As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabu’l Ḥaj: Het Boek van de Ḥaj

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabu’l Ḥaj: Het Boek van de Ḥaj

[De lexicale betekenis van Ḥaj is het voornemen hebben of zich naar iets begeven. In de sharīʿah verwijst Ḥaj naar het bezoeken van de Kaʿbah in Makkah en de omliggende heilige plaatsen binnen een vastgestelde periode, op de voorgeschreven wijze, en het verrichten van de daarbij behorende rituele handelingen (manāsik), waarmee één van de zuilen van de Islām wordt vervuld. De Ḥaj vormt na de shahādah de vijfde, en daarmee de laatste, pilaar van de Islām.De Ḥaj is na de shahādah de vijfde pilaar van de Islām, dus de laatste pilaarDe nostalgische dimensie van de Ḥaj is van groot belang, omdat zij de gelovige helpt zijn band met de wortels van zijn geloof te vernieuwen. Vanuit het perspectief van de Islām worden de strijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn metgezellen om tawḥīd (de eenheid van Allāh) en gerechtigheid te vestigen, samen met de vreugdevolle en pijnlijke ervaringen die daarmee gepaard gingen, als het ware opnieuw beleefd door de pelgrim. Deze herinneringen versterken de innerlijke dynamiek van de gelovige en verdiepen zijn besef van overgave en toewijding.De goddelijke dimensie van de Ḥaj komt tot uitdrukking in de herinnering aan de Dag des Oordeels die zij oproept. Het samenkomen van mensen van verschillende talen, rassen, culturen, sociale en economische posities – allen in gelijke status en gekleed in dezelfde kleur en vorm – hun gezamenlijke bewegingen en daden van aanbidding, wekt het beeld van het herreizen en bijeenkomen voor de Schepper op de Dag der Opstanding. De Ḥaj bereidt de gelovige voor op die opstanding en bijeenkomst in het Hiernamaals en helpt hem dit bewustzijn te ontwikkelen.Over het tijdstip waarop de Ḥaj verplicht werd gesteld, bestaan verschillende opvattingen. Volgens de meerderheid was dit in het zesde jaar n.H., terwijl Ibn al-Qayyim het plaatst in het negende of tiende jaar n.H.De aanleiding voor de verplichting van de Ḥaj is de Kaʿbah al-Muʿaẓẓamah. Tijdens de Ḥaj ervaart de moslim de vreugde en het vervulling van het volledig toebehoren tot de Islām, met hart en ziel. egelijkertijd ontwikkelt hij een collectief bewustzijn van eenheid en broederschap met alle moslims wereldwijd.Moslims uit alle windstreken van de wereld die als vertegenwoordigers en getuigen naar Makkah afreizen, leggen bij de grenzen die Mīqāt worden genoemd hun wereldse kleding af — kleding die de wereld en haar verschillen, egoïsme en begeerten symboliseert — en hullen zich in de iḥrām.

Deze eenvoudige en uniforme kleding maakt iedereen gelijk, brengt hen samen en versterkt het besef deel uit te maken van de wereldwijde islamitische gemeenschap. Vanaf dat moment vervaagt het individuele ‘ik’ en ontstaat een sterk collectief ‘wij’-gevoel. De gelovigen mengen zich in een onafgebroken stroom van witte gewaden die zich uitstrekt tot aan de horizon, en ervaren daarin als het ware de dood en het Hiernamaals nog vóór het daadwerkelijke overlijden.

Wijsheden van de ḤajEr zijn vele wijsheden verbonden aan de instelling van de Ḥaj. Wij noemen er enkele:

De Ḥaj is voorgeschreven als een uitingvan dankbaarheid voor de talloze gunsten die Allāh aan de mens heeft geschonken, zoals bezit, gezondheid en welzijn.

De Ḥaj is als het ware het jaarlijkse islamitische congres.De Islām heeft in elke vorm van aanbidding eenheid van de gemeenschap tot doel gesteld. Deze eenheid manifesteert zich reeds in de buurtmoskee, waar moslimmannen vijfmaal per dag samenkomen en gezamenlijk in sajdah neerknielen voor ar-Raḥmān waarme zij hun dienaarschap tegenover Allāhu ذو الجلال tot uitdrukken brengen.De voordelen van dit samenkomen zijn zowel religieus als werelds. Gezamenlijk verrichte daden van aanbidding zijn waardevoller en de aanvaarding ervan is meer te verwachten. Daarnaast blijven leden van de gemeenschap door deze regelmatige bijeenkomsten op de hoogte van elkaars situatie. In tijden van nood of conflict functioneren zij als het ware als een paraat collectief.In de ‘vrijdagmoskeeën’ (grootste moskeeën in een stad) en de plaatsen van de ṣalāh al- ‘Īd (musalla) wordt deze eenheid nog duidelijker zichtbaar, aangezien daar niet slechts één buurt, maar meerdere wijken samenkomen. Hierdoor worden de salawāt vermenigvuldigd door honderden, zelfs duizenden, oprechte “āmīn”-zeggers, wier smeekbeden gezamenlijk opstijgen tot Allāh.Door dit voortdurende samenzijn worden de onderlinge banden versterkt en blijft de gemeenschap betrokken bij elkaars omstandigheden.

Uiteindelijk wordt de vermogende moslim eenmaal in zijn leven verplicht af te reizen naar het hart van de aarde, Makkah al-Mukarramah, om deel te nemen aan deze jaarlijkse bijeenkomst van de Islām: de Ḥaj.Daar verzamelen zich niet slechts bewoners van één dorp of stad, maar vertegenwoordigers van de wereldwijde gemeenschap van moslims. Dit gezegende gezelschap, dat de essentie van honderden miljoenen gelovigen belichaamt, vormt als het ware één enkel lichaam. De smeekbeden die uit miljoenen harten voortkomen, stijgen gezamenlijk als één stem op naar de Hoogste Hemel (al-ʿArsh al-Aʿlā):“Labbayk Allāhumma labbayk – Hier ben ik, o Allāh, hier ben ik.”

De Ḥaj is de plaats waar de ware religieuze broederschap en volmaakte gelijkheid zichtbaar worden. Er bestaat geen onderscheid tussen rijk en arm, heerser en onderdaan, soldaat en bevelhebber. Iedereen heeft zich ontdaan van wereldse statussymbolen en is gehuld in een eenvoudig wit gewaad dat doet denken aan een lijkwade. Dit leger van Allāh, dat het tafereel van de Dag der Opstanding oproept, bevestigt deze gelijkheid telkens opnieuw door de eenstemmige talbiyah die als het ware de Hoogste Troon doet beven:“Labbayk Allāhumma labbayk – Hier ben ik, o Allāh, hier ben ik.”Tijdens deze verheven plechtigheid komen pelgrims (Hujjāj) uit uiteenlopende volkeren met elkaar in contact, delen zij hun zorgen en ondersteunen zij elkaar. Juist dit is wat de Islām beoogt..

De Ḥaj vormt een middel tot boetedoening/vergeving van zonden en is een uiting van de barmhartigheid van Allāh jegens Zijn dienaren.

Voorwaarden van de Ḥaj

De voorwaarden van de Ḥaj zijn onder te verdelen in twee categorieën. De eerste categorie betreft de voorwaarden van verplichting (wujūb):

Vrij zijn

Beschikken over een gezond verstand

Volwassen zijn

Moslim zijn

Op basis hiervan is de Ḥaj niet verplicht voor slaven, krankzinnigen, kinderen die de puberteit nog niet hebben bereikt en niet-moslims. Zelfs wanneer iemand vóór zijn bekering over voldoende middelen beschikte, maar na zijn toetreding tot de Islām arm wordt, rust de verplichting van de Ḥaj niet op hem.

Wanneer iemand daarentegen tijdens zijn islamitische leven vermogend wordt en de Ḥaj daardoor voor hem verplicht wordt, maar hij deze niet verricht, blijft deze verplichting op hem rusten, zelfs als hij later zijn vermogen verliest. Dit komt doordat de Ḥaj een daad van aanbidding is die bindend wordt zodra aan de voorwaarden voor verplichting en uitvoering is voldaan.

Tot de voorwaarden van verplichting behoort tevens het vermogen om de reis te ondernemen (istitāʿah), dat wil zeggen: de fysieke en financiële mogelijkheid en kracht om de Ḥaj te verrichten. Daarom is de Ḥaj niet verplicht vóórdat de vastgestelde tijd is aangebroken, noch voor degene die lichamelijk of financieel niet in staat is om te reizen. Over de precieze invulling van istitāʿah bestaan onder de imāms van de verschillende madhāhib uiteenlopende opvattingen.

Voorwaarden van adā’ (uitvoering)

Tot de voorwaarden voor de uitvoering van de Ḥaj behoren onder andere:

Moslim zijn

Het dragen van de iḥrām

Zich bevinden binnen de voorgeschreven tijd

Aanwezig zijn op de voorgeschreven plaatsen

Rukūn (essentiële handelingen) van de Ḥaj

Over de rukūn van de Ḥaj bestaan verschillende meningen binnen de madhāhib. Tot de algemeen aanvaarde rukūn behoren onder andere:

Ṭawāf al-ziyārah

Wuqūf bij ʿArafāt

Soorten daden van aanbidding

Lichamelijk (badaniyyah): bijvoorbeeld ṣalāh en ṣawm

Financieel (māliyyah): zoals zakāh

Gemengd (badaniyyah wa māliyyah): zoals de Ḥaj, waarin zowel lichamelijke handelingen (zoals ṭawāf en saʿy) als financiële uitgaven zijn opgenomen

De Ḥaj is een verplichte ibādah die eenmaal in het leven moet worden verricht.

Tijdstip van verrichting en uṣūl al-fiqh

De vraag rijst: “Moet men de Ḥaj in het jaar waarin hij verplicht wordt direct verrichten, of is uitstel toegestaan?”

Om dit te begrijpen, maakt men gebruik van de wetenschap van uṣūl al-fiqh, waarin de tijd in relatie tot ‘ibādāt wordt ingedeeld in drie categorieën:

Muwassaʿ (verruimd): de tijd is ruimer dan de vereiste daad. Dit wordt ook wel een omhulsel (ẓarf) genoemd. Bij de ṣalāh is dit zo. Want nadat de tijd voldoende is voor het verrichten van de verplichte ṣalāh, blijft er nog tijd over om meerdere ṣalawāt te verrichten. Daarom is bij dergelijke ‘ibādāt het exact bepalen van de niyyah noodzakelijk.

Muḍayyaq (ingesnoerd): de tijd is precies voldoende voor de ‘ibādah, zonder overschot. Daarom wordt het ook wel een maatstaf (miʿyār) genoemd. Bij de ṣawm is dit zo. In één dag kan slechts één vasten worden verricht, waardoor in Ramaḍān een algemene niyyah voor het vasten volstaat.

Mashkūk (twijfelachtig): het is onzeker of de tijd voor de ibādah ruimer of precies passend is. Bij de Ḥaj is dit het geval. Wanneer men kijkt naar het feit dat er slechts één Ḥaj per jaar mogelijk is, lijkt dit op miʿyār. Maar wanneer men kijkt naar de afzonderlijke rituelen van de Ḥaj, die niet de gehele periode vullen, lijkt het op ẓarf.. Hieruit ontstond verschil van mening tussen de imams.

Imām Muḥammad van de Ḥanafi-school zag het meer als ẓarf en oordeelde dat wie sterft zonder het in het eerste jaar te verrichten, zondig is.

Imām Abū Yūsuf van de Ḥanafi-school neigde meer naar miʿyār en vond dat uitstel vanaf het eerste verplichte jaar niet toegestaan is. Toch erkende hij de gelijkenis met ẓarf en beschouwde hij de latere verrichting nog steeds als geldig adāʾ, terwijl het uitstellen als zondig werd gezien.

Van Imām Abū Ḥanīfah is er een overlevering die duidt dat hij samen met Abū Yūsuf hierin stond.

Conclusie: Volgens vrijwel alle imams van de madhāhib (behalve Imām ash-Shāfiʿī) is de ḥukm van de Ḥaj fawrī: dat wil zeggen dat men het moet verrichten zodra men daartoe in staat is. Uitstellen is zondig, maar verrichting in een later levensjaar geldt nog steeds als adāʾ.

Ḥaj is een vaststaande farīḍah. Zijn verplichting staat vast door de Qur’ān, de Sunnah en de ijmāʿ van de ummah. Wie dit ontkent, verlaat de dīn.

Bewijs uit de Qur’ān:

فِيهِ ءَايَٰتُۢ بَيِّنَٰتٞ مَّقَامُ إِبۡرَٰهِيمَۖ وَمَن دَخَلَهُۥ كَانَ ءَامِنٗاۗ وَلِلَّهِ عَلَى ٱلنَّاسِ حِجُّ ٱلۡبَيۡتِ مَنِ ٱسۡتَطَاعَ إِلَيۡهِ سَبِيلٗاۚ وَمَن كَفَرَ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَنِيٌّ عَنِ ٱلۡعَٰلَمِينَ ٩٧

Daarin zijn duidelijke Tekenen (bijvoorbeeld) de plaats van Ibrāhīm. Wie daar ook binnengaat, is veilig. En de Ḥaj naar het Huis is door Allāh aan de mensen opgelegd, voor degenen die het zich kunnen veroorloven. En degene die ongelovig is (in Allāh of Zijn bevel omtrent de Ḥaj), (moet beseffen) dat Allāh geen behoefte heeft aan de werelden (de mensen, de Djinn en de Engelen). (surah Āl ʿImrān 3:97)

Bewijs uit de Sunnah:Het beroemde ḥadīth over Īmān en Islām , en ook andere aḥādīth die dit expliciet bevestigen.] (Bulughu’l marām) en (HA)

Zie Appendix 11: De Haj van Resûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

Wat toegestaan is en wat niet toegestaan is voor de muhram tijdens de Ḥaj of `umrah, en de verklaring van het verbod op geurige stoffen voor muhram

ما يباح للمحرم بحج أو عمرة، وما لا يباح وبيان تحريم الطيب عليه

٧٣١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَجُلًا قَالَ يَا رَسُولَ اللهِ مَا يَلْبَسُ الْمُحْرِمُ مِنَ الثِّيَابِ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ يَلْبَسُ الْقُمُصَ وَلاَ الْعَمَائِمَ وَلاَ السَّرَاوِيلاَتِ وَلاَ الْبَرَانِسَ وَلاَ الْخِفَافَ، إِلاَّ أَحَدٌ لاَ يَجِدُ نَعْلَيْنِ فَلْيَلْبَسْ خُفَّيْنِ، وَلْيَقْطَعْهُمَا أَسْفَلَ مِنَ الْكَعْبَيْنِ، وَلاَ تَلْبَسُوا مِنَ الثِّيَابِ شَيْئًا مَسَّهُ الزَّعْفَرَانُ أَوْ وَرْسٌ

731-) Van `Abdullah Ibn '`Umar (رضي الله عنهما):Een man vroeg aan Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم): “Welke kleding mag een muhram (iemand die in iḥrām is om `umrah of Ḥaj te verrichten) dragen?” Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Draag geen: tuniek, tulband, onderbroek of broek, mantel (met een capuchon), hemd en gesloten schoenen (van het type leren binnenschoenen). Als hij geen sandalen (na`l) vindt, laat hem dan de gesloten schoenen onder de enkels afsnijden. Draag ook geen kleding die met saffraan of wars (een kleurstofgevende plant) gekleurd is.”

[De wijsheid achter het verbod op het gebruiken van geur en het naderen van vrouwen tijdens de Ḥaj, is dat men zich distantieert van wereldse versieringen, genot en luxe, zodat al zijn aandacht en gedachten gericht worden op de doelen van het Hiernamaals. Voor degene die de intentie heeft de Ḥaj te verrichtenzijn deze verboden handelingen bedoeld om hem te helpen zich volledig los te maken van comfort en afleiding, zodat hij zijn Ḥaj in nederigheid en ontzag kan volbrengen. De pelgrim (ḥajjī) zal zich gedurende de gehele periode van de Ḥaj bewust zijn van zijn staat van iḥrām. Dit bewustzijn stimuleert hem tot voortdurend gedenken van Allah, aanbidding, en zelfreflectie.

Het beschermt zijn daden tegen zonden, houdt hem weg van verboden handelingen en versterkt zijn focus op de spirituele dimensie van de Ḥaj. De iḥrām-kleding zelf herinnert de pelgrim aan de dood, het lijkkleed en de Dag der Opstanding, wanneer alle mensen blootsvoets en met ontbloot hoofd voor de goddelijke Tegenwoordigheid zullen verschijnen.] (HA)

٧٣٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَخْطُبُ بِعَرَفَاتٍ مَنْ لَمْ يَجِدِ النَّعْلَيْنِ فَلْيَلْبَسِ الْخُفَّيْنِ، وَمَنْ لَمْ يَجِدْ إِزَارًا فَلْيَلْبَسْ سَرَاوِيلَ لِلْمُحْرِمِ732-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens een preek op `Arafah zeggen over muhrim: “Wie geen sandalen kan vinden, mag leren binnenschoenen dragen, en wie geen onderkleed (izār) kan vinden, mag een broek (sarāwīl) dragen.”٧٣٣ - حديث يَعْلَى قَالَ لِعُمَرَ ﵁: أَرِنِي النَّبِيَّ ﷺ حِينَ يُوحَى إِلَيْهِ؛ قَالَ: فَبَيْنَمَا النَّبِيُّ ﷺ بِالْجِعْرَانَةِ وَمَعَهُ نَفَرٌ مِنْ أَصْحَابِهِ، جَاءَهُ رَجُلٌ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ تَرَى فِي رَجُلٍ أَحْرَمَ بِعُمْرَةٍ وَهُوَ مُتَضَمِّخٌ بِطِيبٍ فَسَكَتَ النَّبِيُّ ﷺ سَاعَةً، فَجَاءَهُ الْوَحْيُ، فَأَشَارَ عُمَرُ ﵁ إِلَى يَعْلَى، فَجَاءَ يَعْلَى، وَعَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ ثَوْبٌ قَدْ أُظِلَّ بِهِ، فَأَدْخَلَ رَأْسَهُ، فَإِذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ مُحْمَرُّ الْوَجْهِ، وَهُوَ يَغِطُّ؛ ثُمَّ سُرِّيَ عَنْهُ، فَقَالَ: أَيْنَ الَّذي سَأَلَ عَنِ الْعُمْرَةِ فَأُتِيَ بِرَجُلٍ، فَقَالَ: اغْسِلِ الطِّيبَ الَّذِي بِكَ ثَلاَثَ مَرَّاتٍ، وَانْزِعْ عَنْكَ الجُبَّةَ، وَاصْنَعْ فِي عُمْرَتِكَ كَمَا تَصْنَعُ فِي حَجَّتِكَ733-) Van Ya`â ibn Umayyah رضي الله عنهIk zei tegen `Umar: “Laat mij zien hoe de openbaring tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) komt.” Terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met een groep ashāb bij Ji‘rânah (tussen Makkah en Tâ`if) was, kwam er een man naar hem toe en vroeg: “O Rasûlullâh, wat oordeelt u over een man die in staat van iḥrām is voor de `umrah, maar zich heeft geparfumeerd?”an-Nabī

(صلى الله عليه وسلم) zweeg een tijdje, want er kwam een openbaring tot hem. `Umar رضي الله عنه wenkte naar mij (Ya`â), waarop ik meteen kwam. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) lag onder een doek die als schaduw diende. Ik keek eronder en zag dat zijn gezicht rood werd en dat hij een zwaar geluid maakte Nadat het effect van de openbaring verdween, zei hij: “Waar is de man die vroeg over ‘umrah?”De man werd erbij gehaald, en Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Was de geur drie keer van je af, trek je mantel uit en handel in `umrah zoals je ook tijdens de Ḥaj zou doet.”Ibn Jurayj zei: Ik vroeg aan Atâ: “Toen hij (صلى الله عليه وسلم) deze man drie keer het wassen beval, bedoelde hij dan het reinigen (dat wil zeggen, het verwijderen van de geur van saffraan uit zijn kleding)?” Atâ antwoordde: “Ja.”

De mawāqīt (e.v. mīqat) plaatsen voor de Ḥaj en `umrah

مواقيت الحج والْعمرة

٧٣٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: وَقَّتَ رَسُولُ اللهِ ﷺ َلاهْلِ الْمَدِينَةِ ذَا الْحُلَيْفَةِ، وَلأهْلِ الشَّامِ الْجُحْفَةَ، وَلأَهْلِ نَجْدٍ قَرْنَ الْمَنَازِلِ، وَلأَهْلِ الْيَمَنِ يَلَمْلَمَ، فَهُنَّ لَهُنَّ وَلِمَنْ أَتَى عَلَيْهِنَّ مِنْ غَيْرٍ أَهْلِهِنَّ لِمَنْ كَانَ يُريدُ الْحَجَّ وَالْعُمْرَةَ، فَمَنْ كَانَ دُونَهُنَّ فَمُهَلُّهُ مِنْ أَهْلِهِ، وَكَذَاكَ، حَتَّى أَهْلُ مَكَّةَ يُهِلُّونَ مِنْهَا

734-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) heeft de volgende plaatsen vastgesteld (als miqāt: de plaats waar men de iḥrām (gewijde staat) aanneemt en met luide stem talbiyah opzegt voor de mensen uit verschillende regio's):

Voor de inwoners van Madīnah is Dzu’l-Hulayfah,

Voor de inwoners van Shām is Juhfah,

Voor de inwoners van Najid is Qarn al-Manāzil,

Voor de inwoners van Jemen is Yalamlam.

Deze (miqāt)-plaatsen gelden ook voor mensen die geen inwoners zijn van die gebieden maar de intentie hebben om de Ḥaj of `umrah te verrichten. Wie zich tussen deze miqāt-plaatsen en Makkah bevindt, gaat in iḥrām vanuit zijn eigen regio. De inwoners van Makkah gaan in iḥrām vanuit Makkah zelf.”

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bepaalde tijdens zijn leven de plaatsen waar mensen uit verschillende gebieden in de staat van iḥrām moesten treden wanneer zij voor de Ḥaj of `umrah kwamen. De inwoners van de omringende gebieden dienen vanaf de aan hen toegewezen plaats in iḥrām te treden.

Voor degenen die uit andere streken komen en onderweg een andere mīqāt passeren dan die van hun eigen gebied, maakt het niet uit of hun eigen regio een specifieke mīqāt heeft of niet; in beide gevallen dienen zij iḥrām te betreden, vanaf de mīqāt die zij op hun route kruisen.Volgens de Ḥanafī-geleerden geldt dat iemand die over land of zee reist tussen twee mīqāt-punten in iḥrām moet treden zodra hij, naar zijn eigen inschatting, ter hoogte van één van die mīqāt-plaatsen komt. Het is niet toegestaan voor iemand die Ḥaj of ʿumrah wil verrichten om een mīqāt die op zijn route ligt, zonder iḥrām te passeren. Over deze regel bestaat consensus onder de geleerden.Dzu’l-Hulayfah: Dit is de mīqāt-plaats voor de inwoners van Madīnah. Zij ligt ten zuidwesten van Madīnah, tussen Makkah en Madīnah, op ongeveer 10 km van Madīnah en 450 km van Makkah. Het is de mīqāt die het verst van Makkah ligt. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging hier in iḥrām. Deze plaats geldt ook als mīqāt voor pelgrims uit andere landen die daarlangs reizen.Juhfah: Ligt ten noordwesten van Makkah, op ongeveer 187 km afstand.Qarn al-Manāzil: Deze bevindt zich ten noordoosten van Makkah, ten noorden van ʿArafah, op een afstand van ongeveer één dag en nacht reizen van ʿArafah. Deze berg heet “Qarn al-Manāzil” en ligt ongeveer 96 km van Makkah. Yalamlam: Dit is de mīqāt voor degenen die vanuit Jemen en India komen. Zij ligt ten zuiden van Makkah, op ongeveer 54 km afstand.Dhāt ʿIrq: de de mīqāt-plaats voor de mensen uit ʿIrāq en de noordoostelijke gebieden.] (HA)

٧٣٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: يُهِلُّ أَهْلُ الْمَدينَةِ مِنْ ذِي الْحُلَيْفَةِ، وَأَهْلُ الشَّامِ مِنَ الْجُحْفَةِ، وَأَهْلُ نَجْدٍ مِنْ قَرْنٍ قَالَ عَبْدُ اللهِ: وَبَلَغَنِي أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: وَيُهِلُّ أَهْلُ الْيَمَنِ مِنْ يَلَمْلَمَ735-) Van '`Abdullah ibn 'Amr رضي الله عنهRasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei:

De mensen van Madīnah gaan in iḥrām bij Dzu’l Hulayfah,

De mensen van Shām gaan in iḥrām bij Juhfah,

De mensen van Najd gaan in iḥrām bij Qarn,

En ik heb vernomen dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) ook zei: 'De mensen van Jemen gaan in iḥrām bij Yalamlam.'

De talbiyah: omschrijving en tijdstip[Talbiyah betekent letterlijk “antwoord geven” (op een oproep). In de context van de Ḥaj en `umrah verwijst het naar het uitspreken van labbayk, oftewel het verbaal beantwoorden van Allāhs oproep.De talbiyah wordt uitgesproken zodra men de iḥrām aanneemt bij de miqāt (de vastgestelde grens voor de Ḥaj).Gedurende de reis wordt de talbiyah regelmatig herhaald, met name in de volgende situaties:

Na het verrichten van de ṣalawāt

Bij het beklimmen van een heuvel of het afdalen in een dal

Wanneer men andere groepen pelgrims ontmoet

Aan het begin van een nieuwe fase van de reis

Voor `umrah stopt men met de talbiyah zodra men de Ka`bah bereikt en begint met de ṭawāf.Voor Ḥaj blijft men de talbiyah uitspreken tot de ochtend van Yawm an-Nahr (de 10e dag van Dhul-Hijjah: 1e dag van `Iedu’l ʿAḍḥā) bij het stenigen van Jamarat al-‘Aqabah.De talbiyah is een belangrijke vorm van aanbidding en een uitdrukking van toewijding aan Allāh tijdens de `umrah Ḥaj.)] (AFK)

[De talbiyah wordt door mannen luidop uitgesproken, terwijl vrouwen deze zachtjes zeggen. De talbiyah wordt herhaald nadat men in iḥrām is getreden, bij afdalen en beklimmen van hellingen, tijdens gesprekken met anderen, ‘s nachts of overdag, bij het zitten en opstaan, na de ṣalāh, bij het bestijgen van een dier of voertuig, en bij elk verandering van plaats, zoals het binnengaan van een moskee. Elke keer wordt de talbiyah drie keer achter elkaar keren opgezegd, waarna een duʿāʾ volgt.Hujjāj (pelgrims) blijven de talbiyah herhalen tot het steenwerpen van de shayṭān bij ʿAqabah, dat wil zeggen tot de ochtend van de eerste dag van het feest (ʿĪd al-Adḥā). Voor degenen die alleen ʿumrah verrichten, gaat de talbiyah door tot het begin van de tawāf. Alles wat tot nu toe over de talbiyah is beschreven, is gebaseerd op de praktijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).De wijsheid van de talbiyah is dat zij de aandacht van de pelgrims vestigt op het feit dat het een grote gunst en weldaad van Allah is dat zij als gasten van het Huis van Allah (Baytullāh) mogen komen. Tegelijkertijd benadrukt zij de verheffing van de Naam van Allāh.Het juridische oordeel over de talbiyah kent verschil van mening onder de geleerden:

Volgens de Ḥanafī-geleerden is de talbiyah een voorwaarde voor de iḥrām; het uitspreken ervan is noodzakelijk voor de geldigheid van het iḥrām.

De talbiyah wordt uitgesproken met de tong. Elke lofuiting, tahlīl, takbīr, tasbīḥ of tahmīd die tot doel heeft Allah te verheffen, kan de talbiyah vervangen.

.De talbiyah wordt met de tong uitgesproken. Elke lofuiting, tahlīl, takbīr, tasbīḥ of tahmīd die met het doel van Allahs verheffing wordt gezegd, kan de talbiyah vervangen.] (HA)

التلبية وصفتها ووقتها

٧٣٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ تَلْبِيَةَ رَسُولِ اللهِ ﷺ: لَبَّيْكَ اللهُمَّ لَبَّيْكَ، لَبَّيْكَ لاَ شَرِيكَ لَكَ لَبَّيْكَ، إِنَّ الْحَمْدَ وَالنِّعْمَةَ لَكَ وَالْمُلْكَ لاَ شَرِيكَ لَكَ

736-) Van '`Abdullah ibn 'Umar (رضي الله عنهما):De talbiyah van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) was:

لَبَّيْكَ اللَّهُمَّ لَبَّيْكَ، لَبَّيْكَ لَا شَرِيكَ لَكَ لَبَّيْكَ، إِنَّ الْحَمْدَ وَالنِّعْمَةَ لَكَ وَالْمُلْكَ، لَا شَرِيكَ لَكَ

“Hier ben ik, O Allāh, hier ben ik. Hier ben ik, U heeft geen deelgenoot, hier ben ik. Voorwaar, alle lofprijzing, gunsten en het koningschap behoren U toe. U heeft geen deelgenoot.”

De inwoners van Madīnah kregen het bevel om de iḥrām aan te nemen bij de moskee van Dhu’l Hulayfah

أمر أهل المدينة بالإحرام من عند مسجد ذي الحليفة

٧٣٧ – حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: مَا أَهَلَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلاَّ مِنْ عِنْدِ الْمَسْجِدِ، يَعْنِي مَسْجِدَ ذِي الْحُلَيْفَةِ

737-) Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) sprak de tahlīl uit (het uitspreken van de woorden “Lā ilāha illā Allāh”: talbiyah om in iḥrām te gaan en intentie te nemen voor `umrah/Ḥaj) vanaf de moskee, daarmee bedoelde hij de moskee van Dhu’l Hulayfah.”

Het uitspreken van de talbiyah vanaf het moment dat het rijdier in beweging komt

الإهلال من حيث تنبعث الراحلة

٧٣٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ عَنْ عُبَيْدِ بْنِ جُرَيْجٍ، أَنَّهُ قَالَ لِعَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ: يَا أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ رَأَيْتُكَ تَصْنَعُ أَرْبَعًا، لَمْ أَرَ أَحَدًا مِنْ أَصْحَابِكَ يَصْنَعُهَا قَالَ: وَمَا هِيَ يَا ابْنَ جُرَيْجٍ قَالَ: رَأَيْتُكَ لاَ تَمَسُّ مِنَ الأَرْكَانِ إِلاَّ الْيَمَانِيَيْنِ، وَرَأَيْتُكَ تَلْبَسُ النِّعَالَ السِّبْتِيَّةَ، وَرَأَيْتُكَ تَصْبُغُ بِالصُّفْرَةِ، وَرَأَيْتُكَ إِذَا كُنْتَ بِمَكَّةَ أَهَلَّ النَّاسُ إِذَا رَأَوُا الْهِلاَلَ، وَلَمْ تُهِلَّ أَنْتَ حَتَّى كَانَ يَوْمُ التَّرْوِيَة

قَالَ عَبْدُ اللهِ: أَمَّا الأَرْكَانُ، فَإِنِّي لَمْ أَرَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَمَسُّ إِلاَّ الْيَمَانِيَيْنِ، وَأَمَّا النِّعَالُ السِّبْتِيَّةُ، فَإِنِّي رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَلْبَسُ النَّعْلَ الَّتي لَيْسَ فِيهَا شَعَرٌ، وَيَتَوَضَّأُ فِيهَا، فَأَنا أُحِبُّ أَنْ أَلْبَسَهَا وَأَمَّا الصُّفْرَةُ، فَإِنِّي رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَصْبُغُ بِهَا، فَأَنَا أُحِبُّ أُنْ أَصْبُغَ بِهَا وَأَمَّا الإِهْلاَلُ، فَإِنِّي لَمْ أَرَ رسُولَ اللهِ ﷺ يُهِلُّ حَتَّى تَنْبَعِثَ بِهِ رَاحِلَتُهُ

738 - Van `Abdullah Ibn `Umar via ‘Ubayd ibn Jurayj (رضي الله عنهما):‘Ubayd ibn Jurayj zei tegen `Abdullah ibn `Umar: “O Abû ‘Abdurrahman, ik heb vier (goede) deugden van jou gezien die ik bij geen van je metgezellen heb zien doen.”`Abdullah Ibn `Umar vroeg: “En wat zijn die, o Ibn Jurayj?”Hij antwoordde: “Ik heb gezien dat je alleen de twee Yamanī hoeken (van de Ka`bah) aanraakt (Ruknu’l Yamanī en Ḥajaru’l-Aswad). Ik heb gezien dat je sandalen draagt van zacht leer zonder haar. Ik heb gezien dat je je haar verft met ṣufrah (geel kleurstof). En ik heb gezien dat, terwijl de mensen in Makkah de talbiyah uitspreken zodra ze de (nieuwe maan van de maand Dhu’l Hijjah) waarnemen, jij pas de iḥrām aantrekt op de dag van de tarwiyah (8e Dhul-Hijjah) (en dan de talbiyah uitspreekt)”`Abdullah Ibn `Umar رضي الله عنهما antwoordde: “Wat betreft de hoeken: ik heb Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) alleen de twee Jemenitische hoeken (nl. Ruknu’l Yamanī en Ḥajaru’l-Aswad) zien aanraken (en geen andere hoek van de Ka`abah), daarom doe ik hetzelfde.

Wat betreft de sandalen van zacht leer: ik heb Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij sandalen droeg zonder haar erop en daarin de wudū’ verrichtte, daarom houd ik ervan om ze te dragen. Wat betreft de gele kleurstof: ik heb Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gezien terwijl hij zijn haar ermee verfde, en daarom houd ik ervan om dat te doen.En wat betreft de talbiyah: ik heb Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) pas de talbiyah zien uitspreken wanneer zijn rijdier in beweging kwam (nl. voor de 8e Dhu’l Hijjah), daarom doe ik hetzelfde.”

Parfum voor de muhrim bij het aannemen van de iḥrām

الطيب للمحرم عند الإحرام

٧٣٩ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: كنْتُ أُطَيِّبُ رَسُولَ اللهِ ﷺ لإِحْرَامِهِ حِينَ يُحْرِمُ، وَلِحِلِّهِ قَبْلَ أَنْ يَطُوفَ بِالْبَيْتِ

739 - Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Ik plachte Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) te parfumeren in zijn iḥrām, wanneer hij in staat van iḥrām was, en ook bij het uit (de iḥrām) treden (ḥil), vóórdat hij de ṭawāf rondom het Huis (Tawāf al-Bayt) verrichtte.”

[Degene die de intentie heeft om de Ḥaj te verrichten, wordt iḥrām opgelegd omdat bepaalde handelingen verboden zijn: geslachtsgemeenschap met een vrouw, het dragen van genaaide kleding, jacht op wild, het aanbrengen van geur, het knippen van nagels of haren en soortgelijke handelingen. Om deze reden wordt het begin van de Ḥaj ook wel “in iḥrām treden” genoemd. In deze context verwijst het begrip “in iḥrām treden” dus naar het voornemen tot Ḥaj, met andere woorden: iḥrām betekent het betreden van het verbodene; het beëindigen van iḥrām (uit iḥrām terden) wordt aangeduid met ḥil.Wanneer in de tekst staat: “parfumeren”, dat iemand zich heeft “geparfumeerd”, betekent dit dat de pelgrim, vanwege zijn intentie om Ḥaj of ʿumrah te verrichten, een deel van zijn lichaam of kleding met een aangename geur heeft voorzien. Het begrip Tawāf al-Bayt verwijst in de tekst naar de tawāf az-ziyārah-, het zogenaamde “bezoek-tawāf” dat wordt verricht tijdens de tawāf al-Ifāḍah: de tawāf die volgt na het afdalen van ʿArafah. Deze tawāf is een van de rukun van de Ḥaj voor iedere pelgrim, ongeacht de variant van Ḥaj die hij verrichtNadat de ʿAqabah–stenen zijn geworpen, het offerdier is geslacht en het hoofd is geschoren, en vóór de bezoek-tawāf, wordt voor iedere pelgrim alles wat verboden was in iḥrām, behalve geslachtsgemeenschap, toegestaan.

Dit wordt de “eerste toegestaan-verklaring” genoemd.Het aanbrengen van geur door ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vond precies in deze periode plaats.] (HA)

٧٤٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى وَبِيصِ الطِّيبِ فِي مَفْرِقِ النَّبِيِّ ﷺ وَهُوَ مُحْرِمٌ

740 – Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها:Ik kan me nog levendig herinneren hoe ik de glans van de parfum op de scheiding in het haar van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag terwijl hij in iḥrām was.”

٧٤١ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ الْمُنْتَشِرِ، قَالَ: سَأَلْتُ عَائِشَةَ فَذَكَرْتُ لَهَا قَوْلَ ابْنِ عُمَرَ: مَا أُحِبُّ أَنْ أُصْبِحَ مُحْرِمًا أَنْضَخُ طِيبًا فَقَالَتْ عَائِشَةُ: أَنَا طَيَّبْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، ثُمَّ طَافَ فِي نِسَائِهِ، ثُمَّ أَصْبَحَ مُحْرِمًا741-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها) via İbrahim ibnu Muhammed ibnu’l-Muntashir:Ik zei wat ʿAbdullāh ibn ʿUmar tegen mij zei: ‘Ik houd er niet van dat er geursporen op mij achterblijven terwijl ik in de staat van iḥrām ben”. Ik vroeg hierover aan ʿĀʾishah.

Zij zei: “Ik bracht parfum aan op Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم). Daarna bezocht hij zijn vrouwen (en had gemeenschap met hen). Vervolgens trad hij 's ochtends in iḥrām, (terwijl de geur van het parfum nog steeds rook).

Verbod op de jacht voor de muhrim (iemand in staat van iḥrām is)

تحريم الصيد للمحرم

٧٤٢ - حديث الصَّعْبِ بْنِ جَثَّامَةَ اللَّيْثِيِّ، أَنَّهُ أَهْدَى لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، حِمَارًا وَحْشِيًّا، وَهُوَ بِالأَبْوَاءِ، أَوْ بِوَدَّانَ، فَرَدَّهُ عَلَيْهِ فَلَمَّا رَأَى مَا فِي وَجْهِهِ، قَالَ: إِنَّا لَمْ نَرُدَّهُ إِلاَّ أَنَّا حُرُمٌ

742 - Van as-Sa‘b ibn Jaththamah al-Laythī رضي الله عنه:Hij schonk een wilde ezel aan Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم) terwijl deze zich in al-Abwāʾ of Waddān bevond. Maar hij wees het geschenk af. Toen hij (aṣ-Ṣaʿb’s teleurstelling op zijn gezicht) zag, zei hij: “Wij hebben het (je geschenk) slechts afgewezen omdat wij in staat van iḥrām verkeren.”

[Abwâ' en Bi Waddân zijn plaatsen die zich bevinden tussen Makkah en Madînah. In een volgende overlevering wordt vermeld dat een muhrim vlees van gejaagde dieren mag eten, mits het niet speciaal voor hem gejaagd is. In deze ḥadīth weigerde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) het aangeboden vlees omdat het specifiek met het oog op hem was gejaagd. Sommige geleerden hebben hieruit geconcludeerd dat het eten van jachtvlees voor iemand die zich in iḥrām bevindt in alle gevallen verboden is, ongeacht de omstandigheden.] (AFK)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield ervan geschenken te geven en te ontvangen en had de gewoonte om de aangeboden niet af te wijzen. Een geschenk van het vlees van wilde ezel wees hij af omdat hij zich in staat van iḥrām bevond. Hoewel het voor iemand, die in iḥrām is, verboden is zelf te jagen, is het voor hem wel toegestaan het vlees te eten van een dier dat door een ander is gevangen. Dit wordt bevestigd in een andere overlevering, waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣaḥābah toestond van het vlees te eten, ook al nam hijzelf er geen deel van.] (Diyanet)

٧٤٣ - حديث أَبِي قَتَادَةَ ﵁، قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ بِالْقَاحَةِ، وَمِنَّا الْمُحْرِمُ وَمِنَّا غَيْرُ الْمُحْرِمِ، فَرَأَيْتُ أَصْحَابِي يَتَرَاءَوْنَ شَيْئًا، فَنَظَرْتُ فَإِذَا حِمَارُ وَحْشٍ، يَعْنِي؛ فَوَقَعَ سَوْطُهُ، فَقَالُوا لاَ نُعِينُكَ عَلَيْهِ بِشَيْءٍ إِنَّا مُحْرِمُونَ، فَتَنَاوَلْتُهُ فَأَخَذْتُهُ، ثُمَّ أَتَيْتُ الْحِمَارَ مِنْ وَرَاءِ أَكَمَةٍ فَعَقَرْتُهُ، فَأَتَيْتُ بِهِ أَصْحَابِي، فَقَالَ بَعْضُهُمْ: كُلُوا وَقَالَ بَعْضُهُمْ: لاَ تَأْكُلُوا فَأَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، وَهُوَ أَمَامَنَا فَسَأَلْتُهُ، فَقَالَ: كُلُوهُ، حَلاَلٌ743 - Van Abû Qatadah رضي الله عنه:Wij waren met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij al-Qāḥah. Sommigen van ons bevonden zich in staat van iḥrām en sommigen niet. Ik zag dat mijn vrienden ergens naar keken, en toen ik keek, zag ik een wilde ezel. (Ik zadelde onmiddellijk mijn paard, greep mijn speer en steeg op.) Maar mijn zweep viel uit mijn hand.

Ik vroeg mijn vrienden: 'Geef mij mijn zweep aan.' (Maar omdat zij in iḥrām waren), antwoordden ze: ‘Wij zullen jou op geen enkele manier helpen, want wij zijn in iḥrām.’(Ik stapte zelf af) en pakte hem (de zweep), en achtervolgde de wilde ezel over een heuvel. (Ik verwondde het (dier) met mijn speer en slachtte het). Daarna bracht ik het (dier) naar mijn vrienden. Sommigen van hen zeiden: ‘Eet ervan’, en anderen zeiden: ‘Eet er niet van.’ Vervolgens ging ik naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die voor ons uit was voorgereden, en ik vroeg hem (om advies). Hij zei: ‘Eet ervan, het is ḥalāl.’

[In een andere overlevering wordt vermeld dat toen de metgezellen bij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) kwamen, vroeg hij: “Heeft iemand van jullie opdracht gegeven tot deze jacht of de jager de weg gewezen?” Zij antwoordden: “Nee.” Daarop zei Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) : “Eet dan van het overgebleven vlees.”Wat betreft het verbod op jagen tijdens de staat van iḥrām, zegt Allāh in de Qur’ân:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَقۡتُلُواْ ٱلصَّيۡدَ وَأَنتُمۡ حُرُمٞۚ وَمَن قَتَلَهُۥ مِنكُم مُّتَعَمِّدٗا فَجَزَآءٞ مِّثۡلُ مَا قَتَلَ مِنَ ٱلنَّعَمِ يَحۡكُمُ بِهِۦ ذَوَا عَدۡلٖ مِّنكُمۡ هَدۡيَۢا بَٰلِغَ ٱلۡكَعۡبَةِ أَوۡ كَفَّٰرَةٞ طَعَامُ مَسَٰكِينَ أَوۡ عَدۡلُ ذَٰلِكَ صِيَامٗا لِّيَذُوقَ وَبَالَ أَمۡرِهِۦۗ عَفَا ٱللَّهُ عَمَّا سَلَفَۚ وَمَنۡ عَادَ فَيَنتَقِمُ ٱللَّهُ مِنۡهُۚ وَٱللَّهُ عَزِيزٞ ذُو ٱنتِقَامٍ ٩٥

O, jullie die geloven! Doodt geen wild als jullie in de gewijde staat zijn voor de Ḥaj of de `umrah (kleine bedevaart). En wie het opzettelijk doodt: dan is de vergelding het slachten van het vergelijkbare aan vee, zoals door twee rechtvaardige mannen onder jullie bepaald wordt, en dat als een offer naar de Ka’ba wordt gebracht.

Of als boetedoening het voeden van de armen of een daarmee overeenkomende (hoeveelheid dagen aan) vasten, zodat hij het gewicht van zijn daad voelt. Allāh vergeeft wat reeds gebeurd is, en als hij herhaalt, dan zal Allāh hem ervoor straffen. En Allāh is Almachtig, zeer goed tot de Vergelding in staat. (sûrah al-Maa'idah: 95)] (AFK)

٧٤٤ - حديث أَبِي قَتَادَةَ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: انْطَلَقَ أَبِي، عَامَ الحُدَيْبِيَةِ، فَأَحْرَمَ أَصْحَابُهُ وَلَمْ يُحْرِمْ وَحُدِّثَ النَّبِيُّ ﷺ، أَنَّ عَدُوًّا يَغْزُوهُ، فَانْطَلَقَ النَّبِيُّ ﷺ؛ فَبَيْنَمَا أَنَا مَعَ أَصْحَابِهِ، تَضَحَّكَ بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ، فَنَظَرْتُ فَإِذَا أَنَا بِحِمَارِ وَحْشٍ فَحَمَلْتُ عَلَيْهِ فَطَعَنْتُهُ فَأَثْبَتُّهُ، وَاسْتَعَنْتُ بِهِمْ، فَأَبَوْا أَنْ يُعِينُوني، فَأَكَلْنَا مِنْ لَحْمِهِ، وَخَشِينَا أَنْ نُقْتَطَعَ، فَطَلَبْتُ النَّبِيَّ ﷺ أَرْفَعُ فَرَسِي شَأْوًا وَأَسِيرُ شَأْوًا، فَلَقِيت رَجُلًا مِنْ بَنِي غِفَارٍ فِي جَوْفِ اللَّيْلِ؛ قُلْتُ: أَيْنَ تَرَكْتَ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: تَرَكْتُهُ بِتَعْهنَ، وَهُوَ قَايِلٌ السُّقْيَا فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَهْلَكَ يَقْرَءُونَ عَلَيْكَ السَّلاَمَ وَرَحْمَةَ اللهِ، إِنَّهُمْ قَدْ خَشُوا أَنْ يُقْتَطَعُوا دُونَكَ فَانْتَظِرْهُمْ قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَصَبْتُ حِمَارَ وَحْشٍ وَعِنْدِي مِنْهُ فَاضِلَةٌ، فَقَالَ لِلْقَوْمِ: كُلُوا وَهُمْ مُحْرِمُونَ744 - Van Abū Qatādah (رضي الله عنه), overgeleverd door zijn zoon ʿAbdullāh ibn Abī Qatādah (رضي الله عنه), die zei: “Mijn vader vertrok in het jaar van al-Ḥudaybiyah.

Zijn metgezellen traden is staat van iḥrām, terwijl hijzelf niet in iḥrām was. Vervolgens bereikte an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) het bericht dat een vijand hem wilde aanvallen, waarop an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) vertrok.Terwijl ik bij zijn metgezellen was, begonnen enkelen van hen naar elkaar te lachen. Toen keek ik en zag een wilde ezel. Ik viel het dier aan en stak het neer, zodat hij neerviel. Ik vroeg hen om mij te helpen, maar zij weigerden. We aten van het vlees, hoewel we bang waren dat we daardoor van de groep afgesneden zouden worden.

Toen ging ik op zoek naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), terwijl ik mijn paard afwisselend een stuk liet galopperen en een stuk rustig voortbewegen. Midden in de nacht ontmoette ik een man van Banū Ghifār in het midden van de nacht en vroeg hem: ‘Waar heb je an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) achtergelaten?’ Hij zei: ‘Ik heb hem bij Taʿhin achtergelaten, en bij (het dorpje) as-Suqyā houdt hij een rustpauze.’Ik zei: ‘O Rasulullah uw familie groet u met de salām en de barmhartigheid van Allah. Zij vreesden dat zij van u afgesneden zouden worden voordat zij u konden bereiken, wacht daarom alstublieft op hen.’Daarna zei ik: ‘O Rasulullah, ik heb een wilde ezel buitgemaakt, en heb daar nog een deel van bij mij.’Daarop zei hij tegen de groep, die zich in staat van iḥrām bevond: ‘Eet ervan.”

٧٤٥ - حديث أَبِي قَتَادَةَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ خَرَجَ حَاجًّا، فَخَرَجُوا مَعَهُ، فَصَرَفَ طَائِفَةً مِنْهُمْ، فِيهِمْ أَبُو قَتَادَةَ؛ فَقَالَ: خُذُوا سَاحِلَ الْبَحْرِ حَتَّى نَلْتَقِيَ فَأَخَذُوا سَاحِلَ الْبَحْرِ، فَلَمَّا انْصَرَفُوا أَحْرَمُوا كُلُّهُمْ، إِلاَّ أَبُو قَتَادَةَ لَمْ يُحْرِمْ؛ فَبَيْنَمَا هُمْ يَسِيرُونَ إِذْ رَأَوْا حُمُرَ وَحْشٍ، فَحَمَلَ أَبُو قَتَادَةَ عَلَى الْحُمُرِ فَعَقَرَ مِنْهَا أَتَانًا، فَنَزَلُوا فأَكَلُوا مِنْ لَحْمِهَا، وَقَالُوا: أَنَأْكُلُ لَحْمَ صَيْدٍ وَنَحْنُ مُحْرِمُونَ فَحَمَلْنَا مَا بَقِيَ مِنْ لَحْمِ الأَتَانِ، فَلَمَّا أَتَوْا رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا كُنَّا أَحْرَمْنَا، وَقَدْ كَانَ أبُو قَتَادَةَ لَمْ يُحْرِمْ، فَرَأَيْنَا حُمُرَ وَحْشٍ، فَحَمَلَ عَلَيْهَا أَبُو قَتَادَةَ، فَعَقَرَ مِنْهَا أَتَانًا، فَنَزَلْنَا فَأَكَلْنَا مِنْ لَحْمِهَا، ثُمَّ قُلْنَا: أَنَأْكُلُ لَحْمَ صَيْدٍ وَنَحْنُ مُحْرِمُونَ فَحَمَلْنَا مَا بَقي مِنْ لَحْمِهَا، قَالَ: مِنْكُمْ أَحَدٌ أَمَرَهُ أَنْ يَحْمِلَ عَلَيْهَا أَوْ أَشَارَ إِلَيْهَا قَالُوا: لاَ قَالَ: فَكُلُوا مَا بَقِيَ مِنْ لَحْمِهَا745 – Van Abû Qatadah رضي الله عنه:`Abdullah bin Qatadah zei: Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) vertrok voor de Ḥaj, en een groep van zijn metgezellen vergezelde hem.

(Het nieuws bereikte Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) dat de vijand hen wilde aanvallen.) Waarop stuurde hij een deel van hen weg, onder wie Abû Qatadah, en zei: “Neem de kustroute langs de zee totdat we elkaar weer ontmoeten.” Zij volgden de kustroute langs de zee.Onderweg traden allen in staat van iḥrām, behalve Abû Qatadah, die niet in iḥrām was. Tijdens hun tocht zagen zij een kudde wilde ezels. Abû Qatādah joeg op hen en doodde een ezelin. Al zijn metgezellen stopten en aten van het vlees. |(Toen ze zich realiseerden dat ze in staat van iḥrām waren) vroegen ze zich af: “Mogen wij jagen en vlees eten terwijl wij in iḥrām zijn?” Zij namen wat overbleef van het vlees van de ezelin mee. Toen ze bij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) aankwamen, zeiden ze: “O Rasûlullâh, wij waren in iḥrām, maar Abû Qatadah niet. Wij zagen een kudde wilde ezels, en Abû Qatadah joeg op hen en doodde een ezelin. Wij aten van haar vlees en vroegen ons daarna af: “Mogen wij jachtvlees eten terwijl wij in iḥrām zijn? We hebben het overgebleven vlees meegenomen.”Hij vroeg: “Heeft iemand van jullie hem opgedragen om te jagen of naar de dieren gewezen?” Ze antwoordden: “Nee.” Daarop zei hij: “Eet dan van het vlees dat is overgebleven.”

Welke dieren is het toegestaan te doden voor zowel de muhrim als de niet-muhrim, binnen en buiten de heilige gebieden

ما يندب للمحرم وغيره قتله من الدواب في الحل والحرم

٧٤٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: خَمْسٌ مِنَ الدَّوَابِّ، كُلُّهُنَّ فَاسِقٌ، يُقْتَلْنَ فِي الْحَرَمِ: الْغُرَابُ وَالْحِدَأَةُ وَالْعَقْرَبُ وَالْفَأْرَةُ وَالْكَلْبُ الْعَقُورُ

746 – Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vijf schadelijke dieren mogen (door muhrim en niet-muhrim) in de heilige gebieden (Haram) worden gedood: de raaf, de wouw, de schorpioen, de muis en de agressieve hond.”

٧٤٧ - حديث حَفْصَةَ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: خَمْسٌ مِنَ الدَّوَابِّ لاَ حَرَجَ عَلَى مَنْ قَتَلَهُنَّ: الْغُرَابُ وَالْحِدَأَةُ وَالْفَأْرَةُ وَالْعَقْرَبُ وَالْكَلْبُ الْعَقُورُ747) Van Ḥafṣah رضي الله عنها:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn vijf schadelijke dieren die zonder bezwaar gedood mogen worden: de kraai, de wouw, de muis, de schorpioen en de agressieve hond.”In een andere overlevering is eraan toegevoegd: “Ook in Madînah mogen ze zonder bezwaar gedood worden.”

[Deze dieren worden “fâsiq” (verstorend) genoemd vanwege hun schadelijkheid. Het woord fâsiq betekent letterlijk “de grens overtreden” en wordt hier gebruikt omdat deze dieren zelfs binnen de Haram-regio mogen worden gedood. Dit kan ook verwijzen naar het feit dat ze schade berokkenen en daarom niet als nuttige schepselen worden beschouwd.Hoewel in de ḥadīth vijf dieren worden genoemd, zijn in andere overleveringen meer schadelijke dieren vermeld, waardoor het totaal op acht kan uitkomen. Andere dieren die genoemd worden als toegestaan om te doden, zijn onder andere: de slang, de hagedis, de gevlekte kraai en andere roofdieren zoals de adelaar, de havik, de leeuw, de tijger, de hyena en de panter.

Sommige geleerden stellen dat alleen de in de ḥadīth vermelde dieren mogen worden gedood, terwijl anderen zeggen dat dit principe geldt voor alle schadelijke en agressieve dieren.Maar het feit dat in verschillende aḥadīth verschillende dieren genoemd worden, laat zien dat het doden van schadelijke en gevaarlijke dieren niet beperkt zijn tot een specifieke groep. Omdat ze gemeenschappelijk hebben dat ze schade veroorzaken en agressief zijn, mogen ook vergelijkbare dieren gedood worden.] (AFK)

٧٤٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: خَمْسٌ مِنَ الدَّوَابِّ لَيْسَ عَلَى الْمُحْرِمِ فِي قَتْلِهِنَّ جُنَاحٌ748 – Van `Abdullah Ibn `Umar رضي الله عنهما:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vijf soorten dieren waarvoor het voor de muḥrim geen zonde is om ze te doden”.

Het is toegestaan voor de muhrim om het hoofdhaar af te scheren bij overlast, en de verplichting van fidyah ervoor, evenals de bepaling van de hoeveelheid fidyah

جواز حلق الرأس للمحرم إِذا كان به أذى ووجوب الفدية لحلقه وبيان قدرها

٧٤٩ - حديث كَعْبِ بْنِ عُجْرَةَ ﵁، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: لَعَلَّكَ آذاكَ هَوَامُّكَ قَالَ: نَعَمْ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: احْلِقْ رَأْسَكَ، وَصُمْ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، أَوْ أَطْعِمْ سِتَّةَ مَسَاكِينَ، أَوِ انْسُكْ بِشَاةٍ

749 – Van Kā‘b ibn ‘Ujrah رضي الله عنه:(Kā‘b ibn ‘Ujrah was in staat van ihrām) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Hebben de parasieten (hoofdluizen e.d.) jou misschien lastiggevallen?”Hij zei: “Ja, o Rasûlullāh.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Scheer je hoofd, en vast drie dagen, of voed zes behoeftigen, of offer een schaap.”

٧٥٠ - حديث كَعْبِ بْنِ عُجْرَةَ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ مَعْقِلٍ، قَالَ: قَعَدْتُ إِلَى كَعْبِ بْنِ عُجْرَةَ فِي هذَا الْمَسْجِدِ، يَعْنِي مَسْجِدَ الْكُوفَةِ، فَسَأَلْتُهُ عَنْ (فِدْيَةٌ مِنْ صِيَامٍ) فَقَالَ: حُمِلْتُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَالْقَمْلُ يَتَنَاثَرُ عَلَى وَجْهِي، فَقَالَ: مَا كُنْتُ أُرَى أَنَّ الْجَهْدَ قَدْ بَلَغَ بِكَ هذَا، أَمَا تَجِدُ شَاةً قُلْتُ: لاَ، قَالَ: صُمْ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، أَوْ أَطْعِمْ سِتَّةَ مَسَاكِينَ، لِكُلِّ مِسْكِينٍ نِصْفُ صَاعٍ مِنْ طَعَامٍ، وَاحْلِقْ رَأْسَكَ فَنَزَلَتْ فِيَّ خَاصَّةً، وَهِيَ لَكُمْ عَامَّةً750 – Van Kā‘b ibn ‘Ujrah رضي الله عنه via `Abdullah ibn Ma‘qil رضي الله عنه:Ik (`Abdullah ibn Ma‘qil) zat bij Kaʿb ibn ʿUjrah in deze moskee, hij bedoelde de moskee van Kufa, en ik vroeg hem over de (losgeld) “fidyah” bij de vasten.Hij (Kā‘b ibn ‘Ujrah) zei: “Ik werd naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebracht, en de luizen vielen van mijn gezicht.Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Ik had niet gedacht dat je toestand zo ernstig was.

Kun je geen schaap vinden?’Ik zei: ‘Nee.’Toen zei hij: ‘Vast drie dagen, of voed zes behoeftige, ieder met een halve ṣāʿ voedsel, en scheer je hoofd.’Deze āyah (sûrah al-Baqarah: 196) werd specifiek over mij geopenbaard, maar het geldt ook voor jullie allen.”

(وَأَتِمُّواْ ٱلۡحَجَّ وَٱلۡعُمۡرَةَ لِلَّهِۚ فَإِنۡ أُحۡصِرۡتُمۡ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۖ وَلَا تَحۡلِقُواْ رُءُوسَكُمۡ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡهَدۡيُ مَحِلَّهُۥۚ فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ بِهِۦٓ أَذٗى مِّن رَّأۡسِهِۦ فَفِدۡيَةٞ مِّن صِيَامٍ أَوۡ صَدَقَةٍ أَوۡ نُسُكٖۚ فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَمَن تَمَتَّعَ بِٱلۡعُمۡرَةِ إِلَى ٱلۡحَجِّ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۚ فَمَن لَّمۡ يَجِدۡ فَصِيَامُ ثَلَٰثَةِ أَيَّامٖ فِي ٱلۡحَجِّ وَسَبۡعَةٍ إِذَا رَجَعۡتُمۡۗ تِلۡكَ عَشَرَةٞ كَامِلَةٞۗ ذَٰلِكَ لِمَن لَّمۡ يَكُنۡ أَهۡلُهُۥ حَاضِرِي ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ١٩٦

En verricht de Ḥaj en de `umrah voor Allāh. Maar als je wordt weerhouden (om hem te voltooien) laat dan een offerdier slachten wat makkelijk te vinden is, en scheer jullie hoofden niet totdat het offerdier de slachtplaats bereikt. En iedereen van jullie die ziek is of aan een kwaal lijdt aan het hoofd moet losgeld betalen of drie dagen vasten, aalmoezen geven of een offerdier slachten. En wanneer jullie in veiligheid zijn en (het betreft) degene die de `umrah verricht in de maanden van de Ḥaj, voordat de Ḥaj (verricht wordt) deze moet een offerdier slachten wat hij zich kan veroorloven, maar als hij het zich niet kan veroorloven moet hij drie dagen tijdens de Ḥaj vasten en zeven dagen bij zijn thuiskomst, om de tien dagen vol te maken. Dit geldt voor degene wiens gezin niet aanwezig is in de Masjid al-Haram. En vrees Allāh en weet dat Allāh streng is in de bestraffing.)

Hijamah (cupping) is toegestaan voor de muhrim

جواز الحجامة للمحرم

٧٥١ - حديث ابْنِ بُحَيْنَةَ ﵁، قَالَ: احْتَجَمَ النَّبِيُّ ﷺ، وَهُوَ مُحْرِمٌ، بِلَحْيِ جَمَلٍ، فِي وَسَطِ رَأْسِهِ

751 – Van (`Abdullah) Ibn Buhaynah رضي الله عنه:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onderging hijamah (bloedlating, cupping) terwijl hij in staat van iḥrām was, bij Lahyi Jamal (een plaats tussen Makkah en Madînah, dichterbij Madînah), op het midden van zijn hoofd.

Het is toegestaan voor een muhrim om zijn lichaam en hoofd te wassen

جواز غسل المحرم بدنه ورأسه

٧٥٢ - حديث أَبِي أَيُّوبَ الأَنْصَارِيِّ عَنْ عَبْدِ اللهِ ابْنِ حُنَيْنٍ، قَالَ: إِنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ الْعَبَّاسِ وَالْمِسْوَرَ بْنَ مَخْرَمَةَ اخْتَلَفَا بِالأَبْوَاءِ؛ فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عَبَّاسٍ: يَغْسِلُ الْمُحْرِمُ رَأْسَهُ؛ وَقَالَ الْمِسْوَرُ: لاَ يَغْسِلُ الْمُحْرِمُ رَأْسَهُ؛ فَأَرْسَلَنِي عَبْدُ اللهِ بْنُ الْعَبَّاسِ إِلَى أَبِي أَيُّوبَ الأَنْصَارِيِّ فَوَجَدْتُهُ يَغْتَسِلُ بَيْنَ الْقَرْنَيْنِ، وَهُوَ يُسْتَرُ بِثَوْبٍ، فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، فَقَالَ: مَنْ هذَا فَقُلْتُ: أَنَا عَبْدُ اللهِ بْنُ حُنَيْنٍ، أَرْسَلَنِي إِلَيْكَ عَبْدُ اللهِ بْنُ الْعَبَّاسِ أَسْأَلُكَ كَيْفَ كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَغْسِلُ رَأْسَهُ وَهُوَ مُحْرِمٌ فَوَضَعَ أَبُو أَيُّوبَ يَدَهُ عَلَى الثَّوْبِ، فَطَأْطَأَهُ حَتَّى بَدَا لِي رَأْسُهُ، ثُمَّ قَالَ لإِنْسَانٍ يَصُبُّ عَلَيْهِ: اصْبُبْ؛ فَصَبَّ عَلَى رَأْسِهِ، ثُمَّ حَرَّكَ رَأْسَهُ بِيَدَيْهِ، فَأَقْبَلَ بِهِمَا وَأَدْبَرَ؛ وَقَالَ: هكَذَا رَأَيْتُهُ ﷺ يَفْعَلُ

752 – Van Abû Ayyub al- Anṣārī via `Abdullah ibn Hunayn (رضي الله عنهما):`Abdullah ibn `Abbās en al-Miswar ibn Makhramah discussieerden in al-Abwa (in de buurt van Makkah). `Abdullah ibn `Abbās zei: “De muhrim mag zijn hoofd wassen.” Al-Miswar zei: “De muhrim mag zijn hoofd niet wassen.”Daarop stuurde `Abdullah ibn `Abbās mij naar Abû Ayyub al- Anṣārī om hierover te vragen.

Ik trof hem aan terwijl hij zich bij een put tussen twee zuilen aan het wassen was, en hij was bedekt met een doek.Ik begroette hem met de salām en hij vroeg: “Wie is dat?”Ik antwoordde: “Ik ben ʿAbdullāh ibn Ḥunayn. ʿAbdullāh ibn ʿAbbās heeft mij naar u gestuurd om u te vragen hoe Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم) zijn hoofd waste terwijl hij in staat van iḥrām was.”Toen legde Abū Ayyūb zijn hand op de doek en boog deze omlaag, zodat ik zijn hoofd kon zien.Daarna zei hij tegen degene die water over hem heen goot: “Giet (water over mijn hoofd)!”En hij goot water over zijn hoofd en bewoog het vervolgens met zijn beide handen, van voren naar achteren en van achteren en weer terug, terwijl hij zei: “Zo heb ik het Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zien doen.”

Wat te doen met een muhrim als hij sterft

ما يفعل المحرم إِذا مات

٧٥٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: بَيْنَمَا رَجُلٌ وَاقِفٌ بِعَرَفَةَ، إِذْ وَقَعَ عَنْ رَاحِلَتِهِ فَوَقَصَتْهُ، أَوْ قَالَ، فَأَوْقَصَتْهُ؛ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اغْسِلُوهُ بِمَاءٍ وَسِدْرٍ، وَكَفِّنُوهُ فِي ثَوْبَيْنِ وَلاَ تُحَنِّطُوهُ، وَلاَ تُخَمِّرُوا رَأْسَهُ، فَإِنَّهُ يُبْعَثُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ مُلَبِّيًا

753 – Van Ibn `Abbās رضي الله عنهما:Er was een man die op `Arafah -Waqfah verrichtte. Toen viel hij van zijn rijdier en brak zijn nek (of hij zei: het dier viel op hem en brak zijn nek). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Was hem met water en bladeren van sidr-boom (moringa), wikkel hem in twee doeken (zijuiteigen iḥrām: izār en rida’), gebruik geen parfum en bedek zijn hoofd niet, want hij zal op de Dag der Opstanding herrijzen terwijl hij de talbiyah oproept.”

[Er bestaan verschillende meningen onder de geleerden over deze kwestie. Imam ash-Shafi’i, Imam Ahmad ibn Hanbal en enkele andere geleerden gebruiken deze ḥadīth als bewijs dat een persoon die in iḥrām overlijdt, begraven moet worden zonder zijn hoofd te bedekken en in zijn iḥrām.Anderen, zoals Imam Mâlik, Imam Abû Hanifah en sommige andere geleerden, beschouwen deze ḥadīth als een specifieke en niet algemene richtlijn. Volgens hen wordt iemand die in iḥrām overlijdt, op dezelfde manier gekleed en begraven als elke andere overledene.] (AFK)

Het is toegestaan voor een muhrim om uit iḥrām te treden (tahallul) wegens ziekte of een ander geldig excuus

جواز اشتراط المحرم التحلل بعذر المرض ونحوه

٧٥٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: دَخَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، عَلَى ضُبَاعَةَ بِنْتِ الزُّبَيْرِ، فَقَالَ لَهَا: لَعَلَّكِ أَرَدْتِ الْحَجَّ قَالَتْ: وَاللهِ لاَ أَجِدُنِي إِلاَّ وَجِعَةً فَقَالَ لَهَا: حُجِّى وَاشْتَرِطِي، قُولِي: اللهُمَّ مَحِلِّى حَيْثُ حَبَسْتَنِي وَكَانَتْ تَحْتَ الْمِقْدَادِ بْنِ الأَسْوَدِ

754 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) bezocht Dubā`ah bint Zubayr en zei: “Je was van plan om de Ḥaj te verrichten, nietwaar?”Zij antwoordde: 'Bij Allāh, (ik wil naar Ḥaj), maar ik kan geen enkel excuus vinden behalve mijn ziekte.' (M.a.w. ze vrees dat zij haar Ḥaj niet zou kunnen voltooien)Daarop zei hij tegen haar: “Verricht de Ḥaj en maak (bij het aangaan van de iḥrām) de (volgende) voorwaarde, zeg: “O Allāh, ik neem de iḥrām aan voor de Ḥaj (of ʿumrah), en als ik verhinderd word, dan beëindig ik de iḥrām waar U mij verhindert verder te gaan.”Dubā`ah was op dat moment de echtgenote van Miqdād ibn al-Aswad.

Uitleg van de verschillende vormen van iḥrām, en dat het toegestaan is om de Ḥaj afzonderlijk te verrichten (ifrād), of (te combineren met de ʿumrah) in de vorm van tamattuʿ of qirān; en dat het toegestaan is de Ḥaj in te voegen bij de ʿumrah, en wanneer de qārin (degene die qirān verricht) van zijn ritueel vrijgesteld wordt

بيان وجوه الإحرام وأنه يجوز إِفراد الحج والتمتع والقران وجواز إِدخال الحج على العمرة، ومتى يحل القارن من نسكه

٧٥٥ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ، فَأَهْلَلْنَا بِعُمْرَةٍ، ثُمَّ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ كَانَ مَعَهُ هَدْىٌ فَلْيُهِلَّ بِالْحَجِّ مَعَ الْعُمْرَةِ، ثُمَّ لاَ يَحِلَّ حَتَّى يَحِلَّ مِنْهُمَا جَميعًا فَقَدِمْتُ مَكَّةَ وَأَنَا حَائِضٌ، وَلَمْ أَطُفْ بِالْبَيْتِ وَلاَ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، فَشَكَوْتُ ذلِكَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: انْقُضِى رَأْسَكِ، وَامْتَشِطِى وَأَهِلِّى بِالْحَجِّ وَدَعِي الْعُمْرَةَ فَفَعَلْتُ فَلَمَّا قَضَيْنَا الْحَجَّ أَرْسَلَنِي النَّبِيُّ ﷺ مَعَ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي بَكْرٍ إِلَى التَّنْعِيمِ، فَاعْتَمَرْتُ فَقَالَ: هذِهِ مَكَانَ عُمْرَتِكِ قَالَتْ: فَطَافَ الَّذِينَ كَانُوا أَهَلُّوا بِالْعُمْرَةِ بِالبَيْتِ وَبَيْنَ الصَّفَا وَالمَرْوَةِ، ثُمَّ حَلُّوا، ثُمَّ طَافُوا طَوافًا وَاحِدًا بَعْدَ أَنْ رَجَعُوا مِنْ مِنًى وَأَمَّا الَّذيِنَ جَمَعُوا الْحَجَّ وَالعُمْرَةَ فَإِنَّمَا طَافُوا طَوافًا وَاحِدًا

755- Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها), vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):We vertrokken met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op weg naar de Ḥaj al-Wadāʿ (Afscheids-Ḥaj). We namen de intentie voor `umrah en riepen de talbiyah uit.

Toen (wij in Makkah aankwamen) zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wie het offerdier bij zich heeft, moet de intentie voor Ḥaj nemen samen met de `umrah , en hij mag niet uit de iḥrām treden totdat hij beide rituelen (Ḥaj en `umrah ) heeft verricht.”ʿĀʾishah zei: “Ik werd ongesteld en bleef menstrueren tot de dag van ʿArafah, terwijl ik slechts de iḥrām voor de ʿumrah had aangenomen”.Daarop beval an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mij: “Maak je haar los, kam het, en verricht de iḥrām voor de Ḥaj, en laat de ʿumrah achterwege.”Ik deed dat, totdat ik mijn Ḥaj had voltooid.Daarna stuurde hij mij samen met (mijn broer) ʿAbdur-Raḥmān ibn Abī Bakr naar at-Tanʿīm (plaats van de miqāt), en hij beval mij om de ʿumrah te verrichten ter vervanging van de eerdere (`umrah).Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Deze `umrah is in plaats van de `umrah die je eerder hebt afgebroken.”‘Ā’ishah zei: “De mensen die de intentie voor `umrah hadden aangenomen, verrichtten de ṭawāf rond de Ka`bah en Sa`ī tussen Ṣafā en Marwah, en daarna traden ze uit iḥrām.

Ze verrichtten nog één ṭawāf nadat ze terugkeerden van Minā, terwijl degenen die Ḥaj en `umrah hadden gecombineerd, slechts één ṭawāf deden.”

٧٥٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ، فَمِنَّا مَنْ أَهَلَّ بِعُمْرَةٍ، وَمِنَّا مَنْ أَهَلَّ بِحَجٍّ، فَقَدِمْنَا مَكَّةَ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ أَحْرَمَ بِعُمْرَةٍ وَلَمْ يُهْدِ فَلْيُحْلِلْ، وَمَنْ أَحْرَمَ بِعُمْرَةٍ وَأَهْدَى فَلاَ يَحِلُّ حَتَّى يَحِلَّ بِنَحْرِ هَدْيِهِ، وَمَنْ أَهَلَّ بِحَجٍّ فَلْيُتِمَّ حَجَّهُ قالَتْ: فَحِضْتُ فَلَمْ أَزَلْ حَائِضًا حَتَّى كَانَ يَوْمُ عَرَفَةَ وَلَمْ أُهْلِلْ إِلاَّ بِعُمْرَةٍ، فَأَمَرَنِي النَّبِيُّ ﷺ أَنْ أَنْقُضَ رَأْسِي وَأَمْتَشِطَ وَأُهِلَّ بِحَجٍّ، وَأَتْرُكَ الْعُمْرَةَ، فَفَعَلْتُ ذلِكَ حَتَّى قَضَيْتُ حَجِّى؛ فَبَعَثَ مَعِي عَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ أَبِي بَكْرٍ، وَأَمَرَنِي أَنْ أَعْتَمِرَ، مَكَانَ عُمْرَتِي، مِنَ التَّنْعِيمِ756- Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها): Wij vertrokken met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op weg naar de Ḥaj al-Wadāʿ (het Afscheids-Ḥaj ).Sommigen van ons traden in iḥrām voor de ʿumrah, terwijl anderen in de iḥrām voor de Ḥaj traden.

Toen wij in Makkah aankwamen, zei Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم): “Wie iḥrām voor een ʿumrah heeft aangenomen en geen offerdier heeft meegebracht, laat hem dan uit de iḥrām treden.En wie iḥrām voor een ʿumrah heeft aangenomen en een offerdier heeft meegebracht, laat hem dan niet uit de iḥrām treden totdat het offerdier is geslacht (tot de eerste dag van `Iedu’l Adhâ).En wie in de iḥrām voor de Ḥaj is, laat hem zijn Ḥaj volledig afmaken.ʿĀʾishah zei: ‘Ik werd ongesteld en bleef menstrueren tot de dag van ʿArafah, terwijl ik slechts de iḥrām voor de ʿumrah had aangenomen.’Toen beval an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mij: “Maak je haar los, kam het, en treed in iḥrām voor de Ḥaj, en laat de ʿumrah achterwege.”Ik deed dat, totdat ik mijn Ḥaj had voltooid.Daarna stuurde hij mij samen met (mijn broer) ʿAbdur-Raḥmān ibn Abī Bakr naar at-Tanʿīm, en hij beval mij om de ʿumrah te verrichten ter vervanging van de eerdere afgebroken (`umrah).

٧٥٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَرَجْنَا لاَ نَرَى إِلاَّ الْحَجَّ، فَلَمَّا كُنَّا بِسَرِفَ حِضْتُ، فَدَخَلَ عَلَيَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَنَا أَبْكِي، قَالَ: مَا لَكِ، أَنُفِسْتِ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: إِنَّ هذَا أَمْرٌ كَتَبَهُ اللهُ عَلَى بَنَاتِ آدَمَ فَاقْضِى مَا يَقْضِى الْحَاجُّ غَيْرَ أَنْ لاَ تَطُوفِي بِالْبَيْتِ قَالَتْ: وَضَحَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ نِسَائِهِ بِالْبَقَرِ757) Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):We vertrokken uit Madînah met de intentie om alleen de Ḥaj te verrichten. Toen we in Sarif (nabij Makkah) aankwamen, werd ik ongesteld. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) kwam binnen en zag mij huilen. Hij vroeg: “Wat is er? Ben je ongesteld geworden?”Ik antwoordde: ‘Ja.’Daarop zei hij: “Dit is iets wat Allāh heeft bepaald voor de dochters van Adam. Verricht alle rituelen van de Ḥaj, maar verricht geen ṭawāf rond de Ka’bah.”Ze zei: ‘Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) slachtte namens zijn vrouwen een koe als offerdier.”

٧٥٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَرَجْنَا مُهِلِّينَ بِالْحَجِّ فِي أَشْهُرِ الْحَجِّ وَحُرُمِ الْحَجِّ، فَنَزَلْنَا سَرِفَ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ َلاصْحَابِهِ: مَنْ لَمْ يَكُنْ مَعَهُ هَدْىٌ فَأَحَبَّ أَنْ يَجْعَلَهَا عُمْرَةً فَلْيَفْعَلْ، وَمَنْ كَانَ مَعَهُ هَدْيٌ فَلاَ وَكَانَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ وَرِجَالٍ مِنْ أَصْحَابِهِ ذَوِي قُوَّةٍ الْهَدْىُ، فَلَمْ تَكُنْ لَهُمْ عُمْرَةً، فَدَخَلَ عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ وَأَنَا أَبْكِي، فَقَالَ: مَا يُبْكِيكِ قُلْتُ: سَمِعْتُكَ تَقُولُ َلأصْحَابِكَ مَا قُلْتَ فَمُنِعْتُ الْعُمْرَةَ، قَالَ: وَمَا شَأْنُكِ قُلْتُ: لاَ أُصَلِّي قَالَ: فَلاَ يَضُرَّكِ، أَنْتِ مِنْ بَنَاتِ آدَمَ، كُتِبَ عَلَيْكِ مَا كُتِبَ عَلَيْهِنَّ، فَكُونِي فِي حَجَّتِكِ، عَسى اللهُ أَنْ يَرْزُقَكِهَا

قَالَتْ: فَكُنْتُ، حَتَّى نَفَرْنَا مِنْ مِنًى، فَنَزَلْنَا الْمُحَصَّبَ، فَدَعَا عَبْدَ الرَّحْمنِ، فَقَالَ اخْرُجْ بِأخْتِكَ الْحَرَمَ، فَلْتَهِلَّ بِعُمْرَةٍ، ثُمَّ افْرُغَا مِنْ طَوَافِكمَا أَنْتَظِرْكُمَا ههُنَا فَأَتَيْنَا فِي جَوْفِ اللَّيْلِ، فَقَالَ: فَرَغْتُمَا قُلْتُ: نَعَمْ فَنَادَى بِالرَّحِيلِ فِي أَصْحَابِهِ، فَارْتَحَلَ النَّاسُ وَمَنْ طَافَ بِاللَّيْلِ قَبْلَ صَلاَةِ الصُّبْحِ، ثُمَّ خَرَجَ مُوَجِّهًا إِلَى الْمَدِينَةِ

758 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Wij vertrokken (uit Madīnah), in staat van iḥrām voor de Ḥaj, tijdens de maanden van de Ḥaj en binnen de periode waarin de voorschriften van de Ḥaj golden.Wij kwamen aan in Sarif (een plaats vóór Makkah), waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen zijn metgezellen zei:”Wie van jullie geen offerdier bij zich heeft, en graag de Ḥaj in een ʿumrah wil omzetten, laat hem dat doen. En wie een offerdier bij zich heeft: laat dit niet doen.”En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had een offerdier bij zich, net als enkele rijke mannen van zijn metgezellen. Hierdoor hadden zij geen (mogelijkheid om van) ʿumrah (d.w.z. van Ḥaj at-Tamattuʿ te profiteren).Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij mij binnen terwijl ik huilde.Hij vroeg: “Wat doet je huilen/waarom huil je?”Ik antwoordde: “Ik hoorde wat u zojuist tegen uw metgezellen zei, en daardoor kan ik de ʿumrah niet verrichten.”- ”Wat is er met jou?”- “Ik kan geen ṣalāh verrichten, (ik ben ongesteld).”- “Dat is niet erg. Jij bent een van de dochters van Ādam. Wat hen (de vrouwen vóór jou) werd voorgeschreven, is ook jou voorgeschreven.

Blijf in jouw (intentie voor de) Ḥaj, moge Allāh jou de gunst verlenen om ook de ‘umrah te verrichten.” ʿĀʾishah zei: ‘Ik bleef (in mijn toestand), tot wij Minā verlieten.Toen kwamen wij aan bij al-Muḥaṣṣab (een rustplaats bij Makkah).Daarop riep an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ʿAbdur-Raḥmān en zei tegen hem:”Ga met je zus buiten de Ḥaram; laat haar de iḥrām voor de ʿumrah verrichten. Verricht dan samen de ṭawāf, ik zal hier op jullie wachten.”Wij vertrokken in het midden van de nacht.Hij (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Zijn jullie klaar?”Ik zei: “Ja.”Daarop liet hij onder zijn metgezellen omroepen dat ze moesten vertrekken. De mensen vertrokken, en wie zijn ṭawāf in de nacht vóór de ochtendsalāh had voltooid, vertrok (met hen). Daarna vertrok hij richting Madīnah.

٧٥٩ - حديث عَائِشَةَ، خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، وَلاَ نُرَى إِلاَّ أَنَّهُ الْحَجُّ، فَلَمَّا قَدِمْنَا تَطَوَّفْنَا بِالْبَيْتِ، فَأَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ مَنْ لَمْ يَكُنْ سَاقَ الْهَدْىَ أَنْ يَحِلَّ، فَحَلَّ مَنْ لَمْ يَكُنْ سَاقَ الْهَدْىَ وَنِسَاؤُهُ لَمْ يَسُقْنَ فَأَحْلَلْنَ قَالَتْ عَائِشَةُ، فَحِضْتُ فَلَمْ أَطُفْ بِالْبَيْتِ، فَلَمَّا كَانَتْ لَيْلَةُ الْحَصْبَةِ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ يَرْجِعُ النَّاسُ بِعُمْرَةٍ وَحَجَّةٍ وَأَرْجِعُ أَنَا بِحَجَّةٍ قَالَ: وَمَا طُفْتِ لَيَالِيَ قَدِمْنَا مَكَّةَ قُلْتُ: لاَ قَالَ: فَاذْهَبِى مَعَ أَخِيكِ إِلَى التَّنْعِيمِ فَأَهِلِّى بِعُمْرَةٍ، ثُمَّ مَوْعِدُكِ كَذَا وَكَذَا قَالَتْ صَفِيَّةُ: مَا أُرَانِي إِلاَّ حَابِسَتَهُمْ قَالَ: عَقْرَى حَلْقَى أَوَ مَا طُفْتِ يَوْمَ النَّحْرِ قَالَتْ، قُلْتُ: بَلَى قَالَ: لاَ بَأْسَ، انْفِرِى قَالَتْ عَائِشَةُ: فَلَقِيَنِي النَّبِيُّ ﷺ وَهُوَ مُصْعِدٌ مِنْ مَكَّةَ وَأَنَا مُنْهَبِطَةٌ عَلَيْهَا، أَوْ أَنَا مُصْعِدَةٌ وَهُوَ مُنْهَبِطٌ مِنْهَا759 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):@Wij vertrokken (uit Madīnah) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (naar Makkah) in de verwachting dat wij alleen de Ḥaj zouden verrichten..

Bij aankomst in Makkah verrichtten wij de ṭawāf rond het Huis (de Kaʿbah).

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval degenen die geen offerdier (ḥady) bij zich hadden om uit de iḥrām te treden.

Degene zonder offerdier deden dat, inclusief zijn vrouwen, die eveneens geen offerdier bij zich hadden..ʿĀʾishah zei: “Ik werd ongesteld en kon daardoor geen ṭawāf rond het Huis verrichten..”Toen de nacht van de Ḥaṣbah (de laatste rustplaats vóór vertrek uit Makkah) aanbrak, zei ik:“O Rasūlullâh, de mensen keren terug met zowel een ʿumrah als een Ḥaj, terwijl ik alleen met een Ḥaj terugkeer!”Hij vroeg: “Heb je dan geen ṭawāf verricht in de dagen dat wij in Makkah aankwamen?”Ik antwoordde: “Nee.”Hij zei: “Ga dan met je broer naar at-Tanʿīm en ga in iḥrām voor een ʿumrah.Jouw afspraakpunt is op die en die plek.” (d.w.z. bij de rest van de groep)Ṣafiyyah zei: Ik denk dat ik hen zal tegenhouden (Ik denk dat ik mensen zal tegenhouden van hun pad wanneer ik ongesteld ben).”Toen zei hij :”Wee!

Heb je dan geen ṭawāf verricht op de dag van de naḥr (de offerdag)?”Ze antwoordde: “Jawel.”Hij zei: “Dan is er geen probleem, vertrek maar.”ʿĀʾishah zei: “Toen ontmoette ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij Makkah verliet en ik er naartoe ging, of ik verliet Makkah terwijl hij onderweg naar mij was.”

٧٦٠ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ أَبِي بَكْرٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَمَرَهُ أَنْ يُرْدِفَ عَائِشَةَ وَيُعْمِرَهَا مِنَ التَّنْعِيمِ760 Van Abdurrahman ibn Abû Bakr (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg mij op om ʿĀishah op mijn rijdier te nemen en haar in Tan’im in iḥrām te laten treden voor de `umrah.”

٧٦١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ عَنْ عَطَاءٍ؛ سَمِعْتُ جَابِرَ بْنَ عَبْدِ اللهِ، فِي أُنَاسٍ مَعَهُ، قَالَ: أَهْلَلْنَا، أَصْحَابَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي الْحَجِّ خَالِصًا لَيْسَ مَعَهُ عُمْرَةٌ قَالَ عَطَاءٌ، قَالَ جَابِرٌ: فَقَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ صُبْحَ رَابِعَةٍ مَضَتْ مِنْ ذِي الْحَجَّةِ، فَلَمَّا قَدِمْنَا أَمَرَنَا النَّبِيُّ ﷺ أَنْ نَحِلَّ، وَقَالَ: أَحِلُّوا وَأَصِيبُوا مِنَ النِّسَاءَ قَالَ عَطَاءٌ، قَالَ جَابِرٌ وَلَمْ يَعْزِمْ عَلَيْهِمْ، وَلكِنْ أَحَلَّهُنَّ لَهُمْ؛ فَبَلَغَهُ أَنَّا نَقُولُ: لَمَّا لَمْ يَكُنْ بَيْنَنَا وَبَيْنَ عَرَفَةَ إِلاَّ خَمْسٌ أَمَرَنَا أَنْ نَحِلَّ إِلَى نِسَائِنَا، فَنَأْتِي عَرَفَةَ تَقْطُر مَذَاكِيرُنَا الْمَذْيَ قَالَ، وَيَقُولَ جَابِرٌ، بِيَدِهِ هكَذَا، وَحَرَّكَهَا؛ فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: قَدْ عَلِمْتُمْ أَنِّي أَتْقَاكُمْ للهِ وَأَصْدَقُكُمْ وَأَبَرُّكُمْ، وَلَوْلاَ هَدْيِي لَحَلَلْتُ كَمَا تَحِلُّونَ، فَحِلُّوا فَلَوِ اسْتَقْبَلْتُ مِنْ أَمْرِى مَا اسْتَدْبَرْتُ مَا أَهْدَيْتُ فَحَلَلْنَا وَسَمِعْنَا وَأَطَعْنَا761 - Van Jābir ibn ʿAbdillāh via ʿAṭāʾIbn Abî Rabâh (رضي الله عنهما):Ik hoorde Jābir ibn ʿAbdillāh zeggen in een gezelschap: “Wij, de metgezellen van Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم) traden in de iḥrām uitsluitend voor de Ḥaj, zonder daarbij een ʿumrah te verrichten.”Jābir zei: “Op de ochtend van de vierde dag van Dhū’l Ḥijjah arriveerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (in Makkah).

Toen wij daar ook aankwamen, beval an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons om uit de iḥrām te treden en zei: “Treed uit de iḥrām en geniet (weer) van omgang met jullie vrouwen.”Jābir zei: “Hij gaf het ons niet als een verplichting, maar stond het ons toe.”Later bereikte het hem (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat wij (onder elkaar) zeiden: “Hoe kunnen wij, terwijl er nog maar vijf dagen zijn tot ʿArafah, uit de iḥrām treden, gemeenschap hebben met onze vrouwen, en vervolgens naar ʿArafah gaan terwijl onze geslachtsdelen nog druipen van het voorvocht?”Jābir zei, terwijl hij dit vertelde en met zijn hand gebaarde: ‘Toen stond Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) op en zei: “Jullie weten dat ik de meest godsvruchtige van jullie ben tegenover Allāh en de meest waarachtige en de meest rechtschapene onder jullie ben. Als ik geen offerdier bij mij had gehad, dan zou ik zeker uit de iḥrām zijn getreden zoals jullie dat deden. Treed dus uit de iḥrām! Als ik had geweten wat ik nu weet, dan zou ik geen offerdier hebben meegenomen.”Daarop traden wij uit de iḥrām, en wij luisterden en gehoorzaamden (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).

٧٦٢ - حديث جَابِرٍ، قَالَ: أَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ عَلِيًّا أَنْ يُقِيمَ عَلَى إِحْرَامِهِ قَالَ جَابِرٌ: فَقَدِمَ عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ ﵁ بِسِعَايَتِهِ، قَالَ لَهُ النَّبِيُّ ﷺ: بِمَ أَهْلَلْتَ يَا عَلِيُّ قَالَ: بِمَا أَهَلَّ بِهِ النَّبِيُّ ﷺ، قَالَ: فَأَهْدِ وَامْكُثْ حَرَامًا كَمَا أَنْتَ قَالَ، وَأَهْدَى لَهُ عَلِيٌّ هَدْيًا762 - Van Jabir (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval `Ali op om in iḥrām te blijven.

Jabir zei: “`Ali ibn Abû Tālib was net teruggekeerd uit Jemen na zijn missie”.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem: “Met welke intentie ben je in iḥrām gegaan, o `Ali?”Hij antwoordde: “Met dezelfde intentie als die van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”Daarop zei Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم): 'Breng je offerdier en blijf in iḥrām.'`Ali bracht vervolgens zijn offerdier.”

٧٦٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَهَلَّ وَأَصْحَابَهُ بِالْحَجِّ، وَلَيْسَ مَعَ أَحَدٍ مِنْهُمْ هَدْىٌ، غَيْرَ النَّبِيِّ ﷺ وَطَلْحَةَ وَكَانَ عَلِيٌّ قَدِمَ مِنَ الْيَمَنِ وَمَعَهُ الْهَدْيُ، فَقَالَ: أَهْلَلْتُ بِمَا أَهَلَّ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ؛ وَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَذِنَ لأَصْحَابِهِ أَنْ يَجْعَلُوهَا عُمْرَةً، يَطُوفُوا بِالْبَيْتِ، ثُمَّ يُقَصِّرُوا وَيَحِلُّوا، إِلاَّ مَنْ مَعَهُ الْهَدْيُ، فَقَالُوا نَنْطَلِقُ إِلَى مِنًى وَذَكَرُ أَحَدِنَا يَقْطُرُ فَبَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: لَوِ اسْتَقْبَلْتُ مِنْ أَمْرِى مَا اسْتَدْبَرْتُ مَا أَهْدَيْتُ، وَلَوْلاَ أَنَّ مَعِي الْهَدْيَ لأَحْلَلْتُ وَأَنَّ عَائِشَةَ حَاضَتْ، فَنَسَكَتِ الْمَنَاسِكَ كُلَّهَا، غَيْرَ أَنَّهَا لَمْ تَطُفْ بِالْبَيْتِ؛ قَالَ: فَلَمَّا طَهُرَتْ وَطَافَتْ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ أَتَنْطَلِقُونَ بِعُمْرَةٍ وَحَجَّةٍ وَأَنْطَلِقُ بِالْحَجِّ فَأَمَرَ عَبْدَ الرَّحْمنِ بْنَ أَبِي بَكْرٍ أَنْ يَخْرُجَ مَعَهَا إِلَى التَّنْعِيمِ، فَاعْتَمَرَتْ بَعْدَ الْحَجِّ فِي ذِي الْحَجَّة

وَأَنَّ سُرَاقَةَ بْنَ مَالِكِ بْنِ جُعْشُمٍ لَقِيَ النَّبِيَّ ﷺ وَهُوَ بِالْعَقَبَةِ وَهُوَ يَرْمِيهَا، فَقَالَ: أَلَكُمْ هذِهِ خَاصَّةً يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: لاَ، بَلْ لِلأَبَدِ

763) Van Jabir ibn `Abdullah رضي الله عنه:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trand in iḥrām voor de Ḥaj, evenals zijn metgezellen.Geen van hen had een offerdier bij zich, behalve an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Ṭalḥah.ʿAlī was uit Jemen aangekomen, en hij had wel een offerdier bij zich.Hij zei: “Ik verricht de iḥrām met dezelfde intentie als Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم).”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf zijn metgezellen toestemming om het tot een ʿumrah te maken: Zij moesten de ṭawāf verrichten rond het Huis (de Kaʿbah), dan hun haar knippen (taqṣīr), en uit de iḥrām treden, behalve degenen die een offerdier bij zich hadden.(Onderling) zeiden ze: “Wij gaan dan naar Minā en de geslachtsdelen van een van ons druipen nog (van het voorvocht)!”Dit bereikte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop hij zei: “Als ik aan het begin had geweten dat het toegestaan is om ‘umrah te verrichten tijdens de maanden van de Ḥaj, dan zou ik geen offerdier hebben meegenomen.

En als ik geen offerdier bij me had, dan zou ik zeker uit de iḥrām zijn getreden.”En ʿĀʾishah werd ongesteld, en verrichtte alle handelingen van de manāsik (Ḥaj-rituelen), behalve dat de ṭawāf rond het Huis.Toen zij weer rein was en de ṭawāf verrichtte, zei zij: “O Rasūlullâh, gaan jullie nu terug met zowel een ʿumrah als een Ḥaj, en ik alleen met een Ḥaj?”Daarop beval hij ʿAbdur-Raḥmān ibn Abī Bakr om met haar naar at-Tanʿīm te gaan, waarop zij een ʿumrah verrichtte na de Ḥaj, nog binnen de maand Dhū’l Ḥijjah.En Surāqah ibn Mālik ibn Juʿshum ontmoette an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij ʿAqabah, terwijl hij de stenen aan het werpen was (bij de jamrah).Hij vroeg: “O Rasūlullâh, is dit iets dat alleen voor jullie geldt?”Hij antwoordde: “Nee, dit is voor altijd (voor alle moslims)!”

[Dit toonde aan dat zij moeite hadden met het idee dat zij eerst in iḥrām voor de Ḥaj waren getreden en nu tijdelijk uit iḥrām moesten treden.

In de staat van iḥrām bevinden, betekent zich onthouden van alle verboden handelingen, en het concept om daar tijdelijk uit te treden en daarna opnieuw in iḥrām te gaan voor de Ḥaj, was voor hen verwarrend.De woorden van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) betekenen:“Als ik eerder had geweten dat het toegestaan is om een ʿumrah te verrichten tijdens de maanden van de Ḥaj, dan zou ik geen offerdier hebben meegenomen en zou ik uit iḥrām zijn getreden.'] (AFK)

Vertrekt daarna van waar de mensen vertrekken (`Arafah) en vraag Allāh om Zijn vergeving. Waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (Nederlandse betekenis van sûrah al-Baqarah vers 199)ثُمَّ أَفِيضُواْ مِنۡ حَيۡثُ أَفَاضَ ٱلنَّاسُ وَٱسۡتَغۡفِرُواْ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٩٩

في الوقوف وقوله تعالى (ثم أفيضوا من حيث أفاض الناس)

٧٦٤ - حديث عَائِشَةَ قَالَ عُرْوَةُ: كَانَ النَّاسُ يَطُوفُونَ فِي الْجَاهِلَيَّةِ عُرَاةً إِلاَّ الْحُمْسَ، وَالْحُمْسُ قُرَيْشٌ وَمَا وَلَدَتْ، وَكَانَتِ الْحُمْسُ يَحْتَسِبُونَ عَلَى النَّاسِ: يُعْطِي الرَّجُلُ الرَّجُلَ الثِّيَابَ يَطُوفُ فِيهَا، وَتُعْطِي الْمَرْأَةُ الْمَرْأَةَ الثِّيَابَ تَطُوفُ فِيهَا، فَمَنْ لَمْ يُعْطِهِ الْحُمْسُ طَافَ بِالْبَيْتِ عُرْيَانًا؛ وَكَانَ يُفِيضُ جَمَاعَةُ النَّاسِ مِنْ عَرَفَاتٍ، وَيُفِيضُ الْحُمْسُ مِنْ جَمْعٍ، وَعَنْ عَائِشَةَ أَنَّ هذِهِ الآيَةَ نَزَلَتْ فِي الْحُمْسِ (ثُمَّ أَفِيضُوا مِنْ حَيْثُ أَفَاضَ النَّاسُ) قَالَ: كَانُوا يُفِيضُونَ مِنْ جَمْعٍ فَدُفِعُوا إِلَى عَرَفَاتٍ

764 - Van ‘Ā’ishah via Hishân ibnʿUrwah (رضي الله عنهما):Hishām ibnu `Urwah zei: “In de tijd van de jāhiliyyah verrichtten de mensen naakt de ṭawāf rond de Ka`bah, behalve de Hums (de Quraysh en hun nakomelingen). De Ḥums geloofden dat zij superieur waren aan de rest en gaven soms kleding aan anderen om ṭawāf rond de Ka`bah te verrichten. Mannen gaven kleding aan mannen, en vrouwen gaven kleding aan vrouwen.

Wie geen kleding kreeg van de Ḥums, moest de Ka`bah naakt ṭawāf verrichten. De meeste mensen vertrokken na hun verblijf op de vlakte van `Arafah, terwijl de Ḥums vanuit Jam` (Muzdalifah) vertrokken”.‘Ā’ishah zei dat het volgende Qur'ān vers over de Hums werd geopenbaard:

ثُمَّ أَفِيضُواْ مِنۡ حَيۡثُ أَفَاضَ ٱلنَّاسُ وَٱسۡتَغۡفِرُواْ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٩٩

Vertrekt daarna van waar de mensen vertrekken (Arafāh) en vraag Allāh om Zijn vergeving. Waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (sûrah al-Baqarah: 199)Hiermee werd hen bevolen om net als de rest van de mensen vanuit `Arafah op te trekken in plaats van Jam` (Muzdalifah).

٧٦٥ - حديث جُبَيْرِ بْنِ مُطْعِمٍ قَالَ: أَضْلَلْتُ بَعِيرًا لِي، فَذَهَبْتُ أَطْلُبُهُ يَوْمَ عَرَفَةَ، فَرَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ وَاقِفًا بِعَرَفَةَ، فَقُلْتُ: هذَا وَاللهِ مِنَ الْحُمْسِ، فَمَا شَأْنُهُ ههُنَا765 – Van Jubayr ibn Mut'im (رضي الله عنه):Ik was op de dag van ʿArafah op zoek naar mijn kameel die ik kwijtgeraakt was. Toen zag ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die in `Arafah de waqfah verrichtte.Daarop zei ik (tegen mezelf): “Bij Allāh, dit is iemand van de Ḥums! Wat doet hij dan hier?”

[Het is bekend dat Ibrāhīm عليه السلام de regels van de Ḥaj onderweesLater echter wijzigden sommige generaties deze regels. Zo ontstond de overtuiging dat de directe afstammelingen van Ibrāhīm عليه السلام niet naar `Arafah hoefden te gaan voor de waqfah, maar zich alleen binnen de grenzen van de Haram moesten bevinden..Deze groep stond bekend als de Ḥums, een soort religieuze elite. De Quraysh claimde deel uit te maken van de Ḥums en hielden vast aan deze traditie.Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) herstelde de oorspronkelijke praktijk zoals die door Ibrāhīm عليه السلام was vastgesteld en schafte de foutieve Ḥums-regels af. Een andere onjuiste gewoonte was dat een pelgrim zijn ṭawāf alleen mocht verrichten met kleding van de Ḥums; wie geen kleding van hen ontving, moest de ṭawāf naakt uitvoeren. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) maakte ook deze praktijk definitief onwettig.] (AFK)

[Ḥums is het meervoud van ahmas. Ahmas betekent dat men krachtig en enthousiast is op het gebied van persoonlijkheid en religie. In de tijd van de jāhiliyyah was het een titel van nobele afkomst die door de Quraysh was bedacht. Daarnaast is Ḥums ook de naam van de stammen die van moederskant verwant waren aan de Quraysh. Hiertoe behoren de stammen van Sagif, Lays, Huzâ’a en Âmir ibn Sa’sa’.] (HY)

In het geval van het beëindigen van de staat van iḥrām en het bevel om de Ḥaj volledig te voltooien

في نسخ التحلل من الإحرام والأمر بالتمام

٧٦٦ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: قَدِمْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ وَهُوَ بِالْبَطْحَاءِ؛ فَقَالَ: أَحَجَجْتَ قُلْتُ: نَعَمْ، قَالَ: بِمَا أَهْلَلْتَ قُلْتُ: لَبَّيْكَ، بِإِهْلاَلٍ كَإِهْلاَلِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: أَحْسَنْتَ، انْطَلِقْ فَطفْ بِالْبَيْتِ وَبِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ ثُمَّ أَتَيْتُ امْرَأَةً مِنْ نِسَاءِ بَنِي قَيْسٍ فَفَلَتْ رَأْسِي، ثُمَّ أَهْلَلْتُ بِالْحَجِّ؛ فَكُنْتُ أُفْتِي بِهِ النَّاسَ حَتَّى خِلاَفَةِ عُمَرَ ﵁، فَذَكَرْتُهُ لَهُ، فَقَالَ: إِنْ نَأْخُذْ بِكِتَابِ اللهِ فَإِنَّهُ يَأْمُرُنَا بِالتَّمَامِ، وَإِنْ نَأْخُذْ بِسُنَّةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَإِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمْ يَحِلَّ حَتَّى بَلَغَ الْهَدْىُ مَحِلَّهُ

766 - Van Abû Mûsâ رضي الله عنه:Ik kwam bij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) terwijl hij zich in al-Baṭḥāʾ (plaats vlakbij Makkah) bevond.Hij vroeg: “Heb je de Ḥaj verricht?”Ik zei: “Ja.”- “Met welke iḥrām (intentie) ben je binnengekomen?”- “Labbaika! Met dezelfde iḥrām als die van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”- “Je hebt het goed gedaan.

Ga dan, verricht ṭawāf rond het Huis, en (Sa`ī) tussen Ṣafā en Marwah.”Daarna ging ik naar een vrouw van Banū Qays, en zij kamde (de luizen uit) mijn haar, daarna trad ik (op de 8e dag van Dhu’l Hijjah) in de iḥrām voor de Ḥaj.Zo gaf ik mensen fatwa’s hierover, tot de tijd van het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه).Ik vertelde het hem, en hij zei: “Als wij ons baseren op het Boek van Allāh, dan gebiedt Allāh ons om (de Ḥaj en de `umrah) volledig te verrichten.En als wij ons baseren op de Sunnah van Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم), dan is het zo dat hij niet uit de iḥrām trad totdat het offerdier zijn slachtplaats had bereikt.

Toestemming tot het verrichten van Ḥaj at-Tamattu`

جواز التمتع

٧٦٧ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ، قَالَ: أُنْزِلَتْ آيَةُ الْمُتْعَةِ فِي كِتَابِ اللهِ، فَفَعَلْنَاهَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلَمْ يُنْزَلْ قُرْآنٌ يُحَرِّمُهُ، وَلَمْ يَنْهَ عَنْهَا حَتَّى مَاتَ قَالَ رَجُلٌ بِرَأْيِهِ مَا شَاءَ

767 - Van `Imrân ibn Husayn رضي الله عنه:De āyah over de Ḥaj at-Tamattu` (waarin het mogelijk wordt gemaakt om zowel Ḥaj als `umrah te combineren) werd geopenbaard in het Boek van Allāh, en we hebben het uitgevoerd met Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) en er werd geen nieuwe openbaring geopenbaard die Ḥaj at-Tamattu`heeft verboden, en Rasûlullâh verbood het niet totdat hij stierf. Een man ( `Umar) zei iets op basis van zijn eigen mening.”

Voor degene die de Ḥaj at-Tamattuʿ verricht, is het verplicht een offerdier te slachten. Indien men dit niet doet, moet men tijdens de Ḥaj drie dagen vasten en na terugkeer naar zijn familie nog zeven dagen vasten

وجوب الدم على المتمتع وأنه إِذا عدمه لزمه صوم ثلاثة أيام في الحج وسبعة إِذا رجع إِلى أهله

٧٦٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: تَمَتَّعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ بِالْعُمْرَةِ إِلَى الْحَجِّ وَأَهْدَى، فَسَاقَ مَعَهُ الْهَدْيَ مِنْ ذِي الْحُلَيْفَةِ، وَبَدَأَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَأَهَلَّ بِالْعُمْرَةِ، ثُمَّ بِالْحَجِّ فَتَمَتَّعَ النَّاس مَعَ النَّبِيِّ ﷺ بِالْعُمْرَةِ إِلَى الْحَجِّ، فَكَانَ مِنَ النَّاسِ مَنْ أَهْدَى، فَسَاقَ الْهَدْيَ، وَمِنْهُمْ مَنْ لَمْ يُهْدِ، فَلَمَّا قَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ مَكَّةَ قَالَ لِلنَّاسِ: مَنْ كَانَ مِنْكُمْ أَهْدَى فَإِنَّهُ لاَ يَحِلُّ لِشَيْءٍ حَرُمَ مِنْهُ حَتَّى يَقْضِيَ حَجَّهُ، وَمَنْ لَمْ يَكُنْ مِنْكُمْ أَهْدَى فَلْيَطُفْ بِالْبَيْتِ وَبِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، وَلْيُقَصِّرْ وَلْيَحْلِلْ ثُمَّ لْيُهِلَّ بِالْحَجِّ، فَمَنْ لَمْ يَجِدْ هَدْيًا فَلْيَصُمْ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ فِي الْحَجِّ وَسَبْعَةً إِذَا رَجَعَ إِلَى أَهْلِهِ

فَطَافَ، حِينَ قَدِمَ مَكَّةَ، وَاسْتَلَمَ الرُّكْنَ أَوَّلَ شَيْءٍ، ثُمَّ خَبَّ ثَلاَثَة أَطْوَافٍ وَمَشَى أَرْبَعًا، فَرَكَعَ حِينَ قَضى طَوَافَهُ بِالْبَيْتِ عِنْدَ الْمَقَامِ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ سَلَّمَ، فَانْصَرَفَ فَأَتَى الصَّفَا، فَطَافَ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ سَبْعَةَ أَطْوَافٍ، ثُمَّ لَمْ يَحْلِلْ مِنْ شَيْءٍ حَرُمَ مِنْهُ حَتَّى قَضى حَجَّهُ وَنَحَرَ هَدْيَهُ يَوْمَ النَّحْرِ وَأَفَاضَ فَطَافَ بِالْبَيْتِ ثُمَّ حَلَّ مِنْ كُلِّ شَيْءٍ حَرُمَ مِنْهُ وَفَعَلَ، مِثْلَ مَا فَعَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، مَنْ أَهْدَى وَسَاقَ الْهَدْيَ مِنَ النَّاسِ

768 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte Afscheids- Ḥaj (Ḥaj al-Wadâ'), Ḥaj at-Tamattu`, samen met `umrah. Hij bracht het offerdier vanaf Dhu’l Hulayfah. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gebood (de metgezellen) om intentie (en talbiyah) te nemen om de Ḥaj at-Tamattu`te verrichten (eerst de `umrah daarna de Ḥaj). De mensen verrichtten Ḥaj at-Tamattu`samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): de `umrah gevolgd door de Ḥaj. Sommigen van de mensen brachten hun offerdier mee, terwijl anderen geen offerdier hadden. Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Makkah aankwam, zei hij tegen de mensen: “Wie van jullie een offerdier heeft meegebracht, mag (niet uit iḥrām) niets doen van hetgeen verboden was voor hem, totdat hij zijn Ḥaj voltooid heeft. En wie van jullie geen offerdier heeft meegebracht, moet de ṭawāf verrichten bij de Ka`bah, de Sa`ī tussen Ṣafā en de Marwah, zich scheren of zijn haar verkorten, dan uit de iḥrām treden en vervolgens de (intentie en talbiyah) voor Ḥaj uitroepen.' Wie geen offerdier kan vinden, moet drie dagen vasten tijdens de Ḥaj en zeven dagen wanneer hij terugkeert naar zijn familie.”Toen hij (`Abdullah Ibn `Umar) in Makkah aankwam, verrichtte hij de ṭawāf: taslīm (salām geven) aan de Hoek (al-Ḥajar al-Aswad) als eerste. Daarna liep hij drie rondes snel (rummel) en vier rustig (zeven rondes rond de Ka`bah). (Na de ṭawāf) verrichtte hij twee rakʿah (ṣalāh) bij Maqām Ibrāhīm en ging naar Ṣafā. Daar verrichtte hij Sa`ī tussen Ṣafā en Marwah: zeven keer. Daarna trad hij niet uit de iḥrām (en hield zich aan de verboden ervan) totdat hij zijn Ḥaj voltooide en zijn offerdier slachtte op de dag van an-Naḥr.Vervolgens verrichtte hij de ṭawāf al-ifāḍah, waarna hij uit de iḥrām trad en weer alles mocht doen wat verboden was.En iedereen die een offerdier had meegebracht, deed zoals Rasūlullâh (صلى الله عليه وسلم) het deed en ook (precies) op dezelfde manier.

[In de Qur’ân zegt Allāh: وَأَتِمُّواْ ٱلۡحَجَّ وَٱلۡعُمۡرَةَ لِلَّهِۚ فَإِنۡ أُحۡصِرۡتُمۡ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۖ وَلَا تَحۡلِقُواْ رُءُوسَكُمۡ حَتَّىٰ يَبۡلُغَ ٱلۡهَدۡيُ مَحِلَّهُۥۚ فَمَن كَانَ مِنكُم مَّرِيضًا أَوۡ بِهِۦٓ أَذٗى مِّن رَّأۡسِهِۦ فَفِدۡيَةٞ مِّن صِيَامٍ أَوۡ صَدَقَةٍ أَوۡ نُسُكٖۚ فَإِذَآ أَمِنتُمۡ فَمَن تَمَتَّعَ بِٱلۡعُمۡرَةِ إِلَى ٱلۡحَجِّ فَمَا ٱسۡتَيۡسَرَ مِنَ ٱلۡهَدۡيِۚ فَمَن لَّمۡ يَجِدۡ فَصِيَامُ ثَلَٰثَةِ أَيَّامٖ فِي ٱلۡحَجِّ وَسَبۡعَةٍ إِذَا رَجَعۡتُمۡۗ تِلۡكَ عَشَرَةٞ كَامِلَةٞۗ ذَٰلِكَ لِمَن لَّمۡ يَكُنۡ أَهۡلُهُۥ حَاضِرِي ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّ ٱللَّهَ شَدِيدُ ٱلۡعِقَابِ ١٩٦

En verricht de Ḥaj en de Omra voor Allāh. Maar als je wordt weerhouden (om hem te voltooien) laat dan een offerdier slachten wat makkelijk te vinden is, en scheer jullie hoofden niet totdat het offerdier de slachtplaats bereikt. En iedereen van jullie die ziek is of aan een kwaal lijdt aan het hoofd moet losgeld betalen of drie dagen vasten, aalmoezen geven of een offerdier slachten.

En wanneer jullie in veiligheid zijn en (het betreft) degene die de Omra verricht in de maanden van de Ḥaj, voordat de Ḥaj (verricht wordt) deze moet een offerdier slachten wat hij zich kan veroorloven, maar als hij het zich niet kan veroorloven moet hij drie dagen tijdens de Ḥaj vasten en zeven dagen bij zijn thuiskomst, om de tien dagen vol te maken. Dit geldt voor degene wiens gezin niet aanwezig is in de Masdjied al-Haram. En vrees Allāh en weet dat Allāh streng is in de bestraffing. (sûrah al-Baqarah: 196)] (AFK)

٧٦٩ - حديث عَائِشَةَ عَنْ عُرْوَةَ، أَنَّ عَائِشَةَ، أَخْبَرَتْهُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ فِي تَمَتُّعِهِ بِالْعُمْرَةِ إِلَى الْحَجِّ، فَتَمَتَّعَ النَّاسُ مَعَهُ، بِمِثْلِ حَدِيثِ ابْنِ عُمَرَ السَّابِقِ (رقم ٧٦٨)769 – Van ‘Ā’ishah via 'Urwah (رضي الله عنهما):ʿUrwah heeft overgeleverd dat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) hem berichtte over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat hij Ḥaj at-Tamattuʿ verrichtte: ʿumrah voorafgaand aan de Ḥaj. En de mensen verrichtten Ḥaj at-Tamattuʿ met hem, op dezelfde wijze als vermeld is in de eerdere overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (van hadithnummer 768 van hierboven).

Verklaring dat de persoon die de Ḥaj al-Qirān verricht, pas wordt toegestaan zich te ontdoen van de verboden handelingen net als de persoon die Ḥaj al-Ifrād heeft voltooid

بيان أن القارن لا يتحلل إِلاَّ في وقت تحلل الحاج المفرد

٧٧٠ - حديث حَفْصَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا شَأْنُ النَّاسِ حَلُّوا بِعُمْرَةٍ وَلَمْ تَحْلِلْ أَنْتَ مِنْ عُمْرَتِكَ قَالَ: إِنِّي لَبَّدْتُ رَأْسِي وَقَلَّدْتُ هَدْيِي فَلاَ أَحِلُّ حَتَّى أَنْحَرَ

770 - Van Ḥafṣah ضي الله عنها, de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Ze zei: “O Rasūlullāh, hoe komt het dat de mensen uit hun iḥrām zijn getreden na de ʿumrah, maar u niet?”Hij antwoordde: “Ik heb mijn haar vastgebonden (met gom) en mijn offerdier (uit Madînah meegenomen en) gemerkt en gereedgemaakt, dus ik treed niet uit iḥrām totdat ik het heb geofferd.”

Toestemming om uit iḥrām te treden vanwegen het ondervinden van obstakels (ihsār) en het verrichten van Ḥaj al-Qirān

جواز التحلل بالإحصار وجواز القران

٧٧١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ؛ قَالَ: حِينَ خَرَجَ إِلَى مَكةَ مُعْتَمِرًا فِي الْفِتْنَةِ: إِنْ صُدِدْتُ عَنِ الْبَيْتِ صَنَعْنَا كَمَا صَنَعْنَا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَأَهَلَّ بِعُمْرَةٍ مِنْ أَجْلِ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ أَهَلَّ بِعُمْرَةٍ عَامَ الْحُدَيْبِيَةِ ثُمَّ إِنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ عُمَرَ نَظَرَ فِي أَمْرِهِ فَقَالَ: مَا أَمْرُهُمَا إِلاَّ وَاحِدٌ فَالْتَفَتَ إِلَى أَصْحَابِهِ، فَقَالَ: مَا أَمْرُهُمَا إِلاَّ وَاحِدٌ، أُشْهِدُكُمْ أَنِّي قَدْ أَوْجَبْتُ الْحَجَّ مَعَ الْعُمْرَةِ ثُمَّ طَافَ لَهُمَا طَوَافًا وَاحِدًا، وَرَأَى أَنَّ ذلِكَ مُجْزِيًا عَنْهُ وَأَهْدَى

771 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):Toen ik tijdens de fitnah (burgeroorlog tussen Ḥajāj en `Abdullah ibn Zubayr ( رضي الله عنه) naar Makkah ging voor de `umrah, zei ik: “Als ik van het Huis van Allāh (Ka`bah) wordt afgehouden (om ṭawāf te verrichten), dan doen we precies zoals we dat deden met Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم).” Vervolgens sprak hij (de talbiyah) uit en trad in iḥrām voor een ʿumrah (niet voor Ḥaj), omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook een ʿumrah verrichtte in het jaar van al-Ḥudaybiyyah.Daarna keek ʿAbdullāh ibn ʿUmar naar zijn situatie en zei: “(Wat betreft het uit de iḥrām treden wegens een belemmering, geldt dat de regels voor zowel de Ḥaj als de ʿumrah hetzelfde zijn; de situatie bij verhindering is dus identiek voor beide rituelen.Toen wendde hij zich tot zijn metgezellen en zei: “Hun (Ḥaj en ʿumrah) zaak is slechts één.

Ik laat jullie getuigen dat ik de Ḥaj aan mijn ʿumrah heb verbonden (Ḥaj al-Qirān verplicht gesteld heb).”(Bij aankomst in Makkah) verrichtte hij één ṭawāf voor beide (Ḥaj en ʿumrah), en hij beschouwde dat als voldoende. En hij offerde een offerdier.

[In deze ḥadīth wordt met de “fitnah” bedoeld de tijd dat het leger van Yazid de Ka`bah belegerde en deze met katapulten beschoot. Gedurende deze belegering was het niemand toegestaan om de Ka`bah binnen te gaan. Daarom had `Abdullah Ibn `Umar vooraf de situatie geëvalueerd omdat hij niet zeker wist of hij de Ḥaj volledig kon uitvoeren. Toen hij erin slaagde om de Ka`ah te bereiken, maakte hij het kort en trok zich terug.] (AFK)

٧٧٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ أَنَّهُ أَرَادَ الْحَجَّ عَامَ نَزَلَ الْحَجَّاجُ بِابْنِ الزُّبَيْرِ، فَقِيلَ لَهُ: إِنَّ النَّاسَ كَائِنٌ بَيْنَهُمْ قِتَالٌ وَإِنَّا نَخَافُ أَنْ يَصُدُّوكَ، فَقَالَ: (لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللهِ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ) إِذًا أَصْنَعُ كَمَا صَنَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِنِّي أُشْهِدُكُمْ أَنِّي قَدْ أَوْجَبْتُ عُمْرَةً ثُمَّ خَرَجَ حَتَّى إِذَا كَانَ بِظَاهِرِ الْبَيْدَاءِ، قَالَ: مَا شَأْنُ الْحَجِّ وَالْعُمْرَةِ إِلاَّ وَاحِدٌ، أُشْهِدُكُمْ أَنِّي قَدْ أَوْجَبْتُ حَجًّا مَعَ عُمْرَتِي وَأَهْدَى هَدْيًا اشْتَرَاهُ بِقُدَيْدٍ، وَلَمْ يَزِدْ عَلَى ذلِكِ، فَلَمْ يَنْحَرْ وَلَمْ يَحِلَّ مِنْ شَيْءٍ حَرُمَ مِنْهُ، وَلَمْ يَحْلِقْ وَلَمْ يُقَصِّرْ حَتَّى كَانَ يَوْمُ النَّحْرِ فَنَحَرَ وَحَلَقَ، وَرَأَى أَنْ قَدْ قَضى طَوافَ الْحَجِّ وَالْعُمْرَةِ بِطَوَافِهِ الأَوَّلِ وَقَالَ ابْنُ عُمَرَ: كَذلِكَ فَعَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ772 – Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Toen hij (Ibn `Umar) de Ḥaj wilde verrichten in het jaar waarin Ḥajāj tegen Ibn az-Zubayr ten strijde trok, werd er tegen hem gezegd: “Er is oorlog onder de mensen en wij vrezen dat zij jou zullen verhinderen (om de Ḥaj te verrichten).”Hij zei toen: لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١

Voorzeker, de Boodschapper van Allāh is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor (zowel de gelovigen als de hypocrieten onder) jullie, voor wie op (de veelbelovende ontmoeting met) Allāh en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allāh veelvuldig gedenkt. (sûrah al-Aḥzāb: 33/21)(Vervolgens zei hij:) “Dan zal ik handelen zoals Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehandeld”.Daarop zei hij: ““Ik neem jullie tot getuigen dat ik de ʿumrah voor mijzelf verplicht heb gesteld.”Daarna vertrok hij. Toen hij bij de buitenzijde van al-Baydā’ (vlakbij Dhū’l-Ḥulayfah) bereikte, zei hij: “De toestand (of regelgeving) van de ‘umrah en de Ḥaj is één en dezelfde.”(Vervolgens zei hij:) “Ik neem jullie tot getuigen dat ik nu ook de Ḥaj verplicht heb gesteld, samen met mijn ʿumrah.”Daarna bracht hij een offerdier dat hij had gekocht in Qudayd (plaats in de buurt van Makkah). En hij voegde daar niets meer aan toe:- hij slachtte (het offerdier) pas op de dag van an-Naḥr; - hij schoor zijn hoofd op diezelfde dag;- hij trad vóór die tijd niet uit de staat van iḥrām (taḥallul);- en hij verkortte of schoor zijn haar evenmin vóór die tijd.

Hij beschouwde zijn eerste ṭawāf als voldoende voor zowel Ḥaj als ʿumrah.En Ibn ʿUmar zei: “Zo heeft Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) het ook gedaan.”

[De polytheïsten verrichtten geen `umrah tijdens de heilige maanden van de Ḥaj. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) doorbrak deze onjuiste opvatting door tijdens de Ḥaj ook de `umrah uit te voeren. In de ḥadīth wordt daarnaast vermeld dat de mensen van Madînah in de tijd van jāhiliyyah het aanraken van Ṣafā en Marwah als een zonde beschouwden. De Islām heeft deze ongefundeerde overtuigingen volledig weggenomen. Een ander aandachtspunt betreft de manipulatie van de heilige maanden waarin oorlog verboden is. De maanden Dhū’l-Qaʿdah, Dhū’l-Ḥijjah en Muḥarram volgen elkaar direct op. De polytheïsten, die gewend waren aan strijd en wanorde, achtten het onmogelijk om drie opeenvolgende maanden geen oorlog te voeren. Wanneer zij wilden vechten, verklaarden zij Muḥarram tot Ṣafar en beweerden daarmee dat de heilige maanden waren geëindigd, waarna zij in die maand oorlog voerden..

Ibrāhīm عليه السلام had gebeden voor de veiligheid en vrede van het gebied rondom de Ka’bah (sûrah al-Baqarah: 126). Om die reden werden deze maanden de “heilige maanden” genoemd: sinds de tijd van Ibrāhīm عليه السلام waren moord, diefstal en elke vorm van wangedrag verboden was, zodat de pelgrims (Hujjāj) de Ka’bah in vrede en veiligheid konden bezoeken.

In de loop der tijden begonnen de Arabieren dit verbod echter te schenden door bedrog en leugens. Ze veranderden de volgorde van de maanden om aan hun eigen wensen tegemoet te komen. Wanneer ze wilden stelen of bloed vergieten, schonden ze de heilige maand en verklaarden een andere maand heilig. De polytheïsten pasten de maanden aan volgens hun eigen belang, en wijzigden soms zelfs de jaartelling, waardoor een jaar uit wel veertien maanden kon bestaan. Met de komst van de Islām werd hieraan een einde gemaakt: de volgorde van de maanden werd vastgelegd en het jaar werd definitief vastgesteld op twaalf maanden.] (AFK)

Over de combinatie van Ḥaj en `umrah (bij Ḥaj al Qirān en Ḥaj al Ifrād)

في الإفراد والقران بالحج والعمرة

٧٧٣ – حديث ابْنِ عُمَرَ وَأَنَسٍ عَنْ بَكْرٍ، أَنَّهُ ذَكَرَ لابْنِ عُمَرَ أَنَّ أَنَسًا حَدَّثَهُمْ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَهَلَّ بِعُمْرَةٍ وَحَجَّةٍ، فَقَالَ (ابْنُ عُمَرَ): أَهَلَّ النَّبِيُّ ﷺ بِالْحَجِّ وَأَهْلَلْنَا بِهِ مَعَهُ، فَلَمَّا قَدِمْنَا مَكَّةَ، قَالَ: مَنْ لَمْ يَكُنْ مَعَهُ هَدْيٌ فَلْيَجْعَلَهَا عُمْرَةً وَكَانَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ هَدْيٌ، فَقَدِمَ عَلَيْنَا عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ مِنَ الْيَمَنِ حَاجًّا، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بِمَ أَهْلَلْتَ فَإِنَّ مَعَنَا أَهْلَكَ قَالَ: أَهْلَلْتُ بِمَا أَهَلَّ بِهِ النَّبِيُّ ﷺ قَالَ: فَأَمْسِكْ فَإِنَّ مَعَنَا هَدْيًا

773 – Van Ibn ʿUmar en Anas via Bakr (Ibn `Abdullah) (رضي الله عنهم):(De overleveraar) Bakr (ibn Abdullah) verhaalde dat hij Ibn ʿUmar had verteld dat Anas hen had meegedeeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Dhū’l-Ḥulayfah in iḥrām was getreden en de talbiyah had uitgesproken voor zowel de ʿumrah als de Ḥaj.Ibn ʿUmar antwoordde daarop: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trad in iḥrām voor de Ḥaj, en ook wij traden samen met hem (in iḥrām).”Toen wij in Makkah aankwamen, zei hij: “Wie van jullie geen offerdier bij zich heeft, laat hij zijn intentie omzetten naar een ʿumrah.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had echter wel een offerdier bij zich.

Vervolgens arriveerde ʿAlī ibn Abī Ṭālib uit Jemen met de intentie de Ḥaj te verrichten.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “Met welke intentie ben jij in iḥrām geterden, aangezien jouw familie bij ons is.”Hij antwoordde: “Ik ben in iḥrām getreden met dezelfde intentie als Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).”Daarop zei hij: “Blijf dan in iḥrām, want ook jij hebt een offerdier bij je.”

[Er zijn verschillende opvatingen over de vraag of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Ḥaj al-Ifrâd of Ḥaj al-Qirân heft uitgevoerd. Sommigen zijn van mening dat hij Ḥaj al-Ifrâd heeft uitgevoerd, wat inhoudt dat hij de Ḥaj en de ʿumrah niet combineerde. Anderen stellen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aanvankelijk de intentie had voor Ḥaj al-Ifrâd, maar later `umrah ook in zijn intentie opnam, waardoor zijn Ḥaj veranderde in Ḥaj al-Qirān. Hij droeg degenen die geen offerdier bij zich hadden op om de ʿumrah te verrichten en vervolgens uit de staat van iḥrām te treden, waarna zij voor de Ḥaj opnieuw in iḥrām moesten treden. Dit komt overeen met de Ḥaj at-Tamattuʿ.Aangezien an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf wel een offerdier bij zich had, bleef hij gedurende de gehele reis naar Makkah in iḥrām.

Omdat zowel de Ḥaj al-Qirān als de Ḥaj al-Ifrād met één iḥrām worden verricht, menen sommigen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de Ḥaj al-Ifrād heeft verricht, terwijl anderen van oordeel zijn dat hij de Ḥaj al-Qirān uitvoerde.] (AFK)

Wat verplicht is voor iemand die in iḥrām treedt voor Ḥaj en Makkah binnenkomt met betrekking tot ṭawāf en Sa`ī

ما يلزم من أحرم بالحج ثم قدم مكة من الطواف والسعي

٧٧٤ – حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ عَمْرِو بْنِ دِينَارٍ، قَالَ: سَأَلْنَا ابْنَ عُمَرَ عَنْ رَجُلٍ طَافَ بِالْبَيْتِ الْعُمْرَةَ، وَلَمْ يَطُفْ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، أَيَأْتِي امْرَأَتَهُ فَقَالَ: قَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ فَطَافَ بِالْبَيْتِ سَبْعًا، وَصَلَّى خَلْفَ الْمَقَامِ رَكْعَتَيْنِ، وَطَافَ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ (وَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللهِ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ)

774 – Van Ibn ʿUmar via ʿAmr ibn Dīnār (رضي الله عنهم):ʿAmr ibn Dīnār vertelde: “Wij vroegen Ibn ʿUmar over een man die rond de Kaʿbah ṭawāf had verricht voor de ʿumrah, maar niet tussen Ṣafā en Marwah had gelopen (Sa`ī): “Mag hij dan gemeenschap hebben met zijn vrouw?”Hij antwoordde: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam (naar Makkah), verrichtte ṭawāf rondom het Huis zeven keer, verrichtte twee rakʿah salâh achter Maqām (van Ibrāhīm عليه السلام), en liep vervolgens tussen aṣ-Ṣafā en Marwah.”En hij reciteerde:

لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١

Voorzeker, de Boodschapper van Allāh is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor (zowel de gelovigen als de hypocrieten onder) jullie, voor wie op (de veelbelovende ontmoeting met) Allāh en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allāh veelvuldig gedenkt. (sûrah al-Aḥzāb, 33/21)

Wat verplicht is voor iemand die ṭawāf en Sa`ī heeft verricht met betrekking tot het in iḥrām blijven en het niet beëindigen ervan

ما يلزم من طاف بالبيت وسعى من البقاء على الإحرام وترك التحلل

٧٧٥ - حديث عَائِشَةَ وَأَسْمَاءَ، عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ نَوْفَلٍ الْقُرَشِيِّ، أَنَّهُ سَأَلَ عُرْوَةَ بْنَ الزُّبَيْرِ، فَقَالَ: قَدْ حَجَّ النَّبِيُّ ﷺ، فَأَخْبَرَتْنِي عَائِشَةُ أَنَّهُ أَوَّلُ شَيْءٍ بَدَأَ بِهِ حِينَ قَدِمَ أَنَّهُ تَوَضَّأَ، ثُمَّ طَافَ بِالْبَيْتِ، ثُمَّ لَمْ تَكُنْ عُمْرَةً ثُمَّ حَجَّ أَبُو بَكْرٍ ﵁، فَكَانَ أَوَّلَ شَيْءٍ بَدَأَ بِهِ الطَّوَافُ بِالْبَيْتِ ثُمَّ لَمْ تَكُنْ عُمْرَةٌ ثُمَّ عُمَرُ ﵁، مِثْلُ ذلِكَ ثُمَّ حَجَّ عُثْمَانُ ﵁، فَرَأَيْتُهُ أَوَّلُ شَيْءٍ بَدَأَ بِهِ الطَّوَافُ بِالْبَيْتِ، ثُمَّ لَمْ تَكُنْ عُمْرَةٌ ثُمَّ مُعَاوِيَةُ وَعَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ ثُمَّ حَجَجْتُ مَعَ أَبِي، الزبَيْرِ بْنِ الْعَوَّامِ، فَكَانَ أَوَّلَ شَيْءٍ بَدَأَ بِهِ الطَّوَافُ بِالْبَيْتِ ثُمَّ لَمْ تَكُنْ عُمْرَةٌ ثُمَّ رَأَيْتُ الْمُهَاجِرِينَ وَالأَنْصَارَ يَفْعَلُونَ ذلِكَ، ثُمَّ لَمْ تَكُنْ عُمْرَةٌ ثُمَّ آخِرُ مَنْ رَأَيْتُ فَعَلَ ذلِكَ ابْنُ عُمَرَ، ثُمَّ لَمْ يَنْقُضْهَا عُمْرَةً وَهذَا ابْنُ عُمَرَ عِنْدَهُمْ فَلاَ يَسْأَلُونَهُ وَلاَ أَحَدٌ مِمَّنْ مَضى مَا كَانُوا يَبْدَءُونَ بِشَيْءٍ حَتَّى يَضَعُوا أَقْدَامَهُمْ مِنَ الطَّوَافِ بِالْبَيْتِ ثُمَّ لاَ يَحِلُّونَ وَقَدْ رَأَيْتُ أُمِّي وَخَالَتِي حِينَ تَقْدَمَانِ لاَ تَبْتَدِئَانِ بِشَيْءٍ أَوَّلَ مِنَ الْبَيْتِ تَطُوفَانِ بِهِ ثُمَّ لاَ تَحِلاَّنِ وَقَدْ أَخْبَرَتْنِي أُمِّي

أَنَّهَا أَهَلَّتْ هِيَ وَأُخْتُهَا وَالزُّبَيْرُ وَفُلاَنٌ وَفُلاَنٌ بِعُمْرَةٍ فَلَمَّا مَسَحُوا الرُّكْنَ حَلُّوا

775 – Van ʿĀʾishah en Asmāʾ via Muḥammad ibn ʿAbd ar-Raḥmān ibn Nawfal al-Qurashī (رضي الله عنهم):Ik vroeg ʿUrwah ibn az-Zubayr over de Ḥaj van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Daarop vertelde ʿĀʾishah (رضي الله عنها) mij dat het eerste wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed bij aankomst (in Makkah), het verrichten van wudūʾ was, gevolgd door de ṭawāf om het Huis (de Kaʿbah). Dit was géén ʿumrah, maar direct Ḥaj.Vervolgens verrichtte Abū Bakr (رضي الله عنه) de Ḥaj, en begon hij eveneens met ṭawāf om het Huis, geen ʿumrah ertussen. Daarna volgde ʿUmar (رضي الله عنه) op dezelfde wijze. Ook ʿUthmān (رضي الله عنه) verrichtte als eerste de ṭawāf om het Huis, zonder ʿumrah.

Daarna voerden Muʿāwiyah en ʿAbdullāh ibn ʿUmar de Ḥaj uit, en ik verrichtte de Ḥaj met mijn vader Zubayr ibn al-ʿAwwām. Ook hij begon met de ṭawāf om het Huis, zonder ʿumrah.

Ik zag de Muhājirūn en Anṣār die op dezelfde manier deden, zonder daarna een ʿumrah te verrichten.De laatste persoon die ik dit zag doen was Ibn ʿUmar, en niemand stelde hem daar vragen over, netzoals niemand dat deed bij degenen die eerder overleden waren. Niemand begon iets voordat zij hun voeten hadden gezet voor de ṭawāf om het Huis, en allen bleven in iḥrām, zonder ḥalāl-verklaring. (dus bleven in iḥrām).Ik zag ook mijn moeder (Asmā’) en mijn tante ʿĀʾishah die niets anders dedenbij aankomst zij aankwamen, niets anders deden dan eerst de ṭawāf om het Huis verrichten, zonder zich ḥalāl te verklaren (m.a.w. uit iḥrām gekomen).. Mijn moeder vertelde dat zij samen met haar zus ʿĀʾishah, (haar echtgenoot) Zubayr en een aantal anderen in iḥrām traden voor een ʿumrah.

Pas nadat zij de hoeksteen (al-Ḥajar al-Aswad) hadden aangeraakt, na de ṭawāf en Saʿī, verklaarden zij zich ḥalāl (uit iḥrām treden).٧٧٦ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ عَنْ عَبْدِ اللهِ مَوْلَى أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ، أَنَّهُ كَانَ يَسْمَعُ أَسْمَاءَ تَقُولُ، كُلَّمَا مَرَّتْ بِالْحَجُونِ: صَلَّى الله عَلَى مُحَمَّدٍ، لَقَدْ نَزَلْنَا مَعَهُ ههُنَا وَنَحْنُ يَوْمَئِذٍ خِفَافٌ، قَلِيلٌ ظَهْرُنَا، قَلِيلَةٌ أَزْوَادُنَا، فَاعْتَمَرْتُ أَنَا وَأُخْتِي عَائِشَةُ وَالزُّبَيْرُ وَفَلاَنٌ وَفُلاَنٌ، فَلَمَّا مَسَسْنَا الْبَيْتَ أَحْلَلْنَا ثُمَّ أَهْلَلْنَا مِنَ الْعَشِيِّ بِالْحَجِّ776 – Van Asmāʾ bint Abī Bakr via ʿAbdullāh, de mawlā (vrijgelaten slaaf) van Asmāʾ bint Abī Bakr (رضي الله عنهم):

Hij hoorde vaak Asmāʾ zeggen, telkens wanneer zij (het gebied) al-Ḥajūn passeerde: “Moge Allāh zegeningen schenken aan Muḥammad: sallallahu `ala Muḥammad! Wij hebben hier met hem gecampeerd, en op die dag waren wij slechts licht uitgerust.

We hadden weinig rijdieren en ons proviand was beperkt.Ik verrichtte de ʿumrah samen met mijn zuster ʿĀʾishah, (mijn echtgenoot) Zubayr en nog een aantal anderen.Toen wij het Huis (al-Ḥajar al-Aswad) aanraakten (en/of kusten), verrichtten wij de ṭawāf en de Saʿī. Daarna traden wij uit iḥrām, en na de middag traden wij opnieuw in iḥrām en zegden de talbiyah op voor de Ḥaj.”

Het is toegestaan om `umrah tijdens de Ḥaj-maanden te verrichten

جواز العمرة في أشهر الحج

٧٧٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ، وَأَصْحَابُهُ لِصُبْحِ رَابِعَةٍ يُلَبُّونَ بِالْحَجِّ، فَأَمَرَهُمْ أَنْ يَجْعَلُوهَا عُمْرَةً، إِلاَّ مَنْ مَعَهُ الْهَدْيُ

777 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):‘An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn metgezellen arriveerden in de ochtend van de vierde dag (van Dzu-l-Hijjah) (Makkah), terwijl zij de talbiyah voor de Ḥaj uitspraken.Hij beval hen om het om te zetten naar een `umrah, behalve voor degenen die een offerdier bij zich hadden (namelijk met de intentie voor Ḥaj at-Tamattu`).”

٧٧٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ أَبِي جَمْرَةَ نَصْرِ بْنِ عِمْرَانَ الضُّبَعِيِّ، قَالَ: تَمَتَّعْتُ فَنَهَانِي نَاسٌ، فَسَأَلْتُ ابْنَ عَبَّاسٍ فَأَمَرَنِي، فَرَأَيْتُ فِي الْمَنَامِ كَأَنَّ رَجُلًا يَقُولُ لِي: حَجٌّ مَبْرُورٌ، وَعُمْرَةٌ مُتَقَبَّلَةٌ، فَأَخْبَرْتُ ابْنَ عَبَّاسٍ، فَقَالَ: سُنَّةَ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ لِي: أَقِمْ عِنْدِي فَأَجْعَلَ لَكَ سَهْمًا مِنْ مَالِي

قَالَ شُعْبَةُ (الرَّاوِي عَنْهُ)، فَقُلْتُ: لِمَ فَقَالَ: لِلرُّؤْيَا الَّتِي رَأَيْتُ

778 – Van Ibn ʿAbbās via Abū Jamrah Naṣr ibn ʿImrān aḍ-Ḍubaʿī (رضي الله عنهم):Ik verrichtte Ḥaj at-Tamattuʿ(de combinatie van ʿumrah en Ḥaj), hoewel sommige mensen mij dit verboden.

Daarom vroeg ik (advies) aan Ibn ʿAbbās, en hij gebood mij om het toch te doen.Daarna zag ik in mijn droom een man die tegen mij zei: “Een aanvaarde Ḥaj en een geaccepteerde ʿumrah (Ḥaj mabrûr en `umrah mutaqabbalah)”Ik vertelde (mijn droom) aan Ibn ʿAbbās, en hij zei: “Dat is de sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”Daarop zei hij tegen mij: “Blijf bij mij, dan geef ik je een deel van mijn bezit.”Shuʿbah (de overleveraar van deze ḥadīth) zei: “Ik vroeg hem: ‘Waarom?’”Hij antwoordde: “Vanwege de droom die je hebt gezien.”

[“Mabrūr” betekent: aanvaard, correct en volgens de vereisten uitgevoerd, zonder dat er zonde of overtreding bij betrokken is. Het duidt op een daad die vrij is van onrecht of verraad, uitgevoerd met oprechtheid (ikhlās) en uitsluitend ter wille van Allāh.Wanneer men spreekt van een Ḥaj mabrūr (een aanvaardbare bedevaart), betekent dit dat de Ḥaj naar behoren is verricht en dat de daden van de pelgrim zuiver en oprecht waren. De tekenen van een Ḥaj mabrūr worden vooral zichtbaar na de voltooiing van de Ḥaj, in positieve gedragsveranderingen en de goede daden die daarop volgen.Daarom is het voortzetten van dergelijke oprechte en moreel zuivere gedragingen van groot belang, omdat juist daardoor de persoonlijke en maatschappelijke voordelen van de Ḥaj volledig tot uiting komen.] (HA)

Het merken van het offerdier bij het betreden van iḥrām

تقليد الهَدْي وإِشعاره عند الإحرام

٧٧٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنِ ابْنِ جُرَيْجٍ، قَالَ: حَدَّثَنِي عَطَاءٌ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ: إِذَا طَافَ بِالْبَيْتِ فَقَدْ حَلَّ، فَقُلْتُ: مِنْ أَيْنَ قَالَ هذَا ابْنُ عَبَّاسٍ قَالَ: مِنْ قَوْلِ اللهِ تَعَالَى (ثُمَّ مَحِلُّهَا إِلَى الْبَيْتِ الْعَتِيقِ)، وَمِنْ أَمْرِ النَّبِيِّ ﷺ أَصْحَابَهُ أَنْ يَحِلُّوا فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ قُلْتُ: إِنَّمَا كَانَ ذلِكَ بَعْدَ الْمُعَرَّفِ قَالَ: كَانَ ابْنُ عَبَّاسٍ يَرَاهُ قَبْلُ وَبَعْدُ

779 - Van Ibn Jurayj (رضي الله عنه):ʿAṭāʾ vertelde mij via Ibn ʿAbbās: “Als iemand de ṭawāf rond het Huis heeft verricht, dan is hij uit de staat van iḥrām.”Ik vroeg: “Waar baseer je dat op?”Hij zei: “Dit is de uitspraak van Ibn ʿAbbās gebaseerd op het Woord van Allāhu (تَعَالَى):لَكُمۡ فِيهَا مَنَٰفِعُ إِلَىٰٓ أَجَلٖ مُّسَمّٗى ثُمَّ مَحِلُّهَآ إِلَى ٱلۡبَيۡتِ ٱلۡعَتِيقِ ٣٣

In hen is nut voor jullie voor een aangewezen termijn, vervolgens is er de offerplaats bij het Oude Huis (de Ka`bah). (sûrah al-Ḥaj: 33)

En op bevel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan zijn metgezellen om uit iḥrām te treden tijdens de Afscheids-Ḥaj .”(Ibn Jurayj zei: Ik vroeg `Atā: “Maar gebeurde dat niet pas na de dag van `Arafah-Waqfah?”Hij (`Atā) antwoordde: “Ibn `Abbās was van mening (dat men uit iḥrām kan treden) zowel voor als na (`Arafah).”

Het verkorten van het haar na de `umrah

التقصير في العمرة

٧٨٠ - حديث مُعَاوِيَةَ ﵁، قَالَ: قَصَّرْتُ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ بِمِشْقَصٍ

780 - Van Mu’awiyah (رضي الله عنه):Ik heb het haar van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) geknipt met een mesvormige snijtool (mishqas).”

De talbiyah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn offerdier

إِهلال النبي ﷺ وهديه

٧٨١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: قَدِمَ عَلِيٌّ ﵁، عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، مِنَ الْيَمَنِ، فَقَالَ: بِمَا أَهْلَلْتَ قَالَ: بِمَا أَهَلَّ بِهِ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: لَوْلاَ أَنَّ مَعِي الْهدْيَ لأَحْلَلْتُ

781 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):`Ali kwam vanuit Jemen bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem vroeg: ‘Met welke intentie ben je in iḥrām getreden (en talbiyah opgezegd)?’Hij antwoordde: ‘Met dezelfde intentie (en talbiyah) als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).’Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Als ik geen offerdier bij mij had, dan zou ik uit iḥrām zijn getreden.’

Het aantal en de tijdstippen van de `umrah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)بيان عدد عمر النبي ﷺ وزمانهن

٧٨٢ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: اعْتَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ أَرْبَعَ عُمَرٍ فِي ذِي الْقَعْدَةِ، إِلاَّ الَّتِي اعْتَمَرَ مَعَ حَجَّتِهِ: عُمْرَتَهُ مِنَ الْحُدَيْبِيَةِ، وَمِنَ الْعَامِ الْمُقْبِلِ، وَمِنَ الْجِعْرَانَةِ حَيْثُ قَسَمَ غَنَائِمَ حُنَيْنٍ، وَعُمْرَةً مَعَ حَجَّتِهِ

782 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte vier `umrahs (in zijn leven) in de maand Dhu’l-Qa’dah, met uitzondering van de ʿumrah die hij (in Dhū’l-Ḥijjah verrichtte) tijdens de Afscheids-Ḥaj. Deze waren: - Zijn ʿumrah vanuit al-Ḥudaybiyah;- En die van het daaropvolgende jaar;- En die vanuit al-Jiʿrānah, waar hij de oorlogsbuit van Ḥunayn heeft verdeeld;- En de ʿumrah tijdens zijn Afscheids-Ḥaj.

٧٨٣ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ قِيلَ لَهُ: كَمْ غَزَا النَّبِيُّ ﷺ مِنْ غَزْوَةٍ قَالَ: تِسْعَ عَشَرَةَ قِيلَ: كَمْ غَزَوْتَ أَنْتَ مَعَهُ قَالَ: سَبْعَ عَشَرَة قِيلَ:فَأَيُّهُمْ كَانَتْ أَوَّلَ قَالَ: الْعُسَيْرَةُ أَوِ الْعُشَيْرُ783 – Van Zayd ibn Arqām (رضي الله عنه):Er werd aan mij gevraagd: “Hoeveel veldtochten (ghazā) heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gevoerd?'- “Negentien.”- “Hoeveel veldtochten heb jij met hem meegemaakt?”- “Zeventien.”- “Welke was de eerste (veldtocht)?”- “De (verldslag) van al-‘Uhayrah of al-‘Ushayr.”(Ik vroeg het aan Qatadah en hij zei `Ushayr veldtocht)

[De Slag bij Uḥayrah (Ghazwah al-Uḥayrah) vond plaats aan het einde van de maand Jumādā al-ʾAwwal in het tweede jaar van de Hijrah. Het bericht bereikte Madīnah dat een Quraysh-handelskaravaan onderweg was van Makkah naar Syrië via de kustroute. Hierop vertrok Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met een militaire eenheid van 150 tot 200 man, bestaande uit de Emigranten (muḥājirīn), om de Quraysh-karavaan onder leiding van Abū Sufyān tegen te houden.Toen zij de plaats Uḥayrah, behorend tot de stam Banū Mudlij, bereikten, vernamen zij dat de karavaan enkele dagen eerder al was gepasseerd.

Nadat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een verdrag had gesloten met de stammen Banū Mudlij en hun bondgenoten Banū Dammar, keerde hij terug naar Madīnah. Deze karavaan zou een jaar later mede aanleiding zijn voor de Slag bij Badr.] (Diyanet)

٧٨٤ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، غَزَا تِسْعَ عَشْرَةَ غَزْوَةً، وَأَنَّهُ حَجَّ بَعْدَمَا هَاجَرَ حَجَّةً وَاحِدَةً، لَمْ يَحُجَّ بَعْدَهَا، حَجَّةَ الْوَدَاعِ784 – Van Zayd ibn Arqām (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voerde negentien veldtochten en verrichtte na de Hijrah slechts één Ḥaj, de Afscheids-Ḥaj, en hij verrichtte geen Ḥaj na deze.”

٧٨٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ وَعَائِشَةَ عَنْ مُجَاهِدٍ، قَالَ: دَخَلْتُ أَنَا وَعُرْوَةُ بْنُ الزُّبَيْرِ الْمَسْجِدَ، فَإِذَا عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ، جَالِسٌ إِلَى حُجْرَةِ عَائِشَةَ، وَإِذَا نَاسٌ يُصَلُّونَ فِي الْمَسْجِدِ صَلاَةَ الضُّحى قَالَ: فَسَأَلْنَاهُ عَنْ صَلاَتِهِمْ؛ فَقَالَ: بِدْعَةٌ ثُمَّ قَالَ لَهُ: كَمِ اعْتَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَالَ: أَرْبَعَ إِحْدَاهُنَّ فِي رَجَبٍ فَكَرِهْنَا أَنْ نَرُدَّ عَلَيْهِ قَالَ: وَسَمِعْنَا اسْتِنَانَ عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ فِي الْحُجْرَةِ، فَقَالَ عُرْوَةُ: يَا أُمَّاهْ، يَا أُمَّ الْمُؤْمِنِينَ أَلاَ تَسْمَعِينَ مَا يَقُولُ أَبُو عَبْدِ الرَّحْمنِ قَالَتْ: مَا يَقُولُ قَالَ: يَقُولُ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، اعْتَمَرَ أَرْبَعَ عُمُرَاتٍ إِحْدَاهُنَّ فِي رَجَبٍ، قَالَتْ: يَرْحَمُ اللهُ أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ، مَا اعْتَمَرَ عُمْرَةً إِلاَّ وَهُوَ شَاهِدُهُ، وَمَا اعْتَمَرَ فِي رَجَبٍ قَطُّ785 – Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما) en ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):Hij zei: ‘Ik en Urwah ibn az-Zubayr gingen de moskee binnen en zagen `Abdullah ibn `Umar zitten naast de kamer van ‘Ā’ishah.

In de moskee waren mensen bezig met de ṣalāh van de vroege ochtend (ṣalāh ad-Duha). Wij vroegen hem over hun ṣalāh, en hij zei: “Het is een innovatieve (bid`ah) ṣalāh.” Daarna vroegen we hem: “Hoeveel `umrah heeft Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) verricht?”Hij antwoordde: “Vier, waarvan één in de maand Rajab.”Wij wilden hem niet tegenspreken, maar we hoorden het geluid van het tandenstoktje/siwâq van ʿĀʾishah, de moeder der gelovigen, in haar kamer.Daarop zei ʿUrwah: “O moeder! O moeder der gelovigen! Hoor je wat Abū ʿAbd ar-Raḥmān zegt?”Zij vroeg: “Wat zegt hij dan?”Hij zei: “Hij zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vier ʿumrah’s heeft verricht, waarvan één in Rajab.”Zij zei: “Moge Allāh Abū ʿAbd ar-Raḥmān genadig zijn. Hij heeft nooit een ʿumrah verricht, terwijl hij bij alle (`umrah’s) aanwezig was. Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft nooit een ʿumrah in Rajab verricht.”

De voortreffelijkheid van `umrah in de maand Ramadān

فضل العمرة في رمضان

٧٨٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، لاِمْرَأَةٍ مِنَ الأَنْصَارِ: مَا مَنَعَكِ أَنْ تَحُجِّينَ مَعَنَا قَالَتْ: كَانَ لَنَا نَاضِحٌ فَرَكِبَهُ أَبُو فُلاَنٍ وَابْنُهُ (لِزَوْجِهَا وَابْنِهَا) وَتَرَكَ نَاضِحًا نَنْضَحُ عَلَيْهِ، قَالَ: فَإِذَا كَانَ رَمَضَانُ اعْتَمِرِي فِيهِ، فَإِنَّ عُمْرَةً فِي رَمَضَانَ حَجَّةٌ أَوْ نَحْوًا مِمَّا قَالَ

786 - Van Ibn `Abbās رضي الله عنهما:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen een vrouw van de Ansār: “Wat heeft je ervan weerhouden om met ons Ḥaj te verrichten?”Ze antwoordde: “We hadden een kameel (waarmee wij water uit de put halen), en Abû Fulān en diens zoon (haar echtgenoot en haar zoon) reden erop (en vertrokken voor de Ḥaj), (en hij liet ons zonder een lastdier).”Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de maand Ramadān aanbreekt, verricht dan de `umrah in deze maand, want een `umrah in de maand Ramadān is (wat betreft de zegeningen) gelijk aan een Ḥaj, of iets dat vergelijkbaar met wat ik zeg.”

[In een andere overlevering wordt gezegd: “Het is gelijk aan een Ḥaj.” De gelijkstelling van de beloning van een ʿumrah in Ramaḍān met die van de Ḥaj benadrukt de bijzondere waarde en de zegen van deze daad in deze heilige maand. Dit betekent echter niet dat iemand die de verplichting van de Ḥaj nog niet heeft vervuld, deze kan vervangen door een ʿumrah in Ramaḍān. Over dit punt bestaat consensus (ijmāʿ).Een soortgelijke aansporing vinden we in de ḥadīth waarin het reciteren van de sûrah Ikhlāṣ wordt gelijkgesteld aan het lezen van een derde van de Qur’ān. Het blijft onzeker of dit oordeel specifiek gold voor de betreffende metgezel of dat het algemeen voor de gehele ummah geldt.Imām al-ʿAynī verklaart, na het bespreken van de verschillende meningen, dat het oordeel algemeen is en dus voor iedereen geldt.](AFK)

De aanbeveling om Makkah binnen te gaan via de hogere pas, het te verlaten via de lagere pas, en om zijn eigen land binnen te gaan via een andere weg dan waarlangs hij is vertrokken

استحباب دخول مكة من الثنية العليا، والخروج منها من الثنية السفلى ودخول بلده من طريق غير التي خرج منها

٧٨٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، كَانَ يَخْرُجُ مِنْ طَرِيقِ الشَّجَرَةِ وَيَدْخُلُ مِنْ طَرِيقِ الْمُعَرَّسِ

787 – Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertrok (uit Makkah) via de weg van ash-Shajarah en ging (Makkah) binnen via de weg van al-Muʿarras

٧٨٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَدْخُلُ مِنَ الثَّنِيَّةِ الْعُلْيَا وَيَخْرُجُ مِنَ الثَّنِيَّةِ السُّفْلَى788 - Van Ibn `Umar ((رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging Makkah binnen via de hogere bergpas (ath-Thanīyah al-ʿUlyā) en verliet het via de lagere bergpas (ath-Thanīyah as-Suflā).

٧٨٩ - حديث عَائَشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، لَمَّا جَاءَ مَكَّةَ دَخَلَ مِنْ أَعْلاَهَا وَخَرَجَ مِنْ أَسْفَلِهَا789 - Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnentrok, deed hij dat via de bovenkant van de stad en hij verliet het via de onderkant.

٧٩٠ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، دَخَلَ عَامَ الْفَتْحِ مِنْ كَدَاءٍ وَخَرَجَ مِنْ كُدًا مِنْ أَعْلَى مَكَّةَ790 - Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) trok Makkah binnen tijdens het jaar van de verovering via de bergpas van Kadāʾ en hij vertrok via Kudā, vanuit het hogere gedeelte van Makkah.

Het is aanbevolen om in Dhū Ṭuwā te verblijven wanneer men van plan is Makkah binnen te gaan, en om ghusl te verrichten voor het betreden van Makkah, en om Makkah overdag binnen te gaan

استحباب المبيت بذي طوى عند إِرادة دخول مكة والاغتسال لدخولها، ودخولها نهارا

٧٩١ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: بَاتَ النَّبِيُّ ﷺ، بِذِي طُوًى حَتَّى أَصْبَحَ ثُمَّ دَخَلَ مَكَّةَ، وَكَانَ ابْنُ عُمَرَ، يَفْعَلُهُ

791 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef de nacht in Dhū Ṭuwā en betrad Makkah de volgende ochtend.. (De bevrijde slaaf van Ibn `Umar, Nāf`i zei) Ibn ʿUmar placht dit ook te doen.

٧٩٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، كَانَ يَنْزِلِ بِذِي طُوًى، وَيَبِيتُ حَتَّى يُصْبِحَ، يُصَلِّي الصُّبْحَ حِينَ يَقْدَمُ مَكَّةَ، وَمُصلَّى رَسُولِ اللهِ ﷺ ذلِكَ عَلَى أَكَمَةٍ غَلِيظَةٍ لَيْسَ فِي الْمَسْجِدِ الَّذِي بُنِيَ ثَمَّ، وَلكِنْ أَسْفَلَ مِنْ ذَلِكَ عَلَى أَكَمَةٍ غَلِيظَةٍ792 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef in Dhū Ṭuwā, een vallei, en bleef daar tot het ochtend werd. Toen hij Makkah binnentrad, verrichtte hij de ṣalāh aṣ-Ṣubḥ. De plaats waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh verrichtte, bevond zich op een steile, rotsachtige heuvel, niet in de moskee die daar later werd gebouwd, maar lager op de heuvel.”

٧٩٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ اسْتَقْبَلَ فُرْضَتَي الْجَبَلِ الَّذِي بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْجَبَلِ الطَّوِيلِ نَحْوَ الْكَعْبَةِ فَجَعَلَ الْمَسْجِدَ، الَّذِي بُنِيَ ثَمَّ يَسَارَ الْمَسْجِدِ بِطَرَفِ الأكَمَةِ، وَمُصلَّى النَّبِيِّ ﷺ أَسْفَلَ مِنْهُ عَلَى الأَكَمَةِ السَّوْدَاءِ، تَدَعُ مِنَ الأَكَمَةِ عَشَرَةَ أَذْرُعٍ أَوْ نَحْوَهَا، ثُمَّ تُصَلِّي مُسْتَقْبِلَ الْفُرْضَتَيْنِ مِنَ الْجَبَلِ الَّذِي بَيْنَكَ وَبَيْنَ الْكَعْبَةِ793 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما): In Dhū Ṭuwā wendde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich richting de Kaʿbah, naar de ingang van het dal dat tussen hem en de lange berg lag.

Hij liet de moskee, die daar later werd gebouwd, aan zijn linkerzijde op de rand van de rotsachtige heuvel, terwijl de plaats waar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh verrichtte lager lag, op een zwarte, rotsachtige heuvel.Laat ongeveer tien el (ongeveer 10 meter) van de heuvel vrij, en verricht daar de ṣalāh met het gezicht gericht naar de twee bergpassen van de berg die tussen jou en de Kaʿbah ligt.

[Tegenwoordig bestaan er van deze moskeeën alleen nog de moskee bij Dhu’l-Hulayfah, de mīqāt voor de inwoners van Madīnah, en enkele moskeeën in ar-Rawḥāʾ en omstreken die bij de lokale bevolking bekend zijn.] (HY)

De aanbeveling om tijdens de ṭawāf bij de ʿumrah snel en krachtig te lopen (rammal), en eveneens tijdens de eerste ṭawāf van de Ḥajاستحباب الرمل في الطواف والعمرة، وفي الطواف الأول في الحج

٧٩٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، كَانَ إِذَا طَافَ بِالْبَيْتِ الطَّوَافَ الأَوَّلَ يَخُبُّ ثَلاَثَةَ أَطْوَافٍ، وَيَمْشِي أَرْبَعَةً، وَأَنَّهُ كَانَ يَسْعَى بَطْنَ الْمَسِيلِ إِذَا طَافَ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ

794 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما): Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Makkah bereikte voor de Ḥaj of ʿumrah, verrichtte hij als eerste de ṭawāf rondom het Huis (de Kaʿbah), waarbij hij drie rondgangen in een versneld tempo en vier rondgangen in een gewone looppas uitvoerde. Tijdens het lopen tussen Ṣafā en Marwah rende hij in het dalgedeelte (Bāṭn al-Masīl).

٧٩٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَدِمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَصْحَابُهُ، فَقَالَ الْمُشْرِكُونَ إِنَّهُ يَقْدَمُ عَلَيْكُمْ وَقَدْ وَهَنَهُمْ حُمَّى يَثْرِبَ، فَأَمَرَهُمُ النَّبِيُّ ﷺ، أَنْ يَرْمُلُوا الأَشْوَاطَ الثَّلاَثَةَ، وَأَنْ يَمْشُوا مَا بَيْنَ الرُّكْنَيْنِ، وَلَمْ يَمْنَعْهُ أَنْ يَأْمُرَهُمْ أَنْ يَرْمُلُوا الأَشْوَاطَ كُلَّهَا إِلاَّ الإِبْقَاءُ عَلَيْهِمْ

795 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):(Een jaar na de Hudaybiyyah-overeenkomst: een vredesverdrag dat in het jaar 6 n.H) werd gesloten tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de Quraysh) vertrok Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) samen met zijn metgezellen (naar Makkah voor de `umrah). De polytheïsten zeiden: “Hij komt naar jullie toe, en zij (zijn metgezellen) zijn verzwakt door de koorts van Yathrib.” (Om hun vermoeidheid niet te laten zien) gaf Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) hun het bevel om de eerste drie rondes (shawt) van de ṭawāf snel en energiek te lopen (rammal), terwijl zij tussen de twee hoeken (Ḥajaru’l-Aswad en Ruknu’l Yamanī) gewone looppas gingen. Als hij niet had gevreesd dat dit een blijvende regel zou worden, zou hij hun hebben opgedragen om bij alle rondgangen de rammal uit te voeren.[Rammal is het lopen tijdens de ṭawāf met snelle, energieke passen in de eerste drie rondgangen, alsof men rent. Een shāwṭ is een ronde die begint bij de hoek waar de Ḥajar al-Aswad zich bevindt. Men loopt daarbij met de Kaʿbah aan de linkerzijde, met de klok mee rond de Kaʿbah, richting de deur, en eindigt weer bij de Ḥajar al-Aswad. Zeven shāwṭs vormen samen één ṭawāf. Ook elke ronde tijdens de Saʿī tussen Ṣafā en Marwah wordt een shāwṭ genoemd..] (HY)

٧٩٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: إِنَّمَا سَعَى رَسُولُ اللهِ ﷺ، بِالْبَيْتِ وَبَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ لِيُرِيَ الْمُشْرِكِينَ قُوَّتَهُ796 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de Sa`ī tussen Ṣafā en Marwah (in snelle passen tussen de twee plekken) om de polytheïsten zijn kracht te tonen.”

Het is aanbevolen om de twee Yamani-hoeken te raken bij beide ṭawāf, terwijl het niet nodig is om de andere twee hoeken salām (istilām) te geven/aan te raken

استحباب استلام الركنين اليمانيين في الطواف دون الركنين الآخرين

٧٩٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: مَا تَرَكْتُ اسْتِلاَمَ هذَيْنِ الرُّكْنَيْنِ فِي شِدَّةٍ وَلاَ رَخَاءٍ مُنْذ رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَسْتَلِمُهُمَا

797 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Sinds ik gezien heb dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deze twee hoeken (Ḥajaru’l-Aswad en Ruknu’l Yamanī) salām (istilām) gaf (aanraakte), ben ik er nooit mee gestopt om ze zelf salām te geven (aan te raken), zowel in drukke als in rustige tijden.

[De Kaʿbah heeft vier hoeken (arkān):

De hoek waarin zich al-Ḥajar al-Aswad (de Zwarte Steen) bevindt, heet Rukn al-Ḥajarī.

De zuidwestelijke hoek heet Rukn al-Yamānī.

De noordwestelijke hoek heet Rukn ash-Shāmī.

De noordoostelijke hoek heet Rukn al-ʿIrāqī.

De eerste twee hoeken worden samen “al-Yamāniyyān” (de twee Jemenitische hoeken) genoemd, en de laatste twee “ash-Shāmiyyān” (de twee Syrische hoeken).

Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gaf alleen de Rukn al-Ḥajarī (de hoek met de Zwarte Steen) en de Rukn al-Yamānī salām.

Dat juist deze twee hoeken werden begroet, had duidelijke redenen:

a. Rukn al-Ḥajarī (al-Ḥajar al-Aswad)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) raakte deze hoek aan om twee redenen: ten eerste omdat zich daar al-Ḥajar al-Aswad bevindt, en ten tweede omdat deze hoek rust op de oorspronkelijke fundamenten die door Ibrāhīm (عليه السلام) zijn gelegd. Daarom begroette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze hoek met zijn hand en kuste hij haar ook.

b. Rukn al-YamānīOok deze hoek heeft een bijzondere status, omdat zij eveneens op de fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام) rust. Om die reden begroette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze hoek door haar met de hand aan te raken, zonder haar te kussen.

Het aanraken of kussen van de andere twee hoeken — Rukn ash-Shāmī en Rukn al-ʿIrāqī — is niet aanbevolen, aangezien zij niet op de oorspronkelijke fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام) rusten.

Deze opvatting wordt gedeeld door ʿUmar (رضي الله عنه), ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en wordt eveneens gevolgd door de geleerden van de Ḥanafī-, Mālikī-, Shāfiʿīen Ḥanbalī-scholen.] (HA)

٧٩٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ أَبِي الشَّعْثَاءِ، أَنَّهُ قَالَ: وَمَنْ يَتَّقِي شَيْئًا مِنَ الْبَيْتِ وَكَانَ مُعَاوِيَةُ يَسْتَلِمُ الأرْكَانَ، فَقَالَ لَهُ ابْنُ عَبَّاسٍ، إِنَّهُ لاَ يُسْتَلَمُ هذَانِ الرُّكْنَانِ798 - Van Ibn ʿAbbās van Abū ash-Shaʿthāʾ(رضي الله عنهم): Wie gaat iets van het Huis (de Kaʿbah) ontziet (uit eerbied)?”Muʿāwiyah plachte (alle) hoeken (van de Kaʿbah) salām (istilām) te geven (aan te raken).Daarom zei Ibn `Abbās tegen hem: “Alleen deze twee hoeken (Ḥajaru’l-Aswad en Ruknu’l Yamanī) worden salām gegeven (aangeraakt), de andere twee hoeken niet.”

[De vier hoeken van de Kaʿbah worden elk aangeduid als een rukn, en iedere hoek draagt een eigen naam. Tijdens de ṭawāf begroette an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitsluitend twee hoeken: de oostelijke hoek waarin de Ḥajar al-Aswad is ingemetseld, en de daaropvolgende hoek, de Rukn al-Yamānī.

Hij gaf de salām aan de hoek waarin de Ḥajar al-Aswad zich bevindt, maar niet aan de overige hoeken.Abū ash-Shaʿsāʾ, die niet op de hoogte was van deze profetische praktijk, was van mening dat alle hoeken begroet dienden te worden. ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) herinnerde hem echter aan de handelwijze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Waarschijnlijk concludeerde Abū ash-Shaʿsāʾ aanvankelijk — uit eerbied voor de Kaʿbah en bij gebrek aan kennis van de sunnah — op basis van logica dat alle hoeken begroet moesten worden. Nadat hij echter kennisnam van de sunnah, liet hij deze mening varen en paste hij zijn praktijk daarop aan.] (Diyanet)

Het is aanbevolen (mustahab) om de Hajar al-Aswad te kussen tijdens de ṭawāfاستحباب تقبيل الحجر الأسود في الطواف

٧٩٩ - حديث عُمَرَ ﵁، أَنَّهُ جَاءَ إِلَى الْحَجَرِ الأَسْوَدِ فَقَبَّلَهُ، فَقَالَ: إِنِّي أَعْلَمُ أَنَّكَ حَجَرٌ لاَ تَضُرُّ وَلاَ تَنْفَعُ، وَلَوْلاَ أَنِّي رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يُقَبِّلَكَ مَا قَبَّلْتكَ

799 - Van `Umar (رضي الله عنهما): Hij kwam naar Ḥajaru’l-Aswad (de Zwarte Steen) en kuste deze. Hij zei: “Ik weet dat jij slechts een steen bent, die geen schade kan toebrengen en geen voordeel kan schenken. Als ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) jou niet had zien kussen, dan zou ik jou niet hebben gekust.”

[ʿUmar (رضي الله عنه) zei: “Jij bent slechts een steen die noch schade kan toebrengen noch voordeel kan schenken.”De reden hiervoor is dat de mensen zich nog dicht bij een tijd bevonden waarin afgoden werden aanbeden. Daarom vreesde ʿUmar (رضي الله عنه) dat onwetenden het begroeten (istilām) van de Ḥajar al-Aswad zouden kunnen beschouwen als een vorm van stenenverering, zoals de Arabieren dat in de tijd van de jāhiliyyah deden. Met deze uitspraak wilde hij duidelijk maken dat deze handeling uitsluitend wordt verricht uit navolging van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم), en dat de steen zelf geen enkel vermogen heeft om voordeel te brengen of schade toe te brengen.] HY

[Het salām geven aan de Ḥajar al-Aswad aan het begin van de ṭawāf is de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Dit kan gebeuren door de steen, indien mogelijk, aan te raken en te kussen. Wanneer dit niet mogelijk is, volstaat het om de steen van een afstand salām te geven. Tegenwoordig, vanwege de drukte, wordt een salām van een afstand vaak toegepast en zelfs aangemoedigd.ʿUmar (رضي الله عنه) zag hoe Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de Ḥajar al-Aswad kuste.

Hij volgde deze praktijk door de steen eveneens te kussen, terwijl hij tegelijkertijd de betekenis van deze handeling uitlegde, vooral voor degenen die afkomstig waren uit een achtergrond van afgoderij. Het kussen is niet bedoeld om de steen te heiligen of er voordeel van te verwachten, maar omdat men weet dat de Ḥajar al-Aswad sinds Ibrāhīm (عليه السلام) verbonden is met de Kaʿbah en de Ḥaj. Door deze handeling wordt eerbied en respect getoond aan de Ḥaj, aan Allāh — de eigenaar van de Kaʿbah die deze aanbidding gebood en aan de nagedachtenis van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). ] (Diyanet)

Het is toegestaan om de Ḥajaru’l-Aswad aan te raken tijdens de ṭawāf terwijl men op een rijdier rijdt, met een stok of iets dergelijks

جواز الطواف على بعير وغيره، واستلام الحجر بمحجن ونحوه للراكب

٨٠٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: طَافَ النَّبِيُّ ﷺ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ عَلَى بَعِيرٍ يَسْتَلِمُ الرُّكْنَ بِمِحْجَنٍ

800 - Van Ibn Abbaas رضي الله عنهما: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṭawāf tijdens de Afscheids-Ḥaj (Ḥaj al-Wadâ’) op een kameel, terwijl hij de hoek aanraakte met een staf (waarvan het bovenste gedeelte krom is).

[Tijdens de Afscheids-Ḥaj (Ḥaj al-Wadāʿ) verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṭawāf rond het Huis van Allah (Baytullāh) en de Saʿy tussen Ṣafā en Marwah terwijl hij op een rijdier zat. Dit deed hij zodat de mensen hem gemakkelijk konden zien en hun vragen en problemen aan hem konden voorleggen.Volgens de Shāfiʿī-madzhab is het toegestaan om ṭawāf rond de Kaʿbah op een rijdier te verrichten, zelfs zonder geldige reden, en in dat geval hoeft men geen offer te brengen. De Ḥanafī-geleerden stellen echter dat het wājib (verplicht) is om de ṭawāf lopend te verrichten, tenzij er een geldige reden is, zoals ziekte of zwakte. Wie zonder geldige reden op een rijdier de ṭawāf uitvoert, moet deze herhalen; wordt dit niet gedaan, dan is het slachten van een offerdier vereist.Het is toegestaan om de Ḥajar al-Aswad te begroeten (istilām) met een stok, staf of een ander hulpmiddel wanneer aanraken met de hand niet mogelijk is. Toch blijft het aanraken met de hand de voorkeurswijze, aangezien an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit meestal zo deed. De meerderheid van de geleerden deelt deze mening. Wanneer het niet mogelijk is om de Ḥajar al-Aswad aan te raken, noch met de hand, noch met een voorwerp, volstaat het om in de richting van de steen te wijzen en “Allāhu akbar” te zeggen.Na het verrichten van de ṭawāf verricht men twee rakʿahs ṣalāh, bekend als de ṣalāh at-ṭawāf. Volgens de Ḥanafī-geleerden is deze ṣalāh een zelfstandige vorm van aanbidding, wājib (verplicht), en niet slechts een sunnah.

Daarom is het voor elke ṭawāf, verplicht (farḍ) of vrijwillig (nāfilah) tawāf, voorgeschreven om twee rakʿahs ṣalāh te verrichten. Deze ṣalāh is niet bedoeld als eerbetoon aan de Kaʿbah zelf, maar uitsluitend ter verheerlijking van Allāh en als daad van aanbidding. Het is aanbevolen (mustaḥab) om in deze ṣalāh Sūrat al-Kāfirūn in de eerste rakʿah en Sūrat al-Ikhlāṣ in de tweede rakʿah te reciteren.] (HA)

{In een hadith is Sahīh Bukhārī staat:Van Ibn Jurayj, Atā’ Abī Rabāh heeft mij overgeleverd:Toen Ibn Hishām (die amīr van Haj was) de vrouwen verbood om samen met de mannen de ommegang (tawāf) te verrichten, vroeg ik Atā’:“Hoe kon hij dat doen? De vrouwen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hebben het toch ook samen met de mannen (de tawāf verrichten)?”En ik vroeg hem (Ibn Jurayj): "Was dat vóór of na de openbaring over de hijāb (het afscheiden van de vrouw)?" (surah al Ahzāb 33:53)“Bij mijn leven, het was erna,” antwoordde hij.“En in hoeverre kwamen de vrouwen daarbij in contact met de mannen?”vroeg ik.“Helemaal niet!” `Aishah verrichtte de tawāf apart van de mannen en kwam niet met hen in contact.

En toen een vrouw tegen haar zei: ‘Moeder der gelovigen, laten we de zwarte steen gaan aanraken (ist’lām),’ weigerde `Aaishah (رضي الله عنها) dat. ’s Nachts kwam `Aishah en haar vriendinnen naar buiten, onherkenbaar door hun kleding, en maakten samen met de mannen de tawāf, maar als zij de Ka`bah wilden binnengaan wachtten zij tot de mannen weer naar buiten waren gekomen.”`Ubayd ibn `Umayr en ik bezochten `Aaishah toen zij verbleef in het laagland bij de (berg) Thabīr (in Muzdarifah).Ik vroeg aan Atā’: “Hoe was ze toen van jullie afgescheiden?”Hij antwoordde: “Zij zat in een Turkse tent met een gordijn ervoor; verder was er niets tussen haar en ons, en ik zag dat zij een rood hemd droeg.”}

٨٠١ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، قَالَتْ: شَكَوْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنِّي أَشْتَكِي؛ قَالَ: طُوفِي مِنْ وَرَاءِ النَّاسِ وَأَنْتِ رَاكِبَةٌ فَطُفْتُ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ، يُصَلِّي إِلَى جَنْبِ الْبَيْتِ، يَقْرَأُ بِالطُّورِ وَكِتَابٍ مَسْطُورٍ801 - Umm Salamah (رضي الله عنها):Ik klaagde bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over pijn.”Hij zei: “Verricht de ṭawāf achter de mensen terwijl je (op een kameel) rijdt.”En ik verrichtte de ṭawāf terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naast het Huis de ṣalāh verrichtteen daarbij reciteerde uit (sūrah aṭ-Ṭūr): وَٱلطُّورِ ١

وَكِتَٰبٖ مَّسۡطُورٖ ٢

(Bij de berg (Sinai) En bij het geschreven Boek…) (52:1–2).

De verplichting (rukun) van Sa`ī tussen Ṣafā en Marwah, zonder deze is de Ḥaj niet geldig

بيان أن السعى بين الصفا والمروة ركن لا يصح الحج إِلا به

٨٠٢ - حديث عَائِشَةَ عَنْ عُرْوَةَ، أَنَّهُ قَالَ: قُلْتُ لِعَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، وَأَنَا يَوْمَئِذٍ حَدِيثُ السِّنِّ: أَرَأَيْتِ قَوْلَ اللهِ ﵎ (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ فَمَنْ حَجَّ الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا) فَلاَ أُرَى عَلَى أَحَدٍ شَيْئًا أَنْ لاَ يَطَّوَّفَ بِهِمَا فَقَالَتْ عَائِشَةُ: كَلاَّ، لَوْ كَانَتْ كَمَا تَقُولُ كَانَتْ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ لاَ يَطَّوَّفَ بِهِمَا إِنَّمَا أُنْزِلَتْ هذِهِ الآيَة فِي الأَنْصَارِ كَانُوا يُهِلُّونَ لِمَنَاةَ، وَكَانَتْ مَنَاةُ حَذْوَ قُدَيْدٍ، وَكَانُوا يَتَحَرَّجُونَ أَنْ يَطُوفُوا بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، فَلَمَّا جَاءَ الإِسْلاَمُ سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنْ ذلِكَ، فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ فَمَنْ حَجَّ الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا)

802 - Van ʿĀʾishah via ʿUrwah رضي الله عنهما: Toen ik nog een puber was zei ik tegen ʿĀʾishah, de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Wat zeg jij over het woord van Allāhu (تَعَالَى):۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen. Wie dan de Ḥaj of `umra verricht naar het Huis (de Ka`bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Ṣafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa`ī). En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allāh is de Herkenner van alles, de Alwetende. (sûrah al-Baqarah 2:158)

Ik zie dus geen bezwaar als iemand deze ommegang (Sa`ī) niet verricht.’”Daarop zei ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Nee! Als het werkelijk zo was, zou de āyah zeggen: ‘treft geen blaam als hij het niet doet.’ Deze āyah is neergezonden over de Anṣār.Zij plachten de talbiyah uit te spreken voor Manāt, die zich tegenover Qudayd vallei bevond.Zij vonden het bezwaarlijk om tussen Ṣafā en Marwah te lopen.

(Omdat het hen herinnerde aan hun vroegere gewoonten.)Toen de Islām kwam, vroegen zij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover, en Allāhu (تَعَالَى), openbaarde deze āyah: ۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen. Wie dan de Ḥaj of `umra verricht naar het Huis (de Ka`bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Ṣafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa`ī). En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allāh is de Herkenner van alles, de Alwetende. (sûrah al-Baqarah 2:158)

٨٠٣ - حديث عَائِشَةَ عَنْ عُرْوَةَ، قَالَ: سَأَلْتُ عَائِشَةَ، فَقُلْتُ لَهَا: أَرَأَيْتِ قَوْلَ اللهِ تَعَالَى (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ فَمَنْ حَجَّ الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا) فَوَاللهِ مَا عَلَى أَحَدٍ جُنَاحٌ أَنْ لاَ يَطُوفَ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ قَالَتْ: بِئْسَ مَا قُلْتَ يَا ابْنَ أُخْتِى، إِنَّ هذِهِ الآيَةَ لَوْ كَانَتْ كَمَا أَوَّلْتَهَا عَلَيْهِ كَانَتْ لاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ لاَ يَتَطَوَّفَ بِهِمَا وَلكِنَّهَا أُنْزِلَتْ فِي الأَنْصَارِ؛ كَانُوا قَبْلَ أَنْ يُسْلِمُوا يُهِلُّونَ لِمَنَاةَ الطَّاغِيَةِ الَّتِي كَانُوا يَعْبُدُونَهَا عِنْدَ الْمُشَلَّلِ، فَكَانَ مَنْ أَهَلَّ يَتَحَرَّجُ أَنْ يَطَّوَّفَ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، فَلَمَّا أَسْلَمُوا سَأَلُوا رَسُولَ اللهِ ﷺ، عَنْ ذلِكَ، قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا كُنَّا نَتَحَرَّجُ أَنْ نَطُوفَ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ) الآيَةَقَالَتْ عَائِشَةُ، وَقَدْ سَنَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ الطَّوَافَ بَيْنَهُمَا، فَلَيْسَ َلأحَدٍ أَنْ يَتْرُكَ الطَّوَافَ بَيْنَهُمَا

(قَالَ الزُّهْرِيُّ، رَاوِي الْحَدِيثِ) ثُمَّ أَخْبَرْتُ أَبَا بَكْرِ ابْنَ عَبْدِ الرَّحْمنِ، فَقَالَ: إِنَّ هذَا لَعِلْمٌ مَا كُنْتُ سَمِعْتُهُ، وَلَقَدْ سَمِعْتُ رِجَالًا مَنْ أَهْلِ الْعِلْمِ يَذْكُرُونَ أَنَّ النَّاسَ، إِلاَّ مَنْ ذَكَرَتْ عَائِشَةُ، مَمَّنْ كَانَ يُهِلُّ بِمَنَاةَ، كَانُوا يَطُوفُونَ كُلُّهُمْ، بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، فَلَمَّا ذَكَرَ اللهُ تَعَالَى الطَّوَافَ بِالْبَيْتِ، وَلَمْ يَذْكُر الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ فِي الْقُرْآنِ، قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ كُنَّا نَطُوفُ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، وَإِنَّ اللهَ أَنْزَلَ الطَّوَافَ بِالْبَيتِ فَلَمْ يَذْكُرِ الصَّفَا، فَهَلْ عَلَيْنَا مِنْ حَرَجٍ أَنْ نَطَّوَّفَ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ) الآيَةَالَ أَبُو بَكْرٍ: فَأَسْمَعُ هذِهِ الآيَةَ نَزَلَتْ فِي الْفَرِيقَيْنِ كِلَيْهِمَا: فِي الَّذِينَ كَانُوا يَتَحَرَّجُونَ أَنْ يَطُوفُوا بِالْجَاهِلَيَّةِ بِالصَّفَا وَالْمَرْوَةِ، وَالَّذِينَ يَطُوفُونَ ثُمَّ تَحَرَّجُوا أَنْ يَطُوفُوا بِهِمَا فِي الإِسْلاَمِ، مِنْ أَجْلِ أَنَّ اللهَ تَعَالَى أَمَرَ بِالطَّوَافِ بِالْبَيْتِ، وَلَمْ يَذْكُرِ الصَّفَا حَتَّى ذَكَرَ ذلِكَ بَعْدَمَا ذَكَرَ الطَّوَافَ بِالْبَيْتِ803 - Van ʿĀʾishah via ʿUrwah رضي الله عنهما: Ik vroeg (mijn tante) ʿĀʾishah , de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wat zeg jij over het woord van Allāhu (تَعَالَى):۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ

حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen. Wie dan de Ḥaj of `umra verricht naar het Huis (de Ka`bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Ṣafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa`ī). En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allāh is de Herkenner van alles, de Alwetende. (sûrah al-Baqarah 2:158)

Ze zei: “Bij Allāh, er rust geen blaam op iemand als die niet tussen Ṣafā en Marwah loopt!”Wat een slechte uitspraak is dat, o zoon van mijn zuster! Als deze āyah werkelijk zo bedoeld was, dan zou er staan: “Voorwaar, er is geen blaam op hem als hij niet tussen hen loopt.”Maar deze āyah werd geopenbaard over de Ansār. Zij plachten, vóórdat zij de Islām aannamen, de talbiyah uit te spreken voor Manāt, de valse godin die zij aanbaden bij al-Mushallal.Degenen die voor haar de talbiyah uitspraken, vonden het bezwaarlijk om tussen Ṣafā en Marwah te lopen (omdat dit inging tegen hun afgodsbeeld). Toen de Islām kwam, vroegen zij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) hierover, en Allāhu (تَعَالَى), openbaarde deze āyah: ۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen. Wie dan de Ḥaj of `umra verricht naar het Huis (de Ka`bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Ṣafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa`ī).

En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allāh is de Herkenner van alles, de Alwetende. (Surah al-Baqarah 2:158)

ʿĀʾishah zei: ‘En Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft het lopen tussen Ṣafā en Marwah (met zijn sunnah) tot een vaste praktijk (verplicht: farḍ) gemaakt. Het is daarom voor niemand toegestaan om dit achterwege te laten.’

Az-Zuhrī, de overleveraar van deze ḥadīth, zei: “Daarna vertelde ik dit aan Abū Bakr ibn ʿAbd ar-Raḥmān, en hij antwoordde: “Waarlijk, dit is kennis die ik niet eerder had gehoord.Ik heb echter van andere mensen van kennis gehoord, die zeiden: “De mensen, met uitzondering van degenen die ʿĀʾishah noemde, namelijk degenen (die vóór de Islām) de talbiyah uitspraken voor Manāt, plachten allen tussen Ṣafā en Marwah te lopen”.Toen Allāh (تَعَالَى) de ṭawāf rond het Huis (de Kaʿbah) noemde in de Qurʾān, maar Ṣafā en Marwah niet niet expliciet vermeldde, vroegen (sommigen): “O Rasûlullāh wij plachten vroeger tussen Ṣafā en Marwah te lopen, maar nu heeft Allāh de ṭawāf rond het Huis geopenbaard zonder Ṣafā en Marwah te noemen.

Is het dan toegestaan als wij toch tussen Ṣafā en Marwah blijven lopen?’Toen openbaarde Allāh: (تَعَالَى): ۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen...” (al-Baqarah 2:158)

Abū Bakr (Ibn Abdurrahman) zei daarop: “Hieruit begrijp ik dat deze āyah voor beide groepen is neergezonden: zowel voor degenen die in de jāhiliyyah het lopen tussen Ṣafā en Marwah vermeden, als voor degenen die dit na de openbaring van de ṭawāf rond het Huis nog nalieten Aanvankelijk noemde Allāh alleen de ṭawāf rond het Huis, en pas later werden Ṣafā en Marwah expliciet vermeld.”

٨٠٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ عَنْ عَاصِمٍ، قَالَ: قُلْتُ َلانَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَكُنْتُمْ تَكْرَهُونَ السَّعْيَ بَيْنَ الصَّفَا وَالْمَرْوَةِ قَالَ: نَعَمْ َلأَنَّهَا كَانَتْ مِنْ شَعَائِرِ الْجَاهِلَيَّةِ، حَتَّى أَنْزَلَ اللهُ (إِنَّ الصَّفَا وَالْمَرْوَةَ مِنْ شَعَائِرِ اللهِ فَمَنْ حَجَّ الْبَيْتَ أَوِ اعْتَمَرَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْهِ أَنْ يَطَّوَّفَ بِهِمَا)804 – Van Anas Ibn Mâlik via ‘Asim رضي الله عنهما:Ik zei tegen Anas Ibn Mālik: “Hadden jullie een afkeer van de Sa`ī tussen Ṣafā en Marwah?” Hij antwoordde: “Ja, totdat Allāh de volgende [āyah] openbaarde:۞ إِنَّ ٱلصَّفَا وَٱلۡمَرۡوَةَ مِن شَعَآئِرِ ٱللَّهِۖ فَمَنۡ حَجَّ ٱلۡبَيۡتَ أَوِ ٱعۡتَمَرَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡهِ أَن يَطَّوَّفَ بِهِمَاۚ وَمَن تَطَوَّعَ خَيۡرٗا فَإِنَّ ٱللَّهَ شَاكِرٌ عَلِيمٌ ١٥٨

Waarlijk! Ṣafā en Marwah behoren tot de aan Allāh gewijde Tekenen. Wie dan de Ḥaj of `umra verricht naar het Huis (de Ka`bah); het is geen zonde als hij tussen beide (Ṣafā en Marwah) loopt (tijdens de Sa`ī). En ieder die vrijwillig goed doet, dan waarlijk, Allāh is de Herkenner van alles, de Alwetende.

(Surah al-Baqarah 2:158)

[Nadat de Islām was gekomen, werden alle afgoden vernietigd, waaronder Isāf, Nā’ilah en Manāt. De Anṣār meenden daarom dat ook alle herinneringen aan deze afgoden moesten verdwijnen. Zij dachten dat het lopen tussen Ṣafā en Marwah (de Saʿī) een gewoonte uit de tijd van de afgoderij was en dat deze handeling dus niet langer toegestaan zou zijn in de Islām.

Toen zij hierover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om opheldering vroegen, openbaarde Allah de volgende āyah uit surah al-Baqarah (2:158): (zie hierboven) Deze handeling (Saʿī) herinnert aan Hājar (عليها السلام), de moeder van Ismā‘īl (عليه السلام). Toen zij in de woestijn van Makkah verbleef, zocht zij wanhopig naar water voor haar kind. Ze liet Ismā‘īl achter bij de plaats van de huidige Ḥaram en liep zeven keer heen en weer tussen de heuvels Ṣafā en Marwah, op zoek naar hulp. Toen Allāh haar gebed verhoorde, ontsprong de bron Zamzam op de plek waar haar zoon lag.Daarom werd het lopen tussen de twee heuvels ingesteld als onderdeel van de rituelen van de Ḥaj en ʿumrah, als herinnering aan haar vertrouwen in Allāh. De Saʿī symboliseert het vertrouwen op Allāh en is een teken van Zijn hulp en genade voor degenen die oprecht tot Hem wenden.Wat betreft de juridische status:

Volgens de Mālikīen Shāfiʿī-geleerden is de Saʿī farḍ (verplicht).

Volgens de Ḥanafī-geleerden is zij wājib (verplicht, maar van een iets lagere rang dan farḍ).(HA)

Het is aanbevolen om de talbiyah voort te zetten tot het moment waarop de Ḥaj begint met het werpen van de jamrah al-‘Aqabah op de dag van an-Naḥr.

استحباب إِدامة الحاج التلبية حتى يشرع في رمى جمرة العقبة يوم النحر

٨٠٥ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ وَالْفَضْلُ عَنْ كُرَيْبٍ مَوْلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنْ أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّهُ قَالَ: رَدِفْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ مِنْ عَرَفَاتٍ، فَلَمَّا بَلَغَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الشِّعْبَ الأَيْسَرَ الَّذِي دُونَ الْمُزْدَلِفَةِ أَنَاخَ، فَبَالَ، ثُمَّ جَاءَ فَصَبَبْتُ عَلَيْهِ الْوَضُوءَ، فَتَوَضَّأَ وُضُوءًا خَفِيفًا فَقُلْتُ الصَّلاَةُ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: الصَّلاَةُ أَمَامَكَ فَرَكِبَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، حَتَّى أَتَى الْمُزْدَلِفَةَ، فَصَلَّى، ثُمَّ رَدِفَ الْفَضْلُ رَسُولَ اللهِ ﷺ غَدَاةَ جَمْعٍ قَالَ كُرَيْبٌ: فَأَخْبَرَنِي عَبْدُ اللهِ بْنُ عَبَّاسٍ، عَنِ الْفَضْلِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمْ يَزَلْ يُلَبِّي حَتَّى بَلَغَ الْجَمْرَةَ

805 – Van Usāmah ibn Zayd en al-Faḍl via Kurayb, de mawlā van Ibn ʿAbbās: رضي الله عنهم)Ik reed achterop Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) vanuit `Arafah. Toen Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) het linker dal bereikte, net voor al-Muzdalifah, liet hij zijn rijdier knielen en verrichtte de kleine behoefte.

Daarna kwam hij terug en ik goot water over hem uit voor de wassing, waarna hij snel de wudū’ verrichtte. Ik zei: ‘O Rasûlullâh, het is tijd om de ṣalāh te verrichten!’ Hij antwoordde:” De ṣalāh gaan we verderop (in Muzdalifah) verrichten.”Daarna reed Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) verder totdat hij bij Muzdalifah bereikte. Daar verrichtte hij jam`(samenvoegen van ṣalāh al-maghrib en ṣalāh-al-`ishā’). Op de ochtend van het Offerfeest reed Fadl achterop Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم).Kurayb zei: `AbdullahIbn ‘`Abbās vertelde mij, via Fadl, dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de talbiyah bleef opzeggen totdat hij de jamrah (al Aqabah) bereikte.’”

De talbiyah en de takbīr tijdens de reis van Minā naar `Arafah op de dag van `Arafah

التلبية والتكبير في الذهاب من منى إِلى عرفات في يوم عرفة

٨٠٦ - حديث أَنَسٍ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ أَبِي بَكْرٍ الثَّقَفِيِّ، قَالَ: سَأَلْتُ أَنَسًا، وَنَحْنُ غَادِيَانِ مِنْ مِنًى إِلَى عرَفَاتٍ، عَنِ التَّلْبِيَةِ، كَيْفَ كُنْتُمْ تَصْنَعُونَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: كَانَ يُلَبِّى الْمُلَبِّى، لاَ يُنْكَرُ عَلَيْهِ؛ وَيُكَبِّرُ الْمُكَبِّرُ، فَلاَ يُنْكَرُ عَلَيْهِ

806 – Van Muḥammad Ibn Abi Bakr ath-Thaqafi (رضي الله عنه):Terwijl wij van Minā naar `Arafah vertrokken, vroeg ik aan Anas over de talbiyah: “Hoe deden jullie dit met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).” Hij antwoordde: ‘Degene die de talbiyah opzegde, werd daar niet op aangesproken en degene die de takbîr opzegde, werd daar ook niet op aangesproken.’

[Talbiyah: “لَبَّيْكَ اللَّهُمَّ لَبَّيْكَ، لَبَّيْكَ لَا شَرِيكَ لَكَ لَبَّيْكَ، إِنَّ الْحَمْدَ وَالنِّعْمَةَ لَكَ وَالْمُلْكَ لَا شَرِيكَ لَكَ” - Takbîr: “اللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ، لَا إِلٰهَ إِلَّا اللَّهُ وَاللَّهُ أَكْبَرُ، اللَّهُ أَكْبَرُ وَإِلٰهِ الْحَمْدُ”: “Allāh is de grootste, Allāh is de grootste, er is geen godheid dan Allāh, en Allāh is de grootste, Allāh is de grootste en aan Hem behoort alle lof.”)Takbîr wordt vaak opgezegd tijdens het Offerfeest, en talbiyah wordt vooral uitgesproken tijdens de Ḥaj.] (AFK)

Vertrek van `Arafah naar Muzdalifah en het samenvoegen van ṣalāh al-maghrib en ṣalāh al- `ishā' in die nacht in Muzdalifah

الإفاضة من عرفات إِلى المزدلفة، واستحباب صلاتي المغرب والعشاء جمعا بالمزدلفة في هذه الليلة

٨٠٧ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ قَالَ: دَفَعَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ عَرَفَةَ، حَتَّى إِذَا كَانَ بِالشِّعْبِ نَزَلَ فَبَالَ، ثُمَّ تَوَضَّأَ وَلَمْ يُسْبِغِ الْوُضُوءَ، فَقُلْتُ الصَّلاَةَ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ: الصَّلاَةُ أَمَامَكَ فَرَكِبَ، فَلَمَّا جَاءَ الْمُزْدَلِفَةَ، نَزَلَ فَتَوَضَّأَ فَأَسْبَغَ الْوُضوءَ، ثُمَّ أُقِيمَتِ الصَّلاَة، فَصَلَّى الْمَغْرِبَ، ثُمَّ أَنَاخَ كُلُّ إِنْسَانٍ بَعِيرَهُ فِي مَنْزِلِهِ، ثُمَّ أُقِيمَتِ الْعِشَاءُ فَصَلَّى وَلَمْ يُصَلِّ بَيْنَهُمَا

807 - Van Usāmah Ibn Zayd (رضي الله عنهما):(Na de `Arafah-waqfah) vertrok Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) (in de richting van) Muzdalifah. Toen hij bij de vallei (Sha‘b) aankwam, stopte hij, verrichtte zijn kleine behoefte en verrichtte een lichte wudū’. Ik zei: ‘Gaat u ṣalāh verrichten, o Rasûlullâh!’ Hij antwoordde: De ṣalāh zullen we verderop (in Muzdalifah) verrichten.’Daarna reed hij verder en toen hij in Muzdalifah aankwam, stopte hij, verrichtte een vervolmaakte wudū’. Vervolgens werd de iqāmah (oproep tot de verplichte ṣalāh) opgeroepen, en hij verrichtte de ṣalāh al-maghrib. Daarna liet iedereen zijn rijdier knielen bij hun verblijfplaats. Toen werd opnieuw de iqāmah uitgesproken en verrichtte hij ṣalāh al-‘Ishā’. Er werd geen andere ṣalāh tussen deze twee verricht. Er werd geen andere ṣalāh tussen deze verricht.

٨٠٨ - حديث أُسَامَةَ عَنْ عُرْوَةَ، قَالَ: سُئِلَ أُسَامَةُ وَأَنَا جَالِسٌ، كَيْفَ كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَسِيرُ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ حِينَ دَفَعَ قَالَ: كَانَ يَسِيرُ الْعَنَقَ، فَإِذَا وَجَدَ فَجْوَةً نَصَّ

808 - Van Usāmah via ‘Urwah (رضي الله عنهما):Aan Usāmah werd gevraagd terwijl ik (Urwah) samen met hem zat: “Hoe bewoog Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zich tijdens de Afscheids-Ḥaj voort, toen hij (van `Arafah naar Muzdalifah) vertrok?”Hij antwoordde: “Hij liep in een gematigd tempo, maar zodra hij een open ruimte bereikte, versnelde hij (zijn pas).”

٨٠٩ - حديث أَبِي أَيُّوبَ الأَنْصَارِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ جَمَعَ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ الْمَغْرِبَ وَالْعِشَاءَ بِالْمُزْدَلِفَةِ809 - Van Abū Ayyūb al-Ansārī (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) heeft de ṣalāh al-maghrib en ṣalāh-al-`ishā’ samengevoegd (jam`) in Muzdalifah tijdens de Afscheids-Ḥaj .

٨١٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَجْمَعُ بَيْنَ الْمَغْرِبِ وَالْعِشَاءِ إِذَا جَدَّ بِهِ السَّيْرُ

810 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) haast had tijdens de reis, voegde hij ṣalāh al-maghrib en ṣalāh-al-`ishā’ samen.

De aanbeveling om de ṣalāh al-fajr op de Dag van an-Nahr (eerste dag van `Iedu’l ʿAḍḥā) in Muzdalifah zo vroeg mogelijk te verrichtenاستحباب زيادة التغليس بصلاة الصبح يوم النحر بالمزدلفة والمبالغة فيه بعد تحقق طلوع الفجر

٨١١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: مَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ، صَلَّى صَلاَةً بِغِيْرِ مِيقَاتِهَا، إِلاَّ صَلاَتَيْنِ: جَمَعَ بَيْنَ الْمَغْرِبِ وَالْعِشَاءِ، وَصَلَّى الْفَجْرَ قَبْلَ مِيقَاتِهَا

811 - Van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd (رضي الله عنه):Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit een ṣalāh buiten zijn vastgestelde tijd zien verrichten, behalve bij twee gevallen: hij combineerde ṣalāh al-maghrib en ṣalāh-al-`ishā’ (in Muzdalifah) en hij verrichtte de ṣalāh al-fajr vóór zijn gebruikelijke tijd.”

Het wordt aangeraden dat zwakkeren, vrouwen en anderen in de laatste uren van de nacht vóór de drukte uit Muzdalifah vertrekken richting Minā. Anderen wordt aangeraden te blijven totdat ze de ṣalāh al-Fajr in Muzdalifah hebben verricht.ستحباب تقديم دفع الضعفة من النساء وغيرهن من مزدلفة إِلى منى في أواخر الليل قبل زحمة الناس، واستحباب المكث لغيرهم حتى يصلوا الصبح بمزدلفة

٨١٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: نَزَلْنَا الْمُزْدَلِفَةَ، فَاسْتَأْذَنَتِ النَّبِيَّ ﷺ سَوْدَةُ أَنْ تَدْفَعَ قَبْلَ حَطْمَةِ النَّاسِ، وَكَانَتْ امْرَأَةً بَطِيئَةً، فَأَذِنَ لَهَا؛ فَدَفَعَتْ قَبْلَ حَطْمَةِ النَّاسِ، وَأَقَمْنَا حَتَّى أَصْبَحْنَا نَحْنُ، ثُمَّ دَفَعْنَا بِدَفْعِهِ؛ فَلأَنْ أَكُونَ اسْتَأْذَنْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَمَا اسْتَأْذَنَتْ سَوْدَةُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِنْ مَفْرُوحٍ بِهِ

812 - Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):(Tijdens de Afscheids-Ḥaj ) overnachtten we in Muzdalifah.

Sawdah vroeg Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) toestemming om vóór de menigte (uit Muzdalifah) te vertrekken, vanwege gezondheids-klachten. Hij gaf haar toestemming en zij vertrok (naar Minā).voordat de drukte op gang kwam Wij bleven tot de ochtend (in Muzdaifah) en vertrokken toen met de groep (samen met Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Had ik maar, net zoals Sawdah, vooraf om toestemming gevraagd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم); dat had mijn voorkeur gehad.”

٨١٣ - حديث أَسْمَاءَ عَنْ عَبْدِ اللهِ مَوْلَى أَسْمَاءَ، عَنْ أَسْمَاءَ، أَنَّهَا نَزَلَتْ لَيْلَةَ جَمَعٍ عِنْدَ الْمُزْدَلِفَةِ، فَقَامَتْ تُصَلِّي، فَصَلَّتْ سَاعَةً ثُمَّ قَالَتْ: يَا بُنَيَّ هَلْ غَابَ الْقَمَرُ قُلْتُ: لاَ؛ فَصَلَّتْ سَاعَةً ثُمَّ قَالَتْ: هَلْ غَابَ الْقَمَرُ قُلْتُ: نَعَمْ قَالَتْ: فَارْتَحِلُوا؛ فَارْتَحَلْنَا، وَمَضَيْنَا حَتَّى رَمَتِ الْجَمْرَةَ، ثُمَّ رَجَعَتْ فَصَلَّتِ الصُّبْحَ فِي مَنْزِلِهَا فَقُلْتُ لَهَا يَا هَنْتَاهْ مَا أُرَانَا إِلاَّ قَدْ غَلَّسْنَا قَالَتْ: يَا بُنَيَّ إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَذِنَ لِلظُّعُنِ813 - Van Asmā’ via mawlā Asmā’, ‘Abdullāh ibnu Kaysan (رضي الله عنهما):Asmā’ (dochter van Abû Bakr) verbleef de nacht in Muzdalifah en stond op om ṣalāh te verrichten.

Ze verrichtte een tijdje (nafilah)ṣalāh en vroeg toen: “Mijn zoon, is de maan al ondergegaan?”Ik zei: “Nee.”Ze verrichtte nog een tijdje (nafilah)ṣalāh en vroeg toen opnieuw: “Is de maan al ondergegaan?”Ik zei: “Ja.”Toen zei ze: “Laten we (naar Minā) vertrekken.” Zo vertrokken we en bleven doorgaan totdat we stenen wierpen op de jamrah al-‘Aqabah.Daarna keerde ze terug naar haar tent en verrichtte daar de ṣalāh al-Fajr.Ik zei tegen haar: “O moeder, volgens mij hebben we ṣalāh al-fajr te vroeg verricht.”Ze antwoordde: “O mijn zoon, Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) heeft vrouwen toegestaan om vroeg te vertrekken.”

[Dit verwijst naar de zware reis van `Arafaht naar Minā, een van de moeilijkste delen van de Ḥaj vanwege de drukte.

De vrouwen kregen de toestemming om eerder te vertrekken zodat zij de reis gemakkelijker konden volbrengen en op een veiliger manier aankwamen.] (AFK)

٨١٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أَنَا مِمَّنْ قَدَّمَ النَّبِيُّ ﷺ لَيْلَةَ الْمُزْدَلِفَةِ فِي ضَعَفَةِ أَهْلِهِ814 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Ik behoorde tot degenen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de nacht van Muzdalifah vooruitstuurde, samen met de zwakkeren van zijn familie.

٨١٥ - حديث ابْنِ عُمَرَ، كَانَ يُقَدِّمُ ضَعَفَةَ أَهْلِهِ، فَيَقِفُونَ عِنْدَ الْمَشْعَرِ الْحَرَامِ بِالْمُزْدَلِفَةِ بِلَيْلٍ، فَيَذْكُرُونَ اللهَ مَا بَدَا لَهُمْ، ثُمَّ يَرْجِعُونَ قَبْلَ أَنْ يَقِفَ الإِمَامُ وَقَبْلَ أَنْ يَدْفَعَ، فَمِنْهُمْ مَنْ يَقْدَمُ مِنًى لِصَلاَةِ الْفَجْرِ، وَمِنْهُمْ مَنْ يَقْدَمُ بَعْدَ ذلِكَ، فَإِذَا قَدِمُوا رَمَوُا الْجَمْرَةَ وَكَانَ ابْنُ عُمَرَ، يَقُولُ: أَرْخَصَ فِي أُولئِكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ815 – Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Hij (Ibn `Umar) stuurde de zwakkeren van zijn familie vooruit. Zij verbleven ‘s nachts in al-Mash‘ar al-Harām in Muzdalifah om waqfah te verrichten en zoveel Allāh gedenkten (adhkâr) als zij wilden. Daarna vertrokken zij voordat de imām bij al-Mash‘ar al-Harām arriveerde en voordat hij (imâm) verderging. Sommigen van hen bereikten Minā aan voor de ṣalāh al-fajr, terwijl anderen er na dat tijdstip aankwamen. Bij hun aankomst wierpen zij de stenen op de jamrah (al-‘Aqabah).Ibn `Umar zei: “Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gaf (de zwakkeren) hiervoor toestemming.”

(De satan) stennigen in Jamrah al-‘Aqabah dienen geworpen te worden vanuit de vallei, met Makkah aan de linkerzijde, en men dient takbîr uit te spreken bij elke steenworp

رمي جمرة العقبة من بطن الوادي وتكون مكة عن يساره ويكبر مع كل حصاة

٨١٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ يَزِيدَ، قَالَ: رَمَى عَبْدُ اللهِ مِنْ بَطْنِ الْوَادِي، فَقُلْتُ: يَا أَبَا عَبْدِ الرَّحْمنِ إِنَّ نَاسًا يَرْمُونَهَا مِنْ فَوْقِهَا فَقَالَ: وَالَّذِي لاَ إِلهَ غَيْرُهُ، هذَا مَقَامُ الَّذِي أُنْزِلَتْ عَلَيْهِ سُورَةُ الْبَقَرَةِ ﷺ

816 - Van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd via ‘Abdurrahmān ibn Yazīd (رضي الله عنهما):ʿAbdullāh wierp de stenen op de jamrah al-‘Aqabah vanuit het midden van de vallei.Ik zei tegen hem: “O Abā ʿAbdurrahmān, sommige mensen gooien ze vanaf bovenaan de vallei.”Daarop antwoordde hij: “Bij Allāh, Buiten Wie er geen godheid is, dit is de plaats waar degene stond over wie Sūrah al-Baqarah werd geopenbaard, (waarmee hij doelde op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)”.[De āyah dat is geopenbaard is: وَٱذۡكُرُواْ ٱللَّهَ فِيٓ أَيَّامٖ مَّعۡدُودَٰتٖۚ فَمَن تَعَجَّلَ فِي يَوۡمَيۡنِ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِ وَمَن تَأَخَّرَ فَلَآ إِثۡمَ عَلَيۡهِۖ لِمَنِ ٱتَّقَىٰۗ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّكُمۡ إِلَيۡهِ تُحۡشَرُونَ ٢٠٣

En gedenk Allāh tijdens de aangewezen dagen. Maar wie zich haast om na twee dagen weg te gaan, pleegt daar geen zonde mee, en wie blijft, pleegt daar geen zonde mee, als hij tot doel heeft het goede te doen en Allāh te vrezen, en weet dat jullie zeker tot Hem verzameld zullen worden.

(Baqarah: 203)]De jamrah (m.v. jamarât) verwijst naar de steenhoop waar pelgrims (hujjāj) stenen gooien tijdens de Ḥaj. In Minā zijn drie verschillende jamarât: de Kleine, de Middelste en de Grote (`Aqabah). elk op een verschillende locatie en afstand van elkaar. De stenen die gebruikt worden zijn ongeveer zo groot als een erwt. In totaal gebruikt men 70 stenen: op de eerste dag van Iedu’l-ʿAḍḥā gooit men zeven stenen naar de Grote jamrah, en de overige 63 stenen worden verdeeld over de drie dagen van het feest, waarbij men per dag 21 stenen gebruikt (7 stenen per jamrah).).] (HY)

٨١٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ عَنِ الأَعْمَشِ، قَالَ: سَمِعْتُ الْحَجَّاجَ يَقُولُ عَلَى الْمِنْبَرِ: السُّورَةُ الَّتِي يُذْكَرُ فِيهَا الْبَقَرَةُ، وَالسُّورَةُ الَّتِي يُذْكَرُ فِيهَا آلُ عِمْرَانَ، وَالسُّورَةُ الَّتِي يُذْكَرُ فِيهَا النِّسَاءُ، قَالَ: فَذَكَرْتُ ذَلِكَ لإِبْرَاهِيمَ، فَقَالَ: حَدَّثَنِي عَبْدُ الرَّحْمنِ ابْنُ يَزِيدَ، أَنَّهُ كَانَ مَعَ ابْنِ مَسْعُودٍ ﵁، حِينَ رَمَى جَمْرَةَ الْعَقَبَةِ، فَاسْتَبْطَنَ الْوَادِيَ، حَتَّى حَاذَى بِالشَّجَرَةِ اعْتَرَضَهَا، فَرَمَى بِسَبْعِ حَصَيَاتٍ، يُكَبِّرُ مَعَ كُلِّ حَصَاةٍ ثُمَّ قَالَ: مِنْ ههُنَا، وَالَّذِي لاَ إِلهَ غَيْرُهُ، قَامَ الَّذِي أُنْزِلَتْ عَلَيْهِ سُورَةُ الْبَقَرَةِ ﷺ817 – Van ‘Abdullāh ibn Mas‘ūd via al-A‘mash (رضي الله عنهما):Ik hoorde Ḥajāj vanaf de preekstoel zeggen: “De sûrah waarin al-Baqarah (de koe) wordt genoemd, de sûrah waarin Āl ‘Imrān (familie van `Imrān) wordt genoemd, en de sûrah waarin an-Nisā’ (de vrouwen) wordt genoemd.”Om dit te verifiëren vertelde ik dit aan Ibrāhīm (an-Nakhai`).

Hij zei: “‘Abdurrahmān ibn Yazīd vertelde mij dat hij met Ibn Mas‘ūd was toen hij (stenen naar) Jamrah al-‘Aqabah wierp. Hij (Ibn Mas‘ūd) wachtte in de vallei tot hij ter hoogte van een boom was. Vervolgens wierp hij zeven steentjes, waarbij hij bij elke steenworp de takbîr uitsprak.

Daarna zei hij: ‘Vanaf hier, bij Allāh, buiten Wie er geen godheid is, stond degene over wie sûrah al-Baqarah werd neergezonden” (waarmee hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bedoelde).

Deugd voor het scheren van het hoofd boven het kortknippen, maar het is ook toegestaan om kort te knippen

تفضيل الحلق على التقصير وجواز التقصير

٨١٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ كَانَ يَقُولُ: حَلَقَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي حَجَّتِهِ

818 – Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) schoor zijn hoofd kaal tijdens zijn Ḥaj.”٨١٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ اللهُمَّ ارْحَمِ الْمُحَلِّقينَ قَالُوا: وَالْمُقَصِّرِينَ، يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: اللهُمَّ ارْحَمِ الْمُحَلِّقِينَ قَالُوا: وَالْمُقَصِّرِينَ، يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: وَالْمُقَصِّرِينَ819 – Van ‘Abdullāh ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Allāh, schenk Uw genade aan de (kaal) geschorenen (mukhalliqīn).”Zij (de metgezellen) vroegen: “En degenen die het kortknippen, o Rasûlullâh?”Hij herhaalde: “O Allāh, schenk Uw genade aan de (kaal) geschorenen.” Opnieuw vroegen zij: “En degenen die het kortknippen, o Rasûlullâh?”Daarna zei hij: “En (ook) degenen die het kortknippen (muqassirīn).”

[Een mu’min die de Ḥaj verricht, scheert zijn haren niet alleen als teken dat hij zijn offer aan Allāh heeft toegezegd, maar ook om aan te geven dat hij bereid is zichzelf op te offeren op weg van Allāh. Het offeren van een deel van het lichaam, zoals het haar, is een teken van totale toewijding en volledige overgave aan Allāh.Daarom wordt in de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) duidelijk gemaakt dat het voor mannen niet alleen voldoende is een deel van het haar te knippen, maar dat het beter is het haar volledig af te scheren. Voor vrouwen is het echter voldoende om slechts een beetje haar af te knippen, niet het volledige haar af te scheren.Het volledig afscheren van het haar is tevens een uitdrukking van nederigheid, waardoor een belangrijke en zware aanbidding zoals de Ḥaj wordt afgerond in een staat van bescheidenheid en volledige onderwerping aan Allāh.] (Diyanet)

٨٢٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِلْمُحَلِّقِينَ قَالُوا: وَلِلْمُقَصِّرِينَ قَالَ: اللهُمَّ اغْفِرْ لِلْمُحَلِّقِينَ قَالُوا: وَلِلْمُقَصِّرِينَ قَالَهَا ثَلاَثًا قَالَ: وَلِلْمُقَصِّرِينَ820 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘O Allāh, schenk Uw genade aan de (kaal) geschorenen (al-mukhalliqīn).”De metgezellen vroegen: “En degenen die het kortknippen?”Hij herhaalde: ‘O Allāh, schenk Uw genade aan de (kaal) geschorenen.”Opnieuw vroegen zij: “En degenen die het kortknippen?”Hij zei het drie keer en de vierde keer zei hij: “En (ook) degenen die het kortknippen (muqassirīn).”

De sunnah op de dag van an-Nahr is om eerst te stenigen, dan te slachten en vervolgens het hoofd (kaal/kort) te scheren, waarbij men begint met de rechterzijde van het hoofd van degene die geschoren wordt

بيان أن السنة يوم النحر أن يرمي ثم ينحر ثم يحلق، والابتداء في الحلق بالجانب الأيمن من رأس المحلوق

٨٢١ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، لَمَّا حَلَقَ رَأْسَهُ، كَانَ أَبُو طَلْحَةَ أَوَّلَ مَنْ أَخَذَ مِنْ شَعَرِهِ

821 – Van Anas رضي الله عنه:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) schoor zijn hoofd kaal, Abû Talhah was de eerste die (een plukje) van zijn haar nam.

{De haren en baardharen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die tot op heden bewaard zijn gebleven, worden in het Topkapı Paleis Museum, Afdeling Heilige Relikwieën in Istanboel, evenals in moskeeën en huizen wereldwijd, bewaard onder de namen “lihya-i saâdat”, “lihya-i sharif” of “sakal-ı sharif”. Hoewel men deze over het algemeen baard noemt (lihyah), bestaat het grootste deel uit haren van het hoofd.Sommige metgezellen bewaarden de haren en baardharen die tijdens het scheren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werden afgesneden. Urwah ibn Mas‘ūd es-Sekafî, die als vertegenwoordiger van de polytheïsten aanwezig was bij het vredesverdrag van Hudaybiyyah, vertelde na zijn terugkeer naar Makkah aan zijn vrienden dat hij namens Kisrā, Qaysar en de Nagashi was gegaan en dat niemand uit hun volk de liefde en toewijding voor de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toonde. Hij zei dat de metgezellen tijdens Hudaybiyyah zelfs één enkel haar van het hoofd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zorgvuldig bewaarden (Musnad, IV, 324).

Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich liet scheren, stonden de mensen rondom hem en probeerden ze de afgesneden haren van de barbier te grijpen voordat deze de grond raakten (Muslim, “Fazâ’il”, 75). Tijdens de Afscheids-Ḥaj (Ḥaj al-Wadāʿ) werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) door Ma‘mar ibn Nadlah al-Adawî geschoren (Ibn Hajar, II, 269). Een deel van de afgesneden haren gaf hij aan de metgezellen en een deel aan Abû Talhah al-Ansârî, die deze aan zijn familie moest verdelen (Musnad, III, 256; Muslim, “Ḥaj”, 323–326).

De haren die Abû Talhah voor zichzelf bewaarde, werden later overgedragen aan zijn stiefzoon Anas ibn Mālik, en vandaar aan zijn kinderen en kleinkinderen.Het is bekend dat metgezellen, de Tâbi‘în en madhhab-imams die in het bezit waren van haren van de Sakal-ı Sharif, hieruit zegen verwachtten. Anas ibn Mālik verzocht bij zijn overlijden aan zijn leerling Sâbit al-Bûnânî dat één van deze haren onder zijn tong geplaatst zou worden (Ibn Sa‘d, VII, 25; Ibn Hajar, I, 127). Ook tijdens oorlogen geloofden sommigen dat deze haren hielpen bij het behalen van overwinning. Khalid ibn Walîd liet tijdens de Slag bij Yarmuk zijn afgevallen helm vinden, waarin hij enkele haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had bewaard die hij tijdens een `umrah had gekregen. Hij beweerde dat hij met deze helm elke strijd won (Abû Ya‘lâ, XIII, 106; Tabarânî, IV, 104–105; Hakim, III, 338).Waarschijnlijk naar aanleiding van deze overlevering werd in India tijdens expedities van het Babur-rijk een klein kistje met Sakal-ı Sharif op een tweede olifant achter de olifant die de vlag droeg geplaatst. Van de deelnemers aan de Bay‘ah ar-Riḍwân wordt gezegd dat Abû Zam‘a al-Balawî drie haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn helm had; bij zijn overlijden werden twee op zijn ogen gelegd en één op zijn tong. Evenzo werden Mu‘âwiyah ibn Abû Sufyân, ʿUmar ibn ʿAbdulʿAzîz en Ahmed ibn Hanbal bij hun overlijden begraven met de haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die zij in bezit hadden (Ibn Sa‘d, V, 406; Ibn al-Jawzî, II, 357).

Toen de Tâbi‘î geleerde Ibn Sîrîn, de zoon van de vrijgelaten slaaf van Anas ibn Mālik, zei dat hij enkele haren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bezat, verklaarde de Kûfische jurist Abîde es-Selmânî, die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in leven nooit had gezien, dat hij liever één enkel haar van hem bezat dan al het goud en zilver op aarde (Bukhârî, “Wudûʾ”, 33).………………

Spirituele verheffing en het bereiken van redding zijn verbonden aan het zich toewijden aan de ware religie, het tonen van goede daden, het herstellen van fouten en het aanvullen van tekortkomingen. Dit wordt in de Qur’ân uitgedrukt als gehoorzaamheid aan Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) en het liefhebben van hen. De kleren, haren en andere relikwieën van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dienen als herinnering aan het pad van redding, en wanneer dit de gevoelens van de gelovige verfrist en zijn gedrag positief beïnvloedt, wordt dit als waardevol beschouwd. Net zoals de Ka‘bah een functie vervult om mensen tot Allāh te richten, moeten deze relikwieën de gelovige naar de heiligheid van Allāh leiden.] TDV İslâm Ansiklopedisi Auteur: NEBÎ BOZKURT

Wie scheert vóór het slachten of slacht vóór het stenigen

من حلق قبل النحر أو نحر قبل الرمي

٨٢٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ وَقَفَ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ بِمِنًى لِلنَّاسِ يَسْأَلُونَهُ، فَجَاءَهُ رَجُلٌ، فَقَالَ: لَمْ أَشْعُرْ فَحَلَقْتُ قَبْلَ أَنْ أَذْبَحَ، فَقَالَ: اذْبَحْ وَلاَ حَرَجَ فَجَاءَ آخَرُ، فَقَالَ: لَمْ أَشْعُرْ فَنَحَرْتُ قَبْلَ أَنْ أَرْمِيَ قَالَ: ارْمِ وَلاَ حَرَجَ فَمَا سُئِلَ النَّبِيُّ ﷺ عَنْ شَيْءٍ قُدِّمَ وَلاَ أُخِّرَ إِلاَّ قَالَ: افْعَلْ وَلاَ حَرَجَ

822 - Van '`Abdullah Ibn 'Amr Ibn al- `Aas رضي الله عنهما:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich tijdens de Afscheids-Ḥaj in Minā, waar de mensen vragen aan hem stelden. Er kwam een man naar hem toe en zei: “Ik was me er niet van bewust en heb mijn hoofd geschoren voordat ik het offer had gebracht.” Hierop zei hij: “Ga je (offerdier) slachten, er is geen bezwaar.”Toen kwam een andere man en zei: “Ik was me er niet van bewust en heb het offer geslacht voordat ik de stenen heb geworpen.” Hij zei: “Gooi de stenen, en er is geen bezwaar.”Voor geen enkele (Ḥaj)handeling die vroeger of later werd uitgevoerd dan gebruikelijk, werd Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) iets gevraagd, of hij zei: “Doe het, en er is geen bezwaar.”

[Wanneer we de overleveringen over dit onderwerp in oogschouw nemen, blijkt uit de ḥadīth dat er vier kwesties aan de orde zijn:

Zich op de eerste dag van ‘Īd (offerfeest) per vergissing scheren voordat het offerdier is geslacht.

Het offer slachten vóór het stenigen van de Jamrat al-‘Aqabah.

Scheren vóór het stenigen.

De ṭawāf al-ifāḍah verrichten vóór het stenigen.

Zoals bekend is, is de volgorde van de handelingen van de Ḥaj als volgt:a.

Op de eerste dag van ‘Īd worden eerst zeven steentjes gegooid bij de Jamrah al-‘Aqabah.b. Vervolgens wordt het offerdier geslacht.c. Daarna wordt men geschoren of het haar geknipt, waarna men uit de iḥrām komt.d. Vervolgens gaat men naar Makkah om de ṭawāf al-ifāḍah te verrichten.

We zien dus dat alle vragen die aan Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) werden gesteld, betrekking hadden op het doorbreken van de gebruikelijke volgorde van handelingen.. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) gaf op al deze vragen een positief antwoord, met woorden van gelijke strekking: “Er is geen bezwaar.” Met andere woorden: deze handelingen blijven geldig, ook al werd de volgorde veranderd, en er is geen boetedoening vereist.Alle handelingen die in de ḥadīth worden genoemd, behoren tot de eerste dag van ‘Īd. Volgens Imām Abū Yūsuf, Imām Muḥammad, Imām ash-Shāfiʿī en Imām Aḥmad is het volgens de Sunnah om deze handelingen in de hierboven vermelde volgorde uit te voeren. Wie dit nalaat, hoeft geen fidyah (boete-offer) te geven, maar wie dit uit minachting doet, begaat een zonde. De meerderheid van de geleerden stelt echter dat het geen probleem is om van deze volgorde af te wijken; wie de volgorde niet aanhoudt, handelt niet zondig en hoeft geen compensatie te verrichten..De ṭawāf az-ziyārah (ook wel ṭawāf al-ifāḍah genoemd) is farḍ en vormt één van de zuilen (arkān) van de Ḥaj. Zonder deze ṭawāf wordt de Ḥaj niet als voltooid beschouwd.] (HA)

٨٢٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قِيلَ لَهُ فِي الذَّبْحِ وَالْحَلْقِ وَالرَّمْيِ وَالتَّقْدِيمِ وَالتَّأْخِيرِ، فَقَالَ: لاَ حَرَجَ823 - Van Ibn '`Abbās رضي الله عنهما:Aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over het slachten, scheren, werpen (van de jamrât) en het vervroegen of uitstellen van deze (Ḥaj)handelingen. Hierop zei hij: “Er is geen bezwaar.

De aanbeveling om de ṭawāf al-Ifādah op de dag van an-Nahr te verrichten

استحباب طواف الإفاضة يوم النحر

٨٢٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ عَبْدِ العَزِيزِ بْنِ رُفَيْعٍ، قَالَ: سَأَلْتُ أَنَسَ بْنَ مَالِكٍ ﵁، قُلْتُ: أَخْبِرْنِي بِشَيْءٍ عَقَلْتَهُ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَيْنَ صَلَّى الظُّهْرَ وَالْعَصْرَ يَوْمَ التَّرْوِيَةِ قَالَ: بِمِنًى قُلْتُ: فَأَيْنَ صَلَّى الْعَصْرَ يَوْمَ النَّفْرِ قَالَ: بِالأَبْطَحِ ثُمَّ قَالَ: افْعَلْ كَمَا يَفْعَلُ أُمَرَاؤُكَ

824 - Van Anas Ibn Mâlik via 'Abdul-'Aziz Ibn Rufay` (رضي الله عنهما):Ik vroeg Anas Ibn Mâlik: “Vertel mij iets dat je van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebt onthouden. Waar verrichtte hij de (gecombineerde) salâh az-zuhren salâh al-`asr op de dag van de Tarwiyah (8ste Dhu’l‑Ḥijjah)?”- “In Minā”, antwoordde hij.“En waar verrichtte hij de salâh al-`asr op de dag van an-Nafr (vertrek uit Minā op de 12de Dhul‑Ḥijjah na het gooien van de 3 jamarāh)?, vroeg ik”“Bij Al-Abṭaḥ (gelegen ten oosten van Makkah, op de route tussen Minā en Masjid al-Ḥarām)”, antwoordde hij. Daarna zei hij: “Doe zoals jouw leiders het doen.”

Het is aanbevolen om in al-Muhassab te verblijven op de dag van an-Nafr en daar ṣalāh te verrichten

استحباب النزول بالمحصب يوم النفر والصلاة به

٨٢٥ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: إِنَّمَا كَانَ مَنْزِلٌ يَنْزِلُهُ النَّبِيُّ ﷺ لِيَكُونَ أَسْمَحَ لِخُرُوجِهِ، تَعْنِي بِالأَبْطَحِ

825 – Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها: (Over de plaats al-Abṭaḥ in Mina) zei ze: “Het was slechts een tussenstop waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef om zijn vertrek (naar Madînah) gemakkelijker te maken.”

٨٢٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَيْسَ التَّحْصِيبُ بِشَيْءٍ، إِنَّمَا هُوَ مَنْزِلٌ نَزَلَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ826 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Al-Muhassab (in Mina) plek is niets bijzonders (het behoort niet tot de handelingen van Ḥaj); het is slechts een tussenstop waar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) verbleef.”

[Muhassab ligt tussen Makkah en Minā, tussen twee bergen, en is een uitgestrekt gebied in Makkah. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef daar niet uit religieuze redenen, maar omdat het een natuurlijke plaats was om uit te rusten. Omdat er zoveel mensen waren, zou een verblijf in Makkah voor veel drukte hebben gezorgd, en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde dit vermijden.] (AFK)

٨٢٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ مِنَ الْغَدِ يَوْمَ النَّحْرِ وَهُوَ بِمِنًى: نَحْنُ نَازِلُونَ غَدًا بِخَيْفِ بَنِى كِنَانَةَ حَيْثُ تَقَاسَمُوا عَلَى الْكُفْرِ يَعْنِى ذلِكَ الْمُحَصَّبَ وَذلِكَ أَنَّ قُرَيْشًا وَكِنَانَةَ تَحَالَفَتْ عَلَى بَنِى هَاشِمٍ وَبَنِى عَبْدِ الْمُطَّلِبِ، أَوْ بَنِى الْمُطَّلِبِ، أَنْ لاَ يُنَاكِحُوهُمْ وَلاَ يُبَايِعُوهُمْ حَتَّى يُسْلِمُوا إِلَيْهِمُ النَّبِيَّ ﷺ827 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:Op de dag na an-Nahr, in Minā, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Morgen zullen wij overnachten in Khayf Banī Kinānah, waar zij (vroeger) tot ongeloof zwoeren.”(Zuhri) bedoelde al-Muhassab. Dit verwijst naar het feit dat de Quraysh en Kinānah een verbond hadden gesloten tegen Bani Hashim en Bani Abd al-Muttalib, of (specifiek) tegen Bani al-Muttalib, waarin zij besloten hen geen huwelijken toe te staan en geen handel met hen te drijven, totdat zij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan hen zouden uitleveren.

[Het was een overeenkomst tussen de Banu Hashim en de Banu Muttalib om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet aan de Quraysh uit te leveren. Dit verdrag duurde ongeveer drie jaar en leidde tot grote ontberingen voor de Quraysh. Uiteindelijk werd het verbroken toen de geschreven akte, die aan de Ka’bah was bevestigd, door de termieten werd opgegeten, zodat alleen de naam van Allāh overbleef.] (AFK)

De verplichting om in Minā te verblijven tijdens de nachten van de dagen van at-Tashriq, en de uitzondering voor de mensen van de waterdragerij (Ahl as-siqayah)

وجوب المبيت بمنى ليالي أيام التشريق والترخيص في تركه لأهل السقاية

٨٢٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: اسْتَأْذَنَ الْعَبَّاسُ بْنُ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ ﵁ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنْ يَبِيتَ بِمَكَّةَ لَيَالِيَ مِنًى مِنْ أَجْلِ سِقَايَتِهِ، فَأَذِنَ لَهُ

828 - Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما):ʿAbbās ibn ʿAbd al-Muṭṭalib (رضي الله عنه) vroeg Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) om toestemming tijdens de nachten van Minā (at-Tashriq) in Makkah te mogen overnachten, vanwege zijn taak om de pelgrims water te geven (siqayah). En hij kreeg daarvoor toestemming.

[In de tijd van de jāhiliyyah werden de pelgrims (Hujjāj) die naar de Ka’bah kwamen voorzien van een druivensapdrankje. Deze taak werd oorspronkelijk uitgevoerd door de grootvader van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Abdulmuttalib, en later door zijn zoon `Abbās. Hij vroeg opnieuw toestemming om deze taak uit te voeren tijdens de nachten van Minā, die de 11e, 12e en 13e dag van Dhu al-Hijjah zijn.] (AFK)

Over de liefdadigheid van het vlees, de huiden en bedekkingen van het offerdier (hady)

في الصدقة بلحوم الهدي وجلودها وجلالها

٨٢٩ - حديث عَلِيٍّ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَمَرَهُ أَنْ يَقُومَ عَلَى بُدْنِهِ، وَأَنْ يَقْسِمَ بُدْنَهُ كُلَّهَا لُحُومَهَا وَجُلُودَهَا وَجِلاَلَهَا وَلاَ يُعْطِيَ فِي جِزَارَتِهَا شَيْئًا

829 - Van `Ali رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval hem toezicht te houden op zijn offerdieren en alle onderdelen daarvan eerlijk te verdelen: het vlees, de huiden en de zadeldekens.En hij zei: “Geef de slager hiervoor niets als betaling.”

Het slachten van kamelen staande en gebonden

نحر البدن قياما مقيدة

٨٣٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ (أَنَّهُ) أَتَى عَلَى رَجُلٍ قَدْ أَنَاخَ بَدَنَتَهُ يَنْحَرُهَا، قَالَ: ابْعَثْهَا قِيَامًا مُقَيَّدَةً سُنَّةَ مُحَمَّدٍ ﷺ

830 - Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Ibn `Umar zag een man die een offerdier (kameel) met de nek gebonden had neergelegd om te slachten. Hij zei: “Laat haar rechtop staan en bindt haar (poten) vast, dit is de sunnah van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم).”

[Bij een kameel wordt het linker voorpoot vastgebonden en wordt het dier staand geslacht door het mes in de halsader te steken; dit heet nahr (neersteken). Bij een rund of schaap worden drie poten vastgebonden en wordt het op zijn zij gelegd en in de keel geslacht; dit heet dzabh (keelsnijden)] (AFK)

De aanbeveling om het offerdier naar de heilige plaats (al-Haram) te sturen voor degene die niet zelf wil gaan. De aanbeveling van het dragen van de ceintuur en het binden van de kettingen (als markering van het offerdier). De persoon die het offerdier stuurt is geen muhrim en er zijn voor hem geen verboden dingen

استحباب بعث الهدي إِلى الحرم لمن لا يريد الذهاب بنفسه، واستحباب تقليده وفتل القلائد، وأن باعثه لا يصير محرما ولا يحرم عليه شيء بذلك

٨٣١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: فَتَلْتُ قَلاَئِدَ بُدْنِ النَّبِيِّ ﷺ، بِيَدَيَّ، ثُمَّ قَلَّدَهَا وَأَشْعَرَهَا وَأَهْدَاهَا؛ فَمَا حَرُمَ عَلَيْهِ شَيْءٌ كَانَ أُحِلَّ لَهُ

831 - Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها:Ik heb de halskoorden voor de offerdieren van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met mijn eigen handen gevlochten. Daarna deed hij de halskoorden om, markeerde ze met een teken en stuurde ze weg als offerdier (naar Makkah). En niets wat (normaal) ḥalāl voor hem was, werd (door het enkel sturen van het offerdier naar Makkah) ḥarām verklaard

٨٣٢ - حديث عَائِشَةَ أَنَّ زِيَادَ بْنَ أَبِي سُفْيَانَ كَتَبَ إِلَى عَائِشَةَ، إِنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ عَبَّاسٍ، قَالَ: مَنْ أَهْدَى هَدْيًا حَرُمَ عَلَيْهِ مَا يَحْرُمُ عَلَى الْحَاجِّ حَتَّى يُنْحَرَ هَدْيُهُ فَقَالَتْ عَائِشَةُ: لَيْسَ كَمَا قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ؛ أَنَا فَتَلْتُ قَلاَئِدَ هَدْيِ رَسُولِ اللهِ ﷺ بِيَدَيَّ ثُمَّ قَلَّدَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، بِيَدَيْهِ، ثُمَّ بَعَثَ بِهَا مَعَ أَبِي، فَلَمْ يَحْرُمْ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، شَيْءٌ أَحَلَّهُ اللهُ حَتَّى نُحِرَ الْهَدْيُ832 - Van ‘Ā’ishah via Amra bintu Abdurrahman (رضي الله عنهما):Ziyâd Ibn Abi Sufyân schreef naar ‘Ā’ishah dat `Abdullah Ibn `Abbās zei: “Wie een offerdier (naar Makkah) stuurt (zonder zelf Ḥaj te verrichten), wordt hetzelfde verboden als een pelgrim, totdat zijn offerdier is geslacht.” Daarop zei ‘Ā’ishah: “Het is niet zoals `Abdullah Ibn `Abbās zei; ik vlocht zelf de halsband van het offerdieren van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) met mijn eigen handen. Daarna plaatste Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de halsband met zijn eigen handen, en stuurde het (offerdier) met mijn vader (Abū Bakr naar Makkah). En niets van wat Allāh voor hem (Rasûlullāh) ḥalāl had gemaakt, werd ḥarām voor hem totdat het offer (in Minā) werd geslacht.”

Het is toegestaan om een offer kameel te berijden voor degene die er behoefte aan heeft

جواز ركوب البدنة المهداة لمن احتاج إِليها

٨٣٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ رَأَى رَجُلًا يَسُوقُ بَدَنَةً، فَقَالَ: ارْكَبْهَا فَقَالَ: إِنَّهَا بَدَنَةٌ فَقَالَ: ارْكَبْهَا قَالَ: إِنَّهَا بَدَنَةٌ قَالَ: ارْكَبْهَا وَيْلَكَ فِي الثَّالِثَةِ أَوْ فِي الثَّانِيَةِ

833 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zag een man die een offerdier (kameel) voordreef en zei tegen hem: “Rijd op (je kameel).” De man zei: “Maar het is een offerdier.”Hij zei opnieuw: “Rijd op (je kameel).” De man herhaalde: “Het is een offerdier.” Hij zei de derde of de tweede keer: “Rijd op (je kameel), wee jou, als je het niet doet.”

٨٣٤ - حديث أَنَسٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، رَأَى رَجُلًا يَسُوقُ بَدَنَةً، فَقَالَ: ارْكَبْهَا قَالَ: إِنَّهَا بَدَنَةٌ، قَالَ: ارْكَبْهَا، قَالَ: إِنَّهَا بَدَنَةٌ قَالَ ارْكَبْهَا ثَلاَثًا834 - Van Anas رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag een man die een offerdier (kameel) leidde en zei tegen hem: “Rijd op (je kameel).” De man zei: “Het is een offerdier.”Hij zei opnieuw: “Rijd op (je kameel).”De man herhaalde: “Het is een offerdier.” Hij zei de derde keer: “Rijd op (je kameel).”

[In de tijd van de jāhiliyyah werden offerdieren die bestemd waren voor de Kaʿbah met grote eerbied behandeld.

Waarschijnlijk vanwege deze oude gewoonte aarzelde de genoemde metgezel in de ḥadīth om op zijn offerdier te rijden. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) schafte echter deze terughoudendheid af en zei: “Rijd op het offerdier op een gepaste manier, zolang je geen ander rijdier hebt.’] (AFK)De afscheidsṭawāf (ṭawāf al-wada') is verplicht en het vervallen ervan voor vrouwen in hun menstruatieperiode (ḥayḍ)

وجوب طواف الوداع وسقوطه عن الحائض

٨٣٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أُمِرَ النَّاسُ أَنْ يَكُونَ آخِرُ عَهْدِهِمْ بِالْبَيْتِ، إِلاَّ أَنَّهُ خُفِّفَ عَنِ الْحَائِضِ

835 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):De mensen werden opgedragen hun laatste handeling, ṭawāf rond het Huis (de Ka`bah) (Afscheids-ṭawāf) te verrichten, behalve voor de vrouw in menstruatieperiode (ḥayḍ), voor haar was het niet verplicht.”

[De Afscheids-ṭawāf is de ṭawāf die wordt verricht bij vertrek uit Makkah, bedoeld voor degenen die van buiten Makkah komen.

Volgens een overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Laat niemand vertrekken zonder de Kaʿbah als laatste te hebben ṭawāf verricht.’ (Muslim, Ḥaj: 379)Deze ṭawāf is wājib (verplicht). Voor vrouwen die zich in hun menstruatieperiode (ḥayḍ) of kraambloeding (nifās) bevinden, en voor degenen die enkel voor de ʿumrah naar Makkah zijn gekomen of al in Makkah wonen en de Ḥaj verrichten, geldt deze verplichting echter niet.] (AFK)

٨٣٦ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا قَالَتْ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ صَفِيَّةَ بِنْتَ حُيَيٍّ قَدْ حَاضَتْ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَعَلَّهَا تَحْبِسُنَا أَلَمْ تَكُنْ طَافَتْ مَعَكُنَّ فَقَالُوا: بَلَى؛ قَالَ: فَاخْرُجِي836 - Van ‘Ā’ishah ( رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Ze zei tegen Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullâh, (uw vrouw) de dochter van Huyay, Safiyah, is ongesteld geworden.” Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ze zal ons ophouden (om terug te keren naar Madinah)? Heeft ze niet samen met jullie de ṭawāf (al-Ifadah) verricht?' Ze antwoordden: “Ja.” Hij zei: “Ga dan (op weg).”

٨٣٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: حَاضَتْ صَفِيَّةُ لَيْلَةَ النَّفْرِ، فَقَالَتْ: مَا أُرَانِي إِلاَّ حَابِسَتَكُمْ؛ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: عَقْرَى حَلْقَى أَطَافَتْ يَوْمَ النَّحْرِ قِيلَ: نَعَمْ قَالَ: فَانْفِرِى837 - Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها:Safiyah had haar menstruatieperiode op de nacht van de terugtocht (naar Madînah) (na het einde van de Ḥaj). Ze zei: “Ik denk dat ik jullie zal ophouden (in Makkah).”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: '”Wat een ramp. Heb je niet de ṭawāf (al-Ifadah) verricht op de dag van de eerste dag van`Iedu’l ʿAḍḥā?”Ze zeiden: “Ja.” Hij zei: “Dan kun je (met ons) vertrekken.”

Het is aanbevolen voor de pelgrims (ḥujjāj) en anderen om de Ka‘bah te betreden, daarin ṣalāh te verrichten en op alle zijden ervan du‘ā’ te verrichten

استحباب دخول الكعبة للحاج وغيره والصلاة فيها والدعاء في نواحيها كلها

٨٣٨ - حديث بِلاَلٍ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ دَخَلَ الْكَعْبَةَ، وَأُسَامَةُ بْنُ زَيْدٍ وَبِلاَلٌ وَعُثْمَانُ بْنُ طَلْحَةَ الْحَجَبِيُّ، فَأَغْلَقَهَا عَلَيْهِ، وَمَكُثَ فِيهَا فَسَأَلْتُ بِلاَلًا حِينَ خَرَجَ: مَا صَنَعَ النَّبِيُّ ﷺ قَالَ: جَعَلَ عَمُودًا عَنْ يَسَارِهِ وَعَمُودًا عَنْ يَمِينِهِ، وَثَلاَثَةَ أَعْمِدَةٍ وَرَاءَهُ، وَكَانَ الْبَيْتُ يَوْمَئِذٍ عَلَى سِتَّةِ أَعْمِدَةٍ، ثُمَّ صَلَّى

838 - Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) ging de Ka`bah binnen, vergezeld door Usamah ibn Zayd, Bilâl en `Uthmân ibn Talha al-Ḥajabī. Hij (`Uthmân ibn Talhah ) sloot de deur van de Ka`bah achter hen en bleef daar enige tijd. Ik vroeg Bilâl toen hij naar buiten kwam: “Wat deed an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daarbinnen?”Hij antwoordde: “Hij plaatste een pilaar aan zijn linkerzijde, een pilaar aan zijn rechterzijde, en drie pilaren achter zich. Het Huis had op dat moment zes pilaren. Daarna verrichtte hij (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh.”

[De Ka`bah is een kubusvormig gebouw van 15 meter hoog, vervaardigd uit blauwe stenen, gelegen in het midden van de Masjid al-Harām. De noordgevel meet 10 meter, de westgevel is 12 meter, de zuidgevel 16 meter en de oostgevel 11 meter lang.Volgens de Qur’ān is de Ka`bah het eerste gebouw op aarde dat voor de mensheid als plaats van aanbidding werd opgericht.

Diverse overleveringen beschrijven de bouwgeschiedenis van de Kaʿbah, waarbij in de Qur’ān wordt vermeld dat Ibrāhīm (عليه السلام) en zijn zoon Ismā’īl (عليه السلام) de bouwers waren.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam bij het binnengaan van de Kaʿbah Usāmah ibn Zayd mee, omdat hij hem zeer liefhad en hij Zayd’s zoon was; Bilāl, omdat hij zijn muʾaḏḏin was; en ʿUthmān ibn Ṭalḥah, omdat hij de dienaar van de Kaʿbah was. De deur werd achter hen gesloten om de menigte te beperken en de aanwezigen rust te geven, zodat zij in volledige khushūʿ hun salāh konden verrichten.De “twee pilaren” waarnaar wordt verwezen zijn de Rukn al-Ḥajarī en de Rukn al-Yamānī. Rukn al-Ḥajarī heeft twee bijzondere deugden: ten eerste staat hij op de fundering die Ibrāhīm (عليه السلام) heeft gelegd, en ten tweede bevindt zich hier de Ḥajar al-Aswad. De Rukn al-Yamānī heeft één deugd: hij staat eveneens op de fundering van Ibrāhīm (عليه السلام). Daarom wordt de Ḥajar al-Aswad begroet (istilām) en gekust, terwijl de Rukn al-Yamānī wordt istilām gedaan maar niet gekust.Volgens de ḥadīth verrichtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh in de Kaʿbah tussen de twee pilaren die tot de Yamānī-rukūn behoren. Soms wordt vermeld dat er links en rechts van hem een pilaar stond, maar in werkelijkheid wordt er geen tweede pilaar genoemd omdat deze niet op één lijn stond met de andere pilaren, of omdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn ṣalāh er tegenover verrichtte..Verschillende aḥādīth vermelden dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de Kaʿbah ṣalāh verrichtte, vergezeld door Usāmah, ʿUthmān b. Abī Ṭalḥah, Fadl b. ʿAbbās en Bilāl.

Hoewel sommige overleveringen beweren dat hij dat niet deed, komt dit verschil voort uit het bestaan van twee uiteenlopende overleveringen van Usāmah b. Zayd. Desondanks wordt algemeen aanvaard dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de Kaʿbah ṣalāh heeft verricht, en dat zijn plaats en de wijze waarop zelfs tot in detail zijn overgeleverd..ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) vertelde dat men bij het binnengaan van de Kaʿbah recht vooruit liep, de deur achter zich liet en zijn ṣalāh verrichtte op de muur tegenover zich, tot ongeveer drie arshīn afstand, bij de plek die Bilāl aanwees.In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waren er zes pilaren binnenin de Kaʿbah. Tegen de tijd van Mālik, de overleveraar van de ḥadīth, was één van deze pilaren verwijderd, waardoor er vijf overbleven. Dit geeft aan dat het aantal pilaren binnen de Kaʿbah later is gewijzigd.Sommige geleerden, kijkend naar de verschillen in de overleveringen, stelden dat de beschreven gebeurtenis mogelijk op twee verschillende momenten heeft plaatsgevonden.

.] (HA)

٨٣٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَمَّا دَخَلَ النَّبِيُّ ﷺ الْبَيْتَ دَعَا فِي نَوَاحِيهِ كُلِّهَا وَلَمْ يُصَلِّ حَتَّى خَرَجَ مِنْهُ؛ فَلَمَّا خَرَجَ رَكَعَ رَكْعَتَيْنِ فِي قِبَلِ الْكَعْبَةِ، وَقَالَ: هذِهِ الْقِبْلَةُ839 - Van `Abbās (رضي الله عنهما):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het Huis binnenging, verrichtte hij du`ā’ in alle hoeken van het Huis, maar verrichtte geen ṣalāh.

Toen hij naar buiten kwam, verrichtte hij twee raka'ah ṣalāh in de richting van de Ka`bah en zei: 'Dit is de qiblah.

[Met de uitspraak “Dit is de qiblah” bedoelde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) dat de qiblah uitsluitend de Kaʿbah zelf is, en niet de omliggende delen van Makkah. Toen Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnenging, waren er nog afgodsbeelden in en rond de Kaʿbah. Nadat hij deze had laten verwijderen, betrad hij de Kaʿbah, maar alleen Bilāl, Usāmah en ʿUthmān ibn Ṭalḥah (رضي الله عنهم) mochten met hem mee naar binnen, waarna de deur werd gesloten.Daarom wisten slechts deze drie metgezellen wat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) daarbinnen deed. Ibn ʿAbbās en ʿAbdullāh ibn ʿUmar zagen dit niet zelf en vroegen later aan hen wat er binnen was gebeurd. Bilāl bevestigde dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) binnen ṣalāh had verricht. Usāmah daarentegen zei dat hij geen ṣalāh had gezien. Ibn ʿAbbās baseerde zich op deze overlevering en stelde daarom dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) niet binnen ṣalāh had verricht.Geleerden hebben dit verschil van overleveringen verklaard door te zeggen dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) wel degelijk binnen ṣalāh heeft verricht, maar dat dit een zeer korte ṣalāh was. Usāmah zag voornamelijk dat Rasûlullâh smeekbeden verrichtte en deed dit zelf ook.

Omdat de deur gesloten was en de binnenkant van de Kaʿbah donker was, heeft Usāmah mogelijk niet opgemerkt dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) een kort ṣalāh verrichtte.] (AFK)

٨٤٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى، قَالَ: اعْتَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَطَافَ بِالْبَيْتِ وَصَلَّى خَلْفَ الْمَقَامِ رَكْعَتَيْنِ وَمَعَهُ مَنْ يَسْتُرُهُ مِنَ النَّاسِ فَقَالَ لَهُ رَجُلٌ: أَدَخَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الْكَعْبَةَ قَالَ: لاَ840 – Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de `umrah (in het jaar 7 n.H). Hij verrichtte ṭawāf rond de Ka`bah en verrichtte twee raka’at ṣalāh achter Maqami Ibrāhīm. Hij werd begeleid door mensen die hem beschermden tegen de menigte. Toen iemand (aan `Abdullah) vroeg: “Is Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de Ka`bah binnengegaan?”Hij antwoordde: “Nee.”

Over het afbreken en herbouwen van de Kā‘bah

نقض الكعبة وبنائها

٨٤١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَوْلاَ حَدَاثَةُ قَوْمِكِ بِالْكُفْرِ لَنَقَضْتُ الْبَيْتَ ثُمَّ لَبَنَيْتُهُ عَلَى أَسَاسِ إِبْرَاهِيمَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، فَإِنَّ قُرَيْشًا اسْتَقْصَرَتْ بِنَاءَهُ وَجَعَلَتْ لَهُ خَلْفًا

841 – Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Als jouw volk niet pas recent het ongeloof had verlaten, dan zou ik het Huis (de Kaʿbah) afbreken en het herbouwen op de fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام). De Quraysh heeft het namelijk kleiner gemaakt en er een achterkant aan toegevoegd.”

٨٤٢ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ لَهَا: أَلَمْ تَرَىْ أَنَّ قَوْمَكِ لَمَّا بَنَوُا الْكَعْبَةَ اقْتَصَرُوا عَنْ قَوَاعِدِ إِبْرَاهيمَ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَلاَ تَرُدُّهَا عَلَى قَوَاعِدِ إِبْرَاهِيمَ قَالَ: لَوْلاَ حِدْثَانُ قَوْمِكِ بِالْكفْرِ لَفَعَلْتُ

فَقَالَ عَبْدُ اللهِ ﵁ (هُوَ ابْنُ عُمَرَ): لَئِنْ كَانَتْ عَائِشَةُ سَمِعَتْ هذَا مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ مَا أُرَى رَسُولَ اللهِ ﷺ تَرَكَ اسْتِلاَمَ الرُّكْنَيْنِ اللَّذَيْنِ يَلِيَانِ الْحِجْرَ إِلاَّ أَنَّ الْبَيْتَ لَمْ يُتَمَّمْ عَلَى قَوَاعِدِ إِبْرَاهِيمَ

842 - VanʿĀʾishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: “Zie je niet dat jouw volk bij de herbouw van de Kaʿbah is afgeweken van de fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام)?”Ik zei: “O Rasûlullāh, waarom brengt u haar niet terug op de de fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام)?”Hij zei: “Als jouw volk niet nog maar recent het ongeloof had verlaten, dan zou ik dat doen.”ʿAbdullāh (ibn ʿUmar) zei hierover: “Als ʿĀʾishah dit werkelijk van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gehoord, dan denk ik dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) alleen de twee hoeken die grenzen aan de Ḥijr niet heeft salām gegeven/aangeraakt (istilām) omdat het Huis niet op de fundamenten van Ibrāhīm (عليه السلام) is herbouwd.”

De muur en de deur van de Kā‘bah

جدر الكعبة وبابها

٨٤٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ عَنِ الْجَدْرِ أَمِنَ الْبَيْتِ هُوَ قَالَ: نَعَمْ قُلْتُ: فَمَا لَهُمْ لَمْ يُدْخِلُوهُ فِي الْبَيْتِ قَالَ: إِنَّ قَوْمَكِ قَصَّرَتْ بِهِمِ النَّفَقَةُ قُلْتُ: فَمَا شَأْنُ بَابِهِ مُرْتَفِعًا قَالَ: فَعَلَ ذلِكَ قَوْمُكِ لِيُدْخِلُوا مِنْ شَاءُوا وَيَمْنَعُوا مَنْ شَاءُوا، وَلَوْلاَ أَنَّ قَوْمَكِ حَدِيثٌ عَهْدُهُمْ بِالْجَاهِلَيَّةِ، فَأَخَافُ أَنْ تَنْكِرَ قُلُوبُهُمْ أَنْ أُدْخِلَ الْجَدْرِ فِي الْبَيْتِ، وَأَنْ أُلْصِقَ بَابَهُ بِالأَرْضِ

843 – Van ‘Ā’ishah (رضي الله عنها):Ik vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Is de Hijr (de halve cirkel aan de Kaʿbah) onderdeel van het Huis?”Hij zei: “Ja.”Ik vroeg: “Waarom hebben zij het dan niet in het Huis opgenomen?”Hij zei: “Jouw volk had niet genoeg middelen (om het erin op te nemen).”Ik vroeg: “Waarom is de deur dan zo hoog?”“Dat heeft jouw volk gedaan om toegang te verlenen aan wie zij wilden, en om de toegang te ontzeggen aan wie zij niet wilden toelaten.En als jouw volk niet pas kort geleden het tijdperk van de jāhiliyyah achter zich had gelaten, zou ik vrezen dat hun harten dit zouden afwijzen, wanneer ik al-Ḥijr bij het Huis zou voegen en de deur tot aan de grond zou verlagen.”

[Hijr Ismāʿīl is ongeveer 131 cm hoog en wordt omsloten door een halfcirkelvormige muur. Het gebied tussen deze muur en de Kaʿbah wordt Hijr Ismāʿīl genoemd.Eén uiteinde van de muur ligt in lijn met de Rukn al-ʿIrāqī van de Kaʿbah. Tussen deze twee punten bevindt zich een opening van circa 230 cm breed, waardoor men de Hijr kan betreden en verlaten.

Het andere uiteinde van de muur ligt in lijn met de Rukn ash-Shāmī, met daartussen een opening van ongeveer 223 cm, die eveneens dient als inen uitgang.De afstand tussen de twee uiteinden van de halfcirkelvormige muur bedraagt ongeveer 800 cm. De afstand tussen het midden van de noordelijke muur van de Kaʿbah en het midden van de halfcirkelvormige muur van de Hijr bedraagt circa 844 cm.Het gehele gebied dat bekendstaat als Hijr Ismāʿīl wordt volgens veel geleerden beschouwd als onderdeel van de Kaʿbah. In sommige overleveringen wordt echter vermeld dat slechts een gedeelte ervan tot de Kaʿbah behoort. Zo wordt in enkele overleveringen genoemd dat het deel dat tot de Kaʿbah behoort zes dhirāʿ meet, wat neerkomt op ongeveer drie meter.Aangezien (een deel van) Hijr Ismāʿīl tot de Kaʿbah behoort, is het verplicht om bij het verrichten van de ṭawāf buiten de muur van de Hijr te lopen. Wanneer iemand tijdens de ṭawāf via de ene opening de Hijr binnengaat en via de andere opening weer naar buiten komt, is de ṭawāf ongeldig, omdat hij in dat geval feitelijk door de Kaʿbah is gegaan. Dit is de mening van Imām Mālik, Imām ash-Shāfiʿī en Imām Aḥmad.Volgens de Ḥanafī-geleerden is het eveneens verplicht dat de ṭawāf langs de muur van de Hijr wordt verricht. Degene die tijdens de ṭawāf door de Hijr loopt, dient zijn ṭawāf opnieuw te verrichten.] (HA)

Verrichten van de Ḥaj namens iemand die niet in staat is zelf te verrichten

الحج عن العاجز لزمانة وهرم ونحوهما أو للموت

٨٤٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: كَانَ الْفَضْلُ رَدِيفَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَجَاءَتِ امْرَأَةٌ مِنْ خَثْعَمَ، فَجَعَلَ الْفَضْلُ يَنْظُرُ إِلَيْهَا وَتَنْظُرُ إِلَيْهِ، وَجَعَلَ النَّبِيُّ ﷺ يَصْرِفُ وَجْهَ الْفَضْلِ إِلَى الشِّقِّ الآخَرِ؛ فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ فَرِيضَةَ اللهِ عَلَى عِبَادِهِ فِي الْحَجِّ أَدْرَكَتْ أَبِي شَيْخًا كَبِيرًا، لاَ يَثْبُتُ عَلَى الرَّاحِلَةِ، أَفَأَحُجُّ عَنْهُ قَالَ: نَعَمْ وَذَلِكَ فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ

844 – Van `Abdullah Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Fadl, (mijn broer), zat achterop bij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) toen een vrouw uit de stam Khath‘am naderde. Fadl bleef naar haar kijken en zij keek naar hem. Daarop draaide an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het gezicht van Fadl de andere kant op.De vrouw zei: ““O Rasûlullâh, de verplichting van Allāh met betrekking tot de Ḥaj heeft mijn vader bereikt, terwijl hij een zeer oude man is die zich niet meer staande kan houden op een rijdier. Mag ik de Ḥaj namens hem verrichten?”Hij antwoordde: “Ja.”Dit vond plaats tijdens de Afscheids-Ḥaj (Ḥaj al-Wadâ‘).

٨٤٥ - حديث الْفَضْلِ بْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: جَاءَتِ امْرَأَةٌ مِنْ خَثْعَم عَامَ حَجَّةِ الْوَدَاعِ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ فَرِيضَةَ اللهِ عَلَى عِبَادِهِ فِي الْحَجِّ أَدْرَكَتْ أَبِي شَيْخًا كَبِيرًا لاَ يَسْتَطِيعُ أَنْ يَسْتَوِيَ عَلَى الرَّاحِلَةِ، فَهَلْ يَقْضِي عَنْهُ أَنْ أَحُجَّ عَنْهُ قَالَ: نَعَمْ845 – Van Fadl ibn `Abbās (رضي الله عنهما)Tijdens de Afscheids-Ḥaj kwam een vrouw uit de stam Khath‘am en zei:“O Rasûlullâh, de verplichting van Allāh inzake de Ḥaj heeft mijn vader bereikt, maar hij is een oude man die zich niet meer staande kan houden op een rijdier. Mag ik de Ḥaj namens hem verrichten?”Hij antwoordde: “Ja.”

De verplichting van de Ḥaj eenmaal in het leven

فرض الحج مرَّة في العمر

٨٤٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: دَعُونِي مَا تَرَكْتُكُمْ، إِنَّمَا هَلَكَ مَنْ كَانَ قَبْلَكُمْ بِسُؤَالِهِمْ وَاخْتِلاَفِهِمْ عَلَى أَنْبِيَائِهِمْ، فَإِذَا نَهَيْتُكُمْ عَنْ شَيْءٍ فَاجْتَنِبُوهُ، وَإِذَا أَمَرْتُكُمْ بِأَمْرٍ فَأْتُوا مِنْهُ مَا اسْتَطَعْتُمْ

846 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat mij met rust zolang ik jullie niets verplicht stel. Voorzeker, degenen vóór jullie gingen ten onder door hun voortdurende vragen en hun onenigheid met hun profeten. Wanneer ik jullie iets verbied, vermijd het dan. En wanneer ik jullie iets beveel, voer het dan uit naar jullie vermogen.”

[Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nog leefde, werd het de ummah verboden om vragen te stellen die hun verantwoordelijkheden zouden doen toenemen of om onnodig gedetailleerde vragen te stellen over religieuze verplichtingen.

Het incident dat aanleiding gaf tot deze ḥadīth ging als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O mensen! Allāh heeft de Ḥaj voor jullie verplicht gesteld, verricht dan de Ḥaj!”

De ṣaḥābī Akraʿ b. Ḥābis vroeg herhaaldelijk: “Is dat elk jaar, o Rasûlullāh?”

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf aanvankelijk geen antwoord. Na enige tijd zei hij:

“Als ik ‘ja’ had gezegd, zou het elk jaar verplicht zijn geweest en dat zouden jullie niet hebben kunnen volbrengen.”

Hiermee legde hij duidelijk uit dat het verboden is om vragen te stellen die de lasten van religieuze verplichtingen onnodig vergroten.

Dit betekent dat het doen van dergelijke vragen niet toegestaan is wanneer ze leiden tot overbelasting of verwarring. In situaties waar dit niet het geval is, is het echter niet bezwaarlijk om vragen te stellen over wereldlijke of religieuze zaken, zolang de intentie oprecht is.] (Diyanet)

De reis van een vrouw met een mahram voor de Ḥaj en andere reizen

سفر المرأة مع محرم إِلى حج وغيره

٨٤٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تُسَافِرُ الْمَرْأَةُ ثَلاَثًا إِلاَّ مَعَ ذِي مَحْرَمٍ

847 – Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما)an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een vrouw mag geen reis van drie dagen ondernemen, behalve met een mahram (nabije familieleden met wie trouwen verboden is).”

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield rekening met de omstandigheden van zijn tijd en de geografische situatie. Hij verklaarde dat het vanwege veiligheidsredenen niet juist was dat vrouwen alleen reizen. In overleveringen die vermelden dat een vrouw niet zonder een mannelijke mahram (nabije familielid met wie trouwen verboden is) kan reizen, worden verschillende afstanden en tijdsperioden genoemd. Deze verschillen hangen waarschijnlijk samen met de veranderende veiligheidsomstandigheden op verschillende momenten.

Op een dag vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan de ṣaḥābī ʿAdī b. Ḥātim (رضي الله عنه):

“Heb jij de stad Ḥīrah gezien?”

Hij antwoordde: “Nee, maar ik heb er wel over gehoord.”

Waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als je lang leeft, zul je zien dat een vrouw die alleen op een kameel reist zonder angst voor wie dan ook behalve Allāh, uit de stad Ḥīrah zal komen en ṭawāf rond de Kaʿbah zal verrichten.” (Bukhārī, Manāqib, 25)

Deze ḥadīth voorspelt een toekomstige situatie waarin zorgen over veiligheid voor moslims zullen verdwijnen, en waarin een vrouw zonder angst alleen kan reizen, zelfs over een lange afstand zoals van Ḥīrah in Irak naar Makkah. Dit laat zien dat de beperkingen voor vrouwen met betrekking tot reizen vooral voortkwamen uit veiligheidsredenen.

De reisomstandigheden in die tijd waren gevaarlijk, niet alleen voor vrouwen, maar ook voor mannen. Daarom werd aanbevolen dat mannen, vooral ’s nachts, niet alleen reizen, maar minstens met drie personen. (Tirmidzī, Jihād, 4) ] (Diyanet)

{In een hadith in Sahīh Bukharī staat:Van `Aishah (رضي الله عنها), de moeder der gelovigen:Ik vroeg: “O Rasûlullâh, wij dachten dat de jihād (het zich inspannen voor de zaak van Allah) het beste van de goede daden was. Hoe moeten wij dan jihād doen ?"“De beste jihād is een Haj Mabrûr (geaccepteerde bedevaart)," zei hij.}

٨٤٨ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، قَالَ: أَرْبَعٌ سَمِعْتُهُنَّ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَأَعْجَبْنَنِي وَآنَقْنَنِي: أَنْ لاَ تُسَافِرَ امْرَأَةٌ مَسِيرَةَ يَوْمَيْنِ لَيْسَ مَعَهَا زَوْجُهَا أَوْ ذُو مَحْرَمٍ وَلاَ تُشَدُّ الرِّحَالُ إِلاَّ إِلَى ثَلاَثَةِ مَسَاجِدَ: مَسْجِدِ الْحَرَامِ، وَمَسْجِدِي، وَمَسْجِدِ الأَقْصى848 – Van Abû Sa‘īd (رضي الله عنه):Ziyâds vrijgemaakte slaaf Qadâ zei: Abû Sa`īd zei: “Ik heb 12 veldtochten meegemaakt met Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Er zijn vier zaken die ik van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord die mij verbaasden en mij vreugde brachten:1. Een vrouw mag geen reis van twee dagen ondernemen zonder dat haar echtgenoot of een mahram met haar is.

2. Op de dagen van `Iedu’l Fitr (Ramadānfeest) en `Iedu’l ʿAḍḥā (Offerfeest) mag men niet vasten.

3. Er is geen ṣalāh: na ṣalāh al-‘asr tot de zon ondergaat en na ṣalāh al-fajr tot de zon opkomt.

4. Er mogen geen reizen worden ondernomen (met als doel aanbidding) behalve naar drie moskeeën: al-Masjid al-Harâm, mijn masjid (al-Masjid an-Nabawī), en al-Masjid al-Aqsâ.”

٨٤٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ يَحِلُّ لاِمْرَأَةٍ تؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ أَنْ تُسَافِرَ مَسِيرَةَ يَوْمٍ وَلَيْلَةٍ لَيْسَ مَعَهَا حُرْمَةٌ849 - Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is niet toegestaan voor een vrouw die in Allāh en de Laatste Dag gelooft om een reis van een dag en een nacht te ondernemen zonder (dat zij vergezeld wordt door) een mahram.”

[Er zijn veel authentieke overleveringen die het reizen van een vrouw zonder maḥram verbieden. In de ḥadīth wordt hiervoor een variërende afstand of tijd genoemd: de langste periode die vermeld wordt is drie dagen, terwijl de kortste ongeveer 22 km bedraagt. Sommige geleerden leggen uit dat het verbod voornamelijk voortkomt uit veiligheidsredenen, en dat een vrouw onder bepaalde omstandigheden met toestemming of bescherming mag reizen.] (AFK)

٨٥٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يَخْلُوَنَّ رَجُلٌ بِامْرَأَةٍ، وَلاَ تُسَافِرَنَّ امْرَأَةٌ إِلاَّ وَمَعَهَا مَحْرَمٌ فَقَامَ رَجُلٌ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ اكْتُتِبْتُ فِي غَزْوَةِ كَذَا وَكَذَا، وَخَرَجَتِ امْرَأَتِي حَاجَّةً قَالَ: اذْهَبْ فَحُجَّ مَعَ امْرَأَتِكَ850 – Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man mag niet alleen zijn met een vrouw (in een afgesloten ruimte) bevinden. Geen vrouw mag reizen tenzij zij vergezeld wordt door een mahram.”Toen stond een man op en vroeg: “O Rasûlullâh, ik ben ingeschreven voor een veldtocht in deze en die strijd, en mijn vrouw wil op reis voor de Ḥaj. (Wat raadt u mij aan)”Hij antwoordde: “Ga en verricht de Ḥaj samen met je vrouw.”

Wat te zeggen bij terugkeer van een reis, of het nu een veldtocht, Ḥaj of `umrah is

ما يقول إِذا قفل من سفر الحج وغيره

٨٥١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، كَانَ إِذَا قَفَلَ مِنْ غَزْوٍ أَوْ حَجٍّ أَوْ عُمْرَةٍ يُكَبِّرُ عَلَى كُلِّ شَرَفٍ مِنَ الأَرْضِ ثَلاَثَ تَكْبِيرَاتٍ، ثُمَّ يَقُولُ: لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ آيِبُونَ تَائِبُونَ عَابِدُونَ، لِرَبِّنَا حَامِدُونَ، صَدَقَ اللهُ وَعْدَهُ، وَنَصَرَ عَبْدَهُ، وَهَزَمَ الأَحْزَابَ وَحْدَهُ

851 - Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):Wanneer Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) terugkeerde van een veldtocht, Ḥaj of `umrah , verhief hij zich op elk verhoogd stuk van de aarde en zei driemaal takbîr (Allāhu Akbar), waarna hij zei:

لاَ إِلهَ إِلاَّ الله وَحْدَهُ لاَ شَرِيكَ لَهُ، لَهُ الْمُلْكُ وَلَهُ الْحَمْدُ وَهُوَ عَلَى كُلِّ شَيْءٍ قَدِيرٌ،

آيِبُونَ تَائِبُونَ عَابِدُونَ، لِرَبِّنَا حَامِدُونَ، صَدَقَ الله وَعْدَهُ، وَنَصَرَ عَبْدَهُ، وَهَزَمَ الأَحْزَابَ وَحْدَهُ

“Er is geen godheid dan Allāh, de Enige, zonder deelgenoot. Hem behoort het koninkrijk en Hem behoort de lof. En Hij heeft macht over alles. Wij keren (berouwvol) terug, wij vragen vergiffenis, wij aanbidden en prijzen onze Rab. Allāh heeft Zijn belofte waar gemaakt, Zijn dienaar geholpen, en de vijanden (van de moslims) verslagen, en dat deed Hij alleen.”

Bij terugkeer van Ḥaj of `umrah in Dhu al-Hulayfah bivakkeren en de ṣalāh verrichten

التعريس بذى الحليفة والصلاة بها إِذا صدر من الحج أو العمرة

٨٥٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَنَاخَ بِالْبَطْحَاءِ بِذِي الْحُلَيْفَةِ فَصَلَّى بِهَا وَكَانَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ، يَفْعَلُ ذلِكَ

852 – Van `Abdullah Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) had kamp opgezet op de openvlakte van al- Baṭḥāʾ bij Dhu’l Hulayfah en verrichtte (twee raka`ah) ṣalāh. `Abdullah Ibn ‘Umar plachte dat (ook) zo te doen.

٨٥٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ رُئِيَ وَهُوَ فِي مُعَرَّسٍ بِذِي الْحُلَيْفَةِ بِبَطْنِ الْوَادِي، قِيلَ لَهُ إِنَّكَ بِبَطْحَاءَ مُبَارَكَة

(قَالَ مُوسى بْنُ عُقْبَةَ، أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ): وَقَدْ أَنَاخَ بِنَا سَالِمٌ يَتَوَخَّى بِالْمُنَاخِ الَّذِي كَانَ عَبْدُ اللهِ يُنِيخُ، يَتَحَرَّى مُعَرَّسَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَهُوَ أَسْفَلُ مِنَ الْمَسْجِدِ الَّذِي بِبَطْنِ الْوَادِي، بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ الطَّرِيقِ وَسَطٌ مِنْ ذلِكَ

853 – Van `Abdullah ibn ‘Umar (رضي الله عنه):In de nacht verbleef an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Dhu’l Hulayfah en in de vallei (van Aqîq). In (zijn droom) werd gezegd: ‘Je bevindt je op een gezegende Baṭḥāʾ(vallei)’.Mūsâ ibn ‘Uqbah (een van de overleveraars) zei: “Sālim liet ons precies neerstrijken op de plek waar ʿAbdullāh (ibn ʿUmar) placht te kampen.

Hij probeerde de kampeerplek van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na te volgen, die lager lag ten opzichte van de moskee in het dal, tussen deze en de weg.

Het verbod op het verrichten van de Ḥaj door een polytheïst en het verbod op naakt ṭawāf rond de Ka`bah

لا يحج البيت مشرك ولا يطوف بالبيت عريان وبيان يوم الحج الأكبر

٨٥٤ – حديث أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ ﵁، عَنْ أَبِي هُرَيْرَةَ، أَن أَبَا بَكْرٍ الصِّدِّيقَ ﵁، بَعَثَهُ فِي الْحَجَّةِ الَّتِي أَمَّرَهُ عَلَيْهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَبْلَ حَجَّةِ الْوَدَاعِ يَوْمَ النَّحْرِ، فِي رَهْطٍ، يُؤَذِّنُ فِي النَّاسِ: أَلاَ لاَ يَحُجُّ بَعْدَ الْعَامِ مُشْرِكٌ، وَلاَ يَطُوفُ بِالْبَيْتِ عُرْيَانٌ

854 – Van Abû Bakr as-Siddieq via Abû Hurayrah (رضي الله عنهما):Abū Bakr aṣ-Ṣiddīq (رضي الله عنه) werd door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als leider aangesteld en uitgezonden tijdens de Ḥaj, vóór de Afscheids-Ḥaj.Op de dag van an-Naḥr (het offer), terwijl hij in een groep mensen was, riep hij luid:“Let op! Na dit jaar mag geen polytheïst de Ḥaj verrichten, en niemand mag naakt de ṭawāf rond het Huis verrichten.”

De deugdzaamheid van de Ḥaj, `umrah en de dag van `Arafah

في فضل الحج والعمرة ويوم عرفة

٨٥٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الْعُمْرَةُ إِلَى الْعُمْرَةِ كَفَّارَةٌ لِمَا بَيْنَهُمَا، وَالْحَجُّ الْمَبْرُورُ لَيْسَ لَهُ جَزَاءٌ إِلاَّ الْجَنَّةُ

855 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een ʿumrah die gevolgd wordt door een andere ʿumrah dient als boetedoening voor wat er tussenin is gebeurd. En de aanvaarde Ḥaj (al-Ḥaj al-Mabrūr) heeft geen andere beloning dan het Paradijs.”

[Het woord `umrah betekent ‘bezoek’. Het verwijst naar het verrichten van een bezoek aan het Huis van Allāh (de Kaʿbah) volgens de voorgeschreven rituelen. In tegenstelling tot de Ḥaj heeft de `umrah geen vaste tijdsperiode en kent zij geen verplichtingen zoals het wuqūf (verblijf) op ʿArafāt of de ṭawāf al-wadāʿ (Afscheidsṭawāf). Hoewel de Ḥaj en de `umrah ook vóór de Islām werden uitgevoerd, werd de `umrah vooral in de maand Rajab verricht.] (AFK)

٨٥٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ حَجَّ هذَا الْبَيْتَ فَلَمْ يَرْفُثْ وَلَمْ يَفْسُقْ رَجَعَ كَمَا وَلَدَتْهُ أُمُّهُ856 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie de Ḥaj naar dit Huis verricht en zich onthoudt van seksuele omgang (rafath) en zondig gedrag (fisq), zal terugkeren zoals hij was op de dag dat zijn moeder hem baarde.”

De nederdaling van de Ḥaj naar Makkah en de erfenis van de huizen van Makkah

النزول بمكة للحاج وتوريث دورها

٨٥٧ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، أَنَّهُ قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَيْنَ تَنْزِلُ فِي دَارِكَ بِمَكَّةَ فَقَالَ: وَهَلْ تَرَكَ عَقِيلٌ مِنْ رِبَاعٍ أَوْ دُورٍ وَكَانَ عَقِيلٌ وَرِثَ أَبَا طَالِبٍ هُوَ وَطَالِبٌ، وَلَمْ يَرِثْهُ جَعْفَرٌ وَلاَ عَلِيٌّ شَيْئًا َلانَّهُمَا كَانَا مُسْلِمَيْنِ، وَكَانَ عَقِيلٌ وَطَالِبٌ كَافِرَيْنِ

857 – Van Usamah ibn Zayd (رضي الله عنهما):(Na de verovering van Makkah) vroeg (Usamah): “O Rasûlullâh, waar zult u verblijven, in uw huis in Makkah?”Hij antwoordde: “Heeft Aqil (de zoon van an-Nabī’s oom) dan huizen of eigendommen achtergelaten?”Want Aqil en Tālib erfden het eigendom van hun vader, Abû Tālib, maar Ja'far en `Ali erfden niets omdat ze beide moslims waren, terwijl Aqil en Tālib ongelovig waren.

[De oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Abū Ṭālib, had vier zonen. Twee van hen waren moslim geworden en hadden al hun bezit in Makkah achtergelaten toen zij naar Madīnah emigreerden (Hijrah). ʿAqīl en Ṭālib bleven in Makkah; Ṭālib werd later gedood in de Slag bij Badr. Uiteindelijk kwam de gehele erfenis van Abū Ṭālib in handen van ʿAqīl.Het is bovendien vermeldenswaard dat de afgodendienaren van Makkah de bezittingen van de Emigranten (al-Muhājirūn), die hun huizen en eigendommen hadden achtergelaten om naar Madīnah te verhuizen, in beslag hadden genomen.] (AFK)

De toestemming voor het verblijf in Makkah voor de Emigranten (Muhajirī ) na de voltooiing van de Ḥaj en `umrah, voor drie dagen zonder verlenging

جواز الإقامة بمكة للمهاجر منها بعد فراغ الحج والعمرة ثلاثة أيام بلا زيادة

٨٥٨ - حديث العَلاَءِ بْنِ الْحَضْرَمِيِّ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: ثَلاَثٌ لِلْمُهَاجِرِ بَعْدَ الصَّدَرِ

858 – Al-ʿAlāʾ ibn al-Ḥaḍramī (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ De Muhājirīn mochten (na de ṭawāf al-wadāʿ (afscheidsṭawāf) nog drie dagen in Makkah blijven na de voltooiing van de Ḥaj (na terugkeer uit Minā).”

[Het is bekend dat de Muhājirīn zich permanent in Madînah moesten vestigen en dat het hen verboden was om na de Hijrah Madînah weer te verlaten. Omdat deze regel strikt werd gehandhaafd, wees Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zelfs het verzoek tot terugkeer van een bedoeïen af.

De Muhājirīn mochten alleen kort in Makkah verblijven om noodzakelijke zaken af te handelen, waarna zij terug moesten keren naar Madînah. Daarom werd toegestaan dat zij na het verrichten van de ṭawāf al-wadāʿ maximaal drie dagen in Makkah mochten blijven.Tijdens de Ḥaj werd Saʿd ibn Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه) ernstig ziek en vreesde dat hij niet meer naar Madînah zou kunnen terugkeren. Hij was diep bedroefd. Hierop verrichtte Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de volgende smeekbede:

“Allāhumma atimm li aṣḥābī hijratahum wa lā taruddahum ʿalā aʿqābihim.”

(O Allāh, voltooi de Hijrah voor mijn metgezellen en breng hen niet terug naar waar ze vandaan kwamen.)Volgens sommige geleerden werd na de Verovering van Makkah de verplichting tot Hijrah opgeheven en daarmee ook het verbod voor de Muhājirīn om zich buiten Madīnah te vestigen.] (AFK)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond de Muḥājirīn, die vanuit Makkah naar Madīnah waren geëmigreerd, niet toe om na de verovering van Makkah in Makkah te blijven wonen.

Nadat zij hun Ḥaj-plichten hadden voltooid, stelde hij dat hun verblijf in Makkah niet langer dan drie dagen mocht duren en spoorde hij hen aan om terug te keren naar Madīnah.Het onnodig verblijven in Makkah zonder dringende reden kon niet alleen het evenwicht van het sociale leven verstoren, maar zou ook de geest van de Hijrah en het bewustzijn van het Muḥājir-zijn kunnen verzwakken.] (Diyanet)

De heiligheid van Makkah: haar jacht, planten, bomen en gevonden voorwerpen zijn verboden, behalve voor degene die het aankondigt

تحريم مكة وصيدها وخلاها وشجرها ولقطتها إِلا لمنشد على الدوام

٨٥٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ، يَوْمَ افْتَتَحَ مَكَّةَ: لاَ هِجْرَةَ وَلكِنْ جِهَادٌ وَنِيَّةٌ، وَإِذَا اسْتُنْفِرْتُمْ فَانْفِرُوا، فَإِنَّ هذَا بَلَدٌ حَرَّمَ اللهُ يَوْمَ خَلَقَ السَّموَاتِ وَالأَرْضَ، وَهُوَ حَرَامٌ بِحُرْمَةِ اللهِ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ، وَإِنَّهُ لَمْ يَحِلَّ الْقِتَالُ فِيهِ َلأحَدٍ قَبْلِى، وَلَمْ يَحِلَّ لِي إِلاَّ سَاعَةً مِنْ نَهَارٍ، فَهُوَ حَرَامٌ بِحُرْمَةِ اللهِ إِلَى يَوْمِ الْقِيَامَةِ، لاَ يُعْضَدُ شَوْكُهُ، وَلاَ يُنَفَّرُ صَيْدُهُ، وَلاَ يَلْتَقِطُ لُقَطَتَهُ إِلاَّ مَنْ عَرَّفَهَا، وَلاَ يُخْتَلَى خَلاَهَا

قَالَ الْعَبَّاسُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِلاَّ الإِذْخِرَ فَإِنَّهُ لِقَيْنِهِمْ وَلِبُيُوتِهِمْ قَالَ: قَالَ: إِلاَّ الإِذْخِرَ

859 – Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):Op de dag van de verovering van Makkah zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Na de verovering (van Makkah) is geen emigratie meer (vanuit Makkah), maar (de verplichting van) jihād en intentie blijft. En als jullie worden opgeroepen (voor de strijd), trek er dan op uit. Waarlijk, deze stad heeft Allāh heilig verklaard op de dag dat Hij de hemelen en de aarde schiep, en zij blijft heilig door Allāh’s heiligverklaring tot de Dag der Opstanding. Voorheen was het niemand toegestaan om hier oorlog te voeren; voor mij was het (slechts tijdelijk) toegestaan een gedeelte van de dag (van de verovering vanaf de opkomst van de zon tot de namiddag).

Nu is het weer heilig door Allāh’s heiligverklaring tot de Dag der Opstanding.Haar doornstruiken mogen niet worden gekapt, haar wild mag niet worden opgejaagd, en voorwerpen die men vindt mogen alleen worden meegenomen door degene die dit openbaar maakt. Haar begroeiing mag niet worden geplukt.ʿAbbās vroeg: “O Rasûlullâh, geldt dit niet voor de idhkhir (soort gras), aangezien het wordt gebruikt door onze smeden en voor onze huizen.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Behalve de idhkhir.”

٨٦٠ - حديث أَبِي شُرَيْحٍ، أَنَّهُ قَالَ لِعَمْرِو بْنِ سَعِيدٍ، وَهُوَ يَبْعَثُ الْبُعُوثَ إِلى مَكَّةَ: ائْذَنْ لِي أَيُّهَا الأَمِيرُ أُحَدِّثْكَ قَوْلًا قَامَ بِهِ النَّبِيُّ ﷺ، الْغَدَ مِنْ يَوْمِ الْفَتْحِ، سَمِعَتْهُ أُذُنَايَ، وَوَعَاهُ قَلْبِي، وَأَبْصَرَتْهُ عَيْنَايَ حِينَ تَكَلَّمَ بِهِ؛ حَمِدَ اللهَ وَأَثْنَى عَلَيْهِ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّ مَكَّةَ حَرَّمَهَا اللهُ وَلَمْ يُحَرِّمْهَا النَّاسُ، فَلاَ يَحِلُّ لاِمْرِئٍ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ أَنْ يَسْفِكَ بِهَا دَمًا، وَلاَ يَعْضِدَ بِهَا شَجَرَةً، فَإِنْ أَحَدٌ تَرَخَّصَ لِقِتَالِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِيهَا، فَقُولُوا إِنَّ اللهَ قَدْ أَذِنَ لِرَسُولِهِ وَلَمْ يَأْذَنْ لَكُمْ، وَإِنَّمَا أَذِنَ لِي فِيهَا سَاعَةً مِنْ نَهَارٍ، ثُمَّ عَادَتْ حُرْمَتُهَا الْيَوْمَ كَحُرْمَتِهَا بِالأَمْسِ، وَلْيُبَلِّغِ الشَّاهِدُ الْغَائِبَ فَقِيلَ لأبِي شُرَيْحٍ: مَا قَالَ عَمْرٌو قَالَ: أَنَا أَعْلَمُ مِنْكَ يَا شُرَيْحٍ لاَ يُعِيذُ عَاصِيًا وَلاَ فَارًّا بِدَمٍ وَلاَ فَارًّا بِخَرْبَةٍ860 – Abû Shurayh (رضي الله عنه) zei tegen 'Amr ibn Sa`îd, de amier van Makkah.

(In de tijd dat `Abdullah ibn Zubayr tijdens het khalifaat van Yazid ibn Muawiyah geen trouw had gezworen op de khaliefah.) (Daarop) stuurde hij militaire expedities naar Makkah (om `Abdullah te doden):“Sta mij toe, o amier, iets door te geven wat ik van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord tijdens een khutbah (preek) op de dag na de verovering van Makkah.

Mijn oren hebben het gehoord, mijn hart heeft het onthouden en mijn ogen hebben hem gezien toen hij het uitsprak. Hij prees en loofde Allāh, en zei toen: 'Waarlijk, Allāh heeft Makkah heilig verklaard, niet de mensen. Daarom is het voor niemand die in Allāh en de Laatste Dag gelooft toegestaan om daar bloed te vergieten of een boom te kappen. En als iemand zich beroept op het feit dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) daar heeft gevochten, zeg dan: “Allāh heeft dit slechts toegestaan voor Zijn Rasûl en niet voor jullie.” Voor mij was het slechts een deel van de dag toegestaan; nu is haar heiligheid hersteld zoals zij gisteren was. Laat degene die dit hoort het doorgeven aan degene die afwezig is.’ Toen werd tegen Abû Shurayh gevraagd: “Wat zei `Amr?”Hij antwoordde: “Ik weet beter dan jij, o Shurayh. Makkah biedt geen bescherming aan een zondaar, noch aan iemand die vlucht vanwege bloedwraak of misdaad.”

[In een andere ḥadīth wordt van Atâ overgeleverd:

“In de tijd van Yazīd ibn Mu‘āwiyah vielen de inwoners van Damascus Makkah aan en werd de Baytullāh (Kaʿbah) in brand gestoken. Toen dit gebeurde, liet ʿAbdullāh ibn Zubayr de Kaʿbah in vervallen staat, totdat de mensen tijdens het Ḥaj-seizoen zouden arriveren. Hiermee wilde hij het volk aansporen om tegen Yazīd ten strijde te trekken of hun mening over de Kaʿbah kenbaar te maken.

Toen het volk na de Ḥaj vertrok, vroeg ʿAbdullāh ibn Zubayr: “O gemeenschap! Wat vinden jullie van de Kaʿbah? Zal ik haar afbreken en opnieuw bouwen, of de vervallen delen herstellen?”

ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) antwoordde: “Het lijkt mij passend om de vervallen delen te herstellen en de Bayt in de staat te laten waarin de moslims haar aantreffen, evenals de stenen die zij zien – zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) die heeft aangetroffen toen hij als Boodschapper gezonden werd.”

Daarop zei ʿAbdullāh ibn Zubayr: “Als het huis van een van jullie zou afbranden, zou zijn hart pas tevreden zijn als het herbouwd is. Hoe kunnen jullie dan tevreden zijn met het Huis van jullie Rab? Ik zal drie nachten istikhārah doen (om leiding van Allāh vragen) en daarna mijn besluit nemen.”

Na drie nachten besloot hij de Kaʿbah af te breken. Het volk probeerde hem tegen te houden uit angst dat een ramp uit de hemel zou neerdalen op degene die als eerste de Kaʿbah zou beklimmen. Uiteindelijk klom een man op de Baytullāh en wierp een steen; toen het volk zag dat hem niets overkwam, volgden allen ʿAbdullāh ibn Zubayr en sloopten de Kaʿbah tot op de fundering.

ʿAbdullāh ibn Zubayr liet pilaren oprichten en bedekken met doeken om als qiblah te dienen totdat het gebouw weer volledig zou worden herbouwd. Hij zegt dat hij `Ā’ishah (رضي الله عنها) hoorde zeggen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had verklaard:

“Als het volk zich niet recent uit het ongeloof had bevrijd, zou ik vanaf de Hijr vijf arshin aan de Kaʿbah hebben toegevoegd en een deur hebben gemaakt om binnen te gaan en een andere om uit te gaan. Maar ik had geen geld om de bouw te financieren.”

ʿAbdullāh ibn Zubayr zei: “Vandaag zorg ik voor het geld om de Kaʿbah te herbouwen, en ik ben niet bang voor mensen.”

Volgens Atâ voegde ʿAbdullāh ibn Zubayr vijf arshin toe vanaf de Hijr aan de Kaʿbah. Hij liet een fundament openen om het aan het volk te tonen, en bouwde daar het nieuwe gebouw op. De lengte van de Kaʿbah werd achttien arshin. Toen hij dit te kort vond, voegde hij er tien arshin aan toe en maakte twee deuren: een om binnen te gaan en een andere om uit te gaan.

Toen ʿAbdullāh ibn Zubayr werd vermoord, schreef Hajjâj aan Marwān dat ʿAbdullāh ibn Zubayr de Kaʿbah op een rechtvaardig fundament had laten bouwen door de Makkanen.

Abdulmalik schreef: “Wij zijn niet verantwoordelijk voor eventuele fouten van ʿAbdullāh ibn Zubayr. Laat de lengte-toevoeging zoals die is, maar breng de toevoeging vanaf de Hijr terug naar de oorspronkelijke vorm en sluit de geopende deur.”

Daarop sloopte Hajjâj het gebouw en bracht de Kaʿbah terug naar de oorspronkelijke vorm.

(Bukhārī en Muslim)

Commentaar op de hadith over de Kaʿbah

De Kaʿbah als eerste gebouw voor aanbidding van AllahDe Kaʿbah is uniek omdat het volgens overleveringen het eerste gebouw op aarde is dat in de naam van Allah werd opgericht om Hem te aanbidden. Dit maakt het een centraal symbool van Tawhîd (de eenheid van Allah) en een herinnering dat aanbidding uitsluitend aan Allah toebehoort. De Kaʿbah fungeert als een aardse representatie van de hemelse Bayt al-Ma`mūr, waar de engelen aanbidding verrichten.

Ibrâhîm (عليه السلام) en de strijd tegen afgoderijDe hadith benadrukt dat Ibrâhîm (عليه السلام) de Kaʿbah bouwde nadat hij afgodsbeelden had vernietigd. Dit symboliseert de afwijzing van shirk en de nadruk op de absolute soevereiniteit van Allah. Het fysieke gebouw zelf is slechts steen en mortel; de echte waarde ligt in wat het vertegenwoordigt: de erkenning van Allah als enige God en het verbod op afgoderij.

De historische bouw en herbouw van de KaʿbahDe overleveringen vertellen dat de Kaʿbah in totaal 11 keer is (her)bouwd. Dit benadrukt dat het gebouw door de geschiedenis heen voortdurend onderhouden moest worden, omdat het door verval, natuurrampen, oorlogen en politieke gebeurtenissen beschadigd raakte. Het illustreert ook dat de heiligheid van de Kaʿbah niet afhankelijk is van de stenen zelf, maar van de functie en het doel: aanbidding van Allah.

Kort overzicht van de bouwfasen:

Eerste Kaʿbah: Gebouwd door engelen op bevel van Allah.

Tweede Kaʿbah: Door Âdem (عليه السلام).

Bouw door kinderen van Âdem: Met steen en klei, na zijn overlijden.

Na de zondvloed: Ibrâhîm (عليه السلام) en Ismâ’îl (عليه السلام).

Amalekieten: Herbouw na verval.

Jurhumieten: Herbouw.

Kusay b. Kilâb: Herbouw.

Quraysh: Herbouw vóór de tijd van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم).

Abdullah b. Zubayr (رضي الله عنه): Herbouw na verwoesting door Damascus.

Hajjâj ibn Yusuf: Herstel en terugbrengen naar oorspronkelijke afmetingen.

Ottomaanse sultans Ahmed en Murad: Latere renovaties en versterkingen.

De betekenis achter herbouw en renovatiesElke herbouw benadrukt de zorg voor het behoud van de Kaʿbah als symbool van Tawhîd en als centrale plaats van aanbidding. Het feit dat de Kaʿbah meerdere keren herbouwd is, toont aan dat haar heiligheid niet afhankelijk is van politieke machthebbers, maar van het doel van aanbidding.

Hedendaagse verbeteringenModerne renovaties zijn bedoeld om de veiligheid, toegankelijkheid en structurele integriteit van de Kaʿbah en de omliggende Masjid al-Harām te waarborgen. De essentie van de Kaʿbah blijft echter onveranderd: zij is een middelpunt voor de gebeden en Tawhîd van alle moslims.

Conclusie:De hadith benadrukt dat de Kaʿbah een symbool is van het geloof in Allah en het afwijzen van afgoderij. De stenen zelf zijn niet heilig; hun waarde ligt in de opdracht van Allah en de functie van de Kaʿbah als centrum van Tawhîd en aanbidding. Het herhaaldelijk afbreken en herbouwen door de geschiedenis heen illustreert dat de structurele vorm kan veranderen, maar de spirituele betekenis en het doel van de Kaʿbah onveranderd blijven..] (HA)

٨٦١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: لَمَّا فَتَحَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ ﷺ مَكَّةَ، قَامَ فِي النَّاسِ فَحَمِدَ اللهَ وَأَثْنَى عَلَيْهِ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّ اللهَ حَبَسَ عَنْ مَكَّةَ الْفِيلَ، وَسَلَّطَ عَلَيْهَا رَسُولَهُ وَالْمُؤْمِنِينَ فَإِنَّهَا لاَ تَحِلُّ َلأحَدٍ كَانَ قَبْلِي، وَإِنَّهَا أُحِلَّتْ لِي سَاعَةً مِنْ نَهَارٍ وَإِنَّهَا لاَ تَحِلُّ َلأحَدٍ بَعْدِي، فَلاَ يُنَفَّرُ صَيْدُهَا، وَلاَ يُخْتَلَى شَوْكُهَا، وَلاَ تَحِلُّ سَاقِطَتُهَا إِلاَّ لِمُنْشِدٍ، وَمَنْ قُتِلَ لَهُ قَتِيلٌ فَهُوَ بِخَيْرِ النَّظَرَيْنِ: إِمَّا أَنْ يُفْدَى وَإِمَّا أَنْ يُقِيدَ فَقَالَ الْعَبَّاسُ: إِلاَّ الإِذْخِرَ، فَإِنَّا نَجْعَلُهُ لِقُبُورِنَا وَبُيُوتِنَا؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِلاَّ الإِذْخِرَ فَقَامَ أَبُو شَاهٍ، رَجُلٌ مِنْ أَهْلِ الْيَمَنِ؛ فَقَالَ: اكْتُبُوا لِي يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اكْتُبُوا َلأبِي شَاهٍ861 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Toen Allāh aan Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) de overwinning op Makkah schonk, stond hij voor de menigte op, prees Allāh en loofde Hem, en zei toen:“Waarlijk, Allāh heeft de olifant (van Abraha) tegengehouden om Makkah binnen te gaan, maar Hij heeft Zijn Rasûl en de gelovigen daarin doen zegevieren.Niemand vóór mij mocht het ontwijden (om in Makkah te strijden), niemand na mij mag het ontwijden.

Ik mocht het slechts korte tijd ontwijden en op dit ogenblik is het gewijd gebied.

(Het slechts gedurende een gedeelte van de dag toegestaan om tegen de polytheisten op te treden.

Na mij zal strijd daar voor niemand meer zijn toegestaan.)De jacht in Makkah is verboden, haar doornstruiken mogen niet worden uitgerukt, (haar bomen worden er niet omgehakt), en haar gevonden voorwerp mag alleen worden opgeraapt door iemand die daar melding van maakt.

Wie iemand zijn er twee mogelijkheden: hem wordt een bloedprijs gegeven of er vindt wedervergelding plaats."Daarop zei `Abbās: “Behalve de idhkhir-plant, want die gebruiken wij voor onze graven en huizen.”Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Behalve de idhkhir.”

Vervolgens stond Abū Shāh, een man uit Jemen, op en vroeg: “O Rasûlullâh, mag ik dit opschrijven?”Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Schrijf het op voor Abū Shāh.”

Later vroeg de verteller van de ḥadīth, al-Walīd, aan al-Awzāʿī: “Wat bedoelde Abū Shāh?”Hij antwoordde: “Hij wilde dat de woorden van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) werden opgeschreven, zodat ze niet verloren zouden gaan.”

[Idhkhir is een geurige grassoort die bekendstaat als ‘Makkah-gras’. Deze ḥadīth, ook wel de ‘Ḥadīth van Abū Shāh’ genoemd, vormt belangrijk bewijs dat overleveringen van Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) al tijdens zijn leven werden opgeschreven. Bovendien leert deze ḥadīth ons dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) onder bepaalde omstandigheden uitzonderingen kon toestaan op algemene verboden..] (AFK)

Toegestane binnenkomst in Makkah zonder iḥrāmجواز دخول مكة بغير إِحرام

٨٦٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ دَخَلَ عَامَ الْفَتْحِ وَعَلَى رَأْسِهِ الْمِغْفَرُ، فَلَمَّا نَزَعَهُ جَاءَ رَجُلٌ، فَقَالَ: إِنَّ ابْنَ خَطَلٍ مُتَعَلِّقٌ بِأَسْتَارِ الْكَعْبَةِ، فَقَالَ: اقْتُلُوهُ

862 - Van Anas Ibn Mâlik (رضي الله عنه):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van de inname Makkah binnentrok, droeg hij een maliënkap op zijn hoofd. Nadat hij deze afnam, kwam er een man naar hem toe en zei: “Ibn Khaṭal heeft zich vastgeklampt aan het kleed van de Kaʿbah.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval daarop: “Dood hem.”[Ibn Khaṭal was aanvankelijk moslim en diende zelfs als schrijver van de openbaring. Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) had hem aangesteld om zakāh te innen en gaf hem een helper uit de Ansār mee. Onderweg vermoordde hij deze metgezel, verzaakte de Islām en vluchtte vervolgens naar Makkah. Daar zong hij samen met zijn twee slavinnen gedichten en liederen waarin hij Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) belachelijk maakte. Toen Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) Makkah binnentrok, kondigde hij een algemene amnestie af, maar hij sloot vier mannen en twee vrouwen uit van deze vergiffenis, waaronder Ibn Khaṭal. Abû Barzah (رضي الله عنه) doodde vervolgens Ibn Khaṭal.] (AFK)

De deugdzaamheid van Madīnah, de smeekbede van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor haar zegeningen, en de verklaring van haar heiligheid, evenals het verbod op haar jacht en bomen, en de vaststelling van haar grenzen

فضل المدينة ودعاء النبي ﷺ فيها بالبركة وبيان تحريمها وتحريم صيدها وشجرها وبيان حدود حرمها

٨٦٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: إِنَّ إِبْرَاهِيمَ حَرَّمَ مَكَّةَ وَدَعَا لَهَا وَحَرَّمْتُ الْمَدِينَةَ كَمَا حَرَّمَ إِبْرَاهِيمُ مَكَّةَ وَدَعَوْتُ لَهَا، فِي مُدِّهَا وَصَاعِهَا، مِثْلَ مَا دَعَا إِبْرَاهِيمُ عَلَيْهِ السَّلاَمُ لِمَكَّةَ

863 - Van `Abdullah Ibn Zayd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: Voorwaar, “Ibrāhīm عليه السلام heeft Makkah heilig verklaard en heeft tot Allāh gebeden dat het gezegend zou maken. Op dezelfde manier heb ik Madīnah heilig verklaard, zoals Ibrāhīm (عليه السلام) Makkah heilig verklaarde. En ik heb voor Madînah gebeden dat haar maat (mud) en schaal (ṣāʿ) gezegend mogen zijn, net zoals Ibrāhīm (عليه السلام) voor Makkah heeft gebeden (dat zij gezegend zou zijn).”

٨٦٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لأبِي طَلْحَةَ الْتَمِسْ غُلاَمًا مِنْ غِلْمَانِكُمْ يَخْدُمُنِي فَخَرَجَ أَبُو طَلْحَةَ يُرْدِفنِي وَرَاءَهُ، فَكُنْتُ أَخْدُمُ رَسُولَ اللهِ ﷺ كُلَّمَا نَزَلَ، فَكُنْتُ أَسْمَعُهُ يُكْثِرُ أَنْ يَقُولَ: اللهُمَّ إِنِّي أَعُوذُ بِكَ مِنَ الْهَمِّ وَالْحَزَنِ، وَالْعَجْزِ وَالْكَسَلِ، وَالْبُخْلِ وَالْجُبْنِ، وَضَلَعِ الدَّيْنِ وَغَلَبَةِ الرِّجَالِ فَلَمْ أَزَلْ أَخْدُمُهُ حَتَّى أَقْبَلْنَا مِنْ خَيْبَرَ، وَأَقْبَلَ بِصَفِيَّةَ بِنْتِ حُيَيٍّ، قَدْ حَازَهَا، فَكُنْتُ أَرَاهُ يُحَوِّى وَرَاءَهُ بِعَبَاءَةٍ أَوْ بِكِسَاءٍ، ثُمَّ يُرْدِفُهَا وَرَاءَهُ، حَتَّى إِذَا كُنَّا بِالصَّهْبَاءِ صَنَعَ حَيْسًا فِي نِطَعٍ، ثُمَّ أَرْسَلَنِي، فَدَعَوْتُ رِجَالًا فَأَكَلُوا، وَكَانَ ذَلِكَ بِنَاءَهُ بِهَا ثُمَّ أَقْبَلَ حَتَّى إِذَا بَدَا لَهُ أُحُدٌ؛ قَالَ: هذَا جَبَلٌ يُحِبُّنَا وَنُحِبُّهُ فَلَمَّا أَشْرَفَ عَلَى الْمَدِينَةِ، قَالَ: اللهُمَّ إِنِّي أُحَرِّمُ مَا بَيْنَ جَبَلَيْهَا مِثْلَ مَا حَرَّمَ بِهِ إِبْرَاهِيمُ مَكَّةَ، اللهُمَّ بَارِكْ لَهُمْ فِي مُدِّهِمْ وَصَاعِهِمْ864 - Van Anas Ibn Mâlik (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Abû Talhah: “Zoek een jongen onder jullie jongens die mij kan dienen (als ik naar Khaybar ga).” Abû Talhah (Anas’ stiefvader) nam mij mee en liet mij achter hem rijden.

Zo diende ik Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) telkens wanneer hij afstapte. Ik hoorde hem vaak zeggen: “O Allāh, ik zoek toevlucht bij U tegen zorgen en verdriet, tegen onmacht en luiheid, tegen gierigheid en lafheid, tegen de last van schulden en overweldigd worden door de vijanden.”Ik bleef hem dienen totdat wij terugkeerden van Khaybar. Hij keerde terug met Ṣafiyyah bint Ḥuyay, die hij tot (zijn vrouw) had toegewezen.Ik zag hem een mantel of een deken achter zich leggen, zodat zij daarop meerijden kon. Toen wij bij aṣ-Ṣahbā’ aankwamen, maakte hij een ḥays (een gerecht van dadels, ghee en bloem) op een kleed en stuurde mij eropuit. Ik nodigde daar mannen mee uit, en zij aten ervan. Dit markeerde zijn huwelijk met haar.Daarna vervolgden wij onze weg tot de berg Uḥud in zicht kwam. Hij zei:“Dit is een berg die van ons houdt en waar wij van hem houden.”Toen hij Madīnah zag, bad hij:“O Allāh, ik verklaar het gebied tussen haar twee bergen heilig, zoals Ibrāhīm (عليه السلام) Makkah heilig verklaarde. O Allāh, zegen hen in hun mud en ṣāʿ (maten voor voedsel).”

[Sinds de tijd van Ibrâhîm (عليه السلام) is Makkah tot een ḥarām, een heilig en beschermd gebied, verklaard. Ook Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft Madīnah tot ḥarām verklaard. Het tot ḥarām verklaren van een plaats betekent in de eerste plaats dat het verboden is om in dat gebied gras, bomen of andere planten af te snijden of te plukken, en dat het verboden is om op wilde dieren te jagen of deze te doden.

Deze eeuwenoude maatregel, bedoeld ter bescherming van de heilige gebieden, vertoont in de moderne tijd een zekere gelijkenis met begrippen als “nationaal park”, “groene zone”, “groen gebied” of “beschermd natuurgebied”.

Wat betreft de grenzen van de ḥarām-gebieden bestaan er verschillende overleveringen en beschrijvingen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stelde, om het belang en de ernst van deze verboden te benadrukken, zware morele en praktische sancties in tegen degenen die deze heiligheid schenden.

Bij de bescherming van de ḥarām-gebieden werden niet alleen opzettelijke overtredingen bestraft, maar ook onopzettelijke overtredingen vielen onder bepaalde sancties, zodat de heiligheid van deze gebieden te allen tijde gewaarborgd bleef.

Het verbod op het kappen van planten en het doden van dieren in Makkah en Madīnah dient dus om de levende natuur in en rondom deze twee heilige steden te beschermen en te behouden.] (HA)

٨٦٥ - حديث أَنَسٍ عَنْ عَاصِمٍ، قَالَ: قُلْتُ َلأنَسٍ أَحَرَّمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الْمَدِينَةَ قَالَ: نَعَمْ مَا بَيْنَ كَذَا إِلَى كَذَا، لاَ يُقْطَعُ شَجَرُهَا، مَنْ أَحْدَثَ فِيهَا حَدَثًا فَعَلَيْهِ لَعْنَةُ اللهِ وَالْمَلاَئِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِين

قَالَ عَاصِمٌ: فَأَخْبَرَنِي مُوسى بْنُ أَنَسٍ أَنَّهُ قَالَ، أَوْ آوَى مُحْدِثًا

865 - Van Anas via `Asim (رضي الله عنهما)::Ik vroeg aan Anas: “Heeft Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) Madīnah verboden (Haram) verklaard?' Hij antwoordde: “Ja, van hier tot daar. (Binnen dit gebied) is het verboden om de bomen te kappen. Wie hier een bid`ah (nieuwlichterij in het geloof (īmān) daarin begaat, op hem is de vervloeking van Allāh, de engelen, en van alle mensen.”Asim zei: “Mūsâ ibn Anas heeft me verteld dat hij zei: of degene die een mubta`i (degene die bid`ah introduceert) opvangt.”

٨٦٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: اللهُمَّ بَارِكْ لَهُمْ فِي مِكْيَالِهِمْ، وَبَارِكْ لَهُمْ فِي صَاعِهِمْ وَمُدِّهِمْ يَعْنِي أَهْلَ الْمَدِينَةِ866 - Van Anas ibn Mâlik رضي الله عنه:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Allāh, zegen hen in hun maatbekers en zegen hen in hun schaal en maat (mud en ṣāʿ),” dat wil zeggen de mensen van Madīnah.’

[“Wat bedoeld wordt met de zegeningen in de maatbekers sāʿ en mud in de ahādīth, is dat het voedsel dat met deze maten wordt afgemeten gezegend en overvloedig is.”] (HY)

٨٦٧ - حديث أَنَسٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: اللهُمَّ اجْعَلْ بِالْمَدِينَةِ ضِعْفَيْ مَا جَعَلْتَ بِمَكَّةَ مِنَ الْبَرَكَةِ867 - Van Anas رضي الله عنه:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Allāh, laat Madīnah overvloediger gezegend zijn, tweemaal zoveel als U Makkah hebt gezegend.

”٨٦٨ - حديث عَلِيٍّ ﵁ خَطَبَ عَلَى مِنْبَرٍ مِنْ آجُرٍّ وَعَلَيْهِ سَيْفٌ فِيهِ صَحِيفَةٌ مُعَلَّقَةٌ، فَقَالَ: وَاللهِ مَا عِنْدَنَا مِنْ كِتَابٍ يُقْرَأُ إِلاَّ كِتَابُ اللهِ، وَمَا فِي هذِهِ الصَّحِيفَةِ فَنَشَرَهَا فَإِذَا فِيهَا: أَسْنَانُ الإِبِلِ؛ وَإِذَا فِيهَا: الْمَدِينَةُ حَرَمٌ مِنْ عَيْرٍ إِلَى كَذَا، فَمَنْ أَحْدَثَ فِيهَا حَدَثًا فَعَلَيْهِ لَعْنَةُ اللهِ وَالْمَلاَئِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ، لاَ يَقْبَلُ اللهُ مِنْهُ صَرْفًا وَلاَ عَدْلًا؛ وَإِذَا فِيهِ: ذِمَّةُ الْمُسْلِمِينَ وَاحِدَةٌ يَسْعَى بِهَا أَدْنَاهُمْ، فَمَنْ أَخْفَرَ مُسْلِمًا فَعَلَيْهِ لَعْنَةُ اللهِ وَالْمَلاَئِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ، لاَ يَقْبَلُ اللهُ مِنْهُ صَرْفًا وَلاَ عَدْلًا؛ وَإِذَا فِيهَا: مَنْ وَالَى قَوْمًا بِغَيْرِ إِذْنِ مَوَالِيهِ فَعَلَيْهِ لَعْنَةُ اللهِ وَالْمَلاَئِكَةِ وَالنَّاسِ أَجْمَعِينَ، لاَ يَقْبَلُ اللهُ مِنْهُ صَرْفًا وَلاَ عَدْلًا868 - Van Yazîd İbnu Shurayh ( رضي الله عنه): Alī (رضي الله عنه) hield een toespraak vanaf een minbar van gebakken stenen, terwijl hij een zwaard droeg waarin een perkament aan een koord hing.

Hij zei: “Bij Allāh! Wij bezitten geen boek dat gelezen wordt, behalve het Boek van Allāh.

En wat zich in deze bladzijde bevindt.”Daarop opende hij die bladzijde, en daarin stond:1) De leeftijden van boete-kamelen (die geofferd worden vanwege een boetedoening)(2) Al-Madīnah is een heilig gebied tussen (de berg) `Ayr tot aan zo-en-zoEn wie daarin een bid`ah introduceert, over hem is de vloek van Allāh, de engelen, en alle mensen gezamenlijk.

Allāh zal van hem noch verplichte (ṣarf) noch vrijwillige (ʿadl) daden accepteren.(3) De bescherming van de moslims is één; de minst aanzienlijke onder hen kan die geven. Wie een moslim verraadt (door die bescherming te breken), op hem rust de vloek van Allāh, de engelen, en alle mensen gezamenlijk. Allāh zal van hem noch verplichte noch vrijwillige daden accepteren.”(4) Wie een volk als deelgenoten neemt zonder toestemming van hun heer/meester (muwālī), op hem rust de vloek van Allāh, de engelen, en alle mensen gezamenlijk. Allāh zal van hem geen verplichte noch vrijwillige daden accepteren.”

٨٦٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّهُ كَانَ يَقُولُ: لَوْ رَأَيْتُ الظِّبَاءَ بِالْمَدِينَةِ تَرْتَعُ مَا ذَعَرْتُهَا قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا بَيْنَ لابَتَيْهَا حَرَامٌ869 – Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: “Als ik de gazellen in Madīnah zou zien rondrennen, zou ik ze niet verjagen.”Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Alles tussen de twee zwarte bergen van Madînah is verboden (harām).”

De aanmoediging om in Madīnah te wonen en geduld te hebben met de moeilijkheden die het met zich meebrengt

الترغيب في سكنى المدينة والصبر على لأوائها

٨٧٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اللهُمَّ حَبِّبْ إِلَيْنَا الْمَدِينَةَ كَمَا حَبَّبْتَ إِلَيْنَا مَكَّةَ أَوْ أَشَدَّ، وَانْقُلْ حُمَّاهَا إِلَى الْجُحْفَةِ، اللهُمَّ بَارِكْ لَنَا فِي مُدِّنَا وَصَاعِنَا

870 – Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Allāh, maak Madînah voor ons geliefd, zoals U Makkah voor ons geliefd hebt gemaakt, of zelfs meer. Verplaats de Ḥummā ziekte (koortsachtige ziekten, zoals malaria, tyfus, pest die in Madînah heerst) naar al-Juhfah. O Allāh, zegen onze (landbouw producten) in onze ṣāʿ (maat voor granen) en onze mud (maat voor volume).”

[al-Juhfah is een plaats op ongeveer 187 km van Makkah, waar het heilige gebied van Makkah begint. De wens dat de Ḥummā naar al-Juhfah zou gaan, was een verzoek om het voor de moslims moeilijk gemaakte land van de polytheïsten te treffen, aangezien dit gebied de vijanden van de moslims was. Madīnah werd door deze gebeden mooier, met een beter klimaat en zoet water, en de Ḥummā ging naar al-Juhfah.] (AFK)

De bescherming van Madīnah tegen de pest en de Dajjāl die erin zouden kunnen komen

صيانة المدينة من دخول الطاعون والدجال إِليها

٨٧١ – حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: عَلَى أَنْقَابِ الْمَدِينَةِ مَلاَئِكَةٌ لاَ يَدْخُلُهَا الطَّاعُونُ وَلاَ الدَّجَّالُ

871 – Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de toegangswegen (of toegangspunten) van Madīnah houden engelen de wacht. Ze zorgen ervoor dat noch de pest (ta`ûn) en noch de Dajjāl (Antichrist) kunnen binnendringen.”

Madînah stoot haar slechtste mensen af

المدينة تنفي شرارها

٨٧٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أُمِرْتُ بِقَرْيَةٍ تَأْكُلُ الْقُرَى، يَقُولُونَ يَثْرِبُ، وَهِيَ الْمَدِينَةُ تَنْفِي النَّاسَ كَمَا يَنْفِي الْكِيرُ خَبَثَ الْحَدِيدِ

872 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben bevolen om een stad te betreden die andere steden verslindt/overtreft. Ze hebben haar Yathrib genoemd, (maar de naam die bij haar echt past) is Madînah. Madînah reinigt zichzelf van slechte mensen, zoals een smid het vuil van ijzer verwijdert..”

٨٧٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، أَنَّ أَعْرَابِيًّا بَايَعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَلَى الإِسْلاَمِ، فَأَصَابَ الأَعْرَابِيَّ وَعْكٌ بِالْمَدِينَةِ، فَأَتَى الأَعْرَابِيُّ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَقِلْنِي بَيْعَتِي، فَأَبى رَسُولُ اللهِ ﷺ؛ ثُمَّ جَاءَهُ، فَقَالَ: أَقِلْنِي بَيْعَتِي، فَأَبى؛ ثُمَّ جَاءَهُ فَقَالَ: أَقِلْنِي بَيْعَتِي، فَأَبى؛ فَخَرَجَ الأَعْرَابِيُّ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّمَا الْمَدِينَةُ كَالْكِيرِ تَنْفِي خَبَثَهَا وَيَنْصَعُ طِيبُهَا873 - Van Jabar ibn `Abdullah رضي الله عنه:Een bedoeïen kwam naar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) om de eed van trouw (bay`ah) op Islām af te leggen. De bedoeïen werd ziek in Madînah en ging naar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) toe en zei: “O Rasûlullâh, laat me mijn eed van trouw intrekken.”Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) weigerde.

De bedoeïen kwam opnieuw en (herhaalde zijn verzoek) en zei: “Laat me mijn eed van trouw intrekken.”(Wederom weigerde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم).)Toen de bedoeïen (een derde keer kwam) en vroeg: “Laat me mijn eed van trouw intrekken.”(Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) weigerde opnieuw.) De bedoeïen vertrok uiteindelijk en Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Madînah is als een smid: het verwijdert het slechte en maakt het goede nog duidelijker (zichtbaar).”

٨٧٤ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنَّهَا طَيْبَةُ تَنْفِي الْخَبَثَ كَمَا تَنْفِي النَّارُ خَبَثَ الْفِضَّةِ874 - Van Zayd ibn Thâbit رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, Madīnah is reinigend, zoals het vuur het onzuivere zilver reinigt.”

Wie de mensen van Madīnah kwaad wil doen, zal door Allāh worden verzwolgen

من أراد أهل المدينة بسوء أذابه الله

٨٧٥ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يَكِيدُ أَهْلَ الْمَدِينَةِ أَحَدٌ إِلاَّ انْمَاعَ كَمَا يَنْمَاعُ الْمِلْحُ فِي الْمَاءِ

875 - Van Sa'd ibn Abī Waqqās رضي الله عنه:Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “ Niemand van de mensen van Madīnah kan kwaad plannen zonder dat het verbrokkelt zoals zout in water oplost.”

De aanmoediging om na de verovering van de steden in Madīnah te zijn

الترغيب في المدينة عند فتح الأمصار

٨٧٦ - حديث سُفْيَانَ بْنِ أَبِي زُهَيْرٍ ﵁، أَنَّهُ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: تُفْتَحُ الْيَمَنُ فَيَأْتِي قَوْمٌ يُبِسُّونَ فَيَتَحَمَّلُونَ بِأَهْلِهِمْ وَمَنْ أَطَاعَهُمْ، وَالْمَدِينَةُ خَيْرٌ لَهُمْ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ، وَتَفْتَحُ الشَّامُ فَيَأْتِي قَوْمٌ يُبِسُّونَ فَيَتَحَمَّلُونَ بِأَهْلِيهِمْ وَمَنْ أَطَاعَهُمْ، وَالْمَدِينَةُ خَيْرٌ لَهُمْ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ؛ وَتُفْتَحُ الْعِرَاقُ فَيَأْتِي قَوْمٌ يُبِسُّونَ فَيَتَحَمَّلُونَ بِأَهْلِيهِمْ وَمَنْ أَطَاعَهُمْ، وَالْمَدِينَةُ خَيْرٌ لَهُمْ لَوْ كَانُوا يَعْلَمُونَ

876 - Van Sufyān ibn Abī Zuhayr رضي الله عنهIk hoorde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Jemen zal worden veroverd. Een volk (Jemen veroveraars) zal komen dat zich daar vestigt (in Jemen). Hun families en degenen die hen gehoorzamen zullen ze meenemen (naar Yemen verhuizen). Maar Madînah is beter voor hen als zij het maar wisten. En Shâm zal worden veroverd. Een volk (Shâm veroveraars) zal komen dat zich vestigt (in Shâm). Hun families en degenen die hen gehoorzamen zullen ze meenemen (naar Shâm verhuizen). Maar Madînah is beter voor hen als zij het maar wisten. En Iraq zal worden veroverd. Een volk (`Iraq veroveraars) zal komen dat zich vestigt (in `Iraq). Hun families en degenen die hen gehoorzamen zullen ze meenemen (naar Iraq verhuizen). Maar Madînah is beter voor hen als zij het maar wisten.

De bewoners van Madînah zullen haar verlaten

في المدينة حين يتركها أهلها

٨٧٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: يَتْرُكُونَ الْمَدِينَةَ عَلَى خَيْرِ مَا كَانَتْ لاَ يَغْشَاهَا إِلاَّ الْعَوَافِ يُرِيدُ عَوَافِيَ السِّبَاعِ وَالطَّيْرِ وَآخِر مَنْ يَحْشَرُ رَاعِيَانِ مِنْ مُزَيْنَةَ يُرِيدَانِ الْمَدِينَةَ، يَنْعَقَانِ بِغَنَمِهِمَا فَيَجِدَانِهَا وَحْشًا، حَتَّى إِذَا بَلَغَ ثَنِيَّةَ الْوَدَاعِ خَرَّا عَلَى وُجُوهِهِمَا

877 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه: Ik hoorde Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'Eens zullen ze Madînah verlaten op het beste moment (van haar bloei). Daarna zal er niets anders in haar zijn dan de zwervers, op zoek naar wilde dieren en vogels. En de laatste mensen die aankomen zullen twee herders van de stam van Muzaynah zijn, die met hun schapen naar Madînah willen. Ze zullen hun schapen roepen, maaar de stad verlaten en onbewoond aantreffen.Pas wanneer zij de plek bereiken die bekend staat als Thaniyyat al-Wada' (de plek van afscheid), zullen ze op hun gezichten vallen (en sterven).

[Deze ḥadīth wijst op een toekomstige situatie, waarschijnlijk in de eindtijd. De stad Madīnah, ooit het centrum van beschaving en voorspoed, zal verlaten worden. Dit zal gebeuren doordat mensen zullen emigreren naar het grotere islamitische gebied dat na de veroveringen ontstond. Door de verwarring en onrust die volgt, zal de stad aan haar lot worden overgelaten, verlaten door mens en dier.

Er wordt verteld dat twee herders van de stam Muzaynah, die hun schapen in Madīnah lieten grazen, op dat moment van angst neervallen. Zij zullen de laatste zijn die worden herrezen.] (Diyanet)

Tussen het graf en de minbar is een tuin van de tuinen van het Paradijs.

ما بين القبر والمنبر روضة من رياض الجنة

٨٧٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَيْدٍ الْمَازِنِيِّ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَا بَيْنَ بَيْتِي وَمِنْبَرِى رَوْضَةٌ مِنْ رِيَاضِ الْجَنَّةِ

878 - Van `Abdullah ibn Zayd al-Māzinī (رضي الله عنه):Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tussen mijn huis en mijn minbar ligt een tuin van de tuinen van het Paradijs.”

٨٧٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَا بَيْنَ بَيْتِي وَمِنْبَرِي رَوْضَةٌ مِنْ رِيَاضِ الْجَنَّةِ، وَمِنْبَرِي عَلَى حَوْضِي879 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het gebied tussen mijn huis en mijn minbar is een tuin uit de tuinen van het Paradijs, en mijn minbar bevindt zich boven mijn bassin (Ḥawd).”

[De term “Ḥawḍ” verwijst naar een groot bassin in het Hiernamaals, waar Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) samen met de gelovigen zal zijn. Er zijn vele aḥādīth die spreken over de schoonheid, de omvang en wie er water uit dit bassin mogen drinken. Volgens overleveringen ligt de ḥawḍ boven de grote paradijselijke rivier al-Kawthar.

In deze overlevering wordt vermeld dat de minbar in de moskee van Madīnah zich boven het ḥawḍ bevindt. Dit duidt niet zozeer op een fysieke plaatsbepaling, maar eerder op de spirituele betekenis van de minbar en de moskee. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gezegd: “Tussen mijn huis en mijn minbar bevindt zich een van de tuinen van de Tuinen van het Paradijs.” Hiermee wordt de verhevenheid van deze gezegende plaats benadrukt.] (Diyanet)

Uḥud is een berg die van ons houdt en wij houden van hem

أحد جبل يحبنا ونحبه

٨٨٠ - حديث أَبِي حُمَيْدٍ، قَالَ: أَقْبَلْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ مِنْ غَزْوَةِ تَبُوكَ، حَتَّى إِذَا أَشْرَفْنَا عَلَى الْمَدِينَةِ، قَالَ: هذِهِ طَابَةُ وَهذَا أُحُدٌ، جَبَلٌ يُحِبُّنَا وَنُحِبُّهُ

880 - Van Abū Ḥumayd رضي الله عنه: We keerden terug van de veldtocht naar Tabūk met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Toen we bij Madīnah aankwamen zei hij: 'Dit is Ṭābah (zuiver/goed: Madînah) en dit is Uḥud, een berg die van ons houdt en wij houden van hem.

[Deze zin, die de liefdevolle band van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met de natuur benadrukt, laat zien dat de relatie tussen mens en omgeving wederkerig is. De omgeving is geen verzameling zielloze objecten die louter ter beschikking van de mens staan; zij staat in een dynamische wisselwerking met de mens. Allāh heeft de mens binnen een omgeving geschapen en hem daarin tot een bewust, verantwoordelijk en uitverkoren wezen gemaakt. Vervolgens heeft Hij de zorg voor deze omgeving aan de mens toevertrouwd.

Het behoud van dit toevertrouwde goed en het doorgeven ervan aan toekomstige generaties in een leefbare staat is slechts mogelijk door liefde en verantwoordelijkheidsbesef. Het is opmerkelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ieder element van de omgeving — planten, dieren, water en aarde — een intrinsieke waarde toekende, omdat Allāh deze schepselen waardig heeft geacht om te bestaan. Hij beschermde en verzorgde deze schepselen met een barmhartige en zorgzame blik.] (Diyanet)

De voortreffelijkheid van de ṣalāh in mijn moskeeën in Makkah en Madīnah

فضل الصلاة بمسجدي مكة والمدينة

٨٨١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: صَلاَةٌ فِي مَسْجِدِي هذَا خَيْرٌ مِنْ أَلْفِ صَلاَةٍ فِيمَا سِوَاهُ، إِلاَّ الْمَسْجِدَ الْحَرَامَ

881 - Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een ṣalāh in mijn moskee (Masjid an-Nabawī) is beter dan duizend ṣalawāt elders, behalve in al-Masjid al-Haram.”

[In een andere overlevering (door al-Ṭabarānī) wordt verteld dat Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een salâh in de Masjid al-Ḥarām is gelijk aan honderdduizend ṣalawāt, salâh in mijn moskee is gelijk aan duizend en een salâh in Bayt al-Maqdis is gelijk aan vijfhonderd.”In een andere ḥadīth zegt hij ook: “De salâh in mijn moskee is duizend keer beter dan de salâh in andere moskeeën, behalve de Masjid al-Ḥarām. De salâh in de Masjid al-Ḥarām is honderdduizend keer beter dan de salâh in andere moskeeën.”Wat betreft de verering van de Masjid al-Qubā, Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De salâh in de Masjid al-Qubā is gelijk aan het verrichten van een `umrah.”] (AFK)

Men moet geen reis ondernemen behalve naar drie moskeeën: Masjid al-Haram, mijn moskee (Masjid an-Nabawi) en Masjid al-Aqsâ

لا تشد الرحال إِلا إِلى ثلاثة مساجد

٨٨٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ تُشَدُّ الرِّحَالُ إِلاَّ إِلَى ثَلاَثَةِ مَسَاجِدَ: الْمَسْجِدِ الْحَرَامِ، وَمَسْجِدِ الرَّسُولِ ﷺ، وَمَسْجِدِ الأَقْصى

882 - Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Men moet geen reis ondernemen behalve naar drie moskeeën: Masjid al-Haram, Masjid Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) en Masjid al-Aqsâ.”

[In de voorgaande ḥadīth wordt een bijzondere gunst voor deze ummah benadrukt: de toestemming om overal waar de aarde schoon is salâh te verrichten [Bukhārī, Tayammum: 1; Muslim, Masājid: 3].

Daarom is het het beste om salâh te verrichten op de momenten waarop de tijd het toelaat. Salâh verrichten in moskeeën anders dan Masjid al-Ḥarām, Masjid al-Rasūl, Masjid al-Aqsā en Masjid al-Qubā wordt niet beschouwd als een bijzondere vorm van verheerlijking.

Toch is het toegestaan om naar andere moskeeën te gaan met de bedoeling salâh te verrichten achter een vooraanstaande imām, wat op zichzelf een verdienste heeft, en niet vanwege de moskee zelf.] (AFK)

[Moskeeën dragen een bijzondere spirituele waarde omdat zij takken zijn van de huizen van Allāh (baytu’llaah). In de ḥadīth wordt echter duidelijk gemaakt dat drie moskeeën een unieke en hogere betekenis hebben dan de overige. Deze bijzondere positie hangt rechtstreeks samen met de historische waarde die zij hebben gedragen en met het ideaal dat zij voor de mensheid symboliseren.

De Kaʿbah heeft een onschatbare betekenis in de geschiedenis van de tawḥīd, die teruggaat tot Ibrāhīm (عليه السلام) en Ādam (عليه السلام). Ook Masjid al-Aqṣā, de eerste qiblah van de moslims en een heilige plaats voor eerdere profeten (عليهم السلام), bezit een enorme historische en spirituele waarde. Masjid an-Nabawī, gebouwd in Madīnah na de Hijrah door de inspanningen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf en getuige van bijna zijn gehele leven in Madīnah, ontleent zijn bijzondere betekenis vanzelfsprekend aan de persoon van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn rol in de Islām.

Daarom maakte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duidelijk dat er geen verschil in religieuze voortreffelijkheid bestaat tussen de overige moskeeën, maar dat juist voor deze drie moskeeën gereisd kan worden vanwege hun onvergelijkbare betekenis voor de geschiedenis van de mensheid. Bovendien is de ṣalāh die in deze moskeeën wordt verricht vele malen verdienstelijker dan die in andere moskeeën.] (Diyanet)

De voortreffelijkheid van Masjid al-Qubā en de ṣalāh daarin en het bezoeken ervan

فضل مسجد قباء وفضل الصلاة فيه وزيارته

٨٨٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يَأْتِي قُبَاءً رَاكِبًا وَمَاشِيًا

883 - Van Ibn 'Umar (رضي الله عنهما): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam naar Masjid al-Qubā, zowel rijdend als te voet.