Kitābu’l Ādāb: Boek van de etiquetten
[Goede ādāb is het tonen van mooi gedrag en verfijnde omgangsvormen in alle situaties, goede woorden en gedragingen die in de Islām als mooi en prijzenswaardig worden beschouwd en gebaseerd is op de Qur’ān en de Sunnah, zodat men anderen niet schaadt en Allah tevreden is. In de ḥadīth-verzamelingen verwijst het begrip ādāb naar het hoofdstuk waarin de ādāben akhlāq-aḥādīth staan die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf in zijn leven heeft toegepast en die hij aan zijn ummah heeft aanbevolen.](AFK)
Noem jezelf niet met mijn kunyah, Abā al-Qāsim en geef mooie namen
النهي عن التكني بأبي القاسم وبيان ما يستحب من الأسماء[Een pasgeboren kind een mooie naam geven is allereerst de taak van de vader, en daarna van de moeder. De gegeven naam moet een mooie betekenis hebben en in overeenstemming zijn met het islamitische geloof en de bepalingen ervan.Namen die een betekenis dragen die strijdig is met de islamitische geloofsleer (‘aqīdah) of die door de religie verboden betekenissen bevatten, passen niet om aan kinderen te geven.
De namen die wij onze kinderen geven, dienen namen te zijn die:
de dienstbaarheid aan Allah uitdrukken,
passen bij islamitische doelen en menselijke waardigheid,
door de mensen in onze omgeving over het algemeen als mooi en aangenaam worden beschouwd,
en die een mooie betekenis dragen die herinneringen oproept aan de groten van de Islām.
Namen die kunstmatig klinken, in de islamitische gemeenschap onbekend zijn of behoren tot niet-moslims, enkel omdat ze “nieuw” of “onbekend” lijken, mogen niet aan onze kinderen worden gegeven.
Het woord kunyah is afgeleid van kināyah, wat betekent: “iemand op een indirecte of niet-letterlijke manier noemen.”In die tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was het gebruik van een kunyah zeer geliefd, zelfs meer dan de eigenlijke naam. Velen werden bekend onder hun kunyah.
Een kunyah wordt normaal gesproken ontleend aan het eerste mannelijke kind. Zo kreeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), na de geboorte van zijn zoon al-Qāsim (رضي الله عنه), de kunyah “Abū al-Qāsim”, wat betekent: “de vader van al-Qāsim”.Toch werd de kunyah niet uitsluitend in verband gebracht met een mannelijke zoon, maar kende zij een bredere toepassing.
Zo werd bijvoorbeeld Abū Hurayrah (رضي الله عنه), die vaak genoemd wordt in de ḥadīth, door Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de kunyah “Abū Hurayrah” (“de vader van het katje”) gegeven, omdat hij veel van katten hield.‘Alī (رضي الله عنه) werd door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de kunyah “Abū Turāb” (“vader van het stof”) genoemd.
Volgens de Islām is het geven van namen, zelfs aan voorwerpen, een belangrijke zaak. Daarom is de vraag of de naam of de kunyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mag worden gebruikt, een onderwerp geweest van diepgaande bespreking onder de geleerden.Er zijn vele aḥadīth overgeleverd die verschillende interpretaties toelaten, waardoor de geleerden hierover uiteenlopende meningen hebben gevormd. Deze kunnen als volgt worden samengevat:
Het aannemen van de kunyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is afkeurenswaardig.Bewijs hiervoor is de ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in al-Bukhārī (ʿIlm 38, Manāqib 20, Adab 106, 109), Muslim (Adab 1, 3-5, 8), Tirmidhī (Adab 68), Ibn Mājah (Adab 33) en Dārimī (Istiʾdhān 58): “Noem jezelf met mijn naam, maar gebruik niet mijn kunyah.”
Het aannemen van de kunyah van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) is toegestaan.Bewijs hiervoor is de ḥadīth van ‘Āʾishah (رضي الله عنها) in Abū Dāwūd (Adab 68/4968).Volgens Ibn Abī Shaybah heette de neef van ‘Āʾishah (رضي الله عنها), namelijk Muḥammad ibn Ashʿath (رضي الله عنه), zowel met de naam als met de kunya van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Ibn Abī Ḥaythamah vermeldt van az-Zuhri dat vier kinderen van de metgezellen zowel “Muḥammad” heetten als de kunyah “Abū al-Qāsim” droegen. Hieruit blijkt dat de aḥadīth die het gebruik van de kunyah verbieden, later zijn opgeheven (naskh).
Het is niet toegestaan om zowel de naam als de kunyah van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) te combineren bij één persoon, maar het is geen probleem om slechts zijn naam of slechts zijn kunyah te gebruiken.Deze mening is overgeleverd van Imām ash-Shāfiʿī, de Ẓāhirī-geleerden en Imām Aḥmad ibn Ḥanbal.Bewijs: de ḥadīth van Jābir (رضي الله عنه) in Abū Dāwūd (Adab 67/4966), Tirmidhī (Adab 68) en Aḥmad ibn Ḥanbal (1/95; 2/312, 455, 433; 3/450; 5/364): “Wie mijn naam draagt, laat hem mijn kunyah niet aannemen; en wie mijn kunyah draagt, laat hem mijn naam niet aannemen.”
Het aannemen van de kunyah van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) was alleen verboden tijdens zijn leven,maar na zijn overlijden is het toegestaan.Bewijs hiervoor is de ḥadīth van Muḥammad ibn al-Ḥanafiyyah (رضي الله عنه) in Abū Dāwūd (Adab 68/4967) en Tirmidhī (Adab 68): Toen ‘Alī (رضي الله عنه) tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als er na u ik een zoon krijg, zal ik hem zowel uw naam als uw kunyah geven,” antwoordde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ja, dat mag je doen.” Volgens Imām Mālik en Imām an-Nawawī duiden de aḥadīth die het gebruik van zijn kunyah verbieden op een beperking tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
De reden is dat, wanneer iemand “Muḥammad” of “Abū al-Qāsim” riep, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich zou kunnen omdraaien, denkend dat hij zelf werd aangesproken, en dat verwarring zou kunnen ontstaan tussen hem en degene die werkelijk werd bedoeld. Na zijn overlijden is zo’n verwarring niet langer mogelijk, en is het daarom toegestaan om zowel zijn naam als zijn kunyah aan een kind te geven.
Daarom is het zeer passend om kinderen vanaf jonge leeftijd vertrouwd te maken met de naam en kunyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om liefde en eerbied voor hem in hun harten te planten. Wanneer kinderen met zo’n naam of kunyah worden aangesproken, leren zij respect te tonen voor die namen, en krijgen de zegen en vreugde om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vaak te gedenken.] (HA)
١٣٨٠ - حديث أَنَس ﵁، قَالَ: دَعَا رَجُلٌ بِالْبَقِيعِ، يَا أَبَا الْقَاسِمِ فَالْتَفَتَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ فَقَالَ: لَمْ أَعْنِكَ قَالَ: سَمُّوا بِاسْمِي وَلاَ تَكْتَنُوا بِكُنْيَتِي1380 – Van Anas (رضي الله عنه):Een man riep (op de markt) van al-Baqīʿ: “O Abā al-Qāsim!” Toen keerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich naar hem toe. De man zei: “Ik bedoelde u niet.” Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Geef (jullie kinderen) mijn naam, maar neem niet mijn kunyah (bijnaam) aan.”
١٣٨١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ الأَنْصَارِيِّ، قَالَ: وُلِدَ لَرَجُلٍ مِنَّا غُلاَمٌ، فَسَمَّاهُ الْقَاسِمَ فَقَالَتِ الأَنْصَارُ: لاَ نَكْنِيكَ أَبَا الْقَاسِمِ، وَلاَ نُنْعِمُكَ عَيْنًا
فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ وُلِدَ لِي غُلاَمٌ، فَسَمَّيْتُهُ الْقَاسِمَ، فَقَالَتِ الأَنْصَارُ: لاَ نَكْنِيكَ أَبَا الْقَاسِمِ، وَلاَ نُنْعِمُكَ عَيْنًا
فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَحْسَنَتِ الأَنْصَارُ، سَمُّوا بِاسْمِي، وَلاَ تَكَنَّوْا بِكُنْيَتِي، فَإِنَّمَا أَنا قَاسِمٌ
1381 – Van Jābir ibn ʿAbdillah al-Anṣārī (رضي الله عنه):Er werd bij één van ons (Anṣār) een jongentje geboren, en hij noemde hem al-Qāsim.
De Anṣār zeiden: “Wij zullen jou niet ‘Abā al-Qāsim’ (zoals Rasûlullāhs kunyah) noemen en wij zullen jou geen ooggenot geven (niet wensen dat het kind je vreugde moge geven).” Hij ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh , er is een zoon geboren en ik heb hem al-Qāsim genoemd. De Anṣār zeggen: ‘Wij zullen jou niet Abā al-Qāsim noemen, en wij zullen jou geen ooggenot geven (niet wensen dat het kind je vreugde moge geven).’”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Anṣār hebben het goed gezegd. Noem (jullie kinderen) met mijn naam, maar neem niet mijn kunyah, want ik ben (degene die de rechten aan de rechthebbenden toekent) al-Qāsim.”
١٣٨٢ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: وُلِدَ لِرَجُلٍ مِنَّا غُلاَمٌ، فَسَمَّاهُ الْقَاسِمَ، فَقُلْنَا: لاَ نَكْنِيكَ أَبَا الْقَاسِمِ، وَلاَ كَرَامَةَ فَأَخْبَرَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: سَمِّ ابْنَكَ عَبْدَ الرَّحْمنِ1382 – Van Jābir (رضي الله عنه):Bij één van ons werd een jongentje geboren, en hij noemde hem al-Qāsim. Wij zeiden: “Wij zullen jou niet Abā al-Qāsim noemen, en jou niet feliciteren.”Hij informeerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop hij zei: “Noem je zoon ʿAbd ar-Raḥmān.”
١٣٨٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ أَبُو الْقَاسِمِ ﷺ: سَمُّوا بِاسْمِي وَلاَ تَكْتَنُوا بِكْنْيَتِي1383 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) zei: “Noem (jullie kinderen) met mijn naam, maar neem niet mijn kunyah aan.”
De aanbeveling om een lelijke naam te veranderen in een mooie, en het veranderen van de naam Barrah naar Zaynab, Juwayriyyah en soortgelijke namen
استحباب تغيير الاسم القبيح إِلى حسن وتغيير اسم برة إِلى زينب وجويرية ونحوها
١٣٨٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ زَيْنَبَ كَانَ اسْمُهَا بَرَّةً، فَقِيلَ تُزَكِّي نَفْسَهَا فَسَمَّاهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، زَيْنَبَ
1384 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Zaynab heette oorspronkelijk Barrah (Allāh gehoorzamende, zich aan Allāh onderwerpende). Er werd gezegd: “Zij prijst zichzelf.” Toen noemde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) haar Zaynab (een boom met een prachtig aanzicht).
Het is ḥarām om de namen Māliku’l Amlāk (Koning der Koningen) en Māliku’l Mulk (Heerser der Heersers) aan te nemen
تحريم التسمي بملك الأملاك وبملك الملوك
١٣٨٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَخْنَعُ الأَسْمَاءِ عِنْدَ اللهِ رَجُلٌ تَسَمَّى بِمَلِكِ الأَمْلاَكِ
1385 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De meest verachtelijke naam bij Allāh is een man die zich ‘Māliku’l Amlāk’ (Koning der koningen) noemt.”
De aanbeveling om de pasgeborene tahnīk te geven bij zijn geboorte en hem te brengen naar een vrome persoon die dit voor hem doet; het is toegestaan om hem op de dag van zijn geboorte een naam te geven; en de aanbeveling om hem ʿAbdullāh, Ibrāhīm en de overige namen van de profeten te noemen
استحباب تحنيك المولود عند ولادته وحمله إِلى صالح يحنكه وجواز تسميته يوم ولادته واستحباب التسمية بعبد الله وإِبراهيم وسائر أسماء الأنبياء ﵈
١٣٨٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ: كَانَ ابْنٌ لأَبِي طَلْحَةَ يَشْتَكِي، فَخَرَجَ أَبُو طَلْحَةَ، فَقُبِضَ الصَّبِيُّ فَلَمَّا رَجَعَ أَبُو طَلْحَةَ، قَالَ: مَا فَعَل ابْني ⦗٤٨⦘ قَالَتْ أُمُّ سُلَيْمٍ: هُوَ أَسْكَنُ مَا كَانَ فَقَرَّبَتْ إِلَيْهِ الْعَشَاءَ، فَتَعَشَّى، ثُمَّ أَصَابَ مِنْهَا فَلَمَّا فَرَغَ، قَالَتْ: وَارِ الصَّبِيَّ فَلَمَّا أَصْبَحَ أَبُو طَلْحَةَ أَتَى رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَأَخْبَرَهُ فَقَالَ: أَعْرَسْتُمُ اللَّيْلَةَ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: اللهُمَّ بَارِكْ لَهُمَا فَوَلَدَتْ غُلاَمًا قَالَ لِي أَبُو طَلْحَةَ: احْفَظْهُ حَتَّى تَأْتِيَ بِهِ النَّبِيَّ ﷺ فَأَتَى بِهِ النَّبِيَّ ﷺ، وَأَرْسَلَتْ مَعَهُ بِتَمَرَاتٍ، فَأَخَذَهُ النَّبِيُّ ﷺ فَقَالَ: أَمَعَهُ شَيْءٌ قَالُوا: نَعَمْ، تَمَرَاتٌ فَأَخَذَهَا النَّبِيُّ ﷺ، فَمَضَغَهَا، ثُمَّ أَخَذَ مِنْ فِيهِ، فَجَعَلَهَا فِي فِي الصَّبِيِّ، وَحَنَّكَهُ بِهِ، وَسَمَّاهُ عَبْدَ اللهِ
1386 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):De zoon van Abū Ṭalḥah was ziek. Abū Ṭalḥah vertrok (van huis), en intussen overleed het jongentje.
Toen Abū Ṭalḥah thuis kwam, vroeg hij:”Hoe is het met mijn zoon?”Ummu Sulaym antwoordde: “Hij is rustiger dan ooit.”Vervolgens zette ze het avondmaal voor hem neer, en hij at ervan.
Daarna had hij gemeenschap met haar. Toen ze daarmee klaar waren, zei ze: “Begraaf het kind.”De volgende ochtend ging Abū Ṭalḥah naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem wat er gebeurd was.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Hebben jullie vannacht de huwelijksdaad verricht?”Hij antwoordde: “Ja.”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Allāh, zegen hen beiden.”Vervolgens werd er een zoon geboren. Abū Ṭalḥah zei tegen mij (Anas): “Breng hem naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zorg goed voor hem tot je daar aankomt.”Ik bracht hem naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn moeder stuurde enkele dadels mee. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam het kindje in zijn armen en vroeg: “Heeft (Anas) iets bij zich?”Zij zeiden: “Ja, wat dadels.”Toen nam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de dadels, kauwde erop, nam er wat van uit zijn mond en wreef dat in de mond van de baby. Vervolgens noemde hij hem ʿAbdullāh.
١٣٨٧ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: وُلِدَ لِي غُلاَمٌ، فَأَتَيْتُ بِهِ النَّبِيَّ ﷺ، فَسَمَّاهُ إِبْرَاهِيمَ، فَحَنَّكَهُ بِتَمْرَةٍ وَدَعَا لَهُ بِالْبَرَكَةِ وَدَفَعَه إِلَيَّ وَكَانَ أَكْبَرَ وَلَدِ أَبِي مُوسى
1387 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Ik kreeg een zoon. Ik bracht hem naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij noemde hem Ibrāhīm, wreef een dadel in zijn mond, verrichtte duʿā’ voor zegen over hem, en gaf hem terug aan mij. Hij was de oudste zoon van Abū Mūsā.
١٣٨٨ - حديث أَسْمَاءَ ﵂، أَنَّهَا حَمَلَتْ بِعَبْدِ اللهِ بْنِ الزُّبَيْرِ قَالَتْ: فَخَرَجْتُ وَأَنَا مُتِمٌّ فَأَتَيْتُ الْمَدِينَةَ، فَنَزَلْتُ بِقُبَاءٍ، فَوَلَدْتُهُ بِقُبَاءٍ ثُمَّ أَتَيْتُ بِهِ النَّبِيَّ ﷺ، فَوَضَعْتُهُ فِي حَجْرِهِ ثُمَّ دَعَا بِتَمْرَةٍ فَمَضَغَهَا، ثُمَّ تَفَلَ فِي فِيهِ فَكَانَ أَوّلَ شَيْءٍ دَخَلَ جَوْفَهُ رِيقُ رَسُولِ اللهِ ﷺ ثُمَّ حَنَّكَهُ بِتَمْرَةٍ، ثُمَّ دَعَا لَهُ وَبَرَّكَ عَلَيْهِ؛ وَكَانَ أَوَّلَ مَوْلُودٍ وُلِدَ فِي الإِسْلاَمِ1388 – Van Asmā’ (رضي الله عنها):Ik werd zwanger van ʿAbdullāh ibn Zubayr. Ik vertrok terwijl ik hoogzwanger was en kwam aan in Madīnah (Hijrah). Ik verbleef in Qubā’ en daar beviel ik van hem. Toen bracht ik hem naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en legde hem op zijn schoot.
Hij vroeg om een dadel, kauwde daarop, spuugde in zijn mondje, en het eerste wat zijn maagje binnenkwam was het speeksel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen wreef hij met de dadel over zijn gehemelte, verrichtte duʿā’ voor hem en vroeg om zegening (barakah) voor hem. Hij was de eerste baby die in de Islām (na de Hijrah in Madīnah) werd geboren.
[Er is vermeld dat Asmā’ (رضي الله عنها) haar kind in Qubā’ baarde, het zonder te hebben gezoogd naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bracht, waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor hem duʿā’ verrichtte en hem de naam ʿAbdullāh gaf.Na de Hijrah wordt vermeld dat onder de Muhājirūn -families buiten Madīnah, de eerste geboren jongen ʿAbdullāh ibn Jaʿfar was, die in Ḥabashah werd geboren.
Onder de families van de Anṣār in Madīnah, wordt gezegd dat de eerste geboren jongen Maslamah ibn Makhlad of Nuʿmān ibn Bashīr was.] (HY)[De geboorte van een kind binnen de Muhājirīn bracht de moslims grote vreugde. Want, zoals vermeld in een ḥadīth (Bukhārī, ʿAqīqah), werd er destijds het gerucht verspreid dat de joden magie op de Muhājirīn hadden uitgesproken en dat zij daarom geen kinderen meer zouden kunnen krijgen. Hierdoor bleek dat dit gerucht ongegrond was.Helaas werd deze mooie ṣaḥābī, ʿAbdullāh ibn Zubayr (رضي الله عنهما), die na de Hijrah een grote vreugde bracht aan de onderdrukte moslims, later het slachtoffer van politieke ambitieën. Hij werd door de tiran Hajjāj op een gruwelijke manier vermoord bij de belegering van het Huis van Allāh (Ka`bah) met katapulten. Het waseen onderdeel van het streven naar het koningschap van de Umayyaden-dynastie. Hij verliet deze wereld al een martelaar (shahīd).] (AFK)
[De tahnīk bij een pasgeboren kind was een vaste gewoonte onder de moslims in Madīnah. In de ḥadīth wordt vermeld dat ʿAbdullāh (رضي الله عنه) het eerste kind was dat onder de Muhājirūn in Madīnah werd geboren. Dit feit wordt bijzonder benadrukt, omdat de Muhājirūn bij de Hijrah van Makkah naar Madīnah al hun bezittingen in Makkah hadden moeten achterlaten. Vanwege hun nieuw leven in een vreemde omgeving hadden zij te maken met materiële moeilijkheden, de vochtige lucht van Madīnah, aanpassingsproblemen en andere ongemakken. Sommigen maakten daar misbruik van om de Muhājirūn te demotiveren en hun gemoedsrust te verstoren.
Er werd zelfs een kwaadwillige geruchtencampagne gevoerd waarin werd beweerd dat de Muhājirūn in Madīnah geen kinderen meer zouden kunnen krijgen.
Men zei: “De joden hebben hen betoverd; voortaan zullen zij geen kinderen meer krijgen.” Dergelijke woorden kwetsten de Muhājirūn diep en verlaagden hun moraal. Maar de geboorte van ʿAbdullāh bracht grote vreugde en opluchting onder hen teweeg; het was een teken van zegen en hoop voor de gemeenschap.] (HA)
١٣٨٩ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ قَالَ: أُتِيَ بِالْمُنْذِرِ ابْنِ أَبِي أُسَيْدٍ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، حِينَ وُلِدَ، فَوَضَعَهُ عَلَى فَخِذِهِ، وَأَبُو أُسَيْدٍ جَالِسٌ؛ فَلَهَا النَّبِيُّ ﷺ بِشَيْءٍ بَيْنَ يَدَيْهِ، فَأَمَرَ أَبُو أُسَيْدٍ بِابْنِهِ فَاحْتُمِلَ مِنْ فَخِذِ النَّبِيِّ ﷺ، فَاسْتَفَاقَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: أَيْنَ الصَّبِيُّ فَقَالَ أَبُو أُسَيْدٍ: قَلَبْنَاهُ، يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: مَا اسْمُهُ قَالَ: فُلاَنٌ قَالَ: وَلكِنْ أَسْمِهِ الْمُنْذِرَ فَسَمَّاهِ يَوْمَئِذٍ الْمُنْذِرَ1389 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Al-Mundzir, de zoon van Abū Usayd, werd meteen na zijn geboorte naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebracht. Hij legde hem op zijn dij in het bijzijn van (zijn vader) Abū Usayd. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was toen druk bezig met iets anders, en (Abū Usayd ) beval dat de baby van zijn dij zou worden gehaald.
Toen hij zijn werkzaamheden neerlegde, vroeg hij: “Waar is de baby?”Abū Usayd zei: “Wij hebben hem weggenomen, o Rasûlullāh.”Hij vroeg: “Wat is zijn naam?”Hij zei: “Die en die.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee, maar geef hem de naam Mundzir.” Zo noemde hij hem vanaf die dag Mundhir.
١٣٩٠ - حديث أَنَسٍ: قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، أَحْسَنَ النَّاسِ خُلُقًا وَكَانَ لِي أَخٌ يُقَالُ لَهُ أَبُو عُمَيْر، وقال أحبه فَطِيمٌ وَكَانَ إِذَا جَاءَ قَالَ: يَا أَبَا عُمَيْرٍ، مَا فَعَلَ النُّغيْرُ نُغَرٌ كَانَ يَلْعَبُ بِهِ1390 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had het beste gedrag (akhlâq) van alle mensen. Ik had een broertje dat Abū ʿUmayr werd genoemd. Hij was reeds gespeend. Als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) binnenkwam, zei hij (tegen hem): “O Abū ʿUmayr, wat heeft de ‘nughayr’ (vogeltje) gedaan?” (Hij vroeg hoe het met hem ging). Het was een vogeltje waarmee hij speelde.
Toestemming vragen om ergens naar binnen te gaan
الاستئذان
١٣٩١ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ: كُنْتُ فِي مَجْلِسٍ مِنْ مَجَالِسِ الأَنْصَارِ إِذْ جَاءَ أَبُو مُوسى كَأَنَّهُ مَذْعُورٌ فَقَالَ: اسْتَأْذَنْتُ عَلَى عُمَرَ ثَلاَثًا، فَلَمْ يُؤْذَنْ لِي، فَرَجَعْتُ فَقَالَ: مَا مَنَعَكَ قُلْتُ: اسْتَأْذَنْتُ ثَلاَثًا فَلَمْ يُؤْذَنْ لِي، فَرَجَعْتُ وَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا اسْتَأْذَنَ أَحَدُكُمْ ثَلاَثًا، فَلَمْ يُؤْذَنْ لَهُ فَلْيَرْجِعْ فَقَالَ: وَاللهِ لَتُقِيمَنَّ عَلَيْهِ بِبَيِّنَةٍ أَمِنْكُمْ أَحَدٌ سَمِعَهُ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ فَقَالَ أُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ: وَاللهِ لاَ يَقُومُ مَعَكَ إِلاَّ أَصْغَرُ الْقَوْمِ، فَكُنْت أَصْغَرَ الْقَوْمِ؛ فَقُمْتُ مَعَهُ فَأَخْبَرْتُ عُمَرَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ ذَلِكَ
1391 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Ik bevond mij in een van de zitkringen van de Anṣār, toen Abū Mūsā binnenkwam, alsof hij geschrokken was.Hij zei: “Ik vroeg drie keer toestemming om binnen te komen bij ʿUmar, maar ik kreeg geen toestemming, dus keerde ik terug.”ʿUmar zei: “Wat hield je tegen (om binnen te komen)?”Hij antwoordde: “Ik vroeg drie keer toestemming, maar er werd geen toestemming gegeven, dus ging ik terug. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Als iemand van jullie drie keer toestemming vraagt en het wordt niet beantwoord, laat hem dan teruggaan.’”ʿUmar zei: “Bij Allāh, je zult (hiervoor) een bewijs moeten aanleveren!
Is er iemand van jullie die dit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord?”Ubay ibn Kaʿb zei: “Bij Allāh, niemand anders dan de jongste van het gezelschap zal getuigen.”Ik was de jongste van hen, dus stond ik samen met hem op omʿUmar te informeren dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit inderdaad gezegd had.
Als aan een persoon, die toestemming vraagt om binnen te komen, wordt gevraagd “wie is het”, is het afkeurenswaardig om te zeggen “ik ben het”كراهة قول المستأذن أنا إِذا قيل من هذا
١٣٩٢ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: أَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ فِي دَيْنٍ كَانَ عَلَى أَبِي فَدَقَقْتُ الْبَابَ فَقَالَ: مَنْ ذَا فَقُلْتُ: أَنَا فَقَالَ: أَنَا، أَنَا كَأَنَّهُ كَرِهَهَا
1392 – Van Jābir (رضي الله عنه):Ik kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (om hulp te vragen) vanwege een schuld die mijn (overleden) vader had.Ik klopte op de deur en hij zei: “Wie is daar?”Ik zei: “Ik ben het.”Hij zei: “Ik ben het, ik ben het,” alsof hij het afkeurde (dat ik niet mijn naam had genoemd).
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keurde het af wanneer iemand, aan wie werd gevraagd wie hij was, slechts antwoordde met de woorden“ik” of “het is mij”. Deze woorden zijn onduidelijk en hebben geen identificerende waarde. Want zelfs als iemand bekend en vertrouwd is, is het niet altijd mogelijk om mensen alleen aan hun stem te herkennen.
Daarom drukken vragen als “Wie ben jij?” of “Wie is daar?” een minimale wens uit om de ander te leren kennen.“Ik”, “dat ben ik”, “een mens”, “een persoon”, “een dienaar van Allāh”, of “iemand die je kent”, zulke antwoorden zijn niet voldoende. Want deze antwoorden zijn vaag en verhullend.Op basis van deze en soortgelijke aḥādīth hebben islamitische geleerden geoordeeld dat het beantwoorden van de vraag “Wie is daar?” met dergelijke vage antwoorden wordt beschouwd als ongepast en in strijd met de goede manieren; het wordt gezien als een afkeurenswaardige houding.In werkelijkheid is het gebruik van het woord “ik” op zich niet verkeerd, maar het nalaten om daarna verduidelijkende informatie te geven, zoals je naam, achternaam, eventueel de naam van je vader en je beroep, dat is wat als tekortschietend wordt gezien.Moslims dienen deze etiquetteregels zo veel mogelijk in leven te houden, er zorgvuldig mee om te gaan, en door hun gedrag te laten zien dat dit tot de gedragsregels van een beschaafde samenleving behoort, zodat zij daarin een voorbeeldfunctie in vervullen.] (HY)
[Om de privacy van zijn huis te beschermen, wilde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weten wie er kwam. Toen iemand, zonder zijn naam te noemen, alleen zei: “Ik ben het!”, raakte hij geïrriteerd. Degene die een huis wil betreden, moet zich duidelijk identificeren; dit is de etiquette van het vragen om toestemming. ] (Diyanet)
Het is verboden om in andermans huis te gluren
تحريم النظر في بيت غيره
١٣٩٣ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ، أَنَّ رَجُلًا اطَّلَعَ فِي جُحْرٍ فِي بَابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَمَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ مِدْرًى يَحُكُّ بِهِ رَأْسَهُ فَلَمَّا رَآهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَالَ: لَوْ أَعْلَمُ أَنْ تَنْتَظِرَنِي لَطَعَنْتُ بِهِ فِي عَيْنَيْكَ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِنَّمَا جُعِلَ الإِذْنُ مِنْ قِبَلِ الْبَصَرِ أخرجه
1393 – Van Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):Een man gluurde door een spleet door de deur van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een (ijzeren) kam vasthield waarmee hij zijn hoofd krabde.Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem zag, zei hij: “Als ik had geweten dat je naar mij gluurde, dan had ik hiermee jouw ogen geprikt.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het vragen om toestemming is slechts vanwege het zicht (om te voorkomen dat men ongewenst kijkt).”
١٣٩٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَجُلًا اطَّلَعَ مِنْ بَعْضِ حُجَرِ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَامَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ، بِمِشْقَصٍ، أَوْ بِمَشَاقِصَ، فَكَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَيْهِ يَخْتِلُ الرَّجُلَ لِيَطعُنَهُ1394 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Een man keek stiekem naar binnen vanuit een van de vertrekken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Toen stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op met een speerpunt of meerdere kleine speren, en ik kan mij herinneren dat ik hem zag sluipen naar de man om hem daarmee te steken.
١٣٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لَوِ اطَّلَعَ فِي بَيْتِكَ أَحَدٌ وَلَمْ تَأذَنْ لَهُ، خَذَفْتَهُ بِحَصَاةٍ فَفَقَأتَ عَيْنَهُ، مَا كَانَ عَلَيْكَ مِنْ جُنَاحِ1395 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Als iemand jouw huis zou binnengluren zonder jouw toestemming, en jij zou hem met een steentje raken en zijn oog uitsteken, dan rust er geen enkele zonde op jou.”