Kitāb al-Ḥudūd: Boek van de hudūd (voorgeschreven/vastgestelde straffen )
[De lexicale betekenis van ḥad is grens trekken, slijpen, zorgvuldig bekijken, scheiden en straf toepassen. Als zelfstandig naamwoord verwijst het naar grens, einde, mes, monding, bepaling of een door de shari‘ah voorgeschreven straf. Het meervoud is ḥudūd. In juridische zin verwijst ḥudūd naar de islamitische bepalingen: de grenzen van wat halāl en harām is zoals vastgesteld door de Islām , en de straffen die door de nas (Qur’ān en authentieke ḥadīth) zijn bepaalde, met een specifieke omvang en aard.De bepalingen voor de mukhallaf (verantwoordelijke, volwassen en verstandige persoon) geven aan of diens handelingen in overeenstemming zijn met de goedkeuring van Allah en Zijn Rasul. Deze regels zijn ontleend aan de Qur’ān en de Sunnah.Binnen de Islām worden de waarde of rechtsgeldigheid van handelingen van een mukhallaf beoordeeld aan de hand van verschillende categorieën:
farḍ (verplicht)
wājib (zeer aanbevolen)
sunnah / mustahab (aanbevolen)
halāl / mubāḥ (toegestaan / neutraal)
makrūh (afgeraden)
harām (verboden)Daarnaast wordt gekeken naar de geldigheid van de handeling:
ṣaḥīḥ (geldig)
fāṣid (gebrekkig)
bāṭil (ongeldig)
Elke handeling van de mukhallaf wordt dus beoordeeld volgens deze maatstaven die de shari‘ah-limieten aangeven. Afhankelijk van die beoordeling ontvangt men een beloning of straf, en wordt de handeling erkend als geldig (ṣaḥīḥ) of ongeldig (fāṣid / bāṭil).
Algemene betekenis van de shari‘ah-straffen (ḥudūd):De algemene betekenis van ḥudūd is de door Allah vastgestelde bepalingen van halāl en harām.Dit blijkt uit de volgende verzen en ḥadīth:Na de bepalingen over erfenis in surah An-Nisā’ (4:12) wordt dit vers geopenbaard:
تِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِۚ وَمَن يُطِعِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ يُدۡخِلۡهُ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ وَذَٰلِكَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١٣
Dit zijn de door Allah vastgestelde bepalingen en iedereen die Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt: Hij (Allah) zal hem het Paradijs binnenleiden, waar rivieren onderdoor stromen.
Daar zullen zijn in verblijven en dat zal een groot succes zijn.
وَمَن يَعۡصِ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَتَعَدَّ حُدُودَهُۥ يُدۡخِلۡهُ نَارًا خَٰلِدٗا فِيهَا وَلَهُۥ عَذَابٞ مُّهِينٞ ١٤
En iedereen die ongehoorzaam is aan Allah en Zijn Boodschapper en Zijn grenzen overtreedt, zal naar het vuur verbannen worden, om daarin te verblijven; en hij zal een vernederende bestraffing hebben. (surah An-Nisā’ (4:12-13)Hier worden de bevelen van Allah aangeduid als “Zijn grenzen”, waarbij wordt benadrukt dat degenen die deze grenzen overschrijden, met een passende straf geconfronteerd zullen worden.
Islamitisch Strafrecht: In de terminologie van ‘uqūbāt (straffen) verwijst ḥad naar: “De door de Islām vastgestelde straffen voor bepaalde specifieke duidelijk omschreven misdrijven.”misdrijven.”De misdrijven waarvoor deze ḥad-straffen gelden, zijn vijf:
Zinā (overspel of ontucht),
Diefstal,
Alcohol of bedwelmende middelen drinken,
Qaḏf (valse beschuldiging van zinā jegens een kuise vrouw),
Ḥirābah (gewapende roofoverval of terreur, zoals het overvallen van wegen).
In het islamitische strafrecht worden de ḥad-straffen beschouwd als “het recht van Allah” (ḥaqqu’llāh).
Dat betekent dat deze misdrijven, waarvoor door de Islām vastgestelde straffen gelden, een inbreuk op het publieke recht vormen, niet louter een individuele overtreding.De straf voor qiṣāṣ (bijvoorbeeld bij moord of verwonding) daarentegen wordt beschouwd als een “recht van de mens” (ḥaqqu’l‘abd), en valt daarom niet onder de categorie ḥad.De straffen die niet in de Qur’ān en de Sunnah zijn vastgesteld, maar aan de beoordeling van de rechter (qāḍī) worden overgelaten, worden ta‘zīr-straffen genoemd.Voorbeelden daarvan zijn: gevangenisstraf, publieke bestraffing of ballingschap (verbanning).] (HA)
De voorgeschreven straf (ḥad) voor diefstal en de minimale waarde (niṣāb) waarvoor deze straf geldt
حد السرقة ونصابها
١٠٩٧ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: تُقْطَعُ يَدُ السَّارِقِ فِي رُبُعِ دِينَارٍ أخرجه البخاري في
1097 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Bij diefstal (ter waarde van) een vierde van een dīnār (of meer) wordt de hand van de dief afgehakt.
[Zoals de gouden munt “dīnār” genoemd wordt , ongeveer 4,5 gram goud, wordt ook de gouden eenheid dīnār genoemd. Het zonder toestemming wegnemen van een bezit dat onder bewaring staat en toebehoort aan iemand anders, wordt diefstal genoemd. Voor diefstal heeft Allāh gezegd:وَٱلسَّارِقُ وَٱلسَّارِقَةُ فَٱقۡطَعُوٓاْ أَيۡدِيَهُمَا جَزَآءَۢ بِمَا كَسَبَا نَكَٰلٗا مِّنَ ٱللَّهِۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٞ ٣٨
De dief, man of vrouw: hak zijn of haar hand af als vergelding voor wat zij hebben gedaan, een straf als voorbeeld van Allāh. En Allāh is de Almachtige, Alwijze. (sûrah Al-Ma’ida: 5/38)Voor het volledig vaststellen van het diefstalmisdrijf zijn er bepaalde voorwaarden, zoals honger, noodzaak, dwang, de hoeveelheid van het gestolen goed, en of het onder bewaring stond. Deze zaken worden uitgebreid behandeld in de islamitische jurisprudentie; hiervoor kan men de relevante fiqh boeken raadplegen.] (AFK)
[Diefstal is een van de oudste misdrijven in de geschiedenis van de mensheid. Hoewel dit verwerpelijke gedrag in verschillende samenlevingen als schandelijk, zondig of crimineel wordt beschouwd, verschilt de definitie van diefstal en de straf daarvoor per religie en cultuur. In de tijd van de jāhiliyyah werd diefstal onder de Arabieren ook als een misdrijf gezien, maar de straf varieerde sterk afhankelijk van de status van de persoon. Door een tribalistische mentaliteit werden de machtigen en rijken vaak gespaard, terwijl de zwakkeren onmiddellijk werden gestraft. Soms werd behalen van winst door plundering bij andere stammen niet als diefstal beschouwd, maar als een daad van moed of heldhaftigheid.De Islām heeft diefstal als een misdrijf wettelijk vastgelegd om de openbare orde te handhaven, en de straf is expliciet bepaald in de Qur’ān.
De elementen van het misdrijf en de details van de straf werden door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitgelegd en toegepast.
De relevante Qur’ān-vers is:" وَٱلسَّارِقُ وَٱلسَّارِقَةُ فَٱقۡطَعُوٓاْ أَيۡدِيَهُمَا جَزَآءَۢ بِمَا كَسَبَا نَكَٰلٗا مِّنَ ٱللَّهِۗ وَٱللَّهُ عَزِيزٌ حَكِيمٞ ٣٨
De dief, man of vrouw: hak zijn of haar hand af als vergelding voor wat zij hebben gedaan, een straf als voorbeeld van Allāh. En Allāh is de Almachtige, Alwijze. (surah al-Ma’idah, 5/38)
De straf van handafhakken heeft een afschrikwekkende werking, omdat het zichtbaar en duidelijk is, zodat het misdrijf in de samenleving ontmoedigd wordt. Deze ḥadīth, die de minimale maat van diefstal vaststelt waarvoor deze straf geldt, , geeft aan dat degene die goederen staalt ter waarde van een kwart dīnār, zijn hand zal verliezen.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was hierin volstrekt duidelijk: de wet betreffende diefstal en de bijbehorende straf moet consequent worden toegepast op alle lagen van de samenleving, ongeacht of de dader afkomstig is uit een vooraanstaande of een gewone familie. Toen hem werd gevraagd om af te zien van de straf voor een vrouw genaamd Fāṭimah, die tot een invloedrijke familie behoorde, werd hij boos en zei hij tegen zijn metgezellen: "Bij Allāh, als de dochter van Muhammed diefstal had gepleegd, zou ik ook haar hand hebben afgesneden." (Buhârî, Hudûd, 13) ] (Diyanet)
١٠٩٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَطَعَ النَّبِيُّ ﷺ يَدَ سارِقٍ فِي مِجَنٍّ ثَمَنُهُ ثَلاَثَةُ دَرَاهِمَ1098 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hakte de hand af van een dief die een schild ter waarde van drie dirham (zilverenmunt) (had gestolen).[Net zoals de zilveren munt dirham wordt genoemd, met een gewicht van ongeveer 2,8 of 3,2 gram zilver, werd ook de zilveren eenheid dirham genoemd. In de ḥadīth hiervoor zien we dat twee schapen gelijk werden gesteld aan twintig dīnār. In een andere ḥadīth wordt vermeld dat tien schapen gelijk stonden aan één kameel.Hieruit volgt dat de waarde van één dirham gelijk is aan een tiende deel van de prijs van één schaap, terwijl de waarde van één kameel gelijk is aan de volledige waarde van tien schapen.] (AFK)
١٠٩٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَعَنَ اللهُ السَّارِقَ، يَسْرِقُ الْبَيْضَةَ فَتُقْطَعُ يَدُهُ؛ وَيَسْرِقُ الْحَبْلَ فَتُقْطَعُ يَدُهُ1099 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Moge Allāh de dief vervloeken: hij steelt een ei, en zijn hand wordt afgehakt; hij steelt een touw, en zijn hand wordt afgehakt’.
[Zoals uit de aḥadīth blijkt, is voor het afhakken van de hand vanwege diefstal een minimale waarde van het gestolen goed vereist. Het stelen van één enkel touwtje of een ei valt op zichzelf onder deze grens. De betekenis van deze ḥadīth is dan ook niet dat voor het stelen van één touwtje of ei de hand wordt afgehakt, maar dat wanneer het aantal gestolen touwen of eieren gezamenlijk de vastgestelde grens overschrijdt, de ḥad‑straf van toepassing wordt.Een andere uitleg is dat het stelen van één touwtje of ei het begin vormt van diefstal: vervolgens steelt de dief iets van grotere waarde, waardoor de vastgestelde limiet wordt overschreden en de handafhakingsstraf wordt toegepast. Het misdrijf begint dus met het stelen van dat ene touwtje of ei, maar de straf volgt pas wanneer de wettelijke grens is bereikt.] (AFK)
[Over de uitleg van deze ḥadīth zijn drie meningen naar voren gebracht:
Letterlijke interpretatie van de termen:Sommigen stellen dat met het woord ‘bayḍā’’in de ḥadīth niet een ei wordt bedoeld, maar een helm, en dat met “ḥabl” niet een touwtje, maar een scheepstouw wordt bedoeld.
Psychologische of causale uitleg:Anderen zijn van mening dat de dief, die zichzelf in gevaar brengt door te stelen, vervloekt en berispt wordt omdat hij dit deed omwille van iets eenvoudigs en waardeloos. Volgens deze uitleg vormt de eerste diefstal, bijvoorbeeld van een ei, de aanleiding waardoor de dief moed verzamelt en uiteindelijk waardevollere bezittingen steelt. Wanneer hij iets waardevols steelt, wordt zijn hand afgehakt. In dit perspectief is het stelen van het ei dus de oorzaak geweest van de uitbreiding van zijn misdrijven en van de uiteindelijke toepassing van de handafhakingsstraf.
Historische of chronologische uitleg:Weer anderen stellen dat deze ḥadīth is overgeleverd vóór de openbaring van de āyah betreffende het afhakken van de hand van de dief in Sūrah al-Mā’idah (5:38). In die tijd was de specifieke minimale hoeveelheid voor het toepassen van de handafhakingsstraf nog niet vastgesteld, maar werd slechts in algemene zin vermeld].Bovenkant formulier(HA)
Het afhakken van de hand van de dief, ongeacht of hij van hoge of lage sociale status is, en het verbod op bemiddeling bij de uitvoering van de ḥad-straffen
قطع السارق الشريف وغيره والنهي عن الشفاعة في الحدود
١١٠٠ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ قُرَيْشًا أَهَمَّهُمْ شَأْنُ الْمَرْأَةِ الْمَخْزُومِيَّةِ الَّتِي سَرَقَتْ، فَقَالَ: وَمَنْ يُكَلِّمُ فِيهَا رَسُولَ اللهِ ﷺ فَقَالُوا: وَمَنْ يَجْتَرِى عَلَيْهِ إِلاَّ أُسَامَةُ بْنُ زَيْدٍ، حِبُّ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَكَلَّمَهُ أُسَامَةُ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَتَشْفَعُ فِي حَدٍّ مِنْ حُدُودِ اللهِ ثُمَّ قَامَ فَاخْتَطَبَ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّمَا أَهْلَكَ الَّذِينَ قَبْلَكُمْ أَنَّهُمْ كَانُوا إِذَا سَرَقَ فِيهِمُ الشَّرِيفُ تَرَكُوهُ، وَإِذَا سَرَقَ فِيهِمُ الضَّعِيفُ أَقَامُوا عَلَيْهِ الْحَدَّ؛ وَايْمُ اللهِ لَوْ أَنَّ فَاطِمَةَ ابْنَةَ مُحَمَّدٍ سَرَقَتْ، لَقَطَعْتُ يَدَهَا
1100 – Van ʿĀ’isha (رضي الله عنها):Quraysh maakte zich zorgen over de zaak van de vrouw uit de stam van Makhzūm die diefstal had gepleegd. Ze zeiden: “Wie durft hierover met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te spreken?”
Daarop zeiden zij: “Niemand durft dat, behalve Usāmah ibn Zayd, de geliefde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”
Usāmah sprak met hem, waarna Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Doe jij een voorspraak betreffende een door Allāh vastgestelde straf (ḥad)?”
Vervolgens stond hij op en hield een toespraak, waarin hij zei: “Voorzeker, hetgeen (de volkeren) vóór jullie ten onder heeft doen gaan, is dat wanneer een persoon in aanzien onder hen stal, zij hem ongemoeid lieten, maar wanneer een zwakke stal, zij de ḥad-straf op hem toepasten.Bij Allāh! Als Fāṭimah, de dochter van Muhammed, zou stelen, dan zou ik haar hand afhakken.”
[In de ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertoornd raakte toen er verzocht werd de hand van een vrouw die diefstal had gepleegd niet af te hakken. Deze houding, om iemand van ḥad-straf te ontslaan uit persoonlijke voorkeur of status, wordt in de ḥadīth genoemd als een van de oorzaken van de ondergang van voorgaande gemeenschappen.
De in de ḥadīth genoemde vrouw is Fāṭimah bint al-Aswad ibn ʿAbd al-Asad al-Makhzūmiyyah, tevens nicht van Abū Salamah (رضي الله عنه). Volgens sommige overleveringen had zij bepaalde voorwerpen geleend en deze later niet teruggegeven, zonder te ontkennen dat zij ze geleend had. Sommige rechtsgeleerden menen op basis hiervan dat het afhakken van haar hand verband hield met het ontkennen van de geleende goederen.
De meerderheid van de geleerden verwerpt deze opvatting echter. Zij stellen dat het enkel een beschrijving van de vrouw betrof, en dat de daadwerkelijke reden voor het toepassen van de handafhakingsstraf de diefstal zelf was, aangezien de meeste overleveringen duidelijk maken dat zij daadwerkelijk gestolen had.
Uit deze ḥadīth wordt verder begrepen dat het niet toegestaan is bij bevoegde gezagsdragers tussenbeide te komen (shafāʿah) om een ḥad-straf op te heffen of te verlichten. Bij misdrijven waarvoor geen ḥad-straf geldt, is bemiddeling voor de dader wél toegestaan en kan deze worden aanvaard.
Daarnaast blijkt uit de ḥadīth dat een gezagsdrager niet bevoegd is iemand die een misdrijf heeft gepleegd waarvoor een ḥad-straf geldt te vergeven of tegen losgeld vrij te laten.] (HA)
Het stenigen van een (voorheen) gehuwde persoon wegens overspel
رجم الثيب في الزنى
١١٠١ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ إِنَّ اللهَ بَعَثَ مُحَمَّدًا ﷺ بِالْحَقِّ، وَأَنْزَلَ عَلَيْهِ الْكِتَابَ فَكَانَ مِمَّا أَنْزَلَ اللهُ آيَةُ الرَّجْمِ، فَقَرَأْنَاهَا وَعَقَلْنَاهَا وَوَعَيْنَاهَا رَجَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَرَجَمْنَا بَعْدَهُ فَأَخْشى، إِنْ طَالَ بِالنَّاسِ زَمَانٌ، أَنْ يَقُولَ قَائِلٌ: وَاللهِ مَا نَجِدُ آيَةَ الرَّجْمِ فِي كِتَابِ اللهِ؛ فَيَضِلُّوا بِتَرْكِ فَرِيضَةٍ أَنْزَلَهَا اللهُ وَالرَّجْمُ فِي كِتَابِ اللهِ حَقٌّ عَلَى مَنْ زَنَى، إِذَا أُحْصِنَ، مِنَ الرِّجَالِ وَالنِّسَاءِ، إِذَا قَامَتِ الْبَيِّنَةُ، أَوْ كَانَ الْحَبَلُ أَوِ الاعْتِرَافُ
1101 - ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) zei:Voorwaar, Allāh heeft Muhammed (صلى الله عليه وسلم) met de waarheid gezonden en Hij heeft het Boek op hem neergezonden. Onder de openbaringen van Allāh bevond zich de āyah over de steniging (āyah ar-rajm). Wij lazen (deze āyah), begrepen het, en hebben het tot ons (in praktijk) genomen.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gestenigd, en ook wij hebben na hem gestenigd.Maar ik ben bang dat er, nadat een lange tijd is verstreken, iemand zal opstaan en zegt: ‘Bij Allāh, wij vinden de āyah van de steniging niet in het Boek van Allāh!’Door dit te zeggen, zouden zij dwalen door een verplichting te verwaarlozen/nalaten die Allāh heeft neergezonden.En voorwaar, de steniging is in het Boek van Allāh een vast recht voor degene overspel pleegt. Wanneer een man of vrouw gehuwd is (dus muḥṣan), en er bewijs is geleverd, hetzij door getuigenverklaring, hetzij door zwangerschap, of door een eigen bekentenis.
[Rajm is de straf die in de Islām wordt toegepast op een getrouwde man of vrouw die zinâ (overspel) heeft gepleegd. In de Islām wordt rajm vrijwel altijd opgevat als de bestraffing door steniging. Het woord rajm wordt in bijna alle talen gebruikt als equivalent voor het woord 'steniging', en is ook in het Othmaans een juridische term geworden die betekent: “het stenigen tot de dood van een man of vrouw die overspel heeft gepleegd.”
Rajm was aanvankelijk bevestigd door een āyah in de Qurʾān, maar de recitatie ervan is opgeheven (naskh van tilāwah), terwijl het rechtsgeldige oordeel ervan is blijven bestaan op basis van de sunnah.Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gestenigd; Abū Bakr (رضي الله عنه) heeft gestenigd; en ik heb ook gestenigd. Als ik niet bang was geweest dat men zou zeggen: ‘ʿUmar heeft iets toegevoegd aan het Boek van Allāh dat er niet in staat’, dan zou ik deze āyah zeker in de muṣḥaf hebben opgenomen. Want ik vrees oprecht dat er mensen zullen komen die, wanneer zij deze āyah niet in het Boek van Allāh aantreffen, haar zullen ontkennen.” (Tirmidzî 1456)Daarnaast hield ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) een toespraak voor de mensen, waarbij ʿAbd al-Raḥmān hem hoorde zeggen: “Let op! Sommige mensen zullen zeggen: ‘Wat is er met rajm? In het Boek van Allāh staat alleen de straf van zweepslagen.’Waarlijk, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft rajm toegepast, en na hem hebben wij dit ook gedaan.
Als mensen niet zouden zeggen: ‘ʿUmar heeft iets toegevoegd aan het Boek van Allāh dat er niet in staat’, dan zou ik de āyah zoals zij is neergezonden, zeker in de Qurʾān hebben laten opnemen.” (Aḥmad ibn Ḥanbal, Ibn Kathīr 11/5687, al-Nasāʾī)Rajm in de Tawrāh: zie hadith nummer 1104Verzen over zinâ:
وَٱلَّٰتِي يَأۡتِينَ ٱلۡفَٰحِشَةَ مِن نِّسَآئِكُمۡ فَٱسۡتَشۡهِدُواْ عَلَيۡهِنَّ أَرۡبَعَةٗ مِّنكُمۡۖ فَإِن شَهِدُواْ فَأَمۡسِكُوهُنَّ فِي ٱلۡبُيُوتِ حَتَّىٰ يَتَوَفَّىٰهُنَّ ٱلۡمَوۡتُ أَوۡ يَجۡعَلَ ٱللَّهُ لَهُنَّ سَبِيلٗا ١٥
En degenen van jullie vrouwen die overspel plegen, neem voor het bewijs vier getuigen onder jullie tegen hen; en als zij hen schuldig verklaren, sluit hen dan in hun huizen op tot de dood tot hen komt of Allāh voor hen een (andere) weg bevolen heeft. (sûrah an-Nisāʾ: 15)Deze āyah schrijft voor dat een vrouw die zinâ heeft gepleegd, opgesloten blijft tot haar dood, dus levenslange opsluiting.
ٱلزَّانِيَةُ وَٱلزَّانِي فَٱجۡلِدُواْ كُلَّ وَٰحِدٖ مِّنۡهُمَا مِاْئَةَ جَلۡدَةٖۖ وَلَا تَأۡخُذۡكُم بِهِمَا رَأۡفَةٞ فِي دِينِ ٱللَّهِ إِن كُنتُمۡ تُؤۡمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۖ وَلۡيَشۡهَدۡ عَذَابَهُمَا طَآئِفَةٞ مِّنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٢
De ontuchtige vrouw en de ontuchtige man moeten ieder met honderd zweepslagen geslagen worden. Laat medelijden jullie daarvan niet weerhouden in de godsdienst van Allāh, als jullie in Allāh en de Laatste Dag geloven. En laat een deel van de gelovigen getuigen zijn van de bestraffing. (sûrah an-Nūr: 2)
Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Neem van mij over, neem van mij over! Voorwaar, Allāh heeft een weg bepaald voor vrouwen die zinâ plegen. Als een ongehuwde persoon met een andere ongehuwde persoon zinâ pleegt, dan krijgt ieder van hen honderd zweepslagen en één jaar verbanning. Als een getrouwde of weduwe/weduwnaar met een andere getrouwde of weduwe/weduwnaar zinâ pleegt, dan krijgt ieder van hen honderd zweepslagen én de rajm-straf (steniging).” (Muslim 1690)Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft een man uit de stam van Aslam, een joodse man, en de vrouw met wie hij zinâ had gepleegd, laten stenigen”. (Muslim 1701)] (HY)
[Door de geschiedenis heen wordt overspel (zinâ), dat zowel vanuit het verstand als vanuit de moraal als verwerpelijk en schadelijk wordt beschouwd, in het jodendom, christendom en Islām gezien als een grote zonde. De Islām hecht groot belang aan zowel individuele als maatschappelijke maatregelen om overspel te voorkomen, en de straf voor overspel is, net als sommige andere regels, algemeen vastgesteld.De Qur’ān beveelt dat mannen en vrouwen die overspel plegen, ongeacht hun burgerlijke staat, honderd slagen ontvangen (Nûr, 24/2). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) paste deze straf toe op ongehuwden, terwijl gehuwden de rajm-straf (steniging tot de dood) ondergingen. De rajm-straf, die ook in de Bijbel voorkomt, was al bekend bij vroegere gemeenschappen en werd in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toegepast wanneer een gehuwde zijn buitenechtelijke daad bekende. Dat rajm-straf niet in de Qur’ān expliciet wordt genoemd, heeft geleid tot uiteenlopende meningen onder latere moslims. Sommige geleerden stellen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze straf al toepaste vóór de openbaring van het vers:وَٱلَّذِينَ يَرۡمُونَ ٱلۡمُحۡصَنَٰتِ ثُمَّ لَمۡ يَأۡتُواْ بِأَرۡبَعَةِ شُهَدَآءَ فَٱجۡلِدُوهُمۡ ثَمَٰنِينَ جَلۡدَةٗ وَلَا تَقۡبَلُواْ لَهُمۡ شَهَٰدَةً أَبَدٗاۚ وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡفَٰسِقُونَ ٤
En degenen die kuise vrouwen beschuldigen (van ontucht) en geen vier getuigen kunnen leveren, straf hen met tachtig zweepslagen en verwerp voor altijd hun getuigenis, zij zijn zeker de verdorvenen. (surah an-Nûr, 24/4)
Volgens deze zienswijze heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn hoedanigheid als leider van de staat, in Madīnah de reeds bekende straf geautoriseerd.Wanneer er sprake is van een beschuldiging van overspel zonder bekentenis, moeten vier getuigen persoonlijk aanwezig zijn en verklaren dat zij het misdrijf in zijn geheel waargenomen. In de islamitische wet vormt dit het enige geval waarin vier getuigen verplicht zijn; bij andere misdrijven geldt deze voorwaarde niet.. Daarnaast benadrukte `Umar (رضي الله عنه) dat, ook al wordt deze straf niet expliciet in de Qur’ān is vastgesteld. Het is net als andere strafbepalingen door Allāh is vastgesteld en door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als religieuze wet werd toegepast.] (Diyanet)
Bekentenis van zinā
من اعترف على نفسه بالزنى
١١٠٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ وَجَابِرٍ قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: أَتَى رَجُلٌ رَسُولَ اللهِ ﷺ وَهُوَ فِي الْمَسْجِدِ، فَنَادَاهُ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي زَنَيْتُ فَأَعْرَضَ عَنْهُ،حتَّى رَدَّدَ عَلَيْهِ أَرْبَعَ مَرَّاتٍ؛ فَلَمَّا شَهِدَ عَلَى نَفْسِهِ أَرْبَعَ شَهَادَاتٍ دَعَاهُ النَّبِيُّ ﷺ فَقَالَ: أَبِكَ جُنُونٌ قَالَ: لاَ قَالَ: فَهَلْ أَحْصَنْتَ قَالَ: نَعَمْ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اذْهَبُوا بِهِ فَارْجُمُوهُ قَالَ جَابِرٌ: فَكُنْتُ فِيمَنْ رَجَمَهُ، فَرَجَمْنَاهُ بِالْمُصَلَّى؛ فَلَمَّا أَذْلَقَتْهُ الْحِجَارَةُ هَرَبَ، فَأَدْرَكْنَاهُ بِالْحَرَّةِ، فَرَجَمْنَاهُ
1102 – Van Abū Hurayrah en Jābir (رضي الله عنهما):Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich in de moskee bevond, en riep: ‘O Rasûlullāh, ik heb zinâ gepleegd!’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wendde zich van hem af, maar de man herhaalde zijn bekentenis viermaal. Toen hij vier keer tegen zichzelf had getuigd, liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem bij zich roepen en vroeg: ‘Ben je krankzinnig?’De man antwoordde: ‘Nee.’Hij vroeg vervolgens: ‘Ben je muḥṣan (gehuwd geweest of in een legale huwelijkse situatie)?’De man antwoordde: ‘Ja.’Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Breng hem weg en stenig hem.’Jābir zei: “Ik was onder degenen die hem stenigden. We stenigden hem op de buiten ṣalāhplaats (muṣallā).
Toen de stenen hem te zwaar werden, vluchtte hij weg, maar we achtervolgden hem in de wijk Ḥarrah en stenigden hem daar totdat hij stierf.”
١١٠٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ وَزَيْدِ بْنِ خَالِدٍ الْجُهَنِيِّ قَالاَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: أَنْشُدُكَ اللهَ إِلاَّ قَضَيْتَ بَيْنَنَا بِكِتَابِ اللهِ؛ فَقَامَ خَصْمُهُ، وَكَانَ أَفْقَهَ مِنْهُ، فَقَالَ: صَدَقَ، اقْضِ بَيْنَنَا بِكِتَابِ اللهِ، وَأْذَنْ لِيَ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: قُلْ فَقَالَ: إِنَّ ابْنِي كَانَ عَسِيفًا فِي أَهْلِ هذَا، فَزَنَى بِامْرَأَتِهِ، فَافْتَدَيْتُ مِنْهُ بِمِائَةِ شَاةٍ وَخَادِمٍ؛ وَإِنِّي سَأَلْتُ رِجَالًا مِنْ أَهْلِ الْعِلْمِ فَأَخْبَرُونِي أَنَّ عَلَى ابْنِي جَلْدَ مِائَةٍ وَتَغْرِيبَ عَامٍ، وَأَنَّ عَلَى امْرَأَةِ هذَا الرَجْمَ؛ فَقَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لأَقْضِيَنَّ بَيْنَكُمَا بِكِتَابِ اللهِ: الْمِائَةَ وَالْخَادِمُ رَدٌّ عَلَيْكَ، وَعَلَى ابْنِكَ جَلْدُ مِائَةٍ وَتَغْرِيبُ عَامٍ؛ وَيَا أُنَيْسُ اغْدُ عَلَى امْرَأَةِ هذَا فَسَلْهَا، فَإِنِ اعْتَرَفَتْ فَارْجُمْهَا فَاعْتَرَفَتْ، فَرَجَمَهَا1103 – Van Abū Hurayrah en Zayd ibn Khālid al-Juhanī (رضي الله عنهما):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Ik smeek u in de naam van Allāh, oordeel tussen ons volgens het Boek van Allāh!’Zijn tegenpartij, die beter onderlegd was, stond op en zei: “Hij spreekt de waarheid.
Oordeel tussen ons volgens het Boek van Allāh, en sta mij toe, o Rasûlullāh, om te spreken.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Spreek.’De man zei: ‘Mijn zoon werkte als knecht voor deze man en heeft zinâ gepleegd met diens vrouw. Ik heb hem vrijgekocht voor honderd schapen en een dienstmeid. Vervolgens heb ik de geleerden geraadpleegd, en zij vertelden mij dat mijn zoon een straf van honderd zweepslagen en verbanning voor een jaar verdiende, en dat de vrouw gestenigd moest worden.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is! Ik zal tussen jullie beiden oordelen volgens het Boek van Allāh:– De honderd schapen en de dienstmeid moeten worden teruggegeven,– Je zoon krijgt honderd zweepslagen en verbanning voor een jaar,– En jij, O Unays, ga morgenochtend naar deze vrouw. Vraag haar uit. Als zij bekent, stenig haar.’Unays ging naar haar toe, zij bekende, en zij werd gestenigd.
Het stenigen van de joden, de ahl al-ḏimmah, bij overspel
رجم اليهود أهل الذمة في الزنى
١١٠٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ الْيَهُودَ جَاءُوا إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَذَكَرُوا لَهُ أَنَّ رَجُلًا مِنْهُمْ وَامْرَأَةً زَنَيَا فَقَالَ لَهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا تَجِدُونَ فِي التَّوْرَاةِ فِي شَأْنِ الرَّجْمِ فَقَالُوا: نَفْضَحُهُمْ وَيُجْلَدُونَ فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ سَلاَمٍ: كَذَبْتُمْ إِنَّ فِيهَا الرَّجْمَ فَأَتَوْا بِالتَّوْرَاةِ فَنَشَرُوهَا، فَوَضَعَ أَحَدُهُمْ يَدَهُ عَلَى آيَةِ الرَّجْمِ، فَقَرَأَ مَا قَبْلَهَا وَمَا بَعْدَهَا؛ فَقَالَ لَه عَبْدُ اللهِ بْنُ سَلاَمٍ: ارْفَعْ يَدكَ فَرَفَعَ يَدَهُ، فَإِذَا فِيهَا آيَةُ الرَّجْمِ فَقَالُوا: صَدَقَ يَا مُحَمَّدُ فِيهَا آيَةُ الرَّجْمِ فَأَمَرَ بِهِمَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَرُجِمَا
قَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ: فَرَأَيْتُ الرَّجُلَ يَجْنَأُ عَلَى الْمَرْأَةِ، يَقِيهَا الْحِجَارَةَ
1104 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):De joden kwamen (in Madīnah) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelden hem dat een man en een vrouw uit hun gemeenschap zinâ hadden gepleegd.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg hen: ‘Wat vinden jullie in de Tawrāh over de steniging (rajm)?’Zij antwoordden: ‘Wij maken hen publiekelijk te schande en geselen hen.’ʿAbdullāh ibn Salām (een voormalige joodse geestelijke die moslim is geworden) zei: ‘Jullie liegen.
De Tawrāh staat de bepaling van de steniging.’Toen brachten ze de Tawrāh, spreidden het boek uit, en één van hen legde zijn hand op de passage over de steniging. Hij las wat ervoor stond en wat erna kwam, (maar niet dat gedeelte zelf).ʿAbdullāh ibn Salām zei: ‘Til je hand op.’Toen hij zijn hand ophief, bleek daar het vers over de steniging te staan.Zij zeiden daarop: ‘O Muḥammad, u heeft gelijk. De Tawrāh bevat de regel van de steniging.’Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opdracht en beiden werden gestenigd.ʿAbdullāh ibn ʿUmar zei: ‘Ik zag hoe de man zijn lichaam over de vrouw boog om haar tegen de stenen te beschermen.’
١١٠٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى عَنِ الشَّيْبَانِيِّ، قَالَ: سَأَلْتُ عَبْدَ اللهِ بْنَ أَبِي أَوْفَى، هَلْ رَجَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَالَ: نَعَمْ قُلْتُ: قَبْلَ سُورَةِ النُّورِ أَمْ بَعْدُ قَالَ: لاَ أَدْرِي1105 – Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā via Shaybānī (رضي الله عنهما):Ik vroeg aan ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه): “Heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ooit iemand gestenigd?”Hij antwoordde: “Ja.”Ik vroeg: “Was dat vóór of na sūrah an-Nūr?”Hij zei: “Dat weet ik niet.”
١١٠٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِذَا زَنَتِ الأَمَةُ فَتَبَيَّنَ زِنَاهَا، فَلْيَجْلِدْهَا وَلاَ يُثَرِّبْ، ثُمَّ إِنْ زَنَتْ فَلْيَجْلِدْهَا وَلاَ يُثَرِّبْ، ثُمَّ إِنْ زَنَتِ الثَّالِثَةَ فَلْيبِعْهَا وَلَوْ بِحَبْلٍ مِنْ شَعَرٍ1106 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een slavin zinâ pleegt en haar schuld bewezen is, laat haar dan geselen maar verneder haar daarna niet (m.a.w. wrijf haar haar tekortkoming niet onder in schend haar eer niet met woorden.). Als zij vervolgens opnieuw zinâ pleegt, laat haar dan wederom geselen, en opnieuw zonder haar te vernederen. Pleegt zij voor de derde keer zinâ, laat haar dan (door haar meester) verkopen, al is het (maar voor de prijs van) een touw, gemaakt van paardenhaar, (nadat hij haar gebrek of openbare misstap kenbaar heeft gemaakt.”).”
١١٠٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ وَزَيْدِ بْنِ خَالِدٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ سُئِلَ عَنِ الأَمَةِ، إِذَا زَنَتْ وَلَمْ تُحْصِنْ، قَالَ: إِنْ زَنَتْ فَاجْلِدُوهَا، ثُمَّ إِنْ زَنَتْ فَاجْلِدُوهَا، ثُمَّ إِنْ زَنَتْ فَبِيعُوهَا وَلَوْ بِضَفِيرٍ1107 – Van Abū Hurayrah en Zayd ibn Khālid (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over een slavin die zinâ pleegt terwijl zij niet gehuwd is. Hij antwoordde: “Als zij zinâ pleegt, gesel haar. En als zij weer zinâ pleegt, gesel haar. En als zij opnieuw zinâ pleegt, verkoop haar, al is het voor een gevlochten haarstrik.”
Straf voor drankgebruik
حد الخمر
١١٠٨ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: جَلَدَ النَّبِيُّ ﷺ، فِي الْخَمْرِ، بِالْجَرِيدِ وَالنِّعَالِ؛ وَجَلَدَ أَبُو بَكْرٍ أَرْبَعِينَ
1108 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) strafte iemand wegens het drinken van alcohol met dadelbladstengels en sandalen. En Abū Bakr liet veertig slagen toedienen.”
[De straf voor iemand die alcohol (khamr) consumeerde, bedroeg volgens an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) en tijdens de periode van Abū Bakr (رضي الله عنه) veertig slagen. Deze praktijk werd gedurende een tijd voortgezet in de tijd van ʿUmar (رضي الله عنه).
Toen de islamitische veroveringen zich uitbreidden en rijke gebieden zoals Shām en `Irak in handen van de moslims kwamen, vestigde het volk zich langs rivieren en vruchtbare gronden, waardoor wijngaarden en tuinen toenamen en het aantal drinkers van alcohol steeg. Daarom begon ʿUmar (رضي الله عنه) hen te straffen met vijftig slagen. Toen dit geen afschrikwekkend effect bleek te hebben, verhoogde hij het aantal slagen eerst naar zestig en uiteindelijk naar tachtig.
ʿAbdurrahmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه) stelde voor dat deze straf de lichtste van de hudūd-straffen volgens de shariʿah zou moeten zijn...] (HA)
١١٠٩ - حديث عَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ ﵁، قَالَ: مَا كُنْتُ لاِقِيمَ حَدًّا عَلَى أَحَدٍ فَيمُوتَ، فَأَجِدَ فِي نَفْسِي، إِلاَّ صَاحِبَ الْخَمْرِ، فَإِنَّهُ لَوْ مَاتَ وَدَيْتُهُ؛ وَذلِكَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمْ يَسُنَّهُ1109 – Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه):Ik voelde nooit aarzeling of wroeging wanneer ik een ḥad-straf uitvoerde, zelfs als die iemand het leven kostte, behalve in het geval van iemand die alcohol had gedronken. Als die zou overlijden (door de straf), zou ik persoonlijk het bloedgeld betalen, omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) oor deze overtreding geen specifieke straf had vastgesteld.”
[Voor degene die drinkt is in de Qur’ān geen specifieke straf vastgelegd. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft echter verschillende vormen van straf vermeld, zoals slaan met de hand, stok, schoen of een stuk stof. Onder de metgezellen was het gebruikelijk om met een stok te slaan. De eigenschappen van die stok en de wijze van slaan zijn uitgebreid besproken in de fiqh-boeken. Er zijn diverse overleveringen over het aantal slagen; sommige zeggen ongeveer veertig (Muslim, Hudûd: 35; Abû Dâwûd, Hudûd: 36; Nasâî, Hudûd: 14), terwijl andere aangeven dat het precies veertig is (Tirmidhī, Hudûd: 14). Er is ook een overlevering die aangeeft dat er geen vaste limiet voor het aantal slagen is vastgesteld (Bukhârî, Hudûd: 4; Muslim, Hudûd: 39; Abû Dâwûd, Hudûd: 36; Ibni Mâjah, Hudûd: 16).Wat `Ali (رضي الله عنه) bedoelde met “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft geen grens gesteld” is dat het aantal slagen voor de drankbestraffing niet definitief is vastgelegd, maar doorgaans rond de veertig ligt.Wanneer het aantal slagen niet vaststaat, bepaalt de rechter het naar zijn oordeel. Daarom werd in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de eerste jaren van Abû Bakr (رضي الله عنه) en ook de eerste jaren van Umar (رضي الله عنه) meestal veertig slagen toegepast.
Later, toen bleek dat dit aantal onvoldoende was om de misdaad te voorkomen, werd het verhoogd tot tachtig (Bukhârî, Hudûd: 5; Muslim, Hudûd: 36; Abû Dâwûd, Hudûd: 36; Tirmidhî, Hudûd: 14).Dit laat zien dat het aantal slagen bij drankbestraffing kan worden verhoogd om de misdaad af te schrikken. Zo verhoogde ʿUmar (رضي الله عنه) het eerst tot vijftig. Volgens de uitleg van Bukhârî door al-Aynî: “Als ʿUmar tot op heden had geleefd, zou hij het aantal meerdere malen hebben verhoogd.”Dit toont aan dat het aantal slagen afhankelijk is van de situatie. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf aanvankelijk de opdracht om degenen die dronken met de stok te slaan, en waarschuwde bij de vierde overtreding streng. Hoewel deze straffen bedoeld waren als afschrikmiddel, benadrukte hij ook: “Doden is verboden..”] (AFK)
De omvang van de zweepslagen bij de ta‘zīr-straf
قدر أسواط التعزير
١١١٠ - حديث أَبِي بُرْدَةَ ﵁، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يُجْلَدُ فَوْقَ عَشْرِ جَلَدَاتٍ، إِلاَّ فِي حَدٍّ مِنْ حُدُودِ الله
1110 – Van Abū Burdah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Men mag bij geen enkel straf meer dan tien slagen toedienen, Behalve als het gaat om een van de door Allāh vastgestelde hudūd (straffen).”
[De lexicale betekenis van het woord taʿzīr is “corrigeren” of “op het rechte pad brengen”.
In de terminologie van de islamitische jurisprudentie verwijst taʿzīr naar een straf voor een daad die religieus verboden is, maar waarvoor de sharīʿah geen vaste, door Allāh vastgestelde straf heeft bepaald. Daardoor wordt de vorm en omvang van de straf overgelaten aan het oordeel van de bevoegde autoriteit.
Islamitische rechtsgeleerden zijn het eens over de legitimiteit van taʿzīr, maar verschillen van mening over de vorm en de omvang van de straf:
Imām Aḥmad, sommige Shāfiʿī-geleerden en de Ẓāhirī-geleerden menen, gebaseerd op de letterlijke betekenis van de ḥadīth, dat men bij taʿzīr niet meer dan tien slagen mag geven.
De overige geleerden, waaronder de Ḥanafī-geleerden, zijn van mening dat het aantal slagen bij taʿzīr meer dan tien mag zijn.
De redenen waarom de meerderheid van de geleerden deze ḥadīth in de praktijk niet strikt toepaste, zijn onder andere:
De ḥadīth werd op verschillende manieren bekritiseerd;
De handelingen van de ṣaḥābah waren soms in tegenspraak met de ḥadīth;
De ḥadīth is niet algemeen, maar specifiek voor één persoon;
De beperking in de ḥadīth betreft uitsluitend de kam;
Het oordeel van de ḥadīth is later ingetrokken.
Volgens al-Ḥattābī komen de verschillende meningen over de omvang van taʿzīr voort uit de variatie in aard van de misdrijven of overtredingen.] (HA)
De ḥudūd-straffen zijn kaffārāt voor degenen op wie ze worden toegepast
الحدود كفارات لأهلها
١١١١ - حديث عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ ﵁، وَكَانَ شَهِدَ بَدْرًا، وَهُوَ أَحَدُ النُّقَبَاءِ لَيْلَةَ الْعَقَبَةِ: أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ، وَحَوْلَهُ عِصَابَةٌ مِنْ أَصْحَابِهِ: بَايِعُونِي عَلَى أَنْ لاَ تُشْرِكُوا بِاللهِ شَيْئًا وَلاَ تَسْرِقُوا وَلاَ تَزْنُوا وَلاَ تَقْتُلُوا أَوْلاَدَكُمْ وَلاَ تَأْتَوا بِبُهْتَانٍ تَفْتَرُونَهُ بَيْنَ أَيْدِيكُمْ وَأَرْجُلِكُمْ، وَلاَ تَعْصُوا فِي مَعْرُوفٍ، فَمَنْ وَفَى مِنْكُمْ فَأَجْرُهُ عَلَى اللهِ، وَمَنْ أَصَابَ مِنْ ذَلِكَ شَيْئًا فَعُوقِبَ فِي الدُّنْيَا فَهُوَ كَفَّارَةٌ لَهُ، وَمَنْ أَصَابَ مِن ذَلِكَ شَيْئًا ثُمَّ سَتَرَه اللهُ، فَهُوَ إِلَى اللهِ، إِنْ شَاءَ عَفَا عَنْهُ، وَإِنْ شَاءَ عَاقَبَهُ فَبَايَعْنَاهُ عَلَى ذَلِكَ
1111 – Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه):(ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit was aanwezig bij de Slag van Badr en een van de twaalf nakīb’ (leiders) bij de belofte van al-ʿAqabah.)Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei, terwijl een groep (`isabah*) metgezellen rondom hem zat: ‘Bied mij de eed van trouw aan op het volgende: dat jullie Allāh niets zullen toekennen als deelgenoot, niet zullen stelen, geen zinâ zullen plegen, jullie kinderen niet zullen doden, geen laster zullen verzinnen tussen jullie handen en voeten (d.w.z. het is iets wat voortkomt uit jullie eigen daden en gedrag), en mij niet ongehoorzaam zullen zijn in wat goed is.
Wie onder jullie zich daaraan houdt, zijn beloning is bij Allāh.
En wie iets daarvan overtreedt en in deze wereld wordt gestraft, voor hem is dat een boetedoening (kaffārah: voor zijn zonden). En wie iets daarvan overtreedt maar door Allāh bedekt wordt, zijn zaak is aan Allāh, als Hij wil, vergeeft Hij, en als Hij wil, straft Hij.’ Daarop zwoeren wij hem de eed van trouw.
[*De term ‘isabah’ verwijst naar een groep waarvan het aantal tussen de tien en veertig ligt. Māzinī merkt hierover op dat deze passage een weerlegging vormt van de Kharidjieten, die mensen die (grote) zonden plegen automatisch tot ongelovigen verklaren (takfîr), en van de Muʿtazilah, die beweren dat iemand die sterft zonder berouw noodzakelijkerwijs gestraft zal worden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte duidelijk dat dit volledig afhangt van de wil van Allāh: “Als Hij wil, straft Hij, en als Hij wil, vergeeft Hij.” Hij stelde dus niet dat iemand onherroepelijk gestraft zal worden. Dit wordt eveneens toegelicht in Fatḥ al-Bārī bij dezelfde ḥadīth.)] (HY)
[De lexicale betekenis van het woord bayʿah is accepteren, instemmen of bevestigen.
In terminologische zin verwijst het naar het afleggen van een eed van trouw door een verantwoordelijke persoon (muqallaf) aan een leider die is aangesteld door een bevoegd gezelschap (Ahl al-ḥall wa’l-ʿaqd). Hierbij belooft de persoon gehoorzaamheid en loyaliteit, ongeacht of hij persoonlijk instemt met elk afzonderlijk bevel. Het is in wezen een loyaliteitsgelofte waarbij de gehoorzaamheid beperkt is tot wat volgens de shariʿah rechtmatig is.
Het doel van de bayʿah is dat de uitvoering van de wetten van Allāh (عز وجل) correct verloopt en dat de onderlinge relaties tussen mensen op een ordelijke manier worden geregeld.
Bayʿah wordt beschouwd als een deugdzaam werk, bevestigd door de Qur’ān, de Sunnah en de consensus (ijmāʿ) van de ṣaḥābah.
In de Qur’ān wordt bay`ah genoemd:إِنَّ ٱلَّذِينَ يُبَايِعُونَكَ إِنَّمَا يُبَايِعُونَ ٱللَّهَ يَدُ ٱللَّهِ فَوۡقَ أَيۡدِيهِمۡۚ فَمَن نَّكَثَ فَإِنَّمَا يَنكُثُ عَلَىٰ نَفۡسِهِۦۖ وَمَنۡ أَوۡفَىٰ بِمَا عَٰهَدَ عَلَيۡهُ ٱللَّهَ فَسَيُؤۡتِيهِ أَجۡرًا عَظِيمٗا ١٠
Waarlijk, degenen die een gelofte bij jou afleggen, leggen een gelofte bij Allah af. De hand van Allah is boven hun handen. Iedereen die dan vervolgens de gelofte breekt, doet alleen zichzelf kwaad en iedereen die vervult wat hij met Allah overeen gekomen is: Hij zal hem een grote beloning geven. (surah al-Fath 48/10)Bay`ah is een verbintenis (ʿaqd) waarin mensen met oprechtheid laten blijken dat zij in hun onderlinge relaties en in hun verhouding tot het politieke gezag tevreden zijn met en instemmen met de bepalingen van de Islām.] (HA)
Bij schade veroorzaakt door dieren, of mijnen of putten is er geen schadevergoeding voor de schade die er ontstaat
جرح العجماء والمعدن والبئر جبار
١١١٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْعَجْمَاءُ جُبَارٌ، وَالبِئْرُ جُبَارٌ، وَالْمَعْدِنُ جُبَارٌ، وَفِي الرِّكَازِ الْخُمُسُ
1112 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor de schade die door een dier (‘de tamme kameel’) wordt veroorzaakt, is geen schadevergoeding verschuldigd. Eveneens is er geen schadevergoeding als iemand gewond raakt in een (verlaten) put of een (verlaten) mijn. Echter, bij schatvondsten (rikāz) geldt één vijfde (1/5) bestend is voor Allāh en Zijn Boodschapper (zakâh/aandelen voor publieke zaak).”
[In deze ḥadīth wordt duidelijk gemaakt waarom er geen schadevergoeding wordt opgelegd voor schade veroorzaakt door dieren, putten of mijnen: zodra de eigenaar de nodige voorzorgsmaatregelen volgens de geldende regels heeft genomen, is hij niet aansprakelijk voor onvoorziene schade die alsnog optreedt. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid van de eigenaar eindigt zodra hij zijn plichten correct heeft vervuld.De precieze aard en voorwaarden van deze “passende voorzorgsmaatregelen” zijn uitgebreid besproken in de fiqh-literatuur, waar wordt toegelicht welke handelingen of voorzorgsmaatregelen voldoende zijn om aansprakelijkheid te vermijden.] (AFK)
[In deze ḥadīth worden de regels omtrent vier soorten situaties uitgelegd:
Schade veroorzaakt door een dierAls een dier iemand verwondt of doodt terwijl er niemand toezicht houdt, is de eigenaar niet aansprakelijk voor bloedgeld (diyah) of een andere straf. Het uitgangspunt is dat het dier onvoorzien handelt en de eigenaar zijn verantwoordelijkheid heeft voldaan door het dier te bezitten en te beheren volgens de normen van zorg.
Schade bij een mijnongevalAls iemand op eigen grond of op een verlaten stuk land een mijn graaft om delfstoffen te winnen, en iemand valt erin en raakt gewond, dan is de graver niet aansprakelijk.Let op: In de huidige tijd, waarin mijnbouw grootschalig en gereguleerd is, verandert dit. Ongevallen die voortkomen uit nalatigheid van de werkgever of eigenaar van de mijn kunnen wél aansprakelijkheid met zich meebrengen.
Schade door een putVergelijkbaar met de mijn: graaft iemand op zijn eigen grond een put en valt een mens of dier erin en loopt schade op, dan is de eigenaar niet aansprakelijk.Graaft iemand een put op een openbare weg of een plek waar dit niet toegestaan is, dan geldt de vrijstelling niet: de eigenaar moet in dat geval schade vergoeden.
Als iemand daardoor overlijdt, moet de familie van de putgraver het bloedgeld (diyah) betalen.
Khums bij gevonden schatten (rikāz)Volgens de Shāfiʿ-geleerden verwijst rikāz naar schatten uit de pre-islamitische tijd (jāhiliyyah).
Volgens de Ḥanafī-geleerden heeft rikāz dezelfde betekenis als een mijn.
Eén vijfde (1/5) van zulke schatten is bestemd voor Allah en Zijn Boodschapper, oftewel voor zakāh of publieke doeleinden.
Kortom, de ḥadīth maakt onderscheid tussen schade die eigen verantwoordelijkheid raakt en schade die voortkomt uit omstandigheden buiten iemands macht, en legt daarnaast het gebruik van gevonden rijkdommen op een correcte manier vast.] (HA)