As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu sifāti’l munāfiqīn wa ahkāmahum: Boek over de eigenschappen van huichelaars en het oordeel over hen

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu sifāti’l munāfiqīn wa ahkāmahum: Boek over de eigenschappen van huichelaars en het oordeel over hen

[Een munāfiq is iemand die innerlijk niet werkelijk gelooft, maar zich uiterlijk als moslim voordoet. Het woord munāfiq verwijst naar een persoon die zich binnen de islamitische gemeenschap om uiteenlopende redenen en uit eigenbelang als moslim presenteert, terwijl hij zijn vijandschap jegens Allah, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de gelovigen verbergt.De Qur’ān verdeelt de mensen in drie groepen: gelovigen, ongelovigen en hypocrieten. Hij vermeldt dat de hypocrieten de slechtsten zijn onder de mensen en beschrijft hun tweegezichtige, dubbelhartige aard.

Wanneer nifāq zich in het hart bevindt, is het ongeloof; wanneer het zich uit in daden, is het een zonde.”Daarom wordt de staat van nifāq bij de hypocrieten onderverdeeld in twee soorten:

1.Geloofsnifāq (nifāq al-`itīqād):Dit is de vorm die in de Qur’ān wordt beschreven: de persoon krijgt in deze wereld de behandeling van een moslim, maar wanneer in het Hiernamaals zijn ongeloof zichtbaar wordt, krijgt hij een nog zwaardere straf dan de ongelovigen. Hij vertoont schijn van geloof, terwijl zijn hart ongeloof bevat.

2. Praktische/ethische hypocrisie (Nifāq al-`amal)

Dit verwijst naar de toestand van moslims die qua daden bepaalde trekken vertonen die lijken op geloofsnifāq, maar wier geloof niet in gevaar is en waarin geen werkelijk nifāq van het hart aanwezig is.] (HA)

١٧٦٥ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فِي سَفَرٍ أَصَابَ النَّاسَ فِيهِ شِدَّةٌ فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ أُبَيٍّ لأَصْحَابِهِ: لاَ تُنْفِقُوا عَلَى مَنْ عِنْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ حَتَّى يَنْفَضُّوا مِنْ حَوْلِهِ وَقَالَ: لَئِنْ رَجَعْنَا إِلَى الْمَدِينَةِ، لَيُخْرِجَنَّ الأَعَزُّ مِنْهَا الأَذَلَّ فَأَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، فَأَخْبَرْتُهُ فَأَرْسَلَ إِلَى عَبْدِ اللهِ بْنِ أُبَيٍّ، فَسَأَلَهُ، فَاجْتَهَدَ يَمِينَهُ مَا فَعَلَ قَالُوا: كَذَبَ زَيْدٌ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَوَقَعَ فِي نَفْسِي مِمَّا قَالُوا شِدَّةٌ حَتَّى أَنْزَلَ اللهُ ﷿ تَصْدِيقِي فِي (إِذَا جَاءَكَ الْمُنَافِقُونَ) فَدَعَاهُمُ النَّبِيُّ ﷺ، لِيَسْتَغْفِرَ لَهُمْ فَلَوَّوْا رُءُوسَهُمْ وَقَوْلُهُ (خُشُبٌ مُسَنَّدَةٌ) قَالَ: كَانُوا رِجَالًا، أَجْمَلَ شَيْءٍ1765 – Van Zayd ibn Arkam رضي الله عنه :We waren samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een reis.

Gedurende de reis werden de mensen getroffen door hardheid, moeilijkheden en honger. Daarop zei `Abdullah ibn Ubey (het hoofd van de huichelaars) tegen zijn metgezellen: “Geef geen voedsel aan de mensen die bij Rasûlullāh zijn, zodat ze van hem weg zullen gaan. Als we terugkeren naar Madīnah, zullen de eervollen de vernederden (uit Madīnah) verdrijven.”Naar aanleiding van deze woorden kwam ik naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en bracht het hem dit bericht.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde iemand naar `Abdullah ibn Ubey om hem te vragen of hij die woorden inderdaad had gezegd. `Abdullah ibn Ubay zwoer dat hij zulke woorden niet had gezegd. Toen zeiden de mensen: “Zayd heeft tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gelogen.”Vanwege de woorden die zij uitspraken, voelde ik me innerlijk ongemakkelijk. Deze situatie duurde voort totdat de āyah werd geopenbaard:إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُنَٰفِقُونَ قَالُواْ نَشۡهَدُ إِنَّكَ لَرَسُولُ ٱللَّهِۗ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ إِنَّكَ لَرَسُولُهُۥ وَٱللَّهُ يَشۡهَدُ إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ لَكَٰذِبُونَ ١

Als de hypocrieten tot jou komen, zeggen zij: “Wij getuigen dat jij werkelijk de Boodschapper van Allāh bent.” En Allāh weet dat jij inderdaad Zijn Boodschapper bent en Allāh getuigt dat de hypocrieten zeker leugenaars zijn. (surah al-Munāfiqûn 63/1)

Door deze āyah bevestigde Allāh (عَزَّ وَجَلَّ) mijn woorden. Na deze āyah riep Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hen op om vergiffenis van Allāh te vragen. Maar zij draaiden hun hoofd weg. En Zijn uitspraak ( خُشُبٌ مُسَنَّدَة : “Als opgestapelde, tegen elkaar geleunde houten balken”*.Hij zei: “Zij waren mannen van het mooiste uiterlijk.”

{*: verwijst naar de uitleg van de Qur’ān (Sūrah al-Munāfiqūn, vers 4) waar de huichelaars vergeleken worden met mooie, maar holle houten balken: uiterlijk aantrekkelijk, maar innerlijk leeg.}

١٧٦٦ - حديث جَابِرٍ ﵁ قَالَ: أَتَى النَّبِيُّ ﷺ، عَبْدَ اللهِ بْنَ أُبَيٍّ، بَعْدَ مَا دُفِنَ فَأَخْرَجَهُ، فَنَفَثَ فِيهِ مِنْ رِيقِهِ، وَأَلْبَسَهُ قَمِيصَهُ1766 – Van Jābir (رضي الله عنه):ʿAbdullāh ibn Ubay was al begraven toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij hem kwam. Hij liet hem weer opgraven, spuugde (zijn speeksel) in zijn mond en wikkelde zijn (eigen) hemd (qamīs) om hem heen.

[Toen de leider van de munāfiqūn, ʿAbdullah ibn Ubay, overleed, kwam zijn moslim zoon `Abdullah (رضي الله عنه) naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg hem om zijn hemd. Hij hoopte zijn vader hiermee in te wikkelen bij de lijkwade, in de hoop dat dit zou bijdragen aan zijn vergeving. Tevens verzocht hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om de ṣalāh al-janāzah over hem te leiden.Hoewel Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn grenzeloze barmhartigheid deze ṣaḥābī niet wilde kwetsen, werd hij uiteindelijk door Allāh (عز وجل) gewaarschuwd. De details van dit voorval worden in de volgende ḥadīth vermeld.De houding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd niet uitgelegd als een eerbetoon aan de munāfiq, maar als een manier om het hart van zijn gelovige zoon te troosten, ongeacht of dit tot vergeving voor zijn vader zou leiden of niet.Zoals bekend, was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door zijn vrijgevigheid en edelmoedigheid altijd een voorbeeld voor ons. Jābir ibn ʿAbdullah (رضي الله عنه) heeft hierover gezegd: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei nooit ‘nee’ wanneer hem om iets gevraagd werd.” (Muslim, Faḍāʾil, 56) ] (Diyanet)

١٧٦٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ ﵄ أَنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ أُبَيٍّ، لَمَّا تُوُفِّيَ، جَاءَ ابْنُهُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَعْطِنِي قَمِيصَكَ أُكَفِّنْهُ فِيهِ، وَصلِّ عَلَيْهِ، وَاسْتَغْفِرْ لَهُ فَأَعْطَاهُ النَّبِيُّ ﷺ، قَمِيصَهُ فَقَالَ: آذِنِّي أُصَلِّي عَلَيْهِ فَآذَنَه فَلَمَّا أَرَادَ أَنْ يُصَلِّيَ عَلَيْهِ، جَذَبَهُ عُمَرُ ﵁ فَقَالَ: أَلَيْسَ اللهُ نَهَاكَ أَنْ تُصَلِّيَ عَلَى الْمُنَافِقِينَ فَقَالَ: أَنَا بَيْنَ خِيْرَتَيْنِ قَالَ (اسْتَغْفِرْ لَهُمْ أَوْ لاَ تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ إِنْ تَسْتَغْفِرْ لَهُمْ سَبْعِينَ مَرَّة، فَلَنْ يَغْفِرَ اللهُ لَهُمْ) فَصَلَّى عَلَيْهِ فَنَزَلَتْ (وَلاَ تصَلِّ عَلَى أَحَدٍ مِنْهُمْ مَاتَ أَبَدًا)1767 - Van Ibn 'Umar (رضي الله عنهما):Toen '`Abdullah ibn Ubay overleed, kwam zijn zoon naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei:'O Rasûlullāh, geef mij uw hemd zodat ik hem (`Abdullah ibn Ubay ) daarin kan wikkelen.

(Wilt u) de salāh al-janāzah over hem verrichten en vergiffenis om hem vragen.' Toen gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn hemd aan hem. Hij zei: 'Laat mij weten wanneer jullie de salāh al-janāzah gaan verrichten, zodat ik het kan verrichten.' Hij liet hem dat weten. Maar toen hij op het punt stond de salāh al-janāzah voor hem te verrichten, trok 'Umar (رضي الله عنه) hem weg en zei: 'Heeft Allāh u niet verboden salāh (al-janāzah) te verrichten voor de hypocrieten?'Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : 'Ik heb de keuze gekregen.' Hij citeerde:

ٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ أَوۡ لَا تَسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ إِن تَسۡتَغۡفِرۡ لَهُمۡ سَبۡعِينَ مَرَّةٗ فَلَن يَغۡفِرَ ٱللَّهُ لَهُمۡۚ ذَٰلِكَ بِأَنَّهُمۡ كَفَرُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦۗ وَٱللَّهُ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡفَٰسِقِينَ ٨٠

Of jij nu vergeving voor hen vraagt of geen vergeving voor hen vraagt, (en zelfs) als jij zeventig maal voor hen vergeving vraagt, Allāh zal hen niet vergeven, want zij waren ongelovig aan Allāh en Zijn Boodschapper. Allāh leidt geen mensen die verdorven zijn. (sûrah at Tawbah: 9:80)Daarop verrichtte hij de salāh al-janāzah voor hem. Toen werd de volgende āyah geopenbaard:وَلَا تُصَلِّ عَلَىٰٓ أَحَدٖ مِّنۡهُم مَّاتَ أَبَدٗا وَلَا تَقُمۡ عَلَىٰ قَبۡرِهِۦٓۖ إِنَّهُمۡ كَفَرُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦ وَمَاتُواْ وَهُمۡ فَٰسِقُونَ ٨٤

En bid nooit het begrafenisgebed over een dode van hen en sta niet bij zijn graf. Zeker, zij waren ongelovig aan Allāh en Zijn Boodschapper en zij stierven terwijl zij verdorven waren. (sûrah at-Tawbah 9:84)

[In de ḥadīth die Jâbir (رضي الله عنه) van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) heeft overgeleverd, wordt het gedrag van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegenover de begrafenis van de leider van de hypocrieten, `Abdullah Ibn Ubay, beschreven. Eigenlijk was hij geen goed mens; hoewel hij zich als moslim voordeed, was hij in werkelijkheid een ongelovige en schroomde hij niet om allerlei intriges te smeden om de Islāmitische gemeenschap te verdelen. Zijn positie als leider van de Hazraj-stam beïnvloedde echter de houding van zijn stamgenoten ten opzichte van de Islām en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Daarom toonde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ondanks zijn innerlijke kennis van zijn ongeloof, uit politieke wijsheid belangstelling voor zijn begrafenis, om de Hazraj-stam voor de Islām te winnen. Hierop volgde vervolgens, zoals in de bovengenoemde ḥadīth wordt vermeld, een goddelijke waarschuwing (sûrah at-Tawbah: 84).Volgens de gegevens van Imām `Aynī heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door zijn houding tegenover deze begrafenis ervoor gezorgd dat duizend mensen uit de Hazraj-stam de Islām omarmden.De zoon van `Abdullah Ibn Ubay, namelijk `Abdullah Ibn `Abdullah Ibn Ubay (رضي الله عنه), was een oprechte moslim die aan vele veldtochten naast an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deelnam. Hij had zelfs toestemming gevraagd om zijn eigen vader te doden vanwege diens vijandigheid jegens de Islām.Zoals uit de bovengenoemde ḥadīth blijkt, leidde de vraag of Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou deelnemen aan de begrafenis van `Abdullah Ibn Ubay tot discussies.

Daarom besloot zijn zoon om Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen last te bezorgen, en de begrafenis zonder hem te laten voltrekken.Later, toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hiervan hoorde, en omdat hij eerder had beloofd de salāh al-janāzah te verrichten, liet hij het graf openen en wikkelde hij hem in zijn eigen hemd.Er wordt overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn hemd zal hem nooit van Allāhs bestraffing kunnen redden, maar ik hoop dat hierdoor velen van zijn volk de Islām zullen omarmen.” Ook wordt uit deze ḥadīth afgeleid dat het openen van een graf toegestaan is wanneer daar een dringende reden voor is.] (AFK)

١٧٦٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: اجْتَمَعَ عِنْدَ الْبَيْتِ قُرَشِيَّانِ وَثَقَفِيٌّ، أَوْ ثَقَفِيَّانِ وَقُرَشِيٌّ كَثِيرَةٌ شَحْمُ بُطُونِهِمْ قَلَيلَةٌ فِقْهُ قُلُوبِهِمْ فَقَالَ أَحَدُهُمْ: أَتُرَوْنَ أَنَّ اللهَ يَسْمَعُ مَا نَقُولُ قَالَ الآخَرُ: يَسْمَعُ إِنْ جَهَرْنَا، وَلاَ يَسْمَعُ إِنْ أَخْفَيْنَا وَقَالَ الآخَرُ: إِنْ كَانَ يَسْمَعُ إِذَا جَهَرْنَا، فَإِنَّهُ يَسْمَعُ إِذَا أَخْفَيْنَا فَأَنْزَلَ اللهُ ﷿ (وَمَا كُنْتُمْ تَسْتَتِرُونَ أَنْ يَشْهَدَ عَلَيْكُمْ سَمْعُكُمْ وَلاَ أَبْصَارُكُمْ وَلاَ جُلُودُكُمْ) الآيةَ1768 - Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):Bij het Huis (de Ka'bah) kwamen twee mannen van de stam Thaqīf en een Quraishiet samen, of twee Quraishieten en een man van de stam Thaqīf. Zij hadden dikke buiken en weinig begrip in hun hart.

Een van hen zei: “Denken jullie dat Allāh hoort wat wij zeggen?” De ander antwoordde: “Hij hoort ons als wij het luid uitspreken, maar niet als wij het fluisteren.” De derde zei: “Als Hij ons hoort als wij het luid uitspreken, dan hoort Hij ons ook als wij het fluisteren.”Daarop openbaarde Allahu تعالى :

وَمَا كُنتُمۡ تَسۡتَتِرُونَ أَن يَشۡهَدَ عَلَيۡكُمۡ سَمۡعُكُمۡ وَلَآ أَبۡصَٰرُكُمۡ وَلَا جُلُودُكُمۡ وَلَٰكِن ظَنَنتُمۡ أَنَّ ٱللَّهَ لَا يَعۡلَمُ كَثِيرٗا مِّمَّا تَعۡمَلُونَ ٢٢

En jullie kunnen je er niet voor verstoppen want jullie oren, en jullie ogen en jullie huid zullen tegen jullie getuigen, maar jullie dachten dat Allāh niet veel wist over de daden die jullie begingen. (Surah Fussilat: 22).

١٧٦٩ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا خَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ إِلَى أُحُدٍ، رَجَعَ ناسٌ مِنْ أَصْحَابِهِ فَقَالَتْ فِرْقَةٌ: نَقْتُلُهُمْ وَقَالَتْ فِرْقَةٌ: لاَ نَقْتُلُهُمْ فَنَزَلَتْ (فَمَا لَكُمْ فِي الْمُنَافِقِينَ فِئَتَيْنِ)1769 – Van Zayd Ibn Thabit (رضي الله عنه):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Uḥud ging, keerden enkele mensen (huichelaars) onder zijn metgezellen terug (van het slagveld). Een groep zei (over de deserteurs) : “Laten we hen doden,” en een andere groep zei: “Nee, laten we hen niet doden.” Toen werd (de volgende āyah) geopenbaard:۞ فَمَا لَكُمۡ فِي ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِئَتَيۡنِ وَٱللَّهُ أَرۡكَسَهُم بِمَا كَسَبُوٓاْۚ أَتُرِيدُونَ أَن تَهۡدُواْ مَنۡ أَضَلَّ ٱللَّهُۖ وَمَن يُضۡلِلِ ٱللَّهُ فَلَن تَجِدَ لَهُۥ سَبِيلٗا ٨٨

Wat scheelt jullie, dat jullie ten aanzien van de hypocrieten in twee partijen verdeeld zijn? Allāh heeft hen teruggeworpen vanwege wat zij verdiend hebben. Willen jullie degene leiden die door Allāh tot dwaling gebracht zijn?

En voor hen, die Allāh doet dwalen, daar kunnen jullie nooit een weg voor vinden. (Surah an-Nisa: 88).An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij (Madīnah) zuivert de mannen, zoals vuur de onzuiverheden uit ijzer verwijdert.”

١٧٧٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، أَنَّ رِجَالًا مِنَ الْمُنَافِقِينَ، عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ كَانَ إِذَا خَرَجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلَى الْغَزْوِ، تَخَلَّفُوا عَنْهُ، وَفَرِحُوا بِمَقْعَدِهِمْ خِلاَفَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَإِذَا قَدِمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، اعْتَذَرُوا إِلَيْهِ، وَحَلَفُوا، وَأَحَبُّوا أَنْ يُحْمَدُوا بِمَا لَمْ يَفْعَلُوا فَنَزَلَتْ (لاَ يَحْسَبَنَّ الَّذِينَ يَفْرَحُونَ) الآية1770 - Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه):Er waren mannen onder de huichelaars in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die telkens wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop uit trok voor een strijd (ghazwa), achter bleven (in hun huizen) en waren blij met hun achterblijven tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terugkeerde (van de strijd), kwamen zij naar hem toe met excuses, legde eed af, en verheugden om geprezen te worden voor wat zij niet hadden gedaan.Toen werd (de volgende āyah) geopenbaard:

لَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ يَفۡرَحُونَ بِمَآ أَتَواْ وَّيُحِبُّونَ أَن يُحۡمَدُواْ بِمَا لَمۡ يَفۡعَلُواْ فَلَا تَحۡسَبَنَّهُم بِمَفَازَةٖ مِّنَ ٱلۡعَذَابِۖ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١٨٨

Denk niet dat degenen die zich verheugen in wat zij gedaan hebben en er van houden om geprezen te worden voor wat zij niet hebben gedaan, denken jullie maar niet dat zij gered zijn van de bestraffing en voor hen is er een pijnlijke bestraffing. (Surah Aal-i-Imran: 188).

[De uitleg van deze āyah: O Muhammed, denk niet dat degenen van het Boek die hun werkelijke daden verbergen en genieten van lof voor wat zij niet hebben gedaan, veilig zullen zijn voor Allāh's bestraffing. Zij aanbidden Allāh niet werkelijk, maar verheugen zich wanneer mensen hen prijzen als 'gehoorzame dienaren'. Wees ervan verzekerd dat zij in het Hiernamaals een pijnlijke straf te wachten staat. Deze verzen werden geopenbaard over de mensen van het Boek (ahl-i Kitāb).] (HY)

١٧٧١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ عَلْقَمَةَ بْنِ وَقَّاصٍ، أَنَّ مَرْوَانَ قَالَ لِبَوَّابِهِ: اذْهَبْ يَا رَافِعُ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، فَقُلْ: لَئِنْ كَانَ كُلُّ امْرٍىءٍ فَرِحَ بِمَا أُوتِيَ، وَأَحَبَّ أَنْ يُحْمَدَ بِمَا لَمْ يَفْعَلْ مُعَذَّبًا، لَنُعَذَّبَنَّ أَجْمعُونَ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاس: وَمَا لَكُمْ وَلِهذِهِ إِنَّمَا دَعَا النَّبِيُّ ﷺ يَهُودَ، فَسَأَلَهُمْ عَنْ شَيْءٍ، فَكَتَمُوهُ إِيَّاهُ، وَأَخْبَرُوهُ بِغَيْرِهِ فَأَرَوْهُ أَنْ قَدِ اسْتَحْمَدُوا إِلَيْهِ بِمَا أَخْبَرُوهُ عَنْهُ فِيمَا سَأَلَهُمْ وَفَرِحُوا بِمَا أُوتُوا مِنْ كِتْمَانِهِمْ ثُمَّ قَرَأَ ابْنُ عَبَّاسٍ (وَإِذْ أَخَذَ اللهُ مِيثَاقَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ) كَذلِكَ، حَتَّى قَوْلِهِ (يَفْرَحُونَ بِمَا أَتَوْا وَيُحِبُّونَ أَنْ يُحْمَدُوا بِمَا لَمْ يَفْعَلوا)1771 - Van Alqamah Ibn Waqqās (رضي الله عنه):Marwān ibnu’l Hakam (de gouverneur van Madīnah) tegen zei zijn portier (Rafi`):”O, Rafi', ga naar Ibn `Abbās en zeg tegen hem: 'Als iedereen die blij is met wat hij heeft gekregen (aan zegeningen) en graag geprezen wil worden voor wat hij niet heeft gedaan gestraft zou worden, dan zouden wij allemaal gestraft worden.'Ibn `Abbās antwoordde: “Wat hebben jullie hiermee (āyah) te maken? an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep de joden en vroeg hen iets.

Zij verborgen het (juiste antwoord) voor hem en gaven een ander antwoord.

Ze deden alsof ze hem correcte informatie gaven, Ze dachten dat ze met dit antwoord bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewaardeerd zouden worden.

Ze verheugden zich over wat zij verborgen hielden.

١٧٧١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ عَلْقَمَةَ بْنِ وَقَّاصٍ، أَنَّ مَرْوَانَ قَالَ لِبَوَّابِهِ: اذْهَبْ يَا رَافِعُ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، فَقُلْ: لَئِنْ كَانَ كُلُّ امْرٍىءٍ فَرِحَ بِمَا أُوتِيَ، وَأَحَبَّ أَنْ يُحْمَدَ بِمَا لَمْ يَفْعَلْ مُعَذَّبًا، لَنُعَذَّبَنَّ أَجْمعُونَ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاس: وَمَا لَكُمْ وَلِهذِهِ إِنَّمَا دَعَا النَّبِيُّ ﷺ يَهُودَ، فَسَأَلَهُمْ عَنْ شَيْءٍ، فَكَتَمُوهُ إِيَّاهُ، وَأَخْبَرُوهُ بِغَيْرِهِ فَأَرَوْهُ أَنْ قَدِ اسْتَحْمَدُوا إِلَيْهِ بِمَا أَخْبَرُوهُ عَنْهُ فِيمَا سَأَلَهُمْ وَفَرِحُوا بِمَا أُوتُوا مِنْ كِتْمَانِهِمْ ثُمَّ قَرَأَ ابْنُ عَبَّاسٍ (وَإِذْ أَخَذَ اللهُ مِيثَاقَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ) كَذلِكَ، حَتَّى قَوْلِهِ (يَفْرَحُونَ بِمَا أَتَوْا وَيُحِبُّونَ أَنْ يُحْمَدُوا بِمَا لَمْ يَفْعَلوا)1771 - Van Alqamah Ibn Waqqās (رضي الله عنه):Marwān ibnu’l Hakam (de gouverneur van Madīnah) tegen zei zijn portier (Rafi`):”O, Rafi', ga naar Ibn `Abbās en zeg tegen hem: 'Als iedereen die blij is met wat hij heeft gekregen (aan zegeningen) en graag geprezen wil worden voor wat hij niet heeft gedaan gestraft zou worden, dan zouden wij allemaal gestraft worden.'Ibn `Abbās antwoordde: “Wat hebben jullie hiermee (āyah) te maken? an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep de joden en vroeg hen iets. Zij verborgen het (juiste antwoord) voor hem en gaven een ander antwoord. Ze deden alsof ze hem correcte informatie gaven, Ze dachten dat ze met dit antwoord bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewaardeerd zouden worden. Ze verheugden zich over wat zij verborgen hielden. Toen reciteerde Ibn `Abbās:

١٧٧١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ عَلْقَمَةَ بْنِ وَقَّاصٍ، أَنَّ مَرْوَانَ قَالَ لِبَوَّابِهِ: اذْهَبْ يَا رَافِعُ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، فَقُلْ: لَئِنْ كَانَ كُلُّ امْرٍىءٍ فَرِحَ بِمَا أُوتِيَ، وَأَحَبَّ أَنْ يُحْمَدَ بِمَا لَمْ يَفْعَلْ مُعَذَّبًا، لَنُعَذَّبَنَّ أَجْمعُونَ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاس: وَمَا لَكُمْ وَلِهذِهِ إِنَّمَا دَعَا النَّبِيُّ ﷺ يَهُودَ، فَسَأَلَهُمْ عَنْ شَيْءٍ، فَكَتَمُوهُ إِيَّاهُ، وَأَخْبَرُوهُ بِغَيْرِهِ فَأَرَوْهُ أَنْ قَدِ اسْتَحْمَدُوا إِلَيْهِ بِمَا أَخْبَرُوهُ عَنْهُ فِيمَا سَأَلَهُمْ وَفَرِحُوا بِمَا أُوتُوا مِنْ كِتْمَانِهِمْ ثُمَّ قَرَأَ ابْنُ عَبَّاسٍ (وَإِذْ أَخَذَ اللهُ مِيثَاقَ الَّذِينَ أُوتُوا الْكِتَابَ) كَذلِكَ، حَتَّى قَوْلِهِ (يَفْرَحُونَ بِمَا أَتَوْا وَيُحِبُّونَ أَنْ يُحْمَدُوا بِمَا لَمْ يَفْعَلوا)1771 - Van Alqamah Ibn Waqqās (رضي الله عنه):Marwān ibnu’l Hakam (de gouverneur van Madīnah) tegen zei zijn portier (Rafi`):”O, Rafi', ga naar Ibn `Abbās en zeg tegen hem: 'Als iedereen die blij is met wat hij heeft gekregen (aan zegeningen) en graag geprezen wil worden voor wat hij niet heeft gedaan gestraft zou worden, dan zouden wij allemaal gestraft worden.'Ibn `Abbās antwoordde: “Wat hebben jullie hiermee (āyah) te maken? an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) riep de joden en vroeg hen iets. Zij verborgen het (juiste antwoord) voor hem en gaven een ander antwoord. Ze deden alsof ze hem correcte informatie gaven, Ze dachten dat ze met dit antwoord bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewaardeerd zouden worden. Ze verheugden zich over wat zij verborgen hielden. Toen reciteerde Ibn `Abbās:

وَإِذۡ أَخَذَ ٱللَّهُ مِيثَٰقَ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ لَتُبَيِّنُنَّهُۥ لِلنَّاسِ وَلَا تَكۡتُمُونَهُۥ فَنَبَذُوهُ وَرَآءَ ظُهُورِهِمۡ وَٱشۡتَرَوۡاْ بِهِۦ ثَمَنٗا قَلِيلٗاۖ فَبِئۡسَ مَا يَشۡتَرُونَ ١٨٧

(En gedenk) toen Allāh een verbond afsloot met degenen die het Boek was gegeven om het nieuws te verkondigen, Hij zei: “Opdat jullie het aan de mensheid duidelijk zouden maken en opdat jullie het niet zouden verbergen.” Maar zij gooiden het weg achter hun ruggen en verkochten het tegen een ellendige winst! En dat is zeker het slechtste wat zij kochten.

لَا تَحۡسَبَنَّ ٱلَّذِينَ يَفۡرَحُونَ بِمَآ أَتَواْ وَّيُحِبُّونَ أَن يُحۡمَدُواْ بِمَا لَمۡ يَفۡعَلُواْ فَلَا تَحۡسَبَنَّهُم بِمَفَازَةٖ مِّنَ ٱلۡعَذَابِۖ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ١٨٨

Denk niet dat degenen die zich verheugen in wat zij gedaan hebben en er van houden om geprezen te worden voor wat zij niet hebben gedaan, denken jullie maar niet dat zij gered zijn van de bestraffing en voor hen is er een pijnlijke bestraffing. (surah Aal-i-Imran: 187-188).

١٧٧٢ - حديث أَنَسٍ ﵁ قَالَ: كَانَ رَجُلٌ نَصْرَانِيًّا فَأَسْلَمَ، وَقَرَأَ الْبَقَرَةَ، وَآلَ عِمْرَانَ فَكَانَ يَكْتُبُ لِلنَّبِيِّ ﷺ فَعَادَ نَصْرَانِيًّا فَكَانَ يَقُولُ: مَا يَدْرِي مُحَمَّدٌ إِلاَّ مَا كَتَبْتُ لَهُ فَأَمَاتَهُ اللهُ، فَدَفَنُوهُ، فَأَصْبَحَ وَقَدْ لَفَظَتْهُ الأَرْضُ فَقَالُوا: هذَا فِعْلُ مُحَمَّدٍ وَأَصْحَابِهِ لَمَّا هَرَبَ مِنْهُمْ، نَبَشُوا عَنْ صَاحِبنَا فَأَلْقَوْهُ فَحَفَرُوا لَهُ، فَأَعْمَقُوا فَأَصْبَحَ وَقَدْ لَفَظَتْهُ الأَرْضُ فَقَالُوا: هذَا فِعْلُ مُحَمَّدٍ وَأَصْحَابِهِ نَبَشُوا عَنْ صَاحِبِنَا لَمَّا هَرَبَ مِنْهُمْ فَأَلْقَوْهُ فَحَفَرُوا لَهُ، وَأَعْمَقُوا لَهُ فِي الأَرْضِ، مَا اسْتَطَاعُوا فَأَصْبَحَ قَدْ لَفَظَتْهُ الأَرْضُ فَعَلِمُوا أَنَّهُ لَيْسَ مِنَ النَّاسِ، فَأَلْقَوْهُ1772 – Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Er was een man (onder de zonen van Najjār) die een christen was en daarna de Islām had omarmd.

Hij leerde surah al-Baqarah en surah Aali Imrān uit het hoofd en was een van de schrijvers van de openbaringen voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Later keerde hij terug naar het christendom en zei: “Muhammad weet niet meer dan ik voor hem heb geschreven.” Allāh nam zijn leven en ze begroeven hem. Maar (’s ochtends) zagen ze (de christenen) dat de aarde hem naar de oppervalakte had uitgeworpen.

Ze zeiden: “Dit is het werk van Muhammad en zijn metgezellen (omdat hij de Islām had verzaakt). Omdat hij uit hun midden is weggevlucht, hebben zij onze vriend opgegraven en eruit gegooid.”Ze begroeven hem nog dieper. Maar (’s ochtends) zagen ze dat hij weer was uitgeworpen.Weer zeiden zij: “Muḥammad en zijn metgezellen hebben dit gedaan! Zij hebben onze vriend opgegraven en eruit gegooid nadat hij uit hun midden is weggevlucht.”Ze begroeven hem nog dieper. Maar de aarde wierp hem opnieuw uit. Ze (christenen) begrepen nu dat hij niet door mensen (uit zijn graf was gehaald). Uiteindelijk lieten zij hem onbedekt achter.

De kenmerken van de Dag des Oordeels, het Paradijs en het Hellevuurصفة القيامة والجنة والنار[Volgens de islamitische geloofsleer is het universum geschapen. Het is later geschapen. Alles wat later geschapen is, is vergankelijk. Ook dit materiële universum zal op een dag tot haar einde komen. Dit grote einde wordt “Qiyāmah” genoemd.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat het tijdstip van de Qiyāmah zeer nabij is. De oproep van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tot de Islām zal voortduren tot de Qiyāmah. Zijn oproep tot de Islām en het plaatsvinden van de Qiyāmah zullen niet van elkaar gescheiden zijn.De tekenen van de Qiyāmah zijn er om de mens te waarschuwen, te onderrichten, uit hun achteloosheid te halen, tot tawbah aan te moedigen en om op het Hiernamaals voor te bereiden.De lexicale definitie van het woord Jannah is een tuin bestaande uit dadelpalmen en andere bomen. Jannah is afgeleid van de wortel janna, dat bedekken, verhullen betekent. Wanneer de ranken van dadelpalmen en de bladeren van bomen met veel takken zich in elkaar vlechten, vormen zij een koepelachtige bedekking die alles daaronder overschaduwt.In terminologische zin wordt met Jannah het verblijf bedoeld dat Allah, voor Zijn vrome dienaren heeft voorbereid als beloning voor hun oprechte geloof en hun rechtschapen daden.In de Qur’ān wordt Jannah met verschillende namen genoemd:

Jannah al-Ma’wā: de verblijfplaats van de gelovigen en de martelaren,

Jannah al-‘Adn: de tuin van verblijf en eeuwigheid,

Dāru’l-Khuld: het huis van eeuwigheid,

Firdaus: de allesomvattende paradijstuin,

Dāru’s-Salām: het huis van vrede en veiligheid,

Dāru’l-Muqāmah: de plaats van eeuwig verblijf,

Jannah an-Na‘īm: de tuinen vol met genietingen,

Maqāmu al-Amīn: de veilige verblijfplaats.

Deze benamingen duiden verschillende niveaus of lagen van de Jannah aan.

إِنَّ ٱللَّهَ ٱشۡتَرَىٰ مِنَ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ أَنفُسَهُمۡ وَأَمۡوَٰلَهُم بِأَنَّ لَهُمُ ٱلۡجَنَّةَۚ يُقَٰتِلُونَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَيَقۡتُلُونَ وَيُقۡتَلُونَۖ وَعۡدًا عَلَيۡهِ حَقّٗا فِي ٱلتَّوۡرَىٰةِ وَٱلۡإِنجِيلِ وَٱلۡقُرۡءَانِۚ وَمَنۡ أَوۡفَىٰ بِعَهۡدِهِۦ مِنَ ٱللَّهِۚ فَٱسۡتَبۡشِرُواْ بِبَيۡعِكُمُ ٱلَّذِي بَايَعۡتُم بِهِۦۚ وَذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ١١١

ٱلتَّٰٓئِبُونَ ٱلۡعَٰبِدُونَ ٱلۡحَٰمِدُونَ ٱلسَّٰٓئِحُونَ ٱلرَّٰكِعُونَ ٱلسَّٰجِدُونَ ٱلۡأٓمِرُونَ بِٱلۡمَعۡرُوفِ وَٱلنَّاهُونَ عَنِ ٱلۡمُنكَرِ وَٱلۡحَٰفِظُونَ لِحُدُودِ ٱللَّهِۗ وَبَشِّرِ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ ١١٢

Waarlijk, Allah heeft van de gelovigen hun levens en hun bezittingen gekocht omdat er voor hen het Paradijs is. Zij vechten voor de Zaak van Allah, dus doden zij en worden gedood. Het is een belofte waar Hij Zich aan heeft verbonden, een Waarheid die (staat vermeld) in de Thora en de Indjiel en de Koran. En wie is trouwer aan Zijn verbond dan Allah? Verheugt jullie daarom over jullie koop die jullie met Hem gesloten hebben. En dat is de geweldige overwinning. (De gelovigen wiens leven Allah heeft gekocht zijn) degenen die voor Allah berouw hebben, die Hem aanbidden, die Hem loven, die vasten, die buigen, die knielen, die de mensen aansporen tot het veroorloofde en (de mensen) weerhouden van het verworpene en die zich houden aan de grenzen die Allah gesteld heeft.

Geef het goede nieuws aan de gelovigen. (surah at-Tawbah: 9/111-112)

Tot het Paradijs treden slechts degenen binnen die geloven, goede daden verrichten en edele eigenschappen bezitten. Allah maakt bekend dat de genietingen in het Paradijs voortdurend zijn, dat de vreugde erin nooit onderbroken wordt en dat alles erin in overvloed aanwezig is, zonder berekening of beperking.

Het Paradijs wordt als volgt omschreven:De rivieren zijn talrijk en stromen bruisend. Er zijn rivieren van melk waarvan de smaak en geur nooit veranderen, rivieren van een drank die degenen die ervan drinken een heerlijke smaak geeft, en rivieren van gezuiverde honing. Al deze rivieren stromen onder de paleizen door.

In het Paradijs zijn de vruchten overvloedig en het vlees is van vogels. Telkens wanneer aan de bewoners van het Paradijs als levensonderhoud een vrucht wordt gegeven, zeggen zij: “Wij zijn eerder ook hiermee voorzien.” Hoewel deze voorzieningen elkaar lijken te evenaren, worden zij toch telkens opnieuw aan hen aangeboden. Want deze vruchten lijken op elkaar wat betreft schoonheid en voortreffelijkheid.

وَيَطُوفُ عَلَيۡهِمۡ وِلۡدَٰنٞ مُّخَلَّدُونَ إِذَا رَأَيۡتَهُمۡ حَسِبۡتَهُمۡ لُؤۡلُؤٗا مَّنثُورٗا ١٩

En onder hen wordt rondgegaan door eeuwig jeugdigen. Als jij hen ziet, dan denk jij dat zij verstrooide parels zijn. (surah al- İnsan: 76/19)

يُطَافُ عَلَيۡهِم بِصِحَافٖ مِّن ذَهَبٖ وَأَكۡوَابٖۖ وَفِيهَا مَا تَشۡتَهِيهِ ٱلۡأَنفُسُ وَتَلَذُّ ٱلۡأَعۡيُنُۖ وَأَنتُمۡ فِيهَا خَٰلِدُونَ ٧١

Gouden dienbladen en kopjes zullen onder hen rondgaan. Daarin is alles wat hun harten verlangen, alles waar de ogen zich in kunnen verheugen, en jullie zullen daarin voor altijd verblijven. (surah az-Zuhruf: 43/71)

أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمۡ جَنَّٰتُ عَدۡنٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهِمُ ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَيَلۡبَسُونَ ثِيَابًا خُضۡرٗا مِّن سُندُسٖ وَإِسۡتَبۡرَقٖ مُّتَّكِـِٔينَ فِيهَا عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِۚ نِعۡمَ ٱلثَّوَابُ وَحَسُنَتۡ مُرۡتَفَقٗا ٣١

Zij! Voor hen zullen er eeuwig durende Tuinen zijn; daar stromen rivieren onder door, daarin zullen zij versierd worden met gouden armbanden en zij zullen groene kleding dragen van fijne zijde en zwaar brocaat. Zij zullen daarin rusten op verheven sofa’s. Hoe goed is de beloning en wat een uitmuntende rustplaats! (surah Kahf: 18/31)إِنَّ ٱللَّهَ يُدۡخِلُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَلُؤۡلُؤٗاۖ وَلِبَاسُهُمۡ فِيهَا حَرِيرٞ ٢٣

Waarlijk, Allah zal degenen die geloven en goede daden verrichten naar de Tuinen verwijzen, waaronder rivieren stromen.

Daarin zullen zij gesierd worden met gouden armbanden en parels en hun kleding zal daar van zijde zijn. (surah Haj: 22/23)

جَنَّٰتُ عَدۡنٖ يَدۡخُلُونَهَا يُحَلَّوۡنَ فِيهَا مِنۡ أَسَاوِرَ مِن ذَهَبٖ وَلُؤۡلُؤٗاۖ وَلِبَاسُهُمۡ فِيهَا حَرِيرٞ ٣٣

Tuinen der eeuwigheid zullen zij binnengaan, daar zullen zij getooid worden met armbanden van goud en paarlen en hun kleding zal daar uit zijde bestaan. (surah Fâtır: 35/33)

وَعَدَ ٱللَّهُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَ وَٱلۡمُؤۡمِنَٰتِ جَنَّٰتٖ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا وَمَسَٰكِنَ طَيِّبَةٗ فِي جَنَّٰتِ عَدۡنٖۚ وَرِضۡوَٰنٞ مِّنَ ٱللَّهِ أَكۡبَرُۚ ذَٰلِكَ هُوَ ٱلۡفَوۡزُ ٱلۡعَظِيمُ ٧٢

Allah heeft de gelovige mannen en vrouwen Tuinen beloofd waar rivieren onderdoor stromen, om daarin voor altijd te verblijven. En goede verblijfplaatsen in de Tuinen van Eden (‘Adn). Maar het genoegen van Allah is beter en machtiger. Een overweldigend succes. (surah at-Tawba: 9/72)

لَٰكِنِ ٱلَّذِينَ ٱتَّقَوۡاْ رَبَّهُمۡ لَهُمۡ غُرَفٞ مِّن فَوۡقِهَا غُرَفٞ مَّبۡنِيَّةٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُۖ وَعۡدَ ٱللَّهِ لَا يُخۡلِفُ ٱللَّهُ ٱلۡمِيعَادَ ٢٠

Maar degenen die Allah vrezen en hun plichten tot hun Heer (Allah) vervullen, voor hen worden liefelijke kamers gebouwd, de ene boven de ander, waaronder rivieren stromen. Als een belofte van Allah, en Allah breekt de belofte niet. (surah az-Zumar: 39/20)

هُمۡ وَأَزۡوَٰجُهُمۡ فِي ظِلَٰلٍ عَلَى ٱلۡأَرَآئِكِ مُتَّكِـُٔونَ ٥٦

Zij en hun vrouwen zullen zich in de schaduwen bevinden, op rustbanken leunend. (surah Yasin: 36/56)

وَنَزَعۡنَا مَا فِي صُدُورِهِم مِّنۡ غِلٍّ إِخۡوَٰنًا عَلَىٰ سُرُرٖ مُّتَقَٰبِلِينَ ٤٧

En Wij zullen alle wrok uit hun hart uitroeien, (dus het zal zijn alsof) broeders tegenover elkaar op rustbanken zitten.

لَا يَمَسُّهُمۡ فِيهَا نَصَبٞ وَمَا هُم مِّنۡهَا بِمُخۡرَجِينَ ٤٨

Geen gevoel van vermoeidheid zal hen raken noch zal hen gevraagd worden het te verlaten. (surah al-Hijr: 15/47, 48)

لَّا يَسۡمَعُونَ فِيهَا لَغۡوٗا وَلَا كِذَّٰبٗا ٣٥

Zij horen daar geen onzin en geen leugens. (surah an-Naba': 78/35)

Er is overgeleverd dat de genietingen van het Paradijs in bepaalde opzichten lijken op wat de mensen in de wereld kennen. Maar wat betreft soort, vorm en smaak staan zij oneindig ver boven de wereldse genietingen. De ware werkelijkheid van deze genietingen overstijgt datgene wat het menselijk verstand zich kan voorstellen. De genietingen van het Hiernamaals lijken in niets op de genietingen van de wereld. Zelfs als de namen overeenkomen, zijn zij in aard en werkelijkheid volledig verschillend.

De lexicale definitie van het woord Jahannam is een diepe put. In terminologische zin is het de plaats van bestraffing in het Hiernamaals: waar de ongelovigen voor altijd zullen verblijven, en waar zondige gelovigen verblijven in overeenstemming met de mate van hun zonden.

Zoals Allahu تَعَالَى Zijn goede dienaren beloont met de Hel, zo bestraft Hij Zijn zondige dienaren met de Hel vanwege hun grote zonden en slechte daden.

Jahannam is de naam van de plaats van bestraffing en heeft vele namen:

Hâwiyah: de afgrond; een diepe kuil waaruit ontsnappen onmogelijk is (zie surah al-Qâria`: 101/8, 11)

Sa‘īr: een laaiende vuurzee (zie surah al-Mulk: 67/5)

Lazā: een vurige, brandende vlam (zie surah al- Ma`ârij: 70/15, 18)

Saqr: een zeer brandende vuurplaats (zie surah al- Mdudaththir: 74/26, 30)

Hutamah: de verpletterende, verbrijzelende vuurhel (zie surah al- Humzah: 104/4-9)

Jahīm: een enorm groot vuur waarvan de vlammen in lagen opstijgen.

Nār: vuur.

Sommigen hebben beweerd dat deze zeven namen verwijzen naar de zeven niveaus van de Jahannam.

Allahu تَعَالَى heeft de Hel omschreven met zulke hevige eigenschappen, eigenschappen waardoor haren zouden vergrijzen en harten zouden bezwijken, opdat Hij de dwalenden ertoe brengt afstand te nemen van hun dwaling. Zo vermeldt Hij dat de brandstof van het vuur mensen en stenen zijn:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ قُوٓاْ أَنفُسَكُمۡ وَأَهۡلِيكُمۡ نَارٗا وَقُودُهَا ٱلنَّاسُ وَٱلۡحِجَارَةُ عَلَيۡهَا مَلَٰٓئِكَةٌ غِلَاظٞ شِدَادٞ لَّا يَعۡصُونَ ٱللَّهَ مَآ أَمَرَهُمۡ وَيَفۡعَلُونَ مَا يُؤۡمَرُونَ ٦

O, jullie die geloven! Behoedt julliezelf en jullie gezinnen voor de Hel, waarvan de brandstof mensen en stenen is, waarover strenge en hard optredende Engelen zijn aangesteld, die Allah niet ongehoorzaam zijn in wat Hij hun beveelt, maar doen wat hun bevolen is. (surah at-Tahrîm: 66/6)

Het voedsel van de bewoners van de cehennem is Zaqqūm. Zaqqūm is een soort boom waarvan de geur verrot is en de smaak buitengewoon bitter is, het is het meest afschuwelijke boom onder de boomsoorten.

De bewoners van de Hel zullen nooit sterven, nooit uitrusten en nooit een moment van comfort kennen.

In surah an-Nisā’ (4:56) wordt de wijze van bestraffing van de cehennem-bevolking als volgt beschreven:

إِنَّ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِنَا سَوۡفَ نُصۡلِيهِمۡ نَارٗا كُلَّمَا نَضِجَتۡ جُلُودُهُم بَدَّلۡنَٰهُمۡ جُلُودًا غَيۡرَهَا لِيَذُوقُواْ ٱلۡعَذَابَۗ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ عَزِيزًا حَكِيمٗا ٥٦

Zeker! Degenen die niet in Onze Tekenen geloven, zullen Wij in het vuur verbranden en iedere keer als hun huid geroosterd is, zullen Wij hun huid vervangen, zodat zij de bestraffing zullen proeven. Waarlijk, Allah is Almachtige, Alwijs.

De reden hiervoor is dat de laag waarin de pijn van het Hellevuur het hevigst wordt gevoeld, de huidlaag is. In de overige lagen, de weefsels, de spieren en de inwendige organen, is de gevoeligheid voor pijn veel minder.

Een arts weet dat eerste graads (oppervlakkige) wonden, zeer veel pijn veroorzaken, terwijl derde graads (diepe) wonden die zelfs tot aan de weefsels reiken, ondanks hun ernst, relatief weinig pijn doen. Dit komt omdat de zenuwstructuur zich in de huid bevindt.

Hier Allahu تَعَالَى ons het volgende:Telkens wanneer het vuur de huidlaag, waarin de zenuw uiteinden zich bevindt, verteert, zal Allah deze vervangen door nieuwe huiden, zodat de pijn blijft voortduren en de bestraffing niet ophoudt.

Nog voordat de mens de ware aard van het Hellevuur kan bevatten, toont Allah, uit Zijn verheven wijsheid, een vergelijkbare realiteit in deze wereld. Voorwaar, Allah is de Almachtige, de Alwijze.] (HA)

١٧٧٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّهُ لَيَأْتِي الرَّجُلُ الْعَظِيمُ السَّمِينُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ لاَ يَزِنُ عِنْدَ اللهِ جَنَاحَ بَعُوضَةٍ وَقَالَ: اقْرَءُوا (فَلاَ نُقِيمُ لَهُمْ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَزْنًا)

1773 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, er komt op de Dag des Oordeels een groot en zwaarlijvig man bij Allāh, maar hij zal bij Allah geen waarde hebben dan de vleugel van een mug.” Hij zei: Lees (de volgende āyah):أُوْلَٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِمۡ وَلِقَآئِهِۦ فَحَبِطَتۡ أَعۡمَٰلُهُمۡ فَلَا نُقِيمُ لَهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَزۡنٗا ١٠٥

Dat zijn degenen die de Tekenen van hun Heer en de ontmoeting met Hem ontkennen. Dus hun werken zijn vruchteloos en op de Dag der Opstanding zullen Wij hun daden geen gewicht toekennen. (surah al Kahf: 105)

١٧٧٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: جَاءَ حَبْرٌ مِنَ الأَحْبَارِ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا مُحَمَّدُ إِنَّا نَجِدُ أَنَّ اللهَ يَجْعَلُ السَّموَاتِ عَلَى إِصْبَعٍ، وَالأَرَضِينَ عَلَى إِصْبَعٍ، وَالشَّجَرَ عَلَى إِصْبَعٍ، وَالْمَاءَ وَالثَرَى عَلَى إِصْبَعٍ، وَسَائِرَ الْخَلاَئِقِ عَلَى إِصْبَعٍ فَيَقُولُ: أَنَا الْمَلِكُ فَضَحِكَ النَّبِيُّ ﷺ، حَتَّى بَدَتْ نَوَاجِذُهُ، تَصْدِيقًا لِقَوْلِ الْحَبْرِ ثُمَّ قَرَأَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَمَا قَدَرُوا اللهَ حَقَّ قَدْرِهِ، وَالأَرْضُ جَمِيعًا قَبْضَتُهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، وَالسَّموَاتُ مَطْوِيَّاتٌ بِيَمِينِهِ، سُبْحَانَهُ وَتَعَالَى عَمَّا يُشْرِكُونَ1774 – Van '`Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه) Er kwam een joodse rabbijn naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Muhammed, wij vinden (in onze geschriften) dat Allāh de hemelen op een vinger zal plaatsen, de aardlagen op een vinger, de bomen op een vinger, het water en de aarde op een vinger, en de rest van de schepping op een vinger, en dan zal Hij zeggen: 'Ik ben de Koning (al Mālik).”Toen lachte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zo breed dat zijn kiezen zichtbaar werden, als bevestiging van de woorden van de rabbijn.

Vervolgens reciteerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) :

وَمَا قَدَرُواْ ٱللَّهَ حَقَّ قَدۡرِهِۦ وَٱلۡأَرۡضُ جَمِيعٗا قَبۡضَتُهُۥ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَٱلسَّمَٰوَٰتُ مَطۡوِيَّٰتُۢ بِيَمِينِهِۦۚ سُبۡحَٰنَهُۥ وَتَعَٰلَىٰ عَمَّا يُشۡرِكُونَ ٦٧

Zij achten Allāh niet met de achting die Hem toekomt, terwijl Hij op de Dag der Opstanding de aarde volledig in Zijn greep heeft, en de hemelen in Zijn rechterhand opgerold zullen zijn. Verheerlijkt is Hij, en Verheven boven alles wat zij als deelgenoten aan Hem toekennen!(sûrah az-Zumer: 67)

[Volgens de opvatting van Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah heeft Allāh al-yadayn (‘twee handen’) waarmee Hij schenkt en begunstigt. al-Yadayn van Allāh behoren tot Zijn bevestigde essentiële eigenschappen die Hem op een wijze toekomen die bij Hem past. Dat Allāh al-yadayn heeft, wordt ondubbelzinnig bevestigd door zowel de Kitāb (de Qurʾān) als de Sunnah.

Een bewijs uit de Kitāb is het volgende woord van Allāh:

قَالَ يَٰٓإِبۡلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِيَدَيَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِينَ ٧٥

(Allāh) zei: “O Iblies! Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb, neer te knielen? Ben jij te trots of ben jij één van hen die hoog verheven is?” (sūrah Ṣād, āyah 75)

En een bewijs uit de Sunnah is onder andere de volgende uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

“De hand van Allāh is zo vol dat er dag en nacht voortdurend uit wordt geschonken (aan voorzieningen en zegeningen). Hebben jullie (ooit) gekeken naar wat Hij (sinds het begin van de schepping van de hemelen en de aarde) heeft uitgegeven? Al dat uitgegevene heeft niets van wat in Zijn rechterhand is verminderd.”

Ahl as-Sunnah wa al-Jamāʿah is unaniem van mening dat Allāh al-yadayn heeft die niet lijken op de handen van de schepselen.

Het uitleggen van deze handen als iets anders, zoals kracht of gunst, is op meerdere gronden onjuist:

Deze taḥrīf (verdraaiing) betekent dat men de letterlijke betekenis zonder bewijs verandert in een figuurlijke betekenis.

Het zou een betekenis geven die vanuit taalkundig oogpunt absoluut niet geaccepteerd wordt in deze context waarin iets aan Allāh wordt toegeschreven. Allāh heeft immers gezegd:Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb… (zie hierboven)Het is dus niet correct om te zeggen dat dit betekent: “Wat Ik met Mijn gunst of kracht heb geschapen”.

De vermelding van al-yadayn gebeurt met een tweevoudige vorm (sīghah), terwijl in geen enkele āyah of ḥadīth gunst of kracht met een dergelijke tweevoudsvorm aan Allāh is toegeschreven. Dus hoe kan men dan al-yadayn verklaren als “twee gunsten” of “twee krachten”?

Als met al-yadayn kracht bedoeld zou zijn, dan zou men ook kunnen zeggen: “Allāh heeft Iblies met Zijn hand geschapen” of soortgelijke beweringen, wat absoluut niet is toegestaan om over Allāh te zeggen.Want als zo’n uitspraak toelaatbaar zou zijn, dan had Iblies ook als tegenwerping kunnen zeggen:“Mij hebt U toch ook met al-yadayn geschapen?”Toen Allāh hem berispte met de woorden:“Wat weerhoudt jou ervan om te buigen voor wat Ik met Mijn al-yadayn heb geschapen?”

De toeschrijving van een hand aan Allāh komt in verschillende vormen voor die het onmogelijk maken dat hiermee gunst of kracht bedoeld zou zijn.Bijvoorbeeld:Het gebruik van het woord “hand” én “palm” (kaf),

De vermelding dat Allāh vingers heeft die Hem toekomen,

En de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarin hij zei:“Allāh grijpt de hemelen met één hand en de aarde met de andere hand, en schudt hen dan, en zegt: ‘Ik ben de Koning, de Bezitter van het koninkrijk!’”

Al deze verschillende formuleringen sluiten de interpretatie van “hand” als “gunst” of “kracht” uit.] (HY)

١٧٧٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: يَقْبِضُ اللهُ الأَرْضَ، وَيَطْوِي السَّمَاءَ بَيَمِينِهِ، ثُمَّ يَقُولُ: أَنَا الْمَلِكُ، أَيْنَ مُلُوكُ الأَرْضِ1775 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal (op de Dag der Opstanding) de aarde vasthouden en de hemelen met Zijn rechterhand oprollen. Vervolgens zal Hij dan zeggen: 'Ik ben de Koning (al Mālik). Waar zijn de koningen van de aarde?'

[al-Mālik: De Bezitter en Heerser van alle zichtbare en onzichtbare werelden. De manifestatie van Allāh’s Naam al-Mālik is waarneembaar op alles wat geschapen is, zowel op dat wat we kunnen zien als op dat wat we niet kunnen zien, inclusief onze eigen ogen. Hoewel op eigendomsaktes de namen van mensen staan, is de ware Eigenaar Allāh.Dat Hij niet alleen de Eigenaar is van alles wat Hij geschapen heeft, maar ook de beschikking en leiding over alles bezit, blijkt eveneens uit de betekenis van Zijn Naam al-Mālik. De manifestatie van deze Naam is terug te zien in het zenden van wetten (de Qur’ān en de Sunnah) die nodig zijn opdat mensen op rechtvaardige en goede wijze kunnen samenleven. Ook is die manifestatie zichtbaar in de instinctieve gedragingen van andere levende wezens, die dankzij door Allāh ingegeven systemen op harmonieuze wijze in de natuur leven.Volgens Ahl as-Sunnah wa-l-Jamā‘ah valt binnen het geloof in Allāh, dat de eerste en grootste van de geloofspijlers vormt, ook het geloven in de eigenschappen waarmee Allāh Zichzelf heeft beschreven. De uitdrukking “zonder tahrīf (vervorming)” hoort hierbij: dat wil zeggen dat zij geloven in deze eigenschappen zonder enige valse of verdraaide interpretatie.

Zij accepteren de goddelijke eigenschappen zonder ze een vorm toe te kennen (takjīf), zonder vergelijkingen te maken (tamthīl), en zonder de betekenis ervan te ontkennen (ta‘tīl).De woorden: “Zij ontkennen niet de eigenschappen waarmee Allāh Zichzelf heeft beschreven…” vormen een toelichting op de eerdergenoemde principes. Dit betekent: zij geloven in Allāh op een wijze die uitsluit dat zij Zijn eigenschappen verwerpen, vervormen, er een wijze aan toekennen of ermee gelijkenis zoeken met de schepping. De woorden van Allāh:

قَالَ يَٰٓإِبۡلِيسُ مَا مَنَعَكَ أَن تَسۡجُدَ لِمَا خَلَقۡتُ بِيَدَيَّۖ أَسۡتَكۡبَرۡتَ أَمۡ كُنتَ مِنَ ٱلۡعَالِينَ ٧٥

(Allāh) zei: “O Iblies! Wat weerhoudt je om voor degene die Ik met Mijn beide handen geschapen heb, neer te knielen? Ben jij te trots of ben jij één van hen die hoog verheven is?” (sūrah Ṣād, 75)

en het vers dat daarop volgt, bevestigen dat Allāh, in een wijze die past bij Zijn majesteit, daadwerkelijk twee handen heeft als eigenschap. In het eerste vers wijst Allāh Iblīs terecht omdat hij weigerde te buigen voor Ādam (عليه السلام), die Allāh met Zijn beide handen heeft geschapen. Hier is het onmogelijk om “twee handen” uit te leggen als “kracht” of “macht”, want alles, inclusief Iblīs, is geschapen met Allāh’s kracht.

In dat geval zou Ādam (عليه السلام) geen bijzondere positie meer hebben.In een ḥadīth via ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنه) staat:“Allāh, de Almachtige en Majesteitelijke, heeft drie dingen met Zijn hand geschapen: Hij heeft Ādam met Zijn hand geschapen, de Tawrah met Zijn hand geschreven, en het Paradijs van ʿAdn (de bomen ervan) met Zijn hand geplant.” (ad-Dāraqutnī in as-Ṣifāt)Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) is ook authentiek overgeleverd dat hij zei: “Allāh heeft vier dingen met Zijn hand geschapen: de Troon, de Pen, Ādam en het Paradijs van ʿAdn. Daarna zei Hij tot de rest van de schepping: ‘Wees!’ en zij waren.”Hoewel al deze drie schepselen, net als de rest van de schepping, door Allāh’s macht tot bestaan zijn gebracht, laat het feit dat deze drie specifiek worden genoemd zien dat zij een bijzondere status hebben die andere schepselen niet bezitten.Evenzo is het een bekende taalkundige regel dat het Arabische woord al-yadayn (de twee handen), dat in de dualis-vorm (tweevoud) staat, alleen gebruikt wordt voor werkelijke handen, en nooit voorkomt met de betekenis van “kracht” of “gunst”. Daarom is het incorrect om te zeggen: “Allāh heeft Ādam geschapen met twee machten” of “twee gunsten”.Het gebruik van de uitdrukking “twee handen” met de betekenis van gunst, macht of iets dergelijks, is alleen mogelijk bij degenen over wie werkelijk gezegd kan worden dat zij twee handen hebben. Zo zeggen we bijvoorbeeld niet: “de wind heeft een hand” of “het water heeft een hand”.Het argument van de Muʿaṭṭilah (d.w.z. degenen die de eigenschappen van Allāh ontkennen of interpreteren) dat het woord hand in sommige verzen in het enkelvoud en in andere verzen in het meervoud voorkomt, is geen geldig bewijs. In de Arabische taal is het namelijk gebruikelijk om een handeling die met twee ledematen wordt gedaan, in het enkelvoud te verwoorden.

Bijvoorbeeld: “Ik heb het met mijn oog gezien” of “ik hoorde het met mijn oor”, terwijl er eigenlijk met twee ogen en twee oren wordt waargenomen. Evenzo kan het meervoud worden gebruikt terwijl er slechts twee bedoeld worden, zoals in het vers:

إِن تَتُوبَآ إِلَى ٱللَّهِ فَقَدۡ صَغَتۡ قُلُوبُكُمَاۖ وَإِن تَظَٰهَرَا عَلَيۡهِ

Als jullie twee (Hafsah en `A’ishah) in berouw tot Allāh keren (zal het beter voor jullie zijn), dan neigen jullie harten waarlijk (naar het goede)… (at-Taḥrīm, 4)Daar wordt met harten (tweevoud) bedoeld: de harten van twee personen.Wanneer echter zaken als vingers, rechts/links, grijpen (qabḍ), openen (basṭ), en soortgelijke beschrijvingen in de teksten genoemd worden, dan is het overduidelijk dat het niet gaat om een figuurlijke hand, maar een werkelijke hand, in een betekenis die past bij Allāh’s majesteit en verhevenheid. Daarom is het onmogelijk om “de hand van Allāh” te interpreteren als macht of gunst.In een ander vers vermeldt Allāh de uitspraak van de joden (moge zij krijgen wat zij verdienen), waarin zij beweerden dat “de hand van Allāh gebonden is” (d.w.z. dat Hij niet uitgeeft). Vervolgens corrigeert Allāh hen en stelt Hij het tegenovergestelde:

بَلۡ يَدَاهُ مَبۡسُوطَتَانِ يُنفِقُ كَيۡفَ يَشَآءُۚ

... Nee, Zijn beiden handen zijn wijd uitgestrekt, Hij besteedt zoals Hij wil... (al-Mā’idah, 64)

En in een ḥadīth staat: “De hand van Allāh is vol. Hij geeft dag en nacht uit, zonder dat het vermindert. Denk maar eens na over wat Hij sinds de schepping van de hemelen en de aarde heeft uitgegeven dat heeft niets afgedaan aan wat zich in Zijn hand bevindt.” (Saḥīḥ Muslim)Als Allāh in werkelijkheid geen twee handen zou hebben, hoe zou het dan taalkundig correct zijn om te zeggen: “Zijn beide handen zijn geopend”?

Zonder twijfel, degenen die te ver gaan in het interpreteren (taʾwīl) van deze eigenschappen, horen zich hiervoor te schamen.] (HY)

[In deze ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een treffende wijze gewezen op de verhevenheid van de macht en kracht van Allahu تعالى . Hij heeft duidelijk gemaakt dat het alleenrecht op heerschappij alleen aan Hem toebehoort en dat niemand tegenover Hem een aanspraak op macht en gezag kan doen gelden.Ook degenen die in deze wereld een positie of gezag bekleden, dienen nooit te vergeten dat zij uiteindelijk slechts dienaren zijn en in hun wezenlijke bestaan afhankelijk en zwak blijven.De uitdrukking “de Hand van Allāh” is een mutashābih-term (meerduidige uitdrukking), waarvan de ware hoedanigheid onbekend is, die niet lijkt op de eigenschappen van de schepselen.] (Diyanet)

١٧٧٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ ﵄، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: إِنَّ اللهَ يَقْبِضُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ الأَرْضَ، وَتَكُونُ السَّموَاتُ بِيَمِينِهِ، ثُمَّ يَقُولُ: أَنَا الْمَلِكُ1776 - Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, Allāh zal op de Dag der Opstanding de aarde vasthouden, en de hemelen zullen in Zijn rechterhand zijn. Vervolgens zal Hij zeggen: ‘De Heerschappij behoort aan Mij toe!

De wederopstand, de verzameling en de toestand van de aarde op de Dag des Oordeels

في البعث والنشور وصفة الأرض يوم القيامة

١٧٧٧ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: يُحْشَرُ النَّاسُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ عَلَى أَرْضٍ بَيْضَاءَ عَفْرَاءَ كَقُرْصَةِ نَقِيٍّ لَيْسَ فِيهَا مَعْلَمٌ لأَحَدٍ

1777 – Van Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De mensen zullen op de Dag der Opstanding verzameld worden op een witte, vlakke vlakte, zoals een zuivere ronde broodkoek.’Sahl, of een andere overleveraar, voegde eraan toe: “Er zal geen herkenningsteken of oriëntatiepunt zijn.”

Het gastvrij onthaal van de bewoners van het Paradijsنزل أهل الجنة

١٧٧٨ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: تَكُونُ الأَرْضُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ خُبْزَةً وَاحِدَةً يَتَكَفَّؤُهَا الْجَبَّارُ بِيَدِهِ، كَمَا يَكْفَأُ أَحَدُكُمْ خُبْزَتَهُ فِي السَّفَرِ، نُزُلًا لأَهْلِ الْجَنَّةِ فَأَتَى رَجُلٌ مِنَ الْيَهُودِ، فَقَالَ: بَارَكَ الرَّحْمنُ عَلَيْكَ يَا أَبَا الْقَاسِمِ أَلاَ أُخْبِرُكَ بِنُزُلِ أَهْلِ الْجَنَّةِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ قَالَ: بَلَى قَالَ: تَكُونُ الأَرْضُ خُبْزَةً وَاحِدَةً كَمَا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ فَنَظَرَ النَّبِيُّ ﷺ إِلَيْنَا، ثُمَّ ضَحِكَ، حَتَّى بَدَتْ نَوَاجِذُهُ ثُمَّ قَالَ: أَلاَ أُخْبِرُكَ بِإِدَامِهِمْ قَالَ: إِدَامُهُمْ بَالاَمٌ وَنُونٌ قَالُوا: وَمَا هذَا قَالَ: ثَوْرٌ وَنُونٌ، يَأْكُلُ مِنْ زَائِدَةِ كَبدِهِمَا سَبْعُونَ أَلْفًا

1778 - Van Abû Sa‘īd al-Khudrī (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de Dag der Opstanding zal de aarde één enkel brood worden dat de Almachtige (al-Jabbār) met Zijn Hand omkeert, zoals een van jullie zijn brood tijdens een reis omkeert.

Dit wordt de ontvangstmaaltijd voor de bewoners van het Paradijs (die langdurig op het verzamelveld (mahshar) staan te wachten.).”Abû Sa`īd zei: Toen kwam er een joodse man en zei: “Moge ar-Raḥmān jou zegenen, o Abā al-Qāsim.

Zal ik jou vertellen wat de ontvangstmaaltijd van de bewoners van het Paradijs is op de Dag der Opstanding?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jawel.”De man zei: “De aarde zal één enkel brood worden, zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd.”Toen keek an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar ons en lachte zo dat zijn kiezen zichtbaar werden. Vervolgens zei hij: “Zal ik jou vertellen wat hun bijgerecht is?”Hij zei: “Hun bijgerecht is bā māl en nūn.”De metgezellen vroegen: “En wat is dat?”Hij antwoordde: “Een stier en een vis, waarvan zeventigduizend mensen zullen eten van de extra leverkwab van beiden.”

[Deze ḥadīth spreekt in symbolische bewoordingen over buitengewone gebeurtenissen die slechts in het Hiernamaals (Ākhirah) zullen worden aanschouwd. In het domein van het onwaarneembare (ghayb), dat alleen door Allāh gekend wordt en waarvan een deel door Hem aan ons is meegedeeld, komen zaken voor die vanzelfsprekend niet passen binnen de grenzen van ons verstand, dat immers begrensd is door de wetten van deze wereld.In de ḥadīth wordt verteld dat Allāh, Die over de immense aarde heerst alsof het een plat brood is die in de hand wordt rondgedraaid, deze voor de bewoners van het Paradijs zal veranderen in een gastmaal. Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat er in het Paradijs gastmalen en genietingen zullen zijn die in dit wereldse leven voor ons onbekend zijn.Het feit dat in deze ḥadīth de woorden van een jood overeenkwamen met wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd, komt doordat in de joodse bronnen (Torah), ondanks de latere vervalsingen, nog altijd bepaalde waarheden aanwezig waren, aangezien het oorspronkelijk een goddelijke openbaringsgodsdienst was.De kennis die gebaseerd is op joodse (en christelijke) bronnen wordt aangeduid als isrā’īliyyāt. Deze kan zowel juist als onjuist zijn, en daarom dient men er behoedzaam mee om te gaan.

Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toegestaan dat historische gebeurtenissen van de Banū Isrā’īl werden overgeleverd, maar hij heeft ook bevolen: “Bevestig de Mensen van het Boek niet, en loochent hen ook niet.” (al-Bukhārī, Kitāb at-Tawḥīd, 51) ] (Diyanet)

١٧٧٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لَوْ آمَنَ بِي عَشَرَةٌ مِنَ الْيَهُودِ لآمَنَ بِي الْيَهُودُ1779 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als tien van de (vooraanstaande) joden in mij hadden geloofd, zouden alle joden in mij hebben geloofd.”[Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah kwam, waren de vooraanstaande joden de volgende personen: Van Banu Nadir: 1- Abû Yasir ibn Ahtab, 2- Zijn broer Huyay ibn Ahtab, 3- Ka`b ibn al-Ashraf, 4- Rafi` ibn Abi Hakik.Van de Banu Kaynuka: 5- `Abdullah ibn Hanif, 6- Nuhhas, 7- Rufa ibn Zayd.Van de Banu Qurayza: 8- Zubayr ibn Batiya, 9- Ka`b ibn Asad, 10- Shamul ibn Zayd.Van geen van deze personen is het bewezen dat ze moslim geworden zijn. Elk van hen was een vooraanstaande leider onder de joden en had een gemeenschap die hen volgde. Het is mogelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar deze personen verwees in deze ḥadīth.In Madīnah hebben de joden meerdere keren geprobeerd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de proef te stellen.

Ondanks dat zij antwoorden op hun vragen kregen, hebben hun vooraanstaande geleerden uit koppigheid geweigerd om in de boodschappen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te geloven. Van de joodse geleerden hebben slechts `Abdullah ibn Salam (رضي الله عنه) en `Abdullah ibn Surya (رضي الله عنه) de Islām geaccepteerd. In werkelijkheid hebben er in verschillende perioden ook andere joodse geleerden de Islām omarmd. Echter, in de ḥadīth waar hier naar verwezen wordt, gaat het om de vooraanstaande religieuze geleerden die na de Hijrah nog niet de Islām omarmden, in tegenstelling tot `Abdullah ibn Salam (رضي الله عنه), die op basis van de tekenen in de Tawrah tot de overtuiging kwam dat de aangekondigde Profeet inderdaad Muhammad (صلى الله عليه وسلم) was.] (HY)

[Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de Hijrah in Madīnah aankwam, trof hij daar een grote joodse gemeenschap aan.

Hij zette zich in om de relaties tussen de moslims en de joden te ontwikkelen op basis van recht en moraal (akhlāq).De joden die echter hardnekkig vijandigheid jegens hem koesterden, weigerden te erkennen dat de Islām de laatste en volmaakte godsdienst is, en sloten verdragen met de mushrikūn. Hierdoor bezorgden zij hem en zijn aṣḥāb moeilijke tijden.In deze ḥadīth geeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan dat, indien slechts tien van de vooraanstaande joodse leiders en geleerden tot īmān waren gekomen, zij hun gemeenschap ongetwijfeld in hun kielzog zouden hebben meegevoerd. Maar de joodse vooraanstaanden, die in halsstarrigheid, hoogmoed, jaloezie en ongeloof bleven volharden, hebben zowel zichzelf als hun volk in dwaling gestort. ] (Diyanet)

De joden stelden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vragen over de ziel en het Allah’s woord: (Nederlandse betekenis) 'Zij vragen jou over de ziel...'

ؤال اليهود النبيّ ﷺ عن الروح وقوله تعالى يسئلونك عن الروح الآية

١٧٨٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: بَيْنَا أَنَا أَمْشِي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فِي خَرِبِ الْمَدِينَةِ، وَهُوَ يَتَوكَّأُ عَلَى عَسِيبٍ مَعَهُ فَمَرَّ بِنَفَرٍ مِنَ الْيَهُودِ فَقَالَ بَعْضُهُمْ لِبَعْضٍ: سَلُوهُ عَنِ الرُّوحِ وَقَالَ بَعْضُهُمْ: لاَ تَسْأَلُوهُ، لاَ يَجِيءُ فِيهِ بِشَيْءٍ تَكْرَهُونَهُ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: لَنَسْأَلَنَّهُ فَقَامَ رَجُلٌ مِنْهُمْ فَقَالَ: يَا أَبَا الْقَاسِمِ مَا الرُّوحُ فَسكَتَ فَقُلْتُ إِنَّهُ يُوحى إِلَيْهِ، فَقُمْتُ فَلَمَّا انْجَلَى عَنْهُ، فَقَالَ: وَيَسْأَلُونَكَ عَنِ الرُّوحِ قُلِ الرُّوحُ مِنْ أَمْرِ رَبِّي وَمَا أُوتِيتُمْ مِنَ الْعِلْمِ إِلاَّ قَلِيلًا

1780 – Van `Abdullah ibnu Mas`ûd (رضي الله عنه): We liepen samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de verwoeste delen van Madīnah. Hij leunend op een stok die hij bij zich had. Hij kwam een groep joden tegen en sommigen van hen zeiden tegen elkaar: “Vraag hem over de ziel (ar rûh).”Sommigen van hen zeiden: “Jullie vragen hem, hij zal iets zeggen dat jullie niet prettig zullen vinden.” Toen zei een van hen: “We zullen hem zeker vragen.” Een man uit hun midden stond op en vroeg: “O Abû al-Qasim, wat is de ziel (ar rûh)?” Hij bleef zwijgen. Ik (de overleveraar) zei: “Het wordt aan hem geopenbaard.” Om Hem niet te storen, stond ik op en ging weg. Wanneer die toestand (van de openbaring) van Hem verdween, reciteerde hij het volgende (āyah):

وَيَسۡـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلرُّوحِۖ قُلِ ٱلرُّوحُ مِنۡ أَمۡرِ رَبِّي وَمَآ أُوتِيتُم مِّنَ ٱلۡعِلۡمِ إِلَّا قَلِيلٗا ٨٥

En (de joden) vragen jou over de ziel (die het lichaam in leven houd). Zeg: “De kennis over de ziel is bij mijn Heer. En van (Allah’s verheven) kennis wordt jullie maar weinig gegeven.” (surah Isrā 17:85)

١٧٨١ - حديث خَبَّابٍ قَالَ: كُنْتُ قَيْنًا فِي الْجَاهِلِيَّةِ وَكَانَ لِي عَلَى الْعَاصِ بْنِ وَائِلَ دَيْنٌ فَأَتَيْتُهُ أَتَقَاضَاهُ قَالَ لاَ أُعْطِيكَ حَتَّى تَكْفُرَ بِمُحَمَّدٍ ﷺ فَقُلْتُ: لاَ أَكْفُرُ حَتَّى يُمِيتَكَ اللهُ، ثُمَّ تُبْعَثَ قَالَ: دَعْنِي حَتَّى أَمُوتَ وَأُبْعَثَ، فَسَأُوتَى مَالًا وَوَلَدًا، فَأَقْضِيَكَ، فَنَزَلَتْ (أَفَرَأَيْتَ الَّذِي كَفَرَ بِآيَاتِنَا، وَقَالَ لأُوتَيَنَّ مَالًا وَوَلَدًا أَطَّلَعَ الْغَيْبَ أَمِ اتَّخَذَ عِنْدَ الرَّحْمنِ عَهْدًا)1781 - Van Khabab ibnu Arat (رضي الله عنه): Ik was een smid in de tijd van de onwetendheid. ‘Āṣ ibn Wāʾil had schuld bij mij. Dus ging ik naar hem om mijn schuld te innen. Hij zei: 'Ik zal je pas betalen, als je Muhammad (Islām) verzaagt.'Ik zei: ‘Totdat Allāh je doodt en je weer tot leven wekt, ik zal nimmer verzaken?' Hij zei: 'Laat me totdat ik sterf en weer opgewekt word, dan zal mij bezittingen en kinderen worden gegeven en pas dan zal ik je betalen.' Toen werd de volgende verzen geopenbaard:

أَفَرَءَيۡتَ ٱلَّذِي كَفَرَ بِـَٔايَٰتِنَا وَقَالَ لَأُوتَيَنَّ مَالٗا وَوَلَدًا ٧٧

أَطَّلَعَ ٱلۡغَيۡبَ أَمِ ٱتَّخَذَ عِندَ ٱلرَّحۡمَٰنِ عَهۡدٗا ٧٨

Heb jij degene gezien die niet in Onze Tekenen gelooft, en die zegt: “Aan mij zullen zeker bezit en kinderen gegeven worden?” Kent hij het onzichtbare of heeft hij een verbond afgesloten met de Barmhartige? (sûrah Maryam 77-78)

De Woorden van Allahu تَعَالَى: وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُعَذِّبَهُمۡ وَأَنتَ فِيهِمۡۚ (En Allāh zal hen niet straffen, terwijl jij nog in hun midden verkeert)

في قوله تعالى وما كان الله ليعذبهم وأنت فيهم الآية

١٧٨٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: قَالَ أَبُو جَهْلٍ: اللهُمَّ إِنْ كَانَ هذَا هُوَ الْحَقَّ مِنْ عِنْدِكَ فَأَمْطِرْ عَلَيْنَا حِجَارَةً مِنَ السَّمَاءِ أَوِ ائْتِنَا بِعَذَابٍ أَلِيمٍ فَنَزَلَتْ (وَمَا كَانَ اللهُ لِيُعَذِّبَهُمْ وَأَنْتَ فِيهِمْ وَمَا كَانَ اللهُ مُعَذِّبَهُمْ وَهُمْ يَسْتَغْفِرُونَ وَمَا لَهُمْ أَنْ لاَ يُعَذِّبَهُمُ اللهُ وَهُمْ يَصُدُّونَ عَنِ الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ) الآية

1782 -Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Abû Jahl zei: “O Allāh, als dit de waarheid is van U, laat dan stenen uit de hemel op ons neerkomen of breng ons een pijnlijke straf.” وَمَا كَانَ ٱللَّهُ لِيُعَذِّبَهُمۡ وَأَنتَ فِيهِمۡۚ وَمَا كَانَ ٱللَّهُ مُعَذِّبَهُمۡ وَهُمۡ يَسۡتَغۡفِرُونَ ٣٣

وَمَا لَهُمۡ أَلَّا يُعَذِّبَهُمُ ٱللَّهُ وَهُمۡ يَصُدُّونَ عَنِ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِ وَمَا كَانُوٓاْ أَوۡلِيَآءَهُۥٓۚ إِنۡ أَوۡلِيَآؤُهُۥٓ إِلَّا ٱلۡمُتَّقُونَ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَهُمۡ لَا يَعۡلَمُونَ ٣٤

En Allāh zal hen niet straffen, terwijl jij (O Muhammed) nog in hun midden verkeert, noch zal Hij hen straffen als zij vergeving zoeken. En waarom zal Allāh hen niet straffen, terwijl zij mensen van de Masdjied Al-Harām tegenhouden en zij niet de beheerders ervan zijn.

De beheerders zijn slechts de godvrezenden, maar de meesten van hen weten niet. (sûrah Anfāl: 33-34)

[De polytheisten van Makkah zeiden: “Als hetgeen Muhammad (صلى الله عليه وسلم) heeft gebracht de waarheid is, laat dan stenen uit de hemel op ons regenen, of breng ons een pijnlijke straf.” Daarop openbaarde Allahu تعالى aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): zie hierboven: (Anfaal: 33-34)Zo maakte Allahu تعالى duidelijk dat Hij deze mensen die om straf vroegen, zou treffen met Zijn bestraffing nadat Hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit hun midden had weggenomen. Dit gebeurde toen zij bij de Slag van Badr verslagen werden en hun vooraanstaanden gedood. In het Hiernamaals wacht hen bovendien de kastijding in het Vuur. Sommigen menen dat er onder hen ook gelovigen waren, en dat zij daarom niet zijn vernietigd. Echter, deze uitleg is niet correct, want de verzen spreken duidelijk over de polytheisten.] (HY)

Dukhān

الدخان

١٧٨٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: إِنَّمَا كَانَ هذَا، لأَنَّ قرَيْشًا لَمَّا اسْتَعْصَوْا عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، دَعَا عَلَيْهِمْ بِسِنينَ كَسِنِي يُوسُفَ فَأَصَابَهَمْ قَحْطٌ وَجَهْدٌ حَتَّى أَكَلُوا الْعِظَامَ فَجَعَلَ الرَّجُلُ يَنْظُرُ إِلَى السَّمَاءِ، فَيَرَى مَا بَيْنَهُ وَبَيْنَهَا كَهَيْئَةِ الدُّخَانِ مِنَ الْجَهْدِ فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (فَارْتَقِبْ يَوْمَ تَأْتِي السَّمَاءُ بِدُخَانٍ مُبِينٍ يَغْشى النَّاسَ هذَا عَذَابٌ أَلِيمٌ) قَالَ: فَأُتِي رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقِيلَ: يَا رَسُولَ اللهِ اسْتَسْقِ اللهَ لِمُضَرَ، فَإِنَّهَا قَدْ هَلَكَتْ قَالَ: لِمُضَرَ إِنَّكَ لَجَرِيءٌ فَاسْتَسْقَى، فَسُقُوا، فَنَزَلَتْ (إِنَّكُمْ عَائِدُونَ) فَلَمَّا أَصَابَتْهُمُ الرَّفَاهِيَةُ، عَادُوا إِلَى حَالِهِمْ، حِينَ أَصَابَتْهُمُ الرَّفَاهِيَةُ فَأَنْزَلَ اللهُ ﷿ (يَوْمَ نَبْطِشُ الْبَطْشَة الْكُبْرَى إِنَّا مُنْتَقِمُونَ) قَالَ: يَعْنِي يَوْمَ بَدْرٍ

1783 - Van `Abdullah ibnu Ma`ûd (رضي الله عنه)ʿAbdullāh (رضي الله عنه) zei: “Wat hiermee (bestraffing van Quraysh) bedoeld wordt, is het volgende: Toen de Quraysh zich koppig opstelden tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte hij duʿā’ tegen hen en vroeg om jaren van droogte, zoals de jaren van Yūsuf (عليه السلام).

Toen werden zij getroffen door droogte en hongersnood, tot het punt dat ze botten gingen eten. Een man keek naar de hemel en wat zich tussen hem en de hemel bevond leek op rook, vanwege de hevige honger.” Hierop openbaarde Allahu تعالى :

فَٱرۡتَقِبۡ يَوۡمَ تَأۡتِي ٱلسَّمَآءُ بِدُخَانٖ مُّبِينٖ ١٠

يَغۡشَى ٱلنَّاسَۖ هَٰذَا عَذَابٌ أَلِيمٞ ١١

Wacht dan op de Dag waarop in de hemel een zichtbare rook verschijnt.De mensen bedekkend, die is een pijnlijke bestraffing. (sûrah Ad-Dukhān: 10-11).Vervolgens kwam iemand (van Quraysh) naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei:”O Rasûlullāh , smeek Allāh om regen voor Muḍar (een van de Quraysh clans), want zij zijn ten onder gegaan!”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Moet ik duʿā’ verrichten) voor de clan van Muḍar? Jij bent wel erg dapper!”Toen verrichtte hij (regen) duʿā’voor hen, en zij kregen regen. Daarna werd het vers geopenbaard: إِنَّا كَاشِفُواْ ٱلۡعَذَابِ قَلِيلًاۚ إِنَّكُمۡ عَآئِدُونَ ١٥Waarlijk, Wij zullen korte tijd de bestraffing verwijderen. Waarlijk! Jullie zullen terugkeren (naar jullie ongeloof). (sûrah Ad- Dukhān: 15).En inderdaad, toen zij weer in welvaart verkeerden, keerden zij terug naar hun eerdere toestand. Toen openbaarde Allāhu (عز وجل):يَوۡمَ نَبۡطِشُ ٱلۡبَطۡشَةَ ٱلۡكُبۡرَىٰٓ إِنَّا مُنتَقِمُونَ ١٦(Gedenk) de Dag dat Wij hen zullen grijpen met de zware bestraffing.

Waarlijk, Wij zijn Vergelders. (sûrah Ad- Dukhān: 16).ʿAbdullāh zei: 'Dit (vergelding) verwijst naar de dag van Badr.'[De gebeurtenissen waar `Abdullah ibn Masʿûd (رضي الله عنه) naar verwijst, zijn vijf zaken die in de Qur'ān al-Karīm worden beschreven.Deze zijn:

De rook (dûkhân) in surah ad-Dukhân (44:10-16),De gevangenneming van hun leiders, in surah al-Furqân (25:77),De overwinning van de Romeinen (de Byzantijnen), die door de moslims werden gesteund en het verlies van de Persen die door de Quraysh werden gesteund, in surah ar-Rûm (30:1-4),‘Batsa’: grond ingeslagen,Het splijten van de maan in surah al-Qamar (54:1).]

Het splijten van de maanIn de Qur’ān staat het volgende hieronder:ٱقۡتَرَبَتِ ٱلسَّاعَةُ وَٱنشَقَّ ٱلۡقَمَرُ ١ Het uur is nabij en de maan is gespleten.

وَإِن يَرَوۡاْ ءَايَةٗ يُعۡرِضُواْ وَيَقُولُواْ سِحۡرٞ مُّسۡتَمِرّٞ ٢ En als zij een Teken zien, keren zij zich af en zeggen: “Dit is voortdurende tovenarij.”

وَكَذَّبُواْ وَٱتَّبَعُوٓاْ أَهۡوَآءَهُمۡۚ وَكُلُّ أَمۡرٖ مُّسۡتَقِرّٞ ٣ Zij loochenen en volgen hun begeerten, terwijl alle zaken al zijn vastgesteld.

وَلَقَدۡ جَآءَهُم مِّنَ ٱلۡأَنۢبَآءِ مَا فِيهِ مُزۡدَجَرٌ ٤ En voorwaar er zijn berichten tot hen gekomen waarin een waarschuwing ligt.

حِكۡمَةُۢ بَٰلِغَةٞۖ فَمَا تُغۡنِ ٱلنُّذُرُ ٥ Perfecte wijsheid maar de waarschuwingen baten niet.] (AFK)

Splijten van de maan

انشقاق القمر

١٧٨٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: انْشَقَّ الْقَمَرُ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ شِقَّتَيْنِ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اشْهَدُوا أخرجه الخباري في: ٦١ كتاب المناقب: ٢٧ باب سؤال المشركين أن يريهم النبي ﷺ آية فأراهم انشقاق القمر

١٧٨٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ أَهْلَ مَكَّةَ سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنْ يُرِيَهُمْ آيَةً فَأَرَاهُمُ انْشِقَاقَ الْقَمَرِ

1784 – Van `Abdullah ibn Mas'ud (رضي الله عنه):In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd de maan in tweeën gespleten. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wees getuige.'

[Het splijten van de maan (shaqq’l-qamar) is een gebeurtenis die wordt overgeleverd als iets dat plaatsvond in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). De aḥadīth hierover zijn door onze ʿulamāʾ zowel qua keten van overleveraars (isnād) als qua tekst (matn), op betekenis en context beoordeeld.Sommige geleerden beschouwen dit als een fysieke gebeurtenis die zich daadwerkelijk in Makkah heeft voorgedaan op verzoek van de mushrikūn, als een profetische wonder. Anderen menen dat het slechts voor de mushrikūn, die hardnekkig om een wonder vroegen, leek alsof de maan in tweeën werd gedeeld, en dat het in werkelijkheid een wolkenvorming of een maansverduistering was. Weer anderen, onder de mufassirūn (Qur’ān excegeten) en mutakallimūn (theologen) leggen uit dat het daadwerkelijke splijten van de maan, zoals ook in de Qurʾān wordt vermeld, niet in het verleden heeft plaatsgevonden, maar dat het een gebeurtenis zal zijn die zich vlak voor Yawm al-Qiyāmah zal voltrekken. (Zie: Sūrat al-Qamar, 54:1). ] (Diyanet)

١٧٨٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ أَهْلَ مَكَّةَ سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنْ يُرِيَهُمْ آيَةً فَأَرَاهُمُ انْشِقَاقَ الْقَمَرِ1785 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): De mensen van Makkah vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hen een teken (wonder) te tonen. Toen toonde hij hen het splijten van de maan.

١٧٨٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ الْقَمَرَ انْشَقَّ فِي زَمَانِ النَّبِيِّ ﷺ1786 – Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): De maan werd gespleten in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

Er is niemand die meer geduld kan opbrengen tegen beledigingen dan Allah

ا أحد أصبر على أذى من الله ﷿

١٧٨٧ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لَيْسَ أَحَدٌ، أَوْ لَيْسَ شَيْءٌ أَصْبَرَ، عَلَى أَذًى سَمِعَهُ، مِنَ اللهِ إِنَّهُمْ لَيَدْعُونَ لَهُ وَلَدًا، وَإِنَّهُ لَيُعَافِيهِمْ وَيَرْزُقُهُمْ

1787 – Van Abû Mûsā ( رضي الله عنه ):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei:”Er is niemand of niets dat geduldiger is op het horen van beledigingen dan Allāh. (Sommigen van) hen schrijven een zoon aan Allāh toe (en begaan daarmee shirk (afgoderij), maar Allāh blijft hen gezondheid en welzijn schenken en voorziet hen (in alle soorten) levensonderhoud (terwijl zij nog in deze wereld zijn).”

[Shirk is een masdar (verbaal zelfstandig naamwoord) afkomstig van het werkwoord sharika. De woorden shirk, shirkah (bedrijf, partnerschap) en mushârakah (samenwerking) betekenen taalkundig: gedeeld eigendom of heerschappij bezitten. Ze drukken uit dat iets aan meer dan één persoon toebehoort. Het werkwoord ashrika, afkomstig uit dezelfde stam, betekent gelijkstellen of deelgenoot maken. Degene die deelgenoten toekent wordt een mushrik genoemd.In terminologische zin (in de Islāmitische wetenschappen) betekent shirk: aan Allāh deelgenoten toekennen in Zijn Wezen, Zijn Eigenschappen of Zijn Daden (afgoderij). Het erkennen van twee of meer goden, een ander wezen als goddelijk object van aanbidding beschouwen, of eigenschappen van Allāh, zoals het scheppen, eeuwigheid, onvergankelijkheid enzovoorts, aan andere wezens toekennen, is shirk. Kortom, shirk is: de eigenschappen van Allāh aan een ander dan Allāh toeschrijven. Het erkennen van twee of meer goden, het beschouwen van enig wezen als een aanbiddingsobject (ma‘bûd), of het toekennen van eigenschappen zoals Schepper-zijn, eeuwigheid of blijvend bestaan aan iets anders dan Allah, is shirk. Shirk is het verlaten van de waarheid van de tawhîd-belijdenis “lâ ilâhe illâllâh” (er is geen godheid behalve Allah) door in geloof, woord of daad het bestaan van andere goden naast Allah te stellen, door anderen dan Allah te aanbidden, tot hen te bidden of hen te zien als waarlijk machtig en heersend.

Shirk is ongeloof, en wie shirk bedrijft is dus een ongelovige (kâfir).Gedurende de geschiedenis waren de mensen, afgezien van enkele atheïsten, ofwel aanhangers van een religie gebaseerd op shirk, ofwel van een religie gebaseerd op tawhîd. In feite kunnen ook atheïsten in zekere zin als mushrik worden gezien. Waar shirk is, is er ook geen goede daad (‘amal as-sâlih). Want voor de aanvaarding van een daad is oprechtheid (ikhlâs) vereist: aanbidding moet uitsluitend voor Allah verricht worden.Geloven is aangeboren. Het verlangen om te geloven, zich te onderwerpen aan een hogere macht, haar te vereren en hulp van haar te vragen, bestaat bij alle mensen. Zo is de menselijke natuur. Zoals de mens afhankelijk is van water, voedsel en lucht om te leven, zo heeft hij ook behoefte aan geloof en buiging voor zijn godheid. Degene die deze behoefte kent en deze in de menselijke natuur heeft gelegd, is de Rab der Werelden. Hij heeft vanaf de eerste mens de gemeenschappen profeten gezonden en hun getoond hoe zij moeten leven.De mens is op aarde gekomen om te worden beproefd. Wanneer hij leeft volgens de richtlijnen van deze boodschappers, dus in overeenstemming met de religie van de tawhîd, zal zowel het examen doorstaan als zijn leven in overeenstemming met zijn natuur leiden. Bovendien brengen de principes van tawhîd de mens het werkelijke geluk en redding. Ze geven de mens zijn rechten, ze vestigen gerechtigheid tussen de mensen en gemeenschappen en beschermen de mensen tegen de fitnah en onderdrukking die voortkomen uit de grillen en driften van overdreven en opstandige individuen.] (HY)

Op de Dag der Opstanding zal de ongelovige wensen de gehele aarde vol met goud te geven om zich te kunnen reddenطلب الكافر الفداء بملء الأرض ذهبًا

١٧٨٨ - حديث أَنَسٍ، يَرْفَعُهُ، أَنَّ اللهَ يَقُولُ لأَهْوَنِ أَهْلِ النَّارِ عَذَابًا: لَوْ أَنَّ لَكَ مَا فِي الأَرْضِ مِنْ شَيْءٍ، كُنْتَ تَفْتَدِي بِهِ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: لَقَدْ سَأَلْتُك مَا هُوَ أَهْوَنُ مِنْ هذَا، وَأَنْتَ فِي صُلْبِ آدَمَ، أَنْ لاَ تُشْرِكَ بِي، فَأَبَيْتَ إِلاَّ الشِّرْك اخرجه البخاري في: ٦٠ كتاب الأنبياء: ١ باب خلق آدم صلوات الله عليه وذريته

1788 - Van Anas (رضي الله عنه): Allāh zegt tegen de lichtst gestraften van de bewoners van het Hellevuur: “Stel dat jij alles bezat wat zich op de aarde bevindt, zou je dat geven als losgeld (om je straf af te kopen)?”Hij zegt: “Ja.”Allāh zegt dan: “Maar Ik heb jou iets gevraagd wat veel minder was dan dat, toen jij nog in de lendenen van Ādam was: dat jij geen deelgenoten (shirk) aan Mij zou toekennen.Toch weigerde je en volhardde je in shirk.”

De ongelovige zal op zijn gezicht opgewekt wordenيحشر الكافر على وجهه

١٧٨٩ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَجُلًا قَالَ: يَا نَبِيَّ اللهِ يُحْشَرُ الْكَافِرُ عَلَى وَجْهِهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ قَالَ: أَلَيْسَ الَّذِي أَمْشَاهُ عَلَى الرِّجْلَيْنِ فِي الدُّنْيَا، قَادِرًا عَلَى أَنْ يُمْشِيَهُ عَلَى وَجْهِهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ قَالَ قَتَادَةُ (رَاوِي الْحَدِيثِ عَنْ أَنَسٍ): بَلَى وَعِزَّةِ رَبِّنَا

1789 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Een man zei: “O an-Nabīyallah! Hoe zullen de ongelovigen op hun gezicht opgewekt worden op de Dag van de Opstanding.” Hij zei: “Is degene die hem in de wereld op zijn twee voeten liet lopen, niet in staat om hem op zijn gezicht te laten lopen op de Dag van de Opstanding?” Qatadah (een van de overleveraars in de keten) zei: “Ja, bij de Eer van onze Rab (Hij is in staat)!”

[Allāh تَعَالَى maakt in de onderstaande āyah duidelijk dat de kuffār (ongelovigen) op de Dag des Oordeels in een ellendige toestand en in de slechtste staat opgewekt zullen worden. Zij zullen niet lopend op hun voeten naar de Hel gaan, maar op hun gezichten voortgesleept worden. يَوۡمَ يُسۡحَبُونَ فِي ٱلنَّارِ عَلَىٰ وُجُوهِهِمۡ ذُوقُواْ مَسَّ سَقَرَ ٤٨

Op de dag dat zij op hun gezichten naar het Vuur worden gesleept (zal er tegen hen gezegd worden): “Proef de aanraking van de Hel!” (sûrah al-Qamar (54:48)] (HY)

De gelovige is als gewas, terwijl de ongelovige als de cederboom is

ل المؤمن كالزرع ومثل الكافر كشجر الأرز

١٧٩٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَثَلُ الْمُؤْمِنِ كَمَثَلِ الْخَامَةِ مِنَ الزَّرْعِ، مِنْ حَيْثُ أَتَتْهَا الرِّيحُ كَفَأَتْهَا فَإِذَا اعْتَدَلَتْ تَكَفَّأُ بِالْبَلاَءِ ⦗٢٨٣⦘ وَالْفَاجِرُ كَالأَرْزَةِ، صَمَّاءَ، مُعْتَدِلَةً حَتَّى يَقْصِمَهَا اللهُ، إِذَا شَاءَ

1790 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelijkenis van de gelovige (mu’min) is als een jonge graangewas, waar de wind hem heen en weer beweegt. Wanneer hij weer rechtop staat, wordt hij opnieuw gebogen door de wind. (Hij valt niet om, het herstelt zich). De gelijkenis van de fājir (zondaar) (die zich afwendt van de waarheid) is als een vaste, stugge cederboom die rechtop blijft staan totdat Allāh hem breekt wanneer Hij dat wil.

١٧٩١ - حديث كَعْبِ بْنِ مَالِكٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَثَلُ الْمُؤْمِنِ كَالْخَامَةِ مِنَ الزَّرْعِ، تُفَيِّئُهَا الرِّيحُ مَرَّةً، وَتَعْدِلُهَا مَرَّةً وَمَثَلُ الْمُنَافِقِ كَالأَرْزَةِ، لاَ تَزَالُ، حَتَّى يَكُونَ انْجِعَافُهَا مَرَّةً وَاحِدَةً1791 - Van Ka`b Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelovige (mu’min) is als een jonge graangewas: de wind buigt hem eens naar deze, dan weer naar die kant. En hij richt zich telkens weer op.De hypocriet (munafiq) daarentegen is als een stevige cederboom: die blijft rechtop staan tot hij in één keer wordt ontworteld.”

De gelovige is als een dadelpalmمثل المؤمن مثل النخلة

١٧٩٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ مِنَ الشَّجَرِ شَجَرَةً لاَ يَسْقُطُ وَرَقُهَا وَإِنَّهَا مَثَلُ الْمُسْلِمِ فَحَدِّثُونِي، مَا هِيَ فَوَقَعَ النَّاسُ فِي شَجَرِ الْبَوَادِي (قَالَ عَبْدُ اللهِ): وَوَقَعَ فِي نَفْسِي أَنَّهَا النَّخْلَةُ فَاسْتَحْييْتُ ثُمَّ قَالُوا: حَدِّثْنَا، مَا هِيَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: هِيَ النَّخْلَةُ

1792 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, er is onder de bomen een boom waarvan de bladeren niet vallen, en deze boom is als een moslim.

(Wie kan me) vertellen welke boom dat is.”De mensen begonnen te denken aan de bomen van de woestijn/vallei. ʿAbdullāh (Ibn ʿUmar) zei: “Het kwam in mijn hart op dat het de dadelpalm moest zijn, maar ik schaamde mij (om dat te zeggen).”Toen zeiden zij: “Vertel ons dan wat het is, o Rasûlullāh .”Hij zei: “Het is de dadelpalm.”

[De reden waarom een moslim wordt vergeleken met een dadelpalm, waarvan de bladeren niet afvallen, wordt verduidelijkt in een ḥadīth van Ibn `Umar (رضي الله عنهما) vanuit een ander perspectief. Hij zei: “Op een dag was ik in de aanwezigheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen hij zei: 'De gelijkenis van een gelovige (mu’min) is als die van een boom waarvan de bladeren niet afvallen. Weten jullie welke boom dat is?'Ze zeiden: 'Nee, we weten het niet.' Hij zei: 'Het is de dadelpalm. Haar bladeren vallen niet af. De moslim houdt ook niet op met zijn uitnodiging (hij blijft voortdurend bezig met het uitnodigen van mensen en het uitleggen van zijn religie.] (HY)

Niemand zal het Paradijs binnengaan door zijn (goede) daden, maar door de barmhartigheid van Allahu تَعَالَىلن يدخل أحد الجنة بعمله بل برحمة الله تعالى

1793 - حَدَّثَنَا أَبُو الْيَمَانِ أَخْبَرَنَا شُعَيْبٌ عَنْ الزُّهْرِيِّ قَالَ أَخْبَرَنِي أَبُو عُبَيْدٍ مَوْلَى

عَبْدِ الرَّحْمَنِ بْنِ عَوْفٍ أَنَّ أَبَا هُرَيْرَةَ قَالَ سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ صَلَّى الله عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَقُولُ

لَنْ يُدْخِلَ أَحَدًا عَمَلُهُ الْجَنَّةَ قَالُوا وَ أَنْتَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ وَ أَنَا إِ أَنْ يَتَغَمَّدَنِي الله

بِفَضْلٍ وَرَحْمَةٍ فَسَدِّدُوا وَقَارِبُوا وَ يَتَمَنَّيَنَّ أَحَدُكُمْ الْمَوْتَ إِمَّا مُحْسِنًا فَلَعَلَّهُ أَنْ يَزْدَادَ خَيْرًا

وَإِمَّا مُسِيئًا فَلَعَلَّهُ أَنْ يَسْتَعْتِبَ.

يَسْتَعْتِبَ. 1793 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Niemand zal het Paradijs binnengaan door zijn (goede) daden.”Ze vroegen: “Zelfs u niet, o Rasûlullāh?”Hij antwoordde: “Ja, zelfs ik niet, tenzij Allāh mij bedekt met Zijn genade (fadl) en barmhartigheid (rahmah).

Wees daarom standvastig (in het doen van goede daden, ga niet overdrijven) en probeer zo goed mogelijk (de gematigde weg) te benaderen.En laat niemand van jullie wensen om te sterven: als hij een weldoener is, dan is het mogelijk dat hij in het goede toeneemt; en als hij een zondaar is, dan is het mogelijk dat hij spijt betoont en berouw toont.”

١٧٩٤ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: سَدِّدُوا وَقَارِبُوا وَأَبْشِرُوا، فَإِنَّهُ لاَ يُدْخِلُ أَحَدًا الْجَنَّةَ عَمَلُهُ قَالُوا: وَلاَ أَنْتَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: وَلاَ أَنَا إِلاَّ أَنْ يَتَغَمَّدَنِي اللهُ بِمَغْفِرَةٍ وَرَحْمَةٍ1794 - Van `Âishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh ( (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wees gematigd in je daden, ga niet overdrijven, verheug je met de blijde tijdingen. Weet dat niemand door zijn (goede) daden het Paradijs zal binnengaan.' De aanwezigen vroegen: 'U ook niet , o Rasûlullāh ?' Hij antwoordde: 'Ja, ik ook niet. Tenzij Allāh, door Zijn vergiffenis en genade mij omhult.

[Rasûlullāh ( (صلى الله عليه وسلم), Allāh’s uitverkoren dienaar en de boodschapper die het Woord van Allāh ontving, had de mogelijkheid om dingen te weten en te zien die wij niet konden weten of zien. Dit was dankzij wat Allāh hem leerde en toonde. Sommige van deze zaken heeft hij aan zijn metgezellen en de ummah uitgelegd, terwijl hij andere zaken niet uitlegde.Wat Rasûlullāh ( (صلى الله عليه وسلم) wist en wij niet weten, betreft zaken zoals het Hiernamaals, de toestanden van het Paradijs en de Hel, en zaken die betrekking hebben op de ongezien zaken, die voor ons niet toegankelijk zijn.

Dit omvat de straffen die Allāh aan de opstandigen geeft, de beloningen die Hij aan de gehoorzamen geeft, de geheimen die voor ons verborgen zijn maar aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn geopenbaard. Als mensen deze dingen zouden weten en zien, zouden ze veel huilen en weinig lachen.] (HY)

Veel goede daden verrichten en zich inspannen in aanbidding

إِكثار الأعمال والاجتهاد في العبادة

١٧٩٥ - حديث الْمُغِيرَةِ ﵁، قَالَ: إِنْ كَانَ النَّبِيُّ ﷺ لَيَقُومُ لِيُصَلِّيَ حَتَّى تَرِمُ قَدَمَاهُ، أَوْ سَاقَاهُ فَيُقَالُ لَهُ فَيَقُولُ: أَفَلاَ أَكُونُ عَبْدًا شَكُورًا

1795 - Van al-Mughira (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond op om te de salāh (in de holst van de nacht) te verrichten totdat zijn voeten of zijn benen opgezwollen waren. Men zei tegen hem: 'Waarom doet u dit?' Hij antwoordde: 'Moet ik dan geen dankbare dienaar zijn?'“

Evenwichtig handelen bij het geven van raadلاقتصاد في الموعظة

١٧٩٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ كَانَ يُذَكِّرُ النَّاسَ فِي كُلِّ خَمِيسٍ، فَقَالَ لَهُ رَجُلٌ: يَا أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ لَوَدِدْتُ أَنَّكَ ذَكَّرْتَنَا كُلَّ يَوْمٍ قَالَ: أَمَا إِنَّهُ يَمْنَعُنِي مِنْ ذلِكَ أَنِّي أَكْرَهُ أَنْ أُمِلَّكُمْ وَإِنِّي أَتَخَوَّلُكُمْ بِالْمَوْعِظَةِ، كَمَا كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَتَخَوَّلُنَا بِهَا، مَخَافَة السَّآمَةِ عَلَيْنَا

1796 - Van Abû Wā'il (رضي الله عنه):`Abdullah Ibn Mas`ûd gaf de mensen elke donderdag lezing. Toen zei een man tegen hem: “O Abû Abd al-Rahman, ik wilde dat je ons elke dag lezing zou geven (onderwijzen in de Islām).” Hij antwoordde: “Wat me hiervan weerhoudt, is dat ik het jullie niet wil vervelen. Ik geef jullie lezingen zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons lezingen gaf, uit vrees dat het te veel voor jullie zou zijn.”