samen met Abū ʿĀmir gestuurd. Hij werd in zijn knie geraakt door een pijl, die door een man uit de clan Jushāmī was geschoten. De pijl bleef vast zitten in zijn knie. Ik rende naar hem toe en zei: ‘O mijn oom, wie heeft je geraakt?’ Hij wees naar een man en zei: ‘Die is degene die me heeft geraakt.’ Ik rende naar die man. Toen hij mij zag, draaide hij zich om en begon te vluchten. Ik volgde hem en riep: ‘Heb je geen schaamte? Waarom blijf je niet staan?’ (De man vluchtte niet meer en) we begonnen beiden met onze zwaarden te vechten, waarna ik hem doodde. Ik kwam bij Abū ʿĀmir en ik zei tegen Abū ʿĀmir: ‘Allāh heeft je vijand gedood.’ Hij zei: ‘Verwijder de pijl.’ Ik trok de pijl eruit en er kwam water uit de wond. (Toen hij voelde dat hij dood zou gaan) zei Abū ʿĀmir: ‘O mijn neef, geef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mijn salām en zeg tegen hem om vergiffenis (bij Allah) voor mij te vragen.’ Hij (Abû ʿĀmir) stelde mij aan als bevelhebber van het leger.

Hij leefde nog maar korte tijd daarna overleed hij. (Na afloop van de oorlog) keerde ik terug (naar Madînah) en ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik ging zijn kamer binnen en zag hem op een bank liggen die gevlochten was van grove dadelvezels. Het vlechtwerk van de bank had afdrukken achtergelaten op zijn rug en beide zijden. Ik vertelde hem over onze gebeurtenis en de situatie van Abū ʿĀmir, die had gevraagd: ‘Vraag om vergiffenis voor mij.’ Toen vroeg hij om water, verrichtte zijn wudû’ en stak zijn handen op en zei: ‘O Allāh, vergeef Uw nederige dienaar Abū ʿĀmir.’ Ik zag de witte huid onder zijn oksels toen hij zijn armen optilde. Vervolgens zei hij: ‘O Allāh, stel hem op de Dag van de Opstanding boven veel van Uw schepselen.’ Ik zei: ‘En (vraag) voor mij ook (vergiffenis), o Rasûlullāh !’ Hij zei: ‘O Allāh, vergeef Abdullāh ibn Qays (Abū Mūsā), zijn zonden, en geef hem een eervolle status op de Dag van de Opstanding.’Abū Burdah (de overleveraar van de ḥadīth) zei: “De ene (du`ā’) is voor Abū ʿĀmir, en de andere is voor Abū Musā.”

De voortreffelijkheid van de Ashʿariyyīn

من فضائل الأشعريين ﵃

١٦٢٥ - حديث أَبِي مُوسى قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي لأَعْرِفُ أَصْوَاتَ رُفْقَةِ الأَشْعَرِيِّينَ بِالْقُرْآنِ حِينَ يَدْخُلُونَ بِاللَّيْلِ، وَأَعْرِفُ مَنَازِلَهُمْ مِنْ أَصْوَاتِهِمْ بِالْقُرْآنِ بِاللَّيْلِ، وَإِنْ كُنْتُ لَمْ أَرَ مَنَازِلَهُمْ حِينَ نَزَلُوا بِالنَّهَارِ وَمِنْهُمْ حَكِيمٌ، إِذَا لَقِيَ الْخَيْلَ ⦗١٧١⦘ (أَوْ قَالَ) الْعَدُوَّ، قَالَ لَهُمْ إِنَّ أَصْحَابِي يَأمُرُونَكُمْ أَنْ تَنْظُرُوهُمْ

1625 – Van Abû Musā (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ”Voorwaar, ik herken de stemmen van de metgezellen van de Ashʿarī-clan aan hun recitatie van de Qur’ān wanneer zij 's nachts binnenkomen. En ik herken hun woningen aan hun stemmen die de Qur’ān reciteren in de nacht, ook al heb ik hun woningen overdag niet gezien toen zij zich vestigden.En onder hen zijn er mensen die wijsheid en moed bezitten: wanneer zij (op het slagveld) de ruiters – of hij zei: de vijand – ontmoeten, dan zeggen zij tegen hen (door niet terug te deinzen om hen tegemoet te treden): ‘Voorwaar, mijn vrienden bevelen jullie om op hen te wachten.’

١٦٢٦ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ الأَشْعَرِيِّينَ إِذَا أَرْمَلُوا فِي الْغَزْوِ، أَوْ قَلَّ طَعَامُ عِيَالِهِمْ بِالْمَدِينَةِ، جَمَعُوا مَا كَانَ عِنْدَهُمْ فِي ثَوْبٍ وَاحِدٍ، ثُمَّ اقْتَسَمُوهُ بَيْنَهُمْ، فِي إِنَاءٍ وَاحِدٍ بِالسَّوِيَّةِ فَهُمْ مِنِّي وَأَنَا مِنْهُمْ1626 – Van Abû Musā (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, de clan van de Ashʿarī’s, wanneer hun voorraden tijdens de oorlog bijna op waren, of wanneer het voedsel voor hun gezinnen in de stad (Madînah) schaars werd, verzamelen zij wat zij (allen) hebben in één doek, en dat verdelen zij gelijkelijk onder elkaar in één kom. Ze zijn van mij en ik ben van hen.”

De voortreffelijkheid van Ja`far ibn Abī Ṭālib, Esmā’ bint ‘Umays, en de mensen van het schip (naar Abessinie)

من فضائل جعفر بن أبي طالب وأسماء بنت عميس وأهل سفينتهم ﵃

١٦٢٧ - حديث أَبِي مُوسى وَأَسْمَاءَ بِنْتِ عُمَيْسٍ عَنْ أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: بَلَغَنَا مَخْرَجُ النَّبِيِّ ﷺ، وَنَحْنُ بِالْيَمَنِ فَخَرَجْنَا مُهَاجِرِينَ إِلَيْهِ، أَنَا وَأَخَوَانِ لِي، أَنَا أَصْغَرُهُمْ، أَحَدُهُمَا أَبُو بُرْدَةَ، وَالآخَرُ أَبُو رُهْمٍ فِي ثَلاَثَةٍ وَخَمْسِينَ أَوِ اثْنَيْنِ وَخَمْسِينَ رَجُلًا مِنْ قَوْمِي فَرَكِبْنَا سَفِينَةً، فَأَلْقَتْنَا سَفِينَتُنَا إِلَى النَّجَاشِيِّ، بِالْحَبَشَةِ، فَوَافَقْنَا جَعْفَرَ بْنَ أَبِي طَالِبٍ فَأَقَمْنَا مَعَهُ حَتَّى قَدِمْنَا جَمِيعًا فَوَافَقْنَا النَّبِيَّ ﷺ، حِينَ افْتَتَحَ خَيْبَرَ وَكَانَ أُنَاسٌ مِنَ النَّاسِ يَقُولُونَ لَنَا: (يَعْنِي لأَهْلِ السَّفِينةِ) سَبَقْنَاكُمْ بِالْهِجْرَة

وَدَخَلَتْ أَسْمَاءُ بِنْتُ عُمَيْسٍ، وَهِيَ مِمَّنْ قَدِمَ مَعَنَا، عَلَى حَفْصَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، زَائِرةً وَقَدْ كَانَتْ هَاجَرَتْ إِلَى النَّجَاشِيِّ فِيمَنْ هَاجَرَ فَدَخَلَ عُمَرُ عَلَى حَفْصَةَ، وَأَسْمَاءُ عِنْدَهَا فَقَالَ عُمَرُ، حِينَ رَأَى أَسْمَاءَ: مَنْ هذِهِ قَالَتْ: أَسْمَاءُ بِنْتُ عُمَيْسٍ قَالَ عُمَرُ: الْحَبَشِيَّةُ هذِهِ الْبَحْرِيَّةُ هذِهِ قَالَتْ أَسْمَاءُ: نَعَم قَالَ: سَبَقْنَاكُمْ بِالْهِجْرَةِ، فَنَحْنُ أَحَقُّ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ، مِنْكُمْ فَغَضِبَتْ، وَقَالَتْ: كَلاَّ وَاللهِ كُنْتمْ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، يُطْعِمُ جَائِعَكُمْ، وَيَعِظُ جَاهِلَكُمْ وَكُنَّا فِي دَارِ، (أَوْ) فِي أَرْضِ الْبُعَدَاءِ الْبُغَضَاءِ بِالْحَبَشَةِ وَذَلِكَ فِي اللهِ وَفِي رَسُولِهِ ﷺ وَايْمُ اللهِ لاَ أَطْعَمُ طَعَامًا، وَلاَ أَشْرَبُ شَرَابًا، حَتَّى أَذْكُرَ مَا قُلْتَ لرَسُولِ اللهِ ﷺ وَنَحْنُ كُنَّا نُؤْذَى وَنَخَافُ، وَسَأَذْكُرُ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، وَأَسْأَلُهُ وَاللهِ لاَ أَكْذِبُ وَلاَ أَزِيغُ وَلاَ أَزِيدُ عَلَيْهِ فَلَمَّا جَاءَ النَّبِيُّ ﷺ، قَالَتْ: يَا نَبِيَّ اللهِ إِنَّ عُمَرَ قَالَ كَذَا وَكَذَا قَالَ: فَمَا قُلْتِ لَهُ قَالَتْ: قلْتُ لَهُ كَذَا وَكَذَا قَالَ: لَيْسَ بِأَحَقَّ بِي مِنْكُمْ وَلَهُ وَلأَصْحَابِهِ هِجْرَةٌ وَاحِدَةٌ وَلَكُمْ أَنْتُمْ، أَهْلَ السَّفِينَةِ هِجْرَتَانِ

قَالَتْ: فَلَقَدْ رَأَيْتُ أَبَا مُوسى وَأَصْحَابَ السَّفِينَةِ يَأْتُونِي أَرْسَالًا، يَسْأَلُونِي عَنْ هذَا الْحَدِيثِ مَا مِنَ الدُّنْيَا شَيْءٌ هُمْ بِهِ أَفْرَحُ، وَلاَ أَعْظَمُ فِي أَنْفُسِهِمْ، مِمَّا قَالَ لَهُمُ النَّبِيُّ ﷺ

قَالَ أَبُو بُرْدَةَ (رَاوِي الْحَدِيثِ) قَالَتْ أَسْمَاءُ: فَلَقَدْ رَأَيْتُ أَبَا مُوسى وَإِنَّهُ لِيَسْتَعِيدُ هذَا الْحَدِيثَ مِنِّي

1627 - Van Abû Musā en Asmā’ bint ‘Umays (رضي الله عنهما):Het werd ons verteld over de vertrek (Hijrah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (naar Madînah), terwijl wij in Jemen waren. We, mijn twee broers en ik, vertrokken als emigranten (muhājirīn) naar hem. Ik was de jongste van hen. De ene was Abû Burdah en de andere Abû Ruhm. We waren met tweeënvijftig of drieënvijftig mannen van mijn stam en we stapten op een schip. Het schip bracht ons naar (koning) Najashī in Abessinië. We ontmoetten daar Ja`far ibn Abī Ṭālib (en zijn vrienden) en verbleven samen met hem (in Abessinië ) totdat we gezamenlijk naar (Madînah vertrokken). We kwamen aan (in Madînah) en ontmoetten Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij de verovering van Khaybar. En er waren (mujahidīn) onder de mensen die tegen ons zeiden (d.w.z. tegen de mensen van het schip): ‘Wij hebben jullie voorgegaan in de emigratie.’En Asmā’ bint ‘Umays, een van degenen die met ons (uit Abessinië ) was gekomen, bezocht Ḥafṣah, de vrouw van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Asmā’ was eerder naar (het land van) Najashi, Abessinië, geëmigreerd samen met de anderen.

Toen ʿUmar naar Ḥafṣah ging en Asmā’ daar ook was, vroeg hij: ‘Wie is deze vrouw?’ Zij antwoordde: ‘Het is Asmā’ bint ‘Umays.’ ʿUmar zei: ‘Is zij de Abyssiniaanse (Asmā’), is zij de zeevaardster (Asmā’)?’ Zij antwoordde: ‘Ja.’Toen zei ʿUmar: ‘Wij zijn jullie in de emigratie voorgegaan. Wij zijn meer gerechtigd om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te hebben dan jullie.’ Asmā’ werd boos en zei: ‘Nee, bij Allāh, jullie waren met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij voedde jullie hongerigen en onderwees de onwetenden. En wij waren in een verafgelegen land, in Abessinië, dit alles voor Allāh en Zijn Rasûl. Bij Allāh, ik zal geen voedsel eten of water drinken totdat ik alles wat jij tegen mij hebt gezegd, aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb verteld. (Ik zal hem vertellen hoe) we werden getreiterd en vreesden voor ons leven. En ik zal dit (alles) aan Rasûlullāh vertellen. Ik zal noch liegen, noch afwijken en noch iets eraan toevoegen.’Toen kwam ze naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘O Rasûlullāh , ʿUmar zei dit en dit.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: ‘En wat zei je tegen hem?’ Ze antwoordde: ‘Ik zei dit en dit.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Het is niet zo dat hij mij meer verdient dan jij. Hij en zijn metgezellen (die naar Madînah emigreerden) hebben (de zegeningen van) één emigratie, maar jullie, de mensen van het schip, hebben (de zegeningen van) twee emigraties (eerst naar Abessinië en daarna naar Madînah) .’Asmā’ zei: “Ik heb Abû Musā en de mensen van het schip vaak naar mij zien komen om dit verhaal aan mij te vragen.

Er was voor hen niets in de wereld waar zij gelukkiger mee waren, noch iets wat groter was voor hen, dan wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen hen zei.”Abû Burdah (de overleveraar van de hadîth) zei: Asmā’ zei: “Ik heb Abû Musā gezien en inderdaad, hij vroeg herhaaldelijk deze hadîth aan mij.”

De voortreffelijkheid van Ansār (Helpers) ( رضي الله تعالى عنهم)

من فضائل الأنصار رضي الله تعالى عنهم

١٦٢٨ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: نَزَلَتْ هذِهِ الآيَةُ فِينَا (إِذْ هَمَّتْ طَائِفَتَانِ مِنْكُمْ أَنْ تَفْشَلاَ) بَنِي سَلِمَةَ وَبَنِي حَارِثَةَ وَمَا أُحِبُّ أَنَّهَا لَمْ تُنْزَلْ؛ وَاللهُ يَقُولُ (وَاللهُ وَلِيُّهُمَا)

1628 – Van Jābir (رضي الله عنه):De volgende verzen zijn geopenbaard voor Banī Salamah en Banī Hārith: وَإِذۡ غَدَوۡتَ مِنۡ أَهۡلِكَ تُبَوِّئُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ مَقَٰعِدَ لِلۡقِتَالِۗ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ ١٢١

إِذۡ هَمَّت طَّآئِفَتَانِ مِنكُمۡ أَن تَفۡشَلَا وَٱللَّهُ وَلِيُّهُمَاۗ وَعَلَى ٱللَّهِ فَلۡيَتَوَكَّلِ ٱلۡمُؤۡمِنُونَ ١٢٢

En (gedenk) wanneer jij je huis in de ochtend verliet om de gelovigen hun plaats voor het gevecht te wijzen. En Allāh is Alhorend, Alwetend.Twee groepen onder jullie waren in angst voor nederlaag, hoewel Allāh hun helper was. En in Allāh moeten de gelovigen hun vertrouwen leggen. (`Alī Imrān 122-123)Ik zou niet willen dat, wanneer Allah zegt (Nederlands vertaling): ‘terwijl Allah hun Helper is’, deze āyah om die reden over ons was geopenbaard?”.[De gebeurtenissen die in dit vers worden beschreven, hebben betrekking op de Slag van Uḥud. Tijdens deze slag raakten twee groepen in twijfel toen de leider van de hypocrieten, `Abdullah Ibn Ubeyy, zich met 300 man terugtrok van de strijd. Deze groepen zijn de stammen van Banī Salamah en Banī Hārith. In het vers wordt hun zwakte genoemd. Daarom, hoewel het vers een tekortkoming van hen aangeeft, wordt het feit dat Allahu تعالى hen aanspreekt met '… Allāh is hun helper' als een eer beschouwd voor hen. De metgezel van an-Nabī, Jābir Ibn `Abdullah (رضي الله عنه) heeft dit hierboven aangegeven.] (AFK)

١٦٢٩ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: حَزِنْتُ عَلَى مَنْ أُصِيبَ بِالحَرَّةِ، فَكَتَبَ إِلَيَّ زَيْدُ ابْنُ أَرْقَمَ، وَبَلَغَهُ شِدَّةُ حُزْنِي، يَذْكُرُ أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِلأَنْصَارِ، وَلأَبْنَاءِ الأَنْصَارِ1629 – Van Zayd ibn Arqam via Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Hij (Anas) zei: “Ik was verdrietig om degenen die gedood waren bij al-Ḥarrah. Toen schreef Zayd ibn Arqam aan mij, nadat hem mijn hevige verdriet had bereikt, en hij vermeldde dat hij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) had horen zeggen: ‘O Allah, vergeef de Anṣār, en de kinderen van de Anṣār.’”

١٦٣٠ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: رَأَى النَّبِيُّ ﷺ النِّسَاءَ وَالصِّبْيَانَ مُقْبِلِينَ، مِنْ عُرُسٍ، فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ مُمْثِلًا، فَقَالَ: اللهُمَّ أَنْتُمْ مِنْ أَحَبِّ النَّاسِ إِلَيَّ قَالَهَا ثَلاَثَ مِرَارٍ1630 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag vrouwen en kinderen (van Madīnah) aankomen van een bruiloft. Toen stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op en zei drie keer, uitdrukkend: “O Allāh, jullie zijn de meest geliefde mensen voor mij!”

١٦٣١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: جَاءَتِ امْرَأَةٌ مِنَ الأَنْصَارِ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ وَمَعَهَا صَبِيٌّ لَهَا فَكلَّمَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ فَقَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ إِنَّكُمْ أَحَبُّ النَّاسِ إِلَيَّ مَرَّتَيْنِ1631 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Een vrouw van de Ansār kwam samen met haar kind naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) . Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak met haar, en zei twee keer: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, jullie zijn de meest geliefde mensen voor mij!”

١٦٣٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الأَنْصَارُ كَرِشِي وَعَيْبَتِي وَالنَّاسُ سَيَكْثُرُونَ وَيَقِلُّونَ فَاقْبَلُوا مِنْ مُحْسِنِهِمْ وَتَجَاوَزُوا عَنْ مُسِيئِهِمْ1632 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Ansār zijn mijn naaste/innege kring en mijn vertrouweling. De mensen zullen toenemen (in aantal) en zij (de Ansār) zullen minder worden. Aanvaard daarom het goede van hen en vergeef degenen die fouten maken.”

De voortreffelijkheid van de huizen van de Ansār

في خير دور الأنصار ﵃

١٦٣٣ - حديث أَبِي أُسَيْدٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: خَيْرُ دُورِ الأَنْصَارِ بَنُو النَّجَّارِ، ثُمَّ بَنُو عَبْدِ الأَشْهَلِ، ثُمَّ بَنُو الْحرِثِ بْنِ خَزْرَجٍ، ثُمَّ بَنُو سَاعِدَةَ؛ وَفِي كُلِّ دُورِ الأَنْصَارِ خَيْرٌ

فَقَالَ سَعْدٌ: مَأ أَرَى النَّبِيَّ ﷺ إِلاَّ قَدْ فَضَّلَ عَلَيْنَا فَقِيلَ: قَدْ فَضَّلَكمْ عَلَى كَثِيرٍ

1633 – Van Abû Usayd (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste huizen onder de Ansār zijn die van Banu an-Najjār, daarna Banu ʿAbd al-Ashhal, daarna Banu al-Hārith ibn al-Khazraj, en daarna Banu Saʿidah. En in elk huis van Ansār is iets goeds in.”Toen zei Saʿd: “Ik denk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons heeft bevoordeeld.”Waarop werd gezegd: “Hij heeft jullie zeker boven velen bevoordeeld.”

De verhevenheid van de vriendschap der Ansār

في حسن صحبة الأنصار ﵃

١٦٣٤ - حديث جَرِيرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: صَحِبْتُ جَرِيرَ بْنَ عَبْدِ اللهِ، فَكَانَ يَخْدُمُنِي وَهُوَ أَكْبَرُ مِنْ أَنَسٍ قَالَ جَرَيرٌ: إِنِّي رَأَيْتُ الأَنْصَارَ يَصْنَعُونَ شَيئًا، لاَ أَجِدُ أَحَدًا مِنْهُمْ إِلاَّ أَكْرَمْتُهُ

1634 – Van Jarīr ibn `Abdullah via Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Ik reisde samen met Jarīr ibn `Abdullah (Bajalī) en hij diende mij, terwijl hij ouder was dan ik.(Ik zei: ‘Bedien mij niet).' Toen antwoordde hij: “Doordat ik zag hoe de Ansār respect en diensten aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtten, heb ik gezworen dat ik altijd respect en diensten zal verlenen aan wie dan ook van de Ansār.

[Jarīr Ibn `Abdullah (رضي الله عنه) was een van de vooraanstaande leden van de Bajalī -stam in Jemen, en een bevelhebber in het leger. Hoewel hij ouder was dan Anas Ibn Mâlik, verrichtte hij zulke diensten voor Anas uit bewondering voor de diensten die Anas aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verleenden.] (AFK)

Du`ā’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor de clans Ghifār en Aslam

دعاء النبيّ ﷺ لغفار وأسلم

١٦٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: أَسْلَمُ، سَالَمَهَا اللهُ وَغِفَارُ، غَفَرَ اللهُ لَهَا

1635 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aslam, moge Allāh hen vrede schenken en Ghifār moge Allāh hen vergeven.”

١٦٣٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ عَلَى الْمِنْبَرِ: غِفَارُ، غَفَرَ اللهُ لَهَا وَأَسْلَمُ، سَالَمَهَا اللهُ وَعُصَيَّةُ، عَصَتِ اللهَ وَرَسُولَهُ1636 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beklom de minbar en zei: “Ghifār, moge Allāh hen vergeven en Aslam, moge Allāh hen vrede schenken. ʿUsayyah zij waren Allāh en Zijn Rasûl ongehoorzaam.”

[De Ghifār - en Aslam-clans behoren tot de vreedzame stammen die zich zonder enige weerstand de Islām accepteerden. De `Usayyah-clan bestaat daarentegen uit verraders, hypocrieten en onbetrouwbare individuen. Het is een stam die het slachtoffer werd van Allāh's vervloeking en de vloek van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Bij het incident bij de put van Ma`ûnah hebben ze op lafhartige wijze meer dan zeventig Qur’ān-huffadz gedood. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft een maand lang in zijn gebeden vloek uitgesproken tegen hen.]

De voortreffelijkheid van de clans Ghifār, Aslam, Juhaynah, Ashjaʿ, Muzaynah, Tamīm, Daws en Tayyiʾ

من فضائل غفار وأسلم وجهينة وأشجع ومزينة وتميم ودوس وطيء

١٦٣٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قُرَيْشٌ وَالأَنْصَارُ وَجُهَيْنَةُ وَمُزَيْنَةُ وَأَسْلَمُ وَأَشْجَعُ وَغِفَارُ، مَوَالِيَّ؛ لَيْسَ لَهُمْ مَوْلًى دُونَ اللهِ وَرَسُولِهِ

1637 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Quraysh, Ansār (Aws en Khazraj), Juhaynah, Muzaynah, Aslam, Ashjaʿ en Ghifār clans zijn mawālī (mijn innig verbondenen); zij hebben geen andere mawlā buiten Allāh en Zijn Rasûl.”

١٦٣٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَسْلَمُ وَغِفَارُ وَشَيْءٌ مِنْ مُزَيْنَةَ وَجُهَيْنَةَ (أَوْ قَالَ) شَيْءٌ مِنْ جُهَيْنَةَ أَوْ مُزَيْنَةَ، خَيْرٌ عِنْدَ اللهِ (أَوْ قَالَ) يَوْمَ الْقَيَامَةِ، مِنْ أَسَدٍ وَتَمِيمٍ وَهَوَازِنَ وَغَطَفَانَ1638 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aslam, Ghifaar, en een deel van Muzaynah en Juhaynah (of hij zei: een deel van Juhaynah of Muzaynah) zijn beter bij Allāh (of hij zei: op de Dag der Opstanding) dan Asad, Tamīm, Hawazin en Ghatafān.”

١٦٣٩ - حديث أَبِي بَكْرَةَ، أَنَّ الأَقْرَعَ بْنَ حَابِسٍ قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: إِنَّمَا بَايَعَكَ سُرَّاق الْحَجِيجِ، مِنْ أَسْلَمَ وَغِفَارَ وَمُزَيْنَةَ وَجُهَيْنَةَ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَرَأَيْتَ إِنْ كَانَ أَسْلَمُ وَغِفَارُ وَمُزَيْنَةُ وَجُهَيْنَةُ خَيْرًا مِنْ بَنِي تَمِيمٍ وَبَنِي عَامِرٍ وَأَسَدٍ وَغَطَفَانَ، خَابُوا وَخَسِرُوا قَالَ: نَعَمْ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بَيَدِهِ إِنَّهُمْ لَخَيْرٌ مِنْهُمْ1639 – Van Abû Bakrah (رضي الله عنه):Aqraʿ ibn Habis zei tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Alleen de dieven uit de clan Aslam, Ghifār, Muzaynah en Juhaynah die de pelgrims hebben beroofd, hebben u de eed van trouw afgelegd.”Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat denk je ervan als Aslam, Ghifār, Muzaynah en Juhaynah beter blijken te zijn dan Banu Tamīm, Banu ʿAamir, Asad en Ghatafān?

Dan zijn zij (de laatsten) werkelijk verloren en misdeeld!”Aqraʿ zei: “Ja.”Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, zij (Aslam, Ghifaar, Muzaynah en Juhaynah) zijn werkelijk beter dan hen.”

[Aqraʿ ibn Hâbis (رضي الله عنه) trad tijdens de verovering van Makkah toe tot de Islām en behoorde tot de vooraanstaande personen van de stam Banû Tamîm. Hoewel de stammen Aslam, Ghifâr, Muzaynah en Juhaynah in het verleden enkele zonden hadden begaan, zijn zij eerder dan anderen tot de Islām toegetreden en hebben zij trouw gezworen, waardoor zij een bepaalde voortreffelijkheid hebben verworven.] (AFK)

١٦٤٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَدِمَ طُفَيْلُ بْنُ عَمْرِو الدَّوْسِيُّ، وَأَصْحَابُهُ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالُوا: يَا رسُولَ اللهِ إِنَّ دَوْسًا عَصَتْ، وَأَبَتْ فَادْعُ اللهَ عَلَيْهَا فَقِيلَ: هَلَكَتْ دَوْسٌ قَالَ: اللهُمَّ اهْدِ دَوْسًا وَأْتِ بِهِمْ1640 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Tufayl ibn ʿAmr ad-Dawsī en zijn vrienden kwamen bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ze zeiden:“O Rasûlullāh , Daws clan heeft zich verzet en weigert (de oproep om moslim te worden). Verricht du`ā’ tot Allāh tegen hen!”De aanwezigen hebben (vloek tegen Daws clan uitgesproken) en zeiden: ‘De zaak van de stam Daws is klaar’. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:”O Allāh, leid Daws en breng hen (naar de waarheid)!”

[Daws is een clan uit Jemen en behoort tot de bekende stam van de metgezel Abû Hurayrah (رضي الله عنه). Ook Tufayl ibn ʿAmr (رضي الله عنه) was afkomstig uit de Daws-clan. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had hem naar zijn volk gezonden om hen tot de leiding (de Islam) uit te nodigen.] (AFK)

[Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd om een vloek uit te spreken, deed hij vanwege zijn volmaakte barmhartigheid tegenover zijn gemeenschap en zijn verheven karakter juist een smeekbede om het goede voor hen.] (HY)

١٦٤١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: مَا زِلْتُ أُحِبُّ بَنِي تَمِيمٍ مُنْذُ ثَلاَثٍ سَمِعْتُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَقُولُ فِيهِمْ سَمِعْتُهُ يَقُولُ: هُمْ أَشَدُّ أَمَّتِي عَلَى الدَّجَّالِ قَالَ: وَجَاءَتْ صَدَقَاتُهُمْ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: هذِهِ صَدَقَاتُ قَوْمِنَا وَكَانَتْ سَبيَّة مِنْهُمْ عِنْدَ عَائِشَةَ فَقَالَ: أَعْتِقِيهَا، فَإِنَّهَا مِنْ وَلَدِ إِسْمَاعِيلِ1641 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Ik ben blijven houden van Banu Tamīm sinds drie zaken die ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over hen hoorde.Ik hoorde hem zeggen: 'Zij zijn degenen die het hardste weerstand bieden tegen de Dajjāl van de ummah.'De ṣadaqah/zakāh van Banu Tamīm kwam, waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Dit is de ṣadaqah/zakāh van ons volk.'En er was een vrouwelijke krijgsgevangene van hen bij ʿAishah en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Bevrijd haar, want zij is van de afstammelingen van Ismaʿiel (عليه السلام).'

[Banī Tamīm is een grote stam onder de Mudharieten. Zij behoren tot de afstammelingen van Tamīm ibn Mur ibn ʿId ibn Ilyās ibn Muḍar. Zij woonden tussen Basrah, Najd en al-Yamāmah. Deze stam bleef bestaan tot het negende jaar van de Hijrah, waarna zij uiteenvielen.Deze hadîth bewijst dat ook de Arabieren, net als andere niet-Arabische volkeren, gevangen genomen en als bezit gehouden mochten worden.

Echter, het vrijlaten van hen was deugdelijker. Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “'Dit is de ṣadaqah/zakāh van ons volk “ en daarmee de Temīmī's aan zichzelf toeschreef, komt doordat de afstamming van de Temīmī's en die van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samenkomen bij Ilyās ibn Muḍar.] (HY)[In deze ḥadīth kan het een aanwijzing zijn dat de stam van Tamîm de zwaarste strijd tegen de Dajjâl zal leveren. Er is echter niet vermeld op welke wijze zij deze strijd zullen voeren. Voor zover we weten, is hierover ook in betrouwbare bronnen geen authentieke informatie te vinden.Wel wordt er in enkele bronnen, waarvan de authenticiteit niet met zekerheid kan worden vastgesteld, melding gemaakt van een strijder genaamd Shu`ayb ibn Sâlih at-Tamimî. Volgens de informatie uit deze bronnen zal deze jongeman uit de stam van Tamîm tegen het leger van Sufyân strijden, maar hierin niet slagen. Vervolgens zal hij in al-Quds (Jeruzalem) activiteiten ontplooien, een basis leggen voor de komst van de Mahdi en, wanneer de Mahdi verschijnt, hem trouw zweren.] (AFK)

De uitmuntendste onder de mensenخيار الناس

١٦٤٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، قَالَ: تَجِدُونَ النَّاسَ مَعَادِنَ، خِيَارُهُمْ فِي الْجَاهِلِيَّةِ خِيَارُهُمْ فِي الإسْلاَمِ، إِذَا فَقِهُوا وَتَجِدونَ خَيْرَ النَّاسِ فِي هذَا الشَّأْنِ أَشَدَّهُمْ لَهُ كَرَاهِيَةً وَتَجِدُونَ شَرَّ النَّاسِ ذَا الْوَجْهَيْنِ الَّذِي يَأتِي هؤُلاَءِ بَوَجْهٍ وَهؤُلاَءِ بِوَجْهٍ

1642 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie zullen de mensen aantreffen als ertsen: De mensen die in de tijd van de onwetendheid (jâhiliyyah) de besten waren, zijn, wanneer zij inzicht (fiqh) in de dīn krijgen, ook in de Islām de besten. En jullie zullen de beste mensen aantreffen in deze zaak (het leiderschap/khalifaat) als degenen die er het meest afkerig van zijn.En jullie zullen de slechtste mensen aantreffen als degenen met twee gezichten/hypocrieten, die naar deze groep komt met een gezicht, en naar die andere groep met een ander gezicht.”

[Er zijn verschillende soorten ertsen. Sommige zijn van hoge kwaliteit en zeer waardevol; naarmate ze verder bewerkt en er arbeid aan besteed wordt, neemt hun waarde alleen maar toe. Andere erten daarentegen bevatten weinig waardevol materiaal en het loont de moeite niet om ze te bewerken; zelfs als men er arbeid aan besteedt, levert het niets op.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de mensen vergeleken met ertsen. Want sommige mensen worden, naarmate er in hen geïnvesteerd wordt, steeds waardevoller en bereiken uiteindelijk het hoogste niveau van volmaaktheid. Anderen, hoeveel moeite men ook voor hen doet, zullen niet in waarde toenemen.Wie van nature een goed karakter heeft, zal wanneer hij de Islām omarmt, zijn goede eigenschappen nog verder versterken en onder de besten binnen de Islām gerekend worden.] (AFK)

De deugden van de vrouwen van Qurayshمن فضائل نساء قريش

١٦٤٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: نِسَاءُ قُرَيْشٍ خَيْرُ نِسَاءٍ رَكِبْنَ الإِبِلَ أَحْنَاهُ عَلَى طِفْلٍ، وَأَرْعَاهُ عَلَى زَوْجٍ فِي ذَاتِ يَدِهِ يَقُولُ أَبُو هُرَيْرَةَ عَلَى إِثْرِ ذلِكَ: وَلَمْ تَرْكَبْ مَرْيَمُ بِنْت عِمْرَانَ بَعِيرًا قَطُّ

1643 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'De vrouwen van Quraysh zijn de beste vrouwen (onder de Arabieren) die op kamelen hebben gereden: zij zijn het meest zorgzaam voor hun kinderen, en het trouwst jegens hun echtgenoot wat betreft (het bewaken) van diens bezittingen.'Abû Hurayrah voegde daaraan toe: 'En Maryam bint ʿImrān (عليها السلام) heeft nooit op een kameel gereden.'

De verbroedering die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tot stand bracht tussen zijn metgezellen (رضي الله تعالى عنهم)

مؤاخاة النبيّ ﷺ بين أصحابه رضي الله تعالى عنهم

١٦٤٤ - حديث أَنَسٍ ﵁، عَنْ عَاصِمٍ، قَالَ: قُلْتُ لأَنَسٍ ﵁، أَبَلَغَكَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: لاَ حِلْفَ فِي الإِسْلاَمِ فَقَالَ: قَدْ حَالَفَ النَّبِيُّ ﷺ بَيْنَ قُرَيْشٍ وَالأَنْصَارِ فِي دَارِي

1644 – Van Anas via ʿAasim (رضي الله عنهما):Ik zei tegen Anas : 'Heeft het jou bereikt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er is geen hilf in de Islām”? (M.a.w. In de Islām bestaat er geen overeenkomst om elkaar onder alle omstandigheden te beschermen.)Hij antwoordde: 'An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft inderdaad een verbond gesloten tussen Quraysh (muhajirīn) en de Ansār in mijn huis.'

[Hilf betekent een verbond of een overeenkomst. De uitspraak “er is geen hilf in de Islām” betekent dat datgene waarover zij in de tijd van de jāhiliyyah overeenstemming bereikten, in de Islām geen geldigheid heeft.] (HY)

[De ḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): "In de Islām bestaat er geen overeenkomst om elkaar onder alle omstandigheden (en voorwaarden) te beschermen," verwijst naar de samenwerkingsen solidariteitsovereenkomsten die in de tijd van de jāhiliyyah werden gesloten. In die overeenkomsten beloofden beide partijen, ongeacht of iemand gelijk had of niet, elkaar in alle gevallen te beschermen.In de Islām betekent dit dat een persoon zijn gelovige broeder nooit alleen of hulpeloos laat, maar dat deze hulp moet verlenen in overeenstemming met de geboden en verboden van Allāh, en altijd op basis van gerechtigheid en rechtvaardigheid.Anas b. Mālik (رضي الله عنه) vestigde hierop de aandacht door uit te leggen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de overeenkomsten die gesloten werden uit de stamfanatisme van de jāhiliyyah-periode verbood, maar dat hij zelf actief initiatieven nam om de gelovigen met elkaar te verbinden als broeders en hen aan te moedigen elkaar te steunen.] (Diyanet)

De voortreffelijkheid van de sahābah, daarna van degenen die hen opvolgen (tabiʿīn), en daarna van degenen die hen opvolgen (tabaʿu-ttabiʿīn)

فضل الصحابة ثم الذين يلونهم ثم الذين يلونهم

١٦٤٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: يَأْتِي زَمَانَ يَغْزو فِئَامٌ مِنَ النَّاسِ، فَيُقَالُ: فِيكُمْ مَنْ صَحِبَ النَّبِيَّ ﷺ فَيُقَالُ: نَعَمْ فَيُفْتَحَ عَلَيْهِ ثُمَّ يَأْتِي زَمَانٌ فَيُقَال: فِيكُمْ مَنْ صَحِبَ أَصْحَابَ النَّبِيِّ ﷺ فَيُقَالُ: نَعَمْ فَيُفْتَحُ ثُمَّ يَأْتِي زَمَانٌ فَيُقَالُ: فِيكُمْ مَنْ صَحِبَ صَاحِبَ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ فَيقَالُ: نَعَم فَيُفْتَحُ

1645 – Van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal een tijd komen waarin groepen mensen ten strijde trekken, en er zal gezegd worden: 'Is er onder jullie iemand die metgezel (sahabī) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)?'Er zal gezegd worden: 'Ja', en er zal voor hen de deur van de overwinning geopend worden.Dan zal er een tijd komen waarin gezegd wordt: 'Is er onder jullie iemand die de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft vergezeld?'Er zal gezegd worden: 'Ja', en er zal voor hen de deur van de overwinning geopend worden.Er zal een tijd komen waarin groepen mensen ten strijde trekken, en er zal gezegd worden: 'Is er onder jullie iemand die metgezel (tabiʿīn) van metgezel (sahabī) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)?'Er zal gezegd worden: 'Ja', en er zal voor hen de deur van de overwinning geopend worden.Er zal een tijd komen waarin groepen mensen ten strijde trekken, en er zal gezegd worden: 'Is er onder jullie iemand die metgezel (tabaʿu-t-tabiʿīn) van metgezel (tabiʿīn) van metgezel (sahabī) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)?'Er zal gezegd worden: 'Ja', en er zal voor hen de deur van de overwinning geopend worden.

[Hierin wordt gewezen op de voortreffelijkheid van de periode van de ṣaḥābah, tabiʿīn en tabaʿu-t-tabiʿīn.] (AFK)

١٦٤٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: خَيْرُ النَّاسِ قَرْنِي، ثُمَّ الَّذِينَ يَلُونَهُمْ، ثُمَّ الَّذِينَ يَلُونَهُمْ ثُمَّ يَجِىء أَقْوَامٌ تَسْبِقُ شَهَادَةُ أَحَدِهِمْ يَمِينَهُ، وَيَمِينُهُ شَهَادة»1646 – Van `Abdullah ibn Masʿûd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste mensen zijn die van mijn generatie (sahābah), vervolgens degenen die na hen komen (tabiʿīn), vervolgens degenen die na hen komen (tabaʿu-t-tabiʿīn). Daarna zullen er mensen komen bij wie de getuigenis van een van hen zijn eed zal voorafgaan en zijn eed zijn getuigenis.”

[In de hadîth wordt bedoeld dat getuigenis afleggen en eed/zweren zo lichtvaardig zullen worden opgevat dat mensen er haast om zullen strijden. Hiermee wordt erop gewezen dat het zweren en getuigen, wat eigenlijk een religieuze basis heeft, gering geacht zal worden.] (AFK)

[De generatie die het meest deugdzaam is met betrekking tot hun verbondenheid met de Islām, is de generatie van de sahābah van onze Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij zijn het meest voortreffelijk generatie wat betreft hun geloof (īmān), hun aanbiddingsleven (`ibadāt) en hun morele deugden (akhlāq).De generatie die hen opvolgt wordt de Tābiʿūn genoemd, en degenen die de Tābiʿūn opvolgden, vormen de Tabaʿ at-Tabiʿīn.

De deugd van deze generaties wordt ook in de Qur'ān al-Karīm vermeld (surah at-Tawbah, 9/100:وَٱلسَّٰبِقُونَ ٱلۡأَوَّلُونَ مِنَ ٱلۡمُهَٰجِرِينَ وَٱلۡأَنصَارِ وَٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُم بِإِحۡسَٰنٖ رَّضِيَ ٱللَّهُ عَنۡهُمۡ وَرَضُواْ عَنۡهُ وَأَعَدَّ لَهُمۡ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي تَحۡتَهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَآ أَبَدٗاۚ ذَٰلِكَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٠٠

En de allereerste (moslims) die (deze ummah zijn voorgegaan in imaan, hidjra, behulpzaamheid en djihaad) zijn de emigranten (uit Makkah) en de Ansaar (de ‘helpers’ van deze emigranten te Madīnah ) en degenen die hen volgden in goede daden. Allāh is tevreden met hen, en zijn zij tevreden met Hem. Hij heeft voor hen Tuinen voorbereid waar rivieren onder (de bomen) door stromen, om daarin voor altijd te verblijven. Dat is een geweldige overwinning.

Sommige geleerden zeggen dat deze rangorde van deugd per individu geldt, terwijl anderen benadrukken dat dit een algemene beoordeling is.Naarmate men zich verwijdert van de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), neemt het aantal personen met eigenschappen die men kan navolgen en als voorbeeld kan nemen af. In deze ḥadīth wordt uitgelegd dat de generaties na de eerste drie generaties slordig zullen worden in hun getuigenis en eedaflegging: zij zullen veelvuldig zweren zonder na te denken en zullen Allāh als getuige nemen bij hun woorden, zelfs als ze niet zeker zijn, zonder dat zij hierin een bezwaar zien. ] (Diyanet)

١٦٤٧ - حَدِيثُ عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ ﵄، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: «خَيْرُكُمْ قَرْنِي، ثُمَّ الَّذِين يَلُونَهُمْ، ثُمَّ الَّذِين يَلُونَهُمْ» قَالَ عِمْرَانُ: لاَ أَدْرِي، أذَكَرَ النَّبِيُّ ﷺ، بَعْدُ، قَرْنَيْنِ أَوْ ثَلاَثَةً، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: «إِنَّ بَعْدَكُمْ قَوْمًا يَخُونُونَ وَلاَ يُؤْتَمَنونَ، وَيَشْهَدُونَ وَلاَ يُسْتَشْهَدُونَ، وَيَنْذِرُونَ وَلاَ يَفُونَ، وَيَظْهَرَ فِيهِمُ السِّمَنُ» 1647 – Van ʿImrān ibn Husayn (رضي الله عنهما):an -Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste van jullie zijn degenen die leven in mijn tijd, mijn ṣaḥābah, daarna degenen die na hen komen (tab`ien), daarna degenen die na hen komen (en tabaʿu-t-tabiʿien.”ʿImrān zei: “Ik weet niet of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na hen (ṣaḥābah) twee of drie generaties noemde.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, na jullie zullen er mensen komen die verraad plegen/ontrouw zijn en niet betrouwbaar zijn; ze zullen getuigen terwijl hen niet gevraagd zijn te getuigen; ze zullen geloften afleggen en die ze niet nakomen; en bij hen zal zwaarlijvigheid wijdverbreid zijn.”

De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “ Aan het begin van honderd jaar vanaf deze nacht zal er niemand zijn, die zich nu op de aardbodem bevindt, overblijven.”

قَوْلِهِ ﷺ: لاَ تَأْتِي مِائَةُ سَنَةٍ وَعَلَى الأَرْضِ نَفْسٌ مَنْفُوسَةٌ الْيَوْمَ

١٦٤٨ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ عُمَرَ، قَالَ: صلَّى بِنَا النَّبِيُّ ﷺ العِشَاءَ، في آخِرِ حَيَاتِهِ، فَلَمَّا سَلَّمَ قَامَ، فَقَالَ: «أَرَأَيْتَكُمْ لَيْلَتَكُمْ هذِهِ؟ فَإِنَّ رَأْسَ مِائَةِ سَنَةٍ مِنْهَا، لاَ يَبْقَى، مِمَّنْ هُوَ عَلَى ظَهْرِ الأَرْضِ، أَحَدٌ»

1648 – Van `Abdullah ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in de salāh al ìshā’ in de laatste dagen van zijn leven. Nadat hij de taslīm (salām) had uitgesproken, stond hij op en zei: “Zien jullie deze nacht waarin jullie zitten?Aan het begin van honderd jaar vanaf deze nacht zal er niemand zijn die zich nu op de aardbodem bevindt, overblijven.”

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft met deze uitspraak bedoeld dat zijn metgezellen na honderd jaar niet meer in leven zullen zijn. En inderdaad, de laatst overgebleven metgezel, Abū’t-Tufayl ʿAmr ibn Wāthilah (رضي الله عنه), is ongeveer honderd jaar later, rond het jaar 110 na de Hijrah, overleden.] (AFK)[Ibnu Battal zei:’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft met deze uitspraak bedoeld dat hij met deze periode waarin zij leefden zal beeindigen. Hij heeft aangekondigd dat hun levensduur kort zou zijn en niet lang, zoals die van vroegere gemeenschappen die zich bezighielden met aanbidding’.Imām Nawawī zei: ‘In die nacht zal er niemand meer op aarde zijn die, vanaf die nacht gerekend, langer dan honderd jaar zal leven, of zijn leven nu kort of lang is. Het betekent dus niet dat iemand die na die nacht geboren wordt geen honderd jaar zou kunnen leven. Allāh weet het het beste’.] (HY)

Het verbod op het uitschelden van (kwaad spreek over) de metgezellen

تَحْرِيمِ سَبِّ الصَّحَابَةِ ﵃

١٦٤٩ - حَدِيثُ أَبِي سَعِيدٍ الخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: «لاَ تَسُبُّوا أَصْحَابي. فَلَوْ أَنَّ أَحَدَكُمْ أَنْفَقَ مِثْل أُحُدٍ ذَهَبًا، مَا بَلَغَ مُدَّ أَحَدِهِمْ، وَلاَ نَصِيفَه»

1649 – Van Abû Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Scheld mijn metgezellen niet uit//spreek geen kwaad over hen! Want al zou iemand van jullie goud ter grootte van de berg Uḥud (aan ṣadaqah) uitgeven, dan zou dat niet opwegen tegen één mud van hen, noch de helft daarvan.”

De voortreffelijkheid van de Perzen

فَضْلِ فَارِس

١٦٥٠ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: كُنَّا جُلُوسًا عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فَأُنْزِلَتْ عَلَيْهِ سُورَةُ الجُمُعَةِ ﴿وَآخَرِينَ مِنْهُمْ لَمَّا يَلْحَقُوا بِهِمْ﴾ قَالَ: قُلْتُ: مَنْ هُمْ يَا رَسُولَ الله؟ فَلَمْ يُرَاجِعْهُ، حَتَّى سَأَل ثَلاَثًا. وَفِينَا سَلْمَانُ الفَارِسِيُّ. وَضَعَ رَسُولُ الله ﷺ، يَدَهُ عَلَى سَلْمَانَ، ثُمَّ قَالَ: «لَوْ كَانَ الإِيمَانُ عِنْدَ الثُّريَّا، لَنَالَهُ رِجَال (أَوْ) رَجلٌ مِنْ هؤلاء»

1650 –Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Terwijl wij bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zaten, werd de sûrah al-Jum`uah geopenbaard, waarin staat:

وَءَاخَرِينَ مِنۡهُمۡ لَمَّا يَلۡحَقُواْ بِهِمۡۚ وَهُوَ ٱلۡعَزِيزُ ٱلۡحَكِيمُ ٣

En Hij heeft hem (an-Nabī) ook voor andere gestuurd die zich nog niet met hem verenigd hebben. En Hij (Allāh) is de Almachtige, de Alwijze. (al-Jumu`ah 62:3).Ik zei: “Wie zijn dat, o Rasûlullāh ?”Maar hij antwoordde niet, totdat ik het drie keer vroeg. En onder ons bevond zich Salmān al-Fārisī.Toen legde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn hand op Salmān al Fārisī en zei:“Als het geloof (īmān) zelfs bij de Thurayyah ster zou zijn, dan zouden mannen, of een man, van onder hen het bereiken.”

[In het bovenstaande vers wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) degenen die niet in zijn tijd leefde, het Boek van Allāh en de Hikmah (ahadîth van an-Nabī) leerde. Degenen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet hebben bereikt dat zijn de latere generaties, dus wij.

Het is duidelijk dat het leren van het Boek van Allāh en de Hikmah (ahadîth van an-Nabī) voor ons plaatsvond door de bestudering van de ahadîth. Hieruit blijkt het belang van het lezen en onderzoeken van ahadîth. Degene die het Boek van Allāh en de Hikmah wil leren zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze leerde, zou zijn ahadîth zorgvuldig moeten leren en onderzoeken.] (AFK)

De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De mensen zijn als honderd kamelen: je vindt er nauwelijks één die geschikt is om te rijden.”

قَوْلِهِ ﷺ: النَّاسُ كَإِبِلٍ مِائَةٍ لاَ تَجِدُ فِيهَا رَاحِلَةً

١٦٥١ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ عُمَرَ ﵄، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ الله ﷺ، يَقُولُ: «إِنَّمَا النَّاسُ كَالإِبِلِ المِائَةِ، لاَ تَكَادُ تَجِدُ فِيهَا رَاحِلَةً»

1651 – Van `Abdullah ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De mensen zijn als honderd kamelen: je vindt er nauwelijks één die geschikt is om te rijden.”

[Mensen zijn gelijk aan elkaar. Niemand is door zijn afkomst verheven boven een ander. Allen lijken op elkaar, zoals een kudde van honderd kamelen op elkaar lijken. Er zijn maar weinig mensen die werkelijk verzaken aan het wereldse leven, volmaakt godsvruchtig zijn en wiens harten volledig gericht zijn op het Hiernamaals.Dit lijkt op de situatie waarin, binnen een kudde van honderd kamelen, maar weinig dieren geschikt zijn voor transport of lange reizen, sterke en uitmuntende kamelen zijn zeldzaam. Evenzo zijn er onder de mensen maar weinig uitmuntende gelovigen in de samenleving! Mensen zijn gelijk in het oog van de islamitische wetten.Iemand die werelds gezien een hogere positie heeft, heeft geen voorrang boven iemand met een lagere positie. Met andere woorden: alle moslims zijn gelijk voor de shari`ah. Zoals in een kudde van honderd kamelen er nauwelijks één te vinden is die geschikt is als rijdier, zo zijn ook onder de mensen maar weinigen die werkelijk uitmunten zijn.De meeste mensen hebben gebreken en tekortkomingen. De mensen van deugdzaamheid daarentegen zijn werkelijk zeldzaam. In de hadîth wordt met “de mensen” bedoeld: de generatie van de ṣaḥābah, hun volgelingen (de Tabiʿien), en de volgende generatie. Want na deze drie generaties verspreidde zich het kwaad van verraad en werd onderlinge betrouwbaarheid zeldzaam!] (HY)