As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb ar-Raḍā`: Boek van de zoogverwantschap

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb ar-Raḍā`: Boek van de zoogverwantschap

Wat door zoogverwantschap verboden wordt, is gelijk aan wat door geboorte verboden is

يحرم من الرضاعة ما يحرم من الولادة

٩١٦ – حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ عِنْدَهَا، وَأَنَّهَا سَمِعَتْ صَوْتَ رَجُلٍ يَسْتَأْذِنَ فِي بَيْتِ حَفْصَةَ قَالَتْ عَائِشَةُ: فَقُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ أُرَاهُ فُلاَنًا (لِعَمِّ حَفْصَةَ مِنَ الرَّضَاعَةِ) فَقَالَتْ عَائِشَةُ: يَا رَسُولَ اللهِ هذَا رَجُلٌ يَسْتَأْذِنُ فِي بَيْتِكَ، قَالَتْ: فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أُرَاهُ فُلاَنًا (لِعَمِّ حَفْصَةَ مِنَ الرَّضَاعَةِ) فَقَالَتْ عَائِشَةُ؛ لَوْ كَانَ فُلاَنٌ حَيًّا (لِعَمِّهَا مِنَ الرَّضَاعَةِ) دَخَلَ عَلَيَّ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ نَعَمْ، إِنَّ الرَّضَاعَةَ تُحَرِّمُ مَا يَحْرُمُ مِنَ الْوِلاَدَةِ

916 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) was bij haar (ʿĀishah), en zij hoorde de stem van een man die toestemming vroeg om het huis van Ḥafṣah binnen te gaan. ʿĀishah zei: “O Rasûllullāh, deze man vraagt toestemming om jouw huis binnen te gaan.”Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik denk ook dat het die-en-die is, de oom van Ḥafṣah door borstvoeding.”Toen zei ʿĀishah (zeggende over haar melkoom): “Als die-en-die (haar oom door zoogverwantschap) nog leefde, zou hij dan bij mij naar binnen mogen gaan.”Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ja, zoogverwantschap maakt verboden wat geboorte ook verboden maakt/ De mahram-relatie die door bloedverwantschap ontstaat, ontstaat ook door melkverwantschap.”

Het verbod op huwelijksrelaties door borstvoeding ontstaat is meer gepast dan door het zaad van de vader

تحريم الرضاعة من ماء الفحل

٩١٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: اسْتَأْذَنَ عَلَيَّ أَفْلَحُ أَخُو أَبِي الْقُعَيْسِ بَعْدَمَا أُنْزِلَ الْحِجَابُ، فَقُلْتُ: لاَ آذَنُ لَهُ حَتَّى أَسْتَأْذِنَ فِيهِ النَّبِيَّ ﷺ، فَإِنَّ أَخَاهُ أَبَا الْقُعَيْسِ لَيْسَ هُوَ أَرْضَعَنِي، وَلكِنْ أَرْضَعَتْنِي امْرَأَةُ أَبِي الْقُعَيْسِ فَدَخَلَ عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، فَقُلْتُ لَهُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَفْلَحَ أَخَا أَبِي الْقُعَيْسِ اسْتَأْذَنَ فَأَبَيْتُ أَنْ آذَنَ حَتَّى أَسْتَأْذِنَكَ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: وَمَا مَنَعَكِ أَنْ تَأْذَنِينَ عَمُّكِ قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ الرَّجُلَ لَيْسَ هُوَ أَرْضَعَنِي، وَلكِنْ أَرْضَعَتْنِي امْرَأَةُ أَبِي الْقُعَيْسِ فَقَالَ: ائْذَنِي لَهُ، فَإِنَّهُ عَمُّكِ، تَرِبَتْ يَمِينُكِ

917 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):ʾAflāḥ, de broer van Abū al-Quʿays (vader door zoogverwantschap), vroeg toestemming om bij mij binnen te komen nadat de verzen over de bedekking (hijāb) waren geopenbaard.Ik zei: “Ik geef hem geen toestemming totdat ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover geraadpleegd heb, want ʾAflāḥs broer Abū al-Quʿays heeft mij niet gezoogd, maar de vrouw van Abū al-Quʿays heeft mij gezoogd.”

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij mij binnenkwam, zei ik tegen hem: “O Rasûllullāh, ʾAflāḥ, de broer van Abū al-Quʿays, vroeg toestemming om binnen te komen, maar ik weigerde hem toestemming te geven totdat ik u zou raadplegen.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “En wat heeft je verhinderd hem toestemming te geven? Hij is jouw oom.”Ik zei: “O Rasûllullāh, de man zelf heeft mij niet gezoogd, maar de vrouw van Abū al-Quʿays heeft mij gezoogd.”Daarop zei hij: “Geef hem toestemming, want hij is jouw oom. Moge je rechterhand met stof bedekt worden!”ʿUrwah zei: Daarom plachtte ʿĀishah te zeggen: “De mahram-relatie die door bloedverwantschap ontstaat, ontstaat ook door zoogverwantschap.”

٩١٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: اسْتَأْذَنَ عَلَيَّ أَفْلَحُ فَلَمْ آذَنْ لَهُ فَقَالَ: أَتَحْتَجِبِينَ مِنِّي وَأَنَا عَمُّكِ فَقُلْتُ: وَكَيْفَ ذلِكَ قَالَ: أَرْضَعَتْكِ امْرَأَةُ أَخِي بِلَبَنِ أَخِي فَقَالَتْ: سَأَلْتُ عَنْ ذلِكَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: صَدَقَ أَفْلَحُ، ائْذَنِي لَهُ918 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):ʾAflāḥ vroeg toestemming om bij mij binnen te komen, maar ik gaf hem geen toestemming.Daarop zei ʾAflāḥ: “Sluit je jezelf af voor mij, terwijl ik jouw oom ben?”Ik vroeg: “Hoe ben jij dan mijn oom?”Hij zei: “De vrouw van mijn broer heeft jou gezoogd met de melk veroorzaakt door mijn broer.”ʿĀishah zei: “Ik vroeg Rasûllullāh(صلى الله عليه وسلم) hierover en hij zei: ‘ʾAflāḥ heeft de waarheid gesproken. Geef hem toestemming om binnen te komen.’

[Het voeden van baby’s met de melk van een andere vrouw dan hun eigen moeder, en het gedurende enkele jaren op laten groeien onder de zorg van die melkmoeder, is een gewoonte die in verschillende culturen bekend is. Ook onder de jāhiliyyah-Arabieren was deze praktijk wijdverbreid. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf werd door meerdere melkmoeders gevoed en bracht zijn jeugd, bijna tot zijn zesde jaar, door bij melkmoeder Ḥalīmah in het land van de Banū Saʿd.Met de komst van de Islām werd deze gewoonte niet afgeschaft, maar kreeg zij wel een speciale juridische betekenis die verschilde van andere culturen.

Volgens de islamitische wetgeving wordt het kind als eigen kind beschouwd van de vrouw die het heeft gezoogd, en ontstaat er daardoor een permanente huwelijksbelemmering tussen het kind en sommige verwanten van die melkmoeder.Als het kind een meisje is, is haar melkvader, melkbroer, melkoom (van zowel vadersals moederskant), en melkgrootvader harām voor haar, wat betekent dat er een blijvend huwelijksverbod tussen hen bestaat. Is het kind een jongen, dan bestaan er op vergelijkbare wijze huwelijksverboden met zijn melkmoeder, melkzuster, melktante (van zowel vadersals moederskant) en melkgrootmoeder. ʿĀʾishah (رضي الله عنها) dacht aanvankelijk dat alleen het melk geven zelf een verwantschap en huwelijksverbod tussen de melkmoeder en het gezoogde kind creëerde, maar Rasûlullāh corrigeerde haar en legde uit dat het kind ook als een eigen kind moet worden beschouwd met betrekking tot de naaste verwanten van de melkmoeder. Hierdoor is bijvoorbeeld ʾAflāḥ de melkoom van ʿĀʾishah, wat betekent dat er een permanent huwelijksverbod tussen hen geldt, geen belemmering voor ontmoeting met haar melkoom heeft. ] (Diyanet)

Het verbod op het huwen van een dochter door zoogverwantschap (zoogzuster)

تحريم ابنة الأخ من الرضاعة

٩١٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، فِي بِنْتِ حَمْزَةَ: لاَ تَحِلُّ لِي، يَحْرُمُ مِنَ الرَّضَاعِ مَا يَحْرُمُ مِنَ النَّسَبِ، هِيَ بِنْتُ أَخِي مِنَ الرَّضَاعَةِ

919 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei over de dochter van Ḥamzah (رضي الله عنه) (toen hem werd gevraagd om haar te huwen): “Zij is voor mij niet toegestaan. Wat door borstvoeding verboden is, is ook door nageslacht verboden. Zij (dochter van Ḥamzah) is de dochter van mijn broer via zoogverwantschap.”

Het verbod op het huwelijk met een stiefdochter en de zuster van iemands vrouw

تحريم الربيبة وأخت المرأة

٩٢٠ - حديث أُمِّ حَبِيبَةَ قَالَتْ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ هَلْ لَكَ فِي بِنْتِ أَبِي سُفْيَانَ قَالَ: فَأَفْعَلُ مَاذَا قُلْتُ: تَنْكِحُ؛ قَالَ: أَتُحِبِّينَ قُلْتُ: لَسْتُ لَكَ بِمُخْلِيَةٍ، وَأَحَبُّ مَنْ شَرَكَنِي فِيكَ أُخْتِي قَالَ: إِنَّهَا لاَ تَحِلُّ لِي قُلْتُ: بَلَغَنِي أَنَّكَ تَخْطُبُ قَالَ: ابْنَةَ أُمِّ سَلَمَةَ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: لَوْ لَمْ تَكُنْ رَبِيبَتِي مَا حَلَّتْ لِي، أَرْضَعَتْنِي وَأَبَاهَا ثُوَيْبَةُ، فَلاَ تَعْرِضْنَ عَلَيَّ بَنَاتِكُنَّ وَلاَ أَخَوَاتِكُنَّ

920 – Van Umm Ḥabībah (رضي الله عنها) (dochter van Abû Sufyān):O Rasûllullāh, wat denk je van de dochter van Abū Sufyān (mijn zuster), wil je haar niet huwen?’- ‘Wat moet ik dan doen?’(Zou je niet jaloers op haar zijn?”)- ‘Haar huwen.’- ‘Hou je dan van haar?’- ‘Ja, aangezien ik toch niet alleen voor mezelf zal kunnen hebben, wil ik dat mijn eigen zus één van degenen is die dit goede (daad) met mij deelt.”Daarop zei Rasûllullāh(صلى الله عليه وسلم): ‘Zij is niet toegestaan voor mij.’- ‘Ons bereikte het bericht dat jij het huwelijksaanzoek hebt gedaan voor de dochter van Umm Salamah.- ‘Bedoel je de dochter van Umm Salamah (mijn vrouw)?’- ‘Ja.’- “Ook al is de dochter van Ummu Salama, Zaynab, (niet onder mijn hoede in mijn huis opgegroeid), dan nog is het voor mij niet toegestaan met haar te trouwen. Zij is de dochter van mijn zoogbroer. Zowel ik als haar vader, Abū Salamah, zijn gezoogd door de vrouw Thuwaybah. Bied mij dus voortaan niet opnieuw jullie dochters of zussen aan om met mij te huwen.”

[(Ummu Ḥabībah (رضي الله عنها) was een van de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij had hem voorgesteld ook met haar zus te trouwen, maar hij heeft dat niet geaccepteerd omdat het hem islamitisch niet geoorloofd was met haar in het huwelijk te treden. Ummu Salamah (رضي الله عنها) was eveneens een van zijn echtgenotes. Toen haar echtgenoot Abū Salamah overleed, huwde zij met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Zij had een dochter uit haar eerdere huwelijk. Dit meisje was zowel de stiefdochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als de dochter van zijn zoogbroeder Abū Salamah (رضي الله عنه). Daarom was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook haar zoogoom.)] (AFK)

Zoogverwantschap telt alleen wanneer het uit noodzaak (door honger) gebeurt

إِنما الرضاعة من المجاعة

٩٢١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: دَخَلَ عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، وَعِنْدِي رَجُلٌ، قَالَ: يَا عَائِشَةُ مَنْ هذَا قُلْتُ: أَخِي مِنَ الرَّضَاعَةِ قَالَ: يَا عَائِشَةُ انْظُرْنَ مَنْ إِخْوَانُكُنَّ، فَإِنَّمَا الرَّضَاعَةُ مِنَ المَجَاعَةِ

921 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij mij binnen terwijl er een man bij mij was.Hij vroeg: ‘O ʿĀishah, wie is dat?’Ik zei: ‘Een broer van mij via zoogverwantschap.’Hij zei: ‘O ʿĀishah, let goed op wie jullie broers zijn, omdat zoogbroederschap tot stand komt door een zuigbeurt die de honger stilt.’

Het kind behoort toe aan het bed (waar het geboren werd) en het vermijden van twijfelgevallen

الولد للفراش وتوقي الشبهات

٩٢٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: اخْتَصَمَ سَعْدُ بْنُ أَبِي وَقَّاصٍ وَعَبْدُ بْنُ زَمْعَةَ فِي غُلاَمٍ؛ فَقَالَ سَعْدٌ: هذَا، يَا رَسُولَ اللهِ ابْنُ أَخِي عُتْبَةَ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، عَهِدَ إِلَيَّ أَنَّهُ ابْنُهُ، انْظُرْ إِلَى شَبَهِهِ، وَقَالَ عَبْدُ بْنُ زَمْعَةَ: هذَا أَخِي، يَا رَسُولَ اللهِ وُلِدَ عَلَى فِرَاشِ أَبِي مِنْ وَلِيدَتِهِ فَنَظَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلَى شَبَهِهِ فَرَأَى شَبَهًا بَيِّنًا بِعُتْبَةَ، فَقَالَ: هُوَ لَكَ يَا عَبْدُ، الْوَلَدُ لِلْفِرَاشِ وَلِلْعَاهِرِ الْحَجَرُ، وَاحْتَجِبِي مِنْهُ يَا سَوْدَة بِنْتَ زَمْعَةَ فَلَمْ تَرَهُ سَوْدَةُ قَطُّ

922 – VanʿĀ’ishah (رضي الله عنها):Saʿd ibn Abī Waqqāṣ en ʿAbd ibn Zamʿah twistten over (de nageslacht van) een jongen.Saʿd zei: ‘O Rasûllullāh, dit is de zoon van mijn broer ʿUtbah ibn Abī Waqqāṣ. Hij heeft mij toevertrouwd dat dit zijn zoon is. Kijk eens naar zijn gelijkenis (met hem)!’Maar ʿAbd ibn Zamʿah zei: ‘O Rasûllullāh, dit is mijn broer. Hij is geboren in het bed van mijn vader, van zijn slavenin.’Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) keek naar de jongen en zag een duidelijke gelijkenis met ʿUtbah.Toen antwoordde hij: ‘Hij behoort toe aan jou, o ʿAbd Ibn Zam`ah. Het kind behoort toe aan het bed, en voor de overspelige is er alleen de steen (d.w.z. geen recht op het kind).

(Daarna zei hij tegen zijn echtgenote) O Sawdah bint Zamʿah, scherm je voor hem af!’Sawdah heeft hem (zonder hijāb) daarna nooit meer gezien totdat hij overleed.”

[Volgens de fundamentele principes van de Islām, en vanuit haar ethische en juridische visie, kunnen man en vrouw slechts een intiem leven leiden na een wettig huwelijkscontract, de nikāḥ. Evenzo kan men slechts kinderen krijgen na een dergelijk contract of, zoals ook in de Qur’ān wordt vermeld, door de relatie tussen een heer en zijn slavin. Het krijgen van kinderen is voor de mens niet alleen een natuurlijk recht, maar tevens een grote verantwoordelijkheid. Het recht van het kind op leven, het hebben van een gezonde familie, het voorbereid worden op de toekomst met liefde en veiligheid en het verkrijgen van een goede opvoeding, kan alleen worden gewaarborgd door de bescherming van het recht. Daarom is het belangrijk dat de afkomst van het kind vaststaat en aan de juiste persoon wordt toegeschreven.Een van de fundamentele regels van de islamitische wet is dat de juridische status van de vrouw uit wie het kind geboren is, bepalend is voor de afkomst van het kind. De vrouw die het kind ter wereld brengt, wordt juridisch gekoppeld aan degene met wie zij gehuwd is of aan degene wiens slavin zij is, en het kind wordt daarom aan die persoon toegeschreven. Dit is een belangrijke maatregel om zowel kinderen als vrouwen te beschermen, evenals om de zonde van zinā (ontucht) te voorkomen.In deze ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een geschil over het vaderschap van een kind tussen twee verschillende mannen opgelost op basis van dit principe, en de zondaar die via ontucht een kind had verwekt, het recht op vaderschap ontzegd. Ondanks de uiterlijke gelijkenis tussen het kind en degene die aanspraak maakte op het vaderschap, werd dit oordeel geveld omwille van het behoud van het rechtsbewustzijn en de maatschappelijke orde, en om de wegen die tot zinā leiden af te sluiten. Echter, omdat er aanwijzingen waren dat de werkelijke vader een andere persoon kon zijn, werd de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Sawdah (رضي الله عنها), om veiligheidsredenen verplicht om die persoon niet als haar zoogbroer te beschouwen en tegenover hem de nodige voorzorgsmaatregelen in acht te nemen vanuit het oogpunt van maḥram-regels. ] (Diyanet)

٩٢٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْوَلَدُ لِصَاحِبِ الْفِرَاشِ923 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het kind behoort toe aan de eigenaar van het bed.”Oordeel op basis van de uitspraak van de qā’if (deskundige in morfologische gelijkenis)

العمل بإِلحاق القائف الولد

٩٢٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: دَخَلَ عَلَيَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ ذَاتَ يَوْمٍ وَهُوَ مَسْرُورٌ، فَقَالَ: يَا عَائِشَةُ أَلَمْ تَرَىْ أَنَّ مُجَزِّزًا الْمُدْلِجِيَّ دَخَلَ فَرَأَى أُسَامَةَ وَزَيْدًا، وَعَلَيْهِمَا قَطِيفَةٌ قَدْ غَطَّيَا رُؤوسَهُمَا، وَبَدَتْ أَقْدَامُهُمَا، فَقَالَ: إِنَّ هذِهِ الأَقْدَامَ بَعْضُهَا مِنْ بَعْضٍ

924 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam op een dag vrolijk naar mij toe, zijn gezicht straalde van blijdschap.

Hij zei: ‘O ʿĀishah, heb je niet gezien dat Mujazziz al-Mudlijī (een qā’if: iemand die aan de hand van de lichamelijke kenmerken van mensen hun nageslacht probeert vast te stellen) binnenkwam en keek naar Usāmah (Ibn Zayd) en Zayd (Ibn Harith) terwijl ze onder een deken lagen, hun hoofden waren bedekt en hun voeten waren zichtbaar?Toen zei hij: “Deze voeten zijn van elkaar, oftewel: de een is van de ander (zo sterk is de gelijkenis).”[Zayd (رضي الله عنه) was licht van huid, terwijl zijn zoon Usāmah (رضي الله عنه) daarentegen een donkere huidskleur had. Om deze reden begonnen sommige kwaadwillenden roddels te verspreiden over de nageslacht van Usāmah. Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) was zeer ontstemd over deze geruchten, die gingen over zowel zijn voedster, de moeder van Usāmah, Umm Ayman, als over zijn trouwe metgezel Zayd, de vader van Usāmah.Onder de Arabieren had zich een wetenschap ontwikkeld waarbij men op basis van uiterlijke kenmerken van het lichaam de nageslacht (nasab) van een persoon trachtte vast te stellen. De meesters van deze wetenschap konden aan de hand van diverse methodes met gemak iemands afkomst bepalen. Eén van deze deskundigen was Mujazziz al-Mudlijī (رضي الله عنه). In de ḥadīth is hij degene die, door te kijken naar de overeenkomst tussen de voeten van Zayd en Usāmah, oordeelde dat zij van dezelfde nageslacht waren.] (AFK)

[Zayd ibn Hārithah (رضي الله عنه) was een metgezel die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vóór de Islām was vrijgelaten en door hem als aangenomen zoon werd beschouwd. Hij was gehuwd met een donkere vrouw, Umm Ayman (رضي الله عنها). Uit dit huwelijk werd Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنه) geboren.Usāmah was, net als zijn moeder, een kind met een donkere huidskleur. Sommigen twijfelden daarom of Usāmah werkelijk de zoon van Zayd (رضي الله عنه) was. Op een dag, toen Zayd en Usāma lagen te slapen waarbij enkel hun voeten zichtbaar waren, keek een man die bekendstond als al-Mudlijī, een specialist in de wetenschap van qiyāfah naar hun voeten en zei dat zij vader en zoon waren. Qiyāfah was een wetenschap waarbij men op basis van uiterlijke kenmerken van mensen verwantschap en karakter inschatte, een vorm van waarschijnlijkheidskennis. In dat opzicht kan het vergeleken worden met de toepassing van DNA-testen in de moderne geneeskunde.Toen de verwantschap tussen Usāmah en Zayd door een expert bevestigd werd, verheugde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich daarover. De vreugde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) betekent echter niet dat hij zelf ooit twijfelde aan de verwantschap tussen Usāmah en Zayd. Integendeel, hij was blij dat de kwaadaardige vermoedens en roddels in de gemeenschap hiermee beëindigd zouden worden. ] (Diyanet)

Hoeveel dagen een man na het huwelijk bij zijn bruid dient te blijven, verschil tussen maagd en eerder gehuwde vrouw

قدر ما تستحقه البكر والثيب من إِقامة الزوج عندها عقب الزفاف

٩٢٥ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: مِنَ السُّنَّةِ، إِذَا تَزَوَّجَ الرَّجُلُ الْبِكْرَ عَلَى الثَّيِّبِ، أَقَامَ عِنْدَهَا سَبْعًا، وَقَسَمَ؛ وَإِذَا تَزَوَّجَ الثَّيِّبَ عَلَى الْبِكْرِ، أَقَامَ عِنْدَهَا ثَلاَثًا، ثُمَّ قَسَمَ

925 – Van Anas (رضي الله عنه):Tot de Sunnah behoort dat, wanneer een man met een maagd trouwt, terwijl hij al een (andere) vrouw heeft die eerder gehuwde vrouw is geweest, hij zeven nachten bij haar (de maagd) blijft, en daarna zijn nachten verdeelt (tussen zijn vrouwen). En als hij met een eerder gehuwde vrouw trouwt terwijl hij al een maagd heeft, dan blijft hij drie nachten bij haar (de eerder gehuwde vrouw), en daarna verdeelt hij (zijn tijd).”

De verdeling (van de dagen) tussen de echtgenotes en de uitleg dat het volgens de Sunnah is dat iedere echtgenote één nacht krijgt met de dag die daarbij hoort

القسم بين الزوجات وبيان أن السنة أن تكون لكل واحدة ليلة مع يومها

٩٢٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كُنْتُ أَغَارُ عَلى اللاَّتِي وَهَبْنَ أَنْفُسَهُنَّ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، وَأَقُولُ: أَتَهَبُ الْمَرْأَةُ نَفْسَهَا فَلَمَّا أَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (تُرْجِى مَنْ تَشَاءُ مِنْهُنَّ وَتُؤْوى إِلَيْكَ مَنْ تَشَاءُ وَمَنِ ابْتَغَيْتَ مِمَّنْ عَزَلْتَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْكَ) قُلْتُ: مَا أُرَى رَبَّكَ إِلاَّ يُسَارِعُ فِي هَوَاكَ

926 – Van ʿĀʾisjah (رضي الله عنها):Ik bekritiseerde de vrouwen die zonder bruidsschat (mahr) met Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) wilden trouwden en zei dan: “Geeft een vrouw zichzelf zomaar weg?” Toen openbaarde Allāhu تعالى:

تُرۡجِي مَن تَشَآءُ مِنۡهُنَّ وَتُـٔۡوِيٓ إِلَيۡكَ مَن تَشَآءُۖ وَمَنِ ٱبۡتَغَيۡتَ مِمَّنۡ عَزَلۡتَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكَۚ ٥١

Jij mag uitstel geven aan wie van hen jij wenst en je mag ontvangen wie je wenst. En naar wie jouw hart uitgaat van hen van wie jij afstand hebt genomen: het is geen zonde voor jou (sûrah al-Aḥzāb, 33/ 51)

Toen zei ik: “Ik zie dat jouw Rab nooit nalaat een bevel te geven dat overeenkomt met jouw verlangen.”

Het is toegestaan dat een echtgenote haar beurt afstaat aan haar co-vrouw

جواز هبتها نوبتها لضرتها

٩٢٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ عَطَاءٍ، قَالَ: حَضَرْنَا مَعَ ابْنِ عَبَّاسٍ جَنَازَةَ مَيْمُونَةَ بِسَرِفَ، فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: هذِهِ زَوْجَةُ النَّبِيِّ ﷺ، فَإِذَا رَفَعْتُمْ نَعْشَهَا فَلاَ تُزَعْزِعُوهَا وَلاَ تُزَلْزِلُوهَا، وَارْفُقُوا، فَإِنَّهُ كَانَ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ تِسْعٌ، كَانَ يَقْسِمُ لِثَمَانٍ، وَلاَ يَقْسِمُ لِوَاحِدَةٍ

927 – Van Aṭāʾ ibn Abī Rabāḥ (رضي الله عنه):Wij waren samen met Ibn ʿAbbās in de streek Sarif, nabij Makkah, bij de begrafenis van Maymūnah, één van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daar zei Ibn ʿAbbās tegen de aanwezigen bij de begrafenis: “Dit is de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wanneer jullie haar baar optillen, schud haar dan niet ruw heen en weer, en beweeg haar niet hard; wees zachtaardig, want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had bij zijn overlijden negen vrouwen. Hij deelde zijn nachten onder acht van hen, maar verdeelde zijn nachten niet voor één van hen (want Sawdah gaf haar beurtrecht aan ʿĀishah) .”Het is aanbevolen om te trouwen met een vrouw vanwege haar godsdienstigheid

استحباب نكاح ذات الدين

٩٢٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: تُنْكَحُ الْمَرْأَةُ َلأرْبَعٍ: لِمَالِهَا وَلِحَسَبِهَا وَجَمَالِهَا وَلِدِينِهَا، فَاظْفَرْ بِذَاتِ الدِّينِ، تَرِبَتْ يَدَاكَ

928 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een vrouw wordt om vier redenen gehuwd: om haar bezit, om haar afkomst, om haar schoonheid en om haar godsdienst (dīn).

Kies degene die godsdienstig is (d.w.z. vroom is), zodat je hand gezegend wordt.”

Het is aanbevolen om met een maagd te trouwen

استحباب نكاح البكر

٩٢٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: تَزَوَّجْتُ، فَقَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا تَزَوَّجْتَ فَقُلْتُ: تَزَوَّجْتُ ثَيبًا فَقَالَ: مَا لَكَ وَلِلْعَذَارَى وَلِعَابِهَا

929 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Toen ik trouwde, vroeg Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) mij: “Met wie ben je getrouwd?”Ik antwoordde: “Met een eerder gehuwde vrouw.”Daarop zei hij: “Waarom niet met de maagden en hun speelsheid?”Muḥārib (een van de overleveraars) zei: ‘Ik vertelde dit aan ʿAmr ibn Dīnār, en ʿAmr zei:Ik hoorde Jābir ibn ʿAbdillāh zeggen: Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij:“Was het niet beter geweest om met een meisje (maagd) te trouwen zodat jij met haar kon spelen en zij met jou?”٩٣٠ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: هَلَكَ أَبِي وَتَرَكَ سَبْعَ بَنَاتٍ أَوْ تِسْعَ بَنَاتٍ، فَتَزَوَّجْتُ امْرَأَةً ثَيِّبًا، فَقَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: تَزَوَّجْتَ يَا جَابِرُ فَقُلْتُ: نَعَمْ فَقَالَ: بِكْرًا أَمْ ثَيِّبًا قُلْتُ: بَلْ ثَيِّبًا قَالَ: فَهَلاَّ جَارِيَةً تُلاَعِبُهَا وَتُلاَعِبُكَ وَتُضَاحِكُهَا وَتُضَاحِكُكَ قَالَ، فَقُلْتُ لَهُ: إِنَّ عَبْدَ اللهِ هَلَكَ وَتَرَكَ بَنَاتٍ، وَإِنِّي كَرِهْتُ أَنْ أَجِيئَهُنَّ بِمِثْلِهِنَّ، فَتَزَوَّجْتُ امْرَأَةً تَقُومُ عَلَيْهِنَّ وَتُصْلِحُهُنَّ، فَقَالَ: بَارَكَ اللهُ أَوْ خَيْرًا930 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Mijn vader (`Abdullah) stierf en liet zeven of negen dochters achter.

Daarom trouwde ik met een vrouw die eerder gehuwd was.

Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Ben je getrouwd, o Jābir?”- “Ja.”- “Met een maagd of een vrouw die eerder gehuwd was?”- “Met een vrouw die eerder gehuwd was.”- “Waarom geen (jong) meisje waarmee jij kon spelen, zij met jou kon spelen, jij haar kon laten lachen en zij jou kon laten lachen?”- “ʿAbdullāh (mijn vader) is overleden en heeft dochters achtergelaten.

Ik vond het niet gepast om hen iemand van hun leeftijd (een jong meisje) als stiefmoeder (thuis) te brengen. Daarom ben ik met een vrouw getrouwd die voor hen kan zorgen en hen kan opvoeden.”- “Moge Allāh jouw (huwelijk) zegenen,” of: “Moge Allāh het tot iets goeds maken voor je.”

٩٣١ - حديث جَابِرٍ، قَالَ: كُنْتُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي غَزْوَةٍ، فَلَمَّا قَفَلْنَا تَعَجَّلْتُ عَلَى بَعِيرٍ قَطُوفٍ، فَلَحِقَنِي رَاكِبٌ مِنْ خَلْفِي، فَالْتَفَتُّ فَإِذَا أَنَا بِرَسُولِ اللهِ ﷺ؛ قَالَ: مَا يُعْجِلُكَ قُلْتُ: إِنِّي حَدِيثُ عَهْدٍ بِعُرْسٍ قَالَ: فَبِكْرًا تَزَوَّجْتَ أَمْ ثَيِّبًا قُلْتُ: بَلْ ثَيِّبًا قَالَ: فَهَلاَّ جَارِيَةً تُلاَعِبُهَا وَتُلاَعِبُكَ

قَالَ: فَلَمَّا قَدِمْنَا ذَهَبْنَا لِنَدْخُلَ، فَقَالَ: أَمْهِلُوا حَتَّى تَدْخُلُوا لَيْلًا أَيْ عِشَاءً لِكَيْ تَمْتَشِطَ الشَّعِثَةُ وَتَسْتَحِدَّ الْمُغِيبَةُ

وَفِي هذَا الْحَدِيثِ أَنَّهُ قَالَ: الْكَيْسَ الْكَيْسَ يَا جَابِرُ يَعْنِي الْوَلَدَ

931 – Van Jābir (رضي الله عنه):Ik was met Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) op een veldtocht (ghazwah).

Toen we terugkeerden, reed ik snel vooruit op een trage kameel om naar huis terug te keren. Er naderde een ruiter van achteren. Ik keek om en zag dat het Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) was.- “Wat is je haast?”- “Ik ben pas getrouwd.”- “Ben je met een maagd of met een vrouw die eerder gehuwd was?”- “Met een eerder gehuwde vrouw.”- “Was het dan niet beter geweest als je met een (jong) meisje was getrouwd waarmee jij kan spelen en zij met jou?”Toen we aankwamen (terugreis van een reis), wilden we meteen onze huizen binnengaan. Maar Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wacht even, als jullie ’s nachts binnengaan, dan kan de vrouw die slordig is haar haren kammen, en bij afwezigheid (van haar man) haar lichaam verzorgen.”Ḥushaym zei: Een betrouwbare overleveraar vertelde mij dat in deze overlevering hij ook zei: “O Jābir, je moet verstandig zijn, je moet verstandig zijn, (vraag Allāh) om kinderen!”

٩٣٢ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كُنْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي غَزَاةٍ فَأَبْطَأَ بِي جَمَلِي وَأَعْيَا، فَأَتَى علَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: جَابِرٌ فَقُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: مَا شَأْنُكَ قُلْتُ: أَبْطَأَ عَلَيَّ جَمَلِي وَأَعْيَا فَتَخَلَّفْتُ؛ فَنَزَلَ يَحْجُنُهُ بِمِحْجَنِهِ ثُمَّ قَالَ: ارْكَبْ فَرَكِبْتُ فَلَقَدْ رَأَيْتُهُ أَكُفُّهُ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: تَزَوَّجْتَ قُلْتُ: نَعَمْ، قَالَ: بِكْرًا أَمْ ثَيِّبًا قُلْتُ: بَلْ ثَيِّبًا قَالَ: أَفَلاَ جَارِيَةً تُلاَعِبُهَا وَتُلاَعِبُكَ قُلْتُ: إِنَّ لِي أَخَوَاتٍ، فَأَحْبَبْتُ أَنْ أَتَزَوَّجَ امْرَأَةً تَجْمَعُهُنَّ وَتَمْشُطُهُنَّ وَتَقُومُ عَلَيْهِنَّ؛ قَالَ: أَمَّا إِنَّكَ قَادِمٌ، فَإِذَا قَدِمْتَ فَالْكَيْسَ الْكَيْسَ ثُمَّ قَالَ: أَتَبِيعُ جَمَلَكَ قُلْتُ: نَعَمْ فَاشْتَرَاهُ مِنِّي بِأُوقِيَّةٍ، ثُمَّ قَدِمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَبْلِي، وَقَدِمْتُ بِالْغَدَاةِ، فَجِئْنَا إِلَى الْمَسْجِدِ فَوَجَدْتُهُ عَلَى بَابِ الْمَسْجِدِ قَالَ: آلانَ قَدِمْتَ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: فَدَعْ جَمَلَكَ فَادْخُلْ فَصَلِّ رَكْعَتَيْنِ فَدَخَلْتُ فَصَلَّيْتُ؛ فَأَمَرَ بِلاَلًا أَنْ يَزِنَ لَهُ أُوقِيَّةً، فَوَزَنَ لِي بِلاَلٌ فَأَرْجَحَ فِي الْمِيزَانِ فَانْطَلَقْتُ حَتَّى وَلَّيْتُ، فَقَالَ: ادْعُ لِي جَابِرًا قُلْتُ الآنَ يَرُدُّ عَلَيَّ الْجَمَلَ، وَلَمْ يَكُنْ شَيْءٌ أَبْغَضَ

إِلَيَّ مِنْهُ قَالَ: خُذْ جَمَلَكَ، وَلَكَ ثَمَنُهُ932 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):Ik was met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een veldtocht, en mijn kameel liep traag en was uitgeput. Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij mij en zei: “Jābir?”- “Ja.”- “Wat is er aan de hand?”- “Mijn kameel is traag en uitgeput geraakt, dus ik ben achtergebleven.”Toen stapte hij af en prikte de kameel met zijn stok.Daarna zei hij: “Rijd!”Ik steeg op. Ik zag dat ik hem nauwelijks kon bijhouden.- “Ben je getrouwd?”- “Ja.”- “Met een maagd of een vrouw die eerder gehuwd was?”- “Met een vrouw die eerder gehuwd was.”- “Waarom dan niet met een (jong) meisje waarmee jij kan spelen en zij met jou?”- “Ik heb zusters en ik wilde een vrouw trouwen die hen kan verzamelen (bij elkaar kan houden), hun haar kan kammen en voor hen kan zorgen.”- “Je zult spoedig (in Madīnah) arriveren. Als je aankomt, wees dan verstandig, (volwassen en toegewijd aan je familie). Vraag (Allāh) om kinderen. - “Verkoop je je kameel?”- “Ja.”Hij kocht de kameel van mij voor een ūqiyyah (40 dirham zilver). Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam vóór mij in Madīnah aan. Toen ik ’s ochtends arriveerde, gingen we (eerst) naar de moskee. Ik vond hem bij de ingang van de moskee. - “Ben je nu aangekomen?”- “Ja.”- “Laat je kameel hier achter en ga naar binnen en verricht twee rakʿah (salāh).”Ik ging naar binnen en verrichtte twee rakʿah. Daarna beval hij Bilāl om mij een ūqiyyah te wegen. Bilāl woog het voor mij, en deed er zelfs iets extra’s bij. Toen vertrok ik.Toen ik weg was, zei hij: “Roep Jābir terug.”Ik dacht: “Nu gaat hij de kameel terugnemen,” en niets was mij op dat moment onaangenamer dan dat. Maar hij zei: “Neem je kameel, en het geld is ook voor jou!”Het wordt aanbevolen om goed voor vrouwen te zorgen / vrouwen goed te behandelen

الوصية بالنساء

٩٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْمَرْأَةُ كَالضِّلَعِ، إِنْ أَقَمْتَهَا كَسَرْتَهَا، وَإِنِ اسْتَمْتَعْتَ بِهَا اسْتَمْتَعْتَ بِهَا وَفِيها عِوَجٌ

933 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, de vrouw is als een rib; als je haar probeert recht te trekken, breek je haar. En als je van haar geniet terwijl zij krom is, dan geniet je van haar terwijl er een kromming in zit.”[Sommige geleerden ontkennen deze ḥadīth en beweren dat het tegen rede en logica ingaat. Echter, zoals Allāh Hawwa (Eva) (رضي الله عنها) heeft geschapen uit vlees, botten en bloed, zo is ook het verstand geschapen door Hem. Wat geschapen is, heeft niet het recht om zijn Schepper te betwisten; het moet zich aan Hem onderwerpen. Met andere woorden, Allāh (عز وجل) heeft Hawwa (رضي الله عنها) geschapen uit de rib van Adam (عليه السلام ) en wel uit het kromme deel daarvan. Daarom worden vrouwen noch aan hun lot overgelaten, noch worden zij streng behandeld. Er wordt een middenweg gevolgd tussen de beide. Laat je hen aan hun lot over, dan blijven ze krom, probeer je hen recht te maken, dan breek je ze. Daarom moet men met zachtheid en goedheid voor hen zorgen.] (HY)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak de Arabische taal op een volmaakte wijze en gebruikte, om zijn woorden beter te laten begrijpen, vooral bij het uitleggen van abstracte begrippen, vaak stijlmiddelen zoals vergelijking (tashbīh) en voorbeeld (tamthīl). In deze ḥadīth vergeleek hij de vrouw met een rib en beval hij de man om niet te proberen haar met dwang recht te maken.De bedoeling van deze vergelijking is niet dat de vrouw scheef of gebrekkig zou zijn, terwijl zij eigenlijk recht zou moeten zijn. Integendeel, zij is met een eigen aard en bijzondere kenmerken geschapen, die gerespecteerd dienen te worden.

Het gaat dus om een eigenschap die eerbied verdient en niet om een gebrek.In tegenstelling tot de opvattingen binnen het jodendom en christendom, waarin de vrouw vaak als minderwaardig, zondig of in haar wezen verkeerd wordt gezien, is dit géén gedachtegang die de Islām aanneemt. De Qur’ān zegt namelijk niet dat de vrouw uit de rib van de man geschapen is, maar dat man en vrouw uit “één ziel” zijn voortgebracht (an-Nisā’, 4:1; al-Anʿām, 6:98). Ja, de Qur’ān richt zich tot de mensheid met de herinnering dat zij geschapen zijn uit “een man en een vrouw” (an-Nisā’, 4:1; al-Ḥujurāt, 49:13), en niet enkel uit een man.De bewering dat Ḥawwā’ (عليها السلام) uit Ādam (عليه السلام) geschapen zou zijn, staat in de verzen van de Tawrāh, waar de relatie tussen man en vrouw wordt voorgesteld als die van deel en geheel. Hoewel er sommige overleveringen zijn die spreken over de schepping van de vrouw uit de rib, is bekend dat deze niet in overeenstemming zijn met de samenhang van de boodschap van de Qur’ān. Daarom zijn, behalve de vergelijking (tashbīh) in deze ḥadīth, overleveringen waarin de rib als scheppingsmateriaal van de vrouw wordt genoemd, en Ādam (عليه السلام) daarbij als oorsprong wordt genoemd, wordt door geleerden onderworpen aan tekstkritiek.Zoals man en vrouw biologisch verschillend geschapen zijn, zo hebben zij ook op het vlak van gevoelens, gedachten en gedragingen verschillende voorkeuren en neigingen. De ḥadīth heeft als doel de man te waarschuwen dat hij de vrouw niet met dwang mag proberen te veranderen of te dwingen te voelen en te denken zoals hijzelf, omdat dit alleen maar leidt tot negatieve gevolgen zoals echtscheiding. De ribben zijn immers in een bijzondere vorm geschapen om vitale organen zoals het hart en de longen te beschermen.

Als we die vorm als een probleem beschouwen en van haar verwachten dat zij recht zal worden, betekent dat men haar wezen en scheppingsdoel niet begrijpt. ] (Diyanet)

٩٣٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلاَ يُؤْذِي جَارَهُ، وَاسْتَوْصُوا بِالنِّسَاءِ خَيْرًا فَإِنَّهُنَّ خُلِقْنَ مِنْ ضِلَعٍ، وَإِنَّ أَعْوَجَ شَيْءٍ فِي الضِّلَعِ أَعْلاَهُ، فَإِنْ ذَهَبْتَ تُقِيمُهُ كَسَرْتَهُ، وَإِنْ تَرَكْتَهُ لَمْ يَزَلْ أَعْوَجَ، فَاسْتَوْصُوا بِالنِّسَاءِ خَيْرًا934 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat zijn buren geen last bezorgen. Ik adviseer jullie om goed te zijn voor vrouwen (behandel vrouwen goed), want zij zijn geschapen uit een rib. Het kromste deel van de rib is de bovenkant; als je die probeert recht te maken, breek je haar, en als je haar laat zoals ze is, blijft ze krom. Dus wees goed voor de vrouwen.”

٩٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَوْلاَ بَنُو إِسْرَائِيلَ لَمْ يَخْنَزِ اللَّحْمُ، وَلَوْلاَ حَوَّاءُ لَمْ تَخُنْ أُنْثَى زَوْجَهَا935 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als de Zonen van Israël er niet waren, zou het vlees niet bederven; als Ḥawwā’ er niet was, zou de vrouw haar man geen onrecht (verraad) aandoen.”

[Allāhu تَعَالَى heeft de Zonen van Israël bevrijd van de onderdrukking van de Farao, liet hen op wonderbaarlijke wijze de Rode Zee oversteken enschonk hun unieke gunsten zoals manna en kwartelvlees (al-Baqara, 2/49-59). Toch stelden zij deze zegeningen niet op prijs; hoewel zij overvloedig voedsel hadden, probeerden zij in plaats van het overschot met de behoeftigen te delen, voorraden aan te leggen. Het vlees dat zij opsloegen in het hete klimaat bederfde uiteraard.

Het bederven van vlees begon uiteraard niet met de Zonen van Israël, maar dit gedeelte van de ḥadīth kan gelezen worden als een waarschuwing: gierigheid en egoïsme, en het nalaten van goedheid en vrijgevigheid, leiden uiteindelijk tot een toestand van verrotting, zowel letterlijk als figuurlijk.Aan de andere kant wordt volgens de verhalen van de Tawrāh Ḥawwā’ (عليها السلام) verantwoordelijk gehouden voor het misleiden van Adam (عليه السلام) in het Paradijs, nadat zij in de val van de slang (de shayṭān) trapte en van de verboden boom at, waardoor beiden uit het Paradijs werden verdreven. Volgens dit idee van de “erfzonde” zou Ḥawwā’ samen met haar dochters tot aan de Dag der Opstanding gestraft zijn met moeilijkheden zoals menstruatie, zwangerschap en bevallen. In de joodse traditie worden menstruerende vrouwen als onrein beschouwd: zij mogen niet aan dezelfde tafel zitten, niet in hetzelfde bed slapen en men mag zelfs hun kleding niet aanraken (Bijbel, Leviticus 15:19-24).an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet echter zien dat deze vernederende praktijken geen goddelijke oorsprong hadden: hij sliep onder dezelfde deken met zijn menstruerende vrouw, at samen met haar aan dezelfde tafel, leunde op haar schoot terwijl zij menstrueerde. Hij reciteerde de Qur’ān, en zelfs tijdens zijn iʿtikāf in de moskee stak hij zijn hoofd naar zijn huis zodat zijn vrouw zijn haar kon kammen (al-Bukhārī, Ḥayḍ, 3-4; Muslim, Ḥayḍ, 5, 8, 15, 16).De Qur’ān schrijft een zogenaamde “eten van de verboden boom” nooit uitsluitend aan Ḥawwā’ (عليها السلام) toe. Integendeel, Allāh waarschuwde zowel Adam (عليه السلام) als zijn echtgenote gezamenlijk tegen de shayṭān:

فَقُلۡنَا يَٰٓـَٔادَمُ إِنَّ هَٰذَا عَدُوّٞ لَّكَ وَلِزَوۡجِكَ فَلَا يُخۡرِجَنَّكُمَا مِنَ ٱلۡجَنَّةِ فَتَشۡقَىٰٓ ١١٧

Toen zeiden Wij: “O Adam! Waarlijk, dit is een vijand voor jou en je vrouw. Laat hem daarom niet jullie beiden uit het Paradijs verjagen, zodat jullie aan de ellende overgeleverd zijn. (surah Ṭāhā, 20/117).

De werkwoorden in de betreffende verzen staan in de tweevoudsvorm, daarom is het duidelijk dat Adam (عليه السلام) en Ḥawwā’ (عليها السلام) samen misleid zijn, samen fout zijn begaan, samen berouw hebben getoond en samen naar het aardse leven zijn gezonden (al-Baqara, 2/36-38; Ṭāhā, 20/121-123).Daarom is, vanwege de duidelijke tegenspraak met de uitspraken van de Qur’ān, het deel van de ḥadīth dat Ḥawwā’ (عليها السلام) beschuldigt van verraad, onderworpen aan tekstkritiek. ] (Diyanet)