As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb al-Imārah: Het Boek van het Leiderschap

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb al-Imārah: Het Boek van het Leiderschap

[Het begrip ʿimārah duidt op het bestuur van alle administratieve functies en gezagsposities die bevoegd zijn tot het geven van bevelen, variërend van de hoogste tot de laagste rang. Hieronder vallen onder meer het staatshoofd, gouverneurs, militaire commandanten en andere functionarissen.In de literatuur over ʿaqāʾid en fiqh wordt het staatshoofd doorgaans behandeld onder de benaming ʾimāmah of ʿimārah. Dit onderwerp vormt een kernonderdeel van het politieke systeem van de Islām. Om die reden heeft de Islām duidelijke beginselen, regels en richtlijnen vastgesteld voor vrijwel alle aangelegenheden die de leiding van de staat betreffen, zoals de vereiste eigenschappen van de leider, zijn aanstelling, afzetting, gehoorzaamheid aan hem en de kwestie van rebellie.Binnen een islamitische staat berust de soevereiniteit bij Allah (عز وجل). Het bestuur wordt uitgeoefend via de khilāfah en de shūrā. De khaliefah is de hoogste vertegenwoordiger en eindverantwoordelijke van de islamitische staat, terwijl de shūrā fungeert als adviserend orgaan dat de leiding ondersteunt, corrigeert en naar het juiste leidt.Islamitische rechtsgeleerden gebruiken de term khilāfah veelal om het plaatsvervangerschap van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan te duiden; een andere benaming hiervoor is ʾimāmah. Het koningschap en het sultanaat onderscheiden zich echter wezenlijk van de ʾimāmah.] (HA)

Mensen volgen Quraysh, en het kalifaat behoort aan Quraysh

الناس تبع لقريش والخلافة في قريش[De kwestie of de khaliefah afkomstig moet zijn uit de stam van Quraysh is onderwerp van meningsverschil onder de geleerden. De aḥādīth die hierover zijn overgeleverd, zijn veelal uitgesproken in specifieke contexten en onder bepaalde omstandigheden. Bovendien benadrukken sommige overleveringen dat leiders slechts recht hebben op gezag zolang zij trouw blijven aan de Islām. Wanneer deze voorwaarde ontbreekt, vervalt ook hun aanspraak op het staatshoofdschap.

Het doel van de islamitische staat is immers het beschermen en handhaven van de godsdienst en het organiseren van de aangelegenheden van de ummah volgens de beginselen van de Islām, en niet het in stand houden van een inhoudsloos leiderschap dat gebaseerd is op een individu, familie of stam.

Zelfs wanneer sommige aḥādīth een voorkeur voor Quraysh lijken uit te drukken, vormen zij geen bindende voorwaarde voor de legitimiteit van de khilāfah, maar wijzen zij slechts op een bepaalde deugd of geschiktheid (faḍīliyyah). Sterker nog, in andere authentieke aḥādīth wordt bevolen gehoorzaamheid te tonen aan een leider, zelfs wanneer hij een donkere man is, zolang hij het Boek van Allah toepast.

De opvatting dat de khilāfah een exclusief recht zou zijn van een bepaalde familie of stam staat haaks op het islamitische verzet tegen stamen groepsdenken (qawmiyyah) en vindt geen steun in de Qur’ān noch in de praktijk van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).

Zelfs indien de betreffende aḥādīth als authentiek worden beschouwd, kunnen zij op de volgende manieren worden begrepen:a) Zij impliceren niet dat Quraysh een exclusief recht heeft op het ambt van khaliefah.b) Zij zijn vaak informatief van aard en stellen geen dwingende juridische regel vast, maar beschrijven een bestaande realiteit.c) De term “Quraysh” kan in bepaalde contexten simpelweg verwijzen naar de Muhājirīn, aangezien dit taalgebruik destijds gangbaar was.

In een hedendaagse islamitische staat vormt deze kwestie dan ook geen fundamenteel probleem. Degene die voldoet aan de voorwaarden voor het leiderschap en door de ummah wordt gekozen, is geschikt voor het ambt, ongeacht zijn stam of afkomst.

Het wezenlijke uitgangspunt blijft dat de absolute heerschappij van Allah wordt gerealiseerd, beginnend bij de gelovigen en zich uitstrekkend tot de gehele mensheid, binnen een kader waarin de Islām in alle aspecten van het leven tot uitdrukking komt. Deze verantwoordelijkheid vloeit voort uit het gegeven dat alle gelovigen vertegenwoordigers van Allah op aarde zijn.] (HA)

١١٩٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: النَّاسُ تَبعٌ لِقُرَيْشٍ فِي هذَا الشَّأْنِ، مُسْلِمُهُمْ تَبَعٌ لِمُسْلِمِهِم، وَكَافِرُهُمْ تَبَعٌ لِكَافِرِهِمْ1193 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen volgen Quraysh in deze zaak (leiderschap): de moslims volgen hun (leiders onder de Quraysh) moslims, en de ongelovigen volgen hun (leiders onder de) ongelovigen.”

١١٩٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَزَالُ هذَا الأَمْرُ فِي قُرَيْشٍ مَا بَقِيَ مِنْهُمُ اثْنَانِ1194 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze zaak (het leiderschap) zal onder de Quraysh blijven zolang er nog twee van hen over zijn.”

١١٩٥ - حديث جَابِرِ بْنِ سَمُرَةَ، وَأَبِيهِ سَمُرَةَ بْنِ جُنَادَةَ السُّوَائِيّ قَالَ جَابِرُ بْنُ سَمُرَةَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: يَكُونُ اثْنَا عَشَرَ أَمِيرًا فَقَالَ كَلِمَةً لَمْ أَسْمَعْهَا فَقَالَ أَبِي: إِنَّهُ قَالَ: كُلُّهُمْ مِنْ قُرَيْشٍ1195 – Van Jābir ibn Samurah via zijn vader Samurah ibn Jundabah as-Suwā’ī (رضي الله عنهما):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zullen twaalf leiders (khaliefahs) zijn.”Toen zei hij een woord dat ik niet verstond, maar mijn vader (Samurah) zei:“Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij zullen allen van Quraysh zijn.”Wel of geen opvolger (van de khaliefah) aanstellen

الاستخلاف وتركه

١١٩٦ - حديث عُمَرَ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: قِيلَ لِعُمَرَ، أَلاَ تَسْتَخْلِفُ قَالَ: إِنْ أَسْتَخْلِفْ فَقَدِ اسْتَخْلَفَ مَنْ هُوَ خَيْرٌ مِنِّي، أَبُو بَكْرٍ؛ وَإِنْ أَتْرُكْ فَقَدْ تَرَكَ مَنْ هُوَ خَيْرٌ مِنِّي، رَسُولُ اللهِ ﷺ فَأَثْنَوْا عَلَيْهِ فَقَالَ: رَاغِبٌ رَاهِبٌ، وَدِدْتُ أَنِّي نَجَوْتُ مِنْهَا كَفَافًا، لاَ لِي وَلاَ عَلَيَّ، لاَ أَتَحَمَّلُهَا حَيًّا وَمَيِّتًا

1196 – Van ʿUmar via ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهم):(Toen mijn vader ʿUmar (رضي الله عنه) werd neergestoken en zijn toestand ernstig werd) werd aan ʿUmar gevraagd: “Zult u geen opvolger (khaliefah) aanwijzen?”Hij zei: “Indien ik iemand zou aanwijzen (als khaliefah), dan heeft degene die beter is dan ik dat ook gedaan, namelijk Abū Bakr. (Hij wees `Umar aan als zijn plaatsvervanger.) En indien ik het nalaat, dan heeft degene die beter is dan ik het ook nagelaten, namelijk Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). (Hij heeft geen specifieke persoon met naam genoemd, maar deze zaak aan de ummah overgelaten.)”Toen prezen zij (de aanwezigen) hem.Vervolgens zei hij: ‘“Ik verlang naar de vergeving bij Allāh en ik vrees Zijn bestraffing. Ik zou wensen dat ik deze zaak (het khalifaatschap) zonder last verlost werd. Ik wil de verantwoordelijkheid van (het leiderschap) niet dragen, noch tijdens mijn leven noch na mijn dood

Het verbod op het vragen van het leiderschap en de hebzucht ernaar

النهي عن طلب الإمارة والحرص عليها

١١٩٧ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ سَمُرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: يَا عَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ سَمُرَةَ لاَ تَسْأَلِ الإِمَارَةَ، فَإِنَّكَ إِنْ أُوتِيتَهَا عَنْ مَسْئَلَةٍ وُكِلْتَ إِلَيْهَا، وَإِنْ أُوتِيتَهَا مِنْ غَيْرِ مَسْئَلَةٍ أُعِنْتَ عَلَيْهَا

1197 – Van ʿAbd ar-Raḥmān ibn Samurah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “O ʿAbd ar-Raḥmān ibn Samurah! Vraag niet om het leiderschap. Want als je het krijgt vanwege een verzoek, zul je eraan worden overgelaten (m.a.w. Allāhs hulp zul je niet krijgen) Maar als je het krijgt zonder dat je erom vraagt, zul je (door Allāh) geholpen worden.”

١١٩٨ - حديث أَبِي مُوسى وَمُعَاذِ بْنِ جَبَلٍ قَالَ أَبُو مُوسى: أَقْبَلْتُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَمَعِي رَجُلاَنِ مِنَ الأَشْعَرِيِّينَ، أَحَدُهُمَا عَنْ يَمِينِي وَالآخَرُ عَنْ يَسَارِي، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ يَسْتَاكُ فَكِلاَهُمَا سَأَلَ، فَقَالَ: يَا أَبَا مُوسى أَوْ يَا عَبْدَ اللهِ بْنَ قَيْسٍ قَالَ، قُلْتُ: وَالَّذِي بَعَثَك بِالْحَقِّ مَا أَطْلَعَانِي عَلَى مَا فِي أَنْفُسِهِمَا، وَمَا شَعَرْتُ أَنَّهُمَا يَطْلُبَانِ الْعَمَلَ فَكَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى سِوَاكِهِ تَحْتَ شَفَتِهِ قَلَصَتْ فَقَالَ: لَنْ أَوْ لاَ نَسْتَعْمِلُ عَلَى عَمَلِنَا مَنْ أَرَادَهُ، وَلكِنِ اذْهَبْ أَنْتَ يَا أَبَا مُوسى أَوْ يَا عَبْدَ اللهِ بْنَ قَيْسٍ إلَى الْيَمَنِ ثُمَّ اتَّبَعَهُ مُعَاذُ بْنُ جَبَلٍ فَلَمَّا قَدِمَ عَلَيْهِ أَلْقَى لَهُ وِسَادَةً، قَالَ: انْزِلْ وَإِذَا رَجُلٌ عِنْدَهُ مُوثَقٌ قَالَ: مَا هذَا قَالَ: كَانَ يَهُودِيًّا فَأَسْلَمَ ثُمَّ تَهَوَّدَ قَالَ: اجْلِسْ قَالَ: لاَ أَجْلِسُ حَتَّى يُقْتَلَ، قَضَاءُ اللهِ وَرَسُولِهِ، ثَلاَثَ مَرَّاتٍ فَأَمَرَ بِهِ فَقُتِلَ ثُمَّ تَذَاكَرَا قِيَامَ اللَّيْلِ فَقَالَ أَحَدُهُمَا: أَمَّا أَنَا فَأَقُومُ وَأَنَامُ، وَأَرْجُو فِي نَوْمَتِي مَا أَرْجُو فِي قَوْمَتِي1198 – Van Abū Mūsā en Muʿādz ibn Jabal (رضي الله عنهما):Ik ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en met mij waren twee mannen van de Ashʿaries; één aan mijn rechterzijde en de ander aan mijn linkerzijde.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zijn tanden aan het poetsen met een siwāk. Beiden vroegen om een (bestuurs)functie. Daarop zei hij: ‘O Abū Mūsā, of: O ʿAbdullāh ibn Qays.’Ik zei: ‘Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, zij hebben mij niet verteld wat zij in hun harten hadden en ik wist niet dat zij om een functie kwamen vragen.’Het leek alsof ik naar de siwāk onder zijn lip keek, die omhoog getrokken werd. Toen zei hij: ‘Wij stellen niemand aan voor een taak die er zelf naar verlangt. Maar ga jij, O Abū Mūsā of O ʿAbdullāh ibn Qays, naar Jemen (als gouverneur).’Vervolgens volgde Muʿādz ibn Jabal hem (als gouverneur) op. (Hij vertrok met een opdracht naar een regio in Jemen.) Toen hij (bij Abū Mūsā) aankwam, legde hij voor hem een kussen neer en zei: ‘(Stap van de rijdier af en) ga (op de kussen) zitten.’Er was een man bij hem (Abū Mūsā) geboeid. Hij (Muʿādz) vroeg: “Wat is dit?”Hij (Abū Mūsā) antwoordde: “Hij was een jood. Hij werd moslim en keerde daarna terug naar het jodendom.”Hij zei: “Ga zitten.”Muʿādz zei: ”Ik ga niet zitten totdat hij geëxecuteerd wordt volgens het oordeel van Allāh en Zijn Boodschapper!”Dit herhaalde hij drie keer. Toen gaf hij bevel en de man werd geëxecuteerd.Daarna spraken zij over de nachtsalaah (qiyām al-layl). Eén van hen (Muʿādz ) zei: ‘Wat mij betreft: ik verricht (‘s nacht) en slaap ook. En ik hoop op evenveel beloning voor mijn slaap als voor mijn ṣalāh.’

[Iemand die moslim is en daarna de Islām verzaakt/verlaat, wordt een murtad genoemd. In de Islām behoort het recht op godsdienstvrijheid tot de fundamentele onschendbare rechten die elk individu van geboorte af aan heeft. Niemand mag vanwege zijn geloof gestraft worden. In de Qur’ān staat:

لَآ إِكۡرَاهَ فِي ٱلدِّينِۖ قَد تَّبَيَّنَ ٱلرُّشۡدُ مِنَ ٱلۡغَيِّۚ فَمَن يَكۡفُرۡ بِٱلطَّٰغُوتِ وَيُؤۡمِنۢ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱسۡتَمۡسَكَ بِٱلۡعُرۡوَةِ ٱلۡوُثۡقَىٰ لَا ٱنفِصَامَ لَهَاۗ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ ٢٥٦

Er is geen dwang in de godsdienst. Waarlijk, het rechte Pad is duidelijk te onderscheiden van het pad dat doet afdwalen. Iedereen die niet in afgoden gelooft, en in Allāh gelooft heeft een sterk houvast gegrepen dat nooit zal afbreken. En Allāh is de Alhorende, de Alwetende. (surah al-Baqarah, 2:256)

Met de komst van de Islām zijn waarheid en valsheid duidelijk van elkaar gescheiden, waardoor van ieder weldenkend persoon wordt verwacht dat hij door nadenken en overweging, zowel in woorden als in het hart, erkent wat juist is. Dit proces kan niet worden afgedwongen door dwang. De geschiedenis is getuige dat mensen die gedwongen zijn tot bekering of verandering van geloof, noch rechtsgeldig noch praktisch mogelijk is.Volgens de Islām is het blijvende goede op aarde in wezen de vrede. Oorlog is daarentegen is in de Islām niet bedoeld als een dwangmiddel om mensen te bekeren tot de Islām maar om een einde te maken aan een situatie van onrechtvaardige chaos, om de vrijheid van godsdienst en geweten te beschermen, en teneinde het recht van mensen van verschillende geloofsovertuigingen te handhaven. Wanneer een gelovige of een gemeenschap het recht om een ander godsdienst aan te hangen en daarnaar te leven niet respecteert en vijandigheid toont door hun waarden te schenden, wordt van de getroffen persoon of de gemeenschap verwacht dat zij zich verdedigen.Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: "Degene die wordt gedood terwijl hij zijn bezit verdedigt, is een martelaar.

Degene die wordt gedood terwijl hij zijn godsdienst verdedigt, is een martelaar. Degene die wordt gedood terwijl hij zijn leven verdedigt, is een martelaar. Degene die wordt gedood terwijl hij zijn familie verdedigt, is een martelaar." (Tirmidzî, Diyât, 21)Irtidāt (afvalligheid/apostasie) is een bijzondere situatie waarin iemand de islamitische gemeenschap verlaat, terwijl hij eerder de waarheid kende, en terugkeert naar dwaling. Volgens de consensus van de geleerden hangt de straf voor een murtad af van het feit of hij daadwerkelijk handelingen verricht die tegen de Islām zijn, de sociale orde verstoren, anderen oproepen tot afvalligheid, of vijandig gedrag vertonen jegens moslims. Wanneer iemand zijn geloof verlaat zonder anderen te beïnvloeden, blijft het oordeel hierover volledig aan Allāh.Wanneer iemand echter de Islām openlijk afwijst, de Islām bespot, anderen aanspoort om af te vallen, of vijandigheid creëert, kan door de rechtbank gestraft worden. Het is van groot belang dat het initiatief voor een straf bij de staat ligt, niet bij individuele personen. Voordat een straf wordt toegepast, moet de murtad de gelegenheid krijgen om van gedachten te veranderen en terug te keren naar de Islām. Hem berispen en proberen opnieuw in de gemeenschap op te nemen, is een essentieel juridisch principe.] (Diyanet)

De deugd van de rechtvaardige imam, de bestraffing van de onrechtvaardige bestuurder, aanmoediging tot mildheid jegens de onderdanen en het verbod om hen moeilijkheden op te leggenفضيلة الإمام العادل وعقوبة الجائر والحث على الرفق بالرعية والنهي عن إِدخال المشقة عليهم

١١٩٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: كُلُّكُمْ رَاعٍ فَمَسْئُولٌ عَنْ رَعِيَّتِهِ، فَالأَمِيرُ الَّذِي عَلَى النَّاسِ رَاعٍ وَهُوَ مَسْئُولٌ عَنْهُمْ، وَالرَّجُلُ رَاعٍ عَلَى أَهْلِ بَيْتِهِ وَهُوَ مَسْئُولٌ عَنْهُمْ، وَالْمَرْأَةُ رَاعِيَةٌ عَلَى بَيْتِ بَعْلِهَا وَوَلَدِهِ وَهِيَ مَسْئُولَةٌ عَنْهُمْ، وَالْعَبْدُ رَاعٍ عَلَى مَالِ سَيِّدِهِ وَهُوَ مَسْئُولٌ عَنْهُ، أَلاَ فَكُلُّكمْ رَاعٍ وَكُلُّكمْ مَسْئُولٌ عَنْ رَعِيَّتِهِ

1199 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ieder van jullie is een herder en ieder van jullie is verantwoordelijk voor zijn kudde.De leider (amīr) is een herder over de mensen en hij is verantwoordelijk voor hen.De man is een herder over zijn gezin en hij is verantwoordelijk voor hen.De vrouw is een herderin over het huis van haar echtgenoot en zijn kinderen, en zij is verantwoordelijk voor hen.De slaaf is een herder over het bezit van zijn meester en hij is verantwoordelijk daarvoor.Let op, ieder van jullie is een herder en ieder van jullie is verantwoordelijk voor zijn kudde.”

[Ook de slaaf is een herder over het bezit van zijn meester; hij is hiervoor verantwoordelijk. Zeker, als een bediende of slaaf zijn meester trouw dient en de toevertrouwde zaken correct uitvoert, past het zijn meester om hem te helpen en zich niet boven hem te verheffen.] (HY)

١٢٠٠ - حديث مَعْقِلِ بْنِ يَسَارٍ عَنِ الْحَسَنِ، أَنَّ عُبَيْدَ اللهِ بْنَ زِيَادٍ عَادَ مَعْقِلَ بْنَ يَسَارٍ فِي مَرَضِهِ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، فَقَالَ لَهُ مَعْقِلٌ: إِنِّي مُحَدِّثُكَ حَدِيثًا سَمِعْتُهُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَا مِنْ عَبْدٍ اسْتَرْعَاهُ اللهُ رَعِيَةً فَلَمْ يَحُطْهَا بِنَصِيحَةٍ إِلاَّ لَمْ يَجِدْ رَائِحَةَ الْجَنَّةِ1200 – Van Maʿqil ibn Yasār (رضي الله عنه) via al-Ḥasan Basrie:ʿUbaydullāh ibn Ziyād Maʿqil ibn Yasār (de amīr van Basra) bezocht (Ma`qil) tijdens zijn ziekte waaraan hij overleed. Maʿqil zei tegen hem: “Ik ga jou een ḥadīth vertellen die ik van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord.Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Geen dienaar aan wie Allāh een kudde heeft toevertrouwd, en die deze niet oprecht verzorgt, zal de geur van het Paradijs (Jannah) ervaren.”

Het is de strenge verboden om gemeenschappelijks goed te ontvreemden

غلظ تحريم الغلول

١٢٠١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَامَ فِينَا النَّبِيُّ ﷺ فَذَكَرَ الْغُلُولَ، فَعَظَّمَهُ وَعَظَّمَ أَمْرَهُ، قَالَ: لاَ أُلْفِيَنَّ أَحَدَكُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، عَلَى رَقَبَتِهِ شَاةٌ لَهَا ثُغَاءٌ، عَلَى رَقَبَتِهِ فَرَسٌ لَهُ حَمْحَمَةٌ، يَقُولُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَغِثْنِي، فَأَقُولُ: لاَ أَمْلِكُ لَكَ شَيْئًا، قَدْ أَبْلَغْتُكَ؛ وَعَلَى رَقَبَتِهِ بعِيرٌ لَهُ رُغَاءٌ، يَقُولُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَغثْنِي، فَأَقُولُ: لاَ أَمْلِكُ لَكَ شَيْئًا قَدْ أَبْلَغْتُكَ؛ وَعَلَى رَقَبَتِهِ صَامِتٌ، فَيَقُولُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَغِثْنِي، فَأَقُولُ: لاَ أَمْلِكُ لَكَ شَيْئًا قَدْ أَبْلَغْتُكَ؛ أَوْ عَلَى رَقَبَتِهِ رِقَاعٌ تَخْفِقُ فَيَقُولُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَغِثْنِي، فَأَقُولُ: لاَ أَمْلِكُ لَكَ شَيْئًا قَدْ أَبْلَغْتُكَ

1201 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond te midden van ons en sprak over het achterhouden/verduisteren van gemeenschapsbezit/oorlogsbuit (al-ghulūl). Hij besteedde daar veel aandacht aan (onrechtmatig verkregen inkomsten) en benadrukte hoe ernstig het is.Hij zei: “Ik wil niet iemand van jullie tegenkomen op de Dag der Opstanding met op zijn nek een schaap dat blaat, of een paard dat hinnikt, en hij zegt: ‘O Rasûlullāh !

Help mij!’En ik zal zeggen: ‘Ik ben niet in staat om je te helpen; ik heb jou (hier op aarde het oordeel van Allāh) overgebracht.’Of iemand met op zijn nek een kameel die gromt, en hij zegt: ‘O Rasûlullāh ! Help mij!’En ik zal zeggen: ‘Ik ben niet in staat om je te helpen; ik heb jou (hier op aarde het oordeel van Allāh) overgebracht.’Of iemand met op zijn nek contant geld (ṣāmit) (goud, zilver), en hij zegt: ‘O Rasûlullāh ! Help mij!’En ik zal zeggen: ‘Ik ben niet in staat om je te helpen; ik heb jou (hier op aarde het oordeel van Allāh) overgebracht.’Of iemand met op zijn nek fladderende kledingstukken, en hij zegt: ‘O Rasûlullāh ! Help mij!’En ik zal zeggen: ‘Ik ben niet in staat om je te helpen; ik heb jou (hier op aarde het oordeel van Allāh) overgebracht.’ [Het woord “ghulūl” dat in de ḥadīth voorkomt, en dat wij vertalen met het achterhouden/verduisteren van gemeenschapsbezit betekent: bedrog plegen, onrecht doen of iets achterhouden. Hoewel de taalkundige betekenis relatief beperkt is, heeft het in religieuze context een bredere reikwijdte gekregen. In het bijzonder wordt ghulūl gebruikt voor de handeling waarbij iemand heimelijk een deel van de oorlogsbuit (ghanīmah) wegneemt vóórdat die eerlijk onder de strijders is verdeeld. Daarnaast omvat het ook:– het oneigenlijk toe-eigenen van publieke of gemeenschappelijke eigendommen,– het onterecht toekennen van gemeenschapseigendommen aan anderen,- onrechtmatig verkregen inkomsten– en in het algemeen elke vorm van onrechtmatig besteding van, goederen dat aan de gemeenschap toebehoort.Daarom wordt ghulūl niet alleen beperkt tot oorlogsbuit, maar betreft elke vorm van oneerlijkheid van publieke middelen of verantwoordelijkheden.] (AFK)

Het is haram dat ambtenaren geschenken (aannemen)

تحريم هدايا العمال

١٢٠٢ - حديث أَبِي حُمَيْدٍ السَّاعِدِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ اسْتَعْمَلَ عَامِلًا، فَجَاءَهُ الْعَامِلُ حِينَ فَرَغَ مِنْ عَمَلِهِ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ هذَا لَكُمْ، وَهذَا أُهْدِيَ لِي فَقَالَ لَهُ: أَفَلاَ قَعَدْتَ فِي بَيْتِ أَبيكَ وَأُمِّكَ فَنَظَرْتَ أَيُهْدَى لَكَ أَمْ لاَ ثُمَّ قَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَشِيَّةً، بَعْدَ الصَّلاَةِ، فَتَشَهَّدَ وَأَثْنَى عَلَى اللهِ بِمَا هُوَ أَهْلُهُ، ثُمَّ قَالَ: أَمَّا بَعْدُ، فَمَا بَالُ الْعَامِلِ نَسْتَعْمِلُهُ فَيَأْتِينَا فَيَقُولُ هذَا مِنْ عَمَلِكمْ، وَهذَا أُهْدِيَ لِي، أَفَلاَ قَعَدَ فِي بَيْتِ أَبِيهِ وَأُمِّهِ فَنَظَرَ هَلْ يُهْدَى لَهُ أَمْ لاَ فَوَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ لاَ يَغُلُّ أَحَدُكُمْ مِنْهَا شَيْئًا إِلاَّ جَاءَ بِهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ يَحْمِلُهُ عَلَى عُنُقِهِ، إِنْ كَانَ بَعِيرًا جَاءَ بِهِ لَهُ رُغَاءٌ، وَإِنْ كَانَتْ بَقَرَةً جَاءَ بِهَا لَهَا خوَارٌ، وَإِنْ كَانَتْ شَاةً جَاءَ بِهَا تَيْعَرُ، فَقَدْ بَلَّغْتُ

فَقَالَ أَبُو حُمَيْدٍ: ثُمَّ رَفَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدَهُ حَتَّى إِنَّا لَنَنْظُرُ إِلَى عُفْرَةِ إِبْطَيْهِ

1202 – Van Abū Ḥumayd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde een (zakāh) ambtenaar (`Abdullah ibnu Lutbiyyah al-Azdî) aan.

Toen deze zijn taak had volbracht, keerde hij terug en zei:“O Rasûlullāh, dit (zakāh) is voor jullie, en dit is aan mij geschonken.”Toen zei hij tegen hem: “Als je in het huis van je vader of moeder was gebleven, zou je dan ook een geschenk ontvangen hebben of zou men je iets hebben geschonken?Later, in de namiddag na de ṣalāh, stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op, prees Allāh zoals Hem toekomt, en zei: “Amma baʿd (voorts): “Wat is er toch met sommige ambtenaren die wij aanstellen, en die dan terugkomen en zeggen: ‘Dit is van jullie en dit is aan mij geschonken’?Als hij in het huis van zijn vader of moeder was gebleven, had hij dan ook een geschenk ontvangen, had hij dan een geschonken ontvangen of niet?”(Hij vervolgde): “Bij Degene in Wiens Hand het leven van Muḥammad is: Als iemand van jullie iets achterhoudt (van publieke goederen), zal hij op de Dag des Oordeels dat gestolene zeker om zijn nek dragen en zo verschijnen. Als het een kameel is, zal hij het dragen met zijn gegrom; als het een koe is, met haar geloei; als het een schaap is, met haar geblaat. Ik heb jullie gewaarschuwd.”Abū Ḥumayd zei: “Daarna hief Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn handen op totdat wij de witheid van zijn oksels zagen.”En opnieuw zei Abū Humayd: “Deze khuṭbah heb ik, samen met Zayd ibn Thābit, van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gehoord; vraag het ook aan hem!”

Het is verplicht om leiders te gehoorzamen zolang dat niet leidt tot ongehoorzaamheid (aan Allah), en het is verboden om hen te gehoorzamen wanneer zij tot zonde aanzetten

وجوب طاعة الأمراء في غير معصية وتحريمها في المعصية

١٢٠٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ (أَطِيعُوا اللهَ وَأَطِيعُوا الرَّسُولَ وَأُولى الأَمْرِ مِنْكُمْ)، قَالَ: نَزَلَتْ فِي عَبْدِ اللهِ بْنِ حُذَافَةَ بْنِ قَيْسِ بْنِ عَدِيٍّ، إِذْ بَعَثَهُ النَّبِيُّ ﷺ فِي سَرِيَّةٍ

1203 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):De uitspraak van Allāh:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَأُوْلِي ٱلۡأَمۡرِ مِنكُمۡۖ

O, jullie die geloven! Gehoorzaam Allāh en gehoorzaam de Boodschapper en degenen van jullie die een gezagspositie hebben… (sûrah an-Nisā 4/59)werd volgens Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) neergezonden over ʿAbdullāh ibn Ḥudhāfah ibn Qays ibn ʿAdiyy, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem als bevelhebber van een veldtocht (sariyyah) had gestuurd.[O jullie die geloven, gehoorzaam Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) in alles wat Hij heeft bevolen en verboden, door te volgen wat staat in het Boek van Allāh, de Qur’ān, en in de uitleg daarvan: de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de sunnah van de eerste generaties (as-Ṣalaf as-Ṣālih). Gehoorzaam daarnaast ook de leiders onder jullie in zaken die tot gehoorzaamheid aan Allāh leiden en die het belang van de moslims dienen.Wanneer jullie werkelijk in Allāh en in de Laatste Dag geloven en jullie verschillen van mening over een zaak, verwijs deze dan terug naar Allāh en Zijn Rasûl. Dat is beter voor jullie en zal uiteindelijk een mooiere uitkomst bij Allāh opleveren.In een āyah heeft Allāh bevolen Hem te gehoorzamen. Hiermee wordt bedoeld dat men zich houdt aan wat Hij heeft geboden en zich onthoudt van wat Hij heeft verboden. Daarnaast heeft Allāhu تعالى in een āyah bevolen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te gehoorzamen in zijn bevelen en verboden tijdens zijn leven, en zich na zijn overlijden te houden aan zijn sunnah.

Het bevel tot gehoorzaamheid in deze āyah is algemeen; het is dus niet correct om het uitsluitend te beperken tot zijn leven of slechts tot de tijd na zijn overlijden.In dezelfde āyah wordt ook het bevel gegeven om de ʾUlu’l-Amr te gehoorzamen. Hiermee worden de leiders onder ons bedoeld die eveneens de ṣalāh verrichten. Dit is één van de belangrijkste āyāt met betrekking tot het onderwerp leiderschap en gehoorzaamheid.Bij het benaderen van de Qur’ān zijn bepaalde principes en regels van toepassing. Eén van deze principes heeft betrekking op het begrijpen van de betekenis van dit vers: أَفَلَا يَتَدَبَّرُونَ ٱلۡقُرۡءَانَۚ وَلَوۡ كَانَ مِنۡ عِندِ غَيۡرِ ٱللَّهِ لَوَجَدُواْ فِيهِ ٱخۡتِلَٰفٗا كَثِيرٗا ٨٢

Bekijken zij de Qur’ān dan niet nauwkeurig? Als het van een ander dan van Allāh was geweest, hadden zij daar zeker veel tegenstrijdigheden in gevonden. (Surah An-Nisā’ 4/82)

Het is een kwestie waar goed over nagedacht moet worden. Want sommige mensen proberen op basis van elke āyah een oordeel te vellen en zeggen dan: “Ik denk er zo over.” Maar let op: Allāh zegt, “denken jullie dan niet na?” En precies op zo’n moment komt deze āyah naar voren. Als jullie dus meningsverschil hebben, en beweren dat jullie geloven in Allāh en in de Laatste Dag, dan zegt Allāh: Verwijs het dan terug naar Allāh en Zijn Rasûl. En Hij maakt duidelijk dat dit voor de gelovigen de beste en meest heilzame weg is.] (HY)

١٢٠٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَطَاعَنِي فَقَدْ أَطَاعَ اللهَ وَمَنْ عَصَانِي فَقَدْ عَصى اللهَ، وَمَنْ أَطَاعَ أَمِيرِي فَقَد أَطَاعِني، وَمَنْ عَصى أَمِيرِي فَقَدْ عَصَانِي1204 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mij gehoorzaamt, heeft Allāh gehoorzaamd, en wie mij ongehoorzaam is, is Allāh ongehoorzaam.En wie mijn leider gehoorzaamt, heeft mij gehoorzaamd, en wie mijn leider ongehoorzaam is, is mij ongehoorzaam.”

١٢٠٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: السَّمْعُ وَالطَّاعَةُ عَلَى الْمَرْءِ الْمُسْلِمِ فِيمَا أَحَبَّ وَكَرِهَ، مَا لَمْ يُؤْمَرْ بِمَعْصِيَةٍ؛ فَإِذَا أُمِرَ بِمَعْصِيَةٍ فَلاَ سَمْعَ وَلاَ طَاعَةَ1205 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Luisteren en gehoorzamen is verplicht voor de moslim, in wat hij liefheeft en wat hij verafschuwt, zolang hem geen zonde (ongehoorzaamheid aan Allāh) wordt opgedragen. Maar wanneer hem een zonde wordt opgedragen, dan is er geen sprake van luisteren en gehoorzamen.”

١٢٠٦ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ سَرِيَّةً وَأَمَّرَ عَلَيْهِمْ رَجُلًا مِنَ الأَنْصَارِ وَأَمَرَهُمْ أَنْ يُطِيعُوهُ فَغَضِبَ عَلَيْهِمْ، وَقَالَ: أَلَيْسَ قَدْ أَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ أَنْ تُطِيعُونِي قَالُوا: بَلَى قَالَ: عَزَمْتُ عَلَيْكُمْ لَمَا جَمَعْتُمْ حَطَبًا وَأَوْقَدْتُمْ نَارًا ثُمَّ دَخَلْتُمْ فِيهَا فَجَمَعُوا حَطَبًا، فَأَوْقَدُوا فَلَمَّا هَمُّوا بِالدُّخُولِ، فَقَامَ يَنْظُرُ بَعْضُهُمْ إِلى بَعْضٍ، قَالَ بَعْضُهُمْ: إِنَّمَا تَبِعْنَا النَّبِيَّ ﷺ فِرَارًا مِنَ النَّارِ، أَفَنَدْخُلُهَا فَبَيْنَمَا هُمْ كَذلِكَ إِذْ خَمَدَتِ النَّارُ، وَسَكَنَ غَضَبُهُ فَذُكِرَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: لَوْ دَخَلُوهَا مَا خَرَجُوا مِنْهَا أَبَدًا، إِنَّمَا الطَّاعَةُ فِي الْمَعْرُوف1206 – Van ʿAlī (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde een troep op veldslag (sariyyah) uit en stelde een man van de Anṣār aan als hun leider.

Hij beval hen hem te gehoorzamen.(Op een gegeven moment) werd de leider boos op hen en zei:“Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) jullie niet bevolen mij te gehoorzamen?”Zij antwoordden: “Zeker.”Hij zei: “Ik beveel jullie hout te verzamelen, een vuur aan te steken, en er in te springen.”Ze verzamelden hout, staken het vuur aan, en toen ze op het punt stonden erin te springen, keken ze elkaar aan.Een van hen zei: “Wij volgden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) slechts om aan het vuur te ontsnappen; zullen we er nu dan echt in springen?”Terwijl ze zo twijfelden, doofde het vuur uit en bedaarde zijn woede.Toen dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gemeld, zei hij:“Als zij daarin waren gegaan, zouden zij daar nooit uit zijn gekomen.

Gehoorzaamheid is slechts in het goede (maʿrūf).”

١٢٠٧ - حديث عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ عَنْ جُنَادةَ بْنِ أَبِي أُمَيَّةَ، قَالَ: دَخَلْنَا عَلَى عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ وَهُوَ مَرِيضٌ، قُلْنَا: أَصْلَحَكَ اللهُ، حَدِّثْ بِحَدِيثٍ يَنْفَعُكَ اللهُ بِهِ، سَمِعْتَهُ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: دَعَانَا النَّبِيُّ ﷺ فَبَايَعْنَاهُ، فَقَالَ فِيمَا أَخَذَ عَلَيْنَا، أَنْ بَايَعَنَا عَلَى السَّمْعِ وَالطَّاعَةِ فِي مَنْشَطِنَا وَمَكْرَهِنَا وَعُسْرِنَا وَيُسْرِنَا وَأُثْرَةٍ عَلَيْنَا، وَأَنْ لاَ نُنَازِعَ الأَمْرَ أَهْلَهُ إِلاَّ أَنْ تَرَوْا كُفْرًا بَوَاحًا عِنْدَكُمْ مِنَ اللهِ فِيهِ بُرْهَانٌ1207 – Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit via Junādah ibn Abī Umayyah (رضي الله عنهما):We gingen op bezoek bij ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه) terwijl hij ziek was, en zeiden: “Moge Allāh jou genezen.

Vertel ons een ḥadīth waarvan Allāh jou voordeel geeft, die jij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebt gehoord.” Hij zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep ons bijeen, en wij legden hem de eed van trouw (bayʿah) af.Onder de voorwaarden die hij van ons eiste (tijdens deze eed), was dat wij hem trouw beloofden in gehoorzamen, zowel in zaken die ons lief zijn als die ons tegenstaan, in moeilijke en gemakkelijke omstandigheden, en ook wanneer anderen boven ons worden bevoorrecht. Daarnaast beloofden wij het gezag niet te betwisten van degenen die daartoe behoren, tenzij we duidelijk ongeloof (kufr bawāḥ) zien, waarover wij bij Allāh een duidelijk bewijs hebben.”

الأمر بالوفاء ببيعة الخلفاء الأول فالأول

الأمر بالوفاء ببيعة الخلفاء الأول فالأول

Het bevel om de trouw (bayʿah) aan de opeenvolgende khaliefen na te komen, de een na de ander

١٢٠٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: كَانَتْ بَنُو إِسْرَائِيلَ تَسُوسُهُمُ الأَنْبِيَاءُ، كَلَّمَا هَلَكَ نَبِيٌّ خَلَفَهُ نَبِيٌّ، وَإِنَّهُ لاَ نَبِيَّ بَعْدِي، وَسَيَكُون خُلَفَاءُ فَيَكْثُرُونَ قَالُوا: فَمَا تَأْمُرُنَا قَالَ: فُوا بِبَيْعَةِ فَالأَوَّلِ، أَعْطُوهُمْ حَقَّهُمْ، فَإِنَّ اللهَ سَائِلُهُمْ عَمَّا اسْتَرْعَاهُمْ

1208 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Wanneer er onder de Banū Isrā’īl verderf (fasād) ontstond, zond Allāh een profeet uit hun midden. Deze profeet bracht orde op zaken en corrigeerde wat zij hadden veranderd van de bepalingen van de Tawrāh.)De Banū Isrā’īl werden geleid door de profeten; telkens wanneer een profeet stierf, volgde hem een andere profeet op. Er zal echter geen profeet meer na mij komen.Er zullen wel khalīfah’s (opvolgers) komen, en ze zullen talrijk zijn.”De metgezellen zeiden: “Wat beveelt u ons dan?”Hij antwoordde: “Vervul de eed van trouw aan de eerste van hen.Geef hen hun recht, want Allāh zal hen ondervragen over hetgeen Hij hun als verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd.”

١٢٠٩ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: سَتَكونُ أُثَرَةٌ وَأُمُورٌ تُنْكِرُونَهَا قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ فَمَا تَأْمُرُنَا قَالَ: تُؤَدُّونَ الْحَقَّ الَّذِي عَلَيْكمْ وَتَسْأَلُونَ اللهَ الَّذِي لَكمْ

1209 – Van Ibn Masʿūd (رضي الله عنه):van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal sprake zijn van bevoordeling (en voorkeuren) en zaken die jullie zullen afkeuren.”De metgezellen zeiden: “Wat beveelt u ons, o Rasûlullāh ?”Hij antwoordde: “Vervul jullie verplichtingen (gehoorzaam de leiders), en vraag Allāh om jullie rechten.”

Het bevel om geduld te hebben bij onrechtvaardigheid en machtsmisbruik door de leiders

الأمر بالصبر عند ظلم الولاة واستئثارهم

١٢١٠ - حديث أُسَيْدِ بْنِ حُضَيْرٍ، أَنَّ رَجُلًا مِنَ الأَنْصَارِ، قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَلاَ تَسْتَعْمِلُنِي كَمَا اسْتَعْمَلْتَ فُلاَنًا قَالَ: سَتَلْقَوْنَ بَعْدِي أُثْرَةً، فَاصْبِرُوا حَتَّى تَلْقَوْنِي عَلَى الْحَوْضِ

1210 – Van Usayd ibn Ḥuḍayr (رضي الله عنه):Een man uit de Anṣār zei: “O Rasûlullāh, wilt u mij niet aanstellen zoals u die-en-die hebt aangesteld (als zakāh-ambtenaar of als bestuurder?)”Hij antwoordde: “Na mij zullen jullie bevoordeling (en voorkeuren) tegenkomen.( momenten waarin anderen boven jullie verkozen worden in wereldse zaken.) Wees geduldig tot jullie mij ontmoeten bij de Ḥawḍ (Bassin).”

Het bevel om vast te houden aan de (moslim)gemeenschap bij het verschijnen van beproevingen en het waarschuwen voor hen die oproepen tot ongeloof

الأمر بلزوم الجماعة عند ظهور الفتن وتحذير الدعاة إلى الكفر

١٢١١ - حديث حُذَيْفَةَ بْنِ الْيَمَانِ عَنْ أَبِي إِدْرِيسَ الْخَوْلاَنِيِّ، أَنَّهُ سَمِعَ حُذَيْفَةَ بْنَ الْيَمَانِ يَقُولُ: كَانَ النَّاسُ يَسْأَلُونَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنِ الْخَيْرِ، وَكُنْتُ أَسْأَلُهُ عَنِ الشَّرِّ مَخَافَةَ أَنْ يُدْرِكَنِي فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا كُنَّا فِي جَاهِلِيَّةٍ وَشَرٍّ، فَجَاءَنَا اللهُ بِهذَا الْخَيْرِ، فَهَلْ بَعْدَ هذَا الْخَيْرِ مِنْ شَرٍّ قَالَ: نَعَمْ قُلْتُ: وَهَلْ بَعْدَ ذلِكَ الشَّرِّ مِنْ خَيْرٍ

قَالَ: نَعَمْ، وَفِيهِ دَخَنٌ قُلْتُ: وَمَا دَخَنُهُ قَالَ: قَوْمٌ يَهْدُونَ بَغَيْرِ هَدْيي، تَعْرِفُ مِنْهُمْ وَتُنْكِرُ قُلْتُ: فَهَلْ بَعْدَ ذَلِكَ الْخَيْرِ مِنْ شَرٍّ قَالَ: نَعَمْ، دُعَاةٌ إِلَى أَبْوَابِ جَهَنَّمَ، مَنْ أَجَابَهُمْ إِلَيْهَا قَذَفُوهُ فِيهَا قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ صِفْهُمْ لَنَا فَقَالَ: هُمْ مِنْ جِلْدَتِنَا، وَيَتَكَلَّمُونَ بِأَلْسِنَتِنَا قُلْتُ: فَمَا تَأْمُرُنِي، إِنْ أَدْرَكَنِي ذَلِكَ قَالَ: تَلْزَمُ جَمَاعَةَ الْمُسْلِمِينَ وَإِمَامَهُمْ قُلْتُ: فَإِنْ لَمْ يَكُنْ لَهُمْ جَمَاعَةٌ وَلاَ إِمَامٌ قَالَ: فَاعْتَزِلْ تِلْكَ الْفِرَقَ كُلَّهَا، وَلَوْ أَنْ تَعَضَّ بِأَصْلِ شَجَرَةٍ حَتَّى يُدْرِكَكَ الْمَوْتُ وَأَنْتَ عَلَى ذلِكَ

1211 – Van Ḥudhayfah ibn al-Yamān via Abū Idrīs al-Khawlānī (رضي الله عنهما):Ḥudhayfah ibn al-Yamān zei: “Mensen vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de goede (gebeurtenissen) die in de toekomst zouden plaatsvinden, terwijl ik, uit vrees dat zij zich zouden plaatsvinden, vroeg naar de slechte (gebeurtenissen) die zouden plaatsvinden. Ik vroeg: ‘O Rasûlullāh, wij verkeerden (voordat we moslim werden) in onwetendheid en kwaad, toen bracht Allāh ons dit goede. Zal er na dit goede weer kwaad komen?’- ‘Ja.’- ‘En zal er na dat kwade (fitnah: beproeving) weer goed komen?’- ‘Ja, maar er zal een troebelheid in zijn.’- ‘Wat is die troebelheid?’- ‘Er zullen mensen zijn die niet volgens mijn leiding (sunnah) leiden.

Je zult van hen zaken herkennen (in de Qur’ān en sunnah) én (andere) verwerpen.’‘- Zal er na dat goede weer kwaad komen?’- ‘Ja, er zullen oproepers zijn aan de poorten van Jahannam. Wie op hun oproep ingaat, zal erin geworpen worden.’- ‘O Rasûlullāh, beschrijf hen (oproepers) voor ons.’- ‘Het zijn onze mensen en zij spreken onze taal.’- ‘Wat beveelt u mij aan als ik dat meemaak?’- ‘Houd vast aan de gemeenschap van de moslims en hun leider (imām ).’- ‘En als zij geen gemeenschap hebben en geen leider?’‘Vermijd dan al die groeperingen, ook al moet je aan de wortel van een boom knagen tot de dood jou bereikt terwijl je je daaraan vasthoudt.’”

١٢١٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ كَرِهَ مِنْ أَمِيرِهِ شَيْئًا فلْيَصْبِرْ؛ فَإِنَّهُ مَنْ خَرَجَ مِنَ السُّلْطَانِ شِبْرًا مَاتَ مِيتَةً جَاهِلِيَّةً1212 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie iets afkeurenswaardigs ziet bij zijn leider (amīr), moet geduldig blijven (en geen opstandige houding aannemen). Want wie ook maar een handbreed buiten de gehoorzaamheid aan het gezag/sultan treedt, sterft een dood (in de tijd) van de jāhiliyyah.”

[Gehoorzaamheid is een zeer gevoelige kwestie.

De voorschriften hierover gebieden ondubbelzinnig gehoorzaamheid aan de leider, om fitnah (wanorde) te voorkomen.Er is echter een belangrijk aandachtspunt: de leiders moeten afkomstig zijn uit de moslims, het volk besturen op basis van het Boek van Allāh, en geen ongehoorzaamheid aan Allāh bevelen.Allāh zegt:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَأُوْلِي ٱلۡأَمۡرِ مِنكُمۡۖ فَإِن تَنَٰزَعۡتُمۡ فِي شَيۡءٖ فَرُدُّوهُ إِلَى ٱللَّهِ وَٱلرَّسُولِ إِن كُنتُمۡ تُؤۡمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ ذَٰلِكَ خَيۡرٞ وَأَحۡسَنُ تَأۡوِيلًا ٥٩

O, jullie die geloven! Gehoorzaam Allāh en gehoorzaam de Boodschapper en degenen van jullie die een gezagspositie hebben. (En) als jullie over iets van mening verschillen, keer dan terug tot Allāh en Zijn Boodschapper, als jullie in Allāh en de Laatste Dag geloven. Dat is beter en gepaster voor de laatste bepaling. (sūrah an-Nisā’, 4:59)

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei in zijn afscheidsrede: “Ook al wordt een slaaf over jullie aangesteld die jullie bestuurt volgens het Boek van Allāh, luister dan naar hem en gehoorzaam hem.” (Muslim,, Nasā’ī,, Ibn Mājah)Ook zei hij: “Een moslim dient te luisteren en te gehoorzamen, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei in zijn afscheidsrede: “Ook al wordt een slaaf over jullie aangesteld die jullie bestuurt volgens het Boek van Allāh, luister dan naar hem en gehoorzaam hem.” (Muslim,, Nasā’ī,, Ibn Mājah)Ook zei hij: “Een moslim dient te luisteren en te gehoorzamen, hetzij hij het liefheeft of haat, tenzij er wordt opgedragen tot ongehoorzaamheid. Als er tot ongehoorzaamheid wordt opgedragen, dan is er geen luisteren en geen gehoorzaamheid.” (Muslim, Tirmidzī,, Ibn Mājah, Bukhārī)En hij zei:”Er is geen gehoorzaamheid aan een schepsel in wat neerkomt op ongehoorzaamheid aan Allāh.

Gehoorzaamheid is slechts in het goede (maʿrūf).” (Bukhārī, Muslim)Deze teksten maken duidelijk dat gehoorzaamheid aan de leider verplicht is zolang die binnen de grenzen van de Islām blijft. Bij ongehoorzaamheid aan Allāh vervalt de plicht tot gehoorzamen.] (AFK)

[In de Qur’ān wordt het begrip gehoorzaamheid (ṭāʿah) op twee verschillende manieren gebruikt. De eerste vorm is absolute (onvoorwaardelijke) gehoorzaamheid, waarbij volledige overgave en onderwerping tegenover de autoriteit van Allāh en Zijn Rasûl wordt getoond. Dit is een duidelijke opdracht:

وَأَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَٱحۡذَرُواْۚ فَإِن تَوَلَّيۡتُمۡ فَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّمَا عَلَىٰ رَسُولِنَا ٱلۡبَلَٰغُ ٱلۡمُبِينُ ٩٢

En gehoorzaam Allāh en Zijn Boodschapper en wees op je hoede en vrees Allāh. Als jullie je dan afkeren, weet dan dat op Onze Boodschapper slechts het duidelijk verkondigen rust. (surah al-Mā’idah, 5:92)

De tweede vorm is voorwaardelijke gehoorzaamheid, die betrekking heeft op het gehoorzamen van `ulū’l-amr (degenen die gezag hebben) op voorwaarde dat zij rechtvaardig handelen en de geboden van Allāh en Zijn Rasûl volgen.

Over dit type gehoorzaamheid zegt de Qur’ān dat bij een meningsverschil men dit aan Allāh en Zijn Rasûl moet voorleggen:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَطِيعُواْ ٱللَّهَ وَأَطِيعُواْ ٱلرَّسُولَ وَأُوْلِي ٱلۡأَمۡرِ مِنكُمۡۖ فَإِن تَنَٰزَعۡتُمۡ فِي شَيۡءٖ فَرُدُّوهُ إِلَى ٱللَّهِ وَٱلرَّسُولِ إِن كُنتُمۡ تُؤۡمِنُونَ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ ذَٰلِكَ خَيۡرٞ وَأَحۡسَنُ تَأۡوِيلًا ٥٩

O, jullie die geloven! Gehoorzaam Allāh en gehoorzaam de Boodschapper en degenen van jullie die een gezagspositie hebben. (En) als jullie over iets van mening verschillen, keer dan terug tot Allāh en Zijn Boodschapper, als jullie in Allāh en de Laatste Dag geloven. Dat is beter en gepaster voor de laatste bepaling. (surah an-Nisā’, 4:59)

Het verwijst naar de instanties waar de heerser zich tot dient te wenden. Daarom wordt gehoorzaamheid aan een autoriteit die deze instanties negeert of tegenwerkt, wordt daarom niet geaccepteerd, in overeenstemming met het principe: “Er is geen gehoorzaamheid aan welk schepsel dan ook in ongehoorzaamheid aan Allāh.”An- Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei hierover in een hadīth: "Een moslim moet zijn leider gehoorzamen in alle zaken of hij daar tevreden of ontevreden over is, behalve wanneer hem iets wordt opgedragen dat leidt tot ongehoorzaamheid aan Allāh.

Wanneer hem iets slechts wordt opgedragen, hoeft hij hier niet naar te luisteren of gehoorzaam te zijn." (Muslim, Imare, 38).Het geduld dat in deze hadīth wordt aanbevolen, betekent niet dat men stilzwijgen onrecht moet accepteren, maar dat men geduld betracht binnen legitieme grenzen, zelfs wanneer men het niet eens is met de beslissingen van de leider. In een samenleving waarin verschillende voorkeuren en belangen onvermijdelijk zijn, is het essentieel dat de leider rechtvaardigheid en billijkheid handhaaft, ook al kan hij niet iedereen tevreden stellen.Onze geleerden hebben uitgelegd dat de in de ḥadīth genoemde dood in de tijd van de jāhiliyyah niet verwijst naar sterven als ongelovige, maar naar sterven zonder bescherming of recht, als lid van een chaotische en ongeorganiseerde gemeenschap.] (Diyanet)

Het is aanbevolen dat de imam en het leger een eed van trouw afleggen bij het voornemen tot strijd, met een toelichting op de Eed van al-Riḍwān onder de boom

استحباب مبايعة الإمام الجيش عند إرادة القتال وبيان بيعة الرضوان تحت الشجرة

١٢١٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ لَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَوْمَ الْحُدَيْبِيَةِ: أَنْتُمْ خَيْرُ أَهْلِ الأَرْضِ وَكُنَّا أَلْفًا وَأَرْبَعَمِائَةٍ وَلَوْ كُنْتُ أُبْصِرُ الْيَوْمَ لأَرَيْتُكُمْ مَكَانَ الشَّجَرَةِ

1213 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei op de dag van al-Ḥudaybiyah: “Jullie zijn de beste mensen op aarde.”Wij waren toen veertienhonderd man. Hij zei ook: “Als ik vandaag kon zien, dan had ik jullie de plaats van de boom kunnen tonen (waar we Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eed van trouw (bayʿah) hebben afgelegd.”).”

١٢١٤ - حديث الْمُسَيَّبِ بْنِ حَزْنٍ، قَالَ: لَقَدْ رَأَيْتُ الشَّجَرَة، ثُمَّ أَتَيْتهَا بَعْدُ فَلَمْ أَعْرِفْهَا1214 – Van al-Musayyab ibn Ḥazn (رضي الله عنه):Waarlijk, ik heb de boom gezien (waaronder we Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de eed van trouw (bayʿah) hebben afgelegd), en ik ben er later opnieuw naartoe gegaan, maar ik herkende haar niet meer.

١٢١٥ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ عَنْ يَزِيدَ بْنِ أَبِي عُبَيْدٍ، قَالَ: قُلْتُ لِسَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ: عَلَى أَيِّ شَيْءٍ بَايَعْتُمْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَوْمَ الْحُدَيْبِيَةِ قَالَ عَلَى الْمَوْتِ1215 – Van Salamah ibn al-Akwaʿ, via Yazīd ibn Abī ʿUbayd (رضي الله عنهما):Ik vroeg Salamah ibn al-Akwaʿ: “Waarop hebben jullie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de trouwbelofte afgelegd op de dag van al-Ḥudaybiyyah?”Hij antwoordde: “Op de dood.”

[An- Nabie (صلى الله عليه وسلم) vertrok samen met zijn metgezellen in het zesde jaar van de Hijrah vanuit Madīnah met het voornemen om een `umrah te verrichten. Ze namen de gewijde staat aan (iḥrām), met de intentie dat ze geen strijd wilden voeren, en gaven dit ook aan de Makkanen door. Echter, in Hudaybiyah knielde het kameel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) neer en stond niet meer op. Ondertussen probeerden gezanten van de Makkanen, die wisten dat zij de `umrah niet zouden toestaan, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over te halen terug te keren. Ondanks dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen de situatie uitlegde en zelfs `Uthman (رضي الله عنه) als vredesgezant naar Makkah stuurde, bleven de polytheïsten koppig.Toen er een vals gerucht circuleerde dat `Uthman (رضي الله عنه) zou zijn gedood, raakten de moslims geschokt en boos.

Ze verzamelden zich onder een boom en zwoeren een eed, bekend als de Bay`ah ar-Ridwān (de Eed van Ridwān), waarin ze beloofden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te steunen, tot aan de dood. In de Qur’ān wordt deze eed als volgt genoemd:

۞ لَّقَدۡ رَضِيَ ٱللَّهُ عَنِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ إِذۡ يُبَايِعُونَكَ تَحۡتَ ٱلشَّجَرَةِ فَعَلِمَ مَا فِي قُلُوبِهِمۡ فَأَنزَلَ ٱلسَّكِينَةَ عَلَيۡهِمۡ وَأَثَٰبَهُمۡ فَتۡحٗا قَرِيبٗا ١٨

Voorwaar, Allāh was vergenoegd met de gelovigen toen zij hun gelofte aan jou onder de boom aflegden. Hij wist wat in hun harten was en (vanwege hun oprechtheid) deed Hij (innerlijke) rust en kalmte op hen neerdalen. En Hij beloonde hen met een nabije overwinning. (surah al-Fath, 48:18).

Kort daarna werd het Hudaybiyah-verdrag ondertekend. Hoewel het in eerste instantie leek alsof de moslims een terugslag hadden ervaren, opende dit verdrag de deur naar een grote overwinning. ] (Diyanet)

١٢١٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا كَانَ زَمَنَ الْحَرَّةِ، أَتَاهُ آتٍ، فَقَالَ لَهُ: إِنَّ ابْنَ حَنْظَلَةَ يُبَايِعُ النَّاسَ عَلَى الْمَوْتِ فَقَالَ: لاَ أُبَايِعُ عَلَى هذَا أَحَدًا بَعْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ1216 – Van ʿAbdullāh ibn Zayd (رضي الله عنه):Tijdens de opstand van Ḥarrah* kwam iemand naar hem toe en zei:“`Abdullah ibn Ḥanẓalah laat de mensen een trouwbelofte afleggen op de dood.”Hij zei: “Ik heb na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan niemand anders een belofte op de dood afgeleggd.”

[Ḥarrah: Deze tragedie vond plaats in Madīnah in het jaar 63 na de Hijrah, tijdens het bewind van Yazīd ibn Muʿāwiyah.ʿAbdullāh ibn Ḥanẓalah (رضي الله عنه), zoon van Ḥanẓalah (رضي الله عنه), die als martelaar stierf in de Slag bij Uḥud en volgens overleveringen door engelen gewassen werd, stond in Madnah in hoog aanzien. Deze metgezel stond in Madīnah in hoog aanzien.Toen hij vaststelde dat de Umajjadische khaliefah Yazīd wijn dronk en de ṣalāh verwaarloosde, weigerde hij hem trouw te zweren (bayʿah). Hierop weigerde ook het volk van Madīnah Yazīd trouw te zweren en gaf men hun loyaliteit aan ʿAbdullāh ibn Ḥanẓalah.Als reactie stuurde Yazīd een leger onder leiding van Muslim ibn ʿUqbah naar Madīnah.

De stad werd belegerd, wat leidde tot de tragische gebeurtenis die bekendstaat als de Ḥarrah-ramp (jaar 63 AH / 682 n.C.). ʿAbdullāh ibn Ḥanẓalah vocht moedig en werd als martelaar gedood.Tijdens deze veldtocht werden vele metgezellen (ṣaḥābah) en volgelingen (tābiʿīn) gedood. Gedurende drie dagen werd er geen gezamenlijke ṣalāh verricht in de Masjid an-Nabawī. Nadat de stad was ingenomen, stond het leger van Yazīd, waaronder volgens overleveringen vijfhonderd Byzantijnse (Romeinse) soldaten, drie dagen lang plundering toe. Dit leidde tot aanvallen op leven, bezit en eer. Er vonden verkrachtingen plaats, en de kinderen die hieruit voortkwamen werden later bekend als de “kinderen van Ḥarrah”.Volgens een overlevering van al-Bayhaqī vielen in deze tragedie 300 metgezellen en 700 ḥuffāẓ (Qur’ān-reciteurs die de hele Qur’ān uit het hoofd kenden).] (AFK)

[Ḥarrah is de naam van een plaats buiten Madīnah, in de omgeving van Zuhrah of Wāqim. In het 63e jaar van de Hidjrah vond hier tijdens de regering van de tweede Umayyaden-khaliefah Yazīd een bloedige gebeurtenis plaats, die in de islamitische geschiedenis bekendstaat als de “Ḥarrah-gebeurtenis”.De gebeurtenis verliep als volgt:

Toen de verscheidene wandaden en onderdrukkingen van Yazīd bekend werden bij de ṣaḥābah in Madīnah, startten zij een oppositiebeweging tegen Yazīd en zij gaven hun trouw-eed (bay`ah) aan ʿAbdullāh b. Ḥanzalah al-Ghāṣil namens de Anṣār, met het doel Yazīd van zijn ambt te ontzetten.

De keuze van de Anṣār veroorzaakte echter ontevredenheid bij anderen. Deze onvrede werd pas opgelost toen ʿAbdullāh b. Muṭī werd aangesteld over de Quraysh en hun mawālī (niet-Arabische bondgenoten van een Arabische stam), en Maʿkil b.

Sīnān over de Muhājirīn. Hierdoor bleef ʿAbdullāh b. Ḥanzalah op zijn positie.

Hoewel de beweging in hoofdzaak een Anṣār-karakter had, sloten de leden van de Quraysh en de Muhājirīn zich hier vrijwillig bij aan. Belangrijke Hashamieten zoals ʿAlī b. Ḥusayn Zayn al-ʿĀbidīn en Muḥammad b. Ḥanafiyyah en ʿAbdullāh b. ʿUmar bleven afzijdig. ʿAbdullāh b. ʿUmar was van mening dat hij zijn bayʿah aan Yazīd niet kon verbreken.

Toen de inwoners van Madīnah deze beweging in gang zetten, schreef ʿAbdullāh b. Zubayr hen brieven om hem uit te nodigen voor de bay`ah aan ʿAbdullāh b. Ḥanzalah al-Ghāṣil, maar hij ontving geen positief antwoord. Desondanks bleef hij de opstand van de Madinezen tegen Yazīd ondersteunen.

Er bestaat echter geen directe verbinding tussen de opstand van de Madinezen en de beweging van ʿAbdullāh b. Zubayr. Hun gemeenschappelijke doel was dat beide bewegingen de khilāfah wilden terugbrengen van erfopvolging naar het systeem van shūra.

Hierop stelde Yazīd zich ten doel ʿAbdullāh b. Zubayr uit te schakelen, maar eerst stuurde hij Muslim ibn ʿUqbah met een leger naar Madīnah om de opstand daar neer te slaan.

Toen deze beweging in Madīnah bekend werd, ontmoette een leger gevormd uit Muhājirīn en Anṣār het leger uit Shām bij Ḥarrah. Omdat het leger van de tegenpartij in aantal en bewapening veel sterker was, konden ze het niet weerstaan en raakten ze in verwarring.

ʿAbdullāh b. Ḥanzalah en zijn acht zonen werden gedood; Maʿkil b. Sīnān werd geëxecuteerd.

In Madīnah werd een massamoord gepleegd, en vele ṣaḥābah werden gedood. Er werd zelfs geen respect getoond tegenover het heilige; men bond bijvoorbeeld rijdieren aan de masjidi Nabawiyyah.

Na de nederlaag sloot ʿAbdullāh b.

Muṭī zich aan bij ʿAbdullāh b. Zubayr in Makkah en nam deel aan de eerste belegering van Makkah, en vocht samen met hem tot aan het beleg van Zubayr door Ḥajāj ibn Yūsuf.

De Ḥarrah-gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als een van de grote fouten van de Umayyaden, vergelijkbaar met het aanstellen van erfopvolgers, de Karbala-gebeurtenis en het beleg van Makkah.

Saʿīd b. al-Musayyib noemt de Ḥarrah-gebeurtenis als de tweede van drie grote fitan na de moord op ʿUthmān (رضي الله عنه), en merkt op dat na deze strijd niemand van de Aṣḥāb van Ḥudaybiyyah overbleef.] (HA)

De emigrant (muhājir) mag niet terugkeren naar zijn woonplaats

تحريم رجوع المهاجر إِلى استيطان وطنه

١٢١٧ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ، أَنَّهُ دَخَلَ عَلَى الْحَجَّاجِ، فَقَالَ: يَا ابْنَ الأَكْوَعِ ارْتَدَدْتَ عَلَى عَقِبَيْكَ، تَعَرَّبْتَ قَالَ: لاَ، وَلكِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَذِنَ لِي فِي الْبَدْو

1217 – Van Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه):Hij (Salamah) ging bij Ḥajāj naar binnen. Daarop zei (Ḥajāj) tegen hem:“O zoon van al-Akwaʿ! Ben je teruggevallen op je hielen (van geloof of gehoorzaamheid)? Ben je weer een bedoeïen geworden?” Hij antwoordde: “Nee, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft mij toestemming gegeven om op het platteland te wonen/ bedoeïenenleven te leiden.”

[Salamah ibn al-Akwāʿ (رضي الله عنه) was een onverschrokken metgezel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die bekend stond om zijn moed. Ten tijde van het voorval dat hier beschreven wordt, was hij al op leeftijd. De tirannieke gouverneur Ḥajāj ibn Yūsuf, die tienduizenden mensen om het leven had gebracht, stelde hem de verdachte vraag: “Ben je teruggevallen…?” waarmee hij bedoelde: Heb je de Islām verzaakt?Ḥajāj stond erom bekend de fouten van de metgezellen te bespieden en hen aan te vallen zodra hij daar de kans voor kreeg. Zo was hij ook verantwoordelijk voor een complot tegen ʿAbdullāh ibn ʿUmar, waarin zelfs een poging tot moord was.Ḥajāj baseerde zijn aantijging op het idee dat degene die naar Madīnah was geëmigreerd (Hijrah), zich daar permanent moest vestigen, en dat wie deze stad daarna weer verliet, werd gezien als iemand die de Islām had verzaakt.Salamah ibn al-Akwāʿhad echter, na de moord op ʿUthmān (رضي الله عنه), Madīnah verlaten en was gaan wonen in een kleine nederzetting in de woestijn genaamd Rabadhah.

Zijn vertrek werd door sommigen gezien als een teken van ontevredenheid met de toenmalige politieke situatie.In de vroege islamitische periode was het verboden voor de muhādjirūn (emigranten) om Madīnah te verlaten, zoals blijkt uit ḥadīth hiervoor, waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de afscheids-Ḥaj voor Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه), die ernstig ziek was, het volgende smeekte:“O Allāh, voltooi de Hijrah van mijn metgezellen en laat hen niet terugkeren (d.w.z. sterven buiten Madīnah).”Zoals ook blijkt uit ḥadīth hierna werd een bedoeïen die de Hijrah niet aankonden, de emigratie naar Madīnah verboden. De vraag van Ḥajāj was dus geen oprechte vraag, maar een voorwendsel om Salamah ibn al-Akwāʿ te kunnen beschuldigen. Zijn gedrag toont niet afvalligheid, maar eerder een afkeer van het onrechtvaardige bewind.] (AFK)

De eed van trouw na de verovering van Makkah op de Islām, de jihād, en het goede, en de uitleg van de betekenis van 'geen emigratie na de verovering'

المبايعة بعد فتح مكة على الإسلام والجهاد والخير وبيان معنى لا هجرة بعد الفتح

١٢١٨ - حديث مُجَاشِعِ بْنِ مَسْعُودٍ وَأَبِي مَعْبَدٍ عَنْ أَبِي عُثْمَانَ النَّهْدِيّ، عَنْ مُجَاشِعِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: انْطَلَقْتُ بِأَبِي مَعْبَدٍ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ لِيُبَايِعَهُ عَلَى الْهِجْرَةِ، قَالَ: مَضَتِ الْهِجْرَةُ لأَهْلِهَا، أُبَايِعُهُ عَلَى الإِسْلامِ وَالْجِهَادِ فَلَقِيْتُ أَبَا مَعْبَدٍ، فَسَأَلْتُهُ، فَقَالَ: صَدَقَ مُجَاشِعٌ

1218 – Van Mujāshiʿ ibn Masʿūd en Abū Maʿbad, via Abū ʿUthmān an-Nahdī (رضي الله عنهم):(Mujāshiʿ ibn Masʿūd zei:”Ik ging samen met Abū Maʿbad naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hem de trouwbelofte af te laten leggen op de Hijrah.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Hijrah is reeds voltooid voor degenen aan wie zij toekwam. (De Hijrah geldt uitsluitend voor degenen die vóór de verovering van Makkah geëmigreerd zijn.)Ik neem van hem de belofte af op (het naleven van) de Islām en (het verrichten van) de jihād.”Toen ik later Abū Maʿbad weer ontmoette en hem hierover vroeg, bevestigde hij: “Mujāshiʿ heeft de waarheid gesproken.”

١٢١٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، يَوْمَ فَتْحِ مَكةَ: لاَ هِجْرَةَ وَلكِنْ جِهَادٌ وَنِيَّةٌ، وَإِذَا اسْتُنْفِرْتُمْ فَانْفِرُوا1219 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei op de dag van de verovering van Makkah:“(Na de verovering van Makkah) is er geen Hijrah meer, maar (er blijft) jihād en (oprechte) intentie.

En als jullie (door de amīr) worden opgeroepen, begeef jullie dan (naar het strijdtoneel).”

[In de ḥadīth verwijst de term “fath” (overwinning/verovering) naar de verovering van Makkah. Voor de verovering van Makkah moesten alle moslims die vóór die tijd Islam hadden omarmd, naar Madīnah emigreren (Hijrah). In Madīnah waren de moslims toen nog een kleine groep, wat hun kracht beperkte.Na de verovering van Makkah accepteerden veel mushrikīn in Arabië de Islam, vaak per stam, waardoor het aantal moslims aanzienlijk toenam en het gevaar van vijanden sterk afnam. Hierdoor verviel de noodzaak om naar Madīnah te emigreren. Daarom verbood an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) na de verovering de Hijrah. Hij zei zelfs tegen degenen die bayʿah wilden afleggen onder de voorwaarde van emigratie: “Er is nu jihād en (oprechte) intentie.”

De betekenis van de ḥadīth is dus dat het verhuizen naar Madīnah als plicht is komen te vervallen. Vanaf dat moment is het toegestaan om het vaderland te verlaten met andere legitieme bedoelingen, zoals: jihād verrichten, vluchten uit een land van ongeloof met goede intenties, voor studie of onderwijs vaderland verlaten en tijdens fitna de godsdienst beschermen. Deze regel geldt tot aan het Laatste Uur.] (HA)

١٢٢٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، أَنَّ أَعْرَابِيًّا سَأَلَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عنِ الْهِجْرَةِ، فَقَالَ: وَيْحَكَ إِنَّ شَأْنَهَا شَدِيدٌ، فَهَلْ لَكَ مِنْ إِبِلٍ تُؤَدِّي صَدَقَتَهَا قَالَ: نَعَمْ؛ قَالَ: فَاعْمَلْ مِنْ وَرَاءِ الْبِحَارِ، فَإِنَّ اللهَ لَنْ ِيَترَكَ مِنْ عَمَلِكَ شَيْئًا1220 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Een bedoeïen vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar de Hijrah.Hij antwoordde: “Je zou jezelf tekortdoen! Want Hijrah is zwaar. Heb jij kamelen waarvoor je de zakāh afdraagt?”De man antwoordde: “Ja.”Hij zei: “Werk dan (in dienst van Allāh) zelfs als het vanachter de zeeën is, want Allāh laat niets verloren gaan van jouw daden.”

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) raadde het woestijnvolk niet aan om zich in Madīnah te vestigen, omdat deze mensen gewend waren aan de omstandigheden van de woestijn. De lucht en het klimaat van Madīnah, die aanzienlijk verschilden van die van de woestijn, konden een negatieve invloed hebben op hun gezondheid.] (AFK)

Bay`ah van vrouwen

كيفية بيعة النساء

١٢٢١ - حديث عَائِشةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَتْ: كَانَتِ الْمُؤْمِنَاتُ، إِذَا هَاجَرْنَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ يَمْتَحِنُهُنَّ بِقَوْلِ اللهِ تَعَالَى (يَا أيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا إِذَا جَاءَكُمُ الْمُؤْمِنَاتُ مُهَاجِرَاتٍ فَامْتَحِنُوهُنَّ) إِلَى آخِرِ الآيَة

قَالَتْ عَائِشَةُ: فَمَنْ أَقَرَّ بِهذَا الشَّرْطِ مِنَ الْمُؤْمِنَاتِ فَقَدْ أَقَرَّ بِالْمِحْنَةِ، فَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا أَقْرَرْنَ بِذلِكَ مِنْ قَوْلِهِنَّ، قَالَ لَهُنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ: انْطَلِقْنَ، فَقَدْ بَايَعْتُكُنَّ لاَ، وَاللهِ مَا مَسَّتْ يَدُ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَدَ امْرَأَةٍ قَطُّ، غَيْرَ أَنَّهُ بَايَعَهُنَّ بَالْكَلاَمِ، وَاللهِ مَا أَخَذَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى النِّسَاءِ إِلاَّ بِمَا أَمَرَهُ اللهُ، يَقُولُ لَهُنَّ، إِذَا أَخَذَ عَلَيْهِنَّ قَدْ بَايَعْتُكُنَّ كَلاَمًا

1221 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Wanneer gelovige vrouwen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) emigreerden, testte hij hen met de woorden van Allāhu تعالى:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢

O, Profeet!

Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggendat zij niemand in de aanbidding met Allāh zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen enjou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allāh hen te vergeven. Waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (sûrah al-Mumtahinah 60/12)

ʿĀishah zei: “Wie van de vrouwen hiermee instemde, had de beproeving aanvaard.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dan tot hen, zodra zij hiermee instemden: ‘Ga, ik heb jullie de bayʿah / trouwbelofte geaccepteerd.’Bij Allāh, nooit heeft de hand van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ooit de hand van een vrouw aangeraakt. (Met andere woorden: hij schudde hen niet de hand, zoals hij dat bij de mannen deed.)Hij legde hen enkel met woorden de trouwbelofte af.

Bij Allāh, hij nam van de vrouwen niet anders af dan wat Allāh hem geboden had.Hij zei tegen hen, bij het afnemen van de trouwbelofte: ‘Ik heb jullie trouwbelofte (onder voorwaarden) geaccepteerd,’ en dat was met woorden.”

Gehoorgeven en gehoorzamen binnen het bereik van het vermogen bij trouwbelofte

البيعة على السمع والطاعة فيما استطاع

١٢٢٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: كُنَّا إِذَا بَايَعْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ علَى السَّمْعِ وَالطَّاعَةِ، يَقُولُ لَنَا: فِيمَا اسْتَطَعْتَ

1222 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Wanneer wij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de trouwbelofte aflegden op gehoorzaamheid en gehoor, zei hij (mededogend) tegen ons: “Voor zover je daartoe in staat bent.”

Leeftijd van volwassenheid bekendmaken

بيان سنّ البلوغ

١٢٢٣ - حديث ابْنِ عَمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَرَضَهُ يَوْمَ أُحُدٍ، وَهُوَ ابْنُ أَرْبَعَ عَشْرَةَ سَنَةً فَلَمْ يُجِزْنِي، ثُمَّ عَرَضَنِي يَوْمَ الْخَنْدَقِ، وَأَنَا ابْنُ خَمْسَ عَشْرَةَ، فَأَجَازَنِي

1223 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keurde mij niet goed op de dag van Uḥud, omdat ik toen veertien jaar oud was. Maar op de dag van Khandaq (de Slag bij de Greppel) keurde hij mij wel goed, toen ik vijftien jaar oud was.

Verbod op reizen naar land van de ongelovigen samen met de Qur’ān

النهي أن يسافر بالمصحف إِلى أرض الكفار إِذا خيف وقوعه بأيديهم

١٢٢٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى أَنْ يُسَافَرَ بِالْقُرْآنِ إِلَى أَرْضِ الْعَدُوِّ

1224 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood ons om de Qurʾān mee te nemen als we op reis gingen naar het land van de vijand.

Paardenwedrennen en trainen van paarden

المسابقة بين الخيل وتضميرها

١٢٢٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ سَابَقَ بَيْنَ الْخَيْلِ الَّتِي أُضْمِرَتْ مِنَ الْحَفْيَاءِ، وَأَمَدُهَا ثَنِيَّةُ الْوَدَاعِ، وَسَابَقَ بَيْنَ الْخَيْلِ الَّتِي لَمْ تُضْمَرْ مِنَ الثَّنيَّةِ إِلَى مَسْجِدِ بَنِي زُرَيْقٍ، وَأَنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ عُمَرَ كَانَ فِيمَنْ سَابَقَ بِهَا

1225 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet een wedloop plaatsvinden tussen de paarden die getraind waren (voor de race), vanaf al-Ḥafiyā’ en tot aan de eindstreep bij Thaniyyat al-Wadāʿ.Daarnaast liet hij ook ongetraind paarden racen, vanaf de Thaniyyah tot aan de moskee van Banū Zurayq. ʿAbdullāh ibn ʿUmar was een de deelnemers aan deze race.

[Voor de training van renpaarden wordt eerst veel voer gegeven om hun kracht te ontwikkelen. Daarna wordt het voer gecontroleerd verminderd. Vervolgens wordt het paard in een afgesloten ruimte geplaatst en wordt zijn lichaam met een deken bedekt. Hierdoor zweet het paard intens. Wanneer het zweet opdroogt, ontwikkelt het lichaam grote lenigheid en wendbaarheid. Op deze manier werden paarden getraind voor langeafstandsraces.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam persoonlijk deel aan races met paarden die volgens speciale methoden waren getraind, waarmee hij het toegestane en nuttige karakter van dergelijke wedstrijden aantoonde. Het organiseren van paardenraces is geen zinloze bezigheid; het dient om vaardigheid en succes in gevechten te bevorderen en om de paarden in tijden van nood effectief te kunnen inzetten.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde bovendien nadruk op het duidelijk aangeven van het beginen eindpunt van de race en op het gelijkwaardig zijn van de deelnemers.

Volgens `Aynī (overleden 855/1451) gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de paardenraces beloningen:

aan de winnaar drie kleren van Yemen-katoen,

aan de tweede twee kleren,

aan de derde één kleed,

aan de vierde één dīnār,

aan de vijfde één dirhem,

aan de zesde één zilverstuk.

Hij wenste ook dat de wedstrijden gezegend en gunstig zouden verlopen voor de deelnemers.

Volgens Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar (overleden 852/1447) zijn de geleerden het eens (ijmāʿ) dat wedstrijden zonder beloning toegestaan (jāʾiz) zijn.

Voor wedstrijden met beloning gelden echter drie voorwaarden om ze toegestaan te maken:

De beloning moet worden ingesteld door iemand die zelf niet aan de wedstrijd deelneemt.

Degene die de beloning instelt, mag zelf niet deelnemen aan de wedstrijd.

Het eigen paard van degene die de beloning instelt, mag niet meedoen.

Volgens de meerderheid van de geleerden is het ook toegestaan als een van de deelnemers zegt:"Als jij mij voorbijgaat, zal ik je belonen. Als ik jou voorbijga, neem ik niets van jou."Deze vorm van wedstrijd is toegestaan omdat de beloning op een rechtvaardige manier wordt vastgesteld en niet onrechtmatig is.

Een wedstrijd waarbij beide deelnemers een beloning inzetten en de winnaar deze ontvangt, wordt echter beschouwd als gokken (maysir). Dit komt doordat bij gokken het resultaat van de inzet volledig afhangt van winst of verlies, zonder een rechtmatige basis voor de beloning buiten de inzet van de deelnemers.] (HA)

Zegeningen blijven tot de Dag des Oordeels in het (pluk haar aan het) voorhoofd van paarden

الخيل في نواصيها الخير إِلى يوم القيامة

١٢٢٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الْخَيْلُ فِي نَوَاصِيهَا الْخَيْرُ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ

1226 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het goede zit in het (pluk haar aan het) voorhoofd van de paarden tot aan de Dag der Opstanding.”

[Door de eeuwen heen is het paard een symbool geweest van kracht, overwinning, elegantie en vrijheid. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beschreef het paard als een bron van goedheid en zegen, vanwege het belangrijke voordeel dat het bood tijdens oorlogen In de Qur’ān staat ook:وَأَعِدُّواْ لَهُم مَّا ٱسۡتَطَعۡتُم مِّن قُوَّةٖ وَمِن رِّبَاطِ ٱلۡخَيۡلِ تُرۡهِبُونَ بِهِۦ عَدُوَّ ٱللَّهِ وَعَدُوَّكُمۡ وَءَاخَرِينَ مِن دُونِهِمۡ لَا تَعۡلَمُونَهُمُ ٱللَّهُ يَعۡلَمُهُمۡۚ

En zet alles in wat jullie hebben aan machtsmiddelen, ook strijdrossen, om de vijand van Allāh en jullie vijand en de anderen bij hen angst aan te jagen, en ook anderen die jullie niet kennen (en) die Allāh wel kent… (surah al-Anfal, 8:60).

De goddelijke opdracht en de blijde tijding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om paarden voor de jihād te fokken, zijn redenen waarom moslims hun superioriteit en waardigheid behielden, dankzij het voordeel dat het paard hen bood tegen hun vijanden. Naarmate de vormen, middelen en methoden van oorlog veranderen, kan de nadruk die vroeger op het paard werd gelegd, worden vergeleken met de nadruk die tegenwoordig wordt gelegd op middelen die moslims superioriteit verschaffen, zoals wetenschap, technologie en media] (Diyanet)

١٢٢٧ - حديث عُرْوَةَ الْبَارِقِيّ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: الْخَيْلُ مَعْقُودٌ فِي نَوَاصِيهَا الْخَيْرُ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ، الأَجْرُ وَالْمَغْنَمُ1227 – Van ʿUrwah al-Bāriqī (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het (pluk haar aan het) voorhoofd van het paard is het goede vastgeknoopt tot aan de Dag der Opstanding beloning verbonden, en (in het wereldse leven voorspoed in de vorm van) oorlogsbuit.”

١٢٢٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الْبَرَكَةُ فِي نَوَاصِي الْخَيْلِ1228 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zegeningen (barakah) bevinden zich in het (pluk haar aan het) voorhoofd van de paarden.”

[De in bovenstaande aḥādīth genoemde paarden zijn degenen die zijn voorbereid voor de strijd op de weg van Allāh. Dit wijst op de zegeningen die verbonden zijn aan het voorbereiden op de jihād en aan de middelen die daarvoor nodig zijn.] (AFK)

De voortreffelijkheid van de jihād en het uittrekken op weg van Allahفضل الجهاد والخروج في سبيل الله

١٢٢٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: انْتَدَبَ اللهُ لِمَنْ خَرَجَ فِي سَبِيلِهِ، لاَ يُخْرِجُهُ إِلاَّ إِيمَانٌ بِي وَتَصْدِيقٌ بِرُسُلِي، أَنْ أَرْجِعَهُ، بِمَا نَالَ مِنْ أَجْرٍ أَوْ غَنِيمَةٍ، أَوْ أُدْخِلَه الْجَنَّةَ وَلَوْلاَ أَنْ أَشُقَّ عَلَى أُمَّتِي مَا قَعَدْتُ خَلْفَ سَرِيَّةٍ، وَلَوَدِدْت أَنِّي أُقْتَلُ فِي سَبِيلِ اللهِ، ثُمَّ أَحْيَا ثُمَّ أُقْتلُ، ثُمَّ أَحْيَا ثُمَّ أُقْتَلُ

1229 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor degene die uittrekt op de weg van Allāh heeft Allāh Zichzelf tot Garant gesteld. Niets brengt hem ertoe (zijn woonplaats) te verlaten behalve geloof in Mij en het bevestigen van Mijn boodschappers. Voor hem geldt dat Ik hem óf laat terugkeren met de beloning en/of oorlogsbuit die hij heeft verkregen, óf dat Ik hem het Paradijs doe binnengaan (als martelaar).”En hij (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als het mijn gemeenschap niet te zwaar zou vallen, dan zou ik bij geen enkele veldtocht (sariyyah) achterblijven.

Ik zou wensen dat ik op de weg van Allāh gedood word, vervolgens tot leven word gewekt, daarna opnieuw gedood word, dan weer tot leven word gewekt en opnieuw gedood word vanwege de hoge status, eer en waardigheid van een martelaar/shahīd)”.

١٢٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: تَكَفَّلَ اللهُ لِمَنْ جَاهَدَ فِي سَبِيلِهِ، لاَ يُخْرِجُهُ إِلاَّ الْجِهَادُ فِي سَبِيلِهِ، وَتَصْدِيقُ كَلِمَاتِهِ، بأَنْ يُدْخِلَهُ الْجَنَّةَ، أَوْ يَرْجعَهُ إِلَى مَسْكَنِهِ الَّذِي خَرَجَ مِنْهُ مَعَ أَجْرٍ أَوْ غَنِيمَةٍ1230 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor degene die strijdt op de weg van Allāh, gedreven uitsluitend door jihād op Zijn weg en door het bevestigen van Zijn woorden, heeft Allāh Zichzelf tot garant gesteld dat Hij hem óf (als martelaar) het Paradijs zal doen binnengaan, óf hem terug zal brengen naar zijn huis waaruit hij is vertrokken, met de beloning of oorlogsbuit die hij heeft verworven.”

١٢٣١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: كُلُّ كَلْمٍ يُكْلَمُهُ الْمُسْلِمُ فِي سَبِيلِ اللهِ يَكون يَوْمَ الْقِيَامَةِ كَهَيْئَتِهَا إِذْ طُعِنَتْ تَفَجَّرُ دَمًا، اللَّوْنُ لَوْنُ الدَّمِ وَالْعَرْفُ عَرْفُ الْمِسْكِ1231 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geen enkele verwonding die een moslim oploopt op de Weg van Allāh, of hij zal op de Dag der Opstanding verschijnen zoals zij was op het moment dat hij gewond raakte: het bloed heeft de kleur van bloed, maar de geur ervan is de geur van muskus.”

Voortreffelijkheid van het martelaarschap (shahādah) op weg van Allah

فضل الشهادة في سبيل الله تعالى

١٢٣٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَا أَحَدٌ يَدْخُلُ الْجَنَّةَ، يُحِبُّ أَنْ يَرْجِعَ إِلَى الدُّنْيَا، وَلَهُ مَا عَلَى الأَرْضِ مِنْ شَيْءٍ، إِلاَّ الشَّهِيدُ، يَتَمَنَّى أَنْ يَرْجِعَ إِلَى الدُّنْيَا فَيُقْتَلَ عَشْرَ مَرَّاتٍ، لِمَا يَرَى مِنَ الْكَرَامَةِ

1232 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geen van de bewoners van het Paradijs wenst terug te keren naar het wereldse leven, zelfs niet als hij alles zou krijgen wat zich op aarde bevindt, behalve de martelaar (shahīd). De martelaar ontvangt namelijk zo’n voortreffelijke ontvangst (bij Allāh), dat hij verlangend is om terug te keren naar het wereldse leven en tien keer opnieuw (omwille van Allāh) gedood te worden.”

[Deze ḥadīth is de meest verheven van de overleveringen die over de deugdzaamheid van het martelaarschap zijn overgeleverd. Want er is geen enkele goede daad waarbij de ziel zelf als tegenprestatie wordt aangeboden, behalve bij de jihād. En juist daarom is de beloning voor de jihād zo groot.] (HY)

١٢٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: دُلَّنِي عَلَى عَمَلٍ يَعْدِلُ الْجِهَادَ، قَالَ: لاَ أَجِدُهُ قَالَ: هَلْ تَسْتَطِيعُ، إِذَا خَرَجَ الْمُجَاهِدُ، أَنْ تَدْخُلَ مَسْجِدَكَ فَتَقُومَ وَلاَ تَفْتُرَ، وَتَصُومَ وَلاَ تُفْطِرَ قَالَ: وَمَنْ يَسْتَطِيعُ ذَلِكَ1233 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Wijs mij op een daad die gelijkwaardig is aan de jihād.”Hij antwoordde: “Ik vind niets dat ermee gelijk is.”Hij vroeg: “Ben jij in staat, wanneer de strijder (op weg van Allah) (mujāhid) is vertrokken, om in jouw moskee te blijven staan (in ṣalāh) zonder te verslappen, en te vasten zonder te verbreken?”Hij antwoordde: “Wie is daartoe in staat?”

De voortreffelijkheid van de vroege ochtenden namiddagtocht op weg van Allah

فضل الغدوة والروحة في سبيل الله

١٢٣٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَغَدْوَةٌ فِي سَبِيلِ اللهِ أَوْ رَوْحَة خَيْرٌ مِنَ الدُّنْيَا وَمَا فِيهَا

1234 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Een ochtend of avond (reizen) op weg van Allāh is voortreffelijker dan de wereld en alles wat zich daarin bevindt’.

١٢٣٥ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الرَّوْحَةُ وَالْغَدْوَةُ فِي سَبِيلِ اللهِ أَفْضَلُ مِنَ الدُّنْيَا وَمَا فِيهَا1235 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eén dag waken aan de grens op weg van Allāh is beter dan de wereld en alles wat zich daarin bevindt. ١٢٣٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَغَدْوَةٌ أَوْ رَوْحَةٌ فِي سَبِيلِ اللهِ خَيْرٌ مِمَّا تَطْلُعُ عَلَيْهِ الشَّمْسُ وَتَغْرُبُ1236 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: Een enkele ochtend of avond reizen op de weg van Allāh is beter dan al hetgeen waarover de zon opkomt en ondergaat.”

De voortreffelijkheid van de jihād en het ribāt (grenswacht)فضل الجهاد والرباط

١٢٣٧ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: قِيلَ يَا رَسُولَ اللهِ أَيُّ النَّاسِ أَفْضَلُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مُؤْمِنٌ يُجَاهِدُ فِي سَبِيلِ اللهِ بِنَفْسِهِ وَمَالِهِ قَالُوا: ثُمَّ مَنْ قَالَ: مُؤْمِنٌ فِي شِعْبٍ مِنَ الشِّعَابِ يَتَّقِي اللهَ وَيَدَعُ النَّاسَ مِنْ شَرِّهِ

1237 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Er werd gezegd: “O Rasûlullāh, wie zijn de beste onder de mensen?”Hij antwoordde: “Een gelovige die op weg van Allāh strijdt met zijn leven en zijn bezit.”Zij vroegen: “En daarna?”Hij antwoordde: “(De beste onder de mensen is) de gelovige die zich terugtrekt in een van de valleien, (uit vrees voor de fitnah onder de mensen;) hij vreest Allāh en doet niemand onrecht aan.”

[De gelijkenis van de strijder (mujâhid) op de weg van Allāh met iemand die vast of de ṣalāh verricht, is als volgt uiteengezet: “Zowel degene die vast als degene die ṣalāh verricht, bevinden zich in een toestand van zelfbeheersing. De vastende onthoudt zich van eten, drinken en seksuele omgang, en zijn hart houdt zich bezig met Allāh. De biddende verbreekt zijn betrokkenheid van de wereld en houdt zich bezig met Allahs Woord en met de aanbidding. Daarom verdienen zowel de vastende als de biddende voortdurend beloning. Zo verdient ook degene die strijdt (mujāhid), doordat hij zich losmaakt van vele wereldse zaken en de vijand tegemoet treedt, bij iedere daad en elke beweging beloning.](HY)

Uitleg dat wanneer twee mannen elkaar doden, beiden het paradijs binnengaan

بيان الرجلين يقتل أحدهما الآخر يدخلان الجنة

١٢٣٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: (يَضْحَكُ اللهُ إِلَى رَجُلَيْنِ يَقْتُلُ أَحَدُهُمَا الآخَرَ يَدْخُلاَنِ الْجَنَّةَ، يُقَاتِلُ هذَا فِي سَبِيلِ اللهِ فَيُقْتَلُ، ثُمَّ يَتُوبُ اللهُ عَلَى الْقَاتِلِ فَيُسْتَشْهَدُ)

1238 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh glimlacht naar twee mensen: de een doodt de ander, en beiden treden het Paradijs binnen. De een strijdt op weg van Allāh en wordt gedood. Daarna aanvaardt Allāh de tawbah van de doder, waarna ook hij martelaar wordt.”

[Deze ḥadīth vormt het bewijs dat iedere moslim die zijn leven opoffert op weg van Allāh, ongetwijfeld het Paradijs zal binnengaan. Volgens alle geleerden wordt met deze ḥadīth bedoeld dat de eerste moordenaar bij het doden van de moslim een ongelovige was. Daarnaast wordt in deze overlevering het kenmerk van yadhaku (lachen) van Allāhu تعالى vermeld. Dit behoort, net als andere Namen en Eigenschappen van Allāh, tot de categorie die zonder uitleg (taʾwīl), ontkenning (taʿṭīl), vervalsing (taḥrīf) of gelijkenis (tashbīh) geaccepteerd moet worden zoals ze zijn overgeleverd.Het is niet toegestaan te zeggen dat met het lachen van Allāh Zijn tevredenheid wordt bedoeld. Taḥrīf betekent letterlijk iets van zijn oorspronkelijke vorm afbrengen, het verdraaien of vervalsen. In taalgebruik verwijst het naar het veranderen/verdraaien van iets uit zijn ware betekenis.De term taḥrīf draagt een overdrijvende betekenis (mubālaghah). Bij het verdraaien van woorden (in de Qur’ān of ahadīth) betekent: het verschuiven van de betekenis van een woord van de meest voor de hand liggende betekenis naar een andere betekenis, waar de tekst slechts in zwakke mate op kan duiden. En dit mag alleen gedaan worden als er een duidelijke aanwijzing (qarīnah) is die die andere betekenis ondersteunt.Taʿṭīl daarentegen betekent ‘leeg laten’, ‘verwaarlozen’, ‘verlaten’ afkomstig van het woord ʿāṭil, dat onder andere in de uitspraak van Allāh voorkomt:

وَبِئۡرٖ مُّعَطَّلَةٖ وَقَصۡرٖ مَّشِيدٍ ٤٥

… En hoeveel verwaarloosde bronnen en hoge kastelen zijn er niet verlaten! (sūrah al-Ḥaj, 22:45)

In theologische zin verwijst taʿṭīl naar het ontkennen van de goddelijke eigenschappen, en het niet erkennen dat deze eigenschappen bestaan binnen het Wezen van Allāh.

Er zijn twee vormen van taʿṭīl:

De totale ontkenning van eigenschappen (taʿṭīl kullī) zoals de Jahmiyyah en de Muʿtazilah doen;

De gedeeltelijke ontkenning (taʿṭīl juzʾī) zoals sommige Ashʿarieten die slechts zeven eigenschappen accepteren en de rest verwerpen.

Het verschil tussen taʿṭīl en taḥrīf is dat:

Taʿṭīl de verwerping inhoudt van de ware betekenis die uit de Qurʾān en Sunnah blijkt.

Taḥrīf is het verdraaien van de teksten naar valse betekenissen waar zij oorspronkelijk geen aanwijzing voor bevatten.

De relatie tussen beide is er een van algemene en specifieke aard: taʿṭīl is breder dan taḥrīf.Elke vorm van taḥrīf bevat taʿṭīl, maar niet elke taʿṭīl impliceert taḥrīf.Dus wie een onjuiste betekenis accepteert en de correcte verwerpt, doet aan beide.Maar wie de eigenschappen uit de Qurʾān en Sunnah verwerpt, en beweert dat de uiterlijke betekenis niet bedoeld is, zonder daarvoor een andere betekenis vast te stellen, doet aan taʿṭīl zonder taḥrīf.Deze houding wordt door sommigen tafwīḍ genoemd (het overlaten van de betekenis aan Allāh).De Ahl as-Sunnah wa’Jamāʿah erkennen de eigenschappen van Allāh en aanvaarden ook hun betekenis, maar laten de precieze aard (kayfiyyah) ervan aan Allāh over.Tegen iemand die zegt: “Ik aanvaard de eigenschappen, maar hun betekenis laat ik aan Allāh over,” dan vragen wij: “Wat bedoel je met ‘betekenis’?

Bedoel je de inhoud (de linguïstische betekenis) of de aard (de manier waarop het is)?”Toen Imām Mālik werd gevraagd naar de istiwa (verhevenheid) van Allāh boven de Troon, antwoordde hij: “De istiwa is bekend, maar de wijze waarop het is, is ons onbekend.”Wat betreft de uitdrukking “zonder takyīf (hoe-bepaling) en zonder tamsīl (gelijkenis)” geldt het volgende:

Takyīf betekent: geloven of vragen naar hoe de Eigenschappen van Allāh zijn.

Tamsīl betekent: geloven dat Allāh's Eigenschappen lijken op die van de schepping.

Wanneer wordt gezegd “zonder takyīf”, betekent dit niet dat men ontkent dat de Eigenschappen een bepaalde aard (kayfiyyah) hebben, want alles wat bestaat, heeft noodzakelijkerwijs een aard. Het betekent eerder dat men erkent de aard ervan niet te kennen.

Want niemand weet hoe de Wezen en Eigenschappen van Allāh werkelijk zijn, behalve Hijzelf.Wat betreft de overlevering waarin staat: “Allāh... lacht”, accepteren de Ahl as-Sunnah wa’l-Jamāʿah deze als een Eigenschap van Allāh die Hem past zoals Hij Zelf bedoeld heeft, zonder deze gelijk te stellen aan menselijke eigenschappen. Zijn lachen is dus niet te vergelijken met dat van de schepping, die ontstaat uit lichtheid van vreugde of onbedwingbare vrolijkheid.Het is veeleer een eigenschap die voortkomt uit een reden die het vereist, en het vindt plaats met Zijn wil en wijsheid. Lachen bij een geschapen wezen is vaak een reactie op iets bijzonders of verbazingwekkends.

Zo is ook de situatie die in deze ḥadīth wordt beschreven.Dat een ongelovige in staat wordt gesteld om een moslim te doden, leidt er op het eerste gezicht toe dat Allāhu تعالى woedend is op deze ongelovige, hem zonder hulp laat, en hem zowel in het wereldse leven als in het Hiernamaals straft. Maar als Allāhu تعالى daarna die ongelovige genade en gunst schenkt, hem leidt tot de Islām en hem de eer verleent om op weg van Allāh te strijden tot hij als martelaar sterft en het Paradijs binnengaat, dan behoort dit werkelijk tot de meest verbazingwekkende zaken.Dit is een teken van de volmaaktheid van de barmhartigheid van Allāh, en van de omvang van Zijn gunsten en weldaden jegens Zijn dienaren. De moslim strijdt op weg van Allāh en wordt door een ongelovige gedood, zo verkrijgt hij de gunst van het martelaarschap. Vervolgens schenkt Allāhu تعالى ook degene die hem doodde Zijn genade, leidt hem tot de Islām en begunstigt hem eveneens met martelaarschap op de weg van Allāh. Zo treden beiden het Paradijs binnen.Wat betreft het interpreteren van het lachen van Allāh, zoals dat is overgeleverd, als Zijn tevredenheid of aanvaarding, of dat het slechts betekent dat er sprake is van een zaak die aanleiding geeft tot lachen, terwijl er in werkelijkheid geen sprake zou zijn van echt lachen: dat is het ontkennen van hetgeen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft bevestigd over zijn Rab. Aan zulke interpretaties wordt geen waarde gehecht.](HY)

De voortreffelijkheid van het helpen van degene die op de weg van Allah ten strijde trekt met een rijdier of anderszins, en het zorgen voor zijn gezin in zijn afwezigheid met goede dadenفضل إِعانة الغازي في سبيل الله بمركوب وغيره، وخلافته في أهله بخير

١٢٣٩ - حديث زَيْدِ بْنِ خَالِدٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ جَهَّزَ غَازِيًا فِي سَبِيلِ اللهِ فَقَدْ غَزَا، وَمَنْ خَلَفَ غَازِيًا فِي سَبِيلِ اللهِ بِخَيْرٍ فَقَدْ غَزَا

1239 – Van Zayd ibn Khālid (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wie een strijder uitrust op weg van Allāh, is alsof hij zelf ook heeft gestreden. En wie goed zorgt voor wat de strijder achterlaat (gezin en bezittingen) is alsof hij zelf ook heeft gestreden’.

[Uit deze ḥadīth leren we dat degene die een strijder ondersteunt die op veldtocht is gegaan op de weg van Allāh, of zich ontfermt over de achterblijvers van die strijder, deelt in de beloning van diens daden. Hieruit kan worden afgeleid dat het ondersteunen van alle inspanningen op de weg van Allāh, evenals het zorgen voor en helpen van degenen die zich op deze weg inzetten, onder hetzelfde oordeel kan vallen.] (AFK)

Het vervallen van de verplichting tot jihad voor degenen met een geldige verontschuldigingسقوط فرض الجهاد عن المعذورين

١٢٤٠ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ (لاَ يَسْتَوِي الْقَاعِدُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ) دَعَا رَسُولُ اللهِ ﷺ زَيْدًا فَجَاءَ بِكَتِفٍ فَكَتَبَهَا، وَشَكَا ابْنُ أُمِّ مَكْتُومٍ ضَرَارَتَهُ، فَنَزَلَتْ (لاَ يَسْتَوِي الْقَاعِدُونَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ غَيْرُ أُولِي الضَّرَرِ)

1240 – Van al-Barā’ (رضي الله عنه):Toen de āyah werd geopenbaard:لَّا يَسۡتَوِي ٱلۡقَٰعِدُونَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ غَيۡرُ أُوْلِي ٱلضَّرَرِ وَٱلۡمُجَٰهِدُونَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ بِأَمۡوَٰلِهِمۡ وَأَنفُسِهِمۡۚ فَضَّلَ ٱللَّهُ ٱلۡمُجَٰهِدِينَ بِأَمۡوَٰلِهِمۡ وَأَنفُسِهِمۡ عَلَى ٱلۡقَٰعِدِينَ دَرَجَةٗۚ وَكُلّٗا وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡحُسۡنَىٰۚ وَفَضَّلَ ٱللَّهُ ٱلۡمُجَٰهِدِينَ عَلَى ٱلۡقَٰعِدِينَ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٩٥

De (thuis)blijvers onder de gelovigen (m.b.t. de djihaad) – behalve degenen die daartoe niet in staat zijn – zijn niet gelijk aan degenen die met hun rijkdommen en hun levens hard streven en vechten voor de zaak van Allāh. Allāh heeft degenen die met hun rijkdommen en levens hard streven en vechten (volgens graad van intentie) bevoorrecht boven de (thuis)blijvers. En eenieder heeft Allāh het goede beloofd, maar Allāh heeft de strijders boven de (thuis)blijvers bevoorrecht met een geweldige beloning. (sûrah an-Nisā’ 4/95).

Daarop riep Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) Zayd, die kwam met een schouderblad (om te schrijven), waarna hij (deze āyah) opschreef. Vervolgens klaagde Ibn Umm Maktūm (رضي الله عنه) over zijn handicap (blindheid), waarna de aanvulling werd geopenbaard:

غَيۡرُ أُوْلِي ٱلضَّرَرِ behalve degenen die daartoe niet in staat zijn”.

De vastgestelde (of gegarandeerde) beloning van het Paradijs voor de martelaar

ثبوت الجنة للشهيد

١٢٤١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ رَجُلٌ لِلنَّبِيِّ ﷺ، يَوْمَ أُحُدٍ: أَرَأَيْتَ إِنْ قُتِلْتُ فَأَيْنَ أَنَا قَالَ: فِي الْجَنَّةِ فَأَلْقَى تَمَرَاتٍ فِي يَدِهِ، ثُمَّ قَاتَلَ حَتَّى قُتِلَ

1241 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Een man vroeg op de dag van Uḥud aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat denkt u: als ik gedood word, waar zal ik dan zijn?”Hij antwoordde: “In het Paradijs.”Daarop wierp hij de dadels die hij in zijn hand had weg en vocht hij totdat hij werd gedood (shahīd werd).

١٢٤٢ - حديث أَنَسِ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ أَقْوَامًا مِنْ بَنِي سُلَيْمٍ إِلَى بَنِي عَامِرٍ، فِي سَبْعِينَ فَلَمَّا قَدِمُوا، قَالَ لَهُمْ خَالِي: أَتَقَدَّمُكُمْ فَإِنْ أَمَّنُونِي حَتَّى أُبَلِّغَهُمْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَإِلاَّ كُنْتُمْ مِنِّي قَرِيبًا فَتَقَدَّمَ، فَأَمَّنُوهُ فَبَيْنَمَا يُحَدِّثُهُمْ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، إِذْ أَوْمَئُوا إِلَى رَجُلٍ مِنْهُمْ، فَطَعَنَهُ فَأَنْفَذَهُ، فَقَالَ: اللهُ أَكْبَرُ فُزْتُ وَرَبِّ الْكَعْبَةِ ثُمَّ مَالوا عَلَى بَقِيَّةِ أَصْحَابِهِ فَقَتَلُوهُمْ، إِلاَّ رَجُلٌ أَعْرَجُ صَعِدَ الْجَبَلَ قَالَ هَمَّامٌ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) فَأُرَاهُ آخَرَ مَعَهُ؛ فَأَخْبَرَ جِبْرِيلُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ النَّبِيَّ ﷺ أَنَّهُمْ قَدْ لَقُوا رَبَّهُمْ فَرَضِيَ عَنْهُمْ وَأَرْضَاهُمْ فَكُنَّا نَقْرَأُ أَنْ بَلِّغُوا قَوْمَنَا، أَنْ قَدْ لَقِينَا رَبَّنَا، فَرَضِيَ عَنَّا، وَأَرْضَانَا ثُمَّ نُسِخَ بَعْدُ فَدَعَا عَلَيْهِمْ أَرْبَعِينَ صَبَاحًا، عَلَى رِعْلٍ، وَذَكْوَانَ، وَبَنِي لِحْيَانَ، وَبَنِي عُصَيَّةَ الَّذِينَ عَصَوُا اللهَ وَرَسُولَهُ ﷺ1242 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond een groep van mensen van Banū Sulaym naar Banū ʿĀmir (om hen de Islām te onderwijzen), bestaande uit zeventig mannen van Banū Sulaym (allen ḥuffāẓ van de Qur’ān (zij die de hele Qur’ān uit het hoofd kennen) naar Banū ʿĀmir om hen de Islām te onderwijzen.

Toen zij (bij de Maûnah bron) aankwamen, zei mijn oom (Haram ibnu Milhân ) tegen hen: “Laat mij vooruitgaan (naar Banū Sulaym).

Als zij mij veiligheid bieden, zal ik hen namens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de boodschap overbrengen.

١٢٤٢ - حديث أَنَسِ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ أَقْوَامًا مِنْ بَنِي سُلَيْمٍ إِلَى بَنِي عَامِرٍ، فِي سَبْعِينَ فَلَمَّا قَدِمُوا، قَالَ لَهُمْ خَالِي: أَتَقَدَّمُكُمْ فَإِنْ أَمَّنُونِي حَتَّى أُبَلِّغَهُمْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَإِلاَّ كُنْتُمْ مِنِّي قَرِيبًا فَتَقَدَّمَ، فَأَمَّنُوهُ فَبَيْنَمَا يُحَدِّثُهُمْ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، إِذْ أَوْمَئُوا إِلَى رَجُلٍ مِنْهُمْ، فَطَعَنَهُ فَأَنْفَذَهُ، فَقَالَ: اللهُ أَكْبَرُ فُزْتُ وَرَبِّ الْكَعْبَةِ ثُمَّ مَالوا عَلَى بَقِيَّةِ أَصْحَابِهِ فَقَتَلُوهُمْ، إِلاَّ رَجُلٌ أَعْرَجُ صَعِدَ الْجَبَلَ قَالَ هَمَّامٌ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) فَأُرَاهُ آخَرَ مَعَهُ؛ فَأَخْبَرَ جِبْرِيلُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ النَّبِيَّ ﷺ أَنَّهُمْ قَدْ لَقُوا رَبَّهُمْ فَرَضِيَ عَنْهُمْ وَأَرْضَاهُمْ فَكُنَّا نَقْرَأُ أَنْ بَلِّغُوا قَوْمَنَا، أَنْ قَدْ لَقِينَا رَبَّنَا، فَرَضِيَ عَنَّا، وَأَرْضَانَا ثُمَّ نُسِخَ بَعْدُ فَدَعَا عَلَيْهِمْ أَرْبَعِينَ صَبَاحًا، عَلَى رِعْلٍ، وَذَكْوَانَ، وَبَنِي لِحْيَانَ، وَبَنِي عُصَيَّةَ الَّذِينَ عَصَوُا اللهَ وَرَسُولَهُ ﷺ1242 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond een groep van mensen van Banū Sulaym naar Banū ʿĀmir (om hen de Islām te onderwijzen), bestaande uit zeventig mannen van Banū Sulaym (allen ḥuffāẓ van de Qur’ān (zij die de hele Qur’ān uit het hoofd kennen) naar Banū ʿĀmir om hen de Islām te onderwijzen.

Toen zij (bij de Maûnah bron) aankwamen, zei mijn oom (Haram ibnu Milhân ) tegen hen: “Laat mij vooruitgaan (naar Banū Sulaym). Als zij mij veiligheid bieden, zal ik hen namens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de boodschap overbrengen. (En als zij verraad plegen,) zullen jullie toch dicht bij mij zijn.”Hij ging vooruit, en zij boden hem veiligheid.

١٢٤٢ - حديث أَنَسِ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ أَقْوَامًا مِنْ بَنِي سُلَيْمٍ إِلَى بَنِي عَامِرٍ، فِي سَبْعِينَ فَلَمَّا قَدِمُوا، قَالَ لَهُمْ خَالِي: أَتَقَدَّمُكُمْ فَإِنْ أَمَّنُونِي حَتَّى أُبَلِّغَهُمْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَإِلاَّ كُنْتُمْ مِنِّي قَرِيبًا فَتَقَدَّمَ، فَأَمَّنُوهُ فَبَيْنَمَا يُحَدِّثُهُمْ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، إِذْ أَوْمَئُوا إِلَى رَجُلٍ مِنْهُمْ، فَطَعَنَهُ فَأَنْفَذَهُ، فَقَالَ: اللهُ أَكْبَرُ فُزْتُ وَرَبِّ الْكَعْبَةِ ثُمَّ مَالوا عَلَى بَقِيَّةِ أَصْحَابِهِ فَقَتَلُوهُمْ، إِلاَّ رَجُلٌ أَعْرَجُ صَعِدَ الْجَبَلَ قَالَ هَمَّامٌ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) فَأُرَاهُ آخَرَ مَعَهُ؛ فَأَخْبَرَ جِبْرِيلُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ النَّبِيَّ ﷺ أَنَّهُمْ قَدْ لَقُوا رَبَّهُمْ فَرَضِيَ عَنْهُمْ وَأَرْضَاهُمْ فَكُنَّا نَقْرَأُ أَنْ بَلِّغُوا قَوْمَنَا، أَنْ قَدْ لَقِينَا رَبَّنَا، فَرَضِيَ عَنَّا، وَأَرْضَانَا ثُمَّ نُسِخَ بَعْدُ فَدَعَا عَلَيْهِمْ أَرْبَعِينَ صَبَاحًا، عَلَى رِعْلٍ، وَذَكْوَانَ، وَبَنِي لِحْيَانَ، وَبَنِي عُصَيَّةَ الَّذِينَ عَصَوُا اللهَ وَرَسُولَهُ ﷺ1242 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond een groep van mensen van Banū Sulaym naar Banū ʿĀmir (om hen de Islām te onderwijzen), bestaande uit zeventig mannen van Banū Sulaym (allen ḥuffāẓ van de Qur’ān (zij die de hele Qur’ān uit het hoofd kennen) naar Banū ʿĀmir om hen de Islām te onderwijzen.

Toen zij (bij de Maûnah bron) aankwamen, zei mijn oom (Haram ibnu Milhân ) tegen hen: “Laat mij vooruitgaan (naar Banū Sulaym). Als zij mij veiligheid bieden, zal ik hen namens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de boodschap overbrengen. (En als zij verraad plegen,) zullen jullie toch dicht bij mij zijn.”Hij ging vooruit, en zij boden hem veiligheid. Terwijl hij hen vertelde (wat hij van) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (had gehoord), gaven zij een teken aan een van hen (Âmir Ibn Tufayī), en die (mijn oom) neerstak en doorboorde (met zijn speer).Daarop zei (mijn oom): “Allāhu akbar, ik heb gewonnen, bij de Rab van de Kaʿbah!”Vervolgens stortten zij zich op de rest van (Rasulullahs) metgezellen en doodden hen allen, behalve een kreupele man (Ka’b ibnu Zayd) die de berg op vluchtte.Hammām (een van de overleveraars) zei: “Ik meen dat er nog een ander bij hem was.”Daarop maakte Djibrīl (عليه السلام) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bekend dat zij (de zeventig ḥuffāẓ als martelaren) hun Rab ontmoet hadden, en Hij was tevreden met hen en zij waren tevreden met Hem.Wij plachten te reciteren (Nederlandse betekenis):“Breng onze mensen de boodschap: wij hebben onze Rab ontmoet, en Hij is met ons tevreden en wij zijn met Hem tevreden.” Later werd deze āyah afgeschaft (naskh).Daarna vervloekte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) veertig ochtenden lang Riʿl, Dhakwān, Banū Lihyān en Banū ʿUṣayyah stammen, zij hadden gerebelleerd tegen Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم).

[Qunût betekent in wezen een smeekbede (du`ā’) die in de ṣalāh wordt verricht om Allāh te vragen voor bescherming tegen enig kwaad of vragen naar iets goeds. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft om verschillende redenen Qunût verricht. Het is bekend dat de Qunût wordt voorgedragen in tijden van algemene rampen zoals hongersnood, epidemieën en vijandelijke aanvallen. De Qunût die in deze overlevering genoemd wordt, heeft betrekking op de stammen waarbij ongeveer zeventig 'qurra' (Qur’ān recitatoren) metgezellen zijn gedood tijdens het verraad dat bekendstaat als Bi'r Ma`unah.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die eigenlijk niet vloekt of vervloekt en zijn gemeenschap ook aanspoort om dit te vermijden, zei toen hem werd gevraagd: “O Rasûlullāh, vervloek de polytheïsten!” Zei hij:”Ik ben niet gezonden als vervloeker, maar juist als genade (voor de hele schepping)”. Desondanks bleef an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet zwijgen tegenover dit verraad en deze onrecht (Muslim, Birr, 87)] (Diyanet)

Wie strijdt opdat het woord van Allāh het hoogste is, die strijdt op weg van Allāh

من قاتل لتكون كلمة الله هي العليا فهو فِي سبيل الله

١٢٤٣ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: الرَّجُلُ يُقَاتِلُ لِلْمَغْنَمِ، وَالرَّجُلُ يُقَاتِلُ لِلذِّكْرِ، وَالرَّجُلُ يُقَاتِلُ لِيُرَى مَكَانُهُ، فَمَنْ فِي سَبِيلِ اللهِ قَالَ: مَنْ قَاتَلَ لِتَكُونَ كَلِمَةُ اللهِ هِيَ الْعُلْيَا فَهُوَ فِي سَبِيلِ اللهِ

1243 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei:”Een man strijdt om buit, een ander om roem, en weer een ander om bekendheid. Wie strijdt dan op weg van Allāh?”Hij antwoordde: “Wie strijdt opdat het woord van Allāh (Lâilâha İllallâh Muḥammadur Rasûlullāh ) het hoogste zal zijn, hij is waarlijk op weg van Allāh.”

١٢٤٤ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا الْقِتَالُ فِي سَبِيلِ اللهِ فَإِنَّ أَحَدَنَا يُقَاتِلُ غَضَبًا، وَيُقَاتِلُ حَمِيَّةً فَرَفَعَ إِلَيْهِ رَأْسَهُ (قَالَ، وَمَا رَفَعَ إِلَيْهِ رَأْسَهُ إِلاَّ أَنَّهُ كَانَ قَائِمًا) فَقَالَ: مَنْ قَاتَلَ لِتَكُونَ كَلِمَةُ اللهِ هِيَ الْعُلْيَا فَهُوَ فِي سَبِيلِ اللهِ ﷿1244 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Een man vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, wat is strijden op weg van Allāh?Want sommigen van ons vechten uit woede of uit blinde trots.”Daarop richtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn hoofd omhoog en zei: “Wie strijdt zodat het woord van Allāh (Lâilâha İllallâh Muḥammadur Rasûlullāh) het hoogste wordt, hij is op weg van Allāh عَزَّ وَ جَلَّ (de Almachtige en Majesteitelijke).”

Zijn (صلى الله عليه وسلم) uitspraak: ‘De daden worden slechts beoordeeld naar de intenties’, en dat hieronder ook de gewapende strijd en andere daden vallen

قوله ﷺ إِنما الأعمال بالنية وأنه يدخل فيه الغزو وغيره من الأعمال

١٢٤٥ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: إِنَّمَا الأَعْمَالُ بِالنِّيَّةِ، وَإِنَّمَا لاِمْرِى مَا نَوَى، فَمَنْ كَانَتْ هِجْرَتُهُ إِلَى اللهِ وَرَسُولِهِ فَهِجْرَتهُ إِلَى اللهِ وَرَسُولِهِ؛ وَمَنْ كَانَتْ هِجْرَتُهُ إِلَى دُنْيَا يُصِيبُهَا، أَوِ امْرَأَةٍ يَتَزَوَّجُهَا، فَهِجْرَتُهُ إِلَى مَا هَاجَرَ إِلَيْهِ

1245 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Voorwaar, daden zijn (afhankelijk) van de intentie.En voorwaar, iedereen zal krijgen naar wat hij heeft bedoeld.Wie dus emigratie verricht voor Allāh en Zijn Rasûl, zijn emigratie is voor Allāh en Zijn Rasûl.En wie emigreert omwille van wereldse zaken of om een vrouw te huwen, zijn emigratie is naar datgene waarvoor hij emigreerde.”

[(Imām Bukhārī begint in zijn boek over het ‘Begin der Openbaring’ met deze ḥadīth, waarmee hij benadrukt dat bij elke handeling gelet moet worden op de niyyah (intentie) en dat alle inspanningen verricht moeten worden omwille van het welbehagen van Allāh. In de Islām is intentie van groot belang. De beloning voor de verrichte daden wordt namelijk bepaald door de intentie waarmee ze worden verricht.Bijvoorbeeld: wanneer iemand de ṣalāh verricht met de intentie om Allāh’s welbehagen te zoeken en Hem te aanbidden, dan is er sprake van een daad van aanbidding waarvoor beloning verwacht mag worden. Wordt echter enkel het lichaam bewogen zonder oprechte intentie, dan blijft het slechts een lichamelijke oefening.Op dezelfde manier: als iemand de Ḥaj verricht met de intentie om te reizen of te genieten, dan is het niet meer dan een reis. Maar als hij deze handeling verricht met de oprechte intentie om Allāh te gehoorzamen, dan wordt het een daad van aanbidding.

Ook wanneer iemand eet, en dit doet met de intentie om zijn lichaam te versterken om Allāh beter te kunnen aanbidden, dan ontvangt hij beloning voor zijn eetgedrag.Als de uiterlijke vorm van een handeling islamitisch is, maar de intentie niet, zal die handeling geen positieve waarde hebben. Omgekeerd geldt ook dat een handeling die er van buitenaf niet islamitisch uitziet, maar voortkomt uit een oprechte intentie, toch beoordeeld wordt op de uiterlijke vorm; mensen kunnen immers alleen oordelen op basis van wat zij zien, niet op basis van iemands innerlijke intentie.Dit geldt voor de oordelen van mensen onderling. Allāh daarentegen kijkt naar de intentie en oordeelt zoals Hij wil.Een persoon die de intentie heeft om iets goeds te doen, maar het uiteindelijk niet uitvoert, kan daarvoor toch beloond worden. Evenzo kan iemand die van plan was iets slechts te doen, maar dit uiteindelijk nalaat uit vrees voor Allāh, ook beloond worden.Hierover zegt de ḥadīth: “De daden worden slechts beoordeeld naar hun intenties, en iedere persoon krijgt hetgeen hij bedoelde.”.] (AFK)

[De lexicale betekenis van het woord niyyah (intentie) is het zich richten op iets, met ernst en vastberadenheid. Op basis hiervan zijn verschillende definities ontstaan. Met name de volgende omschrijving heeft brede bekendheid verworven:

“Niyyah is het richten van het hart op een handeling die men, direct of indirect, in overeenstemming acht met een bepaald doel; met andere woorden, een handeling waarvan men oordeelt dat zij voordeel zal opleveren of kwaad zal afwenden.”

Hoewel deze definitie meestal wordt toegeschreven aan de Qur’ān-exegeet Baydâwî, wijst het feit dat zij ook voorkomt in een werk van imâm al-Ghazâlî erop dat zij ouder is.

Van de definities die aan niyyah als religieuze term worden gegeven, is de meest gangbare opnieuw die van Baydâwî:

“Niyyah is de wil die zich, met het verlangen naar het welbehagen van Allāh en door zich aan Zijn oordeel te onderwerpen, op een handeling richt.”

Sommigen hebben het ook omschreven als: “de wil om iets te doen, direct voorafgaand aan het verrichten ervan.”

Hoewel duidelijk is dat het woord niyyah in de openbaringsteksten, afhankelijk van de context, zowel in ruime als in beperkte zin wordt gebruikt, is er discussie over de vraag of de Islām hieraan, naast de lexicale betekenis, ook een specifieke sharʿī-inhoud heeft toegekend.

In de Edele Qur’ān komt het woord niyyah niet voor, noch andere woorden die van dezelfde wortel zijn afgeleid, met uitzondering van nawâ in de betekenis van “pit” of “zaadkern” (al-Anʿām 6:95). In de ahadith daarentegen wordt niyyah en de daarvan afgeleide vormen wel veelvuldig aangetroffen.

Islamitische geleerden hebben benadrukt dat er tussen niyyah en ʿamal (daad) een verhouding bestaat zoals tussen ziel en lichaam. Zij wezen erop dat de niyyah het geheim van de dienaarschap is: de kern, de ziel en de steunpilaar van de daad. Daarom heeft de niyyah groot gewicht, zowel bij de beoordeling of daden bij Allāh waardevol of waardeloos zijn, als bij het bepalen van hun wereldlijke gevolgen.

In werken waarin dit onderwerp afzonderlijk wordt behandeld, worden vele verzen aangehaald die erop wijzen dat de niyyah van groot belang is en het fundamentele criterium vormt bij de beoordeling van daden. Het meest benadrukte specifieke bewijs hiervoor is echter de uitspraak van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Daden worden slechts beoordeeld naar de intenties.”

Om het belang van niyyah te benadrukken, wordt vaak de ḥadīth aangehaald die betekent: “De intentie van de gelovige is beter dan zijn daad.” Over de interpretatie van deze ḥadīth bestaan verschillende opvattingen. Daarbij is benadrukt dat zij niet zo mag worden opgevat dat zuiverheid van het hart op zichzelf voldoende is, of dat, zolang de intentie juist is, lichamelijke aanbidding niet meer nodig zou zijn.

Imâm al-Ghazâlî geeft enkele verklaringen over deze ḥadīth, waarmee hij instemt, en legt vervolgens uit dat de werkelijk bedoelde betekenis is: zowel niyyah als ʿamal behoren tot wat Allāh van de dienaar verlangt (daden van gehoorzaamheid), en beide dragen bij aan het beoogde doel en hebben invloed daarop; maar de invloed van de niyyah is groter dan die van de daad.

Met andere woorden: zowel niyyah als ʿamal zijn essentieel voor de dienaarschap van de gelovige aan Allāh en vereisen een bewuste keuze van de dienaar; de niyyah weegt echter zwaarder dan de fysieke daad zelf.

In dit verband wijzen sommige geleerden, om het belang van niyyah te benadrukken, op de vraag waarom de verblijfsduur van de gelovige in het Paradijs en van de ongelovige in de Hel niet overeenkomt met de duur van hun daden in deze wereld, maar dat zij daar eeuwig worden beloond of gestraft. Zij verklaren dit door te benadrukken dat de niyyah en de vastberadenheid in gehoorzaamheid respectievelijk in ongeloof voortduren, waardoor de waarde en het effect van daden verder reiken dan de tijdelijke uitvoering ervan in deze wereld.] (İBRAHİM KÂFİ DÖNMEZ, TDV Ansiklopedisi)

De voortreffelijkheid van de strijd op zee

ل الغزو في البحر

ل الغزو في البحر

١٢٤٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدْخُلُ عَلَى أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ فَتُطْعِمُهُ، وَكَانَتْ أُمُّ حَرَامٍ تَحْتَ عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ، فَدَخَلَ عَلَيْهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَأَطْعَمَتْهُ، وَجَعَلَتْ تَفْلِي رَأْسَهُ، فَنَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ اسْتَيْقَظَ وَهُوَ يَضْحَكُ قَالَتْ: فَقُلْتُ وَمَا يُضْحِكُكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: نَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ غُزَاةً فِي سَبِيلِ اللهِ يَرْكَبُونَ ثَبَجَ هذَا الْبَحْرِ، مُلُوكًا عَلَى الأَسِرَّةِ أَوْ مِثْلَ الْمُلُوكِ عَلَى الأَسِرَّةِ قَالَتْ فَقُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ ادْعُ اللهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ ثُمَّ وَضَعَ رَأْسَهُ، ثُمَّ اسْتَيْقَظَ وَهُوَ يَضْحَكُ فَقُلْتُ وَمَا يُضْحِكُكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: نَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ غَزَاةً فِي سَبِيلِ اللهِ كَمَا قَالَ فِي الأَوَّلِ قَالَتْ: فَقُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ ادْعُ اللهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ، قَالَ: أَنْتِ مِنَ الأَوَّلِينَ فَرَكِبَتِ الْبَحْرَ، فِي زَمَانِ مُعَاوِيَةَ بْنِ أَبِي سُفْيَانَ، فَصُرِعتْ عَنْ دَابَّتِهَا، حِينَ خَرَجَتْ مِنَ الْبَحْرِ، فَهَلَكَتْ

1246 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) placht het huis van (mijn tante) Umm Ḥarām bint Milḥān, te bezoeken en zij bood hem te eten aan.

Umm Ḥarām was getrouwd met ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit.Op een dag kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar opzoeken.

Zij bood hem eten aan en kamde zijn haren. Daarna ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een dutje doen. Toen hij wakker werd, lachte hij.Zij vroeg: “Wat doet u lachen, o Rasûlullāh ?”Hij antwoordde: “Een groep van mijn gemeenschap werd mij getoond: strijdend op weg van Allāh, varend over de zee, als koningen op troonbedden, of als koningen die op troonbedden gelijkend zijn.”Zij zei: “O Rasûlullāh, smeek Allāh dat Hij mij onder hen maakt.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte smeekbede (du`ā’) voor haar.Daarna legde hij zijn hoofd opnieuw neer, en toen hij weer wakker werd, lachte hij opnieuw.Zij vroeg: “Wat doet u lachen, o Rasûlullāh ?”Hij zei: “Een groep van mijn gemeenschap werd mij getoond: strijdend op weg van Allāh (op land).”Zij zei: “O Rasûlullāh, smeek Allāh dat Hij mij onder hen maakt.”Hij zei: “Jij behoort tot de eersten (zeetocht).”Inderdaad, zij voer mee op zee in de tijd van Muʿāwiyah ibn Abī Sufyān (gouverneur van Shām). Toen zij van zee aan land kwam, viel zij van haar rijdier en overleed.

[(Ummu Ḥarām (رضي الله عنها) woonde in Qubā’. Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Qubā’ ging, placht hij bij haar langs te gaan en in haar huis te rusten. Ummu Ḥarām was de zus van Ummu Sulaym (رضي الله عنها), de moeder van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه). Er is vermeld dat Ummu Ḥarām een maḥram was van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (een naaste verwant met wie hij niet mocht trouwen).

Volgens Imām an-Nawawī is er consensus over het feit dat zij een maḥram van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was.Over hoe zij een maḥram was, bestaan echter verschillende meningen:– Volgens sommigen was zij zijn zoogzuster,– Anderen zeggen dat zij de tante was van zijn vader,– En weer anderen stellen dat zij de tante van zijn grootvader was.Want de moeder van zijn grootvader ʿAbd al-Muṭṭalib was afkomstig uit Madīnah en behoorde tot de stam van de Banū an-Najjār, hetzelfde geslacht als Ummu Ḥarām]

Uitleg over de martelaren (shuhadā’)

بيان الشهداء

١٢٤٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: بَيْنَمَا رَجُلٌ يَمْشِي بِطَرِيقٍ وَجَدَ غُصْنَ شَوْكٍ عَلَى الطَّرِيقِ، فَأَخَّرَهُ فَشَكَرَ اللهُ لَهُ، فَغَفَرَ لَهُ

ثُمَّ قَالَ: الشُّهَدَاءُ خَمْسَةٌ: الْمَطْعُونُ وَالْمَبْطُونُ وَالْغَرِيقُ وَصَاحِبُ الْهَدْمِ وَالشَّهِيدُ فِي سَبِيلِ اللهِ

1247– Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl een man over een weg liep, vond hij een doornige tak op de weg, en verwijderde deze. Allāh was tevreden over zijn daad en vergaf hem.”Vervolgens zei hij: “De martelaren (shuhadā’) zijn vijf categorieën:Degene die sterft aan de pest (ṭāʿūn),Degene die overlijdt aan een ziekte van de maag of darmen,Degene die verdrinkt,Degene die sterft onder een ingestort gebouw,En degene die als martelaar sterft op weg van Allāh.

١٢٤٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الطَّاعُونُ شَهَادَةٌ لِكُلِّ مُسْلِمٍ1248 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De pest is een vorm van martelaarschap voor iedere moslim.”

Zijn (صلى الله عليه وسلم) uitspraak: ‘Er zal altijd een groep uit mijn gemeenschap zijn die standvastig is op de waarheid; zij zullen geen schade ondervinden van wie hen tegenwerktقوله ﷺ لا تزال طائفة من أمتي ظاهرين على الحق لا يضرهم من خالفهم١٢٤٩ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَزَالُ نَاسٌ مِنْ أُمَّتِي ظَاهِرِينَ حَتَّى يَأْتِيَهُمْ أَمْرُ اللهِ وَهُمْ ظَاهِرُونَ1249 – Van al-Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal altijd een groep binnen mijn ummah (gemeenschap) zijn die overhand heeft over de mensen. Deze situatie zal voortduren zolang zij de overhand behouden, totdat het bevel van Allah komt.”

١٢٥٠ - حديث مُعَاوِيَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يَزَالُ مِنْ أُمَّتِي أُمَّةٌ قَائِمَةٌ بِأَمْرِ اللهِ لاَ يَضُرُّهُمْ مَنْ خَذَلَهُمْ وَلاَ مَنْ خَالَفَهُمْ حَتَّى يَأْتِيَهُمْ أَمْرُ اللهِ وَهُمْ عَلَى ذلِكَ1250 – Van Muʿāwiyah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zal altijd een groep van mijn gemeenschap blijven die zich houdt aan Allāhs bevel. Deze groep zal standhouden op de godsdienst van Allāh (Islām). Zij zullen niet worden geschaad door degenen die hen in de steek laat, noch door degenen die hen tegenwerken, totdat het bevel van Allāh komt en zij in die toestand verkeren.”

Reizen is een deel van het lijden, en het is aanbevolen dat de reiziger zich haast om naar zijn familie terug te keren zodra hij zijn bezigheden heeft afgerondالسفر قطعة من العذاب واستحباب تعجيل المسافر إِلى أهله بعد قضاء شغله

١٢٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: السَّفَرُ قِطْعَةٌ مِنَ الْعَذَابِ، يَمْنَعُ أَحَدَكُمْ طَعَامَهُ وَشَرَابَهُ وَنَوْمَهُ، فَإِذَا قَضى نَهْمَتَهُ فَلْيُعَجِّلْ إِلَى أَهْلِهِ

1251 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De reis is een deel van de beproeving: het onthoudt iemand van jullie van zijn eten, drinken en slaap. Wanneer iemand (van jullie reist) en zijn zaken heeft vervuld, laat hem zich dan haasten om terug te keren naar zijn familie.”

Het is afkeurenswaardig om ’s nachts thuis te komen voor degene die terugkeert van een reis

كراهة الطروق وهو الدخول ليلًا لمن ورد من سفر

١٢٥٢ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ لاَ يَطْرُقُ أَهْلَهُ، كَانَ لاَ يَدْخلُ إِلاَّ غُدْوَةً أَوْ عَشِيَّةً

1252 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) placht zijn gezin niet onverwacht in de nacht op te zoeken;hij ging alleen rond het miderochtenduurof of in de vooravond (al-`ishā’) naar binnen.

١٢٥٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَفَلْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ مِنْ غَزْوَةٍ، فَلَمَّا ذَهَبْنَا لِنَدْخُلَ قَالَ: أَمْهِلُوا حَتَّى تَدْخُلُوا لَيْلًا (أَيْ عِشَاءً) لِكَيْ تَمْتَشِطَ الشَّعِثَةُ، وَتَسْتَحِدَّ الْمُغِيبَةُ1253 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Wij keerden samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terug van een veldtocht.Toen wij naderden om naar huis terug te keren, zei hij: “Wacht nog even tot jullie in de avond (`ishā’) binnengaan, zodat de vrouw met ongekamd haar zich kan kammen en de afwezige zich kan verzorgen.”

[Hiermee wordt bedoeld dat een persoon zijn gezin niet onverwacht, zonder aankondiging en zonder voorbereiding mag overvallen, omdat dit onrust kan veroorzaken. Het verbod dat in de ḥadīth wordt genoemd, duidt niet per se op een strikt verbod (ḥarām), maar volgens een andere overlevering van Bukhārī liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weten dat hij deze manier van thuiskomen afkeurenswaardig (makrūh) vond.In een andere ḥadīth op dezelfde plek staat: “Wanneer de afwezigheid van de man lang heeft geduurd…” Daaruit blijkt dat het, vanuit normen van beleefdheid en menselijke psychologie, niet passend is voor iemand die lange tijd van zijn gezin gescheiden is geweest om plotseling ’s nachts binnen te vallen zonder aankondiging. Als zijn komst echter al bekend is of van tevoren is aangekondigd, en het gezin hem verwacht, dan is daar niets mis mee.](AFK)