As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu Ṣalāh al-Kusūf: de ṣalāh bij zonsen maansverduistering

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu Ṣalāh al-Kusūf: de ṣalāh bij zonsen maansverduistering

[De zon en de maan zijn grote gunsten die Allāh ons heeft geschonken. Op een bepaald moment, op de Dag der Opstanding, zullen zij opgerold worden en verdwijnen. De voordelen die wij dagelijks aan de zon en de maan ontlenen zijn talrijk en vrijwel onbegrensd. Wat men echter dient te begrijpen, is dat zon, maan en aarde beschikken over specifieke zwaartekrachtvelden die elkaar beïnvloeden volgens het natuurkundige principe van tegengestelde krachten, waardoor een uiterst precair evenwicht ontstaat.

Bijvoorbeeld: wanneer de maan dichter bij de aarde komt, veroorzaakt haar aantrekkingskracht een vloed, en wanneer ze zich verwijdert, treedt eb op. De zon is een enorme energiebron; naar huidige schattingen produceert de mensheid in een heel jaar slechts evenveel energie als de zon in één minuut uitstraalt, waarvan de aarde slechts een twee-miljoenste ontvangt. Elk vierkante centimeter van onze atmosfeer ontvangt ongeveer twee calorieën aan zonne-energie per minuut.

Wanneer de zon tijdelijk minder licht afgeeft dan normaal, leidt dat tot energieverlies, met negatieve gevolgen voor planten en een onregelmatige toename van gletsjers. Het omgekeerde scenario veroorzaakt eveneens schade. Een zonsverduistering die enkele minuten duurt of frequent voorkomt, kan als een beproeving of calamiteit worden beschouwd.

Zoals eerder vermeld, bewegen hemellichamen in een orde gebaseerd op hun onderlinge aantrekkingskracht. Wanneer een object deze krachten verstoort, kan het evenwicht worden beïnvloed, wat leidt tot verschijnselen zoals zonsen maansverduisteringen. Het fenomeen van eb en vloed is hier een duidelijk voorbeeld van. Hoewel het niet met zekerheid vaststaat, wordt vermoed dat sommige aardbevingen en andere rampen verband kunnen houden met deze verduisteringen. Bovendien herinneren zonsen maansverduisteringen ons aan de ontbinding van de hemellichamen op de Dag der Opstanding.

In zulke belangrijke momenten, waarin rampen dreigen, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons middels zijn gedrag getoond wat een moslim behoort te doen: toevlucht zoeken bij Allāh, zijn zonden herdenken, smeekbeden verrichten, berouw tonen en de ṣalāh verrichten. Zijn uitspraak: “Allāh laat deze verduistering plaatsvinden om Zijn dienaren angst in te boezemen” onderstreept dat zulke gebeurtenissen een waarschuwing vormen. Wanneer de zon op de Dag der Opstanding verduisterd wordt, zal zij nooit meer terugkeren.

In dergelijke tijden moeten wij de handelwijze van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) navolgen en ons onthouden van bijgelovige rituelen zoals trommelen, schieten met wapens of vuur aansteken. De kwestie dient volledig aan de Rab van de zon en de maan te worden overgelaten.

Onze Rab zegt: وَمِنۡ ءَايَٰتِهِ ٱلَّيۡلُ وَٱلنَّهَارُ وَٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُۚ لَا تَسۡجُدُواْ لِلشَّمۡسِ وَلَا لِلۡقَمَرِ وَٱسۡجُدُواْۤ لِلَّهِۤ ٱلَّذِي خَلَقَهُنَّ إِن كُنتُمۡ إِيَّاهُ تَعۡبُدُونَ ٣٧

En tot Zijn Tekenen behoren de nacht en de dag, en de zon en de maan. Kniel niet voor de zon of de maan maar kniel voor Allāh Die hen geschapen heeft, als jullie Hem (echt) aanbidden. (sûrah Fussilat:41/ 37)

Een van de redenen waarom an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich angstig voelde tijdens een zonsverduistering, was de mogelijkheid dat dit het teken van de Dag der Opstanding zou zijn, wanneer de zon zal worden verduisterd en opgerold. Daarom vroeg hij bezorgd: “Is dit misschien het begin van de Qiyāmah?”

بَلۡ يُرِيدُ ٱلۡإِنسَٰنُ لِيَفۡجُرَ أَمَامَهُۥ ٥ De mens wil zelfs in zondigheid voortleven.

يَسۡـَٔلُ أَيَّانَ يَوۡمُ ٱلۡقِيَٰمَةِ ٦ Hij vraagt: “Wanneer zal deze Dag der Opstanding zijn?”

فَإِذَا بَرِقَ ٱلۡبَصَرُ ٧ Wanneer het oog verblind wordt.

وَخَسَفَ ٱلۡقَمَرُ ٨ En de maan duister wordt.

وَجُمِعَ ٱلشَّمۡسُ وَٱلۡقَمَرُ ٩ En de zon en de maan samen zullen komen.

يَقُولُ ٱلۡإِنسَٰنُ يَوۡمَئِذٍ أَيۡنَ ٱلۡمَفَرُّ ١٠ Op die Dag zal de mens zeggen: “Waar is het toevluchtsoord? (sûrah al-Qiyāmah: 75/5-10)] (AFK)

صلاة الكسوفṢalāh al-Kusūf : de ṣalāh bij zonsen maansverduistering

٥٢٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَسَفَتِ الشَّمْسُ فِي عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ بِالنَّاسِ، فَقَامَ فأَطَالَ الْقِيَامَ، ثُمَّ رَكَعَ فَأَطَالَ الرُّكُوعَ، ثُمَّ قَامَ فَأَطَالَ الْقِيَامَ، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ فَأَطَالَ الرُّكُوعَ وَهُوَ دُونَ الرُّكُوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ سَجَدَ فَأَطَالَ السُّجُودَ، ثُمَّ فَعَلَ فِي الرَّكْعَةِ الثَّانِيَةِ مِثْلَ مَا فَعَلَ فِي الأُولَى، ثُمَّ انْصَرَفَ وَقَدِ انْجَلَتِ الشَّمْسُ، فَخَطَبَ النَّاسَ، فَحَمِدَ اللهَ وَأَثْنَى عَلَيْهِ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ آيَتَانِ مِنْ آياتِ اللهِ، لاَ يَنْخَسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمْ ذلِكَ فَادْعُوا اللهَ وَكَبِّرُوا وَصَلُّوا وَتَصَدَّقُوا ثُمَّ قَالَ: يَا أُمَّةَ مُحَمَّدٍ مَا مِنْ أَحَدٍ أَغْيَرُ مِنَ اللهِ أَنْ يَزْنِىَ عَبْدُهُ أَوْ تَزْنِىَ أَمَتُهُ، يَا أُمَّةَ مُحَمَّدٍ وَاللهِ لَوْ تَعْلَمُونَ مَا أَعْلَمُ لَضَحِكْتُمْ قَلِيلًا وَلَبَكَيْتُمْ كَثِيرًا520. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Ten tijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond een zonsverduistering plaats.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging de mensen voor in de ṣalāh en bleef lang in de qiyām (staande houding), daarna maakte hij rukūʿ en bleef daar eveneens lang in, vervolgens ging hij weer rechtop staan en bleef opnieuw lang in qiyām, hoewel minder lang dan de eerste.

Daarna maakte hij opnieuw rukūʿ, deze was ook lang maar korter dan de eerste, waarna hij in sujūd (ter aarde werping) ging en deze eveneens lang aanhield. In de tweede rakaʿāh verrichtte hij hetzelfde als in de eerste. Toen hij de ṣalāh beëindigde, was de zon weer zichtbaar. Daarna hield hij een khuṭbah, prees Allāh en Loofde Hem, en zei: 'Waarlijk, de zon en de maan behoren tot de twee tekenen van Allāh. Zij worden niet verduisterd vanwege de dood of geboorte van iemand. Wanneer jullie zoiets waarnemen, verricht dan takbīr, smeek Allāh, verricht ṣalāh en geef ṣadaqah.' Vervolgens zei hij: 'O ummah van Muhammad! Bij Allāh, er is niets dat jaloerser is dan Allāh wanneer Zijn slaaf overspel pleegt, of dat Zijn slavin overspel pleegt. O ummah van Muhammad! Bij Allāh, als jullie wisten wat ik weet, zouden jullie weinig lachen en veel huilen.”

[In het tiende jaar van de Hidjrah overleed de zoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Māriyah (رضي الله عنها), Ibrāhīm (رضي الله عنه). Tegelijkertijd vond er een zonsverduistering plaats. Omdat deze gebeurtenis samenviel met het overlijden van Ibrāhīm, dachten sommige mensen dat de zon verduisterd was vanwege zijn dood. Deze opvatting was gebaseerd op de overtuigingen van enkele astrologen die stelden: “De zon verduistert wanneer een groot persoon sterft of een belangrijke gebeurtenis plaatsvindt.”Volgens al-Khaṭṭābī (overl. 388/998) bestond deze overtuiging al sinds de tijd van de jāhiliyyah. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) corrigeerde dit misverstand en legde uit dat de zon en de maan niet verduisteren vanwege de dood of het leven van iemand, maar dat zij tekenen zijn van de macht en grootheid van Allahu تَعَالَى.

Hiermee benadrukte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat zon en maan geen zelfstandige kracht bezitten; alle macht ligt uitsluitend in de handen van Allah, en zij zijn slechts schepselen die Zijn bevel opvolgen.Daarnaast beval an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat men bij zulke verschijnselen de ṣalāh moet verrichten. Dit dient als aansporing om in tijden van angst of rampspoed Allah te zoeken door middel van ṣalāh, duʿā’ en istighfār, en zo bescherming te vragen bij Allahu تَعَالَى.](HA)

٥٢١ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: خَسَفَتِ الشَّمْسُ فِي حَيَاةِ النَّبِيِّ ﷺ، فَخَرَجَ إِلَى الْمَسْجِدِ، فَصَفَّ النَّاسُ وَرَاءَهُ، فَكَبَّرَ، فَاقْتَرَأَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قِرَاءَةً طَوِيلَةً، ⦗١٧٧⦘ ثُمَّ كَبَّرَ، فَرَكَع رُكوعًا طَوِيلًا، ثُمَّ قَالَ: سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، فَقَامَ وَلَمْ يَسْجُدْ، وَقَرَأَ قِرَاءَةً طَوِيلَةً، هِيَ أَدْنَى مِنَ الْقِرَاءَةِ الأُولَى، ثُمَّ كَبَّرَ وَرَكَعَ رُكُوعًا طَوِيلًا، وَهُوَ أَدْنَى مِنَ الرُّكوعِ الأَوَّلِ؛ ثُمَّ قَالَ: سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ ثُمَّ سَجَدَ، ثُمَّ قَالَ فِي الرَّكْعَةِ الآخِرَةِ مِثْلَ ذلِكَ، فَاسْتَكْمَلَ أَرْبَعَ رَكْعَاتٍ فِي أَرْبَعِ سَجَدَاتٍ، وَانْجَلَتِ الشَّمْسُ قَبْلَ أَنْ يَنْصَرِفَ؛ ثُمَّ قَامَ فَأَثْنَى عَلَى اللهِ بِمَا هُوَ أَهْلُهُ، ثُمَّ قَالَ: هُمَا آيَتَانِ مِنْ آيَاتِ اللهِ لاَ يَخْسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمُوهُمَا فَافْزَعُوا إِلَى الصَّلاَةِ

521. Van ʿĀishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :Tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond er een zonsverduistering plaats.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar de moskee, verrichtte takbīr, en de mensen vormden een rij achter hem.

Hij reciteerde een lange recitatie (uit de Qur’ān), daarna verrichtte hij een lange rukūʿ.

Vervolgens richtte hij zich weer op en zei: 'Samiaʿallāhu līmān ḥamidah, Rabbanaa laka al-ḥamd'Hij ging echter niet in sajdah (ter aarde werping), maar begon opnieuw met een lange recitatie, iets korter dan de eerste, daarna verrichtte hij opnieuw een lange rukūʿ, korter dan de eerste. Daarna zei hij weer: 'Samiaʿallāhu līmān ḥamidah, Rabbanaa laka al-ḥamd' en ging in sajdah. In de tweede rakaʿāh deed hij hetzelfde, zodat de ṣalāh uit vier rukūʿs en vier sajdahs bestond. Nog vóór hij de ṣalāh beëindigde, was de zonsverduistering opgeheven. Vervolgens stond hij op en hield een khuṭbah, prees Allāh zoals het behoort, en zei:'Waarlijk, de zon en de maan zijn twee tekenen van Allāh. Zij worden niet verduisterd vanwege het leven of overlijden van iemand. Maar wanneer jullie zoiets waarnemen, zoek dan toevlucht tot de (kusūf ) ṣalāh.”

٥٢٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَسَفَتِ الشَّمْسُ، فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَرَأَ سُورَةً طَوِيلَةً، ثُمَّ رَكَعَ فَأَطَالَ، ثُمَّ رَفَعَ رَأْسَهُ، ثُمَّ اسْتَفْتَحَ بِسُورَةٍ أُخْرَى ثُمَّ رَكَعَ حَتَّى قَضَاهَا وَسَجَدَ، ثُمَّ فَعَلَ ذلِكَ فِي الثَّانِيَةِ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّهُمَا آيَتَانِ مِنْ آيَاتِ اللهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمْ ذلِكَ فَصَلُّوا حَتَّى يُفْرَجَ عَنْكُمْ لَقَدْ رَأَيْتُ فِي مَقَامِي هذَا كُلَّ شَيْءٍ وُعِدْتُهُ، حَتَّى لَقَدْ رَأَيْتُنِي أُرِيدُ أَنْ آخُذَ قِطْفًا مِنَ الْجَنَّةِ، حِينَ رَأَيْتُمُونَي جَعَلْتُ أَتَقَدَّمُ، وَلَقَدْ رَأَيْتُ جَهَنَّمَ يَحْطِمُ بَعْضُهَا بَعْضًا، حِينَ رَأَيْتُمُونِي تَأَخَّرْتُ، وَرَأَيْتُ فِيهَا عَمْرَو بْنَ لُحَيٍّ، وَهُوَ الَّذِي سَيَّبَ السَّوَائِبَ

522. VanʿĀ’ishah (رضي الله عنها):Er vond een zonsverduistering plaats, waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh verrichtte en een lange sūrah reciteerde. Daarna ging hij in rukūʿ en hield deze lang aan, vervolgens richtte hij zich weer op en begon een andere sūrah te reciteren.

Nadat hij deze beëindigd had, ging hij weer in rukūʿ en verrichtte daarna sajdah. In de tweede rakaʿāh deed hij hetzelfde. Daarna zei hij: 'De zon en de maan zijn twee van de tekenen van Allāh. Wanneer jullie deze situatie zien, verricht dan de ṣalāh totdat deze toestand voorbij is. Op deze plaats waar ik ṣalāh verrichtte, werd mij alles getoond wat mij beloofd is.

Toen jullie mij zagen uitstrekken, wilde ik een tros druiven uit het Paradijs nemen. En toen jullie zagen dat ik achteruit ging, zag ik het vuur van de Hel ineenstorten en elkaar vernietigen. En ik zag daar (in de Hel) ook ʿAmr ibn Luhayy, de eerste die offerdieren bracht als bijgeloof.'“

[De ṣalāh al-kusūf (de ṣalāh bij zonsverduistering) is in verschillende vormen overgeleverd. Samengevat zijn er de volgende overleveringen:

Het bestaat uit twee rakʿahs, en wordt verricht zoals andere nafilah-gebeden.

Het bestaat uit twee rakʿahs, maar in elke rakaʿāh zijn er twee rukūʿs.

Het bestaat uit twee rakʿahs, maar in elke rakaʿāh zijn er drie rukūʿs.

Het bestaat uit twee rakʿahs, maar in elke rakaʿāh zijn er vier rukūʿs.

Het bestaat uit twee rakʿahs, maar in elke rakaʿāh zijn er vijf rukūʿs.

Deze verschillende overleveringen hebben ertoe geleid dat de geleerden van mening verschillen over de wijze van uitvoering van de ṣalāh al-kusūf.Shawqānī (overl. 1250/1834) vermeldt dat de geleerden het erover eens zijn dat deze ṣalāh sunnah is, maar dat ze van mening verschillen over de manier waarop zij verricht wordt.an-Nawawī vat dit onderwerp als volgt samen: volgens Mālik, ash-Shāfiʿī, Aḥmad en de meerderheid van de geleerden is deze ṣalāh twee rakʿahs, waarbij elke rakaʿāh twee rukūʿs bevat.Abū Ḥanīfah, ath-Thawrī en an-Nakhaʿī zijn echter van mening dat deze ṣalāh zoals andere nafilahṣalāh is, namelijk twee rakʿahs met één rukūʿ per rakaʿāh .Wat betreft de ware naam van Ibn Luḥayy, bestaan er verschillende meningen. Sommigen zeggen dat zijn naam ʿUmar was, anderen ʿAmr, weer anderen Abū Tamāmah, en volgens sommigen ʿAmr ibn ʿĀmir al-Khuzāʿī.

Ibrāhīm (عليه السلام) zou over hem hebben gezegd: “De eerste die de religie van de hanīf veranderde, was deze man. Hij richtte afgodsbeelden op voor aanbidding en wees kamelen toe om aan hen geofferd te worden.”] (HA)

De verduidelijking van de grafstraf tijdens de maansverduisterings-ṣalāh (kusūf)ذكر عذاب القبر في صلاة الخسوف

٥٢٣ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ؛ أَنَّ يَهُودِيَّةً جَاءَتْ تَسْأَلُهَا، فَقَالَتْ لَهَا: أَعَاذَكِ اللهُ مِنْ عَذَابِ الْقَبْرِ فَسَأَلَتْ عَائَشَةُ، رَسُولَ اللهِ ﷺ، أَيُعَذَّبُ النَّاسُ فِي قُبُورِهِمْ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: عَائِذًا بِاللهِ مِنْ ذلِكَ ثُمَّ رَكِبَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، ذَاتَ غَدَاةٍ مَرْكَبًا، فَخَسَفَتِ الشَّمْسُ، فَرَجَعَ ضُحًى، فَمَرَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بَيْنَ ظَهْرَانَي الْحُجَرِ، ثُمَّ قَامَ يُصَلِّي، وَقَامَ النَّاسُ وَرَاءَهُ، فَقَامَ قِيَامًا طَوِيلًا، ثُمَّ رَكَعَ رُكوعًا طَويلًا، ثُمَّ رَفَعَ فَقَامَ قِيَامًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ رُكوعًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الرُّكوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَفَعَ فَسَجَدَ، ثُمَّ قَامَ، فَقَامَ قِيَامًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ رُكوعًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الرَّكوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ قَامَ قِيَامًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ رُكوعًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الرُّكُوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَفَعَ فَسَجَدَ وَانْصَرَفَ، فَقَالَ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَقُولَ، ثُمَّ أَمَرَهُمْ أَنْ يَتَعَوَّذوا مِنْ عَذَابِ الْقَبْرِ

523.

Van ʿĀishah (رضي الله عنها) de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :Een joodse vrouw kwam om te bedelen en zei tegen mij: ‘Moge Allāh jou behoeden voor de bestraffing in het graf.’ Daarop vroeg ik aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Worden de mensen werkelijk bestraft in hun graven?’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zocht toevlucht bij Allāh tegen de bestraffing van het graf.Op een ochtend besteeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn rijdier, en kort daarop vond er een zonsverduistering plaats.

Hij keerde in de late ochtend (duhā) terug en liep tussen de vertrekken van zijn vrouwen, waarna hij ṣalāh verrichtte. De mensen sloten zich achter hem aan in de ṣalāh. Hij bleef lang rechtop staan (qiyām), daarna verrichtte hij een langdurige rukūʿ, vervolgens richtte hij zich op en bleef weer lang staan, dit tweede staan was korter dan het eerste. Daarna deed hij opnieuw een langdurige rukūʿ, ook deze was korter dan de eerste rukūʿ. Vervolgens richtte hij zich op en ging in sajdah.Daarna stond hij weer lang rechtop, korter dan het eerste qiyām, en verrichtte opnieuw een lange rukūʿ, korter dan de eerste en richtte zich weer op, ging in sajdah en beëindigde de ṣalāh. Vervolgens sprak hij (de mensen toe) zolang als Allāh dat wilde, waarna hij de mensen beval om toevlucht te zoeken bij Allāh tegen de bestraffing van het graf.”

Tijdens de ṣalāh al-kusūf werden het Paradijs en de Hel getoond ما عرض على النبي ﷺ في صلاة الكسوف من أمر الجنة والنار

٥٢٤ - حديث أَسْمَاءَ قَالَتْ: أَتَيْتُ عَائِشَةَ وَهِيَ تُصَلِّي، فَقُلْتُ مَا شَأْنُ النَّاسِ فَأَشَارَتْ إِلَى السَّمَاءِ، فَإِذَا النَّاسُ قِيَامٌ، فَقَالَتْ:سُبْحَانَ اللهِ قُلْتُ: آيَةٌ فَأَشَارَتْ بِرَأْسِهَا أَيْ نَعَمْ فَقُمْتُ حَتَّى تَجَلاَّنِي الْغَشْيُ، فَجَعَلْتُ أَصُبُّ عَلَى رَأْسِي الْمَاءَ، فَحَمِدَ اللهَ، ﷿ النَّبِيُّ ﷺ، وَأَثْنَى عَلَيْهِ، ثُمَّ قَالَ: مَا مِنْ شَيْءٍ لَمْ أَكُنْ أُرِيتُهُ إِلاَّ رَأَيْتُهُ فِي مَقَامِي، حَتَّى الْجَنَّةُ وَالنَّارُ، فَأُوحِيَ إِلَيَّ أَنَّكُمْ تُفْتَنونَ فِي قُبُورِكُمْ مِثْلَ أَوْ قَرِيبَ (قَالَ الرَّاوِي: لاَ أَدْرِي أَيَّ ذلِكَ قَالَتْ أَسْمَاءُ) مِنْ فِتْنَةِ الْمَسِيحِ الدَّجَّالِ، يُقَالُ مَا عِلْمُكَ بِهذَا الرَّجُلِ فَأَمَّا الْمُؤْمِنُ أَوِ الْمُوقِنُ (لاَ أَدْرِي بِأَيِّهِمَا قَالَتْ أَسْمَاءُ) فَيَقُولُ هُوَ مُحَمَّدٌ رَسُولُ اللهِ، جَاءَنَا بِالْبَيِّنَاتِ وَالْهُدَى، فَأَجَبْنَا وَاتَّبَعْنَا، هُوَ مُحَمَّدٌ (ثَلاَثًا)؛ فَيُقَالُ: نَمْ صَالِحًا، قَدْ عَلِمْنَا إِنْ كُنْتَ لَمُوقِنًا بِهِ؛ وَأَمَّا المُنَافِقُ أَوِ المُرْتَابُ (لاَ أَدْرِي أَيَّ ذلِكَ قَالَتْ أَسْمَاءُ) فَيَقُولُ: لاَ أَدْرِي، سَمِعْتُ النَّاسَ يَقُولُونَ شَيْئًا فَقُلْتُهُ

524. Van Asmā’ (رضي الله عنها): Ik kwam bij ʿĀishah terwijl zij ṣalāh aan het verrichten was en vroeg: ‘Wat is er aan de hand met de mensen?’ Ze wees (met haar hoofd of handen) naar de hemel. (Alsof zij, ʿĀishah, vanuit haar vertrek naar de mensen in de moskee keek en zag) dat zij de ṣalāh al-kusūf (het zonverduisteringsgebed) verrichtten.ʿĀishah zei: ‘Subḥānallāh.’ Ik vroeg: ‘Is het een teken?’ Ze knikte bevestigend, waarna ook ik de ṣalāh verrichtte en uiteindelijk het bewustzijn dreigde te verliezen, dus begon ik water over mijn hoofd te gieten.Na de ṣalāh besteeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de minbar. Nadat hij Allāh عزّ وجلّ had geprezen en verheerlijkt, zei hij: ‘Op deze plaats waar ik zojuist ṣalāh heb verricht is niets voor mij verborgen gebleven; ik heb alles gezien, tot aan het Paradijs en de Hel toe. Mij is bekendgemaakt dat jullie in jullie graven beproefd zullen worden met een beproeving gelijk aan (of nabij die van) de Fitnah van de valse Messias (Dajjāl). Er zal aan jullie (in het graf) worden gevraagd: “Wat weet jij over deze man?” De gelovige (mu’min) (of degene met zekerheid in zijn geloof (īmān) zal zeggen: “Hij is Muḥammad, Rasûlullāh . Hij kwam tot ons met duidelijke bewijzen en leiding. Wij aanvaardden het en volgden hem.” Vervolgens zal hij drie keer zeggen: “Hij is Muḥammad.” Dan zal tot hem gezegd worden: “Wij weten dat jij zeker geloofde in hem. Slaap nu in rust.”Maar de huichelaar of degene die twijfelt (in zijn hart) zal zeggen: “Ik weet het niet. Ik hoorde de mensen iets zeggen en ik zei het ook.”

[Deze ṣalāh is ṣalāh al-kusûf (het zonverduisteringsgebed). In andere overleveringen die Bukhārī vermeldt in zijn boek (zoals Wudū’: 37 en Kusūf: 10) blijkt dat het om een zonsverduistering ging. Tijdens deze lange ṣalāh zijn er mensen geweest die onwel zijn geworden; Asmā’ (رضي الله عنها) behoorde tot hen en goot water over haar hoofd om bij te komen. Of dit binnen de ṣalāh gebeurde of erna is niet geheel duidelijk. Als het binnen de ṣalāh gebeurde, dan wordt dit beschouwd als een lichte beweging (‘amāl qalīl), die de ṣalāh niet ongeldig maakt. Het kan echter ook zijn dat het tijdens de khuṭbah na de ṣalāh gebeurde.] (AFK)

٥٢٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: انْخَسَفَتِ الشَّمْسُ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَصَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقَامَ قِيَامًا طَوِيلًا نحْوًا مِنْ قِرَاءَةِ سُورَةِ الْبَقَرَةِ؛ ثُمَّ رَكَعَ رُكُوعًا طَويلًا، ثُمَّ رَفَعَ فَقَامَ قِيَامًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ ركوعًا طَويلًا وَهُوَ دُونَ الرُّكوعِ الأَوَّلِ ثُمَّ سَجَدَ، ثُمَّ قَامَ قِيَامًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ رُكُوعًا طَويلًا، وَهُوَ دُونَ الرُّكُوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَفَعَ فَقَامَ قِيَامًا طَويِلًا، وَهُوَ دُونَ الْقِيَامِ الأَوَّلِ، ثُمَّ رَكَعَ رُكوعًا طَوِيلًا، وَهُوَ دُونَ الرُّكُوعِ الأَوَّلِ، ثُمَّ سَجَدَ، ثُمَّ انْصَرَفَ وَقَدْ تَجَلَّتِ الشَّمْسُ، فَقَالَ ﷺ: إِنَّ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ آيَتَانِ مِنْ آيَاتِ اللهِ، لاَ يَخْسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمْ ذلِكَ فَاذْكُرُوا اللهَ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ رَأَيْنَاكَ تَنَاوَلْتَ شَيْئًا فِي مَقَامِكَ، ثُمَّ رَأَيْنَاكَ كَعْكَعْتَ؛ فَقَالَ ﷺ: إِنِّي رَأَيْتُ الْجَنَّةَ فَتَنَاوَلْتُ عُنْقُودًا، وَلَوْ أَصَبْتُهُ لأَكَلْتُمْ مِنْهُ مَا بَقِيَتِ الدُّنْيَا، وَأُرِيتُ النَّارَ فَلَمْ أَرَ مَنْظَرًا كَالْيَوْمِ قَطُّ أَفْظَعَ، وَرَأَيْتُ أَكْثَرَ أَهْلِهَا النِّسَاءَ قَالُوا: بِمَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: بِكُفْرِهِنَّ قِيلَ: يَكْفُرْنَ بِاللهِ قَالَ: يَكْفُرْنَ الْعَشِيرَ،

وَيَكْفُرْنَ الإِحْسَانَ، لَوْ أَحْسَنْتَ إِلَى إِحْدَاهُنَّ الدَّهْرَ كُلَّهُ، ثُمَّ رَأَتْ مِنْكَ شَيْئًا، قَالَتْ: مَا رَأَيْتُ مِنْكَ خَيْرًا قَطُّ525. Van `Abdullah Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Ten tijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond er een zonsverduistering plaats en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ṣalāh waarin ook de mensen hem volgden. Hij stond lang in qiyām, net zo lang als sūrah al-Baqarah. Daarna maakte hij een lange rukūʿ, richtte zich op en bleef opnieuw in qiyām, korter dan het eerste qiyām en maakte weer een rukūʿ korter dan de eerste en ging in sajdah. Daarna stond hij op en ging in qiyām echter korter dan de eerste qiyām, verrichtte weer een rukūʿ, korter dan de eerste, richtte zich op, bleef weer in qiyām, weer korter dan de eerste, en verrichtte een rukūʿ, ook korter dan de eerste, en ging in sajdah. Toen de zonsverduistering voorbij was, beëindigde hij de ṣalāh en zei: ‘Voorwaar, de zon en de maan zijn twee van de tekenen van Allāh. Zij verduisteren niet vanwege het overlijden of de geboorte van iemand. Als jullie dit zien, gedenk dan Allāh.’De mensen zeiden: ‘O Rasûlullāh , wij zagen dat u tijdens de ṣalāh naar iets reikte en daarna terugdeinsde?’ Hij antwoordde: ‘Ik zag het Paradijs en reikte naar een tros (druiven). Als ik die had kunnen pakken, zouden jullie daar zolang de wereld bestaat van gegeten hebben. Ik zag ook het Hellevuur en heb nooit eerder zo’n afgrijselijk tafereel gezien. De meeste mensen die ik erin zag waren vrouwen.’Er werd gevraagd: ‘O Rasûlullāh , waarom is dat zo?’ Hij antwoordde: ‘Wegens hun ondankbaarheid.’ Er werd gevraagd: ‘Zijn ze ondankbaar tegenover Allāh?’ Hij antwoordde: ‘(Neen), tegenover hun echtgenoten. Als je haar een heel leven lang goedheid bewijst en zij ziet dan iets in jou wat haar niet bevalt, zegt ze: “Ik heb nooit iets goeds van jou gezien.”

[Deze ḥadīth, bekend als de “Kusūf-overlevering”, beschrijft de bijzondere ṣalāh die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) samen met zijn ṣaḥābah verrichtte tijdens een zonsverduistering, een van de uitzonderlijke natuurverschijnselen. De ṣalāh al-kusūf is een uitdrukking van diepe eerbied voor Allāh en erkent de volledige afhankelijkheid en onmacht van de dienaar tegenover Zijn macht en verhevenheid. Deze ṣalāh bevestigt dat Allāh de enige Schepper en Bestuurder van het universum is. Tijdens de ṣalāh werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het Paradijs en het hellevuur getoond, wat benadrukt hoe nabij en werkelijk het Hiernamaals voor de gelovigen is.In de overlevering worden ook de specifieke waarschuwingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan vrouwen vermeld, met name gericht op ondankbaarheid. Dit gedrag kan zowel de relatie tussen de dienaar en Allāh als tussen mensen negatief beïnvloeden. Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt dat het merendeel van de bewoners van het Hellevuur uit vrouwen bestaat, moet dit niet als seksistische kritiek worden opgevat, maar als een profetische waarschuwing voor bepaald gedrag. Het gaat om handelingen zoals het ontkennen van weldaden en ondankbaarheid jegens de echtgenoot, niet om het geslacht zelf.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) behandelde zijn vrouwen steeds met genade en rechtvaardigheid en gaf via deze overlevering ook aanwijzingen om zich tegen dit gevaar te wapenen, bijvoorbeeld door vrouwen aan te moedigen tot istighfār (om vergeving vragen) en het geven van ṣadaqah (aalmoezen).Deze ḥadīth is dus een algemene oproep tot waakzaamheid tegen fouten die ieder mens kan maken, ongeacht geslacht. Allāhu تَعَالَى is rechtvaardig voor allen; Hij beoordeelt mannen en vrouwen gelijk in beloning en bestraffing, op basis van intentie en daden. Het zijn niet geslacht, ras of afkomst, maar de daden die bepalen wie het Paradijs binnengaat of het Hellevuur treft.

Zoals in de Qurʾān staat (an-Nisāʾ 4:124): وَمَن يَعۡمَلۡ مِنَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ مِن ذَكَرٍ أَوۡ أُنثَىٰ وَهُوَ مُؤۡمِنٞ فَأُوْلَٰٓئِكَ يَدۡخُلُونَ ٱلۡجَنَّةَ وَلَا يُظۡلَمُونَ نَقِيرٗا ١٢٤

“En iedereen die goede daden verricht, man of vrouw, en hij (zij) is een ware gelovige; zij zijn degenen die het Paradijs binnentreden en hen zal niet de kleinste onrechtvaardigheid ter grootte van een vlekje op de achterkant van een dadelpit worden aangedaan.”

Met deze principes heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn gemeenschap, en in het bijzonder de vrouwen daarin, opgevoed en ons allen aangespoord te streven naar geluk in zowel deze wereld als het hiernamaals.] (Diyanet)

{In een andere hadith staat:Van Jābir ibn `Abdullah (رضي الله عنه):In de tijd van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) was er een zonsverduistering op een zeer warme dag. an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ging voor in de salaah en bleef zo lang staan (qiyām) dat zijn metgezellen erbij neervielen. Toen deed hij twee buigingen (rukūʿ ) en hield die lang aan, en ook zijn hoofd hield hij lang opgeheven. Vervolgens deed hij twee teraardewerpingen (sajdah); daarop stond hij op en deed nog eens hetzelfde. Het waren vier buigingen (rukūʿ ) en vier teraardewerpingen (sajdah).Toen zei hij: "Al hetgeen waarin jullie terecht zullen komen is mij getoond.

Het Paradijs werd mij getoond tot ik zo dichtbij was dat ik een tros had kunnen pakken als ik ernaar gereikt had" (of hij zei: "ik reikte naar een tros maar kon er net niet bij"). "Ook de Hel werd mij getoond. Ik zag daarin een vrouw uit de Israëlieten die werd gestraft om een kat die zij had vastgebonden en niet te eten had gegeven, en die zij ook niet had laten eten van de kleine dieren van het land. En ik zag Abû Thûmamah `Amr ibn Malik die zijn ingewanden voortsleepte in de Hel."Ze dachten toen dat de zon en de maan alleen verduisterd werden om de dood van een belangrijk man. Maar het zijn twee van Allah’s tekenen die Hij jullie toont. Als zij verduisterd worden, verricht dan de salaah tot zij weer zichtbaar zijn”.}

De oproep tot de ṣalāh al-kusūf is: ‘as-ṣalāh al-jāmiʿah’ (de ṣalāh wordt in gemeenschap verricht) ذكر النداء بصلاة الكسوف، الصلاة جامعة

٥٢٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ قَالَ: لَمَّا كَسَفَتِ الشَّمْسُ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، نُودِيَ: إِنَّ الصَّلاَةَ جَامِعَةٌ، فَرَكَعَ النَّبِيُّ ﷺ رَكْعَتَيْنِ فِي سَجْدَةٍ، ثُمَّ قَامَ فَرَكَعَ رَكْعَتَيْنِ فِي سَجْدَةٍ، ثُمَّ جَلَسَ، ثُمَّ جُلِّيَ عَنِ الشَّمْسِ قَالَ: وَقَالَتْ عَائِشَةُ: مَا سَجَدْتُ سُجُودًا قَطُّ كَانَ أَطْوَلَ مِنْهَا

526. Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنه): Toen ten tijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zonsverduistering intrad, werd er uitgeroepen: ‘Innaṣ-ṣalāha jāmiʿah’*.”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte in de eerste rakaʿāh twee rukūʿs en één sajdah. Daarna stond hij op voor de tweede rakaʿā , waarin hij opnieuw twee rukūʿs en één sajdah verrichtte. Vervolgens ging hij zitten. Daarna was de zonverduistering voorbij.

{* Dit betekent: ‘Voorwaar, de ṣalāh wordt in gemeenschap verricht.’ Deze uitroep verving de aḏān voor deze specifieke ṣalāh.}

٥٢٧ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ لاَ يَنْكَسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ مِنَ النَّاسِ، وَلكِنَّهُمَا آيَتَانِ مِنْ آيَاتِ اللهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمُوهُمَا فَقُومُوا فَصَلُّوا527. Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De zonsen de maansverduistering is niet vanwege het overlijden van iemand. Zij zijn slechts twee van de tekenen van Allāh. Als jullie dit zien, verricht dan ṣalāh.”

٥٢٨ - حديث أَبِي مُوسَى قَالَ: خَسَفَتِ الشَّمْسُ، فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ فَزِعًا، يَخْشَى أَنْ تَكُونَ السَّاعَةُ؛ فَأَتَى الْمَسْجِدَ فَصَلّى بِأَطْوَلِ قِيَامٍ وَرُكُوعٍ وَسُجُودٍ رَأَيْتُهُ قَطُّ يَفْعَلُهُ، وَقَالَ: هذِهِ الآيَاتُ الَّتِي يُرْسِلُ اللهُ، لاَ تَكُونُ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، وَلكِنْ يُخَوِّفُ اللهُ بِهِ عِبَادَهُ، فَإِذَا رَأَيْتُمْ شَيْئًا مِنْ ذلِكَ فَافْزَعُوا إِلَى ذِكْرِ اللهِ وَدُعَائِهِ وِاسْتِغْفَارِهِ528. Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):De zon was verduisterd en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haastte zich in grote bezorgdheid, uit vrees voor het aanbreken van het Uur, naar de moskee. Daar verrichtte hij de langste ṣalāh die ik ooit van hem heb gezien qua qiyām, rukūʿ en sujūd. Daarna zei hij: ‘Deze tekenen die Allāh zendt zijn niet vanwege de dood of geboorte van iemand, maar Allāh doet Zijn dienaren hiermee vrezen.

Als jullie dit (zonsof maansverduistering ) zien, gedenk dan Allāh (ḏikrullah), smeek Hem (du`ā’) en zoek vergiffenis bij Hem (istighfār).”٥٢٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ كَانَ يُخْبِرُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: إِنَّ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ لاَ يَخْسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، وَلكِنَّهُمَا آيَتَانِ مِنْ آيَاتِ اللهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمُوهُمَا فَصَلُّوا529. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De zonsen de maansverduistering is niet vanwege het overlijden of de geboorte van iemand. Zij zijn slechts twee tekenen van Allāh. Als jullie dit zien, verricht dan ṣalāh.”٥٣٠ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ، قَالَ: كَسَفَتِ الشَّمْسِ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَوْمَ مَاتَ إِبْرَاهِيمُ؛ فَقَالَ النَّاسُ: كَسَفَتِ الشَّمْسُ لِمَوْتِ إِبْرَاهِيمَ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ الشَّمْسَ وَالْقَمَرَ لاَ يَنْكَسِفَانِ لِمَوْتِ أَحَدٍ وَلاَ لِحَيَاتِهِ، فَإِذَا رَأَيْتُمْ فَصَلُّوا وَادْعُوا اللهَ530.

Van Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه): Toen de zoon van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Ibrāhīm, overleed, vond er een zonsverduistering plaats. De mensen zeiden: ‘De zon is verduisterd vanwege het overlijden van Ibrāhīm.’ Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘De zon en de maan worden niet verduisterd omdat er iemand gestorven is of nog leeft. Als jullie dit zien, verricht dan ṣalāh en smeek tot Allāh.