As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb al-Libās wa'z-Zīnah: Boek over Kleding en Versiering

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb al-Libās wa'z-Zīnah: Boek over Kleding en Versiering

[Libâs betekent kleding of kledingstuk. Het bedekken van het lichaam met geschikte kleding is een eigenschap die specifiek is voor de mens onder de geschapen wezens. Vanuit zijn schepping is de mens verplicht om de delen van zijn lichaam te bedekken (`awrah). Dit is een natuurlijk gevolg van zijn verheven, eervolle en verantwoordelijke aard. Kleding heeft daarnaast ook praktische functie, zoals bescherming tegen kou en hitte, en een esthetische functie als versiering.Zīnah betekent versiering of sieraden. Versieren is één van de natuurlijke verlangens van de mens. De mensheid heeft sinds de oudheid kostbare metalen zoals goud, zilver en koper gebruikt, of edelstenen zoals parels, diamanten, smaragden, om sieraden te maken en zich hiermee te versieren. Voor vrouwen, bij wie dit verlangen sterker is, heeft de Islām bepaalde principes gesteld, die als volgt kunnen worden samengevat:- Het gebruiken van sieraden is toegestaan, zolang men niet in overdaad vervalt.- Het is beter dat een persoon zijn leven versiert met taqwa (godsvrucht) en goede manieren, dan met uiterlijke sieraden.- Het gebruik van sieraden als middel tot seksuele aantrekkingskracht is ḥarām.- Vrouwen moeten hun sieraden bedekken en deze niet tonen aan niet-mahram mannen; sieraden behoren tot de lichaamsdelen die bedekt moeten zijn.- Mannen mogen geen sieraden van goud dragen. Sommige geleerden maken echter een uitzondering voor verlovingsringen, medailles of emblemen, mits deze meer als teken dan als versiering worden gedragen.- Sieraden gemaakt van edelstenen zijn niet onderworpen aan zakāh.] (HA)

Het verbod op het gebruik van gouden en zilveren gebruiksvoorwerpen voor drinken en andere doeleinden, voor zowel mannen als vrouwen

تحريم استعمال أواني الذهب والفضة، في الشرب وغيره، على الرجال والنساء

١٣٣٧ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الَّذِي يَشْرَبُ فِي إِنَاءِ الْفِضَّةِ إِنَّمَا يُجَرْجِرُ فِي بَطْنِهِ نَارَ جَهَنَّمَ

1337. Van de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , Ummu Salamah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wie uit een zilveren beker drinkt, heeft zijn buik gevuld met het vuur van Jahannam.”

Het verbod op het gebruik van gouden en zilveren eeten drinkgerei door mannen en vrouwen, het verbod op gouden ringen en zijde (kleding) voor mannen, en toegestaan van het dragen van zilver voor mannen zolang het niet breder is dan vier vingers

تحريم استعمال إِناء الذهب والفضة على الرجال والنساء، وخاتم الذهب والحرير على الرجل وإِباحته للنساء، وإِباحة العلم ونحوه على الرجل ما لم يزد على أربع أصابع

١٣٣٨ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: أَمَرَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، بِسَبْعٍ وَنَهَانَا عَنْ سَبْعِ: أَمَرَنَا بِعِيَادَةِ الْمَرِيضِ، وَاتِّبَاعِ الْجِنَازَةِ، وَتَشْمِيتِ الْعَاطِسِ، وَإِجَابَةِ الدَّاعِي، وَإِفْشَاءِ السَّلاَمِ، وَنَصْرِ الْمَظْلُومِ، وَإِبْرَارِ الْمُقْسِمِ؛ وَنَهَانَا عَنْ خَوَاتِيمِ الذَّهَبِ وَعَنِ الشُّرْبِ فِي الْفِضَّةِ، أَوْ قَالَ: آنِيَةِ الْفِضَّةِ، وَعَنِ الْمَيَاثِرِ وَالْقَسِّيِّ، وَعَنْ لُبْسِ الْحَرِيرِ وَالدِّيبَاجِ وَالإِسْتَبْرَقِ

1338. Van Al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) heeft ons opgedragen om zeven dingen te doen en hij heeft ons verboden voor zeven dingen.

Hij heeft ons opgedragen om:

bezoeken van de zieke,

volgen van de begrafenisstoet,

verrichten van du`ā’ wanneer iemand niest (“yarḥamuk Allāh” (moge Allāh je genadig zijn) zeggen als iemand ‘al-ḥamdulillāh zegt),

ingaan op een uitnodiging,

verspreiden van de salām (vredegroet: as-salāmu ʿalaykum),

helpen van de onderdrukte,

en vervullen van de eed van degene die zweert (d.w.z. hem helpen als hij zweert iets goeds te doen).

En hij heeft ons verboden:

dragen van gouden ringen (door mannen),

drinken uit zilveren bekers, of hij zei: zilveren vaten,

gebruiken van met zijde beklede zadels,

qassī (een soort kledingstof die geïmporteerd werd uit Egypte of Perzië, geweven met zijde en goud/zilverdraden.)

dragen van zijde (ḥarīr) (kledingstukken),

dragen van dībāj (brokaat: dikke, glanzende zijdeachtige stof, vaak uit Perzië of Byzantium)

en istabraq (een nog dikkere en glanzendere vorm van zijde dan dībāj).

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het eten en drinken uit gouden en zilveren vaten/borden, en het dragen van zijden kleding voor mannen, verboden vanwege de mogelijkheid dat deze zeldzame en opvallende materialen hoogmoed kunnen veroorzaken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die wilde dat een moslim eenvoudig en bescheiden leeft, heeft zelf ook altijd bescheiden geleefd, ondanks dat hij zowel staatshoofd als de laatste der profeten was.Uitgaven en gebruiken die leiden tot verspilling, hoogmoed en jaloezie aanwakkeren en de gehechtheid aan wereldse genoegens vergroten zijn niet toegestaan. Hierdoor verliest men het bewustzijn van het Hiernamaals. Dit alles is in strijd met de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). ] (Diyanet)

[De geleerden zijn het er in principe vrijwel unaniem over eens dat het voor mannen niet toegestaan is om zijden kleding te dragen. Wat betreft de toepassing (sunnah) van dit verbod en de situaties waarin er toegestane versoepeling (rukhṣah) kunnen worden toegestaan, bestaan er echter verschillende meningen en criteria.Zo oordeelt de meerderheid van de fuqahāʾ (rechtsgeleerden) dat mannen zijde mogen dragen in noodsituaties zoals:

bij ziekten als schurft of luizen, wanneer het dragen van zijde als geneesmiddel of verzachting wordt gezien,

bij kou of medische noodzaak,

of in andere gevallen van duidelijke behoefte.

Buiten deze uitzonderingen blijft het verboden voor mannen om zijde te dragen.Ook stellen de meeste geleerden dat het gebruik van zijden materialen zoals dekens, matrassen, kussens, tapijten of vloerkleden voor mannen niet is toegestaan, omdat dit eveneens onder de categorie van kleding (libās) valt.

Volgens Imām Abū Ḥanīfah en sommige Mālikī-geleerden is het verbod in de aḥadīth echter uitsluitend gericht op het dragen van zijden kleding, en niet op het gebruiken ervan voor andere doeleinden. Daarom beschouwen zij het gebruik van zijde buiten kleding als toegestaan.

Volgens de Ḥanafī geleerden is het verrichten van de ṣalāh in zijden kleding geldig, en hoeft deze niet herhaald te worden, maar het is wel makrūh. Degene die dit doet, begaat zonde, omdat hij iets draagt dat verboden is om te dragen.

De geleerden hebben hun standpunten over het gebruik van zijde vooral gebaseerd op zulke ahādīth. Op basis daarvan heeft de meerderheid geconcludeerd dat het dragen van zijde voor mannen ḥarām is. Toch hebben de geleerden ook uit deze ahādīth afgeleid dat, wanneer de hoeveelheid zijde zeer gering is, bijvoorbeeld drie à vier vingerbreedtes, of wanneer zijde wordt gebruikt als versiering, zoom, kenteken of embleem, wel toegestaan is.] (HA)

١٣٣٩ - حديث حُذَيْفَةَ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي لَيْلَى، أَنَّهُمْ كَانُوا عِنْدَ حُذَيْفَةَ، فَاسْتَسْقَى، فَسَقَاهُ مَجُوسِيٌّ فَلَمَّا وَضَعَ الْقَدَحَ فِي يَدِهِ رَمَاهُ بِهِ، وَقَالَ: لَوْلاَ أَنِّي نَهَيْتُهُ غَيْرَ مَرَّةٍ وَلاَ مَرَّتَيْنِ كَأَنَّهُ يَقُولُ لَمْ أَفْعَلْ هذَا وَلكِنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ لاَ تَلْبَسُوا الْحَرِيرَ وَلاَ الدِّيبَاجَ وَلاَ تَشْرَبُوا فِي آنِيَةِ الذَّهَبِ وَالفِضَّةِ، وَلاَ تَأْكُلُوا فِي صِحَافِهَا، فَإِنَّهَا لَهُمْ فِي الدُّنْيَا وَلَنَا فِي الآخِرَةِ1339. Van Hudzayfah via Abdurrahman ibn Abī Laylā (رضي الله عنهما):Zij waren bij Hudzayfah. Hij vroeg om water, en een magiër (aanhanger van het Zoroastrisme) gaf hem te drinken. Toen de beker in zijn hand werd gelegd, wierp hij deze weg en zei (tegen de magiër): “Als ik jou hier niet meer dan één of twee keer op had aangesproken, zou ik dit niet hebben gedaan.

Maar ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Draag geen zijde (ḥarīr) en geen brokaat (dībāj). Drink en eet niet uit goudenof zilverenvaten en -schalen. Want dat is voor hen (ongelovigen) in het wereldse leven en voor ons in het Hiernamaals.’

١٣٤٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ عَمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ رَأَى حُلَّةَ سِيَرَاءَ عِنْدَ بَابِ الْمَسْجِدِ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ لَوِ اشْتَرَيْتَ هذِهِ فَلَبِسْتَهَا يَوْمَ الْجُمُعَةِ وَلِلْوَفْدِ إِذَ قَدِمُوا عَلَيْكَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّمَا يَلْبَسُ هذِهِ مَنْ لاَ خَلاَقَ لَهُ فِي الآخِرَةِ

ثُمَّ جَاءَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، مِنْهَا حُلَلٌ فَأَعْطَى عُمَرَ ابْنَ الْخَطَّابِ ﵁ مِنْهَا حُلَّةً فَقَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ كَسَوْتَنِيَهَا، وَقَدْ قُلْتَ فِي حُلَّةِ عُطَارِدٍ مَا قُلْتَ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِنِّي لَمْ أَكْسُكَهَا لِتَلْبَسَهَا فَكَسَاهَا عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ ﵁، أَخًا لَهُ، بِمَكَّةَ، مُشْرِكًا

1340.

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb zag bij de deur van de moskee een zwaar geborduurd zijden gewaad (dat door ʿUtārid ibn Ḥājib) werd verkocht. Hij zei: ‘O Rasûlullāh, zou u dit niet willen kopen om op vrijdag of wanneer er delegaties komen, te dragen?’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Waarlijk, dit is een kledingstuk voor wie geen aandeel in het Hiernamaals heeft.’Later kwamen er soortgelijke gewaden naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij gaf er één aan ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه). Daarop zei ʿUmar: ‘O Rasûlullāh , u gaf mij dit terwijl u over dat kledingstuk van ʿUtārid zei wat u zei?’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Ik gaf het je niet om het zelf te dragen.’Daarop gaf ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) het kledingstuk aan zijn polytheïstische broer in Makkah.”

١٣٤١ - حديث عُمَرَ عَنْ أَبِي عُثْمَانَ النّهْدِيِّ، قَالَ: أَتَانَا كِتَابُ عُمَرَ مَع عُتْبَةَ بْنِ فَرْقَدٍ، بِأَذْرَبِيجَانَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنِ الْحَرِيرِ إِلاَّ هكَذَا؛ وَأَشَارَ بِإِصْبَعَيْهِ اللَّتَيْنِ تَلِيَانِ الإِبْهَامَ، قَالَ: فِيمَا عَلِمْنَا، أَنَّهُ يَعْنِي الأَعْلاَمَ1341. Van ʿUmar via Abū ʿUthmān an-Nahdī (رضي الله عنهما):Toen wij in Azerbeidzjan waren bracht ʿUtbah ibn Farqad een brief van ʿUmar naar ons. Daarin stond dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het dragen van zijde had verboden, behalve op deze manier, en hij wees met zijn twee vingers die naast de duim liggen.Hij (Abū ʿUthmān) zei: “Voor zover wij weten, bedoelde hij daarmee de versieringen (randen, strepen) van zijde.”

١٣٤٢ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: أَهْدَى إِلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، حُلَّةَ سِيَرَاءَ فَلَبِسْتُهَا، فَرَأَيْتُ الْغَضَبَ فِي وَجْهِهِ، فَشَقَقْتُهَا بَيْنَ نِسَائِي1342. Van ʿAlī (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf mij een kledingstuk (siyarâ’) cadeau dat grotendeels uit geborduurde zijde bestond. Ik droeg het, maar ik merkte boosheid op zijn gezicht, dus scheurde ik het in stukken en verdeelde het onder de vrouwen van mijn huis.”

[Siyarâ’ is een soort gestreepte stof, vaak met meerdere kleuren, waarin veel zijde is verwerkt.

Omdat deze stof een hoog zijdegehalte heeft, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) boos toen ʿAlī (رضي الله عنه) het droeg.De boosheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komt voort uit zijn afkeuring. Dus keurde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het dragen van een dergelijk zijderijk kledingstuk door mannen ten minste af.] (HY)

١٣٤٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ لَبِسَ الْحَرِيرَ فِي الدُّنْيَا فَلَنْ يَلْبَسَهُ فِي الآخِرَةِ1343. Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in het wereldse leven zijde draagt, zal het in het Hiernamaals nimmer dragen.”

١٣٤٤ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ، قَالَ: أُهْدِيَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ فَرُّوجُ حَرِيرٍ، فَلَبِسَهُ فَصَلّى فِيهِ، ثُمَّ انْصَرَفَ فَنَزَعَهُ نَزْعًا شَدِيدًا كَالْكَارِهِ لَهُ وَقَالَ: لاَ يَنْبَغِي هذَا لِلْمُتَّقِينَ1344. Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه):Er werd een zijden gewaad met een split aan de achterkant, een zogeheten farrūj, aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geschonken. Hij trok het aan en verrichtte ṣalāh ermee, maar meteen daarna trok hij het weer snel uit als iemand die er niet tevreden mee was en zei: ‘Dit past niet bij de godvrezenden (muttaqīn).’

Het is toegestaan voor een man om zijde te dragen wanneer hij last heeft van jeuk of een soortgelijke aandoening

إِباحة لبس الحرير للرجل إِذا كان به حكة أو نحوها

١٣٤٥ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، رَخَّصَ لِعَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ وَالزُّبَيْرِ فِي قَمِيصٍ مِنْ حَرِيرٍ، مِنْ حَكَّةٍ كَانَتْ بِهِمَا

1345. Van Anas (رضي الله عنه):Omdat ʿAbdur-Raḥmān ibn ʿAwf en Zubayr ibn al-ʿAwwām (gevoelige huid hadden en) jeuk kregen, stond An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen toe een zijden hemd te dragen.

[In een andere ḥadīth wordt vermeld dat zij zich bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beklaagden over luizen, waarna hij hen toestemming gaf om zijde te dragen.” Volgens al-Bukhārī werd deze toestemming gegeven tijdens de oorlog, en hij vermeldde de ḥadīth onder het hoofdstuk: “Toestemming om zijde te dragen tijdens oorlog.” ] (AFK)[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft goud en zijde ḥarām verklaard voor mannen, maar ḥalāl verklaard voor vrouwen. Wat in deze context wordt bedoeld, is een ontheffing voor iemand die last heeft van luizen of overgevoelige huid hebben, is het toegestaan zijn baard te scheren en zijde te dragen maar alleen als ontheffing (ruhsah), in een bijzondere situatie.] (HY))

De deugd van het dragen van kleding van habrah (wollen of ruwe zijdeachtige stof)

فضل لباس ثياب الحبرة

١٣٤٦ - حديث أَنَسٍ عَنْ قَتَادَةَ، قَالَ: قلْتُ لَهُ: أَيُّ الثِّيَابِ كَانَ أَحَبَّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: الْحِبَرَةُ

1346. Van Anas via Qatadah (رضي الله عنهما):Ik vroeg aan hem (Anas) welke kleding droeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het liefst? Hij zei: “Gestreepte linnen-katoenen gewaad (ḥibarah, Jemenitische gewaad).”

Bescheidenheid in kleding, zich beperken tot de grove stoffen, het eenvoudige in kleding, beddengoed en dergelijke. Het is toegestaan om wollen kleding te dragen en wat daarin aan versieringen aanwezig is

التواضع في اللباس والاقتصار على الغليظ منه، واليسير من اللباس والفراش وغيرهما، وجواز لبس الثوب الشعر وما فيه من أعلام

١٣٤٧ - حديث عَائِشَة عَنْ أَبِي بُرْدَةَ، قَالَ: أَخْرَجَتْ إِلَيْنَا عَائِشَةُ كِسَاءً وَإِزَارًا غَليظًا؛ فَقَالَتْ: قُبِضَ رُوحُ النَّبِيِّ ﷺ فِي هذَيْنِ

1347 – Van ʿĀʾishah via Abū Burdah (رضي الله عنهما):ʿĀʾishah (رضي الله عنها) haalde een grove mantel en een onderkleed (izār) tevoorschijn en zei: “De ziel (rûh) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd in deze twee kledingstukken genomen.”

Gebruiken van bedrukte dekens (of stoffen met patronen) is toegestaanجواز اتخاذ الأنماط

١٣٤٨ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: هَلْ لَكُمْ مِنْ أَنْمَاطٍ قلْتُ: وَأَنَّى يَكُون لَنَا الأَنْمَاطُ قَالَ: أَمَا إِنَّهُ سَيَكُونُ لَكُمُ الأنْمَاطُ فَأَنَا أَقُولُ لَهَا (يَعْنِي امْرَأَتَهُ) أَخِّرِي عَنِّي أَنْمَاطَكِ فَتَقُولُ: أَلَمْ يَقُلِ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّهَا سَتَكُون لَكُمُ الأنْمَاط فَأَدَعُهَا

1348.

Van Jābir (رضي الله عنه):(Toen ik trouwde), vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Hebben jullie fluwelen kleden met franjes (anmāṭ)?’Ik zei: ‘Waar zouden wij die vandaan halen?’Hij zei: ‘Weet dat jullie (op kort termijn) zeker de fluwelen kleden met franjes zullen krijgen”.Later zei ik tegen mijn vrouw: ‘Haal de fluwelen kleden met franjes weg bij mij.’Zij zei: ‘Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet gezegd dat jullie die (de fluwelen kleden met franjes) zeker zullen krijgen?’Daarop liet ik de kleden liggen.”

[In de ḥadīth wordt erop gewezen dat de materiële ontberingen die de moslims in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meemaakten, niet lang zouden duren. Inderdaad, binnen een relatief korte periode werd deze situatie omgedraaid en leefden de moslims in voorspoed. Uit de voorbeelden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) blijkt dat degenen zoals Jābir b. ʿAbdullāh (رضي الله عنه), die de deugden van nederigheid en eenvoud hadden aangenomen, ook in deze periode van voorspoed niet gesteld waren op uiterlijk vertoon.] (Diyanet)

Verbod op het slepen van het gewaad over de grond uit hoogmoed, en de toelichting van de grens tot waar het toegestaan is om het te laten hangen en wat aanbevolen is

تحريم جر الثوب خيلاء، وبيان حد ما يجوز إِرخاؤه إِليه وما يستحب

١٣٤٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَنْظُرُ اللهُ إِلَى مَنْ جَرَّ ثَوْبَهُ خُيَلاَءَ

1349. Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Allāh zal (op de Dag der Opstanding) niet naar degene kijken die zijn kleding uit hoogmoed over de grond laat slepen.”

[Het laten hangen van kleding onder de enkels is verboden omdat het als een teken van hoogmoed wordt beschouwd. Voor degenen die hun kleding onder de enkels laten hangen, is aangekondigd dat het Vuur hen zal raken.] (HY)

١٣٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَنْظُرُ اللهُ، يَوْمَ الْقِيَامَةِ، إِلَى مَنْ جَرَّ إِزَارَهُ بَطَرًا1350 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zei:”Op de Dag der Opstanding zal Allāh niet naar degene kijken die zijn kleding uit arrogantie over de grond laat slepen.”

Verbod op hoogmoedig lopen terwijl iemand ingenomen is met zijn kleding

تحريم التبختر في المشي مع إِعجابه بثيابه

١٣٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ أَبُو الْقَاسِمِ ﷺ: بَيْنَمَا رَجُلٌ يَمْشِي فِي حُلَّةٍ تُعْجِبُهُ نَفْسُهُ، مُرَجِّلٌ جُمَّتَهُ، إِذْ خَسَفَ اللهُ بِهِ، فَهُوَ يَتَجَلْجَلُ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ

1351 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Abû’l-Qâsim (an-Nabī) (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eens droeg een man een opzichtig kledingstuk dat hem ertoe bracht zichzelf bewonderenswaardig te vinden. Hij liep met netjes gekamd haar. Daarop liet Allāh hem (door zijn hoogmoed) diep in de aarde zakken. Hij blijft daarin wegzakken tot aan de Dag der Opstanding.”Over het wegdoen van de gouden ring

في طرح خاتم الذهب

١٣٥٢ - حديث أَبِي هرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ نَهى عَنْ خَاتَمِ الذَّهَبِ

1352. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het dragen van een gouden ring (door mannen) verboden.”

١٣٥٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، اصْطَنَعَ خَاتَمًا مِنْ ذَهَبٍ، وَكَانَ يَلْبَسُهُ، فَيَجْعَلُ فَصَّهُ فِي بَاطِنِ كَفِّهِ فَصَنَعَ النَّاسُ ثُمَّ إِنَّهُ جَلَسَ عَلَى الْمِنْبَرِ فَنَزَعَهُ، فَقَالَ: إِنِّي كُنْتُ أَلْبَسُ هذَا الْخَاتَمَ وَأَجْعَلُ فَصَّهُ مِنْ دَاخِلٍ فَرَمَى بِهِ ثُمَّ قَالَ: وَاللهِ لاَ أَلْبَسُهُ أَبَدًا فَنَبَذَ النَّاسُ خَوَاتِيمَهُمْ1353. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet een gouden ring (zegel) maken.

Wanneer hij die droeg, draaide hij de steen/inzet van de ring naar de binnenzijde van zijn handpalm. Toen de mensen dit zagen, lieten zij ook zulke ringen maken.Daarna ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de minbar, deed zijn ring af en zei: ‘Ik droeg deze ring en draaide de steen naar binnen toe.’Vervolgens wierp hij de ring weg en zei: ‘Bij Allāh, ik zal hem nooit meer dragen!’Daarop wierpen ook de mensen hun ringen weg.”

[Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een ring van goud liet maken, was voordat goud voor mannen verboden werd. Want het is ondenkbaar dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf iets zou dragen dat voor mannen verboden was. Daarnaast is het ook mogelijk dat goud, hoewel het eerder toegestaan was, door de handeling van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verboden werd voor mannen.Het is toegestaan om de naam van de drager of de naam van Allah op een ring te graveren. De meerderheid van de geleerden is het hiermee eens.Degene die zijn behoefte wil doen (naar het toilet) en een voorwerp draagt waarop een van de namen van Allah of de naam van an-Nabī staat, moet dit voorwerp verwijderen voordat hij het toilet betreedt. Dit is de mening van de Ḥanafieten, Shāfiʿieten, Mālikieten en Ḥanbalieten. Het niet naleven hiervan wordt als afkeurenswaardig beschouwd.Als het voorwerp een vers of een deel van de Qur’ān bevat, is het verboden om er mee het toilet te betreden of er noodzakelijke handelingen mee te verrichten.

Alleen in gevallen van verliesgevaar of als het vers in amuletvorm is vastgemaakt, vervalt dit bezwaar. In dat geval moet het vers afgedekt of in een zak gestopt worden.Hieruit volgt dat gebruikers van moderne apparaten, zoals mobiele telefoons, die dergelijke teksten of afbeeldingen dragen, hierop moeten letten.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg de steen van zijn ring op deze manier om te bewaren en zich tegen hoogmoed te beschermen. Hoewel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hier geen bevel over gaf, mag de ring naar wens gedragen worden. Het voorkeur is echter om het voorbeeld van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te volgen. De salaf hebben de ring soms met de steen naar binnen gericht gedragen en soms niet.] (HA)

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg een zilveren ring met de inscriptie: ‘Muhammed Rasūlullāh, en de khaliefen droegen het na hem

لبس النبي ﷺ خاتمًا من ورق نقشه محمد رسول الله ولبس الخلفاء له من بعده

١٣٥٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: اتَّخَذَ رَسُول اللهِ ﷺ، خَاتَمًا مِنْ وَرِقٍ، وَكَانَ فِي يَدِهِ، ثُمَّ كَانَ، بَعْدُ، فِي يَدِ أَبِي بَكْرٍ، ثُمَّ كَانَ، بَعْدُ، فِي يَدِ عُمَرَ، ثُمَّ كَانَ، ⦗٣٧⦘ بَعْدُ، فِي يَدِ عُثْمَانَ، حَتَّى وَقَعَ، بَعْدُ، فِي بِئْرِ أَرِيسٍ نَقْشه (مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللهِ)

1354 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) liet een zilveren ring (zegel) maken.Deze droeg het (gedurende zijn leven). Daarna werd de ring gedragen door Abū Bakr, ʿUmar en daarna ʿUthmān totdat hij uiteindelijk in de put van Arīs viel. Op de ring stond gegraveerd: “Muḥammad Rasūlullāh” (مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللهِ).

[In een andere ḥadīth zei hij: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg eerst een gouden ring, maar deed die vervolgens af en droeg een zilveren ring. Op de steen/opzet van die ring liet hij 'Muḥammadun Rasûlullāh ' graveren, en hij zei: 'Laat niemand deze inscriptie op zijn ringsteen graveren zoals ik het heb laten doen.'“Wanneer hij deze ring droeg, draaide hij de steen naar binnen, in de richting van zijn handpalm. De ring die in de put van Arīs viel, was deze ring.De put van Arīs bevond zich in een tuin nabij Qubā. Deze ring, die ook als zegel werd gebruikt, werd na zijn overlijden overgedragen aan zijn opvolgers. Uiteindelijk viel de ring in de put tijdens het kalifaatschap van ʿUthmān (رضي الله عنه). In sommige aḥadīth staat dat hij uit zijn hand viel; in andere aḥadīth staat dat hij uit de hand van Muʿayqīb (رضي الله عنه) viel, toen deze hem aan ʿUthmān (رضي الله عنه) wilde geven.] (AFK)

[Resulullah (صلى الله عليه وسلم) gebruikte zijn ring, zoals de zegel van staatsfunctionarissen, als een officieel zegel.

Om te voorkomen dat er verwarring zou ontstaan in officiële documenten, stond hij niet toe dat iemand anders de gravure op de ring maakte. Toen de ring van Resulullah (صلى الله عليه وسلم) verloren ging, liet ʿUthmān (رضي الله عنه) een vervangende ring maken, die het zelfde doel diende en daardoor dezelfde juridische status kreeg.

Resulullah (صلى الله عليه وسلم) had bevolen dat niemand de exacte inscriptie van zijn ring op zijn eigen ring zou graveren. ʿUthmān (رضي الله عنه) begreep dat dit verbod alleen gold tijdens het leven van Resulullah (صلى الله عليه وسلم) en liet na zijn overlijden de inscriptie “Muhammad Rasūlullāh” op zijn eigen ring graveren.

Het feit dat Resulullah (صلى الله عليه وسلم) niet wilde dat er andere gravures op de ring kwamen, was om te voorkomen dat er enige vorm van verwarring of misbruik zou ontstaan. De ring werd uitsluitend gebruikt als zegel.] (HA)

١٣٥٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: صَنَعَ النَّبِيُّ ﷺ، خَاتَمًا، قَالَ: إِنَّا اتَّخَذْنَا خَاتَمًا، وَنَقَشْنَا فِيهِ نَقْشًا فَلاَ يَنْقُشْ عَلَيْهِ أَحَدٌ قَالَ: فَإِنِّي لأَرَى بَرِيقَهُ فِي خِنْصَرِهِ1355. Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet een zilveren ring maken (en op de steen/opzet ervan liet hij 'Muḥammad Rasûlullāh ' graveren.) Vervolgens zei hij: “Ik heb een zilveren ring laten maken en (op de steen ervan 'Muḥammad Rasûlullāh ') laten graveren. Laat niemand diezelfe gravering aanbrengen.”(Anas zei): “Ik kon de glinstering ervan aan zijn hand zien.”

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een brief wilde schrijven aan de niet-Arabieren, stempelde hij met een zilveren ring

في اتخاذ النبي ﷺ خاتمًا لما أراد أن يكتب إِلى العجم١٣٥٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كَتَبَ النَّبِيُّ ﷺ، كِتَابًا، أَوْ أَرَادَ أَنْ يَكْتُبَ، فَقِيلَ لَهُ: إِنَّهُمْ لاَ يَقْرَءُونَ كِتَابًا إِلاَّ مَخْتُومًا فَاتَّخَذَ خَاتَمًا مِنْ فَضَّةٍ، نَقْشُهُ (مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللهِ) كَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى بَيَاضِهِ فِي يَدِهِ

1356. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schreef een brief, of liet het schrijven. Men zei tegen hem: “Zij lezen alleen brieven die verzegeld zijn.” Daarop liet hij een zilveren ring maken met op de steen het opschrift: 'Muḥammad Rasûlullāh '. En het is alsof ik de glans op zijn hand nu nog voor mij zie.”

[Resulullah (صلى الله عليه وسلم) wilde brieven schrijven aan Kisrā van Iran, de Romeinse keizer en Najāshī van Abessinië om hen uit te nodigen tot de ware godsdienst. Men vertelde hem echter dat deze heersers brieven zonder zegel niet accepteerden. De reden waarom zij onbezegelde brieven niet accepteerden, was dat het zegel:

aantoonde wie de brief had geschreven,

verhinderde dat anderen iets aan de brief toevoegden,

de brief een serieuze uitstraling gaf,

bescherming bood tegen het openbaar worden van geheime inhoud,

en benadrukte dat niemand anders op de hoogte mocht zijn van de inhoud.

Omdat Resulullah (صلى الله عليه وسلم) zelf niet kon schrijven, liet hij de brief door een schrijver of een van de metgezellen opstellen en stuurde het naar de heersers. Op een figuurlijke manier wordt gezegd dat hij de brief zelf schreef. In de Arabische uitdrukking wordt degene die het werk opdraagt of laat uitvoeren vaak genoemd alsof hij het zelf heeft gedaan.] (HA)

Over het wegdoen van ringen

في طرح الخواتم

١٣٥٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّهُ رَأَى فِي يَدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، خَاتَمًا مِنْ وَرِقٍ، يَوْمًا وَاحِدًا ثُمَّ إِنَّ النَّاسَ اصْطَنَعُوا الْخَواتِيمَ مِنْ وَرِقٍ وَلَبِسُوهَا فَطَرَحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ خَاتَمَهُ، فَطَرَحَ النَّاسُ خَوَاتِيمَهُمْ

1357. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Op een dag zag hij een zilveren ring/zegel aan de vinger van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Vervolgens lieten ook de mensen voor zichzelf een zilveren ring maken. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed zijn ring af en wierp hem weg, en ook de mensen deden hun ringen af en wierpen ze weg.

[Hoewel in de ḥadīth wordt vermeld dat het om een zilveren ring ging, blijkt uit de informatie die van `A’ishah (رضي الله عنها) is overgeleverd dat het in feite om een gouden ring gaat, die de koning van Abessinië, Najâshî, aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had geschonken. Zoals in ḥadīth nummer 1353 staat, verbood an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) later het dragen van gouden ringen door mannen. In plaats van deze ring met Habessische versieringen liet hij een zilveren ring maken voor zichzelf, waarop hij zijn eigen zegel liet graveren. (Abū Dāwūd, Ḥātem, 8) ] (Diyanet)

Wanneer schoenen worden aangetrokken, laat dan met de rechter beginnen; en wanneer ze worden uitgetrokken, laat dan met de linker beginnen

إِذا انتعل فليبدأ باليمين وإِذَا خلع فليبدأ بالشمال

١٣٥٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا انْتَعَلَ أَحَدُكُمْ فَلْيَبْدَأْ بِالْيَمِينِ، وَإِذَا نَزَعَ فَلْيَبْدَأْ بِالشِّمَالِ، لِتَكُنِ الْيُمْنَى أَوَّلَهُمَا تُنْعَلُ وَآخِرَهُمَا تُنْزَعُ

1358. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie schoenen aantrekt, laat hij dan met de rechtervoet beginnen. En wanneer hij ze uittrekt, laat hij dan met de linkervoet beginnen, zodat de rechtervoet als laatste uitgedaan wordt.”

١٣٥٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَمْشِي أَحَدُكُمْ فِي نَعْلٍ وَاحِدَةٍ لِيُحْفِهِمَا أَوْ لِيُنْعِلْهُمَا جَمِيعًا1359. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie met slechts één schoen lopen. Laat hem óf beide uittrekken (en blootsvoets lopen), óf beide aandoen.”

[Het lopen met slechts één schoen wordt afgeraden vanwege ongemak, struikelgevaar en omdat het er niet netjes uitziet. Er zijn echter gevallen bekend waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) soms met één schoen liep.] (AFK)

[Volgens Khattâbî (overl. 388/998) kan het voortdurend lopen met slechts één schoen de aandacht van anderen trekken en onaangenaam ogen. Mensen zouden kunnen denken dat het ene been korter is dan het andere, wat lelijk overkomt.

Volgens Ibn Ḥajar (overl. 852/1447) kan het negeren van het verbod in de ḥadīth het waardigheid en aanzien van een persoon aantasten. Bovendien kan een dergelijk gedrag ook gevaarlijk zijn, omdat iemand zijn evenwicht kan verliezen en vallen terwijl hij met één schoen loopt.

Sommigen hebben geprobeerd de ḥadīth die Tirmidzî overlevert:

“Resulullah (صلى الله عليه وسلم) liep soms met één schoen”, tegen de eerdere ḥadīth over één schoen in te brengen en ze te verwerpen vanwege een vermeende tegenstrijdigheid.

Ibn Kutaybah (overl. 271/884) gaf daarop het volgende antwoord:

“Wij zeggen, alhamdulillah, dat er hier geen tegenstrijdigheid is. Als de riem van iemands schoen breekt, gooit hij de schoen weg of neemt hem in de hand en loopt tijdelijk met één schoen totdat hij een nieuwe riem vindt.

Het gebruik van twee schoenen, twee sandalen of andere tweedelige kledingstukken waarbij slechts één onderdeel wordt gebruikt en het andere niet, wordt als lelijk en ongepast gezien. Ook het dragen van een mantel over slechts één schouder terwijl de andere bloot blijft, ziet er ongepast uit.

Maar als de riem van een schoen breekt, is het toegestaan om enkele stappen met één schoen te lopen totdat deze gerepareerd wordt; dit wordt niet als lelijk of verkeerd beschouwd.] (HA)

Het is toegestaan om met de benen over elkaar te liggen bij het slapen

في إِباحة الاستلقاء ووضع إِحدى الرجلين على الأخرى

١٣٦٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّهُ رَأَى رَسُولَ اللهِ ﷺ، مُسْتَلْقِيًا فِي الْمَسْجِدِ، وَاضِعًا إِحْدَى رِجْلَيْهِ عَلَى الاخْرَى

1360. Van ʿAbdullāh ibn Zayd (رضي الله عنه):Hij zag Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) in de moskee op zijn rug liggen met één been over het andere.

Het is ḥarām voor een man om saffraan te gebruikenالنهي عن التزعفر للرجال

١٣٦١ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ، أَنْ يَتَزَعْفَرَ الرَّجُلُ

1361. Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood een man om saffraankruid op zich te smeren.

[Saffraan is een plant die in de geneeskunde, als kleurstof en als geurstof wordt gebruikt. De reden van het verbod zou kunnen zijn omdat het geparfumeerd is, hetgeen voor iemand in de staat van ihrām verboden is. Of vanwege het feit dat het een geur heeft die niet bij mannen past. Tegenwoordig wordt saffraan hoofdzakelijk als geneeskrachtig kruid verkocht. De geleerden beschouwen het verbod hier niet als ḥarām. Er zijn aḥadīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kleding droeg die geverfd was met saffraan of met soortgelijke stoffen.] (AFK)

[Saffraan is een kostbare substantie die gebruikt wordt om de handpalmen, haren en baarden te verven. Het wordt ook als textielkleurstof gebruikt. Omdat saffraan meestal bij bruiloften als versiering door vrouwen wordt gebruikt, verbood an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mannen saffraan te gebruiken. Dit sluit aan bij een belangrijk principe van de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over kleding en versiering: dat de vrouw niet op de man lijkt en de man niet op de vrouw. ] (Diyanet)

Over het zich onderscheiden van de joden in het verven (van haar/baard)

في مخالفة اليهود في الصبغ

١٣٦٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الْيَهُودَ وَالنَّصَارَى لاَ يَصْبُغُونَ، فَخَالِفُوهُمْ

1362. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De joden en christenen verven hun (grijs geworden) haren niet. Onderscheid jullie van hen/wees anders dan zij.”[In die tijd lieten joden en christenen hun grijze haren ongemoeid als teken van waardigheid. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) spoorde de moslims aan zich hiervan te onderscheiden. Volgens de geleerden is dit geen verplichting maar een aanbeveling. Aḥadīth tonen aan dat met name henna en katam (indigokruid) werden gebruikt als natuurlijke kleurstoffen. Er zijn bekende metgezellen die hun haar verfden, waaronder Abū Bakr (رضي الله عنه), ʿUmar (رضي الله عنه), en vele anderen.] (AFK)

[Volgens ash-Shawqânî (overl. 1250/1834) zijn er twee voordelen bij het verven van grijs haar:

Het haar en de baard schoon houden.

Zich onderscheiden van de Ahl al-Kitâb (de Mensen van het Boek).

Er zijn duidelijke aḥadīth die het verven van grijs haar en baard aanmoedigen, maar er zijn ook aḥadīth die dit verbieden. Daarom verschilden veel sahâbah en tâbi‘ûn van mening over het oordeel van het verven van haar en baard.

Sommigen zeggen dat verven de voorkeur verdient en hebben een ḥadīth overgeleverd die stelt dat het veranderen van grijs haar verboden is. Ze beweren ook dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn eigen grijze haren niet verfde.

Andere geleerden zeggen juist dat het verven van haar en baard meer deugdzaam is en baseren hun standpunt op de praktijk (sunnah) van de sahâbah, tâbi‘ûn en latere geleerden. Wel waren zij onderling verdeeld over welke kleur het haar zou moeten hebben.

Volgens Ibn Jarîr at-Tabarî (overl. 310/922) zijn alle aḥadīth die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aanmoedigen of verbieden om grijze haren te verven authentiek. Er is geen tegenstrijdigheid tussen deze aḥadīth.

De bevelen zijn gericht op personen zoals Abû Quhafah, bij wie haar en baard volledig grijs waren. Het verbod heeft betrekking op mensen met grijs haar, dat wil zeggen een mix van zwart en grijs.

Het feit dat geleerden in de vroege periode verschillende standpunten innamen, weerspiegelt hun eigen situatie: sommigen hadden zwart/grijs haar, anderen volledig grijs. Bovendien zijn deze bevelen en verboden niet bindend.

Daarom is het voor mensen met volledig grijs haar aanbevolen om hun haar en baard geel of rood te verven.Volgens Qadı `Iyâd (overl. 544/1149) moet men dit onderwerp anders benaderen: in gebieden waar het een gebruik is, is het nodig om het haar te verven; in gebieden waar het geen gebruik is, is het niet nodig om te verven. Degenen die hun grijze haren mooi vinden en geen behoefte hebben aan verven, hoeven het niet te doen; anderen wordt het verven aanbevolen.] (HA)

In een huis met afbeeldingen of honden zal geen enkel engel binnengaanلا تدخل الملائكة بيتًا فيه كلب ولا صورة

١٣٦٣ - حديث أَبِي طَلْحَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لاَ تَدْخلُ الْمَلاَئِكَةُ بَيْتًا فِيهِ كَلْبٌ وَلاَ صُورَةُ تَمَاثِيلَ

1363. van Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘De engelen komen een huis niet binnen waarin een hond of beelden/afbeeldingen (van afgosdbeelden, van levende wezens met een ziel) is.

[Het verbod op beelden in de Islām is volledig verbonden met het geloof in tawhīd (de eenheid van Allāh). Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Islām verkondigde aan de Arabische samenleving, die vroeger afgoderij aanbaden, benadrukte dit verbod herhaaldelijk. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onderwees hen over de tawhīd, zoals het bestaan van Allāh, Zijn eenheid, Zijn eigenschappen, dat Hij aan geen enkel schepsel gelijk is, en de grenzeloosheid van Zijn kracht, macht en schoonheid.

Hij waarschuwde de gelovigen voortdurend voor het risico van shirk (polytheïsme), dat kan zijn wanneer men zich aan een ander wezen visueel bindt, het bewondert en eraan toegewijd raakt.Het verbod op het maken van afbeeldingen en beelden is ook bedoeld om moslims te beschermen tegen de vele afgoderij-achtige overtuigingen die bekend waren uit vroegere beschavingen, waarin godheden vaak met beelden werden voorgesteld. Zo wordt een nieuwe cultuur en beschaving gevormd, geworteld in het bewustzijn van de tawhīd.Een ander onderwerp dat in de ḥadīth wordt behandeld is, dat het houden van honden in huis de engelen verstoort. Met het verstoren van de engelen wordt bedoeld dat het huis een vredige en gezegende spirituele sfeer mist. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond het gebruik van honden toe voor de jacht, hoeden van schapen, en bescherming tegen gevaren, maar sprak negatief over honden die uit hun natuurlijke omgeving zijn gehaald, voor andere doeleinden worden gebruikt en gedwongen worden om binnenshuis te leven. In de Islām is het essentieel dat elk wezen wordt gerespecteerd en dat zijn natuurlijke vrijheid en schepping van Allāh is, wordt erkend. Daarom is het houden van een hond in huis zonder functioneel doel verboden. Het veranderen of manipuleren van schepselen op een manier die ingaat tegen hun natuurlijke scheppingsdoel, en het ingrijpen in hun natuurlijke rechten, is verboden. Op deze manier worden ook de mogelijke gevaren die dergelijke praktijken voor de menselijke gezondheid met zich mee kunnen brengen, vermeden. ] (Diyanet)

١٣٦٤ - حديث أَبِي طَلْحَةَعَنْ بُسْرِ بْنِ سَعِيدٍ، أَنَّ زَيْدَ بْنَ خَالِدٍ الْجُهَنِيَّ، حَدَّثَهُ، وَمَعَ بُسْرٍ بْنِ سَعِيدٍ عُبَيْدُ اللهِ الْخَوْلاَنِيُّ، الَّذِي كَانَ فِي حَجْرِ مَيْمُونَةَ ﵂، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، حَدَّثَهُمَا زَيْدُ ابْنُ خَالِدٍ أنَّ أَبَا طَلْحَةَ حَدَّثَهُ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: لاَ تَدْخُلُ الْمَلاَئِكَةُ بَيْتًا فِيهِ صُورَةٌ قَالَ بُسْرٌ: فَمَرِضَ زَيْدُ ابْنُ خَالِدٍ، فَعُدْنَاهُ فَإِذَا نَحْن فِي بَيْتِهِ بِسِتْرٍ فِيهِ تَصَاوِيرُ، فَقُلْتُ لِعُبَيْدِ اللهِ الْخَوْلاَنِيِّ: أَلَمْ يُحَدِّثْنَا فِي التَّصَاوِيرِ فَقَالَ: إِنَّهُ قَالَ: إِلاَّ رَقْمٌ فِي ثَوْبٍ، أَلاَ سَمِعْتَهُ قُلْتُ: لاَ قَالَ: بَلَى، قَدْ ذَكَرَه1364. Van Abū Ṭalḥah (رضي الله عنه):Zayd ibn Khālid al-Juhanī berichtte aan Busr ibn Saʿīd, terwijl Busr samen met ʿUbaydullāh al-Khawlānī, die stiefzoon was van Maymūnah, de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Zayd ibn Khālid berichtte hen beiden dat Abū Ṭalḥah hem had bericht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen (met zielen) bevinden.”Busr ibn Saʿīd vervolgt: “Later werd Zayd ibn Khālid ziek, dus ging ik hem opzoeken. Ik zag een gordijn in zijn huis waarop afbeeldingen stonden.

Ik zei tegen ʿUbaydullāh al-Hawlānī: 'Heeft hij ons niet een ḥadīth overgeleverd over afbeeldingen?'Hij antwoordde: 'Maar hij zei erbij: “Behalve wat in kleding is geweven”, heb je dat niet gehoord?'Ik zei: 'Nee', en hij (ʿUbaydullāh ) zei: 'Jawel, dat heeft hij ook gezegd.'“

١٣٦٥ - حديث عَائِشَةَ ﵂، قَالَتْ: قَدِمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، مِنْ سَفَرٍ، وَقَدْ سَتَرْتُ بِقِرَامٍ لِي، عَلَى سَهْوَةٍ لِي، فِيهَا تَمَاثِيلُ فَلَمَّا رَآهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، هَتَكَهُ، وَقَالَ: أَشَدَّ النَّاسِ عَذَابًا يَوْمَ الْقِيَامَةِ الَّذِين يُضَاهُونَ بِخَلْقِ اللهِ، قَالَتْ: فَجَعَلْنَاهُ وِسَادَةً أَوْ وِسَادَتَيْنِ1365.

Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) keerde terug van een reis, en ik had een (versierde) gordijn gemaakt waarmee ik mijn nis bedekt had, waarin afbeeldingen (van levende wezens of figuren) zaten.Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) het zag, scheurde hij het doormidden en zei: “De mensen die het zwaarst gestraft zullen worden op de Dag des Oordeels zijn degenen die de schepping van Allāh proberen na te bootsen.” Daarop maakten wij er een (of twee) kussen(s) van.١٣٦٦ - حديث عَائِشَةَ، أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ ﵂، أَنَّهَا اشْتَرَتْ نُمْرُقَةً فِيهَا تَصَاوِيرُ، فَلَمَّا رَآهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَامَ عَلَى الْبَابِ فَلَمْ يَدْخُلْهُ، فَعَرَفْتُ فِي وَجْهِهِ الْكَرَاهِيَةَ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَتُوبُ إِلَى اللهِ وَإِلَى رَسُولِهِ ﷺ، مَاذَا أَذْنَبْتُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا بَالُ هذِهِ النُّمْرُقَةِ قُلْتُ: اشْتَرَيْتُهَا لَكَ لِتَقْعُدَ عَلَيْهَا وَتَوَسَّدَهَا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ أَصْحَابِ هذِهِ الصُّوَرِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ يُعَذَّبُونَ فَيُقَالُ لَهُمْ أَحْيُوا مَا خَلَقْتُمْ وَقَالَ: إِنَّ الْبيْتَ الَّذِي فِيهِ الصُّوَرُ لاَ تَدْخُلُهُ الْمَلاَئِكَةُ1366.

Van de moeder der gelovigen ʿĀishah (رضي الله عنها):Ik had een kussen gekocht met afbeeldingen erop.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit kussen zag, wilde hij het huis niet binnengaan en bleef bij de deuropening staan.(ʿĀishah zei): “Ik merkte de ontevredenheid op zijn gezicht en vroeg: 'O Rasûlullāh , ik zoek vergiffenis bij Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) wat heb ik fout gedaan?'Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: 'Wat is dit kussen?'Ik antwoordde: 'Ik heb het voor u gekocht zodat u erop kunt zitten en tegenaan kunt leunen.'Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Waarlijk, zij die deze afbeeldingen maken, zullen op de Dag der Opstanding worden bestraft.

Er zal tegen hen worden gezegd: “Geef leven aan wat je hebt geschapen!”'En hij vervolgde: 'De engelen betreden geen huis waarin zich afbeeldingen bevinden.”

[De miljoenen wezens die geschapen zijn door Zijn ongeëvenaarde kracht en perfectie in schepping, zijn een bewijs van Zijn bestaan en eenheid. Schepping en het creëren uit het niets zijn eigenschappen die uitsluitend aan Allāh toebehoren.In de geschiedenis zijn voorbeelden te vinden van mensen en samenlevingen die probeerden op gelijke voet met Hem te staan, en die uiteindelijk hun eigen creaties begonnen te aanbidden. Inderdaad, het bevel van Allāh: “Geef leven aan wat je hebt geschapen”, zodat Hij hen in het Hiernamaals ter verantwoording roept en straft,” wijst op de ongepaste houding van zulke mensen.Het verbod van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op het maken van afbeeldingen en beelden was bedoeld om de moslimgemeenschap te beschermen tegen het mogelijke risico van shirk (afgoderij). ] (Diyanet)

١٣٦٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الَّذِينَ يَصْنَعُونَ هذِهِ الصُّوَرَ يُعَذَّبُونَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، يُقَالُ لَهُمْ أَحْيُوا مَا خَلَقْتُمْ1367. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeker, degenen die afbeeldingen maken, zullen op de Dag der Opstanding bestraft worden. En er zal tegen hen worden gezegd: 'Geef leven aan wat je hebt geschapen!'“

١٣٦٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: إِنَّ أَشَدَّ النَّاسِ عَذَابًا عِنْدَ اللهِ، يَوْمَ الْقِيَامَةِ، الْمُصَوِّرُونَ1368. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De mensen die op de Dag der Opstanding de zwaarste bestraffing krijgen, zijn degenen die afbeeldingen (en beelden) maken.”

[De aḥadīth over schilderingen of afbeeldingen die niet in de vorm van beelden of standbeelden zijn gemaakt, zoals op papier, doeken of muren, laten niet absoluut zien of het ḥarām of ḥalāl is. De beoordeling hangt af van het onderwerp van de afbeelding, de intentie van de kunstenaar of gebruiker, en de plaats waar het gebruikt wordt.

Het maken en gebruiken van afbeeldingen van heilige zaken, aanbeden voorwerpen of alles wat aan goddelijkheid wordt toegeschreven is ḥarām.

Het maken en gebruiken van afbeeldingen die tegen de islamitische wetten en moraal ingaan, zoals afbeeldingen van naakte mensen, is ook ḥarām.

Voor de overige afbeeldingen die niet levende wezens afbeelden, is het toegestaan om ze te maken en te gebruiken.

Voor afbeeldingen van levende wezens verschillen de aḥadīth: sommige tonen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze niet goedkeurde, terwijl andere aangeven dat hij het toestond, vooral wanneer de afbeeldingen zich bevonden op bijvoorbeeld een mat, kussen of zitkussen.

De conclusie die hieruit volgt is dat dergelijke afbeeldingen toegestaan zijn, zolang ze niet leiden tot religieuze verering of verering van het afgebeelde. Het belangrijkste aandachtspunt is het beschermen van het concept van tawhîd.

Imām Tahâvî (overl. 321/933) ondersteunt deze benadering en schrijft:“De aḥadīth die wij overleveren, maken een onderscheid tussen de afbeeldingen op kleding en de verboden afbeeldingen. De verboden afbeeldingen zijn zoals die van de christenen op kerkelijke muren of op doeken die zij ophangen.”

Uit de aḥadīth over afbeeldingen blijkt dat Resulullah (صلى الله عليه وسلم) aanvankelijk streng was over afbeeldingen om de zuiverheid van tawhîd te beschermen. Later gaf hij echter toestemming op plaatsen waar er geen bezwaar was.

Sommige geleerden maken een onderscheid tussen levende en niet-levende wezens, en beschouwen afbeeldingen die niet-drie-dimensionaal zijn of waar een vitaal lichaamsdeel ontbreekt als niet-levend en dus toegestaan. Dit is omdat het onmogelijk is dat dergelijke afbeeldingen werkelijk levende wezens zijn.] (HA)

١٣٦٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ سَعِيدِ بْنِ أَبِي الْحَسَنِ، قَالَ: كُنْتُ عِنْدَ ابْنِ عَبَّاسٍ، إِذْ أَتَاهُ رَجُلٌ، فَقَالَ: يَا أَبَا عَبَّاسٍ إِنِّي إِنْسَانٌ إِنَّمَا مَعِيشَتِي مِنْ صَنْعَةِ يَدِي وَإِنِّي أَصْنَعُ هذِهِ التَّصَاوِيرَ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاِسٍ: لاَ أُحَدِّثُكَ إِلاَّ مَا سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ، سَمِعْتُهُ يَقُولُ: مَنْ صَوَّرَ صُورَةً فَإِنَّ اللهِ مُعَذِّبَهُ حَتَّى يَنْفُخَ فِيهَا الرُّوحَ، وَلَيْسَ بِنَافِخٍ فِيهَا أَبَدًا فَرَبَا الرَّجُلُ رَبْوَةً شَدِيدَةً، وَاصْفَرَّ وَجْهُهُ فَقَالَ: وَيْحَكَ إِنْ أَبَيْتَ إِلاَّ أَنْ تَصْنَعَ، فَعَلَيْكَ بِهذَا الشَّجَرِ، كُلِّ شَيْءٍ لَيْسَ فِيهِ رُوحٌ1369. Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās via Sa`īd ibn Abī al-Hasan (رضي الله عنهم):Ik was bij Ibn ʿAbbās. Een man kwam naar hem toe en zei: “O Abū ʿAbbās, ik verdien mijn levensonderhoud met mijn handen, en ik maak deze afbeeldingen.

(Wat zegt de Islām hierover?”)Ibn ʿAbbās antwoordde: “Ik zal je slechts vertellen wat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb horen zeggen: 'Wie een afbeelding maakt, Allāh zal hem straffen totdat hij er een ziel in blaast, wat hij nooit kan.'Toen hij dit hoorde, werd de man bleek en hij verloor zijn adem. Ibn ʿAbbās zei: “Wee jou! Als je dan toch moet tekenen, teken dan bomen en levenloze objecten.”

١٣٧٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ عَنْ أَبِي زُرْعَةَ، قَالَ: دَخَلْتُ مَعَ أَبِي هُرَيْرَةَ دَارًا بِالْمَدِينَةِ، فَرَأَى أَعْلاَهَا مُصَوِّرًا يُصَوِّرُ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: وَمَنْ أَظْلَمُ مِمَّنْ ذَهَبَ يَخْلُقُ كَخَلْقِي، فَلْيَخْلُقُوا حَبَّةً، وَلْيَخْلُقُوا ذَرَّةً1370. Van Abū Hurayrah via Abī Zur`ah (رضي الله عنهما):In Madīnah ging ik samen met Abū Hurayrah een huis binnen. Daar zag hij bovenin (een huis) een kunstenaar bezig met het maken van afbeeldingen.Toen zei hij: “Ik hoorde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: (Allāh zegt:) ‘En wie is onrechtvaardiger dan degene die probeert te scheppen zoals Ik schep? Laat hen dan een graankorrel scheppen! Laat hen een stofdeeltje scheppen!’Het is afgeraden om een halsbanden om de nek van een kameel te hangen

كراهة قلادة الوتر في رقبة البعير

١٣٧١ - حديث أَبِي بَشِيرٍ الأَنْصَارِيِّ ﵁، أَنَّهُ كَانَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فِي بَعْضِ أَسْفَارِهِ، وَالنَّاسُ فِي مَبِيتِهِمْ، فَأَرْسَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، رَسُولًا أَنْ لاَ يَبْقَيَنَّ فِي رَقَبَةِ بَعِيرٍ قِلاَدَةٌ مِنْ وَتَرٍ أَوْ قِلاَدَةٌ إِلاَّ قُطِعَتْ

1371.

Van Abū Bashīr al-Anṣārī (رضي الله عنه):Tijdens een van zijn reizen was hij met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Op een avond, toen de mensen zich in hun tenten bevonden, stuurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een boodschapper en zei:“Zorg ervoor dat er geen halsbanden, gemaakt van boogpezen of iets dergelijks, om de halzen van kamelen zitten. Laat ze allemaal afsnijden.”

[In de jāhiliyyah tijd hingen de Arabieren ammuletten/talismannen om de hals van de kamelen om het boze oog af te weren. Zoals Imām Mālik uitlegde: “Ik denk dat deze voorwerpen als bescherming tegen het boze oog werden gebruikt. Dat heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verboden “] (AFK)

[In de tijd van de jāhiliyyah was het gebruik van het boze oog en amuletten wijdverbreid onder de Arabieren. Men geloofde dat verschillende kralen, touwen en stenen bescherming boden tegen het boze oog en ongelukken, en men hing dergelijke amuletten zelfs om de nek van kamelen.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het boze oog is werkelijk.” (Bukhārī, Ṭibb, 36), waarmee hij bevestigde dat het boze oog een reëel fenomeen is. Tegelijkertijd adviseerde hij om bescherming te zoeken door duʿā’ en het lezen van de Qur’ān, en zich volledig tot Allāh te wenden. Het vertrouwen op amuletten en nadzār-voorwerpen in de hoop bescherming te krijgen, en van deze voorwerpen hulp te verwachten in plaats van van Allāh, wordt als shirk beschouwd en daarom verboden. ] (Diyanet)Het is toegestaan om een niet-menselijk wezen (dier) te brandmerken/tatoeëren op een andere plek dan het gezicht en het is aanbevolen bij de veedieren van de zakāh en de jizyah te doen

جواز وشم الحيوان غير الآدمي في غير الوجه وندبه في نعم الزكاة والجزية

١٣٧٢ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا وَلَدَتْ أُمُّ سُلَيْمٍ، قَالَتْ لِي: يَا أَنَسُ انْظُرْ هذَا الْغُلاَمَ، فَلاَ يُصِيبَنَّ شَيْئًا حَتَّى تَغْدُوَ بِهِ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، يُحَنِّكُهُ فَغَدَوْتُ بِهِ فَإِذَا هُوَ فِي حَائِطٍ وَعَلَيْهِ خَمِيصَةٌ حُرَيْثِيَّةٌ، وَهُوَ يَسِمُ الظَّهْرَ الَّذِي قَدِمَ عَلَيْهِ فِي الْفَتْحِ

1372. Van Anas (رضي الله عنه):(Mijn moeder) Ummu Sulaym zei bij de geboorte van haar kind: 'O Anas, breng deze baby naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zodat hij tahnīk kan verrichten.'“Dus ik ging in de vroege ochtend met hem op pad, en zie: hij (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevond zich in een tuin, terwijl hij een Huraythī-mantel droeg, en hij was het rijdier aan het brandmerken waarop hij (Makkah) was binnengekomen bij de verovering (van Makkah).[Tahnīk is het zacht maken en pletten van een dadel en deze in de mond van een pasgeboren baby geven, zodat de eerste substantie die de maag van het kind bereikt een dadel is. Tegelijkertijd worden er voor het kind duʿā’s uitgesproken, en deze traditie betekent een zoete en gezegende start van het leven. ] (Diyanet)

Het afkeuren van al-qaza` (het deels scheren van het hoofd)

كراهة القزع

١٣٧٣ - حديث ابْنُ عُمَرَ ﵄، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَنْهى عَنِ الْقَزَعِ

1373.

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar ((رضي الله عنهما):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) qazaʿ verbieden (het deels scheren van het hoofdhaar van een kind terwijl een ander deel ongemoeid blijft.)(De overleveraar zei:) “Hij bedoelde hiermee dat men het haar op bepaalde plaatsen van het hoofd scheert en andere plekken laat staan.” Hij wees daarbij naar het voorhoofd en de zijkanten van het hoofd.)

[Het Arabische woord qazaʿ betekent eigenlijk verspreide wolken en werd gebruikt voor een onregelmatig kapsel. De reden van het verbod wordt toegeschreven aan het feit dat joodse en heidense kinderen op deze wijze werden geknipt.] (AFK)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood het laten staan van een deel van het hoofdhaar in lange lokken of krullen, zoals bij de gewoonte van de joden, en dit werd beschouwd als ongepast.] (Diyanet)

Verbod op het zitten op de wegen en het geven van het recht van de weg

النهي عن الجلوس في الطرقات وإِعطاء الطريق حقه

١٣٧٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ رضي الله، عَنْهُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِيَّاكُمْ وَالْجُلُوسَ عَلَى الطُّرُقَاتِ فَقَالوا: مَا لَنَا بُدٌّ إِنَّمَا هِيَ مَجَالِسُنَا نَتَحَدَّثُ فِيهَا قَالَ: فَإِذَا أَبَيْتُمْ إِلاَّ الْمَجَالِسَ فَأَعْطُوا الطَّرِيقَ حَقَّهَا قَالُوا: وَمَا حَقُّ الطَّرِيقِ قَالَ: غَضُّ الْبَصَرِ، وَكَفُّ الأَذَى، وَرَدُّ السَّلاَمِ، وَأَمْرٌ بِالْمَعْرُوفِ، وَنَهْيٌ عَنِ الْمُنْكَرِ

1374. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vermijd het zitten op de wegen.”Zij (de metgezellen) zeiden: “Maar o Rasûlullāh , dat is noodzakelijk voor ons; het is waar we samenkomen om met elkaar te praten.”Hij zei: “Als jullie er dan toch moeten zitten, geef dan het recht van de weg.Zij zeiden: “Wat is het recht van de weg?”Hij zei: “Het neerslaan van de blik (tegen het kijken naar wat verboden is), geen overlast veroorzaken, het beantwoorden van de salām, het gebieden van het goede en het verbieden van het verwerpelijke.”

[Het is toegestaan om op plekken te zitten waar mensen langskomen, mits men niemand schade toebrengt. Daartegenover staat echter dat het noodzakelijk is om behulpzaam te zijn aan de voorbijgangers. De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het aanvankelijk heeft verboden, is om te voorkomen dat iemand op zulke plaatsen slechte zaken ziet of slechte gesprekken hoort. Zijn verbod is niet in de zin van een religieus verbod (ḥarām), maar bedoeld om iemand te behoeden voor verderf, en om hem aan te sporen tot het verrichten van goede daden.] (HY)

Verbod op degene die haar (met vals haar) aanzet en degene die dit laat doen, degene die tatoeëert en degene die zich laat tatoeëren, degene die de wenkbrauwen epileert en degene die dit laat doen, degene die tanden vijlt voor (schoonheids)ruimte, en degene die de schepping van Allah verandertحريم فعل الواصلة والمستوصلة والواشمة والمستوشمة والنامصة والمتنمصة والمتفلجات والمغيرات خلق الله

١٣٧٥ - حديث أَسْمَاءَ، قَالَتْ: سَأَلَتِ امْرَأَةٌ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنْ ابْنَتِي أَصَابَتْهَا الْحَصْبَةُ فَامَّرَقَ شَعْرُهَا، وَإِنِّي زَوَّجْتُهَا؛ أَفَأَصِلُ فِيهِ فَقَالَ: لَعَنَ اللهُ الْوَاصِلَةَ وَالْمَوْصولَةَ

1375. Van Asmāʾ bint Abī Bakr (رضي الله عنهما):Een vrouw kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh , mijn dochter heeft de mazelen gekregen, waardoor haar haar is uitgevallen. Ik heb haar uitgehuwelijkt; mag ik haar haar aanvullen (met pruik/haarverlenging)?” Daarop zei hij: 'Allāh vervloekte degene die een haarstuk of pruik draagt en ook degene die het laat aanbrengen.”

[Het laten plaatsen van haarimplantaten met permanente methoden of het dragen van pruiken gemaakt van mensenhaar is afgekeurd en verboden, omdat dit in de jāhiliyyah-periode de gewoonte was van vrouwen met een slechte reputatie.”`A’ishah (رضي الله عنها) legde dit uit toen haar een vraag werd gesteld over vrouwen die hun haar laten aanvullen: “Met ‘haar laten aanvullen’ wordt niet bedoeld wat jullie denken. Er is geen bezwaar als een vrouw van wie het haar uitvalt, zwarte wol gebruikt om haar haar aan te vullen.

De vrouwen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bekritiseerde, waren degenen die in hun jeugd immoraliteit bedreven en later, toen hun haar uitviel en ouder werden, hun hoofd lieten bedekken met aangebracht haar om hetzelfde gedrag voort te zetten.” (Ibnü’l-Esîr, Nihāye, V/192) ] (Diyanet)

١٣٧٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ امْرَأَةً مِنَ الأَنْصَارِ زَوَّجَتِ ابْنَتَهَا، فَتَمَعَّطَ شَعَرُ رَأْسِهَا فَجَاءَتْ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَذَكَرَتْ ذَلِكَ لَهُ؛ فَقَالَتْ: إِنَّ زَوْجَهَا أَمَرَني أَنْ أَصِلَ فِي شَعَرِهَا، فَقَالَ: لاَ، إِنَّهُ قَدْ لُعِنَ الْمُوصِلاَتُ1376. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Een vrouw van de Anṣār huwde haar dochter uit, maar het haar van haar dochter werd dun en viel uit. Toen kwam zij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem dit. Zij zei: “Haar man heeft mij opgedragen haar haar aan te vullen (pruik/ haarverlenging).”Hij zei: “Nee, de vrouwen die haar aanvullen zijn vervloekt.”

١٣٧٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: لَعَنَ اللهُ الْوَاشِمَاتِ، وَالْمُوتَشِمَاتِ، وَالْمُتَنَمِّصَاتِ وَالْمُتَفَلِّجَاتِ لِلْحُسْنِ، الْمُغَيِّرَاتِ خَلْقَ اللهِ فَبَلَغَ ذَلِكَ امْرَأَةً مِنْ بَنِي أَسَدٍ، يُقَالُ لَهَا أُمُّ يَعْقُوبٍ فَجَاءَتْ، فَقَالَتْ: إِنَّهُ بَلَغَنِي أَنَّكَ لَعَنْتَ كَيْتَ وَكَيْتَ فَقَالَ: وَمَا لِي لاَ أَلْعَنُ مَنْ لَعَنَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَمَنْ هُوَ فِي كِتَابِ اللهِ فَقَالَتْ: لَقَدْ قَرَأْتُ مَا بَيْنَ اللَّوْحَيْنِ فَمَا وَجَدْتُ فِيهِ مَا تَقُولُ فَقَالَ: لَئِنْ كُنْتِ قَرَأْتِيهِ، لَقَدْ وَجَدْتِيهِ أَمَا قَرَأْتِ (وَمَا آتَاكُمُ الرَّسُولُ فَخُذُوهُ، وَمَا نَهَاكُمْ عَنْهُ فَانْتَهُوا) قَالَتْ: بَلَى قَالَ: فَإِنَّهُ قَدْ نَهى عَنْهُ قَالَتْ: فَإِنِّي أَرَى أَهْلَكَ يَفْعَلُونَهُ قَالَ: فَاذْهَبِي، فَانْظُرِي فَذَهَبَتْ فَنَظَرَتْ، فَلَمْ تَرَ مِنْ حَاجَتِهَا شَيْئًا فَقَالَ: لَوْ كَانَتْ كَذَلِكَ مَا جَامَعَتْنَا1377) Van `Abdullah Ibn Mas‘ûd (رضي الله عنه):Allāh vervloekte de vrouwen die tatoeëren, de vrouwen die zich tatoeëren laten zetten, de vrouwen die neusgaten vernauwen, en de vrouwen die (op andere manieren) uiterlijke veranderingen aanbrengen voor schoonheid (vrouwen die de schepping van Allāh veranderen.)Dit bericht bereikte een vrouw van Banu Asad, genaamd ummu Ya‘qûb.

Zij kwam (naar `Abdullah ibn Mas‘ûd) en zei: “Ik heb gehoord dat jij verdoemd hebt, zo-en-zo.”- “Waarom zou ik niet vervloeken wie Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft vervloekt en die genoemd wordt in het Boek van Allāh?”- “Ik heb (de hele Qur’ān) gelezen van kaft-tot-kaft, en ik vond daarin niet wat jij zegt.”- “Als je het echt gelezen had, dan had je het gevonden.

Heb je dan niet gelezen: وَمَآ ءَاتَىٰكُمُ ٱلرَّسُولُ فَخُذُوهُ وَمَا نَهَىٰكُمۡ عَنۡهُ فَٱنتَهُواْۚ ٧

…En wat de Boodschapper jullie ook geeft, neem het en wat hij jullie ook verbiedt, onthoudt jullie daarvan... (sûrah al-Hashr 59:7)

- “Jawel.”- “Hij heeft het verboden.”- “Maar ik zie jouw familie het doen.”- “Ga maar en kijk.”Zij ging en keek, maar vond niets dat haar beschuldiging bevestigde. Toen zei hij: “Als het werkelijk zo was geweest, dan zou zij niet in staat zijn om onze echtelijke relatie te onderhouden.”

[De basis voor de vervloeking in deze handelingen is dat ze worden gedaan om schoonheid te verkrijgen en daarbij de schepping van Allāh veranderen. Uitzonderingen om medische redenen zijn daar echter buiten beschouwing gelaten. Gezichtshaar verwijderen verwijst naar het uittrekken van natuurlijke haren zoals wenkbrauwen of wimpers.] (AFK)

[Het is volkomen begrijpelijk dat er in de klassieke fiqh-literatuur geen specifieke uitleg is over esthetische operaties, die tegenwoordig steeds vaker voorkomen en meer gericht zijn op het verfraaien van het uiterlijk dan op behandeling, gezien de technologische en chirurgische ontwikkelingen van de moderne tijd.

Toch werpen enkele aḥadīth, evenals uitleg in de sunnah en fiqh-literatuur over medische of lichaamsinterventies, enig licht op dit onderwerp.

Tijdens de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verloor een metgezel genaamd Urfajah zijn neus in de strijd. Hij liet een kunstmatige neus van zilver maken. Omdat deze zilveren neus echter een onaangename geur verspreidde, stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem toe een neus van goud te laten maken.

Hier gaat het dus niet om het veranderen van Allahs schepping, maar om noodzakelijke behandeling en herstel van een letsel.

Wanneer men de verklaringen van klassieke fiqhgeleerden bekijkt, vaak gebaseerd op hypothetische of veronderstelde situaties, blijkt dat zij bij handelingen op het lichaam behandeling, noodzaak of noodzakelijkheid als uitgangspunt namen.

Bijvoorbeeld het verwijderen van een te veel aanwezig lichaamsdeel, een tand, behandeling van scheelzien, mentale beperking of brandwonden werd beschouwd als een herstel naar de normale of oorspronkelijke staat (hilqah) en niet als het veranderen van de schepping, waardoor dergelijke medische ingrepen toegestaan werden.

Daarentegen is het grootste deel van de tegenwoordig veel voorkomende esthetische chirurgische ingrepen gericht op het mooier maken van de neus, kin, oren, borsten, benen enz. en op het jonger laten lijken. Esthetische operaties zoals het verwijderen van rimpels door verstrakking van de huid of vetverwijdering zijn vaak niet medisch noodzakelijk, maar puur gericht op een jonger en mooier uiterlijk.

Algemene principes voor handelingen op het lichaam, met name voor esthetische chirurgie, kunnen als volgt worden samengevat:

Handelingen op het lichaam, inclusief esthetische chirurgie, mogen alleen worden uitgevoerd als er een medische noodzaak of dringende behandeling is. Deze grens mag niet worden overschreden.

Er mag geen makkelijkere of eenvoudigere methode beschikbaar zijn om hetzelfde doel te bereiken.

Het doel mag niet zijn om de oorspronkelijke schepping te veranderen. Genetisch bepaalde eigenschappen of door leeftijd en natuur voorkomende veranderingen mogen niet worden gewijzigd.

De handeling mag geen misleiding, bedrog of verkeerde interpretatie veroorzaken.

Het mag niet gericht zijn op lijken op het andere geslacht.

De ingreep moet gebaseerd zijn op een situatie waarin het uitvoeren van de handeling een vermoedelijk voordeel oplevert, en het nalaten ervan zou een feitelijk en actueel nadeel veroorzaken.] (HA)

Ten opzichte van de vrouw is het gezicht de spiegel en het focuspunt van haar schoonheid. De schoonheid van de schepping komt tot uitdrukking in het gezicht. Allah heeft alles, inclusief het gezicht, harmonieus, evenwichtig en perfect geschapen.

Vanwege dit principe én enkele aḥadīth die van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overgeleverd zijn, hebben islamitische geleerden uitgebreid gediscussieerd over de shar‘i status van het verwijderen van gezichtshaar, het bijwerken of dunner maken van wenkbrauwen en het verlengen van wimpers.

De vraag welke handelingen precies door de verboden in de ḥadīth worden bedoeld, is onderwerp van discussie onder fiqhgeleerden. De meerderheid van de geleerden is van mening dat:

Een vrouw mag haar gezichtshaar verwijderen of haar wenkbrauwen bijwerken/dunner maken en make-up aanbrengen, mits dit gebeurt voor haar man en met zijn toestemming.

Het verbod in de ḥadīth bedoelt niet het normale verzorgen van het gezicht voor de echtgenoot, maar het weghalen van gezichtshaar of het harsen van de wenkbrauwen voor buitenshuis, oftewel voor vertoon aan anderen.

Het verbod op het trekken van haar in de ḥadīth moet dus worden begrepen als het weghalen van wenkbrauwharen om ze dunner te maken of omhoog te brengen, en niet als het verwijderen van haren die later groeien en het gezicht ontsieren.

De verboden in de ḥadīth met betrekking tot haarimplantatie, haarverf of het weghalen van gezichtshaar hebben betrekking op kunstmatige ingrepen die tot doel hebben de schepping te veranderen, mensen te misleiden of er anders uit te zien.

Daarentegen is er geen bezwaar tegen medische behandelingen of ingrepen voor personen wiens haar niet groeit, vroegtijdig grijs wordt of bij kinderen met afwijkend haarof gezichtsbeharing, mits deze interventies het gezicht of lichaam terugbrengen naar een normale, natuurlijke staat.

Tegenwoordig is het duidelijk dat onjuiste en bewust gebruikte medicijnen en verstoring van de natuurlijke balans van het lichaam soms het hormonale evenwicht verstoren, waardoor dergelijke medische behandelingen en interventies onvermijdelijk kunnen worden.] (HA)

١٣٧٨ - حديث مُعَاوِيَةَ بْنِ أَبِي سُفْيَانَ عَنْ حُمَيْدٍ ابْنِ عَبْدِ الرَّحْمنِ، أَنَّهُ سَمِعَ مُعَاوِيَةَ بْنَ أَبِي سُفْيَانَ، عَامَ حَجَّ، عَلَى الْمِنْبَرِ، فَتَنَاوَلَ قُصَّةً مِنْ شَعَرٍ، وَكَانَتْ فِي يَدَيْ حَرَسِيٍّ فَقَالَ: يَا أَهْلَ الْمَدِينَةِ أَيْنَ عُلَمَاؤُكُمْ سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَنْهى عَنْ مِثْلِ هذِهِ، وَيَقُولُ: إِنَّمَا هَلَكَتْ بَنُو إِسْرَائِيلَ حِينَ اتَّخَذَهَا نِسَاؤُهُمْ1378) Van Humayd ibn ‘Abdurrahmān ibn ‘Awf: (رضي الله عنه)Hij hoorde Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān op de minbar spreken in het jaar van zijn Haj. Mu‘āwiya nam een bundel haar uit de hand (van een bewaker) en zei: “O mensen van Madīnah! Waar zijn jullie geleerden? Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit soort zaken verbieden en hij zei: ‘De Zonen van Israël gingen ten onder toen hun vrouwen zulke dingen gingen gebruiken.’

[De meeste ḥadīth-verzamelingen vermelden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het verboden heeft om haar toe te voegen, en dat Allāh de vervloeking heeft uitgesproken over degene die het doet en degene die het laat doen. Deze vorm van vervloeking wijst op een sterk verbod, meestal gebruikt voor grote zonden. Veel geleerden beschouwen het daarom als verboden (ḥarām). Sommige tabi`īn zoals Sa‘īd ibn Jubayr zagen geen bezwaar in het gebruik van plantaardige vezels voor het haar.Sommige geleerden maken onderscheid tussen wasl (toevoegen) en wadh` (plaatsen). Het gebruik van niet-menselijk haar (zoals wol of draad) werd toegestaan.

Leugen en verandering van de schepping zijn hoofdredenen voor het verbod. M. Tâhir ibn 'Āshūr zag de reden voor dit verbod in het sociale stigma van zijn tijd: zulke versieringen werden geassocieerd met immoraliteit.] (AFK)

Verbod op opscheppen en pronken in kleding en andere zaken, en op het zich voordoen alsof men iets gekregen heeft maar niet heeft

النهي عن التزوير في اللباس وغيره والتشبع بما لم يعط

١٣٧٩ - حديث أَسْمَاءَ، أَنَّ امْرَأَةً قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ لِي ضَرَّةً، فَهَلْ عَلَيَّ جُنَاحٌ إِنْ تَشَبَّعْتُ مِنْ زَوْجِي غَيْرَ الَّذِي يُعْطِينِي فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الْمُتَشَبِّعُ بِمَا لَمْ يُعْطَ كَلاَبِسِ ثَوْبَيْ زُورٍ

1379) Van Asmā’ bint Abī Bakr (رضي الله عنهما):Een vrouw vroeg: “O Rasûlullāh, ik heb een co-vrouw. Als ik doe alsof mijn man mij iets heeft gegeven wat hij niet heeft gegeven, is dat dan een zonde?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wie doet alsof haar iets gegeven is terwijl dat niet zo is, is als iemand die twee lagen van leugen kleding draagt.”

[Dit betekent iemand die zich mooier of rijker voordoet dan ze is, bijvoorbeeld door kleding op te blazen of iets te lenen en het als eigen bezit te tonen. De kern is misleiding.] (AFK)