As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabu’l bir wa’s silah wa’l ādāb: Het boek van goedheid (bir), familiale banden (ṣilah ar-raḥim) en etiquette (ādāb)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabu’l bir wa’s silah wa’l ādāb: Het boek van goedheid (bir), familiale banden (ṣilah ar-raḥim) en etiquette (ādāb)

[Het woord bir betekent goedheid, goed gedrag. Bir wordt gebruikt in de zin dat moslims zowel onderling als tegenover de niet-moslims op een rechtvaardige en goede manier behandelen. Daarnaast omvat bir ook alle vrome daden die een moslim verricht in de vervulling van zijn verplichtingen tegenover Allah. Bir is de essentie van taqwā (godsvrucht).

Bir betekent dat je gehoorzaamt aan Allah en je bewust bent van Zijn voortdurende waakzaamheid. Het gaat erom dat je gedachten, bewustzijn, handelingen en de toewending tot Allah allemaal in harmonie zijn. Wanneer de innerlijke overtuiging die heerst over het geweten van het individu en de gemeenschap samenkomt met de daden die het leven van het individu en de gemeenschap ordenen, en dit alles binnen de maatstaven van de Islam, wordt bir verwezenlijkt

Want de Qur’ān legt over het algemeen nadruk op rechtvaardigheid en liefde in het maatschappelijk leven. Met andere woorden, rechtvaardig handelen en liefde tonen aan anderen is een gebod van de Qur’ān. Dit is een uitgebreide, ruime en blijvende betekenis van bir.

Silāh ar-raḥim betekent het bezoeken van familie en naasten, informeren naar hun toestand, gezondheid en welzijn, en hun harten winnen. Silā is een term uit de islamitische ethiek. In de Islām wordt veel belang gehecht aan relaties tussen mensen, en met name het beginsel om te beginnen bij de naasten: het bezoeken en zorgen voor ouders, en vervolgens andere familieleden, wordt als uiterst belangrijk beschouwd.

Adāb betekent ethiek, opvoeding en beleefdheidsregels. Adāb omvat de mooie woorden en gedragingen die de Islām waardeert, zoals iemand uitnodigen voor een maaltijd of bijeenkomst. In deze zin betekent ādāb alle verfijning, elegantie en goede manieren die van een persoon worden verwacht.

Adāb is een diepgewortelde kracht van de ziel die de mens beschermt tegen oorzaken van kritiek en beschuldiging. Men onderscheidt twee soorten: Nafsī ādāb en Darsī ādāb. Het eerste is aangeboren etiquette, zoals het vermijden van ongeduldi en woede, en het tweede wordt later verworven en wordt ook wel “Makārim al-akhlāq” (mooi gedrag) genoemd.] (HA)

Goedheid jegens de ouders en dat zij dit verdienenبِرِّ الوَالِدَيْنِ وَأَنَّهُمَا أَحَقُّ بِهِ

١٦٥٢ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى رَسُولِ الله ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ الله!

مَنْ أَحَقُّ بِحُسْنِ صَحَابَتِي؟ قَالَ: «أُمُّكَ» قَالَ: ثُمَّ مَنْ؟ قَالَ: «أُمُّكَ» قَالَ: ثُمَّ مَنْ؟ قَالَ: «أُمُّكَ» قَالَ: ثُمَّ مَنْ؟ قَالَ «ثُمَّ أَبُوكَ» .

1652 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):

Een man kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “O Rasûlullāh ! Wie is het meest waard om goed behandeld te worden?”

“Je moeder”, antwoordde hij.

De man vroeg: “En daarna?”

“Je moeder”, antwoordde hij.

De man vroeg (opnieuw): “En daarna?”

“Je moeder,” antwoordde hij.

De man vroeg (nogmaals): “En daarna?”

“Je vader”, antwoordde hij.

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aangegeven dat wie het meest waard is om goed behandeld te worden, de moeder is. Hij heeft zelfs benadrukt dat zij dit goede gedrag drie keer meer verdient dan de vader. Dit komt doordat de moeder, in vergelijking met de vader, drie zware taken op zich neemt: zij draagt het kind in haar buik, brengt het ter wereld en zoogt het. Daarnaast blijft zij niet achter bij de vader als het gaat om de opvoeding en de zorg voor het kind. Om deze en soortgelijke redenen verdient de moeder meer respect, goedheid en eerbetoon van haar kind.] (HY)[In deze ḥadīth wordt de positie van de vader na die van de moeder geplaatst. Dit betekent echter niet dat de vader minder belangrijk is dan de moeder. In een andere ḥadīth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Geen enkel kind kan de rechten van zijn vader volledig vervullen, behalve als hij hem als slaaf vindt en hem vrijkoopt,” (Muslim, Abû Dâwûd, en Ibni Mâjah). Hoewel de uitspraak in de ḥadīth wellicht niet algemeen van toepassing is, kan de situatie anders zijn voor iemand wiens vader een uiterst goede persoon is, maar wiens moeder zeer slecht is.](AFK)

[De Islām hecht groot belang aan het gezin. De fundamentele onderdelen van een gezin zijn de moeder, de vader en de kinderen. Tussen de gezinsleden bestaan wederzijdse rechten.

Binnen het gezin heeft, vanuit het perspectief van het kind, de moeder het grootste recht. Want degene die het meest voor het kind zorgt, is de moeder. Vanaf het moment dat zij zwanger wordt, ondergaat zij verschillende moeilijkheden in verband met het kind; tijdens de bevalling kan haar leven zelfs in gevaar komen. Na de bevalling houdt zij zich liefdevol bezig met het zogen, aankleden, schoonhouden en opvoeden van het kind. Het is onmogelijk dat een kind deze diensten van zijn moeder met materiële middelen zou kunnen vergoeden. Het enige wat hij kan doen, is zich bewust zijn van het moederschap dat zijn moeder hem heeft geschonken en dankbaarheid tonen. Natuurlijk heeft de vader ook rechten over het kind, want meestal is hij degene die de noodzakelijke opofferingen doet om in de materiële behoeften te voorzien. Daarom benadrukt de Islām dat het kind liefde en respect moet tonen tegenover zijn moeder en vader.] (HA)

١٦٥٣ - حَديثُ عَبْدِ الله بْنِ عَمْرٍو ﵄، قَالَ: جاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَاسْتَأْذَنَهُ فِي الجِهَادِ. فَقَالَ: «أَحَيُّ وَالِدَاكَ؟» قَالَ: نَعَمْ. قَالَ «فَفِيهِمَا فَجَاهِدْ»1653 - Van `Abdullah Ibn ‘Amr (رضي الله عنهما):

Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg zijn toestemming om deel te nemen aan de jihād.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem: “Leven je ouders nog?”

De man antwoordde: “Ja.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Span je dan in (om hun tevredenheid te verdienen).”

[Dat het voor iemand die aan de jihād wil deelnemen vereist wordt dat zijn ouders ermee instemmen, versterkt de mogelijkheid dat deze jihād geen algemene jihād is die voor iedereen verplicht is, maar eerder een militaire eenheid van vrijwilligers.

De rangorde van de deugd tussen de ouders en de jihād verandert afhankelijk van de gebeurtenissen, de omstandigheden en of de jihād verplicht (fard) dan wel vrijwillig (nafilah) is.] (HA)

Het voorrang geven aan goedheid tegenover de ouders boven vrijwillige daden zoals de ṣalāh en andere aanbiddingen

تَقْدِيم بِرِّ الوالِدَيْنِ عَلَى التَّطَوُّعِ بِالصَّلاَةِ وَغَيْرِهَا

١٦٥٤ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «لَمْ يَتَكَلَّمْ فِي المَهْدِ إِلاَّ ثَلاَثَةٌ: عِيساى.

وَكَانَ فِي بَنِي إِسْرَائيلَ رَجُلٌ يُقَالُ لَهُ: جُرَيْجٌ، كَانَ يُصَلِّي. جَاءَتْهُ أُمُّهُ فَدَعَتْه، فَقَالَ: أُجِيبُهَا أَوْ أُصلِّي؟ فَقَالَتْ: اللهُمَّ! لاَ تُمِتْهُ حَتَّى تُرِيَهُ وُجُوهَ المُومِسَاتِ. وَكَانَ جُرَيْجٌ فِي صَوْمَعَتِهِ، فَتَعَرَّضَتْ لَهُ امْرَأَةٌ، وَكَلَّمَتْهُ، فَأَبى. فَأَتَتْ رَاعِيًا، فَأَمْكَنَتْهُ مِنْ نَفْسِهَا، فَوَلَدَتْ غُلاَمًا. فَقَالَتْ: مِنْ جُرَيْجٍ. فَأَتَوْهُ فَكَسَرُوا صَوْمَعَتَهُ، وَأَنْزَلُوهُ، وَسَبُّوهُ. فَتَوَضَّأَ وَصَلُّى. ثُمَّ أَتى الغُلاَمَ. فَقَالَ: مَنْ أَبُوكَ يَا غُلاَمُ؟ قَالَ: الرَّاعِي. قَالوا: نَبْنِي صَوْمَعَتَكَ مِنْ ذَهَبٍ. قَالَ: لاَ. إِلاَّ مِنْ طِينٍ.

وَكَانَتِ امْرَأَة تُرضِعُ ابْنًا لَهَا، مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ. فَمَرَّ بِهَا رَجُلٌ رَكِبٌ ذو شَارَةٍ. فَقَالَت: اللهُمَّ! اجْعَلِ ابْنِي مِثْلَهُ. فَتَرَكَ ثَدْيَهَا وَأَقْبَلَ عَلَى الرَّاكِبِ، فَقَالَ: اللهُمَّ!

لاَ تَجْعَلْنِي مِثْلَهُ. ثُمَّ أَقْبَل عَلَى ثَدْيِهَا يَمَصُّهُ» .

قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: كَأَنِّي أَنْظر إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، يَمَصُّ إِصْبَعَهُ.

«ثمَّ مُرَّ بِأَمَةٍ. فَقَالَتْ: اللهُمَّ! لاَ تَجْعَلِ ابْنِي مِثْلَ هاذِهِ. فَتَركَ ثَدْيَهَا، فَقَالَ: اللهُمَّ! اجْعَلْنِي مِثْلَهَا فَقَالَتْ: لِمَ ذَاكَ؟ فَقَالَ: الرَّاكِبُ جَبَّارٌ مِنَ الجَبَابِرَةِ. وَهاذِهِ الأَمَةُ، يَقُولُونَ: سَرَقْتِ، زَنَيْتِ. وَلَمْ تَفْعَلْ» .

1654 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Slechts drie personen hebben als baby in de wieg gesproken: (de eerste is) ‘Isa (عليه السلام), en (het tweede kind is in het verhaal van hieronder)

Er was een man onder Banī Isrā`īl genaamd Jurayj. (Hij was toegewijd aan zijn salāh). Op een dag kwam zijn moeder naar hem toe en riep hem terwijl hij de salāh verrichtte. Hij dacht bij zichzelf: 'Moet ik op haar reageren of mijn salāh voortzetten?' Hij koos ervoor om door te gaan met salāh.

Zijn moeder werd boos en zei: “O Allāh! Laat hem niet sterven voordat hij het gezicht van de verdorven vrouwen ziet.”

Jurayj leefde in zijn kluizenaarsverblijf. Op een dag kwam een vrouw naar hem toe en probeerde hem te verleiden, maar hij weigerde. Vervolgens ging deze vrouw naar een herder, had gemeenschap met hem en baarde een zoon.

Ze beweerde: “Dit kind is van Jurayj.”

De mensen gingen naar hem toe, sloopten zijn kluizenaarsverblijf, sleepten hem naar beneden en begonnen hem uit te schelden. Jurayj vroeg om wudû' te mogen verrichten en vervolgens de salāh. Daarna ging hij naar de baby toe en vroeg: “Wie is jouw vader, o jongen?”

De baby antwoordde: “De herder.”

De mensen waren verbaasd en zeiden: “Wij zullen je kluizenaarsverblijf herbouwen met goud!”

Maar hij antwoordde: “Nee, (bouw het) alleen van klei (zoals het hiervoor was).”

(Het derde baby dat in de wieg sprak is:) Er was eens een vrouw onder Banī Isrā`īl die haar zoontje borstvoeding gaf. Een man/ruiter met een imposante uitstraling reed voorbij. De vrouw zei: “O Allāh! Maak mijn zoon zoals hij.”

De baby stopte met drinken, keek naar de man/ruiter en zei: “O Allāh! Maak mij niet zoals hij.” Vervolgens keek hij naar zijn moeder en dronk verder.

Abû Hurayrah zei: “Het is alsof ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn vinger zie zuigen (toen hij dit vertelde).”

Daarna kwam er een slavin langs. De moeder zei: “O Allāh! Maak mijn zoon niet zoals haar.”

De baby stopte weer met drinken en zei: “O Allāh! Maak mij zoals haar.”

De moeder vroeg verbaasd: “Waarom zei je dat?”

De baby antwoordde: “Die man was een tiran onder de tirannen. En deze vrouw wordt vals beschuldigd van diefstal en overspel, terwijl ze (onschuldig is en) niets verkeerds heeft gedaan. (Ze was iemand met een goed karakter/gedrag).”

Het onderhouden van de familiebanden (ṣilah ar-raḥim) en het verbod op het verbreken daarvanصِلَةِ الرِّحِمِ وَتَحْرِيمِ قَطِيعَتِهَا

١٦٥٥ - حَديثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «خَلَقَ الله الخَلْقَ.

فَلَمَّا فَرَغَ منْهُ، قَامَتِ الرَّحِمُ، فَأَخَذَتْ بِحَقُوِ الرَّحْمانِ، فَقَالَ لَهُ: مَهْ. قَالَتْ: هاذَا مَقَامُ العَائِذِ بِكَ مِنَ القَطِيعَةِ. قَالَ: أَلارَ تَرْضَيْنَ أَنْ أَصِلَ مَنْ وَصَلَكِ، وَأَقْطَعَ مَنْ قَطَعَكِ؟ قَالَتْ: بَلعى يَا رَبِّ! قَالَ: فَذَاكِ» .

قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: اقْرَؤُوا إِن شِئْتُمْ ﴿فَهَلْ عَسَيْتُمْ إِنْ تَوَلَّيْتُمْ أَنْ تُفْسِدُوا فِي الأَرْضِ وَتُقَطِّعُوا أَرْحَامَكُمْ1655 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft de schepping geschapen. Toen Hij hiermee klaar was, stond de familieband (ṣilah ar-raḥim) op en zij bleef volhardend bij ar-Rahmān (de Meest Barmhartige).

Allāh zei tegen haar: 'Wat is er?'

Zij antwoordde: 'Dit is de plaats van degene die bij U bescherming zoekt tegen de verbreking (van de familiebanden).'

Allāh zei: ‘Ben je ermee tevreden dat Ik Mijn band behoud met degenen die jou kent en familieband in stand houdt, en dat Ik Mijn band verbreek met degene die de familieband met jou verbreekt?’

Zij antwoordde: 'Ja, mijn Rab!'

Allāh zei: 'Dan is dat zo.'“

Abû Hurayrah zei: “Lees, als jullie willen, het volgende vers:فَهَلۡ عَسَيۡتُمۡ إِن تَوَلَّيۡتُمۡ أَن تُفۡسِدُواْ فِي ٱلۡأَرۡضِ وَتُقَطِّعُوٓاْ أَرۡحَامَكُمۡ ٢٢

Zouden jullie dan, als jullie je afwenden onheil in het land verrichten en de familiebanden geweld aandoen/verbreken? (Surah Muhammad, 47/22)”

١٦٥٦ - حدِيثُ جُبَيْرِ بْنِ مُطْعِم، أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: «لاَ يَدْخُلُ الجَنَةَ قَاطِعٌ» 1656 – Van Jubayr ibn Mut`im (رضي الله عنه):

Hij hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Degene die de familiebanden (goedheid en vrijgevigheid tegenover zijn familie) verbreekt, zal het Paradijs niet binnengaan.”

[De uitdrukking “zal het Paradijs niet binnengaan” wordt op verschillende manieren verklaard. Degene die het onderhouden van familiebanden volledig afwijst en ontkent, ontkent een essentieel principe van de Islām en valt daardoor in ongeloof, waardoor hij het Paradijs niet zal binnengaan. Of degene die de familiebanden verbreekt, is in ieder geval zondig en zal daardoor niet direct het Paradijs binnengaan. Er wordt ook verklaard dat degene die de familiebanden verbreekt, niet het recht heeft om tot de groep te behoren die zonder ondervraging het Paradijs binnengaat. Echter, er zijn enkele situaties waarin het verbreken van de familiebanden gerechtvaardigd kan zijn en buiten deze verklaringen vallen.] (AFK)

١٦٥٧ - حَدِيثُ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ الله ﷺ يَقُولُ: مَنْ سَرَّهُ أَنْ يُبْسَطَ لَهُ رِزْقُهُ، أَو يُنْسَأَ لَهُ فِي أَثَرِهِ، فَلْيَصِلْ رَحِمَهُ»1657 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Wie graag wil dat zijn voorziening (rizq) wordt verruimd en zijn leven wordt verlengd, laat hem dan de familiebanden onderhouden.”

[Goedheid tegenover familie wordt uitgedrukt door het bezoeken van hen, het bieden van materiële en immateriële hulp, en door het geven van de salām, en andere goede gedragingen.] (HY)

[De ḥadīth duidt erop dat het onderhouden van familiebanden (ṣilah ar-raḥim) de voorziening (rizq) vermeerdert en de levensduur verlengt. Hier rijst onmiddellijk de bekende vraag: de tijd die Allah voor iemands leven heeft bepaald (ajāl) en de voorzieningen (rizq) zijn immers door Allah vastgesteld, zij nemen noch toe en noch af. Want Allah zegt:

قُل لَّآ أَمۡلِكُ لِنَفۡسِي ضَرّٗا وَلَا نَفۡعًا إِلَّا مَا شَآءَ ٱللَّهُۗ لِكُلِّ أُمَّةٍ أَجَلٌۚ إِذَا جَآءَ أَجَلُهُمۡ فَلَا يَسۡتَـٔۡخِرُونَ سَاعَةٗ وَلَا يَسۡتَقۡدِمُونَ ٤٩

Zeg (O Mohammed): “Ik heb voor mijzelf geen macht om schade te voorkomen, noch om iets van nut te verkrijgen, behalve wat Allah wil. Voor elke gemeenschap is er een vastgestelde termijn; als die termijn bereikt is, kan geen uur het vertragen, nog een uur kan het bespoedigen. (Sūrah Yūnus, 10:49)

De geleerden hebben op deze vraag op verschillende manieren geantwoord, maar de meest juiste opvatting is de volgende: Het langer worden van de levensduur betekent dat iemands leven gezegend wordt (met barakah) en dat hij door Allah in staat wordt gesteld om veel goede daden te verrichten. Zo kan iemand in een korte levensduur goede daden verrichten die anderen niet hebben kunnen doen in hun lange leven, alsof hij langer had geleefd. Imām an-Nawawī heeft verklaard dat dit de meest juiste en solide opvatting is.] (HA)

Het verbod op jaloezie, haat en het zich van elkaar afkerenالنَّهْيِ عَنِ التَّحَاسُدِ وَالتَّبَاغُضِ وَالتَّدَابُرِ

١٦٥٨ - حَدِيثُ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ الله ﷺ قَالَ: «لاَ تَبَاغَضُوا، وَلاَ تَحَاسَدُوا، وَلاَ تَدَابَرُوا. وَكُونُوا عِبَادَ الله إِخْوَانًا. وَلاَ يَحِلُّ لِمُسْلِمٍ أَنْ يَهْجُرَ أَخَاهُ فَوْقَ ثَلاَثَةِ أَيَّامٍ»

1658 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees niet hatelijk tegenover elkaar, benijd elkaar niet en keer elkaar niet de rug toe/laat elkaar niet in de steek. O dienaren van Allāh, wees broeders/zusters van elkaar. Het is een moslim niet toegestaan om zijn broeder/zuster langer dan drie dagen te negeren (alle vormen van contact met hem/haar te verbreken en hem/haar te verlaten).”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het de moslims verboden om langer dan drie dagen met elkaar in onmin (ruzies of wrok) te blijven. Uit de betekenis van de ḥadīth blijkt echter dat het toegestaan (mubāḥ) is om tot drie dagen afstand te houden. Een tijdelijk verwijdering tot drie dagen wordt dus vergeven.

Boosheid en woede maken deel uit van de menselijke natuur. Daarom is er voor deze korte periode van drie dagen ruimte gegeven, zodat iemand kan kalmeren en tot rust kan komen.

Het soort wrok dat verboden is, houdt in: elkaar niet salām geven wanneer men elkaar tegenkomt, niet praten en geen enkele vorm van contact of aandacht tonen.

Tegenover een ongelovige (kāfir) is geen bepaalde tijdsduur voor het verbreken van het contact. Toch is het toegestaan om de band met iemand te verbreken wanneer dit noodzakelijk is om het geloof te beschermen of om een wettige reden.

Bijvoorbeeld: men mag tijdelijk afstand nemen van iemand die zich verzet tegen de shar‘ī voorschriften, om hem ertoe aan te zetten hiervan af te zien.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had het de mensen verboden om gedurende vijftig dagen met Ka‘b ibn Mālik (رضي الله عنه) en zijn twee metgezellen, die niet deelnamen aan de expeditie van Tabūk, te spreken.] (HA)

Het verbod om langer dan drie dagen boos te blijven zonder een religieus rechtvaardigde reden

تحريم الهَجْرِ فَوْقَ ثَلاَث بِلاَ عُذْرٍ شَرْعِيِّ

١٦٥٩ - حَدِيثُ أَبِي أَيُّوبَ الأَنْصَارِيِّ، أَنَّ رَسُولَ الله ﷺ قَالَ: «لاَ يَحِل لِرَجُلٍ أَنْ يَهْجُرَ أَخَاهُ فَوْقَ ثَلاَثِ لَيَالٍ. يَلْتَقِيَانِ، فَيُعْرِضُ هاذَا، وَيُعْرِضُ ها وَخَيْرُهُمَا الَّذِي يَبْدَأُ بِالسَّلاَمِ»

1659 – Van Abû Ayyub al-Ansārie (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is niet toegestaan voor iemand om zijn broeder langer dan drie nachten te negeren (alle vormen van contact met hem te verbreken en hem te verlaten). Ze ontmoeten elkaar, en de een wendt zich af van de ander, en de ander wendt zich ook af. De beste van hen is degene die begint met het geven van de salām.”

Het verbod op achterdocht, bespioneren, wedijveren, kunstmatig opdrijven (van prijzen) en dergelijkeتَحْرِيمِ الظَّنِّ وَالتَّجَسِّسِ والتَّنَافُسِ والتَّنَاجُشِ وَنَحْوِهَا

١٦٦٠ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَن رَسُولَ الله ﷺ قَالَ: «إِيَّاكُمْ وَالظَّنَّ، فَإِنَّ الظَّنَّ أَكْذَبُ الْحَدِيثِ. وَلاَ تَحَسَّسُوا، وَلاَ تَجَسَّسُوا، وَلاَ تَنَاجَشُوا، وَلاَ تَحَاسَدُوا، وَلاَ تَبَاغُضُوا، وَلاَ تَدَابَرُوا. وَكُونوا عِبَادَ الله إِخْوَانًا»

1660 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees op je hoede voor vermoedens (zan), want vermoedens zijn de grootste leugen onder de woorden. Probeer niet de gesprekken van iemand af te luisteren, onderzoek de geheime zaken van mensen niet, verhoog de prijs van een product niet dat je niet zult kopen om de koper schade te berokkenen, wees niet jaloers op elkaar, haat elkaar niet, en keer elkaar niet de rug toe.

O dienaren van Allāh, wees broeders/zusters voor elkaar!”

[Een van de grootste en wellicht de belangrijkste factoren die de rust en vrede van een gemeenschap verstoren, en die leiden tot fitnah (onrust), haat en vervreemding tussen mensen, zijn de dingen die we “tajassus” noemen: onderzoeken naar iemands tekortkomingen/fouten, verspreiden van die tekortkomingen/fouten van anderen en er opletten. Tajassus wordt meestal gebruikt om slechte eigenschappen en fouten te onderzoeken. Het woord tahassus wordt daarentegen vaak gebruikt in de context van goedheid. Tajassus is iets wat in de Qur’ān verboden wordt en de gelovigen moeten zich ervan distantiëren. In dit opzicht wordt de gelovige beschreven en geïdentificeerd als degenen die weg blijven van slechte vermoedens, tajassus en roddel. Door deze mooie eigenschappen onderscheiden zij zich van anderen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft tajassus verboden en gelovigen aangeraden het te vermijden, waarmee hij hen waarschuwde voor de slechtheid en schadelijkheid ervan.

Een persoon heeft een onschendbare eer, waardigheid, rechten en vrijheden die niet geschonden mogen worden. Een van deze rechten is het niet onderzoeken van de privézaken van anderen. De Islām heeft bevolen de rechten van individuen te respecteren. Terwijl de Islām voorschrijft dat men zich op een manier gedraagt die past bij de waardigheid van de mens, heeft het ook verboden dat iemand op enige manier lastig gevallen wordt. “Onderzoek de verborgen zaken van anderen niet!” De mensen die genoodzaakt zijn om samen te leven, moeten zich houden aan morele regels die rust en veiligheid bevorderen. En de gedragingen die leiden tot verdeeldheid, chaos, conflicten en onvrede, moeten vermeden worden. De Islām is om mensen in vrede te laten leven, beveelt de mensen warmhartig en barmhartig tegenover elkaar te zijn, en heeft verstorende gedragingen en houdingen verboden.

Allāh waardeert en verheft de mens boven alle andere schepselen op aarde. Net zoals de mens zelf waardevol is, is zijn eer, waardigheid en reputatie ook waardevol en staat boven alles. Het is verboden om iemand op welke manier dan ook te beledigen, hem te veroordelen of zijn fouten, ongewenste handelingen of privéomstandigheden te onderzoeken en te verspreiden.

Goede ahlāq (gedragingen, morele waarden) is een van de hoogste daden en het meest geliefd bij Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم). In een autentieke ḥadīth van Sa'd ibn Abi Waqqās zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Waarlijk, Allāh houdt van de hoogste ahlāq waarden en houdt niet van laaghartig gedrag.”

De ḥadīthgeleerde en asceet Imām `Abdullah Ibn Mubarak heeft goede ahlāq als volgt gedefinieerd: “Goede ahlāq betekent vriendelijk zijn, goed doen en anderen niet lastigvallen.”

We bevinden ons in een tijd van moreel verval. Veel mensen hebben de ahlāq die de shari`ah voorschrijft verlaten, en het lijkt alsof ahlāq voor velen iets onbelangrijks is geworden! De ahlāq neemt in de Islām de hoogste positie in en bevindt zich op de hoogste graad. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben enkel gestuurd om de goede ahlāq te vervolmaken.” In een andere ḥadīth zei hij: “Ik ben enkel gestuurd om de verheven ahlāq te vervolmaken.”

Wanneer we kijken naar het gedrag van sommige moslims, zien we vreemde dingen. In plaats van waarheid horen we leugens, van barmhartigheid zien we hardheid, van trouw zien we verraad, van zelfbeheersing en vergeving, zien we woede, van goedheid, zien we kwelling, van vrijgevigheid zien we gierigheid, van gastvrijheid, zien we hebzucht, van nederigheid, zien we trots, van gerechtigheid, zien we onrecht etc.

En we vragen ons dan af: Waar is de kuisheid? Waar is de betrouwbaarheid, de bescheidenheid, de barmhartigheid voor de zwakkeren, de genegenheid voor de armen, de liefde, de beleefdheid tegenover de gelovigen…? Wekunnen zulke onbeschofte mensen tegenkomen die ons met lelijke woorden aanspreken. Wat moeten we doen in zulke gevallen? Moeten we kwaad met kwaad vergelden en wraak nemen? Als we dit doen, zullen we niet anders zijn dan zij. We zouden samenwerken in het verspreiden van slechte ahlāq.

Wat we moeten doen, is echter de weg volgen die Allahu تعالى ons heeft getoond: fouten vergeven, niet letten op hun gedrag, en kwaad met vriendelijkheid beantwoorden.] (HY)

(Zie Appendix 16: Het vermijden van slechte vermoedens (sû’-i zan)

De beloning van de gelovige voor wat hem treft aan ziekte, verdriet of iets dergelijks – zelfs voor de doorn die hem priktثَوَابِ المُؤْمِنِ فِيْمَا يُصِيبُهُ مِنْ مَرَضٍ أَوْ حُزْنٍ أَوْ نَحْوِ ذَلِكَ حَتَّى الشَّوْكَةِ يُشَاكُهَا

١٦٦١ - حَدِيثُ عَائِشَةَ ﵂، قَالَتْ: مَا رَأَيْتُ أَحَدًا أَشَدَّ عَلَيْهِ الوَجَعُ مِنْ رَسُولِ الله ﷺ

1661 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Ik heb niemand gezien die meer pijn verdroeg dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

١٦٦٢ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: دَخَلْتُ عَلَى رَسُولِ الله ﷺ، وَهُوَ يُوعَكُ، فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ الله! إِنَّكَ تُوعَكُ وَعْكًا شَدِيدًا. قَالَ: «أَجَلْ. إِنِّي أُوعَكُ كَمَا يُوعَكُ رجُلاَنِ مِنْكُمْ» قُلْتُ: ذالِكَ أَنَّ لَكَ أَجْرَيْنِ. قَالَ: «أَجَلْ. ذالِكَ كَذالِكَ.

مَا مِنْ مُسْلِمٍ يُصِيبُهُ أَذًى، شَوْكَةٌ فَمَا فَوْقَهَا، إِلاَّ كَفَّرَ الله بِهَا سَيِّئَاتِهِ، كَمَا تَحُطُّ الشَّجَرَةُ وَرَقَهَا» 1662 –Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):

Ik bezocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij hevige koorts had. - 'O Rasûlullāh ! Waarlijk u heeft een zeer zware koorts.'

- ‘Ik ondervind zoveel pijn als twee van jullie zouden kunnen verdragen.'

- 'Is dat omdat u een dubbele beloning krijgt?'

- 'Ja, dat is zo. Er is geen moslim die door een beproeving wordt getroffen, zelfs niet door (de pijn van een klein) doorn of als hij aan een grotere beproeving wordt blootgesteld. Voorwaar, Allāh laat dit lijden dienen als boetedoening voor zijn slechtheden, zoals een boom zijn bladeren laat vallen.”

١٦٦٣ - حَدِيثُ عَائِشَةَ ﵂، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ الله ﷺ: «مَا مِنْ مُصِيبَةٍ تُصِيبُ المُسْلِمَ، إِلاَّ كَفَّرَ الله بِهَا عَنْهُ. حَتَّى الشَّوْكَةِ يُشَاكُهَا» 1663 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er treft een moslim geen ramp, of Allāh laat het dienen als boetedoening voor zijn zonden, zelfs een doorn die hem prikt.”

١٦٦٤ - حَدِيثُ أَبِي سَعِيدٍ الخُدْرِيِّ وَأَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: «مَا يُصِيبُ المُسْلِمَ مِنْ نَصَبٍ، وَلاَ وَصَبٍ، وَلاَ هَمِّ، وَلاَ حُزْنٍ، وَلاَ أَذًى، وَلاَ غَمِّ، حَتَّى الشَّوْكَةِ يُشَاكُهَا؛ إِلاَّ كَفَّرَ الله بِهَا مِنْ خَطَايَاهُ»1664 – Van Abû Sa‘īd al-Khudrī en Abû Hurayrah (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er treft een moslim noch vermoeidheid, noch ziekte, noch zorgen, noch verdriet, noch pijn, noch benauwdheid, zelfs niet een doorn die hem prikt, of Allāh doet daarmee zijn zonden uitwissen.”

١٦٦٥ - حَدِيثُ ابْنِ عَبَّاسٍ. عَنْ عَطَاءِ بْنِ أَبِي رَبَاحٍ، قَالَ: قَالَ لِي ابْنُ عَبَّاسٍ: أَلاَ أُرِيكَ امْرَأَةً مِنْ أَهْلِ الجَنَّةِ؟ قُلْتُ: بَلَى. قَالَ: هاذِهِ المَرْأَةُ السَّوْدَاءُ، أَتَتِ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَلَتْ: إِنِّي أُصْرَعُ، وَإِنِّي أَتكَشَّفُ، فَادْعُ الله لِي. قَالَ: «إِنْ شِئْتِ، صَبَرْتِ؛ وَلَكِ الجَنَّةُ. وَإِنْ شِئْتِ، دَعَوْتُ الله أَنْ يُعَافِيكِ» فَقَالَتْ: أَصْبِرُ.

فَقَالَتْ: إِنِّي أَتكَشَّفُ: فَادْعُ الله أَنْ لاَ أَتكَشَّفَ. فَدَعَا لَهَا1665 – Van Ibn ‘Abbās (رضي الله عنهما ) via ‘Ata’ ibn Abi Rabah:

Ibn ‘Abbās zei tegen mij: “Zal ik je een vrouw laten zien die tot de mensen van het Paradijs behoort?”Ik zei: “Ja, graag.”Hij zei: “Deze zwarte vrouw hier. Zij kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Ik krijg (epileptische) aanvallen en ik ontbloot mij daardoor (onbedoeld). Doe du`ā’ (voor genezing) tot Allāh voor mij.’

Hij zei: ‘Als je geduld opbrengt dan is het Paradijs voor jou. En als je wilt, verricht ik du`ā’ tot Allāh dat Hij je genezing schenkt.’

Zij zei: ‘Ik zal geduldig zijn, maar verricht du`ā’ tot Allāh dat ik niet ontbloot raak.’

Toen verrichtte hij du`ā’ voor haar.”

{Daarop werd de intieme delen van de vrouw tijdens haar epileptische aanval niet meer ontbloot.}

Het is verboden om onrecht te doenتَحْرِيمِ الظُّلْمِ

١٦٦٦ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ عُمَرَ ﵄. عن النبي ﷺ، قَالَ: «الظُّلْمُ ظُلُمَاتٌ يَوْمَ القِيَامَةِ

1666 – Van `Abdullah Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Onrecht (żulm) brengt duisternissen op de Dag des Oordeels.”[Er zullen bepaalde donkere schaduwen zijn die de genade van Allāh verduisteren.

Uit deze ḥadīth leren we dat de onrechtvaardigheden die in deze wereld begaan worden, zullen zich in het Hiernamaals vermenigvuldigd worden en oorzaak zijn van het mislopen van de genade van Allāh.] (AFK)[Onrecht (żulm) komt in twee vormen voor: de ene is het onrechtmatig toe-eigenen van andermans bezit, en de andere is het ingaan tegen de bevelen van Allāh, terwijl Allah rechtvaardigheid gebiedt. Deze laatste is één van de grootste zonde die mensen kunnen begaan. Ongetwijfeld is onrecht een verwerpelijke daad waarbij de sterke de zwakke onderdrukt, terwijl deze geen andere helper dan Allāh heeft. De zwakke bevindt zich onder de bescherming/veiligheid (amān) van Allāh en is toevertrouwd (amānah) aan Allāh. Als hij onrecht wordt aangedaan dat betekent dat men deze bescherming niet erkent.] (HY)

١٦٦٧ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ عُمَرَ ﵄، أَنَّ رَسُولَ الله ﷺ قَالَ: «المُسْلِمُ أَخُو المُسْلِمِ، لاَ يَظْلِمُهُ، وَلاَ يُسْلِمُهُ. وَمَنْ كَانَ فِي حَاجَةِ أَخِيهِ، كَانَ الله فِي حَاجَتِهِ. وَمَنْ فَرَّجَ عَنْ مُسْلِم كُرْبَةً، فَرَّجَ الله عَنْهُ كُرْبَةً مِنْ كُرُبَاتِ يَوْمِ القِيَامَةِ. وَمَنْ سَتَر مُسْلِمًا، سَتَرَهُ الله يَوْمَ القِيَامَة» 1667 – Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De moslim is de broeder van een andere moslim; hij doet hem geen onrecht aan en laat hem niet in de steek. Wie in de behoefte van zijn broeder voorziet, Allāh zal in zijn behoefte voorzien.

En wie een moslim (hier op aarde) verlost van een moeilijkheid, Allāh zal hem verlossen van een moeilijkheid op de Dag der Opstanding. En wie een moslim (hier op aarde) bedekt (zijn fouten of tekortkomingen niet openbaar maakt), Allāh zal hem bedekken op de Dag der Opstanding.”

[Volgens Imām Nawawî betekent “bedekken” hier, het verbergen van fouten van mensen die een goede reputatie hebben en niet bekendstaan om kwaad en corruptie. Wat betreft iemand die met kwaad en corruptie bekendstaat dan is het niet aanbevolen om zijn misdaad te verhullen; als er geen angst is voor de door hem veroorzaakte schade, is het aanbevolen en lovenswaardig zijn misdaad aan de juiste instanties te melden Want het verhullen zou hem alleen maar verder aanmoedigen tot meer kwaad en corruptie, en hem ertoe aanzetten tot eerbiedwaardige zaken en nog erger dingen. Degene die een misdaad ziet, is verplicht bezwaar te maken tegen de dader en, als hij het kan, hem te verhinderen. Uitstel hiervan is niet toegestaan.

Het verhullen van de fout van een moslim verhindert niet dat men hem in het geheim waarschuwt en adviezen (nasīḥah) geeft. Deze regel geldt voor mensen die niet openlijk zonden en fouten begaan. Zoals in onze tijd, vallen degenen die alle zonden openlijk en zonder terughoudendheid begaan, hier niet onder.] (HA)

١٦٦٨ - حدِيثُ أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ الله ﷺ: «إِنَّ الله لَيُمْلِي للظَّالِمِ، حَتَّى إِذَا أَخَطَهُ لَمْ يُفْلِتْهُ» قَالَ: قَرَأَ ﴿وَكَطالِكَ أَخْذُ رَبِّكَ إِذَا أَخَذَ القُرَى وَهِيَ ظَالِمَةٌ إِنَّ أَخْذَهُ أَلِيمٌ شَدِيدٌ﴾1668 – Van Abû Mûsā (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Allāh geeft de onrechtpleger (żālim) uitstel, maar wanneer Hij hem grijpt, zal Hij hem niet laten ontkomen.”

Daarna reciteerde hij de volgende āyah:

وَكَذَٰلِكَ أَخۡذُ رَبِّكَ إِذَآ أَخَذَ ٱلۡقُرَىٰ وَهِيَ ظَٰلِمَةٌۚ إِنَّ أَخۡذَهُۥٓ أَلِيمٞ شَدِيدٌ ١٠٢

Zo is de ingreep van jullie Heer, wanneer Hij (het volk van de) landen, die onrecht plegen, grijpt. Waarlijk, Zijn greep is pijnlijk en heftig. (Surah Hud 11:102)

Het helpen van je broeder, of hij nu onrechtpleger (żālim) is of onrecht wordt aangedaan (mażlûm)نَصْرِ الأَخِ ظَالِمًا أَوْ مَظْلُومًا

١٦٦٩ - حَديثُ جَابِرِ بْنِ عَبْدِ الله ﵄. قَالَ: كُنَّا فِي غَزَاةٍ، فَكَسَعَ رَجُلٌ مِنَ المُهَاجِرِينَ رَجُلًا مِنَ الأَنْصَار! فقَالَ الأَنْصَارِيُّ: يَا لَلأَنصار!

وَقَالَ المُهَاجِرِيِّ: يَا لَلْمُهَاجِرِينَ! فَسَمِعَ ذَاكَ رَسُولُ الله ﷺ، فقَالَ: «مَا بَالُ دَعْوَى جَاهِلِيَّةٍ؟» قَالُوا يَا رَسُولَ الله! كَسَعَ رَجُلٌ مِنَ المُهَاجِرِينَ رَجُلًا مِنَ الأَنصَارِ. فَقَالَ: «دَعُوهَا، فَإِنَّهَا مُنْتِنَةٌ» . فَسَمِعَ بِذَلِكَ عَبْدُ الله بْنُ أُبَيِّ، فَقَالَ: فَعَلوهَا؟ أَمَا وَالله! لَئِنْ رَجَعْنَا إِلى المَدِينَةِ لَيُخْرِجَنَّ الأَعَزُّ مِنْهَا الأَذَلَّ.

فَبَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ. فَقَامَ عُمَرُ، فَقَالَ يَا رَسُولَ الله! دَعْنِي أَضْرِبْ عُنُقَ هاذَا المُنَافِقِ. فَقَالَ النَّبيُّ ﷺ: «دَعْهُ. لاَ يَتَحَدَّثُ النَّاسُ أَنَّ مُحَمَّدًا يَقْتُلُ أَصْحَابَهُ»

1669 – Van Jābir ibn `Abdullah(رضي الله عنه):

Wij waren op een veldtocht toen een man van de Muhajirīn een man van de Ansār een klap gaf. De Ansāri (werd boos en) riep: ‘O Ansār, kom me helpen!’

En de Muhajirī riep: ‘O Muhajirīn, kom me helpen!’

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit hoorde, zei hij: 'Wat is dit voor een oproep van onwetendheid?'

Zij antwoordden: 'O Rasûlullāh , een man van de Muhajirīn sloeg een man van de Ansār.'

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'Laat dit gaan, want het is iets verfoeilijks.'

Toen hoorde `Abdullah Ibn Ubay (de leider van de hypocrieten) hiervan en hij zei: 'Hebben ze dit echt gedaan? Bij Allāh! Als wij terugkeren naar Madīnah, dan zal de meest eervolle onder ons (de Ansār) de meest vernederde (de Muhajirīn) daaruit verdrijven!'

Toen dit Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bereikte, stond ‘Umar op en zei: 'O Rasûlullāh ! Laat mij de nek van deze hypocriet afhakken!'

Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: 'Laat hem gaan, zodat de mensen niet zeggen dat Muhammad zijn metgezellen doodt.'

Toen was het aantal Ansār groter dan dat van de Muhajirīn die naar Madīnah waren geëmigreerd. Later werd het aantal Muhajirīn echter groter dan dat van de Ansār.

De onderlinge barmhartigheid, genegenheid en steun van de gelovigenتَرَاحُمِ المُؤْمِنينَ وَتَعَاطُفِهِمْ وَتَعَاضُدِهِمْ

١٦٧٠ - حَدِيثُ أَبِي مُوسى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «إِنَّ المُؤْمِنَ لِلْمُؤْمِنِ كَالبُنْيَانِ يَشُدُّ بَعْضُهُ بَعْضًا» وَشَبَّكَ أَصَابِعَهُ

1670 – Van Abū Mūsā رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelovige voor de (andere) gelovige is als een bouwwerk, waarvan het ene deel het andere versterkt.” Vervolgens verstrengelde hij zijn vingers in elkaar.

١٦٧١ - حَدِيثُ النُّعْمَانِ بْنِ بَشِير.

قَالَ: قَالَ رَسُولُ الله ﷺ: «تَرَى المُؤْمِنِينَ فِي تَرَاحُمِهِمْ، وَتَوادِّهِمْ، وَتَعَاطُفِهِمْ، كَمَثَلِ الْجَسَدِ. إِذَا اشْتَكَى عضْوًا، تَدَاعَى لَهُ سَائِرُ جَسَدِهِ بِالسَّهَرِ والحُمَّى1671 - Van an-Nuʿmān ibn Bashīr رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Je ziet de gelovigen in hun onderlinge barmhartigheid, liefde en medeleven als één lichaam. Wanneer een deel (van het lichaam) pijn lijdt, reageren de rest van de ledematen met slapeloosheid en koorts.”

Goed doen aan iemand van wie men het kwade vreestمُدَارَاةِ مَنْ يُتَّقَى فُحْشُهُ

١٦٧٢ - حَدِيثُ عَائِشَةَ ﵂، قَالَتِ: اسْتَأْذَنَ رَجُلٌ عَلَى رَسُولِ الله ﷺ، فَقَالَ: «ائْذَنُوا لَهُ، بِئْسَ أَخو العَشِيرَةِ، أَو ابْنُ العَشِيرَةِ» فَلَمَّا دَخَلَ، أَلاَنَ لَهُ الكَلاَمَ. قُلْتُ: يَا رَسُولَ الله! قُلْتَ الَّذِي قُلْتَ، ثُمَّ أَلَنْتَ لَهُ الكَلاَمَ! قَالَ: «أَيْ عَائِشةُ!

إِنَّ شَرَّ النَّاسِ مَنْ تَرَكَهُ النَّاسُ (أَوْ وَدَعَهُ النَّاسُ) اتِّقَاءَ فُحْشِهِ

1672 - Van ʿĀʾishah رضي الله عنها:

Een man vroeg toestemming om bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen te komen, en hij (an-Nabī) zei: ‘Laat hem binnen, wat een slechte metgezel of zoon van een (slechte) stam is hij.’

Toen hij binnenging, sprak hij hem vriendelijk toe.(Toen de man Rasûlullāh verliet) zei ik: ‘O Rasûlullāh ! U zei over hem wat u zei, en vervolgens sprak u hem vriendelijk toe?’

Hij zei: ‘O ʿĀʾishah! De slechtste onder de mensen is degene die de mensen vermijden uit angst voor zijn slechtheid (of grofheid).”

[Volgens Qāḍī ʿIyāḍ, is de persoon die in deze ḥadīth wordt genoemd, Uyaynah Ibn Hīsn. Hij had wel gezegd dat hij een moslim was, maar in werkelijkheid was hij dat niet. In feite had hij samen met degenen die in de tijd van Abû Bakr رضي الله عنه de Islām verzaakt hadden, de Islām verlaten. Later werd hij gevangen genomen tussen degenen die van het geloof verzaakt hadden en naar Abû Bakir رضي الله عنه gebracht.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft de situatie van deze man uitgelegd om duidelijk te maken dat hij geen goed persoon was. Toch heeft hij, in de hoop dat hij wellicht tot geloof zou komen, niet teruggeschrokken van het gebruiken van milde woorden tegen hem.

Deze ḥadīth geeft aan dat het geen probleem is om de slechte daden van slechte mensen te bespreken in hun afwezigheid om hun situatie te verduidelijken, en dat dit geen roddelen is.

Evenzo is het mogelijk om milde woorden te gebruiken tegenover slechte mensen om hun kwaad te vermijden.] (AFK)[Roddelen is het overbrengen van iemands woorden naar een ander met de bedoeling om onenigheid te zaaien. Roddelen/lasteren betekent het onthullen van iets dat niet gepast is om openbaar te maken. In algemene zin betekent roddelen het prijsgeven van een geheim en het wegnemen van de sluier van iets dat verborgen had moeten blijven.

Als de roddel betrekking heeft op een tekortkoming of fout van een persoon, dan is het naast roddel ook achterklap (ghiybah). Degene die roddelt (namîmah) wordt een nammâm genoemd. Soms wordt in plaats van nammâm het woord qattât gebruikt. Beide woorden betekenen in essentie hetzelfde: een woorden rond brenger. Echter, er is een betekenis verschil tussen de twee. Een nammâm luistert naar een groep en brengt vervolgens over wat er gezegd is. Een qattât daarentegen luistert stiekem zonder dat de groep het weet, verzamelt alle informatie en vertelt het vervolgens door aan anderen.

Eén van de slechte eigenschappen waar de Islām sterk de nadruk op legt is, het verbod op roddel en laster. Deze verachtelijke eigenschappen schaadt de onderlinge relaties tussen individuen en tast de maatschappelijke vrede aan, daarom is het streng verboden.

Sommige zonden schaden enkel degene die ze begaat, terwijl andere zonden de hele samenleving beïnvloeden en de orde verstoren. Roddelen en laster behoren tot deze laatste categorie. De schade die een roddelaar aanricht, kan zelfs de satan niet aanrichten. Zijn verdorvenheid is nog gevaarlijker en afschrikwekkender dan die van de satan. Want de satan fluistert slechts in het geheim, en wie Allāh gedenkt, wordt beschermd tegen deze influisteringen. Een roddelaar echter spreekt direct met mensen en voegt zelfs verdraaiingen toe aan wat hij doorgeeft.

De schade van een roddelaar kan zo groot zijn dat het zelfs kan leiden tot moord en vijandschap tussen mensen. Degene die een roddel te horen krijgt, dient het niet te bevestigen, geen slechte gedachten te koesteren over degene waarover gesproken wordt, niet verder te onderzoeken, de roddelaar terecht te wijzen en hem te verbieden dit opnieuw te doen. Als hij blijft volharden, dient men boos op hem te worden en niet door te vertellen wat hij gezegd heeft.

Anders wordt men zelf ook een nammâm.

Luqmān Hakīm zei tegen zijn zoon: “Laat je vrienden zulke mensen zijn dat wanneer jullie van elkaar scheiden, noch jij over hen spreekt, noch zij over jou spreken.”] (HY)

[De persoon in kwestie is de leider van de Fazārah-stam, Uyaynah b. Hīsn. Deze man was een van de bevelhebbers van het leger bij de belegering van Madīnah (Slag van de Greppel). Hij had jarenlang samengewerkt met de joden en de moslims schade berokkend. Hoewel hij zich bekeerde tot de Islām bij de verovering van Makkah, verzaakte hij de Islām na het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Daarna vocht hij tegen de nobele metgezellen.Na enige tijd kondigde Uyaynah opnieuw zijn Islām aan, maar hij stond bekend als een bedoeïen die zich respectloos en onbeschaafd gedroeg tegenover zijn omgeving. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem zag aankomen, wilde hij degenen naast zich waarschuwen, maar in plaats van streng met hem te spreken, koos hij ervoor hem zacht en vriendelijk te handelen. ] (Diyanet)

Degene die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is vervloekt, of heeft beledigd, of tegen wie hij een smeekbede heeft gedaan terwijl diegene dat niet had verdiend, dan is dat voor hem een reiniging, een beloning en een barmhartigheid

مَنْ لَعَنَهُ النَّبِيُّ ﷺ أَوْ سَبَّهُ أَوْ دَعَا عَلَيْهِ وَلَيْسَ هُوَ أَهْلًا لِذَلِكَ، كَانَ لَهُ زَكَاةً وَأَجْرًا وَرَحْمَةً

١٦٧٣ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: «اللهُمَّ! فَأَيُّمَا مُؤْمِنٍ سَبَبْتُهُ، فَاجْعَلْ ذَلِكَ لَهُ قُرْبَةً إِلَيْكَ، يَوْمَ القِيَامَةِ

1673 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “O Allāh! Als ik een gelovige heb beledigd, maak dat dan voor hem een nabijheid voor U op de Dag der Opstanding.”

Het verbod op liegen en in situaties waarin gelogen mag worden

تَحْرِيمِ الكَذِبِ وَبَيَانِ مَا يُبَاحُ مِنْهُ

١٦٧٤ - حَدِيثُ أُمِّ كُلْثُومٍ بِنْتِ عُقْبَةَ، أَنَّهَا سَمِعَتْ رَسُولَ الله ﷺ، يَقُولُ: «لَيْسَ الكَذَّابُ الذِي يُصْلِحُ بَيْنَ النَّاسِ، فَيَنْمِي خَيْرًا، أَوْ يَقُولُ خَيْرًا

1674 – Van Ummu Kulthûm bint Uqba (رضي الله عنها):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Degene die (woorden overbrengt met het doel om) de mensen te verzoenen, door het goede te verspreiden, of het goede te zeggen, is geen leugenaar.”

[Het toeschrijven van een positieve leugen aan iemand, met de bedoeling om de relatie tussen twee mensen te herstellen, kan worden geïnterpreteerd als het vertellen van een leugen door te zeggen dat iemand iets heeft gezegd, ook al heeft die persoon het niet gezegd, om de persoon met wie men in conflict is, tevreden te stellen en zijn hart te verzachten. Dit kan ook het geval zijn wanneer een klein positief woord dat iemand heeft gezegd, wordt vergroot en overdreven door toevoegingen om het in een positieve richting te veranderen.

Leugen is een van de grootste zonden.

Echter, er zijn drie gevallen waarin liegen is toegestaan: 1-) In de oorlog tegen de vijand, 2-) Om de relatie tussen twee mensen te herstellen, 3-) Om de harten van echtgenoten voor elkaar te winnen.

In dit verband heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het volgende gezegd: “Liegen is alleen toegestaan in drie gevallen: tijdens de oorlog, om de relatie tussen mensen te herstellen, en de gesprekken die de man voert om de genegenheid van zijn vrouw te winnen, en de gesprekken die de vrouw voert om de genegenheid van haar man te winnen.” (Muslim, Birr: 101, Tirmidhî, Birr: 26)] (AFK)[De ḥadīth betekent dat iemand die zo handelt, geen leugen-zonde pleegt. In de ḥadīth is de essentie van de leugen niet vernietigd. Echter, de zonde die aan de leugen verbonden is, is wel geëlimineerd. Of een leugen nu wordt gezegd met het doel van verbetering of een ander doel, het blijft in wezen een leugen. Alleen in bepaalde gevallen is er toestemming gegeven om een leugen te vertellen teneinde mensen te verzoenen.] (HY)

De lelijkheid van liegen, de schoonheid van de waarheid en de deugd daarvan

قُبْحِ الكَذِبِ وَحُسْنِ الصِّدْقِ وَفَضْلِهِ

١٦٧٥ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: «إنَّ الصِّدْقَ يَهْدِي إِلَى البِرِّ، وَإِنَّ البِرَّ يَهْدِي إِلَى الجَنَّةِ، وإِنَّ الرَّجُلَ لَيَصْدُقُ حَتَّى يَكُونَ صِدِّيقًا. وَإِنَّ الكَذِبَ يَهْدِي إِلَى الفُجُورِ، وَإِنَّ الفُجُورَ يَهْدِي إِلَى النَّارِ، وَإِنَّ الرَّجُلَ لَيَكْذِبُ حَتَّى يُكْتَبَ عِنْدَ الله كَذَّابًا

1675 – Van `Abdullah ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarheid leidt tot goedheid, en goedheid leidt tot het Paradijs. En iemand blijft de waarheid spreken totdat hij een siddīq (Waarheidsgetrouwe) wordt.

En leugen leidt tot slechtheid, en slechtheid leiden tot het Vuur. En men blijft liegen totdat hij bij Allāh als een leugenaar wordt geschreven.”

[‘Sıdq’ is tegenovergestelde van leugen (kithb) en verwijst naar waarheid. Deze waarheid kan zowel in het verleden als in de toekomst zijn. Het betekent ook eerlijk zijn in het doen van beloftes of in andere zaken, het nakomen van zijn woord. Sıdq (waarheid) betekent niet alleen waarheidsgetrouw zijn in spreken of het overbrengen van een gebeurtenis of een bericht, maar in alle vormen van communicatie, inclusief schrijven. Sıdq is de overeenkomst tussen wat gezegd wordt en wat bewaard wordt. Met andere woorden, het is de overeenstemming tussen wat er in het hart is en wat er met de mond wordt uitgesproken; het betekent dat iemands binnenste en buitenste hetzelfde zijn. Als iemands binnenste en buitenste verschillend zijn, dan is de waarheid (sıdq) niet gerealiseerd. Een waarheidsgetrouwe persoon is degene die zijn woord houdt. Zijn binnenste en buitenste één en hetzelfde is. Hij liegt niet, bedriegt niet, misleidt niet, en doet zijn werk op een eerlijke manier. De weg die hij volgt, is de juiste weg. Een gelovige moet eerst waarheidsgetrouw zijn in zijn wezen (in zijn hart). Hij mag geen ruimte geven aan leugens, bedrog, vijandigheid, of chaos in zijn hart.

Daarna moet hij ook waarheidsgetrouw zijn in zijn woorden. Wanneer hij spreekt, mag hij geen leugens, verzinsels of laster gebruiken. De schade van leugens is duidelijk, terwijl de voordelen van waarheidsgetrouwheid zo talrijk zijn dat ze niet te betwisten zijn. Een gelovige moet ook in zijn werk waarheidsgetrouw zijn. Hij moet zijn werk op een eerlijke manier doen en zich verre houden van bedrog en misleiding. Onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) bekritiseerde degenen die mensen misleiden sterk en beschouwde hen niet als zijn volgelingen in de zaak van Allāh. Een gelovige houdt zich aan zijn beloften, draagt de verantwoordelijkheid die hem is toevertrouwd uit, doet zijn werk goed, vermijdt leugens, en zorgt ervoor dat hij zijn verplichtingen vervult en het vertrouwen aan de juiste personen overdraagt. In zijn aanbidding en gehoorzaamheid aan Allāh vertoont hij volledige ‘siddīq’ (oprechtheid) in zijn karakter. Zijn hart is verbonden met zijn Rab. In Zijn aanwezigheid probeert hij Hem niet te bedriegen. Hij aanbidt niets andere dan Allāh. En hij doet geen bedrog in zijn aanbidding.

Waarheid betekent in staat van waarheidsgetrouw zijn, eerlijk, oprecht, loyaal en rechtvaardig zijn. Het is een concept dat zowel in geloof als ethiek een belangrijke rol speelt. Het betekent het volgen van de weg die in overeenstemming is met Allāh’s geboden en verboden, en het respecteren van de rechten van mensen. De gelovige die volgens zijn geloof leeft en het toepast in zijn leven, volgt het mooiste gedrag van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). De Qur’ān bevat veel verzen die betrekking hebben op waarheidsgetrouwheid. Hoewel woorden zoals rechtvaardigheid, integriteit, goedheid en leiding ook in deze context worden gebruikt, wordt waarheidsgetrouw meestal uitgedrukt met het woord “siddīq”.] (HY)

De deugd van degene die zichzelf in bedwang houdt bij woede en de middelen waardoor de woede verdwijntفَضْلِ مَنْ يَمْلِكُ نَفْسَهُ عِنْدَ الغَضَبِ وَبِأَيْ شَيْءٍ يَذْهَبُ الغَضَبُ

١٦٧٦ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولُ الله ﷺ، قَالَ: «لَيْسَ الشَّدِيدُ بِالصُّرَعَةِ، إِنَّمَا الشَّدِيدُ الَّذِي يَمْلِكُ نَفْسَهُ عِنْدَ الغَضَبِ

1676 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een dapper persoon is niet degene die anderen op de grond legt in worstelen, maar de dappere persoon is degene die zich kan beheersen in woede.”

[Een dapper persoon kan gemakkelijk iemand verslaan die minder sterk is. Vooral als hij worsteltechnieken kent. Hij kan dan zijn tegenstander zonder moeite overwinnen. Maar het overwinnen van de eigen nafs (ego) is geen kwestie van fysieke kracht. Daarvoor is een specifieke methode en aanpak nodig.

Wanneer we bezwijken voor onze woede, moeten we nadenken over de verzen van de Qur’ān en aḥadīth. We moeten ons realiseren dat de kracht en macht van Allāhu تَعَالَى over ons groter is dan onze kracht en macht over degene op wie we boos zijn.

We zouden moeten zeggen: “Als ik deze onwetende persoon niet vergeef, hoe kan ik dan hopen dat Allāuh تَعَالَى mij op de Dag des Oordeels wel vergeeft?”

Daarnaast moeten we ons de manier voorstellen waarop een woedend gezicht zijn natuurlijke uitdrukking verliest en hoe het gelaat van een boze persoon vervormt en lelijk wordt. Daarentegen moeten we de schoonheid en vriendelijkheid van een geduldig en vergevingsgezind persoon in gedachten houden. We moeten opnieuw beoordelen in hoeverre we terecht boos zijn en of de persoon op wie we boos zijn misschien ook een zekere mate van gelijk heeft.

Terwijl we dit snel overwegen, moeten we ook de praktische kalmeringsmethoden in acht nemen die onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons heeft aanbevolen. Allereerst moeten we a`ûdzu billahi mina'sh-shaytani'r-rajīm zeggen en toevlucht zoeken bij Allāh tegen de vervloekte shaytān, die onze woede aanwakkert.

Als we staan, moeten we gaan zitten, en als we zitten, moeten we leunen of gaan liggen. Als onze woede nog steeds niet is afgenomen, moeten we opstaan en wudû’ verrichten met koud water. We moeten niet vergeten dat enkel water het vuur kan blussen.

Ook moeten we altijd in gedachten houden dat degenen die hun woede beheersen en de fouten van anderen vergeven, degenen zijn met wie Allāhu تَعَالَى tevreden is.] (HY)

١٦٧٧ - حَدِيثُ سُلَيْمَانَ بْنِ صُرَدٍ. قَالَ: اسْتَبَّ رَجُلاَنِ عِنْدَ النَّبِيِّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَد، وَنَحْنُ عِنْدَهُ جُلُوسٌ. وَأَحَدَهُمَا يَسُبُّ صَاحِبَهُ، مُغْضَبًا، قَدِ احْمَرَّ وَجْهُهُ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: «إِنِّي لأَعْلَمُ كَلِمَةً، لَوْ قَالَهَا، لَذَهَبَ عَنْهُ مَا يَجِدُ. لَوْ قَالَ: أَعُوذ بِالله مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيم» . فَقَالُوا لِلرَّجُلِ: أَلاَ تَسْمَعُ مَا يَقُولُ النَّبِيُّ ﷺ؟ قَالَ: إنِّي لَسْتُ بِمَجْنُونٍ.

1677 – Van Sulaymān Ibn Surad (رضي الله عنه):

Twee mannen scholden elkaar uit in aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl wij bij hem zaten. Eén van hen schold de ander uit in grote woede, en zijn gezicht werd rood.

Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik ken een woord dat, als hij het zegt, zal zijn woede verdwijnen.

Als hij zegt: A‘ûdzu billahi mina'sh-shaytāni'r-rajīm (Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de vervloekte shaytan) (isti‘ādzah), dan wordt hij gekalmeerd.”

De aanwezigen zeiden tegen de man: “Hoor je niet wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt?”Hij antwoordde: “Ik ben niet krankzinnig!”

[In de ḥadīth wordt aanbevolen dat iemand die zo boos is dat het bloed naar zijn hoofd stijgt, zijn gezicht rood wordt en de aderen in zijn nek en slaap opzwellen, “A`ûdzu billahi mina'sh-shaytāni'r-rajīm” (Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de vervloekte shaytān) zou moeten zeggen om te kalmeren voordat hij een fout begaat.

Deze aanbeveling van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevestigt en benadrukt de goddelijke raad in het volgende vers:

وَإِمَّا يَنزَغَنَّكَ مِنَ ٱلشَّيۡطَٰنِ نَزۡغٞ فَٱسۡتَعِذۡ بِٱللَّهِۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلسَّمِيعُ ٱلۡعَلِيمُ ٣٦

En als Satan jou met een kwade influistering benadert (om je van het goede te weerhouden), zoek dan toevlucht bij Allāh (om het teniet te doen). Waarlijk, Hij is de Alhorende (van alle uitspraken), de Alwetende (van alle daden). (surah Fussilat 41:36)

De isti‘ādzah betekent: “Ik zoek mijn toevlucht bij Allāh tegen de vervloekte shaytān (en zijn kwaad).” Het leert hoe de Qur’ānische aanbeveling om toevlucht bij Allāh te zoeken, moet worden uitgesproken.

Wanneer men deze isti‘ādzah bewust herinnert en uitspreekt, helpt het de woede te bedaren en de persoon weer tot bezinning te brengen.

In de ḥadīth werd deze aanbeveling overgebracht aan de boze metgezel die aan het ruziën was, en nadat hij dit zei, kalmeerde hij. In een andere ḥadīth heeft hij zelfs gezegd: “Ben ik gek geworden? Wat is er met mij aan de hand?” en zo kwam hij weer tot zinnen. Shaytān is degene die haat en woede aanwakkert. Door toevlucht te zoeken bij Allāh wordt de oorzaak van woede en wrok weggenomen.] (AFK)

Het verbod op het slaan in het gezichtالنَّهْيِ عَنْ ضَرْبِ الوَجْهِ

١٦٧٨ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «إِذَا قَاتَلَ أَحَدُكُمْ، فَلْيَجْتَنِبِ الوَجْهَ

أَمْرِ مَنْ مَرَّ بِسِلاَحٍ فِي مَسْجِدٍ أَوْ سُوقٍ أَوْ غَيْرِهِمَا مِنَ المَوَاضِعِ الْجَامِعَةِ لِلنَّاسِ أَنْ يَمْسِكَ بِنِصَالِهَا1678 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie vecht, laat hij dan het gezicht vermijden.”

[Het gezicht is het meest eervolle deel van de mens. Daarnaast vertegenwoordigt het gezicht het gehele lichaam en de persoon zelf. Om deze redenen is specifiek aangegeven dat men niet in het gezicht mag slaan.] (HY)

Het bevel voor degene die met een wapen passeert in een moskee, markt of andere openbare plaatsen, om het bij het lemmet vast te houden١٦٧٩ - حَدِيثُ جَابِرِ بْنِ عَبْدِ الله، قَالَ: مَرَّ رَجُلٌ فِي المَسْجِدِ، وَمَعَهُ سِهَامٌ.

فَقَالَ لَهُ رَسُولُ الله ﷺ: «أَمْسِكْ بِنِصَالِهَا1679 – Van Jābir ibn `Abdullah (رضي الله عنه):Er passeerde een man in de moskee, en hij had pijlen bij zich. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: 'Houd de punten van de pijlen vast.'

٠ - حَدِيثُ أَبِي مُوسى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «إِذَا مَرَّ أَحَدُكُمْ فِي مَسْجِدِنَا أَوْ فِي سُوقِنَا، وَمَعَهُ نَبْلٌ، فَلْيُمْسِكْ عَلَى نِصَالِهَا. أَوْ قَالَ فَلْيَقْبِضْ بَكَفُّهِ. أَنْ يُصِيبَ أَحَدًا مِنَ المُسْلِمِينَ مِنْهَا شَيْءٌ1680 – Van Abû Mûsā (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie zich in onze moskee of op onze markt bevindt, en hij heeft pijlen bij zich, dan moet hij de punten ervan vasthouden.” Of hij zei: “Hij moet ze met zijn handpalmen vasthouden, zodat de pijlen niemand van de moslims raakt.”

Het verbod om met een wapen naar een moslim te wijzenالنَّهْيِ عَنِ الإِشَارَةِ بِالسِّلاَحِ إِلَى مُسْلِمٍ

١٦٨١ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: «لاَ يُشِيرُ أَحَدُكُمْ عَلَى أَخِيِ بِالسَّلاَحِ، فَإِنَّهُ لاَ يَدْرِي، لَعَلَّ الشَّيْطَانَ يَنْزِعُ فهي يَدِهِ، فَيَقَعُ فِي حُفْرَةِ مِنَ النَّارِ

1681 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie naar zijn broer wijst met een wapen, dan moet hij zich ervan onthouden, want hij weet niet of de satan het wapen uit zijn hand zal trekken, waardoor hij in een gat van het Vuur valt.”

Deugd om obstakels van van de weg weg te nemen فَضْلِ إِزَالَةِ الأَذَى عَنِ الطَّرِيقِ

١٦٨٢ - حَدِيثُ أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ الله ﷺ، قَالَ: «بَيْنَمَا رَجُلٌ يَمْشِي بِطَرِيقٍ، وَجَدَ غُصْنَ شَوْكٍ عَلَى الطَّرِيقِ، فَأَخَّرَهُ، فَشَكَرَ الله لَهُ، فَغَفَر لَهُ

1682 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was een man die op een pad liep en een doornige tak op het pad vond. Hij verwijderde de tak en Allāh prees hem voor zijn daad en vergaf hem.”

Het verbod op het kwellen van een kat en soortgelijke dieren die geen schade veroorzakenتَحْرِيمِ تَعْذِيبِ الهِرَّةِ وَنَحْوِهَا مِنَ الحَيْوَانِ الَّذِي لاَ يُؤذِي

١٦٨٣ - حَدِيثُ عَبْدِ الله بْنُ عُمَرَ ﵄، أَنَّ رَسُولَ الله ﷺ قَالَ: «عُذِّبَتِ امْرَأَةٌ فِي هِرَّةٍ، سَجَنَتْهَا حَتَّى مَاتَتْ، فَدَخَلَتْ فِيهَا النَّارَ. لاَ هِيَ أَطْعَمَتُهَا، وَلاَ سَقَتْهَا، إِذْ حَبَسَتْهَا.

وَلاَ هِيَ تَرَكَتْهَا تَأْكُلُ مِنْ خَشَاشِ الأَرْضِ

1683 – Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was een vrouw die werd gestraft vanwege een kat. Ze had de kat opgesloten totdat ze stierf, en daardoor ging ze naar het Vuur. Ze gaf de kat geen eten of drinken, en ze liet haar zelfs niet eten van de insecten van de grond.”

De rechten van de buren in acht nemen en de buren goed doenلوَصِيَّةِ بِالجَارِ وَالإِحْسَانِ إِلَيْهِ

١٦٨٤ - حَدِيثُ عَائِشَةَ ﵂، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: «مَا زَالَ يُوصِيني جِبْرِيلُ بِالجَارِ حَتَّى ظَنَنْتُ أَنَّهُ سَيُوَرِّثُهُ

1684 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jibril (عليه السلام ) blijft me adviseren over de buren, totdat ik dacht dat hij (de buren elkaars) erfgenamen zou maken.”

١٦٨٥ - حَدِيثُ ابْنِ عُمَرَ ﵄، قَالَ: قَالَ رَسُولُ الله ﷺ: «مَا زَالَ جِبْرِيلُ يُوصِينِي بِالجَارِ، حَتَّى ظَنَنْتُ أَنَّهُ سَيُوَرِّثُهُ1685 – Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jibriel (عليه السلام ) bleef me adviseren over de buren, totdat ik dacht dat hij buren (elkaars) erfgenamen zou maken.”

Het is aanbevolen om te bemidden in zaken die niet verboden zijnاسْتِحْبَابِ الشَّفَاعَةِ فِيْمَا لَيْسَ بِحَرَامٍ

١٦٨٦ - حديث أَبِي مُوسى ﵁ قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا جَاءَهُ السَّائِلُ، أَوْ طُلِبَتْ إِلَيْهِ حَاجَةٌ قَالَ: اشْفَعُوا تُؤْجَرُوا، وَيَقْضِي اللهُ عَلَى لِسَانِ نَبِيِّهِ ﷺ، مَا شَاءَ

1686 - Van Abû Mûsā (رضي الله عنه):Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een bedelaar zag of wanneer hem om iets werd gevraagd, zei hij: “Bemiddel (om de zaak op te lossen/om in de behoefte van deze persoon te voorzien), en jullie zullen beloond worden. En Allāh laat geschieden wat Hij wil door de tong van Zijn Nabī.”

Het is aanbevolen om in het gezelschap van rechtschapenen te zijn en het vermijden van slechte vrienden استحباب مجالسة الصالحين ومجانبة قرناء السوء

١٦٨٧ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَثَلُ جَلِيسِ الصَّالِحِ وَالسَّوْءِ، كَحَامِلِ الْمِسْكِ، وَنَافِخِ الْكِيرِ؛ فَحَامِلُ الْمِسْكِ إِمَّا أَنْ يُحْذِيَكَ، وَإِمَّا أَنْ تَبْتَاعَ مِنْهُ، وَإِمَّا أَنْ تَجِدَ مِنْهُ رِيحًا طَيِّبَةً وَنَافِخُ الْكِيرِ إِمَّا أَنْ يُحْرِقَ ثِيَابَكَ، وَإِمَّا أَنْ تَجِدَ رِيحًا خَبِيثَةً

1687 - Van Abû Mûsā (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelijkenis van een goede en een slechte vriend is als die van een parfum/muskus verkoper en iemand die de blaasbalg van een smid bedient. De parfumverkoper zal je ofwel iets cadeau geven, of je koopt iets van hem, of je ruikt, op zijn minst, naar een aangename geur van hem. Maar de blaasbalg van een smid zal ofwel je kleren verbranden, of je zult een onaangename geur van hem ruiken.”

Deugd om goed te zijn voor de dochtersفضل الإحسان إِلى البنات

١٦٨٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: دَخَلَتِ امْرَأَةٌ، مَعَهَا ابْنَتَانِ لَهَا، تَسْأَلُ فَلَمْ تَجِدْ عِنْدِي شَيْئًا، غَيْرَ تَمْرَةٍ، فَأَعْطَيْتُهَا إِيَّاهَا فَقَسَمَتْهَا بَيْنَ ابْنَتَيْهَا، وَلَمْ تَأْكُلْ مِنْهَا ثُمَّ قَامَتْ فَخَرَجَتْ فَدَخَلَ النَّبِيُّ ﷺ، عَلَيْنَا، فَأَخْبَرْتُهُ فَقَالَ: مَنِ ابْتُلِيَ مِنْ هذِهِ الْبَنَاتِ بِشَيْءٍ، كُنَّ لَهُ سِتْرًا مِنَ النَّارِ

1688 - VanʿĀʾishah (رضي الله عنها):

Er kwam een vrouw binnen met haar twee dochters, en zij vroeg iets (van liefdadigheid). Maar ik had niets behalve één dadel, dus gaf ik die aan haar. Ze verdeelde de dadel tussen haar twee dochters en at er zelf niets van. Vervolgens stond ze op en vertrok.Daarna kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij ons binnen, en ik vertelde hem wat er was gebeurd. Toen zei hij: 'Wie op de proef wordt gesteld met (de zorg voor) dochters en hen goed behandelt, zullen zij voor hem een gordijn/bescherming tegen het Vuur zijn.'“

De deugd van degene van wie een kind sterft en de beloning die men krijgt als men de beproeving accepteertفضل من يموت له ولد فيحتسبه

١٦٨٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لاَ يَمُوتُ لِمُسْلِمٍ ثَلاَثَة مِنَ الْوَلَدِ، فَيَلِجُ النَّارَ، إِلاَّ تَحِلَّةَ الْقَسَمِ

1689 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geen enkele moslim bij wie drie van zijn kinderen overlijdt, zal het Hellevuur binnengaan, behalve om de eed* in vervulling te laten gaan.”

[ De eed die hier wordt genoemd is het vers 71 in sûrah Maryam:وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا ٧١

En er is niemand onder jullie of hij treedt daar (het Hellevuur) binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden.]Mufassirûn (Qur’ān-excegeten) hebben drie verschillende interpretaties gegeven:

Hier wordt bedoeld dat de ongelovigen onvermijdelijk het Hellevuur zullen binnengaan.

Iedere gelovige of ongelovige zal over de brug (Sirāt) die over de Hel is gespannen moeten gaan, waardoor ze in aanraking komen met de Hel.

Elke mens bevindt zich potentieel in een situatie waarin hij zowel het Paradijs als de Hel kan binnengaan.] (Diyanet)

[Deze ḥadīth, die een grote troost is voor moeders en vaders die hun kind verloren hebben, is speciaal bedoeld voor degenen die, hoewel ze bekommerd zijn om het leven en de gezondheid van hun kinderen, hen door de ‘ajal’ (de door Allah bepaalde levensduur van een persoon) hen hebben verloren. Deze troost geldt niet voor ouders die nagelaten hebben voor de gezondheid en welzijn van hun kinderen. Zulke personen zullen op de Dag des Oordeels rekenschap moeten afleggen voor het leven van hun kinderen.

Met de uitdrukking "behalve om de eed in vervulling te laten gaan " in de ḥadīth wordt verwezen naar de eed die in surah Maryam: 19/71 wordt genoemd:

وَإِن مِّنكُمۡ إِلَّا وَارِدُهَاۚ كَانَ عَلَىٰ رَبِّكَ حَتۡمٗا مَّقۡضِيّٗا ٧١

En er is niemand onder jullie of hij treedt daar binnen; dit is een besluit van jullie Heer dat vervuld moet worden.

Hieruit volgt dat ouders die de pijn van het verlies van drie kinderen dragen en branden in het vuur van verdriet, het vuur van de Hel niet zullen zien, of het slechts kort zullen zien of slechts zolang blijven als hun zonden wegen.] (HA)

١٦٩٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: جَاءَتِ امْرَأَة إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ ذَهَبَ الرِّجَالُ بِحَدِيثِكَ، فَاجْعَلْ لَنَا مِنْ نَفْسِكَ يَوْمًا نَأْتِيكَ فِيهِ، تَعَلِّمُنَا مِمَّا عَلَّمَكَ اللهُ فَقَالَ: اجْتَمِعْنَ فِي يَوْمِ كَذَا وَكَذَا، فِي مَكَانِ كَذَا وَكَذَا فَاجْتَمَعْنَ فَأَتَاهُنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَعَلَّمَهُنَّ مِمَّا عَلَّمَهُ اللهُ ثُمَّ قَالَ: مَا مِنْكُنَّ امْرَأَةٌ تُقَدِّم بَيْنَ يَدَيْهَا مِنْ وَلَدِهَا ثَلاَثَةً، إِلاَّ كَانَ لَهَا حِجَابًا مِنَ النَّارِ فَقَالَتِ امْرَأَةٌ مِنْهُنَّ: يَا رَسُولَ اللهِ اثْنَيْنِ قَالَ: فَأَعَادَتْهَا مَرَّتَيْنِ ثُمَّ قَالَ: وَاثْنَيْنِ، وَاثْنَيْنِ، وَاثْنَيْنِ1690 - Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه):

Er kwam een vrouw naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: 'O Rasûlullāh, alleen de mannen profiteren steeds van uw woorden (door altijd bij u te zitten). Zou u ook voor ons een dag willen vaststellen, zodat wij op die dag naar u toe kunnen komen.

Wilt u dan ons onderwijst over wat Allāh u heeft geleerd.'Hij zei: 'Verzamel jullie op die-en-die dag, op die-en-die plek.'Zij verzamelden zich, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar hen toe en onderwees hen over wat Allāh hem had geleerd.

Daarna zei hij: 'Er is geen enkele vrouw onder jullie die voor haar dood drie van haar kinderen verliest, of zij zullen voor haar een gordijn/bescherming zijn tegen het Vuur.'Een van de vrouwen vroeg: 'O Rasûlullāh, (geldt dat ook bij) twee?'Abû Sa`īd zei: Zij herhaalde haar vraag ‘twee’ tweemaal.Toen zei hij: 'En ook bij twee, en ook bij twee, en ook bij twee.'

[Deze aḥadīth tonen aan hoe vurig de vrouwelijke metgezellen waren in het nastreven naar kennis.Daarnaast bevat de ḥadīth een bewijs dat de kinderen van moslims zich in het Paradijs bevinden.Wie twee kinderen verliest die de puberteitsleeftijd nog niet hebben bereikt, voor die zullen zij een bescherming tegen het Vuur vormen.] (HY)

١٦٩١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ الأَصْبَهَانِيِّ، عَنْ ذَكْوَانٍ، عَنْ أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ بِهذَا وَعَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ الأَصْبَهَانِيِّ، قَالَ: سَمِعْتُ أَبَا حَازِمٍ، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: ثَلاَثَةً لَمْ يَبْلُغُوا الحِنْثَ1691 – Van Abû Hurayrah via Abdurrahman ibn al-Asbahani (رضي الله عنهما) van Dhakwān, van Abū Saʿīd al-Khuḍrī, van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met deze (woorden).En (ook) van ʿAbd al-Raḥmān ibn al-Aṣbahānī, die zei: Ik hoorde Abū Ḥāzim van Abū Hurayra (zeggen): “'Drie kinderen die de puberteit nog niet hebben bereikt.'

Wanneer Allāh een dienaar bemint, laat Hij ook anderen hem beminnenإِذا أحب الله عبدًا حببه لعباده

١٦٩٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ اللهَ ﵎، إِذَا أَحَبَّ عَبْدًا، نَادَى جِبْرِيلَ: إِنَّ اللهَ قَدْ أَحَبَّ فُلاَنًا، فَأَحِبَّهُ، فَيُحِبُّهُ جِبْرِيلُ ⦗٢٠٦⦘ ثُمَّ يُنَادِي جِبْرِيلُ فِي السَّمَاءِ: إِنَّ اللهَ قَدْ أَحَبَّ فُلاَنًا فَأَحِبُّوهُ فَيُحِبُّهُ أَهْلُ السَّمَاءِ، وَيُوضعُ لَهُ الْقَبُولُ فِي أَهْلِ الأَرْضِ

1692 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wanneer Allāh تَبَارَكَ وَتَعَالَى (de Majesteuze en de Verhevene), een dienaar liefheeft, roept Hij Jibrīl en zegt: “Allāh houdt van die-en-die, dus houd van hem.”Jibrīl houdt van hem, en daarna roept Jibrīl in de hemel: “Allāh houdt van die-en-die, dus houd van hem.”De bewoners van de hemel houden van hem, en voor hem wordt liefde geplaatst onder de bewoners van de aarde.'

[Om een geliefde dienaar van Allāh te worden, wordt op verschillende manieren beschreven in de Qur’ān en de aḥādīth. Allāh liefhebben gaat hand in hand met het volgen van an-Nabī (zie Al-Imran: 31). Allāh houdt van goede mensen (muhsinûn) (zie Al-Baqarah: 195), van degenen die berouw tonen en zich reinigen (zie Al-Baqarah: 222), van degenen die de waarheid spreken (zie Al-Mumtahina: 8), van degenen die strijden op Zijn weg (zie As-Saff: 4). Allāh houdt niet van de onderdrukkers (zie Al-Imran: 32), de ongelovigen (zie Al-Imrān: 57), de arroganten en zelfverheerlijkende mensen (zie An-Nisa: 36), en ook niet van de zondaren (zie An-Nisa: 107), enzovoort.] (AFK)

Een persoon is met degene van wie hij houdtالمرء مع من أحب

١٦٩٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَجُلًا سَأَلَ النَّبِيَّ ﷺ: مَتَى السَّاعَةُ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: مَا أَعْدَدْتَ لَهَا قَالَ: مَا أَعْدَدْتُ لَهَا مِنْ كَثِيرِ صَلاَةٍ، وَلاَ صَوْمٍ، وَلاَ صَدَقَةٍ وَلكِنِّي أُحِبُّ اللهَ وَرَسولَهُ قَالَ: أَنْتَ مَعَ مَنْ أَحْبَبْتَ

1693 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):

Een man vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): 'Wanneer is het Uur/ de Dag des Opstanding, O Rasûlullāh?'Hij zei: 'Wat heb je ervoor voorbereid?'De man antwoordde: 'Ik heb me niet met veel salāh, vasten of liefdadigheid voorbereid, maar ik hou van Allāh en van Zijn Rasûl.'Toen zei hij (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): 'Jij zult zijn met degene van wie je houdt.'

١٦٩٤ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: قِيلَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: الرَّجُلُ يُحِبُّ الْقَوْمَ، وَلَمَّا يلْحَقْ بِهِمْ قَالَ: الْمَرْءُ مَعَ مَنْ أَحَبَّ1694 - Van Abû Mûsā (رضي الله عنه):

Er werd aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: 'Iemand houdt van een groep mensen, maar hij heeft hen nooit ontmoet.'Hij zei: 'Hij is met degene van wie hij houdt.'

['Hij is met degene van wie hij houdt’ kan op twee manieren begrepen worden: Ten eerste, degene die in deze wereld liefheeft, zal in het Hiernamaals ook met diegene samen zijn.

Zoals in de vorige ḥadīth te lezen is, wordt dit oordeel bevestigd door de informatie in de verzen en aḥādīth. Ten tweede verwijst het naar een sociaalpsychologisch fenomeen waarin wordt aangegeven dat mensen de wens hebben om samen te zijn met degenen die ze liefhebben. Zoals in een andere ḥadīth wordt vermeld (Muslim) begrijpen zielen die van elkaar houden elkaar en zullen samen zijn, terwijl zij die niet van elkaar houden gescheiden blijven. Dit toont een observatie van menselijk gedrag.] (AFK)

[Het zou gedacht kunnen worden dat het bezoeken en vergezellen van de mensen van het goede (de vromen) noodzakelijkerwijs gepaard moet gaan met het doen van wat zij doen. De drie bovenstaande aḥādīth en de variaties in de aḥadīth tonen echter een andere manier aan om samen te kunnen zijn met mensen van deugd en rechtschapenheid: het houden van de ṣāliḥīn (vromen) en de goeden.

De aḥādīth laten met de algemene regel “De mens is met wie hij liefheeft” zien dat deze verbondenheid niet per se betekent dat men in elke opzicht, dus ook in verdienste en rang, gelijk is. Mensen die zich op dezelfde plaats of in dezelfde bijeenkomst bevinden, zijn weliswaar bij elkaar, maar hun werkelijke situatie, mogelijkheden en spirituele waarde verschillen.

Degene van wie gezegd wordt dat hij met Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) zal zijn vanwege zijn liefde voor hem, betekent niet dat hij op hetzelfde niveau in het Paradijs zal zijn als de Nabī (صلى الله عليه وسلم). Maar het betekent dat hij de mogelijkheid zal krijgen om met hem in het Paradijs te zijn en hem te mogen zien.

Daarnaast is er in de uitspraak “De mens is met wie hij liefheeft” geen onderscheid gemaakt tussen goed en slecht. Het is een algemene regel. Hieruit blijkt: wie de goeden liefheeft, is met de goeden, en wie de slechten liefheeft, is met de slechten. Immers, een mens wil graag bij degenen zijn van wie hij houdt, en bij hen in de buurt verkeren.

Tijd doorbrengen met mensen die hij niet liefheeft, is op zichzelf al een bron van leed. Niemand verlangt naar zo'n gezelschap. De basis van samen zijn is liefde.

De zorg die hier geuit wordt, komt voort uit de gedachte dat een gebrek aan goede daden of het niet kunnen doen van wat geliefden doen, ertoe kan leiden dat men uiteindelijk van hen gescheiden blijft. Daarom werd aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: “Wat is de toestand van iemand die een volk liefheeft, maar niet in staat is om te doen wat zij doen en daardoor niet hun niveau bereikt?”

De reactie van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) maakte duidelijk dat deze zorg ongegrond is. Om samen te zijn, is het niet vereist om op hetzelfde niveau te zijn of precies hetzelfde te doen. Liefde voor de mensen van het goede is voldoende om met hen te zijn. Want de intentie gaat vaak aan de daad vooraf.

De aṣḥāb al-kirām (رضي الله عنهم) vermeldden dat ze na de dag van hun Islām nooit zo blij waren als na het horen van deze verheugende mededeling van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم)

Zelf zei hij: “Ook ik houd van Allāh, Zijn Rasūl, en van Abū Bakr en ʿUmar (رضي الله عنهما). Hoewel ik niet heb kunnen handelen zoals zij, hoop ik toch met hen samen te zijn.”

Het feit dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan de bedoeïen die hem vroeg wanneer de Qiyāmah (Laatste Uur) zal plaatsvinden, antwoordde met de tegenvraag: “Wat heb je ervoor voorbereid?”, is bedoeld om de aandacht te vestigen op het onderwerp dat werkelijk belangrijk is, en om zo zijn ummah op te voeden.] (HY)