As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb al-Jihād: Het boek van de strijd

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb al-Jihād: Het boek van de strijd

[Jihâd is etymologisch afgeleid van de wortel jahd, wat “inspanning leveren”, “kracht inzetten”, of “zich extra inspannen” betekent.

In terminologische zin verwijst jihâd naar het inzetten van al je krachten, lichamelijk, financieel, intellectueel en met woorden, voor de zaak van Allāh. Het omvat werken, zich inspannen en strijden voor het goede, evenals het beschermen en verspreiden van de Islām. Met andere woorden: jihâd is het inzetten van alles wat Allāh aan Zijn dienaren heeft gegeven, omwille van Hem, en zich daarvoor opofferen.

Het houdt in de strijd aangaan tegen de vijanden van de waarheid door al je middelen, zowel materieel als spirituee, voor Allāh te gebruiken.

Het doel van de Islām is het herstellen van de menselijke samenleving, het bevorderen van vrede en het beschermen van de rechten en vrijheden van mensen. Een staat van oorlog is gerechtvaardigd onder de volgende omstandigheden:

Legitieme zelfverdediging, dat wil zeggen:

Directe of indirecte aanvallen op moslims die het bestaan en de onafhankelijkheid van de islamitische gemeenschap bedreigen.

Aanslagen op het land, bezit of personen van moslims, die proberen het islamitische geloof te ondermijnen.

Slechte intenties jegens moslims die een daadwerkelijke bedreiging vormen en de verspreiding van de Islām en de da‘wah belemmeren.

Het voortzetten van een oorlog met als doel het handhaven van orde en vrede, wanneer een reeds bestaande oorlog is onderbroken of een gemaakte vrede door de vijand is geschonden.

Wanneer een kleine, onderdrukte groep moslims in een gemeenschap lijdt onder onrecht van hun niet-moslimse staat en om hulp vraagt aan een islamitische staat, is het toegestaan hen bij te staan.

Volgens de meerderheid van de fuqahāʾ, waaronder Hanafī, Hanbalī en Mālikī juristen, is de reden voor oorlog het aanvallen en bestrijden van de vijand tegen de Islām en de moslims. De Shāfi‘ī-geleerden beschouwen het ongeloof (kufr) zelf als de oorzaak van oorlog.

Het meervoud “Siyar” is afgeleid van het Arabische woord “Sīra” en wordt gebruikt om het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) te beschrijven. In de loop van de tijd omvatten werken over zijn leven ook zijn nageslacht, geboorte, kindertijd, jeugd, profeetschap, gebeurtenissen in Makkah en Madīnah, en de veldslagen waaraan hij deelnam.

Dergelijke boeken worden “Siyar-i Nabî”, “es-Siratu’n-Nabaviyyah” of kortweg “Siyar” genoemd, omdat zij het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) van geboorte tot overlijden vastleggen.

Siyar staat zowel in verband met ḥadīth als met islamitische geschiedenis.

Het behandelt de woorden en daden van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), wat essentieel is voor de kennis van de ḥadīth-wetenschap, en door de gedetailleerde beschrijving van zijn leven vormt het ook een belangrijk onderdeel van de islamitische geschiedenis.

De meerderheid van de islamitische geleerden behandelt in Siyar de islamitische geschiedenis als geheel, en beschrijven gebeurtenissen die verband houden met de Islām vanaf vóór het leven van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) tot hun eigen tijd.] (HA)

Het is toegestaan om een aanval uit te voeren op de ongelovigen tot wie de oproep van de Islām is gekomen, zonder dat voorafgaand bericht van de aanval wordt gegeven.

جواز الإغارة على الكفار الذين بلغتهم دعوة الإسلام من غير تقدم الإعلام بالإغارة[De veldtochten waarbij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) persoonlijk het leger aanvoerde, worden “ghazwah” genoemd. Wanneer deze veldtochten echter geleid werden door bevelhebbers die door hem waren aangesteld, dan worden ze “sariyyah” genoemd. In sommige handgeschreven bronnen worden echter bepaalde expedities waarbij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet persoonlijk aanwezig was, zoals de sariyyah van Dhū’l-Khalṣah en de sariyyah van Sīf al-Baḥr, eveneens aangeduid als ghazwah. Dit komt doordat men bij deze naamgeving uitging van de lexicale betekenis van het woord ghazwah, namelijk ‘het uittrekken tegen de vijand’.Wat de moslims verlangden, was niet meer dan een plaats waar zij hun geloof vrij konden belijden, zonder angst of onderdrukking. Omwille van dit verheven doel verlieten zij hun huizen en bezittingen en lieten zij alles achter. Toch weigerden de Qurayshieten hun zelfs in Madīnah rust en veiligheid te gunnen: zij stuurden oproerkraaiers, organiseerden militaire expedities tegen hen, plunderden hun vee en verwoestten hun oogsten.

Daarom werd het noodzakelijk dat de moslims een doeltreffende inlichtingenen observatiestructuur opzetten, waarmee zij de vijandelijke activiteiten voortdurend konden volgen. Met dit doel voerde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een patrouillesysteem in, bestaande uit sariyyāt en ghazwāt.

Negentien van deze sariyyāt bestonden uit twintig man of minder en hadden doorgaans als opdracht het verzamelen van informatie over een specifiek aangewezen kwestie.

Twaalf sariyyāt telden tussen de twintig en zestig man. Naast verkenningswerk verrichtten zij ook diverse andere taken, zoals het voorkomen van plundering, diefstal en bloedvergieten, en het handhaven van vrede en orde.

De derde categorie sariyyāt bestond uit gevechtseenheden van zestig tot tweehonderd man. Zij werden uitgezonden om de eenheden van de Quraysh en hun bondgenoten, die zich met onruststokende bedoelingen in de omgeving van Madīnah ophielden, in bedwang te houden.

De vierde categorie sariyyāt omvatte eenheden van tweehonderd tot vijfhonderd man. Hun opdracht was het, indien nodig met geweld, onderdrukken van de vijandige activiteiten van de Quraysh en hun bondgenoten tegen Madīnah.

Aan de eerste drie categorieën sariyyāt werd opgedragen gevechten zoveel mogelijk te vermijden, terwijl de vierde categorie een daadwerkelijke strijdmacht vormde.

In de praktijk kwam het slechts zelden tot echte gevechten met de vijand.

Vaak sloeg de vijand op de vlucht en keerden de moslims terug zonder dat er was gevochten.Van de in totaal vierentwintig veldtochten eindigden er zeven in een beperkt gevecht, waarbij de vijand volledig werd verslagen. In twee sariyyāt, bestaande uit respectievelijk vijftig en vijftien man, werden alle strijders martelaar, met uitzondering van de gewonde leider van de eerste sariyyah. In de overige vijftien sariyyāt verrasten de moslims de vijand door hun plotselinge verschijning, waarna deze vluchtte zonder dat het tot een gevecht kwam.

De eerste sariyyah werd onder leiding van Ḥamzah (رضي الله عنه) in de maand Ramaḍān van het eerste jaar na de Hijrah uitgezonden naar de kustgebieden. De laatste sariyyah werd aan het einde van het negende jaar na de Hijrah onder bevel van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) naar Jemen gezonden.

De groeiende kracht van de moslims in Madīnah werd door de leiders van de polytheisten opgevat als een bedreiging voor hun prestige als hoeders van de Kaʿbah, evenals voor hun sociale en economische machtspositie.

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was zich volledig bewust van de gevaren die de moslims van alle kanten omringden, en in het bijzonder van de dreiging die uitging van de Quraysh. Hij begreep hoe essentieel het was om de veiligheid te waarborgen en richtte daarom een doeltreffend patrouillesysteem in, waardoor hij voortdurend inzicht had in de kracht, plannen en bewegingen van de vijand. Op basis van deze informatie ondernam hij, wanneer dat noodzakelijk was, zonder aarzeling verdedigende militaire maatregelen.

Zodra er vijandelijke activiteiten in de omgeving van Madīnah werden waargenomen, greep hij direct in om escalatie te voorkomen. Dit deed hij soms persoonlijk als opperbevelhebber, en soms door een bevelhebber uit de metgezellen aan te stellen om een legereenheid aan te voeren en de vijand tegemoet te treden. Ook vóór de Slag bij Badr vonden dergelijke expedities plaats, nadat berichten waren binnengekomen over vijandige activiteiten van de Quraysh.

Van de negen veldtochten in die periode leidde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) er vier zelf, terwijl vijf onder bevel stonden van metgezellen; bij geen van deze veldtochten kwam het echter tot een gevecht.] (AFK)

١١٢٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَغَارَ عَلَى بَنِي الْمُصْطَلِقِ وَهُمْ غَارُّونَ، وَأَنْعَامُهُمْ تُسْقَى عَلَى الْمَاءِ، فَقَتَلَ مُقَاتِلَتَهُمْ، وَسَبَى ذَرَارِيَّهُمْ، وَأَصَابَ يَوْمَئِذٍ جُوَيْرِيَةَ وَكَانَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ فِي ذَلِكَ الْجَيْشِ1129. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) viel Banū al-Muṣṭaliq aan op een moment dat zij onvoorbereid waren, terwijl hun vee bij de waterplaats stond te drinken. Hij doodde hun strijders en nam hun vrouwen en kinderen gevangen. Op die dag verkreeg hij Juwayriyyah, de dochter van het stamhoofd, als krijgsgevangene.Nāfiʿ zei: ʿAbdullāh ibn ʿUmar bevond zich in dat leger en heeft ons hierover bericht.

Over het bevel om te vergemakkelijken en het ontmoedigen achterwege te laten في الأمر بالتيسير وترك التنفير

١١٣٠ - حديث أَبِي مُوسى وَمُعَاذٍ عَنْ سَعِيدِ بْنِ أَبِي بُرْدَةَ عَنْ أَبِيهِ، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ جَدَّهُ أَبَا موسى وَمُعَاذًا إِلَى الْيَمَنِ، فَقَالَ: يَسِّرَا وَلاَ تُعَسِّرَا، وَبَشِّرَا وَلاَ تُنَفِّرَا، وَتَطَاوَعَا

1130.

Van Abū Mūsā (al-Ashʿarī), en Muʿādz (ibn Jabal) en Saʿīd ibn Abī Burdah, op gezag van zijn vader (رضي الله عنهم):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond (Saʿīds) grootvader, Abū Mūsā (al-Ashʿarī), en Muʿādz (ibn Jabal) naar Yemen. Hij zei tegen hen beiden: “Maak het (de mensen) gemakkelijk en maak het niet moeilijk. Geef blijde tijdingen en en breng geen haat teweeg. Werk gecoördineerd samen.”

١١٣١ - حديث أَنَسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: يَسِّرُوا وَلاَ تعَسِّرُوا، وَبَشِّرُوا وَلاَ تُنَفِّرُوا1131. Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maak het voor (de mensen) gemakkelijk en maak het niet moeilijk. Breng blijde tijdingen en breng geen haat teweeg.”[Wat hier wordt bedoeld, is dat men bij het uitnodigen tot de Islām zachtmoedig te werk moet gaan wanneer iemand belangstelling toont. Men mag in het begin niet dwingend zeggen: “dit hoort ook bij de Islām,” maar moet de boodschap geleidelijk brengen.

Evenzo geldt dat waarschuwingen tegen zonden op een liefdevolle en meelevende manier moeten worden gegeven, zodat ze geaccepteerd worden. Kennis moet stap voor stap en op een tempo dat men rustig kan verwerken, worden overgedragen.

Wanneer het begin gemakkelijk wordt gemaakt, zal men van de kennis gaan houden.] (HY)

Het verbod op bedrog / verraad

تحريم الغدر

١١٣٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الْغَادِرَ يُنْصَبُ لَهُ لِوَاءٌ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَيُقَالُ: هذِهِ غَدْرَةُ فُلاَنِ بْنِ فُلاَنٍ

1132. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor degene die zijn belofte verbreekt, zal op de Dag der Opstanding een vaandel worden gehesen (met de tekst): ‘Dit is de bekendmaking van die-en-die, zoon van die-en-die, die zijn woord niet was nagekomen.”[Overeenkomsten en contracten die we met mensen aangaan via documenten zijn transacties die voortkomen uit het samenleven, zoals koop en verkoop, het maken van schulden, huur, partnerschappen of giften. Ook verdragen met andere volkeren vallen onder deze categorie. Overeenkomsten en contracten hebben een bindend karakter.Wie zich niet aan zijn belofte houdt zonder zich bewust te zijn van de grote verantwoordelijkheid die dit met zich meebrengt, wordt eerst in deze wereld ter verantwoording geroepen door de wet. Aangezien alle overeenkomsten in naam van Allāh worden aangegaan, zullen degenen die zich er niet aan houden ook in het Hiernamaals gestraft worden, omdat ze hun belofte tegenover Allāh hebben gebroken, en de rechten van andere mensen hebben geschonden.Waarachtigheid en trouw aan het woord zijn een vereiste van het geloof. Leugenachtigheid en het niet nakomen van beloften staan haaks op het geloof, want Allāhu تعالى heeft de mens vrij van dergelijke afwijkingen geschapen.De gave van spraak is uitsluitend aan de mens gegeven. Daarom is het zijn plicht om de waarheid te spreken. Daarom is de mens verplicht om de waarheden te spreken. Als iemand in plaats van waarheden onarheden vertelt, verraadt deze bijzondere gave, vervreemdt van zijn mens-zijn en benadert de eigenschap van de satan. Het niet nakomen van beloften en het verbreken van overeenkomsten is in feite hetzelfde als liegen. Hoe meer de mens zich verwijdert van de waarachtigheid die zijn natuur siert, des te meer verliest hij van zijn geloof. Daarom moet men uiterst zorgvuldig omgaan met het nakomen van beloften, overeenkomsten en contracten.Een munāfiq (hypocriet) is iemand die het tegenovergestelde toont van wat hij in zijn hart verbergt.

In de Islām verwijst deze term naar personen die beweren moslim te zijn, terwijl ze in werkelijkheid het geloof niet hebben aanvaard en hun ongeloof verbergen.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de munāfiq als een “manke schaap dat heen en weer rent tussen twee kuddes: soms sluit het zich bij de ene aan, dan weer bij de andere.” Met andere woorden, een munāfiq is als een schaap dat niet weet van welke kudde het nakomelingen wil. Het bevindt zich het ene moment onder de moslims alsof het er één van is, en het andere moment mengt het zich onder de ongelovigen en doet alsof het bij hen hoort.Deze beeldspraak van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) toont dat de munāfiq een zielige gevangene is van zijn eigen verlangens en begeerten.In een andere overlevering zegt Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Al vast hij, al verricht hij ṣalāh, al beweert hij dat moslim te zijn, hij blijft een munāfiq.” Hiermee wordt benadrukt dat men zich niet door uiterlijke schijn moet laten misleiden.In de overleveringen worden vier karakteristieke eigenschappen van een munāfiq genoemd.:

Liegen

Zijn woord niet nakomen (oftewel: beloften breken)

Ontrouw zijn aan een toevertrouwd goed (amanāt)

Bij ruzie grof en onrechtvaardig optreden, bijvoorbeeld door te beledigen of valse beschuldigingen te uiten.

Het uitschelden van de tegenpartij of het aandragen van valse bewijzen of getuigen in een rechtszaak wordt gezien als een andere vorm van liegen.

Kortom: de meest duidelijke kenmerken van een munāfiq zijn deze drie slechte eigenschappen.Iemand die slechts één van deze eigenschappen in zich heeft, wordt niet meteen als munāfiq beschouwd, maar het valt niet te ontkennen dat hij daarmee op een bepaalde manier op een munāfiq lijkt.Een moslim die een van deze slechte eigenschappen bij zichzelf herkent, dient zijn gedrag bij te stellen en zich er zo snel mogelijk van te bevrijden.] (HY)

[Een ʿahd of ʿaqd is een mondeling of schriftelijk vastgelegde overeenkomst, terwijl wafāʾ verwijst naar het volledig nakomen van de bepalingen van zo’n overeenkomst.De Islām hecht groot belang aan het naleven van afgesloten overeenkomsten en vereist van de betrokken partijen dat zij trouw blijven aan de bepalingen ervan. Wanneer afspraken niet worden nagekomen, verdwijnt het onderlinge vertrouwen en raakt de orde in de samenleving verstoord.Daarom worden moslims in de Qur’ān en in de aḥādīth herhaaldelijk gewaarschuwd tegen gedragingen die het vertrouwen binnen de gemeenschap kunnen schaden, zoals het niet nakomen van beloften en het schenden van contracten.Het niet nakomen van beloften en het niet trouw blijven aan een overeenkomst zijn tekenen van nifāq (huichelarij).Trouw aan een overeenkomst (wafāʾ bil-ʿahd) behoort tot een van de belangrijkste eigenschappen van de islamitische moraal.Zoals in alle zaken is Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook op dit punt ons voorbeeld. Zowel vóór als na zijn profeetschap heeft hij zich altijd trouw gehouden aan zijn overeenkomsten en beloften, en hij heeft ook zijn gemeenschap aangeraden om hetzelfde te doen: hun beloften na te komen en hun afspraken te vervullen.Wanneer trouw aan beloften ontbreekt en men zijn woord niet houdt, verdwijnt het onderlinge vertrouwen en respect tussen mensen. Wie zijn woord nakomt en zijn overeenkomst gestand doet, wordt zowel door Allāh als door de mensen geliefd en gerespecteerd. Zulke oprechte personen worden tijdens hun leven en ook na hun dood met eer genoemd en als voorbeeld gesteld.] (AFK)

١١٣٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لِكُلِّ غَادِرٍ لِوَاءٌ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، يُنْصَبُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ يُعْرَفُ بِهِ1133.

Van Anas (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor iedere persoon die zijn belofte breekt, zal op de Dag der Opstanding een vaandel worden gehesen (dat aangeeft dat hij de mensen heeft bedrogen), zodat hij op die manier wordt herkend”.

Het is toegestaan om misleiding toe te passen in oorlogstijd

جواز الخداع في الحرب

١١٣٤ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الْحَرْبُ خُدْعَةٌ

1134. Van Jābir (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Oorlog is misleiding/bedrog.”

١١٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمَّى النَّبِيُّ ﷺ الْحَرْبَ خُدْعَةً1135. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft oorlog “misleiding” genoemd.[Hierbij wordt met “misleiding” bedoeld: tactische misleiding en militaire strategie, en niet het bedrog of verraad zoals bij huichelarij (nifāq).] (AFK)

[Een van de militaire kwaliteiten van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) was zijn grote aandacht voor inlichtingen en het treffen van maatregelen om informatielekken te voorkomen. Dit aspect neemt een centrale plaats in binnen de studie van de Nabawī Siyasah. Islamitische geleerden zijn het erover eens dat het misleiden en verrassen van de vijand tijdens de strijd, in al zijn vormen, is toegestaan.

Met “misleiding in de oorlog” wordt bedoeld dat de beste en meest doeltreffende vorm van oorlogsvoering voor de strijder niet noodzakelijkerwijs de directe confrontatie op het slagveld is, maar het behalen van de overwinning door de vijand te misleiden of te verrassen. Een rechtstreekse confrontatie brengt immers risico’s met zich mee, terwijl het bereiken van het doel door middel van misleiding soms zonder zulke risico’s kan plaatsvinden.

De ḥadīth onderstreept dan ook duidelijk dat het in oorlogssituaties is toegestaan om de vijand bij elke passende gelegenheid te misleiden, mits dit gebeurt binnen de grenzen van de sharīʿah.] (HA)

Het afkeuren om de ontmoeting met de vijand te wensen, en het bevel tot geduld bij de confrontatie

كراهة تمني لقاء العدوّ، والأمر بالصبر عند اللقاء

١١٣٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَبِيِّ ﷺ قَالَ: لاَ تَمَنَّوْا لِقَاءَ الْعَدُوِّ، فَإِذَا لَقِيتُمُوهُمْ فَاصْبِرُوا

1136. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wens het treffen met de vijand niet, maar wanneer jullie hen treffen, wees dan geduldig.”

١١٣٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى كَتَبَ إِلَى عُمَرَ بْنِ عُبَيْدِ اللهِ، حِينَ خَرَجَ إِلَى الْحرُورِيَّةِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي بَعْضِ أَيَّامِهِ الَّتِي لَقِيَ فِيهَا الْعَدُوَّ انْتَظَرَ حَتَّى مَالَتِ الشَّمْسُ، ثُمَّ قَامَ فِي النَّاسِ فَقَالَ: أَيُّهَا النَّاسُ لاَتَمَنَّوْا لِقَاءَ الْعَدُوِّ، وَسَلُوا اللهَ الْعَافِيَةَ، فَإِذَا لَقِيتُمُوهُمْ فَاصْبِرُوا، وَاعْلَمُوا أَنَّ الْجَنَّةَ تَحْتَ ظِلاَلِ السُّيُوفِ ثُمَّ قَالَ: اللهُمَّ مُنْزِلَ الْكِتَابِ، وَمُجْرِيَ السَّحَابِ، وَهَازِمَ الأَحْزَابِ اهْزِمْهُمْ وَانْصُرْنَا عَلَيْهِمْ1137. Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā (رضي الله عنه):Toen hij op weg was om te strijden tegen de Ḥarūriyyah (de Khawārij secte), schreef hij een brief aan ʿUmar ibn ʿUbaydullāh: ‘Op een van de dagen waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de vijand ontmoette, wachtte hij tot de zon begon te dalen (in de namiddag). Vervolgens stond hij op tussen de mensen en zei: “O mensen, wenst niet om de vijand te ontmoeten, maar vraag Allāh om vrede of welzijn (ʿāfiyah). En wanneer jullie hen (toch) ontmoeten, wees dan standvastig.

En weet dat het Paradijs zich onder de schaduwen van de zwaarden bevindt.”Daarna (verrichtte) hij (de volgends du`ā’): “O mijn Allāh, die het Boek (Qur’ān) heeft neergezonden, Die de wolken voortdrijft en de vijandige legers uiteenslaat, vernietig hen volledig en help ons tegen hen

Verbod op het doden van vrouwen en kinderen in de oorlog

تحريم قتل النساء والصبيان في الحرب

١١٣٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ امْرَأَةً وُجِدَتْ، فِي بَعْضِ مَغَازِي النَّبِيِّ ﷺ، مَقْتُولَةً؛ فَأَنْكَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَتْلَ النِّسَاءِ وَالصِّبْيَانِ

1138. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Tijdens een van de veldtochten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd een vrouw aangetroffen die was gedood. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) veroordeelde dit en keurde het doden van vrouwen en kinderen nadrukkelijk af

[In oorlog geldt als basisprincipe dat vrouwen, kinderen en ouderen niet als doelwit mogen worden genomen. Wanneer zij echter actief deelnemen aan de strijd of zich bewust binnen de vijandige linies begeven, kan deze regel veranderen.] (AFK)

[Jihād is toegestaan met het doel het kwaad van de vijanden van de Islām af te weren en hun vijandigheid te doorbreken.

Een mens mag slechts worden gedood vanwege een daad waarvoor hij zelf verantwoordelijkheid draagt; één daarvan is het voeren van oorlog tegen de Islām (moslims). Mannen, vrouwen, geestelijken, ouderen en kinderen die geen wapens opnemen tegen de Islām en niet persoonlijk deelnemen aan de strijd, mogen niet worden gedood. De reden hiervoor is dat zij geen deel uitmaken van de oorlogvoering.

Wanneer zij echter zelf actief aan de strijd deelnemen en rechtstreeks tegen de moslims vechten, verandert hun positie. In dat geval wordt het doden van hen toegestaan, omdat zij door hun deelname de status krijgen van muhārib: strijders die door het voeren van oorlog vijandige daden tegen de gelovigen plegen).] (HA)

Toestaan van het doden van vrouwen en kinderen bij nachtelijke aanvallen zonder opzet

جواز قتل النساء والصبيان في البيات من غير تعمد

١١٣٩ - حديث الصَّعْبِ بْنِ جَثَّامَةَ، قَالَ: مَرَّ بِيَ النَّبِيُّ ﷺ بِالأَبْوَاءِ أَوْ بِوَدَّانَ، وَسُئِلَ عَنْ أَهْلِ الدَّارِ يُبَيَّتُونَ مِنَ الْمُشْرِكِينَ، فيُصَابُ مِنْ نِسَائِهِمْ وَذَرَارِيِّهِمْ قَالَ: هُمْ مِنْهُمْ

1139.

Van Saʿb ibn Jaṯhṯhāmah (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam langs bij mij in het gebied al-Abwā’ of bij Waddān, en hij werd gevraagd over de bewoners van een (polytheïstisch) dorp dat 's nachts wordt aangevallen, waarbij ook vrouwen en kinderen nadelig getroffen kunnen worden.Hij zei: “Zij behoren tot hen.”[In beginsel is het verboden om vrouwen, kinderen en ouderen aan te vallen. Maar in bepaalde militaire operaties kunnen ze per ongeluk getroffen worden. Indien mogelijk moeten zij altijd worden ontzien.] (AFK)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf duidelijke richtlijnen dat tijdens oorlog geen vrouwen, kinderen, bejaarden, religieuze leiders mogen worden dedood en dat ook schade aan het milieu vermeden moet worden. Zelfs wanneer bij een onverwachte aanval chaos, benadrukte hij dat het doden van vrouwen en kinderen, ook al maken zij deel uit van de samenleving, niet kan worden beschouwd als een legitiem oorlogsdoel.] (Diyanet)

Toestaan om de bomen van de ongelovigen om te hakken of te verbranden

جواز قطع أشجار الكفار وتحريقها

١١٤٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: حَرَّقَ رَسُولُ اللهِ ﷺ نَخْلَ بَنِي النَّضِيرِ وَقَطَعَ، وَهِيَ الْبُوَيْرَةُ، فَنَزَلَتْ (مَا قَطَعْتُمْ مِنْ لِينَةٍ أَوْ تَرَكْتُمُوهَا قَائِمَةً عَلَى أُصُولِهَا فَبإِذْنِ اللهِ)

1140. VanʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet de dadelpalmen van Banū Nadīr (joodse stam) in al-Buwayrah omhakken en verbranden. Hierop werd de volgende āyah geopenbaard:

مَا قَطَعۡتُم مِّن لِّينَةٍ أَوۡ تَرَكۡتُمُوهَا قَآئِمَةً عَلَىٰٓ أُصُولِهَا فَبِإِذۡنِ ٱللَّهِ وَلِيُخۡزِيَ ٱلۡفَٰسِقِينَ ٥

Wat jullie omhakken van de palmbomen, of wat jullie op hun wortels laten staan; het gebeurde met de toestemming van Allāh. En zodat Allāh de zwaar zondigen vergeldt. (sûrah al-Ḥashr: 59/5)

[Wanneer de oorlogssituatie of de vijandige omstandigheden dat noodzakelijk maken, mogen bomen worden omgehakt. Zoals in dit geval waarin de dadelpalmen van Banū Nadīr de vijand strategisch gebruikt konden worden, liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze bomen omhakken. De geopenbaarde āyah keurde deze daad niet af. In ḥadīth hierna zal nader worden ingegaan op de eigendommen van Banū Nadīr.] (HY)

[Banī Nadir was een joodse stam die in Madīnah woonde. Ondanks dat ze na de Hijrah een overeenkomst met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden ondertekend, begingen ze later verraad en pleegden ook aanslagen op an-Nabī. Het islamitische leger viel hun vesting aan, veroverde hun forten en stond toe dat zij, afgezien van hun wapens, de huisvoorraad mee mochten nemen. Vervolgens werden ze allen verbannen.

Omdat zij hun huizen als militaire centra hadden ingericht, vernielden ze de stad bij hun vertrek om te voorkomen dat de moslims deze konden gebruiken.Met de goedkeuring van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werden tijdens deze militaire operatie enkele dadelpalmen gekapt en verbrand. De redenen waren strategisch: het vrijmaken van zichtlijnen tijdens het beleg, voorkomen dat de bomen door de vijand als schuilplaats werden gebruikt en een demonstratie van kracht om angst in de harten van de vijanden te zaaien.Hoewel moslims volgens de ethiek van oorlog het milieu respecteren, werd deze uitzonderlijke actie door Allāh toegestaan en door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geautoriseerd zodat het leger niet van onrechtvaardigheid kon worden beschuldigd. ] (Diyanet)

Oorlogsbuiten (ghanāim) zijn enkel toegestaan aan deze gemeenschap

تحليل الغنائم لهذه الأمة خاصة

١١٤١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: غَزَا نَبِيٌّ مِنَ الأَنْبِيَاءِ، فَقَالَ لِقَوْمِهِ: لاَ يَتْبَعْنِي رَجُلٌ مَلَكَ بُضْعَ امْرَأَةٍ، وَهُوَ يُرِيدُ أَنْ يَبْنِي بِهَا وَلَمَّا يَبْنِ بِهَا، وَلاَ أَحَدٌ بَنَى بُيُوتًا وَلَمْ يَرْفَعْ سُقُوفَهَا، وَلاَ أَحَدٌ اشْتَرَى غَنَمًا أَوْ خَلِفَاتٍ وَهُوَ يَنْتَظِرُ وِلاَدَهَا فَغَزَا، فَدَنَا مِنَ الْقَرْيَةِ صَلاَةَ الْعَصْرِ، أَوْ قَرِيبًا مِنْ ذلِكَ فَقَالَ لِلشَّمْسِ: إِنَّكِ مَأْمُورَةٌ وَأَنَا مَأْمُورٌ، اللهُمَّ احْبِسْهَا عَلَيْنَا فَحُبِسَتْ حَتَّى فَتَحَ اللهُ عَلَيْهِ؛ فَجَمَعَ الْغَنَائِمَ، فَجَاءَتْ (يَعْنِي النَّارَ) لِتَأْكُلَهَا فَلَمْ تَطْعَمْهَا؛ فَقَالَ: إِنَّ فِيكُمْ غُلُولًا، فَلْيُبَايِعْنِي مِنْ كُلِّ قبيلة رَجُلٌ، فَلَزِقَتْ يَدُ رَجُلٍ بِيدِهِ فَقَالَ: فِيكُمُ الْغُلُولُ فَلْيُبَايِعْنِى قَبِيلَتُكَ فَلَزِقَتْ يَدُ رَجُلَيْنِ أَوْ ثَلاَثَةٍ بِيَدِهِ فَقَالَ: فِيكُمُ الْغُلُولُ فَجَاءُوأ بِرَأْسٍ مِثْلِ رَأْس بَقَرَةٍ مِنَ الذَّهَبِ فَوَضَعُوهَا، فَجَاءَتِ النَّارُ فَأَكَلَتْهَا ثُمَّ أَحَلَّ اللهُ لَنَا الْغَنَائِمَ، رَأَى ضَعْفَنَا وَعَجْزَنَا فَأَحَلَّهَا لَنَا

1141.

Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een van de profeten trok ten strijde en zei tegen zijn volk: “Laat niemand met mij mee optrekken die getrouwd is en van plan is de huwelijksnacht te volbrengen, maar dat nog niet heeft gedaan.

En ook niemand die een huis heeft gebouwd maar het dak nog niet heeft voltooid.

En evenmin iemand die drachtige schapen of drachtige kamelen heeft gekocht en wacht op hun worp.”

Toen trok hij ten strijde en kwam dicht bij een dorp rond de tijd van de ṣalāh al ʿaṣr of iets daarvoor. Hij (richtte zich tot de zon) en zei: “Waarlijk, jij bent een dienaar onder het bevel (van Allāh), en ik ben eveneens een dienaar onder Zijn bevel. O Allāh, stel het ondergaan van de zon voor ons uit.”

En de zon werd tegengehouden totdat Allāh hem de overwinning schonk.Vervolgens verzamelde hij de oorlogsbuit. Toen het vuur (dat gebruikelijk was om de buit te verbranden) kwam, verbrandde het de oorlogsbuit echter niet.Toen zei hij (de profeet): ‘Er is onder jullie iemand die zich schuldig heeft gemaakt aan verraad met betrekking tot de oorlogsbuit. Laat elke stam een vertegenwoordiger sturen om bij mij de bayʿah af te leggen (de eed van trouw) (dat zij niets van deze buitgoederen hebben genomen).Uiteindelijk, toen de eed werd afgelegd, bleef de hand van één man aan de hand van de profeet plakken. Daarop zei hij: ‘In jullie stam bevindt zich de verrader.’ Vervolgens liet hij ook die stam afzonderlijk bayʿah afleggen, en opnieuw bleven de handen van twee of drie mannen aan hem plakken.Toen zei hij: ‘Het verraad bevindt zich in jullie.’Daarna brachten zij een gouden beeld, dat op een koeienkop leek, tevoorschijn. Dat werd neergelegd, en daarna kwam het vuur en verslond het.(An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervolgde:) “Daarna heeft Allāh de oorlogsbuit voor ons toegestaan. Hij (Allah) zag dat wij zwak en hulpeloos waren, en daarom heeft Hij die voor ons toegestaan (halāl).”

[Voorafgaand aan de Islām werden verschillende profeten met verschillende goddelijke wetten (sharā’iʿ e.v. sharīʿah) naar hun gemeenschappen gezonden. En er waren verschillende bepalingen die hun gemeenschappen bonden. In deze hadīth wordt vermeld dat het om an-Nabī Yûshâ b. Nûn gaat. Volgens de oorlogswetgeving die voor hem gold, werden de buitgoederen van een veldslag niet onder de soldaten verdeeld, in plaats daarvan werden ze door een vuur uit de hemel verbrand tot as.Dit had meerdere doelen, het toonde aan dat de inzet van de strijders tegen de vijand door Allāh werd geaccepteerd en het bewees dat er geen verrader of deserteur in het leger aanwezig was.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) benadrukte dat, in tegenstelling tot deze eerdere praktijk, het verdelen van oorlogsbuit onder de moslims is toegestaan als een van de gunsten van de Islām wordt beschouwd.] (Diyanet)

Over de oorlogsbuit (al-anfāl)

الأنفال

١١٤٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ بَعَثَ سَرِيَّةً، فِيهَا عَبْدُ اللهِ، قِبَلَ نَجْدٍ، فَغَنِمُوا إِبِلًا كَثِيرًا، فَكَانَتْ سِهَامُهُمُ اثْنَيْ عَشَرَ بَعِيرًا أَوْ أَحَدَ عَشَرَ بَعِيرًا؛ وَنُفِّلُوا بَعِيرًا بَعِيرًا

1142. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zond een militaire eenheid naar de streek van Najd, waartoe ook `Abdullah (ibn `Umar) behoorde. Uiteindelijk verkregen we veel kamelen als oorlogsbuit. Ieder van ons kreeg een aandeel van elf of twaalf kamelen en daarnaast kreeg iedereen nog een extra kameel.

١١٤٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُنَفِّلُ بَعْضَ مَنْ يَبْعَثُ مِنَ السَّرَايَا لأَنْفُسِهِمْ خَاصَّةً، سِوَى قِسْمِ عَامَّةِ الْجَيْشِ1143. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf soms een extra aandeel (nafl) (uit het deel van de ghanimah dat toebehoort aan Allāh en Zijn Boodschapper, het vijfde deel (al-khumus), aan bepaalde personen die hij als eenheden (sarayā) uitzond. (Dit extra aandeel was) speciaal voor henzelf, naast het gewone aandeel dat bestemd was voor het gehele leger.

[Het vijfde deel (al-khumus) wordt genoemd in de volgende āyah:وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّمَا غَنِمۡتُم مِّن شَيۡءٖ فَأَنَّ لِلَّهِ خُمُسَهُۥ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِ إِن كُنتُمۡ ءَامَنتُم بِٱللَّهِ وَمَآ أَنزَلۡنَا عَلَىٰ عَبۡدِنَا يَوۡمَ ٱلۡفُرۡقَانِ يَوۡمَ ٱلۡتَقَى ٱلۡجَمۡعَانِۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ ٤١

En weet dat wat jullie ook aan oorlogsbuit hebben verkregen; waarlijk één vijfde deel ervan is voor Allāh, en voor de Boodschapper, en de naaste verwanten en de wezen, en de armen die bedelen en de reiziger; als jullie in Allāh geloven en in wat Wij neer hebben gezonden naar Onze dienaar op de dag van het onderscheid, de dag dat de twee legers elkaar troffen – en Allāh is tot alle dingen in staat. (sûrah al-Anfāl: 41)] (AFK)

Het recht van de dader om de bezittingen van de gedode te nemen

استحقاق القاتل سلب القتيل

١١٤٤ - حديث أَبِي قَتَادَةَ ﵁، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ عَامَ حُنَيْنٍ فَلَمَّا الْتَقَيْنَا كَانَتْ لِلْمُسْلِمِينَ جَوْلَةٌ، فَرَأَيْتُ رَجُلًا مِنَ الْمُشْرِكِينَ عَلاَ رَجُلًا مِنَ الْمُسْلِمِينَ فَاسْتَدَرْتُ حَتَّى أَتَيْتُهُ مِنْ وَرَائِهِ حَتَّى ضَرَبْتُهُ بِالسَّيْفِ عَلَى حَبْلِ عَاتِقِهِ، فَأَقْبَلَ عَلَيَّ فَضَمَّنِي ضَمَّةً وَجَدْتُ مِنْهَا رِيحَ الْمَوْتِ ثُمَّ أَدْرَكَهُ الْمَوْتُ فَأَرْسَلَنِي فَلَحِقْتُ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ، فَقُلْتُ: مَا بَالُ النَّاسِ قَالَ: أَمْرُ اللهثُمَّ إِنَّ النَّاسَ رَجَعُوا، وَجَلَسَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: مَنْ قَتَلَ قَتِيلًا لَهُ عَلَيْهِ بَيِّنَةٌ، فَلَهُ سَلَبُهُ فَقُمْتُ فَقُلْتُ: مَنْ يَشْهَدُ لِي ثُمَّ جَلَسْتُ ثُمَّ قَالَ: مَنْ قَتَلَ قَتِيلًا لَهُ عَلَيْهِ بَيِّنَةٌ، فَلَهُ سَلَبُهُ فَقُمْتُ فَقُلْتُ: مَنْ يَشْهَدُ لِي ثُمَّ جَلَسْتُ ثُمَّ قَالَ الثَالِثَةَ مِثْلَهُ فَقَالَ رَجُلٌ: صَدَقَ يَا رَسُولَ اللهِ وَسَلَبُهُ عِنْدِي، فَأَرْضِهِ عَنِّي فَقَالَ أَبُو بَكْر الصِّدِّيق ﵁: لاَهَا اللهِ، إِذَا يَعْمِدُ إِلَى أَسَدٍ مِنْ أُسْدِ اللهِ، يُقَاتِلُ عَنِ اللهِ وَرَسُولِهِ ﷺ، يُعْطِيكَ سَلَبَهُ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: صَدَقَ فَأَعْطَاهُ، فَبِعْتُ الدِّرْعَ فَابْتَعْتُ بِهِ مَخْرِفًا فِي بَنِي سَلِمَةَ، فَإِنَّهُ لأَوَّلُ مَالٍ تَأْثَّلْتهُ فِي الإِسْلاَمِ1144.

Van Abū Qatādah (رضي الله عنه):In het jaar van de veldtocht naar Ḥunayn trok ik mee met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Toen wij de vijand ontmoetten, (ontstond er binnen het leger van de moslims wanorde en verwarring) sloeg een groep van de moslims op de vlucht. Op dat moment zag ik een van de polytheïsten (mushrikīn) die een moslim onder de voet had gelopen (om hem te doden). Ik naderde hem van achteren en sloeg hem met mijn zwaard op de aanhechting van zijn schouder. Hij draaide zich naar mij om en greep mij (zo krachtig vast) dat ik de geur van de dood rook. (kort daarna) stierf hij en liet hij mij los.Daarna kwam ik ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb tegen en vroeg: “Wat is er met de mensen aan de hand?”Hij antwoordde: ‘Dat is het bevel van Allāh (de zege en de uiteindelijke afloop behoren aan de muttaqūn (godvrezenden) (Na de nederlaag herpakten de mensen zich) en keerden ze terug.(Na de afloop van de strijd) ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zitten, en zei: “Wie iemand heeft gedood en daarvoor een bewijs kan leveren, diens wapentuig/bezit zijn voor hem.”Ik stond op en zei: ‘Wie kan er voor mij getuigen?’ en ging vervolgens weer zitten. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herhaalde zijn uitspraak. Ik stond opnieuw op en zei: ‘Wie kan er voor mij getuigen?’ en ging opnieuw zitten. Hij herhaalde het voor de derde keer. Toen stond een man op. “Hij spreekt de waarheid, o Rasûlullāh, en zijn wapenuitrusting/bezit bevinden zich bij mij. (Om de wapenuitrusting zelf te mogen dehouden) kunnen jullie hem namens mij tevreden stellen.”Toen zei Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه): “Nee, bij Allāh! Dat kan niet. Je zal het bezit van een overledene niet toe-eigenen door het recht te schenden van een van de leeuwen van Allāh (dappere strijder), die strijdt voor Allāh en Zijn Boodschapper.”Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Hij heeft de waarheid gesproken.”En hij gaf (de buit) aan mij.Ik verkocht de wapenuitrusting/bezit, en van de opbrengst kocht ik een stuk grond (tuin) in de wijk van Banū Salimah. En dit was het eerste bezit dat ik in de Islām verwierf.

١١٤٥ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ، قَالَ: بَيْنَا أَنَا وَاقِفٌ فِي الصَّفِّ يَوْمَ بَدْرٍ، فَنظَرْتُ عَنْ يَمِينِي وَشِمَالِي، فَإِذَا أَنَا بِغُلاَمَيْنِ مِنَ الأَنْصَارِ حَدِيثَةٍ أَسْنَانُهُمَا، تَمَنَّيْتُ أَنْ أَكُونَ بَيْنَ أَضْلَعَ مِنْهُمَا، فَغَمَزَنِي أَحَدُهُمَا، فَقَالَ: يَا عَمِّ هَلْ تَعْرِفُ أَبا جَهْلٍ قُلْتُ: نَعَمْ، مَا حَاجَتُكَ إِلَيْهِ يَا ابْنَ أَخِي قَالَ: أُخْبِرْتُ أَنَّهُ يَسُبُّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَئِنْ رَأَيْتُهُ لاَ يُفَارِقُ سَوَادِي سَوَادَهُ حَتَّى يَمُوتَ الأَعْجَلُ مِنَّا فَتَعَجَّبْتُ لِذلِكَ فَغَمَزَنِي الآخَرُ، فَقَالَ لِي مِثْلَهَا فَلَمْ أَنْشَبْ أَنْ نَظَرْتُ إِلَى أَبِي جَهْلٍ يَجُولُ فِي النَّاس، قلْتُ: أَلاَ إِنَّ هذَا صَاحِبُكُمَا الَّذِي سَأَلْتُمَانِي فَابْتَدَرَاهُ بِسَيْفِيْهِمَا فَضَرَبَاهُ حَتَّى قَتَلاَهُ، ثُمَّ انْصَرَفَا إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَأَخْبَرَاهُ، فَقَالَ: أَيُّكُمَا قَتَلَهُ قَالَ كُلُّ وَاحِدٍ مِنْهُمَا: أَنَا قَتَلْتُهُ؛ فَقَالَ: هَلْ مَسَحْتُمَا سَيْفَيْكُمَا قَالاَ: لاَ فَنَظَرَ فِي السَّيْفَيْنِ، فَقَالَ: كِلاَكُمَا قَتَلَهُ، سَلَبُهُ لِمُعَاذٍ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْجَمُوحِ وَكَانَا مُعَاذَ بْنَ عَفْرَاءَ، وَمُعَاذَ بْنَ عَمْرِو بْنِ الْجَمُوحِ1145.

Van ʿAbdurrahmān ibn ʿAwf (رضي الله عنه):Toen ik op de dag van Badr in de gelederen stond, keek ik naar rechts en links en zag ik twee zeer jonge jongens van de Anṣār naast mij. Ik had gehoopt tussen sterkere mannen te staan. Toen stootte één van hen mij aan en zei: “O oom, ken jij Abū Jahl?” Ik antwoordde: “Ja, wat wil je van hem, neefje?”Hij zei: “Mij is verteld dat hij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) uitscheldt. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is: als ik hem zie, zal ik niet van zijn zijde wijken totdat één van ons als eerste sterft.”Ik was verbaasd over zijn woorden. (Kort daarna) stootte de ander (jongen) mij ook aan en zei (precies) hetzelfde.Even later zag ik Abū Jahl tussen de mensen heen en weer lopen. Toen ik zei tegen hen:“Daar is de man waar jullie naar vroegen.”Toen stormden ze beiden op hem af met hun zwaarden en sloegen hem totdat ze hem doodden.Daarna gingen zij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelden hem wat ze hadden gedaan. Hij vroeg: “Wie van jullie heeft hem gedood?”Beiden antwoordden: “Ik heb hem gedood.”Hij vroeg daarop: “Hebben jullie jullie zwaarden al schoongeveegd?”Ze zeiden: “Nee.”Toen keek hij de zwaarden van hen beiden en zei: “Jullie hebben hem allebei gedood. Zijn buit behoort toe aan Muʿādz ibn ʿAmr ibn al-Jamūḥ.”De twee jongens waren: Muʿādz ibn ʿAmr ibn al-Jamūḥ en Muʿādz ibn ʿAfrā’.

Oordeel over de oorlogsbuit (fay’)

حكم الفيء

١١٤٦ - حديث عُمَرَ ﵁، قَالَ: كَانَتْ أَمْوَالُ بَنِي النَّضِيرِ مِمَّا أَفَاءَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ ﷺ مِمَّا لَمْ يُوجِفِ الْمُسْلِمُونَ عَلَيْهِ بِخَيْلٍ وَلاَ رِكَابٍ، فَكَانَتْ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ خَاصَّةً، وَكَانَ يُنْفِقُ عَلَى أَهْلِهِ نَفَقَةَ سَنَتِهِ، ثُمَّ يَجْعَلُ مَا بَقِيَ فِي السِّلاَحِ وَالْكُرَاعِ، عُدَّةً فِي سَبِيلِ اللهِ

1146. Van ʿUmar (رضي الله عنه):De bezittingen van Banū’n-Naḍīr vielen onder hetgeen Allāh aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geschonken als buit, zonder dat de moslims daarvoor hoefden te vechten met ruiters of lastdieren (fay’). Daarom behoorden deze (goederen) exclusief toe aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij besteedde er eerst aan de jaarlijkse onderhoudskosten van zijn familie, en wat daarna overbleef, gebruikte hij voor wapens en paarden, ter voorbereiding op weg van Allāh.

[Deze buit werd ‘fay’ genoemd: bezit verkregen zonder directe strijd, en volgens de openbaring:وَمَآ أَفَآءَ ٱللَّهُ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ مِنۡهُمۡ فَمَآ أَوۡجَفۡتُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ خَيۡلٖ وَلَا رِكَابٖ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يُسَلِّطُ رُسُلَهُۥ عَلَىٰ مَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٦

En wat Allāh aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van hen: jullie hebben daartoe geen paarden en geen lastdieren aangespoord. Maar Allāh geeft Zijn Boodschapper macht over wie Hij wil. En Allāh is Almachtig over alle zaken. (sūrah al-Ḥashr, 59:6) is deze uitsluitend voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om naar goed beleid te verdelen]. (HY)

١١٤٧ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ ﵁، عَنْ مَالِكِ بْنِ أَوْسِ بْنِ الْحَدَثَانِ النَّصْرِيِّ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ ﵁، دَعَاهُ، إِذْ جَاءَهُ حَاجِبُهُ يَرْفَا، فَقَالَ: هَلْ لَكَ فِي عُثْمَانَ وَعَبْدِ الرَّحْمنِ وَالزُّبَيْرِ وَسَعْدٍ يَسْتَأذِنُونَ فَقَالَ: نَعَمْ، فَأَدْخِلْهُمْ فَلَبِثَ قَلِيلًا، ثُمَّ جَاءَ فَقَالَ: هَلْ لَكَ فِي عَبَّاسٍ وَعَلِيٍّ يَسْتَأذِنَانِ قَالَ: نَعَمْ فَلَمَّا دَخَلاَ قَالَ عَبَّاسٌ: يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ اقْضِ بَيْنِي وَبَيْنَ هذَا، وَهُمَا يَخْتَصِمَانِ فِي الَّذِي أَفَاءَ الله عَلَى رَسُولِهِ ﷺ مِنْ بَنِي النَّضِيرِ؛ فَاسْتَبَّ عَلِيٌّ وَالْعَبَّاسُ فَقَالَ الرَّهْطُ: يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ اقْضِ بَيْنَهُمَا وَأَرِحْ أَحَدَهُمَا مِنَ الآخَرِ فَقَالَ عُمَرُ: اتَّئِدُوا، أَنْشُدُكُمْ بِاللهِ الَّذِي بِإِذْنِهِ تَقُومُ السَّمَاءُ وَالأَرْضُ هَلْ تَعْلَمُونَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ نُورَثُ، مَا تَرَكْنَا صَدَقَةٌ يُرِيدُ بِذلِكَ نَفْسَهُ قَالُوا: قَدْ قَالَ ذلِكَ فَأَقْبَلَ عُمَرُ عَلَى عَبَّاسٍ وَعَلِيٍّ، فَقَالَ: أَنْشُدُكُمَا بِاللهِ هَلْ تَعْلَمَانِ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَدْ قَالَ ذَلِكَ قَالاَ: نَعَمْ قَالَ: فَإِنِّي أُحَدِّثكُمْ عَنْ هذَا الأَمْرِ، إِنَّ اللهَ سُبْحَانَهُ كَانَ خَصَّ رَسُولَهُ ﷺ فِي هذَا الْفَيْءِ بِشَيْءٍ لَمْ يُعْطِهِ أَحَدًا غَيْرَهُ، فَقَالَ جَلَّ ذِكْرُهُ وَمَا أَفَاءَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ مِنْهُمْ فَمَا أَوْجَفْتُمْ عَلَيْهِ مِنْ خَيْلٍ

وَلاَ رِكَابٍ إِلَى قَوْلِهِ قَدِيرٌ فَكَانَتْ هذِهِ خَالِصَةً لِرَسُولِ اللهِ ﷺ ثُمَّ، وَاللهِ مَا احْتَازَهَا دُونَكُمْ، وَلاَ اسْتَأْثَرَهَا عَلَيْكُمْ، لَقَدْ أَعْطَاكُمُوهَا وَقَسَمَهَا فِيكُمْ حَتَّى بَقِيَ هذَا الْمَالُ مِنْهَا، فَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُنْفِقُ عَلَى أَهْلِهِ نَفَقَةَ سَنَتِهِمْ مِنْ هذَا الْمَالِ، ثُمَّ يَأْخُذُ مَا بَقِيَ فَيَجْعَلُهُ مَجْعَلَ مَالِ اللهِ فَعَمِل ذَلِكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حَيَاتَهُ ثُمَّ تُوفِّيَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: فَأَنَا وَلِيُّ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَبَضَهُ أَبُو بَكْرٍ، فَعَمِلَ فِيهِ بِمَا عَمِلَ بِهِ رَسُولُ اللهِ صلى الله عليه

وسلم، وَأَنْتُمْ حِينَئِذٍ فَأَقْبَلَ عَلَى عَلِيٍّ وَعَبَّاسٍ، وَقَالَ: تَذْكُرَانِ أَنَّ أَبَا بَكْرٍ فِيهِ كَمَا تَقُولاَنِ، وَاللهُ يَعْلَمُ إِنَّهُ فِيهِ لَصَادِقٌ بَارٌّ رَاشِدٌ تَابِعٌ لِلْحَقِّ ثُمَّ تَوَفَّى اللهُ أَبَا بَكْرٍ، فَقُلْتُ: أَنَا وَلِيُّ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَأَبِي بَكْرٍ، فَقَبَضْتُهُ سَنَتَيْنِ مِنْ إِمَارَتِي أَعْمَل فِيهِ بِمَا عَمِلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَبُو بَكْرٍ، وَاللهُ يَعْلَمُ أَنِّي فِيهِ صَادِقٌ بَارٌّ رَاشِدٌ تَابِعٌ للْحَقِّ ثُمَّ جِئْتُمَانِي كِلاَكُمَا وَكَلِمَتُكُمَا وَاحِدَةٌ، وَأَمْرُكُمَا جَمِيعٌ، فَجِئْتَنِي (يَعْنِي عَبَّاسًا) فَقُلْتُ لَكُمَا: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ نُورَثُ، مَا تَرَكْنَا صَدَقَةٌ فَلَمَّا بَدَا لِي أَنْ أَدْفَعَهُ إِلَيْكُمَا، قُلْتُ: إِنْ شِئْتُمَا دَفَعْتُهُ إِلَيْكُمَا، عَلَى أَنَّ عَلَيْكُمَا عَهْدَ اللهِ وَمِيثَاقَهُ، لَتَعْمَلاَنِ فِيهِ بِمَا عَمِلَ فِيهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَبُو بَكْرٍ، وَمَا عَمِلْتُ فِيهِ مُذْ وَلِيتُ، وَإِلاَّ فَلاَ تُكَلِّمَانِي فَقُلْتمَا: ادْفَعْهُ إِلَيْنَا بِذلِكَ، فَدَفَعْتُهُ إِلَيْكُمَا أَفَتَلْتَمِسَانِ مِنِّي قَضَاءَ غَيْرِ ذَلِكَ فَوَاللهِ الَّذِي بِإِذْنِهِ تَقُومُ السَّمَاءُ وَالأَرْضُ لاَ أَقْضِي فِيهِ بِقَضَاءٍ غَيْرِ ذَلِكَ حَتَّى تقُومَ السَّاعَةُ، فَإِنْ عَجَزتُمَا عَنْهُ فَادْفَعَا إِلَيَّ، فَأَنَا أَكْفِيكمَاهُ

1147 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb via Mālik ibn Aws ibn al-Ḥadathān an-Naṣrī (رضي الله عنهما): Terwijl ik bij ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) was, kwam zijn portier Yarfāʾ en zei: “ʿUthmān, ʿAbdurraḥmān, az-Zubayr en Saʿd vragen toestemming om binnen te komen?”Hij zei: “Ja, laat hen binnenkomen.”Enige tijd later kwam hij terug en zei: “ʿAbbās en ʿAlī vragen toestemming om binnen te komen?”Hij zei: “Ja, laat hen binnenkomen”Toen zij binnenkwamen, zei `Abbās: “O leider van de gelovigen, oordeel tussen mij en deze man.” Zij betwistten elkaar over wat Allāh aan Zijn Rasūl (صلى الله عليه وسلم) had toegewezen van (de eigendommen van) Banū an-Naḍīr.Hierbij ontstond een felle woordenwisseling tussen ʿAlī enʿAbbās.De aanwezigen (`Uthmaan en zijn vrienden) zeiden: “O leider van de gelovigen, oordeel tussen hen en verlos de één van de ander.”ʿUmar antwoordde: “Wees geduldig! Ik smeek jullie in de naam van Allāh, door Wiens toestemming de hemel en de aarde standhouden: weten jullie dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:‘Wij worden niet erfelijk opgevolgd. Wat wij achterlaten is ṣadaqah.’ en dat hij hiermee zichzelf bedoelde?”Zij zeiden: “Zeker, dat heeft hij gezegd.”Toen richtte ʿUmar zich tot ʿAbbās en ʿAlī en zei: “Ik smeek u in de naam van Allāh, weten jullie dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat gezegd heeft?”Zij zeiden: “Ja.”Hij vervolgde: “Allāh heeft Zijn Rasūl (صلى الله عليه وسلم) met betrekking tot dit bezit iets gegeven wat Hij aan niemand anders heeft gegeven. Allāhu تعالى in Zijn Boek, zei:

وَمَآ أَفَآءَ ٱللَّهُ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ مِنۡهُمۡ فَمَآ أَوۡجَفۡتُمۡ عَلَيۡهِ مِنۡ خَيۡلٖ وَلَا رِكَابٖ وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ يُسَلِّطُ رُسُلَهُۥ عَلَىٰ مَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٞ ٦

En wat Allāh aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van hen: jullie hebben daartoe geen paarden en geen lastdieren aangespoord. Maar Allāh geeft Zijn Boodschapper macht over wie Hij wil. En Allāh is Almachtig over alle zaken.

مَّآ أَفَآءَ ٱللَّهُ عَلَىٰ رَسُولِهِۦ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡقُرَىٰ فَلِلَّهِ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِ كَيۡ لَا يَكُونَ دُولَةَۢ بَيۡنَ ٱلۡأَغۡنِيَآءِ مِنكُمۡۚ وَمَآ ءَاتَىٰكُمُ ٱلرَّسُولُ فَخُذُوهُ وَمَا نَهَىٰكُمۡ عَنۡهُ فَٱنتَهُواْۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَۖ إِنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ٧

En wat Allāh aan buit aan Zijn Boodschapper geeft van de mensen van de steden: het is voor Allāh en Zijn Boodschapper, de verwanten, de wezen, de armen die bedelen en de reiziger zonder proviand, zodat het geen fortuin wordt dat door de rijken onder jullie wordt gebruikt. En wat de Boodschapper jullie ook geeft, neem het en wat hij jullie ook verbiedt, onthoudt jullie daarvan. En vrees Allāh. Waarlijk, Allāh is streng in de bestraffing. (sûrah al-Ḥashr59/6-7)

Dit was dus uitsluitend bestemd voor Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).Bij Allāh, hij heeft het niet voor zichzelf behouden, en zich er ook niet mee boven jullie verheven.

Hij gaf het aan jullie en verdeelde het onder jullie, totdat van dat bezit uiteindelijk alleen dit overbleef.Uit dit bezit gaf Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn familie hun jaarlijkse onderhoud, en wat daarna overbleef, plaatste hij onder het bezit van Allāh. Zo handelde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gedurende zijn hele leven.Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overleed, zei Abū Bakr: “Ik ben de beheerder van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).” Hij nam het in beheer en handelde ermee op dezelfde wijze als Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat had gedaan. En jullie stemden daar destijds mee in.Daarna wendde hij zich opnieuw tot ʿAlī enʿAbbās en zei: “Jullie beiden beweren dat Abū Bakr hiermee heeft gehandeld zoals jullie het nu beschrijven, en Allāh weet dat hij daarin waarachtig, rechtschapen, geleid en oprecht was in het volgen van de waarheid.Toen Allāh Abū Bakr liet overlijden, zei ik: ‘Ik ben de voogd van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en van Abū Bakr.’Ik heb het twee jaar lang tijdens mijn leiderschap beheerd en ik handelde ermee zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Abū Bakr dat deden.En Allāh weet dat ik daarin waarachtig, rechtschapen, geleid en oprecht ben in het volgen van de waarheid.Daarna kwamen jullie beiden bij mij, jullie woorden en jullie zaak eensgezind waren.Jij kwam bij mij (hiermee bedoelt hijʿAbbās) en toen zei ik tegen jullie:Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:‘Wij worden niet erfelijk opgevolgd. Wat wij achterlaten is ṣadaqah.’Toen het mij juist leek om het (bezit) aan jullie over te dragen, zei ik: “Als jullie dat willen, zal ik het aan jullie geven, onder het verbond en de toezegging van Allāh dat jullie ermee zullen handelen zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abū Bakr en ikzelf hebben gehandeld zolang ik het beheerde.

Zo niet, spreek mij er dan niet meer over aan.”Jullie zeiden: ‘Geef het ons onder die voorwaarde.’Daarop heb ik het aan jullie overgedragen.En verwachten jullie nu een ander oordeel van mij dan dit?Bij Allāh, door Wiens toestemming de hemel en de aarde standhouden: ik zal hierover geen ander oordeel vellen dan dat, tot de Dag der Opstanding.En als jullie niet in staat zijn het te beheren, geef het dan aan mij terug; dan zal ik het namens jullie beiden op mij nemen.”

[Dit betrof een bezit dat uitsluitend aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) toebehoorde, waarover hij naar eigen inzicht mocht beschikken.

[Fay’ is het bezit dat van de ongelovigen wordt verkregen zonder daadwerkelijke oorlogshandelingen. Het is, naast de oorlogsbuit (ghanīmah), een verzamelnaam voor inkomsten zoals jizyah (persoonlijke belasting voor bescherming), kharāj (belasting op land en oogst) en handelsheffingen.Het gaat dus om goederen en inkomsten die onder deze benaming van de ongelovigen worden verkregen, zonder dat er sprake is van een gewapend conflict.] (HY)De uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Wij, de profeten, laten geen erfenis na; wat wij achterlaten is sadaqah”

قول النبي ﷺ لا نورث ما تركنا فهو صدقة

١١٤٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ أَزْوَاجَ النَّبِيِّ ﷺ، حِينَ تُوُفِّيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَرَدْنَ أَنْ يَبْعَثْنَ عُثْمَانَ إِلَى بَكْرٍ يَسْأَلْنَهُ مِيرَاثَهُنَّ، فَقَالَتْ عَائِشَةُ: أَلَيْسَ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ نَورَثُ، مَا تَرَكْنَا صَدَقَةٌ

أخرجه البخاري في: ٨٥ كتاب الفرائض: ٣ باب قول النبي ﷺ: لا نورث ما تركنا صدقة

1148. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overleed wilden de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ʿUthmān naar Abū Bakr sturen om hun erfdeel van van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op te eisen. Weten jullie dan niet dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij profeten laten geen erfenis na; wat wij nalaten is ṣadaqah.

١١٤٩ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ فَاطِمَةَ عَلَيْهِا السَّلاَمُ، بِنْتَ النَّبِيِّ ﷺ، أَرْسَلَتْ إِلَى أَبِي بَكْرٍ تَسْأَلُهُ مِيَراثَهَا مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، مِمَّا أَفَاءَ اللهُ عَلَيْهِ بِالْمَدِينَةِ وَفَدَكٍ وَمَا بَقِيَ مِنْ خُمُسِ خَيْبَرَ فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ نُورَثُ، مَا تَرَكْنَا صَدَقَةٌ، إِنَّمَا يَأْكُلُ آلُ مُحَمَّدٍ ﷺ فِي هذَا الْمَالَ وَإِنِّي، وَاللهِ لاَ أُغَيِّرُ شَيْئًا مِنْ صَدَقَةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ عَنْ حَالِهَا الَّتِي كَان عَلَيْهَا فِي عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلأَعْمَلَنَّ فِيهَا بِمَا عَمِلَ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَأَبى أَبُو بَكْرٍ أَنْ يَدْفَعَ إِلَى فَاطِمَةَ مِنْهَا شَيْئًا فَوَجَدَتْ فَاطِمَةُ عَلَى أَبِي بَكْرٍ فِي ذَلِكَ، فَهَجَرَتْهُ، فَلَمْ تُكَلِّمْهُ حَتَّى تُوُفِّيَتْ وَعَاشَتْ بَعْدَ النَّبِيِّ ﷺ سِتَّةَ أَشْهُرٍ، فَلَمَّا تُوُفِّيَتْ دَفَنَهَا زَوْجُهَا عَلِيٌّ لَيْلًا، وَلَمْ يُؤْذِنْ بِهَا أَبَا بَكْرٍ، وَصَلَّى عَلَيْهَا وَكَانَ لِعَلِيٍّ مِنَ النَّاسِ وَجْهٌ حَيَاةَ فَاطِمَةَ فَلَمَّا تُوُفِّيَتِ اسْتَنْكَرَ عَلِيٌّ وُجُوهَ النَّاسِ، فَالْتَمَسَ مُصَالَحَةَ أَبِي بَكْرٍ وَمُبَايَعَتَهُ، وَلَمْ يَكُنْ يُبَايِعُ تِلْكَ الأَشْهُرَ فَأَرْسَلَ إِلَى أَبِي بَكْرٍ: أَنِ ائْتِنَا، وَلاَ يَأْتِنَا أَحَدٌ مَعَكَ (كَرَاهِيَةً لِمَحْضَرِ عُمَرَ) فَقَالَ عُمَرُ: لاَ، وَاللهِ لاَ تَدْخُلُ عَلَيْهِمْ وَحْدَكَ فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ:

وَمَا عَسِيْتَهُمْ أَنْ يَفْعَلُوا بِي وَاللهِ لآتِيَنَّهُمْ فَدَخَلَ عَلَيْهِمْ أَبُو بَكْرٍ، فَتَشَهَّدَ

عَلِيٌّ، فَقَالَ: إِنَّا قَدْ عَرَفْنَا فَضْلَكَ وَمَا أَعْطَاكَ اللهُ، وَلَمْ نَنْفَسْ عَلَيْكَ خَيْرًا سَاقَهُ اللهُ إِلَيْكَ، وَلكِنَّكَ اسْتَبْدَدْتَ عَلَيْنَا بِالأَمْرِ، وَكُنَّا نَرَى، لِقَرَابَتِنَا مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، نَصِيبًا حَتَّى فَاضَتْ عَيْنَا أَبِي بَكْرٍ فَلَمَّا تَكَلَّمَ أَبُو بَكْرٍ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَقَرَابَةُ رَسُولِ اللهِ ﷺ أَحَبُّ إِلَيَّ أَنْ أَصِلَ مِنْ قَرَابَتِي، وَأَمَّا الَّذِي شَجَرَ بَيْنِي وَبَيْنَكُمْ مِنْ هذِهِ الأَمْوَالِ فَلَمْ آلُ فِيهَا عَنِ الْخَيْرِ، وَلَمْ أَتْرُكْ أَمْرًا رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَصْنَعُهُ فِيهَا إِلاَّ صَنَعْتُهُ فَقَالَ عَلِيٌّ لأَبِي بَكْرٍ: مَوْعِدُكَ الْعَشِيَّةَ لِلْبَيْعَةِ فَلَمَّا صَلَّى أَبُو بَكْرٍ الظُّهْرَ، رَقِيَ عَلَى الْمِنْبَرِ فَتَشَهَّدَ، وَذَكَرَ شَأْنَ عَلِيٍّ وَتَخَلُّفَهُ عَنِ الْبَيْعَةِ، وَعَذَ ْرهُ بِالَّذِي اعْتَذَرَ إِلَيْهِ ثُمَّ اسْتَغْفَرَ، وَتَشَهَّدَ عَلِيٌّ، فَعَظَّمَ حَقَّ أَبِي بَكْرٍ، وَحَدَّثَ أَنَّهُ لَمْ يَحْمِلْهُ عَلَى الَّذِي صَنَعَ، نَفَاسَةً عَلَى أَبِي بَكْرٍ، وَلاَ إِنْكَارًا لِلَّذِي فَضَّلَهُ اللهُ بِهِ، وَلكِنَّا نَرَى لَنَا فِي هذَا الأَمْرِ نَصِيبًا، فَاسْتَبَدَّ عَلَيْنَا، فَوَجَدْنَا فِي أَنْفُسِنَا فَسُرَّ بِذَلِكَ الْمُسْلِمُونَ، وَقَالُوا: أَصَبْتَ وَكَانَ الْمُسْلِمُونَ إِلَى عَلِيٍّ قَرِيبًا، حِينَ رَاجَعَ الأَمْرَ الْمَعْرُوفَ

1149. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Fāṭimah (عليها السلام), de dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde iemand naar Abū Bakr om haar erfrecht op te eisen van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had achtergelaten van de opbrengst die Allāh hem had geschonken in Madīnah, Fadak en het resterende vijfde deel (khums) van Khaybar.Toen antwoordde Abū Bakr (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij worden niet geërfd. Alles wat wij achterlaten is ṣadaqah. De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) mag slechts van deze rijkdom gebruikmaken.”En hij vervolgde: “Bij Allāh, ik zal niets veranderen aan de manier waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣadaqah tijdens zijn leven beheerde. En ik zal ermee handelen zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat deed.” Hierop weigerde Abū Bakr om Fāṭimah iets te geven. Fāṭimah was hierover boos op Abū Bakr. Daarom verbrak zij (het contact met) hem en sprak niet meer met hem tot haar overlijd, zes maanden na dat van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Toen zij overleed, begroef haar echtgenoot ʿAlī haar 's nachts en zonder Abū Bakr hierover op de hoogte te stellen. Hij verrichtte de ṣalāh al-janazah over haar.Tijdens het leven van Fāṭimah werd ʿAlī door de mensen met respect bejegend. Nadat zij overleed, merkte hij echter dat de houding van de mensen tegenover hem veranderd was. Hij zocht toen toenadering tot (Abū Bakr) en wilde hem zijn trouw (bayʿah) geven, aangezien hij de eerste zes maanden niet trouw had gezworen. Hij liet Abū Bakr uitnodigen om hem te bezoeken, met het verzoek dat niemand anders aanwezig zou zijn, (uit afkeer van de aanwezigheid van ʿUmar: Hij wilde niet dat ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb erbij zou zijn.)Hierop zei ʿUmar: “Bij Allāh, je gaat niet alleen naar hen toe.”Abū Bakr antwoordde: “Wat zouden ze mij kunnen aandoen? Bij Allāh, ik ga naar hen toe.”Toen Abū Bakr bij hen kwam, begroette ʿAlī (رضي الله عنه) hem met de salām en zei: “Wij erkennen uw verdienste en wat Allāh u gegeven heeft. Wij benijden u niet om enig goed dat Allāh u heeft geschonken.

Maar u hebt een beslissing genomen zonder ons te raadplegen, terwijl wij dachten, vanwege onze verwantschap met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), recht te hebben op een aandeel (in de ervenis).”Hierop kwamen de tranen bij Abū Bakr en hij zei: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is: de verwantschap met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is mij dierbaarder dan die met mijn eigen familie. Wat betreft de kwestie die tussen ons is ontstaan over deze rijkdommen, ik heb niet geaarzeld om het juiste te doen. Ik heb niets nagelaten van wat ik bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gezien, en ik heb het op dezelfde wijze behandeld.”Toen zei ʿAlī: “We spreken vanmiddag af voor de het afleggen van de bayʿah.”Na de ṣalāt az-ẓuhr besteeg Abū Bakr de minbar. Hij prees Allāh, en sprak over de zaak van ʿAlī en zijn uitstel van de bayʿah. Hij verontschuldigde zich voor het ontstane geschil en vroeg vergiffenis. Daarna stond ʿAlī op, prees Abū Bakr en verklaarde dat hij niets had gedaan uit jaloezie of afgunst op wat Allāh hem had gegeven, maar dat hij vond recht te hebben op een aandeel.Dit stemde de moslims tevreden. Zij zeiden: “Je hebt goed gehandeld.” Vanaf dat moment sloten de moslims zich weer aan bij ʿAlī toen hij zich bij het algemeen erkende standpunt voegde.

١١٥٠ - حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، أَنَّ فَاطِمَةَ عَلَيْهَا السَّلاَمُ، ابْنَةَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، سَأَلَتْ أَبَا بَكْرٍ الصِّدِّيقَ، بَعْدَ وَفَاةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنْ يَقْسِمَ لَهَا مِيرَاثَهَا مَا تَرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، مِمَّا أَفَاءَ اللهُ عَلَيْهِ فَقَالَ لَهَا أَبُو بَكْرٍ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ نُورَثُ، مَا تَرَكْنَا صَدَقَةٌ فَغَضِبَتْ فَاطِمَةُ بِنْتُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَهَجَرَتْ أَبَا بَكْرٍ، فَلَمْ تَزَلْ مُهَاجِرَتَهُ حَتَّى تُوُفِّيَتْ وَعَاشَتْ بَعْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ سِتَّةَ أَشْهُرٍ قَالَتْ: وَكَانَتْ فَاطِمَةُ تَسْأَلُ أَبَا بَكْرٍ نَصِيبَهَا مِمَّا تَرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ خَيْبَرَ وَفَدَكٍ، وَصَدَقَتِهِ ُ بَالْمَدِينَةِ فَأَبى أَبُو بَكْرٍ عَلَيْهَا ذَلِكَ وَقَالَ: لَسْتُ تَارِكًا شَيْئًا كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَعْمَلُ بِهِ إِلاَّ عَمِلْتُ بِهِ، فَإِنِّي أَخْشى، إِنْ تَرَكْتُ شَيْئًا مِنْ أَمْرِهِ، أَنْ أَزِيغَ فَأَمَّا صَدَقَتُهُ بِالْمَدِينَةِ فَدَفَعَهَا عُمَرُ إِلَى عَلِيٍّ وَعَبَّاسٍ فَأَمَّا خَيْبَرُ وَفَدَكٌ فَأَمْسَكَهَا عُمَرُ، وَقَالَ: هُمَا صَدَقَةُ رَسُولِ اللهِ كَانتَا لِحُقُوقِهِ الَّتِي تَعْرُوهُ وَنَوَائِبِهِ، وَأَمْرُهُمَا إِلَى مَنْ وَلِيَ الأَمْرَ فَهُمَا عَلَى ذلِكَ إِلَى الْيَوْمِ1150 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de moeder der gelovigen:Fāṭimah (عليها السلام), de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq

(رضي الله عنه), om haar erfdeel te geven van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had achtergelaten aan bezittingen die Allāh hem als buit had gegeven.Abū Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Wij worden niet geërfd; wat wij achterlaten is ṣadaqah.’Fāṭimah de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd boos en verbrak het contact met Abū Bakr, en zij bleef hem vermijden tot haar overlijden. Zij leefde nog zes maanden na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei: Fāṭimah had Abū Bakr om haar aandeel gevraagd van wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had achtergelaten van Khaybar, Fadak en zijn ṣadaqah in Madīnah.Maar Abū Bakr weigerde dat haar te geven en zei: “Ik laat niets achter wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) placht te doen, zonder dat ik het zelf op dezelfde wijze doe. Ik vrees, als ik iets zou nalaten van zijn bevelen, dat ik de weg zou kwijtgeraken.”Wat betreft zijn ṣadaqah in Madīnah, die werd door ʿUmar aan ʿAlī en al-ʿAbbā gegevens.Wat betreft Khaybar en Fadak, die hield ʿUmar onder eigen beheer en zei: “Beide waren ṣadaqah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bestemd voor zijn noden en voor onverwachte gebeurtenissen. Hun beheer behoort toe aan degene die het leiderschap draagt. Zo is het gebleven tot op de dag van vandaag.”

١١٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَقْتَسِمْ وَرَثَتِي دِينَارًا، مَا تَرَكْتُ، بَعْدَ نَفَقَةِ نِسَائِي وَمَئُونَةُ عَامِلِي، فَهُوَ صَدَقَةٌ1151. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat mijn erfgenamen niet één enkele dīnār (goudmunt) onder elkaar verdelen van wat ik nalaat, nadat de kosten voor het levensonderhoud van mijn vrouwen en het loon van mijn dienaren zijn voldaan. (Alles) wat ik nalaat is ṣadaqah.”

Het is toegestaan een krijgsgevangene vast te binden en gevangen te houden, en men mag hem uit genade vrijlaten

ربط الأسير وحبسه وجواز المن عليه

١١٥٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ خَيْلًا قِبَلَ نَجْدٍ، فَجَاءَتْ بِرَجُلٍ مِنْ بَنِي حَنِيفَةَ يُقَالُ لَهُ ثُمَامَةُ بْنُ أُثَالٍ، فَرَبَطُوهُ بِسَارِيَةٍ مِنْ سَوَارِي الْمَسْجِدِ، فَخَرَجَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: مَا عِنْدَكَ يَا ثُمَامَةُ فَقَالَ: عِنْدِي خَيْرٌ يَا مُحَمَّدُ إِنْ تَقْتُلْنِي تَقْتُلْ ذَا دَمٍ، وَإِنْ تُنْعِمْ تُنْعِمْ عَلَى شاكِرٍ، وَإِنْ كُنْتَ تُرِيدُ الْمَالَ فَسَلْ مِنْهُ مَا شِئْتَ حَتَّى كَانَ الْغَدُ ثُمَّ قَالَ لَهُ: مَا عِنْدَكَ يَا ثُمَامَةُ قَالَ: مَا قُلْتُ لَكَ، إِنْ تُنْعِمْ تُنْعِمْ عَلَى شَاكِرٍ فَتَرَكَهُ حَتَّى كَانَ بَعْدَ الْغَدِ فَقَالَ: مَا عِنْدَكَ يَا ثُمَامَةُ فَقَالَ عِنْدِي مَا قُلْتُ لَكَ فَقَالَ: أَطْلِقُوا ثُمَامَةَ فَانْطَلَقَ إِلَى نَجْلٍ قَرِيبٍ مِنَ الْمَسْجِدِ فَاغْتَسَلَ، ثُمَّ دَخَلَ الْمَسْجِدَ فَقَالَ: أَشْهَدُ أَنْ لاَ إِله إِلاَّ اللهُ، وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ يَا

مُحَمَّدُ وَاللهِ مَا كَانَ عَلَى الأَرْضِ وَجْهٌ أَبْغَضَ إِلَيَّ مِنْ وَجْهِكَ، فَقَد أَصْبَحَ وَجْهُكَ أَحَبَّ الْوُجُوهِ إِلَيَّ وَاللهِ مَا كَانَ مِنْ دِينٍ أَبْغَضُ إِلَيَّ مِنْ دِينِكَ، فَأَصْبَحَ دِينُكَ أَحَبَّ الدِّينِ إِلَيَّ وَاللهِ مَا كَانَ مِنْ بَلَدٍ أَبْغَضُ إِلَيَّ مِنْ بَلَدِكَ، فَأَصْبَحَ بَلَدُكَ أَحَبَّ الْبِلاَدِ إِلَيَّ، وَإِنَّ خَيْلَكَ أَخَذَتْنِي وَأَنَا أُرِيدُ الْعُمْرَةَ، فَمَاذَا تَرَى فَبَشَّرَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَمَرَهُ أَنْ يَعْتَمِرَ فَلَمَّا قَدِمَ مَكَّةَ، قَالَ قَائِلٌ: صَبَوْتَ قَالَ: لاَ، وَلكِنْ أَسْلمْتُ مَعَ مُحَمَّدٍ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلاَ، وَاللهِ لاَ يَأْتِيكُمْ مِنَ الْيَمَامَةِ حَبَّةُ حِنْطَةٍ حَتَّى يَأْذَنَ فِيهَا النَّبِيُّ ﷺ

1152. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde een groep ruiters in de richting van de regio Najd. Zij namen een man gevangen van de stam Banū Ḥanīfah, genaamd Thumāmah ibn Uthāl, en brachten hem mee. Ze bonden hem vast aan een van de zuilen van de moskee. Vervolgens kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar hem toe en zei: “Wat denk jij, o Thumāmah, dat er met jou zal gebeuren?” (Hoe denk je dat ik jou zal behandelen?)Hij antwoordde: “Wat ik te bieden heb is goed, o Muḥammad! Als u mij doodt, dan doodt u iemand met bloed (die gerechtvaardigd is om gedood te worden). En als u mij e genade schenkt, dan schenkt u genade aan iemand die dat zal erkennen. En als u geld wenst, vraag er dan zoveel u wilt.”De volgende dag vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem weer: “Wat denk jij, o Thumāmah?”Hij antwoordde: “Hetzelfde wat ik u gisteren heb gezegd: als u genade schenkt, schenkt u die aan iemand die dankbaar zal zijn.”En weer op de dag daarna vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat is er met jou, o Thumāmah?”Hij antwoordde: “Hetzelfde wat ik u al eerder heb gezegd.”Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Laat Thumāmah vrij.”Thumāmah vertrok vervolgens, ging naar een nabijgelegen boomgaard bij de moskee, baadde zich/verrichtte ghusl, en keerde daarna terug naar de moskee. Daar zei hij: 'Ashhadu an lā ilāha illā Allāh wa ashhadu anna Muḥammadan Rasūlullāh. (O Muḥammad!, ik getuig dat er geen godheid is behalve Allāh, en ik getuig dat Muḥammad de Boodschapper van Allāh is).O Muḥammad, bij Allāh, er was op aarde geen gezicht dat mij meer tegenstond dan uw gezicht, maar nu is uw gezicht het meest geliefde voor mij. Bij Allāh, er was geen godsdienst die mij meer tegenstond dan uw godsdienst, maar nu is uw godsdienst het meest geliefd voor mij. Bij Allāh, er was geen stad die mij meer tegenstond dan uw stad, maar nu is uw stad het meest geliefd voor mij. Ik was op weg naar om de ʿumrah te verrichten toen uw ruiters mij gevangen namen.

Wat beveel u mij nu?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht hem het goede nieuws (van de Islām ) en beval hem om de `umrah te voltooien.Toen hij in Makkah aankwam, zei iemand: “Ben jij afvallig geworden?”Hij antwoordde: “Nee! Maar ik heb mij onderworpen (moslim geworden) met Muḥammad, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Bij Allāh, er zal geen korrel tarwe meer uit Yamāmah tot jullie komen, tenzij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarvoor toestemming geeft.”

[Thumāmah (رضي الله عنه) kwam uit de regio al-Yamāmah, waar hij een gerespecteerd en invloedrijk persoon was. Na zijn toetreding tot de Islām veranderde zijn haat in liefde. Een soortgelijke verandering vond plaats bij de vrouw van Abū Sufyān (zoals vermeld in de ḥadīth hieronder).Thumāmah (رضي الله عنه) verrichtte de ʿUmrah en keerde vervolgens terug naar Yamāmah. Daar verbood hij de inwoners van Yamāmah om graan of levensmiddelen naar Makkah te vervoeren. Hierop schreven de Makkanen een brief aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden: “Jij beveelt het onderhouden van familiebanden en het eerbiedigen van familieverplichtingen!” Ze vroegen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) om weer bevoorraad te mogen worden.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) schreef daarop een brief aan Thumāmah (رضي الله عنه), waarin hij hem opdroeg de route tussen de Makkanen en degenen die voedsel vervoerden vrij te geven, zodat de levering van voedsel aan Makkah toegestaan werd.] (HY)

Verdrijving van de joden uit de regio Hijāz

إِجلاء اليهود من الحجاز

١١٥٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: بَيْنَمَا نَحْنُ فِي الْمَسْجِدِ، إِذْ خَرَجَ عَلَيْنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: انْطَلِقُوا إِلَى يَهُودَ فَخَرَجْنَا مَعَهُ حَتَّى جِئْنَا بَيْتَ الْمِدْرَاسِ، فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ فَنَادَاهُمْ: يَا مَعْشَرَ يَهُودَ أَسْلِمُوا تَسْلَمُوا فَقَالُوا: قَدْ بَلَّغْتَ، يَا أَبَا الْقَاسِمِ فَقَالَ: ذلِكَ أُرِيدُ ثُمَّ قَالَهَا الثَّانِيَةَ فَقَالُوا: قَدْ بَلَّغْتَ، يَا أَبَا الْقَاسِمِ ثُمَّ قَالَ الثَّالِثَةَ؛ فَقَالَ: اعْلَمُوا أَنَّ الأَرْضَ للهِ وَرَسُولِهِ، وَإِنِّي أُرِيدُ أَنْ أُجْلِيَكُمْ، فَمَنْ وَجَدَ مِنْكُمْ بِمَالِهِ شَيْئًا فَلْيَبِعْهُ، وَإِلاَّ فَاعْلَمُوا أَنَّمَا الأَرْضُ للهِ وَرَسُولِهِ

1153. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Wij bevonden ons in de moskee toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) plotseling bij ons kwam en zei:“Trek op tegen de joden!”Wij trokken samen met hem op. Toen wij hen bereikten, stond Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op en riep: “O joodse gemeenschap! Word moslim en wees gered!”Zij antwoordden: “O Abū al-Qāsim, jij hebt (jouw boodschap) overgebracht.”Hij zei: “Dat is wat ik van jullie wil. Word moslim en wees gered!”Zij antwoordden weer: “O Abū al-Qāsim, jij hebt overgebracht.”En ook de derde keer zei hij: “Word moslim en wees gered!”- Zij antwoordden wederom: “O Abū al-Qāsim, jij hebt (de boodschasppen) overgebracht.”Daarop zei hij:“ Weet dat de aarde toebehoort aan Allāh en Zijn Rasūl. Ik wil jullie uit dit land verdrijven.

Wie van jullie bezittingen heeft die hij wil verkopen, laat hem dat onmiddellijk doen. Zo niet, weet dan dat de aarde aan Allāh en Zijn Rasūl behoort.”

١١٥٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: حَارَبَتِ النَّضِيرُ وَقُرَيْظَةُ، فَأَجْلَى بَنِي النَّضِيرِ وَأَقَرَّ قُرَيْظَةَ وَمَنَّ عَلَيْهِمْ، حَتَّى حَارَبَتْ قُرَيْظَةُ فَقَتَلَ رِجَالَهُمْ، وَقَسَمَ نِسَاءَهُمْ وَأَوْلاَدَهُمْ وَأَمْوالَهُمْ بَيْنَ الْمُسْلِمِينَ، إِلاَّ بَعْضَهُمْ، لَحِقُوا بِالنَّبِيِّ ﷺ فَآمَنَهُمْ وَأَسْلَمُوا وَأَجْلَى يَهُودَ الْمَدِينَةِ كُلَّهُمْ، بَنِي قَيْنُقَاعَ، وَهُمْ رَهْطُ عَبْدِ اللهِ بْنِ سَلاَمٍ، وَيَهُودَ بَنِي حَارِثَةَ، وَكُلَّ يَهُودِ الْمَدِينَةِ1154. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):De (joodse) stam van Banū’n-Naḍīr en daarna (de joodse) stam van Banū Qurayẓah (schonden het verdrag en) verklaarden de oorlog (aan moslims). Hierop verdreef an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Banū’n-Naḍīr uit Madīnah. De Qurayẓah stam mocht aanvankelijk blijven en (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toonde hen genade, totdat de Qurayẓah (opnieuw) de oorlog verklaarde. Toen liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hun mannen doden, behalve degenen die bij hem toevlucht zochten, in hem geloofden en moslim werden. Hun vrouwen, kinderen en bezittingen werden onder de moslims verdeeld.

Uiteindelijk werden alle joodse stammen uit Madīnah verdreven: de stam van Banū Qaynuqāʿ, de stam van ʿAbdullāh ibn Salām en Banū Ḥārithah, kortom, hij alle joodse stammen werden uit Madīnah verdreven.”

[De joden hielden zich niet aan hun beloften. Toen zij zagen dat de groeiende invloed van de Islām in Madīnah hun eigen gezag zou ondermijnen, sloten zij zich aan bij de Quraysh. Vooral de meest agressieve stam, Banū Qaynuqāʿ, werd als eerste aangepakt. Daarna werden ook de andere stammen, één voor één, ter verantwoording geroepen en kregen zij hun terechtwijzing.] (HY)

Het is toegestaan om te strijden tegen degenen die een verdrag hebben geschonden. Eveneens is het toegestaan om de bewoners van een vesting zich te laten onderwerpen aan het oordeel van een rechtvaardige en deskundige rechter die bevoegd is om recht te spreken

جواز قتال من نقض العهد، وجواز إِنزال أهل الحصن على حكم حاكم عدل أهل للحكم

١١٥٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ بَنُو قُرَيْظَةَ عَلَى حُكْمِ سَعْدٍ، هُوَ ابْنُ مُعَاذٍ، بَعَثَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَكَانَ قَرِيبًا مِنْهُ، فَجَاءَ عَلَى حِمَارٍ، فَلَمَّا دَنَا قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قُومُوا إِلَى سَيِّدِكُمْ فَجَاءَ فَجَلَسَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ لَهُ: إِنَّ هؤُلاَءِ نَزَلُوا عَلَى حُكْمِكَ قَالَ: فَإِنِّي أَحْكُمُ أَنْ تُقْتَلَ الْمُقَاتِلَةُ، وَأَنْ تُسْبَى الذُّرِّيَّةُ قَالَ: لَقَدْ حَكَمْتَ فِيهِمْ بِحُكْمِ الْمَلِكِ

1155. Van Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنه):(Na de slag bij al-Khandaq) stemden de joden van Banū Qurayẓah ermee in zich te onderwerpen aan het oordeel van Saʿd ibn Muʿādz. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde een boodschapper om Saʿd te halen. Sa`d bevond zich in de nabijheid en kwam aangereden op een ezel. Toen hij in de buurt (van de masjid) was, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (tegen de Anṣār): ‘Sta op voor jullie leider’ Hij naderde, ging naast Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zitten. Toen zei hij tegen hem: “Deze mensen hebben zich aan jouw oordeel onderworpen.” Hij zei daarop: “Dan oordeel ik dat de strijders gedood moeten worden en de vrouwen en kinderen tot gevangenen genomen zullen worden.”Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Je hebt geoordeeld met het oordeel van Allāh al-Mālik (de Koning)

[al-Mālik is een van de Namen van Allāh. Volgens de grondwet van Madīnah hadden de joden de status van staatsburgers.

De Banū Qurayẓah werden echter ter dood gebracht wegens hoogverraad, omdat zij tijdens het beleg van Madīnah hulp aan de vijand hadden geboden. Volgens de Tawrāh werd een soortgelijk oordeel bij verraad ook toegepast, zoals vermeld in Deuteronomium 20:10–15.] (AFK)

١١٥٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: أُصِيبَ سَعْدٌ يَوْمَ الْخَنْدَقِ، رَمَاهُ رَجُلٌ مِنْ قَرَيْشٍ يُقَالُ لَهُ حِبَّانُ بْنُ الْعَرِقَةِ، رَمَاهُ فِي الأَكْحَلِ، فَضَرَبَ النَّبِيُّ ﷺ خَيْمَةً فِي الْمَسْجِدِ لِيَعُودَهُ مِنْ قَرِيبٍ، فَلمَّا رَجَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنَ الْخَنْدَقِ وَضَعَ السِّلاَحَ واغْتَسَلَ، فَأَتَاهُ جِبْرِيلُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ وَهُوَ يَنْفُضُ رَأْسَهُ مِنَ الْغُبَارِ، فَقَالَ: قَدْ وَضَعْتَ السِّلاَحَ وَاللهِ مَا وَضَعْتُهُ، اخْرُجْ إِلَيْهِمْ قَالَ النَبِيُّ ﷺ: فَأَيْنَ فَأَشَارَ إِلَى بَنِي قُرَيْظَةَ فَأَتَاهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَنَزَلُوا عَلَى حُكْمِهِ، فَرَدَّ الْحُكْمَ إِلَى سَعْدٍ قَالَ: فَإِنِّي أَحْكُمُ فِيهِمْ أَنْ تُقْتلَ الْمُقَاتِلَةُ، وَأَنْ تُسْبَى النِّسَاءُ وَالذُّرِّيَّةُ، وَأَنْ تُقْسَمَ أَمْوَالُهُمْ1156. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Saʿd ibn Muʿādz raakte gewond tijdens de Slag van de Gracht (Khandaq).

Een Qurayshiet, genaamd Ḥibbān ibn al-ʿAriqāʾ, schoot een pijl af die een slagader in zijn bovenarm trof. Daarop liet Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) in de moskee een tent opzetten om hem persoonlijk te verzorgen. Toen Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) (na afloop) van de Slag van de Gracht terugkeerde, legde hij zijn wapens neer en ging zich wassen (ghusl).

Terwijl hij het stof van zich afschudde, kwam Jibrīl (عليه السلام) bij hem en zei: ‘Heb jij je wapens neergelegd? Bij Allāh, ik heb de mijne nog niet neergelegd! Trek tegen hen op!’ Hij vroeg: ‘Naar wie?’ Hij wees in de richting van Banū Qurayẓah. Daarop trok Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) tegen hen ten strijde. Uiteindelijk (gaven zij zich over en) onderwierpen zich aan zijn oordeel. Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) droeg het oordeel over aan Saʿd ibn Muʿādz, en die zei: ‘Ik oordeel dat hun strijders worden gedood, hun vrouwen en kinderen tot slaaf worden gemaakt en hun bezittingen worden verdeeld.’

[Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was (op het moment van Saʿds (رضي الله عنه) overleed) niet bij hem aanwezig. Toen kwam Jibrīl عليه السلام naar hem toe en zei: “O Muhammed, wie is deze vrome dienaar, voor wie de poorten van de hemel zijn geopend zodat zijn geest (rûh) kon opstijgen, en vanwege wiens komst de Troon van ar-Raḥmān beefde?”Daarop haastte Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich naar Saʿd, maar trof hem reeds overleden aan.Saʿd werd verzorgd in de tent van Rufaydah al-Anṣāriyyah (رضي الله عنها), een weldoenende vrouw die zich over de eenzame gewonden onder de moslims ontfermde en hen met oprechte toewijding aan Allāh persoonlijk verzorgde. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf opdracht om Saʿd naar de tent van Rufaydah over te brengen, zodat zijn bezoek gemakkelijker kon plaatsvinden. Hij bezocht hem daar regelmatig, zowel 's ochtends als 's avonds, om naar zijn toestand te informeren en hem op te beuren.Uit deze ḥadīth blijkt dat Allāhu تعالى de moslims daadwerkelijk heeft geholpen met een leger van engelen.] (HY)

١١٥٧ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ سَعْدًا قَالَ: اللهُمَّ إِنَّكَ تَعْلَمُ أَنَّهُ لَيْسَ أَحَدٌ أَحَبَّ إِلَيَّ أَنْ أُجَاهِدَهُمْ فِيكَ مِنْ قَوْمٍ كَذَّبُوا رَسُولَكَ ﷺ وَأَخْرَجُوهُ؛ اللهُمَّ فَإِنِّي أَظُنُّ أَنَّكَ قَدْ وَضَعْتَ الْحَرْبَ بَيْنَنَا وَبَيْنَهُمْ، فَإِنْ كَانَ بَقِيَ مِنْ حَرْبِ قرَيْشٍ شَيْءٌ فَأَبْقِنِي لَهُ حَتَّى أُجَاهِدَهُمْ فِيكَ؛ وَإِنْ كُنْتَ وَضَعْتَ الْحَرْبَ فَافْجُرْهَا وَاجْعَلْ مَوْتَتِي فِيهَا فَانْفَجَرَتْ مِنْ لَبَّتِهِ فَلَمْ يَرُعْهُمْ، وَفِي الْمَسْجِدِ خَيْمَةٌ مِنْ بَنِي غِفَارٍ، إِلاَّ الدَّمُ يَسِيلُ إِلَيْهِمْ فَقَالُوا: يَا أَهْلَ الْخَيْمَةِ مَا هذَا الَّذِي يأْتِينَا مِنْ قِبَلِكُمْ فَإِذَا سَعْدٌ يَغْذُو جُرْحُهُ دَمًا، فَمَاتَ مِنْهَا ﵁1157.

Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):(Toen Saʿd ibn Muʿādz zwaar gewond raakte, smeekte hij Allah en) zei: “O Allāh! Voorzeker, U weet dat er niemand is tegen wie ik liever omwille van U strijd dan een volk dat Uw Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) heeft verloochend en hem heeft verdreven.O Allāh! Ik denk dat U de oorlog tussen ons en hen tot een einde hebt gebracht. Als er echter nog iets van de strijd tegen de Quraysh is overgebleven, laat mij dan leven zodat ik hen omwille van U kan bestrijden. En als U de oorlog al hebt beëindigd, laat mijn wond openspringen en maak mijn dood daarvan.”Daarop sprong zijn wond in zijn nek open, en de mensen in de moskee werden verrast doordat er bloed naar hen stroomde.

In de moskee stond namelijk een tent van Banū Ghifār, en zij riepen:“O bewoners van de tent, wat is dat wat van jullie naar ons toe stroomt?”En zie, het was het bloed van Saʿd dat uit zijn wond vloeide. En niet veel later stierf hij daar. Moge Allah tevreden zijn met hem رضي الله عنه

Wanneer iemand aan een verplichting is gebonden en er vervolgens een andere verplichting bijkomt من لزمه أمر فدخل عليه أمر آخر١١٥٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لَنَا، لَمَّا رَجَعَ مِنَ الأَحْزَابِ: لاَ يُصَلِّيَنَّ أَحَدٌ الْعَصْرَ إِلاَّ فِي بَنِي قُرَيْظَةَ فَأَدْرَكَ بَعْضُهُمُ الْعَصْرَ فِي الطَّرِيقِ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: لاَ نُصَلِّي حَتَّى نَأْتِيَهَا وقَالَ بَعْضُهُمْ: بَلْ نُصَلِّي، لَمْ يُرَدْ مِنَّا ذلِكَ فَذُكِرَ لِلنَبِيِّ ﷺ، فَلَمْ يُعَنِّفْ وَاحِدًا مِنْهُمْ

1158 - Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Toen Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) terugkwam van (de Slag van) de Aḥzāb (Khandaq), zei hij tegen ons: ‘Laat iedereen zijn ṣalāh al-ʿaṣr verrichten, in het gebied van Banū Qurayẓah!’ Sommigen van ons verrichtten de ṣalāh onderweg, terwijl anderen zeiden: ‘Wij verrichten de ṣalāh pas als wij daar zijn aangekomen.’Anderen zeiden: “Nee, wij verrichten de ṣalāh (nu), want dat was niet letterlijk van ons gevraagd (om de ṣalāh te verlaten).”Toen deze zaak aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd voorgelegd, berispte hij geen van beiden groepen.”

[Dit betekent dat van ons alleen wordt gevraagd zo snel mogelijk Banū Qurayẓah te bereiken.

Het betekent niet dat we de ṣalāh al-ʿaṣr niet mogen verrichten, ook al is de tijd daarvoor aangebroken. Want het kan voorkomen dat wanneer we Banū Qurayẓah bereiken, de tijd voor de ṣalāh al-ʿaṣr al verstreken is.] (AFK)

Wanneer de Muhājirūn door de behaalde veroveringen voldoende voorzien zijn en geen behoefte meer hebben, moeten de bomen en opbrengsten die de Anṣār eerder aan hen hadden gegeven, weer aan de Anṣār worden teruggegeven

رد المهاجرين إِلى الأنصار منائحهم من الشجر والثمر حين استغنوا عنها بالفتوح

١١٥٩ - حديث أنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا قَدِمَ الْمُهَاجِرُونَ الْمَدِينَةَ مِنْ مَكَّةَ، وَلَيْسَ بِأَيْدِيهِمْ، يَعْني شَيْئًا؛ وَكَانَتِ الأَنْصَارُ أَهْلَ الأَرْضِ وَالْعَقَارِ فَقَاسَمَهُمُ الأَنْصَارُ عَلَى أَنْ يُعْطُوهُمْ ثِمَارَ أَمْوَالِهِمْ كُلَّ عَامٍ، وَيَكْفُوهُمُ الْعَمَلَ وَالْمَئُونَةَ؛ وَكَانَتْ أُمُّهُ، أُمُّ أَنَسٍ، أُمُّ سُلَيْمٍ، كَانَتْ أُمَّ عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي طَلْحَةَ، فَكَانَتْ أَعْطَتْ أُمُّ أَنَسٍ رَسُولَ اللهِ ﷺ عِذَاقًا، فَأَعْطَاهُنَّ النَّبِيُّ ﷺ أُمَّ أَيْمَنَ مَوْلاَتَهُ، أُمَّ أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ وَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ لَمَّا فَرَغَ مِنْ قَتْلِ أَهْلِ خَيْبَرَ، فَانْصَرَفَ إِلَى الْمَدِينَةِ، رَدَّ الْمُهَاجِرُونَ إِلَى الأَنْصَارِ مَنَائِحَهُمُ الَّتِي كَانُوا مَنَحُوهُمْ مِنْ ثِمَارِهِمْ، فَرَدَّ النَّبِيُّ ﷺ إِلَى أُمِّهِ عِذَاقَهَا، وَأَعْطَى رَسُولُ اللهِ ﷺ أُمَّ أَيْمَنَ مَكَانَهُنَّ مِنْ حَائِطِهِ

1159.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen de Muhājirūn van Makkah naar Madīnah emigreerden, hadden zij geen bezittingen. De Anṣār daarentegen waren eigenaren van land en onroerend goed.

Daarom stelden de Anṣār voor om jaarlijks de opbrengst van hun land met hen te delen en gezamenlijk het land te bewerken.De moeder van Anas, was tevens de moeder van ʿAbdullāh, de zoon van Abū Ṭalḥah, Ummu Sulaym, gaf in die tijd (de oogst van haar) dadelpalmen aan Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم).Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) schonk deze vervolgens aan de moeder van Usāmah ibn Zayd en aan zijn vrijgelatene Ummu Ayman.Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terugkeerde naar Madīnah na de veldtocht tegen de mensen van Khaybar, schonken de Muhājirūn de palmen die zij uit hun opbrengst aan de Anṣār hadden gegeven, weer aan hen terug.

Daarna gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de dadelpalmen van de moeder van Anas aan haar terug, en in plaats daarvan schonk hij Ummu Ayman bomen uit zijn eigen boomgaard.

[De vrouwelijke metgezellen die in deze ḥadīth genoemd worden — Ummu Anas, Ummu Sulaym en Ummu `Abdullah ibn Abī Ṭalḥah رضي الله عنها — zijn drie verschillende kunya’s van één en dezelfde vrouw, wiens naam Sahlah of Mulaykah was.

Zij behoorde tot de Anṣār, specifiek tot de stam van Banū an-Najjār, en was een van de eerste vrouwen in Madīnah die de Islām omarmden. Zij was tevens de zus van de vrouwelijke metgezellin Ummu Ḥarām رضي الله عنها.

Aanvankelijk was zij gehuwd met Mālik, waaruit haar zoon Anas werd geboren. Omdat zij samen met haar stam de Islām aannam, werd Mālik boos en vertrok naar de regio Shām, waar hij als ongelovige overleed. Na de dood van Mālik huwde zij Ummu Sulaym met Abū Ṭalḥah, en uit dit huwelijk werd `Abdullah geboren..] (HY)

١١٦٠ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَ الرَجُلُ يَجْعَلُ لِلنَّبِيِّ ﷺ النَّخَلاَتِ، حَتَّى افْتَتَحَ قُرَيْظَةَ وَالنَّضِيرَ وَإِنَّ أَهْلِي أَمَرُونِي أَنْ آتِيَ النَّبِيَّ ﷺ فَأَسْأَلَهُ الَّذِينَ كَانُوا أَعْطَوْهُ أَوْ بَعْضَهُ؛ وَكَانَ النَّبِيُّ ﷺ قَدْ أَعْطَاهُ أُمَّ أَيْمَنَ؛ فَجَاءَتْ أُمُّ أَيْمَنَ فَجَعَلتِ الثَّوْبَ فِي عُنُقِي، تَقُولُ: كَلاَّ وَالَّذِي لا إِلهَ إِلاَّ هُوَ لاَ يُعْطِيكَهُمْ وَقَدْ أَعْطَانِيَها أَوْ كَمَا قَالَتْ وَالنَّبِيُّ ﷺ يَقُولُ: لَكِ كَذَا وَتَقُولُ: كَلاَّ وَاللهِ حَتَّى أَعْطَاهَا عَشَرَةَ أَمْثَالِهِ، أَوْ كَمَا قَالَ1160 – Van Anas (رضي الله عنه):Er was een man (een Ansārī) die (de opbrengst van zijn) dadelpalmen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schonk. (Dit bleef zo) totdat (de stammen) Qurayẓah en an-Naḍīr waren veroverd. Mijn familie stuurde mij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hem te vragen of degenen (aan wie een deel van de opbrengst van de bomen) was gegeven, een deel daarvan zouden teruggeven. Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had (deze opbrengst) al aan Ummu Ayman gegeven. Toen Ummu Ayman kwam, legde ze een doek om mijn nek en zei: “Nee, bij Hem buiten Wie er geen godheid is!

Hij zal ze niet aan jou geven, nadat hij ze aan mij heeft gegeven!”, of iets dergelijks zei ze.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei daarop tegen haar: “Voor jou is dit en dat,” maar zij bleef volhouden: “Nee, bij Allāh!” Uiteindelijk gaf hij haar het tienvoudige van wat zij al had, of iets dergelijks. zei hij.

Voedsel nemen uit vijandelijk gebied

أخذ الطعام من أرض العدو

١١٦١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مُغَفَّلٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا مُحَاصِرِينَ قَصْرَ خَيْبَرَ، فَرَمَى إِنْسَانٌ بِجِرَابٍ فِيهِ شَحْمٌ، فَنَزَوْتُ لآخُذَهُ، فَالْتَفَتُّ فَإِذَا النَّبِيُّ ﷺ، فَاسْتَحْيَيْتُ مِنْهُ

1161. Van ʿAbdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه): Wij belegerden de vesting van Khaybar. Er werd een leren zak gevuld met vet naar buiten gegooid. Ik rende erop af om hem te bemachtigen. Toen ik achterom keek, zag ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en schaamde mij tegenover hem.”

De brief van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan Heraclius waarin hij wordt uitgenodigd tot de Islam

كتاب النبي ﷺ إلى هرقل يدعوه إلى الإسلام

١١٦٢ - حديث أَبِي سُفْيَانَ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: حَدَّثَنِي أَبُو سُفْيَانَ، مِنْ فِيهِ إِلَى فِيَّ، قَالَ: انْطَلَقْتُ فِي الْمُدَّةِ الَّتِي كَانَتْ بَيْنِي وَبَيْنَ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: فَبَيْنَا أَنَا بِالشَّامِ إِذْ جِيءَ بِكِتَابٍ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ إِلَى هِرَقْلَ قَالَ: وَكَانَ دِحْيَةُ الْكَلْبِيُّ جَاءَ بِهِ، فَدَفَعَهُ إِلَى عَظِيمِ بُصْرَى، فَدَفَعَهُ عَظِيمُ بُصْرَى إِلَى هِرَقْلَ قَالَ: فَقَالَ هِرَقْل: هَلْ ههُنَا أَحَدٌ مِنْ قَوْمِ هذَا الرَّجُلِ الَّذِي يَزْعُمُ أَنَّهُ نَبِيٌّ فَقَالُوا: نَعَمْ قَالَ: فَدُعِيتُ فِي نَفَرٍ مِنْ قُرَيْشٍ، فَدَخَلْنَا عَلَى هِرَقْلَ، فَأَجْلَسَنَا بَيْنَ يَدَيْهِ؛ فَقَالَ: أَيُّكُمْ أَقْرَبُ نَسَبًا مِنْ هذَا الرَّجُلِ الَّذِي يَزْعُمُ أَنَّهُ نَبِيٌّ فَقَالَ أَبُو سُفْيَانَ: فَقُلْتُ: أَنَا فَأَجْلَسُونِي بَيْنَ يَدَيْهِ، وَأَجْلَسُوا أَصْحَابِي خَلْفِي ثُمَّ دَعَا بِتُرْجُمَانِهِ، فَقَالَ قُلْ لَهُمْ: إِنِّي سَائِلٌ هذَا عَنْ هذَا الرَّجُلِ الَّذِي يَزْعُمُ أَنَّهُ نَبِيٌّ، فَإِنْ كَذَبنِي فَكَذِّبُوهُ قَالَ أَبُو سُفْيَانَ: وَايْمُ اللهِ لَوْلاَ أَنْ يُؤْثِرُوا عَلَيَّ الْكَذِبَ لَكَذَبْتُ ثُمَّ قَالَ لِتُرْجُمَانِهِ: سَلْهُ كَيْفَ حَسَبُهُ فِيكُمْ قَالَ: قُلْتُ هُوَ فِينَا ذُو حَسَبِ قَالَ: فَهَلْ كَانَ مِنْ آبائِهِ مَلِكٌ قَالَ: قُلْتُ لا فَهَلْ كُنْتُمْ تَتَّهِمُونَهُ بِالْكَذِبِ قَبْلَ أَنْ يَقُولَ مَا قَالَ قُلْتُ لاَ قَالَ: أَيَتَّبِعُهُ

أَشْرَافُ النَّاسِ أَمْ ضُعَفَاؤُهُمْ قَالَ: قُلْتُ بَلْ ضعَفَاؤُهُمْ قَالَ: يَزِيدُونَ أَوْ يَنْقُصُونَ قَالَ: قُلْتُ لاَ، بَلْ يَزِيدُونَ قَالَ: هَلْ يَرْتَدُّ أَحَدٌ مِنْهُمْ عَنْ دِينِهِ بَعْدَ أَنْ يَدْخُلَ فِيهِ سَخْطَةً لَهُ قَالَ: قُلْتُ لاَ

قَالَ: فَهَلْ قَاتَلْتُمُوهُ قَالَ: قُلْتُ نَعَمْ قَالَ: فَكَيْفَ كَانَ قِتَالُكُمْ إِيَّاهُ قَالَ: قُلْتُ تَكُونُ الْحَرْبُ بَيْنَنَا وَبَيْنَهُ سِجَالًا، يُصِيبُ مِنَّا وَنصِيبُ مِنْهُ قَالَ: فَهَلْ يَغْدِرُ قَالَ: قُلْتُ لاَ، وَنَحْنُ مِنْهُ فِي هذِهِ الْمُدَّةِ لاَ نَدْرِي مَا هُوَ صَانِعٌ فِيها قَالَ: وَاللهِ مَا أَمْكَنَنِي مِنْ كَلِمَةٍ أُدْخِلُ فِيهَا شَيْئًا غَيْرَ هذِهِ قَالَ: فَهَلْ قَالَ هذَا الْقَوْلَ أَحَدٌ قَبْلَهُ قُلْتُ لا

ثُمَّ قَالَ لِتُرْجُمَانِهِ: قلْ لَهُ: إِنِّي سَأَلْتُكَ عَنْ حَسَبِهِ فِيكُمْ فَزَعَمْتَ أَنَّهُ فِيكُمْ ذُو حَسَبٍ، وَكَذلِكَ الرُّسُلُ تُبْعَثُ فِي أَحْسَابِ قَوْمِهَا وَسَأَلْتُكَ هَلْ كَانَ فِي آبائِهِ مَلِكٌ، فَزَعَمْتَ أَنْ لاَ فَقُلْتُ لَوْ كَانَ مِنْ آبَائِهِ مَلِكٌ قُلْتُ رَجُلٌ يَطْلُبُ مُلْكَ آبائِهِ وَسَأَلْتُكَ عَنْ أَتْبَاعِهِ، أَضُعَفَاؤُهُمْ أَمْ أَشْرَافُهُمْ فَقُلْتَ بَلْ ضُعَفَاؤُهُمْ وَهُمْ أَتْبَاعُ الرُّسُلِ وَسَأَلْتُكَ هَلْ كُنْتُمْ تَتَّهِمُونَهُ بِالْكَذِبِ قَبْلَ أَنْ يَقُولَ مَا قَالَ فَزَعَمْتَ أَنْ لاَ فَعَرَفْتُ أَنَّهُ لَمْ يَكُنْ لِيَدَعَ الْكَذِبَ علَى النَّاسِ ثُمَّ يَذْهَبَ فَيَكْذِبَ عَلَى اللهِ وَسَأَلْتُكَ هَلْ يَرْتَدُّ أَحَدٌ مِنْهُمْ عَنْ دِينِهِ بَعْدَ أَنْ يَدخُلَ فِيهِ سَخْطَةً لَهُ فَزَعَمْتَ أَنْ لاَ وَكَذلِكَ الإِيمَانُ إِذَا خَالَطَ بَشَاشَةَ الْقُلُوبِ وَسَأَلْتُكَ هَلْ يَزِيدُونَ أَمْ يَنْقُصُونَ فَزَعَمْتَ أَنَّهُمْ يَزِيدُونَ وَكَذلِكَ الإِيمَانُ حَتَّى يَتِمَّ وَسَأَلْتُكَ هَلْ قَاتَلْتُمُوهُ فَزَعَمْتَ أَنَّكُمْ قَاتَلْتُمُوهُ، فَتَكُونُ الْحَرْبُ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَهُ سِجَالًا، يَنَالُ مِنْكُمْ وَتَنَالُونَ مِنْهُ وَكَذلِكَ الرُّسُلُ تُبْتَلَى ثُمَّ تَكُونُ لَهُمُ الْعاقِبَةُ وَسَأَلْتكَ هَلْ يَغْدِرُ فَزَعَمْتَ أَنَّهُ لاَ يَغْدِرُ وَكَذلِكَ الرُّسُلُ لاَ تَغْدِرُ وَسَأَلْتُكَ هَلْ قَالَ أَحَدٌ هذَا الْقَوْلَ

قَبْلَهُ فَزَعَمْتَ أَنْ لاَ فَقُلْتُ لَوْ كَانَ قَالَ هذَا الْقَوْلَ أَحَدٌ قَبْلَهُ قُلْتُ رَجُلٌ ائْتَمَّ بِقَوْلٍ قِيلَ قَبْلَهُ قَالَ: ثُمَّ قَالَ بِمَ يَأْمُرُكُمْ قَالَ: قُلْتُ يَأْمُرُنَا بِالصَّلاَةِ وَالزَّكَاةِ وَالصِّلَةِ وَالْعَفَافِ قَالَ: إِنْ يَكُ مَا تَقُولُ فِيهِ حَقًّا فَإِنَّهُ نَبِيٌّ وَقَدْ كُنْتُ أَعْلَمُ أَنَّهُ خَارِجٌ وَلَمْ أَكُ أَظُنُّهُ مِنْكُمْ وَلَوْ أَنِّي أَعْلَمُ أَنِّي أَخْلُصُ إِلَيْهِ لأَحْبَبْتُ لِقَاءَهُ وَلَوْ كُنْتُ عِنْدَهُ لَغَسَلْتُ عَنْ قَدَمَيْهِ وَلَيَبْلُغَنَّ مُلْكُهُ مَا تَحْتَ قَدَمَيَّ قَالَ: ثُمَّ دَعَا بِكِتَابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَرَأَهُ، فَإِذَا فِيهِ: بِسْمِ اللهِ الرَحْمنِ الرَّحِيمِ، مِنْ مُحَمَّدٍ رَسُولِ اللهِ إِلَى هِرَقْلَ عَظِيمِ الرُّومِ سَلاَمٌ عَلَى مَنِ اتَّبَعَ الْهُدَى أَمَّا بَعْدُ فإِنِّي أَدْعُوكَ بِدِعَايَةِ الإِسْلاَمِ، أَسْلِمْ تَسْلَمْ، وَأَسْلِمْ يُؤْتِكَ اللهُ أَجْرَكَ مَرَّتَيْنِ، فَإِنْ تَوَلَّيْتَ فَإِنَّ عَلَيْكَ إِثْمَ الأَرِيسِيِّينَ (وَيَا أَهْلَ الْكِتَابِ تَعَالَوْا إِلَى كَلِمَةٍ سَوَاءٍ بَيْنَنَا وَبَيْنَكُمْ أَنْ لاَ نَعْبُدَ إِلاَّ اللهَ) إِلَى قَوْلِهِ (اشْهَدُوا بِأَنَّا مُسْلِمُونَ)

فَلَمَّا فَرَغَ مِنْ قِرَاءَةِ الْكِتَابِ ارْتَفَعَتِ الأَصْوَاتُ عِنْدَهُ، وَكَثُرَ اللَّغَطُ، وَأُمِرَ بِنَا فَأُخْرِجْنَا

قَالَ: فَقُلْتُ لأَصْحَابِي حِينَ خَرَجْنَا: لَقَدْ أَمِرَ أَمْرُ ابْنِ أَبِي كَبْشَةَ، إِنَّهُ لَيَخَافُهُ مَلِكُ بَنِي الأَصْفَر فَمَا زِلْتُ مُوقِنًا بِأَمْرِ رَسُولِ اللهِ ﷺ أَنَّهُ سَيَظْهَرُ حَتَّى أَدْخَلَ اللهُ عَلَيَّ الإِسْلاَمَ

1162. Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Abū Sufyān ibn Ḥarb vertelde mij, rechtstreeks mond-op-mond, en zei:“Ik ging op weg in de periode van het bestand dat tussen mij en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was (de vredesovereenkomst van al-Ḥudaybiyyah). Terwijl ik in Shām was, werd er een brief van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebracht aan Heraklius. Die brief werd gebracht door Dihya ibn Khalīfah al-Kalbī, die het aan de leider van Busra (Hāris ibn Abī Shamir al-Ghassānī) had overhandigd, en die had het op zijn beurt aan Heraklius gegeven.Heraklius zei toen: ‘Is er iemand hier uit het volk van deze man die beweert dat hij een profeet is?’Ze zeiden: ‘Ja.’Toen werd ik (Abū Sufyān) samen met een groep van de Quraysh opgeroepen. We gingen bij Heraklius naar binnen, en hij liet ons voor zich zitten. Toen vroeg hij: ‘Wie van jullie heeft de meeste verwantschap met deze man die beweert dat hij een profeet is?’Ik zei: ‘Ik ben het.’ Toen liet hij mij voor zich zitten en mijn metgezellen achter mij. Daarna liet hij zijn tolk komen en zei tegen hem: ‘Zeg tegen hen: Ik ga deze man vragen stellen over degene die beweert een profeet te zijn. Als hij liegt, moeten jullie hem tegenspreken.’Abū Sufyān zei: Bij Allāh! Als liegen niet als schande bij mijn mensen zou gelden, had ik gelogen.Toen vroeg hij zijn tolk: ‘Vraag hem: Hoe is zijn nageslacht onder jullie?’- ‘Hij heeft een voortreffelijke nageslacht onder ons.’- ‘Is er een koning onder zijn voorouders geweest?’- ‘Nee.’- ‘Hebben jullie hem ooit van leugens beschuldigd vóór hij verkondigde wat hij nu zegt?’- ‘Nee.’ - ‘Volgen de edelen of de zwakken hem?’- ‘De zwakken.’- ‘Vermeerdert of vermindert hun aantal?’- ‘Nee, het vermeerdert alleen maar.’- ‘Verzaakt er iemand van hen van zijn geloof uit ontevredenheid nadat hij het heeft aangenomen?’- ‘Nee.’- ‘Hebben jullie oorlog tegen hem gevoerd?’- ‘Ja.’- ‘Hoe verliep jullie strijd?’- ‘De strijd ging wisselend: soms overwon hij, en soms wij.’ - ‘Pleegt hij verraad?’- ‘Nee.

Wij verkeren op dit moment in een wapenstilstand met hem, en we weten niet wat hij zal doen.’ (Abū Sufyān voegde eraan toe:) Bij Allāh, ik kon in mijn woorden niets inbrengen behalve deze opmerking.- ‘Heeft iemand vóór hem ooit zulke woorden gezegd?’- ‘Nee.’Toen zei Heraklius tegen de tolk: ‘Zeg hem: Ik vroeg jou over zijn nageslacht, en jij zei dat hij een edele nageslacht heeft. Zo worden de boodschappers gezonden, uit de meest edele families van hun volk. En ik vroeg jou of er een koning onder zijn voorouders was, en jij zei van niet. Als hij een koninklijke nageslacht had gehad, zou ik gezegd hebben: “Hij zoekt het koninkrijk van zijn voorvaderen.”Ik vroeg of jullie hem van leugens beschuldigden vóór hij begon te verkondigen, en je zei van niet. Ik begreep daaruit dat hij niet de mensen zou verlaten wat betreft leugens om vervolgens over Allāh te liegen.Ik vroeg jou of zijn volgelingen de edelen of zwakken zijn, en je zei: ‘De zwakken’, en zij zijn de volgelingen van de boodschappers.Ik vroeg jou of hun aantal toeneemt of afneemt, en je zei: ‘Het neemt toe.’ Zo is het met het geloof: het blijft toenemen totdat het compleet is.Ik vroeg of iemand van hen afvallig wordt uit afkeer nadat hij de religie heeft aangenomen, en je zei van niet. Zo is het met het geloof wanneer het de harten binnendringt.Ik vroeg jou of hij verraad pleegt, en je zei van niet. Zo zijn de boodschappers: zij verraden niet.Ik vroeg of iemand anders vóór hem hetzelfde had gezegd, en je zei van niet.

Als iemand vóór hem dat wel had gedaan, zou ik gezegd hebben dat hij zich aansluit bij iets wat eerder al gezegd werd.Daarna vroeg ik: ‘Wat draagt hij jullie op?’ Jij zei: ‘Hij draagt ons op tot de ṣalāh, de zakāh, het onderhouden van familiebanden en kuisheid.’Als wat je zegt waar is, dan is hij inderdaad een profeet. Ik wist al dat er een profeet zou komen, maar ik had niet gedacht dat hij uit jullie midden zou komen. Als ik zeker wist dat ik hem zou kunnen bereiken, zou ik hem graag ontmoeten. En als ik bij hem zou zijn, zou ik zijn voeten wassen. En zijn koninkrijk zal zich zeker uitbreiden tot onder mijn voeten.’Toen liet hij de brief van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) brengen en liet hem voorlezen. Daarin stond:“In de Naam van Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle. Van Muhammed, de Boodschapper van Allāh, aan Heraklius, de grootvorst van Byzantium. Vrede zij met degene die de leiding volgt. Vervolgens: Ik nodig jou uit met de oproep van de Islām: aanvaard de Islām en je zult veilig zijn. Aanvaard de Islām en Allāh zal je beloning dubbel geven. Maar als je je afwendt, dan rust op jou de zonde van je onderdanen.

قُلۡ يَٰٓأَهۡلَ ٱلۡكِتَٰبِ تَعَالَوۡاْ إِلَىٰ كَلِمَةٖ سَوَآءِۭ بَيۡنَنَا وَبَيۡنَكُمۡ أَلَّا نَعۡبُدَ إِلَّا ٱللَّهَ وَلَا نُشۡرِكَ بِهِۦ شَيۡـٔٗا وَلَا يَتَّخِذَ بَعۡضُنَا بَعۡضًا أَرۡبَابٗا مِّن دُونِ ٱللَّهِۚ فَإِن تَوَلَّوۡاْ فَقُولُواْ ٱشۡهَدُواْ بِأَنَّا مُسۡلِمُونَ ٦٤

Zeg:”O mensen van het Boek, laten wij komen tot een gemeenschappelijk woord tussen ons en jullie:dat wij Allāh alleen aanbidden,dat wij niets naast Hem plaatsen,en dat wij elkaar niet tot heren nemen naast Allāh.”En als zij zich afwenden, zeg dan:“Getuig dat wij moslims zijn.” (sûrah Āl ʿImrān: 64)

Toen hij klaar was met het lezen van de brief, verhieven de stemmen zich rondom hem, en het geroezemoes nam toe. We werden bevolen het vertrek te verlaten.Abū Sufyān zei: “Toen we naar buiten gingen, zei ik tegen mijn metgezellen: ‘Waarlijk, de zaak van Ibn Abī Kabshah* (bedoeld: Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is serieus geworden. Zelfs de koning van de Byzantijnen vreest hem! Ik bleef ervan overtuigd dat de zaak van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou zegevieren, totdat Allāh de Islām in mijn hart bracht.’”

[* Abī Kabshah, Wahb ibn ʿAbd al-Manāf, was de grootvader van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) van moederszijde, over wie overgeleverd is dat hij sterk op hem leek, was. Zijn kunyah was Abū Kabshah.

De polyteisten van Quraysh legden een verband met deze persoon en noemden Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarom ‘Ibn Abī Kabshah’.] (AYK)

[De christelijke leider van Shām en gouverneur van Iliyā’ (Bayt al-Maqdis), en een vriend van Heraclius, genaamd Ibn an-Nātūr, was in die dagen bezorgd en bedrukt. Enkele Romeinse generaals zeiden tegen hem: “Wij vinden jouw toestand niet goed.” Ibn an-Nātūr zei: “Heraclius was een sterrenwichelaar. Toen wij hem vroegen, zei hij: ‘Ik zag vannacht in de sterren dat de leider van degenen die besneden zijn overwicht zou krijgen.’Zij vroegen: “Welke mensen binnen deze gemeenschap zijn besneden?” Hij antwoordde: “Behalve de joden is er niemand.” Zij zeiden: “Maak je geen zorgen over hen. Schrijf aan de gouverneurs van de steden onder jouw heerschappij dat zij de joden moeten doden.”Terwijl zij hiermee bezig waren, werd iemand naar Heraclius gebracht die namens de koning van Gassān nieuws kwam brengen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). Heraclius beval: “Ga na of deze man besneden is.” Ze onderzochten het en meldden dat hij besneden was. Vervolgens vroeg Heraclius of de Arabieren besneden zijn, waarop werd geantwoord dat dat zo is.Toen zei Heraclius: “Hij is het die de heerschappij over dit volk zal krijgen.” Daarna schreef Heraclius een brief aan een geleerde vriend in Rome, en hij vertrok naar Homs. Hij bleef daar totdat de brief terugkwam. Toen de brief aankwam en zijn vriend bevestigde dat de zending van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) echt was, nodigde Heraclius de leiders van het Byzantijnse rijk uit in zijn paleis en beval dat de deuren gesloten moesten worden. Daarna zei hij: “O mensen van Rome! Willen jullie succes, juistheid en behoud van jullie rijkdommen? Volg dan deze profeet!”Toen renden zij als wilde ezels naar de deuren, maar die waren gesloten. Heraclius zag hun afkeer en gaf het op. Hij zei: “Breng ze terug. Wat ik zojuist zei, was slechts om jullie trouw aan jullie religie te beproeven.

En ik heb gezien dat jullie daaraan vasthouden.” Daarop bogen zij voor hem neer en waren tevreden.] (AFK)

Slag bij Ḥunayn

في غزوة حنين

١١٦٣ - حديث الْبَرَاءِ، وَسَأَلَهُ رَجُلٌ: أَكُنْتُمْ فَرَرْتُمْ يَا أَبَا عُمَارَةَ يَوْمَ حُنَيْنٍ قَالَ: لاَ، وَاللهِ مَا وَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَلكِنَّهُ خَرَجَ شُبَّانُ أَصْحَابِهِ وَأَخِفَّاؤُهُمْ حُسَّرًا لَيْسَ بِسِلاَحٍ، فَأَتَوْا قَوْمًا رُمَاةً، جَمْعَ هَوَازِنَ وَبَنِي نَصْرٍ، مَا يَكَادُ يَسْقُطُ لَهُمْ سَهْمٌ، فَرَشَقُوهُمْ رَشْقًا مَا يَكَادُونَ يُخْطِئُون فَأَقْبَلُوا هُنَالِكَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَهُوَ عَلَى بَغْلَتِهِ الْبَيْضَاءِ وَابْنُ عَمِّهِ، أَبُو سُفْيَانَ بْنُ الْحارِثِ بْنِ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ يَقُودُ بِهِ؛ فَنَزَلَ وَاسْتَنْصَرَ؛ ثُمَّ قَالَ: أَنَا النَّبِيُّ لاَ كَذِبْ أَنَا ابْنُ عَبْدِ الْمُطَّلِبْ ثُمَّ صَفَّ أَصْحَابَهُ

1163 – Van al-Barā’ (رضي الله عنه):Een man vroeg hem: “Zijn jullie op de dag van (Slag bij) Ḥunayn gevlucht, o Abā ‘Umārah,?”Hij antwoordde: “Nee, bij Allāh, Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) is niet gevlucht. Maar zijn jonge en lichtgewapende metgezellen gingen vooruit, zonder voldoende bewapening, en kwamen een volk tegen dat (uitblonk als) boogschutters: het leger van Hawāzin en Banū Naṣr. Hun pijlen misten nauwelijks hun doel. Ze werden door hen met een regen van pijlen bestookt. (Daarop raakten degenen die optrokken in paniek en vluchtten).Toen keerden zij terug naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die op zijn witte muilezel zat, geleid door zijn neef, Abū Sufyān ibn al-Ḥārith ibn ʿAbd al-Muṭṭalib.

Vervolgens steeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) af, riep (Allāh) om hulp, en zei:‘Ik ben de Profeet, geen leugen (ik spreek de waarheid)! Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib!’ (O Allāh, zend Uw hulp neder!) (Bij Allāh, toen de strijd heviger werd, namen wij onze toevlucht tot hem. De dapperste onder ons was degene die naast hem bleef staan.) Daarna stelde hij zijn metgezellen op in slagorde.”

[Toen de moslims de vallei van Ḥunayn binnengingen, werden zij verrast door een hevige pijlaanval van de boogschutters van de stam Hawāzin, die zich in hinderlagen hadden verscholen. De aanval veroorzaakte grote verwarring en paniek onder de metgezellen, waardoor velen zich terugtrokken. In deze beproeving stond Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) onverstoorbaar en moedig, beheerst en vastberaden. Dankzij zijn standvastigheid kon de rechterflank van het leger gedeeltelijk standhouden.

Op dat moment liet zijn oom al-`Abbās (رضي الله عنه), die een krachtige stem had, op bevel van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) een oproep klinken:“O Anṣār die bij al-‘Aqabah trouw zwoeren! O metgezellen die onder de boom van Ridhwān hun belofte deden!”

Zij antwoordden met “Labbayk!” (Wij zijn aanwezig!) en snelden naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) toe. Zo werd het uiteengevallen leger opnieuw verzameld, werden de gevechtslinies hersteld en hervatte de strijd, totdat de overwinning uiteindelijk aan de moslims werd geschonken..] (HY)

١١٦٤ - حديث الْبَرَاءِ، وَسَأَلَهُ رَجُلٌ مِنَ قَيْسٍ: أَفَرَرْتُمْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَوْمَ حُنَيْنٍ فَقَالَ: لكِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمْ يَفِرَّ كَانَتْ هَوازِنُ رُمَاةً، وَإِنَّا لَمَّا حَمَلْنَا عَلَيْهِمْ انْكَشَفُوا فَأَكْبَبْنَا عَلَى الْغَنائِمِ، فَاسْتُقْبِلْنَا بِالسِّهَامِ وَلَقَدْ رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَلَى بَغْلَتِهِ الْبَيْضَاءَ، وَإِنَّ أَبَا سُفْيَانَ آخِذٌ بِزَمَامِهَا، وَهُوَ يَقُولُ: أَنَا النَّبِيُّ لا كَذِبْ1164 – Al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه):Hij werd gevraagd: “Ben je gevlucht van de zijde van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de Slag bij Ḥunayn?” Hij antwoordde: “(Ja, we vluchtten) maar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vluchtte niet.De stam Hawāzin was zeer bekwaam in het schieten van pijlen. Toen wij hen ontmoetten, richtten de moslims zich op de oorlogsbuit, maar zij bestookten ons met pijlen, waarna wij vluchtten. Maar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef standvastig. Ik zag hem op een witte muilezel zitten waarop Abū Sufyān (zoon van zijn oom) het hoofdstel vasthield. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep: ‘Ik ben de profeet, dit is geen leugen.

Ik ben de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib!’

[Ḥunayn is een vallei tussen Makkah en Ṭāʾif. De Slag bij Ḥunayn vond plaats in het achtste jaar na de Hijrah, kort na de verovering van Makkah. Het islamitisch leger bestond uit 12.000 man en stond tegenover de stammen Hawāzin en Thaqīf, die 14.000 strijders telden. Dankzij de standvastigheid (en moed) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd de nederlaag voorkomen en de overwinning behaald.] (AFK)

Slag bij Ṭā’if

غزوة الطائف

١١٦٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمْرِو، قَالَ: لَمَّا حَاصَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الطَّائِفَ فَلَمْ يَنَلْ مِنْهُمْ شَيْئًا، قَالَ: إِنَّا قَافِلُونَ إِنْ شَاءَ اللهُ فَثَقُلَ عَلَيْهِمْ، وَقَالُوا: نَذْهَبُ وَلاَ نَفْتَحُهُ وَقَالَ مَرَّةً، نَقْفُلُ فَقَالَ: اغْدُوا عَلَى الْقِتَالِ فَغَدَوْا، فَأَصَابَهُمْ جِرَاحٌ فَقَالَ: إِنَّا قَافِلُونَ غَدًا إِنْ شَاءَ اللهُ فَأَعْجَبَهُمْ فَضَحِكَ النَّبِيُّ ﷺ

1165– Van ʿAbdullāh ibn `Umar (رضي الله عنهما):Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de stad Ṭā’if belegerde maar er geen succes in boekte, zei hij: “Wij keren terug (naar Madīnah), als Allāh het wil.”Dat viel hen (de metgezellen) zwaar, en zij vroegen: “Zullen we weggaan zonder (Ṭā’if) te hebben veroverd?”Hij antwoordde: “(Bereid je) morgenochtend voor op de aanval!”De volgende ochtend vielen zij (de stadsmuren van Ṭā’if) aan. (Maar omdat de muren hoog waren, bereikten hun pijlen de muren niet) en enkelen raakten verwond.Daarop zei hij opnieuw: “Wij keren morgen terug (naar Madīnah), als Allāh het wil.”Dit voorstel stemde de metgezellen tevreden, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) glimlachte.

(Ṭāʾif ligt ongeveer 120 km ten zuid-oosten van Makkah op een hoogte van circa 1650 m. Het was het bolwerk van de stam Thaqīf. Na de verovering van Makkah en de overwinning bij Ḥunayn trokken de Thaqīf-vijanden zich terug naar Ṭāʾif. Omdat zij beschikten over ruime voedselvoorraad en goed verdedigde forten, besloot Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de belegering op te heffen. Ongeveer een jaar later zonden de inwoners van Ṭāʾif een delegatie naar Madīnah om hun aanvaarding van de Islām bekend te maken.] (AFK)

Verwijdering van de afgoden rond de Kaʿbah

إزالة الأصنام من حول الكعبة

١١٦٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: دَخَلَ النَبِيُّ ﷺ مَكَّةَ، وَحَوْلَ الْكَعْبَةِ ثَلاَثُمِائَةٍ وَسِتُّونَ نُصُبًا، فَجَعَلَ يَطْعَنُهَا بِعُودٍ فِي يَدِهِ، وَجَعَلَ يَقُولُ: (جَاء الْحَقُّ وَزَهَقَ الْبَاطِلُ) الآيَةَ

1166 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de Verovering van Makkah de stad binnenging, waren er 360 afgoden rond de Kaʿbah. Hij begon deze met een wandelstok in zijn hand omver te duwen en reciteerde:وَقُلۡ جَآءَ ٱلۡحَقُّ وَزَهَقَ ٱلۡبَٰطِلُۚ إِنَّ ٱلۡبَٰطِلَ كَانَ زَهُوقٗا ٨١

En zeg: “De Waarheid is gekomen en de valsheid is ten onder gegaan. Want voorzeker, de valsheid gaat ten onder.” (sûrah al-Isrāʾ: 81) [Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnentrad, reinigde hij de Kaʿbah van de afgodsbeelden. Wat hij deed binnen de Kaʿbah is beschreven in de overleveringen hiervoor.] (AFK)

Het Verdrag van al-Ḥudaybiyyah in al-Ḥudaybiyyah

صلح الحديبية في الحديبية

١١٦٧ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، قَالَ: لَمَّا صَالَحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَهْلَ الْحُدَيْبِيَةِ، كَتَبَ عَلِيٌّ بَيْنَهُمْ كِتَابًا، فَكَتَبَ: مُحَمَّدٌّ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَقَالَ الْمُشْرِكُونَ: لاَ تَكْتُبْ مُحَمَّدٌ رَسُول اللهِ، لَوْ كُنْتَ رَسُولًا لَمْ نُقَاتِلْكَ، فَقَالَ لِعَلِيٍّ: امْحُهُ فَقَالَ عَلِيٌّ: مَا أَنَا بِالَّذِي أَمْحَاهُ فَمَحَاهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِيَدِهِ، وَصَالَحَهُمْ عَلَى أَنْ يَدْخُلَ هُوَ وَأَصْحَابُهُ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، وَلاَ يَدْخُلُوهَا إِلاَّ بِجُلُبَّانِ السِّلاَحِ فَسَأَلُوهُ: مَا جُلُبَّانُ السِّلاَحِ فَقَالَ: الْقِرَابُ بِمَا فِيهِ

1167 – Van al-Barā’ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه):Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vrede sloot met de mensen van Ḥudaybiyah (polytheisten van Quraysh), schreef ʿAlī het vredesverdrag tussen hen op. Hij schreef daarin: “Muḥammad, Rasūlullāh.”Daarop zeiden de ongelovigen: “Schrijf niet ‘Muḥammad, Rasūlullāh’.

Als jij werkelijk een Boodschapper was, zouden wij niet tegen jou hebben gevochten.”Toen zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿAlī: “Streep het door.”Maar ʿAlī antwoordde: “Ik ben niet degene die het doorstreept.”Daarop heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) het zelf met zijn eigen hand doorgehaald.Vervolgens sloot hij met hen de afspraak dat hij en zijn metgezellen drie dagen (in Makkah) zouden binnentreden, maar alleen met julubān as-silāḥ.Toen vroegen zij: “Wat is julubān as-silāḥ?”Hij antwoordde: “De wapens in de schede (dus alleen de opgeborgen wapens, zonder strijduitrusting).”

[De voorwaarde dat de wapens in de schede moesten blijven, kan twee doelen hebben gehad: enerzijds om te voorkomen dat hun binnentreden de indruk zou wekken van een militaire verovering, en anderzijds om te verhinderen dat zij bij een eventuele confrontatie onmiddellijk tot gewapende actie konden overgaan. De eerste uitleg lijkt echter aannemelijker, gezien de sterke trots van de afgodendienaren en hun weerstand tegen elke zichtbare uiting van de overwichtpositie van de Islām, een houding die, in verschillende vormen, ook in latere tijden is blijven bestaan.] (AFK)

١١٦٨ - حديث سَهْلِ بْنِ حُنَيْفٍ عَنْ أَبِي وَائِلٍ، قَالَ: كُنَّا بِصِفِّينَ، فَقَامَ سَهْلُ بْنُ حُنَيْفٍ، فَقَالَ: أَيُّهَا النَّاسُ اتَّهِمُوا أَنْفُسَكُمْ، فَإِنَّا كُنَّا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَوْمَ الحُدَيْبِيَةِ وَلَوْ نَرَى قِتَالًا لَقَاتَلْنَا، فَجَاءَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَلَسْنَا عَلَى الْحَقِّ وَهُمْ عَلَى الْبَاطِلِ فَقَالَ: بَلَى فَقَالَ: أَلَيْسَ قَتْلاَنَا فِي الْجَنَّةِ وَقَتْلاَهُمْ فِي النَّارِ قَالَ: بَلَى قَالَ: فَعَلَى مَا نُعْطِي الدَّنِيَّةَ فِي دِينِنَا أَنَرْجِعُ وَلَمَّا يَحْكُمِ اللهُ بَيْنَنَا وَبَيْنَهُمْ فَقَالَ: ابْنَ الْخطَّابِ إِنِّي رَسُولُ اللهِ وَلَنْ يُضَيِّعَنِي الله أَبَدًا فَانْطَلَقَ عُمَرُ إِلَى أَبِي بَكْرٍ، فَقَالَ لَهُ مِثْلَ مَا قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ؛ فَقَالَ: إِنَّهُ رَسُولُ اللهِ وَلَنْ يُضَيِّعَهُ اللهُ أَبَدًا فَنَزَلَتْ سُورَةُ الْفَتْحِ، فَقَرَأَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى عُمَرَ إِلَى آخِرِهَا فَقَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَو فَتْحٌ هُوَ قَالَ: نَعَمْ1168 – Van Sahl ibn Ḥunayf via Abū Wāʾil (رضي الله عنهما):Wij bevonden ons bij Ṣiffīn, toen Sahl ibn Ḥunayf opstond en zei:“O mensen, wees kritisch op jullie eigen oordeel.

Wij waren met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van al-Ḥudaybiyyah.

Als wij ook maar een mogelijkheid tot strijd hadden gezien, zouden wij zeker hebben gevochten.”

Toen kwam ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb en zei: “O Rasūlullāh, staan wij niet op de waarheid en zij op de valsheid?”Hij antwoordde: “Zeker.”ʿUmar vroeg verder: “Zijn onze doden dan niet in het Paradijs en hun doden in het Hellevuur?”Hij zei: “Zeker.”Daarop zei ʿUmar: “Waarom accepteren wij dan concessies / schijnbare vernedering in onze dīn?

Moeten wij terugkeren (naar Madīnah) terwijl Allāh nog geen oordeel tussen ons en hen heeft geveld?”

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “O zoon van al-Khaṭṭāb, ik ben Rasūlullāh, en Allāh zal (mijn zaak) nooit verloren laten gaan.”

Vervolgens ging ʿUmar naar Abū Bakr en herhaalde tegenover hem wat hij tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gezegd.Abū Bakr zei daarop: “Voorwaar, hij is Rasūlullāh, en Allāh zal (zijn zaak) nooit verloren laten gaan.”

Daarna werd sûrah al-Fatḥ geopenbaard. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) reciteerde deze volledig aan ʿUmar.ʿUmar vroeg toen: “O Rasūlullāh, is dit dan werkelijk een overwinning?”Hij antwoordde: “Ja.”

(Daarop werd ʿUmar gerustgesteld en keerde hij terug naar Madīnah.)

Slag bij Uḥud

غزوة أحد

١١٦٩ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، أَنَّهُ سُئِلَ عَنْ جُرْحِ النَّبِيِّ ﷺ يَوْمَ أُحُدٍ فَقَالَ: جُرِحَ وَجْهُ النَبِيِّ ﷺ وَكُسِرَتْ رَبَاعِيَتُهُ، وَهُشِمَتِ الْبَيْضَةُ عَلَى رَأْسِهِ؛ فَكَانَتْ فَاطِمَةُ، عَلَيْهَا السَّلاَمُ، تَغْسِلُ الدَّمَ، وَعَلِيٌّ يُمْسِكُ؛ فَلَمَّا رَأَتْ أَنَّ الدَّمَ لاَ يَزِيدُ إِلاَّ كَثْرَةَ، أَخَذَتْ حَصِيرًا فَأَحْرَقَتْهُ حَتَّى صَارَ رَمَادًا، ثُمَّ أَلْزَقَتْهُ، فَاسْتَمْسَكَ الدَّمُ

1169 - Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Er werd hem gevraagd naar de verwonding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van / slag bij Uḥud. Hij zei: “Het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd verwond, zijn hoektand werd gebroken en de helm op zijn hoofd werd verbrijzeld.Fāṭimah (عليها السلام) was bezig het bloed af te wassen, en ʿAlī (رضي الله عنه) hield (hem) vast.Toen zij zag dat het bloeden alleen maar toenam, nam zij een mat, verbrandde die tot het as werd, en drukte die vervolgens op de wond. Daarop stopte het bloeden.

١١٧٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: كَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ يَحْكِي نَبِيًّا مِنَ الأَنْبِيَاءِ، ضَرَبَهُ قَوْمُهُ فَأَدْمَوْهُ، وَهُوَ يَمْسَحُ الدَّمَ عَنْ وَجْهِهِ وَيَقُولُ: (اللهُمَّ اغْفِرْ لِقَوْمِي فَإِنَّهُمْ لاَ يَعْلَمُونَ)1170-) Van ʿAbdullāh ibn Masʿud (رضي الله عنه):Het is alsof ik naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kijk terwijl hij het verhaal navertelt van een profeet onder de profeten, die door zijn volk werd geslagen totdat hij bloedde. Terwijl hij het bloed van zijn gezicht afveegde, zei hij: “O Allāh, vergeef mijn volk, want zij weten het niet.”

De hevige toorn van Allāh over degene die door de hand van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) is gedood

اشتداد غضب الله على من قتله رسول الله ﷺ

١١٧١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اشْتَدَّ غَضَبُ اللهِ عَلَى قَوْمٍ فَعَلُوا بِنَبِيِّهِ يُشِيرُ إِلَى رَبَاعِيَتِهِ اشْتَدَّ غَضَبُ اللهِ عَلَى رَجُلٍ يَقْتُلهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي سَبِيلِ اللهِ

1171-) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De woede van Allāh is groot tegen een volk dat dit met hun Nabie deed” terwijl hij naar zijn hoektand wees.De woede van Allāh is groot tegen een man die door de hand van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) wordt gedood op weg van Allāh.”

Het leed en de kwellingen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van de mushrikīn en de munāfiqīn heeft ondervonden.

ما لقي النبي ﷺ من أذى المشركين والمنافقين

١١٧٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، أَنَّ النَبِيَّ ﷺ كَانَ يُصَلِّي عِنْدَ الْبَيْتِ، وَأَبُو جَهْلٍ وَأَصْحَابٌ لَهُ جُلُوسٌ؛ إِذْ قَالَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ: أَيُّكُمْ يَجِىءُ بِسَلَى جَزُورِ بَنِي فُلاَنٍ فَيَضَعُهُ عَلَى ظَهْرِ مُحَمَّدٍ إِذَا سَجَدَ فَانْبَعَثَ أَشْقَى الْقَوْمِ، فَجَاءَ بِهِ، فَنَظَرَ حَتَّى سَجَدَ النَّبِيُّ ﷺ وَضَعَهُ عَلَى ظَهْرِهِ بَيْنَ كَتِفَيْهِ وَأَنَا أَنْظُرُ لاَ أُغَيِّرُ شَيْئًا، لَوْ كَانَ لِي مَنَعَةٌ قَالَ: فَجَعَلُوا يَضْحَكُونَ وَيُحِيلُ بَعْضُهُمْ عَلَى بَعْضٍ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ سَاجِدٌ لاَ يَرْفَعُ رأْسَهُ حَتَّى جَاءَتهُ فَاطِمَةُ، فَطَرَحَتْ عَنْ ظَهْرِهِ، فَرَفَعَ رَأْسَهُ ثُمَّ قَالَ: اللهُمَّ عَلَيْكَ بِقُرَيْشٍ ثَلاَثَ مَرَّاتٍ فَشَقَّ عَلَيْهِمْ إِذْ دَعَا عَلَيْهِمْ قَالَ: وَكَانُوا يُرَوْنَ أَنَّ الدَّعْوَةَ فِي ذَلِكَ الْبَلَدِ مُسْتَجَابَةٌ ثُمَّ سَمَّى: اللهُمَّ عَلَيْكَ بِأَبِي جَهْلٍ، وَعَلَيْكَ بِعُتْبَةَ بْنِ رَبِيعَةَ، وَشَيْبَةَ بْنِ رَبِيعَةَ، وَالْوَلِيدِ بْنِ عُتْبَةَ، وَأُمَيَّةَ بْنِ خَلَفٍ، وَعُقْبَةَ بْنَ أَبِي مُعَيْطٍ وَعَدَّ السَّابِعَ فَلَمْ يَحْفَظْهُ قَالَ: فَوَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَقَدْ رَأَيْتُ الَّذِين عَدَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ صَرْعَى فِي الْقَلِيبِ، قَلِيبِ بَدْرٍ

1172-) Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ṣalāh bij het Huis (de Kaʿbah), terwijl Abū Jahl en enkele van zijn vrienden toekeken.

Toen zei een van hen (Abū Jahl) tegen de anderen:“Wie van jullie gaat het afval (placenta) van een kameel (die door) de familie van die-en-die (is geslacht) halen, en legt het op de rug van Muḥammad als hij in sajdah (ter aarde werping) is?”De meest verdorvene van hen stond op, haalde het en wachtte tot Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in sajdah ging.

Vervolgens legde hij op zijn rug, tussen zijn schouders.ʿAbdullāh ibn Masʿūd zei: “Ik keek toe, maar kon niets doen. Als ik macht had gehad, zou ik het hebben tegengehouden.”Zij begonnen te schaterlachen, en leunden tegen elkaar van het lachen, terwijl Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn hoofd niet hief en in sajdah bleef, totdat zijn dochter Fāṭimah (عليها السلام) kwam en het van zijn rug verwijderde.Toen hief hij zijn hoofd op en zei drie keer: “O Allāh, ik vertrouw (ongelovige) Quraysh aan U toe (om met hen af te rekenen)!”Dit viel hen zwaar, toen hij hen vervloekte.

Want men geloofde dat een smeekbede in die plaats (bij de Kaʿbah) altijd verhoord zou worden.Daarna noemde hij hun namen:“O Allāh, ik vertrouw Abū Jahl, ʿUtbah ibn Rabīʿah, Shaybah ibn Rabīʿah, al-Walīd ibn ʿUtbah, Umayyah ibn Khalaf, ʿUqbah ibn Abī Muʿayṭ aan U toe (om met hen af te rekenen)” en hij noemde een zevende, wiens naam de overleveraar zich niet herinnerde.ʿAbdullāh ibn Masʿūd zei: “Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, ik heb de mensen die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen noemde, later (tijdens de slag bij Badr) gezien, allen dood, in de put die bij Badr werd gegraven, werden gegooid.”١١٧٣ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا قَالَتْ لِلنَّبِيِّ ﷺ: هَلْ أَتَى عَلَيْكَ يَوْمٌ كَانَ أَشَدَّ مِنْ يَوْمِ أُحُدٍ قَالَ: لَقَدْ لَقِيتُ مِنْ قَوْمِكِ مَا لَقِيتُ، وَكَانَ أَشَدُّ مَا لَقِيتُ مِنْهُمْ يَوْمَ الْعَقَبَةِ، إِذْ عَرَضْتُ نَفْسِي عَلَى ابْنِ عَبْدِ يَالِيلَ بْنِ عَبْدِ كُلاَلٍ فَلَمْ يُجِبْنِي إِلَى مَا أَرَدْتُ فَانْطَلَقْتُ وَأَنَا مَهْمُومٌ عَلَى وَجْهِي، فَلَمْ أَسْتَفِقْ إِلاَّ وَأَنَا بِقَرْنِ الثَّعَالِبِ، فَرَفَعْتُ رَأْسِي فَإِذَا أَنَا بِسَحَابَةٍ قَدْ أَظَلَّتْنِي، فَنَظَرْتُ فَإِذَا فِيهَا جِبْرِيلُ، فَنَادَانِي فَقَالَ: إِنَّ اللهَ قَدْ سَمِعَ قَوْلَ قَوْمِكَ لَكَ وَمَا رَدُّوا عَلَيْكَ، وَقَدْ بَعَثَ إِلَيْكَ مَلَكَ الْجِبَالِ لِتَأْمُرَهُ بِمَا شِئْتَ فِيهِمْ فَنَادَانِي مَلَكُ الْجِبَالِ فَسَلَّمَ عَلَيَّ، ثُمَّ قَالَ: يَا مُحَمَّدُ فَقَالَ ذَلِكَ فِيمَا شِئْتَ إِنْ أُطَبِّقَ عَلَيْهِمُ الأَخْشَبَيْنِ؛ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بَلْ أَرْجُو أَنْ يُخْرِجَ اللهُ مِنْ أَصْلاَبِهِمْ مَنْ يَعْبُدُ اللهَ وَحْدَهُ،

لاَ يُشْرِكُ بِهِ شَيْئًا1173 – Van ʿĀʾishah, de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ):Zij vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Heb je ooit een dag meegemaakt die zwaarder was dan de dag van Uḥud?”Hij antwoordde: “Ik heb van jouw volk (Quraysh) veel verdragen, maar de zwaarste dag was die van de eed van al-ʿAqabah. (Omdat Quraysh an-Nabī onderdrukte, ging hij naar Ta`īf om bescherming te vragen). Toen ik mijn verzoek voorlegde aan Ibn `Abdu Yālīl, de zoon van `Abdu Kulāl, gaf hij geen gehoor aan mijn wens. Dus keerde ik bedroefd en verbaasd terug in de richting van Makkah. Vervolgens vroeg ik Ibn ʿAbd Yālīl ibn ʿAbd Kulāl om mij onderdak, maar hij gaf mij niet wat ik wilde. Ik vertrok, bedroefd en terneergeslagen, en ik kwam pas weer tot mezelf bij Qarn ath-Thaʿālib.Toen hief ik mijn hoofd op en zag ik een wolk die mij overschaduwde. Daar bevond zich Jibrīl (عليه السلام), die mij riep en zei: ‘Voorwaar, Allāh heeft vernomen wat jouw volk tegen jou zei, en hoe zij jou hebben afgewezen. En Hij heeft de Engel van de Bergen naar jou gestuurd, zodat jij hem kunt opdragen wat je maar wilt met hen.’Toen riep de Engel der Bergen mij en begroette mij met de salām, en hij zei: ‘O Muḥammad! Als jij wilt, zal ik de twee bergen op hen laten neerstorten.’Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: ‘Nee. Ik hoop dat Allāh uit hun nakomelingen mensen zal voortbrengen die Allāh alleen aanbidden en Hem niets deelgenoot toekennen.’”

[De Aqabah-eed is de overeenkomst en belofte die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de jaren 621–622 sloot met de eerste moslims uit Madīnah. Dit vond plaats op een plek vlakbij Makkah, genaamd Aqabah, een gebied tussen Mina en Makkah, ongeveer drie kilometer van de stad verwijderd. Hoewel er meerdere plaatsen met dezelfde naam bestaan, verwijst men bij het noemen van `Aqabah meestal naar deze historische overeenkomst.

Tijdens het Ḥaj-seizoen reisde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vaak rond om de stammen die Makkah bezochten de boodschap van de Islām te verkondigen. Op een van deze pelgrimstochten ontmoette hij enkele mannen van de Khazraj-stam, een van de twee Arabische stammen die in Yathrib (Madīnah) woonden.

Hij riep hen op tot de Islām, en in het elfde jaar van zijn profeetschap accepteerden zes mannen uit deze stam zijn oproep met oprechte overtuiging.

De inwoners van Yathrib waren moe van de langdurige conflicten tussen hun stam, de Khazraj, en de andere stam, de Aws – de zogenaamde Buas-oorlogen. Zij hoopten dat de Islām vrede zou brengen tussen de stammen. Toen de eerste bekeerlingen terugkeerden naar Yathrib, vertelden zij de Aws over hun acceptatie van de Islām en nodigden hen eveneens uit tot dit geloof. Ze beloofden elkaar dat zij het volgende jaar tijdens het Ḥaj-seizoen opnieuw op dezelfde plek zouden samenkomen met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Naast deze Arabische stammen woonden er in Madīnah ook drie joodse stammen. Zij keken neer op de polytheïstische Arabieren vanwege hun afgoderij en geloofsovertuigingen. Volgens hun Tawrāh, hun geleerden en hun voorouders, zou er binnenkort een profeet verschijnen die afgoderij zou afschaffen en de Arabieren zou overwinnen. Deze verwachting van de joden was diep geworteld in het bewustzijn van de Awsen Khazraj-stammen en beïnvloedde hun houding tegenover Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).Toen de bewoners van Yathrib Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij `Aqabah ontmoetten, aarzelden zij niet om deze profeet vóór de joden te steunen. Deze eerste moslims uit Yathrib geloofden volledig in Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en verklaarden:

"Onze stam gaat door moeilijke tijden, en wij verkeren niet in een stabiele situatie. Jarenlange conflicten hebben geleid tot hardnekkige ruzies. Wij geloven dat deze nieuwe godsdienst ons zal verenigen en vrede zal brengen."

Inderdaad streefden de inwoners van Yathrib naar het beëindigen van de Buas-oorlogen. De Khazraj-leden die tot de Islām waren toegetreden waren: Asad ibn Zurārah, Avf ibn Hāris, Rāfi’ ibn Mālik, Ukbah ibn Āmir, Qutbah ibn Āmir en Jābir ibn Abdullah ibn Riā (رضي الله عنهم), waarvan de eerste twee tot de Najjār-stam behoorden.

Deze eerste moslims keerden terug naar hun stad en zetten zich volledig in om de Islām te verspreiden en hun familieleden tot het geloof te brengen. Ondanks hun kleine aantal hadden zij een grote invloed op de inwoners van Yathrib. Veel stamgenoten van de Aws en Khazraj werden via hen moslim. Vooral As’ad ibn Zurārah en Avf ibn Hāris, beiden uit de Najjār-stam en neef van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم), riepen openlijk en met grote ijver mensen op tot de Islām. Dankzij de Islām verdween de langdurige vijandschap in Yathrib en werden de mensen, door de genade van Allāh, snel broeders.

Het jaar daarop, in het twaalfde jaar van het profeetschap, kwamen twaalf mensen uit Yathrib tijdens het Ḥaj-seizoen naar Makkah. Zij ontmoetten ’s nachts in `Aqabah Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم). Van deze twaalf personen hadden zes het jaar ervoor de Islām aanvaard..Ubādah ibn as-Sāmit (رضي الله عنه) vertelde over de Eerste `Aqabah-eed:

“We beloofden Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat wij hem in voorspoed en tegenspoed zouden steunen, hem in alles zouden gehoorzamen, hem boven onszelf zouden stellen en hem nooit zouden tegenwerken, ongeacht de omstandigheden.

We beloofden ook: geen angst te tonen voor kritiek van anderen tijdens de strijd op weg van Allāh, geen shirk te begaan, geen diefstal of overspel te plegen, onze kinderen niet te doden, geen valse beschuldigingen te maken en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet tegen te werken in enige goede daad.

Verder spraken wij af dat wie een belofte nakomt, zijn beloning bij Allāh zal vinden en de zegeningen van het Paradijs ontvangt. Wie door menselijke zwakheid een van deze afspraken overtreedt en daarvoor in dit leven gestraft wordt, heeft daarmee vergeving gekregen. Wie echter een van deze punten overtreedt vóórdat Allāh openbaring heeft gezonden, wordt aan Allāh overgelaten; Hij vergeeft of straft zoals Hij wil.

Dit alles beloofden wij te handhaven, zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons had opgedragen.Van de twaalf mannen die deelnamen aan de Eerste `Aqabah-eed, hadden zes het jaar ervoor de Islām aanvaard. De overige zes waren: Muʿādz ibn Hāris, Zakwān ibn Qays, Ubādah ibn as-Sāmit, Yezīd ibn Saʿlabah, Abbās ibn Ubādah en Abūl-Haysam Mālik ibn Tayyihān (رضي الله عنهم).

Sommige bronnen vermelden dat in plaats van Jābir ibn Abdullah (رضي الله عنه) – een van de zes die het jaar daarvoor Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden ontmoet – Uwaym ibn Saʿidah (رضي الله عنه) deelnam aan de Eerste Aqabah-eed.

Een jaar later kwamen de inwoners van Madīnah opnieuw naar Makkah om de Ḥaj te verrichten. Dit keer waren het 75 moslims, waaronder twee vrouwen. Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) richtte zich niet alleen op het verkondigen van de Islām, maar bereidde hen voor op het nemen van belangrijke beslissingen. De bijeenkomst vond opnieuw plaats bij `Aqabah, in het geheim, en niemand mocht hiervan weten. Tegen middernacht verzamelden de Madienanen zich voorzichtig op de afgesproken plaats.

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam dit keer samen met zijn oom `Abbās, die nog niet openbaar moslim was, maar zijn neef beschermde uit familieplicht. Voor deze eerste groep moslims uit Madīnah gold absolute gehoorzaamheid aan de bevelen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Na de bijeenkomst keerden zij terug naar hun huizen. Tegen de ochtend hadden de Qurayshieten in Makkah gehoord van deze belofte en probeerden zij te achterhalen wat de inhoud was. Ze begrepen niet waarom de nog maar net bekeerde inwoners van Yathrib zo’n overeenkomst met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) sloten. De Makkanen konden niets te weten komen, terwijl de moslims uit Yathrib al veilig teruggekeerd waren.

Deze Tweede `Aqabah-eed, ook wel Beyatu’l-Harb (de Eed van Oorlog) genoemd, vormde een keerpunt in de Islām.

Hierin werden de principes vastgelegd dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in oorlog en vrede beschermd zou worden, en belangrijke beslissingen genomen konden worden. Het legde de basis voor de toekomstige Islamitische staat.] (HY)

١١٧٤ - حديث جُنْدُبِ بْنِ سُفْيَانَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ فِي بَعْضِ الْمَشَاهِدِ، وَقَدْ دَمِيَتْ إِصْبَعُهُ، فَقَالَ: هَلْ أَنْتِ إِلاَّ إِصْبَعٌ دَمِيتِ وَفِي سَبِيلِ اللهِ مَا لَقِيتِ1174) Van Jundub ibn Sufyân (رضي الله عنه):Tijdens een van de veldtochten raakte de vinger van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gewond. Toen zei hij dit dichtregel: “Jij bent slechts een bebloede vinger, maar wat jou overkomt, gebeurt op weg van Allāh.”

١١٧٥ - حديث جُنْدُبِ بْنِ سُفْيَانَ ﵁، قَالَ: اشْتَكَى رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَلَمْ يَقُمْ لَيْلَتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا فَجَاءَتِ امْرَأَةٌ، فَقَالَتْ: يَا مُحَمَّدُ إِنِّي لأَرْجُو أَنْ يَكُونَ شَيْطَانُكَ قَدْ تَرَكَكَ، لَمْ أَرَهُ قَرِبَكَ مَنْذُ لَيْلَتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا فَأَنْزَلَ اللهُ ﷿ (وَالضُّحى وَاللَّيْلِ إِذَا سَجى مَا وَدَّعَكَ رَبُّكَ وَمَا قَلَى)1175 – Van Jundub ibn Sufyan (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd ziek en stond twee of drie nachten niet op (voor de ṣalāh). Toen kwam er een vrouw (de vrouw van Abû Lahab) en zei: “O Muhammed, ik hoop dat jouw satan jou heeft verlaten, want ik heb hem al twee of drie nachten niet in jouw buurt gezien.”

Toen openbaarde Allāh `(عز وجل), de verzen:وَٱلضُّحَىٰ ١ Bij het ochtendlicht.

وَٱلَّيۡلِ إِذَا سَجَىٰ ٢ En bij de nacht wanneer het geheel donker is.

مَا وَدَّعَكَ رَبُّكَ وَمَا قَلَىٰ ٣ Jouw Heer heeft jou (O Mohammed) niet verlaten en haat jou niet.(sûrah Ad-Duha, verzen 1-3)

Du`ā’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn geduld tegen het leed dat hij van hypocrieten heeft ondergaan

في دعاء النبيّ ﷺ إلى الله وصبره على أذى المنافقين

١١٧٦ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ رَكِبَ حِمارًا، عَلَيْهِ إِكَافٌ، تَحْتهُ قَطِيفَةٌ فَدَكِيَّةٌ، وَأَرْدَفَ وَرَاءَهُ أُسَامَةَ بْنَ زَيْدٍ، وَهُوَ يَعُودُ سَعْدَ بْنَ عُبَادَةَ فِي بَنِي الْحارث بْنِ الْخَزْرَجِ، وَذَلِكَ قَبْلَ وَقْعَةِ بَدْرٍ حَتَّى مَرَّ فِي مَجْلِسٍ فِيهِ أَخْلاَطٌ مِنَ الْمُسْلِمِينَ وَالْمُشْرِكِينَ، عَبَدَةِ الأَوْثَانِ، وَالْيَهُودِ؛ وَفِيهِمْ عَبْدُ اللهِ بْنُ أُبَيٍّ بْنُ سَلُولَ وَفِي الْمَجْلِسِ عَبْدُ اللهِ بْنُ رَوَاحَةَ، فَلَمَّا غَشِيَتِ الْمَجْلِسَ عَجَاجَةُ الدَّابَّةِ، خَمَّرَ عَبْدُ اللهِ بْنُ أُبَيٍّ أَنْفَهُ بِرِدَائِهِ، ثُمَّ قَالَ: لاَ تُغَبِّرُوا عَلَيْنَا فَسَلَّمَ عَلَيْهِمُ النَّبِيُّ ﷺ، ثُمَّ وَقَفَ فَنَزَلَ فَدَعَاهُمْ إِلَى اللهِ وَقَرَأَ عَلَيْهِمُ الْقُرْآنَ فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ أُبَيٍّ بْنُ سَلُولَ: أَيُّهَا الْمَرْءُ لاَ أَحْسَنَ مِنْ هذَا، إِنْ كَانَ مَا تَقُولُ حَقًّا، فَلاَ تُؤْذِنَا فِي مَجَالِسِنَا، وَارْجِعْ إِلَى رَحْلِكَ، فَمَنْ جَاءَكَ مِنَّا فَاقْصُص عَلَيْه

قَالَ ابْنُ رَوَاحَةَ: اغْشَنَا فِي مَجَالِسِنَا، فَإِنَّا نُحِبُّ ذَلِكَ فَاسْتَبُّ الْمُسْلِمُونَ وَالْمُشْرِكُونَ وَالْيَهُودُ حَتَّى هَمُّوا أَنْ يَتَوَاثَبُوا؛ فَلَمْ يَزَلِ النَّبِيُّ ﷺ يُخَفِّضُهُمْ ثُمَّ رَكِبَ دَابَّتَهُ حَتَّى دَخَلَ عَلَى سَعْدِ بْنِ عُبَادَةَ فَقَالَ: أَيْ سَعْدُ أَلَمْ تَسْمَعْ مَا قَالَ أَبُو حُبَابٍ يُرِيدُ عَبْدَ اللهِ بْنَ أُبَيٍّ قَالَ كَذَا وَكَذَا قَالَ اعْفُ عَنْهُ يَا رَسُولَ اللهِ وَاصْفَحْ، فَوَاللهِ لَقَدْ أَعْطَاكَ اللهُ الَّذِي أَعْطَاكَ، وَلَقَدِ اصْطَلَحَ أَهْلُ هذِهِ الْبَحْرَةِ عَلَى أَنْ يُتَوِّجُوهُ فَيعَصِّبُونَهُ بِالْعِصَابَةِ فَلَمَّا رَدَّ اللهُ ذَلِكَ بِالْحَقِّ الَّذِي أَعْطَاكَ، شَرِقَ بِذلِكَ، فَذلِكَ فَعَلَ بِهِ مَا رَأَيْتَ فَعفَا عَنْهُ النَّبِيُّ ﷺ

1176) Van Usâmah ibn Zayd (رضي الله عنه):(Vóór de Slag bij Badr), reed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), op een ezel gezadeld met een fluwelen zadel van stof uit Fadak met Usâmah ibn Zayd achterop. Hij was onderweg om Sa’d ibn Ubâdah van de Haris ibn Khazraj-stam, die ziek was, te bezoeken. Onderweg passeerde hij een bijeenkomst waar onder andere `Abdullah ibn Ubey ibn Salûl aanwezig was, dit was voordat hij (ogenschijnlijk) moslim was geworden.In deze bijeenkomst waren moslims, afgodendienaars en joden aanwezig. Ook `Abdullah ibn Rawaha bevond zich daar. Toen het stof van het dier de plek (van de bijeenkomst) vulde, bedekte `Abdullah ibn Ubay zijn neus met zijn kleding en zei: “Laat dat stof niet op ons neerkomen!”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) begroette hen met de salām, stapte (van het dier) af en riep hen op tot Allāh en reciteerde de Qur’ān. Daarop zei `Abdullah ibn Ubey ibn Salûl: “O man! Als wat jij zegt waar is, dan is het het mooiste wat er is, maar stoor ons niet hiermee in onze bijeenkomst. Keer terug naar waar je vandaan kwam en vertel het aan degene die naar je toe komt!”Daarop zei `Abdullah ibn Rawaha: “O Rasūlullāh, let niet op hem. Kom naar onze bijeenkomsten met deze woorden (van de Qur’ān). Wij houden van wat jij zegt en willen (de Qur’ān) horen.”Vervolgens ontstond er een woordenwisseling tussen de moslims, de afgodendienaars en de joden. Vervolgens ontstond er een woordenwisseling tussen de moslims, de afgodendienaars en de joden. Het kwam bijna tot een confrontatie, maar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) wist hen te kalmeren, totdat de gemoederen bedaarden.Daarna reed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verder naar Saʿd ibn Ubâdah en vertelde over ʿAbdullāh ibn Ubey: “O Saʿd, heb je gehoord wat Abû Hubâb zei? Hij sprak dit en dat…”

Saʿd ibn Ubâdah antwoordde: “O Rasūlullāh, vergeef hem en kijk door zijn fout heen. Bij Degene Die jou het Boek heeft geopenbaard, de mensen van deze stad stonden op het punt hem tot leider te kronen, totdat Allāh jou de waarheid zond. Door die waarheid werd zijn droom verstoord en kon hij het niet verwerken. Wat jij van hem zag, was daardoor.”

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergaf hem daarop.

[`Abdullah ibn Ubey en zijn aanhang waren slechts schijnbaar moslim geworden; in werkelijkheid behielden zij hun haat en afgunst, en toonden zij hun hypocrisie telkens wanneer de gelegenheid zich voordeed.] (HY)

١١٧٧ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قِيلَ لِلنَّبِيِّ ﷺ لَوْ أَتَيْتَ عَبْدَ اللهِ بْنَ أُبَيٍّ فَانْطَلَقَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ، وَرَكِبَ حِمَارًا، فَانْطَلَقَ الْمُسْلِمُونَ يَمْشُونَ مَعَهُ، وَهِيَ أَرْضٌ سَبِخَةٌ فَلَمَّا أَتَاهُ النَّبِيُّ ﷺ، قَالَ: إِلَيْكَ عَنِّي، وَاللهِ لَقَدْ آذَانِي نَتْنُ حِمَارِكَ فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ مِنْهُمْ: وَاللهِ لَحِمَارُ رَسُولِ اللهِ ﷺ أَطْيَبُ رِيحًا مِنْكَ فَغَضِبَ لِعَبْدِ اللهِ رَجُلٌ مِنْ قَوْمِهِ فَشَتَمَا، فَغَضِبَ لِكلِّ وِاحِدٍ مِنْهُمَا أَصْحَابُهُ، فَكَانَ بَيْنَهمَا ضَرْبٌ بِالْجِرِيدِ وَالأَيْدِي وَالنِّعَالِ فَبَلَغَنَا أَنَّهَا أُنْزِلَتْ (وَإِنْ طَائِفَتَانِ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ اقْتَتَلوا فَأَصْلِحُوا بَيْنَهُمَا)1177) Van Anas (رضي الله عنه):Er werd tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Zou u niet naar `Abdullah ibn Ubey (de leider van Hazraj-stam) gaan (om hem tot Islām uit te nodigen)?” Daarop ging hij op een ezel, vergezeld door enkele moslims naar hem toe.

Ze bereikten een dorre plaats, en toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij hem aankwam, zei hij: “Blijf uit mijn buurt! Bij Allāh, de stank van jouw ezel stoort mij.”Daarop zei iemand uit de Ansâr: “Bij Allāh, de ezel van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ruikt aangenamer dan jij!”Een man uit de stam van `Abdullah ibn Ubay werd woedend om deze opmerking en de mannen van beide partijen werden boos. Ze begonnen elkaar te slaan met palmstokken, sandalen en met hun handen.

Toen werd de volgende āyah geopenbaard:وَإِن طَآئِفَتَانِ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ٱقۡتَتَلُواْ فَأَصۡلِحُواْ بَيۡنَهُمَاۖ فَإِنۢ بَغَتۡ إِحۡدَىٰهُمَا عَلَى ٱلۡأُخۡرَىٰ فَقَٰتِلُواْ ٱلَّتِي تَبۡغِي حَتَّىٰ تَفِيٓءَ إِلَىٰٓ أَمۡرِ ٱللَّهِۚ فَإِن فَآءَتۡ فَأَصۡلِحُواْ بَيۡنَهُمَا بِٱلۡعَدۡلِ وَأَقۡسِطُوٓاْۖ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُقۡسِطِينَ ٩

En als twee partijen of groepen onder de gelovigen tegen elkaar vechten, sticht dan vrede tussen hen, maar als één van de twee opstandig is tegen de ander, bevecht dan degene die opstandig is tot hij terugkeert naar het bevel van Allāh. En als hij zich voegt, sluit dan een rechtvaardige vrede en wees onpartijdig. Waarlijk! Allāh heeft de rechtvaardigen lief. (sûrah Hudjuraat: 9)

Abdullāh ibn Ubeyy ibn Salul stond bekend als een beruchte hypocriet. Hij was de eerste die laster over overspel tegen onze moeder ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) verspreidde. Bij zijn aankomst in Madīnah bezocht Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ʿAbdullāh ibn Ubeyy om hem tot de Islām uit te nodigen, want het uitnodigen en verkondigen van de boodschap was voor hem verplicht. Hij hoopte dat door zijn overgave tot de Islām, zijn stamgenoten ook tot de Islām zouden komen. Deze stap van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was in feite voor hen de grootste verbetering en de grootste weldaad.] (HY)

De dood van Abû Jahl

قتل أبي جهل

١١٧٨ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، يَوْمَ بَدْرٍ: مَنْ يَنْظُرُ مَا فَعَلَ أَبُو جَهْلٍ فَانْطَلَقَ ابْنُ مَسْعُودٍ، فَوَجَدَهُ قَدْ ضَرَبَهُ ابْنَا عَفْرَاءَ، حَتَّى بَرَدَ فَأَخَذَ بِلِحْيَتِهِ فَقَالَ: أَنْتَ أَبَا جَهْلٍ قَالَ: وَهَلْ فَوْقَ رَجُلٍ قَتَلَهُ قَوْمُهُ، أَوْ قَالَ: قَتَلْتُمُوهُ

1178) Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه):(Tijdens de veldtocht bij Badr) vroeg Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie gaat er kijken wat er met Abû Jahl is gebeurd?”Toen haastte `Abdullah ibn Mas’ûd zich en vond hem verwond en ineengestort, getroffen door de twee zonen van Afrâ’ (Muâdz en Muawwiz). Hij greep zijn baard en zei: “Ben jij niet Abû Jahl?”Abû Jahl antwoordde: “ Kan iemand moediger zijn dan een man die door zijn eigen volk (of door jullie) gedood werd?”

De moord op Kaʿb ibn Ashraf, de tāghūt van de joden.

قتل كعب بن الأشرف طاغوت اليهود

١١٧٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ لِكَعْبِ بْنِ الأَشْرَفِ فَإِنَّهُ قَدْ آذَى اللهَ وَرَسُولَهُ فَقَامَ مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَتُحِبُّ أَنْ أَقْتُلَهُ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: فَأْذَنْ لِي أَنْ أَقُولَ شَيْئًا قَالَ: قُلْ فَأَتَاهُ مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ، فَقَالَ: إِنَّ هذَا الرَّجُلَ قَد سَأَلَنَا صَدَقَةً، وَإِنَّهُ قَدْ عَنَّانَا، وَإِنِّي قَدْ أَتَيْتُكَ أَسْتَسْلِفُكَ قَالَ: وَأَيْضًا، وَاللهِ لَتَمَلُّنَّهُ قَالَ إِنَّا قَدِ اتَّبَعْنَاهُ فَلاَ نُحِبُّ أَنْ نَدَعَهُ حَتَّى نَنْظرَ إِلَى أَيِّ شَيْءٍ يَصِيرُ شَأْنُهُ وَقَدَ أَرَدْنَا أَنْ تُسْلِفَنَا وَسْقًا أَوْ وَسْقَيْنِ فَقَالَ: نَعَمْ، ارْهَنُونِي قَالُوا: أيَّ شَيْءٍ تُرِيدُ قَالَ: ارْهَنُونِي نِسَاءَكُمْ قَالُوا: كَيْفَ نَرْهَنُكَ نِسَاءَنَا، وَأَنْتَ أَجْمَلُ الْعَرَبِ قَالَ: فَارْهَنُونِي أَبْنَاءَكمْ قَالُوا: كَيْفَ نَرْهَنُكَ أَبْنَاءَنَا، فَيُسَبُّ أَحَدُهُمْ فَيُقَالُ رُهِنَ بِوَسْقٍ أَوْ وَسْقَيْنِ، هذَا عَارٌ عَلَيْنَا، وَلكِنَّا نَرْهَنُكَ الَّلأْمَةَ (يَعْنِي السِّلاَحَ) فَوَاعَدَهُ أَنْ يَأْتِيَهُ، فَجَاءَهُ لَيْلًا وَمَعَهُ أَبُو نَائِلَةَ، وَهُوَ أَخو كَعْبٍ مِنَ الرَّضَاعَةِ فَدَعَاهُمْ إِلَى الْحِصْنِ، فَنَزَلَ إِلَيْهِمْ؛ فَقَالَتْ لَهُ امْرَأَتُهُ: أَيْنَ تَخْرُجُ هذِهِ السَّاعَةَ فَقَالَ: إِنَّمَا هُوَ مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ

وَأَخِي أَبُو نَائِلَةَ قَالَتْ: أَسْمَعُ صَوْتًا كَأَنَّهُ يَقْطُرُ مِنْهُ الدَّمُ قَالَ: إِنَّمَا هُوَ أَخِي مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ وَرَضِيعِي أَبُو نَائِلَةَ، إِنَّ الْكَرِيمَ لَوْ دُعِيَ إِلَى طَعْنَةٍ بِلَيْلٍ لأَجَابَ قَالَ: وَيُدْخِلُ مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ مَعَهُ رَجُلَيْنِ

فَقَالَ: إِذَا مَا جَاءَ فَإِنِّي قَائِلٌ بَشَعَرِهِ فَأَشَمُّهُ، فَإِذَا رَأَيْتُمُونِي اسْتَمْكَنْتُ مِنْ رَأْسِهِ فَدُونَكُمْ فَاضْرِبُوهُ وَقَالَ مَرَّةً: ثُمَّ أُشِمُّكُمْ فَنَزَلَ إِلَيْهِمْ مَتَوَشِّحًا، وَهُوَ يَنْفَحُ مِنْهُ رِيحُ الطِّيبِ فَقَالَ: مَا رَأَيْتُ كَالْيَوْمِ رِيحًا، أَيْ أَطْيَبَ قَالَ: عِنْدِي أَعْطَرُ نِسَاءِ الْعَرَبِ وَأَكْمَلُ الْعَرَبِ؛ فَقَالَ: أَتَأْذَنُ لِي أَنْ أَشَمَّ رَأْسَكَ قَالَ: نَعَمْ فَشَمَّهُ ثُمَّ أَشَمَّ أَصْحَابَهُ ثُمَّ قَالَ: أَتأْذَنُ لِي قَالَ: نَعَمْ فَلَمَّا اسْتَمْكَنَ مِنْهُ، قَالَ: دُونَكُمْ فَقَتَلُوهُ، ثُمَّ أَتَوُا النَبِيَّ ﷺ فَأَخْبَرُوهُ

1179) Van Jâbir ibn `Abdullah(رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie wil Kaʿb ibn al-Ashraf doden?

Want hij heeft Allāh en Zijn Rasūl gekwetst.”Daarop stond Muḥammad ibn Maslamah op en zei: “O Rasūlullāh wilt u dat ik hem dood?”Hij antwoordde: “Ja.”Muḥammad ibn Maslama zei: “Sta mij toe sommige dingen te zeggen.”“Zeg wat je wilt,” zei hij.Vervolgens ging Muḥammad ibn Maslamah naar Kaʿb ibn al-Ashraf en zei tegen hem: “Die man (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vraagt ons om ṣadaqah/zakāh, en heeft ons uitgeput. Daarom kom ik om iets van je te lenen.”Hij (Kaʿb) zei: “Ja, bij Allāh, je zult alleen maar meer van hem balen.”Hij antwoordde: “We hebben hem eenmaal gevolgd. Nu willen we niet breken totdat we zien waar dit toe leidt.

We willen wat voedsel van je.”- “Maar ik wil onderpand”. - “Wat wil je als onderpand.”- “Goed, maar laat dan jullie vrouwen als onderpand achter.”- “Hoe kunnen wij onze vrouwen aan jou als onderpand geven terwijl jij de knapste van de Arabieren bent?”- “Laat dan jullie zonen als onderpand.”- “Mensen zullen zeggen dat we onze kinderen als onderpand hebben gegeven voor wat voedsel. Dat zou een vernedering zijn. Laten we onze wapens als onderpand geven.”Daarna spraken ze een moment af om terug te komen.Muḥammad ibn Maslama keerde 's nachts terug met zijn pleegbroer Abû Na’ilah. Kaʿb had hen uitgenodigd naar zijn fort, en daalde af om hen te ontmoeten.Zijn vrouw zei tegen hem: “Waar ga je heen op dit uur?”- “Dat zijn Muḥammad ibn Maslamah en mijn pleegbroer Abû Na’ilah.”- “Ik hoor een stem... het klinkt alsof die met bloed is doordrenkt.”- “Een edel man weigert geen uitnodiging, zelfs niet voor een zwaardsteek midden in de nacht.”Muḥammad ibn Maslamah nam enkele anderen mee naar binnen.(Volgens sommige overleveringen waren dit Abû ‘Abs ibn Jubayr, Hâris ibn Aws en ‘Abbâd ibn Bishr (رضي الله عنهم). Muḥammad ibn Maslamah zei tegen zijn vrienden: “Wanneer hij komt, zal ik zeggen: ‘Wat ruikt je haar lekker.’ En terwijl ik het ruik, grijp ik hem vast.

Als je dat ziet, val dan aan.”(In een andere versie: “Daarna laat ik jullie ook zijn hoofd ruiken.”)Kaʿb daalde af, geurend en gewapend.Muḥammad ibn Maslama zei: “Ik heb nog nooit zo’n heerlijke geur geroken.”- “Ik heb de meest welriekende vrouwen van de Arabieren bij mij.”- “Mag ik je hoofd ruiken?”- “Natuurlijk.”Hij rook eraan, en liet ook zijn metgezellen ruiken. Vervolgens vroeg hij opnieuw en bij de tweede keer, greep hij Kaʿb vast en zei: “Aanvallen!”Ze doodden hem en gingen terug naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hem verslag uit te brengen.

[Kaʿb ibn al-Ashraf stamde van de Tay, terwijl zijn moeder tot de joodse stam Banû an-Nadîr behoorde. Hij was zowel een dichter als een rijk man. Met zijn poëzie probeerde hij de publieke opinie tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op te zetten en kon hij de overwinning van de moslims in de Slag bij Badr niet verkroppen. Kaʿb reisde naar Makkah om samen met de afgodendienaren van de Quraysh te rouwen om hun gesneuvelde leiders. Daar reciteerde hij gedichten waarin hij de gevallen Quraysh-leiders prees en opriep tot wraak tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).De bekende tafsîrgeleerde Muqâtil ibn Sulaymân noemde Kaʿb ibn al-Ashraf in zijn uitleg van het vers als voorbeeld van een tâghût een tirannieke, duivelse macht.

وَٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْ أَوۡلِيَآؤُهُمُ ٱلطَّٰغُوتُ ٢٥٧…

(En voor) de ongelovigen zijn er deelgenoten van de Thaghōets (sûrah al-Baqarah: 257)Ook Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنه), ad-Dahhâk en Mujâhid identificeerden Kaʿb als de tâghût in

أَلَمۡ تَرَ إِلَى ٱلَّذِينَ أُوتُواْ نَصِيبٗا مِّنَ ٱلۡكِتَٰبِ يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡجِبۡتِ وَٱلطَّٰغُوتِ وَيَقُولُونَ لِلَّذِينَ كَفَرُواْ هَٰٓؤُلَآءِ أَهۡدَىٰ مِنَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ سَبِيلًا ٥١

Heb jij degenen dan niet gezien aan wie een gedeelte van het Schrift werd gegeven? Zij zijn bijgelovig en geloven in afgoden en zij zeggen over hen die ongelovig zijn: zij volgen een betere weg dan zij die geloven. (sûrah an-Nisâ’: 51).Kaʿb viel moslimvrouwen aan met zijn beledigende en lasterlijke poëzie. De dichter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Hassân ibn Thâbit (رضي الله عنه), beantwoordde zijn aanvallen met poëzie die hem uiteindelijk dwong Madīnah te verlaten. Na de Slag bij Badr ging Kaʿb naar Makkah om de Quraysh aan te sporen tot wraak.De gedichten van Hassân ibn Thâbit over Kaʿb en de Quraysh waren zo effectief dat niemand Kaʿb nog durfde te ontvangen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde andere dichters die op soortgelijke wijze haat zaaiden, laster verspreidden en het imago van de moslims schade toebrachten. Als zij niet zouden stoppen, zou hij hun eliminatie bevelen.

Voorbeelden hiervan zijn:Asmâ' bint Marwân – zij schreef haatdragende poëzie tegen moslims.Abû ʿAfak – een oude man die met zijn poëzie moslims belachelijk maakte.Abû ʿUzzah – zijn gedichten leidden ertoe dat de stam van Kinânah Quraysh kwam helpen tegen de moslims.] (AFK)

Slag bij Khaybar

غزوة خيبر

١١٨٠ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ غَزَا خَيْبَرَ فَصَلَّيْنَا عِنْدَهَا صَلاَةَ الْغَدَاةِ بِغَلَسٍ، فَرَكِبَ نَبِيُّ اللهِ ﷺ وَرَكِبَ أَبُو طَلْحَةَ وَأَنَا رَدِيفُ أَبِي طَلْحَةَ فَأَجْرَى نَبِيُّ الله ﷺ فِي زُقَاقِ خَيْبَرَ وَإِنَّ رُكْبَتِي لَتَمَسُّ فَخِذَ نَبِيِّ اللهِ ﷺ، ثُمَّ حَسَرَ الإِزَارَ عَنْ فَخْذِهِ حَتَّى إِنِّي أَنْظُرُ إِلَى بَيَاضِ فَخِذَ نَبِيِّ اللهِ ﷺ فَلَمَّا دَخَلَ الْقَرْيَةَ، قَالَ:اللهُ أَكْبَرُ خَرِبَتْ خَيْبَرُ إِنَّا إِذَا نَزَلْنَا بِسَاحَةِ قَوْمٍ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنْذَرِينَ قَالَهَا ثَلاَثًا قَالَ: وَخَرَجَ الْقَوْمُ إِلَى أَعْمَالِهِمْ، فَقَالُوا: مُحَمَّدٌ وَالْخَمِيسُ (يَعْنِي الْجَيْشَ) قَالَ: فَأَصَبْنَاهَا عَنْوَةً

1180 – Van Anas (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op weg naar de veldtocht van Khaybar. Wij verrichtten het ochtendgebed (ṣalāh al-fajr) in de vroege duisternis nabij Khaybar. Daarna besteeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn rijdier. Abû Talḥa reed mee en ik (Anas) zat bij hem achterop.Toen wij Khaybar naderden, raakte mijn knie per ongeluk zijn dij, en het kleed verschoof zodat ik de witte huid van de dij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag. Toen hij de stad naderde, zei hij driemaal: “Allāhu Akbar! Khaybar is gevallen!

Wanneer wij het land van een volk binnenvallen, hoe slecht is de ochtend voor degenen die tevoren gewaarschuwd werden. “(Aangehaald uit Saffât: 177: فَإِذَا نَزَلَ بِسَاحَتِهِمۡ فَسَآءَ صَبَاحُ ٱلۡمُنذَرِينَ ١٧٧ Maar wanneer deze op hun land nederdaalt zal de dag slecht zijn voor degenen die werden gewaarschuwd.)De mensen van Khaybar riepen in paniek: “O wee! Het is Muhammed en zijn leger!”Vervolgens veroverden wij Khaybar met geweld (niet via vredesovereenkomst).

[Na de overwinning van de moslims in de Slag bij Badr konden de polytheïsten uit Makkah hun nederlaag maar moeilijk verkroppen. De dood van de joodse dichter Kāʿb b. al-Ashraf, die zijn poëzie, zijn welsprekende toespraken en zijn rijkdom gebruikte om het volk tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op te hitsen, boezende angst in de harten van de joden in Madīnah. Zij kwamen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en spraken met hem. Ze werden gewaarschuwd om niet zoals Kāʿb te handelen en sloten een overeenkomst dat zij de moslims niet zouden verraden door samen te werken met de Makkaanse polytheïsten.] (Diyanet)

١١٨١ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ ﵁، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ إِلَى خَيْبَرَ، فَسِرْنَا لَيْلًا، فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الْقَوْمِ، لِعَامِرٍ: يَا عَامِرُ أَلاَ تُسْمِعُنَا مِنْ هُنَيْهَاتِكَ وَكَانَ عَامِرٌ رَجُلًا شَاعِرًا، فَنَزَلَ يَحْدُو بِالْقَوْمِ، يَقُولُ:

اَللَّهُمَ لَوْلاَ أَنْتَ مَا اهْتَدَيْنَاوَلاَ تَصَدَّقْنَا وَلاَ صَلَّيْنَافَاغْفِرْ، فِدَاءً لَكَ، مَا أَبْقَيْنَاوَثَبِّتِ الأَقْدَامَ إِنْ لاَقَيْنَاوَأَلْقِيَنْ سَكِينَةً عَلَيْنَاإِنَّا إِذَا صِيحَ بِنَا أَبَيْنَاوَبِالصِّيَاحِ عَوَّلُوا عَلَيْنَافَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ هذَا السَّائِقُ قَالُوا: عَامِرُ بْنُ الأَكْوعِ قَالَ: يَرْحَمُهُ الله قَالَ رَجُلٌ مِنَ الْقَوْمِ: وَجَبَتْ يَا نَبِيَّ اللهِ لَوْلاَ أَمْتَعْتَنَا بِهِ فَأَتَيْنَا خَيْبَرَ فَحَاصَرْنَاهُمْ حَتَّى أَصَابَتْنَا مَخْمَصَةٌ شَدِيدَةٌ ثُمَّ إِنَّ اللهَ تَعَالَى فَتَحَهَا عَلَيْهِمْ فَلَمَّا أَمْسى النَّاسُ مَسَاءَ الْيَوْم الَّذِي فُتِحَتْ عَلَيْهِمْ أَوْقَدُوا نِيرَانًا كَثِيرةً فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا هذِهِ النِّيرَانُ عَلَى أَيِّ شَيْءٍ توقِدُونَ قَالُوا: عَلَى لَحْمٍ قَالَ: عَلَى أَيِّ لَحْمٍ قَالُوا: لَحْمُ حُمُرِ الإِنْسِيَّةِ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أهْرِيقُوهَا وَاكْسِرُوهَا فَقَالَ رَجُلٌ: يَا رَسُولَ اللهِ أَوْ نُهَرِيقُهَا وَنَغْسِلُهَا؛ قَالَ: أَوْ ذَاكَ

فَلَمَّا تَصَافَّ الْقَوْمُ كَانَ سَيْفُ عَامِرٍ قَصِيرًا، فَتَنَاوَلَ بِهِ سَاقَ يَهُودِيٍّ لِيَضْرِبَهُ وَيَرْجِعُ ذُبَابُ سَيْفِهِ، فَأَصَابَ عَيْنَ رُكْبَةِ عَامِرٍ، فَمَاتَ مِنْهُ قَالَ: فَلَمَّا قَفَلُوا، قَالَ سَلَمَةُ: رَآنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ وَهُوَ آخِذٌ بِيَدِي، قَالَ: مَا لَكَ قلْتُ لَهُ: فَدَاكَ أَبِي وَأُمِّي زَعَمُوا أَنَّ عَامِرًا حَبِطَ عَمَلُهُ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: كَذَبَ مَنْ قَالَهُ إِنَّ لَهُ لأَجْرَيْنِ وَجَمَعَ بَيْنَ إِصْبَعَيْهِ: إِنَّهُ لَجَاهِدٌ مُجَاهِدٌ، قَلَّ عَرَبِيٌّ مَشى بِهَا مِثْلَهُ

1181 - Van Salamah ibn al-Akwa‘ (رضي الله عنه):Wij trokken samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op weg naar Khaybar. We reisden 's nachts, en een man uit het gezelschap (leger) zei tegen (mijn oom) ‘Āmir: “O ‘Āmir, laat ons iets van jouw korte rijm horen.” ‘Āmir, die een dichter was, begon de groep te leiden met zijn lied (tijdens het rijden op een kameel om de dieren aan te moedigen) waarin hij zei:“O Allāh, zonder Uw leiding, zouden wij niet geleid zijn,Wij zouden noch liefdadigheid (sadaqah) geven noch ṣalāh verrichten.Vergeef ons, als offer voor U, voor alles wat wij achterlaten.En maak onze voeten standvastig wanneer we geconfronteerd worden (met de ongelovigen).En schenk ons rust (sakīnah)Wanneer er alarm wordt geslagen,Dan keren wij terug, en zij rekenen op ons.”Toen zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie is deze leider van de kamelen?”Zij antwoordden: “Het is ‘Āmir ibn al-Akwa‘.”Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh hem genade schenken.”Een man uit het gezelschap (leger) zei: “O NabieAllāh, (door uw du`ā’) is het vastgesteld, dat hij martelaar zal worden! Had u ons niet langer van zijn gezelschap laten genieten?”Toen kwamen we in Khaybar aan en belegerden diens bewoners (De belegering duurde 20 dagen). De honger nam toe totdat Allāh de overwinning over hen schonk.Op de avond van de overwinning maakten de mensen veel vuur.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Wat zijn deze vuren? Voor wat koken jullie?” Zij antwoordden: “Voor vlees.” Hij vroeg: “Welk vlees?” Zij antwoordden: “Vlees van tamme ezels.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Giet het uit en breek de potten!”Een man zei: “O Rasūlullāh, kunnen wij het niet uitgieten en de potten (gewoon) wassen?”Hij zei: “Ja, dat mag ook”Toen de rijen van de strijdende partijen (moslims tegenover joden) waren opgesteld, had ‘Āmir een kort zwaard. Hij probeerde een joodse man in zijn been te steken, maar het zwaard keerde terug en verwondde zijn eigen knie, dat hem fataal werd. (Hij overleed aan deze verwonding.)Na de veldtocht (van Khaybar) zei Salamah: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag mij en hield mijn hand vast en vroeg: ‘Wat scheelt er?’ Ik zei: ‘Moge mijn vader en moeder als offer voor u zijn!

Zij beweren dat de goede daden van (mijn oom) ‘Āmir verloren zijn. (Omdat hij per ongeluk zichzelf doodde).)’An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Degene die dat zei, heeft ongelijk! Voorwaar, voor hem zijn er twee beloningen.” Hij bracht zijn vingers samen en zei: “Hij was zowel een toegewijde dienaar als een mujāhid. Weinigen onder de Arabieren hebben zijn gelijke gekend.”

[ʿĀmir ibn al-Akwāʿ was de oom van Salamah. Zijn vader was ʿAmr en zijn grootvader was al-Akwāʿ. Daarom staat hij bekend als Salamah ibn al-Akwāʿ.Khaybar was een nederzettingscentrum waar joden woonden, gelegen op de route tussen Damascus en Madīnah, ongeveer 150 km ten noorden van Madīnah. Het werd door Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in het 7e jaar van de Hijrah veroverd. In de joodse taal betekent “Khaybar” “vesting,” en het gebied was ook een belangrijk centrum voor dadels en graan.De vesting van Khaybar had zeven torens: Nā‘im, Kamūs, Shiq, Natāh, Sulālim, Waṭīḥ, en Kātība.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon na het vredesverdrag van Hudaybiyah met de voorbereidingen voor de verovering van Khaybar. De reden hiervoor was dat de joden van Khaybar in alliantie waren met de polytheïsten tegen Madīnah, en dat veel joodse stammen zich daar hadden verzameld.Voor deze veldtocht gaf Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) de opdracht dat alleen degenen die enthousiast waren over de jihād mochten deelnemen. Hij liet Sibā' ibn 'Urfuṭah als plaatsvervanger in Madīnah achter en nam zijn vrouw, moeder der gelovigen, Umm Salamah mee. Met een leger van 1400 infanteristen en 200 ruiters vertrok hij en zei: “Wij streven hier naar het goede.” Na vertrek uit Madīnah vestigde Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) zijn kamp tussen Khaybar en de stam van Ghaṭafān.

Hij verbleef daar tot zonsopgang om te voorkomen dat de Ghaṭafān-stam Khaybar te hulp zou komen.De inwoners van Khaybar wisten tot zonsopgang niet van de komst van de moslims. Toen zij 's ochtends de poorten van hun fort openden en de moslims zagen, keerden zij terug naar hun fort en zeiden: “Muḥammad is gekomen, en het is zaterdag.” Omdat het hun heilige dag was, vochten de joden niet op zaterdag.De verovering van Khaybar begon bij de vesting Nā‘im, waar Maḥmūd ibn Maslamah door een steen werd getroffen en als martelaar overleed. Vervolgens werd de vesting Kamūs ingenomen, daarna Waṭīḥ, Sulālim, Shiq, Natāh, en ten slotte Kātība. Bij de verovering van deze forten vonden hevige gevechten plaats.In deze veldtocht vielen 25 martelaren onder de moslims, terwijl de joden 93 mensen verloren. Onder de prominente leiders van Khaybar die omkwamen, bevonden zich Usayr, Yāsir, Amīr, en Kināna ibn Abī al-Ḥuqayq met zijn broer.De moslims namen tijdens deze veldtocht veel krijgsgevangenen, maar de inwoners van Khaybar vroegen om teruggave van hun gevangenen en om gratie voor zichzelf. Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) accepteerde dit. Onder de gevangenen bevond zich ook Ṣafiyyah, de dochter van de joodse leider Ḥuyay ibn Akhṭab.Hoewel Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) Ṣafiyyah aanbood om terug te keren naar haar familie, koos Ṣafiyyah ervoor om moslim te worden en de vrouw van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) te worden. Voor de slag bij Khaybar was Ṣafiyyah getrouwd met Kināna ibn Rabī‘a. Op hun eerste huwelijksnacht vertelde zij hem een droom die zij had gezien. In haar droom zag zij een visioen dat haar toekomstige verbintenis met an-Nabī(صلى الله عليه وسلم) suggereerde.

Kināna reageerde boos en zei: “Je wenst alleen maar Muḥammad.” Vervolgens sloeg hij haar in het gezicht, waardoor haar oog blauw werd.Toen Ṣafiyyah later met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) trouwde, was de blauwe plek nog zichtbaar. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ernaar vroeg, vertelde zij hem het incident.Aan het einde van de veldslag kwamen de inwoners van Khaybar met Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) een vredesverdrag overeen. Volgens de overeenkomst werden de levens van de Khaybarieten gespaard en werden hun vrouwen en kinderen vrijgelaten. In ruil daarvoor moesten zij zich terugtrekken uit Khaybar en hun land, goud, zilver, kleding en wapens overdragen aan de moslims, zonder iets achter te houden.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) verdeelde de landbouwgrond van Khaybar onder de metgezellen. De joden vroegen echter om te mogen blijven en om het land te bewerken, omdat zij ervaring hadden met landbouw en dadeltuinen. Hierop stemde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ermee in dat zij mochten blijven als pachters op hun voormalige eigendommen.Volgens deze regeling zouden zij de opbrengst van het land met de moslims delen, waarbij de opbrengst in tweeën werd verdeeld. In ruil daarvoor beloofden zij alles eerlijk over te dragen zonder iets te verbergen.Kināna ibn Rabī‘ werd ter dood gebracht omdat hij zich niet hield aan de voorwaarden van de overeenkomst. Hij verborg eigendommen die teruggegeven hadden moeten worden en was verantwoordelijk voor de dood van Maḥmūd ibn Maslamah.De inwoners van Khaybar bleven na de verovering volgens de vastgestelde regels als pachters op het land werken, zelfs tijdens het kalifaat van Abū Bakr en ‘Umar. ‘Abdullāh ibn Rawāḥa was aangesteld om toezicht te houden op het verzamelen van de inkomsten van deze gronden.Tijdens het kalifaat van ‘Umar ontstonden echter problemen met de joden van Khaybar.

Er waren meldingen van toenemende immoraliteit zoals overspel, vijandig gedrag tegenoverde moslims, en een poging tot een aanslag op ‘Umar’s zoon, ‘Abdullāh. Bovendien waren moslims inmiddels in staat om zelf de landbouwgrond van Khaybar te bewerken. Daarom werden de joden van Khaybar tijdens het kalifaat van ‘Umar naar Shām (Syrië) verbannen. Deze maatregel werd mede ingegeven door een uitspraak van Rasūlullāh(صلى الله عليه وسلم) waarin hij zei: “Op het Arabische schiereiland/Arabië zullen geen twee religies naast elkaar bestaan.”Na het verdrijven van de joden verdeelde ‘Umar de landbouwgrond van Khaybar opnieuw onder de metgezellen en hun families, volgens de eerdere indeling die Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gemaakt.] (HY)

Slag bij de Greppel (Khandaq)

غزوة الأحزاب وهي الخندق

١١٨٢ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَوْمَ الأَحْزَابِ يَنْقُلُ التُّرابَ، وَقَد وَارَى التُّرَابُ بَيَاضَ بَطْنِهِ، وَهُوَ يَقُولُ:

لَوْلاَ أَنْتَ مَا اهْتَدَيْنَاوَلاَ تَصَدَّقْنَا وَلاَ صَلَّيْنَافَأَنْزِلِ السَّكِينَةَ عَلَيْنَاوَثَبِّتِ الأَقْدَامَ إِنْ لاَقَيْنَاإِنَّ الأُلَى قَد بَغَوْا عَلَيْنَاإِذَا أَرَادُوا فِتْنَةً أَبَيْنَا

1182 - Van Al-Barâ ibn ‘Āzib (رضي الله عنه):Ik zag Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van al-Aḥzāb/slag bij Khandaq (Greppel) terwijl hij aarde aan het dragen was. De aarde had het witte gedeelte van zijn buik bedekt, en hij droeg (de volgende gedichtverzen) voor: 'Als U er niet was geweest, zouden wij niet geleid zijn (als U ons geen leiding had gegeven, zouden wij geen leiding hebben gevonden)Wij zouden noch liefdadigheid geven noch ṣalāh verrichten.Laat rust/vrede op ons neerdalen,En maak onze voeten standvastig als we geconfronteerd worden (met de ongelovigen).Waarlijk, degenen die tegen ons in opstand zijn gekomen,Als ze ons tot onrust willen brengen, zullen wij weigeren (Zij hebben ons onrecht aangedaanen zij hebben gestreefd naar de fitnah waarvoor wij ons hebben gewaarschuwd!)'(Zie ook: Qur’ān, 8:11 en 47:7)

١١٨٣ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: جَاءَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ وَنَحنُ نَحْفِرُ الْخَنْدَقَ وَنَنْقُلُ التُّرَابَ عَلَى أَكْتَادِنَا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ:

اللهُمَّ لاَ عَيْشَ إِلاَّ عَيْشُ الآخِرَهْفَاغْفِرْ لِلْمُهَاجِرِينَ وَالأَنْصَارِ

1183 – Van Sahl ibn Sa’d (رضي الله عنه):Toen wij greppels aan het graven waren en aarde op onze schouders droegen, kwam Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) langs en zei: “O Allāh, het ware leven is het Hiernamaals.Schenk vergiffenis aan de Muhajirûn en de Ansâr.”

١١٨٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ

لاَ عَيْشَ إِلاَّ عَيْشُ الآخِرَةِفَأَصْلِحِ الأَنْصَارَ وَالْمُهَاجِرَةَ

1184 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen (werkelijk) leven behalve het leven van het Hiernamaals. Breng daarom verzoening tussen de Anṣār en de Muhajirûn.”

١١٨٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَتِ الأَنْصَارُ، يَوْمَ الْخَنْدَقِ، تَقُولُ:

نَحْنُ الَّذِينَ بَايَعُوا مُحَمَّدًاعَلَى الْجِهَادِ مَا حَيينَا أَبَدًافَأَجَابَهُمُ النَبِيُّ ﷺ، فَقَالَ:

اللهُمَّ لاَ عَيْشَ إِلاَّ عَيْشُ الآخِرَهْفَأَكْرِمِ الأَنْصَارَ وَالْمُهَاجِرَهْ

1185 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):De Muhājirūn en de Anṣār groeven een greppel rond Madīnah.

Ze droegen aarde op hun schouders en zeiden: “Wij zijn degenen die trouw hebben gezworen aan Muḥammed voor altijd, zolang wij leven, om standvastig te blijven in de Islām .”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde hen door te zeggen: “O Allāh, waarlijk het echte leven is het Hiernamaals. Schenk zegeningen en goedheid aan de Anṣār en de Muhājirūn.”

De veldslag bij Dzatu’l-Qarad en andere (veldslagen)

غزوة ذي قرد وغيرها

١١٨٦ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ، قَالَ: خَرَجْتُ قَبْلَ أَنْ يُؤَذَّنَ بِالأُولَى، وَكَانَتْ لِقَاحُ رَسُولِ اللهِ ﷺ تَرْعَى بِذِي قَرَدٍ، قَالَ: فَلَقِيَنِي غُلاَمٌ لِعَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ فَقَالَ: أُخِذَتْ لِقَاحُ رَسُولِ اللهِ ﷺ قُلْتُ: مَنْ أَخَذَهَا قَالَ: غَطَفَانُ قَالَ: فَصَرَخْتُ ثَلاَثَ صَرَخَاتٍ، يَا صَبَاحَاهُ قَالَ: فَأَسْمَعْتُ مَا بَيْنَ لاَبَتَي الْمَدِينَةِ، ثُمَّ انْدَفَعْتُ عَلَى وَجْهِي حَتَّى أَدْرَكْتُهُمْ وَقَدْ أَخَذُوا يَسْتَقُونَ مِنَ الْمَاءِ، فَجَعَلْتُ أَرْمِيهِمْ بِنَبْلِي وَكُنْتُ رَامِيًا، وَأَقُولُ: أَنَا ابْنُ الأَكْوَعْ الْيَوْمُ يَوْمُ الرُّضَّعِ وَأَرْتَجِزُ حَتَّى اسْتَنْقَذْتُ اللِّقَاحَ مِنْهُمْ، وَاسْتَلَبْتُ مِنْهُمْ ثَلاَثِينَ بُرْدَةً قَالَ: وَجَاءَ النَبِيُّ ﷺ وَالنَّاسُ، فَقُلْتُ: يَا نَبِيَّ اللهِ قَدْ حَمَيْتُ الْقَوْمَ الْمَاءَ وَهُمْ عِطَاشٌ، فَابْعَثْ إِلَيْهِمِ السَّاعَةَ فَقَالَ: يَا ابْنَ الأَكْوَعِ مَلَكْتَ فَأَسْجِحْ قَالَ: ثُمَّ رَجَعْنَا، وَيُرْدِفُنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى نَاقَتِهِ، حَتَّى دَخَلْنَا الْمَدِينَةَ

1186 - Van Salama Ibn al-Akwa` (رضي الله عنه):Ik ging naar buiten vóórdat de eerste adhan werd opgeroepen.

De melkkamelen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) graasden in Dhī Qarad.Daar ontmoette ik een dienaar van ʿAbdurraḥmān Ibn ʿAwf die zei: 'De kamelen van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gestolen!'Ik vroeg: 'Wie heeft ze gestolen?' Hij antwoordde: ‘Mannen van de stam Ghaṭafān.'Toen schreeuwde ik drie keer luid: Er is een inval!' (als een waarschuwingskreet), en mijn stem bereikte alles tussen de lavavelden van Madīnah.Vervolgens haastte ik me in hun richting (van de rovers) en trof hen aan terwijl ze water aan het putten waren.Ik begon hen te bestoken met mijn pijlen (aangezien ik was een vaardig boogschutter was), terwijl ik riep: 'Ik ben de zoon van al-Akwa`, vandaag is de dag van de nederlaag/dood van de schurken!'Ik bleef hen aanvallen en reciteren dichtregels, totdat ik de kamelen van hen had teruggenomen.

Daarnaast nam ik dertig mantels van hen als oorlogsbuit.Later arriveerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een groep mensen. Ik zei: 'O NabieAllāh, ik heb hen van het water weggehouden terwijl ze dorstig waren. Stuur nu een eenheid achter hen aan.'Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: 'O zoon van al-Akwa`, wees genadig, want jij hebt nu de overhand!'Daarna keerden we terug en Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet mij achterop zijn kameel rijden totdat we Madīnah binnengingen.”

[Dhī Qarad is een plaats gelegen nabij het gebied van Ghaṭafān, op twaalf mijl afstand. Het bevindt zich tussen Madīnah en Khaybar, langs de weg naar Shām (Syrië). Madīnah ligt op twee dagreizen afstand van deze locatie.Deze gebeurtenis staat ook bekend als de Ghabah-veldtocht. Ongeveer twintig kamelen werden gestolen. Daarnaast werden de zoon en de vrouw van Abū Dzar (رضي الله عنه) aangevallen. Zijn zoon werd gedood en zijn vrouw werd gevangen genomen.] (HY)

Deelname van de vrouwen aan de strijd samen met de mannen

غزوة النساء مع الرجال

١١٨٧ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ أُحُدٍ، انْهَزَمَ النَّاسُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ وَأَبُو طَلْحَةَ بَيْنَ يَدَيِ النَّبِيِّ ﷺ مُجَوِّبٌ بِهِ عَلَيْهِ بِحَجَفَةٍ لَهُ وَكَانَ أَبُو طَلْحَةَ رَجُلًا رَامِيًا شَدِيدَ الْقِدِّ يَكْسِرُ يَوْمَئِذٍ قَوْسَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا وَكَانَ الرُّجُلُ يَمُرُّ مَعَهُ الْجَعْبَةُ مِنَ النَّبْلِ، فَيَقُولُ: انْشُرْهَا، لأَبِي طَلْحَةَ فَأَشْرَفَ النَّبِيُّ ﷺ يَنْظرُ إِلَى الْقَوْمِ، فَيَقُولُ أَبُو طَلْحَةَ: يَا نَبِيَّ اللهِ بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي لاَ تُشْرِفْ، يُصِيبُكَ سَهْمٌ مِنْ سِهَامِ الْقَوْمِ، نَحْرِي دُونَ نَحْرِك

وَلَقَدْ رَأَيْتُ عَائِشَةَ بِنْتَ أَبِي بَكْرٍ، وَأُمَّ سُلَيْمٍ، وَإِنَّهُمَا لَمُشَمِّرَتَانِ، أَرَى خَدَمَ سُوقِهِمَا، تُنْقِزَانِ الْقِرَبَ عَلَى مُتُونِهِمَا، تُفْرِغَانِهِ فِي أَفْوَاهِ الْقَوْمِ، ثُمَّ تَرْجِعَانِ فَتَمْلآنِهَا، ثُمَّ تَجِيئَانِ فَتُفْرِغَانِهِ فِي أَفْوَاهِ الْقَوْمِ وَلَقَدْ وَقَعَ السَّيْفُ مِنْ يَدَيْ أَبِي طَلْحَةَ، إِمَّا مَرَّتَيْنِ وَإِمَّا ثَلاَثًا

1187 - Van Anas (رضي الله عنه):Tijdens de slag bij Uḥud, vluchtten de mensen aan de zijde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maar Abû Ṭalḥah stond voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en beschermde hem met zijn (leren)schild. Abû Ṭalḥah was een bekwame boogschutter en een buitengewoon sterke man; op die dag brak hij twee of drie bogen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei herhaaldelijk tegen de omstaanders: “Geef je pijlen aan Abû Ṭalḥah!”Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opstond om de vijand te observeren, zei Abû Ṭalḥah: “O NabieAllāh, moge mijn vader en moeder voor u worden opgeofferd! Toon uzelf niet aan de vijand, anders raakt een van hun pijlen u. Mijn lichaam is voor uw lichaam (een schild)!”Anas zei: “Ik zag 'Aishah bint Abi Bakr en Umm Sulaym (tussen de gewonden) hun kleding omhooggeschorten zodat ze (makkelijk konden lopen). Ik kon hun enkelbanden zien. Ze droegen waterzakken op hun rug, brachten die naar de strijders (gewonden) en gaven het water in hun mond, keerden terug om de zakken te vullen en herhaalden dit proces telkens opnieuw.”Anas voegde eraan toe: “(Tijdens de strijd) werd Abû Ṭalḥah twee of drie keer getroffen door een zwaardslag.”

Het aantal veldslagen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)

عدد غزوات النبيّ ﷺ

١١٨٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ يَزِيدَ الأَنْصَارِيِّ، أَنَّهُ خَرَجَ، وَخَرَجَ مَعَهُ الْبَرَاءُ بْنُ عَازِبٍ وَزَيْدُ بْنُ أَرْقَمَ، فَاسْتَسْقَى، فَقَامَ بِهِمْ عَلَى رِجْلَيْهِ، عَلَى غَيْرِ مِنْبَرٍ، فَاسْتَغْفَرَ ثُمَّ صَلَّى رَكْعَتَيْنِ، يَجْهَرُ بِالْقِرَاءَةِ، وَلَمْ يُؤَذِّنْ وَلَمْ يُقِمْ

1188 – Van ʿAbdullāh ibn Yazīd al Anṣārie (رضي الله عنه):Hij verrichtte het regen smeekgebed (ṣalāh al-istisqā’) in aanwezigheid van al-Barā’ ibn ‘Āzib en Zayd ibn Arqām. Hij stond rechtop, sprak de smeekbeden uit zonder op een preekstoel te staan, en leidde daarna twee rakʿa’s (ṣalāh) met luide recitatie, zonder dat er aḍhān of iqāmah werd verricht.

١١٨٩ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ عَنْ أَبِي إِسْحقَ، قَالَ: كُنْتُ إِلَى جَنْبِ زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ، فَقِيلَ لَهُ: كَمْ غَزَا النَّبِيُّ ﷺ مِنْ غَزْوَةٍ قَالَ: تِسْعَ عَشْرَةَ قِيلَ: كَمْ غَزَوْتَ أَنْتَ مَعَهُ قَالَ: سَبْعَ عَشْرَةَ، قُلْتُ: فَأَيُّهُمْ كَانَتْ أَوَّلَ قَالَ: الْعُسَيْرَةُ أَوِ الْعُشَيْرُ1189 – Van Zayd ibn Arqām via Abû Ishaaq (رضي الله عنه):Ik was bij Zayd ibn Arqām toen hem werd gevraagd: “Hoeveel veldtochten heeft de Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ondernomen?”Hij antwoordde: “Negentien.”Vervolgens werd hem gevraagd: “Bij hoeveel van die veldtochten was jij aanwezig?”Hij zei: “Bij zeventien.”Toen werd hem gevraagd: “Wat was de eerste veldtocht (waaraan jij deelnam)?”Hij antwoordde: “De veldtocht van `Usayrah (of `Ushayr).”١١٩٠ - حديث بُرَيْدَةَ، أَنَّهُ غَزَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ سِتَّ عَشْرَةَ غَزْوَة1190 – Van Buraydah ibn Ḥuṣayb (رضي الله عنه):Ik nam deel aan 16 veldtochten met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) .”١١٩١ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ، قَالَ: غَزَوْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ سَبْعَ غَزَوَاتٍ، وَخَرَجْتُ فِيمَا يَبْعَثُ مِنَ الْبُعُوثِ تِسْعَ غَزَوَاتٍ: مَرَّةً عَلَيْنَا أَبُو بَكْرٍ، وَمَرَّةً عَلَيْنَا أُسَامَةُ1191 – Van Salama ibn al-Akwāʿ (رضي الله عنه):Ik heb met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan zeven veldtochten deelgenomen.

Daarnaast heb ik deelgenomen aan negen veldtochten die hij uitzond.

Soms stond Abû Bakr aan het hoofd en een andere keer Usāmah ibn Zayd.”

Slag bij Dzatu’r Riqāʿ

غزوة ذات الرقاع

١١٩٢ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي غَزَاةٍ، وَنَحْنُ سِتَّةُ نَفَرٍ، بَيْنَنَا بَعِيرٌ نَعْتَقِبُهُ، فَنَقِبَتْ أَقْدَامُنَا، وَنَقِبَتْ قَدَمَايَ، وَسَقَطَتْ أَظْفَارِي، وَكنَّا نَلُفُّ عَلَى أَرْجُلِنَا الْخِرَقَ، فَسُمِّيَتْ غَزْوَةَ ذَاتِ الرِّقَاعِ، لِمَا كُنَّا نَعْصِبُ مِنَ الْخِرَقِ عَلَى أَرْجُلِنَا

وَحَدَّثَ أَبُو مُوسى بِهذَا، ثُمَّ كَرِهَ ذَاكَ، قَالَ: مَا كُنْتُ أَصْنَعُ بِأَنْ أَذْكُرَهُ كَأَنَّهُ كَرِهَ أَنْ يَكُونَ شَيْءٌ مِنْ عَمَلِهِ أَفْشَاهُ

1192 – Van Abû Mūsā al-Ash‘arī (رضي الله عنه):Ik ging met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op veldtocht. We waren met z’n zessen en hadden slechts één kameel. We reden om de beurt, en door het lopen raakten onze voeten gewond. Mijn voeten waren zo aangetast dat mijn nagels uitvielen. We bonden lappen stof om onze voeten, en daarom werd deze veldtocht Dzāt al-Riqā` (de veldtocht van de lappen/verbanden) genoemd, vanwege de stukken stof die we om onze voeten wikkelden.”Abû Mûsâ deed dit verslag, maar voelde zich daarna ongemakkelijk. Hij zei: “Wat had ik eraan om dit te vertellen? Het lijkt alsof ik iets van mijn daden heb onthuld.”Hij leek het niet fijn te vinden dat een deel van zijn daden openbaar werd gemaakt.(Omdat het verbergen van een oprechte daad beter is dan het verrichten ervan.)