Kitāb al-Farāʾiḍ: Het boek over erfrecht
[De lexicale betekenis van het woord farāʾiḍ (m.v. farḍ) is verplichte delen / specifieke aandelen. In de fiqh verwijst het naar de wetenschap die behandelt hoe de bezittingen van een overledene volgens bepaalde verhoudingen moet worden verdeeld onder de erfgenamen. Met andere woorden, het betreft het Islamitisch erfrecht. Het doel van deze wetenschap is om de rechten van de rechthebbenden te waarborgen.De betekenis van het woord mirāth is overgaan, intrekken, opvolgen, voortzetten. In terminologische zin verwijst het naar de regels van fiqh en berekening die aangeeft wie recht heeft op welke delen van de nalatenschap van een overledene en hoeveel elk aandeel bedraagt.Verwijzingen in de Qur’ān: an-Nisā’ (4:11, 12, 176), al-Anfāl (8:75). En in deze āyāt genoemde aandelen zijn bijvoorbeeld: 1/2, 1/3, 2/3, 1/6, 1/8.
Samenvatting van deze āyāt:
Eerst worden de schulden van de overledene voldaan.
Als er een testament (wasiyyah) is, wordt dit uitgevoerd.
Vervolgens worden de aandelen verdeeld onder mannelijke en vrouwelijke erfgenamen volgens de voorschriften van de Qur’ān.
Als de overledene geen kinderen heeft, wordt het aandeel van de ouders verhoogd en worden de broers en zussen verdeeld.
Als er noch kinderen, noch ouders zijn, ontvangen de broers en zussen het volledige erfdeel..] (HA)
Het toewijzen van erfdeel aan de rechthebbenden en het overige aan de naaste mannelijke erfgenaam
ألحقوا الفرائض بأهلها، فما بقي فلأولى رجل ذكر
١٠٤١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: أَلْحِقُوا الْفَرَائِضَ بِأَهْلِهَا، فَمَا بَقِيَ فَهُوَ لأَوْلَى رَجُلٍ ذَكَرٍ
1041 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wijs de voorgeschreven (volgens de Qur’ān) erfdeelverdelingen toe aan degenen die daar recht op hebben. Wat daarna nog overblijft, behoort toe aan de naaste mannelijke verwant (van vaderskant) (`asabah)
[`Asabah zijn de mannelijke bloedverwanten die via een mannelijke lijn met een persoon verbonden zijn, en degenen die op deze manier als zodanig worden beschouwd. Nadat de erfgenamen van farāʾiḍ (verplichte aandelen) hun deel hebben ontvangen, gaat de rest van de nalatenschap naar de `asabah. Als er geen erfgenamen van farāʾiḍ zijn, behoort de hele nalatenschap toe aan de `asabah.] (Diyanet)
Erfdeel bij kalālah
ميراث الكلالة
١٠٤٢ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: مَرِضْتُ مَرَضًا فَأَتَانِي النَّبِيُّ ﷺ يَعُودُنِي وَأَبُو بَكْرٍ، وَهُمَا مَاشِيَانِ، فَوَجَدَانِي أُغْمِيَ عَلَيَّ، فَتَوَضَّأَ النَّبِيُّ ﷺ، ثُمَّ صَبَّ وَضُوءَهُ عَلَيَّ، فَأَفَقْتُ، فَإِذَا النَّبِيُّ ﷺ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ أَصْنَعُ فِي مَالِي كَيْفَ أَقْضِي فِي مَالي فَلَمْ يُجِبْنِي بِشَيْءٍ حَتَّى نَزَلَتْ آيَةُ الْمِيرَاثِ
1042 – Van Jābir ibn ʿAbdillah (رضي الله عنه):Ik werd ernstig ziek, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam mij bezoeken, samen met Abū Bakr. Beiden kwamen lopend en troffen mij bewusteloos aan. Toen verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de wudû’ en goot wat van zijn wudû’-water over mij heen. Daarop kwam ik bij bewustzijn, en zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Ik zei: “O Rasūlullāh, hoe moet ik omgaan met mijn bezit? Wat moet ik doen met mijn nalatenschap?”Hij gaf mij toen nog geen antwoord, totdat de āyah over de erfrechten (ayatu’l-mīrāth) werd neergezonden.
[Kalālah is een juridische term die betrekking heeft op de erfopvolging wanneer iemand overlijdt zonder kinderen en zonder een vader. In dat geval erven de “collaterale bloedverwanten” (zoals broers en zussen of hun nakomelingen) volgens de islamitische wet.] (Diyanet)
De laatst geopenbaarde āyah is de āyah van kalālah
آخر آية أنزلت آية الكلالة
١٠٤٣ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: آخِرُ سُورَةٍ نَزَلَتْ بَرَاءَةٌ، وَآخِرُ آيَةٍ نَزَلَتْ يَسْتَفْتُونَكَ
1043 – Van al-Barāʾ ibnu Âzib (رضي الله عنه):De laatste sûrah die is neergezonden was al-Barāʾa (at-Tawba), en de laatste āyah dat werd neergezonden is:
يَسۡتَفۡتُونَكَ قُلِ ٱللَّهُ يُفۡتِيكُمۡ فِي ٱلۡكَلَٰلَةِۚ إِنِ ٱمۡرُؤٌاْ هَلَكَ لَيۡسَ لَهُۥ وَلَدٞ وَلَهُۥٓ أُخۡتٞ فَلَهَا نِصۡفُ مَا تَرَكَۚ وَهُوَ يَرِثُهَآ إِن لَّمۡ يَكُن لَّهَا وَلَدٞۚ فَإِن كَانَتَا ٱثۡنَتَيۡنِ فَلَهُمَا ٱلثُّلُثَانِ مِمَّا تَرَكَۚ وَإِن كَانُوٓاْ إِخۡوَةٗ رِّجَالٗا وَنِسَآءٗ فَلِلذَّكَرِ مِثۡلُ حَظِّ ٱلۡأُنثَيَيۡنِۗ يُبَيِّنُ ٱللَّهُ لَكُمۡ أَن تَضِلُّواْۗ وَٱللَّهُ بِكُلِّ شَيۡءٍ عَلِيمُۢ ١٧٦
Zij zullen je om een geldige uitspraak vragen. Zeg (O Muhammed): “Allāh geeft (dus) aanwijzingen over degenen die geen nageslacht of ouders als erfgenamen hebben. Als het een man is die overlijdt, die een zuster nalaat, maar geen kind, dan krijgt zij de helft van zijn erfenis. Als (de overledene) een vrouw is, die geen kind nalaat (dan neemt haar broer de erfenis). Als er twee zusters zijn, dan zullen zij tweederde van de erfenis hebben. Maar indien er (van de overleden man) broeders en zusters (achterblijven) dan is er voor een man net zoveel als voor twee vrouwen. (Dus) heeft Allāh het voor jullie duidelijk gemaakt, zodat jullie niet afdwalen.
En Allāh is de Alwetende van alles. (d.w.z. de āyah over erfrecht (ayatu’l-mīrāth) (sûrah an-Nisāʾ: 176)
Wie bezit achterlaat, het behoort aan zijn erfgenaam
من ترك مالًا فلورثته
١٠٤٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُؤْتَى بِالرَّجُلِ الْمُتَوَفَّى، عَلَيْهِ الدَّيْنُ، فَيَسْأَلُ: هَلْ تَرَكَ لِدَيْنِهِ فَضْلًا فَإِنْ حُدِّثَ أَنَّهُ تَرَكَ لِدَيْنِهِ وَفَاءً صَلَّى وَإِلاَّ، قَالَ لِلْمُسْلِمِينَ: صَلُّوا عَلَى صَاحِبِكُمْ فَلَمَّا فَتَحَ اللهُ عَلَيْهِ الْفُتُوحَ، قَالَ: أَنَا أَوْلَى بِالْمُؤْمِنِينَ مِنْ أَنْفُسِهِمْ، فَمَنْ تُوُفِّيَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ فَتَركَ دَيْنًا فَعَلَىَّ قَضَاؤُهُ، وَمَنْ تَرَكَ مَالًا فَلِوَرَثَتِهِ
1044 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Wanneer Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een overledene werd gebracht die schulden had, vroeg hij: “Heeft hij iets nagelaten waarmee zijn schuld kan worden afgelost?”Als men zei dat er voldoende nalatenschap was om zijn schuld af te lossen, dan verrichtte hij het doden gebed (ṣalāh al-janāzah).Zo niet, dan zei hij tegen de moslims: “Verricht de ṣalāh al-janāzah voor jullie vriend.”Maar nadat Allāh hem de overwinningen schonk, zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) : “Ik ben dichter bij de gelovigen (mu’minīn) dan zij bij zichzelf zijn.Wie ook maar onder de gelovigen overlijdt en schulden nalaat, het is aan míj om die af te lossen. En wie bezittingen nalaat, dat behoort toe aan zijn erfgenamen.”
[Het feit dat Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) in de vroege periode geen ṣalāh voor de overledene verrichtte wanneer deze een schuld had, was een tijdelijke maatregel. Later zei hij:”Ik ben voor elke gelovige dichter bij hem dan hijzelf. Wie (na zijn dood) een schuld achterlaat, dan is de aflossing daarvan mijn verantwoordelijkheid.
En wie (een erfenis of bezit) achterlaat, dat behoort toe aan zijn erfgenamen.” (Bukhārī, Kitāb al-Istiqrāḍ)Imām an-Nawawī vermeldt dat deze handeling bedoeld was om de mensen ertoe aan te zetten hun schulden af te lossen, zodat zij niet de salāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor hun janāzah zouden mislopen. Volgens al-Mundhirī is de praktijk om vóór het verrichten van de ṣalāh al-janāzah eerst naar de schulden van de overledene te vragen, later afgeschaft.Daarnaast is het ook overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in sommige andere gevallen de ṣalāh al-janāzah niet zelf heeft geleid. In een overlevering van Abū Dāwūd (Aḥādīth: 133), an-Nasāʾī (Janāʾiz: 66) en Ibn Mājah (Jihād: 31) wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de slag bij Khaybar een metgezel die was overleden niet persoonlijk de ṣalāh al-janāzah liet verrichten, maar dit door de metgezellen liet verrichten.De metgezellen waren verbaasd en hun gezichten veranderden van uitdrukking. Daarop legde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit dat deze persoon iets van de buit (ghanimah) had verduisterd.De janāzah-ṣalāh is farḍ al-kifāyah: als niemand het verricht, dan is de gehele gemeenschap zondig. Echter, voor personen die volgens de wetten van Allāh als zondaars worden beschouwd, zoals bandieten, rovers en soortgelijken, wordt de ṣalāh al-janāzah niet verricht. Daarom bevat deze ḥadīth ook een aanwijzing dat men vóór het verrichten van de ṣalāh al-janāzah het leven van de overledene moet overdenken.] (AFK)