Kitābu’l fitan wa ashrāta’s sā`ah: Het boek van de beproevingen en de tekenen van de Dag des Oordeels
[Fîtan: Het woord fîtan is het meervoud van fitnah. Fitnah betekent inspanning, moeilijkheid, straf, pijn en moeite, maar ook daden die hieraan leiden of de oorzaak zijn, zoals ongeloof, rebellie en andere soortgelijke zonden.In de hadith-boeken worden onder het hoofdstuk “Fîtan” corruptie en kwaad beschreven die vóór de Qiyāmah zullen plaatsvinden, samen met ahadith over verschillende gebeurtenissen die hiermee verband houden.
Yawmu’l Qiyāmah (de Dag des Oordeels):De lexicologische betekenis van het woord Qiyāmah is: opstaan, zich oprichten, in opstand komen, rechtop gaan staan en wederopstanding. Terminologisch heeft Qiyāmah twee betekenissen:
Het verstoren van de orde van het universum, waarbij alles wordt vernietigd en overhoop wordt gehaald. Dit wordt de bekende tijd van As-Sā‘ah genoemd.
De wederopstanding van degenen die gestorven zijn, waarbij zij weer tot leven worden gewekt en naar het Mahshar-plein (verzamelplaats) worden geleid. Hier wordt de tweede betekenis bedoeld.
Allah (سبحانه وتعالى) zal op de Dag des Oordeels de aarde in de door Hem gewenste vorm brengen, en volgens de beschrijving van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal de plaats van de Mahshar: “Een vlak, wit en glanzend oppervlak zijn, als een plat brood gemaakt van puur tarwebloem, zonder enige markering erop.”
Na de opstanding van alles wat gestorven is, zullen de schepselen zich op dit vlak verzamelen.Op de Mahshar zullen engelen, djinn en mensen, nadat zij zijn opgewekt, samenkomen: de kleinste en grootste, de verstandige en de dwaze, allen zullen daar aanwezig zijn. Of zij nu ter verantwoording worden geroepen of niet, alle levende wezens zullen op de Mahshar bijeenkomen. Zelfs huisdieren, wilde dieren en andere schepselen zullen op het Mahshar-plein worden verzameld.
Echter, de dieren zullen, nadat ze de vragen van Allah hebben beantwoord, tot aarde worden veranderd. Want voor hen bestaat er in de wereld geen verantwoording (ta‘līf). Beloning en straf gelden alleen voor degenen aan wie in het wereldse leven verantwoording is gevraagd. De reden dat verantwoordelijke wezens (mukallaf) worden verzameld, is de afrekening (ḥisāb), terwijl de reden dat dieren worden verzameld, vergelding (qiṣāṣ) is. Daarna worden de dieren, nadat zij hun rechten van mensen en van elkaar hebben ontvangen, tot aarde vergaan, terwijl de egoïstische ongelovigen zullen wensen: “Was ik maar netals de dieren tot aarde vergaan om geen straf te hoeven ondergaan.”
De Dag des Oordeels begint met het bijeenroepen van alle levende wezens en duurt tot het moment dat de bewoners van het Paradijs het Paradijs binnengaan en de bewoners van de Hel de Hel binnengaan.
Teken van de Qiyāmah:Het uitbreken van de Qiyāmah betekent een gebeurtenis waarbij de orde van het universum vanaf de wortel wordt veranderd, een nieuwe orde wordt gevormd en alles opnieuw wordt geschapen. Voorafgaand aan deze gebeurtenis zullen verschillende buitengewone gebeurtenissen plaatsvinden. Deze buitengewone gebeurtenissen vormen het begin van de genoemde fundamentele verandering.In dit kader worden de tekenen van de Qiyāmah in twee categorieën behandeld:
1. Grote tekenen van de Qiyāmah:Deze worden bekend als de 10 grote tekenen:- de verschijning van de Dadjdjal (anti-christ), - de nederdaling van 'Isâ (a.s) - de opkomst van de zon vanuit het westen - de opstanding van Dabbatu-l `Ard (een soort dier dat uit aarde zal opstaan en tot de mensen zal spreken) - de gehele aarde zal door rook omhuld wordeneen volk, dat Ya’jûj en Ma’jûj genoemd wordt, zal dood en verderf op aarde zaaienaardverzakkingen in het westen, in het oosten en op het Arabische schiereiland zullen plaatsvindener zal een groot vuur in Yemen ontstaan.
Dābbatu’l-Arḍ (het “Dier van de Aarde”)Dābbatu’l-Arḍ betekent letterlijk “het dier van de aarde”.
Allah (سبحانه وتعالى) zegt in de Qur’ān:
وَإِذَا وَقَعَ ٱلۡقَوۡلُ عَلَيۡهِمۡ أَخۡرَجۡنَا لَهُمۡ دَآبَّةٗ مِّنَ ٱلۡأَرۡضِ تُكَلِّمُهُمۡ أَنَّ ٱلنَّاسَ كَانُواْ بِـَٔايَٰتِنَا لَا يُوقِنُونَ ٨٢
En als het woord voor hen bewaarheid wordt, zullen Wij uit de aarde een beest voortbrengen dat tegen hen zal spreken want de mensheid geloofde niet met zekerheid in Onze Tekenen. (Naml: 27/82 )
Ook vermeldt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in vele ahadith dat vlak voor de Qiyāmah, Dābbatu’l-Arḍ zal verschijnen als een van de tekenen van de Dag des Oordeels.
Er bestaan echter vele meningen over de aard van Dābbatu’l-Arḍ en over waar en wanneer hij zal verschijnen.
Sommige mensen beweren zelfs dat de hedendaagse ziekte aids een manifestatie van Dābbatu’l-Arḍ zou kunnen zijn.
Het verschijnen van Dābbatu’l-Arḍ is een teken dat de Qiyāmah nabij is. Dābbatu’l-Arḍ zal verschijnen in een tijd waarin de mensheid moreel vervallen is, de geboden van Allah (سبحانه وتعالى) verlaat, en het ware geloof, de Islām, wordt bedreigd of probeert te worden veranderd.
Er bestaan twee verschillende meningen over de vraag welk teken eerder zal plaatsvinden: het verschijnen van Dābbatu’l-Arḍ of het fenomeen dat de zon vanuit het westen zal opkomen.
2. Kleine tekenen van de Qiyāmah:Dit zijn de tekenen die buiten deze 10 grote tekenen vallen. Enkele van deze kleine tekenen zijn: het verdwijnen van kennis, de verspreiding van onwetendheid, toename van ongeloof, en het toenemen van alcoholgebruik.Volgens de in deze ahadith genoemde grote conflicten, zal dit over het algemeen plaatsvinden tussen moslims en christenen, en moslims en joden. Westerse onderzoekers geven aan dat toekomstige oorlogen zich in de richting van conflicten tussen beschavingen en religies zullen ontwikkelen.]( (HA)
Het naderen van beproevingen en het opheffen van de barrière voor Gog en Magog (Ya’jûj en Ma’jûj)
اقتراب الفتن وفتح ردم يأجوج ومأجوج
١٨٢٩ - حديث زَيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ دَخَلَ عَلَيْهَا فَزِعًا يَقُولُ: لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَيْلٌ لِلْعَرَبِ مِنْ شَرٍّ قَدِ اقْتَرَبَ فُتِحَ الْيَوْمَ مِنْ رَدْمِ يَأجُوجَ وَمأجُوجَ مِثْلُ هذِهِ وَحَلَّقَ بِإِصْبَعِهِ الإِبْهَامِ وَالَّتِي تَلِيهَا قَالَتْ زَيْنَبُ ابْنةُ جَحْشٍ: فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَنَهْلِكُ وَفِينَا الصَّالِحُونَ قَالَ: نَعَمْ إِذَا كَثُرَ الْخَبَثُ
1829 – Van Zaynab bint Jaḥsh (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam geschrokken bij haar binnen en zei: “Lā ilāha illallah! Wee de Arabieren vanwege een kwaad dat nabij is gekomen! Vandaag is er een opening gemaakt in de muur van Yaʾjūj en Maʾjūj, zo groot als dit” en hij maakte een cirkel met zijn duim en de wijsvinger.Zaynab bint Jaḥsh zei: “Ik vroeg: O Rasûlullāh, zullen wij vernietigd worden terwijl er onder ons rechtschapenen zijn?”Hij zei: “Ja, wanneer het verdorvene toeneemt.”
[Allah (سبحانه وتعالى) vermeldt Ya’jūj en Ma’jūj op twee plaatsen in de Qur’ān:
In verband met de bouw van de dam (shad) door Zulqarnayn عليه السلام om sommige gemeenschappen te beschermen tegen de destructie van Ya’jūj en Ma’jūj .
In Sūrah Al-Anbiyā’: 21/96-97.
Er zijn verschillende verklaringen en uiteenlopende meningen over wie Ya’jūj en Ma’jūj zijn, hun eigenschappen, kenmerken en afkomst.
In de āyah wordt het openen van de weg voor Ya’jūj en Ma’jūj niet direct gekoppeld aan het bestaan van de dam als een gebeurtenis die onmiddellijk voorafgaat aan de Qiyāmah. De betekenis hier is dat zij hun gebieden zullen verlaten en oorlog zullen voeren tegen de islamitische wereld. Ook de regio’s van Shām behoren tot de gebieden die zij tijdens deze oorlogen zullen treffen.
Wanneer men naar historische aḥadīth over Ya’jūj en Ma’jūj kijken, blijkt dat bijna al deze aḥadīth afkomstig zijn uit Israëlische bronnen en elkaar vaak tegenspreken.
De overleden excegeet M. Hamdi Yazır (رحمه الله, 1358/1942) zegt na het overleveren van enkele aḥadīth over Ya’jūj en Ma’jūj :
“Ook al waren Ya’jūj en Ma’jūj ooit de eigennaam van een of twee volkeren, de juiste betekenis die iedereen kent is dit: het is een gemengd volk van wie afkomst en oorsprong onbekend zijn, dat religie noch natie erkent, en hun opkomst behoort tot de tekenen van de Qiyāmah. Zij zullen de aarde vernietigen.”
Het idee dat Ya’jūj en Ma’jūj vlak voor de Qiyāmah zullen verschijnen en de aarde zullen teisteren, is terug te vinden in de gemeenschappelijke cultuur van de volken van de hemelse religies. Ter referentie: de Torah, in het boek Ezechiël, hoofdstukken 38–39, en de Bijbel, in het boek Openbaring van Johannes, hoofdstuk 20, verzen 7–8.
Het is logisch dat Ya’jūj en Ma’jūj, die in de tijd van Zulqarnayn عليه السلام werden tegengehouden, op een later moment opnieuw een bedreiging zullen vormen voor de beschaving van de mensheid.] (HA)
١٨٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: فَتَحَ اللهُ مِنْ رَدْمِ يَاجُوجَ وَمَاجُوجَ مِثْلَ هذَا وَعَقَدَ بِيَدِهِ تِسْعِينَ1830 - Van Abū Hoerayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft een opening gemaakt in de dam van Yaʾjūdj en Maʾjūdj zo groot als dit en hij vormde met zijn hand het getal negentig/verstrengelde zijn handen.
[Ya’jūj en M’ajūj zijn een volk dat in het verleden heeft bestaan en waarvan is voorspeld dat zij vlak voor het uitbreken van de Dag des Oordeels zullen verschijnen en op aarde chaos en verderf zullen zaaien. Of deze naam een eigennaam is, waar en wanneer zij hebben geleefd of zullen leven, en hoe precies, zijn onderwerpen van discussie.Wild geworden groepen die zich over een gebied verspreiden, steden plunderen en onrust en verderf veroorzaken, zullen zowel in het verleden als in de toekomst als tekenen van het einde der tijden verschijnen. In de ḥadīth wordt vermeld dat de dammen zijn doorbroken, betekent dat de komst van Ya’jūj en Ma’jūj, die wordt beschouwd als een van de tekenen van de Dag des Oordeels, nabij is. Zoals ook in de Qurʾān staat:
حَتَّىٰٓ إِذَا فُتِحَتۡ يَأۡجُوجُ وَمَأۡجُوجُ وَهُم مِّن كُلِّ حَدَبٖ يَنسِلُونَ ٩٦
Totdat voor Ya’jūj en Ma’jūj (de muur) geopend wordt en zij van iedere hoogte komen aansnellen.
وَٱقۡتَرَبَ ٱلۡوَعۡدُ ٱلۡحَقُّ فَإِذَا هِيَ شَٰخِصَةٌ أَبۡصَٰرُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ يَٰوَيۡلَنَا قَدۡ كُنَّا فِي غَفۡلَةٖ مِّنۡ هَٰذَا بَلۡ كُنَّا ظَٰلِمِينَ ٩٧
En de Ware Belofte nabij komt. Dan zul je de ogen van de ongelovigen in afgrijzing zien staren. “Wee voor ons! Wij waren hier beslist achteloos voor; nee, wij waren niets dan onrechtvaardigen. (sūrah al-Anbiyāʾ, 21:96-97) ] (Diyanet)
Het leger dat op weg is (naar de Ka`abah) wordt in de grond verzwolgen
الخسف بالجيش الذي يؤم البيت
١٨٣١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَغْزُو جَيْشٌ الْكَعْبَةَ، فَإِذَا كَانُوا بِبَيْدَاءَ مِنَ الأَرْضِ، يُخْسَفُ بِأَوَّلِهِمْ وَآخِرِهِمْ قَالَتْ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ يُخْسَفُ بِأَوَّلِهِمْ وَآخِرِهِمْ وَفِيهِمْ أَسْوَاقُهُمْ وَمَنْ لَيْسَ مِنْهُمْ قَالَ: يُخْسَفُ بِأَوَّلِهِمْ وَآخِرِهِمْ، ثُمَّ يُبْعَثُونَ عَلَى نِيَّاتِهِمْ
1831 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een leger zal de Kaʿbah aanvallen, en wanneer zij in al-Baydāʾ gebied zijn aangekomen, wordt het gehele leger de grond in verzwolgen.”Ze (ʿĀʾishah) zei: “Ik vroeg: O Rasûlullāh, hoe ze allen de grond in worden verzwolgen, terwijl onder hen ook mensen zijn die slechts op de markt waren of niet tot hen behoren?”Hij zei: “Zij zullen allemaal verzwolgen worden, en daarna zullen zij (op de Dag der Opstanding) op basis van hun intenties worden opgewekt.”
[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak over een aanval op de Kaʿbah die zich in de Einde der Tijden zou voordoen. Hij vertelde dat het leger dat daartoe op weg zou zijn, zijn doel niet zou bereiken en dat Allāh تَعَالَى de Kaʿbah zou beschermen.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde dat het leger zou worden vernietigd terwijl het nog door een uitgestrekte woestijn trok, voordat het Makkah bereikte. Bovendien benadrukte hij dat ieder die door deze beproevingen en verplaatsingen werd getroffen, door Allāh naar zijn intenties beoordeeld zou worden. Dit is een bewijs voor het belang van de intentie (niyyah) bij handelingen. ] (Diyanet)
Het neerdalen van beproevingen als regen
نزول الفتن كمواقع القطر
١٨٣٢ - حديث أُسَامَةَ ﵁، قَالَ: أَشْرَفَ النَّبِيُّ ﷺ عَلَى أُطمٍ مِنْ آطَامِ الْمَدِينَةِ، فَقَالَ: هَلْ تَرَوْنَ مَا أَرَى إِنِّي لأَرَى مَوَاقِعَ الْفِتَنِ خِلاَلَ بُيُوتِكُمْ كَمَوَاقِعِ الْقَطْرِ
1832 – Van Usāmah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond op een van de vestinggebouwen van Madīnah en zei:'Zien jullie wat ik zie? Waarlijk, ik zie de plaatsen waar beproevingen zullen neerdalen tussen jullie huizen, zoals regendruppels neerkomen.'Maʿmar en Sulaymān ibn Kathīr hebben dit ook overgeleverd van az-Zuhrī.
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het toenemen van fitnah in Madīnah vergeleken met hevige regenval over een groot gebied.] (HY)
١٨٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: سَتَكُون فِتَنٌ الْقَاعِدُ فِيهَا خَيْرٌ مِنَ الْقَائِمِ، وَالْقَائِمُ فِيهَا خَيْرٌ مِنَ الْمَاشِي، وَالْمَاشِي فِيهَا خَيْرٌ مِنَ السَّاعِي، وَمَنْ يُشْرِفْ لَهَا تَسْتَشْرِفْهُ، وَمَنْ وَجَدَ مَلْجَأً أَوْ مَعَاذًا فَلْيَعُذْ بِهِ1833 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen beproevingen (fitan) komen: (In tijden van fitnah) is degene die blijft zitten (zonder zich ermee te bemoeien) beter dan degene die opstaat (om zich ermee te mengen). Degene die staat is beter dan degene die loopt. Degene die loopt is beter dan degene die rent. Wie zich met de fitnah inlaat, zal ongetwijfeld door de fitnah vernietigd worden. En wie in tijden van fitnah een toevluchtsoord of een schuilplaats vindt, laat hem zich daarheen begeven en zich verre houden van de fitnah.
[Over sommige belangrijke toekomstige gebeurtenissen, maatschappelijke ontwrichtingen en veranderingen die als tekenen van de Dag des Oordeels worden beschouwd, bestaan aḥadīth die bekendstaan als fitan-aḥadīth (riwāyāt al-fitan).Volgens an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zullen er in de toekomst destructieve gebeurtenissen opduiken, zoals sociale chaos en burgeroorlog, die de eenheid van de ummah zullen ondermijnen.In zulke situaties van geweld en wanorde is het voor een moslim van groot belang zijn gezond verstand te gebruiken en gematigdheid te behouden, om opwinding en fanatisme te vermijden, en rechtvaardigheid en billijkheid na te streven.In dit kader geeft de ḥadīth aan dat degene die in die tijd betrokken raakt bij fitnah tot op zekere hoogte zondigt en verantwoordelijk zal worden gehouden. Daarom beveelt hij ons om zich daar zoveel mogelijk van te distantiëren. ] (Diyanet)
Wanneer twee moslims elkaar ontmoeten en elkaar met het zwaard bevechten
إِذَا تواجه المسلمان بسيفيهما
١٨٣٤ - حديث أَبِي بَكْرَةَ عَنِ الأَحْنَفِ بْنِ قَيْسٍ، قَالَ: ذَهَبْتُ لأَنْصُرَ هذَا الرَّجُلَ، فَلَقِيَنِي أَبُو بَكْرَةَ، فَقَالَ: أَيْنَ تُرِيدُ قُلْتُ: أَنْصُرُ هذَا الرَّجُلَ قَالَ: ارْجِعْ فَإِنِّي سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: إِذَا الْتَقَى الْمُسْلِمَانِ بِسَيْفَيْهِمَا، فَالْقَاتِلُ وَالْمَقْتُولُ فِي النَّارِ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ هذَا الْقَاتِلُ فَمَا بَالُ الْمَقْتُولِ قَالَ: إِنَّهُ كَانَ حَرِيصًا عَلَى قَتْلِ صَاحِبِهِ
1834 – Van Aḥnaf ibn Qays (رضي الله عنه) zei:Ik ging om deze man te helpen, toen kwam ik Abū Bakrah tegen en hij zei: ‘Waar ga je naartoe?’Ik zei: ‘Ik ga deze man (`Ali) helpen.’Hij zei: ‘Keer terug, want ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen:‘Wanneer twee moslims elkaar met hun zwaarden bevechten, dan bevinden de moordenaar en de vermoorde zich in het Vuur.’Ik zei: ‘O Rasûlullāh, (ik begrijp) dat het geldt voor de moordenaar, maar hoe zit het dan met de vermoorde?’Hij zei: ‘Omdat hij ook vurig verlangde om zijn vriend te doden.’
[‘Behalve ‘shirk deelgenoot aan Allāh toekennen) behoort elke zonde die voortkomt uit het nalaten van een verplichting of het begaan van iets wat verboden is, tot de moraal van de jāhiliyyah. Omdat shirk de grootste zonde is, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die uitgezonderd. Imām Bûkhārie heeft in het voorgaande hoofdstuk vermeld dat zonden ook kufr (ongeloof) genoemd kunnen worden in de betekenis van ondankbaarheid tegenover een gunst, niet in de betekenis van ontkenning. Vervolgens heeft hij uitgelegd dat, in tegenstelling tot de opvatting van de Khawārij, die zondaars tot ongelovigen verklaren, zulke zonden een persoon niet buiten de Islām plaatsen.”] (HY)
Ahnaf wilde op de Dag van Jamal samen met zijn stam aan de zijde van ʿAlī (رضي الله عنه) vechten, maar Abū Bakrah (رضي الله عنه) verhinderde hem daarin. Later keerde Ahnaf op zijn woord terug en vocht bij alle volgende veldslagen van ʿAlī (رضي الله عنه) aan zijn zijde.] (HY)
١٨٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى يَقْتَتِلَ فِئَتَانِ فَيَكُونَ بَيْنَهُمَا مَقْتَلَةٌ عَظِيمَةٌ، دَعْوَاهُمَا وَاحِدةٌ1835 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat twee groepen (moslims) elkaar bestrijden, terwijl hun doel één en hetzelfde is.”
[Sommige geleerden hebben de oorlog die in de ḥadīth wordt genoemd, tussen twee groepen met dezelfde geloofsovertuiging, geïnterpreteerd als de Slag bij Ṣiffīn, die plaatsvond tussen ʿAlī (رضي الله عنه) en Muʿāwiyah (رضي الله عنه) na het overlijden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Er zijn echter ook ʿulamāʾ die deze soorten fitan-aḥadīth, die toekomstige gebeurtenissen voorspellen, vanuit een breder perspectief benaderen. Zij lezen deze ḥadīth als een waarschuwing en als een ḥadīth die van toepassing kan zijn op de vele verdeeldheden en conflicten die gedurende de geschiedenis tussen verschillende moslimgroepen zijn voortgekomen. ] (Diyanet)
Het bericht van an-Nabi (صلى الله عليه وسلم) over wat er zal gebeuren tot aan het uitbreken van het Uur
إِخبار النبيّ ﷺ فيما يكون إِلى قيام الساعة
١٨٣٦ - حديث حُذَيْفَةَ ﵁ قَالَ: لَقَدْ خَطَبَنَا النَبِيُّ ﷺ خُطْبَةً مَا تَرَكَ فِيهَا شَيْئًا إِلَى قِيَامِ السَّاعَةِ إِلاَّ ذَكَرَهُ، عَلِمَهُ مَنْ عَلِمَهُ، وَجَهِلَهُ مَنْ جَهِلَهُ؛ إِنْ كُنْتُ لأَرَى الشَّيْءَ قَدْ نَسِيتُ فَأَعْرِفُ مَا يَعْرِفُ الرَّجُلُ إِذَا غَابَ عَنْهُ فَرَآهُ فَعَرَفَهُ
1836 – Van Ḥudhaifah ibn Yamān (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield een preek voor ons, waarin hij niets naliet van de gebeurtenissen tot de Dag des Oordeels. Wie het onthouden heeft, heeft het onthouden; wie het niet onthouden heeft, is onwetend gebleven. Waarlijk, ik zie iets (uit die preek) en ik ben het vergeten, maar dan herken ik het net zoals iemand die iets herkent wanneer hij het ziet nadat hij het even kwijt was.”
De beproevingen die elkaar opvolgen zoals de golven van de zeeفي الفتنة التي تموج كموج البحر
١٨٣٧ - حديث حُذَيْفَةَ، قَالَ: كُنَّا جُلُوسًا عِنْدَ عُمَرَ ﵁، فَقَالَ: أَيُّكُمْ يَحْفَظُ قَوْلَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فِي الْفِتْنَةِ قُلْتُ: أَنَا، كَمَا قَالَهُ قَالَ: إِنَّكَ عَلَيْهِ (أَوْ عَلَيْهَا) لَجَرِيءٌ قُلْتُ: فِتْنَةُ الرَّجُلِ فِي أَهْلِهِ وَمَالِهِ وَوَلَدِهِ وَجَارِهِ تُكَفِّرُهَا الصَّلاَةُ وَالصَّوْمُ وَالصَّدَقَةُ وَالأَمْرُ وَالنَّهْيُ قَالَ: لَيْسَ هذَا أُرِيدُ وَلكِنِ الْفِتْنَةُ الَّتِي تَمُوجُ كَمَا يَمُوجُ الْبَحْرُ قَالَ: لَيْسَ عَلَيْكَ مِنْهَا بَأْسٌ، يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ إِنَّ بَيْنَكَ وَبَيْنَهَا بَابًا مُغْلَقًا قَالَ: أَيُكْسَرُ أَمْ يُفْتَحُ قَالَ: يُكْسَرُ قَالَ: إِذًا لاَ يُغْلَقَ أَبَدًا
قُلْنَا: أَكَانَ عُمَرُ يَعْلَمُ الْبَابَ قَالَ: نَعَمْ كَمَا أَنَّ دُونَ الْغَدِ اللَّيْلَةَ إِنِّي حَدَّثْتُهُ بِحَدِيثٍ لَيْسَ بِالأَغَالِيطِ فَهِبْنَا أَنْ نَسْأَلَ حُذَيْفَةَ فَأَمَرْنَا مَسْرُوقًا، فَسَأَلَهُ فَقَالَ: الْبَابُ عُمَرُ
1837 – Van Ḥudhaifah ibn Yamān ( رضي الله عنه): We zaten bij ʿUmar (رضي الله عنه), en hij vroeg: 'Wie van jullie heeft de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de fitnah onthouden?'Ik zei: 'Ik heb ze onthouden, zoals hij het zei.' - ‘Jij bent wel erg moedig (tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en tegenover hetgeen er over hem is gezegd).' - 'De fitnah van iemand in zijn gezin, rijkdom, kinderen en buren wordt door de salāh, de vasten, de liefdadigheid, het aanbevelen van het goede en het verbieden van het slechte weggenomen (kafarah).' - 'Dit is niet wat ik bedoel. De fitnah waar ik het over heb, is de fitnah als de golven van de zee stormt.' - ‘Van die fitan zal jou geen kwaad treffen, o leider van de gelovigen! Tussen jou en die fitan bevindt zich een gesloten deur.' - 'Zal die deur gebroken of geopend worden?' - 'De deur zal gebroken worden.' - 'Dan zal de deur voor altijd gesloten blijven.' We vroegen ons af of ʿUmar de deur wist, en we vroegen Ḥudhaifah. Hij zei: “Ja, zoals hij zeker weet dat de nacht vóór de ochtend komt. En ik heb hem een woord gezegd waarin geen onwaarheid zit.”Wij durfden Ḥudhaifah niet te vragen wie die 'deur' was, dus bevalen wij Masrūq om het te vragen.Hij vroeg het, en Ḥudhaifah zei: “Die deur is ʿUmar.”
Het Uur (de Dag des Oordeels) zal niet plaatsvinden totdat de rivier de Eufraat haar water heeft teruggetrokken en een berg van goud tevoorschijn komt
لا تقوم الساعة حتى يحسر الفرات عن جبل من الذهب
١٨٣٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يُوشِكُ الْفُرَاتُ أَنْ يَحْسِرَ عَنْ كَنْزٍ مِنْ ذَهَبٍ، فَمَنْ حَضَرَهُ فَلاَ يَأْخُذْ مِنْهُ شَيْئًا
1838 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De tijd nadert waarin het water van de Eufraat zal terugtrekken en een kostbare goudschat zal onthullen. Wie er dan aanwezig is, laat die er niets van meenemen!' Hij voegde toe: 'Het zal een berg van goud onthullen.'
[Een van de tekenen van de Dag des Oordeels is het terugtrekken van het water van de Eufraat (Fīrāt) en de daardoor zichtbaar wordende goudvoorraden. Er bestaan verschillende aḥadīth over het feit dat van iedere honderd mensen die met elkaar in conflict raken om deze rijkdommen, negenennegentig zullen sterven (Muslim, Fitan, 29-32). Deze ḥadīth wijst erop dat er in de laatste tijden waterschaarste zal ontstaan en dat het water zelf zo waardevol zal worden dat het aanleiding geeft tot oorlog. Symbolisch kan het water van de Eufraat worden gezien als een waarschuwing voor de gelovigen.Daarnaast wordt aangegeven dat bij het terugtrekken van water op aarde waardevolle mijnen en goudvoorraden aan het licht zullen komen, en dat de concurrentie om deze rijkdommen zal leiden tot grote destructie. Daarom bevat de ḥadīth de waarschuwing om zich niet te laten meeslepen door hebzucht, en om zich te onthouden van fitna en chaos. ] (Diyanet)
De Dag des Oordeels zal niet plaatsvinden totdat er een vuur uit de regio van Hijāz komt
لا تقوم الساعة حتى تخرج نار من أرض الحجاز
١٨٣٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى تَخْرُجَ نَارٌ مِنْ أَرْضِ الْحِجَازِ، تُضِيءُ أَعْنَاقَ الإِبْلِ بِبُصْرَى
1839 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Het Uur (van de Dag des Oordeels) zal niet komen totdat er een vuur uit de grond van de Hijāz opkomt, dat de nekken van de kamelen in Basra verlicht.'
[Historisch gezien veroorzaakte de grote aardbeving van 654/1256 in Madīnah, het zwaarst geregistreerde in de Hijaz, een vulkanische uitbarsting in de rotsachtige gebieden van de stad. De lava en het vuur veroorzaakten grote angst, en deze gebeurtenissen zijn in de Islāmitische traditie geassocieerd met de in deze ḥadīth genoemde vuren.Tegelijkertijd zijn er geleerden die het vuur interpreteren als representatie van opstandige bewegingen en destructieve conflicten die zich uitstrekken tot regio’s zoals Busra, waarbij het vuur symbolisch staat voor sociale ontwrichting en interne strijd. (Bukhārī, Fitan, 24; Muslim, Fitan, 42) ] (Diyanet)
De beproeving die zal komen uit het oosten, vanaf de plek waar de duivel zijn twee hoorns toontالفتنة من المشرق من حيث يطلع قرنا الشيطان
١٨٤٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ ﵄، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، وَهُوَ مُسْتَقْبِلٌ الْمَشْرِقَ، يَقُولُ: أَلاَ إِن الْفِتْنَةَ ههُنَا، مِنْ حَيْثُ يَطْلُعُ قَرْنُ الشَّيْطَانِ
1840 –Van Ibn` Umar(رضي الله عنهما): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen terwijl hij naar het oosten keek: “Let op, weet dat de fitnah (beproeving) van hier komt, waar de hoorn van de satan opkomt.”
[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte in zijn toespraken soms het beeld van shaytān (de satan) om kwaad, zonden, onderdrukking en verspilling te vertegenwoordigen.
Deze metaforische uitdrukkingen over shaytān moeten niet letterlijk worden opgevat, maar dienen te worden gezien als representaties van alle vormen van kwaad die uit hem voortkomen.In deze ḥadīth wordt met de “hoorn van de shaytān” verwezen naar krachtige en invloedrijke bewegingen van fitnah, die klaarstaan om schade aan te richten en waarvan het kwaad duidelijk zichtbaar is. In veel culturen symboliseert een hoorn kracht en heerschappij.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarschuwt tegen groepen die in de oosterse samenlevingen opkomen, geweld gebruiken en strijden om macht. ] (Diyanet)
Het Uur zal pas plaatsvinden totdat de vrouwen van Daws clan hun heupen op de Dhul-Khalasah zullen bewegen
لا تقوم الساعة حتى تعبد دوس ذا الخلصة
١٨٤١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى تَضْطَرِبَ أَلْيَاتُ نِسَاءِ دَوْسٍ عَلَى ذِي الْخَلَصَةِ وَذُو الْخَلَصَةِ طَاغِيَةُ دَوْسٍ الَّتِي كَانُوا يَعْبُدُونَ فِي الْجَاهِلِيَّةِ
1841 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal pas plaatsvinden totdat de vrouwen van Daws clan hun heupen op de Dhul-Khalasah zullen bewegen. Dhul-Khalasah is de afgod van Daws clan die zij aanbaden in de tijd van de jāhiliyyah.”
[De ḥadīth draagt tevens de waarschuwing dat in de laatste der tijden verschillende vormen van shirk (afgoderij) zullen opkomen en dat zelfs gemeenschappen die tot het geloof zijn overgegaan en afgoderij hebben verlaten, opnieuw terug kunnen keren naar schandelijk gedrag. (Bukhārī, Fitan, 23; Muslim, Fitan, 51) ] (Diyanet)Het Uur zal niet aanbreken totdat een man langs het graf van een andere man komt en wenst dat hij op de plaats van de overledene was, vanwege de (ernst van de) beproevingen
لا تقوم الساعة حتى يمر الرجل بقبر الرجل فيتمنى أن يكون مكان الميت من البلاء
١٨٤٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى يَمُرَّ الرَّجُلُ بِقَبْرِ الرَّجُلِ فَيَقُولُ: يَا لَيْتَنِي مَكَانَهُ
1842 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur (de Laatste Dag) zal niet aanbreken totdat een man langs het graf van een andere man zal lopen en zal zeggen: ‘Was ik maar in zijn plaats.’
١٨٤٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: يُخَرِّبُ الْكَعْبَةَ ذُو السُّوَيْقَتَيْنِ مِنَ الْحَبَشَةِ1843 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Ka'bah zal worden vernietigd door iemand met dunne beentjes uit Abyssinië (Ethiopië).”
[De Kaʿbah is door de geschiedenis blootgesteld aan verschillende aanvallen; soms is zij beschadigd. De Kaʿbah is beschermd bij het Voorval van de Olifant. In de ḥadīth wordt aangegeven dat de verwoesting waarover gesproken wordt, zal plaatsvinden nabij de Dag des Oordeels. Immers, zoals in andere aḥadīth vermeld worden, zullen de moslims tegen die tijd uitgeput zijn. En zal er niemand meer op aarde overblijven die “Allāh” zegt (Muslim, Īmān, 234). Daardoor zal het beschermen van de Kaʿbah niet meer mogelijk zijn. ] (Diyanet)
١٨٤٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تَقُوم السَّاعَةُ حَتَّى يَخْرُجَ رَجُلٌ مِنْ قَحْطَانَ يَسُوقُ النَّاسَ بِعَصَاهُ1844 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat er een man uit (de clan van) Qaḥṭān zal opstaan die de mensen met zijn staf zal aanvoeren (d.w.z. hen als een leider zal besturen).”
[De Arabieren zijn historisch onderverdeeld in twee hoofdtakken: de Qaḥṭānīten en de Adnanīeten.
Qaḥṭān is de voorvader van deze stam, stamt af van Sam, de zoon van Nūḥ (عليه السلام). De Jemenieten en de Medinense stammen Aws en Khazraj behoren ook tot deze afstamming. In deze ḥadīth meldt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat in de laatste der tijden een heerser uit deze stam met een harde en grove stijl, zoals gesymboliseerd door een staf, het volk zal besturen alsof hij schapen hoedt. (Bukhārī, Jihād, 96; Muslim, Fitan, 62) ] (Diyanet)
١٨٤٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى تُقَاتِلُوا قَوْمًا نِعَالُهُمُ الشَّعَرُ، وَلاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى تُقَاتِلُوا قَوْمًا كَأَنَّ وُجُوهَهُمُ الْمَجَانُّ الْمُطْرَقَةُ1845 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Het Uur (de Dag des Oordeels) zal niet aanbreken totdat jullie strijden tegen een volk wiens sandalen van haar zijn. De Uur zal niet aanbreken totdat jullie strijden tegen een volk met gezichten als met leer beklede, op elkaar gestapelde schilden, met dikke huiden.Abû Hurayrah zei: 'Ze hebben kleine ogen, een afgeplatte neus en gezichten die lijken op omgekeerde schilden.'
[In andere aḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt vermeld dat de Arabieren zullen strijden tegen volkeren met een grote en vlakke gezichtsstructuur, kleine neuzen, spleetogig, die leren laarzen dragen en bont dragen. Deze beschrijving komt overeen met de volkeren uit Centraal-Azië, en de muhaddithīn (ḥadīth geleerden) noemen hen onder de naam “Turken”.De betrekkingen tussen Arabieren en Turken begonnen met kleine grensconflicten tijdens het khalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه), escaleerden tot oorlogen in de tijd van ʿUthmān (رضي الله عنه), en gingen verder in hevigheid onder de Umayyaden. Het Abbasiden bewind steunde op de Turken en behaalde politieke en militaire successen door samenwerking met de Grote Seltsjoeken tegen de Shiitische staten. Daarom heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn aṣḥāb informatie gegeven over deze toekomstige ontwikkelingen en confrontaties met de Turken. ] (Diyanet)
١٨٤٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَة ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يُهْلِكُ النَّاسَ هذَا الْحَيُّ مِنْ قُرَيْشٍ قَالُوا: فَمَا تَأْمُرُنَا قَالَ: لَوْ أَنَّ النَّاسَ اعْتَزَلُوهُمْ1846 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Sommige mensen uit de stam van Quraysh zullen de mensen (door fitnah) vernietigen.” Ze vroegen: “Wat beveelt u ons aan (om te doen)?”Hij zei: 'Als de mensen zich van hen zouden afzonderen.'
[De fitan-aḥadīth (riwāyāt al-fitan), waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) informatie geeft over de toekomst en wijst op opkomende sociale problemen, moreel verval en politieke conflicten, dienen als waarschuwing voor de moslims.In sommige van deze aḥadīth wordt bevolen om zich tijdens tijden van chaos te onthouden van gedragingen die het vuur van fitnah aanwakkeren, om geen stappen te zetten die de eenheid en solidariteit van de ummah kan schaden, om gematigdheid en kalmte te bewaren, en om niet deel te nemen aan plunderingen.In deze ḥadīth is een vergelijkbare raad te lezen, waarin gelovigen worden aangespoord om verstandig en terughoudend te handelen in tijden van sociale ontwrichting. ] (Diyanet)
١٨٤٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: هَلَكَ كِسْرَى، ثُمَّ لاَ يَكُونُ كِسْرَى بَعْدَهُ وَقَيْصَرٌ لَيَهْلِكَنَّ، ثُمَّ لاَ يَكُونُ قَيْصَرٌ بَعْدَهُ وَلَتُقْسَمَنَّ كُنَوزُهُمَا فِي سَبِيلِ اللهِ1847 – Van AAbu Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Kisrā (koning van de Persen) is omgekomen. Daarna zal er geen Kisrā meer zijn. En Keizer zal zeker omkomen. Daarna zal er geen Keizer meer zijn. En hun schatten zullen waarlijk uitgegeven worden op weg van Allāh.”
[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde brieven met de oproep tot Islām naar de Kisrā van Perzië en de keizer van Rome, maar deze twee koningen accepteerden zijn uitnodiging niet. In deze ḥadīth is een blijde boodschap vervat dat hun heerschappij op een dag zal eindigen en dat hun land in handen van de moslims zal komen. Zo zullen hun schatten voor de zaak van de Islām worden besteed, wat ook daadwerkelijk is uitgekomen.] ] (Diyanet)
١٨٤٨ - حديث جَابِرِ بْنِ سَمُرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا هَلَكَ كِسْرَى فَلاَ كِسْرَى بَعْدَهُ وَإِذَا هَلَكَ قَيْصَرُ، فَلاَ قَيْصَرَ بَعْدَهُ وَالَّذِي نَفْسِي بَيَدِهِ لَتُنْفَقَنَّ كُنُوزُهُمَا فِي سَبِيلِ اللهِ1848 – Van Jābir ibn Samurah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Kisrā omkomt, daarna zal er geen Kisrā meer zijn. En wanneer Keizer omkomt, dan zal er geen Keizer na hem meer zijn. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, waarlijk zullen hun schatten uitgegeven worden op weg van Allāh.”
١٨٤٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ تُقَاتِلُكمُ الْيَهُودُ فَتسَلَّطُونَ عَلَيْهِمْ، ثُمَّ يَقُولُ الْحَجَرُ: يَا مُسْلِمُ هذَا يَهُودِيٌ وَرَائِي، فَاقْتُلْهُ1849 – Van ʿAbdullaah ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘De joden zullen tegen jullie vechten, maar jullie zullen de overhand op hen krijgen. Dan zal zelfs een steen (tot spreken komen en) zeggen: “O moslim, hier is een jood achter mij! Dood hem.”
١٨٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى يُبْعَثَ دَجَّالُونَ كَذَّابُونَ قَرِيبًا مِنْ ثَلاَثِينَ، كُلُّهُمْ يَزْعُمُ أَنَّهُ رَسُولُ اللهِ1850 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur zal niet aanbreken totdat twee (moslim) groepen in oorlog met elkaar zullen zijn, tussen hen zal er een enorme slachting plaatsvinden, terwijl hun oproep (da`wah) één en dezelfde is.En het Uur zal niet aanbreken totdat (ongeveer) 30 Dajjāls (valse messiassen leugenaars) worden gestuurd, en zij allen zullen beweren: ‘Ik ben Rasûlullāh.’”
Over Ibn Ṣayyād
ذكر ابن صياد
١٨٥١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ قَالَ: إِنَّ عُمَرَ انْطَلَقَ فِي رَهْطٍ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ، مَعَ النَبِيِّ ﷺ، قِبَلَ ابْنِ صَيَّادٍ، حَتَّى وَجَدُوهُ يَلْعَبُ مَعَ الْغِلْمَانِ، عِنْدَ أُطُمِ بَنِي مَغَالَةَ، وَقَدْ قَارَبَ يَوْمَئِذٍ ابْنُ صَيَّادٍ يَحْتَلِمُ فَلَمْ يَشْعُرْ حَتَّى ضَرَبَ النَّبِيُّ ﷺ، ظَهْرَهُ بِيَدِهِ ثُمَّ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَتَشْهَدُ أَنِّي رَسُولُ اللهِ ﷺ فَنَظَرَ إِلَيْهِ ابْنُ صَيَّادٍ، فَقَالَ: أَشْهَدُ أَنَّكَ رَسُولُ الأُمِّيِّينَ فَقَالَ ابْنُ صَيَّادٍ لِلنَّبِيِّ ﷺ: أَتَشْهَدُ أَنِّي رَسُولُ اللهِ ⦗٣١٠⦘ قَالَ لَهُ النَّبِيُّ ﷺ: آمَنْتُ بِاللهِ وَرُسُلِهِ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَاَذَا تَرَى قَالَ ابْنُ صَيَّادٍ: يَأْتِينِي صَادِقٌ وَكَاذِبٌ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: خُلِطَ عَلَيْكَ الأَمْرُ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي قَدْ خَبَأْتُ لَكَ خَبِيئًا قَالَ ابْنُ صَيَّادٍ: هُوَ الدُّخُّ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اخْسأْ فَلَنْ تَعْدُو قَدْرَكَ قَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ ائْذَنْ لِي فِيهِ أَضْرِبْ عُنُقَهُ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنْ يَكُنْهُ، فَلَنْ تُسَلَّطَ عَلَيْهِ وَإِنْ لَمْ يَكُنْهُ، فَلاَ خَيْرَ لَكَ فِي قَتْلِهِ
851 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):ʿUmar ging samen met een groep metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op weg ging naar Ibn Ṣayyād.
Zij troffen hem aan terwijl hij met kinderen speelde bij de vesting van Banī Maghālah.Op die dag had Ibn Ṣayyād bijna de leeftijd van puberteit bereikt.Hij merkte niets, totdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met zijn hand op zijn rug sloeg.Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Getuig jij dat ik Rasûlullāh ben?”Ibn Ṣayyād keek naar hem en zei: “Ik getuig dat jij de Boodschapper bent van de ongeletterden.”Toen zei Ibn Ṣayyād tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Getuig jij dat ik rasûlullāh ben?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Ik geloof in Allāh en Zijn boodschappers.”Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat zie jij?”Ibn Ṣayyād zei: “Er komt tot mij soms een waarachtig en soms een leugenachtig (bericht).”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze zaak is voor jou erg verwarrend geworden.”Daarna zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ik heb iets voor jou verborgen gehouden (om je te testen).”Ibn Ṣayyād zei: “Het is 'ad-dukh' (de rook).”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ga weg, overschrijd je grenzen niet.”Toen zei ʿUmar: “O Rasûlullāh, geef mij toestemming om zijn nek te slaan.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als hij het werkelijk is (de Dajjāl), dan zal jij geen macht over hem hebben.
En als hij het niet is, dan is het beter voor jou om hem niet te doden.”
[Ibn Sayyād was een man uit Madīnah die leefde tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), maar over wiens religieuze identiteit twijfels bestond. Gezien de tegenstrijdige informatie en verhalen over hem, werd gedacht dat hij mogelijk excentriek was, en sommigen vermoedden dat hij de Dajjāl zou kunnen zijn.Een van de aḥadīth vertelt dat hij al op jonge leeftijd beweerde kennis van het ongeziene te hebben en zich als profeet presenteerde. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stelde hem op de proef, en vroeg hem hierover met het in gedachten houden van Āyah 10 van sūrah al-Dukhān. Ibn Sayyād kon echter slechts het eerste deel van het woord Dukhān uitspreken als “Dukh”, waarmee hij bewees dat hij geen kennis van het ongeziene had. Hiermee stelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn aṣḥāb gerust.Onze geleerden zijn van mening dat deze jongen, die zijn profeetschap beweerde zonder te getuigen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Allahs Rasūl is, vanwege zijn jeugd of mogelijk vanwege een overeenkomst met de joden, werd hij niet gestraft.] (Diyanet)Bovenkant formulier
١٨٥٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: انْطَلَقَ النَّبِيُّ ﷺ، وَأُبَيُّ بْنُ كَعْبٍ، يَأْتِيَانِ النَّخْلَ الَّذِي فِيهِ ابْنُ صَيَّادٍ حَتَّى إِذَا دَخَلَ النَّخْلَ، طَفِقَ النَّبِيُّ ﷺ يَتَّقِي بِجُذُوعِ النَّخْلِ، وَهُوَ يَخْتِلُ ابْنَ صَيَّادٍ، أَنْ يَسْمَعَ مِنِ ابْنِ صَيَّادٍ شَيْئًا قَبْلَ أَنْ يَرَاهُ وَابْنُ صَيَّادٍ مُضْطَجِعٌ عَلَى فِرَاشِهِ، فِي قَطِيفَةٍ لَهُ، فِيهَا رَمْزَةٌ فَرَأَتْ أُمُّ صَيَّادٍ النَّبِيَّ ﷺ، وَهُوَ يَتَّقِي بِجُذُوعِ النَّخْلِ فَقَالَتْ لاِبْنِ صَيَّادٍ: أَيْ صَافِ (وَهُوَ اسْمُهُ) فَثَارَ ابْنُ صَيَّادٍ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَوْ تَرَكَتْهُ بَيَّنَ1852 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging op weg, samen met Ubay ibn Kaʿb, naar de palm(tuin) waar Ibn Ṣayyād zich bevond.Toen hij het palmtuin binnenging, verborg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich achter de stammen van de palmen. Hij probeerde stiekem Ibn Ṣayyād af te luisteren om iets van hem op te vangen voordat hij hem zou zien.En Ibn Ṣayyād lag op zijn matras, gewikkeld in een grove wollen deken waarin hij wat mompelde.
Toen zag de moeder van Ibn Ṣayyād an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich verschool achter de palmbomen, en zij riep: “O Ṣaaf! (dat is zijn naam)!” (Muhammed is hier)Daarop sprong Ibn Ṣayyād op, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als zij (de moeder van Ibn Ṣayyād) hem had laten gaan, zou hij zich hebben geopenbaard (of iets duidelijk hebben gemaakt).”
١٨٥٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ قَالَ: ثُمَّ قَامَ النَّبِيُّ ﷺ، فِي النَّاسِ، فَأَثْنى عَلَى اللهِ بِمَا هُوَ أَهْلُهُ ثُمَّ ذَكَرَ الدَّجَّالَ، فَقَالَ: إِنِّي أُنْذِرُ كُمُوهُ، وَمَا مِنْ نَبِيٍّ إِلاَّ قَدْ أَنْذَرَهُ قَوْمَهُ لَقَدْ أَنْذَرَهُ نُوحٌ قَوْمَهُ وَلكِنْ سَأَقُولُ لَكُمْ فِيهِ قَوْلًا لَمْ يَقُلْهُ نَبِيٌّ لِقَوْمِهِ تَعْلَمُونَ أَنَّهُ أَعْوَرُ، وَأَنَّ اللهَ لَيْسَ بِأَعْوَرَ853 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Vervolgens stond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op onder de mensen en prees Allāh zoals Hem toekomt. Daarna sprak hij over de Dajjāl en zei: “Voorwaar, ik waarschuw jullie voor hem (en zijn slechtheden). Er is geen profeet geweest of hij heeft zijn volk voor hem gewaarschuwd.Voorwaar, Nûh (عليه السلام) heeft zijn volk ook voor hem gewaarschuwd. Maar ik zal jullie iets over hem zeggen wat geen enkele profeet ooit tegen zijn volk heeft gezegd: “Jullie weten dat hij één oog mist, en dat Allāh niet eenogig is.”
Kenmerken en relevante zaken over Dajjāl
١٨٥٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ قَالَ: ذَكَرَ النَّبِيُّ ﷺ يَوْمًا، بَيْنَ ظَهْرَيِ النَّاسِ، الْمَسِيحَ الدَّجَالَ فَقَالَ: إِنَّ اللهَ لَيْسَ بِأَعْوَرَ، أَلاَ إِنَّ الْمَسِيحَ الدَّجَالَ أَعْوَرُ الْعَيْنِ الْيُمْنى، كَأَنَّ عَيْنَهُ عِنَبَةٌ طَافِيَةٌ1854 –Van ʿAbdullāh Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak op een dag onder de mensen over de Masīh ad-Dajjāl (de bedrieger, de leugenaar).Hij zei: “Voorwaar, Allāh is niet eenogig. Weet dat de Masīh ad-Dajjāl een blind rechteroog heeft; zijn oog lijkt op een losse druif (uitpuilt).”
١٨٥٥ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا بُعِثَ نَبِيٌّ إِلاَّ أَنْذَرَ أُمَّتَهُ الأَعْوَرَ الْكَذَّابَ أَلاَ إِنَّهُ أَعْوَرُ، وَإِنَّ رَبَّكُمْ لَيْسَ بِأَعْوَرَ وَإِنَّ بَيْنَ عَيْنَيْهِ مَكْتُوبٌ كَافِرٌ1855 - Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geen enkele profeet is ooit gestuurd zonder dat hij zijn gemeenschap waarschuwde voor de eenogige leugenaar. Weet dat hij eenogig is, en jullie Rab is niet eenogig. En tussen zijn ogen staat geschreven: kāfir.”Dit is ook overgeleverd door Abû Hurayrah en Ibn ʿAbbās van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).
١٨٥٦ - حديث حُذَيْفَةَ قَالَ عُقْبَةُ بْنُ عَمْرِو لِحُذَيْفَةَ: أَلاَ تُحَدِّثُنَا مَا سَمِعْتَ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنِّي سَمِعْتُهُ يَقُولُ: إِنَّ مَعَ الدَّجَالِ، إِذَا خَرَجَ، مَاءً وَنَارًا فَأَمَّا الَّذِي يَرَى النَّاسُ أَنَّهَا النَّارُ، فَمَاءٌ بَارِدٌ وَأَمَّا الَّذِي يَرَى النَّاسُ أَنَّهُ مَاءٌ بَارِدٌ، فَنَارٌ تُحْرِقُ فَمَنْ أَدْرَكَ مِنْكُمْ، فَلْيَقَعْ فِي الَّذِي يَرَى أَنَّها نَارٌ، فَإِنَّهُ عَذْبٌ بَارِدٌ1856 – Van Ribʿī ibn Ḥirāsh (رضي الله عنه):ʿUqbah ibn ʿAmr zei tegen Ḥudhāyfah: “Vertel ons, heb je iets gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ?”Hij (Ḥudhāyfah) zei: “Ik heb hem horen zeggen: ‘Wanneer de Dajjāl verschijnt, zal hij water en vuur bij zich hebben.
Wat de mensen zien als vuur, is in werkelijkheid koel water,en wat ze zien als water, is in werkelijkheid een brandend vuur.Wie van jullie hem (Dajjāl ) tegenkomt, laat zich dan niet misleiden. Hij moet zich naar het vuur begeven, want het is echt koel water.’
[De Dajjāl is een figuur die in de religies wordt gezien als een teken van de Dag des Oordeels en die de mensheid zal proberen te misleiden en van het rechte pad af te brengen. Hij beschikt over bepaalde bovennatuurlijke krachten.In de aḥadīth, en in het bijzonder in de fitan-aḥadīth, wordt met symbolische taal gewezen op de misleidende aard van de Dajjāl, en worden de moslims gewaarschuwd en aangespoord om waakzaam te zijn.Sommige geleerden interpreteren de Dajjāl niet als een individu of een wezen, maar als een ideologie of een kwaadaardige beweging.
Ook de misleidende en manipulerende uitspraken van degenen die beweren de waarheid aan de mensen te verkondigen, maar in werkelijkheid van de waarheid afwijken en die, hoewel het lijkt alsof zij tot het goede oproepen, in feite uitnodigen tot het kwade, worden gezien als een onderdeel van de fitnah van de Dajjāl. ] (Diyanet)
١٨٥٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَلاَ أُحَدِّثُكُمْ حَدِيثًا عَنِ الدَّجَّالِ، مَا حَدَّثَ بِهِ نَبِيٌّ قَوْمَهُ إِنَّهُ أَعْوَرُ وَإِنَّهُ يَجِيءُ مَعَهُ بِمِثَالِ الْجَنَّةِ وَالنَّارِ فالَّتِي يَقُولُ إِنَّهَا الْجَنَّةُ، هِيَ النَّارُ وَإِنِّي أُنْذِرُكُمْ كَمَا أَنْذَرَ بِهِ نُوحٌ قَوْمَهُ1857 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zal ik jullie iets vertellen over de Dajjāl? Geen enkele profeet heeft zijn volk hierover verteld. Hij is éénogig, en hij zal met iets komen dat lijkt op het Paradijs en het Hellevuur. Wat hij zegt dat het Paradijs is, is in werkelijkheid het Hellevuur. En ik waarschuw jullie zoals Nūḥ (عليه السلام) zijn volk waarschuwde.”
De kenmerken van de Dajjāl, het feit dat Madīnah voor hem verboden wordt, en het doden en weer tot leven wekken van een gelovige
في صفة الدجال وتحريم المدينة عليه وقتله المؤمن وإِحيائه
١٨٥٨ - حديث أَبِي سعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، قَالَ: حَدَّثَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، حدِيثًا طَوِيلًا عَنِ الدَّجَالِ فَكَانَ فِيمَا حَدَّثَنَا بِهِ أنْ قَالَ: يَأْتِي الدَّجَّالُ، وَهُوَ مُحَرَّمٌ عَلَيْهِ أَنْ يَدْخُلُ نِقَابِ الْمَدِينَةِ، بَعْضَ السِّبَاخِ الَّتِي بِالْمَدِينَةِ فَيَخْرُجُ إِلَيْهِ يَوْمَئِذٍ رَجُلٌ هُوَ خَيْرُ النَّاسِ، أَوْ مِنْ خَيْرِ النَّاسِ فَيَقُولُ الدَّجَّالُ: أَرَأَيْتُ إِنْ قَتَلْتُ هذَا ثُمَّ أَحْيَيْتُهُ، هَلْ تَشُكُّونَ فِي الأَمْرِ فَيَقُولُون: لاَ فَيَقْتُلُهُ ثُمَّ يُحْيِيهِ فَيَقُولُ، حِينَ يُحْيِيهِ: وَاللهِ مَا كُنْتُ قَطُّ أَشَدَّ بَصِيرَةً مِنِّي الْيَوْمَ فَيَقُولُ الدَّجَّالُ: أَقْتُلُهُ، فَلاَ أُسَلَّطُ عَلَيْهِ
1858 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertelde ons een lang verhaal over de Dajjāl, en een deel van wat hij ons vertelde is als volgt: “De Dajjāl zal naar een lege met kiezels bedekte vlakte in de buurt van Madīnah komen, omdat het voor hem verboden is om door de poorten van Madīnah te gaan. Op deze dag zal een man, die de beste of een van de beste mensen van de stad is, naar hem gaan.Hij zal zeggen: “Ik getuigen dat jij de Dajjāl bent, degene over wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over heeft verteld.”Dan zal de Dajjāl zeggen: “Wat als ik deze man doodmaak en hem daarna weer tot leven breng?Zouden jullie dan nog twijfelen aan mijn goddelijkheid?”Ze zullen zeggen: “Nee.”Dan zal hij hem doden, en weer tot leven brengen.
Wanneer hij weer tot leven komt, zal hij zeggen: “Bij Allāh, ik was nooit eerder zo duidelijk van wat ik vandaag zag.”Dan zal de Dajjāl zeggen: “Ik zal deze man opnieuw doden, echter, het blijkt voor mij niet mogelijk om dit te doen
Dajjāl en het feit dat hij, vergeleken met de Allahu (عز وجل), een nietig wezen isفي الدجال وهو أهون على الله ﷿
١٨٥٩ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شَعْبَةَ قَالَ: مَا سَأَلَ أَحَدٌ النَّبِيَّ ﷺ، عَنِ الدَّجَّالِ، مَا سَأَلْتُهُ وَإِنَّهُ قَالَ لِي: مَا يَضُرُّكَ مِنْهُ قُلْتُ: لأَنَّهُمْ يَقُولُونَ إِنَّ مَعَهُ جَبَلَ خُبْزٍ وَنَهَرَ مَاءٍ قال: هُوَ أَهْوَنُ عَلَى اللهِ مِنْ ذَلِكَ
1859 – Van Al-Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):Niemand vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) meer over de Dajjāl dan ik, en hij zei tegen mij: 'Wat kan het jou schelen / Dajjāl zal jou geen schade toebrengen?'Ik zei: 'De mensen zeggen dat hij een berg van brood en een rivier van water met zich meebrengt.'Hij zei: 'Dat is voor Allāh makkelijker dan dat.'
Het verschijnen van Dajjāl en zijn verblijf op aarde voor een bepaalde tijdفي خروج الدجال، ومكثه في الأرض
١٨٦٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لَيْسَ مِنْ بَلَدٍ إِلاَّ سَيَطَؤُهُ الدَّجَّالُ، إِلاَّ مَكَّةَ وَالْمَدِينَةَ لَيْسَ لَهُ مِنْ نِقَابِهَا نَقْبٌ، إِلاَّ عَلَيْهِ الْمَلاَئِكَةُ صَافِّينَ يَحْرُسُونَهَا ثُمَّ تَرْجُفُ الْمَدِينَةُ بِأَهْلِهَا ثَلاَثَ رَجَفَاتٍ، فَيُخْرِجُ اللهُ كُلَّ كَافِرٍ وَمُنَافِقٍ
1860 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen enkele plek op aarde die de Dajjāl niet heeft betreden, vertrapt of veroverd, behalve Makkah en Madīnah. Voor deze twee steden is er geen ingang voor hem. De engelen zullen zich in rijen opstellen om hen te beschermen.Daarna zal Madīnah beven met haar inwoners, drie hevige aardbevingen, en Allāh zal iedere ongelovige en huichelaar uit Madīnah verdrijven.”
Het naderende Uur (Dag des Oordeels)قرب الساعة
١٨٦١ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: مِنْ شِرَارِ النَّاسِ مَنْ تُدْرِكُهُمُ السَّاعَةُ وَهُمْ أَحْيَاءٌ
1861 – Abû Mûsā al Ashārī (رضي الله عنه) zei tegen ʿAbdullāh ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):Weet je welke tijd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bedoelde toen hij sprak over de tijd van chaos (hijr)?”Ibn Masʿūd zei: “Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: Tot de slechtste mensen behoren zij bij wie het Uur (de Laatste Dag) aanbreekt terwijl zij nog leven.'
١٨٦٢ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ ﵁، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ بِإِصْبَعَيْهِ هكَذَا، بِالْوُسْطَى وَالَّتِي تَلِي الإِبْهَامَ بُعِثْتُ وَالسَّاعَةَ كَهَاتَيْنِ أخرجه البخاري في ٦٥ كتاب التفسير: ٧٩ باب سورة والنازعات1862 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen, terwijl hij zijn twee vingers zo hield, de middelvinger en de vinger ernaast: 'Ik ben gezonden en het Uur (de Dag des Oordeels) is zoals deze twee vingers.'فَإِذَا جَآءَتِ ٱلطَّآمَّةُ ٱلۡكُبۡرَىٰ ٣٤ Wanneer dan de overweldigende gebeurtenis plaatsvindt. (surah an-Nāzi`āt 79/34)
١٨٦٣ - حديث أَنَسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: بُعِثْتُ وَالسَّاعَةَ كَهَاتَيْنِ1863 – Van Anas (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Ik ben gezonden en het Uur (de Dag des Oordeels) is zoals deze twee vingers.'“
(De tijd) tussen de twee keren dat op de bazuin (sûr) wordt geblazen
ما بين النفختين
١٨٦٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا بَيْنَ النَّفْخَتَيْنِ أَرْبَعُونَ قَالَ: أَرْبَعُونَ يَوْمًا قَالَ: أَبَيْتُ قَالَ: أَرْبَعُونَ شَهْرًا قَالَ: أَبَيْتُ قَالَ: أَرْبَعُونَ سَنَةً قَالَ: أَبَيْتُ قَالَ: ثُمَّ يُنْزِلُ اللهُ مِنَ السَّمَاءِ مَاءً، فَيَنْبُتُونَ كَمَا يَنْبُتُ البَقْلُ، لَيْسَ مِنَ الإِنْسَانِ شَيْءٌ إِلاَّ يَبْلَى، إِلاَّ عَظْمًا وَاحِدًا، وَهُوَ عَجْبُ الذَّنَبِ، وَمِنْهُ يُرَكَّبُ الْخَلْقُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ
1864 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: (Op de Dag des Oordeels) zal er twee keer op de Sûr geblazen worden, en tussen deze twee blazen zit een tijdsduur van veertig.'Veertig wat?' vroegen ze. O Abū Hurayrah is het veertig dagen. Ik heb ervoor gekozen om deze vraag niet te beantwoorden.‘Is het veertig maanden’, vroegen ze. Ik heb ervoor gekozen om deze vraag niet te beantwoorden.'Is het veertig jaren?' vroegen ze.Hij zei: 'Dan zal Allāh water uit de hemel laten neerdalen, en ze zullen (uit hun graf) groeien zoals gras groeit. Er zal niets van de mens overblijven behalve het stuitbeenje, en van dat botje zal de schepping weer opgebouwd worden op de Dag der Opstanding.'“
[De Sûr is een hoorn of trompet die door de engel Israfīl عليه السلام wordt geblazen en een schokkend en krachtig geluid voortbrengt. Bij de eerste blaas zal de Dag des Oordeels plaatsvinden: het universum zal vergaan en alle levende wezens zullen sterven, behalve degenen die Allāh wil sparen. Bij de tweede blaas zal het wederopstanding beginnen.
وَنُفِخَ فِي ٱلصُّورِ فَصَعِقَ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَن فِي ٱلۡأَرۡضِ إِلَّا مَن شَآءَ ٱللَّهُۖ ثُمَّ نُفِخَ فِيهِ أُخۡرَىٰ فَإِذَا هُمۡ قِيَامٞ يَنظُرُونَ ٦٨
En er zal op de bazuin geblazen worden, waarop alles wat in de hemelen en op aarde is zal bezwijken, behalve (voor) wie Allah wil (dat deze blijft leven). Dan zal er een tweede maal geblazen worden en dan zullen zij staan en wachten. (surah az-Zumer, 39/68)Zoals in deze ḥadīth wordt vermeld, zal de mens bij de wederopstanding opnieuw tot leven worden gebracht, beginnend vanaf een klein deel dat de fysiologische eigenschappen van het individu draagt. Dit kleine deel, dat ‘ajbu’dz-dzanab’ (onverwoestbare deel van het menselijk lichaam: stuitbeentje) wordt genoemd, symboliseert het zaad van de mens dat in de aarde ontkiemt en de materie waaruit hij opnieuw zal worden geschapen.Hoewel het lichaam na de dood uiteenvalt en in de aarde vergaat, verdwijnt het moleculair gezien nooit volledig. Uiteraard is onze Rab, die het vermogen heeft om de doden tot leven te brengen en de levenden te doen sterven, niet afhankelijk van enige materie om opnieuw te scheppen. Toch is het volgens Zijn wijsheid dat er, net zoals bij de schepping van de eerste mens en bij de ontwikkeling van de foetus in de baarmoeder, een kern of startpunt aanwezig is bij de wederopstanding. ] (Diyanet)
كتاب الزهد والرقائقKitabu’z zuhd wa’r raqā’iq: Boek van ascese en morele verfijningen[De lexicologische betekenis van zuhd is onverlangen, ongeïnteresseerdheid, tevredenheid met het weinige.
De terminologische betekent is het niet hechten aan de wereld en materiële zaken, niet egoïstisch, zelfzuchtig of uit zijn op eigen voordeel, geen zorgen maken om wereldse zaken en geen belang eraan hechten, en tevreden zijn met wat men heeft. Het wordt ook zo omschreven: “Het niet blij zijn met wat men bezit en niet bedroefd zijn om wat men verliest, en dat wat men niet heeft ook niet in het hart aanwezig is.”Allah (سبحانه وتعالى) heeft allerlei zegeningen geschapen voor Zijn dienaren en de wereld voorzien van schoonheden en genot. Hiervan genieten is een natuurlijk recht voor iedereen. Wat een moslim echter moet onthouden, is dat hij, om van de wereldse zegeningen en genietingen te genieten, niet van de legitieme weg mag afwijken, niet mag verspillen en zich niet aan het verboden (ḥarām) mag overgeven. Terwijl een moslim binnen de toegestane grenzen van de wereldse zegeningen geniet, mag hij de Hiernamaals (ākhirah) nooit vergeten en moet hij weten dat de echte genietingen en de echte zegeningen in het Hiernamaals zijn. Kort gezegd, hij mag de ākhirah niet vergeten en zijn hart aan de wereld verpatsen.Zuhd (ascese) wordt in drie delen ingedeeld:a. Het verlaten van het ḥarām:Deze soort zuhd moet aanwezig zijn bij alle moslims. Het is voor iedereen verplicht.b. Het laten staan van wat legaal (ḥalāl) is maar niet noodzakelijk:Dit komt voor bij degenen die in het dienen van Allah hoge graden hebben bereikt.c. Het verlaten van alles wat afleidt van de bezigheid met Allah:Dit is het zuhd dat behoort tot de ‘arif, degenen die Allah volledig kennen en Hem gehoorzamen.Raqā’iq (fijngevoeligheden/morele verfijningen):Raqā’iq is het meervoud van het woord raqîq dat “fijnheid” of “delicate subtiliteit” betekent. De ahadith die in dit onderwerp worden besproken, worden zo genoemd omdat ze het hart verfijnen en verzachten.]
١٨٦٥ - حديث أَنَسِ بن مَالِكٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَتْبَعُ الْمَيِّتَ ثَلاَثَةٌ فَيَرْجِعُ اثْنَانِ وَيَبْقَى مَعَهُ وَاحِدٌ يَتْبَعُهُ أَهْلُهُ وَمَالُهُ وَعَمَلُهُ فَيَرْجِعُ أَهْلُهُ وَمَالُهُ، وَيَبْقَى عَمَلُهُ
1865 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er volgen drie dingen die de overledene (naar zijn graf) volgen:Twee daarvan keren terug, en één blijft bij hem.Zijn familie, zijn bezit en zijn daden volgen hem,Zijn familie en bezit keren terug, maar alleen zijn daden blijven bij hem.”
١٨٦٦ - حديث عَمْرِو بْنِ عَوْفٍ الأَنْصَارِيِّ، وَهُوَ حَلِيفٌ لِبَنِي عَامِرِ بْنِ لُؤَيٍّ، وَكَانَ شَهِدَ بَدْرًا قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ بَعَثَ أَبَا عُبَيْدَةَ بْنَ الْجَرَّاحِ إِلَى الْبَحْرَيْنِ يَأتِي بِجِزْيَتِهَا وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، هُوَ صَالَحَ أَهْلَ الْبَحْرَيْنِ، وَأَمَّرَ عَلَيْهِمُ الْعَلاَءَ بْنَ الْحَضْرَمِيِّ فَقَدِمَ أَبُو عُبَيْدَةَ بمَالٍ مِنَ الْبَحْرَيْنِ فَسَمِعَتِ الأَنْصَارُ بِقُدُومِ أَبِي عُبَيْدَةَ فَوَافَتْ صَلاَةَ الصُّبْحِ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فَلَمَّا صَلَّى بِهِمُ الْفَجْرَ انْصَرَفَ فَتَعَرَّضُوا لَهُ فَتَبَسَّمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، حِينَ رَآهُمْ وَقَالَ: أَظُنُّكُم قَدْ سَمِعْتُمْ أَنَّ أَبَا عُبَيْدَةَ قَدْ جَاءَ بِشَيْءٍ قَالُوا: أَجَلْ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: فَأَبْشِروا وَأَمِّلوا مَا يَسُرُّكُمْ فَوَاللهِ لاَ الْفَقْرَ أَخْشى عَلَيْكُمْ، وَلكِنْ أَخْشى عَلَيْكُمْ أَنْ تُبْسَطَ عَلَيْكُمُ الدُّنْيَا كَمَا بُسِطَتْ عَلَى مَنْ كَانَ قَبلَكُمْ، فَتَنَافَسُوهَا كَمَا تَنَافَسُوهَا، وَتُهْلِكَكُمْ كَمَا أَهْلَكَتْهُمْ1866 – Van al-Miswar ibn Makhramah (رضي الله عنه):`Amr ibn ʿAwf al-Anṣārī, die een overeenkomst had met de Banu ʿĀmir ibn Lu'ay en die aanwezig was bij de Slag van Badr, vertelde mij dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Abū ʿUbaydah ibn al-Jarrāḥ naar Baḥrayn stuurde om de belasting (jizyah) daar te innen.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een overeenkomst gesloten met de mensen van Baḥrayn, en hij had ʿĀlāī ibn al-Ḥaḍramī (als gouverneur) over hen aangesteld.Abū ʿUbaydah bracht de jizyah van Baḥrayn (naar Madīnah) en de Anṣār hoorden van zijn aankomst.
Ze wachtten hem op bij de salāh al-fajr samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de salāh al-fajr met hen had verricht en vertrok, gingen de metgezellen meteen op weg om Abū ʿUbaydah te verwelkomen. Toen hij hen zag, glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: 'Ik denk dat jullie gehoord hebben dat Abū ʿUbaydah iets heeft meegebracht.'Ze zeiden: 'Ja, Rasûlullāh.'Hij zei: 'Wees blij en hoop op datgene wat jullie zal verblijden, want bij Allāh, ik vrees niet voor jullie dat jullie in armoede zullen vervallen, maar ik vrees dat de wereld (weldaden) voor jullie wordt uitgestrekt zoals het werd uitgestrekt voor degenen die voor jullie waren, en dat jullie de wereld (zaken) zullen najagen zoals zij het deden, en dat het jullie zal vernietigen zoals het hen vernietigde.”
{Jizyah is een belasting die in de Islāmitische wetgeving werd opgelegd aan niet-moslims (dhimmī) die onder Islāmitisch bestuur leefden.}
١٨٦٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا نَظَرَ أَحَدُكُمْ إِلَى مَنْ فُضِّلَ عَلَيْهِ فِي الْمَالِ وَالْخَلْقِ، فَلْيَنْظُرْ إِلَى مَنْ هُوَ أَسْفَلَ مِنْهُ1867 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Als een van jullie kijkt naar iemand die beter is dan hij in bezitting en schepping (uiterlijk), dan moet hij (juist) naar degene kijken die onder hem staat (en daarom Allāh danken).'
[De ḥadīth benadrukt twee zeer belangrijke eigenschappen: sabr (geduld) en shukr (dankbaarheid). Shukr betekent dat men zich bewust is van Degene die de gunst heeft geschonken, Hem dankt en dit ook openlijk toont. Daarentegen is kufr, het tegenovergestelde, het ontkennen van Degene die de gunst heeft geschonken en het verbergen ervan. Laten we niet vergeten dat het begrip kufr niet alleen ongeloof betekent maar ook het ontkennen en verbergen van de Gever van de gunst.Het woord kufr duidt op het niet geloven in en het ontkennen van Allāh, de Voorziener Die de mens eindeloze gunsten schenkt.
Daartegenover staat het woord shukr voor het geloven in Allāh, het erkennen dat Hij de Gever van de gunsten is en het tonen van dankbaarheid jegens Hem.Shukr is het erkennen van de Gever van de gunst door zich aan Hem te onderwerpen. Shukr is het loven van degene die goedheid schenkt, door zijn weldaad te gedenken. Shukr is dat het hart zich met liefde tot de Gever van de gunst richt, de ledematen Hem gehoorzamen, en de tong Hem gedenkt en prijst. Shukr is dat men de gunsten toeschrijft aan Degene Die ze geschonken heeft, met volledige onderwerping. Shukr is het genoegen vinden in het prijzen van Allāh om Zijn gunsten, terwijl Hij daar Zelf geen behoefte aan heeft.Shukr betekent dat je Degene die je gunsten schenkt bedankt, je tevredenheid en dankbaarheid toont, de waarde van die gunst erkent en deze op waarde schat. Het is het bewustzijn dat alle gunsten in werkelijkheid enkel van Allāh afkomstig zijn, en dit met eerbied uitspreken. Shukr is het besef dat je eigenlijk niet in staat bent tot echte dankbaarheid. Shukr is ook Allāh niet ongehoorzaam zijn met de gunsten die Hij gegeven heeft.Allāh beproeft de gelovigen van tijd tot tijd met sabr (geduld) en shukr (dankbaarheid). Soms doet Hij dat met armoede, soms met rijkdom, soms met beproevingen, en soms met overwinningen. Hij schenkt gunsten opdat mensen zichzelf beter leren kennen en zich herinneren aan de gunsten die Hij heeft gegeven. Soms geeft Hij overvloed, en soms ontneemt Hij die na een periode van rijkdom.De gelovigen die aan beproevingen worden onderworpen, krijgen met moeilijkheden te maken, worden van bepaalde zaken beroofd, en ondervinden leed van andere mensen. De gelovige is geduldig bij elke vorm van beproeving en uit dankbaarheid of lof bij elke vorm van gunst. Allāh heeft de mens talloze gunsten geschonken. Met deze gunsten test Hij de mens, zal hij dankbaar zijn of ondankbaar?] (HY)
١٨٦٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِنَّ ثَلاَثَةً فِي بَنِي إِسْرَائِيلَ، أَبْرَصَ وَأَقْرَعَ وَأَعْمى بَدَا للهِ أَنْ يَبْتَلِيَهُمْ فَبَعَثَ إِلَيْهِمْ مَلَكًا فَأَتَى الأَبْرَصَ فَقَالَ: أَيُّ شَيْءٍ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: لَوْنٌ حَسَنٌ وَجِلْدٌ حَسَنٌ قَدْ قَذِرَنِيَ النَّاسُ قَالَ: فَمَسَحَهُ، فَذَهَبَ عَنْهُ فَأُعْطِيَ لَوْنًا حَسَنًا فَقَالَ: أيُّ الماَلِ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: الإِبِلُ فَأُعْطِىَ نَاقَةً عُشَرَاءَ فَقَالَ: يُبَارَكُ لَكَ فِيهَا
وَأَتَى الأَقْرَعَ فَقَالَ: أَيُّ شَيْءٍ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: شَعَرٌ حَسَنٌ، وَيَذْهَبُ عَنِّي هذَا قَدْ قَذِرَنِيَ النَّاسُ قَالَ: فَمَسَحَهُ فَذَهَبَ وَأُعْطِيَ شَعَرًا حَسَنًا قَالَ: فَأَيُّ الْمَالِ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: الْبَقَرُ قَالَ: فَأَعْطَاهُ بَقَرَةً حَامِلًا وَقَالَ: يُبَارَك لَكَ فِيهَاوَأَتَى الأَعْمى، فَقَالَ: أَيُّ شَيْءٍ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: يَرُدُّ اللهُ إِلَيَّ بَصَرِي، فَأُبْصِرُ بِهِ النَّاسَ قَالَ: فَمَسَحَهُ فَرَدَّ اللهُ إِلَيْهِ بَصَرَهُ قَالَ: فَأَيُّ الْمَالِ أَحَبُّ إِلَيْكَ قَالَ: الْغَنْمُ فَأَعْطَاهُ شَاةً وَالِدًا فَأُنْتِجن هذَانِ وَوَلَّدَ هذَا فَكَانَ لِهذِهِ وَادٍ مِنْ إِبِلٍ، وَلِهذَا وَادٍ مِنْ بَقَرٍ، وِلِهذَا وَادٍ مِنَ الْغَنَمِمَّ إِنَّهُ أَتَى الأَبْرَصَ فِي صُورَتِهِ وَهَيْئَتِهِ، فَقَالَ: رَجُلٌ مِسْكِينٌ تَقَطَّعَتْ بِيَ الْجِبَالُ فِي سَفَرِي فَلاَ بَلاَغَ الْيَوْمَ إلا بِاللهِ، ثُمَّ بِكَ أَسْأَلُكَ، بِالَّذِي أَعْطَاكَ اللَّوْنَ الْحَسَنَ، وَالجِلْدَ الْحَسَنَ، وَالْمَالَ، بَعِيرًا أَتَبَلَّغُ عَلَيْهِ فِي سَفَرِي فَقَالَ لَهُ: إِنَّ الْحُقُوقَ كَثِيرَةٌ فَقَالَ لَهُ: كَأَنِّي أَعْرِفُكَ أَلَمْ تَكُنْ أَبْرَصَ يَقْذَرُكَ النَّاسُ، فَقِيرًا فَأَعْطَاكَ اللهُ فَقَالَ: لَقَدْ وَرِثْتُ لِكَابِرٍ عَنْ كَابِرٍ فَقَالَ: إِنْ كُنْتَ كَاذِبًا، فَصَيَّرَكَ اللهُ إِلَى مَا كُنْتَ
وَأَتَى الأَقْرَعَ فِي صُورَتِهِ وَهَيْئَتِهِ، فَقَالَ لَهُ مِثْلَ مَا قَالَ لِهذَا فَرَدَّ عَلَيْهِ مِثْلَ مَا رَدَّ عَلَيْهِ هذَا فَقَالَ: إِن كُنْتَ كَاذِبًا فَصَيَّرَكَ اللهُ إِلَى مَا كنْتَوَأَتَى الأَعْمى فِي صُورَتِهِ فَقَالَ: رَجُلٌ مِسْكِينٌ، وَابْنُ سَبِيلٍ، وَتَقَطَّعَتْ بِيَ الْحِبَالُ فِي سَفَرِي فَلاَ بَلاَغَ الْيَوْمَ إِلاَّ بِاللهِ، ثُمَّ بِكَ أَسْأَلُكَ، بِالَّذِي رَدَّ عَلَيْكَ بَصَرَكَ، شَاةً أَتَبَلَّغُ بِهَا فِي سَفَرِي فَقَالَ: قَدْ كُنْتُ أَعْمى فَرَدَّ اللهُ بَصَرِي، وَفَقِيرًا فَقَدْ أَغْنَانِي فَخُذْ مَا شِئْتَ فَوَاللهِ لاَ أَجْهَدُكَ الْيَوْمَ بِشَيْءٍ أَخَذْتَهُ للهِ فَقَالَ: أَمْسِكْ مَالَكَ فَإِنَّمَا ابْتُلِيتُمْ فَقَدْ رَضِيَ اللهُ عَنْكَ، وَسَخِطَ عَلَى صَاحِبَيْكَ
1868 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er waren drie mensen onder de zonen van Isrā'īl: een man met lepra, een kale en een blinde man.Allāh (عز وجل) besloot hen te beproeven, en Hij zond een engel (in de gedaante van een mens) naar hen.Hij kwam naar de man met de lepra en vroeg: 'Wat zou je het liefst willen?'- 'Een mooie huid en een mooie kleur, want mensen vinden mij lelijk en walgelijk.'Hij wreef over hem (zijn lelijkheid verdween) en zijn huidskleur en huid werden mooi.- 'Welk soort bezit zou je het liefst willen hebben?'- ‘Kamelen of runderen (de overleveraar twijfelde).' Hij gaf hem een drachtige kameel.- 'Moge Allāh je zegenen met deze (kameel).'Hij ging toen naar de kale man en vroeg: 'Wat zou je het liefst willen?'- 'Mooie haren en dat de ziekte van mijn hoofd verdwijnt, want mensen vinden mij lelijk en walgelijk.'Hij wreef over hem (en kaalheid verdween) en zijn haar werd mooi.- 'Welk soort bezit zou je het liefst willen hebben?'- 'Runderen.' De engel gaf hem een drachtige koe.- 'Moge Allāh je zegenen met deze (koe).'Hij ging naar de blinde man en vroeg: 'Wat zou je het liefst willen?'- 'Dat Allāh mijn zicht herstelt, zodat ik weer de mensen kan zien.'Hij wreef over hem en zijn zicht werd hersteld.- 'Welk soort bezit zou je het liefst willen hebben?'- 'Schapen.' De engel gaf hem een drachtig schaap.(Na een poosje wierp de kameel van de kameeleigenaar en het rund van de rundeigenaar hun jong en het schaap van de schapeneigenaar een jong.) Deze drie mannen kregen uiteindelijk een enorme hoeveelheid bezit: een vallei vol kamelen, een vallei vol runderen en een vallei vol schapen.Op een dag kwam de engel naar de man met de lepra in zijn oorspronkelijke gedaante (nl. als een lepera-patient), en de man zei: 'Ik ben een arme reiziger, mijn mogelijkheden om onderweg te leven en mijn geboorteland te bereiken zijn afgesneden.
Vanaf vandaag kan ik mijn doel slechts bereiken, eerst met de gunst van Allāh, en vervolgens met jouw hulp. Ik vraag je nu, (omwille van de tevredenheid van) Allāh (Die jou een mooie kleur, een gezond lichaam en veel bezit heeft geschonken), om mij een kameel te geven, zodat ik mijn reis voort kan zetten (en mijn vaderland kan terugzien).Op dit verzoek antwoordde de voormalige albino: “Er zijn veel armen die iets vragen. Het is niet mogelijk om aan elke bedelaar een kameel te geven.”.Toen zei de engel tegen hem: “Ik denk dat ik jou herken. Was jij niet die albino van wie de mensen walging hadden? Was jij niet arm, en heeft Allāh jou dit bezit gegeven?De voormalige albino zei tegen de engel: “Nee, bij Allāh, ik heb dit bezit geërfd van mijn voorouders, van generatie op generatie.”Daarop zei de engel tegen hem: “Als je liegt, zal Allāh je terugbrengen naar je oorspronkelijke staat.”De engel ging naar de kale man in zijn oorspronkelijke gedaante (nl. als een kale) en stelde hem dezelfde vraag.De man zei hetzelfde: “Als je liegt, zal Allāh je terugbrengen naar je oorspronkelijke staat.”De engel ging naar de blinde man in zijn oorspronkelijke gedaante (nl. als een blinde) en vroeg hem dezelfde vraag.De blinde man zei: “Waarlijk, ik was blind, maar Allāh herstelde mijn zicht. Ik was arm, maar Allāh heeft me rijk gemaakt. Bij Allāh, ik zweer dat ik jou vandaag, omwille van Allāh, niets zal weigeren of moeilijk maken wat jij van mij zou willen nemen, zei hij.De engel zei: “Houd je bezit maar, want jullie zijn beproefd. Allāh is tevreden met jou en is boos op de twee anderen.”
[In dit voorbeeld dat Rasûlullāh(صلى الله عليه وسلم) gaf, zien we hoe mensen zich verschillend kunnen gedragen in tijden van schaarste en overvloed, rampspoed en voorspoed, ziekte en gezondheid. Deze verschillen in gedrag komt allereerst voort uit het ontbreken van het bewustzijn van murāqabah (godsbewustzijn). In de Qur’ān wordt ook op dergelijke inconsistente gedragingen gewezen.
وَإِذَا غَشِيَهُم مَّوۡجٞ كَٱلظُّلَلِ دَعَوُاْ ٱللَّهَ مُخۡلِصِينَ لَهُ ٱلدِّينَ فَلَمَّا نَجَّىٰهُمۡ إِلَى ٱلۡبَرِّ فَمِنۡهُم مُّقۡتَصِدٞۚ وَمَا يَجۡحَدُ بِـَٔايَٰتِنَآ إِلَّا كُلُّ خَتَّارٖ كَفُورٖ ٣٢
En als een golf hen als een schaduw bedekt, roepen zij Allāh aan, en laten hun aanroepingen alleen voor Hem zijn. Maar als Hij hen veilig op het land brengt, dan zijn zij onder degenen die gematigd zijn. (tussen geloof en ongeloof). Maar niemand anders ontkent Onze Tekenen dan iedere verrader en ondankbare. (sûrah Luqmān 31/32)
In de ḥadīth genoemde uiterlijke kenmerken zoals lepera, kaalheid en blindheid zijn ziektes die door anderen zichtbaar zijn. In vroegere samenlevingen werden mensen met zulke ziekten vaak beschaamd, bekritiseerd en zelfs uitgesloten. Dit was natuurlijk een extra beproeving voor hen. Het herstel van zulke ziekten bracht ongetwijfeld grote vreugde, want men was dan verlost van zowel de ziekte als de sociale uitsluiting. Daarom verdient men voor zo’n zegen dankbaarheid op twee manieren. Uit de ḥadīth blijkt dat slechts één op de drie mensen in deze beproeving van dankbaarheid slaagt. Dit percentage weerspiegelt mogelijk de houding van de mens tegenover goddelijke zegeningen. Slechts ongeveer een derde van de mensen leeft met het besef dat zij voortdurend onder goddelijke controle staan.Allāh zei toch ook: وَقَلِيلٞ مِّنۡ عِبَادِيَ ٱلشَّكُورُ ١٣
… Maar weinig van Mijn dienaren zijn dankbaren. “ (sûrah Saba’ 34/13)
In ḥadīth-excegese wordt ook gewezen op het psychologische aspect. Lepera en kaalheid zijn verbonden met iemands lichaam, fysieke structuur, temperament en aard, dat wil zeggen, hun oorzaak is intern en beïnvloedt dus ook de psyche.
Blindheid is niet altijd zo; iemand kan ook door externe factoren blind worden, wat de psyche minder zwaar aantast. Dit is ook terug te zien in de ḥadīth. De personen met lepera en kaalheid waren door hun aard ook karaktermatig aangetast, ze vergaten de gunsten die hen waren gegeven en daarmee ook Allāh, de Gever ervan, en verloren zo de beproeving. De blinde daarentegen wist zichzelf te redden van zo’n slecht einde.Dat de engel aan elk van deze drie personen verschijnt in hun vroegere toestand, dient om hen aan hun oude situatie te herinneren en hen die ongewenste staat voor ogen te brengen, zodat zij geen excuus kunnen verzinnen.Ook wordt in het verhaal gewezen op hoe rijkdom en bezit iemand kunnen doen zondigen.De gebeurtenissen die de Israëlieten overkwamen en die in de Qur’ān en authentieke ḥadīth staan, moeten aanvaard worden. Voor gebeurtenissen die niet in Qur’ān of authentieke ḥadīth staan, en die tegen de Islām indruisen, moeten we afwijzen. Voor gebeurtenissen die noch bevestigd noch weerlegd worden, moeten we ze noch accepteren noch verwerpen.De gelovige houdt zijn woord, de huichelaar geeft zijn woord wel maar houdt zich er niet aan. Sommige rijken vergeten hun vroegere armoede en ellende en worden boos als anderen hen daaraan herinneren.De mens zal in dit leven altijd op de proef worden gesteld. Engelen nemen soms een menselijke gedaante aan en spreken, strelen het hoofd van een zieke en met Allāh’s toestemming geneest de zieke. Allāh’s wijsheid is ondoorgrondelijk. Hij maakt wie Hij wil rijk of arm. De slechtste eigenschappen zijn ondankbaarheid en gierigheid, omdat deze iemand Allāh en Zijn zegeningen doen vergeten en zelfs tot ontkenning kunnen leiden.] (HY)
٩ - حديث سَعْدٍ، قَالَ: إِنِّي لأَوَّلُ الْعَرَبِ رَمَى بِسَهْمٍ فِي سَبِيلِ اللهِ وَرَأَيْتُنَا نَغْزُو وَمَا لَنَا طَعَامٌ إِلاَّ وَرَقُ الْحُبْلَةِ وَهذَا السَّمُرُ وَإِنَّ أَحَدَنَا لَيَضَعُ كَمَا تَضَعُ الشَّاةُ، مَالَهُ خِلْطٌ ثُمَّ أَصْبَحَتْ بَنُو أَسَدٍ تُعَزِّرُنِي عَلَى الإِسْلاَمِ خِبْتُ إِذًا، وَضَلَّ سَعْيِي1869 – Van Saʿd ibnu’l Waqqās (رضي الله عنه):Ik ben werkelijk de eerste onder de Arabieren die een pijl afschoot op weg van Allah. En ik heb met eigen ogen gezien hoe wij op veldtocht gingen terwijl wij geen ander voedsel hadden dan de bladeren van de ḥublah-plant en deze samur-struik. En waarlijk, één van ons deed zijn behoefte zoals een schaap dat doet, zonder dat er enige menging in zat (droge feaces).
En nu zouden de Banū Asad mij terechtwijzen in zake de Islam? Dan zou ik waarlijk verloren zijn, en mijn inspanning zou vergeefs zijn!”
[In de eerste periode van de Islāmitische oproep werden de moslims geconfronteerd met grote materiële en spirituele moeilijkheden, maar ze keerden niet terug van hun missie. Saʿd (رضي الله عنه) vertelt over deze tijd en beschrijft dat hij tijdens één van zijn reizen nauwelijks iets had om te eten. De eerste militaire expeditie (sarīyah), waarbij voor de zaak van de Islām de eerste pijl werd afgeschoten, werd georganiseerd in het eerste jaar van de Hijrah.Tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) was Saʿd b. Abū Waqqās (رضي الله عنه) commandant bij de veroveringen van Irak, richtte de stad Kufa op en bestuurde deze enige tijd.
Tijdens zijn gouverneurschap werd hij door de Kufaanse Asad-stam aangeklaagd bij de khalief omdat hij de ṣalāh niet juist zou hebben verricht en te lang had gerekt, waarop Saʿd (رضي الله عنه) vol verbazing en droevenis reageerde. ] (Diyanet)
١٨٧٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اللهُمَّ ارْزُقْ آلَ مُحَمَّدٍ قُوتًا1870 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Allāh, voorzie de familie van Muḥammad van het noodzakelijke onderhoud.”
[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn hele leven de voorkeur gegeven aan een eenvoudig bestaan. Bij het vervullen van zijn dagelijkse behoeften koos hij ervoor om gematigd te zijn, zonder te vervallen in verspilling of uiterlijk vertoon, en leefde op een bescheiden manier. Als leider van de gemeenschap koos hij voor een zūhd (ascese) leven en was tevreden met het weinige dat hij dad, waarbij hij matigheid betrachtte in het vervullen van zijn dagelijkse behoeften en zich onthield van verspilling en pronk. Terwijl Rasūlullah het recht had om in overvloed te kunnen leven.Als gevolg van deze bewuste keuze heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen rijkdom vergaard, maar wat hij in handen kreeg gedeeld met de behoeftigen. Hij hanteerde het principe om slechts te eten wat nodig was om zijn lichaam te voeden en zijn leven in stand te houden. Deze houding gold ook voor de familie van an-Nabī. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg van Allāh niet meer dan wat nodig was om in zijn dagelijkse behoeften te voorzien, en dit weerspiegelde zich ook in zijn smeekbeden.] (Diyanet)
١٨٧١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: مَا شَبِعَ آلُ مُحَمَّدٍ ﷺ، مُنْذُ قَدِمَ الْمَدِينَةَ، مِنْ طَعَامِ الْبُرِّ، ثَلاَثَ لَيَالٍ تِبَاعًا، حَتَّى قُبِضَ1871 – ʿĀʾishah (رضي الله عنها):De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft, sinds hun komst naar Madīnah (tot het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), geen drie dagen achter elkaar hun buik kunnen vullen met tarwebrood.”
١٨٧٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: مَا أَكَلَ آلُ مُحَمَّدٍ ﷺ، أَكْلَتَيْنِ فِي يَوْمٍ، إِلاَّ إِحْدَاهُمَا تَمْرٌ1872 – ʿĀʾishah (رضي الله عنها):De familie van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) heeft nooit twee maaltijden op één dag gegeten, zonder dat één daarvan uit dadels bestond.”
١٨٧٣ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّهَا قَالَتْ لِعُرْوَةَ: ابْنَ أُخْتِي إِنْ كُنَّا لَنَنْظرُ إِلَى الْهِلاَلِ ثُمَّ الْهِلاَلِ، ثَلاَثَةَ أَهِلَّةٍ فِي شَهْرَيْنِ، وَمَا أُوقِدَتْ فِي أَبْيَاتِ رَسُولِ اللهِ ﷺ نَار
(قَالَ عُرْوَةُ) فَقُلْتُ: يَا خَالةُ مَا كَانَ يُعِيشُكُمْ قَالَتِ: الأَسْوَدَانِ: التَّمْرُ وَالْمَاءُ إِلاَّ أَنَّهُ قَدْ كَانَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، جِيرَانٌ مِنَ الأَنْصَارِ، كَانَتْ لَهُمْ مَنَائِحُ، وَكَانُوا يَمْنَحُونَ رَسُولَ اللهِ ﷺ مِنْ أَلْبَانِهِمْ فَيَسْقِينَا
1873 – ʿĀʾishah (رضي الله عنها) zei tegen (haar neef, de zoon van haar zus Asmā) ʿUrwah:“O zoon van mijn zuster, wij keken naar de maansikkel, vervolgens naar de volgende maansikkel, daarna weer naar de derde maansikkel in twee maanden tijd, en in de huizen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd in die hele periode geen vuur aangestoken (om te koken).”Ik vroeg: “O tante, wat hield jullie dan in leven?”Zij antwoordde: “De twee zwarte zaken: dadels en water. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had ook buren van de Anṣār. Zij hadden melkdieren, En zij schonken Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) van hun melk, waarna hij het ons te drinken gaf.
١٨٧٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: تُوُفِّيَ النَّبِيُّ ﷺ حِينَ شَبِعْنَا مِنَ الأَسْوَدَيْنِ: التَّمْرِ وَالْمَاءِ1874 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) overleed op een moment dat wij verzadigd raakten van de twee zwarten: dadels en water.”
١٨٧٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: مَا شَبِعَ آلُ مُحَمَّدٍ ﷺ، مِنْ طَعَامٍ، ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، حَتَّى قُبِضَ1875 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):De familie van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) is nooit drie dagen achter elkaar (verzadigd geraakt) van voedsel tot hij overleed.
Ga alleen met verdriet en in tranen het land binnen van de gemeenschappen die zichzelf onrecht hebben aangedaanلا تدخلوا مساكن الذين ظلموا أنفسهم إِلا أن تكونوا باكين
١٨٧٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لاَ تَدْخُلُوا عَلَى هؤُلاَءِ الْمَعَذَّبِينَ، إِلاَّ أَنْ تَكُونُوا بَاكِينَ فإِنْ لَمْ تَكُونُوا بَاكِينَ، فَلاَ تَدْخُلُوا عَلَيْهِمْ لاَ يُصِيبُكُمْ مَا أَصَابَهُمْ
1876 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Betreed de woonplaatsen/ruïnes van degenen over wie Allāh Zijn bestraffing heeft neergezonden niet, tenzij jullie huilend (doorheen lopen). En als jullie niet kunnen huilen, betreed die plaatsen dan niet, zodat jullie niet overkomt wat hen is overkomen.”
[Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met zijn leger op weg ging naar de Slag van Tabūk, trok hij richting Syrische gebieden en passeerde hij de regio van Ḥīr, gelegen tussen Madīnah en Damascus. Hij waarschuwde zijn aṣḥāb tijdens deze passage.
Deze regio behoorde tot het volk van de profeet Ṣāliḥ (عليه السلام), het volk van Thamūd, dat niet in hem geloofde en collectief werd getroffen door de goddelijke bestraffing.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) spoorde zijn aṣḥāb aan om tijdens het passeren van dit gebied in een staat van overdenking te zijn, hun hoofd te buigen uit angst voor de straf van Allāh, te bidden en lering te trekken uit het verleden. Immers, hardhartig, ongevoelig of onverschillig gedrag past een gelovige niet.] (Diyanet)
١٨٧٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّاسَ نَزَلُوا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ أَرْضَ ثَمُودَ، الْحِجْرَ، فَاسْتَقَوْا مِنْ بِئْرِهَا، وَاعْتَجَنُوا بِهِ فَأَمَرَهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَنْ يُهَرِيقُوا مَا اسْتَقَوْا مِنْ بِئْرِهَا، وَأَنْ يَعْلِفُوا الإِبِلَ الْعَجِينَ وَأَمَرَهُمْ أَنْ يَسْتَقُوا مِنَ الْبِئْرِ الَّتِي كَانَ تَرِدُهَا النَّاقَةُ1877 – ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):De mensen daalden samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neer in het gebied van Thamûd (al-Ḥīr). Zij putten water uit de bron aldaar en gebruikten dit om deeg te maken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval hen het water dat zij hadden geput weg te gieten en het deeg aan de kamelen te voeren.
Vervolgens beval hij hen om water te putten uit de bron waar de vrouwelijke kameel van Ṣāliḥ (عليه السلام) uit dronk.
Het goed doen jegens de weduwen, behoeftigen en wezenالإِحسان إِلَى الأرملة والمسكين واليتيم
١٨٧٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ: النَّبِيُّ ﷺ: السَّاعِي عَلَى الأَرْمَلَةِ وَالْمِسْكِينِ كَالْمُجَاهِدِ فِي سَبِيلِ اللهِ، أَوِ الْقَائِمِ اللَّيْلَ الصَّائِمِ النَّهَارَ
1878 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die zich inspant voor een weduwe en een behoeftige, is als iemand die strijdt op weg van Allāh (mujāhid), Of als iemand die de nacht doorwaakt in salāh en overdag vast.”
De voortreffelijkheid van het bouwen van een moskeeفضل بناء المساجد
١٨٧٩ - حديث عُثْمَانَ بْنِ عَفَّانَ عَنْ عُبَيْدِ اللهِ الْخَوْلاَنِيِّ، أَنَّهُ سَمِعَ عُثْمَانَ بْنَ عَفَّانَ يَقُولُ، عِنْدَ قَوْلِ النَّاسِ فِيهِ، حِينَ بَنى مَسْجِدَ الرَّسُولِ ﷺ: إِنَّكُمْ أَكْثَرْتُمْ وَإِنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: مَنْ بَنى مَسْجِدًا يَبْتَغِي بِهِ وَجْهَ اللهِ، بَنَى اللهُ لَهُ مِثْلَهُ فِي الْجَنَّةِ
1879 – Van `Ubaydullah al-Khawlanie (رضي الله عنه):Toen ʿUthmān ibn ʿAffān de moskee van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) renoveerde, en de mensen erover spraken zei hij: “Waarlijk, jullie praten hier veel over, maar ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Wie een moskee bouwt (Bukayr zei: ik meen dat hij zei: enkel uit verlangen naar het Aangezicht van Allāh) Allāh bouwt voor hem hetzelfde in het Paradijs (Jannah).’
Verbod op pronkzucht
تحريم الريا
١٨٨٠ حَدَّثَنَا مُسَدَّدٌ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ سُفْيَانَ حَدَّثَنِي سَلَمَةُ بْنُ كُهَيْلٍوَحَدَّثَنَا أَبُو نُعَيْمٍ حَدَّثَنَا سُفْيَانُ عَنْ سَلَمَةَ قَالَ: سَمِعْتُ جُنْدَبًا يَقُولُ: «قَالَ النَّبِيُّ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ» — وَلَمْ أَسْمَعْ أَحَدًا يَقُولُ «قَالَ النَّبِيُّ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ» غَيْرَهُ — فَدَنَوْتُ مِنْهُ فَسَمِعْتُهُ يَقُولُ: «قَالَ النَّبِيُّ صَلَّى اللهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ:“مَنْ سَمَّعَ سَمَّعَ اللهُ بِهِ، وَمَنْ يُرَائِي يُرَائِي اللهُ بِهِ”
1880 – Jundub ibn `Abdullah (رضي الله عنه):Salamah zei: “Ik hoorde Jundub zeggen: ‘an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei…’ en ik hoorde niemand anders zeggen: ‘an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei…’. Toen ben ik naar hem toe gegaan en ik hoorde hem zeggen: ‘an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie een goede daad verricht en die aan de mensen bekendmaakt om roem te vergaren, van hem zal Allāh zijn verborgen daden openbaar maken. En wie een goede daad verricht uit pronkzucht/ schijnheiligheid (riyā’), van hem zal Allāh hem ook openlijk aan het licht brengen,”zei hij.
[Voor elke ziekte bestaat er een genezing. Sommigen weten het, anderen weten het niet. Ondanks de ernst van riyā’ (pronken met vrome daden/schijnheiligheid) en het gevaar dat het vormt voor de aanbidding van een moslim, bestaan er ook voor deze ziekte, evenals voor andere ziekten die tegen ikhlās (oprechtheid) ingaan, verschillende vormen van behandeling en geneesmiddelen.
Kleine shirk: Dit houdt in dat men bij bepaalde daden ook het welgevallen van anderen dan Allāh in overweging neemt. Zo’n houding is riyā’en valt onder praktische huichelarij (nifāq ʿamalī).
Naast de eerdergenoemde indelingen van shirk wordt shirk ook onderverdeeld in openlijke shirk en verborgen shirk.
Openlijke shirk is het toekennen van deelgenoten aan Allāh in Zijn Wezen (Dhāt), Eigenschappen (Sifāt) en Namen (Asmā’). Deze vorm van shirk is gemakkelijk te herkennen.
Verborgen shirk echter is subtieler: het is bijvoorbeeld het verzetten tegen de beschikking van Allāh of het verwachten van zaken die men slechts van Allāh zou moeten verwachten, van anderen dan Hem.
Het is moeilijk om deze vorm van shirk te herkennen. Vaak merkt een persoon niet eens dat hij eraan schuldig is. Helaas vervallen tegenwoordig sommige moslims, die hun religie niet goed kennen, in verborgen shirk. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de moslims hier nadrukkelijk voor gewaarschuwd.
Riyā’ (pronken) behoort tot de meest voorkomende vormen van verborgen shirk. Een voorbeeld: als iemand Allāh aanbidt met als doel om in de gunst te komen bij mensen of om voordeel van hen te krijgen, dan begaat hij shirk. Dit wordt verborgen shirk genoemd.
In onze tijd worden ook andere ziekelijke verlangens tot verborgen shirk gerekend, zoals:
buitensporige liefde voor bezit en rijkdom,
mateloze hebzucht naar geld en vermogen,
buitensporige zucht naar roem en bekendheid.
Als men hier op fanatieke wijze naar streeft, vormt dat een groot gevaar. Zonder het te beseffen kan een persoon daardoor in shirk vervallen. Want in de Islām is ʿibādah (aanbidding) er uitsluitend op gericht om de tevredenheid van Allāh te verkrijgen, het uiteindelijke doel van het leven moet alleen Allāh zijn.] (HY)
[Daden die uit riya’ (schijnheiligheid en pronkzucht) voortkomen, bereiken misschien hun doel op menselijk niveau: ze worden gezien, gehoord en beroemd. Ze missen echter de ware oprechtheid en zijn verwijderd van het nobele doel om het welbehagen van Allāh te verkrijgen. Allāh تَعَالَى schenkt aan dergelijke daden geen werkelijk gezegend resultaat en maakt ze niet passend voor Zijn welbehagen.] (Diyanet)
Beschermen van de tong
حفظ اللسان
١٨٨١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِنَّ الْعَبْدَ لَيَتَكَلَّمُ بِالْكَلِمَةِ، مَا يَتَبَيَّنُ فِيهَا، يَزِلُّ بِهَا فِي النَّارِ، أَبْعَدَ مِمَّا بَيْنَ الْمَشْرِقِ
1881 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Voorwaar, een dienaar spreekt soms zonder te overdenken wat hij zegt, en daardoor glijdt hij af in het Vuur, verder dan de afstand tussen het oosten en het westen.”[Deze ḥadīth maakt duidelijk dat een woord, dat ogenschijnlijk achteloos of zonder aandacht wordt uitgesproken, in werkelijkheid bij Allāh zeer grote gevolgen kan hebben. Dit toont aan dat zo’n woord in feite geen “klein” of “eenvoudig” woord is. Vandaar dat het van groot belang is om de tong te behoeden en te beheersen.Er wordt overgeleverd dat sommige mensen, door een uitspraak te doen waarvan ze niet zeker weten of die toegestaan (ḥalāl) of verboden (ḥarām), goed of slecht, heilzaam (khayr) of schadelijk (sharr) is, in het Vuur worden geworpen op een plek verder dan de afstand tussen het oosten en het westen. Dit vormt een zeer ernstige waarschuwing die onze aandacht verdient.Er wordt ook gezegd dat een persoon soms, zonder het belang ervan te beseffen en het als iets onbenulligs beschouwend, een uitspraak doet die Allāh’s welbehagen oproept. Hetzelfde geldt omgekeerd ook: iemand kan een uitspraak doen die Allāh’s woede oproept, zonder het ernstig te menen. In het eerste geval verhoogt Allāh de rang van de persoon, in het tweede geval laat Hij hem in het diepste deel van de Hel vallen.Wat dus telt, is niet de lengte of de zwaarte van de uitspraak, maar of deze Allāh’s tevredenheid of Zijn woede oproept. Daarom moet men goed nadenken voordat men iets zegt. Onze voorouders zeiden niet voor niets: “Denk duizend keer na voor je spreekt.” Dit is in lijn met dit soort aḥadīth.Allahu تَعَالَى registreert degene die uitspraken doet die Hem behagen onder degenen met wie Hij tevreden is, tot aan de Dag dat hij Hem ontmoet. Dat betekent dat Allāh die persoon in staat stelt om tot aan zijn dood goede daden te verrichten, gehoorzaam te zijn en Hem te aanbidden.
Uiteindelijk sterft hij in deze toestand van goedheid en ontmoet hij zijn Rab, zodat ook zijn leven in het Hiernamaals in diezelfde schoonheid verdergaat.Het tegenovergestelde geldt ook: wie een uitspraak doet die Allāh’s toorn oproept, wordt onder de mensen geplaatst die Allāh’s woede verdienen, tot aan de Dag des Oordeels. Deze persoon verricht dan voortdurend daden die Zijn woede oproepen, en sterft uiteindelijk in deze toestand. Zijn slechte einde is daarmee onvermijdelijk.De passage “tot aan de dag dat hij Hem ontmoet” moet niet worden opgevat alsof het slechts om de wereldse fase zou gaan. Integendeel, het toont aan dat een uitspraak die men doet, zowel het wereldse als het eeuwige leven diepgaand beïnvloedt. De formulering van de ḥadīth lijkt op de woorden in de Qurʾān:وَإِنَّ عَلَيۡكَ لَعۡنَتِيٓ إِلَىٰ يَوۡمِ ٱلدِّينِ ٧٨
En waarlijk! Mijn vloek rust over jou tot de Dag der Vergelding.” (sûrah Sād, 38:78).
Zoals daaruit niet geconcludeerd kan worden dat Iblīs op de Dag des Oordeels van de vloek wordt bevrijd, zo kan men uit deze ḥadīth ook niet opmaken dat Allāh’s welbehagen of woede ophoudt bij het overlijden, integendeel, ze lopen door in het Hiernamaals.Een moslim moet daarom niet alles wat in hem opkomt zomaar uitspreken. Woorden die zonder nadenken of zonder het serieus te nemen worden uitgesproken, kunnen zeer ernstige gevolgen hebben. Er zijn maar weinig mensen die schade ondervinden van het feit dat zij hun woorden inslikken en hun tong in bedwang houden. Maar het aantal mensen dat schade lijdt doordat zij hun tong níet beheersen, is niet te tellen.Men moet goed opletten of wat men zegt Allāh’s tevredenheid of Zijn woede oproept. De mens bereidt zijn leven in het Hiernamaals al voor in deze wereld. En de tong speelt daarin een zeer grote rol. Zolang het gevolg ervan groot is, bestaat er geen klein of onbeduidend woord.] (HY)
De straf voor degene die het goede beveelt echter niet uitvoert, en degene die het kwade verbiedt toch doet
عقوبة من يأمر بالمعروف ولا يفعله وينهى عن المنكر ويفعله
١٨٨٢ - حديث أُسَامَةَ قِيلَ لَهُ: لَوْ أَتَيْتَ فُلاَنًا فَكَلَّمْتَهُ قَالَ: إِنَّكُمْ لَتُرَوْنَ أَنِّي لاَ أُكَلِّمُهُ إِلاَّ أُسْمِعُكُمْ إِنِّي أُكَلِّمُهُ فِي السِّرِّ، دُونَ أَنْ أَفْتَحَ بَابًا لاَ أَكُونُ أَوَّلَ مَنْ فَتَحَهُ وَلاَ أَقُولُ لِرَجُلٍ، أَنْ كَانَ عَلَيَّ أَمِيرًا: إِنَّهُ خَيْرُ النَّاسِ، بَعْدَ شَيْءٍ سَمِعْتُهُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالُوا: وَمَا سَمِعْتَهُ يَقُولُ قَالَ سَمِعْتُهُ يَقُولُ: يُجَاءُ بِالرَّجُلِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، فَيُلْقى فِي النَّارِ، فَتَنْدَلِقُ أَقْتَابُهُ فِي النَّارِ، فَيَدُورُ كَمَا يَدُورُ الْحِمَارُ بِرَحَاهُ، فَيَجْتَمِعُ أَهْلُ النَّارِ عَلَيْهِ، فَيَقُولُونَ: أَيْ فُلاَنُ مَا شَأْنُكَ أَلَيْسَ كُنْتَ تَأْمُرُنَا بِالْمَعْرُوفِ، وَتَنْهى عَنِ الْمُنْكَرِ قَالَ: كُنْتُ آمُرُكُمْ بِالْمَعْرُوفِ وَلاَ آتِيهِ، وَأَنْهَاكمْ عَنِ الْمُنْكَرِ وَآتِيهِ
1882 – Van Abū Wāʾil (رضي الله عنه):Er werd tegen Usāmah ibn Zayd gezegd: “Zou je niet naar die-en-die (ʿUthmān ibn ʿAffān) gaan en met hem spreken?” Usāmah zei: “Jullie denken zeker dat ik niet met hem spreek. Ik spreek met hem in het geheim zonder een deur van fitnah te openen waarvan ik de eerste zou zijn die haar opent.
Ik zal nooit iets over iemand zeggen, omdat hij mijn leider is: ‘Hij is de beste van de mensen,’ na iets gehoord te hebben van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .”Zij zeiden: “Wat heb je dan gehoord?”Hij antwoordde: “Ik hoor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Op de Dag des Oordeels zal een man worden gebracht en in het Vuur geworpen. Zijn ingewanden zullen eruit vallen en hij zal ermee rondgaan zoals een ezel rondgaat bij een molensteen. De bewoners van het Vuur zullen zich om hem heen verzamelen en zeggen: ‘O die-en-die! Was jij het niet die ons het goede gebood en het slechte verbood?’Hij zal zeggen: ‘Jawel, ik gebood jullie het goede maar deed het zelf niet, en ik verbood jullie het slechte maar deed het zelf wel.”Het verbod voor een persoon om zijn zonden openbaar te makenالنهي عن هتك الإنسان ستر نفسه
١٨٨٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: كُلُّ أُمَّتِي مُعَافًى، إِلاَّ الْمُجَاهِرينَ وَإِنَّ مِنَ الْمَجَانَةِ أَنْ يَعْمَلَ الرَّجُلُ بِاللَّيْلِ عَمَلًا، ثُمَّ يُصْبِحُ، وَقَدْ سَتَرَهُ اللهُ، فَيَقُولُ: يَا فُلاَنُ عَمِلْتُ الْبَارِحَةَ كَذَا وَكَذَا وَقَدْ بَاتَ يَسْتُرُهُ رَبُّهُ، وَيُصْبِحُ يَكْشِفُ سِتْرَ اللهِ عَنْهُ
1883 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Mijn gehele ummah is vergeven, behalve degene die zijn zonden openbaar maakt! Als een man ’s nachts een zonde begaat en Allah deze voor hem bedekt, en ’s ochtends zegt: ‘O, die en die! Gisterenavond deed ik dit en dat,’ dan is dat het openbaar maken van de zonde.
Terwijl zijn Rab hem in de duisternis van de nacht heeft bedekt. Maar hij stelt de zonde bloot die Allah heeft bedekt."Het zegenen van de nieser en het afkeuren van gapen
تشميت العاطس وكراهة التثاؤب
١٨٨٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ: عَطَسَ رَجُلاَنِ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فَشَمَّتَ أَحَدَهُمَا، وَلَمْ يُشَمِّتِ الآخَرَ فَقِيلَ لَهُ فَقَالَ: هذَا حَمِدَ اللهَ، وَهذَا لَمْ يَحْمَدِ اللهَ
1884 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Twee mannen niesden in het bijzijn van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij zei tegen één van hen: “Yarhamukallah” (moge Allāh jou genadig zijn), maar tegen de ander zei hij niets. Toen hem werd gevraagd waarom, antwoordde hij: “Deze prees Allāh (alhamdulillah), dus ik zei tegen hem: ‘Yarhamukallah.’ De ander prees Allāh niet, dus ik zei niets tegen hem.”
١٨٨٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: التَّثَاؤُبُ مِنَ الشَّيْطَانِ، فَإِذَا تَثَاءَبَ أَحَدُكُمْ فَلْيَرُدَّهُ مَا اسْتَطَاعَ1885 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Geeuwen is van de shayṭān. Wanneer één van jullie moet geeuwen, laat hem dat zo goed mogelijk tegenhouden. Want als iemand 'haa' zegt bij het geeuwen, lacht de shayṭān hem uit.”[Geeuwen: de toestand waarbij, zonder dat men dit wil, de mond vanzelf opengaat en men een diepe ademhaling doet, meestal in geval van slaap, vermoeidheid of verveling. Deze toestand lijkt in zekere zin op verstrooidheid en achteloosheid. Dat is echter geen houding die een moslim betaamt.
Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover het volgende gezegd:”Allāh (عز وجل) houdt van niezen, maar Hij houdt niet van geeuwen. Als iemand niest en ‘alhamdulillāh’ zegt, dan behoort iedere moslim die het hoort te antwoorden met: ‘yarhamukallāh’. Geeuwen daarentegen is van shayṭān. Daarom moet degene die moet geeuwen dit zoveel mogelijk proberen tegen te houden. Want wanneer een van jullie geeuwt, lacht shayṭān hem uit”.Wat bedoeld wordt met het lachen van shayṭān is dat hij plezier beleeft aan de toestand van achteloosheid en vermoeidheid waarin de geeuwende persoon zich bevindt. Elke vorm van zwakte of ongeluk die een gelovige treft, doet shayṭān genoegen en maakt hem aan het lachen.Om shayṭān niet aan het lachen te maken, moet iemand die geeuwneigingen voelt, proberen uit deze toestand van achteloosheid te komen door zich bijvoorbeeld in beweging te zetten, zijn gezicht te wassen, wudūʾ te verrichten of, als hij moe is, even uit te rusten. Als men ondanks dat toch moet geeuwen, dan vereist de Islāmitische etiquette dat men de mond bedekt met de hand of iets anders.] (HY)
Over de muis en dat het vervormd wezen isفي الفأر وأنه مسخ
١٨٨٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: فُقِدَتْ أُمَّةٌ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ لاَ يُدْرَى مَا فَعَلَتْ، وَإِنِّي لاَ أُرَاهَا إِلاَّ الْفَارَ إِذَا وُضِعَ لَهَا أَلْبَانُ الإِبِلِ لَمْ تَشْرَبْ؛ وَإِذَا وُضِعَ لَهَا أَلْبَانُ الشَّاءِ شَرِبَتْ فَحَدَّثْتُ كَعْبًا فَقَالَ: أَنْتَ سَمِعْتَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُهُ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ لِي مِرَارًا فَقُلْتُ: أَفَأَقْرَأُ التَّوْرَاةَ
1886 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een gemeenschap van de Banū Isrā’īl is verdwenen, niemand weet wat er met hen is gebeurd. Ik denk dat Allāh hen in muizen heeft veranderd. Want als hen kamelenmelk wordt aangeboden, drinken ze het niet, maar als hen schapenmelk wordt aangeboden, drinken ze het wel.”Ik vertelde dit aan Kaʿb, en hij vroeg: “Heb jij dit zelf van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gehoord?”Ik antwoordde: “Ja.”Hij vroeg het mij meerdere keren opnieuw, waarop ik zei: “Lees ik soms de Tawrah? Ik vertel jou alleen wat ik van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord.”[Bij de Israëlieten was kamelenmelk verboden, terwijl schapenmelk voor hen als toegestaan (ḥalāl) werd verklaard.] (HY)
[Sommige aḥadīth van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) behoren niet tot de kern van de Islāmitische geloofsleer.
De ahkām (de goddelijk vastgestelde regels en bepalingen in de sharīʿah) of de ahlāk (karakter, manieren, zeden of moraal ) vallen ook onder de kern. Maar bepaalde aḥadīth vallen niet onder de sferen van het profeetschap of de goddelijke boodschap die door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt overgebracht (risālah), maar bevatten culturele aḥadīth over de samenleving waarin hij leefde, historische verhalen over eerdere profeten en volkeren. Vooral de aḥadīth die betrekking hebben op de Banī Isra’il, aan wie vele profeten waren gezonden. Deze berichten kunnen, ondanks mogelijke tahrīf (vervalsing), die in overeenstemming zijn met de goddelijke basis worden overgeleverd. Ze zijn terug te vinden in de joodse bronnen. Mogelijk vanwege deze overeenkomst was Ka‘b al-Ahbār, die als jood de Islām omarmde, en vertrouwd was met de Tawrah, verbaasd van deze ḥadīth. Echter, Abû Hurayrah (رضي الله عنه) benadrukt duidelijk dat de bron van wat hij overleverde niet de Tawrah was, maar rechtstreeks an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf.Door de leerzame voorbeelden van eerdere gemeenschappen te vertellen waarschuwende an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn metgezellen. Er wordt aangenomen dat in deze ḥadīth wordt gesproken over de “(tien) verdwenen joodse stammen”. Na de verovering van Ashur werden deze stammen verbannen en verspreid over verschillende delen van de wereld, waar zij zich assimileerden met andere volkeren. Dit wordt in de literatuur als een bekende mythe vermeld.
Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik vermoed dat deze gemeenschap slechts tot muis is geworden,” verwijst hij naar een transformatief (mash) fenomeen, zoals door onze geleerden is bediscussieerd.Net zoals in de Qur’ān wordt verteld dat de joden die de grenzen van Allāh overschreden en vervloekt werden, veranderden in apen en varkens (Bakara, 2/65-66; Ma’ida, 5/60), zijn er geleerden die aannemen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een letterlijke verandering van mens naar muis bedoelde. Er is echter geen gedetailleerde informatie in de Qur’ān of aḥadīth over de exacte wijze waarop deze grote straf plaatsvond. Daarom interpreteren sommige geleerden de transformatie als een morele corruptie, niet als een fysieke verandering, die zich weerspiegelt in het karakter.In deze context kan de ḥadīth over het veranderen in een muis geïnterpreteerd worden als een verwijzing naar het verdwijnen van de joodse stammen te midden van grotere bevolkingsgroepen, hun verborgen en teruggetrokken bestaan, veracht door de omgeving en een nederige levenswijze. In plaats van dit soort aḥadīth oppervlakkig te gebruiken als middel tot aanval of ontkenning, is het juister om ze, met inachtneming van de samenhang van de sunnah, te lezen als een onderdeel van het unieke menselijk erfgoed dat waardering en begrip verdient.] (Diyanet)
Een gelovige wordt niet twee keer door hetzelfde (giftig beesten)hol gestoken
لا يلدغ المؤمن من جحر مرتين
١٨٨٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: لاَ يُلْدَغُ الْمُؤْمِنُ مِنْ جُحْرٍ وَاحِدٍ مَرَّتَيْنِ
1887 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een gelovige wordt niet twee keer door hetzelfde (giftig beesten) hol gestoken.”
[Een gelovige (mu’min) dient altijd standvastig, inzichtvol en vooruitziend te zijn. Hij moet waakzaam zijn en nadat hij eenmaal misleid is, niet opnieuw laten misleiden.] (HY)
Als er overmatig lof is en men vreest dat degene die geprezen wordt schade zal ondervinden, is het loven verbodenالنهي عن المدح إِذَا كان فيه إِفراط وخيف منه فتنة الممدوح
١٨٨٨ - حديث أَبِي بَكْرَةَ، قَالَ: أَثْنى رَجُلٌ عَلَى رَجُلٍ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: وَيْلَكَ قَطَعْتَ عُنُقَ صَاحِبِكَ، قَطَعْتَ عُنُقَ صَاحِبِكَ مِرَارًا ثُمَّ قَالَ: مَنْ كَانَ مِنْكُمْ مَادِحًا أَخَاهُ، لاَ مَحَالَةَ، فَلْيَقُلْ أَحْسِبُ فُلاَنًا وَاللهُ حَسِيبُهُ وَلاَ أُزَكِّي عَلَى اللهِ أَحَدًا أَحْسِبُهُ كَذَا وَكَذَا، إِنْ كَانَ يَعْلَمُ ذلِكَ مِنْهُ
1888 – Van Abû Bakrah (رضي الله عنه):Er was een man die een andere man prees in aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarop zei hij herhaaldelijk: “Wee jou! Je hebt de nek van je broeder doorgesneden! Je hebt de nek van je broeder doorgesneden!”Vervolgens zei hij: “Wie van jullie zijn geloofsbroeder per se wil prijzen en loven, laat hem dan zeggen: ‘Mijn vermoeden over die-en-die persoon is als volgt: Allāh is Degene die hem ter verantwoording zal roepen. Ik verklaar niemand rein tegenover Allāh. Ik denk dat hij zo-en-zo iemand is.’ Laat hij deze woorden dan ook alleen uitspreken als hij werkelijk weet dat die persoon zo is.”
[Madh betekent het met woorden prijzen van iemand vanwege diens goede daden. Het tegenovergestelde van madh is zam, wat inhoudt dat men slechte woorden spreekt over iemand en diens gebreken en tekortkomingen naar buiten brengt.Het prijzen van mensen die daadwerkelijk lof verdienen, wordt in de Islām toegestaan en zelfs aangemoedigd, omdat dit deugden en volmaaktheid in de samenleving kan bevorderen. Maar het prijzen van mensen die dit niet verdienen is een zeer afkeurenswaardige daad. Bij het prijzen van iemand moet degene die prijst op enkele punten letten:– Hij mag niet overdrijven en zijn woorden niet met leugens eindigen;– Zijn lof mag niet vermengd worden met riyā’ (schijnheiligheid);– Hij mag geen onrechtvaardige of verachtelijke mensen prijzen.
Men moet dus voorzichtig zijn met het prijzen van anderen en dit niet te pas en te onpas doen. Want dit opent de deur naar riyā’ , en dat is zeer gevaarlijk. Want riyā’ wordt vaak gepleegd om spirituele invloed, eer, roem of materieel voordeel bij mensen te verkrijgen. Het misbruiken van religieuze gevoelens en de eerbied voor heilige waarden voor wereldse belangen is de slechtste vorm van riyā’. Dergelijke gedragingen zijn bedrog en leugenachtig. Ze zijn een belediging voor menselijke waardigheid en integriteit.De huichelachtigheid in het gedrag en de woorden van iemand met riyā’, wordt door andere mensen snel doorzien. Niemand vertrouwt hen. Hoewel elke vorm van riyā’ immoreel is, is riyā’ binnen daden van aanbidding een nog grotere vorm van immoreel gedrag. Daarom heeft onze religie het prijzen van anderen sterk afgeraden.] (HY)
١٨٨٩ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: سَمِعَ النَّبِيُّ ﷺ، رَجُلًا يُثْنِي عَلَى رَجُلٍ وَيُطْرِيهِ فِي مَدْحِهِ فَقَالَ: أَهْلَكْتُمْ (أَوْ قَطَعْتُمْ) ظَهْرَ الرَّجُلِ1889 – Van Abû Mûsâ (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hoorde iemand een ander prijzen en overdreef in zijn lofprijzing.
Daarop zei hij: “Jullie hebben hem vernietigd, of: jullie hebben zijn rug doorgesneden!”Het eerst aanbieden aan de oudste
مناولة الأكبر
١٨٩٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: أَرَانِي أَتَسَوَّكُ بِسِوَاكٍ فَجَاءَنِي رَجُلاَنِ أَحَدُهُمَا أَكْبَرُ مِنَ الآخَرِ فَنَاوَلْتُ السِّوَاكَ الأَصْغَرَ مِنْهُمَا فَقِيلَ لِي: كَبِّرْ فَدَفَعْتُهُ إلَى الأَكْبَرِ مِنْهُمَا
1890 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik zag (in een droom) dat ik mijn tanden aan het poetsen was met een siwāk. Toen kwamen er twee mannen bij mij, van wie de één ouder was dan de ander. Ik wilde de siwāk aan de jongere van de twee geven, maar er werd tegen mij gezegd (door Jibrīl): ‘Geef het aan de oudste.’ Dus gaf ik het aan de oudste van de twee.”
Abû `Abdullah (imām al-Bukhārī) zei: Nuʿaym heeft deze ḥadīth in verkorte vorm overgeleverd van Ibn al-Mubārak, van Usāmah, van Nāfiʿ, van Ibn ʿUmar.
Het onderzoeken van de betrouwbaarheid van de aḥadīth en het oordeel over het opschrijven van de aḥadīthالتثبت في الحديث وحكم كتابة العلم
١٨٩١ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ يُحَدِّثُ حَدِيثًا، لَوْعَدَّهُ الْعَادُّ لأَحْصَاهُ
1891 – ʿĀishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) placht (zo) te vertellen dat als iemand (de woorden) zou willen tellen, hij het (gemakkelijk) zou kunnen bijhouden. (Wanneer hij sprak, sprak hij woord voor woord en op een uiterst duidelijke manier.)
Ḥadīth over Hijrahفي حديث الهجرة
١٨٩٢ - حديث أَبِي بَكْرٍ عَنِ الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ قَالَ: جَاءَ أَبُو بَكْرٍ، إِلى أَبِي فِي مَنْزِلِهِ فَاشْتَرَى مِنْهُ رَحْلًا فَقَالَ لِعَازِبٍ: ابْعَثِ ابْنَكَ يَحْمِلُهُ مَعِي قَالَ: فَحَمَلْتُهُ مَعَهُ وَخَرَجَ أَبِي يَنْتَقِدُ ثَمَنَهُ فَقَالَ لَهُ أَبِي: يَا أَبَا بَكْرٍ حَدِّثْنِي كَيْفَ صَنَعْتُمَا حِينَ سَرَيْتَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: نَعَمْ أَسْرَيْنَا لَيْلَتَنَا، وَمِنَ الْغَدِ، حَتَّى قَامَ قَائِمُ الظَّهِيرَةِ وَخَلاَ الطَّريقُ، لاَ يَمُرُّ فِيهِ أَحَدٌ فَرُفِعَتْ لَنَا صَخْرَةٌ طَوِيلَةٌ، لَهَا ظِلٌّ، لَمْ تَاتِ عَلَيْهِ الشَّمْسُ فَنَزَلْنَا عِنْدَهُ، وَسَوَّيْتُ لِلنَّبِيِّ ﷺ مَكَانًا بِيَدِي يَنَامُ عَلَيْهِ وَبَسَطْتُ فِيهِ فَرْوَةً وَقُلْتُ: نَمْ يَا رَسُولَ اللهِ وَأَنَا أَنْفُضُ لَكَ مَا حَوْلَكَ، فَنَامَ وَخَرَجْتُ أَنْفُضُ مَا حَوْلَهُ، فَإِذَا أَنَا بِرَاعٍ مُقْبِلٍ بَغَنَمِهِ إِلَى الصَّخْرَةِ، يُرِيدُ مِنْهَا مِثْلَ الَّذِي أَرَدْنَا فَقُلْتُ: لِمَنْ أَنْتَ يَا غُلاَمُ فَقَالَ: لِرَجُلٍ مِنْ أَهْلِ الْمَدِينَةِ (أَوْ مَكَّةَ) قُلْتُ: أَفِي غَنَمِكَ لَبَنٌ قَالَ: نَعَمْ قلْتُ: أَفَتَحْلُبُ قَالَ: نَعَمْ فَأَخَذَ شَاةً فَقُلْتُ: انْفُضِ الضَّرْعَ مِنَ التُّرَابِ وَالشَّعَرِ وَالْقَذَى (قَالَ الرَّاوِي: فَرَأَيْتُ الْبَرَاءَ يَضْرِبُ إِحْدَى يَدَيْهِ عَلَى الأُخْرَى، يَنْفُضُ) فَحَلَبَ فِي قَعْبٍ كُثْبَةً مِنْ لَبَنٍ، وَمَعِي
إِدَاوَةٌ حَمَلْتُهَا لِلنَّبِيِّ ﷺ، يَرْتَوِي مِنْهَا، يَشْرَبُ وَيَتَوَضَّأُ فَأَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، فَكَرِهْتُ أَنْ أُوقِظَهُ فَوَافَقْتُهُ حِينَ اسْتَيْقَظَ فَصَبَبْتُ مِنَ الْمَاءِ عَلَى اللَّبَنِ، حَتَّى بَرَدَ أَسْفَلُهُ فَقُلْتُ: اشْرَبْ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: فَشَرِبَ حَتَّى رَضِيتُ ثُمَّ قَالَ: أَلَمْ يَأْنِ لِلرَّحِيلِ قُلْتُ: بَلَى قَالَ: فَارْتَحَلْنَا بَعْدَ مَا مَالَتِ الشَّمْسُ وَاتَّبَعَنَا سُرَاقَةُ بْنُ مَالِكٍ فَقُلْتُ: أُتِينَا يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ: لاَ تَحْزَنْ إِنَّ اللهَ مَعَنَا فَدَعَا عَلَيْهِ النَبِيُّ ﷺ، فَارْتَطَمَتْ بِهِ فَرَسُهُ إِلَى بَطْنِهَا، أُرَى فِي جَلَدٍ مِنَ الأَرْضِ فَقَالَ: إِنِّي أُرَاكُمَا قَدْ دَعَوْتُمَا عَلَيَّ فَادْعُوَا لِي فَاللهُ لَكُمَا أَنْ أَرُدَّ عَنْكُمَا الطَّلَبَ فَدَعَا لَهُ النَّبِيُّ ﷺ، فَنَجَا فَجَعَلَ لاَ يَلْقَى أَحَدًا إِلاَّ قَالَ: كَفَيْتُكُمْ مَا هُنَا فَلاَ يَلْقَى أَحَدًا إِلاَّ رَدَّهُ قَالَ: وَوَفى لَنَا
1892 – Van al-Barā’ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه):Abū Bakr (رضي الله عنه) kwam naar mijn vader toen hij thuis was. Hij kocht een rijdier (kameel) van hem. Hij zei tegen ʿĀzib: “Stuur je zoon mee om dit (tot mijn huis) te vervoeren.” Daarop bracht ik het (dier) met hem mee.
Mijn vader ging met hem naar buiten om de prijs te innen.
Mijn vader zei tegen Abū Bakr: “Vertel mij hoe jullie het hebben aangepakt toen jullie in de nacht van Makkah naar Madīnah (Hijrah) vertrokken met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .”
Hij zei: “Ja, wij reisden twee nachten en een dag, totdat de hitte van de middag opkwam, en er kwam niemand langs het pad. Toen zagen wij een grote rots met een schaduw waar de zon nog niet op was gekomen. We daalden daar neer, en ik effende met mijn hand een plek voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om te rusten, en ik spreidde daarop een vacht uit en zei: ‘Slaap, o Rasūlullah, terwijl ik om je heen alles controleer (om ervan zeker te zijn dat er geen vijanden zijn).’Hij viel in slaap, en ik ging naar buiten om de omgeving te inspecteren. Toen kwam er een herder aan met zijn kudde, richting de rots, zoekend naar wat wij ook zochten. Ik zei tegen hem: ‘Bij wie hoor jij, herder?’ Hij antwoordde: “Ik ben herder van iemand uit de inwoners van Makkah, of van een man uit Makkah.’Ik vroeg: ‘Heb je melk in je kudde?’Hij zei: ‘Ja.’Ik vroeg: ‘Kun je melken?’Hij zei: ‘Ja.’Toen pakte hij een schaap, en ik zei tegen hem: ‘Maak de uier schoon van stof, haren en vuil.’Ik (al-Barā’) zag hoe hij met de ene hand op de andere sloeg om het vuil te verwijderen. Toen molk hij een hoeveelheid melk in een kom (dat net genoeg was voor een persoon). Ik had een (lederen) waterzak bij me die ik had meegenomen voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), waaruit hij kon drinken en zijn wudû` kon doen.Ik bracht het naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en wilde hem niet wakker maken, maar hij werd wakker, precies toen ik aankwam. Ik goot wat water over de melk zodat het onderste gedeelte afkoelde en zei: ‘Drink, o Rasūlullah.’Hij dronk totdat ik tevreden was. Toen zei hij: ‘Is het niet tijd om te vertrekken?’Ik zei: ‘Jazeker.’Daarop vertrokken we, nadat de zon was gaan hellen (naar het westen). Surāqah ibn Mālik achtervolgede ons.
Ik zei: ‘We worden ingehaald (we zullen gepakt worden) o Rasūlullah!’Hij zei: ﴿لَا تَحْزَنْ إِنَّ اللَّهَ مَعَنَا﴾ (“Wees niet verdrietig; voorwaar, Allāh is met ons.”) (sûrah Tawbah 40)Toen deed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een smeekgebed tegen hem (Surāqah), en zijn paard zonk tot aan zijn buik in de aarde, volgens mijn vermoeden in een hard stuk grond (Zuhayr twijfelde hierover).Toen zei Surāqah: “Ik zie dat jullie tegen mij smeekgebed hebben verricht, bid nu voor mij! Bij Allāh, ik zal iedereen die jullie probeert te volgen, van jullie wegleiden.”Toen bad an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor hem, en hij werd gered. Daarna ontmoette hij telkens mensen die hij dan vertelde: “Ik heb jullie al voldoende geholpen wat betreft deze kant (deze richting is veilig).” En telkens wanneer hij iemand ontmoette, stuurde hij hem terug. Hij hield zich aan zijn belofte tegenover ons.