As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitâbu salâti'l-musâfirîn wa qasahā: Het boek over de ṣalāh van reizigers en het inkorten ervan

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitâbu salâti'l-musâfirîn wa qasahā: Het boek over de ṣalāh van reizigers en het inkorten ervan

De ṣalāh van reizigers en het inkorten ervan

صلاة المسافرين وقصرها

٣٩٨ - حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ قَالَتْ: فَرَضَ اللهُ الصَّلاَةَ حِينَ فَرَضَهَا رَكْعَتَيْنِ رَكْعَتَيْنِ فِي الْحَضَرِ وَالسَّفَرِ، فَأُقِرَّتْ صَلاَةُ السَّفَرِ، وَزِيدَ فِي صَلاَةِ الْحَضَرِ

398 – Van ʿĀishah, de moeder der gelovigen رضي الله عنها:Allāh heeft de ṣalāh, toen Hij die verplicht had gesteld, als twee rakaʿāh in zowel verblijfsals reissituaties verplicht gesteld. Vervolgens bleef de ṣalāh tijdens de reis zoals die was, maar aan de ṣalāh van de verblijfssituatie (ḥaḍar) werd een toevoeging gedaan.

[Allah maakte in de nacht van de Miʿrāj alle verplichte ṣalawāt, met uitzondering van het avondgebed (maghrib), twee rakaʿāt verplicht. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah emigreerde, werden de ṣalwāt in de verblijfssituatie (ḥaḍar) uitgebreid met twee extra rakaʿāt, zodat zij vier rakaʿāt werden. De ṣalāh al-fajr en de reizigers-ṣalāh (ṣalāh as-safar) bleven echter zoals zij oorspronkelijk waren: twee rakaʿāt. De reden hiervoor is dat de recitatie in de ṣalāh al-fajr lang is, en dat er tijdens de reis moeilijkheden en ontberingen zijn. De ṣalāh al-maġrib bleef drie rakaʿāt, omdat zij het oneven getal (wiṯr) vormt van de overdag verrichte ṣalawāt.

Om deze ḥadīth goed te kunnen begrijpen, moeten twee punten worden toegelicht:

1. In deze ḥadīth wordt vermeld dat de ṣalāh van de reiziger oorspronkelijk twee rakaʿāt is.In dat geval bestaat er bij de ṣalāh van de reiziger geen sprake van “het inkorten van de ṣalāh”, want haar oorsprong is reeds twee rakaʿāt. De āyah in surah an-Nisā’ (4:101) gebiedt het inkorten van de ṣalāh tijdens de reis.

2.

In Sunan an-Nasā’ī, hoofdstuk Taqṣīru’ṣ-Ṣalāh fī’s-Safar, wordt vermeld dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toen zij samen van Madīnah naar Makkah reisden, de ṣalāh vier rakaʿāt verrichtte.

Om de eerste kwestie te begrijpen, hangt af van het goed begrijpen van de āyah in surah an-Nisā’ (4:101). Volgens de Ḥanafī-geleerden duidt het woord “safar” (reis) in deze āyah op een oorlogsof hidjrah-reis. Daarom betekent het woord “inkorten” (taqṣīr) in deze āyah niet het inkorten van het aantal rakaʿāt, maar het inkorten van de beschrijving en uitvoering van de ṣalāh. Dit gebeurt op twee manieren:

a. Door in plaats van staand (qiyām) te bidden, zittend of rijdend op een dier te bidden, en de neersbuigingen (sudjūd) te vervangen door gebaren.Zoals Allahu تَعَالَى zegt:

وَإِذَا ضَرَبۡتُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَن تَقۡصُرُواْ مِنَ ٱلصَّلَوٰةِ إِنۡ خِفۡتُمۡ أَن يَفۡتِنَكُمُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْۚ إِنَّ ٱلۡكَٰفِرِينَ كَانُواْ لَكُمۡ عَدُوّٗا مُّبِينٗا ١٠١

En als jullie (moslims) door het land reizen, rust er voor jullie geen zonde op wanneer jullie het gebed verkorten, als jullie bang zijn dat de ongelovigen jullie kunnen aanvallen. Waarlijk, de ongelovigen zijn altijd een openlijke vijand voor jullie. (surah an-Nisā’4:101)

b.

Door van al deze vergemakkelijkingen gebruik te maken, of, als het verrichten van de ṣalāh onmogelijk is, deze later in te halen (qaḍā’).Zoals bekend, deed Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit tijdens de Slag bij al-Khandaq (de loopgravenoorlog).

Sommige mufassirūn hebben echter gezegd dat met “het inkorten van de ṣalāh” bedoeld wordt dat de vier rakaʿāt tot twee rakaʿāt worden teruggebracht. De Shāfiʿī-geleerden hebben deze uitleg eveneens gegeven, maar zij hebben angst (vrees) niet als voorwaarde gesteld. Zij beschouwen het verrichten van de ṣalāh in verkorte vorm als toegestaan (ja’iz), maar het volledig verrichten van de ṣalāh als voorkeurwaardig (awlā).

Wanneer de āyah wordt geïnterpreteerd zoals de Ḥanafī-geleerden dat doen, is er geen tegenspraak tussen de besproken ḥadīth en de āyah. En als men het woord “inkorten” opvat als “het halveren van de vier rakaʿāt”, dan betekent het inkorten van de ṣalāh tijdens de reis dat men de helft bidt van wat men in de verblijfssituatie zou bidden, en ook in dat geval is er geen tegenstrijdigheid tussen de āyah en de ḥadīth.

Wat betreft de tweede kwestie, namelijk dat deze ḥadīth is overgeleverd door ʿĀʾishah (رضي الله عنها), terwijl haar eigen handeling in tegenspraak lijkt te zijn met haar overlevering, geldt dat dit geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de ḥadīth.

De Ḥanafī-geleerden hebben hierover een bekende rechtsregel (qāʿidah):

“Wanneer de mening of de handeling van een overleveraar niet overeenkomt is met zijn overlevering, is het niet verplicht om volgens die overlevering te handelen.”

Toch maakt het feit dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) niet volgens deze ḥadīth handelde, deze ḥanafītische regel niet ongeldig. Want ʿĀʾishah (رضي الله عنها) beschouwde het op reis zowel toegestaan (ja’iz) om de ṣalāh twee rakaʿāt te verrichten als vier rakaʿāt. Zij handelde dus naar één van de twee toegestane mogelijkheden.

Als ʿĀʾishah (رضي الله عنها) echter het verrichten van twee rakaʿāt tijdens de reis niet toegestaan had geacht, dán zou de ḥanafītische regel hier niet gelden, en zouden de Ḥanafī’-geleerden deze ḥadīth niet als bewijs mogen gebruiken.

Volgens de uitleg van de Ḥanafī-geleerde al-ʿAynī (رحمه الله) kan het zijn dat de reden waarom ʿĀʾishah (رضي الله عنها) de vier-rakaʿāt-ṣalwāt volledig verrichtte tijdens de reis, het volgende ḥadīth is:

“Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tussen twee zaken kon kiezen, koos hij altijd voor de gemakkelijkste, zolang het geen zonde inhield.” (Bukhārī en Muslim)

ʿĀʾishah (رضي الله عنها), die dit het beste wist, begreep dat hoewel het toegestaan was om tijdens de reis vier-rakaʿāt-ṣalwāt volledig te verrichten, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze tot twee rakaʿāt verkortte uit gemak en verlichting voor zijn ummah. Daarom koos ʿĀʾishah (رضي الله عنها) ervoor om vier rakaʿāt te verrichten, in de hoop op een grotere beloning, terwijl zij wist dat het verrichten van twee rakaʿāt ook toegestaan was.

Dit toont aan dat er geen werkelijke tegenspraak (taʿāruḍ) bestaat tussen haar handeling en de betreffende ḥadīth.Wat betreft de zin in de ḥadīth:

“Maar aan de ṣalāh van de verblijfssituatie werd een toevoeging gedaan”,

over de betekenis van het woord “toevoeging” (ziyādah) hierin, verschillen de geleerden van mening (ikhtilāf). Volgens Abū Isḥāq al-Ḥarbī en Yaḥyā ibn Sallām wordt met de woorden “er werd een toevoeging gedaan” in de ḥadīth bedoeld dat de aantal gebedstijden werd uitgebreid voor wie zich in verblijf (ḥaḍar) bevindt, dus thuis of in zijn woonplaats.

Volgens hen was vóór de gebeurtenis van al-Isrā’ (de Nachtreis) het aantal ṣalawāt twee:

één vóór zonsopkomst,

en één vóór zonsondergang.

De ḥadīth van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) duidt er volgens hen dus op dat aan deze twee tijden drie extra gebedstijden werden toegevoegd, waardoor de ṣalāh uiteindelijk vijfmaal daags verplicht werd gesteld.Volgens andere geleerden verwijst deze ḥadīth naar het feit dat tijdens de nacht van al-Isrā’ aanvankelijk vijf ṣalwāt werden voorgeschreven, en dat elke ṣalāh toen uit twee rakaʿāt bestond.Vervolgens werden voor degenen die zich in verblijf (ḥaḍar) bevinden, twee rakaʿāt toegevoegd.Volgens deze uitleg heeft de “toevoeging” dus niet te maken met de tijden van de ṣalāh, maar met het aantal rakaʿāt.

Sommigen hebben deze woorden ook zo uitgelegd: “De ṣalāh werd aanvankelijk als twee rakaʿāt verplicht gesteld, dat wil zeggen: de reiziger mag kiezen of hij haar twee of vier rakaʿāt verricht.”

De vraag: is het inkorten van de ṣalāh tijdens de reis (qaṣr aṣ-ṣalāh) een ruḫṣah (verlichting) of een ʿazīmah (vaste verplichting)?

Deze ḥadīth duidt erop dat de reizigers-ṣalāh oorspronkelijk als twee rakaʿāt is voorgeschreven, en dat het verrichten ervan als twee rakaʿāt dus geen ruḫṣah (verlichting) is, maar een ʿazīmah (oorspronkelijke verplichting).

Dit is ook de mening van de metgezellen (رضي الله عنهم): ʿUmar, ʿAlī, Ibn ʿAbbās, Ibn Masʿūd, Ibn ʿUmar en Jābir.

Evenals de mening van de Ḥanafī-geleerden.

De Ḥanafī’-geleerden ondersteunen hun opvatting met verschillende aḥādīth die zij als bewijs aanvoeren voor het feit dat de reis-ṣalāh in oorsprong twee rakaʿāt is, en dat dit niet slechts een toegestane inkorting, maar de oorspronkelijke wetgeving is.

De Ḥanafī-geleerden baseren hun opvatting, dat het verkorten van de ṣalāh tijdens de reis (qaṣr aṣ-ṣalāh) een ʿazīmah (oorspronkelijke verplichting) is en geen ruḫṣah (toestemming of verlichting), op de volgende aḥādīth:

1. “Toen Allahu تَعَالَى de ṣalāh verplicht stelde, maakte Hij haar zowel in de verblijfssituatie (ḥaḍar) als tijdens de reis (safar) uit twee rakaʿāt bestaande.De ṣalāh tijdens de reis bleef zoals zij was, twee rakaʿāt en aan de ṣalāh in de verblijfssituatie werden twee rakaʿāt toegevoegd.” (Overgeleverd door ʿĀʾishah (رضي الله عنها); al-Bukhārī, Ṣalāh 1; Abū Dāwūd, Ṣalwātu’s-Safar 1/1198; an-Nasā’ī, Ṣalāh 3)

2.

“Allahu تَعَالَى heeft, via Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم), voorgeschreven dat de ṣalāh az-ẓuhr, -ʿaṣr en -ʿishā’ in de verblijfssituatie vier rakaʿāt zijn; tijdens de reis twee rakaʿāt en in oorlogstoestand één rakaʿah.”(Vermeld door enkele fuqahā’ als uitleg bij de betekenis van de “verkorting” in an-Nisā’ 4:101)

3. “Ik heb samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis ṣalāh verricht. Totdat Allah zijn ziel tot Zich nam, verrichtte hij tijdens de reis nooit meer dan twee rakaʿāt. Ik was ook met Abū Bakr (رضي الله عنه), en hij verrichtte eveneens tot aan zijn dood tijdens de reis nooit meer dan twee rakaʿāt.” (Overgeleverd van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنه); al-Bukhārī, Taqṣīr aṣ-Ṣalāh 1090; Muslim, Ṣalwātu’l-Musāfirīn 685)

4.“Dit is een liefdadigheid (ṣadaqah) van Allah aan jullie. Aanvaard dus Zijn liefdadigheid.”(Overgeleverd door ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) en anderen; Muslim, Ṣalwātu’l-Musāfirīn 686)

Volgens de Ḥanafī’-geleerden tonen deze overleveringen duidelijk aan dat de ṣalāh tijdens de reis in oorsprong twee rakaʿāt is voorgeschreven, en dat het niet slechts een verkorting of toegestane versoepeling (rukhṣah) is, maar de vaste, oorspronkelijke wetgeving (ʿazīmah).] (HA)

٣٩٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ حَفْصِ بْنِ عَاصِمٍ قَالَ: حَدَّثَنَا ابْنُ عُمَرَ، فَقَالَ: صَحِبْتُ النَّبِيَّ ﷺ فَلَمْ أَرَهُ يُسَبِّحُ فِي السَّفَرِ وَقَالَ اللهُ جَلَّ ذِكْرُهُ (لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللهِ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ)399 – Van Ibn ʿUmar via Ḥafṣ ibn ʿĀṣim رضي الله عنهما:Ibn ʿUmar zei: “Ik ben met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op reis geweest en ik heb hem niet de vrijwillige ṣalāh (na de verplichte) zien verrichten tijdens de reis.”En Allāhu تعالى zegt in Zijn Boek:لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١

Voorzeker, de Boodschapper van Allāh is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor (zowel de gelovigen als de hypocrieten onder) jullie, voor wie op (de veelbelovende ontmoeting met) Allāh en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allāh veelvuldig gedenkt. (sûrah al Ahzab 33/21)

٤٠٠ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: صَلَّيْتُ الظُّهْرَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ بِالْمَدِينَةِ أَرْبَعًا، وَبِذِي الْحُلَيْفَةِ رَكْعَتَيْنِ400 – Van Anas رضي الله عنه:Ik verrichtte de ṣalāh aẓ ẓuhr met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah vier rakʿat, en (ṣalāh al `asr) in Dhūl-Ḥulayfah twee rakʿat.

٤٠١ - حديث أَنَسٍ، قَالَ خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ مِنَ الْمَدِينَةِ إِلَى مَكَّةَ، فَكَانَ يُصَلِّي رَكْعَتَيْنِ رَكْعَتَيْنِ حَتَّى رَجَعْنَا إِلَى الْمَدِينَة

سَأَلَهُ يَحْيَى بْنُ أَبِي إِسْحقَ قَالَ: أَقَمْتُمْ بِمَكَّةَ شَيْئًا قَالَ أَقَمْنَا بِهَا عَشْرًا

401 – Van Anas رضي الله عنه:Wij vertrokken met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van Madīnah naar Makkah. Hij verrichtte de ṣalwāt onderweg telkens twee rakaʿāh totdat wij terugkeerden naar Madīnah.”

Yahyā ibn Abī Isḥāq vroeg hem: “Verbleven jullie enige tijd in Makkah?”Hij antwoordde: “Wij verbleven daar tien dagen.”

Het inkorten van de ṣalāh in Minā

قصر الصلاة بمنى

٤٠٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: صَلَّيْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ بِمِنًى رَكْعَتَيْنِ، وَأَبِي بَكْرٍ وَعُمَرَ، وَمَعَ عُثْمَانَ صَدْرًا مِنْ إِمَارَتِهِ، ثُمَّ أَتَمَّهَا

402 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar رضي الله عنهما:Ik verrichtte de ṣalāh met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Minā twee rakaʿāh , en ook met Abū Bakr, ʿUmar, en in het begin van de heerschappij van ʿUthmān. Daarna maakte hij (ʿUthmān) het (volledig, dus vier rakaʿāh ).”

[Er bestaat een meningsverschil (ikhtilāf) over de vraag of het inkorten van de ṣalāh tijdens een reis verplicht is of niet. ʿUthmān (رضي الله عنه) beschouwde het inkorten van de ṣalāh als een toegestane versoepeling (rukhṣah), en verrichtte daarom in Minā de ṣalāh volledig in plaats van verkort. Volgens hem was dit een toegestane versoepeling: als men wilde, kon men de ṣalāh inkorten, en als men wilde, kon men deze volledig verrichten.] (AFK)

٤٠٣ - حديث حَارِثَةَ بْنِ وَهْبٍ الْخُزَاعِيِّ ﵁ قَالَ صَلَّى بِنَا النَّبِيُّ ﷺ، وَنَحْنُ أَكْثَرُ مَا كُنَّا قَطُّ وَامَنُهُ، بِمِنًى رَكْعَتَيْنِ403 – Van Ḥārithah ibn Wahb al-Khuzāʿī رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in de ṣalāh in Minā. Wij waren met meer mensen dan ooit tevoren (er was geen angst voor vijandelijke aanval), en hij verrichtte twee rakaʿāh .”

[Tijdens het reizen worden vier rakaʿāh tellende ṣalāh verkort tot twee rakaʿāh . Of dit inkorten verplicht is of niet, daarover bestaan verschillende opvattingen. De Ḥanafī-geleerden neigen, op basis van de vorige ḥadīth, naar het standpunt dat het verplicht is. De āyah uit de Qur’ān luidt:

وَإِذَا ضَرَبۡتُمۡ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٌ أَن تَقۡصُرُواْ مِنَ ٱلصَّلَوٰةِ إِنۡ خِفۡتُمۡ أَن يَفۡتِنَكُمُ ٱلَّذِينَ كَفَرُوٓاْۚ إِنَّ ٱلۡكَٰفِرِينَ كَانُواْ لَكُمۡ عَدُوّٗا مُّبِينٗا ١٠١

En als jullie (moslims) door het land reizen, rust er voor jullie geen zonde op wanneer jullie het gebed verkorten, als jullie bang zijn dat de ongelovigen jullie kunnen aanvallen. Waarlijk, de ongelovigen zijn altijd een openlijke vijand voor jullie. (sûrah an-Nisā’, 4:101)

Deze āyah geeft dus toestemming voor het verkorten van de ṣalāh in geval van angst. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in Minā ook in een toestand waarin geen vrees of gevaar aanwezig was, de ṣalāh verkort. De reden voor het verkorten was daar niet angst, maar het feit dat hij reiziger was]. (AFK)

Het verrichten van de ṣalāh thuis tijdens regenachtige tijden

الصلاة في الرحال في المطر

٤٠٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ أَذَّنَ بِالصَّلاَةِ فِي لَيْلَةٍ ذَاتِ بَرْدٍ وَرِيحِ، ثُمَّ قَالَ: أَلاَ صَلُّوا فِي الرِّحَالِ ثُمَّ قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يَأْمُرُ الْمُؤَذِّنَ، إِذَا كَانَتْ لَيْلَةٌ ذاتُ بَرْدٍ وَمَطَرٍ، يَقُولُ: أَلاَ صَلُّوا فِي الرِّحَالِ

404 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:Op een koude en stormachtige nacht riep hij (Ibn `Umar) de aḏān op en zei:“Let op! Verricht ṣalāh in jullie verblijven!”

Daarna zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf de muʾaḏḏhin de opdracht om dat te zeggen wanneer het een koude en regenachtige nacht was: ‘Let op! Verricht ṣalāh in jullie verblijven!’

٤٠٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ لِمُؤَذِّنِهِ فِي يَوْمٍ مَطِيرٍ: إِذَا قُلْتَ أَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ فَلاَ تَقُلْ حَيَّ عَلَى الصَّلاَةِ، قُلْ صَلُّوا فِي بُيوتِكُمْ فَكَأَنَّ النَّاسَ اسْتَنْكَرُوا، قَالَ: فَعَلَهُ مَنْ هُوَ خَيْرٌ مِنِّي، إِنَّ الْجُمُعَةَ عَزْمَةٌ، وَإِنِّي كَرِهْتُ أَنْ أُحْرِجَكُمْ فَتَمْشُونَ فِي الطِّينِ وَالدَّحْضِ

405 – Van Ibn ʿAbbās رضي الله عنهما:Op een regenachtige dag zei Ibn ʿAbbās tegen zijn muʾaḏḏhin:“Wanneer je zegt: Ashhadu anna Muḥammadan Rasūlullāh, zeg dan niet: Ḥayya ʿalaṣ-ṣalāh, maar zeg: Ṣallū fī buyūtikum (Verricht ṣalāh in jullie huizen).”

De mensen leken dat vreemd te vinden. Daarop zei hij: “Degene die beter is dan ik (nl Rasûlullāh) heeft dit gedaan.

Waarlijk, Jumuʿah (ṣalāh) is verplicht, maar ik vond het niet fijn om jullie in moeilijkheden te brengen, zodat jullie (gedwongen) door modder en gladheid (naar moskee) zouden moeten lopen.”

Het is toegestaan om een vrijwillige ṣalāh te verrichten tijdens de reis op het rijdier, in de richting waarin men zich bevindt

جواز صلاة النافلة على الدابة في السفر حيث توجهت

٤٠٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي فِي السَّفَرِ عَلَى رَاحِلَتِهِ حَيْثُ تَوَجَّهَتْ بِهِ، يُومِئُ إِيمَاءَ، صَلاَةَ اللَّيْلِ إِلاَّ الْفَرَائِضَ، وَيُوتِرُ عَلَى رَاحِلَتِهِ

406 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte tijdens de reis de ṣalāh op zijn rijdier, in welke richting het zich ook wendde. Hij gaf alleen gebaren aan (i.p.v. volledige buigingen) voor de nachtelijke (nafilah) ṣalāh, met uitzondering van de verplichte ṣalwāt. En hij verrichtte de witr ook op zijn rijdier.

[Er zijn twee categorieën ṣalwāt:

Farḍ-ṣalāh, oftewel verplichte ṣalwāt, die absoluut verricht zijn. Degene die ze nalaat, zal daarvoor ter verantwoording worden geroepen.

Nafilah-ṣalwāt, oftewel vrijwillige ṣalwāt, die beloning opleveren wanneer ze verricht worden, maar waarvoor geen rekenschap is in het Hiernamaals als ze worden nagelaten.

Binnen de nafilah-ṣalāh is er echter een groep ṣalwāt die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met bijzondere zorg werden verricht. Zijn toewijding aan deze specifieke ṣalwāt heeft ertoe geleid dat sommigen deze bijna als farḍ zijn gaan beschouwen.

De Ḥanafī-geleerden hebben deze categorie ṣalāh geplaatst tussen farḍ en nafilah in, en noemen ze wājib. Hoewel de andere madhāhib de term wājib in deze context niet gebruiken, erkennen zij ook dat deze door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met nadruk uitgevoerde ṣalāh onder de categorie sterke sunnah vallen: as-sunnah al-muakkadah: bevestigde sunnah, een handeling of praktijk die de an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) regelmatig verrichtte en nadrukkelijk aanbeval, maar die niet verplicht is).

Een voorbeeld van zo'n ṣalāh buiten de farḍ die nadrukkelijk werd verricht, is de witr-ṣalāh. Hoewel deze onder de nachtelijke vrijwillige ṣalāh valt, verschillen de overleveringen over de wijze waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze verrichtte wat betreft tijd, vorm, aantal rakaʿāh en het wel of niet verrichten van de qunūt-duʿāʾ.

Wie de overleveringen over de ṣalāh al witr in de ḥadīth-verzamelingen bestudeert, zal zien dat de praktijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in verschillende vormen is overgeleverd. Zo verschillen de overleveringen van ʿĀishah (رضي الله عنها) over de nachtelijke ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maar zijn qua betrouwbaarheid aan elkaar gelijkwaardig.

Dit toont aan dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze vrijwillige ṣalāh op verschillende wijzen heeft verricht, afhankelijk van plaats en tijd. Al deze verschillende manieren maken deel uit van zijn sunnah; het zijn slechts verschillende vormen van uitvoering van dezelfde sunnah.] (AFK)

٤٠٧ - حديث عَامِرِ بْنِ رَبِيعَةَ، أَنَّهُ رَأَى النَّبِيَّ ﷺ صَلَّى السُّبْحَةَ بِاللَّيْلِ فِي السَّفَرِ عَلَى ظَهْرِ رَاحِلَتِهِ حَيْتُ تَوَجَّهَتْ بِهِ407 – Van ʿĀmir ibn Rabīʿah رضي الله عنه:Hij zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de subḥah (vrijwillige nachtelijke ṣalāh) verrichten tijdens een reis op de rug van zijn rijdier, in welke richting het zich ook wendde.

٤٠٨ - حديث أَنَسٍ عَنْ أَنَسِ بْنِ سِيرِينَ، قَالَ: اسْتَقْبَلْنَا أَنَسًا حِينَ قَدِمَ مِنَ الشَّأمِ فَلَقِينَاهُ بِعَيْنِ التَّمْرِ، فَرَأَيْتُهُ يُصَلِّي عَلَى حِمَارٍ، وَوَجْهُهُ مِنْ ذَا الْجَانِبِ، يَعْنِي عَنْ يَسَارِ الْقِبْلَةِ، فَقُلْتُ: رَأَيْتُكَ تُصَلِّي لِغَيْرِ الْقِبْلَةِ، فَقَالَ: لَوْلاَ أَنِّي رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَعَلَهُ لَمْ أَفْعَلْهُ408 – Van Anas via Anas ibn Sīrīn رضي الله عنهما:Wij gingen Anas tegemoet toen hij terugkwam uit Shām, en wij ontmoetten hem bij ʿAyn at-Tamr. Ik zag hem de ṣalāh verrichten op een ezel, terwijl zijn gezicht zich aan de zijkant bevond, dat wil zeggen links van de qiblah.Ik zei: “Ik zag je ṣalāh verrichten met je gezicht niet naar de qiblah gericht.”Hij zei: “Als ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit niet had zien doen, zou ik het niet hebben gedaan”.

Het is toegestaan om twee ṣalāhs tijdens de reis samen te voegen

جواز الجمع بين الصلاتين في السفر

٤٠٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ إِذَا أَعْجلَهُ السَّيْرُ فِي السَّفَرِ يُؤَخِّرُ الْمَغْرِبَ حَتَّى يَجْمَعَ بَيْنَهَا وَبَيْنَ الْعِشَاءِ

409 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:Ik zag dat, wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens een reis haast maakte, hij de maghrib uitstelde tot de ʿishā’, en dan de maghrib en de ʿishā’ samenvoegde en beide ṣalāhs gezamenlijk verrichtte.

[Van deze ḥadīth bestaan ook andere varianten. Deze specifieke overlevering vormt de basis voor het standpunt van de Ḥanafī-geleerden dat het samenvoegen van twee ṣalāhs tijdens een reis niet is toegestaan. Zij hebben dit principe aangeduid met de term “ ‘jamʿ ṣūrī ” (letterlijk: een schijnbare samenvoeging).

Een andere overlevering die deze zienswijze ondersteunt, is overgeleverd door Abū Dāwūd. (Abū Dāwūd, as-Safar: 5; an-Nasā’ī, al-Mawāqīt: 45)

De ‘jamʿ ṣūrī houdt in dat men het eerste ṣalāh aan het einde van zijn tijd verricht en het tweede direct bij aanvang van zijn eigen tijd, zodat ze ogenschijnlijk samenvallen, zonder dat ze werkelijk worden samengevoegd buiten hun eigen tijdsgrenzen, zoals het wél wordt toegestaan (jamʿ ḥaqīqī ) in de Shāfiʿīof Mālikī-madzhab onder bepaalde omstandigheden.] (AFK)

[De ṣalāh is één van de vijf zuilen van de Islām. De ṣalāh is de kern van alle aanbiddingen en dient op de vastgestelde tijden te worden verricht. In de Qurʾān wordt dit in sûrah an-Nisāʾ, āyah 103, als volgt gezegd: ٱلصَّلَوٰةَ كَانَتۡ عَلَى ٱلۡمُؤۡمِنِينَ كِتَٰبٗا مَّوۡقُوتٗا ١٠٣

… Voorwaar, het gebed is de gelovigen op vaste tijden voorgeschreven.

Voor elk van de vijf dagelijkse ṣalāh is een aparte tijd vastgesteld, en het verrichten van de ṣalāh binnen de eigen tijd is verplicht gesteld.

Echter, in bepaalde bijzondere situaties en onder uitzonderlijke omstandigheden is het toegestaan om de ṣalāh van ẓuhr en ʿaṣr, evenals van maghrib en ʿishāʾ, samen te voegen (jamʿ), dat wil zeggen hun tijden te combineren.

Wanneer de twee ṣalāh in de tijd van de eerste worden verricht, wordt dit jamʿ at-taqdīm genoemd; wanneer ze in de tijd van de latere worden verricht, heet dit jamʿ at-taʾkhīr. Tijdens de Haj, op de dag van ʿArafah, worden de ṣalāh van ẓuhr en ʿaṣr verricht in de tijd van ẓuhr (jamʿ at-taqdīm), en de ṣalāh van maghrib en ʿishāʾ in Muzdalifah in de tijd van ʿishāʾ (jamʿ at-taʾkhīr), waarbij ze achtereenvolgens worden verricht.

Het samenvoegen van de ṣalāh in ʿArafah en Muzdalifah wordt door alle madhāhib als sunnah beschouwd, terwijl toepassing van jamʿ buiten deze situaties beperkt is tot noodzakelijke omstandigheden. Voorbeelden hiervan zijn: wanneer iemand op reis is, of bij hevige regen, sneeuw of hitte, of wanneer iemand door ziekte of een andere dwingende reden verhinderd wordt de ṣalāh op zijn tijd te verrichten. Dit zijn de speciale omstandigheden die door de madhāhib worden genoemd waarin jamʿ toegestaan is.

De madhāhib zijn het erover eens dat deze toestemming slechts geldt in de mate van noodzaak en behoefte. Zoals blijkt uit de ḥadīth van hierboven, stelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh al-maghrib uit vanwege een reden die hem ertoe dwong snel te reizen, en verrichtte hij het samen met de ṣalāh al-ʿishāʾ in de tijd van ʿishāʾ. Er zijn vele aḥadīth die aantonen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens reizen de tijden van de ṣalāh samenvoegde, waarvan sommige verderop in de aḥadīth vermeld worden.] (Diyanet)

(zie ook: Appendix 9: Samenvoegen van twee ṣalāt)

٤١٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِذَا ارْتَحَلَ قَبْلَ أَنْ تَزِيغَ الشَّمْسُ أَخَّرَ الظُّهْرَ إِلَى وَقْتِ الْعَصْرِ، ثُمَّ نَزَلَ فَجَمَعَ بَيْنَهُمَا، فَإِنْ زَاغَتِ الشَّمْسُ قَبْلَ أَنْ يَرْتَحِلَ صَلَّى الظُّهْرَ ثُمَّ رَكِبَ410 – Van Anas ibn Mālik رضي الله عنه:Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis zou gaan, stelde hij de ẓuhr uit tot de tijd van de ʿaṣr, (zolang de zon nog niet vanuit haar hoogste punt naar het westen begon te hellen). Vervolgens steeg hij af en verrichtte hij de ẓuhr en de ʿaṣr gezamenlijk (jamʿ). Maar als de zon reeds was gaan hellen (en de tijd van de ẓuhr was aangebroken), dan verrichtte hij eerst de ẓuhr en steeg (daarna op zijn kameel om te reizen).

Het samenvoegen van twee ṣalāh in de verblijfplaats

411 – Van Ibn ʿAbbās رضي الله عنهما:Ik verrichtte samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) acht (rakaʿāt ) gezamenlijk en zeven gezamenlijk.” (= combinatie van resp. ẓuhr met ʿaṣr, en maghrib met ʿishāʾ.)

Het is toegestaan om de ṣalāh via de rechterof linkerkant te verlaten

الجمع بين الصلاتين في الحضر

٤١١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: صَلَّيْتُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ ثَمَانِيًا جَمِيعًا، وَسَبْعًا جَمِيعًا 412 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd رضي الله عنه:Geef de shayṭān geen kans in zaken die jullie ṣalāh aangaan. Na de ṣalāh is het niet verplicht om altijd van de rechterzijde op te staan. Ik heb vele malen gezien dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opstond van de linkerzijde nadat hij de ṣalāh had verricht.”

[Twijfel en aarzeling behoren tot de menselijke aard en zijn in beginsel normaal. Soms kunnen deze twijfels echter ontaarden in ongegronde inbeeldingen en zelfs in waswasah (kwellende influisteringen), waardoor zij een storende toestand worden die aandacht en correctie vereist.

Dergelijke influisteringen kunnen niet alleen het dagelijkse leven van een mens beïnvloeden, maar ook zijn daden van aanbidding. Een zekere mate van zorgvuldigheid en waakzaamheid in het handelen en in de ʿibādāt is op zichzelf prijzenswaardig. Wanneer dit echter doorslaat en tot uitersten wordt doorgevoerd, raakt de innerlijke balans verstoord en gaat de geestelijke rust verloren. In plaats van de zoetheid van de aanbidding te ervaren, kan men dan verdwalen in de benauwende doolhoven van waswasah.

Om die reden heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in talrijke aḥādīth de moslims gewaarschuwd zich niet te laten meeslepen door twijfel en de influisteringen van de shayṭān, met name bij de wuḍūʾ en de ṣalāh, en zich niet in te beelden dat bepaalde handelingen onvolledig zijn verricht.

In deze overlevering zegt ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Geef de shayṭān geen ruimte in zaken die jullie ṣalāh betreffen.”

Daarmee maakt hij duidelijk dat dergelijke situaties de shayṭān gelegenheid geven om invloed uit te oefenen en de mens van zijn aanbidding af te leiden.

Daarnaast herinnert deze overlevering ons eraan dat iemand die verstrikt raakt in waswasah zelfs kan gaan twijfelen over de manier waarop hij de ṣalāh beëindigt, en zich bijvoorbeeld verplicht kan voelen uitsluitend van de rechterzijde op te staan. Dit is echter een onnodige verzwaring. Juist daarom wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) regelmatig ook van zijn linkerzijde opstond na het beëindigen van de ṣalāh.

Zo wordt ons geleerd waakzaam te zijn voor elke gedachte of gewoonte die de aanbidding belemmert en ons verhindert deze te verrichten met khushūʿ (innerlijke rust, nederigheid en devotie).] (Diyanet)

Het is afkeurenswaardig om met een vrijwillige ṣalāh te beginnen nadat de muʾaḏḏhin de iqāmah is begonnen

كراهة الشروع في نافلة بعد شروع المؤذن

٤١٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَالِكِ بْنِ بُحَيْنَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ رَأَى رَجُلًا، وَقَدْ أُقِيمَتِ الصَّلاَةُ، يُصَلِّي رَكْعَتَيْنِ، فَلَمَّا انْصَرَفَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لاَثَ بِهِ النَّاسُ، وَقَالَ لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الصُّبْحَ أَرْبَعًا الصُّبْحَ أَرْبَعًا

413 – Van ʿAbdullāh ibn Mālik ibn Buḥaynah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag een man die, terwijl de iqāmah voor de ṣalāh al-fajr al was begonnen, nog twee rakaʿāh verrichtte.Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) klaar was, drongen de mensen bij hem aan.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Verricht jij de ṣalāh as-subḥ vier rakaʿāh ? Verricht jij de ṣalāh as-subḥ vier rakaʿāh ?”

[Op basis van deze ḥadīth hebben sommige geleerden geconcludeerd dat, zodra de iqāmah is uitgesproken, het verrichten van de sunnah van ṣalāh aṣ-ṣubḥ niet langer is toegestaan en dat men dan onmiddellijk met de farḍ-ṣalāh dient te beginnen. Andere geleerden daarentegen, uitgaande van de sterke nadruk die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde op het verrichten van de sunnah van ṣalāh aṣ-ṣubḥ, stellen dat deze twee rakaʿāh zelfs in zeer uitzonderlijke omstandigheden niet achterwege mogen worden gelaten, zelfs niet wanneer men wordt achtervolgd door vijandelijke ruiters. Vanuit dit standpunt oordelen zij dat, zolang er geen reëel gevaar bestaat dat de farḍ wordt gemist, de sunnah ook na de iqāmah verricht mag worden, of dat men ten minste een reeds aangevangen sunnah-ṣalāh dient af te maken.

Volgens deze groep geleerden corrigeerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die metgezel om een andere reden. De sunnah van ṣalāh aṣ-ṣubḥ werd namelijk gewoonlijk thuis verricht.

Wanneer die metgezel vervolgens in de moskee opnieuw twee rakaʿāh bad, kon dit bij omstanders de indruk wekken dat ṣalāh aṣ-ṣubḥ uit vier rakaʿāh bestond, wat tot verwarring en een onjuist begrip had kunnen leiden.] (AFK)

De twee rakaʿāt taḥiyyah al-masjid is aanbevolen. Het is afkeurenswaardig om te gaan zitten zonder het te verrichten, en dat deze ṣalāh is toegestaan en aanbevolen op elk moment

استحباب تحية المسجد بركعتين وكراهة الجلوس قبل صلاتهما وأنها مشروعة في جميع الأوقات

٤١٤ - حديث أَبِي قَتَادَةَ السَّلَمِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا دَخَلَ أَحَدُكُمُ الْمَسْجِدَ فَلْيَرْكَعْ رَكْعَتَيْنِ قَبْلَ أَنْ يَجْلِسَ

414 – Van Abū Qatādah as-Salamī رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie de moskee binnengaat, laat hem dan twee rakaʿāh verrichten voordat hij gaat zitten.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geef de moskeeën hun recht.”Toen men vroeg: “Wat is het recht van de moskeeën?”Zei hij: “Twee rakaʿāh ṣalāh verrichten voordat je gaat zitten.”] (HY)

[De ṭaḥiyyatu’l-masjid, oftewel de “ṣalāh ter begroeting van de masjid”, betekent letterlijk het groeten of eer betonen aan de masjid. Hoewel dit op het eerste gezicht kan lijken op het eren van het gebouw zelf, komt het in wezen neer op het tonen van eerbied en verheerlijking aan Allah, de Werkelijke Eigenaar van alle masājid.

Hoewel de uiterlijke bewoordingen van de ḥadīth de indruk kunnen wekken dat de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh verplicht (wājib) is, blijkt uit de overlevering van Dhimām ibn Thaʿlabah (رضي الله عنه), zoals overgeleverd door al-Bukhārī, Muslim, Abū Dāwūd en an-Nasā’ī, dat alle ṣalāh buiten de vijf verplichte ṣalāwāt als vrijwillig (nāfilah / taṭawwuʿ) worden beschouwd. Op grond hiervan is de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh niet verplicht.

Volgens de Ḥanafī-geleerden is de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh aanbevolen (mustaḥab). Het minimum bestaat uit twee rakaʿāh , terwijl er geen vast maximumaantal is vastgesteld. Het verrichten van deze ṣalāh is echter afkeurenswaardig (makrūh) tijdens tijden waarin het verrichten van ṣalāh in het algemeen makrūh is, evenals wanneer de imam tijdens de Jumuʿah bezig is met de khuṭbah.

Over de vraag of de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh onmiddellijk bij het binnengaan van de masjid verricht moet worden, of dat men eerst kan gaan zitten en deze later kan verrichten, bestaat verschil van mening. Volgens de Ḥanafīen Mālikī-geleerden is het toegestaan om deze ṣalāh ook te verrichten nadat men eerst is gaan zitten, zelfs wanneer er enige tijd is verstreken sinds het betreden van de masjid. Daarnaast is het volgens hen voldoende om de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh eenmaal per dag te verrichten, ook wanneer men de masjid meerdere keren betreedt.

Ad-Dihlawī verwoordt de wijsheid (ḥikmah) achter het wettig maken van de ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh als volgt:

“De wijsheid achter het voorschrijven van deze ṣalāh is dat het, wanneer men een plaats betreedt die speciaal is bestemd voor het verrichten van ṣalāh, een gemis en een bron van spijt zou zijn om daar geen ṣalāh te verrichten. De ṭaḥiyyatu’l-masjid-ṣalāh fungeert als een zichtbare uitdrukking van de innerlijke drang en neiging tot ṣalāh, en brengt tegelijkertijd eerbied en respect tot uitdrukking voor de masjid.”] (HA)

Het is aanbevolen dat degene die van een reis terugkomt, zodra hij de masjid binnenkomt, twee rakaʿāt ṣalāh verrichtاستحباب الركعتين في المسجد لمن قدم من سفر أول قدومه

٤١٥ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كُنْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي غَزَاةٍ فَأَبْطَأَ بي جَمَلِي وَأَعْيَا، فَأَتَى عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: جَابِرٌ فَقُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: مَا شَأْنُكَ قُلْتُ: أَبْطَأَ عَلَيَّ جَمَلِي وَأَعْيَا

وَقَدِمْتُ بِالْغَدَاةِ فَجِئْنَا إِلَى الْمَسْجِدِ فَوَجَدْتُهُ عَلَى بَابِ الْمَسْجِدِ، قَالَ: الآنَ قَدِمْتَ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: فَدَعْ جَمَلَكَ وَادْخُلْ فَصَلِّ رَكْعَتَيْنِ فَدَخَلْتُ فَصَلَّيْتُ

415 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh رضي الله عنه:Ik was met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een veldtocht. Mijn kameel bleef achter en raakte uitgeput.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam langs en zei: ‘Jābir?’-‘Ja.’- ‘Wat is er aan de hand?’- ‘Mijn kameel bleef achter en is moe. Ik ben vanmorgen aangekomen en trad de moskee binnen en ik vond hem bij de ingang van de moskee.- ‘Ben je nu aangekomen?’- ‘Ja.’- ‘Laat je kameel, ga naar binnen en verricht twee rakaʿāh .’Ik ging naar binnen en verrichtte de ṣalāh.”

Het is aanbevolen om de -ṣalāh adḍuḥā te verrichten en minimaal twee rakaʿāt استحباب صلاة الضحى وأن أقلها ركعتان

٤١٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: إِنْ كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لَيَدَعُ الْعَمَلَ وَهُوَ يُحِبُّ أَنْ يَعْمَلَ بِهِ خَشْيَةَ أَنْ يَعْمَلَ بِهِ النَّاسُ فَيُفْرَضَ عَلَيْهِمْ، وَمَا سَبَّحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ سُبْحَةَ الضُّحى قطُّ، وَإِنِّي لأُسَبِّحُهَا

416 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet soms een bepaalde daad achterwege, uit vrees dat de mensen continu aan de slag zouden gaan en het vervolgens als verplicht (farḍ) over henzelf opgelegd zou worden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ḍuḥā (voormiddag-ṣalāh) nooit. Maar ik verricht de ḍuḥā zeker.

[Naast de verplichte ṣalāh verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geregeld vrijwillige (nāfilah) ṣalāh, zowel vóór als na de verplichte ṣalāh en ook op andere momenten. Hij moedigde zijn ummah bovendien aan om deze vrijwillige aanbiddingen te verrichten. Tegelijkertijd geldt dat hij, net zoals hij bepaalde vrijwillige ṣalāh consequent verrichtte, er soms ook bewust mee stopte.

Een van de vrijwillige ṣalāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) afwisselend verrichtte en soms achterwege liet, is de ṣalāh ad-ḍuḥā. De tijd voor deze ṣalāh begint ongeveer 45 tot 50 minuten na zonsopgang. Soms bleef Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de ṣalāh al-fajr in de masjid, bracht hij tijd door met de aṣḥāb en wachtte hij tot de zon volledig was opgekomen en het tijdstip van karāhah voorbij was. Zodra de zon hoger aan de hemel stond, verrichtte hij de ṣalāh ad-ḍuḥā.

Meestal verrichtte hij de ṣalāh ad-ḍuḥā in vier rakaʿāt , maar hij kon deze verlengen wanneer hij dat wilde (Muslim, Ṣalwātu’l-Musāfirīn wa Qaṣruhā, 78).

Wanneer in sommige overleveringen wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh ad-ḍuḥā niet verrichtte, dient dit dan ook begrepen te worden als: hij verrichtte deze ṣalāh niet voortdurend en zonder onderbreking.

De overlevering van ʿĀ’isha (رضي الله عنها), waarin zij verklaart dat hij de ṣalāh ad-ḍuḥā verrichtte, laat juist zien dat hij deze ṣalāh regelmatig uitvoerde.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was er bovendien op bedacht dat mensen vrijwillige aanbiddingen niet zouden gaan beschouwen of behandelen alsof zij verplicht waren. Daarom onderbrak hij soms bepaalde vrijwillige ṣalāh, ondanks zijn liefde ervoor, en verrichtte hij deze soms alleen en zonder daar ruchtbaarheid aan te geven. Een ander bekend voorbeeld van deze handelwijze is de ṣalāh at-tarāwīḥ.] (Diyanet)

٤١٧ - حديث أُمِّ هَانِيءٍ عَنِ ابْنِ أَبِي لَيْلَى، قَالَ: مَا أَنْبَأَنَا أَحَدٌ أَنَّهُ رَأَى النَّبِيَّ ﷺ صَلَّى الضُّحى غَيْرُ أُمِّ هَانِيءٍ ذَكَرَتْ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ يَوْمَ فَتْحِ مَكَّةَ اغْتَسَلَ فِي بَيْتِهَا، فَصَلَّى ثَمَانِ رَكَعَاتٍ، فَمَا رَأَيْتُهُ صَلَّى صلاةً أَخَفَّ مِنْهَا غَيْرَ أَنَّهُ يُتِمُّ الرُّكُوعَ وَالسُّجُودَ417 – Van Umm Hānī via Ibn Abī Laylā رضي الله عنهما:Niemand heeft ons verteld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh ad-ḍuḥā heeft zien verrichten behalve Umm Hānī, die zei dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de inname van Makkah (naar het huis van de dochter van zijn oom, Umm Hānī, ging) de ghusl verrichtte en vervolgens acht rakaʿāt ṣalāh verrichtte. Ik heb hem geen lichtere ṣalāh zien verrichten behalve dat hij de rukūʿ en de sujūd volledig maakte.”

٤١٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: أَوْصَانِي خَلِيلِي بِثَلاَثٍ، لاَ أَدَعُهُنَّ حَتَّى أَمُوتَ: صَوْمِ ثَلاَثَةِ أَيَّامِ مِنْ كُلِّ شَهْرٍ، وَصَلاَةِ الضُّحى، وَنَوْمٍ عَلَى وِتْرٍ418 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Mijn beste vriend (Rasûlullāh) gaf mij drie opdrachten die ik zal volhouden tot mijn dood: de vasten in de drie (middelste) dagen van elke maand, de ṣalāh adḍuḥā, en slapen na ṣalāh al-witr.”

De twee rakaʿāt sunnah vóór de ṣalāh (farḍ) van de ochtend is aanbevolen en de aansporing daartoe

استحباب ركعتي سنة الفجر والحث عليهما

٤١٩ - حديث حَفْصَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ، إِذَا اعْتَكَفَ الْمُؤَذِّنُ لِلصُّبْحِ، وَبَدَا الصُّبْحُ، صَلَّى رَكْعَتَيْنِ خَفِيفَتَيْنِ قَبْلَ أَنْ تُقَامَ الصَّلاَةُ

419 – Van Ḥafṣah رضي الله عنها:Als de muʾaḏḏhin de ochtend (ṣalāh) aankondigde en het ochtendgloren verscheen, verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) twee lichte rakaʿāh (nafilah) ṣalāh vóór de iqāmah.

٤٢٠ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّهَا قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي رَكْعَتَيْنِ خَفِيفَتَيْنِ بَيْنَ النِّدَاءِ وَالإِقَامَةِ مِنْ صَلاَةِ الصُّبْحِ420 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte twee lichte rakaʿāh ṣalāh tussen de oproep (aḏān ) en de iqāmah van de ṣalāh al-fajr.

٤٢١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُخَفِّفُ الرَّكْعَتَيْنِ اللَّتَيْنِ قَبْلَ صَلاَةِ الصُّبْحِ، حَتَّى إِنِّي لأَقُولُ هَلْ قَرَأَ بِأُمِّ الْكِتَابِ421 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de twee rakaʿāh vóór de ṣalāh al-fajr zozeer dat ik me afvroeg of hij wel uit de Moeder van het Boek (sûrah al Fātihah) reciteerde.

٤٢٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمْ يَكُنِ النَّبِيُّ ﷺ عَلَى شَيْءٍ مِنَ النَّوَافِلِ أَشَدَّ مِنْهُ تَعَاهُدًا عَلَى رَكْعَتَيِ الْفَجْرِ422 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was in geen enkele vrijwillige ṣalāh toegewijder dan in de twee rakaʿāh ṣalāh van fajr.”

De deugd en het aantal van de sunnah-ṣalāh die vóór en na de verplichte ṣalāh worden verricht

فضل السنن الراتبة قبل الفرائض وبعدهن وبيان عددهن

٤٢٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ قَالَ: صَلَّيْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ سَجْدَتَيْنِ قَبْلَ الظُّهْرِ، وَسَجْدَتَيْنِ بَعْدَ الظُّهْرِ، وَسَجْدَتَيْنِ بَعْدَ الْمَغْرِبِ، وَسَجْدَتَيْنِ بَعْدَ الْعِشَاءِ، وَسَجْدَتَيْنِ بَعْدَ الْجُمُعَةِ؛ فَأَمَّا الْمَغْرِبُ وَالْعِشَاءُ، فَفِي بَيْتِهِ

423 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:Ik heb samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) twee sajdah (rakaʿāh ) vóór ẓuhr verricht, twee sajdah (rakaʿāh ) na ẓuhr, twee sajdah (rakaʿāh ) na maghrib, twee sajdah (rakaʿāh ) na ʿishāʾ en twee sajdah (rakaʿāh ) na al-jumuʿah; maar (de twee rakaʿāh ) na maghrib en ʿishāʾ verrichtte hij thuis.”

Het verrichten van vrijwillige ṣalāh staand of zittend, en dat een deel van één rakaʿāh staand en een deel ervan zittend verricht kan worden

جواز النافلة قائما وقاعدا وفعل بعض الركعة قائما وبعضها قاعدا

٤٢٤ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: مَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقْرَأُ فِي شَيْءٍ مِنْ صَلاَةِ اللَّيْلِ جَالِسًا، حَتَّى إِذَا كَبِرَ قَرَأَ جَالِسًا، فَإِذَا بَقِيَ عَلَيْهِ مِنَ السُّورَةِ ثَلاَثُونَ أَوْ أَرْبَعُونَ آيَةً، قَامَ فَقَرَأَهُنَّ ثُمَّ رَكَعَ

424 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit zittend de nacht-ṣalāh zien verrichten totdat hij oud werd, toen verrichtte hij zittend. (Wanneer hij de ṣalāh zittend verrichtte), stond hij op zodra er nog dertig of veertig āyat resteerden tot de rukūʿ, en vervolgde zijn rakaʿāh staand.

٤٢٥ - حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، أَنَّ رَسولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُصَلِّي جَالِسًا، فَيَقْرأُ وَهُوَ جَالِسٌ، فَإِذَا بَقِيَ مِنْ قِرَاءَتِهِ نَحْوٌ مِنْ ثَلاَثِينَ أَوْ أَرْبَعِينَ آيَةً قَامَ فَقَرَأَهَا، وَهْوَ قَائمٌ، ثُمَّ رَكَعَ ثُمَّ سَجَدَ، يَفْعَلُ فِي الرَّكْعَةِ الثَّانِيَةِ مِثْلَ ذلِكَ، فَإِذَا قَضَى صَلاَتَهُ نَظَرَ، فَإِنْ كُنْتُ يَقْظَى تَحَدَّثَ مَعِي، وَإِنْ كُنْتُ نَائمَةً اضْطَجَعَ425 – Van ʿĀishah Ummu’l Muʾminīn رضي الله عنها:

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte zittend ṣalāh en reciteerde (de Qur’ān) zittend. Als er nog ongeveer dertig of veertig āyāt over waren van zijn recitatie, stond hij op en reciteerde staand, daarna verrichtte hij rukūʿen sajdah.

Hij deed hetzelfde in de tweede rakaʿāh . Als hij zijn ṣalāh beëindigde, keek hij om zich heen; als ik wakker was sprak hij met mij, en als ik sliep ging hij op het bed liggen.”

De nacht ṣalāh, het aantal rakaʿāt ervan die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte, de witr-ṣalāh en dat één rakaʿāh ṣalāh geldig is

صلاة الليل وعدد ركعات النبي ﷺ في الليل وأن الوتر ركعة، وأن الركعة صلاة صحيحة

٤٢٦ - حديث عَائِشَةَ عَنْ أَبِي سَلَمَةَ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمنِ، أَنَّهُ سَأَلَ عَائِشَةَ، كيْفَ كَانَتْ صَلاَةُ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي رَمَضَانَ فَقَالَتْ: مَا كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَزِي فِي رَمَضَانَ وَلاَ فِي غَيْرِهِ عَلَى إِحْدَى عَشْرَةَ رَكْعَةً، يُصَلِّي أَرْبَعًا فَلاَ تَسَلْ عَنْ حُسْنِهِنَّ وَطُولِهِنَّ، ثُمَّ يُصَلِّي أَرْبَعًا فَلاَ تَسَلْ عَنْ حُسْنِهِنَّ وَطُولِهِنَّ، ثُمَّ يُصَلِّي ثَلاَثًا قَالَتْ عَائِشَةُ: فَقُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ أَتَنَامُ قَبْلَ أَنْ تُوتِرَ فَقَالَ: يَا عَائِشَةُ إِنَّ عَيْنَيَّ تَنَامَانِ وَلاَ يَنَامُ قَلْبِي

426 – Van ʿĀishah via Abū Salamah ibn ʿAbd al-Raḥmān رضي الله عنهما:Hij vroeg aan ʿĀishah hoe de (nacht)ṣalāh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was in de maand Ramadān. Zij zei: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte in Ramadān noch in andere maanden meer dan elf rakaʿāt ṣalāh. Hij verrichtte vier rakaʿāt (ṣalāh), vraag niet naar zijn schoonheid en lengte, daarna vier rakaʿāt (ṣalāh), vraag niet naar zijn schoonheid en lengte, daarna drie rakaʿāt (ṣalāh). Ik zei: “O Rasûlullāh , slaap je voordat je de witr verricht”? Hij zei: “O ʿĀishah, mijn ogen slapen wel, maar mijn hart niet.”

٤٢٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي مِنَ اللَّيْلِ ثَلاَثَ عَشْرَةَ رَكْعَةً؛ مِنْهَا الْوِتْرُ، وَرَكْعَتَا الْفَجْرِ427 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte ’s nachts dertien rakaʿāt (ṣalwāt), inclusief de witr en de twee rakaʿāt van ṣalāh al-fajr.

٤٢٨ - حديث عَائِشَةَ عَنِ الأَسْوَدِ، قَالَ: سَأَلْتُ عَائِشَةَ، كَيْفَ كَانَ صَلاَةُ النَّبِيِّ ﷺ بِاللَّيْلِ قَالَتْ: كَانَ يَنَامُ أَوَّلَهُ، وَيَقُومُ آخِرَهُ، فَيُصَلِّي ثُمَّ يَرْجِعُ إِلَى فِرَاشِهِ، فَإِذَا أَذَّنَ الْمُؤَذِّنُ وَثَبَ فَإِنْ كَانَ بِهِ حَاجَةٌ اغْتَسَلَ، وَإِلاَّ تَوَضَّأَ وَخَرَجَ428 – Van ʿĀishah via Aswad رضي الله عنهما:Ik vroeg ʿĀishah hoe de nachtelijke ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Zij zei: ‘Hij sliep in het begin van de nacht en stond op aan het einde van de nacht, verrichtte zijn ṣalāh en keerde terug naar zijn bed. Als de muʾaḏḏhin de oproep (tot de ṣalāh al-fajr) deed en het was tijd, dan stond hij op.

Als hij zich moest wassen (ghusl), deed hij dat, anders nam hij wudû` en ging hij naar (de moskee).

٤٢٩ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مَسْرُوقٍ، قَالَ: سَأَلْتُ عَائِشَةَ، أَيُّ الْعَمَلِ كَانَ أَحَبَّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ قَالَتِ: الدَّائمُ، قُلْتُ: مَتَى كَانَ يَقُومُ قَالَتْ: كَانَ يَقُومُ إِذَا سَمِعَ الصَّارِخَ429 – Van ʿĀishah via Masrūq رضي الله عنهما:Ik vroeg aanʿĀ’ishah: “Wat was de meest geliefde daad van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)?” - “Daad dat voortdurende/blijvend is.”- “Wanneer stond hij op (voor de nachtelijke-ṣalāh: ṣalāh al-layl)?”- “Hij stond op zodra hij het geluid van de kraaiende (haan) hoorde.”

٤٣٠ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: مَا أَلْفَاهُ عِنْدِي إِلاَّ نَائمًا تَعْنِي النَّبِيَّ ﷺ430 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:De sahar (het laatste deel van de nacht, vlak vóór het aanbreken van de dageraad) trof ik hem

bij mij alleen maar slapend aan,” Hiermee doelde zij op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

٤٣١ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: كُلَّ اللَّيْلِ أَوْتَرَ رسُولُ اللهِ ﷺ، وانْتَهى وِتْرُهُ إِلَى السَّحَرِ431 – Van ʿĀishah رضي الله عنها:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh al-witr gedurende elk moment van de nacht (aan het begin, in het midden en aan het einde ervan) (beginnend na de ṣalāh al `ishā’).De laatste tijd voor de ṣalāh al-witr is de sahar (het laatste deel van de nacht, vlak vóór het aanbreken van de dageraad).

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) placht in de beginperiode na de ṣalāh al-ʿishāʾ en de bijbehorende laatste sunnah eerst een deel van de nacht te slapen. Vervolgens stond hij in het tweede deel van de nacht op om, samen met de ṣalāh al-witr, een aantal rakaʿāt te verrichten dat, afhankelijk van de omstandigheden, varieerde tussen zeven en dertien rakaʿāt.

Alle ṣalwāt die ’s nachts worden verricht, ongeacht of zij verplicht (farḍ) of vrijwillig (nāfilah) zijn, worden in algemene zin ṣalwātu’l-layl genoemd. In fiqh-termen verwijst ṣalwātu’l-layl echter voornamelijk naar de ṣalāh at-tahajjud en de ṣalāh al-witr. Hoewel de ṣalāh al-maghrib en de ṣalāh al-ʿishāʾ eveneens in de nacht plaatsvinden, worden zij niet tot ṣalwātu’l-layl gerekend. Dit komt doordat alleen de ṣalāh die na de ṣalāh al-ʿishāʾ wordt verricht, hetzij zonder vooraf te slapen, hetzij na een korte slaap, als ṣalwātu’l-layl wordt aangemerkt. Het verrichten hiervan is aanbevolen (mandūb).

De ṣalāh at-tahajjud is de ṣalāh die wordt verricht nadat men een gedeelte van de nacht heeft geslapen. Deze ṣalāh was verplicht voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Over de wijze waarop hij deze verrichtte, bestond verschil van mening tussen de imāms van de verschillende madhāhib. Dit meningsverschil betreft uitsluitend de uitvoering, aangezien er consensus (ijmāʿ) bestaat dat de ṣalāh at-tahajjud niet verplicht is voor de ummah. Ook met betrekking tot de ṣalāh al-witr bestaat zowel verschil van mening over de wijze van verrichten als over de juridische status ervan.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh at-tahajjud op uiteenlopende tijdstippen en op verschillende manieren. Zowel het aantal rakaʿāt als de wijze van uitvoering varieerden, afhankelijk van zijn lichamelijke en geestelijke toestand. Vaststaat echter dat hij deze ṣalāh nooit structureel verzuimde. Wanneer hij haar om een bepaalde reden niet kon verrichten, bad hij, zoals vermeld in een overlevering van at-At-Tirmidzī, overdag twaalf rakaʿāt ter compensatie.

In de praktijk verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), afhankelijk van de omstandigheden, soms zeven, soms negen en soms dertien rakaʿāt, waarbij deze aantallen de twee rakaʿāt sunnah vóór de ṣalāh al-fajr meerekenen.

De dertien rakaʿāt worden als volgt verklaard:

Negen rakaʿāt, inclusief de witr;

Twee rakaʿāt die hij na de witr zittend verrichtte;

Twee rakaʿāt tussen de aḏān en de iqāmah van de ṣalāh al-fajr.

Hoewel sommige overleveringen als bewijs worden aangevoerd voor de opvatting dat de ṣalāh al-witr uit één rakaʿah bestaat, vermeldt geen enkele overlevering expliciet dat de witr als een op zichzelf staande, afzonderlijke rakaʿah is bedoeld. De opvatting dat witr slechts één rakaʿah is, berust dan ook op ijtihād.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte aanvankelijk ’s nachts, inclusief de witr en de twee rakaʿāt die hij daarna zittend bad, in totaal dertien rakaʿāt. Later liet hij twee rakaʿāt weg en verrichtte hij, inclusief de twee zittende rakaʿāt na de witr, in totaal elf rakaʿāt. Naarmate hij ouder werd, verminderde hij dit verder tot negen rakaʿāt, inclusief de twee rakaʿāt die hij na de witr zittend verrichtte. Hij bleef deze negen rakaʿāt verrichten tot aan zijn overlijden.

De genoemde aantallen omvatten niet de twee rakaʿāt sunnah vóór de ṣalāh al-fajr, aangezien an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze nooit heeft nagelaten.

Wat betreft het feit dat de slaap van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn wuḍūʾ niet verbrak: dit was een bijzondere eigenschap die uitsluitend aan hem was verleend.] (HA)

De nacht ṣalāh worden twee rakaʿāt bij twee rakaʿāt verricht, en de witr oneven rakaʿāh aan het eind van de nachtصلاة الليل مثنى مثنى والوتر ركعة من آخر الليل

٤٣٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَجُلًا سَأَلَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنْ صَلاَةِ اللَّيْلِ؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: صَلاَةُ اللَّيْلِ مَثْنَى مثنى، فَإِذَا خَشِيَ أَحَدُكُمُ الصُّبْحَ، صَلَّى رَكْعَةً وَاحِدَةً تُوتِرُ لَهُ مَا قَدْ صَلَّى

432 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:Iemand vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de nachtelijke ṣalāh (ṣalāh al-layl). Hij zei: ‘De nachtelijke ṣalāh is twee bij twee (tweemaal twee rakaʿāt ). Wanneer iemand vreest dat de ochtend nadert, verricht dan één rakaʿāh (ṣalāh) om je ṣalāh al-witr te voltooien.’

٤٣٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: اجْعَلُوا آخِرَ صَلاَتِكُمْ بِاللَّيْلِ وِتْرًا

433 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:” Laat je laatste van je nachtelijke ṣalāh, witr zijn.”

De aansporing tot ḏikr en duʿāʾ aan het eind van de nacht en dat dit een tijd is waarin die verhoord wordt

الترغيب في الدعاء والذكر في آخر الليل والإجابة فيه

٤٣٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: يَنْزِلُ رَبُّنَا ﵎ كلَّ لَيْلَةٍ إِلَى السَّمَاءِ الدُّنْيَا، حِينَ يَبْقَى ثُلُثُ اللَّيْلِ الآخِرِ، يَقولُ مَنْ يَدْعُونِي فَأَسْتَجِيبَ لَهُ، مَنْ يَسْأَلُنِي فَأُعْطِيَهُ، مَنْ يَسْتَغْفِرُنِي فَأَغْفِرَ لَهُ

434 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onze Rab, تَبَارَكَ وَ تعالى (Gezegend en Verheven is Hij), daalt (werpt een blik) elke laatste derde deel van de nacht, neer naar de wereldse hemel (as-Samā-i ad-Dunyā) en zegt: ‘Wie Mij du`a’(smeekbede) verricht, Ik verhoor hem; wie iets van Mij vraagt, Ik geef hem; wie Mij om vergiffenis vraagt, Ik vergeef hem.’

[De overlevering die bekendstaat als de “ḥadīth an-nuzūl” is overgeleverd door ongeveer twintig metgezellen. Tussen de overleveringen van deze ḥadīth bestaan enkele verschillen. In sommige overleveringen staat: “Hij daalt neer wanneer het eerste derde deel van de nacht voorbij is,” in andere: “wanneer de helft of tweederde van de nacht voorbij is,” en weer in andere: “op het midden van de nacht of in het laatste derde deel van de nacht.”

An-Nawawī zegt over deze ḥadīth het volgende:

“Deze behoort tot de ḥadīth as-ṣifāt (d.w.z. tot de aḥadīth die te maken hebben met de eigenschappen van Allah, oftewel ḥadīth al-mutashābih). Hierover zijn twee meningen onder de geleerden:

De eerste mening, gevolgd door de meerderheid van de salaf en sommige kalam-geleerden, is dat zij geloven dat deze woorden niet letterlijk de eigenschappen van schepselen zoals beweging of overplaatsing aanduiden. Men gelooft dat dit Allahu تَعَالَى toekomt op een manier die Hem waardig is en dat de uiterlijke (ẓāhir) betekenis zoals die ons bekend is, niet bedoeld is. Zij spreken niet over de interpretatie (taʾwīl) van deze woorden.

De tweede mening, gevolgd door vele kalam-geleerden en enkele groepen van de salaf, is dat dergelijke uitdrukkingen, afhankelijk van de context, op een manier geïnterpreteerd moeten worden die past en waardig is voor Allah. Binnen deze benadering zijn er twee manieren om deze ḥadīth te interpreteren:De eerste, gevolgd door Mālik ibn Anas en anderen, interpreteert de ḥadīth als: “De barmhartigheid van Allah, Zijn bevel of Zijn engelen dalen neer.” Net zoals men zegt over de uitvoering van een bevel van een heerser: “De sultan deed zus en zo.”

De tweede manier is door middel van figuurlijke taal. De betekenis hiervan is dat Allah in deze tijd op Zijn dienaren neerkijkt met genade, acceptatie van gebeden en gunst. Allah is de Enige die het volledig weet.

Een deel van de rechtgeleide salaf accepteerde dergelijke ḥadīth al-mutashābih en āyāt zoals ze zijn, maar legde uit dat woorden als “hand,” “gezicht” of “neerdalen” niet op dezelfde wijze moeten worden begrepen als bij schepselen. Het gaat om een werkelijkheid waarvan alleen Allah kennis heeft. Op deze manier vermijden zij elke vergelijking van Allah met Zijn schepselen en onthouden zich van het toekennen van fysieke eigenschappen of kwantiteiten aan Hem.

Volgens de latere geleerden (muta’akhkhirīn) is het toegestaan sommige ḥadīth al-mutashābih en āyāt te interpreteren op een manier die past bij de algemene principes van de Islām, het verstand, de grammatica van de Arabische taal en waardig is voor Allah. Bij het volgen van deze methode wijken deze geleerden geenszins af van de weg van de salaf, maar de omstandigheden van hun tijd maakten deze uitleg noodzakelijk. De metgezellen hadden dankzij hun nabijheid tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weinig tot geen twijfels over dit soort zaken. Met de tijd en de opkomst van verschillende madhāhib veranderde de situatie volledig, waardoor het noodzakelijk werd om de teksten op een manier te interpreteren die passend, intellectueel bevredigend en beschermend was voor de gelovigen tegen schadelijke invloeden. Sommigen van hen zeiden zelfs: “Als wij in de omstandigheden van de rechtgeleide salaf hadden geleefd, zouden wij ons nooit met deze kwesties hebben bemoeid.” (Nawawī, Sharh Ṣaḥīḥ Muslim)

De latere geleerden (muta’akhkhirīn) hebben zich onthouden van te zeggen dat hun interpretatie (taʾwīl) van de ḥadīth an-nuzūl de enige en meest correcte is, en ze zeiden:

“De meest juiste betekenis van deze woorden is alleen bij Allah bekend.”

Het wordt overgeleverd dat Imām Mālik de term “Nuzūl” op twee manieren interpreteerde:

Het betekent dat Allah’s bevel, Zijn barmhartigheid of Zijn engelen neerdalen;

Het betekent dat Allah de smeekbede van degene die smeekt aanvaardt, en hem met genade en barmhartigheid behandelt.

Sommige geleerden, zoals Imām al-Qurtubī (671/1273), merkten op dat het werkwoord “yunazzilu” een overgankelijk werkwoord (muta‘addī) is. Zij voegden daarom een lijdend voorwerp toe en interpreteerden de zin als: “Allah zendt een engel neer.” Als bewijs verwees al-Qurtubī naar een overlevering in an-Nasā’ī (303/915): “Vervolgens beveelt (Allah) een munāḏī: Is er niemand die smeekt?”

Anderen merkten op dat in sommige overleveringen het werkwoord “nuzūl” verschijnt als “tanzīl” of “tanaẓẓul”, wat duidt op een geestelijk/innerlijk neerdalen. Dit betekent dat, hoewel de majesteit en glorie van Allah het niet vereisen om aandacht te schenken aan de zwakken en armen, Allah toch uit genade hun toestand met barmhartigheid bekijkt.

Volgens al-Aynī (855/1451) is het woord “nuzūl” een gemeenschappelijk woord met meerdere betekenissen, zoals: openbaren, versterken, zich wenden tot, genade schenken, of het tot stand komen van een besluit. Daarom is de meest correcte manier om dit woord te interpreteren, volgens hem, dat het wordt begrepen op een wijze die passend is voor Allah, binnen de grenzen van wat over Hem gezegd mag worden.

In de ḥadīth worden de woorden “duʿāʾ (smeekbede), verzoek en istighfār (vergiffenis)” samen genoemd. Hoewel deze woorden qua betekenis zeer dicht bij elkaar liggen, trok hun gezamenlijke vermelding de aandacht van de geleerden. Zij maakten de volgende verklaring over dit onderwerp:

“Wat men verlangt kan twee doelen hebben: het afwenden van kwaad of het verkrijgen van voordeel. Het voordeel kan weer verdeeld worden in religieus of wereldlijk. In deze context wijst istighfār op het afwenden van kwaad, verzoek op het verkrijgen van wereldlijk voordeel, en duʿāʾ op het verkrijgen van religieus voordeel.”

Hierbij kan iemand wiens smeekbede niet wordt verhoord zich afvragen: “Als Allah de smeekbede van iemand die Hem ‘s nachts aanroept altijd zou verhoren, waarom is mijn smeekbede dan niet verhoord?” al-`Aynī geeft hierop het volgende antwoord: “Het niet verhoren van een smeekbede kan de volgende redenen hebben:

Een of meer van de voorwaarden voor de smeekbede werden niet nageleefd;

Er werd te overhaast gehandeld;

De smeekbede betrof een zonde of het verbreken van familiebanden (silah ar-raḥm).”] (HA)

Aansporing tot het staan (in ṣalāh) in Ramaḍān, wat tarāwīḥ genoemd wordt

الترغيب في قيام رمضان وهو التراويح

٤٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: مَنْ قَامَ رَمَضَانَ إِيمَانًا واحْتِسَابًا غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ

435 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wie in de (nachten van de) maand Ramadān opstaat om (tarāwīḥ) ṣalāh te verrichten uit geloof en hoop op beloning (van Allāh), worden zijn eerdere zonden vergeven.”

٤٣٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ خَرَجَ ذَاتَ لَيْلَةٍ مِنْ جَوْفِ اللَّيْلِ فَصَلَّى فِي الْمَسْجِدِ، فَصَلَّى رِجَالٌ بِصَلاَتِهِ، فَأَصْبَحَ النَّاسُ فَتَحَدَّثُوا، فَاجْتَمَعَ أَكْثَرُ مِنْهُمْ فَصَلَّوْا مَعَهُ، فَأَصْبَحَ النَّاسُ فَتَحَدَّثُوا، فَكَثُرَ أَهْلُ الْمَسْجِدِ مِنَ اللَّيْلَةِ الثَّالِثَةِ، فَخَرَجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَصَلَّوا بِصَلاَتِهِ، فَلَمَّا كَانَتِ اللَّيْلَةُ الرَّابِعَةُ عَجَزَ الْمَسْجِدُ عَنْ أَهْلِهِ حَتَّى خَرَجَ لِصَلاَةِ الصُّبْحِ؛ فَلَمَّا قَضَى الْفَجْرَ أَقْبَلَ عَلَى النَّاسِ فَتَشَهَّدَ ثُمَّ قَالَ: أَمَّا بَعْدُ؛ فَإِنَّهُ لَمْ يَخْفَ عَلَيَّ مَكَانُكُمْ، لكِنِّي خَشِيتُ أَنْ تُفْرَضَ عَلَيْكُمْ فَتَعْجِزُوا عَنْهَا436 – Van ʿĀʾisjah (رضي الله عنها):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begaf zich midden in de nacht naar de moskee om de ṣalāh al-layl te verrichten. Enkele mensen sloten zich bij hem aan om de ṣalāh mee te bidden. De volgende ochtend bespraken zij dit onderling, waardoor er de daaropvolgende nacht nog meer mensen bij kwamen om de ṣalāh met hem te verrichten. Op de derde nacht werd de menigte in de moskee nog groter, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam opnieuw naar buiten om de ṣalāh te leiden.

Op de vierde nacht was de moskee te klein voor alle aanwezigen. (Die nacht bleef hij daarom thuis en) kwam pas naar buiten voor het verrichten van de ṣalāh al-fajr.

Nadat hij de ṣalāh had voltooid, wendde hij zich tot de mensen, sprak de shahādah uit en zei:

“Jullie situatie is mij niet onbekend gebleven, maar ik vreesde dat (de ṣalāh al-layl) voor jullie verplicht (farḍ) zou worden, en dat jullie het dan niet zouden kunnen volhouden.”

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vermeed het bevelen van het gezamenlijk verrichten van ṣalāh at-ṭarāwīḥ in de moskee uit vrees dat dit voor de ummah als verplicht zou worden beschouwd. Daarom brachten de mensen de nachten van Ramaḍān individueel door in hun eigen huizen, in aanbidding. Ook tijdens het kalifaat van Abū Bakr bleef dit zo. Pas in de tijd van ʿUmar werd, uit wijsheid en met het oog op maslahah (het algemeen belang), begonnen met het gezamenlijk verrichten van ṣalāh at-ṭarāwīḥ in de moskee.

Wie de nachten van Ramaḍān met oprechtheid (ikhlāṣ), vrij van schijnheiligheid (riyāʾ), en uitsluitend gericht op Allah’s tevredenheid doorbrengt in aanbidding, ontvangt vergeving voor zijn eerdere zonden.

Volgens Ibn Ḥajar (852/1447) en an-Nawawī (676/1277) is het niet noodzakelijk de hele nacht in aanbidding door te brengen om een nacht van Ramaḍān volledig te benutten. Het volstaat dat men, naast de ṣalāh al-ʿIshā’, ook de ṭarāwīḥ verricht. Al-Bukhārī en as-Sāriḥ al-Kirmānī (786/1384) geven aan dat er consensus bestaat onder de geleerden dat het verrichten van de ṭarāwīḥ samen met de ṣalāh al-ʿIshā’ voldoende is om die nacht als aanvaardbaar te beschouwen.

Om echter de gehele maand Ramaḍān op een juiste manier te benutten, moeten alle nachten op deze manier worden doorgebracht. Het verrichten van `ibādah tijdens slechts enkele nachten volstaat niet om de belofte van de ḥadīth te verkrijgen.

Hoewel de letterlijke tekst van de ḥadīth spreekt over de vergeving van grote en kleine zonden voor degenen die overdag vasten en ’s nachts bidden, merken de geleerden op dat het hier feitelijk vooral gaat om kleine zonden. Zonden jegens anderen, de rechten en verplichtingen die mensen jegens elkaar hebben (ḥuqūq al-ʿibād) worden niet vergeven tenzij men verzoening zoekt met degene die men heeft benadeeld.

Daarom verklaren an-Nawawī (676/1277) en Imām al-Harameyn (478/1085) dat de ḥadīth zich uitsluitend richt op kleine zonden. Qāḍī Iyāḍ (544/1149) vermeldt dat dit de algemene opvatting van de Ahl as-Sunnah wa’l-Jama`ah is. Sommige geleerden voegen hieraan toe dat ook een deel van de grote zonden verlicht kan worden.] (HA)

Duʿāʾ tijdens de ṣalāh al-layl en tijdens het staan (in ṣalāh) daarin

الدعاء في صلاة الليل وقيامه

٤٣٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: بِتُّ عِنْدَ مَيْمُونَةَ، فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ فَأَتَى حَاجَتَهُ، غَسَلَ وَجْهَهُ وَيَدَيْهِ ثُمَّ نَامَ، ثُمَّ قَامَ فَأَتَى الْقِرْبَةَ، فَأَطْلَقَ شِنَاقَهَا، ثُمَّ تَوَضَّأَ وُضُوءًا بَيْنَ وُضُوءَيْنِ لَمْ يُكْثِرْ، وَقَدْ أَبْلَغَ، فَصَلَّى، فَقُمْتُ فَتَمَطَّيْتُ كَرَاهِيَةَ أَنْ يَرَى أَنِّي كُنْتُ أَرْقبُهُ، فَتَوَضَّأْتُ، فَقَامَ يُصَلِّي، فَقُمْتُ عَنْ يَسَارِهِ، فَأَخَذَ بِأُذُنِي فَأَدَارَنِي عَنْ يَمِينِهِ، فَتَتَامَّتْ صَلاَتُهُ ثَلاَثَ عَشْرَةَ رَكْعَةً، ثُمَّ اضْطَجَعَ فَنَامَ حَتَّى نَفَخَ، وَكَانَ إِذَا نَامَ نَفَخَ، فَآذَنَهُ بِلاَلٌ بِالصَّلاَةِ فَصَلَّى وَلَمْ يَتَوَضَّأ؛ وَكَانَ يَقُولُ فِي دُعَائِهِ: اللهُمَّ اجْعَلْ فِي قَلْبِي نُورًا، وَفِي بَصَرِي نُورًا، وَفِي سَمْعِي نُورًا، وَعَنْ يَمِينِي نُورًا، وَعَنْ يَسَارِي نُورًا، وَفَوْقِي نُورًا، وَتَحْتِي نُورًا، وَأَمَامِي نُورًا، وَاجْعَلْ لِي نُورًا

قَالَ كُرَيْبٌ (الرَّاوِي عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ) وَسَبْعٌ فِي التَّابُوتِ، فَلَقَيْتُ رَجُلًا مِنْ وَلَدِ الْعَبَّاسِ فَحَدَّثَنِي بِهِنَّ فَذَكَرَ عَصَبِي وَلَحْمِي وَدَمِي وَشَعَرِي وَبَشَرِي، وَذَكَرَ خَصْلَتَيْنِ

437 – Van Ibn ʿAbbās رضي الله عنهما:Ik overnachtte bij (mijn tante) Maymūnah. Toen stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op, ging naar buiten voor zijn behoefte, waste zijn gezicht en handen, en ging daarna weer slapen. Vervolgens stond hij weer op, ging naar de waterskin, opende de knoop en verrichtte een wassing die tussen twee wassingen in zat: niet te uitvoerig (hij waste zijn lichaamsdelen elk één keer) maar wel volledig. Vervolgens verrichtte hij ṣalāh.

Ik stond ook op, strekte mij uit (om te doen alsof ik sliep), omdat ik niet wilde dat hij zou merken dat ik hem in de gaten hield. Daarna verrichtte ik wudûʾ en begon ṣalāh met hem te verrichten. Ik stond aan zijn linkerzijde, maar hij pakte mijn oor en leidde mij naar zijn rechterzijde. Hij voltooide ṣalāh met dertien rakaʿāt. Daarna ging hij liggen slapen tot hij hoorbaar ademhaalde (snurkte), want wanneer hij (in diepe) slaap was, snurkte hij.

Bilāl kwam om hem te mededelen dat de tijd voor de ṣalāh (al-fajr) was aangebroken, waarna hij de (nafilah/sunnah van al fajr) ṣalāh verrichtte zonder opnieuw wudûʾ te doen. En in zijn smeekbede zei hij:

“O Allāh, maak licht in mijn hart, licht in mijn zicht, licht in mijn gehoor, licht aan mijn rechterkant, licht aan mijn linkerkant, licht boven mij, licht onder mij, licht vóór mij, en maak licht voor mij.”

Kurayb, de overleveraar van Ibn ʿAbbās zei: “Zeven andere (delen) noemde hij nog in de smeekbede.” Ik kwam iemand van de nakomelingen van al-ʿAbbās tegen die me deze zeven (lichaamsdelen) overleverde: hij noemde (O Allāh verlicht mij in:) mijn zenuwen, mijn vlees, mijn bloed, mijn haar, mijn huid, en voegde nog twee eigenschappen toe.

[Het is toegestaan dat iemand zijn hand gebruikt tijdens de ṣalāh vanwege een situatie die een ander betreft.

Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de slaap snurkend opstond en zonder opnieuw wudûʾ te verrichten zijn ṣalāh verrichtte, laat zien dat slaap op zichzelf de wudûʾ niet ongeldig maakt, hoewel er een mogelijkheid bestaat dat deze verbroken wordt. Zijn ogen sliepen, maar zijn hart bleef waakzaam. Als zijn wudûʾ verbroken zou zijn geweest, zou hij dat hebben geweten. Daarom verrichtte hij soms wudûʾ na het ontwaken, en soms ook niet.

Hieruit blijkt dat wanneer iemand de ṣalāh in gemeenschap verricht, hij zich rechts van de imām plaatst om de ṣalāh mee te verrichten. Als we kijken naar de ṣalāh al-layl van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zien we dat hij dertien rakaʿāt verrichtte, inclusief de twee sunnah-rakaʿāt van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ.] (HY)

٤٣٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسِ، أَنَّهُ بَاتَ لَيْلَةً عِنْدَ مَيْمُونَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ وَهِيَ خَالَتَهُ، فَاضْطَجَعْتُ فِي عَرْضِ الْوِسَادَةِ، وَاضْطَجَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَهْلُهُ فِي طُولِهَا، فَنَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حَتَّى إِذَا انْتَصَفَ اللَّيْلُ أَوْ قَبْلَهُ بِقَلِيلٍ أَوْ بَعْدَهُ بِقَلِيلٍ، اسْتَيْقَظَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَجَلَسَ يَمْسَحُ النَّوْمَ عَنْ وَجْهِهِ بِيَدِهِ، ثُمَّ قَرَأَ الْعَشْرَ الآيَاتِ الْخَواتِمَ مِنْ سُورَةِ آلِ عِمْرَانَ، ثُمَّ قَامَ إِلَى شَنٍّ مُعَلَّقَةٍ فَتَوَضَّأَ مِنْهَا فَأَحْسَنَ وُضُوءَهُ، ثُمَّ قَامَ يُصَلِّي قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: فَقُمْتُ فَصَنَعْتُ مِثْلَ مَا صَنَعَ، ثُمَّ ذَهَبْتُ فَقُمْتُ إِلَى جَنْبِهِ فَوَضَعَ يَدَهُ الْيُمْنَى عَلَى رَأْسِي وَأَخَذَ بِأُذُنِي الْيُمْنَى يَفْتِلُهَا؛ فَصَلَّى رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ رَكْعَتَيْنِ ثُمَّ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ أَوْتَرَ؛ ثُمَّ اضْطَجَعَ حَتَّى أَتَاهُ الْمُؤذِّنُ فَقَامَ فَصَلَّى رَكْعَتَيْنِ خَفِيفَتَيْنِ، ثُمَّ خَرَجَ فَصَلَّى الصُّبْحَ438 – Van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Op een nacht verbleef hij bij Maymūnah, de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die tevens zijn tante was.

Hij vertelde: “Ik lag dwars over het kussen, terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn vrouw in de lengte ervan lagen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sliep. Midden in de nacht, of iets daarvoor of daarna, werd hij wakker, wreef de slaap van zijn gezicht met zijn hand, reciteerde de laatste tien verzen van sûrah Āl ʿImrān, stond op en ging naar een opgehangen waterskin om wudûʾ te verrichten, wat hij met grote perfectie deed.

Daarna begon hij ṣalāh te verrichten. Hij zei: “Ik stond op en volgde zijn voorbeeld, en ging naast hem staan. Hij legde zijn rechterhand op mijn hoofd, pakte mijn rechteroor en draaide eraan. Vervolgens verrichtte hij twee rakaʿāt, daarna opnieuw twee, en zo herhaalde hij dit nog enkele keren, totdat hij afsloot met één rakaʿah voor de (witr). Daarna ging hij liggen totdat de muʾaḏḏhin kwam. Toen stond hij op, verrichtte twee lichte rakaʿāt (sunnah van de ṣalāh al-fajr) en ging naar buiten om de ṣalāh as-subḥ te bidden.”

٤٣٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: كَانَتْ صَلاَةُ النَّبِيِّ ﷺ ثَلاَثَ عَشْرَةَ رَكْعَةً، يَعْنِي بِاللَّيْلِ

439 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنه):De ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bestond uit dertien rakaʿāt, dit betreft de ṣalāh al-layl.”

٤٤٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ إِذَا تَهَجَّدَ مِنَ اللَّيْلِ قَالَ: اللهُمَّ لَكَ الْحَمْدُ أَنْتَ نُورُ السَّمَواتِ وَالأَرْضِ، وَلَكَ الْحَمْدُ أَنْتَ قَيِّمُ السَّمَواتِ وَالأَرْضِ، وَلَكَ الْحَمْدُ أَنْتَ رَبُّ السَّمَواتِ وَالأَرْضِ وَمَنْ فِيهِنَّ أَنْتَ الْحَقُّ، وَوَعْدُكَ الْحَقُّ، وَقَوْلُكَ الْحَقُّ، وَلِقَاؤكَ حَقٌّ، وَالْجَنَّةُ حَقٌّ، وَالنَّارُ حَقٌّ، وَالنَّبِيُّونَ حَقٌّ وَالسَّاعَةُ حَقٌّ؛ اللهُمَّ لَكَ أَسْلَمْتُ، وَبِكَ آمَنْتُ، وَعَلَيْكَ تَوَكَّلْتُ، وَإِلَيْكَ أَنَبْتُ، وَبِكَ خَاصَمْتُ، وَإِلَيْكَ حَاكَمْتُ، فَاغْفِرْلي مَا قَدَّمْتُ وَمَا أَخَّرْتُ، وَمَا أَسْرَرْتُ وَمَا أَعْلَنْتُ أَنْتَ إِلهِي لاَ إِلهَ إِلاَّ أَنْتَ440 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنه):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) opstond voor tahajjud in de nacht, verrichtte hij de volgende du`ā’:

‘O Allāh, aan U komt alle lof toe. U bent het Licht van de hemelen en de aarde. Aan U komt alle lof toe; U bent de Onderhouder van de hemelen en de aarde. Aan U komt alle lof toe; U bent de Rab van de hemelen en de aarde en van wie zich daarin bevinden.U bent de Waarheid.

Uw belofte is de waarheid. Uw woord is de waarheid. De ontmoeting met U is waarheid. Het Paradijs is waarheid. Het Vuur is waarheid. De profeten zijn waarheid. Het Uur is waarheid.O Allāh, aan U heb ik mij overgegeven, in U heb ik geloofd, op U heb ik mijn vertrouwen gesteld, tot U heb ik mij gekeerd, met de kracht die U hebt gegeven, strijd ik, en ik wend mij tot het oordeel dat U hebt gegeven.

Vergeef mij wat ik eerder heb gedaan en wat ik nog zal doen, wat ik in het geheim heb gedaan en wat ik in het openbaar heb gedaan. U bent mijn God, er is geen godheid behalve U.’

Het is aanbevolen om de recitatie tijdens de nacht ṣalāh lang te maken

استحباب تطويل القراءة في صلاة الليل

٤٤١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: صَلَّيْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ لَيْلَةً فَلَمْ يَزَلْ قَائمًا حَتَّى هَمَمْتُ بِأَمْرِ سَوْءٍ؛ قِيلَ لَهُ: وَمَا هَمَمْتَ قَالَ: هَمَمْت أَنْ أَقْعُدَ وَأَذَرَ النَّبِيَّ ﷺ

441 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):Ik verrichtte op een nacht de ṣalāh (al-layl) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij bleef (zo lang) staan (in qiyām) totdat ik bijna iets slechts wilde doen.”Er werd aan hem gevraagd: “Wat wilde je doen?” Hij zei: “Ik overwoog om te gaan zitten en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (in qiyām) achter te laten.”

De overleveringen betreffende degene die de hele nacht tot aan de ochtend slaapt

ما روي فيمن نام الليل أجمع حتى أصبح

٤٤٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: ذُكِرَ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ رَجُلٌ نَامَ لَيْلَهُ حَتَّى أَصْبَحَ، قَالَ: ذَاكَ رَجُلٌ بَالَ الشَّيْطَانُ فِي أُذُنَيْهِ أَوْ قَالَ: فِي أُذُنِهِ

442 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):Bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd iemand genoemd die de nacht doorsliep tot het ochtend werd. Toen zei hij: ‘Dat is iemand in wiens oren de shayṭān heeft geplast’ of hij zei: ‘in zijn oor.’

[De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over iemand die niet opstaat voor de ṣalāh al-ʿIshā’ of de ṣalāh aṣ-Ṣubḥ: “De shayṭān heeft in zijn oren/oor geplast”, kan worden opgevat als een beeldspraak.

Volgens deze uitleg betekent het dat zo iemand onder invloed staat van de shayṭān, zich door hem heeft laten misleiden en zich volledig aan zijn invloed heeft overgegeven. De uitdrukking “plassen in zijn oren/oor” beeldt uit hoe de shayṭān hem minacht en bespot.

Degene die zich bezighoudt met nutteloze zaken en zich vermaakt met zinloze woorden, heeft als het ware oren die zo vervuild zijn dat hij de goddelijke woorden of het geluid van de aḏān niet kan horen. In plaats van de stem van de engel, bereikt hem vooral de stem van de shayṭān en zijn influisteringen. Het gevolg is dat hij niet op tijd wakker wordt en zijn ʿibādah niet verricht op de meest waardevolle momenten.

Er zijn echter ook geleerden die deze uitspraak – net als de ḥadīth waarin wordt gesproken over drie knopen in de nek van een slapende persoon – niet als beeldspraak zien, maar letterlijk interpreteren.] (AFK)

[In deze overlevering, die zowel kernachtig als subtiel is, wordt gesproken over iemand die de nacht doorslaapt en pas wakker wordt nadat de zon is opgekomen, waardoor hij de ṣalāh aṣ-ṣubḥ mist.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakt hierbij vaak gebruik van beeldspraak en verwijzingen naar de shayṭān om kwaad of ongewenst gedrag te illustreren. De shayṭān fungeert als een duidelijk symbool voor negatieve invloeden en zonden.

In deze ḥadīth wordt op symbolische wijze weergegeven dat luisteraars zich bewust moeten zijn van hun gedrag en zich moeten afkeren van het kwaad.

Wie bijvoorbeeld niet opstaat voor de ṣalāh aṣ-ṣubḥ en blijft slapen, wordt vergeleken met iemand bij wie de shayṭān in het oor plast: hij wordt beïnvloed, misleid en verhinderd om zijn ṣalāh te horen en te verrichten.

Het gebruik van het beeld “plast” verwijst in het Arabisch naar ifsād (verderf) en benadrukt dat het nalaten van de ṣalāh aṣ-ṣubḥ niet alleen een gemiste daad van aanbidding is, maar ook het hart en de spirituele staat van de persoon schaadt.] (Diyanet)Kon

٤٤٣ - حديث عَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ طَرَقَهُ وَفَاطِمَةَ بِنْتَ النَّبِيِّ عَلَيْهِ السَّلاَمُ لَيْلَةً، فَقَالَ: أَلاَ تُصَلِّيَانِ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَنْفُسُنَا بِيَدِ اللهِ، فَإِذَا شَاءَ أَنْ يَبْعَثَنَا بَعَثَنَا فَانْصَرَفَ حِينَ قُلْنَا ذلِكَ، وَلَمْ يَرْجِعْ إِلَيَّ شَيْئًا ثُمَّ سَمِعْتُهُ وَهُوَ مُوَلٍّ يَضْرِبُ فَخِذَهُ وَهُوَ يَقُولُ: (وَكَانَ الإِنْسَانُ أَكْثَرَ شَيْءٍ جَدَلًا)443 – Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) klopte op een nacht aan bij hem en Fāṭimah, de dochter van an-Nabī (عليه السلام), en zei: “Zullen jullie niet opstaan om ṣalāh (al fajr) te verrichten?”Ik zei: “O Rasûlullāh, onze zielen zijn in de hand van Allāh; als Hij wil, wekt Hij ons.”Toen wij dat zeiden keerde hij zich om zonder antwoord te geven. Vervolgens hoorde ik hem terwijl hij zich omkeerde en op zijn dij sloeg, het volgende reciteteren:وَلَقَدۡ صَرَّفۡنَا فِي هَٰذَا ٱلۡقُرۡءَانِ لِلنَّاسِ مِن كُلِّ مَثَلٖۚ وَكَانَ ٱلۡإِنسَٰنُ أَكۡثَرَ شَيۡءٖ جَدَلٗا ٥٤

En voorwaar, Wij hebben in deze Qur’ān alle soorten voorbeelden voor de mensheid gegeven. Maar de mens is in vele dingen zeer twistziek. (sūrah al-Kahf, 18:54)

٤٤٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: يَعْقِدُ الشَّيْطَانُ عَلَى قَافِيَةِ رَأْسِ أَحَدِكُمْ إِذَا هُوَ نَامَ ثَلاَثَ عُقَدٍ؛ يَضْرِبُ عَلَى كُلِّ عُقْدَةٍ، عَلَيْكَ لَيْلٌ طَوِيلٌ فَارْقُدْ، فَإِن اسْتَيْقَظَ فَذَكَرَ الله انْحَلَّتْ عُقْدَةٌ، فَإِنْ تَوَضَّأَ انْحَلَّتْ عُقْدَةٌ، فَإِنْ صَلَّى انْحَلَّتْ عُقْدَةٌ، فَأَصْبَحَ نَشِيطًا طَيِّبَ النَّفْسِ، وَإِلاَّ أَصْبَحَ خَبِيثَ النَّفْسِ كَسْلاَنَ444 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De shayṭān legt drie knopen in de nek van een van jullie wanneer hij slaapt. Bij elke knoop zegt hij: ‘De nacht is nog lang, slaap maar door.’Wanneer hij dan wakker wordt en Allāh gedenkt, wordt één knoop ontbonden. Als hij wudûʾ verricht, wordt een tweede knoop losgemaakt. En als hij dan ṣalāh verricht, wordt ook de derde knoop ontbonden.Dan begint hij de dag energiek en opgewekt*. En anders wordt hij met een slechte gemoedstoestand wakker, (onrustig) en lui**.”

{*:Met de vreugde dat Allāh hem heeft laten overeenstemmen met Zijn gehoorzaamheid, beloond met beloning, en dat Hij hem heeft geholpen zich te onttrekken aan de knoop van shayṭān.**: Zonder enig verlangen om iets goeds te doen, vanwege het nalaten van de goede daden die hij eigenlijk had willen verrichten .}

Het is aanbevolen om vrijwillige ṣalāh thuis te verrichten, en het is toegestaan om het in de masjid te verrichten

ستحباب صلاة النافلة في بيته وجوازها في المسجد

٤٤٥ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: اجْعَلُوا فِي بُيُوتِكُمْ مِنْ صَلاَتِكُمْ وَلاَ تَتَّخِذُوهَا قُبُورًا

445 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei :”Verricht een deel van jullie ṣalāh (nafilah) in jullie huizen en maak ze niet tot graven.”

٤٤٦ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَثَلُ الَّذِي يَذْكُرُ رَبَّهُ وَالَّذِي لاَ يَذْكُرُ مَثَلُ الْحَيِّ وَالْمَيِّتِ446 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelijkenis van degene die zijn Rab gedenkt en degene die dat niet doet, is als de levende en de dode.”

[Ḏikr betekent gedenken en herinneren. De mens kan Allāh gedenken op verschillende manieren. Dit gebeurt met de tong, zoals door het reciteren van de Qur’ān, het verrichten van duʿāʾ en het aanroepen van Allāh تَعَالَى met Zijn Schone Namen. Het gebeurt ook met het hart, door te na te denken over de tekenen en bewijzen van Allāh تَعَالَى’s bestaan, zoals het universum en alles wat daarover in de Qur’ān wordt vermeld. Daarnaast kan de mens Allāh gedenken met zijn lichaam, door daden van aanbidding te verrichten, in het bijzonder de ṣalāh, het vasten (ṣawm), de ḥajj en andere vormen van ʿibādah.

Welke vorm het ook aanneemt, het gedenken van Allāh is de meest verheven en waardevolle vorm van aanbidding. De uitspraak van Allāh:

فَاذْكُرُونِي أَذْكُرْكُمْ“Gedenk Mij, dan zal Ik jullie gedenken.” (sûrah al-Baqarah 2:152)

maakt duidelijk dat ḏikr geen eenzijdige handeling is. Zoals de dienaar Allāh gedenkt, zo gedenkt Allāh ook Zijn dienaar.

Ḏikr van Allāh تَعَالَى houdt daarom in dat wij Hem gedenken met de tong, het hart én het lichaam. Wie Allāh gedenkt met een wakker en bewust hart, blijft ver verwijderd van datgene wat Hij verboden heeft. Met andere woorden: ware ḏikr brengt de mens verweg van het slechte.

De beloning voor oprechte ḏikr is dat Allāh تَعَالَى op Zijn beurt Zijn dienaar gedenkt.

Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) vergeleek de harten van gelovigen die stralen met de naam van Allāh en Zijn verheven ḏikr met levende lichamen waarin het bloed door de aderen stroomt. Daartegenover stelde hij de harten van achteloze mensen die Allāh niet gedenken, en vergeleek deze met dode lichamen: onbeweeglijk, bedekt met geestelijke onreinheid en roest.

Hieruit volgt dat ḏikr het leven, de ziel en de vitaliteit van het hart vormt. Het universum is voortdurend in beweging, en de mens, als onderdeel daarvan, dient eveneens levendig en wakker te zijn. De verplichting om op verschillende momenten van de dag ʿibādah te verrichten, namelijk de ṣalāh bij fajr, ẓuhr, ʿaṣr, maghrib en ʿishāʾ, is bedoeld om de harten levend te houden. Deze verplichte vormen van aanbidding zijn als levenswater voor het hart: hoe vaker een hart zijn Rab gedenkt, des te meer rust het vindt.

Wanneer de Qur’ān spreekt over degenen die geloven, zich tot Allah wenden en de rechte weg volgen, zegt Allāh:

ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَتَطۡمَئِنُّ قُلُوبُهُم بِذِكۡرِ ٱللَّهِۗ أَلَا بِذِكۡرِ ٱللَّهِ تَطۡمَئِنُّ ٱلۡقُلُوبُ“Degenen die geloven: hun harten vinden rust in het gedenken van Allāh. Weet: door het gedenken van Allāh komen de harten tot rust.” (sûrah ar-Raʿd 13:28)

Harten kunnen worden vergeleken met vaten. Een vat dat leeg lijkt, is in werkelijkheid gevuld met lucht. Wanneer men het met vloeistof vult, verdrijft die vloeistof de lucht. Zo worden ook harten óf gevuld met het gedenken van Allāh, óf met de listen van de shayṭān. Deze goddelijke wet wordt duidelijk verwoord in de āyah:

وَمَن يَعۡشُ عَن ذِكۡرِ ٱلرَّحۡمَٰنِ نُقَيِّضۡ لَهُۥ شَيۡطَٰنٗا فَهُوَ لَهُۥ قَرِينٞ“En wie zich afkeert van het gedenken van de Meest Barmhartige, wijzen Wij hem een shayṭān toe die voor hem een onafscheidelijke metgezel wordt.” (sûrah az-Zukhruf 43:36)

Harten blijven dus nooit leeg. Ze worden óf gevuld met ḏikrullāh, óf met achteloosheid (ghaflah). Daarom is het noodzakelijk het hart levend en waakzaam te houden door het voortdurende gedenken van de Eeuwige, Allāh, zodat de shayṭān geen kans krijgt om ons af te leiden en ons de weg naar de eeuwige Jannah, waarin de rozen nooit verwelken — te ontzeggen.] (HY)

٤٤٧ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ اتَّخَذَ حُجْزَةً، مِنْ حَصِيرٍ، في رَمَضَانَ، فَصَلَّى فِيهَا لَيَالِيَ، فَصَلَّى بِصَلاَتِهِ نَاسٌ مِنْ أَصْحَابِهِ، فَلَمَّا عَلِمَ بِهِمْ جَعَلَ يَقْعُدُ، فَخَرَجَ إِلَيْهِمْ، فَقَالَ: قَدْ عَرَفْتُ الَّذِي رَأَيْتُ مِنْ صَنِيعِكُمْ، فَصَلُّوا أَيُّهَا النَّاسُ فِي بُيُوتِكُمْ فَإِنَّ أَفْضَلَ الصَّلاَةِ صَلاَةُ الْمَرْءِ فِي بَيْتِهِ إِلاَّ الْمَكْتُوبَة

447 – Van Zayd ibn Thābit (رضي الله عنه):Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte tijdens Ramaḍān een afgescheiden ruimte van matten en verrichtte daarin gedurende enkele nachten de ṣalāh. Enkele van zijn metgezellen (ashāb) sloten zich bij hem aan en verrichtten de ṣalāh met hem. Toen hij hiervan op de hoogte raakte, bleef hij zitten en kwam hij vervolgens naar hen toe. Daarop zei hij: “Ik heb gezien wat jullie deden. O mensen, verricht de ṣalāh in jullie huizen, want de beste ṣalāh is de ṣalāh die iemand in zijn huis verricht, behalve de verplichte (ṣalāh).”

Het bevel aan degene die tijdens de ṣalāh slaperig wordt, of wie de Qurʾān of de ḏikr verward reciteert, dient hij te gaan liggen of zitten totdat slaperigheid weggaat

أمر من نعس في صلاته أو استعجم عليه القرآن أو الذكر بأن يرقد أو يقعد حتى يذهب عنه ذلك

٤٤٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: دَخَلَ النَّبِيُّ ﷺ فَإِذَا حَبْلٌ مَمْدُودٌ بَيْنَ السَّارِيَتَيْنِ؛ فَقَالَ: مَا هذَا الْحَبْلُ قَالُوا: هذَا حَبْلٌ لِزَيْنَبَ، فَإِذَا فَتَرَتْ تَعَلَّقَت فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَحُلُّوهُ، لِيُصَلِّ أَحَدُكُمْ نَشَاطَهُ، فَإِذَا فَتَرَ فَلْيَقْعُدْ

448 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam (de moskee) binnen en zag een touw gespannen tussen twee zuilen. Hij vroeg: “Wat is dit touw?”Zij zeiden: “Dit is een touw van Zaynab. Wanneer zij moe wordt, houdt zij zich daaraan vast.”an-Naingbī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maak het los (en overdrijf niet). Laat ieder van jullie de ṣalāh verrichten zolang hij kracht en vitaliteit heeft; en wanneer vermoeidheid intreedt, laat hem dan gaan zitten.

٤٤٩ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ دَخَلَ عَلَيْهَا وَعِنْدَهَا امْرَأَةٌ، قَالَ: مَنْ هذِهِ قَالَتْ: فُلاَنَةُ، تَذْكُرُ مِنْ صَلاَتِهَا، قَالَ: مَهْ عَلَيْكُمْ بِمَا تُطِيقُونَ، فَوَاللهِ لاَ يَمَلُّ اللهُ حَتَّى تَمَلُّوا

وَكَانَ أَحَبَّ الدِّينِ إِلَيْهِ مَا دَاوَمَ عَلَيْهِ صَاحِبُهُ

449 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij haar binnen terwijl er een vrouw bij haar was.Hij vroeg: “Wie is deze vrouw?”Zij antwoordde: “Dat is die-en-die, ze spreekt over haar (nachtelijke) ṣalāh.”Daarop zei hij: “Rustig aan! Verricht slechts wat jullie aankunnen.

Bij Allāh, Hij zal niet moe worden zolang jullie niet moe worden,” (Ze zei:) “En de meest geliefde vorm van dīn (daad) bij Allāh is die waaraan men consequent vasthoudt.”

[De Islām is een religie van evenwicht en matigheid. Voor een gelovige is het van groot belang dat hij zich verre houdt van zowel overdrijving (ifrāt) als tekortkoming (tafrīt), dat hij slechte daden vermijdt en altijd de middenweg nastreeft.

Zoals in alles, legde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de aanbidding dit principe van matigheid vast. In deze ḥadīth, waarin wordt benadrukt dat mensen binnen hun mogelijkheden en kracht aanbidden, ligt de focus op vrijwillige (nāfilah) ṣalāh — buiten de verplichte en aanbevolen (farḍ en wājib) ṣalwāt. De verplichte ṣalāh is immers voor iedere man en vrouw gelijk verplicht.

Vrijwillige aanbidding is een daad die een moslim verricht in de tijd en met de kracht die hij kan besteden, zonder zichzelf, zijn gezin of zijn omgeving te belasten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) benadrukte dat deze vrijwillige ṣalāh op momenten van bereidheid en met een frequentie die niet vermoeit, moet worden verricht.

Bij aanbidding moedigde hij aan om consistente, zelfs kleine daden te verrichten en waarschuwde hij tegen overmatige inspanning die tot vermoeidheid kan leiden en het laten vallen van vrijwillige ṣalāh. Het principe van “vermogen naar draagkracht” geldt altijd voor iedere gelovige.

Het slot van de ḥadīth, waarin staat: “Bij Allāh, Hij zal niet moe worden zolang jullie niet moe worden,”

toont dat de beloning en genade van Allāh voor aanbidding geen limiet kent. Zolang jullie niet moe worden van het verrichten van ṣalāh en goede daden, zal Allāh blijven belonen en Zijn genade schenken.] (Diyanet)

٤٥٠ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا نَعَسَ أَحَدُكُمْ وَهُوَ يُصَلِّي فَلْيَرْقُدْ حَتَّى يَذْهَبَ عَنْهُ النَّوْمُ، فَإِنَّ أَحَدَكُمْ إِذَا صَلَّى وَهُوَ نَاعِسٌ لاَ يَدْرِي لَعَلَّهُ يَسْتَغْفِرُ فَيَسُب نَفْسَهُ450 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als iemand slaperig wordt voordat hij ṣalāh wil verrichten, laat hem dan eerst slapen tot de slaperigheid voorbij is. Anders kan het zijn dat hij denkt om vergiffenis te vragen, terwijl hij in werkelijkheid zichzelf benadeelt.”

Het bevel om de Qurʾān voortdurend te verzorgen (regelmatig te reciteren en herhalen), het is afkeurenswaardig om te zeggen: ‘Ik ben die en die āyah vergeten’, maar het is toegestaan om te zeggen: ‘Het is mij doen vergetenالأمر بتعهد القرآن وكراهة قول نسيت آية كذا وجواز قول أنسيتها

٤٥١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: سَمِعَ النَّبِيُّ ﷺ قَارِئًا يَقْرَأُ مِنَ اللَّيْلِ فِي الْمَسْجِدِ، فَقَالَ: يَرْحَمُهُ اللهُ لَقَدْ أَذْكَرَنِي كَذَا وَكَذَا، آيَةً أَسْقَطْتُهَا مِنْ سُورَةِ كَذَا وَكَذَا

451 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde iemand ‘s nacht in de moskee reciteren. Toen zei hij:

“Moge Allāh hem genadig zijn! Hij heeft mij herinnerd aan deze passage (die-en-die verzen die ik uit die-en-die sūrah) die aan mij was ontschoten.”

[Met “ontschoten” wordt bedoeld dat het niet kunnen herinneren van iets op dat moment zelf, of het door een andere Qur’ān tekst is afgeschaft (naskh), waardoor hij het is doen ontschoten.]AFK

[Wij geloven dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een Rasûl is, omdat hij de ontvanger van de openbaring was en de taak had deze aan zijn ummah over te brengen. Tegelijkertijd was hij een mens, die leefde binnen de omstandigheden van de samenleving waarin hij geboren werd.

Daarom is het bekend dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook de menselijke ervaringen zoals vergeten of zich niet iets herinneren meemaakte. In zulke gevallen werd hij soms door de asḥāb of door Allāh zelf geholpen of herinnerd.

In deze ḥadīth staat: Hij heeft mij herinnerd aan deze passage (die-en-die verzen die ik uit die-en-die sūrah) die aan mij was ontschoten. Dit mag niet letterlijk worden opgevat als volledig vergeten of nooit meer kunnen herinneren. Zo’n situatie zou immers een tekort betekenen voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die altijd onder de leiding en bescherming van Allāh stond; het is dus onmogelijk dat hij een goddelijke boodschap onvolledig of verkeerd overbracht.

Onze geleerden leggen het “ontschoten” uit als een tijdelijke zich niet kunnen herinneren, of dat iets door Allāh tijdelijk werd opgeheven (naskh), waardoor het tijdelijk uit het geheugen is verdwenen.] (Diyanet)

٤٥٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّمَا مَثَلُ صَاحِبِ الْقُرْآنِ كَمَثَلِ صَاحِبِ الإِبِلِ الْمُعَقَّلَةِ، إِنْ عَاهَدَ عَلَيْهَا أَمْسَكَهَا، وَإِنْ أَطْلَقَهَا ذَهَبَتْ452 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelijkenis van iemand die de Qurʾān met zich draagt (hāfiẓ) is als die van iemand die kamelen bezit die vastgebonden zijn: wanneer hij zich over hen ontvermt, behoudt hij ze; maar als hij ze loslaat, rennen ze weg.”

٤٥٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بِئْسَ مَا لأَحَدِهِمْ أَنْ يَقُولَ نَسِيتُ آيَةَ كَيْتَ وَكَيْتَ، بَلْ نُسِّيَ؛ وَاسْتَذْكِرُوا الْقُرْآنَ، فَإِنَّهُ أَشَدُّ تَفَصِّيًا مِنْ صُدُورِ الرِّجَالِ مِنَ النَّعَمِ

453 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hoe slecht is het dat iemand zegt: ‘Ik ben dat-en-dat vers vergeten.’ In werkelijkheid, is hij het laten vergeten (omdat hij zijn memorisatie van de Qur’ān niet herhaalde). Herhaal voortdurend wat je van de Qur’ān hebt gememoriseerd! Want het (de Qur’ān ) verdwijnt sneller uit het geheugen van mensen dan dan loslopende kamelen uit het zicht verdwijnen.

٤٥٤ - حديث أَبِي مُوسى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: تَعَاهَدُوا الْقُرْآنَ، فَوَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَهُوَ أَشَدُّ تَفَصِّيًا مِنَ الإِبِلِ فِي عُقُلِهَا454 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Draag zorg voor de Qur’ān (die je in je geheugen hebt). Bij Allāh in Wiens hand mijn ziel is, het verdwijnen (en ontsnappen) van de Qur’ān uit het geheugen is nneller dan een kameel die loskomt van zijn touw vlucht.”[Het woord ‘taʿāhadū’ dat in de ḥadīth voorkomt, betekent: zich houden aan een gegeven belofte. In de context van de Qur’ān wordt het gebruikt in de betekenis van: er zorg voor dragen, ontvermen, hem in gedachten houden en hem voortdurend voor ogen houden.] (AFK)Het is aanbevolen om met een mooie stem de Qurʾān te verfraaienاستحباب تحسين الصوت بالقرآن

٤٥٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ كَانَ يَقُولُ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَمْ يَأْذَنِ اللهُ لِشَيْءٍ مَا أَذِنَ لِلنَّبِيِّ أَنْ يَتَغَنَّى بِالْقُرَآنِ يُرِيدُ يَجْهَرُ بِهِ

455 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft nooit iets met zoveel aandacht aangehoord/aan niets zoveel waarde gehecht (geluisterd) als het reciteren van de Qur’ān door een profeet met een mooie/melodieuze stem”.

[Abū Nuʿaym heeft deze ḥadīth overgeleverd van Yahyā ibn Bukayr, de shaykh van Bukhārī, zonder het woord “أنْ”.

Ibn al-Jawzī merkt eveneens op dat het opnemen van dit woord in deze ḥadīth een vergissing is. Als de ḥadīth met het woord “أنْ” wordt weergegeven, dan krijgt het de betekenis van toestemming of toelating, terwijl hier de bedoeling is: het luisteren.De oorspronkelijke formulering van de ḥadīth gebruikt het woord “أَذِنَ”, wat verwijst naar het luisteren, het aandachtig aanhoren. Sommige geleerden hebben deze betekenis overdrachtelijk (ta’wīl) geïnterpreteerd, door te zeggen dat het niet letterlijk op Allāh slaat, maar dat het betekent: “Het eren van degene die de Qur’ān reciteert en het overvloedig belonen van zijn recitatie.”Maar waarom zou de letterlijke betekenis hier niet bedoeld zijn? Als de betekenissen van de eigenschappen van Allāh, zoals die in de Kitāb (Qur’ān) en de Sunnah voorkomen, niet letterlijk zouden zijn, wie zou dan de ware betekenis kunnen kennen?Wat daarom verplicht is voor een moslim met betrekking tot de essentiële (dhātiyyah) en handelende (fiʿliyyah) eigenschappen van Allāh, evenals Zijn overige eigenschappen, is: ze bevestigen zoals ze zijn, op een manier die Allāh waardig is, zonder vervalsing (taḥrīf), ontkenning (taʿṭīl), vragen naar het hoe (takyīf), of gelijkenis (tamsīl). Dit is ook de weg van Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah. Zoals Allāh عزّ وجلّ zegt:

لَيۡسَ كَمِثۡلِهِۦ شَيۡءٞۖ وَهُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡبَصِيرُ ١١

… niets is aan Hem gelijk. En Hij is de Alhorende, de Alziende. (sûrah ash-Shoerā, 42/11)

En Allāh weet het het beste.(HY)[Het werkwoord “adzina” (أَذِنَ) dat in de ḥadīth voorkomt, betekent niet alleen “toestemming geven”, maar ook “luisteren” of “aandachtig zijn”.

De muḥaddiethūn (ḥadīthgeleerden) geven meestal de voorkeur aan de betekenis van luisteren en aandachtig zijn, maar aangezien letterlijk “oren hebben” in relatie tot Allāh niet mogelijk is, is dit woord op verschillende wijzen geïnterpreteerd.

Hetzelfde werkwoord wordt ook gebruikt in situaties waarin een leerling, terwijl hij aantekeningen maakt, aandachtig luistert naar de persoon van wie hij ḥadīth ontvangt. In onze vertaling hebben wij daarom gekozen voor de betekenis: belang hechten aan of waarde hechten aan.] (HY)Bovenkant formulier

٤٥٦ - حديث أبِي مُوسى ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ لَهُ: يَا أَبَا مُوسى لَقَدْ أُوتِيتَ مِزْمَارًا مِنْ مَزَامِيرِ آلِ دَاوُدَ456 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem (Abū Mūsā ): “O Abū Mūsā! Aan jou is uit de een mooie stemmen die aan de familie van van Dāwūd (عليه السلام) geschonken.”

De recitatie (van de Qur’ān) door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van sūrat al-Fatḥ op de dag van de verovering van Makkah

ذكر قراءة النبي ﷺ سورة الفتح يوم فتح مكة

٤٥٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مُغَفَّلٍ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَوْمَ فَتْحِ مَكَّةَ عَلَى نَافَتِهِ وَهُوَ يَقْرَأُ سُورَةَ الْفَتْح، يُرَجِّعُ، قَالَ: لَوْلاَ أَنْ يَجْتَمِعَ النَّاسُ حَوْلِي لَرَجَّعْتُ كَمَا رَجَّعَ

457 – Van ʿAbdullāh ibn Mughaffal (رضي الله عنه): Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de verovering van Makkah op zijn kameel terwijl hij melodieus sûrah al-Fatḥ reciteerde. Hij (de overleveraar) zei: 'Als de mensen zich niet om mij heen zouden verzamelen, zou ik het ook melodieus hebben gereciteerd zoals hij het deed.

[Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze sûrah reciteerde terwijl hij op zijn rijdier zat, veroorzaakte de beweging van het dier trillingen in zijn stem. Zijn melodieuze recitatie was specifiek voor dat moment en van tijdelijke aard.] (AFK)

Het neerdalen van rust (sakīnah) bij het reciteren van de Qurʾān

نزول السكينة لقراءة القرآن

٤٥٨ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ قَرَأَ رَجُلٌ الْكَهْفَ، وَفِي الدَّارِ الدَّابَّةُ، فَجَعَلَتْ تَنْفِرُ، فَسَلَّمَ، فَإِذَا ضَبَابَةٌ أَوْ سَحَابَةٌ غَشِيَتْهُ؛ فَذَكَرَهُ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ اقْرَأْ فُلاَن فَإِنَّهَا السَّكِينَةُ نَزَلَتْ لِلْقُرْآنِ أَوْ تَنَزَّلَتْ لِلْقُرْآنِ

458 – Van al-Barā’ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه):Een man (`Usayd Ibn Ḥuḍayr) reciteerde sûrah al-Kahf, terwijl er een rijdier in (de tuin van) het huis was, en het (dier) werd onrustig. Hij beëindigde de recitatie, en er verscheen een wolk of nevel die hem bedekte. Hij vermeldde dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Hij zei: O (Ibn Ḥuḍayr) 'Lees, want (wolk/nevel) is de kalmte (sakīnah: engelen) die is neergedaald voor de Qur’ān, of die is neergekomen voor de Qur’ān.

٤٥٩ - حديث أُسَيْدِ بْنِ حُضَيْرٍ، قَالَ: بَيْنَمَا هُوَ يَقْرَأُ مِنَ اللَّيْلِ سُورَةَ الْبَقَرَةِ، وَفَرَسُهُ مَرْبُوطَةٌ عِنْدَهُ، إِذْ جَالَتِ الْفَرَسُ، فَسَكَتَ فَسَكَتَتْ، فَقَرَأَ فَجَالَتِ الْفَرَسُ، فَسَكَتَ وَسَكَتَتِ الْفَرسُ، ثُمَّ قَرَأَ فَجَالَتِ الْفَرَسُ، فَانْصَرَفَ وَكَانَ ابْنُهُ يَحْيَى قَرِيبًا مِنْهَا، فَأَشْفَقَ أَنْ تُصِيبَهُ، فَلَمَّا اجْتَرَّهُ، رَفَعَ رَأْسَهُ إِلَى السَّمَاءِ حتَّى مَا يَرَاهَا، فَلَمَّا أَصْبَحَ حَدَّثَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: اقْرَأْ يَا ابْنَ حُضَيْرٍ اقْرَأْ يَا ابْنَ حُضَيْرٍ قَالَ فَأَشْفَقْتُ يَا رَسُولَ اللهِ أَنْ تَطَأَ يَحْيَى، وَكَانَ مِنْهَا قَرِيبًا، فَرَفَعْتُ رَأْسِي فَانْصَرَفْتُ إِلَيْهِ، فَرَفَعْتُ رَأْسِي إِلَى السَّمَاءِ فَإِذا مِثْلُ الظُّلَّةِ فِيهَا أَمْثَالُ الْمَصَابِيحِ، فَخَرَجَتْ حَتَّى لاَ أَرَاهَا قَالَ وَتَدْرِي مَا ذَاكَ قَالَ: لاَ؛ قَالَ: تِلْكَ الْمَلاَئِكَةُ دَنَتْ لِصَوْتِكَ، وَلَوْ قَرَأْتَ لأَصْبَحَتْ يَنْظُرُ النَّاسُ إِلَيْهَا، لاَ تَتَوَارَى مِنْهُمْ459 – Van `Usayd ibn Ḥuḍayr (رضي الله عنه): Terwijl hij ’s nachts sûrah al-Baqarah reciteerde en zijn paard bij hem vastgebonden stond, begon het paard te steigeren.

Toen hij zweeg, kalmeerde het (dier).

Hij hervatte zijn recitatie en opnieuw steigerde het paard.

Wederom zweeg hij en het paard werd weer rustig.

Bij de derde keer recitatie steigerde het paard opnieuw.

Hij stopte deze keer uit voorzichtigheid omdat zijn zoon Yaḥyā dichtbij was en hij vreesde dat het paard hem zou raken.

Toen hij (zijn zoon) naar zich toe trok en zijn hoofd naar de hemel hief, zag hij iets dat op een wolk leek, verlicht door lichten als lampen.

(De volgende ochtends) vertelde hij dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) - “Reciteer, o Ibn Ḥuḍayr, reciteer!” - “Ik vreesde, o Rasûlullāh , dat het paard mijn zoon zou raken, daarom ik keek omhoog en stopte. oen zag ik iets als een wolk met lampen die opstegen totdat ik het niet meer kon zien.” - “Weet je wat dat was?, roeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).- “Nee,” antwoordde hij. - “Dat waren de engelen die naderden jou vanwege je stem. Als je was blijven reciteren, zouden de mensen hen (de engelen) hebben kunnen zien en ze zouden zich niet verborgen hebben voor hen (de mensen).”

De deugd van de Qur’ān -hāfiẓ

فضيلة حافظ القرآن

٤٦٠ - حديث أَبِي مُوسى الأَشْعَرِيِّ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَثَلُ الْمُؤمِنِ الَّذِي يَقْرَأُ الْقُرْآنَ كَمَثَلِ الأُتْرُجَّةِ، رِيحُهَا طَيِّبٌ وَطَعْمُهَا طَيِّبٌ؛ وَمَثَلُ الْمُؤْمِنِ الَّذِي لاَ يَقْرَأُ الْقُرْآنَ كَمَثَلِ التَّمْرَةِ، لاَ رِيحَ لَهَا وَطَعْمُهَا حُلْوٌ؛ وَمَثَلُ الْمُنَافِقِ الَّذِي يَقْرَأُ الْقُرْآنَ، مَثَلُ الرَّيْحَانَةِ، رِيحُهَا طَيِّبٌ وَطعْمُهَا مُرٌّ؛ وَمَثَلُ الْمُنَافِقِ الَّذِي لاَ يَقْرَأُ الْقُرْآنَ كَمَثَلِ الْحَنْظَلَةِ، لَيْسَ لَهَا رِيحٌ وَطَعْمُهَا مُرٌّ

460 – Van Abū Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelovige (mu’min) die de Qur’ān reciteert is als de citrusvrucht: haar geur is aangenaam en haar smaak is aangenaam. En de gelovige die de Qur’ān niet reciteert is als de dadel: heeft geen geur maar haar smaak is zoet. En de huichelaar (munāfiq) die de Qur’ān reciteert is als de basilicum: haar geur is aangenaam, maar haar smaak is bitter. En de huichelaar die de Qur’ān niet reciteert is als de woestijnmeloen: heeft geen geur en haar smaak is bitter.”

De deugd van degene die vaardig is in het reciteren van de Qur’ān en van degene die het stotterend reciteert

فضل الماهر بالقرآن والذي يتتعتع فيه

٤٦١ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَثَلُ الَّذِي يَقْرَأُ الْقُرْآنَ وَهُو حَافِظٌ لَهُ مَعَ السَّفَرَةِ الْكِرَامِ، وَمَثَلُ الَّذِي يَقْرَأُ وَهُوَ يَتَعَاهَدُهُ، وَهُوَ عَلَيْهِ شَدِيدٌ، فَلَهُ أَجْرَانِ

461 – Van ʿĀishah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die de Qur’ān reciteert en die het uit zijn hoofd kent (hāfiẓ), is met as-safarah al-kirām (engelen die de Qurʾān brengen, bewaken, en schrijven). En degene die reciteert terwijl het hem moeite kost, voor hem zijn er twee beloningen.”

[Het woord ‘safarah’ is het meervoud van ‘safīr’, wat bemiddelaar of tussenpersoon betekent. Over de betekenis van deze term in deze context zijn verschillende uitleggen gegeven: 1. Dat ermee de schrijvende engelen worden bedoeld: de engelen die de Lawḥ al-Maḥfūẓ (de Bewaarde Tafel) dragen. Zij worden safarah genoemd omdat zij de openbaring van de heilige boeken aan de profeten overbrengen.

2. Dat het slaat op de engelen die de daden van de mensen vastleggen.

3. Dat het verwijst naar de engelen die als gezanten optreden tussen Allah en de profeten.

4. Dat het betrekking heeft op de profeten die Allah naar de mensen heeft gezonden.

5. Dat het doelt op de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

Uit de ḥadīth blijkt dat degenen die de Qur’ān op een correcte en mooie wijze reciteren, door hun voortreffelijke recitatie worden verheven tot het niveau van engelen of profeten die worden geprezen om hun edele eigenschappen.

Wie moeite heeft met het reciteren van de Qur’ān en zich er ondanks die moeite toe zet, ontvangt twee beloningen:één beloning voor het reciteren zelf en één beloning voor de inspanning en volharding die hij daarbij toont.

Dit betekent echter niet dat iemand die slecht reciteert méér beloning krijgt dan iemand die de Qur’ān correct en vloeiend leest. De bedoeling hiervan is juist om degenen voor wie het reciteren moeilijk is, te bemoedigen en aan te sporen om de Qur’ān toch te blijven lezen.] (HA)

Het is aanbevolen om de Qur’ān te reciteren, ook al is degene die luistert beter dan degene die reciteert, maar dat de verdienste en vaardigheid bij de reciterenden ligt

استحباب قراءة القرآن على أهل الفضل والحذاق فيه وإن كان القارئ أفضل من المقروء عليه

٤٦٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لأُبَيٍّ: إِنَّ الله أَمَرَنِي أَنْ أَقْرَأَ عَلَيْكَ (لَمْ يَكُنِ الَّذِينَ كَفَرُوا) قَالَ: وَسَمَّانِي قَالَ: نَعمْ فَبَكَى

462 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Ubay: “Voorwaar, Allāh heeft mij opgedragen om aan jou voor te dragen (sûrah al Bayyinah):

لَمۡ يَكُنِ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ مِنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ وَٱلۡمُشۡرِكِينَ مُنفَكِّينَ حَتَّىٰ تَأۡتِيَهُمُ ٱلۡبَيِّنَةُ ١

De ongelovigen onder de Lieden van de Schrift en de afgodendienaren houden niet op (ongelovig te zijn) tot er een duidelijk bewijs tot hen komt…. (sûrah al Bayyinah 98/1)

Ubayy zei: “En Hij noemde mij.”Hij zei: “Ja.”Toen begon Ubayy te huilen.

[Ubayyibn Kaʿb (رضي الله عنه) behoorde tot de metgezellen die de Qur’ān het mooist reciteerden. (Bukharī, Tafsīr, al-Baqarah: 7) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei in de ḥadīth die verderop komt: “Leer de Qur’ān van vier personen,” en noemde daarbij ook Ubay.Sūrah al-Bayyinah, bestaande uit negen āyah’s, wordt beschouwd als de kern/essentie van de Qur’ān, waarin goddelijke boodschap (risālah), oprechtheid (ikhlāṣ), ṣalāh, zakāh, de Dag der Opstanding en de beschrijving van de bewoners van het Paradijs en het Hellevuur worden genoemd. Deze sûrah werd door Allāh opgedragen om aan de Qur’ān leraar van de ummah voor te dragen. Ubay ibn Ka`b kon zijn oren niet geloven toen hij dit verheugende nieuws vernam, en zijn ogen vulden zich met tranen van vreugde.] (AFK)

De deugd van het luisteren naar de Qur’ān, het vragen aan een ḥāfiẓ om voor te dragen, en het huilen en nadenken bij het horen van de Qur’ān

فضل استماع القرآن وطلب القراءة من حافظه للاستماع والبكاء عند القراءة والتدبر

٤٦٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اقْرَأْ عَلَيَّ قَالَ: قُلْتُ أَقْرَأُ عَلَيْكَ، وَعَلَيْكَ أُنْزِلَ قَالَ: إِنِّي أَشْتَهِي أَنْ أَسْمَعَهُ مِنْ غَيْرِي قَالَ: فَقَرَأْتُ النِّسَاءَ، حَتَّى إِذَا بَلَغَتُ (فَكَيْفَ إِذَا جِئْنَا مِنْ كُلِّ أُمَّةٍ بشَهِيدٍ وَجِئْنَا بِكَ عَلَى هؤلاَءِ شَهِيدًا) قَالَ لِي: كُفَّ أَوْ أَمْسِكْ فَرَأَيْتُ عَيْنَيْهِ تَذْرِفَانِ

463 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Reciteer voor mij (de Qur’ān).” Ik zei: “Zal ik het voor u reciteren terwijl het aan u is geopenbaard?” Hij zei: “Ik houd ervan het van een ander te horen.” Dus ik reciteerde sûrah an-Nisā’, totdat ik bij het vers kwam: فَكَيۡفَ إِذَا جِئۡنَا مِن كُلِّ أُمَّةِۭ بِشَهِيدٖ وَجِئۡنَا بِكَ عَلَىٰ هَٰٓؤُلَآءِ شَهِيدٗا ٤١

Hoe (zal het) dan (zijn) als Wij van ieder volk een getuige (een Profeet) oproepen en Wij jou (O Mohammed) als getuige tegen deze mensen oproepen?Toen zei hij tegen mij: “Genoeg” of “Stop”, en ik zag dat zijn ogen vol tranen waren.

٤٦٤ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ عَنْ عَلْقَمَةَ قَالَ: كُنَّا بِحِمْصَ، فَقَرَأَ ابْنُ مَسْعُودٍ سُورَةَ يُوسُفَ، فَقَالَ رَجُلٌ: مَا هكَذَا أُنْزِلَتْ، قَالَ: قَرَأْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ: أَحْسَنْتَ وَوَجَدَ مِنْهُ رِيحَ الْخَمْرِ، فَقَالَ: أَتَجْمَعُ أَنْ تُكَذِّبَ بِكِتَابِ اللهِ وَتَشْرَبَ الْخَمْرَ فَضَرَبَهُ الْحَدَّ464 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd via ʿAlqamah (رضي الله عنهما): Wij waren in Himṣ (plaats in Shām), en Ibn Masʿūd reciteerde sûrah Yūsuf. Een man zei: 'Zo is het niet geopenbaard!' Ibn Masʿūd zei: 'Ik heb het voorgedragen aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Je hebt goed gereciteerd.”' En Ibn Masʿūd rook de geur van wijn bij hem. Hij zei: “Breng jij het ontkennen van het Boek van Allāh samen met het drinken van wijn?”(Op die persoon werd) de ḥad-straf opgelegd (vanwege het drinken van wijn).

[Er wordt overgeleverd dat de naam van deze dronken man Nuhayk ibn Sinān was.

Wanneer men de overlevering letterlijk neemt, lijkt het erop dat ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) zelf de ḥad-straf bij hem uitvoerde, enkel vanwege de aanwezigheid van een alcohollucht.

Imām an-Nawawī licht dit als volgt toe:‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) voerde de ḥad-straf uit omdat hij daartoe óf door de heerser gemachtigd was, in algemene of specifieke zin, óf omdat de man zonder geldige reden had bekend dat hij wijn had gedronken. In andere gevallen mag een ḥadd-straf niet worden toegepast op basis van alleen de geur van wijn. Zijn ontkenning kan bovendien worden opgevat als een onbedoelde ontkenning van iets uit de Qur’ān, en niet als een bewuste loochening.’

Sommige geleerden hebben gezegd:“Het is mogelijk dat de uitspraak van Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه): ‘Ik heb hem de ḥad-straf gegeven’ figuurlijk moet worden opgevat, in de zin dat hij de zaak heeft gemeld aan de leider, waarna deze de straf liet uitvoeren. Omdat Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) de aanleiding vormde, wordt de uitvoering aan hem toegeschreven.”

Al-Qurṭubī voegt hieraan toe:“Ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه) voerde de straf uit omdat hij zichzelf daartoe bevoegd achtte, of omdat hij meende een religieuze plicht namens de leider te vervullen. Dit deed hij echter uitsluitend omdat de man het drinken van wijn had toegegeven. Het louter ruiken van wijn vormt immers geen doorslaggevend bewijs. Iemand kan namelijk iets hebben gegeten of gedronken dat naar wijn ruikt, zoals kweepeer, waarvan de geur daarmee overeenkomt. En bij twijfel wordt geen ḥad-straf toegepast; voor de uitvoering ervan is getuigenis of een bekentenis vereist.”] (HA)

De deugden van surah al-Fātihah en de laatste verzen van surah al-Baqarah, en de aansporing om de twee laatste verzen van al-Baqarah te reciteren

فضل الفاتحة وخواتيم سورة البقرة والحث على قراءة الآيتين من آخر البقرة

٤٦٥ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ الْبَدْرِيِّ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الآيَتَانِ مِنْ آخِرِ سُورَةِ الْبَقَرَةِ، مَنْ قَرَأَهُمَا فِي لَيْلَةٍ كَفَتَاهُ

465 – Van Abū Masʿūd al-Badrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ‘s nachts (voor het slapen gaan) de twee verzen aan het einde van sûrah al-Baqarah reciteert, die zijn voldoende voor hem.”

De deugd van degene die de Qur’ān leert en onderwijst, die de wijsheden leert vanuit fiqh of andere wetenschappen, en die handelt en dit doorgeeft aan anderenفضل من يقوم بالقرآن ويعلمه، وفضل من تعلم حكمة من فقه أو غيره فعمل بها وعلمها

٤٦٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لاَ حَسَدَ إِلاَّ فِي اثْنَتَيْنِ: رَجُلٌ آتَاهُ اللهُ الْقُرْانَ فَهُوَ يَتْلوهُ آنَاءَ اللَّيْلِ وَآنَاءَ النَّهَارِ، وَرَجُلٌ آتَاهُ اللهُ مَالًا فَهُوَ يُنْفِقُهُ آنَاءَ اللَّيْلِ وَآنَاءَ النَّهَارِ

466 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen afgunst behalve in twee (gevallen): - iemand aan wie Allāh de Qur’ān (wetenschap) heeft gegeven, en hij conformeert zich hier voortdurend zowel ‘s nacht als overdag; - en iemand aan wie Allāh rijkdom heeft gegeven en hij geeft het uit (op weg van Allāh) voortdurend zowel ‘s nacht als overdag.”

٤٦٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ حَسَدَ إِلاَّ فِي اثْنَتَيْنِ: رَجُلٌ آتَاهُ اللهُ مَالًا فَسُلِّطَ عَلَى هَلَكَتِهِ فِي الْحَقِّ، وَرَجُلٌ آتَاهُ اللهُ الْحِكْمَةَ فَهُوَ يَقْضِي بِهَا وَيُعَلِّمُهَا467 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen afgunst behalve in twee (gevallen): - iemand aan wie Allāh rijkdom heeft gegeven en hij besteedt het op rechtvaardige wijze; - en iemand aan wie Allāh wijsheid (nl. Qur’ān) heeft gegeven, en hij oordeelt ermee en onderwijst het.

[Met ḥasad wordt hier in werkelijkheid ghibṭah bedoeld: een vorm van positieve jaloezie of benijdenswaardigheid zonder afgunst. Dat houdt in dat iemand zegt: “Was mij maar gegeven wat aan die-en-die is geschonken, dan zou ik handelen zoals hij handelt.” Al-Bukhārī vermeldt dit in het hoofdstuk “De deugden van de Qur’ān.”

In de overlevering van Abū Kabshah al-Anmārī (رضي الله عنه), overgeleverd door at-Tirmiḏī, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Er is een dienaar aan wie Allāh kennis heeft geschonken, maar geen bezit. Met een oprechte intentie zegt hij: ‘Als ik over bezit zou beschikken, dan zou ik goede daden verrichten zoals die-en-die.’ Voor deze twee is de beloning gelijk.”

Dat wil zeggen: hij ontvangt een beloning alsof hij het goede dat hij verlangde te verrichten, daadwerkelijk heeft uitgevoerd.] (HY)

Het feit dat de Qur’ān op zeven dialecten is neergezonden en de uitleg van deze betekenis

بيان أن القرآن على سبعة أحرف وبيان معناه

٤٦٨ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ هِشَامَ بْنَ حَكِيمِ بْنِ حِزَامٍ يَقْرَأُ سُورَة الْفُرْقَانِ عَلَى غَيْرِ مَا أَقْرَؤهَا، وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَقْرَأَنِيهَا، وَكِدْتُ أَنْ أَعْجَلَ عَلَيْهِ، ثُمَّ أَمْهَلْتُهُ حَتَّى انْصَرَفَ، ثُمَّ لَبَّبْتُهُ بِرِدَائِهِ فَجِئْتُ بِهِ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقُلْتُ إِنِّي سَمِعْتُ هذَا يَقْرَأُ عَلَى غَيْرِ مَا أَقْرَأْتَنِيهَا؛ فَقَالَ لِي: أَرْسِلْهُ ثُمَّ قَالَ لَهُ: اقْرَأْ فَقَرَأَ، قَالَ: هكَذَا أُنْزِلَتْ ثُمَّ قَالَ لِي: اقْرَأْ فَقَرَأْتُ، فَقَالَ: هكَذَا أُنْزِلَتْ، إِنَّ الْقُرْآنَ أُنْزِلَ عَلَى سَبْعَةِ أَحْرُفِ فَاقْرَءُوا مَا تَيَسَّرَ مِنْهُ

468 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه):Ik hoorde Hishām ibn Ḥakīm ibn Ḥizām sûrah al-Furqān reciteren met een andere dialect dan de manier hoe ik het reciteer. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had mij het (sûrah al-Furqān ) zo geleerd. Ik was op het punt om hem te corrigeren, maar ik wachtte tot hij klaar was (met de recitatie).

Toen greep ik hem bij zijn bovenkleed (ridā) en bracht hem naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: 'Ik hoorde hem sûrah al-Furqān reciteren met een andere dialect dan u mij heeft onderwezen.'Hij zei: 'Laat hem los.' Vervolgens zei hij tegen hem: 'Reciteer.'Hij reciteerde, en hij zei: 'Zo is het geopenbaard.'Toen zei hij tegen mij: 'Reciteer.'Ik reciteerde, en hij zei: 'Zo is het geopenbaard. Waarlijkj, de Qur’ān is zeven dialecten (aḥruf) geopenbaard, dus reciteer wat voor jullie gemakkelijk is.'“

[De Qur’ān werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geopenbaard in het Arabisch, de taal van de samenleving waarin hij leefde. Het feit dat de Qur’ān op de “zeven aḥruf (letters/dialecten)” (sabʿati ahrūf) werd geopenbaard, verwijst naar de zeven manieren of dialecten van uitspraak en recitatie die mogelijk zijn.

De betekenis en reikwijdte van deze term zijn door Qur’ān-onderzoekers besproken. Ondanks dat het onderwerp is bediscussieerd, is in essentie dit kenmerk van Allāh’s Boek een toegestane versoepeling (rukhṣah) die aan de islamitische ummah is geschonken. Zoals in de besproken ḥadīth, wordt duidelijk een verband gelegd tussen de Zeven Aahrūf en het gemak in de recitatie.

De betekenis en reikwijdte van deze term zijn uitvoerig besproken door Qur’ān-geleerden. Hoewel er verschillende meningen over bestaan, kan in essentie worden gezegd dat dit kenmerk van Allāh’s Boek een toegestane versoepeling (rukhṣah) vormt die aan de islamitische ummah is geschonken. Zoals in de besproken ḥadīth blijkt, wordt er een duidelijk verband gelegd tussen de zeven aḥruf en het gemak in de recitatie.

Door de aard van de Arabische taal kan een woord soms hetzelfde geschreven zijn, maar door verschil in harakāt (klinkertekens) op verschillende manieren worden uitgesproken. Dit kan worden vergeleken met dialectof accentverschillen.

Daarom moet het concept van de zeven aḥruf worden begrepen als een gemak in de recitatie en niet als een verschil in de geschreven tekst van de ayāt.

Deze verschillen in recitatie, die slechts een klein deel van de Qur’ān betreffen, brengen geen veranderingen in de betekenis of tegenstrijdigheden met zich mee. Onze geleerden leggen uit dat met de term “zeven aḥruf ” niet letterlijk zeven wordt bedoeld, maar dat het wijst op de rijkdom en variëteit van de recitatie, waarbij een woord op meerdere correcte manieren kan worden uitgesproken.

Daarnaast dient te worden benadrukt dat de asḥāb al-karām het belang dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hechtte aan de Qur’ān-recitaties tijdens zijn leven, ook na zijn overlijden bleven respecteren. Zij bewaarden de correcte recitaties die zij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden gehoord en gaven deze betrouwbaar door aan de volgende generaties.

In de periode van de Rechtgeleide Khaliefen werden sommige geschillen over Qur’ān-recitaties opgelost door raadpleging van uitverkoren asḥāb met uitgebreide kennis van qirāʾāt. De centra van qirāʾāt die ontstonden in de islamitische gebieden waar de Mus̱haf van ʿUthmān werd verspreid, zorgden ervoor dat de verschillende recitaties met authentieke isnād van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en van gezaghebbende asḥāb correct werden bewaard en doorgegeven.] (Diyanet)

(zie ook: Appendix 7: Geschiedenis en belang van de Qirāʾāt

٤٦٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: أَقْرَأَنِي جِبْرِيلُ عَلَى حَرْفٍ فَلَمْ أَزَلْ أَسْتَزِيدُهُ حَتَّى انْتَهَى إِلَى سَبْعَةِ أَحْرُفٍ469 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jibrīl reciteerde de Qur’ān aan mij volgens één dialect (ḥarf). Ik bleef hem vragen om meer tot hij het op zeven dialecten (aḥruf) reciteerde.”

[Het woord qurrā’ komt van qirā’ah, wat “recitatie” of “het lezen (van de Qur’ān)” betekent. Degene die reciteert wordt qāriʾ genoemd, en het meervoud daarvan is qurrā’. Qurrā’ zijn diegenen die de Qur’ān volledig uit het hoofd hebben geleerd (ḥuffāẓ) en bekend staan om het onderwijzen ervan aan anderen.

Daarnaast bestaat het woord qarrāʾ, dat gebruikt wordt voor iemand die de Qur’ān mooi reciteert, volgens de regels van tajwīd en tartīl. Woorden als tilāwah (recitatie) en tartīl vallen ook onder de betekenis van qirā’ah. Al deze termen worden gebruikt in verband met de Qur’ān. Tartīl betekent: het langzaam, met zorgvuldigheid en in een aangename toon reciteren, woord voor woord. Het werkwoord ‘rattala’ betekent: iets op een verfijnde manier, zoals het rijgen van parels, geordend en op passende wijze rangschikken. Zoals Allāh zegt in de Qur’ān:

“وَرَتِّلِ الْقُرْآنَ تَرْتِيلًا” “En reciteer de Qur’ān op langzame en duidelijke wijze.” (Sūrah al-Muzzammil, 73:4)

Er waren er met name in de verschillende steden metgezellen en tab`ien die als vooraanstaande qurrā’ bekend stonden. Enkele van hen zijn:

In Madīnah:

Saʿīd ibn al-Musayyib (overl. 94/715),

Ibn Shihāb az-Zuhrī (124/741),

Abū Jaʿfar (130/747),

Nāfiʿ (169/785)

In Makkah:

ʿAbdullāh ibn Kathīr (120/737),

Ibn Muḥayṣin (123/740),

Ḥamīd ibn Qays (130/747)

In Kūfa:

ʿAlqamah ibn Qays (62/681),

Zirr ibn Hubaysh (83/702),

Yaḥyā ibn Waṣṣāf (103/721),

ʿĀṣim ibn Abin-Najūd (127/744),

Ibn Mihrān al-Aʿmash (148/765),

Ḥamzah (156/772),

al-Kisāʾī (189/804)

In Basra:

Naṣr ibn ʿĀṣim (89/708),

al-Ḥasan al-Baṣrī (110/728),

ʿĀṣim al-Juhdarī (128/745),

Yaḥyā ibn Yaʿmar (129/746),

Abū ʿĀmir ibn al-Aʿlā (154/770),

Yaʿqūb al-Ḥaḍramī (205/820)

In Shām:

Mughīrah ibn Abī Shihāb (91/709),

ʿAbdullāh ibn ʿĀmir (118/736),

ʿAṭiyyah ibn Qays (121/738),

Yaḥyā ibn Ḥārith az-Zimmārī (145/762)

Deze personen werden beschouwd als autoriteiten op het gebied van de Qur’ān-recitatie (qirāʾāt), en speelden een centrale rol in het doorgeven van de verschillende recitatiemethoden aan latere generaties. Zij waren uiterst zorgvuldig in het vastleggen en behouden van deze recitatiestijlen, en in hun steden werd hun manier van reciteren volledig geaccepteerd en vaak zelfs aan hen toegeschreven, zoals: “de recitatie van die-en-die”.

Tot de bekende qurrā’ onder de tabiʿīn behoren:

In Madīnah:

Saʿīd ibn al-Musayyib,

ʿUrwah,

Sālim,

az-Zuhrī

In Makkah:

ʿAṭā’,

Mujāhid,

Ṭāwūs,

ʿIkrimah

In Basra:

ʿĀmir,

Naṣr ibn ʿĀṣim,

Yaḥyā ibn Yaʿmar

In Kūfa:

ʿAlqamah,

Aswad,

Masrūq,

Saʿīd ibn Jubayr,

Shaʿbī,

Naḫaʿī

In Shām:

Mughīrah ibn Abī Shihāb en anderen

De meest bekende qurrā’ komen echter na hen. Hieronder volgen de zeven grote imāms van de canonieke qirāʾāt:

De zeven bekende imāms van de mutawāṭir qirāʾāt:

Ibn Kathīr — Makkah

Nāfiʿ ibn ʿAbdur-Raḥmān — MadīnahZijn bekende overleveraars zijn: Qālūn (overl. 220/830) en Warsh (overl. 197/812)

ʿAbdullāh ibn ʿĀmir — Shām

Abū ʿAmr ibn al-ʿAlāʾ — Basra

Ḥamzah ibn Ḥabīb — Kūfa

al-Kisāʾī — Kūfa

ʿĀṣim ibn Abin-Najūd — KūfaOvergrote gedeelte van de moslim wereld volgt de recitatie van ʿĀṣim, via de overlevering van Ḥafṣ ibn Sulaymān (overl. 180/796)

Na deze zeven mutawāṭir qirāʾāt zijn er ook drie bekende (mashhûr) recitatiestijlen die breed zijn geaccepteerd:

De drie bekende mashhûr qirāʾāt zijn:

Abū Jaʿfar Yazīd al-Madanī (overl. 132/749)

Yaʿqūb ibn Isḥāq (overl. 205/820)

Abū Muḥammad Khalaf ibn Hishām (overl. 229/843)] (HY)

(zie ook: Appendix 6: Al-AHRUFU’S-SAB‘AH)

Het reciteren met tartīl en het vermijden van hadz, wat buitensporige haast is bij het reciteren, en het is toegestaan om twee of meer surahs in één rakaʿāh te reciteren

ترتيل القراءة واجتناب الهذّ وهو الإفراط في السرعة وإباحة سورتين فأكثر في ركعة

٤٧٠ – حديث ابْنِ مَسْعُودٍ عَنْ أَبِي وَائِلٍ قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى ابْنِ مَسْعُودٍ، فَقَالَ ⦗١٥٨⦘ قَرَأْتُ الْمُفَصَّلَ اللَّيْلَةَ في رَكْعَةٍ، فَقَالَ: هَذًّا كَهَذِّ الشِّعْرِ لَقَدْ عَرَفْتُ النَّظَائرَ الَّتِي كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَقْرُنُ بَيْنَهُنَّ فَذَكَرَ عِشْرِينَ سُورَةً مِنَ الْمُفَصَّلِ، سُورَتَيْنِ فِي كُلِّ رَكْعَةٍ

470 – Van Ibn Masʿūd via Abū Wā’il رضي الله عنهما:Een man kwam naar Ibn Masʿūd en zei: “Ik heb vannacht Mufaṣṣal (vanaf sûrah 50 Qāf tot en met sûrah 114 an-Nās) in één rakaʿah gereciteerd.”Hij zei: “Lees je het zo snel alsof je een gedicht voordraagt?” Ik weet welke vergelijkbare suwar (e.v. sûrah) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naast elkaar reciteerde.”Vervolgens koppelde hij (van sūrah Qāf tot het einde van de muṣḥaf) twintig van de mufaṣṣal-suwar, waarbij hij in elke rakaʿāh twee surahs samen reciteerde.

[In de Qur’ān worden de suwar geclassificeerd op basis van hun lengte in vier categorieën: Ṭiwāl, Mi’ūn, Mathānī en Mufaṣṣal.

Ṭiwāl verwijst naar de zeven lange suwar, beginnend met sûrah al-Baqarah.Mi’ūn zijn de suwar die volgen op deze zeven en ongeveer honderd āyāt bevatten.Mathānī zijn de suwar met minder dan honderd āyāt.Mufaṣṣal verwijst naar de korte suwar. Binnen deze catechorie zijn de langste suwar ongeveer de lengte van sûrah Qāf en al-Ḥujurāt.

De Mufaṣṣal-suwar worden verder in drie categorieën verdeeld: lang, middelmatig en kort.De suwar van surah Qāf tot surah Al-Murṣalwāt behoren tot de lange Mufaṣṣal-suwar.

De suwar van sûrah an-Nabaʾ tot sûrah aḍ-Ḍuḥā worden beschouwd als de middelmatig Mufaṣṣal-suwar.De suwar vanaf sûrah aḍ-Ḍuḥā tot het einde van de Qur’ān vallen onder de korte Mufaṣṣal-suwar.] (AFK)

Wat betrekking heeft op de Qurʾān-lezingen/recitaties (qirāʾāt)

ما يتعلق بالقراءات

٤٧١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ أَنَّهُ كَانَ يَقْرَأُ فَهَلْ مِنْ مُدَّكِرٍ

471 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):

Overgeleverd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat hij reciteerde:“Fa-hal min muddakir?” [Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft dit āyah gereciteerd met de letter (د) in plaats van de letter (ذ)] (HY)

[De wetenschap van qirāʾāt bestudeert hoe de woorden van de Qur’ān correct gereciteerd moet worden en identificeert door ze toe te schrijven aan hun rawī’s (overleveraars) de verschillende correcte manieren van recitatie. Deze wetenschap is van groot belang onder de islamitische wetenschappen, zowel vanwege het vroege ontstaan als omdat de Qur’ān zelf het onderwerp vormt.

Een belangrijke basis voor de verschillen in qirāʾāt ligt, zoals vermeld in de uitleg van ḥadīth nummer 468, Sabʿati ahrūf. Het feit dat de Qur’ān op de zeven ahrūf werd geopenbaard, vormt een van de fundamentele pijlers van de wetenschap van qirāʾāt en en heeft de ontwikkeling van verschillende qirāʾāt-varianten en scholen beïnvloed.

Het is bekend dat sommige woorden van de Qur’ān door dialectverschillen op verschillende manieren kunnen worden uitgesproken,. Dit leidt echter niet tot verandering of vervorming van de betekenis van de āyah; het dient uitsluitend om de recitatie voor de lezer gemakkelijker te maken.

De ḥadīth die we hebben gelezen verschaft informatie over hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de 17e āyah van surah al-Qamar reciteerde en wijst op het bestaan van verschillen in qirāʾāt.] (Diyanet)

Ziie ook: Appendix 7: Geschiedenis en belang van de Qirāʾāt

٢ - حديث أَبِي الدَّرْدَاءِ عَنْ إِبْرَاهيمَ، قَالَ: قَدِمَ أَصْحَابُ عَبْدِ اللهِ عَلَى أَبِي الدَّرْدَاءِ فَطَلَبَهُمْ فَوَجَدَهُمْ، فَقَالَ: أَيُّكُمْ يَقْرَأُ قِرَاءَةَ عَبْدِ اللهِ قَالَ: كُلُّنَا؛ قَالَ: فَأَيُّكُمْ أَحْفَظُ فَأَشَارُوا إِلَى عَلْقَمَةَ؛ قَالَ: كَيْفَ سَمِعْتَهُ يَقْرَأُ وَاللَّيْلِ إِذَا يَغْشَى قَالَ عَلْقَمَةُ: وَالذَّكَرِ وَالأُنْثَى؛ قَالَ: أَشْهَدُ أَنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقْرَأُ هكَذَا، وَهؤلاَءِ يُرِيدُونِي عَلَى أَنْ أَقْرَأَ (وَمَا خَلَقَ الذَّكَرَ وَالأُنْثَى)، وَاللهِ لاَ أُتَابِعُهُمْ472 – Van Abū’d-Dardāʾ via Ibrāhīm (رضي الله عنهما):

De leerlingen van ʿAbdullāh Ibn Ma`ûd kwamen (naar Shām waar) Abū’d-Dardāʾ (verbleef). Hij (Abū’d-Dardāʾ) ging naar hen toe en zei: “Wie van jullie reciteert zoals ʿAbdullāh ibn Masʿūd?”Zij zeiden: “Wij allemaal.”Hij vroeg: “Wie heeft ʿAbdullāh Ibn Ma`ûds recitatie het beste uit het hoofd geleerd?”Zij wezen naar ʿAlqamah.

Hij zei: “Hoe hoorde je hem reciteren: Wa’l-layli izhā yaghshā?”ʿAlqamah antwoordde: “Wa’dz-dzakari wa’l-unthā.”Hij zei: “Ik getuig dat ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit zo heb horen reciteren. En deze mensen (in Shām) willen dat ik reciteer: Wa mā khalaqa’dz-dzakara wa’l-unthā.Bij Allāh, ik zal hen daarin niet volgen.”

[De Qur’ān zoals wij die vandaag bezitten is via eeen betrouwbare keten van overlevering van generatie op generatie via een gemeenschap van mensen van wie het onmogelijk is dat zij zouden liegen aan ons doorgegeven. Deze methode, die tawātur wordt genoemd, is de manier waarop de Qur’ān van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tot ons is gekomen.

Tijdens het khalifaat van Abū Bakr (رضي الله عنه) werd de geschreven verzameling van Qur’ānische teksten bijeengebracht. Onder het khalifaat van ʿUthmān (رضي الله عنه) werden er zeven kopieën vervaardigd van de oorspronkelijke handschrift (muṣḥaf), samengesteld uit deze eerste verzameling.

Deze onderneming werd uitgevoerd door een betrouwbare commissie en werd door geen enkele ṣaḥābah betwist, allen accepteerden de verzameling zoals het was. Tegelijkertijd hadden sommige ṣaḥābah persoonlijke aantekeningen van hun eigen recitaties, die uitsluitend hun eigen verantwoordelijkheid droegen en niet bindend waren voor de ummah.Een voorbeeld hiervan is dat zowel ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) als Abū’d-Dardāʾ (رضي الله عنه) aangaven dat zij āyah 3 van sûrah al-Layl in een andere vorm hadden gehoord. Deze afwijking had echter geen inhoudelijke betekenis van de ayah, noch maakte het iets ḥalāl wat ḥarām ois of andersom. Het betrof slechts hun persoonlijke recitatie. De ummah was hier niet gebonden.

Het is bovendien onredelijk om te veronderstellen dat deze twee metgezellen de juiste recitatie zouden hebben behouden, terwijl alle andere metgezellen het verkeerd zouden hebben begrepen.

De geleerden zoals Imām al-Māzirī en Qāḍī ʿIyāḍ hebben na bevestiging van de authenticiteit van deze overlevering geprobeerd het verschil te verklaren. Zij stelden dat de recitatievorm van deze twee ṣaḥābah oorspronkelijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) afkomstig was, maar later door nāskh (afgeschaft of vervangen) werd aangepast, terwijl deze twee mogelijk niet op de hoogte waren van de uiteindelijke, gecanoniseerde vorm.

Zoals uit eerdere aḥādīth blijkt, kwam het voor dat sommige metgezellen niet op de hoogte waren van latere wijzigingen in de toepassing. Wat echter vaststaat, is dat geen van de metgezellen zich verzette tegen de Qur’ān zoals die door ʿUthmān (رضي الله عنه) werd verspreid; allen accepteerden deze volledig en zonder bezwaar.] (AFK)

De tijden waarin het verrichten van de ṣalāh afkeurenswaardig is

الأوقات التي نهى عن الصلاة فيها

٤٧٣ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: شَهِدَ عِنْدِي رِجَالٌ مَرْضِيُّونَ وَأَرْضَاهُمْ عِنْدِي عُمَرُ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ نَهى عَنِ الصَّلاَةِ بَعْدَ الصُّبْحِ حَتَّى تَشْرُقَ الشَّمْسُ، وَبَعْدَ الْعَصْرِ حَتَّى تَغْرُبَ

473 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb via Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهم):

Rechtschapen (en degenen die geen twijfel hebben over hun religie ) hebben tegenover mij getuigd, en degene in wie ik het meeste vertrouwen had was ʿUmar, dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het verrichten van ṣalāh verbood na ṣalah aṣ-ṣubḥ totdat de zon opkomt, en na ṣalāh al-ʿaṣr totdat de zon ondergaat.”

٤٧٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: لاَ صَلاَةَ بَعْدَ الصُّبْحِ حَتَّى تَرْتَفِعَ الشَّمْسُ، وَلاَ صَلاَةَ بَعْدَ الْعَصْرِ حَتَّى تَغِيبَ الشَّمْسُ474 – Van Abū Saʿīd al-Khuḍrī (رضي الله عنه):

Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'Er is geen ṣalāh na ṣalāh aṣ-ṣubḥ totdat de zon hoog aan de hemel staat, en geen ṣalāh na ṣalāh al-ʿaṣr totdat de zon ondergaat.'“

٤٧٥ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ تَحَرَّوْا بِصَلاَتِكُمْ طُلُوعَ الشَّمْسِ وَلاَ غُرُوبَهَا475 – Van Ibn ʿUmar ((رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees bewust dat jullie ṣalāh niet op het moment van zonsopgang of zonsondergang verrichten”.

[Wanneer de zon gedeeltelijk is opgekomen, stel dan de ṣalāh uit totdat zij volledig is opgekomen. En wanneer de zon gedeeltelijk is ondergegaan, stel dan de ṣalāh uit totdat zij volledig is ondergegaan.] (AFK)

[De ṣalāh is een verplichte (farḍ) vorm van anbidding die op vastgestelde tijden moet worden verricht. Zowel de Qur’ān als de sunnah hebben deze tijden en de wijze van uitvoering bepaald.

Net zoals de beginen eindtijden van de ṣalāh door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn vastgesteld, zijn ook de tijdstippen waarop het verrichten van ṣalāh af te raden is (makrūh-tijden) door zijn ahādīth bepaald. Het kennen van deze makrūh-tijden garandeert dat de ṣalāh correct en geldig wordt uitgevoerd.

In deze ḥadīth wordt twee van deze makrūh-tijden genoemd: het moment van zonsopgang en het moment van zonsondergang, waarin het verrichten van ṣalāh wordt afgeraden.

Andere ahādīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wijzen ook op het af te raden zijn van ṣalāh of het begraven van een overledene tijdens:

de periode kort na zonsopgang,

het exacte moment dat de zon op haar hoogste punt staat,

het exacte moment van zonsondergang.(Muslim, Ṣalwāt al-Musāfirīn, 293)

De reden hiervoor is dat deze tijdstippen traditioneel werden gebruikt voor aanbidding van natuurlijke fenomenen door heidense volkeren, en het is belangrijk dat moslims zich hiervan onderscheiden.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde: “Geen van jullie moet wachten en ṣalāh verrichten tijdens zonsopgang of zonsondergang.” (Nasa’i, Mawāqīt, 33)

Hiermee benadrukte hij dat het niet gepast is om verplichte ṣalāh bewust uit te stellen naar deze tijden.

Toch, ook al zijn deze momenten makrūh, mag de farḍ ṣalāh in geval van nood of verplichting wel worden verricht, omdat het verrichten van de verplichte ṣalāh een absolute noodzaak is.] (AFK)

٤٧٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا طَلَعَ حَاجِبُ الشَّمْسِ فَدَعُوا الصَّلاَةَ حَتَّى تَبْرُزَ، وَإِذَا غَابَ حَاجِبُ الشَّمْسِ فَدَعُوا الصَّلاَةَ حَتَّى تَغِيبَ476 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de rand van de zon (aan de horizon) verschijnt, stel dan de ṣalāh uit totdat zij geheel is opgekomen.En wanneer de rand van de zon is verdwenen, stel dan de ṣalāh uit totdat zij volledig is ondergegaan.”

Het kennen van de twee rakaʿāt die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) placht te bidden na ṣalāh al-ʿaṣr

معرفة الركعتين اللتين كان يصليهما النبي ﷺ بعد العصر

٤٧٧ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ عَنْ كُرَيْبٍ، أَنَّ ابْنَ عَبَّاسٍ، وَالْمِسْوَرَ بْنَ مَخْرَمَةَ، وَعَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ أَزْهَرَ أَرْسَلُوهُ إِلَى عَائِشَةَ، فَقَالُوا: اقْرأْ عَلَيْهَا السَّلاَمَ مِنَّا جَمِيعًا، وَسَلْهَا عَنِ الرَّكْعَتَيْنِ بَعْدَ صَلاَةِ الْعَصْرِ، وَقُلْ لَهَا: إِنَّا أُخْبِرْنَا أَنَّكِ تُصَلِّينَهُمَا، وَقَدْ بَلَغَنَا أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ نَهَى عَنْهُمَا وَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: وَكُنْتُ أَضْرِبُ النَّاسَ مَعَ عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ عَنْهُمَاقَالَ كُرَيْبٌ: فَدَخَلْتُ عَلَى عَائِشَةَ، فَبَلَّغْتُهَا مَا أَرْسَلُونِي؛ فَقَالَتْ: سَلْ أُمَّ سَلَمَةَ فَخَرَجْتُ إِلَيْهِمْ فَأَخْبَرْتُهُمْ بِقَوْلِهَا، فَرَدُّونِي إِلَى أُمِّ سَلَمَةَ بِمِثْلِ مَا أَرْسَلُونِي بِهِ إِلَى عَائِشَةَ، فَقَالَتْ أُمُّ سَلَمَةَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَنْهَى عَنْهَا ثُمَّ رَأَيْتُهُ يُصَلِّيهِمَا حِينَ صَلَّى الْعَصْرَ، ثُمَّ دَخَلَ وَعِنْدِي نِسْوَةٌ مِنْ بَنِي حَرَامٍ مِنَ الأَنْصَارِ، فَأَرْسَلْتُ إِلَيْهِ الْجَارِيَةَ، فَقُلْتُ قُومِي بِجَنْبِهِ، قُولِي لَهُ: تَقُولُ لَكَ أُمُّ سَلَمَةَ يَا رَسُولَ اللهِ سَمِعْتُكَ تَنْهَى عَنْ هَاتَيْنِ وَأَرَاكَ تُصَلِّيهِمَا فَإِنْ أَشَارَ بِيَدِهِ فَاسْتأْخِرِي عَنْهُ فَفَعَلَتِ الْجَارِيَةُ، فَأَشَارَ بِيَدِهِ فَاسْتَأْخَرَتْ عَنْهُ فَلَمَّا انْصَرَفَ، قَالَ: يَا بِنْتَ أَبِي أُمَيَّةَ سَأَلْتِ عَنِ الرَّكْعَتَيْنِ بَعْدَ الْعَصْرِ،

وَإِنَّهُ أَتَانِي نَاسٌ مِنْ عَبْدِ الْقَيْسِ فَشَغَلُونِي عَنِ الرَّكْعَتَيْنِ اللَّتَيْنِ بَعْدَ الظُّهْرِ، فَهُمَا هَاتَانِ477 – Van Umm Salamah via Kurayb (رضي الله عنهما):

Ibn ʿAbbās, al-Miswar ibn Makhramah en ʿAbd ar-Raḥmān ibn Azhar stuurden Kurayb naar ʿĀishah en zeiden: “Breng haar onze salām over en vraag haar naar de twee rakaʿāt (ṣalāh) na ṣalāh al-ʿaṣr. Zeg tegen haar: 'Wij hebben gehoord dat u deze verricht, terwijl wij ook hebben vernomen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh op dat tijdstip heeft verboden.' En Ibn ʿAbbās zei: “Samen met ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb legde ik de mensen een straf op om hen ervan te weerhouden die twee rakaʿāt te verrichten.”Kurayb zei: “Ik ging naar ʿĀishah en bracht haar hun boodschap over. Zij zei: 'Vraag het aan Ummu Salamah.'“Ik keerde terug (naar de ṣaḥābah) en vertelde hen wat zij gezegd had. Zij stuurden mij vervolgens met dezelfde boodschap naar Ummu Salamah.Ummu Salamah zei: “Ik hoorde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het (de twee rakaʿāt (ṣalāh) na ṣalāh al-ʿaṣr) verbood, maar daarna zag ik hem die twee rakaʿāt toch verrichten nadat hij ṣalāh al-ʿaṣr had verricht.Daarna kwam hij binnen terwijl er vrouwen van Banū Ḥarām van de Anṣār bij mij aanwezig waren. Ik stuurde een dienstmeisje naar hem en zei:'Ga naast hem staan en zeg tegen hem: “Ummu Salamah zegt:’ O Rasûlullāh , ik hoorde u deze twee rakaʿāt verbieden en nu zie ik dat u het verricht.” Als hij met zijn hand een gebaar maakt, ga dan bij hem terug.'

Het dienstmeisje deed dat, en hij gebaarde met zijn hand, waarop zij zich van hem verwijderde.

Toen hij klaar was, zei hij: 'O dochter van Abī Umayyah, jij vroeg mij over de twee rakaʿāt na ṣalāh al-ʿaṣr. Er kwamen mensen van ʿAbd al-Qays en zij hielden mij bezig, waardoor ik de twee rakaʿāt na ṣalāh aẓ-ẓuhr niet kon bidden.

Deze twee (rakaʿāt na ṣalāh al-`asr) is de vervanging ervan.'

٤٧٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: رَكْعَتَانِ لَمْ يَكُنْ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدَعُهُمَا سِرًّا وَلاَ عَلاَنِيَةً؛ رَكْعَتَانِ قَبْلَ صَلاَةِ الصُّبْحِ، وَرَكْعَتَانِ بَعْدَ الْعَصْرِ478 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Twee rakaʿāh die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit achterwege liet, noch in in zijn privéleven noch in de gemeenschap, zijn de twee rakaʿāh vóór de (farḍ van) ṣalāh aṣ-ṣubḥ en twee rakaʿāh na de (farḍ van) ṣalāh al-ʿaṣr (zie voor uitleg hierboven).

[In het eerste deel van de ḥadīth wordt benadrukt dat de twee rakaʿāh sunnah vóór de farḍ van de ṣalāh al-fajr de meest verdienstelijke van alle vrijwillige gebeden zijn. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei hierover:"De twee rakaʿāh van de ochtend-ṣalāh zijn beter dan de wereld en alles wat zich daarin bevindt." (Muslim, Ṣalwātu l-Musāfirīn, 96)

Het tweede deel van de ḥadīth, waarin de twee rakaʿāh sunnah na de farḍ van de ṣalāh al-ʿaṣr worden genoemd, vraagt om nadere uitleg. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft namelijk het verrichten van ṣalāh na de ʿaṣr over het algemeen verboden, ook op het moment dat de zon haar hoogste stand bereikt.

Uit onderzoek naar deze overlevering blijkt de situatie als volgt te zijn geweest: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte altijd consistent de twee rakaʿāh sunnah na de farḍ van de ṣalāh az-ẓuhr, een type vrijwillige ṣalwāt dat door zijn voortdurende uitvoering wordt aangeduid als muʾakkad sunnah.

Op een keer was Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door de komst van een delegatie zo druk dat hij deze twee rakaʿāh, normaal direct na de ṣalāh az-ẓuhr, niet kon verrichten. Nadat zijn bezigheden waren afgerond, verrichtte hij de ṣalāh in het huis van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), ná de ṣalāh al-ʿaṣr. Dit zijn de twee rakaʿāh sunnah waar ʿĀʾishah (رضي الله عنها) in haar overlevering naar verwijst. Buiten deze uitzonderlijke situatie verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen vrijwillige ṣalāh na de ṣalāh al-ʿaṣr.] (Diyanet)

Aanbeveling van twee rakaʿāh vóór de ṣalāh al-maghribاستحباب ركعتين قبل صلاة المغرب

٤٧٩ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: كَانَ الْمُؤذِّنُ إِذَا أَذَّنَ، قَامَ نَاسٌ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ يَبْتَدِرُونَ السَّوَارِيَ حَتَّى يَخْرُجَ النَّبِيُّ ﷺ وَهُمْ كَذلِكَ يُصَلُّونَ الرَّكْعَتَيْنِ قَبْلَ الْمَغْرِبِ، وَلَمْ يَكُنْ بَيْنَ الأَذَانِ وَالإِقَامَةِ شَيْءٌ

479 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Wanneer de muʾaḏḏhin de aḏān (van ṣalāh al-maghrib) opriep, stonden sommige metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op en haastten zich voor de zuilen (in de moskee om nafilah ṣalāh te verrichten). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam naar buiten, en zij waren nog bezig met het verrichten van de twee rakaʿāh vóór de (farḍ van) ṣalāh al-maghrib. Terwijl er tussen de aḏān en de iqāmah geen meer tijd was.

Ṣalāh tussen de aḏān en de iqāmah

بين كل أذانين صلاة

٤٨٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مُغَفَّلٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بَيْنَ كلِّ أَذَانَيْنِ صَلاَةٌ، بَيْنَ كُلِّ أَذَانَيْنِ صَلاَةٌ ثُمَّ قَالَ فِي الثَّالِثَةِ: لِمَنْ شَاءَ

480 – Van ʿAbdullāh ibn Muġaffal (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen elke twee aḏāns (aḏān en iqāmah) is er ṣalāh. Tussen elke twee aḏāns (aḏān en iqāmah) is er ṣalāh.” En bij de derde keer zei hij: “Voor wie dat wil.”

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat iedereen die dat wenst tussen het oproepen van de aḏān (de oproep tot de ṣalāh) en het uitspreken van de iqāmah (de aankondiging van het begin van de farḍ-ṣalāh), vrijwillige (nafilah) ṣalāh mag verrichten. Naast de vijf verplichte farḍ-ṣalwāt die dagelijks worden verricht, kan men in deze tussenperiode de zogenaamde “rawātib sunnah”, de regelmatig met de vijf dagelijkse ṣalāh verbonden sunnahṣalwāt, of andere vrijwillige ṣalwāt verrichten.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in sommige aḥadīth deze toestemming omschreven als “tussen de twee aḏāns”, waarmee wordt bedoeld de aḏān en de iqāmah.] (Diyanet)

De ṣalāh van angst/vrees (ṣalāh al-khawf)

صلاة الخوف

٤٨١ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ صَلَّى بِإِحْدَى الطَّائِفَتَيْنِ، وَالطَّائِفَةُ الأُخْرَى مُوَاجِهَةَ الْعَدُوِّ، ثُمَّ انْصَرَفُوا، فَقَامُوا فِي مَقَامِ أَصْحَابِهِمْ، فَجَاءَ أُولئِكَ فَصَلَّى بِهِمْ رَكْعَةً، ثُمَّ سَلَّمَ عَلَيْهِمْ، ثُمَّ قَامَ هؤلاَءِ فَقَضَوْا رَكْعَتَهُمْ، وَقَامَ هؤلاَءِ فَقَضَوْا رَكْعَتَهُمْ

481 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte (tijdens een oorlog) (de farḍ) ṣalāh al-khawf (angst/vreesṣalāh ) met één van de twee groepen, terwijl de andere groep de vijand in het oog hield. Daarna vertrok (de eerste groep), en gingen zij (de tweede groep) op de plaats staan van hun metgezellen. Toen kwam die andere groep (de tweede groep), en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte met hen één rakaʿāh . Vervolgens (beeindigde hij de ṣalāh) met de taslīm. Daarna voltooide deze groep hun resterende rakaʿāh , en ook de anderen voltooiden hun (resterende) rakaʿāh .

٤٨٢ - حديث سَهْلِ بْنِ أَبِي حَثْمَةَ، قَالَ: يَقُومُ الإِمَامُ مُسْتَقْبِلَ الْقِبْلَةِ، وَطَائِفَةٌ مِنْهُمْ مَعَهُ، وَطَائِفَةٌ مِنْ قِبَلِ الْعَدُوِّ، وُجُوهُهُمْ إِلَى الْعَدُوِّ، فَيُصَلِّي بِالَّذِينَ مَعَهُ رَكْعَةً، ثُمَّ يَقُومُونَ فَيَرْكَعُونَ لأَنْفُسِهِمْ رَكْعَةً، وَيَسْجُدُونَ سَجْدَتَيْنِ فِي مَكَانِهِمْ، ثُمَّ يَذْهَبُ هؤلاَءِ إِلَى مَقَامِ أُولئِكَ فَيَرْكَعُ بِهِمْ رَكْعَةً، فَلَهُ ثِنْتَانِ، ثُمَّ يَرْكَعُونَ وَيَسْجُدُونَ سَجْدَتَيْنِ482 – Van Sahl ibn Abī Ḥathmah (رضي الله عنه):De imām staat met het gezicht naar de qiblah, met een groep (gelovigen) achter hem, en een andere groep staat tegenover de vijand, hun gezichten naar de vijand gericht. De imām verricht (de farḍ) ṣalāh al-khawf met degenen die met hem zijn één rakaʿāh, daarna voltooien zij zelf hun tweede rakaʿāh en verrichten hun twee sujūd op hun plek. Vervolgens gaan zij naar de positie van de andere groep, en dan verricht de imām met hen één rakaʿāh, zo heeft hij er twee, waarna zij hun tweede rakaʿāh en de twee sujūd zelf voltooien.

٤٨٣ - حديث خَوَّاتِ بْنِ جُبَيْرٍ عَنْ صَالِحِ بْنِ خَوَّاتٍ عَمَّنْ شَهِدَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَوْمَ ذَاتِ الرِّقَاعِ صَلَّى صَلاَةَ الْخَوْفِ؛ أَنَّ طَائِفَةً صَفَّتْ مَعَهُ، وَطَائِفَةٌ وُجَاهَ الْعَدُوِّ، فَصَلَّى ⦗١٦٢⦘ بِالَّتِي مَعَهُ رَكْعَةً، ثُمَّ ثَبَتَ قَائمًا، وَأَتَمُّوا لأَنْفُسِهِمْ، ثُمَّ انْصَرَفُوا فَصَفُّوا وُجَاهَ الْعَدُوِّ، وَجَاءَتِ الطَّائِفَةُ الأُخْرَى فَصَلَّى بِهِمِ الرَّكْعَةَ الَّتِي بَقِيَتْ مِنْ صَلاَتِهِ، ثُمَّ ثَبَتَ جَالِسًا وَأَتَمُّوا لأَنْفُسِهِمْ، ثُمَّ سَلَّمَ بِهِمْ483 – Van Ḫawwāt ibn Jubayr (رضي الله عنه) via Ṣāliḥ ibn Ḫawwāt over iemand die de ṣalāh al khawf met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft meegemaakt op de dag van Dhāt ar-Riqāʿ:Een groep stelde zich achter hem op, en een andere groep stond tegenover de vijand. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte met de groep die met hem was één rakaʿāh, daarna bleef hij staan terwijl zij hun ṣalāh voltooiden. Vervolgens vertrokken zij om tegenover de vijand plaats te nemen. Toen kwam de tweede groep, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte met hen de overgebleven rakaʿāh van de ṣalāh. Vervolgens bleef hij zitten, totdat zij hun ṣalāh voltooiden.

Daarna beëindigde hij samen met hen de ṣalāh met de taslīm.

٤٨٤ - حديث جَابِرٍ، قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ بِذَاتِ الرِّقَاعِ، فَإِذَا أَتَيْنَا عَلَى شَجَرَةٍ ظَلِيلَةٍ تَرَكْنَاهَا لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَجَاءَ رَجُلٌ مِنَ الْمُشْرِكِينَ وَسَيْفُ النَّبِيِّ ﷺ مُعَلَّقٌ بِالشَّجَرَةِ، فَاخْتَرَطَهُ، فَقَالَ: تَخَافُنِي قَالَ: لاَ قَالَ: فَمَنْ يَمْنَعُكَ مِنِّي قَالَ: اللهُ فَتَهَدَّدَهُ أَصْحَابُ النَّبِيِّ ﷺ، وَأُقِيمَتِ الصَّلاَةُ، فَصَلَّى بِطَائِفَةٍ رَكْعَتَيْنِ ثُمَّ تَأَخَّرُوا، وَصَلَّى بِالطَّائِفَةِ الأُخْرَى رَكْعَتَيْنِ؛ وَكَانَ لِلنَّبِيِّ ﷺ أَرْبَعٌ، وَلِلْقَوْمِ رَكْعَتَانِ484 – Van Jābir (رضي الله عنه):Wij waren met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de veldtocht van Dhāt ar-Riqāʿ. Wanneer we bij een schaduwrijke boom kwamen, lieten we deze voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . Een man van de polytheisten kwam er aan, terwijl het zwaard van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan de boom hing. Hij trok het zwaard en zei: “Ben je bang voor mij?” Hij antwoordde: “Nee.” Hij zei: “Wie zal jou tegen mij beschermen?” Hij antwoordde: “Allāh.” Toen bedreigden de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem.

Vervolgens werd de ṣalāh (al khawf) verricht. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte met een groep twee rakaʿāh en toen trokken zij zich terug. Daarna verrichtte hij met de andere groep twee rakaʿāh. Zo verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vier rakaʿāh en de mensen twee rakaʿāh.

[De ṣalāh die op een afwijkende wijze wordt verricht van de reguliere gebeden, en in groepsverband wordt uitgevoerd bij dreiging of gevaar, wordt angst-ṣalāh (ṣalāh al-khawf) genoemd.

De basis voor deze ṣalāh vindt men in de Qur’ān, onder andere in sûrah al-Baqarah (āyah 239) en sûrah an-Nisāʾ (āyah 102).

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft deze ṣalāh vierentwintig keer laten verrichten op vier verschillende locaties, telkens in een van zeven verschillende vormen, afhankelijk van de situatie. Eén van deze vormen wordt in de hierboven genoemde ḥadīth beschreven, en dit is ook de vorm die door de Ḥanafī-madzhab wordt geprefereerd.

Het doel van de ṣalāh al-khawf is dat men noch de deugdzaamheid van het bidden achter een vrome imām, noch de beloning van congregatie-ṣalāh verliest, zelfs onder dreiging. Wanneer het gevecht echter zeer hevig is, mag elke soldaat zijn ṣalāh individueel verrichten, zelfs staand met slechts een hoofdbeweging (īmāʾ).

Imām Abū Yūsuf stelde dat de ṣalāh al-khawf een praktijk was die uitsluitend voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gold en nadien was nāsikh (opgeheven). De meerderheid van de geleerden is echter van mening dat deze vorm van ṣalāh niet is afgeschaft en nog steeds geldig is.] (AFK)