As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb az-Zakāh: Boek over de zakāh

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb az-Zakāh: Boek over de zakāh

[De lexicale(taalkundige) betekenis van zakāh zuiveren, reinigen en toenemen. Allah heeft gezegd:قَدۡ أَفۡلَحَ مَن زَكَّىٰهَا ٩ Voorzeker, degene die haar (de ziel) reinigt (van zonden), zal welslagen. (sûrah ash-Shams: 9)De Arabieren zeggen: «زَكَا المَالُ» wat betekent: “het bezit is toegenomen.”In de sharīʿah duidt zakāh op het overdragen van een vastgesteld deel van het bezit, onder specifieke voorwaarden, aan degenen die daar recht op hebben. Met “een vastgesteld deel van het bezit” wordt het vermogen bedoeld dat als zakāh wordt afgedragen.Zakāh betekent in wezen de zuivering van het bezit. Tegelijkertijd houdt het ook in dat men geeft uit bezit dat groeit en zich vermeerdert. Daarom omvat de sharīʿah-betekenis eveneens de taalkundige betekenis. Sterker nog, het afdragen van zakāh vormt juist een oorzaak voor de vermeerdering en zegening van het resterende bezit. Zoals Allah zegt:وَإِذۡ تَأَذَّنَ رَبُّكُمۡ لَئِن شَكَرۡتُمۡ لَأَزِيدَنَّكُمۡۖ وَلَئِن كَفَرۡتُمۡ إِنَّ عَذَابِي لَشَدِيدٞ ٧

En (gedenk) toen jullie Heer verklaarde: “Als jullie dank betuigen, dan geef Ik jullie meer maar als jullie ondankbaar zijn, waarlijk! Mijn bestraffing is zeker zwaar.” (sûrah Ibrāhīm: 7)

Wijsheden achter de instelling van zakāhEr zijn vele wijsheden achter het verplicht stellen van de zakāh; wij noemen hier slechts enkele daarvan.1. Zakāh is voorgeschreven als uiting van dankbaarheid voor de gunst van bezit en als een beproeving van Allāh voor Zijn dienaren. Een moslim is immers iemand die zich ertoe verbindt alles te verrichten wat Allāh gebiedt, zich te onthouden van wat Hij verbiedt en uitsluitend in Hem te geloven. Zakāh is ingesteld om te toetsen of deze toewijding oprecht is.De vermogende die zijn zakāh afdraagt, toont daarmee zijn trouw aan zijn belofte tegenover Allāh en doorstaat deze beproeving. Wie daarentegen weigert zakāh te geven, laat zien dat hij onwaarachtig is in zijn belofte en dat hij, naast Allāh, ook rijkdom tot object van verering maakt, waardoor hij zowel zijn wereldse leven als zijn hiernamaals te gronde richt.2. Zakāh is het recht van de armen in het bezit van de rijken.

Zoals Allah zegt:وَٱلَّذِينَ فِيٓ أَمۡوَٰلِهِمۡ حَقّٞ مَّعۡلُومٞ ٢٤ En in wiens rijkdom een rechtmatig deel is.لِّلسَّآئِلِ وَٱلۡمَحۡرُومِ٢٥ Voor de bedelaar en de behoeftige die niet bedelt. (Sûrah al-Ma‘ārij: 24-25)

3. Zakāh is te vergelijken met een schaap van een arme dat zich tussen de kudde van een rijke bevindt: in wezen blijft het eigendom van de arme en dient het te worden teruggegeven. Op dezelfde wijze bevindt zich in het bezit van de rijke een deel dat de arme toekomt, namelijk de zakāh. Het achterhouden daarvan is even verwerpelijk als het niet teruggeven van het schaap van een ander. Het is niets anders dan het onrechtmatig toe-eigenen van andermans bezit, oftewel diefstal.

4. Zakāh vermindert het aantal bedelaars. want wanneer de behoeftige voldoende ontvangt, wordt hij niet gedwongen om te bedelen.5. Zakāh vormt een belangrijk middel ter bescherming tegen het ontstaan van communisme, dat juist is voortgekomen uit het onrecht van rijkdom die niet wordt gedeeld.

6. Door zakāh wordt de Islām verspreid en het woord van Allāh verheven: de arme draagt bij aan de jihād met zijn leven, de rijke met zijn bezit.

7. Zakāh zuivert de rijke van gierigheid en vormt hem tot iemand die werkelijk succes behaalt.

De status van zakāhZakāh behoort tot de grootste daden van aanbidding en is een van de vijf pijlers van de Islām. Zoals de ṣalāh een lichamelijke daad van aanbidding is, is zakāh dat op financieel gebied; het kan gezien worden als de tweelingbroer van de ṣalāh. In de Qur’ān worden zakāh en ṣalāh maar liefst 82 keer gezamenlijk genoemd.

Oorzaak: Zakāh is verschuldigd over bezit dat werkelijk of potentieel groeit.

Voorwaarden: Er zijn acht voorwaarden verbonden aan zakāh. Vijf hebben betrekking op de bezitter: hij of zij moet vrij zijn, gezond van geest, volwassen, moslim en schuldenvrij.

Drie voorwaarden hebben betrekking op het bezit: het moet ten minste de volledige nisāb bereiken (de minimale drempelwaarde van rijkdom), het moet vermenigvuldigbaar zijn en er moet een volledig jaar overheen zijn gegaan.Zakāh werd verplicht gesteld in het tweede jaar na de Hidjrah, vóór Ramaḍān. Het is een noodzakelijke en vaste verplichting binnen de Islām. De verplichting is vastgelegd in de Qur’ān, de sunnah en door consensus (ijmāʿ) van de gemeenschap. Ontkenning ervan wordt beschouwd als ongeloof.

Bewijzen uit de Qur’ān zijn onder meer:وَأَقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَءَاتُواْ ٱلزَّكَوٰةَ وَٱرۡكَعُواْ مَعَ ٱلرَّٰكِعِينَ ٤٣ En verricht de ṣalwāt correct en geef zakāh en buig met degenen die buigen. (sûrah al-Baqarah 2: 430)خُذۡ مِنۡ أَمۡوَٰلِهِمۡ صَدَقَةٗ تُطَهِّرُهُمۡ وَتُزَكِّيهِم بِهَا وَصَلِّ عَلَيۡهِمۡۖ إِنَّ صَلَوٰتَكَ سَكَنٞ لَّهُمۡۗ وَٱللَّهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ ١٠٣Neem aalmoezen van hun weelde om hen te reinigen en te zuiveren (O Mohammed) en roep Allah voor hen aan. Waarlijk! Jouw aanroepingen zijn een bron van zekerheid voor hen en Allah is Alhorend, Alweten. (sûrah at-Tawbah 9:103)وَٱلَّذِينَ فِيٓ أَمۡوَٰلِهِمۡ حَقّٞ مَّعۡلُومٞ ٢٤ En in wiens rijkdom een rechtmatig deel is.لِّلسَّآئِلِ وَٱلۡمَحۡرُومِ٢٥ Voor de bedelaar en de behoeftige die niet bedelt. (Sûrah al-Ma‘ārij: 24-25)

Bewijs uit de sunnah: het bekende hadīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei dat de Islām gebouwd is op vijf zaken, waaronder zakāh, evenals andere overleveringen die dit bevestigen.] (Bulughu’l Marām)

٥٦٧ - حديث أَبِي سَعِيدٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَيْسَ فِيمَا دُونَ خَمْسِ أَوَاقٍ صَدَقَةٌ، وَلَيْسَ فِيمَا دُونَ خَمْسِ ذَوْدٍ صَدَقَةٌ، وَلَيْسَ فِيمَا دُونَ خَمْسِ أَوْسُقٍ صَدَقَةٌ567) Van Abū Saʿīd (al-Khuḍrī) (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Voor zilver is geen ṣadaqah (zakāh) verplicht als het minder dan vijf uqiyyah bedraagt. Voor kamelen is er geen zakāh verschuldigd als het er minder dan vijf zijn (en ze minstens drie jaar oud zijn). Evenzo is er geen zakāh verschuldigd over landbouwproducten als de oogst minder dan vijf wasq bedraagt.’

[Een uqiyyah is een zilveren eenheid ter waarde van 40 dirham. Vijf uqiyyah is dus 200 dirham zilver. Een dirham wordt tegenwoordig soms gewaardeerd op 70 gerstkorrels of op 64 tarwekorrels, wat overeenkomt met 2,8 tot 3,2 gram. Bij een minimale berekening van 2,8 gram is 200 dirham × 2,8 g = 560 g zilver. Bij 3,2 g per dirham wordt dit 200 × 3,2 = 640 g zilver.Een wasq komt overeen met 60 ṣāʿ. Eén ṣāʿ komt overeen met 1040 dirham. Dus één wasq = 60 × 1040 = 62.400 dirham. Bij een gewicht van 2,8 g per dirham is dat 62.400 × 2,8 = 174.720 g = 174,72 kg.

Vijf wasq = 5 × 174,72 = 873,6 kg. Bij 3,2 g per dirham is vijf wasq = 5 × (62.400 × 3,2) = 973,44 kg. Dit verschil in maat komt voort uit lokale verschillen in standaarden. In zulke gevallen is het voorzichtig om uit te gaan van de minimale hoeveelheid. Deze maatvoering is volgens de Ḥanafī-madzhab In andere madzāhib wordt vijf wasq op ongeveer 610 kg geschat.] (AFK)

[Voor het opleggen van zakāh moeten zowel de persoon die zakāh betaalt als het bezit waarover zakāh wordt gegeven aan specifieke voorwaarden voldoen. De minimale hoeveelheid bezit waarop zakāh verschuldigd is, wordt de nisāb genoemd. In deze ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de nisāb-waarden vastgesteld die als maatstaf voor rijkdom dienen bij het afdragen van zakāh.

Zoals vermeld in het eerste deel van de ḥadīth, is er geen zakāh verplicht voor minder dan vijf uqiyyah of 200 dirham zilver. Onder de fiqh-geleerden bestaat overeenstemming dat de nisāb voor zilver 200 dirham bedraagt. De bepaling dat er geen zakāh is voor minder dan vijf kamelen betekent dat de nisāb voor kamelen vijf dieren is.

In het laatste deel van de ḥadīth wordt aangegeven dat voor landbouwproducten een nisāb van vijf wasq geldt. Een wasq is een volumemaat van ongeveer 165 liter, wat neerkomt op circa 132 kilogram tarwe. Pas wanneer de oogst vijf keer deze hoeveelheid (660 kg) bereikt, wordt zakāh over de landbouwproducten verschuldigd.] (Diyanet)

Voor de slaaf of paard van een moslim is geen zakāh verschuldigd

لا زكاة على المسلم في عبده وفرسه

٥٦٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَيْسَ عَلَى الْمُسْلِمِ فِي فَرَسِهِ وَغُلامِهِ صَدَقَةٌ

568) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een moslim is niet verplicht ṣadaqah (zakāh) te betalen over zijn paard of zijn slaaf.”

[Uit de overleveringen blijkt dat in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en ook tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) paarden in Madīnah en de omliggende gebieden minder talrijk waren dan kamelen. Moslims fokten paarden vooral voor oorlogsdoeleinden, terwijl grootschalige fokkerij voor verkoop en winst toen nog niet bestond

Toen een groep moslims uit Damascus voorstelde om zakāh te betalen over hun paarden, wees ʿUmar (رضي الله عنه) dit aanvankelijk af, omdat tijdens de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Abu Bakr (رضي الله عنه) een dergelijke praktijk niet bestond. Later stond hij het wel toe, maar toen bleek dat de paarden hoofdzakelijk voor commerciële doeleinden werden gefokt, werd besloten dat deze paarden wél onder de zakāh dienen te vallen.

De meerderheid van de islamitische juristen baseerde zich op de ḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), waarin hij verklaarde dat paarden vrijgesteld zijn van zakāh, en concludeerde dat alle paarden in principe vrijgesteld blijven.

Volgens Abu Hanīfah en zijn leerling Zūfar geldt echter:

Paarden die gemengd (merries en hengsten) worden gehouden met het doel nakomelingen te verkrijgen voor toekomstige verkoop, en die het grootste deel van het jaar in de weide grazen, zijn wél onderworpen aan zakāh.

Het tarief bedraagt 1/40 (2,5%) van de waarde van het paard, berekend in dinar per paard.

Er bestaat consensus onder moslimjuristen dat alle paarden die voor commerciële doeleinden worden gefokt, onder de zakāh vallen.

Samengevat: de discussie betreft uitsluitend paarden die gemengd worden gehouden om nakomelingen te verkrijgen en het grootste deel van het jaar in de weide grazen. Het geschil ontstond omdat tijdens de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen zakāh op dit type paarden werd toegepast.

Het is belangrijk te beseffen dat bij het bepalen van zakāh op dieren rekening moet worden gehouden met de in die samenleving gangbare en bekende diersoorten. Tegenwoordig dient zakāh op andere gefokte en in kuddes gehouden dieren volgens dezelfde principes te worden berekend.] (HA)

Het vooruit betalen of het helemaal niet geven van zakāh

في تقديم الزكاة ومنعها

٥٦٩ – حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: أَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِالصَّدَقَةِ، فَقِيلَ: مَنَعَ ابْنُ جَمِيلٍ، وَخَالِدُ بْنُ الْوَلِيدِ، وَعَبَّاسُ بْن عَبْدِ الْمُطَّلِبِ؛ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: ⦗١٩٨⦘ مَا يَنْقِمُ ابْنُ جَمِيلٍ إِلاَّ أَنَّهُ كَانَ فَقِيرًا فَأَغْنَاهُ اللهُ وَرَسُولُهُ وَأَمَّا خَالِدٌ، فَإِنَّكُمْ تَظْلمُونَ خَالِدًا، قَدِ احْتَبَسَ أَدْرَاعَهُ وَأَعْتُدَهُ فِي سَبِيلِ اللهِ؛ وَأَمَّا الْعَبَّاسُ بْنُ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ، فَعَمُّ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَهِيَ عَلَيْهِ صَدَقَةٌ وَمِثْلَهَا مَعَهَا

569) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval het geven van ṣadaqah (zakāh). Er werd tegen hem gezegd: ‘Ibn Jamīl, Khālid ibn al-Walīd enʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib weigerden/gaven geen zakāh.’Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Ibn Jamīl weigert uit ondankbaarheid, terwijl hij arm was en Allāh en Zijn Rasûl hem rijk maakten. Wat betreft Khālid, jullie doen hem onrecht aan: hij heeft zijn harnassen en oorlogswapens gewijd aan de weg van Allāh, en daarover is geen zakāh verschuldigd. Wat betreftʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib, de oom van Rasûlullāh, voor hem is zakāt wel verplicht; (aangezien hij zijn zakāt vóór de vastgestelde tijd heeft gegeven, moet hij aan het einde van het jaar) opnieeuw een gelijke hoeveelheid zakāt afdragen.’

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) herinnerde de metgezellen eraan dat Ibn Jamīl moslim was geworden dankzij de zakāh die hij ontving terwijl hij arm was, en dat hij bovendien rijk werd door de oorlogsbuit die tijdens de strijd werd verkregen.

Volgens een overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim hechtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) groot belang aan het voldoen van deze zakāh en zei: “Het voldoen van deze zakāh rust op mij.” Hij verduidelijkte zijn uitspraak met de verklaring: “Een oom is als een vader.”] (HY)

Het is verplicht voor de moslims om zakāh al-fīṭr in dadels en gerst te geven

زكاة الفطر على المسلمين من التمر والشعير

٥٧٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَرَضَ زَكَاةَ الْفِطْرِ صَاعًا مِنْ تَمْرٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ شَعِيرٍ، عَلَى كُلِّ حُرٍّ أَوْ عَبْدٍ، ذَكَرٍ أَوْ أُنْثى، مِنَ الْمُسْلِمِينَ

570) Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de zakāh al-fiṭr (zakāh-na-de-vasten) verplicht gesteld voor iedere vrije persoon of slaaf, man of vrouw, (jong en oud) onder de moslims: één saʿ dadels of één saʿ gerst. [In een andere ḥadīth staat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval dat ṣadaqah al-fiṭr gegeven moest worden vóór de ʿĪd-ṣalāh.] (AFK)

٥٧١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ؛ قَالَ: أَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ بِزَكَاةِ الْفِطْرِ صَاعًا مِنْ تَمْرٍ أَوْ صَاعًا مِنْ شَعِيرٍ قَالَ عَبْدُ اللهِ ﵁: فَجَعَلَ النَّاسُ عِدْلَهُ مُدَيْنِ مِنْ حِنْطَةٍ571) Van Van`Abdullah Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft bevolen de zakāh al-fiṭr te geven in de hoeveelheid van één ṣāʿ dadels of één ṣāʿ gerst.

ʿAbdullāh (رضي الله عنه) zei: Vervolgens maakten de mensen het equivalent ervan: één ṣāʿ gerst voor twee mud tarwe.

٥٧٢ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: كُنَّا نُخْرِجُ زَكَاةَ الْفِطْرِ صَاعًا مِنْ طَعَامٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ شَعِيرٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ تَمْرٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ أَقِطٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ زَبِيبٍ572 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Wij plachten zakāh al-fiṭr uit te geven in de vorm van één ṣāʿ tarwe, of één ṣāʿ gerst, of één ṣāʿ dadels, of één ṣāʿ gedroogde wrongel (soort kaas), of één ṣāʿ rozijnen.”

٥٧٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: كُنَّا نُعْطِيَهَا، فِي زَمَانِ النَّبِيِّ ﷺ، صَاعًا مِنْ طَعَامٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ تَمْرٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ شَعِيرٍ، أَوْ صَاعًا مِنْ زَبِيبٍ فَلَمَّا جَاءَ مُعَاوِيَةُ وَجَاءَتِ السَّمْرَاءُ، قَالَ: أَرَى مُدًّا مِنْ هذَا يَعْدِلُ مُدَّيْنِ573) Van Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنه):In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaven wij één ṣāʿ van tarwe, dadels, gerst of rozijnen als ṣadaqah al-fiṭr. Toen Muʿāwiyah (tijdens zijn khalifaatschap voor Haj of `umrah naar Makkah) kwam en de donkerkleurige tarwe (uit Shām) gangbaar werd, zei hij (tijdens een preek): “Ik zie dat één mud hiervan gelijk is aan twee mud (van het andere: dadels, gerst, rozijnen).”

De zonde van degene die geen zakāh afdraagtإثم مانع الزكاة

٥٧٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْخَيْلُ لِثَلاَثَةٍ: لِرَجُلٍ أَجْرٌ، وَلِرَجُلٍ سِتْرٌ، وَعَلَى رَجُلٍ وِزْرٌ فَأَمَّا الَّذِي لَهُ أَجْرٌ فَرَجُلٌ رَبَطَهَا فِي سَبِيلِ اللهِ فَأَطَالَ فِي مَرْجٍ أَوْ رَوْضَةٍ، فَمَا أَصَابَتْ فِي طِيَلِهَا ذَلِكَ مِنَ الْمَرْجِ أَوِ الرَّوْضَةِ كَانَتْ لَهُ حَسَنَاتٍ، وَلَوْ أَنَّهَا قَطَعَتْ طِيَلَهَا فَاسْتَنَّتْ شَرَفًا أَوْ شَرَفَيْنِ كَانَتْ أَرْوَاثُهَا وَآثَارُهَا حَسَنَاتٍ لَهُ، وَلَوْ أَنَّهَا مَرَّتْ بِنَهَرٍ فَشَرِبَتْ مِنْهُ وَلَمْ يُرِدْ أَنْ يَسْقِيَهَا كَانَ ذَلِكَ حَسَنَاتٍ لَهُ؛ وَرَجُلٌ رَبَطَهَا فَخْرًا وَرِئَاءً وَنِوَاءً لأَهْلِ الإِسْلاَمِ فَهِيَ وِزْرٌ عَلَى ذلِكَ

وَسُئِلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ الْحُمُرِ، فَقَالَ: مَا أُنْزِلَ عَلَيَّ فِيهَا إِلاَّ هذِهِ الآيَةُ الْجَامِعَةُ الْفاذَّةُ (مَنْ يَعْمَلْ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ خَيْرًا يَرَهُ وَمَنْ يَعْمَلْ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ شَرًّا يَرَهُ)

574) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De paarden zijn voor drie soorten mensen:Voor een man is er beloning, voor een man is het een bescherming, en voor een man is het een zonde.

Wat betreft degene voor wie het als beloning geldt: het betreft een man die het paard bindt op weg van Allāh, en het laat grazen in een weiland of tuin. Alles wat het tijdens zijn touwlengte eet, wordt voor hem gerekend als goede daden. Breekt het (paard) zijn touw en gaat het één of twee hoogtes (heuvels) op, dan worden ook zijn mest en voetstappen (van het paard) als goede daden voor hem beschouwd. Zelfs als het (paard) een rivier passeert en daarvan drinkt, terwijl hij dit niet van plan was, wordt dit eveneens als goede daden voor hem gerekend.

En een man die het paard bindt uit trots, pronkzucht of om te wedijveren met andere moslims, begeeft zich in zonde.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over de (zakāh) voor ezels, zei hij:

“Er is hierover niets aan mij geopenbaard behalve dit allesomvattende en bijzondere vers:فَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٍ خَيۡرٗا يَرَهُۥ ٧

Dus wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.

وَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖ شَرّٗا يَرَهُۥ ٨

En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.(sûrah al-Zalzalah: 7–8)

[In een andere ḥadīth wordt overgeleverd: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie de zakāh over zijn goud en zilver niet betaalt zal op de Dag der Opstanding dat goud en zilver verhit zien worden in het vuur van de Hel en tot platen gesmolten worden.

Daarmee zullen hun zijden, voorhoofden en ruggen gebrandmerkt worden. En telkens wanneer die platen afkoelen, zullen zij opnieuw verhit worden, gedurende een Dag die vijftigduizend jaar duurt, totdat de afrekening tussen de mensen is voltooid. Daarna zal zijn uiteindelijke bestemming worden getoond: ofwel het Paradijs, ofwel de Hel.”Er werd gevraagd: “O Rasûlullāh, hoe zit het met kamelen?”Hij antwoordde: “Wie de zakāh over zijn kamelen niet betaalt, inclusief het aanbieden van melk aan de armen bij waterplaatsen, zal op de Dag der Opstanding op een open vlakte op zijn gezicht worden gelegd. Elke kameel, zonder uitzondering, zal hem met haar hoeven vertrappen en met haar tanden bijten. Telkens wanneer de kudde voorbij is, zal zij opnieuw terugkeren, gedurende een Dag van vijftigduizend jaar, totdat de afrekening is voltooid en zijn uiteindelijke bestemming (Paradijs of Hel) aan hem wordt getoond.”

Er werd gevraagd: “O Rasûlullāh, hoe zit het met runderen en schapen?”Hij antwoordde: “Wie hun rechten niet betaald, zal op de Dag der Opstanding op een vlakte gelegd worden, en elk dier, of het nu hoorns heeft of niet, gebroken of niet, zal hem stoten met zijn hoorns en vertrappen met zijn hoeven. Telkens als de kudde voorbij is, zal zij opnieuw terugkeren, gedurende die vijftigduizend jaar, totdat de afrekening voltooid is en zijn uiteindelijke bestemming (Paradijs of Hel) wordt getoond.”

Er werd gevraagd: “O Rasûlullāh, hoe zit het met paarden?”Paarden zijn er in drie categorieën:

voor de één zijn ze een bron van beloning,

voor de ander een bescherming,

en voor weer een ander een zonde.

Wat betreft degene voor wie het een bron van beloning is: dit is iemand die het paard heeft vastgebonden (in en weide of een tuin) op weg van Allāh. en het laat grazen in een weide of tuin. Alles wat het paard binnen het bereik van zijn touw eet, wordt voor hem geregistreerd als goede daden. Zelfs wanneer het paard zijn touw breekt en op één of twee verhogingen (heuvels) graast, worden zowel zijn mest als zijn voetsporen voor hem als goede daden opgetekend.

En wanneer het paard langs een rivier komt en daarvan drinkt zonder dat de eigenaar dit bewust heeft toegestaan, wordt ook dat als een goede daad voor hem beschouwd.

Wat betreft degene voor wie het een bescherming is: dit is iemand die zijn paard houdt ten dienste van de zaak van Allāh, zonder de rechten van Allāh met betrekking tot het zadel en de rug van het paard te verwaarlozen. Voor zo iemand vormt het paard een bescherming.

Maar wie een paard vastbindt in een weide of tuin uit trots, pronkzucht of om zich vijandig te meten met de moslims, voor hem is dit een zonde.

Toen Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd naar ezels, zei hij: “Er is mij hierover niets geopenbaard, behalve dit allesomvattende en samenvattende vers.”

فَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٍ خَيۡرٗا يَرَهُۥ ٧

Dus wie iets goeds deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.

وَمَن يَعۡمَلۡ مِثۡقَالَ ذَرَّةٖ شَرّٗا يَرَهُۥ ٨

En wie iets kwaads deed ter grootte van een mosterdzaadje, zal het dan zien.(sûrah al-Zalzalah: 7–8)] (AFK)

Zware bestraffing voor degene die geen zakāh gevenتغليظ عقوبة من لا يؤدي الزكاة

٥٧٥ - حديث أَبِي ذَرٍّ، قَالَ: انْتَهَيْتُ إِلَيْهِ وَهُوَ يَقُولُ، فِي ظِلِّ الْكَعْبَةِ: هُمُ الأَخْسَرُونَ وَرَبِّ الْكَعْبَةِ، هُمُ الأَخْسَرُونَ وَرَبِّ الْكَعْبَةِ قُلْتُ: مَا شَأْنِي أَيُرَى فِيَّ شَيْءٌ مَا شَأْنِي فَجَلَسْتُ إِلَيْهِ وَهُوَ يَقُولُ، فَمَا اسْتَطَعْتُ أَنْ أَسْكُتَ، وَتَغَشَّانِي مَا شَاءَ اللهُ، فَقُلْتُ: مَنْ هُمْ بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: الأَكْثَرُونَ أَمْوَالًا إِلاَّ مَنْ قَالَ هكَذَا وَهكَذَا وَهكَذَا

575) Van Abū Dzar (رضي الله عنه):Ik kwam bij hem (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij in de schaduw van de Kaʿbah zat.Hij zei (herhaaldelijk): “Zij zijn de verliezers, bij de Rab van de Kaʿbah! Zij zijn de verliezers, bij de Rab van de Kaʿbah!”Ik dacht bij mezelf: “Wat is er met mij? Is er iets over mij geopenbaard? Wat is er met mij?”Daarna ging ik bij hem zitten, terwijl hij (deze woorden) bleef herhalen.Ik kon mij niet langer inhouden en werd, zoals Allāh wilde, door bezorgdheid overmandToen zei ik: “Wie zijn zij, moge mijn vader en moeder voor u opgeofferd worden, o Rasûlullāh?”Hij zei: “Zij die veel bezit hebben, behalve degene die het zo en zo en zo besteedt (in het goede).” (Daarna wees met zijn hand naar links, rechts en voren)

٥٧٦ - حديث أَبِي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: انْتَهَيْتُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ أَوْ وَالَّذِي لاَ إِلهَ غَيْرُهُ أَوْ كَمَا حَلَفَ مَا مِنْ رَجُلٍ تَكُونُ لَهُ إِبِلٌ أَوْ بَقَرٌ أَوْ غَنَمٌ لاَ يُؤَدِّي حَقَّهَا إِلاَّ أُتِيَ بِهَا يَوْمَ الْقِيَامَةِ أَعْظَمَ مَا تَكُونُ وَأَسْمَنهُ، تَطَؤُهُ بِأَخْفَافِهَا، وَتَنْطَحُهُ بِقُرُونِهَا، كُلَّمَا جَازَتْ أُخْرَاهَا رُدَّتْ عَلَيْهِ أُولاَهَا، حَتَّى يُقْضَى بَيْنَ النَّاسِ576) Van Abū Dzar (رضي الله عنه):Ik kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel berust, of hij zei: ‘Bij Hem naast wie geen godheid is’ of hoe zijn eed ook luidde, een ieder die kamelen of runderen of schapen bezit en hun recht (niet opbrengt wat daarover verschuldigd is: zakāh), zal op de Dag der Opstanding worden bezocht door de grootste en vetste beesten: zij zullen hem vertrappen met hun hoeven en stoten met hun hoorns. En als het laatste dier voorbij is zal het eerste weer terugkomen, totdat er recht gedaan zal worden tussen de mensen

Aansporing tot het geven van ṣadaqah

الترغيب في الصدقة

الترغيب في الصدقة

٥٧٧ - حديث أَبِي ذَرٍّ، قَالَ: كُنْتُ أَمْشِي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي حَرَّةِ الْمَدِينَةِ عِشَاءً، اسْتَقْبَلَنَا أُحُدٌ؛ فَقَالَ: يَا أَبَا ذَرٍّ مَا أُحِبُّ أَنَّ أُحُدًا لِي ذَهَبًا، يَأْتِي عَلَيَّ لَيْلَةٌ أَوْ ثَلاَثٌ عِنْدِي مِنْهُ دِينَارٌ إِلاَّ أَرْصُدُهُ لِدَيْنٍ، إِلاَّ أَنْ أَقُولَ بِهِ فِي عِبَادِ اللهِ هكَذَا وَهكَذَا وَهكَذَا وَأَرَانَا بِيَدِهِ ثُمَّ قَالَ: يَا أَبَا ذَرٍّ قُلْتُ: لَبَّيْكَ وَسَعْدَيْكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: الأَكْثَرُونَ هُمُ الأَقَلُّونَ إِلاَّ مَنْ قَالَ هكَذَا وَهكَذَا، ثُمَّ قَالَ لِي: مَكَانَكَ، لاَ تَبْرَحْ يَا أَبَا ذَرٍّ حَتَّى أَرْجِعَ فَانْطَلَقَ حَتَّى غَابَ عَنِّي، فَسَمِعْتُ صَوْتًا، فَخَشِيتُ أَنْ يَكُونَ عُرِضَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، فَأَرَدْتُ أَنْ أَذْهَبَ، ثُمَّ ذَكَرْتُ قَوْلَ رَسُولِ اللهِ ﷺ لاَ تَبْرَحْ، فَمَكُثْتُ قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ سَمِعْتُ صَوْتًا خَشِيتُ أَنْ يَكُونَ عُرِضَ لَكَ، ثُمَّ ذَكَرْتُ قَوْلَكَ، فَقُمْتُ؛ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: ذَاكَ جِبْرِيلُ، أَتَانِي فَأَخْبَرَنِي أَنَّهُ مَنْ مَاتَ مِنْ أُمَّتِي لاَ يُشْرِكُ بِاللهِ شَيْئًا دَخَلَ الْجَنَّةَ قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ وَإِنْ زَنَى وَإِنْ سَرَقَ قَالَ: وَإِنْ زَنَى وَإِنْ سَرَقَ

577) Van Abū Dzar (رضي الله عنه):Ik liep samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de Harrah-regio van Madīnah tijdens ṣalāh al-ishā’ tijd.Toen hij de berg Uḥud zag zei hij: “O Abū Dzar, als Uḥud voor mij in goud zou worden veranderd, dan zou ik niet willen dat er een nacht of drie nachten één dinār bij mij achterblijft, behalve als het is voor een schuld die ik moet aflossen.

Zeker, ik zou dit goud onder de dienaren van Allāh verdelen, en het op deze wijze, deze wijze en deze wijze uitgeven (infāq)”.Terwijl hij dit zei, bewoog hij zijn hand naar rechts en naar links.Daarna riep hij: “O Abū Dzar!”En ik antwoordde: “Tot uw dienst, o Rasûlullāh! Ik ben tot uw beschikking.”Vervolgens zei hij: 'Zij die veel bezit hebben, zullen op de Dag der Opstanding degenen zijn met weinig (goede daden) behalve zij die hun bezit zo, zo en zo besteden, en zij zij zijn maar weinigen.'(De overleveraar Abū Shihāb zei dat an-Nabī met 'zo, zo en zo' naar zijn rechterkant, linkerkant en voorkant wees).Daarna zei hij: 'Blijf op je plaats, o Abū Dzar tot ik terugkom.'Vervolgens vertrok hij totdat hij uit mijn zicht verdween.Toen hoorde ik een geluid, en ik was bang dat er iets was voorgevallen. Maar toen herinnerde ik mij de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en bleef ik op mijn plaats: 'Blijf op je plaats tot ik terugkom.'Toen hij terugkwam, vroeg ik hem: “O Rasûlullāh, ik hoorde een geluid en ik was bang dat er iets met u was gebeurd. Daarna herinnerde ik mij uw woorden, en toen stond ik op.”Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : ‘Dat was Jibrīl (عليه السلام). Hij kwam naar mij en vertelde mij dat degene van mijn ummah die sterft zonder deelgenoot aan Allāh toe te kennen, het Paradijs zal binnengaan.”Ik zei: “O Rasûlullāh, ook al pleegde hij overspel en ook al stal hij? Hij antwoordde: “Ook al pleegt hij overspel en ook al steelt hij?”

[Een andere benaming voor ‘karam’ is onder meer “vrijgevigheid”. Het duidt op het met innerlijke instemming uitgeven wat nodig is, daar waar het nodig is.

Deze edelmoedige vrijgevigheid is dan ook een vorm van goedheid en hulpvaardigheid. ‘Infāq’ daarentegen betekent het besteden van bezit op elke wijze die door de Islām als goed en juist wordt beschouwd.Het ware voordeel van goede en liefdadige daden keert uiteindelijk terug naar degene die ze verricht. Aan de buitenkant lijkt het alsof anderen ervan profiteren, maar in werkelijkheid is de weldoener zelf degene die het meeste baat heeft.Het doel van iedere goede daad en elke vorm van liefdadigheid behoort het verkrijgen van het welbehagen van Allāh te zijn. Gelovigen verrichten infāq dan ook niet met andere motieven, maar uitsluitend met dit doel.Het vergaren van bezit en rijkdom om daarmee de gunst van Allāh عزّ وجلّ te verkrijgen is op zichzelf iets prijzenswaardigs. De ware schoonheid en vaardigheid schuilt echter in het op de juiste wijze besteden van deze door Allāh geschonken rijkdom op de weg van de Islām. De ervaring leert namelijk dat velen er niet in slagen op een verantwoorde manier met hun bezit om te gaan. Bezit, dat oorspronkelijk als een beproeving (fitnah) is gegeven, blijkt bij velen juist de oorzaak te zijn van een mislukte test: het opent de deur naar trots, dwaling en onrecht.

De fitnah van bezit is altijd aanwezig geweest. Het bewonderenswaardige is dan ook niet het bezit zelf, maar het vermogen van een persoon, of hij nu weinig of veel bezit heeft, om dit op rechtvaardige wijze te besteden/uitgeven. De ḥadīth benadrukt juist dit uiterst belangrijke punt. Wie zijn bezit op de weg van Allāh weet te besteden, is werkelijk een held, een nobel persoon die alle lof verdient. Hij heeft zich onttrokken aan de fitnah van bezit en heeft dit weten te transformeren tot een middel voor schoonheid en goedheid.Een mens kan zijn materiële middelen op twee manieren verkeerd besteden: uit gierigheid, waardoor hij geen liefdadigheid verricht, of uit verspilling, waarbij hij zonder onderscheid naar eigen goeddunken uitgeeft, ongeacht recht of onrecht, ḥalāl of ḥarām. Beide situaties vormen een fitnah door bezit. Helaas komen deze negatieve voorbeelden vaak voor in de samenleving. Daarom geldt: iedereen behoort te doen wat binnen zijn vermogen ligt en dit ook daadwerkelijk in praktijk te brengen.] (HY)

٥٧٨ - حديث أَبِي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: خَرَجْتُ لَيْلَةً مِنَ اللَّيَالِي، فَإِذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ يَمْشِي وَحْدَهُ، وَلَيْسَ مَعَهُ إِنْسَانٌ؛ قَالَ فَظَنَنْتُ أَنَّهُ يَكْرَهُ أَنْ يَمْشِيَ مَعَهُ أَحَدٌ، قَالَ: فَجَعَلْتُ أَمْشِي فِي ظِلِّ الْقَمَرِ، فَالْتَفَتَ فَرَآنِي، فَقَالَ: مَنْ هذَا قُلْتُ: أَبُو ذَرٍّ جَعَلَنِي اللهُ فِدَاءَكَ، قَالَ: يَا أَبَا ذَرٍّ تَعَالَه قَالَ: فَمَشَيْتُ مَعَهُ سَاعَةً، فَقَالَ: إِنَّ الْمُكْثِرِينَ هُمُ الْمُقِلُّونَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، إِلاَّ مَنْ أَعْطَاهُ اللهُ خَيْرًا فَنَفَحَ فِيهِ يَمِينهُ وَشِمَالَهُ وَبَيْنَ يَدَيْهِ وَوَرَاءَهُ وَعَمِلَ فِيهِ خَيْرًا قَالَ: فَمَشَيْتُ مَعَهُ سَاعَةً؛ فَقَالَ لِي: اجْلِسْ ههُنَا قَالَ: فَأَجْلَسَنِي فِي قَاعٍ حَوْلَهُ حِجَارَةٌ، فَقَالَ لِي: اجْلِسْ ههُنَا حَتَّى أَرْجِعَ إِلَيْكَ قَالَ: فَانْطَلَقَ فِي الْحَرَّةِ حَتَّى لاَ أَرَاهُ، فَلَبِثَ عَنِّي فَأَطَالَ اللُّبْثَ، ثُمَّ إِنِّي سَمِعْتُهُ وَهُوَ مُقْبِلٌ، وَهُوَ يَقُولُ: وَإِنْ سَرَقَ وَإِنْ زَنَى قَالَ: فَلَمَّا جَاءَ لَمْ أَصْبِرْ حَتَّى قُلْتُ يَا نَبِيَّ اللهِ جَعَلَنِي اللهُ فِدَاءَكَ، مَنْ تُكَلِّمُ فِي جَانِبِ الْحَرَّةِ، مَا سَمِعْتُ أَحَدًا يَرْجِعُ إِلَيْكَ شَيْئًا قَالَ: ذَاكَ جِبْرِيلُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، عَرَضَ لِي فِي جَانِبِ الْحَرَّةِ، قَالَ: بَشِّرْ أُمَّتَكَ أَنَّهُ مَنْ مَاتَ لاَ يُشْرِكُ بِاللهِ شَيْئًا دَخَلَ الْجَنَّةَ، قُلْتُ: يَا جِبْرِيلُ

وَإِنْ سَرَقَ وَإِنْ زَنَى قَالَ: نَعَمْ قَالَ، قُلْتُ: وَإِنْ سَرَقَ وَإِنْ زَنَى قَالَ: نَعَمْ وَإِنْ شَرِبَ الْخَمْرَ578) Van Abū Dzar (رضي الله عنه):Op een nacht ging ik naar buiten en zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen lopen. Er was zonder gezelschap. Ik kreeg de indruk dat hij niet wilde dat iemand met hem meeliep, dus volgde ik hem stilletjes in de schaduw van de maan. Plotseling draaide hij zich om en merkte mijn aanwezigheid op.Hij zei: 'Wie is daar?'Ik antwoordde: 'Ik, Abū Dzar. Moge Allāh mij als losprijs voor u nemen.'Hij zei: 'O Abū Dzar, kom erbij.'Ik liep een poos met hem mee. Toen zei hij: 'Zij die veel bezit hebben, zullen op de Dag der Opstanding degenen zijn met weinig (goede daden), behalve zij aan wie Allāh rijkdom gaf en die het links, rechts, voor en achter zich besteedden, en daarin het goede verrichtten.'Ik liep nog een poos met hem mee.Daarna zei hij tegen mij: 'Blijf hier zitten.'Hij liet mij zitten in een stenig gebied en zei: “Blijf hier zitten tot ik terugkom.”Hij liep zo ver weg dat ik hem niet meer kon zien en bleef lange tijd weg.Toen kwam hij terug en ik hoorde zijn stem zeggende: 'Zelfs als hij steelt, zelfs als hij overspel pleegt.Toen hij bij mij kwam, kon ik het niet nalaten en vroeg: 'O Nabī Allāh, moge Allāh mij als losprijs voor u nemen: met wie sprak u in het stenige gebied? Ik zag niemand die u antwoordde.'Hij antwoordde: 'Het was Jibriel (عليه السلام). Hij verscheen aan mij in dat gebied en zei:“Verheug jouw gemeenschap dat wie sterft zonder deelgenoten aan Allāh te hebben toegekend, het Paradijs zal binnengaan.”Ik vroeg: “O Jibriel, zelfs als hij steelt en overspel pleegt?”Hij zei: “Ja.”Ik vroeg opnieuw: “Zelfs als hij steelt en overspel pleegt?”Hij zei: “Ja, zelfs als hij wijn drinkt.”

Over degenen die rijkdom verzamelen (zonder zijn zakāh te geven) en de verzwarende straf over henفي الكنازين للأَموال والتغليظ عليهم

٥٧٩ - حديث أَبِي ذَرٍّ عَنِ الأَحْنَفِ بْنِ قَيْسٍ، قَالَ: جَلَسْتُ إِلَى مَلإٍ مِنْ قُرَيْشٍ، فَجَاءَ رَجُلٌ خَشِنُ الشَّعَرِ وَالثِّيَابِ وَالْهَيْئَةِ، حَتَّى قَامَ عَلَيْهِمْ فَسَلَّمَ، ثُمَّ قَالَ: بَشِّرِ الْكَانِزِينَ بِرَضْفٍ يُحْمَى عَلَيْهِ فِي نَارِ جَهَنَّمَ، ثُمَّ يُوضَعُ عَلَى حَلَمَةِ ثَدْيِ أَحَدِهِمْ حَتَّى يَخْرُجَ مِنْ نُغْضِ كَتِفِهِ، وَيُوضَعُ عَلَى نُغْضِ كَتِفِهِ حَتَّى يَخْرُجَ مِنْ حَلَمَةِ ثَدْيِهِ يَتَزَلْزَلُ ثُمَّ وَلَّى فَجَلَسَ إِلَى سَارِيَةٍ وَتَبِعْتُهُ وَجَلَسْتُ إِلَيْهِ، وَأَنَا لاَ أَدْرِي مَنْ هُوَ؛ فَقُلْتُ لَهُ: لاَ أُرَى الْقَوْمَ إِلاَّ قَدْ كَرِهُوا الَّذِي قُلْتَ، قَالَ: إِنَّهُمْ لاَ يَعْقِلُونَ شَيْئًا، قَالَ لِي خَلِيلِي قَالَ: قُلْتُ مَنْ خَلِيلُكَ قَالَ: النَّبِيُّ ﷺ يَا أَبَا ذَرٍّ أَتُبْصِرُ أُحُدًا قَالَ: فَنَظَرْتُ إِلَى الشَّمْسِ مَا بَقِيَ مِنَ النَّهَارِ، وَأَنَا أُرَى أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ يرْسِلُنِي فِي حَاجَةٍ لَهُ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: مَا أُحِبُّ أَنَّ لِي مِثْلَ أُحُدٍ ذَهَبًا أُنْفِقُهُ كُلَّهُ إِلاَّ ثَلاَثَةَ دَنَانِيرَ وَإِنَّ هؤُلاَءِ لاَ يَعْقِلُونَ، إِنَّمَا يَجْمَعُونَ الدُّنْيَا، لاَ وَاللهِ لاَ أَسْأَلُهُمْ دُنْيَا، وَلاَ أَسْتَفْتِيهِمْ عَنْ دِينٍ حَتَّى أَلْقَى اللهَ

579) Van Abū Dzar via Aḥnaf ibn Qays (رضي الله عنهما):Ik bevond mij in het gezelschap van voorname Qurayshieten, toen er een man verscheen met ruig haar, ruwe kleren en een onverzorgd uiterlijk. Hij ging bij hen staan, begroette hen met de salām en zei vervolgens: “Breng de bezitters van schatten (goud en zilver) het slechte nieuws; zij zullen verhit worden in het vuur van het Hellevuur, die vervolgens op de tepel van de borst zal worden geplaatst, totdat het via de schouder weer naar buiten komt en opnieuw op zijn schouder wordt gelegd totdat het er weer via de tepel van zijn borst uitkomt, terwijl zij sidderen (van pijn). Daarna draaide hij zich om, ging bij een zuil zitten en ik volgde hem en ging naast hem zitten, terwijl ik nog niet wist wie hij was.”Toen zei ik tegen hem: 'Ik denk dat de mensen het niet prettig vonden wat jij net gezegd hebt.'- 'Zij begrijpen er niets van. Mijn boezemvriend heeft mij gezegd…'- ‘Wie is jouw boezemvriend?’- ‘an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ’. - ‘O Abū Dzar, zie jij (de berg) Uḥud?'Toen keek ik naar de zon, hoeveel er nog van de dag over was, en ik dacht dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij op pad wilde sturen voor een zaak.- ‘Ja.’- “Ik zou het niet willen om goud ter grootte van de berg Uḥud volledig uit te geven, behalve drie dinar.”Zij begrijpen het werkelijk niet; zij vergaren slechts wereldse rijkdom. Neen, bij Allāh, ik zal hen niets vragen over wereldse zaken, noch zal ik hen raadplegen over de dīn of een juridische kwestie, totdat ik Allāh ontmoet.

Aansporing tot infāq en het goede nieuws dat wie geeft beloond wordtالحث على النفقة وتبشير المنفق بالخلف

٥٨٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: قَالَ اللهُ ﷿: أَنْفِقْ أُنْفِقْ عَلَيْكَ وَقَالَ: يَدُ اللهِ مَلأَى، لاَ تَغِيضُهَا نَفَقَةٌ، سَحَّاءُ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ وَقَالَ: أَرَأَيْتُمْ مَا أَنْفَقَ مُنْذُ خَلَقَ السَّموَاتِ وَالأَرْضَ، فَإِنَّهُ لَمْ يَغِضْ مَا فِي يَدِهِ، وَكَانَ عَرْشُهُ عَلَى الْمَاءِ، وَبِيَدِهِ الْمِيزَان يَخْفِضُ وَيَرْفَعُ

580 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh عز وجل heeft gezegd (in een ḥadīth kudsi): ‘Geef uit (infāq*), en Ik zal aan jou uitgeven.’En hij (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De Hand van Allāh is vol; geen uitgave vermindert het.Zij (Zijn Hand) stroomt overvloedig dag en nacht.Hij (Rasûlullāh ) zei: ‘Zien jullie niet wat Hij uitgegeven heeft sinds Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen? Toch is dat niet minder geworden van wat in Zijn Hand is. En Zijn Troon (`Arsh) is op het water, en in Zijn Hand is de weegschaal (mizān): Hij verlaagt en verhoogt ermee (degene die Hij wil).”

{*: infāq is elke vorm van uitgave omwille van Allah, zowel verplicht (zakāh) als vrijwillig (ṣadaqah)}

[De letterlijke betekenis in Muslim is ook als volgt: ‘De rechterhand van Allāh is vol en raakt nooit leeg. Hij geeft onafgebroken uit, dag en nacht.Denk eens aan wat Hij heeft gegeven sinds Hij de hemelen en de aarde heeft geschapen.Dat heeft ook niet verminderd van wat in Zijn rechterhand is.In deze ḥadīth worden zowel het geloof dat Allahu تعالى Zijn ‘Arsh (Troon) boven het water heeft geplaatst, als het geloof dat Zijn kennis alle schepselen omvat, gezamenlijk genoemd. Hoe verheven is de Majesteit van Allāh, Die zelfs in nabijheid verheven is en nabijheid bezit in Zijn verhevenheid! Hij is vrij van alle tekortkomingen.] (HY)Beginnen met de uitgaven (infāq) voor zichzelf, daarna voor zijn familie, en vervolgens voor de verwantenالابتداء في النفقة بالنفس ثم أهله ثم القرابة

٥٨١ - حديث جَابِرٍ، قَالَ: بَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ أَنَّ رَجُلًا مِنْ أَصْحَابِهِ أَعْتَقَ غُلاَمًا عنْ دُبُرٍ، لَمْ يَكُنْ لَهُ مَالٌ غَيْرَهُ، فَبَاعَهُ بِثَمَانِمِائَةِ دِرْهَمٍ، ثُمَّ أَرْسَلَ بِثَمَنِهِ إِلَيْهِ

581) Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Het (bericht) bereikte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat een man, een van zijn metgezellen (Abû Mazkûr) een slaaf had vrijgelaten met de bepaling: ‘Jij bent vrij na mijn dood.’ terwijl hij geen ander bezit had dan deze ene slaaf.Daarop kocht hij (an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem (de slaaf) voor achthonderd dirham en stuurde de opbrengst naar hem (Abû Mazkûr) (die zich in financiele nood bevond).

De deugd van het doen van uitgaven (infāq) en liefdadigheid aan de naasten, de echtgenoot, de kinderen en de ouders, zelfs als zij ongelovigen zijnفضل النفقة والصدقة على الأقربين والزوج والأولاد والوالدين ولو كانوا مشركين٥٨٢ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَ أَبُو طَلْحَةَ أَكْثَرَ الأَنْصَارِ بِالْمَدِينَةِ مَالًا مِنْ نَخْلٍ، وَكَانَ أَحَبَّ أَمْوَالِهِ إِلَيْهِ بَيْرُحَاءَ، وَكَانَتْ مُسْتَقْبِلَةَ الْمَسْجِدِ، وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدْخُلُهَا وَيَشْرَبُ مِنْ مَاءٍ فِيهَا طَيِّبٍ؛ قَالَ أَنَسٌ: فَلَمَّا أُنْزِلَتْ هذِهِ الآيَة (لَنْ تَنَالُوا الْبِرَّ حَتَّى تُنْفِقُوا مِمَّا تُحِبُّونَ) قَامَ أَبُو طَلْحَةَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ اللهَ ﵎ يَقُولُ (لَنْ تَنَالُوا الْبِرَّ حَتَّى تُنْفِقُوا مِمَّا تُحِبُّونَ) وَإِنَّ أَحَبَّ أَمْوَالِي إِلَيَّ بَيْرُحَاءُ، وَإِنَّهَا صَدَقَةٌ للهِ؛ أَرْجُو بِرَّهَا وَذُخْرَهَا عِنْدَ اللهِ؛ فَضَعْهَا يَا رَسُولَ اللهِ حَيْثُ أَرَاكَ اللهُ قَالَ: فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: بَخْ ذلِكَ مَالٌ رَابِحٌ، ذلِكَ مَالٌ رَابِحٌ، وَقَدْ سَمِعْتُ مَا قُلْتَ، وَإِنِّي أَرَى أَنْ تَجْعَلَهَا فِي الأَقْرَبِينَ فَقَالَ أَبُو طَلْحَةَ: أَفْعَلُ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَسَمَهَا أَبُو طَلْحَةَ فِي أَقَارِبِهِ وَبَنِي عَمِّهِ

582) Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Abû Ṭalḥah had de meeste dadelpalmen van de Anṣār in Madīnah, en het liefste wat hij bezat was de dadelpalmentuin Bayrūḥā’, die tegenover de moskee lag.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep er dikwijls binnen en dronk dan van het heerlijke water daar.Anas zei: Toen deze āyah werd geopenbaard: لَن تَنَالُواْ ٱلۡبِرَّ حَتَّىٰ تُنفِقُواْ مِمَّا تُحِبُّونَۚ وَمَا تُنفِقُواْ مِن شَيۡءٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ بِهِۦ عَلِيمٞ ٩٢

Jullie zullen de (ware) vroomheid niet bereiken totdat jullie van wat jullie liefhebben bijdragen geven. En wat jullie ook van iets bijdragen: voorwaar, Allāh is daarover Alwetend. (sûrah Aali Imrān: 92), stond Abû Ṭalḥah op en ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, waarlijk Allāh تبارك وتعالى zegt: لَن تَنَالُواْ ٱلۡبِرَّ حَتَّىٰ تُنفِقُواْ مِمَّا تُحِبُّونَۚ وَمَا تُنفِقُواْ مِن شَيۡءٖ Jullie zullen de (ware) vroomheid niet bereiken totdat jullie van wat jullie liefhebben bijdragen geven en het meest geliefde van mijn bezittingen is (dadelpalmboomgaard) Bayrūḥā’. Waarlijk, ik geef het als ṣadaqah voor Allāh. Ik hoop op het goede ervan en de beloning (in het Hiernamaals) bij Allāh. Gebruik het, o Rasûlullāh, waar Allāh het u geschikt acht (om het uit te geven op Zijn weg).”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Heel goed! Dat is winstgevend bezit, dat is winstgevend bezit. Ik heb gehoord wat je hebt gezegd, en ik vind dat je het onder je naaste verwanten dient te verdelen.”Abū Ṭalḥah zei: “Ik zal het doen, o Rasûlullāh.”Daarop verdeelde Abū Ṭalḥah het onder zijn naaste verwanten en onder zijn neven van vaderskant.

٥٨٣ - حديث مَيْمُونَةَ زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا أَعْتَقَتْ وَلِيدَةً لَهَا فَقَالَ لَهَا: وَلَوْ وَصَلْتِ بَعْضَ أَخْوالِكِ كَانَ أَعْظَمَ لأَجْرِكِ583) Van de echtgenote van an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) Maymūnah bint al-Ḥārith (رضي الله عنها):Zij had haar slavin vrijgelaten. Daarop zei hij (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen haar: “Als je haar aan een van je ooms van moederskant had geschonken dan was de beloning nog groter geweest voor jou.”

٥٨٤ - حديث زَيْنَبَ امْرَأَةِ عَبْدِ اللهِ قَالَتْ: كُنْتُ فِي الْمَسْجِدِ، فَرَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: تَصَدَّقْنَ وَلَوْ مِنْ حُلِيِّكُنَّ وَكَانَتْ زَيْنَبُ تُنْفِقُ عَلَى عَبْدِ اللهِ، وَأَيْتَامٍ فِي حَجْرِهَا، فَقَالَتْ لِعَبْدِ اللهِ، سَلْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، أَيَجْزِي عَنِّي أَنْ أُنْفِقَ عَلَيْكَ وَعَلَى أَيْتَامِي فِي حَجْرِي مِنَ الصَّدَقَةِ فَقَالَ: سَلِي أَنْتِ رَسُولَ اللهِ ﷺ؛ فَانْطَلَقْتُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ فَوَجَدْتُ امْرَأَةً مِنَ الأَنْصَارِ عَلَى الْبَابِ، حَاجَتُهَا مِثْلُ حَاجَتِي؛ فَمَرَّ عَلَيْنَا بِلاَلٌ، فَقُلْنَا: سَلِ النَّبِيَّ ﷺ، أَيَجْزِي عَنِّي أَنْ أُنْفِقَ عَلَى زَوْجِي وَأَيْتَامٍ لِي فِي حَجْرِي وَقُلْنَا: لاَ تُخْبِرْ بِنَا فَدَخَلَ فَسَأَلَهُ، فَقَالَ: مَنْ هُمَا قَالَ: زَيْنَبُ قَالَ: أَيُّ الزَّيَانِبِ قَالَ: امْرَأَة عَبْدِ اللهِ، قَالَ: نَعَمْ لَهَا أَجْرَانِ، أَجْرُ الْقَرَابَةِ وأَجْرُ الصَّدَقَةِ584) Van Zaynab (as-Sakāfiyyah) de vrouw van ʿAbdullāh (Ibn Mas`ûd) (رضي الله عنهما):Ik was in de masjid, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen de vrouwen zei: ‘Breng ṣadaqah/zakāh op, ook al is het van jullie sieraden’.Zainab voorzag in het onderhoud van `Abdullah en enkele weeskinderen die zij onder haar hoede had.

Ze zei tegen haar man: “Ga jij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) eens vragen, vragen of het genoeg voor mij is als ik jou en mijn weeskinderen verzorg uit de zakāh die ik moet opbrengen?”Maar `Abdullah zei: 'Ga het hem zelf vragen!'Ik ging op weg naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Bij zijn deur trof ik een vrouw uit de Anṣār aan die iets dergelijks wilde vragen. Toen Bilāl langskwam vroegen wij hem: 'Bilāl, vraag eens aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) of ik mijn man en de weeskinderen mag verzorgen uit de zakāh die ik moet opbrengen. Maar vertel verder niets over ons!' Bilāl ging naar binnen en bracht de vraag over aan hem.'Wie zijn die twee?' vroeg hij. 'Zainab', zei Bilāl 'Welke Zainab?' vroeg hij.'De vrouw van `Abdullah ' zei Bilāl 'Ja, dat mag ze doen,' zei hij. ‘(Ja, het telt als ṣadaqah voor haar), en zij zal er dubbele beloningen voor krijgen:de beloning van het onderhouden van de verwantschapsbanden én de beloning van de zakāh/ṣadaqah.’

٥٨٥ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، قَالَتْ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ هَلْ لِي مِنْ أَجْرٍ فِي بَنِي أَبِي سَلَمَةَ أَنْ أُنْفِقَ عَلَيْهِمْ، وَلَسْتُ بِتَارِكَتِهِمْ هكَذَا وَهكَذَا، إِنَّمَا هُمْ بَنِيَّ قَالَ: نَعَمْ لَكِ أَجْرُ مَا أَنْفَقْتِ عَلَيْهِمْ585) Van Ummu Salamah (رضي الله عنها):Ik vroeg: “O Rasûlullāh, zal ik ook beloond worden voor wat ik uitgeef aan de zonen van (mijn overleden echtgenoot) Abū Salamah?’ Ik zal hen niet in deze toestand achterlaten. Zij zijn ook mijn kinderen.”Hij antwoordde: “Geef aan hen uit, want wat je aan hen uitgeeft, is voor jou een beloning.”

٥٨٦ - حديث أَبِي مِسْعُودٍ الأَنْصَارِيِّ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أَنْفَقَ الْمُسْلِمُ نَفَقَةً عَلَى أَهْلِهِ، وَهُوَ يَحْتَسِبُهَا، كَانَتْ لَهُ صَدَقَةً586) Van Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Wanneer een moslim uitgave doet voor zijn gezin, terwijl hij daarbij (de beloning van Allāh) verwacht, dan wordt dat voor hem als een ṣadaqah gerekend.”

٥٨٧ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ، قَالَتْ: قَدِمَتْ عَلَيَّ أُمِّي وَهِيَ مُشْرِكَةٌ فِي عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَاسْتَفْتَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قُلْتُ، وَهِيَ رَاغِبَةٌ: أَفَأَصِلُ أُمِّي قَالَ: نَعَمْ صِلِي أُمَّكِ587) Van Asmāʾ bint Abī Bakr (رضي الله عنهما):In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam mijn moeder, die een polytheiste (mushrikah) was, naar mij toe (in Madīnah).

Ik vroeg om een oordeel (fatwa) aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei:“Zij (mijn moeder) wil graag contact met mij/met mij afspreken; mag ik de verwantschapsband met mijn moeder onderhouden?”Hij zei: “Ja, onderhoud de band met je moeder.”

De beloning van de voor een overledene gegeven ṣadaqah bereikt de overledene وصول ثواب الصدقة عن الميت إِليه

٥٨٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَجُلًا قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: إِنَّ أُمِّي افْتُلِتَتْ نَفْسَهَا، وَأَظُنُّهَا لَوْ تَكَلَّمَتْ تَصَدَقَتْ، فَهَلْ لَهَا أَجْرٌ إِنْ تَصَدَّقْتُ عَنْهَا قَالَ: نَعَمْ

588) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Mijn moeder is plotseling overleden. Ik vermoed dat indien zij had kunnen praten, zij ṣadaqah zou hebben gegeven. Als ik ṣadaqah geef namens haar, zal zij daar dan beloning voor krijgen?’Hij antwoordde: “Ja.”Alles wat aan goedheid gegeven wordt, wordt ṣadaqah genoemdبيان أن اسم الصدقة يقع على كل نوع من المعروف[De onderstaande aḥādīth geven aan dat elke vorm van goedheid en weldaad beloond wordt als ṣadaqah (liefdadigheid). Maʿrūf betekent “het goede” en is het tegengestelde van munkar (het verwerpelijke).Ṣadaqah omvat alles wat wordt gegeven met het oog op het welbehagen van Allāh.

Wanneer men het woord “ṣadaqah” hoort, denkt men vaak aan materiële giften of hulp. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft echter benadrukt dat elke daad van goedheid als ṣadaqah geldt. Zo heeft hij ook gezegd dat handelingen zoals tasbīh (zeggen van “subḥānallāh”: verheven is Allāh), takbīr (“Allāhu akbar”: Allāh is de grootste) of zelfs een glimlach onder de ṣadaqah vallen.Daarom moet ṣadaqah niet beperkt worden tot materiële hulp. Integendeel, het begrip ṣadaqah omvat ook vriendelijke woorden, goede manieren, en het vermijden van gedrag dat anderen kan kwetsen. Op deze manier krijgt iedereen, zelfs wie arm of behoeftig is, de mogelijkheid om door middel van goedheid ṣadaqah geven. Het is wel essentieel dat een goede daad wordt verricht met een oprechte intentie (niyyah), zodat deze als aanbidding (ʿibādah) wordt aanvaard. Zoals vermeld in de overlevering van Abū Dharr (رضي الله عنه):“Het glimlachen naar je broeder is voor jou een ṣadaqah.Het gebieden van het goede en het verbieden van het kwade is voor jou een ṣadaqah.Iemand die zich in een toestand van onwetendheid, zonde of verkeerde richting bevindt, helpen om de weg van leiding te vinden is voor jou een ṣadaqah.Een steen, doorn of bot van de weg verwijderen en aan de kant leggen is voor jou een ṣadaqah.En water uit je emmer in de emmer van je broeder gieten is voor jou een ṣadaqah.” (Tirmiḏī, Bir, 36) (HA)

٥٨٩ - حديث أَبِي مُوسَى، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: عَلَى كُلِّ مُسْلِمٍ صَدَقَةٌ قَالُوا: فَإِنْ لَمْ يَجِدْ قَال: فَيَعْمَلُ بِيَدَيْهِ فَيَنْفَعُ نَفْسَهُ وَيَتَصَدَّقُ قَالُوا: فَإِنْ لَمْ يَسْتَطِعْ أَوْ لَمْ يَفْعَلْ قَالَ: فَيُعِينُ ذَا الْحَاجَةِ الْمَلْهُوفَ قَالُوا: فَإِنْ لَمْ يَفْعَلْ قَالَ: فَيَأْمُرُ بِالْخَيْرِ أَوْ قَالَ: بِالْمَعْرُوفِ قَالَ: فَإِنْ لَمْ يَفْعَلْ قَالَ: فَيُمْسِكُ عَنِ الشَّرِّ فَإِنَّهُ لَهُ صَدَقَةٌ589) Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op elke moslim rust de verplichting om een ṣadaqah te geven”.Zij zeiden: “Wat als hij niets heeft (om te geven)?”- Dan moet hij werken met zijn handen, zodat hij zich baat bij heeft en (daarvan) ṣadaqah kan geven.- -“Wat als hij dat niet kan of het niet doet?”- Dan helpt hij iemand in nood die hulp zoekt.- Wat als hij dat niet doet?”- Dan beveelt hij het goede (khayr of maʿrūf)”.- En als hij dat ook niet doet?”- Dan weerhoudt hij zich van het kwaad (shar) en dat is (ook) een ṣadaqah voor hem.”

٥٩٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كُلُّ سُلاَمَى مِنَ النَّاسِ عَلَيْهِ صَدَقَةٌ، كُلَّ يَوْمٍ تَطْلُعُ فِيهِ الشَّمْسُ؛ يَعْدِلُ بَيْنَ اثْنَيْنِ صَدَقَةٌ، وَيُعِينُ الرَّجُلَ عَلَى دَابَّتِهِ فَيَحْمِلُ عَلَيْهَا أَو يَرْفَعُ عَلَيْهَا مَتَاعَهُ صَدَقَةٌ، وَالْكَلِمَةُ الطَّيِّبَةُ صَدَقَةٌ وَكُلُّ خَطْوَةٍ يَخْطُوهَا إِلَى الصَّلاَةِ صَدَقَةٌ، وَيُمِيطُ الأَذَى عَنِ الطَّرِيقِ صَدَقَةٌ590) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voor elke dag waarop de zon opkomt, dient het op ieder gewricht van het lichaam een ṣadaqah gegeven te worden.” - Rechtvaardig oordelen tussen twee mensen is een ṣadaqah.- Iemand helpen met zijn rijdier, door hem erop te tillen of zijn bagage erop te zetten, is een ṣadaqah.- Een goed woord is een ṣadaqah.- Elke stap die hij zet naar de ṣalāh (moskee) is een ṣadaqah.- En het verwijderen van iets schadelijks van de weg is een ṣadaqah.

[Volgens deze ḥadīth zijn de beenderen en gewrichten de essentiële onderdelen van het menselijk lichaam, omdat beweging of stilstand van de mens enkel mogelijk is dankzij hen. Ze behoren daarom tot de grootste gunsten die Allāhu تَعَالَى aan de mens heeft geschonken. Het is het recht van Allāhu تَعَالَى dat dankbaarheid wordt getoond voor iedere gunst, wat op zichzelf een vorm van ṣadaqah zou kunnen vereisenEchter, uit Zijn genade en barmhartigheid heeft Allāhu تَعَالَى dit niet verplicht gesteld. In plaats daarvan heeft Hij handelingen zoals het handhaven van rechtvaardigheid onder de mensen en het verwijderen van obstakels of gevaren van de weg als ṣadaqah erkend, waardoor de verplichting tot dankbaarheid voor Zijn dienaren is verlicht.In dit verband wordt zelfs elke stap die men zet op weg naar de ṣalāh als een ṣadaqah beschouwd. Het doel hiervan is dat men bij elke stap in rang wordt verhoogd en één zonde wordt vergeven. Daarom moedigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan om veel stappen te zetten op weg naar de moskee, maar verbood hij om er hard naar toe te rennen.] (HA)

Degenen die (ṣadaqah) geven en degenen die het niet gevenفي المنفق والممسك

٥٩١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: مَا مِنْ يَوْمٍ يُصْبِحُ الْعِبَاد فِيهِ إِلاَّ مَلَكَانَ يَنْزِلاَنِ، فَيَقُولُ أَحَدُهُمَا: اللهُمَّ أَعْطِ مُنْفِقًا خَلَفًا؛ وَيَقُولُ الآخَرُ: اللهُمَّ أعْطِ مُمْسِكًا تَلَفًا

591 Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:” Er gaat geen dag voorbij waarin de dienaren 's ochtends ontwaken, of er dalen twee engelen neer. Eén van hen zegt: “O Allāh, geef meer aan degene die uitgeeft (infāq) (van zijn bezittingen op weg van Allāh).En de ander zegt: “O Allāh, geef degene die inhoudt (gierig is) armoede!”

[Het bezit behoort volledig aan Allāh, en de mensen hebben slechts het recht om ervan gebruik te maken; verder bezitten zij er niets. Allāh heeft het geven van ṣadaqah overgelaten aan de vrije wil van de mensen. Is het dan niet opmerkelijk dat velen niet geven?

Zij geven immers alleen uit wat Allāh hen als voorziening heeft geschonken en hen toevertrouwd, en niet uit iets dat buiten dit gebod valt. Zoals de Allah zegt:وَمَاذَا عَلَيۡهِمۡ لَوۡ ءَامَنُواْ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِ وَأَنفَقُواْ مِمَّا رَزَقَهُمُ ٱللَّهُۚ وَكَانَ ٱللَّهُ بِهِمۡ عَلِيمًا ٣٩

En wat voor verlies zouden zij hebben gehad als zij in Allah geloofd hadden en in de Laatste Dag, en uitgegeven zouden hebben van wat Allah hen voor onderhoud gegeven had? En Allah kent hen. (surah Nisa 4/39)Wanneer Allah de mensen opdraagt om te geven (infāq), herinnert Hij hen eraan dat zij moeten geven van hetgeen Hij hun heeft geschonken en hen heeft voorzien. Enkele van de verzen over dit onderwerp zijn als volgt:وَأَنفِقُواْ مِن مَّا رَزَقۡنَٰكُم مِّن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ أَحَدَكُمُ ٱلۡمَوۡتُ فَيَقُولَ رَبِّ لَوۡلَآ أَخَّرۡتَنِيٓ إِلَىٰٓ أَجَلٖ قَرِيبٖ فَأَصَّدَّقَ وَأَكُن مِّنَ ٱلصَّٰلِحِينَ ١٠

En geef van waarvan Wij jullie voorzien hebben, voordat de dood tot één van jullie komt en hij zegt: “Mijn Heer! Als U mij slechts uitstel zal geven voor een korte tijd dan zal ik de verplichte liefdadigheid van mijn rijkdom geven en onder de rechtvaardigen zijn. (surah Munafiqûn: 63/10)

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَنفِقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰكُم مِّن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ يَوۡمٞ لَّا بَيۡعٞ فِيهِ وَلَا خُلَّةٞ وَلَا شَفَٰعَةٞۗ وَٱلۡكَٰفِرُونَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ ٢٥٤

O jullie die geloven! Geef bijdragen waarmee Wij jullie voorzien hebben, want er zal een dag aanbreken waarin geen handel, vriendschap of bemiddeling zal zijn. En het zijn de ongelovigen die onrechtvaardig zijn. (surah Baqarah: 2/254)

قُل لِّعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ يُقِيمُواْ ٱلصَّلَوٰةَ وَيُنفِقُواْ مِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ سِرّٗا وَعَلَانِيَةٗ مِّن قَبۡلِ أَن يَأۡتِيَ يَوۡمٞ لَّا بَيۡعٞ فِيهِ وَلَا خِلَٰلٌ ٣١

Zeg tot Mijn dienaren die geloven, dat zij de gebeden perfect moeten verrichten en van hun onderhoud wat Wij hen gegeven hebben, openlijk en in het geheim liefdadigheid moeten geven voordat er een Dag komt, waarop er geen wederzijdse afdinging of vriendschap zal zijn. (surah İbrahim: 14/31)

ٱلَّذِينَ يُؤۡمِنُونَ بِٱلۡغَيۡبِ وَيُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٰةَ وَمِمَّا رَزَقۡنَٰهُمۡ يُنفِقُونَ ٣

Degenen die in het onwaarneembare geloven en de gebeden volmaakt verrichten en die weldoen met hetgeen Wij hen hebben geschonken. (surah Baqarah: (2/3)Aangezien het bezit volledig aan Allāh behoort en Hij de mensen als Zijn khalīfah (plaatsvervanger) erop heeft gesteld, kunnen zij niet nalaten de geboden van Allāh met betrekking tot dat bezit te volgen. Wanneer Allāh hen opdraagt een deel van hun bezit aan bepaalde personen te geven, zijn zij verplicht hun uiterste best te doen dit uit te voeren. Wat zij aan deze mensen geven, is immers niets anders dan een deel van het bezit dat aan Allāh toebehoort.وَءَاتُوهُم مِّن مَّالِ ٱللَّهِ ٱلَّذِيٓ ءَاتَىٰكُمۡۚ… En geef hen van de rijkdom die Allah jullie geschonken heeft…(surah Nur: 24/33)Ieder die een zekere hoeveelheid bezit heeft, is verplicht Allah hierin te gehoorzamen.Het bezit dat iemand in handen heeft, maakt niet uit of het weinig of veel is.

لِيُنفِقۡ ذُو سَعَةٖ مِّن سَعَتِهِۦۖ وَمَن قُدِرَ عَلَيۡهِ رِزۡقُهُۥ فَلۡيُنفِقۡ مِمَّآ ءَاتَىٰهُ ٱللَّهُۚ لَا يُكَلِّفُ ٱللَّهُ نَفۡسًا إِلَّا مَآ ءَاتَىٰهَاۚ سَيَجۡعَلُ ٱللَّهُ بَعۡدَ عُسۡرٖ يُسۡرٗا ٧

Laat de rijke volgens zijn middelen uitgeven en laat de man wiens bronnen beperkt zijn volgens dat wat Allah hem gegeven heeft uitgeven. Allah belast geen ziel dan volgens wat Hij hem gegeven heeft. Allah zal na moeilijkheden gemak brengen. (surah at-Talâq: 65/7)

Laat niemand denken dat het bezit dat hij heeft werkelijk van hemzelf is, terwijl het in feite aan Allāh behoort. Laat ook niemand gierig zijn in het geven aan de rechtmatige begunstigden van dat bezit. Allāh voorziet de mensen en schenkt hen middelen uit Zijn rijkdom om deze te beheren binnen de kaders van Zijn geboden en verboden.Wanneer Allāh sommige mensen een grotere voorziening heeft gegeven dan anderen, moet degene met overvloedig bezit bereid zijn te delen met anderen, en nooit denken dat hij iets uit zijn eigen bezit uitgeeft. Hij moet zich te allen tijde bewust zijn dat hij uit het bezit van Allāh geeft en dat hij slechts een instrument is. Net zoals Allāh iets van Zijn bezit voor hem achterhoudt, heeft Hij hetzelfde ook aan anderen gegeven.Daarom geldt: wie geen ṣadaqah geeft uit het bezit dat hem is toevertrouwd, terwijl hij daartoe de gelegenheid en middelen heeft, verdient dat zijn bezit verloren gaat. De ḥadīth moedigt aan tot goede daden, zoals het geven aan familieleden, verwanten en de armen.] (HA)

Aansporing tot het geven van ṣadaqah voordat er niemand is die het accepteertالترغيب في الصدقة قبل أن لا يوجد من يقبلها

٥٩٢ - حديث حَارِثَةَ بْنِ وَهْبٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: تَصَدَّقُوا فَإِنَّهُ يَأتِي عَلَيْكُمْ زَمَانٌ يَمْشِي الرَّجُلُ بِصَدَقَتِهِ فَلاَ يَجِدُ مَنْ يَقْبَلُهَا، يَقُولُ الرَّجُلُ لَوْ جِئْتَ بِهَا بِالأَمْسِ لَقَبِلْتُهَا، فَأَمَّا الْيَوْمَ فَلاَ حَاجَةَ لِي بِهَا

592) Van Ḥārithah ibn Wahb (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geeft ṣadaqah, want er zal een tijd komen dat een man met zijn ṣadaqah rondloopt en vindt niemand die het wil aannemen. Dan zal hij te horen krijgen: Als je er gisteren mee was gekomen had ik het graag aangenomen, maar vandaag heb ik er geen behoefte meer aan.”

٥٩٣ - حديث أَبِي مُوسَى ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَيَأْتِيَنَّ عَلَى النَّاسِ زَمَانٌ يَطُوفُ الرَّجُلُ فِيهِ بِالصَّدَقَةِ مِنَ الذَّهَبِ ثُمَّ لاَ يَجِدُ أَحَدًا يَأْخُذُهَا مِنْهُ، وَيُرَى الرَّجُلُ الْوَاحِدُ يَتْبَعُهُ أَرْبَعُونَ امْرَأَةً يَلُذْنَ بِهِ، مِنْ قِلَّةِ الرِّجَالِ وَكَثْرَةِ النِّسَاءِ593 Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zal ongetwijfeld een tijd over de mensen aanbreken waarin een man met zijn ṣadaqah in goud rondgaat, maar niemand zal deze van hem aannemen.Daarnaast zal er een man zijn die gevolgd wordt door veertig vrouwen die zich aan hem vastklampen, vanwege het tekort aan mannen en de overvloed aan vrouwen.

٥٩٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى يَكْثُرَ فِيكُم الْمَالُ، فَيَفِيضَ حَتَّى يُهِمَّ رَبَّ الْمَالِ مَنْ يَقْبَلُ صَدَقَتَهُ، وَحَتَّى يَعْرِضَهُ فَيَقُولَ الَّذِي يَعْرِضُهُ عَلَيْهِ: لاَ أَرَبَ لِي594) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat het bezit onder jullie overvloedig is en rijkdom in overvloed circuleert, zodat de eigenaar zich zorgen maakt over wie zijn ṣadaqah of zakāh wil aannemen.En wanneer hij het aan iemand aanbiedt, zal die persoon zeggen: ‘Ik heb er geen behoefte aan.”

De aanvaarding van ṣadaqah uit ḥalāl verdiend geld en de vermeerdering van de beloning

قبول الصدقة من الكسب الطيب وتربيتها

٥٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ تَصَدَّقَ بِعَدْلِ تَمْرَةٍ مِنْ كَسْبٍ طَيِّبٍ، وَلاَ يَصْعَدُ إِلَى اللهِ إِلاَّ الطَّيِّبُ، فَإِنَّ اللهَ يَتَقَبَّلُهَا بِيَمِينِهِ، ثُمَّ يُرَبِّيهَا لِصَاحِبِهَا كمَا يُرَبِّي أَحَدُكُمْ فَلُوَّهُ، حَتَّى تَكُونَ مِثْلَ الْجَبَلِ

595) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een ṣadaqah geeft ter waarde van (slechts) een halve dadel, van zuivere/eerlijk (ḥalāl)verdiend inkomsten, immers Allāh aanvaardt alleen wat ḥalāl is, Allāh zal het zeker aanvaarden. Vervolgens zal Hij het laat toenemen, voor de gever, zoals één van jullie zijn veulentje laat opgroeien, totdat het (die kleine ṣadaqah) wordt als een berg.Bovenkant formulierOnderkant formulier

De aansporing tot geven van ṣadaqah, zelfs met een halve dadel of een goed woord, en dat het een schild tegen het vuur van de Hel is

الحث على الصدقة ولو بشق تمرة أو كلمة طيبة وأنها حجاب من النار

٥٩٦ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمِ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: اتَّقُوا النَّارَ وَلَوْ بَشِقِّ تَمْرَةٍ

596) Van ʿAdī ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Bescherm jezelf tegen het Vuur, zelfs al is het met een halve dadel (als ṣadaqah).’٥٩٧ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا مِنْكُمْ مِنْ أَحَدٍ إِلاَّ وَسَيُكَلِّمُهُ اللهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، لَيْسَ بَيْنَ اللهِ وَبَيْنَهُ تَرْجُمَانٌ، ثُمَّ يَنْظُرُ فَلاَ يَرَى شَيْئًا قدَّامَهُ، ثُمَّ يَنْظُرُ بَيْنَ يَدَيْهِ فَتَسْتَقْبِلُهُ النَّارُ، فَمَنِ اسْتَطَاعَ مِنْكُمْ أَنْ يَتَّقِيَ النَّارَ وَلَوْ بِشِقِّ تَمْرَةٍ

وَعَنْهُ أَيْضًا، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اتَّقُوا النَّارَ، ثُمَّ أَعْرَضَ وَأَشَاحَ؛ ثُمَّ قَالَ: اتَّقُوا النَّارَ، ثُمَّ أَعْرَضَ وَأَشَاحَ، ثَلاَثًا حَتَّى ظَنَنَّا أَنَّهُ يَنْظُرُ إِلَيْهَا ثُمَّ قَالَ: اتَّقُوا النَّارَ وَلَوْ بِشِقِّ تَمْرَةٍ، فَمَنْ لَمْ يَجِدْ فَبِكَلِمَةٍ طَيِّبَةٍ

597) Van ʿAdī ibn Ḥātim (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is niemand onder jullie, of Allāh zal op de Dag der Opstanding met hem spreken, zonder een tolk tussen Allāh en hem. Daarna kijkt hij voor zich uit, maar hij ziet niets.

Vervolgens kijkt hij weer recht voor zich uit, en dan ziet hij dat het Vuur op hem wacht.(Daarom) wie van jullie in staat is zich tegen het Vuur te beschermen, laat hem dat dan doen, al is het met een halve dadel.En ook van hem (ʿAdī ibn Ḥātim) is overgeleverd dat hij zei:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bescherm jezelf tegen het Vuur.”Toen wendde hij zich af en vertrok met een frons.Daarna zei hij opnieuw: “Bescherm jezelf tegen het Vuur.”Toen wendde hij zich af en vertrok met een frons, (dat deed hij) drie keer, totdat wij dachten dat hij ernaar keek.Toen zei hij: “Bescherm jezelf tegen het Vuur, al is het maar met een halve dadel. En als je dat niet kunt, doe het dan met een vriendelijk woord.”

Sadaqah geven door betaald lasten te dragen en er is een strenge afkeuring om degene, die sadaqah geeft met weinig, te minachtenالحمل أجرة ي تصدق بها والنهي الشديد عن تنقيص المتصدق بقليل٥٩٨ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ قَالَ: لَمَّا أُمِرْنَا بِالصَّدَقَةِ كُنَّا نَتَحَامَلُ؛ فَجَاءَ أَبُو عَقِيلٍ بِنِصْفِ صَاعٍ، وَجَاءَ إِنْسَانٌ بِأَكْثَرَ مِنْهُ؛ فَقَالَ الْمُنَافِقُونَ: إِنَّ اللهَ لَغَنِيٌّ عَنْ صَدَقَةِ هذَا، وَمَا فَعَلَ هذَا الآخَرُ إِلاَّ رِئَاءً فَنَزَلَتْ (الَّذِينَ يَلْمِزُونَ الْمُطَّوِّعِينَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ فِي الصَّدَقَاتِ وَالَّذِينَ لاَ يَجِدُونَ إِلاَّ جُهْدَهُمْ) الآيَةَ

598) Van Abū Masʿūd (رضي الله عنه):Toen wij (door Allāh) werden opgedragen ṣadaqah te geven, verrichtten wij zelfs zwaar werk als (lastdragers) om iets bij te dragen. Abū ʿAqīl bracht een halve sāʿ (dadels) als ṣadaqah, en iemand anders zelfs meer.

Toen zeiden de hypocrieten: ‘Waarlijk, Allāh heeft de ṣadaqah van deze man niet nodig, en die andere heeft het alleen maar gedaan om indruk te maken/gezien te worden.’ Toen werd het vers geopenbaard:ٱلَّذِينَ يَلۡمِزُونَ ٱلۡمُطَّوِّعِينَ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ فِي ٱلصَّدَقَٰتِ وَٱلَّذِينَ لَا يَجِدُونَ إِلَّا جُهۡدَهُمۡ فَيَسۡخَرُونَ مِنۡهُمۡ سَخِرَ ٱللَّهُ مِنۡهُمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٌ ٧٩

Degenen die beledigende aanmerkingen maken over de vrijwillige gevers onder de gelovigen over de aalmoezen (ṣadaqāt) en over degenen die vanwege hun armoede niets kunnen vinden om te geven, tenzij met de grootste moeite, en die dan de spot met hen drijven: Allāh zal de spot op hen terugwerpen en voor hen is er een pijnlijke bestraffing. (sûrah at-Tawbah 9:79)

De deugd van de manīhah*

فضل المنيحة

٥٩٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: نِعْمَ الْمَنِيحَةُ اللِّقْحَةُ الصَّفِيُّ مِنْحَةً، وَالشَّاةُ الصَّفِيُّ، تَغْدُو بِإِنَاءٍ وَتَرُوحُ بِإِنَاءٍ

599) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De beste gift is een drachtige kameel (met veel melk in haar uieren) die als schenking (of te leen) wordt gegeven, of een melkgevende schaap; zij vertrekt (’s ochtends) met een kruik (vol melk) en keert (’s avonds) terug met een kruik (vol melk)

[*: manīhah: het uitlenen van een dier aan een ander zodat men van de melk kan profiteren Deze vorm van schenking kent twee varianten:

Overdracht van eigendom: het schenken van een melkkameel of melkschaap, waarbij het dier volledig eigendom wordt van de ontvanger.

Uitlenen (ʿāriyah): het dier blijft eigendom van de schenker, maar wordt aan iemand anders gegeven zodat deze gedurende een bepaalde periode van de melk kan profiteren, dit is dus een vorm van lenen (ʿāriyah).] (HY)

Het voorbeeld van de gulle en de gierige

مثل المنفق والبخيل

٦٠٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: ضَرَبَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَثَلَ الْبَخِيلِ وَالْمُتَصَدِّقِ كَمَثَلِ رَجُلَيْنِ عَلَيْهِمَا جُبَّتَانِ مِنْ حَدِيدٍ، قَدِ اضْطُرَّتْ أَيْدِيهِمَا إلى ثُديِّهِمَا وَتَرَاقِيهِمَا؛ فَجَعَلَ الْمُتَصَدِّقُ كَلَّمَا تَصَدَّقَ بِصَدَقَةٍ انْبَسَطَتْ عَنْهُ حَتَّى تَغْشَى أَنَامِلَهُ، وَتَعْفُوَ أَثَرَهُ؛ وَجَعَلَ الْبَخِيلُ كُلَّمَا هَمَّ بِصَدَقَةٍ قَلَصَتْ، وَأَخَذَتْ كُلُّ حَلْقَةٍ بِمَكَانِهَاقَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: فَأَنَا رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ بِإِصْبَعِهِ هكَذَا فِي جَيْبِهِ، فَلَوْ رَأَيْتَهُ يُوَسِّعُهَا وَلاَ تَتَوَسَّعُ

600) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De toestand de gierig en de vrijgevig is als twee mannen met een ijzeren harnas dragen van borst tot sleutelbeen. Voor de vrijgevige zet het harnas bij elke gift of infāq uit, totdat het zijn vingertoppen bereikt en zijn sporen uitwist. Voor de gierige beweegt het harnas zich echter niet, hoe vaak hij ook ṣadaqah wil geven. Zelfs als hij probeert het harnas wijder te maken, zal hij daarin niet slagen; iedere ring van het harnas klemt zich vast aan het deel van het lichaam dat het raakt en knelt het hevig.”

[In deze hadīth wordt de innerlijke toestanden van de vrijgevige en de gierige mens op een zeer duidelijke manier weergegeven: De vrijgevige ervaart vreugde en rust in zijn hart wanneer hij de behoeftigen helpt. Deze innerlijke voldoening verspreidt zich door zijn hele lichaam en geest, tot in zijn vingertoppen, en raakt diep zijn ziel (nafs). Bovendien vervult deze gulheid al zijn spirituele en uiterlijke tekortkomingen volledig.

De gierige daarentegen is hardvochtig tegenover de armen en behoeftigen, ondanks het aangeboren mededogen dat in hem aanwezig is. Zijn gierigheid overheerst dit fundamentele gevoel, waardoor hij voortdurend innerlijk lijdt. Dit lijden manifesteert zich als droefheid en benauwdheid, een natuurlijk gevolg zoals Allāh heeft bepaald, die vooral bij onwetenden zichtbaar is. Zoals de ḥadīth illustreert, voelt de gierige zich volledig beklemd, alsof hij in een klem gevangen zit, en zelfs wanneer hij een arme helpt, kan hij zich niet bevrijden van deze innerlijke kwelling.] (HA)

De bevestiging van de beloning voor degene die de ṣadaqah geeft, zelfs als de ṣadaqah in handen komt van iemand anders dan de rechtmatige ontvangers

ثبوت أجر المتصدق وإِن وقعت الصدقة في يد غير أهلها

٦٠١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: قَالَ رَجُلٌ لأَتَصَدَّقَنَّ بِصَدَقَةٍ، فَخَرَجَ بِصَدَقَتِهِ فَوَضَعَهَا فِي يَدِ سَارِقٍ؛ فَأَصْبَحُوا يَتَحَدَّثُونَ، تُصُدِّقَ عَلَى سَارِقٍ؛ فَقَالَ: اللهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ، لأَتَصَدَّقَنَّ بِصَدَقَةٍ، فَخَرَجَ بِصَدَقَتِهِ، فَوَضَعَهَا فِي يَدَيْ زَانِيَةٍ؛ فَأَصْبَحُوا يَتَحَدَّثُونَ، تُصُدِّقَ اللَّيْلَةَ عَلَى زَانِيَةٍ؛ فَقَالَ: اللهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ عَلَى زَانِيَةٍ؛ لأَتَصَدَّقَنَّ بِصَدَقَةٍ؛ فَخَرَجَ بِصَدَقَتِهِ، فَوَضَعَهَا فِي يَدَيْ غَنِيٍّ؛ فَأَصْبَحُوا يَتَحَدَّثُونَ، تُصُدِّقَ عَلَى غَنِيٍّ فَقَالَ: اللهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ عَلَى سَارِقٍ، وَعَلَى زَانِيَةٍ، وَعَلَى غَنِيٍّ فَأُتِيَ، فَقِيلَ لَهُ: أَمَّا صَدَقَتُكَ عَلَى سَارِقٍ فَلَعَلَّهُ أَنْ يَسْتَعِفَّ عَنْ سَرِقَتِهِ، وَأَمَّا الزَّانِيَةُ فَلَعَلَّهَا أَنْ تَسْتَعِفَّ عَنْ زِنَاهَا، وَأَمَّا الْغَنِيُّ فَلَعَلَّهُ يَعْتَبِرُ فَيُنْفِقُ مِمَّا أَعْطَاهُ اللهُ

601) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man (onder de Zonen van Israël) zei (op een nacht): “Ik zal zeker ṣadaqah geven.”Hij ging naar buiten met zijn ṣadaqah in de hand en gaf het in de hand van een dief (zonder te weten dat het een dief was).De volgende ochtend spraken de mensen (schande) over: “Er is ṣadaqah gegeven aan een dief!”Hij zei: “O Allāh, alle lof zij U!

(Ik heb mijn ṣadaqah gegeven aan iemand die er geen recht op had. Maar dit gebeurde niet uit eigen wil, maar door de wil van Allāh. Daarom is in alle gevallen alle lof aan Allāh verschuldigd.)(De tweede nacht ging hij weer naar buiten en zei:) Ik zal zeker opnieuw ṣadaqah geven.”Hij ging naar buiten met zijn ṣadaqah in de hand en gaf het in de handen van een zondares/prostituée.De volgende ochtend spraken de mensen (schande) over: “Vannacht is er ṣadaqah gegeven aan een zondares!”Hij zei: “O Allāh, alle lof zij U voor (de ṣadaqah aan) een zondares. Ik heb mijn ṣadaqah gegeven aan een zondares met Uw wil, niet met de mijne. Daarom is alle lof in alle gevallen aan U verschuldigd. (De derde nacht ging hij weer naar buiten en zei:) Ik zal zeker opnieuw ṣadaqah geven.”Hij ging weer naar buiten met zijn ṣadaqah in de hand en gaf het in de handen van een rijke man.De volgende ochtend spraken de mensen (schande) over: “Er is ṣadaqah gegeven aan een rijke man!”Hij zei: “O Allāh, alle lof zij U, voor (de ṣadaqah aan) een dief, een zondares en een rijke man.” (Want ik heb dit niet uit eigen wil gedaan, maar slechts met Uw wil. In alle gevallen is alle lof aan U verschuldigd.)Toen werd hem (in een droom) gezegd: “Wat jouw ṣadaqah betreft aan de dief: wellicht zal hij zich onthouden van stelen.En wat betreft de ontuchtige vrouw: wellicht zal zij zich onthouden van haar ontucht.En wat betreft de rijke: wellicht zal hij lering trekken en uitgeven van wat Allah hem heeft geschonken.

De beloning van de betrouwbare bewaarder en de vrouw wanneer zij ṣadaqah geeft uit het huis van haar echtgenoot, zonder schade te veroorzaken, met zijn uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming

٦٠٢ - حديث أَبِي مُوسَى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْخَازِنُ الْمُسْلِمُ الأَمِينُ الَّذِي يُنْفِذُ، وَرُبَّمَا قَالَ: يُعْطِي مَا أُمِرَ بِهِ كَامِلًا مُوَفَّرًا، طَيِّبًا بِهِ نَفْسُهُ، فَيَدْفَعُهُ إِلَى الَّذِي أُمِرَ لَهُ بِهِ أَحَدُ الْمُتَصَدِّقَيْنِ602) Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De betrouwbare moslim-kasbeheerder, die volledig, oprecht en naar behoren uitvoert wat hem is opgedragen, terwijl zijn hart tevreden is met zijn taak en hij het aan de rechtmatige ontvanger overhandigt, wordt beschouwd als één van de twee die ṣadaqah geven.”

٦٠٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا أَنْفَقَتِ الْمَرْأَةُ مِنْ طَعَامِ بَيْتِهَا غَيْرَ مُفْسِدَةٍ، كَانَ لَهَا أَجْرُهَا بِمَا أَنْفَقَتْ، وَلِزَوْجِهَا أَجْرُهُ بِمَا كَسَبَ، وَلِلْخَازِنِ مِثْلُ ذلِكَ، لاَ يَنْقُصُ بَعْضُهُمْ أَجْرَ بَعْضٍ شَيْئًا603) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een vrouw uit het voedsel van haar huishouden ṣadaqah geeft, zonder daarbij buitensporig te zijn of te verspillen, ontvangt zij de beloning, evenals haar echtgenoot. Evenzo geldt dit voor degene die het bezit beheert en beschermt (de kasbeheerder); hierdoor wordt niets van de beloning van anderen verminderd.”[Deze ḥadīth maakt duidelijk dat het beheer van het bezit van een man door zijn vrouw aan specifieke voorwaarden en beperkingen is gebonden.

De bepaling in de ḥadīth “zonder daarin buitensporig te zijn of verkwisting te tonen” betekent dat wat zij weggeeft, behoort tot wat normaal gesproken gebruikelijk wordt uitgegeven, dat het de traditioneel vastgestelde hoeveelheid niet overschrijdt, niet tot verspilling leidt en de eenheid van het gezin niet verstoort.Het belangrijkste is dat de vrouw zich ervan bewust is of de eigenaar van het bezit instemt met het geven op weg van Allāh (infāq). Bijvoorbeeld: als zij een gebruikelijke hoeveelheid weggeeft, of iets dat volgens de gewoonte wordt weggegeven, wordt aangenomen dat de man impliciet toestemming heeft gegeven.Als de gewoonte echter niet duidelijk is, of als de toestemming van de man twijfelachtig is, of als hij er bezwaar tegen zou hebben, dan is het niet toegestaan voor de vrouw om dit als ṣadaqah aan een ander te geven. In zo’n geval moet zij expliciet toestemming van de eigenaar van het bezit verkrijgen..] (HA)

٦٠٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: لاَ تَصُومُ الْمَرْأَةُ، وَبَعْلُهَا شَاهِدٌ، إِلاَّ بإِذْنِهِ604 Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is niet toegestaan voor een vrouw om sunnah-vasten te verrichten zonder de toestemming van haar echtgenoot.”

[In het leven zijn man en vrouw, die met elkaar getrouwd zijn, bedoeld om elkaar te steunen, elkaar het goede aan te bevelen en van het kwade te weerhouden. Zij zijn gelijke dienaren van Allāh wat betreft beloning en bestraffing. Elk van hen heeft religieuze verantwoordelijkheden die door de Qurʾān en de sunnah zijn vastgesteld, terwijl hun wereldlijke verantwoordelijkheden in onderling overleg moeten worden gedragen, gebaseerd op liefde, respect, rechtvaardigheid en barmhartigheid.In deze ḥadīth wordt verwezen naar vrijwillige vasten buiten de maand Ramadān. Omdat de vasten van Ramadān een verplichte aanbidding is, hoeft een vrouw hiervoor geen toestemming te vragen aan haar man. Het wordt echter als makrūh beschouwd wanneer een vrouw vrijwillig vast zonder haar man te informeren of zijn instemming te verkrijgen. Dit komt doordat zij tijdens het vasten geen intieme gemeenschap kan hebben met haar man en mogelijk minder tijd en energie heeft om haar dagelijkse verantwoordelijkheden te vervullen.Evenzo verbood an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mannen zich zó in aanbidding te verdiepen dat zij hun gezin verwaarlozen. Hij waarschuwde bijvoorbeeld sommige ṣaḥābah, zoals ʿUthmān b. Māzʿūn (رضي الله عنه), die hun dag doorbrachten in vasten en hun nacht in ṣalāh, maar onvoldoende zorg droegen voor hun vrouwen (Ibn Ḥanbal, Musnad, VI, 267).Uitgaande van het fundamentele principe dat echtgenoten elkaars beschermers en helpers zijn, zowel in wereldlijke als in religieuze aangelegenheden, is het essentieel dat moslimpartners elkaar deze ondersteuning bieden, zowel binnen het gezin als in het verrichten van hun aanbidding.](Diyanet)

٦٠٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أَنْفَقَتِ الْمَرْأَةُ مِنْ كَسْبِ زَوْجِهَا عَنْ غَيْرِ أَمْرِهِ فَلَهُ نِصْف أَجْرِهِ605) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een vrouw zonder medeweten van haar echtgenoot iets weggeeft (in de vorm van ṣadaqah), dan heeft ook de echtgenoot daarvan de helft van de beloning.”

Degenen die ṣadaqah combineren met andere goede daden

من جمع الصدقة وأعمال البر

٦٠٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَنْفَقَ زَوْجَيْنِ فِي سَبِيلِ اللهِ نُودِيَ مِنْ أَبْوَابِ الْجَنَّةِ يَا عَبْدَ اللهِ هذَا خَيْرٌ؛ فَمَنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ الصَّلاةِ دُعِيَ مِنْ بَابِ الصَّلاَةِ، وَمَنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ الْجِهَادِ دُعِيَ مِنْ بَابِ الْجِهَادِ، وَمَنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ الصِّيَامِ دُعِيَ مِنْ بَابِ الرَّيَّانِ، وَمَنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ الصَّدَقَةِ دُعِيَ مِنْ بَابِ الصَّدَقَةِ

فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ ﵁: بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي، يَا رَسُولَ اللهِ مَا عَلَي مَنْ دُعِيَ مِنْ تِلْكَ الأَبْوَابِ مِنْ ضَرُورَةٍ، فَهَلْ يُدْعَى أَحَدٌ مِنْ تلْكَ الأَبْوَابِ كُلِّهَا قَالَ: نَعَمْ وَأَرْجُو أَنْ تَكُونَ مِنْهُمْ

606) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie twee paar (van iets) uitgeeft (infāq) op weg van Allāh, zal vanuit de poorten van het Paradijs geroepen worden: ‘O dienaar van Allāh, (kom binnen) dit is het goede (khayr)!’Wie behoort tot de mensen van de ṣalāh, zal worden geroepen vanuit de poort van aṣ-Ṣalāh.Wie behoort tot de mensen van de jihād, zal worden geroepen vanuit de poort van al-Jihād.Wie behoort tot de mensen van het vasten, zal worden geroepen vanuit de poort van ar-Rayyān.Wie behoort tot de mensen van de ṣadaqah, zal worden geroepen vanuit de poort van aṣ-Ṣadaqah

Toen zei Abū Bakr رضي الله عنه: “Moge mijn vader en moeder als losgeld voor u zijn, O Rasûlullāh!Voor degene die vanuit één van deze poorten wordt geroepen, is dat (op zich) geen reden tot zorg.

Er zal echter ook iemand zijn die vanuit al deze poorten wordt geroepen.Hij zei: “Ja, en ik hoop dat jij één van hen zult zijn (die door alle poorten zal worden geroepen om het Paradijs binnen te gaan.)”

٦٠٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَنْفَقَ زَوْجَيْنِ فِي سَبِيلِ الله دَعَاهُ خَزَنَةُ الْجَنَّةِ، كُلُّ خَزَنَةِ بابٍ، أَيْ فُلُ هَلُمَّ قَالَ أَبُو بَكْرٍ:يَا رَسُولَ اللهِ ذَاكَ الَّذِي لاَ تَوَى عَلَيْهِ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي لأَرْجُو أَنْ تَكُونَ مِنْهُمْ607) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie op weg van Allāh twee paar ṣadaqah geeft, wordt geroepen door de bewakers van het Paradijs: ‘Kom hier, o die en die!’”Daarop zei Abū Bakr: “O Rasûlullāh, (voor degene die vanuit één van deze poorten geroepen wordt), is dat (op zich) geen rede tot zorg.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik hoop dat jij onder hen zult zijn.”

Aansporing tot infāq en en afkeuring van het precies tellen of het nauwkeurig opmeten bij het geven

الحث على الإنفاق وكراهة الإحصاء

٦٠٨ - حديث أَسْمَاءَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: أَنْفِقِي وَلاَ تُحْصِي فَيُحْصِيَ اللهُ عَلَيْكِ، وَلاَ تُوعِي فَيُوعِيَ اللهُ عَلَيْكِ

608) Van Asma (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “ Geef uit (op weg van Allāh) en wees niet berekenend/gierig, anders zal Allāh ook berekenend/gierig met jou zijn.En houd (je bezit) niet krampachtig vast, anders zal Allāh het ook voor jou inhouden.”

Aansporing om zelfs met een klein goed ṣadaqah te geven en het niet minachten van kleine giften

الحث على الصدقة ولو بالقليل، ولا تمتنع من القليل لاحتقاره

٦٠٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: يَا نِسَاءُ الْمُسْلِمَاتِ لاَ تَحْقِرَنَّ جَارَةٌ لِجَارَتِهَا وَلَوْ فِرْسِنَ شَاةٍ

609) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “O moslimvrouwen! Zelfs al is het maar de poot van een schaap, laat een buurvrouw het geschenk van haar buurvrouw nooit minachten.”

[In deze ḥadīth wordt aangemoedigd om elkaar iets te schenken, zelfs al is het een klein gebaar. In een andere ḥadīth zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O gelovige vrouwen! Geef elkaar geschenken, al is het maar een klein botje met weinig vlees eraan. Het geven van geschenken bevordert goedheid en liefde, en verdrijft wrok en haat.”] (HY)

De deugd van het geven van ṣadaqah in het geheim

فضل إخفاء الصدقة

٦١٠ – حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: سَبْعَةٌ يُظِلُّهُمُ اللهُ فِي ظِلِّهِ يَوْمَ لاَ ظِلَّ إِلاَّ ظِلُّهُ: الإِمَامُ الْعَادِلُ، وَشَابٌّ نَشَأَ فِي عِبَادَةِ رَبِّهِ، وَرَجُلٌ قَلْبُهُ مُعَلَّقٌ فِي الْمَسَاجِدِ، وَرَجُلاَنِ تَحَابَّا فِي اللهِ، اجْتَمَعَا عَلَيْهِ وَتَفَرَّقَا عَلَيْهِ، وَرَجُلٌ طَلَبَتْهُ امْرَأَةٌ ذَاتُ مَنْصِبٍ وَجَمَالٍ، فَقَالَ إِنِّي أَخَافُ اللهَ، وَرَجُلٌ تَصَدَّقَ أَخْفَى حَتَّى لاَ تَعْلَمَ شِمَالُهُ مَا تُنْفِقُ يَمِينُهُ، وَرَجُلٌ ذَكَرَ اللهَ خَالِيًا فَفَاضَتْ عَيْنَاهُ

610) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Er zijn zeven mensen die Allāh in Zijn schaduw zal nemen op de dag dat er geen andere schaduw is dan de Zijne (op de Dag der Opstanding):

een rechtvaardige leider/imām ,

een jongere die is opgevoed in aanbidding van zijn Rab,

iemand wiens hart gehecht is aan de moskeeën,

twee mensen die van elkaar houden omwille van Allāh, zich omwille van Hem ontmoeten en omwille van Hem scheiden,

een man die door een vrouw van aanzien en schoonheid wordt verleid, maar zegt: ‘Voorwaar, ik vrees Allāh’,

iemand die in het geheim liefdadigheid geeft, zozeer dat zijn linkerhand niet weet wat zijn rechterhand heeft uitgegeven,

en iemand die zich in afzondering Allāh gedenkt en waarbij zijn ogen overvloeien van tranen.”

[In deze hadīth worden degenen beschreven die in het Hiernamaals goddelijke gunst en eeuwige gelukzaligheid zullen ontvangen vanwege hun goede daden en edele eigenschappen in deze wereld. Zij worden op een prachtige en lofwaardige wijze voorgesteld.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) brengt verheugend nieuws: iedereen die wordt gekenmerkt door een van deze eigenschappen, en die zowel Allāh als Zijn Boodschapper liefheeft, zal op de Dag des Oordeels onder de schaduw van Allāh’s Troon staan en genieten van Zijn goddelijke genade. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit op een mooie en aansprekende manier uiteengezet om de gelovigen aan te moedigen, hun nobele innerlijke gevoelens te wekken en hun oprechtheid en verlangen om goede daden te verrichten te versterken.

Het doel is hen te leiden op een vaste en rechte weg, zodat zij de vrome en goede dienaren van Allah als voorbeeld nemen en hun gedrag daaraan kunnen spiegelen.

In deze ḥadīth benadrukt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tevens dat iedereen die een leidinggevende positie bekleedt, altijd moet streven naar gerechtigheid en moet vermijden mensen onder zijn gezag te onderdrukken. Dit geldt zowel voor algemene leiding, zoals het khalifaat, als voor specifieke functies zoals gouverneur of rechter. Het toepassen van gerechtigheid tussen mensen is een verplichting van Allāh, aangezien Hij onrecht, ongeacht wie het pleegt of vanuit welke gezagspositie, niet goedkeurt of tolereert

Allah zegt over gerechtigheid en het vermijden van onrecht:

يَٰدَاوُۥدُ إِنَّا جَعَلۡنَٰكَ خَلِيفَةٗ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَٱحۡكُم بَيۡنَ ٱلنَّاسِ بِٱلۡحَقِّ وَلَا تَتَّبِعِ ٱلۡهَوَىٰ فَيُضِلَّكَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱلَّذِينَ يَضِلُّونَ عَن سَبِيلِ ٱللَّهِ لَهُمۡ عَذَابٞ شَدِيدُۢ بِمَا نَسُواْ يَوۡمَ ٱلۡحِسَابِ ٢٦

O Dawoed! Waarlijk!

Wij hebben jou als een opvolger op aarde geplaatst, oordeel dus in Waarheid tussen de mensen en volg niet de begeerte, want die zal je van het Pad van Allah doen afdwalen. Waarlijk! Degenen die afdwalen van het Pad van Allah (zullen) een zware bestraffing krijgen omdat zij de Dag van de Afrekening vergaten. (surah Sād 38/26).

Daarnaast benadrukt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het belang dat jongeren, vanaf het moment dat ze volwassen worden, gehoorzaam zijn aan de geboden en verboden van Allāh. Zij worden aangespoord om zich los te maken van de slavernij van de mens en uitsluitend Allāh te aanbidden. Dit is van groot belang, omdat deze jongeren de toekomstige leiders van hun gemeenschap zullen zijn en een voorbeeldige generatie kunnen vormen, zoals de Islām dat verlangt. Allah prijst bijvoorbeeld in de Qur’ān een groep jongeren als voorbeeld, de Ashāb al-Kahf, die in een grot verbleven en standvastig bleven in hun geloof:

نَّحۡنُ نَقُصُّ عَلَيۡكَ نَبَأَهُم بِٱلۡحَقِّۚ إِنَّهُمۡ فِتۡيَةٌ ءَامَنُواْ بِرَبِّهِمۡ وَزِدۡنَٰهُمۡ هُدٗى ١٣

Wij vertellen aan jou in Waarheid hun verhaal: Waarlijk! Zij waren jonge mannen die in hun Heer geloofden, en Wij vermeerderden de Leiding voor hen. (surah al Kahf (18/13)

Hieruit blijkt dat jongeren de dragers van hoop en ambitie zijn, aangezien zij de toekomst van de islamitische gemeenschap vormen.

Het derde kenmerk dat in deze ḥadīth naar voren komt, is het verheerlijken van degenen die door hun geloof hun hart zuiveren en hun lichaam en hart inzetten om Allāh te gedenken door de ṣalāh te verrichten.

Dit bevordert niet alleen de liefde voor samenkomst in de moskee, maar versterkt ook de vriendschap en eenheid binnen de gemeenschap. Allah prijst deze groep als volgt:

فِي بُيُوتٍ أَذِنَ ٱللَّهُ أَن تُرۡفَعَ وَيُذۡكَرَ فِيهَا ٱسۡمُهُۥ يُسَبِّحُ لَهُۥ فِيهَا بِٱلۡغُدُوِّ وَٱلۡأٓصَالِ ٣٦

(Zo’n licht brandt) in huizen waarvoor Allah gebood (Hem) erin te eren en Zijn naam te noemen, zij prijzen Zijn Glorie daarin in de ochtenden en de avonden. (surah Nûr (18/36)

Het vierde kenmerk betreft het liefhebben van anderen louter omwille van Allāh, niet uit wereldse belangen of persoonlijk gewin. Liefde omwille van Allāh moet zuiver, helder, rein en heilig zijn, en bijeenkomsten moeten gericht zijn op Zijn tevredenheid en het vasthouden aan de Ware Boodschap van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Het vijfde kenmerk benadrukt het belang van zuiverheid en helderheid in handelen. Dit omvat een zuiver geweten dat beschermt tegen slechte daden en de helderheid van het geloof. Een voorbeeld hiervan is het weerstaan van verleiding, bijvoorbeeld door een aantrekkelijke vrouw van aanzien, uit vrees voor Allāh.

Het zesde kenmerk laat zien hoe zorgvuldig Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de daad van verborgen geven beschrijft. Degene die zijn ṣadaqah op een manier geeft dat het voor anderen onzichtbaar blijft, wordt vergeleken met iemand die geeft met de rechterhand terwijl de linkerhand er niets van merkt, een symbool van oprechtheid en verborgenheid bij het geven voor Allāh’s tevredenheid.

Ten slotte prijst Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) degenen die in eenzame afzondering uit vrees voor Allāh huilen.

Hieruit blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mens de mooiste weg wijst en fungeert als een ware gids, uitsluitend om Allāh’s tevredenheid te verkrijgen.

Het volgen van deze weg, het navolgen van zijn leiding en het toepassen van zijn wijsheid, leidt tot het bereiken van Allāh’s genade.] (HA)

De uitleg dat de beste liefdadigheid de liefdadigheid is van de gezonde, gierige persoon die vreest voor armoede maar hoopt op rijkdom

بيان أن أفضل الصدقة صدقة الصحيح الشحيح

٦١١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَيُّ الصَّدَقَةِ أَعْظَمُ أَجْرًا قَالَ: أَنْ تَصَدَّقَ وَأَنْتَ صَحِيحٌ شَحِيحٌ تَخْشَى الْفَقْرَ وَتَأْمُلُ الْغِنَى، وَلاَ تُمْهِلُ حَتَّى إِذَا بَلَغْتِ الحُلْقُومَ، قُلْتَ لِفُلاَنٍ كَذَا، وَلِفُلاَنٍ كَذَا، وَقَد كَانَ لِفُلاَنٍ

611) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “O Rasûlullāh, welke ṣadaqah levert de grootste beloning op?”Hij antwoordde: “Het is wanneer je ṣadaqah geeft terwijl je gezond bent en (van nature) gierig, vreest voor armoede en hoopt op rijkdom. Stel het niet uit tot het moment dat je (rûh) de keel bereikt, waarna je zegt: ‘Voor die-en-die is zoveel, en voor die-en-die is zoveel,’ terwijl het eigenlijk al toebehoorde aan die-en-die (de erfgenamen).”

[Wanneer iemand gezond, krachtig en vol leven en hoop is, hecht hij vaak meer waarde aan bezit en rijkdom. Het geven van een deel van zijn bezit voor Allahs tevredenheid in deze levensfase getuigt van zijn oprechtheid, trouw en ijver, en daarmee ook de omvang van de beloning die hij ontvangt.Wanneer iemand op sterven ligt of de hoop op het leven verliest, neemt zijn verlangen/gehechtheid aan wereldse rijkdom af, en vermindert ook zijn neiging tot gierigheid. Daardoor is de beloning voor ṣadaqah die hij in deze levensfase wordt gegeven relatief klein.Deze ḥadīth benadrukt daarom het belang van het niet uitstellen van ṣadaqah tot het moment van sterven. Op dat moment heeft men vaak geen volledige beschikking over zijn bezit, omdat een deel daarvan wettelijk aan de erfgenamen toebehoort. Volgens de islamitische wet mag men slechts over één derde van zijn bezittingen vrij beschikken; de overige twee derde is voor de erfgenamen.De woorden in de ḥadīth: “‘(Geef) aan die-en-die is zoveel, en voor die-en-die is zoveel,” verwijzen naar dit principe.

De toevoeging “terwijl het toch al (eigendom is) van die-en-die was” wijst op degenen aan wie men een testament wil maken en het deel van het bezit dat aan hen toekomt.Samengevat: de meest waardevolle ṣadaqah is degene die wordt gegeven terwijl men gezond is en volledige beschikking heeft over zijn vermogen. Iemand die op sterven ligt, kan behalve het opstellen van een testament weinig goeds meer verrichten, en zelfs dat is beperkt. Het uitstellen van goede daden tot het allerlaatste moment is dan ook een grote nalatigheid, omdat hetgeen men op het sterfbed doet vaak weinig effect heeft.] (HA)

De uitleg dat de bovenste hand beter is dan de onderste hand, en dat de bovenste hand degene is die geeft, terwijl de onderste hand degene is die ontvangt

بيان أن اليد العليا خير من اليد السفلى وأن اليد العليا هي المنفقة وأن السفلى هي الآخذة

٦١٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ، وَهُوَ عَلَى الْمِنْبَرِ، وَذَكَرَ الصَّدَقَةَ وَالتَّعَفُّفَ وَالْمَسْئَلَةَ: الْيَدُ الْعُلْيَا خَيْرٌ مِنْ الْيَدِ السُّفْلَى، فَالْيَدُ الْعُلْيَا هِيَ الْمُنْفِقَةُ، وَالسُّفْلَى هِيَ السَّائِلَةُ

612) Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak vanaf de minbar over liefdadigheid (ṣadaqah), kuisheid en het afzien van bedelarij, en zei: “De bovenhand is beter dan de onderhand. De bovenhand is immers de hand die geeft en de onderhand de hand die bedelt.”

٦١٣ - حديث حَكِيمِ بْنِ حِزَامٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْيَدُ الْعُلْيَا خَيْرٌ مِنَ الْيَدِ السُّفْلَى، وَابْدَأْ بِمَنْ تَعُولُ، وَخَيْرُ الصَّدَقَةِ عَنْ ظَهْرِ غِنًى، وَمَنْ يَسْتَعْفِفْ يُعِفَّهُ اللهُ، وَمَنْ يَسْتَغْنِ يُغْنِهِ اللهُ613) Van Hakîm ibn Hizâm (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bovenhand (gevende) is beter dan de onderhand (vragende). Begin met geven (infāq van ṣadaqah) aan wie jij onderoudt (namelijk je naaste familie). De beste ṣadaqah is die welke wordt gegeven terwijl men in staat van rijkdom verkeert. Wie kuisheid verlangt (om niet afhankelijk te zijn van mensen), zal Allāh hem kuis maken. En wie niet afhankelijk wil zijn van anderen, Allāh zal hem rijk (onafhankelijk) maken

(Kuisheid betekent hier zowel zedelijkheid als het zich onthouden van vragen en bedelen.] (AFK)

٦١٤ - حديث حَكِيمِ بْنِ حِزَامٍ ﵁، قَالَ: سَأَلْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَأَعْطَانِي، ثُمَّ سَأَلْتُهُ فَأَعْطَانِي، ثُمَّ سَأَلْتُهُ فَأَعْطَانِي؛ ثُمَّ قَالَ: يَاحَكِيمُ إِنَّ هذَا الْمَالَ خَضِرَةٌ حُلْوَةٌ، فَمَنْ أَخَذَهُ بِسَخَاوَةِ نَفْسٍ بُورِكَ لَهُ فِيهِ، وَمَنْ أَخَذَهُ بِإِشْرَافِ نَفْسٍ لَمْ يُبَارَكْ لَهُ فِيهِ، كَالَّذِي يَأْكُلُ وَلاَ يَشْبَعُ، الْيَدُ الْعُلْيَا خَيْرٌ مِنَ الْيَدِ السُّفْلَى

قَالَ حَكِيمٌ: فَقُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ لاَ أَرْزأْ أَحَدًا بَعْدكَ شَيْئًا حَتَّى أُفَارِقَ الدُّنْيَا فَكَانَ أَبُو بَكْرٍ ﵁، يَدْعُو حَكِيمًا إِلَى الْعَطَاءِ، فَيَأْبَى أَنْ يَقْبَلَهُ مِنْهُ ثُمَّ إِنَّ عُمَرَ ﵁ دَعَاهُ لِيُعْطِيَهُ، فَأَبَى أَنْ يَقْبَلَ مِنْهُ شَيْئًا فَقَالَ عُمَرُ: إِنِّي أُشْهِدُكُمْ يَا مَعْشَرَ الْمُسْلِمِينَ عَلَى حَكِيمٍ، أَنِّي أَعْرِضُ عَلَيْهِ حَقَّهُ مِنْ هذَا الْفَيْءِ فَيَأْبَى أَنْ يَأْخُذَهُ

فَلَمْ يَرْزَأْ حَكِيمٌ أَحَدًا مِنَ النَّاسِ بَعْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، حَتَّى تُوُفِّيَ

614) Van Hakîm ibn Hizâm (رضي الله عنه):Ik vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om een deel van de oorlogsbuit van Hunayn, en hij gaf het mij. Daarna vroeg ik opnieuw, en hij gaf weer. Voor de derde keer vroeg ik, en wederom gaf hij.Toen zei hij: “O Hakîm, wereldse bezittingen zijn aantrekkelijk en verleidelijk. Wie ze ontvangt zonder hebzucht en met een vrijgevig hart, over hem zal zegen neerdalen. Maar wie ze ontvangt uit hebzucht en met een gierig hart, voor hem zal er geen zegen zijn, net zoals iemand die eet maar nooit verzadigd raakt. De bovenhand is altijd beter dan de onderhand.”Ik (Hakîm) zei: “Bij Degene Die u met de waarheid heeft gezonden, ik zal na u nooit meer iets van iemand vragen of aannemen.”De verteller vervolgt: Abû Bakr (رضي الله عنه) riep Hakîm om hem zijn deel uit de staatskas te geven, maar hij weigerde. Later riep 'Umar (رضي الله عنه) hem ook om zijn deel te ontvangen, maar weer weigerde hij. Daarop zei 'Umar: “O mensen, wees getuige! Ik heb Hakîm zijn recht uit de inkomsten van fay’ aangeboden, maar hij wil het niet aannemen.”

Hakîm heeft tot aan zijn dood nooit meer iets van iemand aangenomen na Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

{*fay’: omvat bezittingen die aan de moslimleger toevalt zonder vechten}

Het verbod op bedelenالنهي عن المسئلة

٦١٥ - حديث مُعَاوِيَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ مَنْ يُرِدِ اللهُ بِهِ خَيْرًا يُفَقِّهْهُ فِي الدِّينِ، وَإِنَّمَا أَنَا قَاسِمٌ وَاللهُ يُعْطِي، وَلَنْ تَزَالَ هذِهِ الأُمَّةُ قَائِمَةً عَلَى أَمْرِ اللهِ،لا يَضُرُّهُمْ مَن خَالَفَهُمْ حَتَّى يَأْتِيَ أَمْرُ اللهِ

615) Van Mu`âwiyah (رضي الله عنه):(Tijdens een preek zei hij) Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Als Allāh het goede voor iemand voor heeft, maakt Hij hem diep begrip gevende in de dīn (religie) (faqīh). Ik ben slechts de uitdeler, maar Allāh is Degene Die geeft. Deze ummah zal altijd standvastig blijven op het bevel van Allāh, en hun tegenstanders zullen hen geen schade kunnen berokkenen, totdat Allāh’s bevel (Dag der Opstanding) komt.’

[Deze ḥadīth omvat drie rechtsprincipes:Ten eerste: de verdienste van inzicht hebben in de dīn en het verwerven van religieuze kennis.Ten tweede: in werkelijkheid is het Allāh Die schenkt.Ten derde: een deel van deze ummah zal tot aan de Dag der Opstanding op de waarheid blijven.] (HY)

De (ware) behoeftige is de persoon die, ondanks dat hij geen bezit heeft, geen ṣadaqah ontvangt omdat zijn situatie onbekend is

المسكين الذي لا يجد غني ولا يفطن له فيتصدق عليه

٦١٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لَيْسَ الْمِسْكِينُ الَّذِي يَطُوفُ عَلَى النَّاسِ، تَرُدُّهُ اللقْمَةُ وَاللُّقْمَتَانِ، وَالتَّمْرَةُ وَالتَّمْرَتَانِ، وَلكِنِ الْمِسْكِينُ لاَ يَجِدُ غِنًى يُغْنِيهِ، وَلاَ يُفْطَنُ بِهِ فَيُتَصَدَّقُ عَلَيْهِ، وَلاَ يَقُومُ فَيَسْأَلُ النَّاسَ

616. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Degene die van deur tot deur gaat en door een of twee happen eten of een of twee dadels wordt weggestuurd, is niet de ware behoeftige. De ware behoeftige is degene die geen eigen middelen heeft om in zijn onderhoud te voorzien, maar wiens toestand onbekend blijft, zodat hij geen ṣadaqah ontvangt en zelf niet bij anderen aanklopt om te vragen.

[In sommige overleveringen wordt bedelen afgekeurd, maar in uiterste nood is het toegestaan om voldoende hulp te vragen. In een andere ḥadīth legt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit wanneer bedelen geoorloofd is:“Bedelen is alleen toegestaan voor drie soorten mensen:

Degene die borg is voor iemand anders en een schuld moet voldoen; hij mag bedelen totdat de schuld is afgelost.

Degene die door een ramp al zijn bezittingen heeft verloren; hij mag bedelen totdat zijn situatie weer op orde is.

Degene over wie drie verstandige getuigen uit zijn omgeving verklaren dat hij werkelijk behoeftig is; ook hij mag bedelen totdat hij uit de nood is.

Voor iedereen buiten deze categorieën is bedelen verboden. Wie het toch doet, ontvangt iets dat ḥarām is.”] (AFK)

De lelijkheid van bedelen voor mensen

كراهة المسألة للناس

٦١٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا يَزَالُ الرَّجُلُ يَسْأَلُ النَّاسَ حَتَّى يَأْتِيَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ لَيْسَ فِي وَجْهِهِ مُزْعَةُ لَحْمٍ

617) Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Iemand blijft de mensen (om hulp) vragen totdat hij op de Dag der Opstanding (gezichtsloos) komt en er geen stukje vlees op zijn gezicht over is.

[Op de Dag des Oordeels zal degene die bedelt worden opgewekt zonder handen en zonder gezicht. Hij zal dan zeggen:“O mijn Rab! Toen had ik wel handen en een gezicht, maar nu ben ik hier zonder!”Allāh (عز وجل) zal antwoorden:“Inderdaad, toen had jij handen en een gezicht, maar jij was toen schaamteloos en zonder eergevoel, daarom zal Ik jou vandaag zonder handen en zonder gezicht doen opstaan.”] (HY)

٦١٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لأَنْ يَحْتَطِبَ أَحَدُكُمْ حُزْمَةً عَلَى ظَهْرِهِ خَيْرٌ مِنْ أَنْ يَسْأَلَ أَحَدًا فَيُعْطِيَهُ أَوْ يَمْنَعَهُ618) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, het is beter voor één van jullie om een bundel hout op zijn rug te dragen en daar zijn brood mee te verdienen, dan dat hij iemand om iets vraagt. Wat hij ook vraagt, het kan zijn dat men het hem geeft, maar het kan ook zijn dat men het hem weigert.”

De toestemming voor degene die iets ontvangt zonder te vragen of met gretige blik ernaar te kijken

إِباحة الأخذ لمن أعطى من غير مسألة ولا إشراف

٦١٩ - حديث عُمَرَ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُعْطِينِي الْعَطَاءَ فَأَقُولُ: أَعْطِهِ مَنْ هُوَ أَفْقَرُ إِلَيْهِ مِنِّي، فَقَالَ: خُذْهُ، إِذَا جَاءَكَ مِنْ هذَا الْمَالِ شَيْءٌ وَأَنْتَ غَيْرُ مُشْرِفٍ وَلاَ سَائِلٍ فَخُذْهُ، وَمَا لاَ، فَلاَ تُتْبِعْهُ نَفْسَكَ

619) Van ‘Umar ibn al-Khattâb (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geeft mij een schenking (als beloning voor mijn staatsdienst), en ik zei: “Geef het aan die, want hij is behoeftiger dan ik.”Daarop zei hij: “Neem het aan. Wanneer iets van deze rijkdom jou bereikt zonder dat je ernaar verlangt of erom hebt gevraagd, neem het dan aan. Maar komt het op een andere wijze, koester er dan geen verlangen naar.”

De afkeuring van wereldse gehechtheid

كراهة الحرص على الدنيا

٦٢٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لاَ يَزَالُ قَلْبُ الْكَبِيرِ شَابًّا فِي اثْنَتَيْنِ: فِي حُبِّ الدُّنْيَا وَطُولِ الأَمَلِ

620) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Het hart van een oude man blijft jong in twee zaken: in zijn liefde voor de wereld en in het koesteren van lange verwachtingen en een lang leven.”

٦٢١ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَكْبَرُ ابْنُ آدَمَ وَيَكْبَرُ مَعَهُ اثْنَانِ: حُبُّ الْمَالِ وَطُولُ الْعُمُرِ621) Van Anas (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “De zoon van Adam wordt oud, maar twee dingen in hem blijven jong: de liefde voor bezit en de wens om lang te leven.”

Als de zoon van Adam twee valleien vol bezit had, dan wil hij een derde

لو أن لابن آدم واديين لابتغى ثالثًا

٦٢٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لَوْ أَنَّ لاِبْنِ آدَمَ وَادِيًا مِنْ ذَهَبٍ أَحَبَّ أَنْ يَكُونَ لَهُ وَادِيَانِ، وَلَنْ يَمْلأَ فَاهُ إِلاَّ التُّرَابُ، وَيَتُوبُ اللهُ عَلَى مَنْ تَابَ

622) Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Als de zoon van Adam een vallei vol goud zou bezitten, dan zou hij een tweede begeren doch zijn mond (verlangen) zal slechts met stof gevuld worden (het graf). Maar Allāh aanvaardt de berouw van wie berouw toont.

٦٢٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لَوْ أَنَّ لاِبْنِ آدَمَ مِلْءَ وَادٍ مَالًا لأَحَبَّ أَنَّ لَهُ إِلَيْهِ مِثْلَهُ، وَلاَ يَمْلأُ عَيْنَ ابْنِ آدَمَ إِلاَّ التُّرَابُ، وَيَتُوبُ اللهُ عَلَى مَنْ تَابَ623) Van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Als de zoon van Adam een dal vol rijkdom zou bezitten, zou hij wensen dat hij er twee had. En niets vult het oog van de zoon van Adam behalve aarde. Allāh aanvaardt de berouw van wie berouw toont.”

Dat rijkdom niet alleen door bezit wordt gemeten

ليس الغنى عن كثرة العرض

٦٢٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَيْسَ الْغِنَى عَنْ كَثْرَةِ الْعَرَضِ وَلكِنَّ الْغِنَى غِنَى النَّفْسِ

624. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Rijkdom ontstaat niet door de overvloed aan bezit; ware rijkdom is de rijkdom van de ziel/het hart.”

[Wanneer men aan rijkdom denkt, associëren de meeste mensen dit in de eerste plaats met bezit, geld en materiële welvaart. Maar is ware rijkdom werkelijk daartoe beperkt? Met andere woorden: begint en eindigt rijkdom bij materiële middelen?

Deze ḥadīth geeft hierop een helder en ondubbelzinnig antwoord. Het rijkdom die bij Allah waarde heeft en waarvan men in het Hiernamaals profijt zal hebben, bestaat niet uit louter de overvloed aan bezit. Het ware rijkdom ligt in innerlijke vervulling en in het rijkdom van het hart, ongeacht of iemand veel of weinig materiële middelen heeft. Zonder deze innerlijk rijkdom verliest materieel bezit zijn werkelijke betekenis.

Mensen bevinden zich hierin op verschillende niveaus. Sommigen beschikken over zowel overvloedig bezit als een tevreden hart. Anderen hebben veel bezit, maar een onverzadigd hart: hun blik is voortdurend gericht op meer, gedreven door een onstilbare begeerte naar rijkdom en accumulatie. Zij kunnen materieel rijk zijn, maar innerlijk arm. Weer anderen hebben weinig of geen bezit, maar een rijk hart. Zij zijn niet gehecht aan het materiële, leven met wat zij hebben en streven naar vooruitgang zonder ondankbaarheid, jaloezie of hebzucht.

De ḥadīth benadrukt daarmee dat ware rijkdom niet in materie schuilt, maar in het hart. Wie een hebzuchtig en ontevreden hart heeft, is in wezen arm, ongeacht de omvang van zijn bezit.Tegelijk wijst de ḥadīth materiële rijkdom niet af; zij maakt duidelijk dat overvloed aan bezit op zichzelf geen ware rijkdom vormt. De boodschap is: ongeacht hoeveel je bezit, streef naar een tevreden hart en een rijk innerlijk leven. Het ware rijkdom betekent tevreden zijn met wat Allah je heeft geschonken en je niet laten meeslepen door de begeerte naar de wereld.Het rijkdom van het hart is geworteld in tevredenheid met de voorziening van Allah. Dit is de hoogste vorm van rijkdom en eer, omdat zij leidt tot overgave aan Allah’s beschikking (qadar) en gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Het is het vertrouwen dat Allah’s besluit het beste is voor jou. Wie hiermee tevreden is, wordt onafhavan nkelijk van alles behalve Hem en dat is het ware rijkdom, de ware vrijheid en het hoogste gevoel van waardigheid.

Wie daarentegen ontevreden blijft over wat Allah geeft, wordt, ongeacht zijn bezit, voortgedreven door hebzucht, onstilbare verlangens en voortdurende onvrede. Zo begint armoede in het hart, zelfs te midden van overvloed.] (HA)

De angst voor overvloedige wereldse zegeningen

تخوف ما يخرج من زهرة الدنيا

٦٢٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ أَكْثَرَ مَا أَخَافُ عَلَيْكُمْ مَا يُخْرِجُ اللهُ لَكُمْ مِنْ بَرَكَاتِ الأَرْضِ قِيلَ: وَمَا بَرَكَات الأَرْضِ قَالَ: زَهْرَة الدُّنْيَا فَقَالَ لَهُ رَجُلٌ: هَلْ يَأْتِي الْخَيْرُ بِالشَّرِّ فَصَمَتَ النَّبِيُّ ﷺ، حَتَّى ظَنَنَّا أَنَّهُ يُنْزَلُ علَيْهِ، ثُمَّ جَعَلَ يَمْسَحُ عَنْ جَبِينِهِ، فَقَالَ: أَيْنَ السَّائِلُ قَالَ: أَنَا قَالَ أَبُو سَعِيدٍ: لَقَدْ حَمِدْنَاهُ حِينَ طَلَعَ ذلِكَ، قَال: لاَ يَأْتِي الْخَيْرُ إِلاَّ بِالْخَيْرِ، إِنَّ هذَا الْمَالَ خَضِرَةٌ حُلْوَةٌ، وَإِنَّ كُلَّ مَا أَنْبَتَ الرَّبِيعُ يَقْتُلُ حَبَطًا أَوْ يُلِمُّ، إِلاَّ آكِلَةَ الْخَضِرَةِ، أَكَلَتْ، حَتَّى إِذَا امْتَدَّتْ خَاصِرَتَاهَا اسْتَقْبَلَتِ الشَمْسَ فَاجْتَرَّتْ وَثَلَطَتْ وَبَالَتْ، ثُمَّ عَادَتْ فَأَكَلَتْ؛ وَإِنَّ هذَا الْمَالَ حُلْوَةٌ، مَنْ أَخَذَهُ بِحَقِّهِ، وَوَضَعَهُ فِي حَقِّهِ فَنِعْمَ الْمَعُونَةُ هُوَ؛ وَمَنْ أَخَذَهُ بِغَيْرِ حَقِّهِ كَانَ كَالَّذِي يَأْكُلُ وَلاَ يَشْبَعُ

625.

Van Abû Sa‘îd al-Khudrî (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, het meeste waar ik voor jullie vrees, is datgene wat Allāh voor jullie laat voortkomen uit de zegeningen van de aarde.”Er werd gevraagd: “En wat zijn de zegeningen van de aarde?” Hij antwoordde: “ De pracht/glans van het wereldse leven.”Iemand vroeg: “Brengt het goede (rijkdom) het kwaad met zich mee?”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zweeg even, waardoor we dachten dat er openbaring op hem neerdaalde.

Vervolgens begon hij het zweet van zijn voorhoofd te vegen en zei: “Wie was de vraagsteller?”Hij antwoordde: “Ik.”(Abû Sa`īd zei: (De ṣaḥābah hadden hem berispt omdat hij vroeg waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zweeg) maar nadat de situatie duidelijk werd, prezen zij hem.Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Het goede komt alleen met het goede.Waarlijk, dit (weredse) rijkdom is verleidelijk groen en zoet. En alles wat groeit in het lentegroen kan, (wanneer het door een koe wordt) overgegeten (wordt de koe) gedood of veroorzaakt ziekte, behalve (een koe) die (uitsluitend) van het gras leeft. Ze graast totdat haar flanken zich vullen, keert zij zich dan naar de zon, herkauwt, laat haar mest en urine los, en keert vervolgens terug om opnieuw te grazen.Voorwaar, dit rijkdom is zoet. Wie het op rechtmatige wijze verkrijgt en ook op rechtmatige wijze besteedt, wat een prachtige hulp is dat!Maar wie het op onrechtmatige wijze verkrijgt, is als degene die eet maar nooit verzadigd raakt.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) benadrukt hier dat alles wat op zichzelf goed is, altijd tot iets goeds leidt, terwijl het wereldse rijkdom dat niet altijd is. Wereldse bezittingen en overvloedig levensonderhoud zijn inderdaad nuttig en goed, mits zij op rechtmatige wijze (ḥalāl) worden verkregen, de rechten zoals zakāh worden nageleefd, en men zich onthoudt van gierigheid en verspilling. Wanneer echter gierigheid, verspilling of soortgelijke eigenschappen optreden, verliest rijkdom zijn waarde als zegen en kan het juist tot kwaad leiden. Evenzo zal rijkdom die op onwettige wijze (ḥarām) wordt verkregen of aan ongepaste zaken wordt besteed, geen zegen brengen, maar een bron van schade worden.De hadīth illustreert dit met twee voorbeelden: Het eerste voorbeeld betreft iemand die buitensporig veel rijkdom vergaart zonder acht te slaan op wat ḥalāl of ḥarām is, en die zijn bezit niet op een goede manier benut.

Zo iemand wordt vergeleken met een dier dat zich volpropt met gras en ander groen dat door regen of rivierwater is gegroeid, maar geen middelen gebruikt om het te verteren, zoals herkauwen, in de zon liggen of bewegen, waardoor het opgeblazen raakt en sterft of bijna sterft. Voor zo iemand wordt zijn bezit uiteindelijk bron een bron van zijn ondergang.Het tweede voorbeeld betreft iemand die zijn rijkdom op rechtmatige wijze en binnen redelijke grenzen vergaart, en weet hoe hij er goed gebruik van kan maken. Hij besteedt een deel aan goede doelen en liefdadigheid, en zorgt voor evenwicht in het gebruik van zijn middelen. Zo iemand wordt vergeleken met een dier dat voedzaam gras eet, het goed verteert door te herkauwen, in de zon rust, zijn behoefte doet en daarna weer rustig verder graast, een beeld van nut, balans en zegen.] (HA)

٦٢٦ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ جَلَسَ ذَاتَ يَوْمٍ عَلَى الْمِنْبَرِ وَجَلَسْنَا حَوْلَهُ، فَقَالَ: إِنِّي مِمَّا أَخَافُ عَلَيْكُمْ مِنْ بَعْدِي مَا يُفْتَحُ عَلَيْكُمْ مِنْ زَهْرَةِ الدُّنْيَا وَزِينَتِهَا فَقَالَ رَجُلٌ: يَا رَسُولَ اللهِ أَوَ يَأْتِي الْخَيْرُ بِالشَّرِّ فَسَكَتَ النَّبِيُّ ﷺ فَقِيلَ لَهُ: مَا شَأْنُكَ تُكَلِّمُ النَبِيَّ ﷺ وَلاَ يُكَلِّمُكَ فَرَأَيْنَا أَنَّهُ يُنْزَلُ عَلَيْهِ قَالَ فَمَسَحَ عَنْهُ الرُّحَضَاءَ، فَقَالَ: أَيْنَ السَّائِلُ وَكَأَنَّهُ حَمِدَهُ؛ فَقَالَ: إِنَّهُ لاَ يَأْتِي الْخَيْرُ بِالشَّرِّ، وَإِنَّ مِمَّا يُنْبِتُ الرَّبِيعُ يَقْتُلُ أَو يُلِمُّ، إِلاَّ آكِلَةَ الْخَضْرَاءِ، أَكَلَتْ حَتَّى إِذَا اْمتَدَّتْ خَاصِرَتَاهَا اسْتَقْبَلَتْ عَيْنَ الشَّمْسِ، فَثَلَطَت وَبَالَتْ وَرَتَعَتْ، وَإِنَّ هذَا الْمَالَ خَضِرَةٌ حُلْوَةٌ، فَنِعْمَ صَاحِبُ الْمُسْلِمِ مَا أَعْطَى مِنْهُ الْمِسْكِينَ وَالْيَتِيمَ وَابْنَ السَّبِيلِ أَوْ كَمَا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: وَإِنَّهُ مَنْ يَأْخُذُهُ بِغَيْرِ حَقِّهِ كَالَّذِي يَأْكُلُ وَلاَ يَشْبَعُ، وَيَكُونُ شَهِيدًا عَلَيْهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ626) Van Abû Saʿîd al-Khudrî (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zat op een dag op de minbar (preekstoel), terwijl wij om hem heen gingen zitten.

Toen zei hij: “Voorwaar, wat ik voor jullie vrees na mij, is dat de pracht en praal van deze wereld voor jullie geopend zal worden.”Een man vroeg toen: “O Rasûlullāh, brengt het goede (rijkdom) ook het kwade met zich mee?”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zweeg even.Iemand zei tegen die man: “Wat is er met jou dat je tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) spreekt, als hij je niet antwoordt?”Toen zagen wij dat openbaring op hem werd neergezonden.Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd, en vroeg toen: “Waar is de vraagsteller?” En het was alsof hij hem prees.Vervolgens zei hij: “Voorwaar, het goede komt niet met het slechte (Weet dat rijkdom op zichzelf geen kwaad brengt). En waarlijk, sommige gewassen die in het lentegroen groeien, zijn giftig kunnen doden of de dood nabij brengen. Behalve het dier dat (uitsluitend) van gras leeft: het eet totdat zijn flanken zich vullen, keert zich naar de zon, laat zijn mest en urine los, en keert daarna terug om opnieuw te grazen.En voorwaar, dit (wereldse) rijkdom is (netals het giftige lentegroen) verleidelijk groen en zoet.Wat een goede metgezel is zij (rijkdom) voor de moslim die ervan geeft aan de arme, de wezen en de reiziger. (of zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei)Maar wie het (wereldse rijkdom) op onrechtmatige wijze verzamelt, is als iemand die eet maar nooit verzadigd raakt, en het zal op de Dag der Opstanding tegen hem getuigen.”

De deugd van matigheid (of zelfbeheersing) en geduld

فضل التعفف والصبر

٦٢٧ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، أَنَّ نَاسًا مِنَ الأَنْصَارِ، سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَأَعْطَاهُمْ، ثُمَّ سَأَلُوهُ فَأَعْطَاهُمْ، حَتَّى نَفِدَ مَا عِنْدَهُ، فَقَالَ: مَا يَكُونُ عِنْدِي مِنْ خَيْرٍ فَلَنْ أَدَّخِرَهُ عَنْكُم، وَمَنْ يَسْتَعْفِفْ يُعِفَّهُ اللهُ، وَمَنْ يَسْتَغْنِ يُغْنِهِ اللهُ، وَمَنْ يَتَصَبَّرْ يُصَبِّرْهُ اللهُ، وَمَا أُعْطِيَ أَحَدٌ عَطَاءً خَيْرًا وَأَوْسَعَ مِنَ الصَّبْرِ

627) Van Abû Sa‘îd al-Khudrî (رضي الله عنه):Enkele Ansâr vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om financiële steun en hij gaf het hun. Ze vroegen hem een tweede en een derde maal, en weer gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hun iets, tot hij zelf niets meer had.Toen zei hij: “Ik zal geen bezit voor jullie achterhouden om het voor mezelf te bewaren of op te potten. (Weet dat) Allah degene die eerlijk en waardig wil leven, ook op een waardige manier zal laten leven. En degene die onafhankelijk wil zijn van anderen, zal Allah zó maken dat hij geen ander nodig heeft. Wie geduldig wil zijn, maakt Allah geduldig. Niemand heeft ooit een zegening gekregen die beter en groter is dan volharding/geduld (ṣabr).”

In genoegzaamheid en tevredenheid (al-qana`ah*)

في الكفاف والقناعة

٦٢٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اللهُمَّ ارْزُقْ آلَ مُحَمَّدٍ قُوتًا

628) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O Allāh, geef de familie van Muhammed (genoeg) levensonderhoud (om van te leven).’{*: al-qana`ah: tevredenheid, genoeg nemen met wat men heeft, of innerlijke tevredenheid)}

Het niet geven van giften aan iemand die met lelijke en grove woorden vraagt

إِعطاء من سأل بفحش وغلظة

٦٢٩ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: كُنْتُ أَمْشِي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، وَعَلَيْهِ بُرْدٌ نَجْرَانِيٌّ غَلِيظُ الْحَاشِيَةِ، فَأَدْرَكَهُ أَعْرَابِيٌّ، فَجَذَبَهُ جَذْبَةً شَدِيدَةً، حَتَّى نَظَرْتُ إِلَى صَفْحَةِ عَاتِقِ النَّبِيِّ ﷺ، قَدْ أَثَّرَتْ بهِ حَاشِيَةُ الرِّدَاءِ مِنْ شِدَّةِ جَذْبَتِهِ، ثُمَّ قَالَ: مُرْ لِي مِنْ مَالِ اللهِ الَّذِي عِنْدَكَ؛ فَالْتَفَتَ إِلَيْهِ، فَضَحِكَ، ثُمَّ أَمَرَ لَهُ بِعَطَاءٍ

629 – Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه):Ik liep eens met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij een mantel uit Najrân droeg, met een ruwe rand.Op dat moment werd hij ingehaald door een bedoeïen, die hem met kracht aan zijn mantel trok, zo hard dat ik naar de zijkant van an-Nabīs (صلى الله عليه وسلم) schouder keek en zag dat de ruwe rand van de mantel een afdruk had achtergelaten door de hevige ruk.Toen zei de man: “Beveel dat mij iets wordt gegeven van het bezit van Allāh dat bij u is.”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wendde zich tot hem, glimlachte, en beval dat hij iets zou krijgen.”

٦٣٠ - حديث الْمِسْوَرِ بْنِ مَخْرَمَةَ ﵁، قَالَ: قَسَمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَقْبِيَةً، وَلَمْ يُعْطِ مَخْرَمَةَ مِنْهَا شَيْئًا، فَقَالَ مَخْرَمَةُ: يَا بُنَيِّ انْطَلِقْ بِنَا إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَانْطَلَقْتُ مَعَهُ، فَقَالَ: ادْخُلْ فَادْعُهُ لِي، قَالَ فَدَعَوْتُهُ لَهُ فَخَرَجَ إِلَيْهِ وَعَلَيْهِ قَبَاءٌ مِنْهَا، فَقَالَ: خَبَأْنَا هذَا لَكَ قَالَ: فَنَظَرَ إِلَيْهِ، فَقَالَ: رَضِيَ مَخْرَمَةُ630 – Van Miswar ibn Makhramah (رضي الله عنه):Rasululah (صلى الله عليه وسلم) verdeelde enkele mantels, maar hij gaf er geen aan (mijn vader) Makhramah.Toen zei Makhrama: ‘O mijn zoon, ga met mij mee naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .’Dus ging ik met hem mee.Hij zei tegen mij: ‘Ga naar binnen en roep hem voor mij.’Ik riep hem, en hij kwam naar buiten, terwijl hij een van die mantels aanhad.Daarop zei hij: ‘Wij hadden deze voor jou apart gehouden.’Makhrama keek (blij) ernaar. En toen zei hij: ‘Is Makhrama nu tevreden?’

Het geven van giften aan iemand van wie men vreest dat het geloof zwak is

إِعطاء من يخاف على إِيمانه

٦٣١ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، قَالَ: أَعْطَى رَسُولُ اللهِ ﷺ رَهْطًا وَأَنَا جَالِسٌ فِيهِمْ، قَالَ: فَتَرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْهُمْ رَجُلًا لَمْ يُعْطِهِ، وَهُوَ أَعْجَبُهُمْ إِلَيَّ، فَقُمْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَسَارَرْتُهُ، فَقُلْتُ: مَا لَكَ عَنْ فُلاَنٍ وَاللهِ إِنِّي لأُرَاهُ مُؤْمِنًا قَالَ: أَوْ مُسْلِمًا قَالَ: فَسَكَتُّ قَلِيلًا؛ ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَعْلَمُ فِيهِ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا لَكَ عَنْ فُلاَنٍ وَاللهِ إِنِّي لأُرَاهُ مُؤْمِنًا قَالَ: أَوْ مُسْلِمًا قَالَ: فَسَكَتُّ قَلِيلًا، ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَعْلَمُ فِيهِ، فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا لَكَ عَنْ فُلاَنٍ وَاللهِ إِنِّي لأُرَاهُ مُؤْمِنًا قَالَ: أَوْ مُسْلِمًا فَقَالَ: إِنِّي لأُعْطِي الرَّجُلَ، وَغَيْرُهُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِنْهُ، خَشْيَةَ أَنْ يُكَبَّ فِي النَّارِ عَلَى وَجْهِهِ

631) Van Sa‘d ibn Abî Waqqâs (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf een aantal mensen geschenken (om hun harten te winnen voor de Islām). Ik zat op dat moment bij hem. Maar hij gaf geen geschenk aan degene waarvan ik (dacht dat hij) het meest verdiende.Ik zei: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?

Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige (mu’min) is.' Hij zei: 'Noem hem (geen mu’min maar) een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?' Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.' Hij zei weer: 'Noem hem een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?' Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.'Toen zei hij : 'O Sa`d, ik kan hem, die ik minder liefheb dan anderen, een geschenk geven, alleen om te voorkomen dat Allāh hem naar het Hellevuur zal sturen.'

Het geven van giften aan degenen wier harten worden gewonnen voor de Islām en het geduld van degene wiens geloof sterk isإِعطاء المؤلفة قلوبهم على الإسلام وتصبر من قوى إِيمانه

٦٣٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ نَاسًا مِنَ الأَنْصَارِ قَالُوا لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، حِينَ أَفَاءَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ ﷺ مِنْ أَمْوَالِ هَوَازِنَ مَا أَفَاءَ فَطَفِقَ يُعْطِي رِجَالًا مِنْ قُرَيْشٍ الْمَائَةَ مِنَ الإبِلِ؛ فَقَالوا: يَغْفِرُ اللهُ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ يُعْطِي قُرَيْشًا وَيَدَعُنَا، وَسُيُوفُنَا تَقْطُرُ مِنْ دِمَائِهِمْ قَالَ أَنَسٌ: فَحُدِّثَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِمَقَالتِهِمْ، فَأَرْسَلَ إِلَى الأَنْصَارِ فَجَمَعَهُمْ فِي قُبَّةٍ مِنْ أَدَمٍ، وَلَمْ يَدْعُ مَعَهُمْ أَحَدًا غَيْرَهُمْ، فَلَمَّا اجْتَمَعُوا جَاءَهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: مَا كَانَ حَدِيثٌ بَلَغَنِي عَنْكُمْ قَالَ لَهُ فُقَهَاؤُهُمْ: أَمَّا ذَوو آرَائِنَا يَا رَسُولَ اللهِ فَلَمْ يَقُولوا شَيْئًا، وَأَمَّا أُنَاسٌ مِنَّا حَدِيثَةٌ أَسْنَانُهُمْ، فَقَالُوا: يَغْفِرُ اللهُ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ يُعْطِي قرَيْشًا وَيَتْرُكُ الأَنْصَارَ، وَسُيُوفُنا تَقْطُرُ مِنْ دِمَائِهِمْ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنِّي لأُعْطِي رِجَالًا حَدِيثٌ عَهْدُهُمْ بِكُفْرٍ، أَمَا تَرْضَوْنَ أَنْ يَذْهَبَ النَّاسُ بِالأَمْوَالِ، وَتَرْجِعُونَ إِلَى رِحالِكُمْ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ فَوَاللهِ مَا تَنْقَلِبُونَ بِهِ، خَيْرٌ مِمَّا يَنْقَلِبُونَ بِهِ قَالُوا: بَلَى يَا رَسُولَ اللهِ قَدْ رَضِينَا فَقَالَ لَهُمْ: إِنَّكُمْ سَتَرَوْنَ بَعْدِي أَثَرَةً شَدِيدَةً، فَاصْبرُوا حَتَّى تَلْقَوُا اللهَ وَرَسُولَهُ ﷺ عَلَى الْحَوْضِ قَالَ أَنَسٌ: فَلَمْ نَصْبِرْ632) Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه):(Na Hunayn)

zeiden enkele mannen van de Ansâr tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nadat Allāh buit van Hawâzin aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geschonken, en hij aan de mannen van Quraysh honderd kamelen per persoon had gegeven (om hun harten te verzachten voor de Islām): ”Moge Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergeven! Hij geeft aan Quraysh en laat ons achter, terwijl onze zwaarden nog druipen van hun bloed!”Anas zei: Toen deze woorden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bereikten, liet hij de Anṣār bij zich roepen. Hij verzamelde hen in een lederen tent en nodigde niemand anders uit. Zodra zij allemaal bijeen waren, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar hen toe en vroeg: “Wat is die uitspraak die mij van jullie heeft bereikt?”

Hun vooraanstaande mannen antwoordden: “De verstandigen en gezaghebbenden onder ons hebben hierover niets gezegd. Het zijn echter enkele jonge mannen onder ons die hebben opgemerkt: ‘Moge Allāh Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergeven! Hij geeft aan Quraysh en laat de Ansâr achter, terwijl onze zwaarden nog druipen van hun bloed.’”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Voorwaar, ik geef aan mannen die onlangs nog maar in het ongeloof verkeerden, (om hun harten te verzachten voor de Islām). Zijn jullie er dan niet tevreden mee dat de mensen met rijkdommen terugkeren, terwijl jullie samen met Rasûlullāh naar jullie woonplaatsen (Madīnah) terugkeren? Bij Allāh, wat jullie van mij ontvangen is beter dan wat zij meenemen!”Zij (Ansâr) antwoordden: “Ja, o Rasûlullāh, wij zijn tevreden!” Toen zei hij tegen hen: “Na mij zullen jullie te maken krijgen met een sterke voorkeur (voor anderen boven jullie). Wees dan geduldig, totdat jullie Allāh en Zijn Rasûl ontmoeten bij het Bassin (Hawd).”Anas zei: “Maar wij konden dat geduld niet opbrengen.”

[ In een andere ḥadīth staat: Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verzamelde (na Hunayn) enkele mensen van de Ansâr en zei:‘De banden van Quraysh met de tijd van jâhiliyyah zijn nog vers, en het leed dat zij hebben meegemaakt is nog nieuw.

Daarom wilde ik hun wonden helen en hun harten voor de Islām verwarmen.Zijn jullie er dan niet tevreden mee dat anderen terugkeren met wereldse goederen, terwijl jullie terugkeren met Rasûlullāh naar jullie huizen?’Zij antwoordden: ‘Ja, wij zijn tevreden.’Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Als de mensen een vallei binnengaan en de Ansâr een bergpad kiezen, dan zal ik het pad van de Ansâr kiezen.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn trouw aan en waardering voor de Ansâr (رضي الله عنهم), evenals zijn voorkeur voor hen boven anderen, op de meest welsprekende wijze uitgedrukt.Zonder twijfel is zo’n verheven getuigenis te danken aan het feit dat de Ansâr uitblonken in edele eigenschappen zoals het nakomen van beloften, loyaliteit in broederschap, het respecteren van de rechten van vriendschap en goed nabuurschap, en hun opofferingsgezindheid.Uit deze woorden mag echter niet worden afgeleid dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ondergeschikt was aan Ansâr of of zijn leiderschap aan hen overdroeg. Het duidt louter op zijn waardering voor hun morele integriteit en hun recht op erkenning.] (AFK)

٦٣٣ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: دَعَا النَّبِيُّ ﷺ الأَنْصَارَ، فَقَالَ: هَلْ فِيكُمْ أَحَدٌ مِنْ غَيْرِكُمْ قَالوا: لاَ، إِلاَّ ابْنُ أُخْتٍ لَنَا؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: ابْنُ أُخْتِ الْقَوْمِ مِنْهُمْ633) Van Anas (رضي الله عنه):(Na Hunayn veldtocht) riep an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Anṣār bijeen en zei: “Is er iemand onder jullie die niet van jullie (stam) is?”Zij zeiden: “Nee, behalve de zoon van onze zuster (d.w.z. een neef van moederskant).”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De neef van moederskant behoort tot het volk.”

٦٣٤ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَتِ الأَنْصَارُ يَوْمَ فَتْحِ مَكَّةَ، وأَعْطَى قُرَيْشًا وَاللهِ إِنَّ هذَا لَهُوَ الْعَجَبُ، إِنَّ سُيُوفَنَا تَقْطُرُ مِنْ دِمَاءِ قُرَيْشٍ، وَغَنَائِمُنَا تَرَدُّ عَلَيْهِمْ فَبَلَغَ ذلِكَ النَّبِيَّ ﷺ، فَدَعَا الأَنْصَارَ قَالَ، فَقَالَ: مَا الَّذِي بَلَغَنِي عَنْكُمْ وَكَانُوا لاَ يَكْذِبُونَ فَقَالُوا: هُوَ الَّذِي بَلَغَكَ قَالَ: أَوَ لاَ تَرْضَوْنَ أَنْ يَرْجِعَ النَّاسُ بِالْغَنَائِمِ إِلَى بيُوتِهِمْ، وَتَرْجِعُونَ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ إِلَى بُيُوتِكُمْ لَوْ سَلَكَتِ الأَنْصَارُ وَادِيًا أَوْ شِعْبًا لَسَلَكْتُ وَادِيَ الأَنْصَارِ أَوْ شِعْبَهمْ634) Van Anas (رضي الله عنه):Op de dag van de verovering van Makkah zeiden de Anṣār, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Qurayish hun oorlogsbuit teruggaf: “Bij Allāh, dit is werkelijk verbazingwekkend!

Onze zwaarden druipen nog van het bloed van de Qurayish, en onze buit wordt aan hen teruggegeven!”(Anas zei:) Toen bereikte dit an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij riep de Anṣār bij zich en zei:“Wat is dat wat mij over jullie ter ore is gekomen?”Zij logen nooit, dus ze zeiden: “Het is inderdaad zoals u hebt gehoord.”Toen zei hij: “Zijn jullie dan niet tevreden dat de mensen met buit terugkeren naar hun huizen, terwijl jullie met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar jullie huizen terugkeren?Wanneer de Anṣār een vallei of een bergpas zouden inslaan, dan zou ik (zonder aarzelen) dezelfde vallei of de bergpas volgen als die van de Anṣār.”

[٦٣٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ حُنَيْنٍ الْتَقَى هَوَازِنُ، وَمَعَ النَّبِيِّ ﷺ عَشَرَةُ آلاَفٍ وَالطُّلَقَاءُ فَأَدْبَرُوا قَالَ: يَا مَعْشَرَ الأَنْصَارِ قَالُوا: لَبَّيْكَ يَا رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ لَبَّيْكَ، نَحْنُ بَيْنَ يَدَيْكَ فَنَزَلَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: أَنَا عَبْدُ اللهِ وَرَسُولُهُ فَانْهَزَمَ الْمُشْرِكُونَ، فَأَعْطَى الطُّلَقَاءَ وَالْمُهَاجِرِينَ وَلَمْ يُعْطِ الأَنْصَارَ شَيْئًا فَقَالُوا؛ فَدَعَاهُمْ فَأَدْخَلَهُمْ فِي قُبَّةٍ، فَقَالَ: أَمَا تَرْضَوْنَ أَنْ يَذْهَبَ النَّاسُ بِالشَّاةِ وَالْبَعِيرِ وَتَذْهَبُونَ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَوْ سَلَكَ النَّاسُ وَادِيًا وَسَلَكَتِ الأَنْصَارُ شِعْبًا لاَخْتَرْتُ شِعْبَ الأَنْصَارِ635) Van Anas (رضي الله عنه):(Na de verovering van Makkah) ontmoetten de moslims op de dag van Ḥunayn de stam van Hawāzin in de strijd. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trok op met tienduizend man, waaronder de Ṭulaqā’ (die zich pas na de verovering van Makkah tot de Islam waren toegetreden).

Toen de de strijd losbarstte sloegen (de Ṭulaqā’ en anderen) op de vlucht.Daarop riep hij: “O gemeenschap van de Anṣār!”Zij antwoordden: “Wij gehoorzamen u, o Rasūlullah en blijven u trouw!

Wij staan vóór u (en zullen u beschermen)!”Toen steeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) af van zijn rijdier en zei: “Ik ben de dienaar van Allāh en Zijn Boodschapper!”Daarna leden de polytheisten een nederlaag (en vluchtten).Vervolgens verdeelde hij de oorlogsbuit onder de Ṭulaqā’ en de Muhājirūn, terwijl hij de Anṣār niets toekende.

Zij spraken daar onderling over, waarna hij hen bijeenriep en in een tent liet verzamelen. Hij zei toen: “Zijn jullie er niet tevreden mee dat de mensen vertrekken met schapen en kamelen, terwijl jullie (naar Madīnah) terugkeren met Rasûlullāh ?”En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei ook: “Als de mensen een vallei zouden inslaan en de Anṣār een bergpas, dan zou ik zeker de bergpas van de Anṣār kiezen.”

٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدِ بْنِ عَاصِمٍ، قَالَ: لَمَّا أَفَاءَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ ﷺ يَوْمَ حُنَيْنٍ قَسَمَ فِي النَّاسِ فِي الْمُؤَلَّفَةِ قَلُوبُهُمْ وَلَمْ يُعْطِ الأَنْصَارَ شَيْئًا؛ فَكَأَنَّهُمْ وَجَدُوا، إِذْ لَمْ يُصِبْهُمْ مَا أَصَابَ النَّاسَ، فَخَطَبَهُمْ فَقَالَ: يَا مَعْشَرَ الأَنْصَارِ أَلَمْ أَجِدْكُمْ ضُلاَّلًا فَهَدَاكُمُ اللهُ بِي، وَكُنْتُمْ مُتَفَرِّقِينَ فَأَلَّفَكُمُ اللهُ بِي، وَعَالَةً فَأَغْنَاكُمُ الله بِي كلَّمَا قَالَ شَيْئًا، قَالُوا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَمَنُّ؛ قَالَ: مَا يَمْنَعُكُمْ أَنْ تُجِيبُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ، كُلَّمَا قَالَ شَيْئًا، قَالُوا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَمَنُّ قَالَ: لَوْ شِئتُمْ قُلْتُمْ: جِئْتَنَا كَذَا وَكَذَا، أَتَرْضَوْنَ أَنْ يَذْهَبَ النَّاسُ بِالشَّاةِ وَالْبَعِيرِ وَتَذْهَبُونَ بِالنَّبِيِّ ﷺ إِلَى رِحَالِكُمْ لَوْلاَ الْهِجْرَةُ لَكُنْتُ امْرءًا مِنَ الأَنْصَارِ، وَلَوْ سَلَكَ النَّاسُ وَادِيًا وَشِعْبًا لَسَلَكْتُ وَادِيَ الأَنْصَارِ وَشِعْبَهَا، الأَنْصَارُ شِعَارٌ وَالنَّاسُ دِثَارٌ، إِنَّكُمْ سَتَلْقَوْنَ بَعْدِي أَثَرَةً فَاصْبِرُوا حَتَّى تَلْقَوْنِي عَلَى الْحَوْضِ

636) Van ʿAbdullâh ibn Zayd ibn ʿÂṣim (رضي الله عنه):Toen Allāh op de dag van Ḥunayn buitgoederen aan Zijn Rasûl schonk, verdeelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze onder de mensen die nog maar recent tot de Islām waren toegetreden en wier harten (voor de Islām) gewonnen moesten worden (muʾallafatu’l qulûb).

De Ansâr ontvingen hiervan niet.Het leek alsof dit hen zwaar viel, omdat zij niets kregen van wat de anderen wel ontvingen.Daarop richtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich in een toespraak tot hen en zei: “O gemeenschap van de Ansâr waren jullie niet dwalend, en heeft Allāh jullie niet door mij geleid?Waren jullie niet verdeeld, en heeft Allāh jullie niet door mij verenigd?Waren jullie niet arm, en heeft Allāh jullie door mij rijk gemaakt?”Telkens wanneer hij dit zei, antwoordden zij: “(Wij zijn) Allāh en Zijn Rasûl dankbaar.”Daarop zei hij: “Wat weerhoudt jullie om de oproep (oorlogsbuit verdeling) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te accepteren?”En telkens als hij iets herhaalde, zeiden zij weer: “(Wij zijn) Allāh en Zijn Rasûl dankbaar.”Daarna zei hij: “Als jullie hadden gewild, hadden jullie kunnen zeggen: ‘Hij kwam bij ons met dit en dat.’Willen jullie toestaan dat (de andere) mensen met de schapen en de kamelen vertrekken, terwijl jullie zelf met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terugkeren naar jullie woonplaatsen?Als de emigratie (hijrah) niet was geweest, dan zou ik zelf één van de Ansār zijn geweest.En als mensen een vallei of een bergpas zouden nemen, dan zou ik zeker de vallei en de bergpas van de Ansār nemen.De Ansār zijn (als) de vlag, terwijl de mensen slechts het kleed zijn. (m.a.w. als de binnenste kleding (intiem), en de mensen zijn als de buitenste mantel (oppervlakkig).)Voorwaar, na mij zullen jullie te maken krijgen met voorkeuren voor anderen boven jullie.

Wees daarom geduldig, totdat jullie mij ontmoeten bij het Bassin (Ḥawḍ)[Volgens de overlevering van Aḥmad ibn Ḥanbal via Anas (رضي الله عنه):zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):”Jullie zouden ook kunnen zeggen:‘U kwam tot ons in angst, en wij hebben u bescherming geboden.U kwam tot ons als iemand die verdreven was, en wij hebben u onder ons opgenomen.U kwam tot ons nadat uw volk u had verlaten, en wij hebben u geholpen.’De metgezellen antwoordden daarop: “(Wij zijn) Allāh en Zijn Rasûl dankbaar.”Ibnu Ḥajar heeft verklaard dat de keten van overleveraars (isnâd) van deze ḥadīth authentiek (ṣaḥīḥ) is.] (HY)

٦٣٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا كَانَ يَوْمُ حُنَيْنٍ آثَرَ النَّبِيُّ ﷺ أُنَاسًا فِي الْقِسْمَةِ فَأَعْطَى الأَقْرَعَ بْنَ حَابِسٍ مِائَةً مِنَ الإِبِلِ، وَأَعْطَى عُيَيْنَةَ مِثْلَ ذلِكَ، وَأَعْطَى أُنَاسًا مِنْ أَشْرَافِ الْعَرَبِ، فَآثَرَهُمْ يَوْمَئِذٍ فِي الْقِسْمَةِ؛ قَالَ رَجُلٌ: وَاللهِ إِنَّ هذِهِ الْقِسْمَةَ مَا عُدِلَ فِيهَا، وَمَا أُرِيدَ بِهَا وَجْهُ اللهِ فَقُلْتُ: وَاللهِ لأُخْبِرَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، فَأَتَيْتهُ فَأَخْبَرْتُهُ، فَقَالَ: فَمَنْ يَعْدِلُ إِذَا لَمْ يَعْدِلِ اللهُ وَرَسُولُهُ رَحِمَ اللهُ مُوسَى، قَدْ أُوذِيَ بِأَكْثَرَ مِنْ هذَا فَصَبَرَ637) Van `Abdullah Ibn Mas‘ûd (رضي الله عنه):Na de slag bij Hunayn gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sommigen voorrang bij de verdeling van de oorlogsbuit.Zo gaf hij aan Aqra` ibn Hâbis honderd kamelen en hetzelfde hoeveelheid aan ‘Uyaynah ibn Hisn.Die dag kregen hooggeplaatste Arabieren overvloedig en voorrang bij de verdeling (van de oorlogsbuit).Toen zei een man: ‘Bij Allāh!

Deze verdeling van de oorlogsbuit is onrechtvaardig en zeker niet gedaan met het oog op het welbehagen van Allāh!’Daarop zei ik: Bij Allāh, ik zal deze woorden zeker aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) melden. Vervolgens ging ik naar hem en bracht hem op de hoogte van wat er gezegd was. Toen antwoordde hij: ‘Als Allāh en Zijn Rasûl geen rechtvaardigheid betrachten, wie dan wel?Moge Allāh Mûsâ (عليه السلام) genadig zijn! Hij werd met nog ernstigere zaken geconfronteerd en toch bleef hij geduldig.’

De khārijieten en hun eigenschappen

ذكر الخوارج وصفاتهم

٦٣٨ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: بَيْنَمَا رَسُولُ اللهِ ﷺ يَقْسِمُ غَنيمَةً بِالْجِعْرَانَةِ، إِذْ قَال لَهُ رَجُلٌ: اعْدِلْ فَقَالَ لَهُ: شَقِيتُ إِنْ لَمْ أَعْدِلْ

638) Van Jâbir ibn ‘Abdullâh (رضي الله عنه):Toen Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de oorlogsbuit (van Hunayn ve Hawâzin) verdeelde in Ji’rânah, zei een man tegen hem: ‘Wees rechtvaardig!’ Daarop zei hij: ‘Ik ben verloren als ik geen rechtvaardigheid betracht.”

٦٣٩ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: بَعَثَ عَلِيٌّ ﵁ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ بِذُهَيْبَةٍ فَقَسَمَهَا بَيْنَ الأَرْبَعَةِ، الأَقْرَعِ بْنِ حَابِسٍ الْحَنْظَلِيِّ ثُمَّ الْمُجَاشِعِيِّ، وَعُيَيْنَةَ بْنِ بَدْرٍ الْفَزَارِيِّ، وَزَيْدٍ الطَّائِيِّ، ثُمَّ أَحَدِ بَنِي نَبْهَانَ، وَعَلْقَمَةَ بْنِ عُلاَثَةَ الْعَامِرِيِّ، ثُمَّ أَحَدِ بَنِي كِلاَبٍ؛ فَغَضِبَتْ قُرَيْشٌ وَالأَنْصَارُ قَالُوا: يُعْطِي صَنَادِيد أَهْل نَجْدٍ وَيَدَعُنَا قَالَ: إِنَّمَا أَتأَلَّفُهُمْ فَأَقْبَلَ رَجُلٌ غَائِرُ الْعَيْنَيْنِ، مُشْرِفُ الْوَجْنَتَيْنِ، نَاتِىءُ الْجَبِينِ، كَثُّ اللِّحْيَةِ، مَحْلُوقٌ، فَقَالَ: اتَّقِ اللهَ يَا مُحَمَّدُ فَقَالَ: مَنْ يُطِعِ اللهَ إِذَا عَصَيْتُ أَيَأْمنُنِي اللهُ عَلَى أَهْلِ الأَرْضِ وَلاَ تَأْمَنُونَنِي فَسأَلَهُ رَجُلٌ قَتْلَهُ، أَحْسِبُهُ خَالِدَ بْنَ الْوَلِيدِ، فَمَنَعَهُ فَلَمَّا وَلَّى، قَالَ: إَنَّ مِنْ ضِئْضِئِي هذَا أَوْ فِي عَقِبَ هذَا قَوْمٌ يَقْرَءُونَ الْقُرْآنَ لاَ يُجَاوِزُ حَنَاجِرَهُمْ، يَمْرُقُونَ مِنَ الدِّينِ مُرُوقَ السَّهْمِ مِنَ الرَّمِيَّةِ، يَقْتُلُونَ أَهْلَ الإِسْلاَمِ، وَيَدعُونَ أَهْلَ الأَوْثَانِ، لَئِنْ أَنَا أَدْرَكْتُهُمْ لأَقْتُلَنَّهُمْ قَتْلَ عَادٍ639) Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):ʿAlī (رضي الله عنه) stuurde (vanuit Jemen een hoeveelheid ongeraffineerd) goud naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Hij verdeelde dit onder vier personen:al-Aqraʿ ibn Ḥābis al-Ḥanẓalī, van de stam al-Mujāshi`īʿ;ʿUyayna ibn Baḍr al-Fazārī;Zayd aṭ-Ṭā’ī, van de stam Banū Nabḥān;en ʿAlqama ibn ʿUlātha al-ʿĀmirī, van de stam Banū KilābDaarop raakten Qurayish en de Anṣār (verontwaardigd) en boos en zeiden: “Hij geeft (de oorlogsbuit) aan de edelen van Nadjd, en laat ons buiten beschouwing!”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “Ik probeer hen slechts voor de Islām te winnen.”Toen trad een man naar voren met diepliggende ogen, scherpe jukbeenderen, een vooruitstekend voorhoofd, een volle baard, een kaalgeschoren hoofd en gekreukelde kleding. Hij zei: “O Rasûlullâh, vrees Allāh!”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wie zou Allāh gehoorzamen als ik Hem ongehoorzaam zou zijn? Vertrouwt Allāh mij (de mensen) op aarde toe en vertrouwen jullie mij dan niet?”Toen vroeg iemand (ik denk dat het Khālid ibn al-Walīd was) toestemming om die man te doden, maar hij werd tegengehouden.Toen de man wegliep, zei hij: “Uit het nageslacht van deze man, of onder zijn nakomelingen, zullen er mensen opstaan die de Qur’ān reciteren maar het komt niet verder dan hun strottenhoofd.Zij zullen uit de dīn (Islām) schieten zoals een pijl uit het wild schiet.Zij zullen de moslims doden en de polytheisten met rust laten.Als ik hen ooit zou ontmoeten, dan zou ik hen uitroeien zoals het volk van ʿĀd werd uitgeroeid.”

٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: بَعَثَ عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ ﵁، إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، مِنَ الْيَمَنِ بِذُهَيْبَةٍ فِي أَدِيمٍ مَقْرُوظٍ؛ لَمْ تُحَصَّلْ مِنْ تُرَابِهَا، قَالَ: فَقَسَمَهَا بَيْنَ أَرْبَعَةِ نَفَرٍ: بَيْنَ عُيَيْنَةَ بْنِ بَدْرٍ، وَأَقْرعَ بْنِ حَابِسٍ، وَزَيْدِ الْخَيْلِ، وَالرَّابِعُ إِمَّا عَلْقَمَةُ وَإِمَّا عَامِرُ بْنُ الطُّفَيْلِ فَقَالَ رَجُلٌ مِنْ أَصْحَابِهِ: كُنَّا نَحْنُ أَحَقَّ بِهذَا مِنْ هؤُلاَءِ قَالَ: فَبَلَغَ ذلِكَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: أَلاَ تَأْمَنُونِي وَأَنَا أَمِينُ مَنْ فِي السَّمَاءِ، يَأْتِينِي خَبَرُ السَّمَاءِ صَبَاحًا وَمَسَاءً قَالَ: فَقَامَ رَجُلٌ غَائِرُ الْعَيْنَيْنِ، مُشْرِفُ الْوَجْنَتَيْنِ، نَاشِزُ الْجَبْهَةِ، كَثُّ اللِّحْيَةِ، مَحْلُوقُ الرَّأْسِ، مُشَمَّرُ الإِزَارِ؛ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ اتَّقِ اللهَ قَالَ: وَيْلَكَ أَوَلَسْتُ أَحَقُّ أَهْلِ الأَرْضِ أَنْ يَتَّقِيَ اللهَ قَالَ: ثُمَّ وَلَّى الرَجُلُ

قَالَ خَالِدُ بْنُ الْوَلِيدِ: يَا رَسُولَ اللهِ أَلاَ أَضْرِبُ عُنُقَهُ قَالَ: لا، لَعَلَّهُ أَنْ يَكُونَ يُصَلِّي فَقَالَ خَالِدٌ: وَكَمْ مِنْ مُصَلٍّ يَقُولُ بِلِسَانِهِ مَا لَيْسَ فِي قَلْبِهِ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنِّي لَمْ أُومَرْ أَنْ أَنْقُبَ قُلُوبَ النَّاسِ، وَلاَ أَشُقَّ بُطُونَهُمْ قَالَ: ثُمَّ نَظَرَ إِلَيْهِ، وَهُوَ مُقَفٍّ، فَقَالَ: إِنَّهُ يَخْرُجُ مِنْ ضِئْضِئِي هذَا قَوْمٌ يَتْلُونَ كِتَابَ اللهِ رَطْبًا، لاَ يُجَاوِزُ حَنَاجِرَهُمْ، يَمْرُقُونَ مِنَ الدِّينِ كَمَا يَمْرُقُ السَّهْمُ مِنَ الرَّمِيَّةِ وَأَظُنُّهُ قَالَ: لَئِنْ أَدْرَكْتُهُمْ لأَقْتُلَنَّهُمْ قَتْلَ ثَمُودَ

640 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه) stuurde vanuit Jemen een hoeveelheid ongeraffineerd goud (als deel van de khumus) gewikkeld in een gelooide leren zak naar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Het goud was nog niet gezuiverd van de aarde die eraan vastzat. Hij verdeelde het onder vier personen: ʿUyaynah ibn Badr, Aqraʿ ibn Ḥābis, Zayd al-Khayl en de vierde was ofwel ʿAlqamah ofwel ʿĀmir ibn aṭ-Ṭufayl.Toen zei een man uit de ṣaḥābah: “Wij hadden hier meer recht op (dit goud/oorlogsbuit) dan deze mensen.”Dit bereikte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarna hij zei: “Vertrouwen jullie mij niet, terwijl ik de vertrouwenspersoon ben van Degene die in de hemel is en tot wie elke ochtend en avond het nieuws/openbaring uit de hemel komt.”Daarop stond er een man op met diepliggende ogen, scherpe jukbeenderen, een vooruitstekend voorhoofd, een volle baard, kaal hoofd en gekreukelde kleding, en hij zei: “O Rasûlullāh, vrees Allāh!”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wee jou! Ben ik niet degene die oprecht het meest vreest voor Allāh onder de mensen op aarde?”Daarop keerde de man zich om en liep weg.Khālid ibn al-Walīd zei: “O Rasûlullāh, zal ik zijn nek afhakken?”Hij antwoordde: “Nee, (hopelijk) verricht hij de ṣalāh.”Khālid zei daarop: “O Rasûlullāh, Hoeveel mensen verrichten ṣalāh terwijl zij met hun tong zeggen wat niet in hun hart leeft!”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben niet opgedragen om in de harten van mensen te kijken, noch om hun buiken open te snijden.”Daarna keek hij hem na terwijl hij wegliep en zei: “Uit het nageslacht van deze man zullen mensen voortkomen die het Boek van Allāh met hun tong reciteren, maar het zal hun keel niet voorbijgaan. Zij zullen uit de dīn (Islām) treden zoals de pijl dwarsdoor de prooi schiet.”En ik meen dat hij zei: “Als ik hen zou aantreffen, dan zou ik zeker tegen hen strijden zoals (tegen) het volk van Thamoed.”

٦٤١ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: يَخْرُجُ فِيكُمْ قَوْمٌ تَحْقِرُونَ صَلاَتَكُمْ مَعَ صَلاَتِهِمْ، وَصِيَامَكُمْ مَعَ صِيَامِهِمْ، وَعَمَلَكُمْ مَعَ عَمَلِهِمْ، وَيَقْرَءُونَ الْقُرْآنَ، لاَ يُجَاوِزُ حَنَاجِرَهُمْ، يَمْرُقُونَ مِنَ الدِّينِ كَمَا يَمْرُقُ السَّهْمُ مِنَ الرَّمِيَّةِ، يَنْظُرُ فِي النَّصْلِ فَلاَ يَرَى شَيْئًا، وَيَنْظُرُ فِي الْقِدْحِ فَلاَ يَرَى شَيئًا، وَيَيْظُرُ فِي الرِّيشِ فَلاَ يَرَى شَيْئًا، وَيَتَمَارَى فِي الْفُوقِ641) Van Abû Sa’îd al-Khudrî (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er zal uit jullie midden een volk voortkomen, bij wie jullie jullie ṣalwāt gering achten tegenover hun ṣalwāt, jullie vasten gering achten tegenover hun vasten en jullie daden gering achten tegenover hun daden.

Ze zullen de Qur’ân reciteren, maar deze zal niet verder reiken dan hun strottenhoofd. Ze zullen uit de Islām treden zoals een pijl dwarsdoor een prooidier schiet. Je kijkt naar het ijzeren gedeelte van de pijl, maar vindt er niets. Je kijkt naar de houten schacht, ook daar is niets. Je kijkt naar de punt, en ziet niets. Je kijkt naar de plek waar hij binnenkwam en toch twijfelt men niet dat de pijl door bloed (van de prooi) is gegaan”.

[Zoals een pijl een prooi doorboort en dodelijk treft, maar zelf schoon en zonder bloed terugkeert, zo richten deze mensen schade aan de ummah en verlaten zij de Islām zonder enig teken van geloof bij zich te dragen. Ze wekken de indruk van vroom en toewijding, maar hun geloof (īmān) is niets meer dan schijn. In een andere overlevering zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Zij laten de afgodendienaars met rust, maar keren zich tegen de mensen van de Islām.” ] (AFK)

[Deze ḥadīth behoort tot de overleveringen die veel duidelijkheid verschaffen over belangrijke zaken. Tegenwoordig groeit in de samenleving de fitnah van takfīr, het iemand tot ongelovige verklaren. Wanneer zulke overleveringen goed worden begrepen, kan een moslim zijn religie correct begrijpen en zal hij niet louter zijn eigen verstand of begeerten volgen.Het begrip jahālah (onwetendheid) is afgeleid van de stam jahl. Een jāhil is iemand die niet weet, geen begrip of inzicht heeft. In de volksmond wordt dit gebruikt voor iemand die geen kennis heeft van de juiste weg, van kennis of van spiritueel inzicht. De toestand waarin een jāhil verkeert, wordt jahālah genoemd.Jahālah betekent ook het tegenovergestelde van kennis: het niet-weten. Terwijl kennis het hoogste en meest waardevolle is, vormt onwetendheid het dieptepunt: het slechtste van alles. Iemand met kennis wordt gezien als een eerbaar en deugdzaam persoon, terwijl de onwetenden altijd als minderwaardig worden beschouwd ten opzichte van kennis.Verantwoordelijkheid begint bij de fiṭrah en het īmān, dat wil zeggen bij het kennen en erkennen van Allāh (عز وجل). Deze verantwoordelijkheid ontwikkelt zich geleidelijk. Daarom is onwetendheid in algemene zin vaak een excuseerbare toestand. Dit geldt echter niet automatisch voor iedereen of in elk geval.Het is niet toegestaan zomaar te zeggen dat onwetendheid altijd een excuus is en vervolgens iedereen daaronder te laten vallen. Omgekeerd geldt ook: je kunt niet stellen dat het nooit een excuus is en vervolgens iemand die eronder valt als onverontschuldigbaar bestempelen.Voordat iemand verantwoordelijk wordt gehouden, moet eerst het bewijs (ḥujjah) aan hem geleverd zijn. Het leveren van ḥujjah betekent dat men met duidelijke bewijzen uitlegt dat een bepaalde handeling shirk, kufr of iets dergelijks is. Dit moet gebeuren op een manier die voor hem begrijpelijk is, in de taal en met de begrippen die hij kent. Het volstaat niet dat het bewijs enkel is geleverd; het moet ook daadwerkelijk begrijpelijk zijn gemaakt.Als dat niet zo is, dan zal degene die zegt: “Onwetendheid is geen excuus,” uiteindelijk zelf in de positie terechtkomen van degene die hij tot kāfir verklaart. Want om kāfir te zijn, is het niet noodzakelijk dat iemand openlijke kufr bedrijft.

Als je tegen iemand zegt: “Jij bent een kāfir,” terwijl dat in werkelijkheid niet zo is, keert die uitspraak terug naar degene die het uitspreekt (zie hadith in het boek Īmān)In een andere ḥadīth wordt verteld van een man op zijn sterfbed die zegt:“Wanneer ik sterf, verbrand mijn lichaam en verstrooi mijn as over lucht en water. Want als mijn Rab mij weer tot leven wekt, vrees ik dat Hij mij zal straffen.” (Let op: in deze woorden toont hij geloof in de opstanding na de dood en in de bestraffing. Waar zit dan de twijfel? Hij denkt dat Allāh hem niet kan straffen als zijn lichaam verbrand en verstrooid is, dat is kufr. Maar Allāh beheerst de aarde en de lucht, en alle deeltjes worden verzameld.)Dan vraagt Allāh hem: “Waarom deed je dit?”Hij antwoordt:“Ik vreesde Uw bestraffing.”Omdat zijn vrees oprecht was, maar zijn gebrek aan begrip voortkwam uit onwetendheid, rekent Allāh dit als jahālah en zegt:“Ga het Paradijs binnen, door Mijn barmhartigheid.” (zie hadith in het boek Īmān))Moge Allāh begrip en leiding schenken aan degenen die gevangen zijn in de beproeving van het uitspreken van takfīr over anderen).] (HY)

[Deze ḥadīth staat bekend als de “Mūrūq-ḥadīth” (ḥadīth over het afvallen van het geloof; mūrūq betekent afdwalen of afvalligheid). In de geschiedenis van de islamitische sekten zijn er stromingen geweest die, net als de Khārijieten, opvielen door hun uitgesproken standpunten en activiteiten, zowel op religieus als politiek terrein. Deze ḥadīth waarschuwt tegen afwijkingen en het afvallen van het geloof op basis van oppervlakkig religieus gedrag, en wordt dan ook aan zulke groepen toegeschreven. De leden van deze groepen lezen de Qurʾān en accepteren deze zelfs als enige rechter, verrichten veel ṣalāh en vasten, maar bestempelen degenen buiten hun kring als ongelovigen.

Zo staan de Khārijieten in de geschiedenis bekend als een sekte die zich losmaakte van de gematigde lijn van de Ahl as-Sunnah wa’l-Jamaʿah, met extremistische opvattingen, willekeur in het interpreteren van de Qurʾān en een gebrek aan wijsheid. In de ḥadīth worden degenen die de Qurʾān wel lezen maar niet over de betekenis nadenken, terechtgewezen met de uitdrukking dat ze “niet verder zullen komen dan hun keel”. Dit wijst op het ernstige gevaar dat men op een onverwacht moment van het geloof kan afvallen.De waarschuwing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geldt uiteraard niet alleen voor de Khārijieten van toen, maar voor alle mensen, groepen en ideologieën die tegenwoordig soortgelijke houdingen vertonen: degenen die de kern van de religie niet trachten te begrijpen, zich beperken tot een letterlijke benadering, conflicten veroorzaken, en onterecht de mensen van de Qiblah (Ahl as-Sunnah wa’l-Jamaʿah) als kuffār bestempelen. In dit kader kan deze ḥadīth worden beschouwd als een algemene waarschuwing tegen dergelijk gedrag.] (Diyanet)

٦٤٢ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: بَيْنَمَا نَحْنُ عِنْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَهُوَ يَقْسِمُ قَسْمًا، أَتَاهُ ذُو الْخُوَيْصِرَةِ، وَهُوَ رَجُلٌ مِنْ بَنِي تَمِيمٍ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ اعْدِلْ فَقَالَ: وَيْلَكَ وَمَنْ يَعْدِلُ إِذَا لَم أَعْدِلْ قَدْ خِبْتَ وَخَسِرْتَ إِنْ لَمْ أَكُنْ أَعْدِلُ فَقَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ ائْذَنْ لِي فِيهِ، فَأَضْرِبَ عُنَقَهُ فَقَالَ: دَعْهُ، فَإِنَّ لَهُ أَصْحَابًا يَحْقِرُ أَحَدُكُمْ صَلاَتَهُ مَعَ صَلاَتِهِمْ، وَصِيَامهُ مَعَ صِيَامِهِمْ، يَقْرَءُونَ الْقُرْآنَ، لاَ يُجَاوِزُ تَرَاقِيَهُمْ، يَمْرُقُونَ مِنَ الدِّينِ كَمَا يَمْرُقُ السَّهْمُ مِنَ الرَّمِيَّة، يُنْظَرُ إِلَى نَصْلِهِ، فَلاَ يُوجَدُ فِيهِ شَيْءٌ؛ ثُمَّ يُنْظَرُ إِلَى رِصافِهِ، فَلاَ يُوجَدُ فِيهِ شَيْءٌ؛ ثُمَّ يُنْظَرُ إِلَى نَضِيِّهِ، وَهُوَ قِدْحُهُ، فَلاَ يُوجَدُ فِيه شَيْءٌ، ثُمَّ يُنْظَرُ إِلَى قُذَذِهِ، فَلاَ يُوجَدُ فِيهِ شَيْءٌ؛ قَدْ سَبَقَ الفَرْثَ وَالدَّمَ؛ آيَتُهُمْ رَجُلٌ أَسْوَدُ، إِحْدَى عَضُدَيْهِ مِثْلُ ثَدْيِ الْمَرْأَةِ، أَو مِثْلُ الْبَضْعَةِ تَدَرْدَرُ وَيَخْرُجُونَ عَلَى حِينِ فُرْقَةٍ مِنَ النَّاسِقَالَ أَبُو سَعِيدٍ: فَأَشْهَدُ أَنِّي سَمِعْتُ هذَا الْحَدِيثَ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَأَشْهَدُ أَنَّ عَلِيَّ بْنَ أَبِي طَالِبٍ قَاتَلَهُمْ، وَأَنَا مَعَهُ، فَأَمَرَ بِذلِكَ الرَّجُلِ، فَالْتُمِسَ فَأُتِيَ

بِهِ، حَتَّى نَظَرْتُ إِلَيْهِ عَلَى نَعْتِ النَبِيِّ ﷺ الَّذِي نَعَتَهُ642) Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was bezig met het verdelen (van het goud dat ʿAlī uit Jemen als oorlogsbuit had meegebracht), terwijl wij bij hem aanwezig waren. Op dat moment kwam een man naar hem toe, bekend als Dhū al-Khuwayṣirah, afkomstig uit de stam Banū Tamīm.Hij zei: “O Rasūlullāh, wees rechtvaardig!”Daarop antwoordde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wee jou! Wie zou dan rechtvaardig zijn als ik het niet ben? Dan zou jij werkelijk verloren en misleid zijn als ik niet rechtvaardig had gehandeld.”Toen zei ʿUmar (رضي الله عنه): “O Rasūlullāh, sta mij toe zijn hoofd af te hakken.”Maar hij zei: “Laat hem met rust. Hij heeft namelijk metgezellen bij wie jullie je eigen ṣalāh gering zullen achten vergeleken met hun ṣalāh, en jullie vasten gering vergeleken met hun vasten.”Zij reciteren de Qurʾān, maar deze gaat niet verder dan hun sleutelbeenderen. Zij zullen uit de dīn (Islām) wegschieten zoals een pijl uit een prooi schiet. Men bekijkt de ijzeren punt van de pijl en ziet geen spoor, vervolgens de schacht, ook daar niets, daarna de inkeping aan de onderzijde evenmin, en zelfs aan de veren is niets te zien. De pijl is dwars door de ingewanden en het bloed (van de prooi) gegaan zonder enig spoor achter te laten.Hun kenmerk is een zwarte man, van wie één bovenarm lijkt op de borst van een vrouw, of op een stuk vlees dat los hangt. Zij zullen verschijnen in een tijd van verdeeldheid onder de mensen.Abū Saʿīd (رضي الله عنه) zei: “Ik getuig dat ik deze ḥadīth van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord, en ik getuig dat ʿAlī ibn Abī Ṭālib tegen hen heeft gestreden, en dat ik bij hem was. Hij gaf het bevel om die man te zoeken, en hij werd gevonden. Ik keek naar hem, en hij was precies zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem had beschreven.”

Aansporing om Khārijieten te bestrijden

التحريض على قتل الخوارج

٦٤٣ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: إِذَا حَدَّثْتُكُمْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَلأَنْ أَخِرَّ مِنَ السَّمَاءِ أَحَبُّ إِلَيَّ مِنْ أَنْ أَكْذِبَ عَلَيْهِ، وَإِذَا حدَّثْتُكُمْ فِيمَا بَيْنِي وَبَيْنَكُمْ، فَإِنَّ الْحَرْبَ خَدْعَةٌ سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: يَأْتِي فِي آخِرِ الزَّمَانِ قَوْمٌ، حُدَثَاءُ الأَسْنَانِ، سُفَهَاءُ الأَحْلاَمِ، يَقُولُونَ مِنْ خَيْرِ قَوْلِ الْبَرِيَّةِ، يَمْرُقُونَ مِنَ الإِسْلاَمِ كَمَا يَمْرُقُ السَّهْمُ مِنَ الرَّمِيَّةِ، لاَ يُجَاوِزُ إِيمَانُهُمْ حَنَاجِرَهُمْ، فَأَيْنَمَا لَقِيتُمُوهُمْ فَاقْتُلُوهُمْ، فَإِنَّ قَتْلَهُمْ أَجْرٌ لِمَنْ قَتَلَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ

643) Van ʿAlī (رضي الله عنه):Als ik jullie iets over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overlever, dan val ik liever van de hemel te pletter dan dat ik over hem zou liegen. Maar wanneer ik jullie iets vertel over zaken die zich tussen mij en jullie afspelen — en wanneer er sprake is van oorlog — kan er sprake zijn van misleiding, want oorlog is bedrog.Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Aan het einde der tijden zal er een volk verschijnen, jong van leeftijd en dwaas van verstand. Zij zullen spreken met de mooiste woorden die de schepping kent, maar zij zullen uit de Islām treden zoals een pijl de prooi verlaat. Hun īmān zal niet verder reiken dan hun keel. Waar jullie hen ook aantreffen, bestrijd hen, want het doden van hen is een beloning voor degene die hen doodt op de Dag der Opstanding.”

Het feit dat de Khārijieten de slechtsten zijn van alle schepselen en dieren

الخوارج شر الخلق والخليقة

٦٤٤ - حديث سَهْلِ بْنِ حُنَيْفٍ عَنْ يُسَيْرِ بْنِ عَمْرِو، قَالَ: قُلْتُ لِسَهْلِ بْنِ حُنَيْفٍ: هَلْ سَمِعْتَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ فِي الْخَوارِجِ شَيْئًا قَالَ: سَمِعْتُهُ يَقُولُ، وَأَهْوَى بِيَدِهِ قِبَلَ الْعِرَاقِ: يَخْرُجُ مِنْهُ قَوْمٌ يَقْرَءُونَ الْقُرْآنَ، لاَ يُجَاوِزُ تَرَاقِيَهُمْ، يَمْرُقُونَ مِنَ الإِسْلاَمِ مُرُوقَ السَّهْمِ مِنَ الرَّمِيَّةِ

644) Van Sahl ibn Hunay via Yusayr ibn ‘Amr (رضي الله عنهما):Ik vroeg aan Sahl ibn Hunayf: ‘Heb jij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) horen spreken over de Khawârij?’ Hij antwoordde: ‘Ja, hij wees met zijn hand naar `Irāq en zei: “Er zal een groep mensen komen, die de Qur’ân met hun tong reciteren, maar het zal hun sleutelbeenderen niet passeren. Ze zullen uit de Islām treden zoals een pijl het wild dier verlaat.”

Het verbod om zakāh te nemen van degenen die behoren tot Bani Hāshim en Bani al Muttalib in aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

تحريم الزكاة على رسول الله ﷺ وعلى آله وهم بنو هاشم وبنو المطلب دون غيرهم

٦٤٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُؤْتَى بِالتَّمْرِ عِنْدَ صِرَامِ النَّخْلِ؛ فَيَجِيءُ هذَا بِتَمْرِهِ، وَهذَا مِنْ تَمْرِهِ، حَتَّى يَصِيرَ عِنْدَهُ كَوْمًا مِنْ تَمْرٍ فَجَعَلَ الْحَسَنُ وَالْحُسَيْنُ يَلْعَبَانِ بِذلِكَ التَّمْرِ؛ فَأَخَذَ أَحَدُهُمَا تَمْرَةً فَجَعَلَهَا فِي فِيهِ، فَنَظَرَ إِلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَأَخْرَجَهَا مِنْ فِيهِ، فَقَالَ: أَمَا عَلِمْتَ أَنَّ آلَ مُحَمَّدٍ ﷺ لاَ يَأْكُلُونَ الصَّدَقَةَ

645) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontving (zakāh) (in de vorm van) dadels tijdens het oogsten van de dadelpalmen. De één kwam met zijn dadels, en de ander met de zijne, totdat er (in de masjid) een stapel dadels bij elkaar lag.Ḥasan en Ḥusayn begonnen met die dadels te spelen, en één van hen nam een dadel en stopte die in zijn mond.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keek naar hem, haalde de dadel uit zijn mond en zei: “Wist je dan niet dat de familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) geen ṣadaqah/ zakâh mag nuttigen?”

٦٤٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنِّي لأَنْقَلِبُ إِلَى أَهْلِي فَأَجِدُ التَّمْرَةَ سَاقِطَةَ عَلَى فِرَاشِي فَأَرْفَعُهَا لآكُلَهَا، ثُمَّ أَخْشَى أَنْ تَكُونَ صَدَقَةً فَأُلْقِيَهَا646) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):“Voorwaar, wanneer ik naar mijn huis terugkeer en een dadel op mijn bed vind, breng ik deze soms naar mijn mond om te eten, maar ik laat hem toch liggen uit vrees dat het een dadel van de ṣadaqah/zakāh is.”

٦٤٧ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: مَرَّ النَّبِيُّ ﷺ بِتَمْرَةٍ مَسْقُوطَةٍ، فَقَالَ: لَوْلاَ أَنْ تَكُونَ صَدَقَةً لأَكلْتُها647) Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond een dadel en zei: ‘Als ik niet vreesde dat het van ṣadaqah/zakâh was, zou ik het gegeten hebben.’[In een andere overlevering staat: ‘Hij vond een dadel langs de kant van de weg en zei: “Als het geen ṣadaqah was, zou ik het gegeten hebben.”] (AFK)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mocht geen verplichte zakāh noch vrijwillige ṣadaqah aannemen. Wanneer er voedsel aan hem werd aangeboden, vroeg hij: “Is dit een gift of een liefdadigheid (ṣadaqah)?” Als men antwoordde: “Het is een gift,” dan nam hij het aan. Maar als men zei: “Het is een ṣadaqah” dan wees hij het af. En zelfs wanneer hij het aannam gebruikte hij het zelf niet, maar gaf hij het door aan de Aṣḥāb aṣ-Ṣuffah (رضي الله عنهم).

Dit staat bekend en wordt algemeen erkend onder de geleerden..Sommige geleerden hebben gesteld dat er ijmāʿ (consensus) bestaat over het verbod voor de Banū Hāshim om ṣadaqah te ontvangen. Anderen merken op dat er verschil van mening bestaat over de vraag of dit verbod specifiek geldt voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf.Het geschil draait om de vraag of het verbod alleen betrekking heeft op verplichte zakāt, of dat het ook vrijwillige ṣadaqah omvat. Er bestaan uiteenlopende opvattingen, zowel tussen de verschillende rechtsscholen als binnen de Ḥanafī-school. Volgens Abū Yūsuf is het voor de Banū Hāshim verboden om zakāt van anderen te ontvangen, maar is het toegestaan dat zij onderling zakāt aan elkaar geven.De afstammelingen van Hāshim omvatten de families van ʿAlī (رضي الله عنه),ʿAbbās (رضي الله عنه), Jaʿfar (رضي الله عنه), ʿAqīl (رضي الله عنه) en Ḥāriṯ ibn ʿAbd al-Muṭṭalib (رضي الله عنه). De reden waarom ṣadaqah voor de Banū Hāshim verboden werd, is dat ṣadaqah bedoeld is als een middel om de zonden van de mensen te zuiveren. Het past daarom niet dat de familie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die verheven is boven zulke tekortkomingen, hiervan zou ontvangen.] (HA)

Het feit dat een geschenk dat via ṣadaqah gegeven wordt door iemand, toch als cadeau door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geaccepteerd kan worden

إباحة الهدية للنبي ﷺ ولبني هاشم وبني المطلب، وإِن كان المهدي ملكها بطريق الصدقة وبيان أن الصدقة إِذا قبضها المتصدق عليه زال عنها وصف الصدقة وحلت لكل أحد ممن كانت الصدقة محرمة عليه

٦٤٨ - حديث أَنَسٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أُتِيَ بِلَحْمٍ تُصُدِّقَ بِهِ عَلَى بَرِيرَةَ، فَقَالَ: هُوَ عَلَيْهَا صَدَقَةٌ، وَهُوَ لَنَا هَدِيَّةٌ

648) Van Anas (رضي الله عنه):Er werd een stuk vlees, dat als ṣadaqah aan Barîrah was gegeven, aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebracht. Hij zei: ‘Voor Barîrah is het ṣadaqah, maar voor ons is het een gift (hadiyyah).’

٦٤٩ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ الأَنْصَارِيَّةِ، قَالَتْ: دَخَلَ النَّبِيُّ ﷺ عَلَى عَائِشَة، فَقَالَ: هَلْ عِنْدَكُمْ شَيْءٌ فَقَالَتْ: لاَ إِلاَّ شَيْءٌ بَعَثَتْ بِهِ إِلَيْنَا نُسَيْبَةُ مِنَ الشَّاةِ الَّتِي بَعَثْتَ بِهَا مِنَ الصَّدَقَةِ فَقَالَ: إِنَّهَا قَدْ بَلَغَتْ مَحِلَّهَا649) Van Ummu ʿAṭiyya al-Anṣāriyya (Nusaybah) (رضي الله عنها):(Er werd een zakâh-schaap aan Nusaybah gegeven. Zij stuurde een stuk van het vlees naar ‘Â’ishah (رضي الله عنها). An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij ʿĀʾishah binnen en vroeg:“Hebben jullie iets te eten in huis?”Zij antwoordde: “Nee, behalve iets dat Nusayba ons heeft gestuurd van het schaap dat u als ṣadaqah/zakāh had gestuurd.”Waarop hij zei: “Breng het maar, de ṣadaqah heeft immers haar bestemming bereikt.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) accepteerde geschenken maar wees ṣadaqah af

قبول النبي ﷺ الهدية ورده الصدقة

٦٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا أُتِيَ بِطَعَامٍ سَأَلَ عَنْهُ: أَهَدِيَّةٌ أَمْ صَدَقَةٌ فَإِنْ قِيلَ صَدَقَةٌ، قَالَ لأَصْحَابِهِ: كُلُوا، وَلَمْ يَأْكُلْ وَإِنْ قِيلَ هَدِيَّةٌ، ضَرَبَ بِيَدِهِ/ ﷺ، فَأَكَلَ مَعَهُمْ

650) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Wanneer er eten naar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) werd gebracht, vroeg hij: ‘Is het een gift of een ṣadaqah?’Als er werd gezegd: ‘Het is ṣadaqah, dan zei hij tegen zijn metgezellen: ‘Eet ervan,’ maar hij at er zelf niet van.Als er werd gezegd: ‘Het is een gift,’ dan strekte hij zijn hand uit en at samen met hen.”