As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitāb Ṣalāh al-Istisqāʾ: het boek over de regenduā’/ ṣalāh

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitāb Ṣalāh al-Istisqāʾ: het boek over de regenduā’/ ṣalāh

[Istisqāʾ betekent letterlijk “om water vragen”. Het verwijst naar de ṣalāh en de smeekbeden van mensen die water nodig hebben maar dit niet kunnen vinden. Zij gaan naar open velden en wenden zich tot Allah met het gebed om regen.De smeekbede zelf wordt duʿāʾ al-istisqāʾ genoemd, en de ṣalāh die tijdens deze smeekbede wordt verricht heet ṣalāh al-istisqāʾ.Alle geleerden zijn het eens over de wettigheid van deze regenduʿāʾ, wat bevestigd wordt door zowel de Kitāb (Qur’ān) als de sunnah.:

وَيَٰقَوۡمِ ٱسۡتَغۡفِرُواْ رَبَّكُمۡ ثُمَّ تُوبُوٓاْ إِلَيۡهِ يُرۡسِلِ ٱلسَّمَآءَ عَلَيۡكُم مِّدۡرَارٗا وَيَزِدۡكُمۡ قُوَّةً إِلَىٰ قُوَّتِكُمۡ وَلَا تَتَوَلَّوۡاْ مُجۡرِمِينَ ٥٢

En: “O mijn volk! Vraag om de vergiffenis van jullie Heer en betoon berouw bij Hem. Hij zal jullie overvloedige regen sturen en kracht aan jullie kracht toevoegen, keer jullie dus niet af als misdadigers.” (surah Hûd: 11/52)En:فَقُلۡتُ ٱسۡتَغۡفِرُواْ رَبَّكُمۡ إِنَّهُۥ كَانَ غَفَّارٗا ١٠ Ik zei (tegen hen): “Vraag om vergiffenis van jullie Heer; waarlijk, Hij is Vergevingsgezind.

يُرۡسِلِ ٱلسَّمَآءَ عَلَيۡكُم مِّدۡرَارٗا ١١ Hij zal dan overvloedige regen uit de hemel tot jullie sturen. (surah Nûh: 71/10-11)De adviezen van de profeten Hūd (عليه السلام) en Nūḥ (عليه السلام) over duʿāʾ en istighfār waren gericht aan hun eigen gemeenschappen. Het feit dat Allah en Zijn Rasul (صلى الله عليه وسلم) deze adviezen niet hebben afgewezen, geeft echter aan dat dezelfde regel ook voor ons geldt. De ahādīth die hierop betrekking hebben, dienen als bewijs uit de sunnah.Een voorbeeld uit de sunnah:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) begaf zich naar een openlucht musalla voor de regenduʿā’, waar hij twee rakaʿāt ṣalāh verrichtte.

Tijdens deze ṣalāh reciteerde hij de Qur’ān hardop. Voorafgaand aan de ṣalāh hield hij een khuṭbah, en hij keerde zijn kleding binnenstebuiten.Volgens de overlevering van Abdullah b. Zayd al-Māzīnī (رضي الله عنه):"Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begaf zich naar de musalla voor de regenduʿā’, wendde zich naar de qiblah, keerde zijn kleding binnenstebuiten en verrichtte twee rakaʿāt ṣalāh."] (HA)

٥١٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ اسْتَسْقَى فَقَلَبَ رِدَاءَهُ515. Van ʿAbdullāh ibn Zayd (رضي الله عنه):Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de regensduā’ (Ṣalwāt al-Istisqāʾ) (in de muṣallā) had verricht, keerde hij zijn bovenkleed (ridā’) binnenstebuiten.”[In een andere overlevering van hem staat: “Hij verrichtte twee rakaʿāh (ṣalāh).”] (AFK){ Van Abbaad ibn Tamiem: Hij heeft `Abdullah ibn Jazied al-Mazini (رضي الله عنه) horen zeggen:an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ging naar buiten, naar de gebedsplaats, en verrichtte de regen-salaah. Hij trok zijn bovenkleed andersom aan, terwijl hij zich in de gebedsrichting opstelde.}

Het heffen van de handen tijdens de regen-smeekbedeرفع اليدين بالدعاء في الاستسقاء

٥١٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ لاَ يَرْفَعُ يَدَيْهِ فِي شَيْءٍ مِنْ دُعَائِهِ إِلاَّ فِي الاِسْتِسْقَاءِ، وَإِنَّهُ يَرْفَعُ حَتَّى يُرَى بَيَاضُ إِبْطَيْهِ

516.

Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn handen bij geen enkele smeekbede (duā’) zo hoog geheven als bij de regensdu`ā’. Bij die smeekbede hief hij zijn handen zo hoog, dat de blanke huid van zijn oksels te zien was.”

[De uitspraak van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn handen alleen bij de regenduʿā’ ophief, moet zo worden begrepen dat hij zijn handen bij andere smeekbeden niet op dezelfde manier of hoogte hief.Imām an-Nawawī vermeldt meer dan dertig overleveringen waarin staat dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij andere smeekbeden wél zijn handen hief. Volgens een andere ṣaḥīḥ overlevering keerde hij bij de regenduʿā’ zelfs de binnenkant van zijn handen naar beneden en de rugzijde naar boven, wat specifiek kenmerkend is voor deze smeekbede.] (AFK)

De duʿā’ in de regen-ṣalāhالدعاء في الاستسقاء

٥١٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: أَصَابَتِ النَّاسَ سَنَةٌ عَلَى عَهْدِ النَّبِيِّ ﷺ، فَبَيْنَا النَّبِيُّ ﷺ يَخْطُبُ فِي يَوْمِ جُمُعَةٍ، قَامَ أَعْرَابِيٌّ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ هَلَكَ الْمَالُ، وَجَاعَ الْعِيَالُ، فَادْعُ اللهَ لَنَا فَرَفَعَ يَدَيْهِ، وَمَا نَرَى فِي السَّماءِ قَزَعَةً، فَوَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ مَا وَضَعَهَا حَتَّى ثَارَ السَّحَابُ أَمْثَالَ الْجِبَالِ ثُمَّ لَمْ يَنْزِلْ عَنْ مِنْبَرِهِ حَتَّى رَأَيْتُ الْمَطَرَ يَتَحَادَرُ عَلَى لِحْيَتِهِ ﷺ، فَمُطِرْنَا يَوْمَنَا ذلِكَ، وَمِنَ الْغَدِ، وَبَعْدَ الْغَدِ، وَالَّذِي يَلِيهِ، حَتَّى الْجُمُعَةِ الأُخْرَى فَقَامَ ذلِكَ الأَعْرَابِيُّ، أَوْ قَالَ غَيْرُهُ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ الل تَهَدَّمَ الْبِنَاءُ، وَغَرِقَ الْمَالُ، فَادْعُ اللهَ لَنَا فَرَفَعَ يَدَيْهِ، فَقَالَ: اللهُمَّ حَوَالَيْنَا وَلاَ عَلَيْنَا فَمَا يُشِيرُ بِيَدِهِ إِلَى نَاحِيَةٍ مِنَ السَّحَابِ إِلاَّ انْفَرَجَتْ وَصَارَتِ الْمَدينَةُ مِثْلَ الْجَوْبَةِ، وَسَالَ الْوَادِي قَنَاةُ شَهْرًا، وَلَمْ يَجِىءْ أَحَدٌ مِنْ نَاحِيَةٍ إِلاَّ حَدَّثَ بِالْجَوْدِ

517. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Er kwam een jaar van droogte over de mensen tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een vrijdag de khuṭbah hield, stond er een bedoeïen op en zei: “O Rasûlullāh (door de aanhoudende droogte) is het bezit vergaan en de kinderen lijden honger.

Doe duʿāʾ voor ons tot Allāh (voor regen)!”Toen hief hij zijn handen, en er was in de hemel geen enkel wolkje te zien, en bij Hem in Wiens Hand mijn ziel is: hij had zijn handen nog niet laten zakken, of de wolken stegen op als bergen. En nog voordat hij van de minbar afdaalde, zag ik de regen van zijn baard druipen.We werden die dag doorweekt door regen, en ook de volgende dag, en de dag erna, en de dag daarna, tot de volgende vrijdag. (Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weer op die vrijdag de khuṭbah hield) stond diezelfde bedoeïen weer op, of iemand anders, en zei: “O Rasûlullāh, de gebouwen storten in en het bezit is verdronken, doe duʿāʾ tot Allāh voor ons (om de regen te laten stoppen)!”Toen hief hij zijn handen en zei: “O Allāh, (laat het) rondom ons heen (regenen) en niet op ons!”Telkens wanneer hij met zijn hand naar een richting van de wolken wees, opende het zich daar, totdat Madīnah droog bleef als een kom. De vallei van Qanāh stroomde een hele maand lang. Iedereen uit de omliggende gebieden sprak over deze overvloedige regenval.

{In een aantal hadith staat: Van Masrûk (رضي الله عنه):Op een keer kwam ik bij Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه), die vertelde: "Toen de Qurayshieten nog steeds niet de Islaam wilden aannemen, riep an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) Allah’s hulp tegen hen in en zij werden getroffen door een droogte, zodat zij daarin omkwamen en kadavers en botten aten. Toen kwam Abû Sufyān bij hem en zei: ‘Muhammad, jij zegt toch altijd dat familie in ere moet worden gehouden? Maar nu gaat je stam te gronde! Bid dus tot Allah.’Daarop reciteerde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) het vers: فَٱرۡتَقِبۡ يَوۡمَ تَأۡتِي ٱلسَّمَآءُ بِدُخَانٖ مُّبِينٖ ١٠ : Wacht dan op de Dag waarop in de hemel een zichtbare rook verschijnt.

يَوۡمَ نَبۡطِشُ ٱلۡبَطۡشَةَ ٱلۡكُبۡرَىٰٓ إِنَّا مُنتَقِمُونَ ١٦ (Gedenk) de Dag dat Wij hen zullen grijpen met de zware bestraffing. Waarlijk, Wij zijn Vergelders. (surah ad-Dukhān 10 en 16) te weten de slag bij Badr."(Er wordt aan toegevoegd:) "En an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bad en hun werd regen gegeven, zeven dagen zonder ophouden. Toen de mensen klaagden over de vele regen riep hij: ‘O Allah, rondom ons, niet op ons!’ De wolk trok verder en de mensen in de omgeving kregen regen."}

Zoeken van toevlucht bij het zien van wind en wolken, en wees blij met regenالتعوذ عند رؤية الريح والغيم، والفرح بالمطر

٥١٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، إِذَا رَأَى مَخِيلَةً فِي السَّمَاءِ أَقْبَلَ وَأَدْبَرَ، وَدَخَلَ وَخَرَجَ، وَتَغَيَّرَ وَجْهُهُ فَإِذَا أَمْطَرَتِ السَّمَاءُ سُرِّيَ عَنْهُ، فَعَرَّفَتْهُ عَائِشَةُ ذلِكَ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا أَدْرِي، لَعَلَّهُ كَمَا قَالَ قَوْمٌ (فَلَمَّا رَأَوْهُ عَارِضًا مُسْتَقْبِلَ أَوْدِيَتِهِمْ) الآية

518. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een regenwolk aan de hemel zag, begon hij heen en weer te lopen, ging naar binnen, kwam naar buiten, zijn gelaatskleur veranderde.Maar zodra de regen begon te vallen, verdween zijn onrust.Ik sprak hem hierover aan, en hij zei: “Ik weet het niet?

De mensen van een vroegere volk, (het volk van) ʿĀd) zeiden ook:فَلَمَّا رَأَوۡهُ عَارِضٗا مُّسۡتَقۡبِلَ أَوۡدِيَتِهِمۡ قَالُواْ هَٰذَا عَارِضٞ مُّمۡطِرُنَاۚ بَلۡ هُوَ مَا ٱسۡتَعۡجَلۡتُم بِهِۦۖ رِيحٞ فِيهَا عَذَابٌ أَلِيمٞ ٢٤

Toen zij (de bestraffing) als een wolk zagen die naar hun valleien kwam, zeiden zij: “Dit is een wolk die regen brengt!” Nee, integendeel, het is juist (de bestraffing) waarvan jullie de bespoediging vroegen, een wind met daarin een pijnlijke bestraffing! (sûrah al-Aḥqāf: 24)

{ In een nadere hadith staat:Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Als het stormde zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): "O Allah, ik vraag U het beste van deze wind, het beste wat er zich in bevindt en het beste waarmee hij is losgelaten.

Ik zoek bescherming bij U tegen het ergste van deze wind, het ergste wat er zich in bevindt en het ergste waarmee hij is losgelaten."Als het dan leek te gaan regenen verschoot hij van kleur en begon hij onrustig heen en weer te lopen, en als het echt ging regenen was hij opgelucht, dat zag ik aan zijn gezicht. Ik vroeg hem ernaar en hij zei: "Het had kunnen zijn, `Aaishah, zoals het volk Aad zei: Toen zij het als donkere wolken op hun valleien zagen afkomen zeiden zij: dit zijn wolken die ons regen brengen." (Zie sûrah al-Aḥqāf: 24)}

De oosteren westerwindفي ريح الصبا بالدبور

٥١٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: نُصِرْتُ بِالصَّبَا وَأُهْلِكَتْ عَادٌ بِالدَّبُورِ

519 - Van Ibn ʿAbbās رضي الله عنهما:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben geholpen/ ik heb de overwinning behaald met de oosterwind (ṣabā), en (het volk van) ʿĀd is vernietigd door de westerwind (dabūr).”

[De oostenwind speelde een beslissende rol in de Slag van de Gracht. Het vernietigde de voorraden van de Quraysh en hun partners. Zoals de Qur’ān zegt:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱذۡكُرُواْ نِعۡمَةَ ٱللَّهِ عَلَيۡكُمۡ إِذۡ جَآءَتۡكُمۡ جُنُودٞ فَأَرۡسَلۡنَا عَلَيۡهِمۡ رِيحٗا وَجُنُودٗا لَّمۡ تَرَوۡهَاۚ وَكَانَ ٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ بَصِيرًا ٩

O jullie die geloven!

Gedenk Allāh’s gunst aan jullie toen jullie een leger tegenkwamen en Wij wind en een leger (van Engelen) tegen hen stuurden die jullie niet gezien hebben. En Allāh is Alziende van wat jullie doen. (Qur’ān, al-Aḥzāb: 9)De westenwind is de vernietigende wind die over het volk van ʿĀd werd gezonden, zoals Allāh zegt:وَأَمَّا عَادٞ فَأُهۡلِكُواْ بِرِيحٖ صَرۡصَرٍ عَاتِيَةٖ ٦

En wat de ‘Ad betreft: zij werden door een gewelddadige wind vernietigd.

سَخَّرَهَا عَلَيۡهِمۡ سَبۡعَ لَيَالٖ وَثَمَٰنِيَةَ أَيَّامٍ حُسُومٗاۖ فَتَرَى ٱلۡقَوۡمَ فِيهَا صَرۡعَىٰ كَأَنَّهُمۡ أَعۡجَازُ نَخۡلٍ خَاوِيَةٖ ٧

Die Allāh zeven achtereenvolgende nachten en acht dagen tegen hen liet woeden, had opgelegd, zodat jij de mensen had kunnen zien liggen, alsof zij geveld waren als palmbomen!

فَهَلۡ تَرَىٰ لَهُم مِّنۢ بَاقِيَةٖ ٨ Zie jij overblijfselen van hen?

وَجَآءَ فِرۡعَوۡنُ وَمَن قَبۡلَهُۥ وَٱلۡمُؤۡتَفِكَٰتُ بِٱلۡخَاطِئَةِ ٩ En Farao en degenen vóór hem, en de (bewoners van) omvergeworpen steden begingen zonden. (sûrah al-Ḥāqqah: 69/ 6–9) (AFK)

[Tijdens de Slag bij de Gracht (Ḥarb al-Khandaq) werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bijgestaan door een oostenwind. In deze slag belegerde een leger van ongeveer twaalfduizend man al-Madīnah. Toen de moslims bijna alle hoop op overwinning hadden verloren, zond Allah, de Verhevene, hun hulp in de vorm van een oostenwind. Omdat het winter was, blies deze ijskoude wind ’s nachts over het kamp van de polytheïsten. Hun vuren doofden, kookketels werden omvergegooid en tenten weggeblazen. Volledig in verwarring, vluchtten zij weg, en de achtergebleven spullen vielen de moslims toe als oorlogsbuit (ghanīmah). Op deze gebeurtenis wordt verwezen in surah al-Aḥzāb (33:9).Vergelijkbaar was de situatie bij het volk van ʿĀd, aan wie Hūd (عليه السلام) als profeet werd gezonden. Hoewel enkelen geloofden, weigerde het merendeel en begingen buitensporige daden. Uiteindelijk trof de toorn van Allah hen: Hij zond de “Debūr”, een vernietigende westenwind, die onafgebroken zeven nachten en acht dagen bleef waaien en hen volledig vernietigde.] (HA)