As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb aṣ-Ṣayd wa’dz-Dzabā’iḥ mā: mā yu’kal min al-Ḥayawān: Boek over de jacht en slacht: welke dieren gegeten mogen worden

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb aṣ-Ṣayd wa’dz-Dzabā’iḥ mā: mā yu’kal min al-Ḥayawān: Boek over de jacht en slacht: welke dieren gegeten mogen worden

[De kern van de Islām wordt gevormd door tawḥīd, het geloof in de eenheid van Allāh. Sinds Ādam (عليه السلام) is er als natuurlijk gevolg hiervan een onvermoeibare strijd gevoerd tegen elke vorm van shirk (afgoderij).

Een praktische uitwerking hiervan in het dagelijks leven is dat het verboden is om bij het slachten van dieren een andere naam dan die van Allāh te noemen, of een dier te slachten als offer voor iemand anders dan Allāh. Het is eveneens verboden het vlees te eten van een dier dat op die manier is geslacht.

In de Qur’ān wordt vermeld dat één van de vier soorten voedsel die ḥarām zijn, dieren zijn die geslacht zijn ter ere van iemand anders dan Allāh. Onder islamitische rechtsgeleerden bestaat echter verschil van mening over de vraag of het voor moslims verplicht is bij het slachten de naam van Allāh te vermelden, en zo ja, in welke mate dit verplicht is.

In de Qur’ān zegt Allah:

فَكُلُواْ مِمَّا ذُكِرَ ٱسۡمُ ٱللَّهِ عَلَيۡهِ إِن كُنتُم بِـَٔايَٰتِهِۦ مُؤۡمِنِينَ ١١٨

Eet dus van dat (vlees) waarover Allah’s Naam uitgesproken is, als jullie in Zijn Verzen geloven. (surah al-An‘ām: 6/118) en:وَلَا تَأۡكُلُواْ مِمَّا لَمۡ يُذۡكَرِ ٱسۡمُ ٱللَّهِ عَلَيۡهِ وَإِنَّهُۥ لَفِسۡقٞۗ ١٢١

Eet niet van dat waarover Allah’s Naam niet uitgesproken is, dit is zeker een zonde… (surah al-An‘ām: 6/121)

Er bestaat discussie over de vraag of deze verzen bedoeld zijn om het eten van dieren die voor anderen dan Allāh zijn geslacht te verbieden, waarmee het principe wordt bevestigd dat een moslim enkel namens Allāh slacht, of dat de bedoeling is dat bij het slachten zelf expliciet de naam van Allāh wordt uitgesproken.

De meerderheid van de fuqahā’ (rechtsgeleerden), met name de Ḥanafien Māliki-geleerden, baseren zich op de letterlijke betekenis van de verzen (Sûrah al-An‘ām 6:118, 121) en beschouwen het uitspreken van de basmala bij het slachten als een voorwaarde, mits het niet uit vergeetachtigheid wordt weggelaten. Wordt de basmala echter opzettelijk weggelaten, dan is het vlees volgens hen niet toegestaan om te eten.

Een andere groep islamitische rechtsgeleerden, waaronder Imām ash-Shāfi‘ī, is van mening dat de moslim zijn dier altijd in naam van Allāh slacht, en dat het uitspreken van de basmala bij het slachten geen verplichting (farḍ) of voorwaarde (sharṭ) is, maar een sunnah. Zij leggen uit dat de verzen in kwestie betrekking hebben op dieren die voor afgoden werden geslacht of die vanzelf zijn doodgegaan (maytah), en dat daarom ook het vlees van een dier waarvan een moslim de basmala bewust niet heeft uitgesproken, toegestaan is om te eten.

Wat betreft het jagen: in enge, technische zin verwijst dit naar het vangen van dieren die van nature wild zijn, voor mensen wegvluchten en niet met gewone middelen kunnen worden gevangen. In bredere zin omvat het ook het vangen van dieren waarvan het vlees niet wordt gegeten, maar waarvan andere delen – zoals huid, haar of tanden – nuttig gebruikt kunnen worden.

Het jagen op dieren waarvan het vlees ḥalāl is, omwille van hun vlees, en het jagen op dieren waarvan het vlees niet wordt gegeten, maar waarvan andere bruikbare delen worden benut of om schade te voorkomen, wordt in principe als toegestaan (mubāḥ) beschouwd.

Het jagen zonder enig nuttig doel, of uit wreedheid tegenover dieren, is echter niet toegestaan. Het behoud van de natuur en van de diersoorten is immers een basisprincipe; buitensporige of seizoensloze jacht kan de voortplanting en ontwikkeling van dieren ernstig schaden.] (HA)