As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb an-Nikāḥ: Het boek van het huwelijk

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb an-Nikāḥ: Het boek van het huwelijk

[De lexicale betekenis van het woord nikāḥ omvat: samenvoegen, verbinden, het aangaan van een huwelijkscontract en ook seksuele gemeenschap. In de terminologische (fiqh-)betekenis duidt nikāḥ op het contract dat wordt gesloten tussen een man en een vrouw voor wie volgens de sharīʿah geen huwelijksbeletselen bestaan, en dat wordt aangegaan met de intentie om wederzijds van elkaar te profiteren.

Nikāḥ is een overeenkomst die het man en vrouw mogelijk maakt samen te leven en elkaar wederzijds te ondersteunen, en die voor beide partijen rechten en plichten vastlegt. Deze overeenkomst wordt in de eerste plaats gesloten tussen twee personen voor wie het huwelijk religieus en wettelijk toegestaan is, en vindt plaats in aanwezigheid van twee getuigen.] (HA)(Zie ook Appendix 15: Huwelijk in de Islam)

٨٨٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ عَنْ عَلْقَمَةَ، قَالَ: كُنْتُ مَعَ عَبْدِ اللهِ فَلَقِيَهُ عُثْمَانُ بِمِنًى، فَقَالَ: يَا أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ إِنَّ لِي إِلَيْكَ حَاجَةً، فَخَلَيَا فَقَالَ عُثْمَانُ: هَلْ لَكَ يَا أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ فِي أَنْ نُزَوِّجَكَ بِكْرًا تُذَكِّرُكَ مَا كُنْتَ تَعْهَدُ فَلَمَّا رَأَى عَبْدُ اللهِ أَنْ لَيْسَ لَهُ حَاجَةٌ إِلَى هذَا، أَشَارَ إِلَيَّ، فَقَالَ: يَا عَلْقَمَةُ فَانْتَهَيْتُ إِلَيْهِ وَهُوَ يَقُولُ: أَمَا لَئِنْ قُلْتَ ذَلِكَ، لَقَدْ قَالَ لَنَا النَّبِيُّ ﷺ: يَا مَعْشَرَ الشَّبَابِ مَنِ اسْتَطَاعَ مِنْكُمُ الْبَاءَةَ فَلْيَتَزَوَّجْ، وَمَنْ لَمْ يَسْتَطِعْ فَعَلَيْهِ بِالْصَّوْمِ فَإِنَّهُ لَهُ وِجَاءٌ884 - Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd via ʿAlqamah (رضي الله عنهما):Ik was met ʿAbdullāh (ibn Masʿūd ) toen ʿUthmān hem ontmoette in Minā.Hij zei (tegen hem): “O Abā ʿAbdurraḥmān (ʿAbdullāh (ibn Masʿūd ), ik wil iets persoonlijks met je bespreken.”Daarop trokken zij zich samen terug op een afgelegen plaats.ʿUthmān zei: “Zou je het niet fijn vinden, o Abā ʿAbdurraḥmān, dat we je zouden uithuwelijken aan een jong meisje zodat zij je kracht en vitaliteit versterkt en je aan vroegere dagen doet herinneren?”Toen ʿAbdullāh merkte dat hij daar geen behoefte aan had, wenkte hij mij (`Alqamah) en zei:“O ʿAlqamah.” Ik kwam dichterbij, terwijl (`Abdullah aan Uthman) zei: “Jij zegt dit, maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aan ons gezegd: “O jongemannen, wie van jullie in staat is om te trouwen, laat hem dan trouwen.

En wie daartoe niet in staat is, laat hem vasten, want dat is voor hem een bescherming (de vasten onderdrukt de wellustige begeerten van een persoon).”

٨٨٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: جَاءَ ثَلاَثَةُ رَهْطٍ إِلَى بُيوتِ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ يَسْأَلُونَ عَنْ عِبَادَةِ النَّبِيِّ ﷺ، فَلَمَّا أُخْبِرُوا كَأَنَّهُمْ تَقَالُّوهَا، فَقَالُوا: وَأَيْنَ نَحْنُ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ، قَدْ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ وَمَا تَأَخَّرَ؛ قَالَ أَحَدُهُمْ: أَمَّا أَنَا فَإِنِّي أُصَلِّي اللَّيْلَ أَبَدًا؛ وَقَالَ آخَرُ: أَنَا أَصُومُ الدَّهْرَ وَلاَ أُفْطِرُ؛ وَقَالَ آخَرُ: أَنَا أَعْتَزِلُ النِّسَاءَ فَلاَ أَتَزَوَّجُ أَبَدًا

فَجَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: أَنْتُمُ الَّذِينَ قُلْتُمْ كَذَا وَكَذَا؛ أَمَا وَاللهِ إِنِّي لأَخْشَاكُمْ للهِ وَأَتْقَاكُمْ لَهُ، لكِنِّي أَصُومُ وَأُفْطِرُ، وَأُصَلِّي وَأَرْقُدُ، وَأَتَزَوَّجُ النِّسَاءَ؛ فَمَنْ رَغِبَ عَنْ سُنَّتِي فَلَيْسَ مِنِّي

885 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Er kwamen drie mannen naar de huizen van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om te informeren naar zijn (vrijwillige) aanbiddingen. Toen zij hierover werden ingelicht, beschouwen zij deze voor zichzelf als gering.Zij zeiden: “Waar staan wij en waar staat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)?

Waarlijk, (Allāh) heeft zijn vroegere én latere zonden vergeven!”Een van hen zei: “Wat mij betreft, (zolang ik leef) zal ik elke nachten ṣalāh verrichten en niet slapen.”Een ander zei: “(Zolang ik leef) zal ik elke dag vasten, en ik geen enkele dag zonder vasten doorbrengen.”Een derde zei: “Ik zal mij verre houden van vrouwen en nooit trouwen.”(Na een tijd) kwam Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Zijn jullie degenen die dit en dat hebben gezegd? Weet dat ik, bij Allāh, de meest godvrezende onder jullie ben en mij het meest bewust ben van Allāh/zich het meest houd aan de grenzen van Allāh”.Soms vast ik én soms vast ik niet; ik verricht ṣalāh én ik slaap; en ik trouw met vrouwen.Wie zich afwendt van mijn Sunnah, behoort niet tot mij.”

[De hierboven genoemde metgezellen wilden zichzelf zware verplichtingen opleggen die ingingen tegen de menselijke natuur, vanuit de overtuiging dat zij — in vergelijking met de positie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij Allāh — meer vrijwillige daden van aanbidding moesten verrichten.

Wat bij aanbidding echter vooropstaat, is continuïteit, in overeenstemming met de menselijke aard en draagkracht. Daarom heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen gewaarschuwd voor dergelijke buitensporigheid en duidelijk gemaakt dat deze weg niet de zijne is. De meest waardevolle daad van aanbidding bij Allāh is die welke regelmatig wordt verricht, ook al is zij gering.Bovenkant formulier

.] (AFK)Zie Appendix 20: Geloven in Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم)

٨٨٦ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، قَالَ رَدَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ، عَلَى عُثْمَانَ بْنِ مَظْعُونٍ التَّبتُّلَ، وَلَوْ أَذِنَ لَهُ لاَخْتَصَيْنَا886 – Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) wees het celibaat (leven) van ʿUthmān ibn Maẓʿūn af. Had hij hem daarin toestemming gegeven, dan zouden wij onszelf hebben laten castreren.

Het mutʿah-huwelijk: was eerst toegestaan, daarna afgeschaft, en vervolgens definitief verboden tot de Dag der Opstanding (Yawm al-Qiyāmah)

نكاح المتعة وبيان أنه أبيح ثم نسخ ثم أبيح ثم نسخ واستقر تحريمه إِلى يوم القيامة

٨٨٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا نَغْزُو مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، وَلَيْسَ مَعَنَا نِسَاءٌ، فَقُلْنَا: أَلاَ نَخْتَصِي فَنَهَانَا عَنْ ذَلِكَ، فَرَخَّصَ لَنَا بَعْدَ ذَلِكَ أَنْ نَتَزَوَّجَ الْمَرْأَةَ بِالثَّوْبِ؛ ثُمَّ قَرَأَ (يأَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لاَ تُحَرِّمُوا طَيِّبَاتِ مَا أَحَلَّ اللهُ لَكُمْ)

887 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):Wij trokken ten strijde met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl er geen vrouwen bij ons waren. (We konden onze begeerte niet bedwingen) daarom zeiden wij: ‘Zullen wij onszelf dan niet laten castreren?’ Maar hij verbood ons dat. Vervolgens stond hij ons toe om, tijdens de reis, met een vrouw te huwen in ruil voor een kledingstuk. Daarna reciteerde hij (de volgende āyah):

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تُحَرِّمُواْ طَيِّبَٰتِ مَآ أَحَلَّ ٱللَّهُ لَكُمۡ ٨٧

O, jullie die geloven! Verklaar de goede dingen niet onwettig, die Allāh voor jullie wettig heeft verklaard. (sûrah al-Mā’idah, 5/87)

[Het mutʿah-huwelijk, samengevat als “huwelijk voor een bepaalde tijd met een afgesproken kledingstuk als bruidsschat,” is een huwelijk waarbij men met een geringe bruidsschat en voor een vooraf bepaalde periode huwde. Aanvankelijk was dit toegestaan tijdens veldtochten, maar later verbood Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) deze praktijk.

Tijdens de verovering van Makkah, in het achtste jaar na de Hijrah, werd er tijdelijk toestemming gegeven voor mutʿah-huwelijken, maar deze toestemming werd eveneens door Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) ingetrokken.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) verbood mutʿah-huwelijken definitief met de krachtige woorden:

“O mensen!

Ik had jullie toestemming gegeven voor het mutʿah-huwelijk met vrouwen, maar Allāh heeft dit verboden tot de Dag des Oordeels. Wie een vrouw door mutʿah heeft gehuwd, laat hem van haar scheiden en neem niets terug van wat jullie haar hebben gegeven.” (Muslim, Nikāḥ, 21) ] (Diyanet)

٨٨٨ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، وَسَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ قَالاَ: كُنَّا فِي جَيْشٍ، فَأَتَانَا رَسُولُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: إِنَّهُ قَدْ أُذِنَ لَكُمْ أَنْ تَسْتَمْتِعُوا، فَاسْتَمْتِعُوا888 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh en Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنهما):Wij bevonden ons in het leger toen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) naar ons toekwam en zei: “Er is jullie toestemming gegeven om een mutʿah-huwelijk aan te gaan, dus maken daar gebruik van.”

[Het mutʿah-huwelijk is een tijdelijke vorm van huwelijk waarbij een vrouw, met wie het huwelijk wettelijk toegestaan is, voor een afgesproken periode en tegen een overeengekomen vergoeding wordt gehuwd. Dit gaat gepaard met een intentieverklaring in de trant van: “Laat mij voor deze bepaalde tijd en tegen dit overeengekomen bedrag profiteren van jouw seksuele kanten.”In de beginperiode van de Islām was mutʿah toegestaan. Wanneer iemand in een onbekende stad aankwam, huwde hij tijdelijk een vrouw die zijn bezittingen bewaakte en hem van dienst kon zijn. De schijnbare tegenstrijdigheden tussen ḥadīth over het moment waarop het verbod op mutʿah inging, zijn door ḥadīth-geleerden opgehelderd. Hieruit blijkt dat het mutʿah-huwelijk meerdere keren verboden en weer tijdelijk toegestaan is.Deze situatie deed zich voor tijdens de verovering van Makkah en de Slag van Hunayn. Volgens de ḥadīth van Muslim (Nikāh: 18) werd deze praktijk slechts drie dagen toegestaan, waarna het definitief verboden werd.

In onze ḥadīth wordt vermeld dat er tijdens een oorlog tijdelijk toestemming werd gegeven voor mutʿah. Muslim vermeldt daarbij de uitdrukking “voor een bepaalde tijd”.Voor de Islām was mutʿah al een geldige praktijk onder de Arabieren. Deze praktijk bleef geldig in de beginperiode na de Hijrah, maar werd later verboden. Sommige uitspraken in de ḥadīth laten zien dat het huwelijk soms opnieuw tijdelijk werd toegestaan, bijvoorbeeld zoals eerder vermeld.In werkelijkheid werd het mutʿah-huwelijk definitief verboden op de dag van de verovering van Khaybar. Kortstondig werd het weer toegestaan tijdens de verovering van Makkah, maar daarna werd het voor altijd verboden. Dit verbod werd bevestigd tijdens de Afscheids-Ḥaj (Ḥaj al-Wadāʿ) in de afscheidsrede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei in de dagen na de verovering van Makkah bij de Kaʿbah:“O mensen, ik had jullie toegestaan via mutʿah-huwelijk te trouwen. Allāh heeft dit nu tot aan het einde der tijden verboden. Daarom moet iedereen die een vrouw via mutʿah heeft gehuwd, haar laten gaan. En het geld dat jullie haar gegeven hebben, mogen jullie niet terugnemen.”(Muslim, Nikāh: 21; Ibn Mājah, Nikāh: 44)Sommige metgezellen die het verbod nog niet hadden gehoord, dachten aanvankelijk dat het verbod niet was opgeheven. Het kwam voor dat sommige metgezellen pas na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vernamen dat een bepaalde praktijk was afgeschaft.Imām Nawawī schrijft:“Het verbod en de tijdelijke toestaan van het mutʿah-huwelijk hebben twee keer plaatsgevonden: vóór de verovering van Khaybar was het toegestaan, maar op die dag werd het verboden. Daarna werd het opnieuw toegestaan bij de verovering van Makkah, maar drie dagen later definitief verboden, tot aan het einde der tijden.”(Nawawī, Sharḥ Muslim, IX. 184, Nikāh) (AFK)

٨٨٩ - حديث عَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنْ مُتْعَةِ النِّسَاءَ يَوْمَ خَيْبَرَ، وَعَنْ أَكْلِ الْحُمُرِ الإِنْسِيَّةِ889 – Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het mutʿah-huwelijk met vrouwen op de dag van Khaybar, evenals het eten van tamme ezels.

Verbod op het huwen van een vrouw samen met haar tante van vadersof moederszijde

تحريم الجمع بين المرأة وعمتها أو خالتها في النكاح

٨٩٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لاَ يُجْمَعُ بَيْنَ الْمَرْأَةِ وَعَمَّتِهَا، وَلاَ بَيْنَ الْمَرْأَةِ وَخَالَتِهَا

890 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een vrouw en haar tante van vaderszijde (ʿammah) mogen niet samen onder één huwelijk worden gebracht, en hetzelfde geldt voor een vrouw en haar tante van moederszijde (khālah).”

[In de islamitische wetgeving worden de vrouwen met wie het verboden is te trouwen (ḥarām) als volgt ingedeeld, gebaseerd op Sūrah An-Nisā’ 4:22, 24 en de sunnah:

1. Voortdurend verboden vrouwen

a. Door bloedverwantschap (nasab) verboden: Moeders, dochters, zusters, dochters van broers en zusters, tantes van vaders of moeders.

b. Door huwelijk (sihrīyah) verboden: Schoonmoeder, stiefdochter, schoondochter, stiefmoeders, enz.

c. Door borstvoeding (raḍā‘ah) verboden: Zoogmoeder, en zuster door borstvoeding (raḍā‘ah).

2. Tijdelijk verboden vrouwen:

a. Door beperking van het aantal vrouwen onder één huwelijk: Een man mag niet met meer dan vier vrouwen tegelijk getrouwd zijn. Wie al vier vrouwen heeft, mag geen vijfde huwen.

b. Door rechten van anderen: het is verboden een vrouw te huwen die reeds onder het huwelijk van een ander staat. c. Door drie scheidingen (ṭalāq) verboden:Vrouwen die driemaal zijn gescheiden door dezelfde man mogen niet opnieuw met hem trouwen.

d. Door verschil in geloof of shirk: Vrouwen van een andere religie (behalve ahli kitāb) of shirk zijn verboden om te huwen.

e. Door wachterperiode (‘iddah) verboden: Vrouwen in hun wachttijd mogen niet gehuwd worden.

f. Vrouwen met wie het vanwege onderlinge mahram-verwantschap verboden is om te trouwen: Twee zusters of een vrouw en haar tante (via bloed of borstvoeding) mogen niet onder hetzelfde huwelijk verenigd worden.

Het verbod om twee zusters onder hetzelfde huwelijk te verenigen, is bevestigd in de Qur’ān, terwijl het verbod dat een vrouw niet samen met haar tante van vadersof moederszijde gehuwd kan worden, wordt bevestigd door de sunnah.] (HA)

Het verbod op het sluiten van een huwelijk tijdens de staat van iḥrām en afkeuring van verloving

تحريم نكاح المحرم وكراهة خطبته

٨٩١ - حديث ابْنُ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ تَزَوَّجَ مَيْمُونَةَ وَهُوَ مُحْرِمٌ

891 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trouwde met Maymunah terwijl hij in staat van iḥrām was.[Het huwelijk (nikāḥ) van Maymūnah bint al-Ḥārith (رضي الله عنها) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond plaats in het zevende jaar nH, kort na de voltooiing van de ʿUmrah al-Qaḍāʾ (de ‘inhaal-ʿumrah’) die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte als onderdeel van de afspraken van het Verdrag van Ḥudaybiyyah.

In het zesde jaar nH werd het Verdrag van Ḥudaybiyyah gesloten, waarbij de Quraysh onder andere overeenkwamen dat de moslims het daaropvolgende jaar, het zevende jaar n.H., de ʿumrah mochten verrichten.

In Dhul-Qaʿdah van het zevende jaar nH trok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met ongeveer 2000 metgezellen naar Makkah om de ʿUmrah al-Qaḍāʾ te verrichten. Na afloop van deze drie dagen in Makkah verbleef hij buiten de stad in een plaats genaamd Sarif, ongeveer 10–12 mijl ten noorden van Makkah. Daar, in Sarif, voltrok hij zijn huwelijk met Maymūnah (رضي الله عنها).

Volgens Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op dat moment nog in de staat van iḥrām. Maymūnah (رضي الله عنها) zelf verklaarde echter dat het huwelijk plaatsvond nadat hij uit iḥrām was getreden. Deze laatste ḥadīth wordt door veel geleerden als authentieker en betrouwbaarder beschouwd, mede omdat zij zelf de bruid was.

Maymūnah (رضي الله عنها) zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trouwde met mij nadat hij uit de staat van iḥrām was getreden, en ook het huwelijk werd in die toestand voltrokken.” (Muslim, Kitāb an-Nikāḥ)] (AFK)

[Wie met de intentie de Ḥaj of ʿumrah te verrichten in iḥrām treedt, moet zich aan bepaalde verboden zaken houden, waaronder het aangaan van een huwelijk tijdens de staat van iḥrām.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) sloot zijn laatste huwelijk met onze moeder Maymūnah (رضي الله عنها) in het zevende jaar nH, terwijl hij terugkeerde van de ʿUmrah al-Qadāʾ, nabij de plaats Sarīf, op de weg tussen Makkah en Madīnah.

Er is discussie over de vraag of dit huwelijk werd gesloten terwijl Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) in iḥrām was of niet. Volgens de meerderheid van de geleerden is het verboden, gebaseerd op de ḥadīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt:“Iemand in iḥrām mag zelf of een ander niet huwen, noch mag hij optreden als tussenpersoon voor een huwelijk.”(Abū Dāwūd, Manāsiq, 38) Dit standpunt wordt verder ondersteund door het getuigenis van Maymūnah (رضي الله عنها) dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) op dat moment niet in iḥrām was.(Muslim, Nikāḥ, 46)] (Diyanet)

Het verbod om de hand van een vrouw te vragen waarop je broeder al een huwelijksaanzoek heeft gedaan, tenzij hij toestemming geeft of zich terugtrekt

تحريم الخطبة على خطبة أخيه حتى يأذن أو يترك

٨٩٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ كَانَ يَقُولُ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ أَنْ يَبِيعَ بَعْضُكُمْ عَلَى بَيْعِ بَعْضٍ، وَلاَ يَخْطُبَ الرَّجُلُ عَلَى خِطْبَةِ أَخِيهِ حَتَّى يَتْرُكَ الْخَاطِبُ قَبْلَهُ أَوْ يَأْذَنَ لَهُ الْخَاطِبُ

892 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft verboden dat een van jullie een transactie van zijn broeder verstoort (door zijn deal te verbreken), of dat iemand een vrouw ten huwelijk vraagt waarop zijn broeder al een aanzoek heeft gedaan, tenzij de eerste huwelijkskandidaat zich terugtrekt of toestemming geeft.

Verbod op het huwen via shighār (wederzijdse ruilhuwelijken) en de nietigheid ervan

تحريم نكاح الشغار وبطلانه

٨٩٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ نَهى عَنِ الشِّغَارِ الشِّغَارُ أَنْ يُزَوِّجَ الرَّجُلُ ابْنَتَهُ عَلَى أَنْ يُزَوِّجَهُ الآخَرُ ابْنَتَهُ، لَيْسَ بَيْنَهُمَا صَدَاقٌ

893 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het huwen via shighār.Shighār is een huwelijk waarbij een man zijn dochter aan iemand uithuwelijkt en zelf de dochter van diegene trouwt, zonder dat er een bruidsgeschenk (ṣadāq) wordt gegeven tussen de partijen..

[Het shighār-huwelijk (نكاح الشِّغَار) is een vorm van huwelijk die in de tijd van de jāhiliyyah voorkwam en die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitdrukkelijk verbood.

Bij een shighār-huwelijk trouwen twee mannen met elkaars vrouwelijke verwanten (zoals zussen of dochters) zonder dat er een bruidsschat (mahr) aan de vrouwen wordt gegeven. Bijvoorbeeld: de ene man zegt tegen de ander: “Ik geef jou mijn dochter of zus tot vrouw, op voorwaarde dat jij mij jouw dochter of zus tot vrouw geeft.” Zo wordt een huwelijk gesloten in ruil voor een ander huwelijk, zonder dat er mahr wordt betaald.

ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) zei:“Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) verbood shighār: een man huwelijkt zijn dochter uit aan een ander op voorwaarde dat de ander zijn dochter aan hem uithuwelijkt, zonder bruidsschat tussen hen.” (Muslim)] (AFK)

[Het type huwelijk dat in de jāhiliyyah-periode werd toegepast en bekendstond als shighār, hield in dat twee personen als het ware dochters of zusters onderling uitwisselden, zonder de betrokken vrouwen te raadplegen en zonder dat er een bruidsschat (mahr) werd betaald.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) verbood deze vorm van huwelijk, omdat het de rechten en waardigheid van de vrouw negeert. Hij benadrukte dat een ongehuwde jongedame of maagd niet zonder haar toestemming mag worden uitgehuwelijkt, en dat dit ook geldt voor een eerder gehuwde vrouw. (Bukhārī, Nikāḥ, 42)

Wat de mahr betreft, legde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) uit dat de vrouw het recht heeft deze als haar eigendom te gebruiken en dat het haar zekerheid biedt.

Zoals ook wordt gezegd in de Qorʾān:

وَءَاتُواْ ٱلنِّسَآءَ صَدُقَٰتِهِنَّ نِحۡلَةٗۚ فَإِن طِبۡنَ لَكُمۡ عَن شَيۡءٖ مِّنۡهُ نَفۡسٗا فَكُلُوهُ هَنِيٓـٔٗا مَّرِيٓـٔٗا ٤

En geef de vrouwen (die jullie trouwen) hun bruidschat met een goed hart, maar als zij voor hun eigen genoegen, jou daar een deel van kwijtschelden, neem het dan en geniet er zonder vrees of kwaad van. (surah an-Nisāʾ, 4:4)

De betaling aan de familie van de vrouw, bekend als “bruidsschat voor de familie,” wordt niet als mahr beschouwd en is in de Islām niet toegestaan.] (Diyanet)

Zich houden aan de huwelijksvoorwaarden

الوفاء بالشروط في النكاح

٨٩٤ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَحَقُّ الشُّرُوطِ أَنْ تُوفُوا بِهِ مَا اسْتَحْلَلْتُمْ بِهِ الْفُرُوجَ

894 – Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei:“De voorwaarden die het meest nageleefd moeten worden, zijn de voorwaarden waarmee jullie de eerbaarheid (van vrouwen) voor jezelf halāl hebben gemaakt (dat wil zeggen de huwelijksvoorwaarden).”

Bovenkant formulier

[ Deze ḥadīth wijst erop dat de voorwaarden die door de bruid of haar vertegenwoordigers vóór het huwelijk worden gesteld, in eerste instantie moeten worden nagekomen.

De huwelijksvoorwaarden kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

1. Voorwaarden waarvan geleerden het eens zijn dat ze verplicht zijn (farḍ):Dit zijn de voorwaarden die Allah heeft bevolen, zoals:

het huwelijk in stand houden door goed gedrag;

het op een juiste manier beëindigen van het huwelijk indien nodig.Deze voorwaarden hebben volgens de ḥadīth prioriteit.

2. Voorwaarden waarvan geleerden het eens zijn dat ze niet vervuld hoeven te worden:Voorbeelden zijn:

een huwelijk zonder mahr;

onderhoud voor de vrouw;

terugbetaling van de mahr aan de echtgenoot;

dat de echtgenoot geen seksuele relatie met zijn vrouw heeft;

het niet voorzien in de behoeften van het huis.

Dergelijke voorwaarden strijden met het doel van het huwelijk, daarom is men het erover eens dat ze niet nageleefd hoeven te worden. Een huwelijk dat op basis van deze voorwaarden wordt gesloten, blijft echter geldig.

3. Voorwaarden waarover geleerden verdeeld zijn:Voorbeelden zijn:

dat de man niet opnieuw zal trouwen zolang hij met deze vrouw getrouwd is;

dat de vrouw niet op reis wordt meegenomen met haar echtgenoot.

Meningen van de geleerden:

Volgens Imām Awzā’ī en Imām Aḥmad is een huwelijk dat met dergelijke voorwaarden wordt gesloten geldig, en is de echtgenoot verplicht deze voorwaarden na te komen.

Volgens Imām Mālik, Imām Shāfi‘ī, Al-Sawrī en de Hanafieten zijn deze voorwaarden ongeldig, maar blijft het huwelijk geldig. In dat geval hoeft de man aan de vrouw alleen de overeengekomen mahr te voldoen.(Hawashi al-Aḥādīth)

Bij de huwelijk(sakte) wordt van een eerder gehuwde vrouw mondelinge instemming gevraagd, en van een maagd wordt instemming verkregen door haar stilzwijgen

استئذان الثيب في النكاح بالنطق والبكر بالسكوت

٨٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: لاَ تُنْكَحُ الأَيِّمُ حَتَّى تُسْتَأْمَرَ، وَلاَ تُنْكَحُ الْبِكْرُ حَتَّى تُسْتَأْذَنَ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ وَكَيْفَ إِذْنُهَا قَالَ: أَنْ تَسْكُتَ

895 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De ayyim (vrouw die geen echtgenoot (meer) heeft, zowel een maagd als een eerder gehuwde vrouw) wordt niet uitgehuwelijkt zonder dat zij om (mondelinge) toestemming wordt gevraagd, en de maagd wordt niet uitgehuwelijkt zonder haar toestemming.”(De metgezellen) vroegen: “O Rasûlullāh, hoe geeft zij (maagd) dan toestemming?”Hij antwoordde: “Door haar stilzwijgen.”

٨٩٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ يُسْتَأْمَرُ النِّسَاءُ فِي أَبْضَاعِهِنَّ قَالَ: نَعَمْ قُلْتُ: فَإِنَّ الْبِكْرَ تُسْتَأْمَرُ فَتَسْتَحِي فَتَسْكُتُ، قَالَ: سُكَاتُهَا إِذْنُهَا896 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ze zei: “O Rasûlullāh, worden vrouwen geraadpleegd bij het sluiten van een huwelijksacte?”Hij antwoordde: “Ja.”Ik zei: “Maar een maagd (die nog geen man heeft gezien, schaamt zich als zij over het huwelijk wordt geraadpleegd) is verlegen en zwijgt (bij het vragen over het huwelijk.)?”Hij zei: “Haar zwijgen geldt als haar toestemming.”

Het uithuwelijken door de vader van een jonge maagd

تزويج الأب البكر الصغيرة٨٩٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: تَزَوَّجَنِي النَّبِيُّ ﷺ، وَأَنَا بِنْتُ سِتِّ سِنِينَ، فَقَدِمْنَا الْمَدِينَةَ، فَنَزَلْنَا فِي بَنِي الْحارِثِ بْنِ خَزْرَجٍ، فَوُعِكْتُ فَتَمَرَّقَ شَعَرِي، فَوَفَى جُمَيْمَةً، فَأَتَتْنِي أُمِّي، أُمُّ رُومَانَ، وَإنِّي لَفِي أُرْجُوحَةٍ، وَمَعِي صَوَاحِبُ لِي، فَصَرَخَتْ بِي فَأَتَيْتُهَا لاَ أَدْرِي مَا تُرِيد بِي؛ فَأَخَذَتْ بِيَدِي حَتَّى أَوْقَفَتْنِي عَلَى بَابِ الدَّارِ، وَإِنِّي لأَنْهِجُ حَتَّى سَكَنَ بَعْضُ نَفَسِى، ثُمَّ أَخَذَتْ شَيْئًا مِنْ مَاءٍ فَمَسَحَتْ بِهِ وَجْهِي وَرَأْسِي، ثُمَّ أَدْخَلَتْنِي الدَّارَ، فَإِذَا نِسْوَةٌ مِنَ الأَنْصَارِ فِي الْبَيْتِ، فَقُلْنَ: عَلَى الْخَيْرِ وَالْبَرَكَةِ، وَعَلَى خَيْرِ طَائِرٍ؛ فَأَسْلَمَتْنِي إِلَيْهِنَّ، فَأَصْلَحْنَ مِنْ شَأْنِي، فَلَمْ يَرُعْنِي إِلاَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ ضُحًى، فَأَسْلَمَتْنِي إِلَيْهِ، وَأَنَا يَوْمَئِذٍ بِنْتُ تِسْعِ سِنِينَ

897 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):De Nabi (صلى الله عليه وسلم) huwde met mij toen ik zes jaar oud was.We (mijn moeder, zus Asma en ik) kwamen aan in Madīnah en verbleven bij de Banu al-Hārith ibn Khazraj.Ik werd ziek en mijn haar viel uit.

(Ik kreeg daar een hevige koorts, en daardoor vielen mijn haren uit).

Nadat ik was genezen, begonnen mijn uitgevallen haren weer volop te groeien, (en het reikte tot aan mijn schouders.)Op een dag kwam mijn moeder, Ummu Rūmān, terwijl ik met mijn vriendinnen op de schommel zat.Ze riep mij en ik wist niet wat zij wilde.Ze pakte mijn hand en bracht me naar de deur van het huis.Ik hijgde zo erg dat ik moest rusten om op adem te komen.Toen nam ze wat water, wreef dat over mijn gezicht en hoofd en bracht me naar binnen.In het huis waren de vrouwen van de Ansār, die zeiden: “Moge het goed en gezegend zijn, en moge het een goed voorteken zijn.”Daarna liet mijn moeder mij bij hen achter.

Zij hielpen mij ook met mijn kleding en uiterlijk. Plotseling verraste Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij ’s ochtends. Op die dag gaf zij (mij) aan hem over, terwijl ik op die dag een meisje van negen jaar was.[In de Musnad van Aḥmad ibn Ḥanbal wordt de volgende aanvulling vermeld:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zat op een laag bankje, omringd door mannen en vrouwen van de Ansār. Zij lieten mij bij hem komen zitten en zeiden:“Deze is betrouwbaar, moge zij gezegend zijn.”

Â’ishah (رضي الله عنها), samen met haar moeder Ummu Rûmān en haar zus Asmâ’, emigreerde naar Makkah nadat Abû Bakr (رضي الله عنه) was geëmigreerd.

Nadat Abû Bakr in Madīnah was aangekomen en zich had gevestigd, stuurde hij, samen met Zayd ibn Ḥarîsah en de slaaf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abû Râfi‘, naar Makkah om hun familieleden op te halen.

De twee dochters van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Fâtimah en Ummu Qulsûm, zijn vrouw Sawdah, en Â’ishah (رضي الله عنها) met haar moeder en zus, werden naar Madīnah overgebracht.

Volgens de meest authentieke overlevering trad Â’ishah (رضي الله عنها) het huis van haar echtgenoot binnen in de achtste maand van de Hijrah, in de maand Shawwâl.] (HY)[Resûlullah (صلى الله عليه وسلم) was vóór de Hijrah verloofd met ʿĀʾishah (رضي الله عنها), en na de Hijrah trad hij met haar in het huwelijk. Er bestaan verschillende overleveringen omtrent haar verlovingsen huwelijksleeftijd. De meeste biografen nemen op basis van deze en soortgelijke overleveringen aan dat zij op 6-jarige leeftijd werd verloofd en op 9-jarige leeftijd huwde.Volgens de biografische (siyar) bronnen bestaat er een leeftijdsverschil van tien jaar tussen ʿĀʾishah en haar zus ʿAsmāʾ. Tijdens de Hijrah was ʿAsmāʾ 28 jaar oud, wat impliceert dat ʿĀʾishah geen kind meer was tijdens de Hijrah. De biografische bronnen vertonen echter ook discrepanties over geboortedata en sterfdata, wat bij andere ṣaḥābah ook voorkomt. Er zijn zelfs tegenstrijdige overleveringen over het jaar en de leeftijd waarop ʿĀʾishah overleed.

Wanneer we rekening houden met de meest geaccepteerde versies die stellen dat zij stierf in het jaar 58 nH op 74 jarig leeftijd, dan zou zij tijdens de Hijrah ongeveer 16 tot 17 jaar oud zijn geweest.Het feit dat ʿĀʾishah zei dat zij een meisje was dat in Makkah speelde toen de 46ste āyah van surah al-Qamar werd geopenbaard (Bukhārī, Faḍāʾil al-Qurʾān, 6), wijst erop dat zij oud genoeg was om de komst van profeetschap en de openbaring van de Qurʾān te begrijpen en te herinneren. Volgens de gangbare opvatting werden deze verzen, die de verschrikkingen van de Dag des Oordeels beschrijven, geopenbaard in het vierde jaar van de profeetschap, toen ʿĀʾishah een onderscheidingsvermogen had. Dit impliceert dat zij, toen zij tien jaar later trouwde, een jong meisje was.Een ander belangrijk bewijs dat ʿĀʾishah bij haar huwelijk een jong meisje was, is de authentieke overlevering dat zij een jaar na haar huwelijk deelnam aan de Slag bij Uhud. Anas b. Mālik (رضي الله عنه) vertelde: “Op de dag van Uhud zag ik de dochter van Abū Bakr, ʿĀʾishah, en mijn moeder Ummu Sulaym. Zij renden terwijl zij hun rokken optrokken, en ik kon de enkelbanden aan hun enkels zien. Op hun rug droegen ze waterzakken en gaven water aan de gewonden. Ze gingen terug om de zakken te vullen en kwamen opnieuw water geven aan de gewonden.” (Bukhārī, Manāqib al-Anṣār, 18)Het is niet aannemelijk dat een klein meisje deelnam aan zo’n zware en gevaarlijke strijd, vooral omdat het bekend is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de toen 13-jarige Ibn ʿUmar niet toestond om mee te vechten in Uhud.

Hij mocht pas jaren later meedoen aan de Slag bij de Greppel (Khandaq) (Bukhārī, Maghāzī, 30). Gezien deze omstandigheden, en gezien dat an-Nabī zijn vrouw toestond om aan de strijd deel te nemen, was ʿĀʾishah geen kind meer op dat moment.Een andere uitleg over dit onderwerp is dat ʿĀʾishah 16 jaar oud was toen zij werd verloofd en 19 jaar oud toen zij trouwde, en dat in de teksten van de ḥadīth in plaats van 16 en 19 respectievelijk 6 en 9 wordt genoemd omdat het verhaal verkort werd verteld. Het is immers een bekende uitdrukking in het Arabisch om getallen zonder het aangeven van honderden of duizenden te gebruiken.De discussies over de leeftijd van ʿĀʾishah bij haar huwelijk zijn van moderne datum en worden op een doelbewuste wijze besproken met de intentie om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te beledigen. In werkelijkheid toont het feit dat de vijanden, die er niet voor zouden terugdeinzen om zelfs de kleinste aanleiding tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te gebruiken, in die tijd het huwelijk van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) niet tot een punt van spot of belediging maakten, dat dit huwelijk niet in strijd was met het sociale de structuur en harmonie van de gemeenschap, de culturele werkelijkheid of de menselijke waardigheid.Toch moeten hierbij twee belangrijke punten in aanmerking worden genomen. Het eerste is het algemene karakter van de overleveringen die ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschrijven of die zij zelf uit de tijd van de ʿAṣr aṣ-Ṣaʿādah (het Tijdperk van de Gelukkige Generatie) heeft overgeleverd waarin zij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verhaalt. Haar interesses, haar vragen, haar commentaren, haar redeneringen, haar bezwaren, haar reacties, haar manier van communiceren met mensen en zelfs haar speelsheid tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tonen duidelijk aan dat zij een jonge vrouw was. Deze houdingen en gedragingen zijn onmogelijk te verwachten van een kind.

Ze behoorden tot een jonge vrouw met een zeer groot bewustzijn, intelligentie en een liefdevol karakter.Het tweede punt is dat men de sunnah en de sirah, dat wil zeggen de woorden, gedragingen en het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als een geheel moet beschouwen. Het is uiterst riskant om met een gefragmenteerde aanpak en op basis van enkele afzonderlijke aḥadīth conclusies te trekken. Dit opent de deur naar oppervlakkige interpretaties die de geest van de sunnah negeren.Wanneer men het leven van an-Nabī in zijn geheel bekijkt, vooral zijn uitzonderlijke houding en woorden ten opzichte van vrouwen en meisjes, wordt duidelijk hoe rechtvaardig, eerlijk, zachtaardig en meelevend hij was. Hij vocht krachtig tegen het gedachtegoed van de jāhiliyyah dat meisjes het recht op leven ontzegde. En het is onmogelijk dat hij toe zal staan dat zij worden misbruikt, gekwetst of dat hun rechten worden geschonden en zij aan ongerechtvaardigde behandeling worden onderworpen.Volgens de Islām, die geïnspireerd is door zijn voorbeeld, is het uitgesloten dat een meisje of jongen wordt uitgehuwdigd voordat hij of zij de lichamelijke en geestelijke volwassenheid heeft bereikt en het begrip en de verantwoordelijkheid van het huwelijk kan dragen, dat wil zeggen de volwassen leeftijd. ] (Diyanet)Het vraagstuk van de mahr: het toestaan van het geven van de mahr in verschillende vormen of bedragen, zoals:het onderwijzen van de Qur’ān, een ijzeren ring, of andere zaken, ongeacht of het meer of minder is. Voor iemand die geen financiële problemen zal ondervinden, wordt het aanbevolen beschouwd om een mahr van 500 dirham te geven

الصداق وجواز كونه تعليم قرآن وخاتم حديد وغير ذلك من قليل وكثير واستحباب كونه خمسمائة درهم لمن لا يجحف به٨٩٨ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ أَنَّ امْرَأَةً جَاءَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ جِئْتُ لأَهَبَ لَكَ نَفْسِي، فَنَظَرَ إِلَيْهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَصَعَّدَ النَّظَرَ إِلَيْهَا وَصَوَّبَهُ، ثُمَّ طَأْطَأَ رَأْسَهُ؛ فَلَمَّا رَأَتِ الْمَرْأَةُ أَنَّهُ لَمْ يَقْضِ فِيهَا شَيْئًا جَلَسَتْ فَقَامَ رَجُلٌ مِنْ أَصْحَابِهِ؛ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنْ لَمْ يَكُنْ لَكَ بِهَا حَاجَةٌ فَزَوِّجْنِيهَا فَقَالَ: هَلْ عِنْدَكَ مِنْ شَيْءٍ فَقَالَ: لاَ، وَاللهِ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: اذْهَبْ إِلَى أَهْلِكَ فَانْظُرْ هَلْ تَجِدُ شَيْئًا فَذَهَبَ ثُمَّ رَجَعَ؛ فَقَالَ؛ لاَ، وَاللهِ يَا رَسُولَ اللهِ، مَا وَجَدْتُ شَيْئًا قَالَ: انْظُرْ وَلَوْ خَاتَمًا مِنْ حَدِيدٍ فَذَهَبَ ثُمَّ رَجَعَ فَقَالَ: لاَ، وَاللهِ يَا رَسُولَ اللهِ، وَلاَ خَاتَمًا مِنْ حَدِيدٍ، وَلكِنْ هذَا إِزَارِي (قَالَ سَهْلٌ مَالَهُ رِدَاءٌ) فَلَهَا نِصْفُهُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا تَصْنَعُ بِإِزَارِكَ إِنْ لَبِسْتَهُ لَمْ يَكُنْ عَلَيْهَا مِنْهُ شَيْءٌ، وَإِنْ لَبِسَتْهُ لَمْ يَكُنْ عَلَيْكَ شَيْءٌ فَجَلَسَ الرَّجُلُ حَتَّى طَالَ مَجْلِسُهُ ثُمَّ قَامَ، فَرَآهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ مُوَلِّيًا فَأَمَرَ بِهِ فَدُعِيَ، فَلَمَّا جَاءَ، قَالَ: مَاذَا مَعَكَ مِنَ الْقُرْآنِ قَالَ: مَعِي سُورَةُ كَذَا وَسُورَةُ كَذَا وَسُورَة كَذَا؛ عَدَّهَا، قَالَ:

أَتَقْرَؤُهُنَّ عَنْ ظَهْرِ قَلْبِكَ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: اذْهَبْ فَقَدْ مَلَّكْتُكَهَا بِمَا مَعَكَ مِنَ الْقُرْآنِ

898 - Van Sahl ibn Sa‘d as-Sâ‘idî (رضي الله عنه):Er kwam een vrouw naar Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, ik ben gekomen om mijzelf aan u te wijden/uit te huwelijken.”Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) keek haar aandachtig aan, van top tot teen, en boog vervolgens zijn hoofd naar beneden. Toen de vrouw zag dat hij niet meteen oordeel over haar uitsprak, ging ze zitten.Een man uit zijn metgezellen stond op en zei: “O Rasûlullāh, als u niets met haar van plan bent, laat mij haar huwen.”Rasûlullāh vroeg: “Heb je iets bij je om haar als bruidsschat (mahr) te geven?”De man antwoordde: “Nee, bij Allāh, o Rasûlullāh.”Rasûlullāh zei: “Ga naar je familie en kijk of je iets kunt vinden.”Hij ging weg en kwam terug en zei: “Nee, bij Allāh, o Rasûlullāh, ik heb niets gevonden.” Rasûlullāh zei: “(Ga nogmaals) kijk, al is het maar een ijzeren ring (als bruidsschat).”Hij ging weer weg en kwam terug en zei: “Nee, bij Allāh, o Rasûlullāh, ik heb zelfs geen ijzeren ring, maar dit is mijn lendendoek (izār).”Sahl zei: “Hij had er geen bovenkleed (ridā’) overheen. De helft van die lendendoek was voor haar.Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat gaat ze met je lendendoek doen? Als jij het draagt, heeft zij niets om te dragen, en als zij het draagt, heb jij niets om te dragen.”De man bleef lang zitten. Toen stond hij op (om weg te gaan).

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zag dat hij zich omdraaide en gaf opdracht hem terug roepen.Toen hij kwam, vroeg Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wat heb je (in je geheugen) uit de Qur’ān?”Hij antwoordde: “In (mijn geheugen zijn) sûrah zus-en-zo, sûrah zus-en-zo, en sûrah zus-en-zo.”Hij noemde (de surahs) op.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Reciteer je ze uit je hoofd?”Hij zei: “Ja.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Ga heen, ik laat je (met deze vrouw) huwen op basis van de Qur’ān die je (uit je geheugen) hebt.”

[De ‘mahr’ is een materiële zekerheid die een man aan een vrouw geeft bij het aangaan van het huwelijk. Het is tegelijk een symbool van zijn liefde en trouw. De hoogte van de mahr wordt aangepast aan de economische situatie van de bruid en bruidegom en de lokale omstandigheden. Het is een recht van de vrouw dat zowel in de Qurʾān als in de sunnah is vastgesteld.

Daarom mag het niet worden verward of gelijkgesteld met praktijken die in strijd zijn met de Islām , zoals het betalen van een bruidsschat aan de familie.Het is onrechtvaardig en ḥarām om de mahr, die onder het eigendom van de vrouw valt, in beslag te nemen of er zonder haar toestemming over te beschikken. In deze ḥadīth toont Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gewoonte om streng te zijn over het vragen naar mahr, maar toen een ṣaḥābī die wilde trouwen het bedrag niet kon opbrengen, vroeg hij hem een geestelijke zekerheidsverklaring te geven aan de vrouw die hij zou huwen. Het geloven in de Qurʾān en het gedeeltelijk uit het hoofd kennen ervan wordt als een symbolische garantie gezien van iemands goede karakter en zijn vastberadenheid om een deugdzame en goede echtgenoot te zijn. ] (Diyanet)

[Mahr is het bedrag dat tijdens het huwelijk aan de vrouw wordt gegeven. Volgens de Islām is mahr een gift van de bruidegom aan de bruid, en symboliseert het zijn belangstelling en waardering van de man voor de vrouw. De mahr is verplicht voor de man, niet voor de vrouw. Het is niet als prijs of vergoeding voor hethuwelijk of het genieten van haar, maar een symbolisch teken van de intentie om een leven lang samen te leven. Het wordt als een geschenk gegeven.Een hadith geeft aan dat de mahr van an-Nabi (صلى الله عليه وسلم)s vrouwen 500 dirham zilver bedroeg. Omdat de meeste moeders van de gelovigen zo’n mahr hadden, en slechts enkelen daarvan afweken, wordt dit als een richtlijn gezien.

Bijvoorbeeld, de mahr van Ummu Habîbah bint Abî Sufyân (رضي الله عنها) bedroeg 4000 dirham, betaald door de koning van Abessinië, Najashî, als gift. Dit is bevestigd in de hadith van Ummu Habîbe (رضي الله عنها).De mahr van Safiyyah bint Huyey b. Ahtab (رضي الله عنها) werd gegeven in het kader van haar bevrijding uit slavernij. Ook Juwayriyah bint al-Hâris (رضي الله عنها) was een slavin van Sâbit b. Qays (رضي الله عنه). Voor haar vrijheid moest een bepaald bedrag in geld of goederen worden betaald. Toen zij zich tot an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) wendde, betaalde hij het benodigde bedrag en werd het huwelijk voltrokken. Zo verkreeg Juwayriyah (رضي الله عنها) de eer om tot de familie van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) te behoren.Volgens Abu Hanîfah en Imām Mālik is het minimum mahr 10 dirham. Terwijl anderen 20, 40 of 50 dirham als minimum beschouwen. Deze verschillen zijn ontstaan door de uiteenlopende praktijken en interpretaties van de woorden en handelingen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de tijd van de ṣaḥābah en de tábī‘ūn.] (HA)

٨٩٩ - حديث أَنَسٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، رَأَى عَلَى عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ أَثَرَ صُفْرَةٍ قَالَ: مَا هذَا قَالَ: إِنِّي تَزَوَّجْتُ امْرَأَةً عَلَى وَزْنِ نَوَاةٍ مِنْ ذَهَبٍ، قَالَ: بَارَكَ اللهُ لَكَ، أَوْلِمْ وَلَوْ بِشَاةٍ899 - Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag `Abdurrahmān ibn Awf met heerlijke geuren en sierlijke kleding en zei: “Wat is dit?”Hij zei: “Ik ben met een vrouw getrouwd tegen de waarde van een goudstuk (van ongeveer 15 gram) (als bruidsschat).”Hij zei: “Moge Allāh het voor je zegenen, geef een walimah (huwelijksmaal), ook al is het met een schaap.”

De deugd van het vrijlaten van zijn slavin en daarna met haar huwen

فضيلة إِعتاقه أمته ثم يتزوجها

٩٠٠ - حديث أَنَسٍ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، غَزَا خَيْبَرَ، فَصَلَّيْنَا عِنْدَهَا صَلاَةَ الْغَدَاةِ بِغَلَسٍ، فَرَكِبَ نَبِيُّ اللهِ ﷺ، وَرَكِبَ أَبُو طَلْحَةَ، وَأَنَا رَدِيفُ أَبِي طَلْحَةَ، فَأَجْرَى نَبِيُّ اللهِ ﷺ فِي زُقَاقٍ خَيْبَرَ، وَأَنَّ رُكْبَتِي لَتَمَسُّ فَخِذَ نَبِيِّ اللهِ ﷺ، ثُمَّ حَسَرَ الإِزَارَ عَنْ فَخِذِهِ حَتَّى إِنِّي أَنْظُرُ إِلَى بَيَاضِ فَخِذِ نَبِيِّ اللهِ ﷺ، فَلَمَّا دَخَلَ الْقَرْيَةَ قَالَ: اللهُ أَكْبَرُ خَرِبَتْ خَيْبَرُ، إِنَّا إِذَا نَزَلْنَا بِسَاحَةِ قَوْمٍ فَسَاءَ صَبَاحُ الْمُنْذَرِينَ قَالَهَا ثَلاَثًا قَالَ: وَخَرَجَ الْقَوْمُ إِلَى أَعْمَالِهِمْ، فَقَالُوا: مُحَمَّدٌ وَالْخَمِيسُ (يَعْنِي الْجَيْش) قَالَ: فَأَصَبْنَاهَا عَنْوَةً، فَجُمِعَ السَّبْىُ، فَجَاءَ دِحْيَةُ، فَقَالَ: يَا نَبِيَّ اللهِ أَعْطِنِي جَارِيَةً مِنَ السَّبْىِ، قَالَ: اذْهَبْ فَخُذْ جَارِيَةً فَأَخَذَ صَفِيَّةَ بِنْتَ حُيَيٍّ فَجَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: يَا نَبِيَّ اللهِ أَعْطَيْتَ دِحْيَةَ صَفِيَّةَ بِنْتَ حُيَيٍّ، سَيِّدَةَ قُرَيْظَةَ وَالنَّضِيرِ لاَ تَصْلُحُ إِلاَّ لَكَ قَالَ: ادْعُوهُ بِهَا فَجَاءَ بِهَا؛ فَلَمَّا نَظَرَ إِلَيْهَا النَّبِيُّ ﷺ، قَالَ: خُذْ جَارِيَةً مِنَ السَّبْىِ غَيْرَهَا قَالَ: فَأَعْتَقَهَا النَّبِيُّ ﷺ وَتَزَوَّجَهَا

900 - Van Anas (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trok (met zijn leger) naar Khaybar.

Wij verrichtten daar (d.w.z. nabij Khaybar) de ṣalāh al-ghadāh (ṣalāt al-fajr) nog in het donker.Vervolgens besteeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn rijdier, en ook Abū Ṭalḥah besteeg zijn rijdier waarbij ik achterop bij Abū Ṭalḥah zat.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reed snel door een van de steegjes van Khaybar, en mijn knie raakte de dij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Hij schoof zijn izār (omslagdoek) van zijn dij weg, zodat het wit van zijn dij zichtbaar werd.Toen hij het dorp binnenging, zei hij drie keer: “Allāhu akbar! Khaybar is vernietigd! Wanneer wij neerdalen op het erf van een volk, dan is het een slecht ochtend voor wie gewaarschuwd is.”De bewoners gingen naar buiten voor hun werkzaamheden, en zeiden: “Muḥammad en het leger (Hij is hier met zijn leger)!”We namen Khaybar toen met geweld en de buit werd verzameld. Toen kwam Dihyah en zei: “O NabieAllah, geef mij een slavin uit de buit.”Hij zei: “Ga en neem een slavin.”Hij nam toen Ṣafiyyah bint Ḥuyayy (als oorlogsbuit). (Kort daarna) kwam een man naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O NabieAllah, u hebt Ṣafiyyah bint Ḥuyayy aan Dihyah gegeven, maar zij is een de vrouw van adel uit de stam Qurayẓah en Banū Naḍīr. (Zij was de dochter van Ḥuyay Ibn Akhtāb de leider van de joodse stam Banū an-Naḍīr in Madīnah). Zij past alleen bij u.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval: “Roep hem met haar terug.”Toen zij werd gebracht, zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar en zei hij tegen Dihyah: “Neem een andere slavin uit de buit.”Daarop heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haar vrijgelaten en met haar gehuwd.(Thābit vroeg toen aan Anas): “O Abā Ḥamzah, wat was haar mahr?”Hij antwoordde: “Zijzelf: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft haar vrijgelaten en haar gehuwd.”Onderweg bereidde Umm Sulaym haar voor op het huwelijk. ’s Nachts werd zij aan hem gegeven en in de ochtend was an-Nabî (صلى الله عليه وسلم) de bruidegom geworden. Hij zei toen: “Wie iets (aan voedsel) heeft, laat hem dat brengen.”Er werd een kleed uitgespreid, en de mensen kwamen met dadels, anderen met gesmolten vet, en volgens mij zei hij ook sawīq (geroosterd graanmeel).Alles werd gemengd tot een ḥays, dat het huwelijksmaal (walīmah) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vormde.

[Safiyah bint Huyayy was een vrouw met een hoge sociale status binnen de stammen van Qurayẓah en Banū Naḍīr. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trouwde met haar nadat ze was vrijgekocht en tot de Islām was overgegaan, om zijn invloed op de leden van beide stammen te vergroten.]

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stelde Ṣafiyya (رضي الله عنها) voor dat hij met haar zou trouwen op voorwaarde als zij de Islām zou aanvaarden, en dat hij haar anders zou vrijlaten en terugsturen naar haar familie. Nadat Ṣafiyya de Islām accepteerde, bevrijdde an-Nabî (صلى الله عليه وسلم) haar en trad hij met haar in het huwelijk. Uit de opbrengsten van Khaybar reserveerde hij voor haar een aandeel dat gelijk was aan dat van zijn andere vrouwen.] (Diyanet)

٩٠١ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ كَانَتْ لَهُ جَارِيَةٌ فَعَالَهَا فَأَحْسَنَ إِلَيْهَا، ثَمَّ أَعْتَقَهَا، وَتَزَوَّجَهَا، كَانَ لَهُ أَجْرَانِ901 – Van Abû Musa (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een slavin bezit, haar onderwijst en goed voor haar zorgt, vervolgens haar vrijlaat en met haar trouwt, zal daarvoor twee beloningen ontvangen.”

Het huwelijk van Zaynab bint Jahsh, de openbaring van de bedekking (hijāb) vers en het aanbieden van het bruiloftsmaaltijd (walīmah)

زواج زينب بنت جحش ونزول الحجاب وإِثبات وليمة العرس

٩٠٢ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: ما أَوْلَمَ النَّبِيُّ ﷺ، عَلَى شَيْءٍ مِنْ نِسَائِهِ مَا أَوْلَمَ عَلَى زَيْنَبَ، أَوْلَمَ بِشَاةٍ

902 - Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hield voor geen van zijn vrouwen een huwelijksmaal (walīmah) zoals hij dat voor Zaynab deed; voor haar hield hij een walīmah waarbij een slaap (werd egslacht).

٩٠٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا تَزَوَّجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ زَيْنَبَ ابْنَةَ جَحْشٍ، دَعَا الْقَوْمَ فَطَعِمُوا، ثُمَّ جَلَسُوا يَتَحَدَّثُونَ، وَإِذَا هُوَ كَأَنَّهُ يَتَهَيَّأُ لِلْقِيَامِ، فَلَمْ يَقُومُوا، فَلَمَّا رَأَى ذَلِكَ قَامَ؛ فَلَمَّا قَامَ، قَامَ مَنْ قَامَ، وَقَعَدَ ثَلاَثَةُ نَفَرٍ، فَجَاءَ النَّبِيُّ ﷺ، لِيَدْخُلَ، فَإِذَا الْقَوْمُ جُلُوسٌ؛ ثُمَّ إِنَّهُمْ قَامُوا، فَانْطَلَقْتُ فَجِئْتُ فَأَخْبَرْتُ النَّبِيَّ ﷺ أَنَّهُمْ قَدِ انْطَلَقُوا؛ فَجَاءَ حَتَّى دَخَلَ، فَذَهَبْتُ أَدْخُلُ، فَأَلْقَى الْحِجَابَ بَيْنِى وَبَيْنَهُ؛ فَأَنْزَلَ اللهُ (يأَيُّهَا الَّذِينَءَامَنُوا لاَ تَدْخُلُوا بُيُوتَ النَّبِيِّ) الآية903 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Toen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) met Zaynab bint Jahsh trouwde, nodigde hij de mensen uit (voor de walīmah). Zij aten samen en bleven daarna nog zitten praten.

Toen hij zich gereedmaakte om op te staan zodat zij konden vertrekken, merkte hij dat zij nog steeds zaten, en hij stond daarop op.Kort daarna stonden de meeste mensen op maar drie mensen bleven alsnog zitten. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde toen bij (Zaynab) binnen gaan, maar zij (de overgebleven gasten ) zaten nog steeds. Toen stonden ze ook op. Ik ging snel en kwam terug om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te vertellen dat zij waren vertrokken. Hij kwam om het huis binnen te gaan. Ik ging achter hem aan om ook binnen te gaan. Maar hij plaatste een afscheiding tussen mij en zichzelf.

Toen werd de āyah (van de Qur’ān) geopenbaard:“ يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَدۡخُلُواْ بُيُوتَ ٱلنَّبِيِّ إِلَّآ أَن يُؤۡذَنَ لَكُمۡ ٥٣

O jullie die geloven!

Ga de huizen van an-Nabī niet binnen, behalve als jullie toestemming is gegeven … (sûrah al Ahzab 33:53)٩٠٤ - حديث أَنَسٍ قَالَ: أَنَا أَعْلَمُ النَّاسِ بِالْحِجَابِ؛ كَانَ أُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ يَسْأَلُنِي عَنْهُ؛ أَصْبَحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَرُوسًا بِزَيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ، وَكَانَ تَزَوَّجَهَا بِالمَدِينَةِ، فَدَعَا النَّاسَ لِلطَّعَامِ بَعْدَ ارْتِفَاعِ النَّهَارِ، فَجَلَسَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَجَلَسَ مَعَهُ رِجَالٌ، بَعْدَ مَا قَامَ الْقَوْمُ، حَتَّى قَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَمَشى وَمَشَيْتُ مَعَهُ، حَتَّى بَلَغَ بَابَ حُجْرَةِ عَائِشَةَ، ثُمَّ ظَنَّ أَنَّهُمْ خَرَجُوا، فَرَجَعْتُ مَعَهُ فَإِذَا هُمْ جُلُوسٌ مَكَانَهُمْ؛ فَرَجَعَ وَرَجَعْتُ مَعَهُ الثَّانِيَةَ حَتَّى بَلَغَ بَابَ حُجْرَةِ عَائِشَةَ؛ فَرَجَعَ وَرَجَعْتُ مَعَهُ، فَإِذَا هُمْ قَدْ قَامُوا؛ فَضَرَبَ بَيْنِي وَبَيْنَهُ سِتْرًا، وَأُنْزِلَ الْحِجَابُ904 - Van Anas (رضي الله عنه):Ik ben degene die het beste weet over het bevel tot de bedekking (ḥijāb). Ubayy ibn Kā‘b vroeg mij hierover.

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) huwde Zaynab bint Jahsh. Hij gaf het bruiloftsmaaltijd (walīmah) in Madīnah en nodigde de mensen uit na het vallen van de nacht.

Nadat het eten was benuttigd bleef Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) samen met enkele mannen zitten, terwijl de rest van de mensen waren opgestaan.Toen stond Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) op en liep weg; ik liep met hem mee tot aan de deur van de kamer van ʿĀishah.Hij dacht toen dat ze waren vertrokken.

Toen we terugkeerden zagen we dat ze nog steeds op hun plaats zaten.We liepen opnieuw naar de deur van `Aishah’s kamer, keerden terug en toen waren ze eindelijk opgestaan. Toen plaatste hij een gordijn tussen mij en hem, en toen werd de (ḥidjāb) āyah geopenbaard.

٩٠٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، إِذَا مَرَّ بِجَنَبَاتِ أُمِّ سُلَيْمٍ، دَخَلَ عَلَيْهَا فَسَلَّمَ عَلَيْهَا ثُمَّ قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، عَرُوسًا بِزَيْنَبَ، فَقَالَتْ لِي أُمُّ سُلَيْمٍ: لَوْ أَهْدَيْنَا لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، هَدِيَّةً فَقُلْتُ لَهَا: افْعَلِي فَعَمَدَتْ إِلَى تَمْرٍ وَسَمْنٍ وَأَقِطٍ، فَاتَّخَذَتْ حَيْسَةً فِي بُرْمَةٍ، فَأَرْسَلَتْ بِهَا مَعِي إِلَيْهِ؛ فَانْطَلَقْتُ بِهَا إِلَيْهِ فَقَالَ لِي: ضَعْهَا ثُمَّ أَمَرَنِي، فَقَالَ: ادْعُ لِي رِجَالًا سَمَّاهُمْ وَادْعُ لِي مَنْ لَقِيتَ قَالَ: فَفَعَلْتُ الَّذِي أَمَرَنِي، فَرَجَعْتُ فَإِذَا الْبَيْتُ غَاصٌّ بِأَهْلِهِ فَرَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ وَضَعَ يَدَيْهِ عَلَى تِلْكَ الْحَيْسَةِ، وَتَكَلَّمَ بِهَا مَا شَاءَ اللهُ، ثُمَّ جَعَلَ يَدْعُو عَشَرَةً عَشَرَةً يَأْكُلُونَ مِنْهُ، وَيَقُولُ لَهُمُ: اذْكُرُوا اسْمَ اللهِ، وَلْيَأْكُلْ كُلُّ رَجُلٍ مِمَّا يَلِيهِ قَالَ: حَتَّى تَصَدَّعُوا كُلُّهُمْ عَنْهَا فَخَرَجَ مِنْهُمْ مَنْ خَرَجَ، وَبَقِيَ نَفَرٌ يَتَحَدَّثُونَ قَالَ: وَجَعَلْتُ أَغْتَمُّ ثُمَّ خَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ نَحْوَ الْحُجُرَاتِ، وَخَرَجْتُ فِي إِثْرِهِ، فَقُلْت: إِنَّهُمْ قَدْ ذَهَبُوا؛ فَرَجَعَ فَدَخَلَ الْبَيْتَ، وَأَرْخَى السِّتْرَ، وَإِنِّي لَفِي الْحُجْرَةِ وَهُوَ يَقُولُ: (يأَيُّهَا الَّذِينَءَامَنُوا لاَ تَدْخُلُوا بُيُوتَ النَّبِيِّ إِلاَّ أَنْ يُؤْذَنَ لَكُمْ إِلَى طَعَامٍ غَيْرَ نَاظِرِينَ إِنَاهُ وَلكِنْ

إِذَا دُعِيتمْ فَادْخُلُوا فَإِذَا طَعِمْتُمْ فَانْتَشِرُوا وَلاَ مُسْتَأْنِسِينَ لِحَدِيثٍ إِنَّ ذلِكُمْ كَانَ يُؤْذِي النَّبِيَّ فَيَسْتَحْيِ مِنْكُمْ وَاللهُ لاَ يَسْتَحْيِ مِنَ الْحَقِّ)

قَالَ أَنَسٌ: إِنَّهُ خَدَمَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَشْرَ سِنِينَ

905 – Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه): Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) langs het huis van (mijn moeder) Ummu Sulaym kwam, dan trad hij bij haar binnen en begroette haar met de salām. Daarna zei hij: An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was destijds pas getrouwd met Zaynab (bintu Jahsh al-Asadiyyah). Ummu Sulaym zei tegen mij: “Als wij eens een geschenk gaven aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”Ik zei: “Doe dat.”Daarop bereidde mijn moeder een maaltijd van dadels, ghee en uitgelekte kaas, en maakte hiervan een gerecht genaamd hayṣ in een stenen pot. Vervolgens stuurde zij mij met het gerecht naar hem toe. Ik bracht dit gerecht naar hem en hij zei tegen mij: “Leg het daar neer.”Daarna gaf hij mij de opdracht:”Roep de mannen, die ik noem, en ook degenen die je onderweg tegenkomt.”Ik deed wat hij mij opdroeg en toen ik terugkeerde, zag ik dat het huis volledig gevuld was met mensen.Ik zag dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn handen op dat ḥays gerecht legde en hij sprak ermee wat Allāh wilde (verrichtte du`ā’). Daarna riep hij de mensen in groepjes van tien op om van de ḥays te eten en zei tegen hen: “Zeg in de naam van Allāh (Bismillah) en laat ieder persoon eten van wat voor hem ligt.”Iedereen at totdat het gerecht (ḥays) op was. Sommigen verlieten daarna het huis, terwijl enkelen bleven praten. Ik voelde mij ongemakkelijk dat ze niet vertrokken. Toen stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op en liep naar de kamers (van zijn vrouwen), en ik volgde hem. Ik zei (tegen hem): “Zij zijn (nu) weggegaan.” Toen keerde hij terug, ging weer het huis binnen en liet het gordijn zakken.

Ik bevond mij nog in de kamer en hoorde hem het volgende reciteren: يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَدۡخُلُواْ بُيُوتَ ٱلنَّبِيِّ إِلَّآ أَن يُؤۡذَنَ لَكُمۡ إِلَىٰ طَعَامٍ غَيۡرَ نَٰظِرِينَ إِنَىٰهُ وَلَٰكِنۡ إِذَا دُعِيتُمۡ فَٱدۡخُلُواْ فَإِذَا طَعِمۡتُمۡ فَٱنتَشِرُواْ وَلَا مُسۡتَـٔۡنِسِينَ لِحَدِيثٍۚ إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ يُؤۡذِي ٱلنَّبِيَّ فَيَسۡتَحۡيِۦ مِنكُمۡۖ وَٱللَّهُ لَا يَسۡتَحۡيِۦ مِنَ ٱلۡحَقِّۚ وَإِذَا سَأَلۡتُمُوهُنَّ مَتَٰعٗا فَسۡـَٔلُوهُنَّ مِن وَرَآءِ حِجَابٖۚ ذَٰلِكُمۡ أَطۡهَرُ لِقُلُوبِكُمۡ وَقُلُوبِهِنَّۚ وَمَا كَانَ لَكُمۡ أَن تُؤۡذُواْ رَسُولَ ٱللَّهِ وَلَآ أَن تَنكِحُوٓاْ أَزۡوَٰجَهُۥ مِنۢ بَعۡدِهِۦٓ أَبَدًاۚ إِنَّ ذَٰلِكُمۡ كَانَ عِندَ ٱللَّهِ عَظِيمًا ٥٣

O jullie die geloven!

Ga de huizen van an-Nabī niet binnen, behalve als jullie toestemming is gegeven voor een maaltijd (en dan) niet (zo vroeg dat) jullie wachten op de bereiding daarvan. Maar als jullie zijn uitgenodigd, ga dan naar binnen, en als jullie de maaltijd gebruikt hebben, vertrek dan en blijf niet praten. Waarlijk, dat is lastig voor an-Nabī en hij wordt door jullie in verlegenheid gebracht. Maar Allāh is niet verlegen om jullie de Waarheid (te vertellen). En als jullie (zijn vrouwen) om iets vragen, vraag dan achter een afscheiding, dat is zuiverder voor jullie harten en voor hun harten.

En jullie mogen de Boodschapper van Allāh niet kwetsen en jullie mogen nooit na hem zijn vrouwen huwen. Waarlijk! Dat is een grote zonde in het aangezicht van Allāh. (sûrah Ahzaab 33/53)Anas zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tien jaar gediend.”

Gebod om een uitnodiging aan te nemen

لأمر بإِجابة الداعي إِلى دعوة

٩٠٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا دُعِي أَحَدُكُمْ إِلَى الْوَلِيمَةِ فَلْيَأْتِهَا

906 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een van jullie wordt uitgenodigd voor een bruiloftsmaaltijd (walimah), laat hij die dan bijwonen.”

٩٠٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ كَانَ يَقُولُ: شَرُّ الطَّعَامِ طَعَامُ الْوَلِيمَةِ، يُدْعَى لَهَا الأَغْنِيَاءُ وَيُتْرَكُ الْفُقَرَاءُ، وَمَنْ تَرَكَ الدَّعْوَةَ فَقَدْ عَصَى اللهَ وَرَسُولَهُ ﷺ907 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Het slechtste voedsel is het voedsel van een bruiloftsmaaltijd (walimah) waarbij de rijken worden uitgenodigd, terwijl de armen worden buitengesloten. En wie de uitnodiging nalaat, is Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) ongehoorzaam.”

Een vrouw die door drie keer ṭalāq (at-talāqu al-ba`in) gescheiden is, is niet toegestaan voor haar eerste echtgenoot te huwen tenzij zij met een andere man trouwt, hij seksuele gemeenschap met haar heeft, daarna van haar scheidt en haar ‘iddah-periode volledig voltooit

لا تحل المطلقة ثلاثا لمطلقها حتى تنكح زوجا غيره ويطأها ثم يفارقها وتنقضى عدتها

٩٠٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: جَاءَتِ امْرَأَةُ رِفَاعَةَ الْقُرَظِيِّ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَتْ: كُنْتُ عِنْدَ رِفَاعَةَ فَطَلَّقَنِي، فَأَبَتَّ طَلاَقِي، فَتَزَوَّجْتُ عَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ الزَّبِيرِ، إِنَّمَا مَعَهُ مِثْلُ هُدْبَةِ الثَّوْبِ، فَقَالَ: أَتُرِيدِينَ أَنْ تَرْجِعِي إِلَى رِفَاعَةَ لاَ، حَتَّى تَذُوقِي عُسَيْلَتَهُ وَيَذُوقَ عُسَيْلَتَكِ وَأَبُو بَكْرِ جَالِسٌ عِنْدَهُ، وَخَالِدُ بْنُ سَعِيدِ بْنِ الْعَاصِ بِالْبَابِ يَنْتَظِرُ أَنْ يُؤذَنَ لَهُ فَقَالَ: يَا أَبَا بَكَرٍ أَلاَ تَسْمَعُ إِلَى هذِهِ، مَا تَجْهَرُ بِهِ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ

908 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):De vrouw van Rifā‘ah al-Quradhī kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ik was getrouwd met Rifā‘ah en hij heeft mij drie keer gescheiden (at-talāqu al-ba`in). Daarna trouwde ik met Abdurrahmān ibn az-Zubayr, Maar (het mannelijk geslachtsdeel van Abdurrahmān was) slechts zo slap als de zoom van een kledingstuk.”Hij vroeg haar: “Wil je terugkeren naar Rifā‘ah? Nee (dat is niet mogelijk), (je kunt niet opnieuw trouwen met je eerste echtgenoot), tenzij je tweede echtgenoot (Abdurrahmān) van jouw honingvat heeft geproefd en jij van de zijne (dat wil zeggen: tenzij er daadwerkelijk geslachtsgemeenschap tussen jullie heeft plaatsgevonden).”Abû Bakr zat bij hen, en Khālid ibn Sa’īd ibn al-`Aas wachtte bij de deur om toestemming te krijgen om binnen te komen.

Khālid zei tegen Abû Bakr: “O Abû Bakr, hoor je niet wat zij zegt? Wat zij hardop zegt bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”

[Huwelijk en scheiding zijn serieuze zaken. Daarom zijn er strikte regels opgesteld om misbruik of lichtvaardig handelen te voorkomen. Eén daarvan is nadat een man zijn vrouw drie keer heeft gescheiden, niet automatisch bij haar terugkeren. Zij moet eerst met een andere man trouwen, daadwerkelijk met hem samenwoont en daarna door die tweede echtgenoot gescheiden worden. Pas daarna mag ze weer met haar eerste echtgenoot trouwen. Deze strenge bepaling is bedoeld om scheiding niet lichtvaardig te maken en ervoor te zorgen dat men goed nadenkt voordat men tot een scheiding overgaat.Allāh zegt:فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا تَحِلُّ لَهُۥ مِنۢ بَعۡدُ حَتَّىٰ تَنكِحَ زَوۡجًا غَيۡرَهُۥۗ فَإِن طَلَّقَهَا فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِمَآ أَن يَتَرَاجَعَآ إِن ظَنَّآ أَن يُقِيمَا حُدُودَ ٱللَّهِۗ وَتِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِ يُبَيِّنُهَا لِقَوۡمٖ يَعۡلَمُونَ ٢٣٠

En als hij van haar gescheiden is, is zij niet meer wettig voor hem, tot zij met een andere man gehuwd is geweest. Als dan de andere man van haar gescheiden is, is het geen zonde voor hen beiden als zij zich verenigen, mits zij voelen dat zij zich kunnen houden aan de grenzen die Allāh gesteld heeft. Dit zijn de grenzen van Allāh, die Hij duidelijk maakt voor de mensen die kennis hebben. (sûrah Al-Baqarah, 2:230)

In een andere overlevering van deze ḥadīth (Bukhārī, Talaq: 6) staat dat de vrouw met haar tweede echtgenoot het huwelijksbed betrad: haar man heeft één keer gemeenschap met haar, maar er vond geen volledige geslachtsgemeenschap plaats.

Volgens deze ḥadīth kan de vrouw alleen terugkeren naar haar eerste echtgenoot als er een volledig huwelijk met volledige gemeenschap heeft plaatsgevonden en daarna een scheiding.] (AFK)

[Khālid, die buiten de deur stond, hoorde hoe de vrouw binnen bij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) openlijk sprak over mannelijke geslachtsdeel. Hij vond haar woorden ongepast en sprak hierover met Abû Bakr. Khālid had deze woorden gehoord terwijl hij buiten stond en de ruimte afgeschermd was met een gordijn. Hij sprak met Abû Bakr en vertrouwde erop dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) die deze woorden eveneens had gehoord terwijl hij buiten was, haar niet had afgewezen.] (HY)

[In de jāhiliyyah-periode hadden mannen onbeperkt recht op echtscheiding en lieten zij hun vrouwen soms jarenlang in onzekerheid, wat leidde tot ernstige schendingen van de rechten van de vrouwen. De Islām stelde hier duidelijke grenzen aan door het aantal scheidingen te beperken en regels voor de wachttijd (‘iddah) vast te leggen, waardoor echtscheiding op een rechtvaardige en redelijke manier plaatsvond.Volgens de islamitische wetgeving kan een vrouw die driemaal definitief is gescheiden (ṭalāq) pas opnieuw trouwen met dezelfde man nadat zij eerst de ‘iddah heeft doorlopen, vervolgens een geldig huwelijk met een andere man is aangegaan dat is beëindigd door overlijden of scheiding, en zij opnieuw de ‘iddah heeft doorlopen. Deze regeling benadrukt de ernst van het huwelijk en de echtscheiding en is bedoeld om misbruik te voorkomen.Het is belangrijk dat deze praktijk realistisch wordt toegepast en niet leidt tot valselijke huwelijken (ḥilla), want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde dat degene die ḥilla toepast, evenals de man voor wie ḥilla wordt toegepast, door Allāh vervloekt zal worden (Abū Dāwūd, Nikāḥ, 15).] (Diyanet)

٩٠٩ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَجُلًا طَلَّقَ امْرَأَتَهُ ثَلاَثًا، فَتَزَوَّجَتْ، فَطَلَّقَ؛ فَسُئِلَ النَّبِيُّ ﷺ، أَتَحِلُّ لِلأَوَّلِ قَالَ: لاَ، حَتَّى يَذُوقَ عُسَيْلَتَهَا كَمَا ذَاقَ الأَوَّلُ909 - Van ʿĀishah رضي الله عنها:Een man had zijn vrouw driemaal gescheiden (ṭalāq ba‘īn). Daarna trouwde zij met een andere man en werd ook van hem gescheiden. Men vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) of het voor de eerste man toegestaan was haar opnieuw te huwen.Hij antwoordde: “Nee, totdat hij (de tweede echtgenoot) haar ‘honingvat’ heeft geproefd (dat wil zeggen: totdat er daadwerkelijk intieme gemeenschap heeft plaatsgevonden), zoals de eerste man dat had ervaren.

Duʿāʾ die wordt uitgesproken tijdens de gemeenschap (jimāʿ)

ما يستحب أن يقوله عند الجماع

٩١٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَمَا لَوْ أَنَّ أَحَدَهُمْ يَقُولُ حِينَ يَأْتِي أَهْلَهُ بِاسْمِ اللهِ، اللهُمَّ جَنِّبْنِي الشَّيْطَانَ وَجَنِّبِ الشَّيْطَان مَا رَزَقْتَنَا؛ ثُمَّ قُدِّرَ بَيْنَهُمَا فِي ذلِكَ، أَوْ قُضِيَ وَلَدٌ، لَمْ يَضُرَّهُ شَيْطَانٌ أَبَدًا

910 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een man geslachtsgemeenschap heeft met zijn vrouw, en zegt: ‘Bismillah, Allahumma jannibnī ash-shayṭān wa jannibi ash-shayṭān mā razaqtanā’ (In de naam van Allāh. O Allāh, houd de satan weg van mij en houd de satan weg van wat U ons geschonken heeft (kind). Dan zal, als er uit deze omgang een kindwordt geboren, de satan (shaytān) hem nooit kunnen schaden.”

Het is toegestaan dat een man gemeenschap heeft met zijn vrouw zowel van voren (vaginaal) als van achteren, mits er geen penetratie in de anus plaatsvindt

جواز جماعه امرأته في قبلها من قدامها ومن ورائها من غير تعرض للدبر

٩١١ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: كَانَتِ الْيَهُودُ تَقُولُ: إِذَا جَامَعَهَا مِنْ وَرَائِهَا جَاءَ الْوَلَدُ أَحْوَلَ فَنَزَلَتْ (نِسَاؤكُمْ حَرْثٌ لَكُمْ فَأْتُوا حَرْثَكُمْ أَنَّى شِئْتُمْ)

911 - Van Jābir رضي الله عنه:De joden zeiden: “Als een man geslachtsgemeenschap heeft met zijn vrouw van achteren, zal het kind scheel worden.” Waarop deze āyah werd geopenbaard:نِسَآؤُكُمۡ حَرۡثٞ لَّكُمۡ فَأۡتُواْ حَرۡثَكُمۡ أَنَّىٰ شِئۡتُمۡۖ ٢٢٣

Jullie vrouwen zijn (als) een akker voor jullie, ga dus naar jullie akker, zoals jullie wensen … (sûrah al Baqarah 2/223)

[Voortplanting door geboorte is een door Allāh تَعَالَى vastgestelde wet voor het voortbestaan van de mensheid. In de Islām is voortplanting zowel wettelijk als ethisch toegestaan, mits de ouders in een geldig huwelijk met elkaar verbonden zijn. In de āyah wordt benadrukt dat seksuele gemeenschap alleen is toegestaan binnen de voortplantingsorganen van de vrouw; het beeld van de “akker” symboliseert de menselijke voortplanting, waarbij het ontstaan van een kind alleen mogelijk is via deze vorm van gemeenschap.De uitdrukking in de āyah: “ga dus naar jullie akker, zoals jullie wensen” wordt begrepen als: “op voorwaarde dat het via de voortplantingsorganen van de vrouw gebeurt, op welke manier dan ook.” Daarentegen is anale gemeenschap uitdrukkelijk verboden. ] (Diyanet)

Het is verboden voor een vrouw om zich te onthouden van het bed van haar echtgenoot

تحريم امتناعها من فراش زوجها

٩١٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِذَا بَاتَتِ الْمَرْأَةُ مُهَاجِرَةً فِرَاشَ زَوْجِهَا لَعَنَتْهَا الْمَلاَئِكَةُ حَتَّى تَرْجِعَ

912 - Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een vrouw haar echtgenoot vermijdt en niet bij hem in bed slaapt (zonder geldige reden), vervloeken de engelen haar totdat zij terugkeert.”

Het oordeel over coïtus interruptus (ʿazl)

حكم العزل

٩١٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي غَزْوَةِ بَنِي الْمُصْطَلِقِ، فَأَصَبْنَا سَبْيًا مِنْ سَبْىِ الْعَرَبِ، فَاشْتَهَيْنَا النِّسَاءَ، وَاشْتَدَّتْ عَلَيْنَا الْعُزْبَةُ، وَأَحْبَبْنَا الْعَزْلَ، فَأَرَدْنَا أَنْ نَعْزِلَ؛ وَقُلْنَا: نَعْزِلُ وَرَسُولُ اللهِ ﷺ بَيْنَ أَظْهُرِنَا قَبْلَ أَنْ نَسْأَلَهُ فَسَأَلْنَاهُ عَنْ ذَلِكَ؛ فَقَالَ: مَا عَلَيْكُمْ أَنْ لاَ تَفْعَلُوا، مَا مِنْ نَسَمَةٍ كَائِنَةٍ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ إِلاَّ وَهِيَ كَائِنَةٌ

913 – Van Abdullāh ibn Muhayrīz (رضي الله عنه):(Ik trad de moskee binnen en zag daar Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه). Ik ging bij hem zitten en vroeg hem over ʿazl (het onderbroken geslachtsverkeer). Abū Saʿīd zei:Wij trokken met Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) ten strijde tegen Banū al-Muṣṭaliq. Wij kregen Arabische vrouwelijke krijgsgevangenen in handen. Wij kregen verlangen naar vrouwen, en het vrijgezellenbestaan voelde zwaar voor ons. (Het benaderen van vrouwelijke krijgsgevangenen en het voorkomen dat zij zwanger worden) wilden we coïtus interruptus (`azl) toepassen, terwijl Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) onder ons was, konden we ʿazl niet toepassen zonder het hem te vragen. Daarom vroegen we direct om een oordeel. Hij zei: ‘Het is geen probleem als jullie het niet doen. Geen enkele ziel die tot de Dag der Opstanding zal bestaan, of zij is reeds vastgesteld (tijd) (door Allāh om op aarde te komen).”

[“Azl”, ook wel bekend als coïtus interruptus, is een geboortebeperkingsmethode die al sinds oudsher in verschillende samenlevingen wordt toegepast. Deze methode wilde de moslims ook toepassen in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Toen hem hierover werd gevraagd, noemde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen expliciet verbod of bezwaar, maar verwees hij naar de voorbeschikking (qadar).Hoewel deze methode als geboortebeperking wordt toegepast, ligt de uiteindelijke uitkomst ongetwijfeld in de hand van Allāh. Elk leven, bepaald door Zijn eeuwige kennis en voorbeschikking, zal op het juiste moment deze wereld betreden en zijn plaats innemen in het Hiernamaals. De achterliggende wijsheid is dat, hoewel men voorzorgsmaatregelen kan nemen, het besef wordt versterkt dat het resultaat altijd wordt bepaald door de soevereine Wil en Almachtige Kracht van Allāh. Dit bewustzijn dient diep in het hart van de gelovige verankerd te zijn.] (Diyanet)

٩١٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ: أَصَبْنَا سَبْيًا فَكُنَّا نَعْزِلُ؛ فَسَأَلْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: أَوَ إِنَّكُمْ لَتَفْعَلُونَ قَالَهَا ثَلاَثًا مَا مِنْ نَسْمَةٍ كَائِنَةٍ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ إِلاَّ هِيَ كَائِنَةٌ914 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Wij kregen vrouwelijke krijgsgevangenen als oorlogsbuit, en wij wilden voorkomen dat zij bij het seksuele contact zwanger zouden worden. Daarom pasten wij coïtus interruptus (ʿazl) toe.

Toen wij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover vroegen, zei hij drie keer: “Doen jullie dat werkelijk? Bij Allāh, er is geen ziel die tot de Dag der Opstanding bestemd is om te bestaan (op aarde), of zij zal zeker bestaan.”

٩١٥ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا نَعْزِلُ وَالْقُرْآنُ يَنْزِلُ915 – Van Jābir (رضي الله عنه):Wij pasten coïtus interruptus toe terwijl de Qur’ān werd neergezonden.Een van de overleveraars van de ḥadīth, Sufyān ibn ʿUyainah, zei: “Als coïtus interruptus verboden was, dan zou de Qur’ān dit hebben verboden.”