Kitabu’l Ashribah: Boek over de dranken
Het verbod op wijn, met de uitleg dat deze kan worden gemaakt van druiven, dadels, onrijpe dadels, rozijnen en andere middelen die bedwelmen
تحريم الخمر وبيان أنها تكون من عصير العنب ومن التمر والبسر والزبيب وغيرها مما يسكر
١٢٩٢ - حديث عَلِيٍّ، قَالَ: كَانَتْ لِي شَارِفٌ مِنْ نَصِيبِي مِنَ الْمَغْنَمِ، يَوْمَ بَدْرٍ، وَكَانَ النَّبِيُّ ﷺ أَعْطَانِي شَارِفًا مِنَ الْخُمُسِ؛ فَلَمَّا أَرَدْتُ أَنْ أَبْتَنِيَ بَفَاطِمَةَ، بِنْتِ رَسولِ اللهِ ﷺ، وَاعَدْتُ رَجُلًا صَوَّاغًا، مِنْ بَنِي قَيْنُقَاعٍ، أَنْ يَرْتَحِلَ مَعِي، فَنَأْتِيَ بِإِذْخِرٍ، أَرَدْتُ أَنْ أَبِيعَهُ الصَّوَّاغِينَ، وَأَسْتَعِينَ بِهِ فِي وَلِيمَةِ عُرْسِي؛ فَبَيْنَا أَنَا أَجْمَعُ لِشَارِفَيَّ مَتَاعًا مِنَ الأَقْتَابِ وَالْغَرَائِرِ وَالْحِبَالِ، وَشَارِفَايَ مُنَاخَانِ إِلَى جَنْبِ حُجْرَةِ رَجُلٍ مِنَ الأَنْصَارِ، رَجَعْتُ، حِينَ جَمَعْتُ مَا جَمَعْتُ، فَإِذَا شَارِفَايَ قَدِ اجْتُبَّ أَسْنِمَتُهُمَا، وَبُقِرَتْ خَوَاصِرُهُمَا، وَأُخِذَ مِنْ أَكْبَادِهِمَا؛ فَلَمْ أَمْلِكْ عَيْنَيَّ، حِينَ رَأَيْتُ ذَلِكَ الْمَنْظَرَ مِنْهُمَا فَقُلْتُ: مَنْ فَعَلَ هذَا فَقَالُوا: فَعَلَ حَمْزَةُ بْنُ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ، وَهُوَ فِي هذَا الْبَيْتِ فِي شَرْبٍ مِنَ الأَنْصَارِ فَانْطَلَقْتُ حَتَّى أَدْخُلَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَعِنْدَهُ زَيْدُ بْنُ حَارِثَةَ فَعَرَفَ النَّبَيُّ ﷺ، فِي وَجْهِي الَّذِي لَقِيتُ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا لَكَ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا رَأَيْتُ كَالْيَوْمِ قَطُّ، عَدَا حَمْزَةُ عَلَى نَاقَتَيَّ فَأَجَبَّ أَسْنِمَتُهُمَا، وَبَقَرَ خَوَاصِرَهُمَا؛ وَهَا هُوَ ذَا، فِي
بَيْتٍ مَعَهُ شَرْبٌ فَدَعَا النَّبِيُّ ﷺ، بِرِدَائِهِ فَارْتَدَى، ثُمَّ انْطَلَقَ يَمْشِي، وَاتَّبَعْتُهُ أَنَا وَزَيْدُ بْنُ حَارِثَةَ، حَتَّى جَاءَ الْبَيْتَ الَّذِي فِيهِ حَمْزَةُ، فَاسْتَأْذَنَ، فَأَذِنُوا لَهُ، فَإِذَا هُمْ شَرْبٌ فَطَفِقَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَلُومُ حَمْزَةَ فِيمَا فَعَلَ فَإِذَا حَمْزَةُ قَدْ ثَمِلَ مُحْمَرَّةً عَيْنَاهُ فَنَظَرَ حَمْزَةُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، ثُمَّ صَعَّدَ النَّظَرَ، فَنَظَرَ إِلَى رُكْبَتِهِ، ثُمَّ صَعَّدَ النَّظَرَ، فَنَظَرَ إِلَى سُرَّتِهِ، ثُمَّ صَعَّدَ النَّظَرَ، فَنَظَرَ إِلَى وَجْهِهِ؛ ثُمَّ قَالَ حَمْزَةُ: هَلْ أَنْتُمْ إِلاَّ عَبِيدٌ لأَبِي فَعَرَفَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ قَدْ ثَمِلَ، فَنَكَصَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى عَقِبَيْهِ الْقَهْقَرَى وَخَرَجْنَا مَعَهُ
1292. Van ʿAlī ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنه):Tijdens de Slag bij Badr kreeg ik een (oude) kameel als oorlogsbuit, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf mij een jonge kameelin buiten de khumus (d.w.z. deel van de buit die aan de staat toebehoort). Toen ik met Fāṭimah, de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde trouwen, sprak ik met een goudsmid uit de stam Banū Qaynuqāʿ af om met mij op reis te gaan. We wilden namelijk izkhir (een soort geurige plant uit de bergen) verzamelen, die ik wilde verkopen aan de goudsmeden om zo te kunnen bijdragen aan mijn bruiloftsmaal (walīmah). Terwijl ik bezig was om mijn twee kamelen te beladen met zadels, tassen en touwen, stonden mijn twee kamelen bij de woning van een man van de Ansār.Ik keerde terug nadat ik alles verzameld had wat ik verzamelen kon. (Bij thuiskomst) zag ik dat de bulten van mijn twee kamelen waren afgesneden, hun zijden opengereten en hun levers eruit gehaald. Toen ik dat tafereel zag, kon ik mijn tranen niet bedwingen. Ik riep: ‘Wie heeft dit gedaan?!’ Ze zeiden: “Hamza, de zoon van ʿAbd al-Muṭṭalib, heeft het gedaan”.Hij was in dat huis, samen met een groepje van de Ansār aan de drank (Wijn was toen nog niet verboden). Daarop ging ik op weg naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Toen ik bij hem binnen kwam, zag ik dat Zayd ibn Hārithah ook daar was. Nabī (صلى الله عليه وسلم) merkte aan mijn gezicht wat mij was overkomen. Hij zei: ‘Wat is er met jou?’ Ik antwoordde: ‘O Rasûlullāh, ik heb vandaag iets vreselijks gezien! Hamza viel mijn twee kamelen aan, sneed hun bulten af en spleet hun buiken open. En hij is daar nu, in een huis met een groep drinkende mensen.’an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg toen om zijn mantel (ridā’), trok hem aan en ging lopend op weg. Ik ging met hem mee, samen met Zayd ibn Hārithah, totdat we bij het huis aankwamen waar Hamza was.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg toestemming om binnen te komen, en zij gaven het. Daar troffen we een drinkende menigte aan. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begon Hamza te berispen vanwege wat hij had gedaan. Maar Hamza was dronken en zijn ogen waren rood.
Hij keek naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bekeek hem van onder naar boven: eerst naar zijn knieën, toen naar zijn navel, en toen naar zijn gezicht. Vervolgens zei Hamza: ‘Jullie zijn toch niets anders dan slaven van mijn vader!’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begreep toen dat hij dronken was, en trok zich terug, stap voor stap, en wij vertrokken met hem.
[ Het verbod op alcohol kwam na de Hijrah. In de vroege periode van de Islām was alcohol nog niet verboden. Deze gebeurtenis vond plaats vóór het verbod op het drinken van alcohol. De definitieve verbodsbepaling van alcohol vond plaats rond de tijd van de slag bij Uhud (3e jaar na de Hijrah).] (HY)
١٢٩٣ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كُنْتُ سَاقِيَ الْقَوْمِ، فِي مَنْزِلِ أَبِي طَلْحَةَ، وَكَانَ خَمْرُهُمْ يَوْمَئِذٍ الْفَضِيخَ فَأَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مُنَادِيًا يُنَادِي: أَلاَ إِنَّ الْخَمْرَ قَدْ حُرِّمَتْ قَالَ: فَقَالَ لِي أَبُو طَلْحَةَ: اخْرُجْ فَأَهْرِقْهَا فَخَرَجْتُ فَهَرَقْتُهَا، فَجَرَتْ فِي سِكَكِ الْمَدِينَةِ فَقَالَ بَعْضُ الْقَوْمِ: قَدْ قُتِلَ قَوْمٌ وَهِيَ فِي بُطُونِهِمْ فَأَنْزَلَ اللهُ (لَيْسَ عَلَى الَّذِين آمَنُوا وَعَمِلُوا الصَّالِحَاتِ جُنَاحٌ فِيمَا طَعِمُوا) الآية1293 . Van Anas (رضي الله عنه):Ik schonk drank (wijn) voor het gezelschap in het huis van (mijn stiefvader) Abū Ṭalḥah, en hun drank op die dag was al-fadīkh (een gegiste drank van dadels).
Toen gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevel aan een omroeper om op te roepen: ‘Weet dat de wijn (alcohol) verboden is verklaard!’Daarop zei Abū Ṭalḥah tegen mij: ‘Ga naar buiten en giet het weg!’ Ik ging naar buiten en goot het weg, en het vloeide door de steegjes van Madīnah.Sommige mensen zeiden: ‘Er zijn mensen gestorven terwijl dit (alcohol) nog in hun buik zat!’ (Wat zal het oordeel over hen zijn?) Toen openbaarde Allāh de volgende āyah:
لَيۡسَ عَلَى ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ جُنَاحٞ فِيمَا طَعِمُوٓاْ إِذَا مَا ٱتَّقَواْ وَّءَامَنُواْ وَعَمِلُواْ ٱلصَّٰلِحَٰتِ ثُمَّ ٱتَّقَواْ وَّءَامَنُواْ ثُمَّ ٱتَّقَواْ وَّأَحۡسَنُواْۚ وَٱللَّهُ يُحِبُّ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٩٣
Er is voor degenen die geloven en goede daden verrichten geen zonde door wat zij (vroeger) aten (dronken), wanneer zij Allah vrezen, geloven en goede daden verrichten en opnieuw Allah vrezen, geloven en opnieuw Allah vrezen en goede daden verrichten. En Allah houdt van de weldoeners.(sûrah al-Mā'ida, 5:93).
Het is afkeurenswaardig om gedroogde dadels en rozijnen samen te laten weken (compote)
كراهة انتباذ التمر والزبيب مخلوطين
١٢٩٤ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ، عَنِ الزَّبِيبِ وَالتَّمْرِ وَالْبُسْرِ وَالرُّطَبِ
1294 – Van Jābir (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood compote (nabīdz) te maken (van gekookte en gedroogde vruchten en zoete siroop) mengsel van rozijnen en dadels, onrijpe dadels en verse dadels.
[Er is geen bezwaar tegen het weken van gedroogd fruit om het zachter en zoeter te maken, of om er compote van te bereiden. Maar het lange tijd in water laten weken van vers en gedroogde vruchten samen, kan leiden tot gisting en fermentatie, waardoor de compote verandert in een bedwelmende drank. Daarom is dit verboden.] (Diyanet)
١٢٩٥ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ، أَنْ يَجْمَعَ بَيْنَ التَّمْرِ وَالزَّهْوِ، وَالتَّمْر وَالزَّبِيبِ، وَلْيُنْبَذْ كُلُّ وَاحِدٍ مِنْهُمَا عَلَى حِدَةٍ1295 – Van Abū Qatādah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood nabīdz (compote van gekookte gedroogde vruchten en zoete siroop) van het samenvoegen van dadels met verse, onrijpe dadels, en dadels met rozijnen. Laat elk afzonderlijk worden gebruikt bij het bereiden van drank.”
[Nabīdz (geweekte drank) wordt onderverdeeld in twee categorieën: toegestaan (ḥalāl) en verboden (ḥarām).
1. Verboden (ḥarām) nabīdz:
Het algemene principe is:“Wat in grote hoeveelheid bedwelmend werkt, is ook in kleine hoeveelheid verboden.” Alle bedwelmende dranken die worden verkregen uit granen, vruchten enz., zijn ḥarām, of ze nu gekookt of ongekookt worden bereid. Dit geldt voor alle dranken die gemaakt zijn van druiven, tarwe, gerst, honing, dadels en dergelijke.
De meerderheid van de geleerden, bestaande uit de metgezellen, de tābi‘īn en de latere geleerden zijn hierover eens.De geleerden baseerden hun oordeel op het oordeel van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) die heeft gezegd: “Elke drank die bedwelmt is ḥarām.”An-Nakha‘ī, ash-Sha‘bī, Imām Abū Ḥanīfah en enkele andere geleerden uit Kufa waren van mening dat, behalve de bedwelmende nabīdz die van druiven of dadels wordt gemaakt, de nabīdz die van tarwe, gerst, maïs of honing wordt vervaardigd, alleen ḥarām wordt als het in bedwelmende mate wordt gedronken; in kleine hoeveelheden zou het volgens hen niet verboden zijn. Deze geleerden gaven dus geen “khamr” (wijn)-benaming aan nabīdz die gemaakt is van iets anders dan druiven. De voorkeursmening is echter die van de meerderheid (jumhūr), want het woord “khamr” dat in de Qur’ān wordt genoemd, geen specifieke aanduiding is voor wijn van druiven. In de Arabische taal verwijst het naar alle dranken die bedwelmen, ongeacht hun grondstof of het nu dadels, honing of andere zijn.Toen de āyah over het verbod van khamr werd geopenbaard, werd in Madīnah de meeste wijn gemaakt van dadels. Van ‘Abdullāh ibn ‘Umar (رضي الله عنه): “Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) beklom de preekstoel en zei: ‘De āyah over het verbod van khamr is geopenbaard. Khamr is de drank die wordt vervaardigd uit vijf dingen: druiven, dadels, tarwe, gerst en honing. En khamr is datgene wat het verstand benevelt (de rede wegneemt).”Ibn Ḥajar al-‘Asqalānī vermeldt dat de auteurs van de Musnad-verzamelingen deze ḥadīth beschouwen als een marfū‘-ḥadīth (toegeschreven aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
Deze ḥadīth wordt als marfū‘ beschouwd omdat zij afkomstig is van een ṣaḥābī die aanwezig was bij de openbaring van de āyah waarin alcohol verboden werd.Toen ‘Umar (رضي الله عنه) deze ḥadīth uitsprak in het bijzijn van een groep metgezellen, onder wie ook de vooraanstaande sahābah, wees niemand hem tegen of verwierp zijn uitspraak.Dit wordt bevestigd door het woord van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Er is khamr (wijn) gemaakt van druiven, khamr gemaakt van dadels, khamr gemaakt van tarwe en khamr gemaakt van gerst.”Er bestaan vele andere ṣaḥīḥ ḥadīth met dezelfde betekenis, en al deze aḥadīth maken duidelijk dat het woord khamr niet uitsluitend verwijst naar wijn die van druiven wordt vervaardigd. Bovendien was, op het moment dat de āyah over het verbod van alcohol werd geopenbaard, wijn van druiven in verhouding tot andere soorten slechts zeer beperkt aanwezig.De reden (ʿillah) voor het verbod van khamr is immers dezelfde bij alle bedwelmende middelen ongeacht hun oorsprong. Dit geldt eveneens voor verdovende middelen zoals opium, hasjiesj en soortgelijke substanties.Van ‘Ā’isha (رضي الله عنها: ze zei: “Zelfs al zijn er alleen water en brood beschikbaar, dan nog is niets wat bedwelmend werkt toegestaan. De metgezellen dronken nabīdz (geweekte drank) voordat deze een bedwelmend effect kreeg. Want Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) had zelf van deze drank gedronken en het toegestaan verklaard.Zij lieten dadels, rozijnen en soortgelijke vruchten in water weken totdat het zoet werd. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) dronk ervan zolang het nog niet begon te gisten.Maar wanneer de nabīdz langer dan drie dagen had gestaan, dronk hij er niet meer van.‘Abdullāh ibn ‘Abbās (رضي الله عنه) heeft gezegd: “Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) liet nabīdz maken en dronk daarvan tot de avond van de derde dag.
Als er daarna nog iets in de kruik overbleef, dronk hij het niet meer en goot het weg.”In andere aḥadīth wordt vermeld dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) het na één dag al afraadde om ervan te drinken.Van Firūz (رضي الله عنه), hij zei: “Ik ging naar Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) en zei:‘O Rasulullah, Allahu تَعَالَى heeft de āyah geopenbaard die de wijn verbiedt. Wij hebben wijngaarden, wat moeten wij met onze druiven doen?’Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Laat ze drogen.’Ik vroeg: ‘Wat moeten wij dan met de gedroogde druiven doen?’Hij antwoordde: ‘Week ze ’s ochtends en drink het ’s avonds; of week ze ’s avonds en drink het ’s ochtends.’Ik vroeg: ‘Mogen wij het laten staan totdat het gaat gisten?’Toen zei hij (صلى الله عليه وسلم): ‘Doe het niet in kruiken, maar in lederen zakken, want als het in zakken bewaard wordt, verandert het in azijn.’Wanneer druiven en dadels, of dadels en onrijpe dadels samen in een vat worden gedaan en geperst, of wanneer gedroogde dadels en verse dadels of een van deze met gedroogde druiven samen worden vermengd en geperst, wordt de verkregen drank Khālitah genoemd.De meerderheid van de geleerden baseerden hun mening op de letterlijke betekenis van deze ḥadīth en besloten dat het drinken van deze mengsels ḥarām is, zelfs als ze niet bedwelmend zijn. Voor hen is het niet nodig dat deze dranken eerst bedwelmend worden om verboden te worden. Onder degenen die deze mening aanhangen zijn Imām Mālik, Imām Aḥmad en de meeste Shāfi‘ī-geleerden. (zie: Muslim, al-Ashriba 79‑82; Nesā’ī, al-Ashriba 56; Abū Dāwūd, al-Ashriba 10)Daarentegen zagen Sufyān as-Sawrī en Imām Abū Ḥanīfah geen bezwaar tegen het drinken van deze mengsels zolang ze niet bedwelmend zijn.
Volgens de Ḥanafī-geleerden waren de verboden in de ḥadīth met betrekking tot deze mengsels specifiek voor de eerste jaren van de Islām, toen moslims in armoede leefden. Destijds werd het niet toegestaan dat een moslim twee soorten vruchten combineerde en het direct dronk, terwijl zijn buurman honger had, om overdaad of verspilling te voorkomen. Nadat Allahu تَعَالَى de moslims uit deze financiële moeilijkheden verloste, bleef er geen bezwaar meer bestaan tegen het drinken van dergelijke mengsels. (HA)
Het verbod op het laten gisten (van drank) in teerbekers, kalebassen, kruiken van klei en uitgeholde boomstammen, en de uitleg dat dit verbod is opgeheven, zodat het tegenwoordig toegestaan is, zolang het niet bedwelmend wordtالنهي عن الانتباذ في المزفت والدباء والحنتم والنقير وبيان أنه منسوخ وأنه اليوم حلال ما لم يصر مسكرًا
١٢٩٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ تَنْتَبِذُوا فِي الدُّبَّاءِ وَلاَ فِي الْمُزَفَّتِ
1296 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bereid geen (compote van gekookte en gedroogde vruchten en zoete siroop) in een kalebas (dubbā’) of in een met pek bekleed vat (muzaffat).”
[In de aḥadīth in dit hoofdstuk wordt vermeld dat het gebruik van bepaalde soorten vaten en kruiken in de eerste instantie door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verboden werd, omdat de alcoholische drank erin bewaard werd. Het kon daar snel gisten en veranderen in een bedwelmende drank. Daarmee wilde men voorkomen dat men ongemerkt een bedwelmende drank zou nuttigen.Later, toen de mensen meer inzicht kregen en zich zorgvuldiger en bewuster gingen gedragen, werd dit verbod opgeheven. Er werd benadrukt dat men deze vaten zorgvuldig moest gebruiken en dat bedwelmende dranken altijd ḥarām zijn. Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “...
Ik had jullie verboden om bepaalde vaten voor het drinken te gebruiken. Nu mogen jullie uit ieder soort vat drinken wat jullie willen, maar drink nooit iets dat bedwelmend is.” (Nasā’ī, Dahāyā, 36). ] (Diyanet)
١٢٩٧ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ، عَنِ الدُّبَّاءِ وَالْمُزَفَّتِ1297 – Van ʿAlī (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood (het gebruik van) de kalebas (dubbā’) en het met pek beklede vat (muzaffat).”
١٢٩٨ - حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ عَنْ إِبْرَاهِيمَ، قُلْتُ لِلأَسْوَدِ: هَلْ سَأَلْتَ عَائِشَةَ أُمَّ الْمُؤْمِنِينَ عَمَّا يُكْرَهُ أَنْ يُنْتَبَذَ فِيهِ فَقَالَ: نَعَمْ، قُلْتُ يَا أُمَّ الْمُؤْمِنِينَ عَمَّا نَهى النَّبِيُّ ﷺ أَنْ يُنْتَبَذَ فِيهِ قَالَتْ: نَهَانَا فِي ذَلِكَ، أَهْلَ الْبَيْتِ، أَنْ نَنْتَبِذَ فِي الدُّبَّاءِ وَالْمُزَفَّتِ قُلْتُ: أَمَا ذَكَرَتِ الْجَرَّ وَالْحَنْتَمَ قَالَ: إِنَّمَا أُحَدِّثُكَ مَا سَمِعْتُ؛ أُحَدِّثُ مَا لَمْ أَسْمَعْ1298 – Van ʿĀʾishah, de moeder der gelovigen (رضي الله عنها) via Ibrāhīm an-Nakha`īIk zei tegen al-Aswad: “Heb jij ʿĀʾishah, de moeder der gelovigen gevraagd over wat afkeurenswaardig is om drank in te bereiden?”- “Ja.”- “O moeder der gelovigen, over wat heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verboden om drank in te bereiden?”- “Hij heeft ons, leden van het huis, verboden om drank te bereiden in de kalebas (dubbā’) en de met pek beklede kruik (muzaffat).”- “Heb je de jarrah (grote aarden kruik) en de ḥantam niet genoemd?”- “Ik vertel je slechts wat ik gehoord heb; ik bericht niets wat ik niet heb gehoord.”
[ ينتبذ فيه: letterlijk “waarin (men) nabīdz bereidt”, d.w.z. het laten trekken van dadels, druiven of andere vruchten in water zodat het gist.
الدُّبَّاء: gedroogde en uitgeholde kalebas; kon gisting versnellen.
المُزَفَّت: aardewerken kruik bekleed met pek of hars.
الْجَرّ: grote aardewerken kruik.
الْحَنْتَم: een specifiek soort aarden vat, mogelijk groen geglazuurd.]
١٢٩٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: وَأَنْهَاكُمْ عَنِ الدُّبَّاءِ والْحَنْتَمِ وَالنَّقِيرِ وَالْمُزَفَّتِ1299. Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik verbied jullie de dubbāʾ (een kruik van kalebas), ḥantam (een aardewerken kruik), naqīr (een uitgeholde palmstam) en muzaffat (een met pek bestreken kruik).”[Deze voorwerpen werden in de tijd vóór de Islām vaak gebruikt om wijn van dadelof druivensap in te maken. In een ḥadīth van Muslim wordt dit verduidelijkt met de woorden: “jullie stoppen er dadels in, voegen water toe en drinken het zodra het begint te borrelen. Uiteindelijk komt het zover dat iemand zijn neef met een zwaard slaat.” Toen de Islāmitische voorschriften volledig gevestigd waren, werd, net zoals met het grafbezoek, het verbod op deze vaten opgeheven.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik had jullie het gebruik van bepaalde vaten verboden. Maar vaten maken iets niet ḥalāl of ḥarām. Weet echter dat alle bedwelmende middelen ḥarām zijn.” (Muslim, Tirmidzī)En in een andere aḥadīth zei hij: “Ik had jullie verboden om in leren zakken drank te bereiden, maar nu mogen jullie in alle vaten drank maken, behalve wanneer het bedwelmend is.”(Muslim)] (AFK)
١٣٠٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرو، قَالَ: لَمَّا نَهى النَّبِيُّ ﷺ، عَنِ الأَسْقِيَةِ، قِيلَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: لَيْسَ كُلُّ النَّاسِ يَجِدُ سِقَاءً فَرَخَّصَ لَهُمْ فِي الْجَرِّ غَيْرِ الْمُزَفَّتِ1300.
Van ʿAbdullāh ibn ʿAmr (رضي الله عنهما):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood om van de asqiyah (open drinkbakken) te drinken, werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Niet iedereen vindt een asqiyah.”Daarom stond hij hen toe om uit een kruik te drinken, zolang deze niet van muzaffat (een bepaalde soort aardewerk) was.Uitleg dat elke bedwelmende drank khamr is, en dat elke khamr verboden is
بيان أن كل مسكر خمر وأن كل خمر حرام
١٣٠١ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: كُلُّ شَرَابٍ أَسْكَرَ فَهُوَ حَرَامٌ
1301. Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alle bedwelmende dranken zijn verboden (ḥarām).”
١٣٠٢ - حديث أَبِي مُوسى وَمُعَاذٍ بَعَثَ النَّبِيُّ ﷺ، أَبَا مُوسى وَمُعَاذًا إِلَى الْيَمَنِ، فَقَالَ: يَسِّرَا وَلاَ تُعَسِّرَا، وَبَشِّرَا وَلاَ تُنَفِّرَا، وَتَطَاوَعَا فَقَالَ أَبُو مُوسى: يَا نَبِيَّ اللهِ إِنَّ أَرْضَنَا بِهَا شَرَابٌ مِنَ الشَّعِيرِ، الْمِزْرُ؛ وَشَرَابٌ مِنَ الْعَسَلِ، الْبِتْعُ فَقَالَ: كُلُّ مُسْكِرٍ حَرَامٌ1302. Van Abû Mûsâ en Mu‘âdh (رضي الله عنهما:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zond Abû Mûsâ en Mu‘âdz naar Jemen, en hij zei: “Maak het gemakkelijk en maak het niet moeilijk. Breng blijde tijdingen en jaag mensen niet weg.
Wees eensgezind met elkaar.”Abû Mûsâ zei: “O NabieAllah, in ons land is er een drank van gerst, genaamd mizr, en een drank van honing, genaamd bit`.”Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Elke bedwelmende drank is ḥarām.”
De straf voor degene die wijn drinkt en geen berouw toont, is dat hem die wijn in het Hiernamaals wordt onthouden
عقوبة من شرب الخمر إِذا لم يتب منها بمنعه إِياها في الآخرة
١٣٠٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ شَرِبَ الْخَمْرَ فِي الدُّنْيَا، ثُمَّ لَمْ يَتُبْ مِنْهَا، حُرِمَهَا فِي الآخِرَةِ
1303. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in het wereldse leven wijn drinkt zonder berouw (tawbah) te te hebben getoond, voor diegene wordt (de wijn van het Paradijs) uitgesloten in het Hiernamaals.”
[De ḥadīth stelt dat elke drank die bedwelmt ḥarām is zoals wijn. Hieruit blijkt dat het niet uitmaakt hoe de drank wordt bereid of verkregen; ongeacht de wijze of vorm, een bedwelmende drank is verboden.
Zelfs als de ingrediënten niet vuil of schadelijk zijn zoals wijn, geldt het verbod zoals voor wijn, en wordt de ḥad-straf toegepast op degene die het drinkt. Met betrekking tot de uitleg van de ḥadīth schreef Nawawī ( 676/1277): “Wie in dit leven blijft drinken zonder berouw te hebben getoond, zal, zelfs als hij het Paradijs binnengaat, niet kunnen drinken van de wijn in het Paradijs.” Ook volgens Al-Qurtubī (671/1273) toont de letterlijke betekenis van deze ḥadīth dat de paradijselijke wijn voor zo iemand eeuwig verboden is.] (HA)
Toegestaan van nabīdz (geweekte drank) zolang deze niet sterk is geworden en niet bedwelmend is
إِباحة النبيذ الذي لم يشتد ولم يصر مسكرًا
١٣٠٤ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: دَعَا أَبُو أُسَيْدٍ السَّاعِدِيُّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فِي عُرْسِهِ، وَكَانَتِ امْرَأَتُهُ، يَوْمَئِذٍ، خَادِمَهُمْ، وَهِيَ الْعَرُوسُ قَالَ سَهْلٌ: تَدْرُونَ مَا سَقَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنْقَعَتْ لَهُ تَمَرَاتٍ مِنَ اللَّيْلِ، فَلَمَّا أَكَلَ سَقَتْهُ إِيَّاهُ
1304. Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Abū Usayd as-Sāʿidī nodigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit voor zijn bruiloft. De bruid zelf bediende hen. Weten jullie wat zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als drank aanbood?Zij week ’s nachts wat dadels (in een stenen kruik) om er een drank van te maken (nabīdz).Toen hij gegeten had, gaf zij hem daarvan te drinken.
١٣٠٥ - حديث سَهْلٍ، قَالَ: لَمَّا عَرَّسَ أَبُو أُسَيْدٍ السَّاعِدِيُّ، دَعَا النَّبِيَّ ﷺ، وَأَصْحَابَهُ فَمَا صَنَعَ لَهُمْ طَعَامًا وَلاَ قَرَّبَهُ إِلَيْهِمْ، إِلاَّ امْرَأَتُهُ، أُمُّ أُسَيْدٍ بَلَّتْ تَمَرَاتٍ فِي تَوْرٍ مِنْ حِجَارَةٍ مِنَ اللَّيْلِ، فَلَمَّا فَرَغَ النَّبِيُّ ﷺ مِنَ الطَّعَامِ أَمَاثَتْهُ لَهُ، فَسَقَتْهُ، تُتْحِفُهُ بِذلِكَ1305. Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Toen Abū Usayd as-Sāʿidī ging trouwen, nodigde hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en diens metgezellen uit. Zijn vrouw (bruid), Ummu Usayd, bereidde en serveerde de maaltijd. Zij week ’s nachts dadels in een stenen kruik. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), klaar was met het eten, verdunde zij het voor hem en bood het aan uit gastvrijheid.
١٣٠٦ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، قَالَ: ذُكِرَ لِلنَّبِيِّ ﷺ امْرَأَةٌ مِنَ الْعَرَبِ، فَأَمَرَ أَبَا أُسَيْدٍ السَّاعِدِيَّ أَنْ يُرْسِلَ إِلَيْهَا؛ فأَرْسَلَ إِلَيْهَا، فَقَدِمَتْ، فَنَزَلَتْ فِي أُجُمِ بَنِي سَاعِدَةَ فَخَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ حَتَّى جَاءَهَا، فَدَخَلَ عَلَيْهَا، فَإِذَا امْرَأَةٌ مُنَكِّسَةٌ رَأْسَهَا فَلَمَّا كَلَّمَهَا النَّبِيُّ ﷺ، قَالَتْ: أَعُوذُ بِاللهِ مِنْكَ، فَقَالَ: قَدْ أَعَذْتُكِ مِنِّي فَقَالُوا لَهَا: أَتَدْرِينَ مَنْ هذَا قَالَتْ: لاَ قَالُوا: هذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ جَاءَ لِيَخْطُبَكِ قَالَتْ: كُنْتُ أَنَا أَشْقَى مِنْ ذَلِكَ فَأَقْبَلَ النَّبِيُّ ﷺ يَوْمَئِذٍ، حَتَّى جَلَسَ فِي سَقِيفَةِ بَنِي سَاعِدَةَ، هُوَ وَأَصْحَابُهُ، ثُمَّ قَالَ: اسْقِنَا يَا سَهْلُ فَخَرَجْتُ لَهُمْ بِهذَا الْقَدَحِ، فَأَسْقَيْتُهُمْ فِيه
(قَالَ الرَّاوِي) فَأَخْرَجَ لَنَا سَهْلٌ ذَلِكَ الْقَدَحَ فَشَرِبْنَا مِنْهُ
قَالَ: ثُمَّ اسْتَوْهَبَهُ عُمَرُ بْنُ عَبْدِ الْعَزِيزِ، بَعْدَ ذَلِكَ، فَوَهَبَهُ لَهُ
1306 –Van Sahl ibn Sa‘d (رضي الله عنه):Er werd gesproken over een Arabische vrouw om met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (te huwen). Hij beval Abû Usayd as-Sa‘idî om haar (naar Madīnah) te halen.
Hij stuurde iemand naar haar (om het bericht te brengen), en zij kwam en verbleef in de palmgaarden van Banû Sâ‘idah.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging naar haar toe en trad bij haar binnen. De vrouw hield haar hoofd gebogen. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met haar sprak, zei zij: “Ik zoek toevlucht bij Allāh tegen u.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Je hebt toevlucht gezocht bij Allāh tegen mij. In dat geval heb ik niets (meer) met jou te maken. (Dit heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd om haar gerust te stellen en haar veiligheid te garanderen.).”De mensen zeiden tegen haar: “Weet je wie dit is?”Zij zei: “Nee.”Ze zeiden: “Dit is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم); hij is gekomen om jou ten huwelijk te vragen.”Zij zei: “Wat een grote fout heb ik dan begaan!” (Ze bedoelde hiermee waarschijnlijk dat ze niet dacht dat ze in aanmerking zou komen voor zo'n eer of dat ze zichzelf onwaardig vond).”Daarop vertrok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die dag en ging zitten in de overdekte ruimte van Banû Sâ‘idah, samen met zijn metgezellen. Toen zei hij:”Geef ons iets te drinken, o Sahl!”Ik bracht hen deze drinkbeker, en gaf hen ervan te drinken.(De verteller zei:) Sahl haalde later diezelfde beker tevoorschijn voor ons, en wij dronken eruit. Hij zei: “Daarna vroeg ‘Umar ibn ‘Abd al-‘Azîz (gouveneur van Madīnah) hem als gift, en hij schonk het hem.”
Het is toegestaan om melk te drinken
جواز شرب اللبن
١٣٠٧ - حديث أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ عَنْ أَبِي إِسْحقَ، قَالَ: سَمِعْتُ الْبَرَاءَ ﵁، قَالَ: لَمَّا أَقْبَلَ النَّبِيُّ ﷺ، إِلَى الْمَدِينَةِ، تَبَعَهُ سُرَاقَةُ بْنُ مَالِكِ بْنِ جُعْشُمِ، فَدَعَا عَلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ فَسَاخَتْ بِهِ فَرَسُهُ قَالَ: ادْعُ اللهَ لِي وَلاَ أَضُرُّكَ، فَدَعَا لَهُ قَالَ فَعَطِشَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَمَرَّ بِرَاعٍ قَالَ أَبُو بَكْرٍ: فَأَخَذْتُ قَدَحًا فَحَلَبْتُ فِيهِ كُثْبَةً مِنْ لَبَنٍ، فَأَتَيْتُهُ فَشَرِبَ حَتَّى رَضِيتُ1307. Van Abû Bakr as-Siddīq (رضي الله عنه):Abû Ishāq zei: “Ik hoorde Barā’ Ibn `Aazib (رضي الله عنه) zeggen: “Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van Makkah naar Madīnah emigreerde, achtervolgde Suraqah ibn Mālik ibn Juʿsham hem. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed du`ā’ tot Allāh tegen hem, waarop de benen van zijn paard wegzonken in de aarde.Suraqah zei: “Doe du`ā’ tot Allāh voor mij. Ik zal je geen kwaad doen.”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed dat.Onderweg kreeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dorst. Ze ontmoetten een herder met een schaapskudde. Abū Bakr zei: “Ik melkte een schaap en bracht een kom melk naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en hij dronk ervan tot ik tevreden was.”
١٣٠٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: أُتِيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لَيْلَةَ أُسْرِيَ بِهِ، بِإِيليَاءَ، بِقَدَحَيْنِ مِنْ خَمْرٍ وَلَبَنٍ فَنَظَرَ إِلَيْهِمَا، فَأَخَذَ اللَّبَنَ قَالَ جِبْرِيلُ: الْحَمْدُ للهِ الَّذِي هَدَاكَ لِلْفِطْرَةِ، لَوْ أَخَذْتَ الْخَمْرَ غَوَتْ أُمَّتُكَ1308. Abū Hurayrah (رضي الله عنه):In de nacht van de Isrā’ werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Ielyā (Bayt al-Maqdis ) een beker wijn en een beker melk aangeboden.Hij keek naar beide en koos voor de melk.Jibrīl zei: “Alle lof aan Allāh Die jou heeft geleid naar wat in overeenstemming is met de natuurlijke aanleg (fiṭrah). Als je de wijn had gekozen, zou jouw gemeenschap afgedwaald zijn/op het verkeerde pad zijn geraakt.”
Over het drinken van nabīdz en en het afdekken van het vat
في شرب النبيذ وتخمير الإناء
١٣٠٩ - حديث جَابِرٍ ﵁، قَالَ: جَاءَ أَبُو حُمَيْدٍ، رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ، مِنَ النَّقِيعِ، بِإِنَاءٍ مِنْ لَبَنٍ إِلَى النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَلاَّ خَمَّرْتَهُ، وَلَوْ أَنْ تَعْرُضَ عَلَيْهِ عُودًا
1309.
Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه):Abū Ḥumayd, een man uit Anṣār, bracht uit dal van an-Naqīʿ een vat melk naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Waarom heb je het niet afgedekt, al was het maar door er een stokje overheen te leggen?”Het gebod om het vat af te dekken, de waterdrager water te geven, de deuren te sluiten en de Naam van Allah daarop uit te roepen, de lamp en het vuur te doven bij het slapen gaan, en het verbod om kinderen en vee na zonsondergang uit te laten
الأمر بتغطية الإناء، وإِيكاء السقاء، وإِغلاق الأبواب وذكر اسم الله عليها، وإِطفاء السراج والنار عند النوم، وكف الصبيان والمواشي بعد المغرب
١٣١٠ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا كَانَ جُنْحُ اللَّيْلِ، أَوْ أَمْسَيْتُمْ، فَكُفُّوا صِبْيَانَكُمْ، فَإِنَّ الشَّيَاطِينَ تَنْتَشِرُ حِينَئِذٍ، فَإِذَا ذَهَبَ سَاعَةٌ مِنَ اللَّيْلِ فَحُلُّوهُمْ وَأَغْلِقُوا الأَبْوَابَ وَاذْكرُوا اسْمَ اللهِ، فَإِنَّ الشَّيْطَانَ لاَ يَفْتَحُ بَابًا مُغْلَقًا
1310.
Van Jābir (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het avond wordt of wanneer de nacht valt, houd dan jullie kinderen binnen, want de shayāṭīn verspreiden zich op dat moment (om het kwaad te verspreiden).Als de tijd van de ṣalāh al-ʿishā’ voorbij is, laat hen dan weer los (laat hen naar buiten gaan).Sluit jullie deuren met het noemen van Allāh’s Naam (Bismillāh) want de shayṭān opent geen deur die gesloten is (waarbij de Naam van Allāh is genoemd).
[De geleerden beschouwen dit bevel als aanbeveling, niet als verplichting. Duisternis is gunstiger voor duivelse krachten dan het licht. De duivels kunnen actiever zijn zodra de nacht begint. Een tijdseenheid die voor ons als donker wordt ervaren, kan ergens anders juist dag zijn. Bijvoorbeeld: wanneer het avond is ergens op de wereled, is het dag ergens anders. De wezens die wij shayṭān (satan) en jin noemen, zijn onzichtbaar voor het menselijk oog. Ze bewegen zich met een snelheid die niet te vergelijken is met die van mensen. Wanneer het ergens ochtend wordt, kunnen zij zich direct verplaatsen naar een andere plek waar het avond is. Voor hen is het dus niet nodig om te wachten tot het donker wordt; ze kunnen zich meteen naar een duistere omgeving begeven.De mens daarentegen moet wachten tot het licht wordt, want dat is de natuurlijke leefomgeving van de mens. Duisternis past niet bij de menselijke aard. De mens beweegt zich van nature gemakkelijker in het licht. In het donker is hij minder in staat om mogelijke gevaren om zich heen waar te nemen, waardoor hij allerlei problemen kan ondervinden. In het licht is de kans groter dat hij aan deze gevaren ontsnapt, want zijn aard is meer afgestemd op het licht dan op de duisternis. Van de zintuigen functioneert het oog veel beter bij licht.
Het is waarschijnlijk dat de aard van jins en duivels beter past bij de duisternis. Daarom is de nacht voor hen het meest geschikte moment.] (AFK)
١٣١١ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تَتْرُكُوا النَّارَ فِي بُيُوتِكُمْ حِينَ تَنَامُونَ1311. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat ’s nachts geen vuur branden in jullie huizen wanneer jullie willen slapen.”[De behoefte van de mens aan warmte en verlichting is iets natuurlijks. Vuur is overal en altijd brandgevaarlijk. Daarom wordt in de ḥadīth aanbevolen om elk soort apparaat dat voor warmte en verlichting wordt aangestoken, uit te doen voordat men gaat slapen. In de ḥadīth wordt geadviseerd om “wanneer men wil slapen” geen vuur brandend in huis achter te laten. Dit advies en deze instructie zijn vaak begrepen en geïnterpreteerd als “wanneer men ‘s nachts wil slapen”, omdat de normale slaaptijd ‘s nachts is. Echter, de uitdrukking “wanneer jullie willen slapen” kan ook in bredere zin worden opgevat, wat betekent dat men ook overdag geen vuur brandend in huis moet achterlaten als men gaat slapen. Vooral voor degenen die ook overdag lange tijd moeten slapen, geldt deze waarschuwing van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onverminderd. Het langdurig en met name het brandend achterlaten van brandbare of ontvlambare stoffen in situaties of omgevingen waar men niet kan ingrijpen, vormt een groot gevaar.] (HY)
١٣١٢ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: احْتَرَقَ بَيْتٌ بِالْمَدِينَةِ عَلَى أَهْلِهِ مِنَ اللَّيْلِ فَحُدِّثَ بِشَأْنِهِمُ النَّبِيُّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ هذِهِ النَّارَ إِنَّمَا هِيَ عَدُوٌّ لَكُمْ، فَإِذَا نِمْتُمْ فَأَطْفِئُوهَا عَنْكُمْ1312. Van Abū Mūsā (رضي الله عنه): In Madīnah brandde ’s nachts een huis af terwijl de bewoners zich erin bevonden. Hun situatie werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gemeld. Hij zei: ‘Dat vuur is voor jullie een vijand. Doof het uit wanneer jullie gaan slapen.’Etiquette en de regels van eten en drinkenآداب الطعام والشراب وأحكامهما
١٣١٣ - حديث عُمَرَ بْنِ أَبِي سَلَمَةَ قَالَ: كُنْتُ غُلاَمًا فِي حَجْرِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَكَانَتْ يَدِي تَطِيشُ فِي الصَّحْفَةِ، فَقَالَ لِي رَسُولُ الله ﷺ: يَا غُلاَمُ سَمِّ اللهَ، وَكلْ بِيَمِينِكَ، وَكُلْ مِمَّا يَلِيكَ فَمَا زَالَتْ تِلْكَ طِعْمَتِي بَعْدُ
1313. Van ʿUmar ibn Salamah (رضي الله عنه): Ik was een jonge jongen die opgroeide onder de hoede van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Mijn hand zwierf rond in de schaal tijdens het eten. Daarom zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: ‘O jongeman, eet in Naam van Allāh (Bismillāh), eet met je rechterhand en eet van wat dichtbij je is.’ Sindsdien is dit altijd mijn manier van eten gebleven.”
١٣١٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: نَهَى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ اخْتِنَاثِ الأَسْقِيَةِ، يَعْنِي أَنْ تُكْسَرَ أَفْوَاهُهَا فَيُشْرَبَ مِنْهَا1314. Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het drinken uit een waterzak door eraan te zuigen.
[De wijsheid voor dit verbod is dat men, door rechtstreeks uit een zak of kruik te drinken, bacteriën kan overdragen of zich kan verslikken in insecten of andere ongedierte die in het vat verborgen kan zijn. Zo wordt in een ḥadīth van Ibn Mājah verteld dat iemand 's nachts wilde drinken, het tuitje van de waterzak opende en een slang tegenkwam. In een ḥadīth van Muslim wordt dit uitgelegd als het omkeren van de bovenkant van de waterzak naar beneden bij het drinken.](AFK)
Zamzam (water) staand drinken
في الشرب من زمزم قائمًا
١٣١٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: سَقَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، مِنْ زَمْزَمَ، فَشَرِبَ وَهُوَ قَائِمٌ
1315. Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Ik gaf zamzam-water aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij dronk het staande.”
[In de ḥadīth die in Ibn Mâdjah staat, Âsım zei: “Ik vertelde dit aan Ikrimah, en hij zwoer dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) niet staande dronk, en dat hij op zijn kameel zat”. In de ḥadīth van Ikrimah van Ibn ʿAbbās die in Abû Dawud staat, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn kameel laten knielen en twee rak`ah ṣalāh verricht. Waarschijnlijk heeft hij daarna zamzam gedronken. Het feit dat Ikrimah het staande drinken ontkent, kan gebaseerd zijn op het verbod van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om staande water te drinken. Echter, in een ḥadīth van `Ali (رضي الله عنه) in Bukhārī staat dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wel staande dronk.] (HY)
Het wordt afgeraden om in hetzelfde vat te ademen, en het wordt aanbevolen om drie keer buiten het vat te ademen
كراهة التنفس في نفس الإناء، واستحباب التنفس ثلاثًا خارج الإناء
١٣١٦ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا شَرِبَ أَحَدُكُمْ فَلاَ يَتَنَفَّسْ فِي الإِنَاءِ
1316. Van Abū Qatādah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Laat niemand van jullie in een drinkbeker blazen.’
١٣١٧ - حديث أَنَسٍ عَنْ ثُمَامَةَ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كَانَ أَنَسٌ يَتَنَفَّسَ فِي الإِنَاءِ، مَرَّتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا، وَزَعَمَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، كَانَ يَتَنَفَّسُ ثَلاَثًا1317. Van Anas via Thumamah ibn `Abdullah (رضي الله عنهما):Anas ademde twee of drie keer in de drinkbeker, en hij beweerde dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) drie keer ademde (tijdens het drinken).
[ In een andere ḥadīth van Anas staat: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nam drie keer adem tijdens het drinken uit een drinkbeker.”](AFK)
Het is aanbevolen om water, melk en dergelijke te schenken of aan te bieden aan de rechterkant van degene die begint met drinken en het rond te laten gaan
استحباب إِدارة الماء واللبن ونحوهما عن يمين المبتدى
١٣١٨ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: أَتَانَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي دَارِنَا هذِهِ، فَاسْتَسْقَى، فَحَلَبْنَا لَهُ شَاةً لَنَا، ثُمَّ شُبْتُهُ مِنْ مَاءِ بِئْرِنَا هذِهِ، فَأَعْطَيْتُهُ، وَأَبُو بَكْرٍ عَنْ يَسَارِهِ، وَعُمَرُ تُجَاهَهُ، وَأَعْرَابِيٌّ عَنْ يَمِينِهِ فَلَمَّا فَرَغَ، قَالَ عُمَرُ: هذَا أَبُو بَكْرٍ فَأَعْطَى الأَعْرَابِيَّ ثُمَّ قَالَ: الأَيْمَنُونَ، الأَيْمَنُونَ، أَلاَ فَيَمِّنُوا قَالَ أَنَسٌ: فَهِيَ سُنَّةٌ، فَهِيَ سُنَّةٌ، ثَلاَثَ مَرَّاتٍ
1318. Van Zuhrī via Anas ibn Mālik (رضي الله عنهما):Een vetgemest schaap uit het huis van Anas werd gemolken voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en gemengd met wat water uit de put van het huis. Daarna gaf hij de beker aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij dronk ervan, en op het moment dat hij de beker van zijn mond haalde, zat Abū Bakr aan zijn linkerzijde en een bedoeïen aan zijn rechterzijde. ʿUmar vreesde dat hij de beker aan de bedoeïen zou geven en zei: ‘O Rasûlullāh, geef het aan Abū Bakr die naast u zit.’ Maar hij gaf het aan de man aan zijn rechterzijde.Daarna zei hij: ‘Degene die rechts zitten worden naar voren gebracht, Degene die rechts zitten worden naar voren gebracht. (Eerst degenen aan de rechterkant). Let goed op; begin aan de rechterkant,” beval Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Anas ibn Mālik zei driemaal: “Begin aan de rechterkant, het is sunnah.”
١٣١٩ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، قَالَ: أُتِيَ النَّبِيُّ ﷺ، بِقَدَحٍ، فَشَرِبَ مِنْهُ، وَعَنْ يَمِينِهِ غُلاَمٌ، أَصْغَرُ الْقَوْمِ، وَالأَشْيَاخُ عَنْ يَسَارِهِ، فَقَالَ: يَا غُلاَمُ أَتَأْذَنُ لِي أَنْ أُعْطِيَهُ الأَشْيَاخَ قَالَ: مَا كُنْتُ لأُوثِرَ بِفَضْلِي مِنْكَ أَحَدًا، يَا رَسُول اللهِ فَأَعْطَاهُ إِيَّاهُ أخرحه البخاري في: ٤٢ كتاب الشرب والمساقاة: ١ باب في الشرب1319. Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd een beker met water aangeboden. Aan zijn rechterzijde zat een jonge knaap, jongste van zijn volk, en aan zijn linkerzijde zaten oudere mensen. Nadat hij gedronken had, zei hij: ‘O jongeman, geef je mij toestemming om het restant aan de ouderen te geven?’ De jongen antwoordde: ‘O Rasûlullāh, ik geef mijn aandeel dat van u komt niet op aan iemand anders.’ Vervolgens gaf hij hem het restant.”
Het is aanbevolen om de vingers en de schaal af te likken, en de gevallen hap op te eten nadat wat vervuiling eraf is geveegd, en het wordt afgeraden de hand af te vegen voordat men de vingers heeft gelikt
استحباب لعق الأصابع والقصعة، وأكل اللقمة الساقطة بعد مسح ما يصيبها من أذى، وكراهة مسح اليد قبل لعقها
١٣٢٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أَكَلَ أَحَدُكُمْ فَلاَ يَمْسَحْ يَدَهُ حَتَّى يَلْعَقَهَا أَوْ يُلْعِقَهَا
1320. Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Laat niemand van jullie zijn hand afvegen voordat hij zijn vingers heeft afgelikt of door iemand anders heeft laten aflikken.’[In een andere ḥadīth wordt hieraan toegevoegd: ‘Want niemand weet in welk deel van het voedsel de zegen zit. In de ḥadīth van Muslim via Jabir رضي الله عنه zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):” Als bij een van jullie een hapje eten op de grond valt, laat hem het dan oppakken, het vuil eraf verwijderen en het opeten. Laat hem zijn vingers niet aan een doek afvegen vóórdat hij ze heeft afgelikt of heeft laten aflikken. Want men weet niet in welk deel van het eten de zegen (barakah) zit.”Eveneens overgeleverd door Muslim van Jabir رضي الله عنه de volgende ḥadīth: “Waarlijk, de shaytān is aanwezig bij een van jullie bij alles wat hij doet, zelfs bij het eten. Als bij iemand een hapje valt, laat hem die dan oppakken, het vuil ervan reinigen en het opeten. Laat hij dat hapje niet aan de shaytān over.”Over de uitspraak “laat hij ze aflikken”, zegt Imām Nawawī: “Daarmee wordt gedoeld iemand van wie men niet walgt, zoals zijn vrouw, slavin, bediende of kind.’](HY)
[In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was het gebruik van tafelgerei zoals vorken, messen en lepels niet wijdverbreid, en at men gewoonlijk met de hand. Daarom verzocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zowel om reinheid te waarborgen, verspilling te voorkomen als de zegen (barakah) te vergroten, dat degenen die van de tafel opstonden geen voedselresten aan hun handen zouden achterlaten. ] (Diyanet)
Wat een gast moet doen wanneer iemand hem volgt die door de gastheer is uitgenodigd, en het is aanbevolen dat de gastheer toestemming geeft aan degene die volgt
ما يفعل الضيف إِذا تبعه غير من دعاه صاحب الطعام واستحباب إِذن صاحب الطعام للتابع
١٣٢١ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ، يُكْنَى أَبَا شُعَيْبٍ، فَقَالَ لِغُلاَمٍ لَهُ قَصَّابٍ: اجْعَلْ لِي طَعَامًا يَكْفِي خَمْسَةً، فَإِنِّي أُرِيدُ أَنْ أَدْعُوَ النَّبِيَّ ﷺ، خَامِسَ خَمْسَةٍ، فَإِنِّي قَدْ عَرَفْتُ فِي وَجْهِهِ الْجُوعَ فَدَعَاهُمْ، فَجَاءَ مَعَهُمْ رَجُلٌ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ هذَا قَدْ تَبِعَنَا، فَإِنْ شِئْتَ أَنْ تَأْذَنَ لَهُ، فَأْذِنْ لَهُ، وَإِنْ شِئْتَ أَنْ يَرْجِعَ رَجَعَ فَقَالَ: لاَ، بَلْ قَدْ أَذِنْتُ لَهُ
1321. Van Abū Masʿūd al-Anṣārī (رضي الله عنه): Onder de Ansâr was er een man met de kunyah (eretitel/aanspreektitel) Abû Shuʿayb. Hij had een slavenknecht die slager was. Abū Shuʿayb zei: ‘Bereid voor mij een maaltijd voor vijf personen, want ik zal vijf personen inclusief an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitnodigen. Ik zag de sporen van honger op zijn gezicht”. Terwijl hij hem had uitgenodigd, voegde zich nog iemand bij hen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Je hebt ons met zijn vijven uitgenodigd, maar deze man is met ons meegekomen. Als je wilt, mag je hem toelaten, en als je wilt, laat je hem buiten.’ Hij zei: ‘Ik geef hem toestemming.’
Het is toegestaan dat men iemand anders volgt naar het huis van degene van wie men erop vertrouwt dat hij daarin volledig akkoord is, en het is aanbevolen gezamenlijk aan het eten deel te nemen
جواز استتباعه غيره إلى دار من يثق برضاه بذلك ويتحققه تحققًا تامًا، واستحباب الاجتماع على الطعام
١٣٢٢ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: لَمَّا حُفِرَ الْخَنْدَقُ، رَأَيْتُ بِالنَّبِيِّ ﷺ خَمَصًا شَدِيدًا، فَانْكَفَأْتُ إِلَى امْرَأَتِي، فَقُلْتُ: هَلْ عِنْدَكِ شَيْءٌ فَإِنِّي رَأَيْتُ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ خَمَصًا شَدِيدًا فَأَخْرَجَتْ إِلَيَّ جِرَابًا، فِيهِ صَاعٌ مِنْ شَعِيرٍ، وَلَنَا بُهَيْمَةٌ دَاجِنٌ، فَذَبَحْتُهَا، وَطَحَنَتِ الشَّعِيرَ فَفَرَغَتْ إِلَى فَرَاغِي وَقَطّعْتُهَا فِي بُرْمَتِهَا، ثُمَّ وَلَّيْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: لاَ تَفْضَحْنِي بِرَسُولِ اللهِ ﷺ، وَبِمَنْ مَعَهُ فَجِئْتُهُ فَسَارَرْتُهُ؛ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ ذَبَحْنَا بُهَيْمَةً لَنَا، وَطَحَنَّا صَاعًا مِنْ شَعِيرٍ، كَانَ عِنْدَنَا، فَتَعَالَ أَنْتَ وَنَفَرٌ مَعَكَ فَصَاحَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: يَا أَهْلَ الْخَنْدَقِ إِنَّ جَابِرًا قَدْ صَنَعَ سُورًا، فَحَيَّ هَلًا بِكُمْ فَقَالَ رَسُولُللهِ ﷺ: لاَ تُنْزِلُنَّ بُرْمَتَكُمْ، وَلاَ تَخْبِزُنَّ عَجِينَكُمْ حَتَّى أَجِيءَ فَجِئْتُ، وَجَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَقْدُمُ النَّاسَ، حَتَّى جِئْتُ امْرأَتِي فَقَالَتْ: بِكَ وَبِكَ فَقُلْتُ: قَدْ فَعَلْتُ الَّذِي قُلْتِ فَأَخْرَجَتْ لَهُ عَجِينًا، فَبَصَقَ فِيهِ وَبَارَكَ ثُمَّ عَمَدَ إِلَى بُرْمَتِنَا فَبَصَقَ وَبَارَكَ ثُمَّ قَالَ: ادْعُ خَابِزَةً فَلْتَخْبِزْ مَعِي، وَاقْدَحِي مِنْ بُرْمَتِكُمْ وَلاَ تُنْزِلُوهَا وَهُمْ أَلْفٌ فَأَقْسِمُ
بِاللهِ لقَدْ أَكَلُوا حَتَّى تَرَكُوهُ وَانْحَرفُوا، وَإِنَّ بُرْمَتَنَا لَتَعِطُّ كَمَا هِيَ، وَإِنَّ عَجِينَنَا لَيخْبَزُ كَمَا هُوَ
1322. Van Jābir ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنه): Tijdens de Khandaq, werd de gracht gegraven en ik zag de honger in het gezicht van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik ging naar mijn vrouw en vroeg: ‘Heb je iets (te eten in huis)? Ik zag dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erg hongerig was.’ Ze haalde een zak met daarin een sāʿ (ongeveer 2,5 kg) gerst, en we hadden een geit. Ik slachtte de geit. Zij maalde de gerst (tot meel). Wij waren klaar. Ik heb het geitje in stukken gesneden en in de pot gedaan, daarna keerde ik terug naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) . In de tussentijd had mijn vrouw tegen mij gezegd: 'Pas op! Breng mij geen schaamte tegenover Rasûlüllah (صلى الله عليه وسلم) en degenen die bij hem zijn.Ik ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei zachtjes: ‘O Rasûlullāh , ik heb een geit geslacht en mijn vrouw heeft een sāʿ gerst gemalen, komt u met een paar mensen.’ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep luid: ‘O volk van de gracht, Jābir heeft sûr-eten bereid. Laten we bij hem op bezoek gaan!’ Hij zei tegen mij: ‘Laat de pan op het vuur staan en begin nog niet met het bakken van het brood totdat ik kom.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam samen met de gemeenschap. Ik ging naar mijn vrouw toe. Toen zij de menigte zag en het weinige voedsel, zei tegen mij: “Moge Allāh je goed doen, moge Allāh dit en dat met je doen!” Ik zei toen tegen haar: “Ik heb precies gedaan wat jij zei: ‘Breng de weinige hoeveelheid voedsel niet ter sprake bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opdat je mij niet te schande maakt.’Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, spuwde hij in het deeg en de pot en zegende het. Daarna wendde hij zich tot de vleespot, spuwde er wat speeksel in en sprak een zegen over uit/verrichtte du`ā’. Vervolgens zei hij: “Roep een andere vrouw die samen met jou het brood bakt.
En jij, schep met een lepel uit de pot, maar haal de pot absoluut niet van de ovenstenen af.” De aanwezige menigte bestond uit duizend mensen. Bij Allāh, zij hebben allemaal gegeten, zij verlieten het eten terwijl zij ervan hadden gegeten, en onze vleespot was nog net zo vol als daarvoor, en het deeg was nog in dezelfde staat en er werd nog steeds brood van gebakken, zonder enige vermindering.
١٣٢٣ - حديث أَنَسٍ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: قَالَ أَبو طَلْحَة لأُمِّ سُلَيْمٍ: لَقَدْ سَمِعْتُ صَوْتَ رَسُولِ اللهِ ﷺ ضَعِيفًا، أَعْرِفُ فِيهِ الْجُوعَ، فَهَلْ عِنْدَكَ مِنْ شَيْءٍ قَالَتْ: نَعَمْ فَأَخْرَجَتْ أَقْرَاصًا مِنْ شَعِيرٍ، ثُمَّ أَخْرَجَتْ خِمَارًا لَهَا، فَلَفَّتِ الْخُبزَ بِبَعْضِهِ، ثُمَّ دَستْهُ تَحْتَ يَدِي وَلاَثَتْنِي بِبَعْضِهِ ثُمَّ أَرْسَلَتْنِي إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: فَذَهَبْتُ بِهِ، فَوَجَدْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي الْمَسْجِدِ، وَمَعَهُ النَّاسُ، فَقُمْتُ عَلَيْهِمْ فَقَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: آرْسَلَكَ أَبُو طَلْحَةَ فَقُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: بِطَعَامٍ فَقُلْتُ: نَعَمْ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لِمَنْ مَعَهُ قُومُوا فَانْطَلَقَ وَانْطَلَقْتُ بَيْنِ أَيْدِيهِمْ حَتَّى جِئْتُ أَبا طَلْحَةَ فَأَخْبَرْتُهُ فَقَالَ أَبُو طَلْحَةَ: يَا أُمَّ سُلَيْمٍ قَدْ جَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِالنَّاسِ، لَيْسَ عَنْدَنَا مَا نُطْعِمُهُمْ، فَقَالَتْ: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ فَانْطَلَقَ أَبُو طَلْحَةَ حَتَّى لَقِيَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَأَقْبَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَبُو طَلْحَةَ مَعَهُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: هَلُمِّي يَا أُمَّ سُلَيْمٍ مَا عِنْدَكِ فَأَتَتْ بِذلِكَ الْخبْزِ، فَأَمَرَ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَفُتَّ، وَعَصَرَتْ أُمُّ سُلَيْمٍ عُكَّةً فَأَدَمَتْهُ ثُمَّ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِيهِ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَقُولَ ثُمَّ قَالَ: ائْذَنْ لِعَشَرَةٍ
فَأَذِنَ لَهُمْ، فَأَكَلُوا حَتَّى شَبِعُوا ثُمَّ خَرَجُوا ثُمَّ قَالَ: ائْذَنْعَشَرَةٍ فَأَذِنَ لَهُمْ فَأَكَلُوا حَتَّى شَبِعُوا ثُمَّ خَرَجُوا ثُمَّ قَالَ: ائْذَنْ لِعَشَرَةٍ فَأَذِنَ لَهُمْ فَأَكَلُوا حَتَّى شَبِعُوا ثُمَّ خَرَجُوا ثُمَّ قَالَ: ائْذَنْ لِعَشَرَةٍ فَأَكَلَ الْقَوْمُ كُلُّهُمْ وَشَبِعُوا، وَالْقَوْمُ سَبْعُونَ أَوْ ثَمَانُونَ رَجُلًا1323. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Abū Ṭalḥah zei tegen Ummu Sulaym: ‘Ik hoor aan de stem van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat hij zwak is. Hij heeft vast honger. Heb je iets om te eten?’ Ze haalde een paar gerstebroden, wikkelde die in een doek en verstopte die onder mijn kleren. Ik bracht het brood en zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de moskee zitten samen met de mensen. Ik ging naar hen toe en bleef staan. ‘Heeft Abū Ṭalḥah je gestuurd?’, vroeg hij- ‘Ja.’ , zei hij- ‘Om te eten?’, vroeg hij - ‘Ja.’, zei hijHij riep de mensen: ‘Kom mee!’Ik ging vooruit en vertelde het aan Abū Ṭalḥah. Hij zei tegen zijn vrouw: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) komt met een menigte mensen, maar wij hebben niet genoeg eten om hen te kunnen voeden!’Zij zei: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het het beter.’Abû Ṭalḥah ging Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegemoet om hem te verwelkomen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam samen met Abû Ṭalḥah het huis binnen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Ummu Sulaym, breng wat je hebt.” Zij bracht het brood. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf de opdracht om het brood in stukken te breken. Ummu Sulaym goot wat vet uit een zak over de stukken brood als beleg. Daarna sprak Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de woorden die Allāh voor Hem wilde laten zeggen.
Vervolgens zei hij: “Nodig tien mensen uit.” Er werden tien mensen binnengelaten; zij aten tot ze verzadigd waren en gingen weer naar buiten. Toen zei hij: “Nodig tien anderen uit.” Ook zij aten tot ze verzadigd waren en gingen naar buiten. Weer zei hij: “Nodig tien mensen uit.” Zo ging het door tot iedereen in het gezelschap gegeten had. Ze waren met zeventig of tachtig mensen.Een andere ḥadīth vermeldt: “Abû Ṭalḥah zei: 'O Rasûlallah, ik had eigenlijk alleen voor u iets klaargemaakt.' Daarop legde Raṣûlullah (صلى الله عليه وسلم) zijn hand op het eten, verrichtte een zegeningsgebed, en vervolgens zei hij: “Laat tien van mijn metgezellen binnenkomen.”Een andere ḥadīth vermeldt: “Eet met het uitspreken van Bismillah.” Zij aten, en zo werden het tachtig personen. Daarna aten an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn huisgenoten, en zij lieten van het eten nog wat over.Weer een andere ḥadīth zegt: “Daarna aten Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn huisgenoten, en ze hielden zelfs genoeg over voor de buren.”
Het is toegestaan de soep te eten en het is aanbevolen om pompoen te eten, evenals dat de mensen aan de tafel elkaar voorrang geven, zelfs als zij gasten zijn, mits de gastheer dit niet verwerpt
جواز أكل المرق واستحباب أكل اليقطين، وإِيثار أهل المائدة بعضهم بعضًا وإِن كانوا ضيفانا، إِذا لم يكره ذلك صاحب الطعام
١٣٢٤ - حديث أَنَسٍ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: إِنَّ خَيَّاطًا دَعَا رَسُولَ اللهِ ﷺ لِطَعَامٍ صَنَعَهُ قَالَ أَنَسُ بْنُ مَالِكٍ: فَذَهَبْتُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، إِلَى ذَلِكَ الطَّعَامِ، فَقَرَّبَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، خُبْزًا وَمَرَقًا فِيهِ دُبَّاءٌ وَقَدِيدٌ فَرَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَتَتَبَّعُ الدُّبَّاءَ مِنْ حَوَالَيِ الْقَصْعَةِ قَالَ: فَلَمْ أَزَلْ أُحِبُّ الدُّبَّاءَ مِنْ يَوْمَئِذٍ
1324.. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Een kleermaker nodigde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit voor een maaltijd. Ik ging met hem mee. Hij bood brood aan met een stoofpotje waarin pompoen en gedroogd vlees zat. Ik zag hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de schaal naar de stukken pompoen zocht. Sindsdien houd ik van pompoen.
Komkommer met dadels eten
أكل القثاء بالرطب
١٣٢٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ جَعْفَرِ بْنِ أَبِي طَالِبٍ، قَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَأْكُلُ الرُّطَبَ بالْقِثَّاءِ
1325. Van `Abdullāh ibn Jaʿfar ibn Abī Ṭālib (رضي الله عنهما):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verse onrijpe dadels eten samen met komkommer (of ajur-komkommer).
Afkeuring van dubbel dadels eten
نهي الآكل مع جماعة عن قران تمرتين ونحوهما في لقمة، إِلا بإِذن أصحابه
١٣٢٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ جَبَلَةَ، كُنَّا بِالْمَدِينَةِ فِي بَعْضِ أَهْلِ الْعِرَاقِ، فَأَصَابَنَا سَنَةٌ، فَكَانَ ابْنُ الزُّبَيْرِ يَرْزُقُنَا التَّمْرَ فَكَانَ ابْنُ عُمَرَ يَمُرُّ بِنَا، فَيقُولُ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، نَهى عَنِ الإِقْرَانِ، إِلاَّ أَنْ يَسْتَأْذِنَ الرَّجُلُ مِنْكُمْ أَخَاهُ
1326. Van Jabalah Ibn Suhaym (رضي الله عنه):Wij bevonden ons met een groep Irakezen in Madīnah en we werden getroffen door een jaar van schaarste/hongersnood. ʿAbdullāh Ibn Zubayr gaf ons dadels als rantsoen. ʿAbdullāh Ibn ʿUmar kwam langs en zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het verboden om dadels twee tegelijk te eten, tenzij iemand zijn broeder daarvoor toestemming geeft.”
[De reden van het verbod om dadels per twee tegelijk te eten, werd door sommige geleerden uitgelegd als een etiquettekwestie, of om tijdens tijden van schaarste te voorkomen dat men zich te gulzig gedraagt en zo het recht van de ander aan tafel zou schenden. Indien dit niet aan de orde is, is het toegestaan om twee of meer tegelijk te eten.] (AFK)
De voortreffelijkheid van de dadels uit Madīnah
فضل تمر المدينة
١٣٢٧ - حديث سَعْدٍ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: مَنْ تَصَبَّحَ سَبْعَ تَمَرَاتٍ عَجْوَةً لَمْ يَضُرُّهُ، ذَلِكَ الْيَوْمَ، سُمٌّ وَلاَ سِحْرٌ
1327. Van Saʿd Ibn Abī Waqqās (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie elke ochtend op nuchtere maag zeven dadels van de ʿajwah-soort eet, zal op die dag geen schade ondervinden van vergif of tovenarij (sihr).”
[ʿAjwah is een zwarte dadelsoort uit Madīnah. Het is door de smeekbede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegend. De waarde van de ʿAjwah-dadel is bijzonder. Dr. Mustafā as-Sibāʿī schrijft in zijn boek as-Sunnah fī ash-Sharīʿah al-Islāmiyyah dat hij dit zelf gedurende vijf maanden tijdens zijn Haj heeft ondervonden. Veel geleerden beschouwen de werking van deze dadel als het gevolg van de smeekbede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). De medische eigenschappen van de Ajwah-dadel wachten nog op onderzoek door onze wetenschappers.] (AFK)
[Er wordt vermeld dat in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah bepaalde ziekten en toverpraktijken (sihr) voorkwamen, en dat door de duʿā’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de dadelsoort ʿajwa, die in Madīnah groeit, een beschermende werking had. Geleerden zijn van mening dat deze eigenschap van de ʿajwah-dadel specifiek was voor die periode.Zoals door de hele menselijke geschiedenis heen, waren er ook in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) genezingswijzen en methoden van preventieve geneeskunde, waarover in sommige aḥādīth melding wordt gemaakt. Deze aḥadīth staan bekend als ṭibb an-nabawī-aḥadith. De algemene conclusie die daaruit getrokken kan worden, is dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het beschermen tegen ziekten en zich laten behandelen heeft aangemoedigd. Natuurlijk waren de behandelmethoden die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn metgezellen toepasten, gebonden aan hun eigen tijd, en kunnen zij slechts beoordeeld worden in het licht van latere wetenschappelijke ontwikkelingen.
Uiteindelijk is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door Allāh belast met de verkondiging van de dīn, en niet een arts die zich vooral onderscheidt door medische praktijken. Daarom zijn de aḥādīth die onder de noemer ṭibb an-nabawī vallen, vanuit religieus oogpunt niet verplicht of bindend. ] (Diyanet)
Paddenstoel is goed voor de ogen
فضل الكمأة ومداواة العين بها
١٣٢٨ - حديث سَعِيدِ بْنِ زَيْدٍ ﵁، قَالَ: قَالَ: رَسُولُ اللهِ ﷺ: الْكَمْأَةُ مِنَ الْمَنِّ، وَمَاؤُهَا شِفَاءٌ لِلْعَيْنِ
1328. Van Saʿīd Ibn Zayd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De kam’ah-paddenstoel (truffel) behoort tot de soort van de manna (die aan Banī Isrā’īl) werd gezonden. Het vocht ervan is genezing voor het oog.”
[De truffel (Arabisch: kam’ah) groeit zonder enige menselijke inspanning en lijkt daardoor op het goddelijk geschenk van manna. Er wordt in klassieke werken melding gemaakt van genezing van oogaandoeningen met het sap van deze paddenstoel. Abū Hurayrah (رضي الله عنه) gebruikte vocht van de truffels voor het oog van een meisje met succes. ((Tirmithî, Tıb: 22) Imām an-Nawawī vermeldt dat Kāmil Ibn ʿAbdullāh ad-Dimashqī zijn blinde oog behandelde met dit vocht, waarna hij weer kon zien. De genezende werking van de truffel voor het oog is een onderwerp dat nog onderzocht moet worden door wetenschappers. Wij hopen dat onze moslimwetenschappers zich op deze kwestie zullen richten. Er zijn gevallen bekend waarin sommige mensen niet weten welke schimmelsoort in de ḥadīth bedoeld wordt en ook niet weten hoe ze het moeten gebruiken, waardoor ze in plaats van voordeel juist schade hebben ondervonden van het schimmelvocht. De in de ḥadīth genoemde schimmelsoort moet zorgvuldig worden vastgesteld, en het gebruik ervan dient te gebeuren volgens de instructies van deskundigen die gewaarschuwd zijn en serieus genomen moeten worden.] (AFK)
De voortreffelijkheid van de siwāk-boomفضيلة الأسود من الكباث
١٣٢٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ ﵁، قَالَ: كنَّا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، نَجْنِي الْكَبَاثَ، وَإِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: عَلَيْكُمْ بِالأَسْوَدِ مِنْهُ، فَإِنَّهُ أَطْيَبُهُ قَالُوا: أَكُنْتَ تَرْعَى الْغَنَمَ قَالَ: وَهَلْ مِنْ نَبِيٍّ إِلاَّ وَقَدْ رَعَاهَا
1329.
Van Jābir Ibn ʿAbdoellāh (رضي الله عنه):Wij verzamelden de vruchten van siwāk-boom (die lijkt op die van de vijgenboom) waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij was.Hij zei: “Neem de zwarte, want die is het beste.”Men vroeg hem: “Hoedde u vee/was u een herder?”Hij antwoordde: “Is er ooit een profeet geweest die géén vee hoedde/herder was?”
Het eren van de gast en de deugd van hem voorrang geven
إِكرام الضيف وفضل إِيثاره
١٣٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَجُلًا أَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَبَعَثَ إِلَى نِسَائِهِ، فَقُلْنَ: مَا مَعَنَا إِلاَّ الْمَاءُ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَنْ يَضُمُّ أَوْ يُضِيفُ هذَا فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ: أَنَا فَانْطَلَقَ بِهِ إِلَى امْرَأَتِهِ فَقَالَ: أَكْرِمِي ضَيْفَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَتْ: مَا عِنْدَنَا إِلاَّ قُوتُ صِبْيَانِي فَقَالَ: هَيِّء طَعَامَكِ، وَأَصْبِحِي سِرَاجَكِ، وَنَوِّمِي صِبْيَانَكِ إِذَا أَرَادُوا عَشَاءً فَهَيَّأَتْ طَعَامَهَا، وَأَصْبَحَتْ سِرَاجَهَا، وَنَوَّمَتْ صِبْيَانَهَا؛ ثُمَّ قَامَتْ كَأَنَّهَا تُصْلِحُ سِرَاجَهَا، فَأَطْفَأَتْهُ، فَجَعَلاَ يُرِيَانِهِ أَنَّهُمَا يَأْكُلاَنِ فَبَاتَا طَاوِيَيْنِ فَلَمَّا أَصْبَحَ غَدَا إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: ضَحِكَ اللهُ اللَّيْلَةَ أَوْ عَجِبَ مِنْ فِعَالِكُمَا فَأَنْزَلَ اللهُ (وَيُؤْثِرُونَ عَلَى أَنْفُسِهِمْ وَلَوْ كَانَ بِهِمْ خَصَاصَةٌ وَمَنْ يُوقَ شُحَّ نَفْسِهِ فَأَولئِكَ هُمُ الْمُفْلِحُونَ)
1330. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij stuurde hem naar zijn vrouwen om iets te eten te vragen.
Zij zeiden: “Wij hebben niets behalve water.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei toen: “Wie neemt deze man in huis of biedt hem onderdak?”Een man van de Ansār zei: “Ik.”Hij ging naar zijn vrouw en zei: “Eer de gast van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .”Zij antwoordde: “Wij hebben slechts wat eten voor de kinderen.”Hij zei: “Bereid het eten, steek de lamp aan, en als de kinderen om eten vragen, laat hen dan slapen.”Zij zette de tafel klaar, stak de lamp aan en liet de kinderen slapen.
Ze deed alsof ze de lamp bijstelde, maar doofde hem uit. Toen deden zij alsof ze aten, maar gingen hongerig slapen.De volgende ochtend zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāh heeft deze nacht gelachen (of) Hij heeft zich verwonderd over jullie daden.”Vervolgens werd deze āyah geopenbaard:وَٱلَّذِينَ تَبَوَّءُو ٱلدَّارَ وَٱلۡإِيمَٰنَ مِن قَبۡلِهِمۡ يُحِبُّونَ مَنۡ هَاجَرَ إِلَيۡهِمۡ وَلَا يَجِدُونَ فِي صُدُورِهِمۡ حَاجَةٗ مِّمَّآ أُوتُواْ وَيُؤۡثِرُونَ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ وَلَوۡ كَانَ بِهِمۡ خَصَاصَةٞۚ وَمَن يُوقَ شُحَّ نَفۡسِهِۦ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡمُفۡلِحُونَ ٩
En degenen die vóór hen huizen hadden (in Madīnah) en tot het geloof gekomen waren, zij houden van degenen die naar hen emigreerden, en zij hebben geen jaloersheid in hun harten op wat (aan hen) gegeven is. En zij geven aan hen de voorkeur boven henzelf, zelfs als zij het nodig hebben. En wie zich hoedt voor zijn eigen vrekkigheid: zij behoren zeer zeker tot de succesvollen. (sûrah al-Ḥasjr: 9)
[“Allāh heeft deze nacht gelachen (of) Hij heeft zich verwonderd over jullie daden”: Deze uitdrukking komt voor in sommige aḥadīth en geeft aan dat Allāh tevredenheid of verwondering uitdrukt over een handeling die Zijn dienaren hebben verricht. In context wordt dit vaak gezegd om de verheven status of het mooie gedrag van iemand te benadrukken.
Uiteraard geldt bij zulke uitdrukkingen dat ze op een wijze begrepen worden die past bij Allāh’s Majesteit, zonder gelijkenis met menselijke eigenschappen.] (AFK)
١٣٣١ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي بَكْرٍ، قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ ثَلاَثِينَ وَمِائَةً فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: هَلْ مَعَ أَحَدٍ مِنْكُمْ طَعَامٌ فَإِذَا مَعَ رَجُلٍ ⦗٢٧⦘ صَاعٌ مِنْ طَعَامٍ أَوْ نَحْوُهُ فَعُجِنَ ثُمَّ جَاءَ رَجُلٌ مُشْرِكٌ مُشْعَانٌّ طَوِيلٌ بِغَنَمٍ يَسُوقُهَا فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بَيْعًا أَمْ عَطِيَّةً أَوْ قَالَ: أَمْ هِبَةً قَالَ: لاَ، بَلْ بَيْعٌ فَاشْتَرَى مِنْهُ شَاةً، فَصُنِعَتْ، وَأَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ بِسَوَادِ الْبَطْنِ أَنْ يُشْوَى، وَايْمُ اللهِ مَا فِي الثَّلاثِينَ وَالْمِائَةِ إِلاَّ قَدْ حَزَّ النَّبِيُّ ﷺ لَهُ حُزَّةً مِنْ سَوَادِ بَطْنِهَا، إِنْ كَانَ شَاهِدًا أَعْطَاهَا إِيَّاهُ، وَإِنْ كَانَ غَائِبًا خَبَأَ لَهُ، فَجَعَلَ مِنْهَا قَصْعَتَيْنِ فَأَكَلُوا أَجْمَعُونَ، وَشَبِعْنَا فَفَضَلَتِ الْقَصْعَتَانِ فَحَمَلْنَاهُ عَلَى الْبَعِيرِ أو كَمَا قَالَ1331.
Van ʿAbdurraḥmān Ibn Abī Bakr (رضي الله عنهما):(Op een reis) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren wij met 120 personen. Hij zei: “Heeft iemand van jullie eten bij zich?”Er was iemand met een sāʿ (ongeveer 2,5 kilo) of iets minder. Er werd deeg ervan gemaakt.
Op dat moment kwam er een lange afgodendienaar, met verward haar, aanlopen, die zijn kudde schapen voortdreef.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Is het om te verkopen of geschenk?” Hij zei: “Nee, de schapen zijn te koop.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kocht (een schaap).
Het werd meteen geslacht en gevild. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval om de lever te roosteren.ʿAbdurraḥmān zei: “Bij Allāh, iedereen van de 120 mensen die aanwezig was kreeg het, als hij er niet was, werd zijn deel bewaard.Het (vlees) werd in twee schalen gedaan, iedereen at ervan en was verzadigd. De twee schalen bleven zelfs over en we laadden het op een kameel. Of hij gebruikte een soortgelijke uitdrukking.
٢ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي بَكْرٍ: أَنَّ أَصْحَابَ الصُّفَّةِ كَانُوا أُنَاسًا فُقَرَاءَ، وَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: مَنْ كَانَ عِنْدَهُ طَعَامُ اثْنَيْنِ فَلْيَذْهَبْ بِثَالِثٍ، وَإِنْ أَرْبَعٌ فَخَامِسٌ أَوْ سَادِسٌ وَأَنَّ أَبَا بَكْرٍ جَاءَ بِثَلاَثَةٍ، فَانْطَلَقَ النَّبِيُّ ﷺ بِعَشَرَةٍ، قَالَ: فَهُوَ أَنَا وَأَبِي وَأُمِّي، وَامْرَأَتِي وَخَادِمٌ بَيْنَنَا وَبَيْنَ بَيْتِ أَبِي بَكْرٍ وَإِنَّ أَبَا بَكْرٍ تَعَشَّى عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، ثُمَّ لَبِثَ حَيْثُ صُلِّيَتِ الْعِشَاءُ، ثُمَّ رَجَعَ فَلَبِثَ حَتَّى تَعَشَّى النَّبِيُّ ﷺ، فَجَاءَ بَعْدَ مَا مَضى مِنَ اللَّيْلِ مَا شَاءَ اللهُ قَالَتْ لَهُ امْرَأَتُهُ: وَمَا حَبَسَكَ عَنْ أَضْيَافِكَ، أَوْ قَالَتْ: ضَيْفِكَ قَالَ: أَوَ مَا عَشَّيْتِيهِمْ قَالَتْ: أَبَوْا حَتَّى تَجِي، قَدْ عُرِضُوا فَأَبَوْا قَال: فَذَهَبْتُ أَنَا فَاخْتَبَأْتُ فَقَالَ: يَا غُنْثَرُ فَجَدَّعَ وَسَبَّ وَقَالَ: كُلُوا، لاَ هَنِيئًا فَقَالَ: وَاللهِ لاَ أَطْعُمُه أَبَدًا وَايْمُ اللهِ مَا كُنّا نَأْخُذُ مِنْ لُقْمَةٍ إِلاَّ رَبَا مِنْ أَسْفَلِهَا أَكْثَرُ مِنْهَا، قَالَ: يَعْنِي حَتَّى شَبِعُوا، وَصَارَتْ أَكْثَرَ مِمَّا كَانَتْ قَبْلَ ذَلِكَ فَنَظَرَ إِلَيْهَا أَبُو بَكْرٍ فَإِذَا هِيَ كَمَا هِيَ أَوْ أَكْثَرُ مِنْهَا فَقَالَ لاِمْرَأَتِهِ: يَا أُخْتَ بَنِي فِرَاسٍ مَا هذَا قَالَتْ: لاَ، وَقُرَّةِ عَيْنِي لَهِيَ
الآنَ أَكْثَرُ مِنْهَا قَبْلَ ذَلِكَ بِثَلاَثِ مَرَّاتٍ فَأَكَلَ مِنْهَا أَبُو بَكْرٍ، وَقَالَ: إِنَّمَا كَانَ ذَلِكَ مِنَ الشَّيْطَانِ، يَعْنِي يَمِينَهُ ثُمَّ أَكَلَ مِنْهَا لُقْمَةً ثُمَّ حَمَلَهَا إِلَى النَّبِيِّ ﷺ فَأَصْبَحَتْ عِنْدَهُ
وَكَانَ بَيْنَنَا وَبَيْنَ قَوْمٍ عَقْدٌ فَمَضى الأَجَلُ فَفَرَّقَنَا اثْنَا عَشَرَ رَجُلًا، مَعَ كُلِّ رَجُلٍ مِنْهُمْ أُنَاسٌ، اللهُ أَعْلَمُ كَمْ مَعَ كُلِّ رَجُلٍ فَأَكَلُوا مِنْهَا أَجْمَعُونَ، أَوْ كَمَا قَالَ
1332. Van ʿAbdurraḥmān Ibn Abī Bakr (رضي الله عنهما):Ashāb aṣ-Ṣuffah waren behoeftige mensen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie eten heeft voor twee personen, laat hem een derde meenemen. Wie eten heeft voor vier, laat hem een vijfde of zesde meenemen.”Abū Bakr bracht drie gasten en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bracht er tien.ʿAbdurraḥmān zei: ‘Mijn familie bestond uit mijzelf, mijn vader en mijn moeder’. De overlever (van de ḥadīth) zei: “Of hij zei: ‘Mijn vrouw en de dienstmeid die wij zowel bij mijn vader Abû Bakr als bij mij werkte,’ dat weet ik niet precies (dat heeft hij mogelijk gezegd).”Abū Bakr bleef bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) totdat deze zijn avondmaaltijd had gegeten. Daarna bleef hij daar tot de ṣalāh al-`ishā’ werd verricht. (Nadat hij de gasten had gebracht) bleef hij daar totdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het avondeten had gegeten. Vervolgens bleef hij daar tot laat in de nacht, zolang als Allāh wilde. Daarna kwam hij terug. Zijn vrouw zei: “Wat hield je toch zo lang op bij je gasten?”Hij vroeg: “Heb je de gasten geen avondeten gegeven?”Zij zei: “Zij wilden niet eten voor jij kwam. Het eten werd neergezet, maar zij accepteerden het niet.”ʿAbdurraḥmān zei: Ik rende meteen weg en verstopte me.
Mijn vader begon tegen me uit te varen en zei: “Hé, dwaze, schaamteloze vent!” Hij zei: “Eet, maar het moge je niet goed doen.” En voegde eraan toe: “Bij Allāh, ik zal niet eten.”(De gasten begonnen te eten.) Bij Allāh, telkens als wij een hap namen, werd er onder het eten nog meer zichtbaar dan daarvoor, het nam alleen maar toe. Toen waren de gasten verzadigd, maar het eten was meer geworden dan aan het begin. Abû Bakr keek naar het eten en wat zag hij? Het eten lag er nog steeds, zelfs in grotere hoeveelheid dan daarvoor. Toen zei hij tegen zijn vrouw: “O zus van de zonen van Firas, wat is dit?” Zij antwoordde: “Bij het licht van mijn ogen, bij Allāh, het eten is nu drie keer zoveel als eerst.” Uiteindelijk kon Abû Bakr het niet laten en at van het eten. Hij zei, terwijl hij zijn eed bedoelde: “Deze eed was het werk van een verleiding door de shaytān.” Daarna nam hij het eten en bracht het naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het eten bleef bij hem liggen tot de ochtend.Op dat moment kwamen er mensen van een stam waarmee we een vredesverdrag hadden.Wij selecteerden twaalf mensen onder hen, elk met meerdere metgezellen, alleen Allāh weet hun aantal, en zij allen aten van dat voedsel.”(De overleveraar die ons de ḥadīth vertelde, Abû Uthman, zei:) “Of een vergelijkbaar aantal mensen aten mee.
De deugd van het delen van zelfs een kleine hoeveelheid voedsel, waarbij het voedsel van twee personen voldoende kan zijn voor drie, en soortgelijke zaken
فضيلة المواساة في الطعام القليل، وأن طعام الاثنين يكفي الثلاثة، ونحو ذلك
١٣٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: طَعَامُ الاثْنَيْنِ كَافِي الثَّلاثَةِ، وَطَعَامُ الثَّلاَثَةِ كَافِي الأَرْبَعَةِ
1333. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het voedsel van twee personen is genoeg voor drie; het voedsel van drie is genoeg voor vier.”
De gelovige eet met één maag, de ongelovige met zeven magen
المؤمن يأكل في معى واحد، والكافر يأكل في سبعة أمعاء
١٣٣٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ الْمُؤْمِنَ يَأْكُلُ فِي مِعًى وَاحِدٍ، وَإِنَّ الْكَافِرَ أَوِ الْمُنَافِقَ يَأْكُلُ فِي سَبْعِةِ أَمْعَاءٍ
1334. Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelovige eet met (de inhoud van) één maag, terwijl de ongelovige of de huichelaar (munāfiq) eet met (de inhoud van) zeven magen.”
[ In een andere ḥadīth in sahīh Muslim staat: Hij at niet, tenzij er een behoeftige bij hem werd uitgenodigd om mee te eten. Nāfiʿ, de overleveraar van deze ḥadīth, zei: “Op een dag had ik een man naast hem gezet om met hem mee te eten, maar deze man at veel. Daarop zei ʿAbdullāh ibn ʿUmar: ‘O Nāfiʿ, zet hem niet naast mij, want ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “De gelovige (mu’min) eet voor één maag, terwijl de ongelovige (kāfir) eet om zeven magen te vullen.”](AFK)
[Degene die in Allāh gelooft en de waarde kent van de gunsten die Hij schenkt, bescheiden en niet hebzuchtig is, eet evenwichtig en zonder verspilling. Zijn doel bij het eten is in feite dat hij de gezondheid en energie die hij hierdoor verkrijgt, besteedt op weg van het goede en gebruikt om daden te verrichten om Allāh tevreden te stellen. Voor hem is eten en drinken geen doel op zich zelf, maar slechts een middel om hogere doelen te bereiken.Maar degene die niet in Allāh gelooft, ontkent ook Degene die de voorzieningen schenkt, erkent de waarde van Zijn gunsten niet en eet en drinkt slechts volgens de verlangens van zijn eigen ego (nafs). Daardoor consumeert hij gulzig, met verspilling en hebzucht. Omdat hij geen tevredenheid kent, wordt hij nooit werkelijk verzadigd. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft op dit verschil gewezen. ] (Diyanet)
١٣٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَجُلًا كَانَ يَأْكلُ كَثِيرًا، فَأَسْلَمَ فَكَانَ يَأْكُلُ أَكْلًا قَلِيلًا؛ فَذُكِرَ ذَلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: إِنَّ الْمُؤْمِنَ يَأْكُلُ فِي مِعًى وَاحِدٍ، وَالْكَافِرَ يَأْكُلُ فِي سَبْعَةِ أَمْعَاءٍ1335. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Er was eens een man die veel at. Daarna omarmde hij de Islām en begon toen weinig te eten. Dit werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verteld, en hij zei: “De gelovige eet met één darm, terwijl de ongelovige met zeven darmen eet.”[ In een andere ḥadīth in Sahīh Muslim staat: Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Op een keer kwam er een ongelovige als gast bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Hij gaf opdracht om een schaap te melken, en de man dronk de melk uit één kom. Vervolgens dronk hij nog een kom, en daarna nog één, totdat hij de melk van zeven schapen opdronk.De volgende ochtend werd hij moslim. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf toen opnieuw opdracht om een schaap te melken. De man dronk één kom melk, en daarna werd een ander schaap gemolken, maar hij kon deze kom niet helemaal leegdrinken. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) : “De gelovige drinkt voor één maag, terwijl de ongelovige drinkt om zeven magen te vullen.”] (AFK)
[Sommigen zeggen dat het hier gaat om het volgende:
Een gelovige begint het eten met de Basmalah, waardoor de shayṭān geen deelgenoot wordt van zijn maaltijd.
Een ongelovige begint het eten niet met de Basmalah, waardoor de shayṭān wel deelgenoot wordt van zijn maaltijd en hij daardoor mogelijk meer eet dan goed voor hem is.
Het belangrijkste punt dat in de ḥadīth wordt benadrukt, is dat matig eten belangrijk is voor de gezondheid.Want matig eten heeft een groot effect op de gezondheid van een mens. Tegenwoordig liggen de oorzaken van ziekten zoals maagproblemen, verstopte bloedvaten, hartziekten en overgewicht vaak in onvoorzichtig eten, overeten en soortgelijke zaken. Daarom raadde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de gelovigen aan om, in het belang van hun gezondheid, matig te eten.] (HA)
Hij bekritiseert het eten niet
لا يعيب الطعام
١٣٣٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: مَا عَابَ النَّبِيُّ ﷺ طَعَامًا قَطُّ، إِنِ اشْتَهَاهُ أَكَلَهُ، وَإِلاَّ تَرَكُهُ
1336. Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond nooit iets aan te merken op het eten. Als hij er trek in had, at hij ervan, en als hij dat niet had, liet hij het staan.”
[In deze ḥadīth wordt vermeld dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) geen enkel gerecht dat voor hem werd geserveerd bekritiseerde. Volgens sommige ḥadīthgeleerden betrof deze houding toegestane (ḥalāl) gerechten.Zijn houding tegenover ḥarām voedsel was anders: hij legde de ondeugd van het eten ervan uit en hield zijn ummah ervan om het te eten. Daarom zeggen de geleerden dat het afkeuren van ḥalāl voedsel als makrūh wordt beschouwd.Sommige geleerden zeggen ook dat het niet toegestaan is om enig voedsel dat Allah heeft geschapen te bekritiseren, maar dat het geen bezwaar is om een tekort of fout te noemen die voortkomt uit de bereiding of het koken door mensen.Volgens Ḥāfiẓ Ibn Ḥajar geldt echter niet juist om kritiek te geven op de bereiding of het koken omdat dit degene die het voedsel heeft bereid zou kunnen kwetsen, daarom is zo’n kritiek niet toegestaan.] (HA)