Kitāb al-Luqṭah: Het boek over verloren of gevonden voorwerpen
٣ - حديث زَيْدِ بْنِ خَالِدٍ ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَسَأَلَهُ عَنِ اللُّقَطَةِ، فَقَالَ: اعْرِفْ عِفَاصَهَا وَوِكَاءَهَا، ثُمَّ عَرِّفْهَا سَنَةً، فَإِنْ جَاءَ صَاحِبُهَا، وَإِلاَّ فَشَأْنَكَ بِهَا قَالَ: فَضَالَّةُ الْغَنَمِ قَالَ: هِيَ لَكَ أَوْ لأَخِيكَ أَوْ لِلذِّئْبِ قَالَ: فَضَالَّةُ الإِبِلِ قَالَ: مَالَكَ وَلَهَا مَعَهَا سِقَاؤُهَا وَحِذَاؤُهَا، تَرِدُ الْمَاءَ وَتَأكُلُ الشَّجَرَ حَتَّى يَلْقَاهَا رَبُّهَا1123 – Van Zayd ibn Khālid (رضي الله عنه):Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem over een gevonden voorwerp. Hij zei: “Herken de verpakking en de binding van (het voorwerp), en maak dit één jaar lang bekend. Als de eigenaar zich meldt, (geef het dan aan hem); en anders mag jij het gebruiken.”- “En wat als het een verdwaalde schaap is?”- “Zij is voor jou, of voor je (moslim)broer, of voor de wolf.”- “En wat als het een verdwaalde kameel is?”- “Wat heb jij met haar te maken? Ze heeft haar waterzak (op haar rug) en hoeven bij zich. Ze vindt zelf water en eet van de bomen totdat haar eigenaar haar vindt.”
[“Zij heeft haar waterzak en haar hoeven bij zich; zij vindt zelf het water en eet van het groen”: niemand mag de kameel tegenhouden of zich haar toe-eigenen. Want Allāh heeft de rivieren geschapen voor de mens en de dieren. De rivieren hebben geen andere eigenaar dan Allāh.] (HY)
١١٢٤ - حديث أُبَيِّ بْنِ كَعْبٍ ﵁، قَالَ: وَجَدْتُ صُرَّةً عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ، فِيهَا مِائَةُ دِينَارٍ، فَأَتَيْتُ بِهَا النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: عَرِّفْهَا حَوْلًا فَعَرَّفْتُهَا حَوْلًا، ثمَّ أَتَيْتُ، فَقَالَ: عَرِّفهَا حَوْلًا فَعَرَّفْتُهَا حَوْلًا، ثُمَّ أَتَيْتُهُ، فَقَالَ: عَرِّفْهَا حَوْلًا فَعَرَّفْتُهَا حَوْلًا ثُمَّ أَتَيْتُهُ الرَّابِعَةَ فَقَالَ: اعْرِفْ عِدَّتَهَا وَوِكَاءَهَا وَوِعَاءَهَا، فَإِنْ جَاءَ صَاحِبُهَا، وَإِلاَّ اسْتَمْتِعْ بِهَا1124 – Van Ubayy ibn Kaʿb (رضي الله عنه):Ten tijde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond ik een beurs met honderd dīnār. Ik bracht deze naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Maak het een jaar lang bekend.”Ik maakte het een jaar lang bekend. (Maar ik heb de eigenaar niet kunnen vinden) en daarna kwam ik terug. - “Maak het nog een jaar bekend,” zei hij.Ik heb het rondverteld, en kwam weer terug. - “Maak het nóg een jaar bekend,” zei hij weer.Ik heb het rondverteld, en kwam weer terug.- “Maak het nóg een jaar bekend,” zei hij weerIk heb het rondverteld en toen ik de vierde keer kwam, zei hij: ‘Onthoud het bedrag, hoe het vastzit en de omhulling (van de beurs) goed. Als de eigenaar komt (en deze zaken correct beschrijft), geef de beurs dan aan hem terug.
Als hij niet komt, maak er dan gebruik van.”[Wat betreft hoe er moet worden omgegaan met gevonden voorwerpen: zowel in de aḥadīth als in de fiqh-boeken is hieraan een afzonderlijk hoofdstuk gewijd waarin de juridische situaties uitvoerig worden behandeld.De regelgeving omtrent gevonden voorwerpen kan als volgt worden samengevat op basis van de uitleg die Imām at-Tirmiḏī geeft na de bovenstaande ḥadīth: “Een deel van de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en sommige geleerden na hen handelden volgens deze ḥadīth. Een gevonden voorwerp wordt een jaar lang bekendgemaakt en omgeroepen. Als zich daarna geen eigenaar meldt, mag men er gebruik van maken en het benutten.” Dit is de mening van Imām as-Shāfiʿī, Aḥmad ibn Ḥanbal en Isḥāq.Een andere groep onder de metgezellen en sommige latere geleerden hebben gezegd: “Het voorwerp wordt een jaar lang bekendgemaakt en omgeroepen. Als de eigenaar zich daarna meldt, wordt het aan hem teruggegeven. Zo niet, dan wordt het als ṣadaqah weggegeven.” Deze opvatting wordt toegeschreven aan Sufyān ath-Thawrī en ʿAbdullāh ibn al-Mubārak. Zij zijn ook van mening dat als de vinder rijk is, hij het voorwerp niet zelf mag gebruiken.Sommige geleerden hebben toegestaan dat wanneer het gevonden voorwerp iets onbeduidends of waardeloos is, het zonder bekendmaking of omroeping gebruikt mag worden.Anderen hebben gezegd: “Als het minder dan één dīnār is, dan hoeft het slechts één week te worden bekendgemaakt.” Dit is de opvatting van Isḥāq ibn Ibrāhīm. (Tirmiḏī, Aḥkām: 35)] (AFK)
Melken van een schaap zonder medeweten van de eigenaar is verboden
تحريم حلب الماشية بغير إِذن مالكها
١١٢٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَحْلُبَنَّ أَحَدٌ مَاشِيَةَ امْرِىءٍ بِغَيْرِ إِذْنِهِ، أَيُحِبُّ أَحَدُكُمْ أَنْ تُؤْتَى مَشْرُبَتُهُ فَتُكْسَرَ خِزَانَتُهُ، فَيُنْتَقَلَ طَعَامُهُ فَإِنَّمَا تَخْزُنُ لَهُمْ ضُرُوعُ مَوَاشِيهِمْ أَطْعِمَاتِهِمْ؛ فَلاَ يَحْلُبَنَّ أَحَدٌ مَاشِيَةَ أَحَدٍ إِلاَّ بِإِذْنِهِ
1125 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand de vee van een ander melken zonder diens toestemming. Zou iemand van jullie prettig vinden als men zijn voorraadkamer binnendringt, zijn kast openbreekt, en zijn voedsel steelt? Waarlijk, de uiers van hun vee zijn hun voedselvoorraad. Laat dus niemand iemands vee melken zonder zijn toestemming.”
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergelijkt het melken van andermans vee met het binnendringen van iemands voorraadkamer en het stelen van voedsel: net zoals niemand het zou waarderen dat zijn kast wordt leeggeroofd, geldt hetzelfde voor het vee, waarvan de melk hun voedselvoorziening is. In de ḥadīth verwijst het woord “māshiyah” naar vee zoals kamelen, runderen en kleinvee (zoals schapen en geiten), maar het wordt in het bijzonder vaak gebruikt voor schapen.] (HY)
Gastvrijheid tonen aan een gast
الضيافة ونحوها
١١٢٦ - حديث أَبِي شُرَيْحٍ الْعَدَوِيِّ، قَالَ: سَمِعَتْ أُذُنَايَ، وَأَبْصَرَتْ عَيْنَايَ، حِينَ تَكَلَّمَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: مَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ جَارَهُ وَمَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ ضَيْفَهُ جَائِزَتَه قَالَ: وَمَا جَائِزَتُهَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: يَوْمٌ وَلَيْلةٌ، وَالضِّيَافَةُ ثَلاَثَةُ أَيَّامٍ، فَمَا كَانَ وَرَاءَ ذَلِكَ فَهُوَ صَدَقَةٌ عَلَيْهِ، وَمَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيَقُلْ خَيْرًا أَوْ لِيَصْمُتْ
1126 – Van Abū Shurayḥ al-ʿAdawī (رضي الله عنه):Mijn oren hoorden het en mijn ogen zagen het op het moment dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat diegene zijn buren gastvrijheid tonen/ iets goeds geven/vriendelijk bejegenen /iets aanbieden (ikrām).Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat diegene zijn gast gastvrijheid tonen.”Er werd gezegd: “Wat is zijn gastrecht, O Rasûlullāh ?”Hij zei: “Eén dag en één nacht. En het recht op gastvrijheid is drie dagen. Wat daarna komt, is een ṣadaqah. En wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem het goede spreken of zwijgen.”
١١٢٧ - حديث أَبِي شُرَيْحٍ الْكَعْبِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ ضَيْفَهُ، جَائِزَتُهُ يَوْمٌ وَلَيْلَةٌ، وَالضِّيَافَةُ ثَلاَثَةُ أَيَّامٍ، فَمَا بَعْدَ ذَلِكَ فَهُوَ صَدَقَةٌ، وَلاَ يَحِلُّ لَهُ أَنْ يَثْوِيَ عِنْدَهُ حَتَّى يُحْرِجَهُ1127 – Van Abū Shurayḥ al-Kaʿbī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat diegene zijn gast gastvrijheid (ikrām) tonen: zijn recht is één dag en één nacht.De volledige gastvrijheid is drie dagen, en wat daarna komt is een ṣadaqah.Het is niet toegestaan voor de gast om bij hem te blijven tot hij hem tot last wordt.”
[Degene die zich onthoudt van kufr (ongeloof) en van wat Allāh تعالى heeft verboden, en zijn bezittingen uitgeeft op de weg van het goede om zich te bevrijden van gierigheid, zal beschermd worden tegen het Hellevuur. Zo’n gelukkige persoon zal het Hellevuur niet binnengaan, maar er slechts vluchtig overheen gaan en uiteindelijk het Paradijs binnentreden.
De reden hiervoor is dat hij in het wereldse leven zijn bezit op de weg van Allāh besteedde met de intentie: “Laat mijn bezit gereinigd worden en laat het zowel materieel als spiritueel toenemen.” Hij verwachtte daarbij geen dank van degenen die hij hielp; zijn enige doel was de tevredenheid van Allāh te verkrijgen.
Juist om deze oprechte intentie zal deze rechtschapen persoon zeker bereiken wat hij nastreeft: hij zal de tevredenheid van Allāh verkrijgen en zelf tevreden zijn met de hem geschonken gaven.
Het ontvangen van gasten en hen tevredenstellen is een teken van verfijndheid; het is zelfs een ware kunst. Wie een gesloten of ongevoelig hart heeft, zal deze kunst nooit volledig begrijpen.
Het verbergen of oppotten van bezit, oftewel gierigheid, sluit een mens feitelijk af voor zowel materiële als spirituele zegeningen. Dit is geen wijze of correcte handeling.
Het aanbieden van voedsel en het verspreiden van de salām zijn op zichzelf al vormen van vrijgevigheid.
Ze hebben bovendien een overeenkomst: mensen geven meestal aan degenen die dicht bij hen staan, van wie ze houden, of van wie ze denken dat ze respect en goedheid verdienen.
Toch is het van groot belang dat men bij beide handelingen optreedt zonder iemand te kleineren. Alleen zo getuigt men van echte volwassenheid en oprechte goedheid.
Sommige mensen, die zichzelf hoger achten dan anderen, geven alleen salām aan degenen op wie zij met waardering neerkijken, terwijl zij velen anderen niet eens de moeite waard achten. Dit is geen juiste houding. Eenzelfde onderscheid zien we terug bij het uitnodigen voor eten: ook daar maken sommige mensen ongelijkwaardige keuzes.
De Islām leert daarentegen dat men bij het aanbieden van voedsel en het geven van salām geen onderscheid maakt, maar iedereen gelijk behandelt.
Tegenwoordig, vooral in grote steden, is het vaak lastig te weten wie iemand is of wat zijn geloof en overtuigingen zijn. Toch blijft het belangrijk om zowel bekenden als onbekenden de salām te geven en vrijgevig te zijn. De mens is immers een dienaar van goedheid. Het is normaal dat mensen vreugde scheppen door goed te doen en waardering te ontvangen. Abnormale individuen vormen de uitzondering; bij hen zal goedheid weinig effect hebben, ongeacht wat men doet.] (HY)
١١٢٨ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ، قَالَ: قُلْنَا لِلنَّبِيِّ ﷺ إِنَّكَ تَبْعَثُنَا فَنَنْزِلُ بِقَوْمٍ لاَ يَقْرُونَا، فَمَا تَرَى فِيهِ فَقَالَ لَنَا: إِنْ نَزَلْتُمْ بِقَوْمٍ فَأُمِرَ لَكُمْ بِمَا يَنْبَغِي لِلضَّيْفِ فَاقْبَلُوا، فَإِنْ لَمْ يَفْعَلُوا فَخُذُوا مِنْهُمْ حَقَّ الضَّيْفِ1128 – Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه):Wij zeiden tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “U stuurt ons op pad (veldtocht) en wij komen aan bij mensen die ons (niet gastvrij ontvangen) niets aanbieden.
Wat beveelt u ons in dat geval aan?”Hij zei: “Wanneer jullie bij een volk verblijven en zij geven jullie wat een gast toekomt, accepteer dat dan. En als zij dat niet doen, neem dan van hen het recht dat een gast toekomt.”
[Als de gastheer zijn plicht om zijn gasten van eten te voorzien niet nakomt, dan heeft de gast het recht om dit recht met tegenzin en desnoods met dwang op te eisen.] (HY)
[Het ontvangen van gasten is een kenmerk van degenen die in Allāh en de Laatste Dag geloven.
Het is echter geen farḍ (verplichting), maar een sunnah. Wanneer een gast in nood verkeert of hulpeloos is, wordt het voor een moslim wél noodzakelijk om hem te helpen en zich om hem te bekommeren. Om die reden hebben sommige geleerden toegestaan dat een gast, wanneer hij in moeilijkheden verkeert, zaken neemt die voorzien in zijn noodzakelijke behoeften.
De rechten van een gast-zijn als volgt: de gastheer moet de gast van het voedsel voorzien dat hij zelf consumeert, en indien dit geen belasting voor hem vormt, wordt aanbevolen om daarbovenop extra gul te zijn.
In een ḥadīth zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):
“Het recht van het gast-zijn is drie dagen. De daadwerkelijke gastvrijheid (speciale verzorging) is één dag en één nacht. Wat daarbuiten valt, is als ṣadaqah: als de gastheer dat wil doen, is het mooi, maar hij is er niet toe verplicht.” (Bukhārī, al-Adab: 31; Muslim, al-Luqata: 14)] (AFK)