As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitâbu’l Aymân: Boek van het zweren

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitâbu’l Aymân: Boek van het zweren

Verbod op het zweren bij iets of iemand anders dan Allāhu تعالى

النهي عن الحلف بغير الله تعالى

١٠٦٦ - حديث عُمَرَ، قَالَ: قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ اللهَ يَنْهَاكُمْ أَنْ تَحْلِفُوا بِآبَائِكُمْ قَالَ عُمَرُ: فَوَاللهِ مَا حَلَفْتُ بِهَا مُنْذَ سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، ذَاكِرًا وَلاَ آثِرًا

1066 – Van ʿUmar (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Waarlijk, Allāh verbiedt jullie te zweren bij jullie voorouders.”ʿUmar zei daarop: “Bij Allāh, sinds ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit heb horen zeggen, heb ik dit niet meer gedaan – noch wanneer ik mijn eigen woorden spreek, noch wanneer ik de woorden van iemand anders overbreng.”

١٠٦٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ أَنَّهُ أَدْرَكَ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ فِي رَكْبٍ وَهُوَ يَحْلِفُ بِأَبِيهِ، فَنَادَاهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَلاَ إِنَّ اللهَ يَنْهَاكُمْ أَنْ تَحْلِفُوا بِآبَائِكُمْ، فَمَنْ كَانَ حَالِفًا فَلْيَحْلِفْ بِاللهِ، وَإِلاَّ فَلْيَصْمُتْ1067 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Hij vertelde dat hij ʿUmar ibn al-Khattāb trof in een reisgezelschap terwijl hij bij zijn vader zwoer. Toen riep de Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) : “Waar zijn jullie mee bezig? Allāh verbiedt jullie te zweren bij jullie voorouders. Wie zweert, laat hem bij Allāh zweren, en anders moet hij zwijgen.

[De lexicale betekenis van het woord yamīn omvat: de rechterhand, zegen, kracht, macht, een eervolle positie, en iets dat kan kwetsen.

In fiqh-termen verwijst yamīn naar het aangaan van een bindende verbintenis waarbij iemand, om een uitspraak kracht bij te zetten of om vastberadenheid te tonen in het wél of níet uitvoeren van een handeling, Allāh als getuige neemt. Soms wordt de verplichting ook gekoppeld aan iets specifieks, zoals een echtscheiding (ṭalāq) of de vrijlating van een slaaf.

Het woord yamīn wordt vooral gebruikt voor een ‘qasam’ (eed) waarbij één van de Namen of eigenschappen van Allāh wordt genoemd. Of eed die verbonden is aan ṭalāq of slavenvrijlating onder de categorie yamīn valt, is onderwerp van discussie. Hoewel er subtiele verschillen bestaan tussen de termen ‘qasam’ en ‘ḥilf’, worden deze meestal als synoniem voor yamīn gebruikt.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in een ḥadīth zijn ummah opgedragen niet te zweren bij vaders of afgoden. Wie tóch een eed wil afleggen, moet zweren bij Allāh of helemaal geen eed uitspreken. Eed die wordt afgelegd bij anderen dan Allāh, zoals bij vaders, moeders, engelen, enzovoorts, is niet toegestaan. Omdat zulke eed niet is toegestaan, is het eveneens onjuist om ze yamīn te noemen.] (HY)

Wie zweert "bij Lat en Uzza" moet meteen "Lā ilāha illallāh" zeggen

من حلف باللات والعزى فليقل لا إله إلا الله

١٠٦٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ حَلَفَ فَقَالَ فِي حَلِفِهِ وَالَّلاتِ وَالْعُزَّى، فَلْيَقُلْ، لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ؛ وَمَنْ قَالَ لِصَاحِبِهِ، تَعَالَ أُقَامِرْك، فَلْيَتَصَدَّقْ

1068 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zweert en daarbij zegt ‘bij al-Lāt en al-ʿUzzā’, laat hem zeggen: Lâ ilaha illallâh (Er is geen godheid behalve Allāh).En wie tegen zijn vriend zegt: ‘Kom, laten we gokken’, laat hem (meteen) liefdadigheid (ṣadaqah) geven.”

[Eed is een manier van spreken die wordt gebruikt om de geloofwaardigheid en binding van een uitspraak te versterken. In de tijd van de jāhiliyyah was het gebruikelijk dat Arabieren eed aflegden bij afgoden. Wanneer iemand na zijn overgang tot de Islām een dergelijke eed uitsprak, werd van hem verlangd onmiddellijk te zeggen:

“Lā ilāha illā llāh”(Er is geen godheid behalve Allāh).

Op deze manier kon men zich volledig losmaken van shirk (afgoderij) die voortkwam uit eerbied of vrees voor anderen dan Allāh.

Daarnaast was gokken wijdverspreid in de tijd van de jāhiliyyah en wordt het in de Islām tot de grote zonden gerekend. Degene die zijn vriend uitnodigt tot gokken en daarmee niet alleen zichzelf maar ook hem tot zonde brengt, moet zo spoedig mogelijk van deze fout terugkeren en berouwvol (tawba) tot Allāh wenden.

Als boetedoening (kaffārah) voor deze houding, namelijk anderen tot kwaad aanzetten, wordt naast berouw tonen ook het geven van ṣadaqah aanbevolen. Een oprechte ṣadaqah kan, met de toestemming van Allāh, de kracht hebben om zonden te vergeven.] (Diyanet)

Aanbevolen is: wie een eed zweert en vervolgens iets beters dan die eed ziet, dat hij datgene doet wat beter is, en boetedoening verricht voor zijn eed

ندب من حلف يمينًا فرأى غيرها خيرًا منها أن يأتي الذي هو خير ويكفّر عن يمينه

١٠٦٩ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: أَرْسَلَنِي أَصْحَابِي إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَسْأَلهُ الْحُمْلاَنَ لَهُمْ إِذْ هُمْ مَعَهُ فِي جَيْشِ الْعُسْرَةِ، وَهِيَ غَزْوَةُ تَبُوكَ فَقُلْتُ: يَا نَبِيَّ اللهِ إِنَّ أَصْحَابِي أَرْسَلونِي إِلَيْكَ لِتَحْمِلَهُمْ، فَقَالَ: وَاللهِ لاَ أَحْمِلُكُمْ عَلَى شَيْءٍ وَوَافَقْتُهُ وَهُوَ غَضْبَانُ، وَلاَ أَشْعُرُ، وَرَجَعْتُ حَزِينًا مِنْ مَنْعِ النَّبِيِّ ﷺ، وَمِنْ مَخَافَةِ أَنْ يَكُونَ النَّبِيُّ ﷺ وَجَدَ فِي نَفْسِهِ عَلَيَّ؛ فَرَجَعْتُ إِلَى أَصْحَابِي فَأَخْبَرْتُهُمُ الَّذِي قَالَ النَّبِيُّ ﷺ فَلَمْ أَلْبَثْ إِلاَّ سُوَيْعَةً إِذْ سَمِعْتُ بِلاَلًا يُنَادِي، أَي عَبْدَ اللهِ بْنَ قَيْسٍ فَأَجَبْتُهُ، فَقَالَ: أَجِبْ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَدْعُوكَ، فَلَمَّا أَتَيْتُهُ قَالَ: خُذْ هذَيْنِ الْقَرِينَيْنِ وَهذَيْنِ الْقَرِينَيْنِلِسِتَّةِ أَبْعِرَةٍ ابْتَاعَهُنَّ حِينَئِذٍ مِنْ سَعْدٍ فَانْطَلِقْ بِهِنَّ إِلَى أَصْحَابِكَ، فَقُلْ إِنَّ اللهَ أَوْ قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَحْمِلُكُمْ عَلَى هؤُلاَءِ فَارْكَبُوهُنَّ فَانْطَلَقْتُ إِلَيْهِمْ بِهِنَّ فَقُلْتُ: إِنَّ النَبِيَّ ﷺ يَحْمِلَكُمْ عَلَى هؤُلاَءِ، وَلكِنِّي، وَاللهِ لاَ أَدَعُكُمْ حَتَّى يَنْطَلِقَ مَعِي بَعْضُكُمْ إِلَى مَنْ سَمِعَ مَقَالَةَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، لاَ تَظُنُّوا أَنِّي حَدَّثْتُكُمْ شَيْئًا لَمْ يَقُلْهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ؛ فَقَالُوا لِي: إِنَّكَ عِنْدَنَا لَمُصَدَّقٌ وَلَنَفْعَلَنَّ مَا أَحْبَبْتَ

فَانْطَلَقَ أَبُو مُوسى بِنَفَرٍ مِنْهُمْ حَتَّى أَتَوُا الَّذِينَ سَمِعُوا قَوْلَ رَسُولِ اللهِ ﷺ مَنْعَهُ إِيَّاهُمْ، ثُمَّ إِعْطاءَهُمْ بَعْدُ، فَحَدَّثُوهُمْ بِمِثْلِ مَا حَدَّثَهُمْ بِهِ أَبُو مُوسى

1069 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):Zijn vrienden stuurden hem naar de Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) met het verzoek hen kamelen te geven zodat zij zich konden aansluiten bij het leger van Ontbering, namelijk de expeditie van Ta’būk. Ik zei: “O NabieAllah! Mijn vrienden hebben mij naar u gestuurd om een kameel beschikbaar te stellen waarop zij kunnen rijden.”Hij antwoordde: “Bij Allāh, ik zal jullie geen enkel kameel beschikbaar kunnen stellen om op te rijden.”Omdat ik op dat moment Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een boze stemming aantrof om een reden die ik niet kende, keerde ik bedroefd terug nadat hij mij met die uitspraak had afgewezen. Ik was verdrietig, omdat ik vreesde dat er wellicht een zekere ontevredenheid jegens mij in zijn hart was. Ik ging terug naar mijn vrienden en vertelde hen wat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen mij had gezegd. Niet lang daarna kwam Bilāl naar mij toe en riep: “O ʿAbdullāh ibn Qays!”Ik beantwoordde zijn oproep.(Bilāl) zei: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) roept jou! Beantwoord zijn oproep!”Toen ik bij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) arriveerde, wees hij mij zes kamelen aan die hij had gekocht van Saʿd (ibn ʿUbādah).Hij zei: “Neem deze kamelen en breng ze naar je vrienden. Zeg tegen hen: Allāh of Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft deze kamelen aan jullie gegeven. Rijd op deze kamelen.”Ik ging vervolgens met de kamelen naar mijn vrienden en zei: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft deze kamelen naar jullie gestuurd zodat jullie erop kunnen rijden. Maar bij Allāh, ik zal jullie niet laten vertrekken totdat enkelen van jullie met mij meegaan en zelf van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen wat hij gezegd heeft. Denk niet dat ik woorden toeschrijf aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) die hij niet heeft uitgesproken.”Zij zeiden: “Jij bent in onze ogen iemand op wiens woord wij kunnen vertrouwen.

We zullen doen wat jij wilt.”Daarop vertrok Abū Mūsā met een groep van zijn vrienden en zij kwamen aan bij degenen die ook gehoord hadden dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) de kamelen eerst niet had gegeven, en ze daarna alsnog gaf. Die personen bevestigden exact wat Abū Mūsā aan zijn metgezellen had verteld.

١٠٧٠ - حديث أَبِي مُوسى عَنْ زَهْدَمٍ، قَالَ: كُنَّا عِنْدَ أَبِي مُوسى فَأُتِيَ ذَكَرَ دَجَاجَةً، وَعِنْدَهُ رَجُلٌ مِنْ بَنِي تَيْمِ اللهِ أَحْمَرُ، كَأَنَّهُ مِنَ الْمَوَالِي، فَدَعَاهُ لِلطَّعَام، فَقَال: إِنِّي رَأَيْتُهُ يَأَكُل شَيْئًا فَقَذِرْتُهُ؛ فَحَلَفْتُ لاَ آكلُ فَقَالَ: هَلُمَّ فَلأُحَدِّثْكُمْ عَنْ ذَاك إِنِّي أَتَيْتُ النَبِيَّ ﷺ فِي نَفَرٍ مِنَ الأَشْعَرِيِّينَ نَسْتَحْمِلهُ، فَقَالَ: وَاللهِ لاَ أَحْمِلُكمْ، وَمَا عِنْدِي مَا أَحْمِلُكُمْ وَأُتِيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِنَهْبِ إِبِلٍ، فَسَأَلَ عَنَّا، فَقَالَ: أَيْنَ النَّفَرُ الأَشْعَرِيُّونَ فَأَمَرَ لَنَا بِخَمْسِ ذَوْدٍ، غُرِّ الذُّرَى، فَلَمَّا انْطَلَقْنَا قلْنَا: مَا صَنَعْنَا لاَ يُبَارَكُ لَنَا فَرَجَعْنَا إِلَيْهِ، فَقُلْنَا: إِنَّا سَأَلْنَاكَ أَنْ تَحْمِلَنَا فَحَلَفْتَ أَنْ لاَ تَحْمِلَنَا، أَفَنَسِيتَ قَالَ: لَسْتُ أَنَا حَمَلْتُكُمْ، وَلكِنَّ اللهَ حَمَلَكُمْ، وَإِنِّي وَاللهِ إِنْ شَاءَ اللهُ، لاَ أَحْلِفُ عَلَى يَمِينٍ فَأَرَى غَيْرَهَا خَيْرًا مِنْهَا إِلاَّ أَتَيْتُ الَّذِي هُوَ خَيْرٌ، وَتَحَلَّلْتُهَا1070 - Van Abū Mūsā via Zahdam ibn Mudrib al-Azadî (رضي الله عنهما):Wij waren bij Abū Mūsā en er werd eten met kip aangeboden.

Bij hem was een rood huidkleurig man van de stam Banū Taymullāh, alsof hij tot (een Romeinse) mawālī (bevrijde slaven) behoorde.

Abū Mūsā nodigde hem uit om mee te eten, maar de man zei: ‘Ik heb (deze kip) eens gezien dat het iets at waardoor ik hem onrein vond, en dus heb ik een eed gezworen om geen (kippenvlees) te eten.’Toen zei Abū Mūsā: ‘Kom, dan zal ik jullie (een ḥadīth) vertellen (over de boetedoening van eed):Ik kwam met een groep van de Ash`arī’s naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om hem om rijdieren te vragen.

Hij zei: “Bij Allāh! Ik zal jullie niet vervoeren, en ik heb niets om jullie op te vervoeren (Ik heb geen kameel bij mij om jullie op te laten rijden.).”Daarna werd Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) buitgemaakte kamelen gebracht, en hij vroeg naar ons: “Waar zijn die Ashʿarī’s?”Daarop zijn we gekomen en daarna gaf hij opdracht dat er vijf kamelen (tussen 2 en 9 jaar) aan ons werden toegewezen, witte met heldere voorhoofden.Toen we vertrokken, zeiden we tegen elkaar: “Wat hebben we nu eigenlijk gedaan? Dit zal ons zeker geen zegen brengen.”Dus keerden we terug naar Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zeiden: “Wij hebben u (kamelen) gevraagd ons te vervoeren, en u hebt bij Allāh gezworen ons niet te geven. Bent u het vergeten?”Toen zei hij: “Neen, ik heb jullie (die kamelen) niet gegeven, maar Allāh heeft ze aan jullie gegeven!En bij Allāh, als Allāh het wil, als ik een eed afleg, en ik zie dat iets anders beter is dan wat ik heb gezworen, dan verbreek ik de eed door boetedoening te geven.”

١٠٧١ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ سَمُرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: يَا عَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ سَمُرَةَ لاَ تَسْأَلِ الإِمَارَةَ، فَإِنَّكَ إِنْ أُوتِيْتَهَا عَنْ مَسْئَلَةٍ وكِلْتَ إِلَيْهَا، وَإِنْ أُوتِيْتَهَا مِنْ غَيْرِ مَسْئَلَةٍ أُعِنْتَ عَلَيْهَا، وَإِذَا حَلَفْتَ عَلَى يَمِينٍ فَرَأَيْتَ غَيْرَهَا خَيْرًا مِنْهَا فَكَفِّرْ عَنْ يَمِينِكَ وَأْتِ الَّذِي هُوَ خَيْرٌ1071 – Van ʿAbd ar-Raḥmān ibn Samurah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “O ʿAbd ar-Raḥmān ibn Samurah! Vraag niet om leiderschap. Want als je het krijgt omdat je er zelf om hebt gevraagd, dan word je eraan overgelaten. (Je zult niet de hulp van Allāh ontvangen.) Maar als je het krijgt zonder erom te vragen, dan krijg je hulp (van Allāh).

En wanneer je een eed aflegt en ontdekt dat iets anders beter is dan wat je hebt gezworen, verbreek dan je eed door boetedoening (kaffārah) te geven, en doe wat beter is.”

Uitzondering bij eed (In shā’ Allāh zeggen bij het afleggen van eed)

الاستثناء

١٠٧٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ سُلَيْمَانُ بْنُ دَاوُدَ عَلَيْهِمَا السَّلاَمُ: لأَطُوفَنَّ اللَّيْلَةَ بِمِائَةِ امْرَأَةٍ، تَلِدُ كُلُّ امْرَأَةٍ غُلاَمًا يُقَاتِلُ فِي سَبِيلِ اللهِ فَقَالَ لَهُ الْمَلَكُ: قُلْ إِنْ شَاءَ اللهُ فَلَمْ يَقُلْ، وَنَسِيَ؛ فَأَطَافَ بِهِنَّ، وَلَمْ تَلِدْ مِنْهُنَّ إِلاَّ امْرَأَةٌ نِصْفَ إِنْسَانٍ قَالَ النَبِيُّ ﷺ: لَوْ قَالَ إِنْ شَاءَ اللهُ لَمْ يَحْنَثْ، وَكَانَ أَرْجَى لِحَاجَتِهِ

1072 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Sulaymān ibn Dāwūd (عليهما السلام) zei:” Ik zal vannacht gemeenschap hebben met honderd vrouwen, en ieder vrouw zal een zoon baren die zal strijden op weg van Allāh.”Toen zei de engel tegen hem: “Zeg: In shā’ Allāh (als Allāh het wil).”Hij deed dat echter niet en vergat het te zeggen. Vervolgens had hij gemeenschap met hen, maar geen van hen baarde (een kind) behalve één vrouw, die een kind met een lichamelijke beperking ter wereld bracht.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als hij had gezegd: ‘In shā’ Allāh’, dan zou hij zijn eed niet hebben verbroken en zou zijn wens vermoedelijk zijn vervuld.”

[In de ḥadīth die hierboven en hieronder worden aangehaald, worden bepaalde eigenschappen genoemd die aan Sulaymān (عليه السلام) worden toegeschreven. Deze eigenschappen hebben echter geen normatief of verplichtend karakter voor ons. Zij blijven beperkt tot historische informatie, met als enige duidelijke normatieve les het belang van het uitspreken van “in shā’ Allāh” alvorens men een voornemen uitvoert.

Voor degene die deze overlevering accepteert, houdt zij geen religieuze verplichting in, en voor degene die haar niet aanvaardt, vloeit daar evenmin een religieuze plicht uit voort. Wel geldt dat wie een overlevering verwerpt die via sahīh overleveringsketens is overgeleverd, geacht wordt een authentieke ḥadīth te verwerpen.

Hoewel de inhoud van deze ḥadīth volgens de methodologie van de ḥadīthwetenschap via betrouwbare (sahīh) wegen tot ons is gekomen, hebben sommigen, vanwege vermeende onlogische elementen, diverse bezwaren geuit en zelfs beweerd dat het om een verzinsel zou gaan. Het is echter gevaarlijk om iedere ḥadīth die het menselijke verstand niet volledig kan bevatten, als verzonnen te bestempelen. Wie deze benadering volgt, loopt het risico om op termijn ook andere religieuze voorschriften om dezelfde reden te verwerpen.

Daarom is het passender om bij zogenoemd ‘onlogische’ kwesties niet uitsluitend te beoordelen of iets strookt met ons verstand, maar tevens het verstand zelf kritisch te evalueren: in hoeverre is het menselijk verstand daadwerkelijk in staat om de volledige werkelijkheid te omvatten?

Onder de critici van deze ḥadīth bevindt zich volgens ons Mevdūdī, een van de meer gematigde en oprechte denkers. Uit zijn woorden blijkt dat hij geen bezwaar heeft tegen de betrouwbaarheid van de overlevering als zodanig, maar dat hij meent dat er sprake is van een misvatting bij degenen die de ḥadīth hebben gehoord en overgeleverd. Hij stelt:

“Volgens mij is het zeer aannemelijk dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) dit verhaal heeft verteld als verwijzing naar de joden, of als voorbeeld met een ander doel. Degenen die het hoorden, hebben het verkeerd begrepen en vervolgens doorgegeven alsof het om een daadwerkelijk voorval ging. Men kan zelf nagaan dat in de winter de nacht maximaal tien tot elf uur duurt. Zelfs als Sulaymān (عليه السلام) zestig vrouwen zou hebben gehad en hij er in één uur zonder onderbreking zes zou bezoeken, zou het nog steeds fysiek onmogelijk zijn om in één nacht met al zijn vrouwen gemeenschap te hebben. Ik acht het onwaarschijnlijk dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) een dergelijk onlogisch verhaal als een feitelijke gebeurtenis zou hebben gepresenteerd.” (vgl. Tafhīm al-Qur’ān, toelichting bij vers 35 van sûrah Ṣād)

In de Qur’ān wordt in sûrah Ṣād (38/35) beschreven hoe Sulaimān عليه السلام op de proef werd gesteld, en in vers 35 dat hij zei:.قَالَ رَبِّ ٱغۡفِرۡ لِي وَهَبۡ لِي مُلۡكٗا لَّا يَنۢبَغِي لِأَحَدٖ مِّنۢ بَعۡدِيٓۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡوَهَّابُ ٣٥

Hij zei: “Mijn Rab! Vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat niemand na mij ooit zal bezitten. Waarlijk, U bent Degene Die geeft.”

Echter, wanneer wij, zoals Mevdūdī, deze kwestie uitsluitend benaderen vanuit ons eigen verstand, vertrekken wij reeds vanuit een onjuiste aanname. De persoon over wie geoordeeld wordt, is immers een profeet. Profeten hebben een dubbele hoedanigheid: enerzijds zijn zij mensen zoals wij, maar anderzijds bezitten zij eigenschappen die het gewone menselijke niveau overstijgen. Deze uitzonderlijke kenmerken worden aangeduid als khaṣā’iṣ an-nabī: bijzondere eigenschappen die exclusief aan profeten zijn voorbehouden.

Wanneer er sprake is van een wonder of een uniek aspect dat specifiek aan een profeet toekomt, kan dit niet uitsluitend worden getoetst aan het menselijke verstand. Indien wij dat wél zouden doen, zouden wij ook andere wonderen moeten verwerpen, zoals:

het ogenblikkelijk overbrengen van een troon over een enorme afstand (an-Naml: 40);

het doen ontspringen van water uit een steen door deze te slaan (al-Baqarah: 60);

het veranderen van een staf in een slang die andere slangen verslindt (ash-Shuʿarā: 45; al-Aʿrāf: 117);

het koel worden van vuur voor een mens (al-Anbiyā: 69);

het splijten van de zee en het verdrinken van de vijand (Ṭā Hā: 77–78);

de geboorte van een mens zonder vader (Āl ʿImrān: 47; Maryam: 19–20);

en zelfs het ontstaan van een mens zonder vader én moeder (Āl ʿImrān: 59).

Al deze gebeurtenissen zijn volgens de bekende natuurwetten onmogelijk.

Om dergelijke wonderen te kunnen begrijpen, moet men daarom rekening houden met het bovennatuurlijke en de metafysische dimensie.

Deze voorbeelden zijn ontleend aan een bron die door geen enkele moslim kan worden verworpen: de Qur’ān. Wanneer wij daarnaast de aḥādīth bestuderen, treffen wij eveneens talrijke overleveringen aan waarin wonderen worden vermeld die volgens menselijke maatstaven onvoorstelbaar lijken. Zo wordt over Dāwūd (عليه السلام) overgeleverd dat het reciteren van de Zabūr korter duurde dan het opzadelen van een paard (overgeleverd door al-Bukhārī en Aḥmad ibn Ḥanbal).

Het doel van deze uiteenzetting is niet om zonder onderscheid vreemde of ongebruikelijke verhalen te verdedigen, maar om te wijzen op het belang van een correcte benadering: een benadering die recht doet aan de visie van de vroege geleerden en die rekening houdt met het wonderkarakter van bepaalde gebeurtenissen.

Indien een gebeurtenis in de Qur’ān wordt vermeld, accepteren wij haar, ook wanneer zij ons begrip te boven gaat. Waarom zouden wij diezelfde gebeurtenis dan verwerpen zodra zij via een sahīh ḥadīth is overgeleverd? Dat is geen wetenschappelijke of consistente houding. In dergelijke gevallen is het daarom het meest voorzichtig, wanneer de overlevering authentiek is, om zich te onthouden van een definitief oordeel en het oordeel uit te stellen. Dat is de veiligste en meest evenwichtige benadering. (AFK)

[In het Turks wordt het getal veertig vaak in overdrachtelijke zin gebruikt om een groot aantal aan te duiden. Op vergelijkbare wijze worden in het Arabisch de termen thalāthīn (dertig) en mi’a (honderd) soms ingezet om overvloed of veelheid uit te drukken. Wanneer dergelijke getallen in bepaalde aḥādīth strikt letterlijk worden opgevat, kan dit tot misinterpretaties leiden.Daartegenover staat de uitdrukking “in shā’ Allāh” (als Allāh het wil), een kernformule met een diepe theologische betekenis die nauw samenhangt met geloof, tawḥīd en vertrouwen op Allāh (tawakkul). Door deze woorden uit te spreken, erkent de moslim vanaf het begin dat zowel handelingen als hun uitkomsten volledig onder de macht en beschikking van Allāh vallen.

Daarmee erkent de gelovige zijn eigen beperkingen en toont hij eerbied, nederigheid en overgave aan zijn Rab.Om die reden wordt het als ongepast beschouwd dat een gelovige iets met absolute zekerheid stelt of belooft zonder daarbij “in shā’ Allāh” te zeggen. Een dergelijke houding strookt niet met nederigheid en volledige afhankelijkheid van Allāh.] (Diyanet)

١٠٧٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: قَالَ سُلَيْمَانُ بْنُ دَاوُدَ، لأَطُوفَنَّ اللَّيْلَةَ عَلَى سَبْعِينَ امْرَأَةً، تَحْمِلُ كُلُّ امْرَأَةٍ فَارِسًا يُجَاهِدُ فِي سَبِيلِ اللهِ فَقَالَ لَهُ صَاحِبُهُ، إِنْ شَاءَ اللهُ، فَلَم يَقُلْ، وَلَمْ تَحْمِلْ شَيْئًا إِلاَّ وَاحِدًا سَاقِطًا إِحْدَى شِقَّيْهِ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَوْ قَالَهَا لَجَاهَدُوا فِي سَبِيلِ اللهِ1073 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Sulaymān ibn Dāwūd (عليهما السلام) zei: “Ik zal vannacht gemeenschap hebben met zeventig vrouwen, en ieder vrouw zal een ruiter baren die zal strijden op weg van Allāh.”Zijn metgezel zei tegen hem: “Zeg: In shā’ Allāh.”Maar hij zei het niet, en geen van de vrouwen werd zwanger behalve één die een kind met een lichamelijke beperking ter wereld bracht, waarvan slechts één kant ontwikkeld was.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als hij het had gezegd (In shā’ Allāh), dan zouden zij inderdaad op weg van Allāh hebben gestreden.”

Het verbod op volharding in een eed die ongemak veroorzaakt voor de gezinsleden, terwijl het geen verboden zaak betreft

النهي عن الإصرار على اليمين فيما يتأذى به أهل الحالف مما ليس بحرام

١٠٧٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: وَاللهِ لأَنْ يَلِجَّ أَحَدُكُمْ بِيَمِينِهِ فِي أَهْلِهِ آثَمُ لَهُ عِنْدَ اللهِ مِنْ أَنْ يُعْطِيَ كَفَّارَتَهُ الَّتِي افْتَرَضَ اللهُ عَلَيْهِ

1074 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh!

Wanneer iemand tegenover zijn gezin koppig vasthoudt aan zijn eed, dan is dat zondiger bij Allāh dan wanneer hij de verplichte boetedoening (kaffārah) zou geven die Allāh hem heeft opgelegd.”

[In de ḥadīth wordt bedoeld dat wanneer iemand een eed aflegt ten aanzien van zijn gezin en daardoor zijn gezin benadeelt of iets onthoudt dat hen toekomt, de verantwoordelijkheid en de zonde die op hem rust door deze benadeling groter zijn dan de zonde die ontstaat door het verbreken van de eed en het betalen van de kaffārah (boetedoening).Wanneer iemand zijn eed verbreekt, blijft dat een zaak tussen hem en Allāh. Maar als die eed nadelig is voor anderen, raakt het het recht van die ander (ḥaqq al-ʿabd). Allāh kan bepaalde zonden vergeven die tegen Hem zijn, maar de rechten van andere mensen kunnen alleen worden opgeheven door hun verzoening en hun vergeving.] (AFK)

De gelofte van de ongelovige en wat ermee gebeurt wanneer hij overgaat tot de Islām

نذر الكافر وما يفعل فيه إِذا أسلم

١٠٧٥ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ ﵁، قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّهُ كَانَ عَلَيَّ اعْتِكَافُ يَوْمٍ فِي الْجَاهِلِيَّة، فَأَمَرَهُ أَنْ يَفِيَ بِهِ قَالَ: وَأَصَابَ عُمَرُ جَارِيَتَيْنِ مِنْ سَبْيِ حُنَيْنٍ فَوَضَعَهُمَا فِي بَعْضِ بُيُوتِ مَكَّةَ، قَالَ: فَمَنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى سَبْيِ حُنَيْنٍ، فَجَعَلُوا يَسْعَوْنَ فِي السِّكَكِ؛ فَقَالَ عُمَرُ: يَا عَبْدَ اللهِ انْظُرْ مَا هذَا فَقَالَ: مَنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَى السَّبْيِ، قَالَ: اذْهَبْ فَأَرْسِلِ الْجَارِيَتَيْنِ

1075 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه) zei: “O Rasūlullāh! In de tijd van de jāhiliyyah had ik de gelofte gedaan om één dag in iʿtikāf te gaan (in Masjid al Harâm) (Moet ik mijn gelofte nakomen)?.”

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval hem om zijn gelofte na te komen.

Daarna ontving ʿUmar twee slavinnen uit de krijgsbuit van Ḥunayn en plaatste hen in een van zijn huizen in Makkah. (Kort daarna) schonk Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) (alle) krijgsgevangenen van Ḥunayn hun vrijheid, waarna zij vrij rondliepen in de straten.

ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “O ʿAbdullāh, kijk eens wat hier aan de hand is!”

Hij antwoordde: “Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de krijgsgevangenen vrijgelaten.”

Daarop zei hij: “Ga en laat de twee slavinnen ook vrij!”

[Volgens de overlevering van Ibn ʿUyaynah zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Ik vroeg: Wat is dit voor een drukte?”Ze zeiden: “De gevangenen zijn moslim geworden, en daarom heeft Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) hen allemaal vrijgelaten.” Daarop zei ik tegen mijn zoon ʿAbdullāh: ‘Bevrijd jij dan ook de slavinnen.’ (HY)

Verzwarende maatregelen tegen degene die zijn slaaf van overspel beschuldigt

التغليظ على من قذف مملوكه بالزنا

١٠٧٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ أَبَا الْقَاسِمِ ﷺ يَقُولُ: مَنْ قَذَفَ مَمْلُوكَهُ، وَهُوَ بَرِيءٌ مِمَّا قَالَ، جُلِدَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، إِلاَّ أَنْ يَكُونَ كَمَا قَالَ

1076 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Ik hoorde dan Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zijn slaaf (valselijk ) beschuldigt van overspel, terwijl hij onschuldig is aan die beschuldiging, zal op de Dag der Opstanding gestraft worden (met de straf die voor overspel geldt), tenzij (beschuldiging) daadwerkelijk waar blijkt te zijn.”

Het voeden van de slaaf met wat men zelf eet, hem kleden met wat men zelf draagt, en hem niet belasten met iets (taken of verplichtingen) dat hem boven zijn vermogen gaat

إطعام المملوك مما يأكل وإِلباسه مما يلبس ولا يكلفه ما يغلبه

١٠٧٧ - حديث أَبِي ذَرٍّ عَنِ الْمَعْرُورِ، قَالَ: لَقِيتُ أَبَا ذَرٍّ بِالرَّبَذَةِ، وَعَلَيْهِ حُلَّةٌ وَعَلَى غُلاَمِهِ حُلَّةٌ، فَسَأَلْتُهُ عَنْ ذلِكَ، فَقَالَ: إِنِّي سَابَبْتُ رَجُلًا فَعَيَّرْتُهُ بِأُمِّهِ، فَقَالَ لِيَ النَّبِيُّ ﷺ: يَا أَبَا ذَرٍّ أَعَيَّرْتَهُ بِأُمِّهِ إِنَّكَ امْرُؤٌ فِيكَ جَاهِلِيَّةٌ، إِخْوَانُكُمْ خَوَلُكُمْ جَعَلَهُمُ اللهُ تَحْتَ أَيْدِيكُمْ، فَمَنْ كَانَ أَخُوهُ تَحْتَ يَدِهِ فَلْيُطْعِمْهُ مِمَّا يَأْكُلُ، وَلْيُلْبِسْهُ مِمَّا يَلْبَسُ، وَلاَ تُكَلِّفُوهُمْ مَا يَغْلِبُهُمْ، فَإِنْ كَلَّفْتُمُوهُمْ فَأَعِينُوهُمْ

1077 – Van Abū Dzar (رضي الله عنه), via al-Maʿrūr:

Al-Maʿrūr zei: “Ik ontmoette Abū Dzar in het dorp ar-Rabadhah. Hij droeg een gewaad, en ook zijn slaaf droeg een gewaad.Ik vroeg hem naar de reden, waarop hij zei: ‘Ik heb eens een man beledigd en hem beschimpt vanwege zijn moeder.Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen mij: “O Abū Dzar, heb je hem beledigd vanwege zijn moeder? Voorwaar, er zit nog iets van de jāhiliyyah in jou.

Jullie broeders zijn jullie dienaren; Allāh heeft hen onder jullie gezag geplaatst. Dus wie zijn broeder onder zijn gezag heeft, laat hem te eten van wat hij zelf eet, en hem kleden met wat hij zelf draagt. En belast hem niet met wat zijn vermogen te boven gaat. En als je hem toch iets (een taak of verplichting) opdraagt die te zwaar voor hem is, help hem dan.”

[Het dorp ar-Rabadhah is een plaats tussen Makkah en Madīnah.

Het begaan van elke zonde die voortkomt uit het nalaten van een verplichting (wājib) of het verrichten van verboden daden (ḥarām), wordt beschouwd als gedrag uit de tijd van de jāhiliyyah.

Wanneer zonden met “kufr” (ongeloof) worden aangeduid, moet dit niet worden opgevat als verwerpend ongeloof, maar veeleer in figuurlijke zin, namelijk als ondankbaarheid tegenover een gunst..

In tegenstelling tot de Khārijieten, die mensen vanwege het begaan van zonden als ongelovig (kāfir) bestempelen, wordt hier duidelijk gemaakt dat de bedoelde “kufr” niet uit het geloof doet treden. De volgende āyah is een weerlegging van hun opvattingen:

إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَغۡفِرُ أَن يُشۡرَكَ بِهِۦ وَيَغۡفِرُ مَا دُونَ ذَٰلِكَ لِمَن يَشَآءُۚ وَمَن يُشۡرِكۡ بِٱللَّهِ فَقَدِ ٱفۡتَرَىٰٓ إِثۡمًا عَظِيمًا ٤٨

Waarlijk, Allāh vergeeft het niet als er met Hem deelgenoten worden aanbeden, maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil, en iedereen die Allāh deelgenoten toekent, heeft zeker een afschuwelijke zonde begaan. (An-Nisā’ 4:48)

Dat wil zeggen: zonden die geen shirk (afgoderij) zijn, kunnen door Allāh vergeven worden.

Met “shirk” in deze context wordt ongeloof (kufr) bedoeld.

Want wie de profeetschap van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) ontkent, is een ongelovige, zelfs al pleegt hij geen afgoderij jegens Allāh.

Ibn Baṭṭāl zei: “De bedoeling van Imām al-Bukhārī hier is om de opvattingen van sektes zoals de Khārijieten, die mensen vanwege zonden tot ongelovigen verklaren (takfīr), te weerleggen.”

Hij voegde daaraan toe: “Wie sterft terwijl hij shirk heeft begaan, zal voor eeuwig in de Hel verblijven.”

Het genoemde vers van Allāh weerlegt deze extremistische visie, want in passage “maar daarnaast vergeeft Hij wat Hij wil” wordt duidelijk dat zonden die geen shirk zijn, vergeven kunnen worden.] (HY)

١٠٧٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أَتَى أَحَدَكُمْ خَادِمُهُ بِطَعَامِهِ، فَإِنْ لَمْ يُجْلِسْهُ مَعَهُ فَلْيُنَاوِلْهُ أُكْلَةً أَوْ أُكْلَتَيْنِ، أَوْ لُقْمَةً أَوْ لُقْمَتَيْنِ، فَإِنَّهُ وَلِيَ حَرَّهُ وَعِلاَجَهُ

1078 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer jullie dienaar het eten heeft bereid en het bij jullie opdient, maar jullie hem niet aan tafel laten zitten, geef hem dan een of twee happen van het eten. Hij heeft immers de hitte en de inspanning van het bereiden van het voedsel verdragen.”

De beloning en het loon van de slaaf wanneer hij zijn meester oprecht raad geeft en de aanbidding van Allāh goed verricht

ثواب العبد وأجره إِذا نصح لسيده وأحسن عبادة الله

١٠٧٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْعَبْدُ إِذَا نَصَحَ سَيِّدَهُ وَأَحْسَنَ عِبَادَةَ رَبِّهِ، كَانَ لَهُ أَجْرُهُ مَرَّتَيْنِ

1079 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een slaaf oprecht is tegenover zijn meester (m.a.w. hij is op een nette manier met zijn werk bezig, berokkent hem geen schade en pleegt ook geen bedrog) en zijn aanbidding van zijn Rab goed verricht, ontvangt hij zijn beloning in tweevoud.”

١٠٨٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولَ اللهِ ﷺ لِلْعَبْدِ الْمَمْلُوكِ الصَّالِحِ أَجْرَانِ وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ، لَوْلاَ الْجِهَادُ فِي سَبِيلِ اللهِ وَالْحَجُّ وَبِرُّ أُمِّي، لأَحْبَبْتُ أَنْ أَمُوتَ وَأَنَا مَمْلوكٌ

1080 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De vrome, rechtvaardige slaaf ontvangt een dubbele beloning. (En Abū Hurayrah zei:) Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel is, als de strijd op weg van Allāh, de Ḥaj en de goede behandeling van mijn moeder er niet waren geweest, dan zou ik er zeker voor hebben gekozen om als slaaf te sterven.”

١٠٨١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: نِعْمَ مَا لأَحَدِهِمْ يُحْسِنُ عِبَادَةَ رَبِّهِ، وَيَنْصَحُ لِسَيِّدِهِ1081 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wat een voortreffelijke slaaf is degene die zijn Rab op een goed manier aanbidt en oprecht is tegenover zijn meester.”

Aandeel in een slaaf vrijkopen

من أعتق شركًا له في عبد

١٠٨٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَعْتَقَ شِرْكًا لَهُ فِي عَبْدٍ، فَكَانَ لَهُ مَالٌ يَبْلُغُ ثَمَنَ الْعَبْدِ، قُوِّمَ الْعَبْدُ قِيمَةَ عَدْلٍ، فَأَعْطَى شُرَكَاءَهُ حِصَصَهُمْ وَعَتَقَ عَلَيْهِ، وَإِلاَّ فَقَدْ عَتَقَ مِنْهُ مَا عَتَقَ

1082 Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie mede-eigenaar is van een slaaf en zijn deel wil vrijkopen:Als hij voldoende geld heeft om de volledige waarde van de slaaf te betalen, wordt de slaaf voor een eerlijke prijs geschat. Hij betaalt vervolgens zijn deelgenoten hun aandeel en de slaaf wordt volledig vrij. Maar als hij het volledige bedrag niet kan betalen, wordt alleen het deel dat hij daadwerkelijk vrijkoopt bevrijd.”

١٠٨٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَعْتَقَ شَقِيصًا مِنْ مَمْلُوكِهِ، فَعَلَيْهِ خَلاَصُهُ فِي مَالِهِ؛ فَإِنْ لَمْ يَكُنْ لَهُ مَالٌ قُوِّمَ الْمَمْلُوكُ قِيمَةَ عَدْلٍ ثُمَّ اسْتُسْعِيَ غَيْرَ مَشْقُوقٍ عَلَيْهِ1083 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een deel (bijvoorbeeld de helft) van zijn slaaf vrijlaat, moet het resterende deel uit zijn eigen bezit vrijkopen. Als hij daar niet over beschikt, dan wordt de slaaf tegen een eerlijke prijs geschat. Vervolgens mag hij het resterende bedrag door arbeid terugverdienen, zonder dat dit hem (de slaaf) onrecht aandoet.”

De toegestane mudabbar (slaven)verkoop

جواز بيع المدبر

١٠٨٤ - حديث جَابِرٍ، أَنَّ رَجُلًا مِنَ الأَنْصَارِ دَبَّرَ مَمْلُوكًا لَهُ، وَلَمْ يَكُنْ لَهُ مَالٌ غَيْرُهُ، فَبَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: مَنْ يَشْتَرِيهِ مِنِّي فَاشْتَرَاهُ نعَيْمُ بْنُ النَّحَّامِ بِثَمَانِمِائَةِ دِرْهَمٍ

1084 Van Jābir (رضي الله عنه):Een man uit de Anṣār had een slaaf waarvan hij bepaald had dat deze na zijn dood vrij zou zijn (muddabir), terwijl hij geen ander bezit had dan hem (de slaaf). Toen (de armoede van deze sahabî) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ter ore kwam, (kocht hij deze slaaf) en zei: ‘Wie wil deze slaaf van mij kopen?’De slaaf werd gekocht door Nuʿaym ibn an-Naḥḥām voor (een prijs van) 800 dirham.(an-Nabī gaf de opbrengst van de verkoop aan de arme sahab). Over deze slaaf zei ʿAmr ibn Dīnār: 'Ik hoorde Jābir zeggen: “Een Egyptische slaaf die vorig jaar is overleden.'