As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitâbu'l-alfâzhi mina'l-ādab wa ghayrihā: Boek over termen betreffende etiquette en wat daarmee verwant is

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitâbu'l-alfâzhi mina'l-ādab wa ghayrihā: Boek over termen betreffende etiquette en wat daarmee verwant is

Het is verboden om de tijd te vervloekenالنهي عن سب الدهر

١٤٤٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قَالَ اللهُ ﷿ يُؤْذِينِي ابْنُ آدَمَ، يَسُبُّ الدَّهْرَ، وَأَنَا الدَّهْرُ، بِيَدِي الأَمْرُ، أُقَلِّبُ اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ

1449 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāhu (عز وجل) heeft gezegd:“De zoon van Ādam beledigt Mij. Hij vervloekt de tijd, terwijl de tijd van Mij is. In Mijn hand ligt de beslissing. Ik draai de nacht en de dag om.”

[At-Ṭabarī heeft via Abū Kureyb en Ibn ʿUyaynah de volgende ḥadīth overgeleverd, waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen van de jāhiliyyah zeiden: ‘De nacht en de dag brengen ons de ondergang; zij zijn het die ons doden en ons tot leven brengen.’ Daarop openbaarde Allāhu (عز وجل):

وَقَالُواْ مَا هِيَ إِلَّا حَيَاتُنَا ٱلدُّنۡيَا نَمُوتُ وَنَحۡيَا وَمَا يُهۡلِكُنَآ إِلَّا ٱلدَّهۡرُۚ وَمَا لَهُم بِذَٰلِكَ مِنۡ عِلۡمٍۖ إِنۡ هُمۡ إِلَّا يَظُنُّونَ ٢٤

En zij zeggen: “Er is niets anders dan het wereldse leven, wij sterven en wij leven en niets kan ons vernietigen behalve de tijd.” En zij hebben geen kennis daarover, zij gissen slechts. (sûrah al-Jāthiyah 45:24)Zij vervloekten de tijd. Allāh (عز وجل) zei daarop: “De zoon van Ādam doet Mij pijn.”Al-Qurṭubī zei over de betekenis hiervan: “Allāh (عز وجل) is verheven boven het feit dat iets Hem rechtstreeks zou kunnen schaden. Wat hiermee bedoeld wordt, is dat de persoon de toorn van Allāh verdient.”Al-Khaṭṭābī zei over de betekenis van de uitspraak “De tijd is van Mij” in de ḥadīth: “Degene die de beheerder en regelaar van de tijd is, degene die verantwoordelijk is voor alles wat jullie aan de tijd toeschrijven, dat ben Ik.

Dus wie de tijd vervloekt, terwijl hij gelooft dat de tijd de oorzaak is van datgene wat hem overkomt, dan keert zijn vloek in werkelijkheid terug naar zijn Rab die deze zaken bestuurt.”Een gewoonte in de jāhiliyyah was dat als hen iets onaangenaams overkwam, zij dat aan de tijd toeschreven en zeiden: “Wee de tijd!” (Fatḥ al-Bārī – de uitleg bij dezelfde ḥadīth door Ibn Ḥajar.)] (HY)

Afwijzing om druiven ‘karm’ te noemenكراهة تسمية العنب كرمًا

١٤٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: وَيَقُولُونَ الْكَرْمُ إِنَّمَا الْكَرْمُ قَلبُ الْمُؤْمِنِ

1450 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij zeggen: 'de wijnrank (karm).' Maar de ware ‘karm’ (overvloed en vrijgevigheid) is het hart van de gelovige (mu’min).”

[Karm betekent letterlijk wijnrank, maar kan ook verwijzen naar overvloed en vrijgevigheid. De ḥadīth corrigeert dus een verkeerde woordassociatie. Het woord karm is afgeleid van karam, wat kostbaar of waardevol betekent.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft verboden om de wijnrank karm te noemen, omdat daarvan wijn wordt gemaakt. Het gebruik van deze naam zou mensen kunnen associeren met of herinneren aan wijn.Volgens Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is de ware karm, het waardevolle en edele, het hart van de gelovige, omdat het verlicht is met het licht van het geloof (īmān) en leeft volgens de Islām.] (HY)

[Het was de gewoonte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om namen met een negatieve betekenis te vervangen door positieve en mooie namen, om zo een juiste denken bewustzijnscultuur te vestigen.

In de jāhiliyyah-periode was het gebruikelijk dat men, als teken van edelmoedigheid en rijkdom, wijn aanbood. Daarom werd de wijnrank, de grondstof van wijn, ook wel aangeduid met de naam “karm” (wat overvloed en edelmoedigheid betekent). Aangezien het onjuist is een verboden drank gelijk te stellen aan een toegestaan voedingsmiddel, en bovendien een deugd zoals edelmoedigheid eraan te verbinden, veranderde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze benaming. Want ware edelmoedigheid, eer, overvloed en zegeningen komen uitsluitend van Allāh, en degene die werkelijk de naam karm verdient, en dat is de gelovige mens (mu’min). ] (Diyanet)

Het oordeel over het gebruik van de woorden ʿAbd (slaaf), Ammah (dienares), Mawlā (meester) en Sayyid (heer)

حكم إِطلاق لفظة العبد والأمة والمولى والسيد

١٤٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ أَنَّهُ قَالَ: لاَ يَقُلْ أَحَدُكُمْ أَطْعِمْ رَبَّكَ، وَضِّى رَبَّكَ، اسْقِ رَبَّكَ وَلْيَقُلْ سَيِّدِي، مَوْلاَيَ وَلاَ يَقُلْ أَحَدُكُمْ عَبْدِي، أَمَتِي وَلْيَقُلْ فَتَايَ وَفَتَاتِي وَغُلاَمِي

1451 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie (aan zijn bediende) zeggen: ‘Voed je rab (heer)’, ‘Geef je rab te drinken’, ‘Maak je rab comfortabel’. Laat hem in plaats daarvan zeggen: ‘mijn meester’ (sayyidī), ‘mijn heer’ (mawlāya). En laat niemand van jullie zeggen: ‘mijn slaaf’ (ʿabdī) of ‘mijn slavin’ (amatī), maar zeg: ‘mijn jongen’ (fatāya), ‘mijn meisje’ (fatātī), ‘mijn dienaar’ (ghulāmī).”

[De reden dat men zijn dienaar niet zou moeten aanspreken met “mijn slaaf” (ʿabdī), is als volgt overgeleverd in een ḥadīth: “Want jullie zijn allen dienaren (ʿibād) van Allāh. Jullie zijn allen eigendom (mamālīk) van Hem.”] (HY)

[Het woord “Rab” is één van de namen van Allāh en betekent “bezitter, eigenaar, degene die beheert en opvoedt, beschermt, gunsten schenkt, corrigeert en ontwikkelt.” Het werd niet toegestaan dat slaveneigenaren zichzelf rab (in de betekenis van meester) lieten noemen, omdat zulke aanspreekvormen uitdrukking geven aan dienstbaarheid die alleen Allāh toekomt en strijdig zijn met goede zeden en het tawḥīd-beginsel. ] (Diyanet)Zeg niet dat je ziel vuil isكراهة قول الإنسان خبثت نفسي

١٤٥٢ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَقُولَنَّ أَحَدُكُمْ خَبُثَتْ نَفْسِي، وَلكِنْ لِيَقُلْ لَقِسَتْ نَفْسِي

1452 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie zeggen: ‘Mijn ziel is onrein geworden’ (khabuthat nafsī), maar laat hem zeggen: ‘Ik ben het beu/ik verveel me (laqisat nafsī).”

[Khabuthat nafsī is een valse overtuiging in het geloof, leugenachtig spreken en slecht handelen, verwijst naar iets wat ḥarām is en wordt toegepast op verwerpelijke eigenschappen, zowel in woorden als in daden.Ibn Ḥajar zei hierover: “Laqisat nafsī: Eigenlijk hebben de woorden khabath en laqas dezelfde betekenis.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond het afkeurenswaardig dat de naam khabath op een moslim werd toegepast, en hij veranderde die naam in laqas. Een onderdeel van de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is, dat hij slechte of lelijke woorden verving door mooie en goede woorden] (HY)

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak zich er ook tegen uit dat iemand een mu’min die zich verdrietig voelt of neerslachtig is, als “khabith” (vuil, onrein) zou bestempelen. Deze grove en negatieve aanduidingen, die onder de Arabieren gangbaar waren, vond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet passen bij een mu’min, want het hart van een gelovige is met imān vervuld en kan nooit onrein zijn. Daarmee benadrukte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat een gelovige zich moet uitdrukken op een manier die past bij de eer van het geloof. ] (Diyanet)

١٤٥٣ - حديث سَهْلِ بْنِ حُنَيْفٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَقُولَنَّ أَحَدُكُمْ خَبُثَتْ نَفْسِي، وَلكِنْ لِيَقُلْ لَقِسَتْ نَفْسِي1453 – Van Sahl ibn Ḥunayf (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie zeggen: ‘Mijn ziel is onrein geworden’ habuthat nafsī), maar laat hem zeggen: ‘Ik ben het beu/ik verveel me.’(laqisat nafsī).”

[De woorden “kḥabīth” en “laqīs” hebben in het Arabisch dezelfde betekenis, namelijk: slecht, verwerpelijk. Wanneer iemand deze woorden gebruikt, is dat om aan te geven dat hij zich slecht voelt of zich in een slechte toestand bevindt. Echter:- Het woord kḥabīth wordt vaker gebruikt voor onreine of walgelijke zaken, zoals iets vuils of verachtelijks.- Daarom heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de voorkeur gegeven aan het woord laqīs, vanwege de taalkundige verfijning en beleefdheid in zijn uitdrukking.Hij heeft nadruk gelegd op het vermijden van woorden die ongewenste of onpassende associaties kunnen oproepen, zelfs als de letterlijke betekenis hetzelfde is.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ons geleerd om taalkundig netjes en zorgvuldig te zijn, en woorden te vermijden die ook kunnen verwijzen naar vuil, zonde of onreinheid, zelfs als men alleen maar wil zeggen dat men zich slecht voelt.] (AFK)