Kitabû’l Īmān (Boek van het geloof)
Hoofdstuk over de vraag van Jibrīl عليه السلام aan an-Nabie صلى الله عليه وسلم over īmān, Islām, ihsān en de kennis van het Uur, en de uitleg van an-Nabie صلى الله عليه وسلم hierover 1
Relatie īmān (geloof) en “Islām 2
Tekenen van de Dag des Oordeels 3
Uitleg over het geloof waarmee men het Paradijs binnengaat. 4
Het bevel tot geloof in Allah en Zijn Rasûl, de voorschriften van de godsdienst en de oproep daartoe. 5
Het bevel om de mensen te bestrijden totdat zij zeggen: Lā ilāha illallāh, Muhammadur Rāsulullah. 9
Begin van het geloof (īmān) is Lā ilāha illallāh 9
Uitleg over de deugdzaamheid van de Islām en diens niveaus en de meest deugdzame 13
Uitleg over de eigenschappen van degene die de zoetheid van het geloof proeft. 13
De verplichting om van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم meer te houden dan van familie, kinderen, ouders en de gehele mensheid. 14
Het behoort tot het geloof dat men voor zijn broeder wenst wat men voor zichzelf aan goeds wenst. 14
Het behoort tot het geloof dat men aanspoort tot het eren van de buur en de gast, spreekt goede woorden of zwijgt. 14
De graad van deugzaamheid van de mensen van de īmān en de hoogste graad bij de mensen van Jemen 15
Uitleg dat godsdienst (dīn) een advies is 15
Uitleg over de afname van het geloof door zonden en het ontkennen ervan voor degene die zich in een zonde bevindt, met de bedoeling om de onvolledigheid ervan te verduidelijken. 16
Uitleg over de eigenschappen van de hypocriet 16
Uitleg over de toestand van het geloof van degene die tegen zijn moslimbroeder zegt 'jij bent een ongelovig.” 17
Uitleg over de toestand van het geloof van degene die zich afkeert van zijn vader terwijl hij het weet. 17
Uitleg over de uitspraak van an-Nabie صلى الله عليه وسلم: 'Het uitschelden van een moslim is zondig gedrag (fusûq), en het vechten tegen hem is ongeloof (kufr) 17
Uitleg van de hadīth van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم ) " Word na mij niet ongelovigen, door elkaars nekken af te hakken (gedraagt jullie niet naar de moraal van de ongelovigen). 18
Uitleg van iemands ongeloof (kufr) die zegt: "Wij zijn door de ster(renstand) van regen voorzien." 18
Het bewijs dat het houden van de Anṣār een teken van geloof is. 18
Uitleg dat het geloof afneemt door het verminderen van gehoorzaamheid/aanbiddingen (aan Allah). 19
Hoofdstuk over de vraag van Jibrīl عليه السلام aan an-Nabie صلى الله عليه وسلم over īmān, Islām, ihsān en de kennis van het Uur, en de uitleg van an-Nabie صلى الله عليه وسلم hierover
5. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) : Toen an-Nabie صلى الله عليه وسلم zich op een dag aan de mensen vertoonde kwam er een man bij hem die vroeg: ‘O Rasûlullāh, wat is geloof (īmān)?’Dat je gelooft in Allah en Zijn engelen en Zijn boek, in de ontmoeting met Hem en in Zijn boodschappers, en dat je gelooft in de wederopstanding (ba`th).›‘O Rasûlullāh, wat is Islām?’Islām is dat je Allah aanbidt en geen andere goden naast hem aanbidt; dat je de voorgeschreven vijfmaal dagelijks salāh verricht, de opgelegde zakāh opbrengt en vast in (de maand) Ramadān.‘O Rasûlullāh, wat is goed doen (ihsān)?’Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet, want al zie je Hem niet, Hij ziet jou wel.‘O Rasûlullāh, wat is de jongste dag (Yawmu’l-Ākhirah)?’Degene aan wie de vraag wordt gesteld weet er niet meer over dan de vragensteller. Maar ik zal je vertellen over de voortekenen ervan. Als een slavin haar meester baart, (en de arme kameelherders die wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen en zich daarmee beroemen) dat is een van de voortekenen. Als mensen zonder kleren of schoenen de aanvoerders van de mensen worden, dat is een van de voortekenen. En als herders van lammeren languit liggen in fraaie zalen, dat is een van de voortekenen van de jongste dag, en dat is een van de vijf zaken die alleen Allah kent. Toen reciteerde hij: إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤Waarlijk Allah! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk, Allah is Alwetend, Bewust van alle (zaken).
[Loqmaan 31:34]Daarop keerde die man zich om en liep weg.an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: Breng hem bij mij terug.Ze gingen hem zoeken maar zagen hem nergens. Toen zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم : Dat was Jibrīl, hij was gekomen om de mensen hun godsdienst te onderwijzen.›
Relatie īmān (geloof) en “Islām
Of zij nu tot de voorgaande (mutakaddimīn) of latere (muta`ākhirīn) generaties behoren, islamitische geleerden hebben veel gedebatteerd over wat precies “īmān” (geloof) is, wat “Islām” is, en of deze twee begrippen hetzelfde of verschillend zijn. Degenen die geprobeerd hebben het vraagstuk op te lossen op basis van de overgeleverde teksten (naṣṣ), zijn er ook niet in geslaagd om de moeilijkheid volledig op te lossen.
Want hoewel an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de hierboven genoemde hadith – bekend als de ḥadīth van Jibrīl (عليه السلام) – de geloofszaken die het hart en het geloven betreffen als “īmān” aanduidt, en de praktische zaken als “Islām”, zien we in andere overleveringen dat ook praktische daden worden genoemd wanneer “īmān” wordt uitgelegd. Hetzelfde geldt voor sommige verzen uit de Qorʾān.
Zo heeft az-Zuhrī gezegd: “Islām is (slechts) een uitspraak, īmān is daad.” Hij gaf als bewijs hiervoor het vers:
قَالَتِ ٱلۡأَعۡرَابُ ءَامَنَّاۖ قُل لَّمۡ تُؤۡمِنُواْ وَلَٰكِن قُولُوٓاْ أَسۡلَمۡنَا وَلَمَّا يَدۡخُلِ ٱلۡإِيمَٰنُ فِي قُلُوبِكُمۡۖ وَإِن تُطِيعُواْ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ لَا يَلِتۡكُم مِّنۡ أَعۡمَٰلِكُمۡ شَيۡـًٔاۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٌ ١٤
De bewoners van de woestijn zeiden: “Wij geloven.” Zeg (tegen hen O Mohammed): “Jullie geloven (nog) niet maar zeg liever: ‘Wij hebben ons onderworpen,’ want het geloof heeft jullie harten nog niet bereikt. Maar als jullie Allah en Zijn Boodschapper gehoorzamen, dan vermindert Hij niets (van de beloning) van jullie daden. Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, (voor de berouwvollen), Barmhartig (tegenover de gelovigen). (Sūrah al-Ḥujurāt, 49:14)
Sommige geleerden daarentegen zeiden dat “Islām” en “īmān” hetzelfde betekenen. Zij toonden als bewijs het vers:
فَمَا وَجَدۡنَا فِيهَا غَيۡرَ بَيۡتٖ مِّنَ ٱلۡمُسۡلِمِينَ ٣٦
Maar Wij vonden er slechts één huis van degenen die zich (aan Allah) overgegeven (moslims) hadden. (het huis van Loeth)
(Sūrah adh-Dhāriyāt, 51:36)
Een van de eerste hadithuitleggers, al-Khaṭṭābī, gaf hierover de volgende verklaring:
“Het juiste is om geen algemene uitspraak te doen, maar om genuanceerd te spreken. Een moslim is in sommige situaties een gelovige (muʾmin), en in andere situaties niet. Maar een muʾmin is in elke situatie een moslim. Elke muʾmin is dus zeker een moslim, maar niet elke moslim is per se een muʾmin. Als men het zo bekijkt, worden de verzen correct geïnterpreteerd, en wordt het debat over dit onderwerp gematigder. Ook worden de (ogenschijnlijke) tegenstellingen tussen de overleveringen opgeheven.”
De essentie van īmān is het innerlijk bevestigen (taṣdīq), de essentie van Islām is gehoorzaamheid en overgave. Een persoon kan uiterlijk gehoorzaam lijken terwijl hij innerlijk geen overgave kent, of innerlijk overgegeven zijn zonder uiterlijk gehoorzaam te zijn.
Al-Khaṭṭābī gaf ook een uitleg bij de hadith van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):
“Īmān bestaat uit meer dan zeventig takken.”
Hij zei hierover:
“Volgens deze hadith is het begrip ‘īmān’ een juridische term (sharʿī), die verwijst naar een geheel met onderdelen van verschillende niveaus – hoog en laag. De naam ‘īmān’ wordt dus zowel voor het geheel als voor de afzonderlijke delen gebruikt. De ware realiteit van īmān vereist het bestaan van al deze onderdelen, net zoals bij de sharʿī ṣalāh (het gebed). Ṣalāh heeft ook verschillende onderdelen. Hoewel soms de naam ‘ṣalāh’ gebruikt wordt voor een deel ervan, is de werkelijkheid pas compleet als alle delen aanwezig zijn.
Hierop wijst ook de uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم):‘Schaamte (ḥayāʾ) is een tak van īmān.’Deze hadith maakt ook duidelijk dat de muʾminīn verschillende niveaus van geloof hebben – sommigen zijn hoger, anderen lager.”
Imām al-Baghawī (رحمه الله) zei eveneens:
“In de hadith waarin Jibrīl (عليه السلام) over īmān en Islām vroeg en an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde, gaf an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) de naam ‘Islām’ aan uiterlijke daden en ‘īmān’ aan innerlijke geloofszaken. Deze indeling betekent niet dat daden geen onderdeel zijn van īmān, noch dat het innerlijk bevestigen (taṣdīq) geen deel is van Islām. Integendeel, het is een onderverdeling binnen één geheel. Deze twee samen vormen de dīn (godsdienst). Daarom zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan het eind van de hadith:‘Dat was Jibrīl, hij kwam om jullie jullie dīn te onderwijzen.’”
De begrippen “īmān” en “Islām” omvatten dus beide zowel het bevestigen als het handelen. Dit wordt ook bevestigd door de volgende verzen:إِنَّ ٱلدِّينَ عِندَ ٱللَّهِ ٱلۡإِسۡلَٰمُۗ ١٩
Waarlijk, de (geaccepteerde) godsdienst bij Allah is de islam…(Sūrah Āl ʿImrān, 3:19) ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ
Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islam voor jullie als godsdienst gekozen. (Sūrah al-Māʾidah, 5:3)
وَمَن يَبۡتَغِ غَيۡرَ ٱلۡإِسۡلَٰمِ دِينٗا فَلَن يُقۡبَلَ مِنۡهُ وَهُوَ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ مِنَ ٱلۡخَٰسِرِينَ ٨٥
En wie er een andere godsdienst dan de islam zoekt, het zal nooit van hen geaccepteerd worden en in het Hiernamaals zal hij één van de verliezers (in de Hel) zijn. (Sūrah Āl ʿImrān, 3:85)Ihsān
In de hadith waarin ihsān wordt omschreven als: "Dat je Allah aanbidt alsof je Hem ziet", wordt deze term als een teken gebruikt voor een verheven spirituele rang. De islam moedigt de moslims aan om ernaar te streven deze toestand te bereiken. De volmaaktheid van de religie wordt namelijk niet alleen bereikt door het vervullen van de verplichte voorschriften. De dienaar moet zich bewust zijn van het bestaan van hogere spirituele niveaus, en zich inspannen om die te bereiken. Deze hadith vestigt de aandacht op een beschouwelijk niveau dat boven īmān en islām uitstijgt: de rang van ihsān.
Binnen het islamitische soefisme — dat als doel heeft de ziel te zuiveren van innerlijke onreinheid en door verheffing van de geest nabijheid tot Allah te bereiken — wordt ihsān uitvoerig geanalyseerd en toegelicht. In het kort kunnen we zeggen: de mens kan, met name door spirituele en intellectuele training, de gewoonte ontwikkelen om zich voortdurend bewust te zijn van het feit dat hij onder goddelijke observatie en toezicht staat. Herhaalde verzen en ahadith maken duidelijk dat al onze woorden en daden, moment na moment, worden geregistreerd — zelfs gevoelens, gedachten en intenties die we niet in daden omzetten, worden opgeschreven.
En op de Dag des Oordeels zullen wij over elk ogenblik van ons leven verantwoording moeten afleggen op basis van deze registraties.
Geen enkele gelovige kan deze waarheid ontkennen. Toch zijn er maar weinigen die hun gedrag voortdurend onder invloed van dit besef sturen. Dus het bereiken van de rang van ihsān is afhankelijk van training en inspanning, zodat men zich elk moment bewust is van deze goddelijke observatie.
Hoewel ihsān eenvoudig lijkt, is het in werkelijkheid een moeilijk te bereiken toestand. Maar juist vanwege die moeilijkheid is het waardevol en verheven. Iedere inspanning en elke stap die gezet wordt om deze toestand te bereiken, zal de persoon verheffen en zijn wereldse én eeuwige opbrengst vergroten.
De gelovige is opgedragen om alles met hoop tegemoet te treden. De doelen die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ons voorhoudt, liggen niet buiten menselijke capaciteit. Daarom is het streven naar de rang van ihsān zowel ons recht als onze plicht. Toen men tegen een mier zei: “Je pootjes zijn klein, je zult Makkah voor de ḥajj toch niet kunnen bereiken?”, antwoordde zij: “Misschien bereik ik het niet, dat is waar, maar kan ik dan tenminste niet sterven op de weg daarheen?” — Deze metafoor is voldoende om te begrijpen waarom men naar de rang van ihsān moet streven, zelfs als het onhaalbaar lijkt.
Onze Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft ooit het verhaal verteld van een man die honderd mensen had vermoord, maar op weg ging om Allah om vergeving te vragen. Nog voordat hij het dorp van berouw had bereikt, stierf hij onderweg. Toch gaf an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) aan dat zijn stappen niet tevergeefs waren geweest, en dat iedere stap hem ten goede kwam. Hij sloot dit verhaal af met het verheugende nieuws dat deze berouwvolle misdadiger uiteindelijk gered werd en genade van ar-Raḥmān verkreeg.
Tekenen van de Dag des OordeelsOm de bovenstaande ḥadīth goed te begrijpen, dienen enkele punten nader toegelicht te worden.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) maakt met duidelijke bewoordingen duidelijk dat zaken zoals “Wanneer is de Dag des Oordeels?” — hoewel het mensen bezighoudt — in de praktijk geen enkel voordeel opleveren, en dat niemand behalve Allah dit weet. Vervolgens noemt hij de tekenen:
Dat een slavin haar meester baart: Hieraan zijn verschillende betekenissen toegekend. Volgens een uitleg die door Ibn Ḥajar als meest correct wordt beschouwd, zal tegen het einde der tijden het fenomeen van ‘uqūq (ongehoorzaamheid aan de ouders) toenemen. Kinderen zullen hun moeders behandelen zoals een meester met zijn slavin omgaat, namelijk met hardheid en minachting. Een andere uitleg is dat kinderen die uit slavinnen geboren worden, zullen opklimmen naar de hoogste posities, zoals legeraanvoerders, gouverneurs of zelfs heersers. De Islamitische geschiedenis kent vele voorbeelden van dergelijke grootheden.
Ibn Ḥajar begrijpt hieruit dat tegen het einde der tijden de maatschappelijke orde volledig verstoord zal raken en alles op zijn kop zal staan. De sufalā’ (het uitschot van de samenleving) zullen prestigieuze posities innemen en zo aan de macht komen. Volgens hem is dit de meest correcte betekenis die uit de ḥadīth gehaald kan worden. Hij wijst erop dat dit ook ondersteund wordt door het vervolg van de ḥadīth, waarin vermeld wordt dat herders rijk zullen worden en elkaar zullen beconcurreren in het bouwen van hoge gebouwen — wat eveneens een teken is van maatschappelijke omkering en corruptie.
Dat schaapherders zullen wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen: Ook dit is een toekomstvoorspelling die door andere aḥādīth bevestigd wordt en een wonder vormt. In andere overleveringsvormen van deze ḥadīth, die buiten de Kuttub as-Sittah (de zes gezaghebbende ḥadīth-verzamelingen) voorkomen, worden nog andere details genoemd. Geleerden die deze varianten in overweging nemen, begrijpen hieruit dat arme boeren rijk zullen worden en met geweld de macht zullen grijpen. De uitspraak van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Wanneer de woestijnarabieren (al-‘Arab al-bādiyah) zich aristocratisch gaan gedragen en paleizen in de steden gaan bouwen, dan is dat het omkeren van de orde die de Islam heeft gebracht” wordt door al-Qurṭubī als volgt uitgelegd:
“Hier wordt voorspeld dat de maatschappelijke verhoudingen zullen veranderen. Vooral de bedoeïenen, de plattelandsbewoners en nomaden, zullen zich meester maken van staatszaken en zich met geweld tot heersers van het land maken. Door hun machtspositie zullen zij rijk worden, en hun volledige aandacht richten op het bouwen van grote gebouwen en zichzelf daarin prijzen. Wij zijn in onze eigen tijd getuige van deze toestand geworden.”
Sommigen hebben in deze ḥadīth van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zelfs een verwijzing gezien naar het opkomen van democratische regimes naar Westers model.]Uitleg over de salāh die een van de pijlers van de Islām vormen
6-) Van Talha b. `Ubeydullah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم werd benaderd door een man uit de Najd, wiens haar door de war was. Zijn stem was van verre te horen, maar wat hij zei was niet te verstaan. Uiteindelijk kwam hij dichterbij Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, en ik zag dat hij hem over de Islām vroeg. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "De verplichte vijfmaal dagelijks salāh te verrichten gedurende de dag en de nacht.Is er iets anders wat ik moet doen?," vroeg de man."Nee, maar je kunt vrijwillige salāt verrichten," antwoordde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم En hij zei verder: "Je vast in de (maand) Ramadān.Is er iets anders wat ik moet doen?," vroeg de man."Nee, maar je kunt vrijwillig vasten," zei Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم.Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, legde hem de zakāh uit, en de man vroeg weer: "Is er iets anders wat ik moet doen?Nee, maar je kunt vrijwillige sadaqah geven," antwoordde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم. Toen de man wegging, zei hij: "Bij Allah, ik zal hier niets aan toevoegen of weglaten."Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Als hij zijn woorden waarmaakt, zal hij het succes en de redding behalen."
[an-Nabie صلى الله عليه وسلم legde de Islām uit als het verrichten van de vijfmaal dagelijks verplichte salāt, het vasten in de maand Ramadān, en het geven van zakāh .
Er zijn echter ook andere Islamitische regels die niet in deze hadīth zijn opgenomen. In andere overleveringen wordt aan het einde van de hadīth vermeld: "Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, gaf hem de Islamitische wetten (regels) en hij zei: 'Bij degene die mij heeft geëerd, ik zal geen extra vrijwillige daden verrichten, maar ik zal niets weglaten van wat Allah mij heeft opgelegd.'" (Bukhari, Sawm; 1, Hiyal). In deze overlevering zien we dat an-Nabie صلى الله عليه وسلم de man leerde over de regels van de Islām, buiten de salāh , vasten en zakāh.)
Uitleg over het geloof waarmee men het Paradijs binnengaat.
7-) Van Abû Ayyûb (رضي الله عنه):Iemand vroeg an-Nabie صلى الله عليه وسلم: O Rasûlullāh , kunt u me een daad aanwijzen die mij in het Paradijs zal brengen?" Op dat moment vroeg iemand anders die aanwezig was: "Wat is er, wat is zijn probleem?" Rasûlullāh s.a.v.) antwoordde: "Wat zou het zijn, hij heeft een behoefte" en vervolgde: "Je aanbidt Allah zonder iets aan Hem gelijk te stellen, je verricht de vijfmaal maal dagelijkse salāh , je geeft de zakāh en je onderhoudt de banden met je familie."
8-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Een man uit de woestijn kwam naar an-Nabie صلى الله عليه وسلم en zei: 'Vertel mij een daad die, wanneer ik deze uitvoer, ik het Paradijs binnen zal gaan.' Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Je aanbidt Allah zonder iets aan Hem gelijk te stellen, je verricht de verplichte vijfmaal dagelijkse salāh , je geeft de verplichte zakāh en je vast in (de maand Ramadān).' Deze man zei: 'Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, ik zal niets meer toevoegen dan dit.' Toen deze man opstond en wegging, zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم 'Wie naar een paradijsbewoner wil kijken, moet naar hem kijken.'De uitspraak van an-Nabie صلى الله عليه وسلم: "De Islam is gebouwd op vijf (pijlers)."9) Van `Abdullah ibn `Umar) (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Islām is gebouwd op vijf [zuilen]:1) Getuigen dat er is geen godheid dan Allah is en dat Muhammed صلى الله عليه وسلم, Zijn `Abd (Dienaar) en Zijn Rasûl (Gezant) is;2) De (vijfmaal dagelijkse) salāh verrichten;3) De (jaarlijkse) zakāh opbrengen;4) De haj (bedevaart) naar het Huis (Ka`bah);5) En de vasten in de maand Ramadan.
9a) Van `Abbās ibni `Abdil-Moettalib (رضي الله عنهما) : Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Wie genoeg heeft aan (of tevreden is met) Allah als Rab;aan de Islām als godsdienst (dīn) en aan Muhammed صلى الله عليه وسلم als Rasûl (Gezant) heeft de smaak van het īmān (geloof) geproefd.
[Volgens imaam Nawawī betekent de uitdrukking “ik ben tevreden met...” (raḍītu) in het Arabisch: “ik ben ermee tevreden, ik neem daar genoegen mee en voel geen behoefte aan iets anders.”
Vanuit dit perspectief maakt de ḥadīth duidelijk dat degene die zich niet volledig overgeeft aan de Islām en deze niet kiest als zijn levensweg, en die de soenna van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) niet in haar geheel bewondert en accepteert, de ware zoetheid van het geloof niet zal kunnen proeven.
Iemand die zichzelf als moslim beschouwt maar toch bepaalde bevelen bekritiseert, ze niet mooi vindt, of zich beroept op menselijke of persoonlijke opvattingen, zal – tenzij hij zich van deze houdingen bevrijdt – de zoetheid en de ware smaak van het geloof niet kunnen ervaren.
Qāḍī ʿIyāḍ geeft bij deze ḥadīth de volgende waardevolle uitleg: “Volgens de ḥadīth is het geloof van iemand die deze eigenschappen bezit correct, zijn ziel is gerust in de waarheden van het geloof en hij ervaart innerlijke rust. Want het feit dat iemand tevreden is met de genoemde zaken, duidt erop dat hij er met zekerheid in gelooft, dat zijn inzicht doordringt in religieuze kwesties, en dat de vreugde van het geloof zijn hart is binnengetreden.
Want wie met iets tevreden is, voor hem wordt die zaak gemakkelijk. Zo is ook de toestand van de gelovige: wanneer het geloof in zijn ware essentie het hart binnendringt, wordt het aanbidden van Allah voor hem eenvoudig en plezierig.”]
9b) `Ubaydallah ibn Zi`ād (رضي الله عنه) bezocht Ma'kil ibn Jasār (رضي الله عنه) toen hij ziek thuis lag. Ma'kil (رضي الله عنه) zei tegen hem: Ik zal je een hadīth vertellen die ik nooit zou overleveren als ik niet op sterven lag. Ik heb Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم horen zeggen: Een bevelhebber (amīr) die over de moslims regeert en die zich niet voor hen inspant en niet het goede met hen voor heeft, komt niet met hen in het Paradijs.
Het bevel tot geloof in Allah en Zijn Rasûl, de voorschriften van de godsdienst en de oproep daartoe.
10-) Van Abû Jamrah (رضي الله عنه):Ik was samen met Ibn `Abbās. Hij zette me op zijn eigen mat en zei: "Blijf bij me, zodat ik je een deel van mijn bezit kan geven." Ik bleef twee maanden bij hem. Hij (Ibn `Abbās) zei: "Toen de vertegenwoordigers van de stam Abdu'l-Qays (zij waren uit eigen beweging moslims geworden). Naar an-Nabie صلى الله عليه وسلم kwamen, vroeg hij: 'Wie is deze gemeenschap? -of- Wie zijn deze vertegenwoordigers?' Zij antwoordden: 'Rabie`a.' Hij zei: 'Welkom (marhaba), o gemeenschap -ofo vertegenwoordigers. Moge Allah jullie niet te schande maken of in verlegenheid brengen, en moge Hij jullie geen spijt geven.'Zij zeiden: 'O Rasûlullāh, wij kunnen alleen in de heilige maanden naar u toe komen. En tussen ons en u staat deze stam van de ongelovigen van Muḍar. Kunt u ons bevelen geven die het goede van het kwade scheidt, zodat wij deze aan degenen die achterblijven kunnen overbrengen, en door deze zaken het Paradijs kunnen binnengaan?'Zij vroegen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم ook naar de dranken. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم droeg hen vier dingen op en verbood hen vier dingen. Hij droeg hen op te geloven in Allah de Enige (Wahdah): 'Weten jullie wat het betekent om te geloven in Allah de Enige?' vroeg hij. Zij antwoordden: 'Allah en Zijn Rasûl weten het beter.' Hij zei: 'Het betekent getuigen dat er geen godheid is behalve Allah en dat Muhammed Rasûlullāh is, de vijfmaal dagelijkse salāh verricht, de zakāh opbrengt, vast in de maand Ramadān, en een vijfde deel van de oorlogsbuit afstaat.'
Hij verbood hen (het gebruik van de vaten waarmee ze wijn brouwen, nl) vier dingen: dubbâ' (een vat gemaakt van kalabas);hantam (een vat gemaakt van aarde);naqir (een vat uitgehold uit een palmstam);muzaffat (een vat bedekt met pek). (De verteller van de hadīth zei dat er mogelijk ook andere vaten zoals muqayyar (met pek bedekt) genoemd werden.) Vervolgens zei hij: 'Onthoud deze dingen goed en breng ze over aan degenen die achterblijven.'
[Abû Jamrah was iemand die Farsi sprak. Ibn `Abbās (رضي الله عنهما) riep hem naar zich toe om zijn woorden aan de mensen te vertalen.De in de hadīth genoemde verboden voorwerpen zijn bepaalde vaten die vloeistoffen bevatten. Voor de komst van de Islām waren deze vaten geschikt voor het maken van wijn, waarin dadels en druiven werden gegist.
In een overlevering van Muslim wordt dit verder uitgelegd: 'Men zou kleine dadels in een vat doen, daar water overheen gieten, en dit laten gisten. Wanneer het begint te borrelen en schuimt, zou men het drinken. Uiteindelijk zou een van jullie zijn neef met een zwaard slaan.' (Muslim, Imaan: 26).
Om deze reden werden deze vaten, die vaak voor wijnbereiding werden gebruikt, volledig verboden. Toen de Islamitische voorschriften volledig waren gevestigd, werden ze, net als grafbezoeken, weer toegestaan. Over dit onderwerp zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم : 'Ik had jullie bepaalde vaten verboden. Weet dat vaten niets harām of halāl maken, maar weet dat alles wat dronkenschap veroorzaakt harām is.' (Muslim, Eshriba: 64, Tirmidhi, Eshriba: 5).In een andere hadīth zei hij : 'Ik had jullie verboden om siroop te maken in leren zakken. Nu mogen jullie het in alle soorten vaten drinken, behalve als het dronkenschap veroorzaakt.' (Muslim, Eshriba: 65)."
Ibnu Ḥajar verzamelt in zijn commentaar op al-Bukhārī – vooral in het hoofdstuk Kitāb al-Īmān – talrijke details over deze ḥadīth. Imām Nawawī doet hetzelfde in zijn commentaar op Ṣaḥīḥ Muslim. We zullen enkele van deze punten samenvattend weergeven:
Wat betreft het aantal personen in de delegatie die naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam: er zijn verschillende aantallen overgeleverd, zoals 14, 13 of 40. Zorgvuldige onderzoeken doen het aantal zelfs oplopen tot 45. In een overlevering wordt vermeld dat het een groep van “13 ruiters” betrof. Ibnu Ḥajar reconstrueert deze gegevens en stelt dat de delegatie wellicht uit 40 man bestond, waarvan 13 de leiders waren en daarom over rijdieren beschikten. Hij probeert de namen van de deelnemers te verzamelen aan de hand van verschillende overleveringen en komt tot bijna twintig namen.
Hoewel deze overlevering informatie geeft over het aantal delegaties die naar Medina kwamen om de Islām te aanvaarden, moet aan deze aantallen geen te grote waarde worden gehecht vanwege de verschillen in overleveringen.
De leider van de delegatie was al-Mundhir ibn ʿĀʾiz (رضي الله عنه), die bekend stond als al-Ashajj al-ʿAbdī al-Asarī.
Deze delegatie behoorde tot het dorp van de stam ʿAbd al-Qays, een subgroep van de stam Rabīʿa die ten oosten van Medina woonde, in de richting van Bahrein. Tussen hen en Medina lag de stam Muḍar, die toen nog geen moslims waren. De bekering van de stam ʿAbd al-Qays begon als volgt:
Een koopman genaamd Munqiḍ ibn Ḥayyān had al van oudsher handelscontacten met Medina en kwam daar geregeld. Tijdens zo’n bezoek ontmoette hij an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), die hij reeds kende van vóór de openbaring. An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) stelde hem vragen over zijn volk en noemde enkele leiders bij naam om te informeren naar hun toestand.
Deze belangstelling van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) was voor Munqiḍ voldoende om onmiddellijk de Islām te aanvaarden. Hij leerde de soera’s al-Fātiḥa en al-ʿAlaq en vertrok weer uit Medina.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) schreef samen met Munqiḍ (رضي الله عنه) een brief aan de stam ʿAbd al-Qays om hen uit te nodigen tot de Islām. Munqiḍ (رضي الله عنه) durfde bij terugkomst echter zijn bekering niet direct bekend te maken en gaf de brief ook niet af. Zijn veranderde levenswijze en zijn nieuwe daden van aanbidding trokken echter de aandacht van zijn vrouw. Zij merkte bijvoorbeeld op dat hij zijn handen en voeten begon te wassen, zich naar een bepaalde richting keerde, zich soms boog en dan weer neerknielde.
Deze vrouw was de dochter van al-Ashajj, de leider van de eerdergenoemde delegatie. Ze vertelde haar vader over het vreemde gedrag van haar man: “Mijn man is sinds zijn terugkeer uit Medina erg veranderd. Hij wast zijn handen en voeten, richt zich naar een bepaalde richting (de qiblah), maakt vreemde bewegingen, buigt en knielt op de grond.
Sinds zijn terugkeer doet hij dit voortdurend.”
Haar vader ging met Munqiḍ (رضي الله عنه) in gesprek. Tijdens hun gesprek overtuigde Munqiḍ hem van de waarheid van de Islām, waarop ook hij moslim werd.
Al-Ashajj (رضي الله عنه) verspreidde vervolgens de Islām onder zijn stam. Hij las de brief van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) voor en men besloot als geheel de Islām te aanvaarden en een delegatie naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) te sturen.
De hierboven besproken ḥadīth beschrijft een scène rond de komst van deze delegatie.
In sommige andere overleveringen wordt ook het volgende vermeld: Toen de delegatie Medina naderde, onderbrak an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) plots zijn gesprek met zijn metgezellen en zei – als een wonderbaarlijk bericht over het onwaarneembare (ghayb): “Van die richting zal straks de beste delegatie uit het oosten verschijnen.”ʿUmar (رضي الله عنه) ging hen tegemoet om hen te verwelkomen.
De delegatie van ʿAbd al-Qays gaf aan dat zij niet telkens naar an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) konden komen, en vroegen hem hen te onderwijzen over wat nodig was om het Paradijs binnen te gaan: de verplichtingen en de verboden. De reden dat ze niet vaak konden komen, was vanwege de stam Muḍar, die nog steeds polytheïstisch was. Alleen tijdens de verboden maanden (al-ashhur al-ḥurum) was reizen veilig.
Zoals in de ḥadīth vermeld wordt, onderwees an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hen de fundamenten van de Islām – met uitzondering van de ḥajj – en leerde hen dat een vijfde deel van de oorlogsbuit als belasting werd afgedragen. Wat betreft het ontbreken van de ḥajj in deze opsomming, hebben de geleerden uiteenlopende verklaringen gegeven. Ibnu Ḥajar verwerpt al deze verklaringen en stelt: “An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) had niet de intentie om hier álle verplichtingen en verboden op te sommen. Zo noemde hij van de verboden daden alleen het verbod op alcohol.”
Opmerkelijk in de ḥadīth is dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bij het omschrijven van het geloof (īmān), na de geloofsgetuigenis ook de daden noemt die behoren tot de pilaren van de Islām zoals de ṣalāh, het vasten en de zakāt. Zoals eerder besproken, hebben vele geleerden op basis van dit soort tekstuele bewijzen gezegd dat īmān en Islām in wezen één en hetzelfde zijn.
Het is zeker dat īmān in hoofdzaak een zaak is van het hart en innerlijke overtuiging. Dit kan slechts via het woord naar buiten worden gebracht; of het oprecht is, weet alleen Allah. Deze kant van het geloof raakt andere mensen niet. Islām daarentegen staat voor het verrichten van de daden die uit het geloof voortvloeien. Daden zijn noodzakelijk onderdeel van het geloof. Maar daden kunnen ook zonder geloof bestaan, zoals bij de hypocrieten. Volmaakt geloof en volmaakte daden gaan echter hand in hand en zijn onscheidbaar.
In deze ḥadīth worden ook bepaalde vaten verboden. Het gaat hier om vaten die in de tijd van de Jāhiliyyah werden gebruikt om wijn in te maken. Nadat wijn verboden werd, heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in sommige overleveringen bevolen dat deze vaten gebroken moesten worden. Later stond hij echter toe dat men deze – na reiniging – weer mocht gebruiken.
De overlevering hierboven verbiedt vooral het gebruik van bepaalde vaten voor het maken van druivensap (shi’rā), omdat deze het gistingsproces versnellen, wat tot snelle wijnvorming leidt. Toch geloofden sommige geleerden, zoals Imām Mālik en Aḥmad ibn Ḥanbal, dat het verbod op wijnvaten niet is afgeschaft en nog steeds van kracht is.]
11-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): Toen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم Mu'adh ibn Jabal (رضي الله عنه) naar Jemen stuurde (als gouverneur en zakāh ambtenaar), zei hij: "Je zult een volk tegenkomen dat behoort tot de Mensen van het Boek (ahli Kitāb). Het eerste waar je hen toe moet uitnodigen is om Allah te aanbidden.
Als zij Allah erkennen, informeer hen dan dat Allah hen heeft verplicht vijfmaal daags salāt te verrichten gedurende de dag en de nacht. Als zij dit accepteren, informeer hen dan dat Allah hen heeft verplicht om de zakāh te geven, die wordt genomen van hun rijkdom en wordt verdeeld onder hun armen. Als zij dit accepteren en gehoorzamen, neem dan de zakāh van hen, maar wees voorzichtig om niet het meest waardevolle van hun bezittingen te nemen."Bovenkant formulier
12-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):an-Nabie صلى الله عليه وسلم stuurde Mu'adh (رضي الله عنه) naar Jemen en zei: "Pas op voor de smeekbede van een onderdrukte, want er is geen sluier tussen de onderdrukte en Allah."
(De benoeming van Mu'adh als gouverneur van Jemen vond plaats in het 9e jaar na de Hijra, na de Slag van Tabûk. De "Mensen van het Boek" zijn mensen aan wie een profeet werd gestuurd door Allah en aan wie een boek werd geopenbaard. De Jemenieten waren ook Mensen van het Boek. In "at-Talwih" wordt vermeld dat de Jemenieten destijds joden waren. De Mensen van het Boek, hoewel ze het bestaan van Allah erkennen, hebben in feite geen echt begrip van Allah. Dit geldt voor de joden, die Allah associëren met Zijn schepping door Hem te humaniseren, en voor de christenen, die beweren dat Allah een zoon en een vrouw heeft. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) Mu'adh bevolen om hen eerst de getuigenis van het geloof voor te stellen, en daarna te zeggen dat de vijfmaal dagelijkse salāh en de zakāh voor hen verplicht zijn. Deze overlevering toont aan dat de uitnodiging tot de Islām tot de Dag des Oordeels blijft bestaan. De uitnodiging aan de Mensen van het Boek in Jemen werd eerst door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ) gedaan. De eerste stap in de uitnodiging was het concept van tawhied (de eenheid van Allah), gevolgd door de salāh, zakāh en andere basisprincipes.
Het is de taak van moslimleiders, commandanten en alle functionarissen om mensen, ongeacht hun dīn of overtuiging, eerst tot de Islām uit te nodigen. De eerste fase van deze uitnodiging is de shahadah, oftewel de dubbele getuigenis dat er geen godheid is dan Allah en dat Muhammed Rasûlullāh is. Zoals sommigen ten onrechte beweren, kunnen de joden en christenen niet als mu’mins worden beschouwd. Hun geloof in Allah is volledig buiten de tawhied-leer, aangezien de joden Allah gelijkstellen aan Zijn schepping en humaniseren, terwijl de christenen Allah een zoon en vrouw toekennen, en het idee van de Drie-eenheid en de Heilige Geest aannemen, wat hen van het rechte pad heeft afgevoerd en hen van de tawhied-leer heeft verwijderd. Om deze reden wordt hun afgoderij en ongeloof in veel verzen van de Qur’ā genoemd, en van de tijd van Rasûlullāh, صلى الله عليه وسلم tot nu toe zijn ze uitgenodigd om zich tot het geloof te bekeren en wordt er tegen hen gevochten. De mensen of individuen die uitgenodigd worden om zich tot de Islām te bekeren, worden niet alleen verzocht de shahadah met de mond uit te spreken, maar wordt ook gevraagd om de rituelen van de dīn die hieruit voortvloeien te accepteren. Hier worden alleen de salāh en de zakāh genoemd. Het feit dat vasten en hadj niet worden genoemd, betekent niet dat deze twee verplichtingen op dat moment nog niet verplicht waren of minder belangrijk waren. Want vasten werd verplicht in het tweede jaar van de Hijrah, en de Haj in het negende jaar van de Hijrah, enkele maanden voordat Muadh naar Jemen werd gestuurd. Er kan ook niet gesproken worden van onbelangrijkheid van Islamitische verplichting of richtlijn. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم ), wilde in die tijd juist de belangrijkste en meest prioritaire verplichtingen voor de Jemenieten duidelijk maken. Hier wordt geen volgorde gegeven op basis van wanneer iets verplicht werd gesteld, maar wordt uitgelegd wat verplicht is en wat vervuld moet worden. Bovendien is dit ook een bewijs dat iemand die de shahadah uitspreekt en moslim wordt, alle verplichtingen van het geloof accepteert.
Ongelovigen worden eerst gevraagd om in Allah te geloven. Ze zijn in eerste instantie alleen verplicht om in Allah te geloven; zij zijn niet verplicht om de andere voorschriften van de Islām na te leven; zij zullen deze geleidelijk aan moeten uitvoeren, zeggen de geleerden, en zij gebruiken deze hadīth als bewijs. Want in deze hadīth is er een volgorde in de uitnodiging tot de Islām. Deze hadīth wordt hier genoemd vanwege de laatste zin, die waarschuwt om de vloek van een onderdrukte te vermijden. Het wordt nogmaals duidelijk uit deze hadīth dat de smeekbeden en vloeken van een onderdrukte geaccepteerd zullen worden. Als een ambtenaar het duurste en mooiste bezit van een persoon aanneemt waarvan de zakāh verplicht is, is dit een soort onrecht. Of als hij hard optreedt tegen degene die de zakāh geeft, dan heeft hij hem met zijn woorden gekwetst, wat ook een onrecht is. Daarom moeten we alle vormen van onrecht vermijden, ervan weglopen en ons ertegen beschermen. Dat er geen barrière is tussen Allah en de onderdrukte, betekent dat hun smeekbeden onmiddellijk worden geaccepteerd. Een barrière betekent een obstakel, maar er is geen obstakel tussen de smeekbeden van de onderdrukte en Allah. Dit advies is bedoeld om zowel de onderdrukker van onrecht te weerhouden, als om de onderdrukte aan te moedigen geduldig te zijn. Ongeacht welk geloof of ras een persoon heeft, is het verboden om onrecht te doen volgens de Islām. Dit kan zelfs breder worden geïnterpreteerd. Islām verbiedt namelijk meedogenloosheid tegenover alle levende wezens, mensen, dieren en zelfs planten. De mens heeft verplichtingen tegenover ieder van hen.Onrecht kan op twee manieren plaatsvinden: het ene is het onterecht nemen van andermans bezit, het andere is het verzetten tegen Allah, die gerechtigheid beveelt, en dit laatste is de grootste zonde die mensen begaan. Onrecht is zeker de vreselijke daad die de sterke aan de zwakke toebrengt. En de zwakke heeft geen helper heeft behalve Allah. Het is onrecht om de zwakke te onderdrukken terwijl deze onder de bescherming en het vertrouwen van Allah staat; het is een gebrek aan respect voor Allah's bescherming.
Deze hadīth toont ook aan dat, ongeacht wie het is, als iemand oprecht naar Allah terugkeert en iets vraagt, Allah het nooit zal afwijzen.)
Het bevel om de mensen te bestrijden totdat zij zeggen: Lā ilāha illallāh, Muhammadur Rāsulullah.
13-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen an-Nabie صلى الله عليه وسلم overleed en Abû Bakr (رضي الله عنه) kalief werd, en een deel van de Arabieren het geloof verzaakten, zei `Umar (رضي الله عنه) tegen Abû Bakr:"Hoe kun je tegen deze mensen vechten? Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft immers gezegd: 'Ik ben bevolen om de mensen te bestrijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is dan Allah. Wie dit zegt, heeft daarmee zijn leven en bezit beschermd tegen mij, behalve waar de Islamitische rechten dat toestaan. Wat betreft hun innerlijke overtuigingen, daarover zal Allah hen ter verantwoording roepen.'Abû Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: "Bij Allah, ik zal zeker vechten tegen iedereen die onderscheid maakt tussen de salāh en de zakāh , want de zakāh is een recht op het bezit (zoals vastgesteld door de Islām). Bij Allah, als zij mij zelfs maar een jonge geit zouden onthouden dat zij eerder aan Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم gaven, dan zal ik hen daarom bestrijden."`Umar (رضي الله عنه) zei vervolgens: "Bij Allah, ik begreep dat dit niets anders was dan dat Allah Abû Bakr's borst had geopend voor het besluit om te vechten, en ik realiseerde me dat hij gelijk had."
14-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Ik ben bevolen om tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is behalve Allah, (en getuigen dat Muhammed Zijn Rasûl is) en hetgeen ik heb gebracht te geloven. Als zij dit doen, zijn hun bezittingen en levens beschermd tegen mij, behalve waar de Islamitische recht anders bepalen. Wat betreft hun innerlijke zaken, daarover zal Allah hen ter verantwoording roepen."
(Degene die de Islām accepteert, valt onder de bescherming van Allah. Dit betekent dat de levens en bezittingen van moslims beschermd zijn. Mensen worden beoordeeld op basis van hun uiterlijke handelingen en gedrag. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor verborgen intensies en gedachten ligt bij Allah. Met de "Islamitische recht" wordt bijvoorbeeld verwezen naar het doden van iemand die een ernstige misdaad heeft begaan. In dergelijke gevallen kan de vervulling van de genoemde voorwaarden de straf niet voorkomen.)
15-) Van Abdullaah bin` Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Ik ben bevolen om tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is behalve Allah, dat Muhammed Rasûlullāh is, de salāh verrichten en de zakāh opbrengen. Als zij dit doen, zijn hun bezittingen en levens beschermd tegen mij, behalve waar de Islamitische recht anders bepalen.
Wat betreft hun innerlijke zaken, daarover zal Allah hen ter verantwoording roepen."
Begin van het geloof (īmān) is Lā ilāha illallāh
16-) Van Sa`id ibnu’l Musayyab (رضي الله عنه) via zijn vader Musayyab ibn Hazn (رضي الله عنه): Toen Abû Talib op sterven lag, kwam Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم naar hem toe en vond Abû Jahl ibn Hisham en `Abdullah ibn Abû Umayya ibn al-Mughira bij hem. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei tegen Abû Talib:'O oom, zeg "La ilaha illallah" (er is geen godheid behalve Allah), zodat ik op de Dag des Oordeels met deze woorden een getuigenis voor je kan doen bij Allah.'Abû Jahl en `Abdullah ibn Abû Umayya zeiden:'O Abû Talib, keer je je af van de dīn van Abdulmuttalib?'Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم bleef Abû Talib uitnodigen tot de Islām, maar de anderen bleven hun woorden herhalen. Uiteindelijk zei Abû Talib als zijn laatste woorden:'Ik blijf in de dīn van Abdulmuttalib.'Hij weigerde "La ilaha illallah" te zeggen. Hierop zei Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم:'Bij Allah, zolang ik niet wordt verboden, zal ik voor jou vergeving blijven vragen.'Daarna openbaarde Allah de volgende aya:مَا كَانَ لِلنَّبِيِّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَن يَسۡتَغۡفِرُواْ لِلۡمُشۡرِكِينَ وَلَوۡ كَانُوٓاْ أُوْلِي قُرۡبَىٰ مِنۢ بَعۡدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمۡ أَنَّهُمۡ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَحِيمِ ١١٣Het past an-Nabie en degenen die geloven niet om Allah’s vergiffenis te vragen voor de afgodenaanbidders, zelfs als zij verwanten zijn, nadat het voor hen duidelijk is geworden dat zij de bewoners van het Vuur zijn.." (Surah At-Tawba, 113).
16a-) Van `Abbās ibn Abd al-Mutalib (رضي الله عنهما):Hij vroeg: 'O, Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم , heb je iets kunnen doen voor Abû Tālib? Want hij heeft jou beschermd en is voor je opgekomen.Hij zei: Ja, hij is in een ondiepe vuur in het Hellevuur, en als ik er niet was geweest was hij in de diepste laag van het Hellevuur.
17-) `Ubādah (ibnu's Sāmit al-Anṣārie) (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Als iemand getuigt dat er geen godheid is dan Allah, dat Hij één is (in Zijn Wezen, Eigenschappen, Namen en Werken), dat Hij geen deelgenoten heeft, en dat Muhammad صلى الله عليه وسلم, Zijn Rasûl en Zijn `Abd (Dienaar) is en dat `Iesa عليه السلام Zijn Rasûl, Zijn `Abd is en Zijn woord dat Hij op Marjam (رضي الله عنها) heeft geworpen, en een geest (rûh) van Hem is, en dat zowel het Paradijs (Jannah) als het Hellevuur (Naar) echt bestaat,' dan zal Allah hem het Paradijs doen binnengaan (door welke van de acht poorten hij maar wil) ongeacht zijn daden (`amāl).In een andere overlevering van Muslim staat:... Als iemand getuigt dat er geen godheid is en dat Muhammad Zijn Rasûl en Zijn `Abd is, zal Allah het Hellevuur voor hem onveroorloofd (harām ) maken.'Al-Walīd zei: Ibn Jābir vertelde mij van ʿUmayr, van Junādah:“... en hij voegde eraan toe: ‘Van de acht poorten van het Paradijs mag hij binnengaan via welke hij wil.’
[Dit is een van de overleveringen die allesomvattend zijn met betrekking tot het geloof (īmān). In deze hadith worden niet alleen de fundamentele principes van het islamitisch geloof uiteengezet, maar ook verschillende valse overtuigingen verworpen.
1. De zending (risālah) van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم):
Dit kan beschouwd worden als de eerste geloofspijler van de islam. Want het geloof in tawḥīd (de eenheid van Allah) komt ook buiten de islam voor.
2. De tawḥīd (eenheids)leer:
Het geloof in de profeetschap van Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) vereist noodzakelijkerwijs het geloof in de eenheid van Allah. Dat wil zeggen: Hij is Degene die het universum heeft geschapen, bestuurt en opvoedt. Hij heeft geen enkele hulp of partner nodig.
Het geloof in de eenheid van Allah (tawḥīd) komt als principe ook voor in andere religies en zelfs in bepaalde filosofische systemen. Maar de absolute en zuivere tawḥīd die de islam leert, bestaat in geen enkel ander systeem.
Zelfs de joden, die beweren in de eenheid van Allah te geloven, verschillen hierin sterk van de moslims: bij hen overheerst het idee van een nationale god die voorrang geeft aan het Joodse volk. De islam kent geen nationaliteit toe aan de godheid. Allah is de Heer van de werelden. Elke natie, elk levend en niet-levend wezen valt onder deze “werelden” en maakt daar deel van uit.
Het goede en het slechte, het mooie en het lelijke, het vuur en de kou, de aarde en de hemel, het grote en het kleine – alles is door Hem geschapen. Hij is Degene die alles ordent en opvoedt.
Verder wijken de joden af van de tawḥīd door de uitspraak: "ʿUzayr is de zoon van Allah" (zie Soerat at-Tawbah, 9:30). Daarmee bezoedelen zij hun beweerde geloof in de eenheid van Allah op grove wijze.
3. In deze hadith wordt ook het geloof in het hiernamaals, de derde fundament van het islamitisch geloof, bevestigd:
"Het Paradijs is waarheid, en de Hel is waarheid."
4. De persoonlijkheid van ʿĪsā (عليه السلام):
Zijn schepping zonder vader leidde ertoe dat de joden lasterden tegen Maryam (عليها السلام), terwijl de christenen beweerden dat Allah zijn vader is. Aan de ene kant is er tekortdoening (tafrīṭ), aan de andere kant overdrijving (ifrāṭ).
De islam bevestigt dat ʿĪsā (عليه السلام) een geschapen dienaar is, en verwerpt daarmee zowel de ontuchtbeschuldiging van de joden als de vergoddelijking door de christenen.
Zoals in deze hadith wordt vermeld: ʿĪsā (عليه السلام) is een Woord van Allah – dat wil zeggen: hij is ontstaan doordat Allah zei: “Wees!” en hij was. Zoals ook wordt gezegd in Soerat Yā-Sīn (36:82):"Zijn bevel – wanneer Hij iets wil – is slechts dat Hij zegt: Wees! En het is."
Voor het ontstaan van iets is dus niets anders nodig dan dat Allah zegt: “Wees!” Hoewel in deze wereld de gebeurtenissen meestal via oorzaken plaatsvinden, is het geen vereiste. Allah kan ook zonder tussenkomst van oorzaken iets tot stand brengen.
Maar omdat deze wereld een beproevingsplek is, is het een goddelijke gewoonte (ʿādah) dat gebeurtenissen zich meestal via oorzaken voltrekken. Toch heeft Allah in de Koran op meerdere plaatsen duidelijk gemaakt dat Hij niet gebonden is aan deze regels.
ʿĪsā (عليه السلام) vormt een concreet voorbeeld van zo’n uitzondering: hij werd zonder vader geschapen, enkel door de manifestatie van het woord “Wees!” via Maryam (عليها السلام).
Dat ʿĪsā (عليه السلام) ook "een geest van Allah" wordt genoemd, moet worden begrepen in het licht van het vers:“En zij vragen jou over de ziel. Zeg: de ziel behoort tot de zaken van mijn Heer.” (Soerat al-Isrā’, 17:85)Want ook de ziel is het resultaat van het goddelijke bevel “Wees!”, zonder dat daarvoor een tastbare oorzaak nodig is.
Daarom is de uitdrukking “een geest die van Allah is ingeblazen in Maryam” passend.
Volgens Imam an-Nawawī en andere islamitische geleerden betekent de toeschrijving van termen zoals “Rūḥullāh” (Geest van Allah) of “Kalimatullāh” (Woord van Allah) aan ʿĪsā (عليه السلام) slechts een eerbetoon, en niet dat hij een deel van Allah zou zijn.
Ook andere zaken worden in de Koran op deze manier aan Allah toegeschreven als eerbetoon, zoals:
Nāqatullāh (de kameel van Allah),
Baytullāh (het Huis van Allah, d.w.z. de Kaʿbah).
Op basis daarvan is het niet toegestaan om uit de termen "Rūḥullāh" of "Kalimatullāh" af te leiden dat ʿĪsā (عليه السلام) een deel van Allah is. Anders zou men ook moeten zeggen dat de hele schepping een deel van Allah is, aangezien alles aan Hem toebehoort.
5. Een ander belangrijk geloofspunt uit deze hadith is:
Wanneer iemand met īmān (geloof) in het graf gaat, zal hij – ook al heeft hij grote zonden begaan – uiteindelijk niet eeuwig in de hel blijven. Door een kleine hoeveelheid goede daden zal hij uiteindelijk het Paradijs binnengaan.
Met deze uitspraak worden de extreme opvattingen over grote zondaars weerlegd, en wordt het standpunt van Ahl as-Soennah ondubbelzinnig en met bewijs ondersteund.
De uitdrukking “Allah zal hem het Paradijs binnendoen, ongeacht met welk werk hij is overleden” wordt door an-Nawawī geïnterpreteerd als:“Als eindresultaat.”Dus: na het ondergaan van de bestraffing voor zijn slechte daden, zal hij uiteindelijk het Paradijs binnentreden.]
18-) Van Mu'adh ibn Jabal (رضي الله عنه): Ik reed achter an-Nabie صلى الله عليه وسلم op een rijdier, waarbij alleen het houten deel van het zadel tussen ons in zat. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'O Mu'adh, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Hij liep een tijdje verder en zei opnieuw: 'O Mu'adh, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Na een tijdje lopen herhaalde hij: 'O Mu'adh, zoon van Jabal.' Ik antwoordde opnieuw: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Toen zei hij: 'Weet je wat het recht van Allah op Zijn dienaren is?' Ik zei: 'Allah en Zijn Rasûl weten het beter.' Hij zei: 'Het recht van Allah op Zijn dienaren is dat zij Hem aanbidden en geen deelgenoten aan Hem toekennen.' Hij liep weer verder en zei opnieuw: 'O Mu'adh, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Toen vroeg hij: 'Weet je wat het recht van de dienaren op Allah is als zij dit doen?' Ik zei: 'Allah en Zijn Rasûl weten het beter.' Hij zei: 'Dat Hij hen niet straft.'
19-) Van Mu'adh ibn Jabal (رضي الله عنه): Ik reed achter an-Nabie صلى الله عليه وسلم op een ezel genaamd 'Ufayr'. an-Nabie صلى الله عليه وسلم vroeg mij: 'O Mu'adh, weet je wat het recht van Allah op Zijn dienaren is en wat het recht van de dienaren op Allah is?' Ik zei: 'Allah en Zijn Rasûl weten het beter.' Hij zei: 'Het recht van Allah op Zijn dienaren is dat zij Hem aanbidden en geen deelgenoten aan Hem toekennen.Het recht van de dienaren op Allah is dat Hij degenen die geen deelgenoten aan Hem toekennen niet straft.' Ik zei: 'O Rasûlullāh, mag ik dit goede nieuws aan de mensen doorgeven?' Hij antwoordde: 'Nee, want dan zullen zij erop vertrouwen (en geen goede daden verrichten).'
20-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم reed op een kameel samen met Mu`adh (رضي الله عنه) achterop.
Hij zei: 'O Mu'adh, zoon van Jabal.' Mu'adh antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Dit herhaalde zich drie keer. an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei toen: 'Wie oprecht (vanuit zijn hart) getuigt dat er geen godheid is behalve Allah en dat Muhammed Rasûlullāh is, Allah zal voor hem het Hellevuur verbieden.' Mu'adh zei: 'O Rasûlullāh, mag ik dit aan de mensen vertellen, zodat zij blij worden?' an-Nabie صلى الله عليه وسلم antwoordde: 'Nee, want dan zullen zij erop vertrouwen (en geen goede daden verrichten).' Mu'adh (رضي الله عنه) vertelde dit pas vlak voor zijn overlijden, uit angst het te verbergen en daarmee zijn verplichting niet na te komen."Delen/takken van het geloof (īmān)
20a-) Van Mahmud ibn ar-Rabi' (رضي الله عنه) via Itban ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Allah heeft de Hel verboden voor degene die, met oprechtheid omwille van Allah, 'Lā ilāha illā-Allāh' (Er is geen godheid behalve Allah) zegt."[Dit blijde nieuws wordt ook in andere ahadīth genoemd. Echter, men moet niet vergeten dat Allah zegt:
يَا أَيُّهَا الْإِنسَانُ مَا غَرَّكَ بِرَبِّكَ الْكَرِيمِ«O mens, wat heeft jou misleid ten opzichte van jouw nobele Rab!» Surah al-Infitar (82:6)In enkele ahadīth wordt verteld dat degenen die 'Lā ilāha illā-Allāh' zeggen uit de Hel gehaald zullen worden. Dit impliceert dat ze mogelijk de Hel zullen binnengaan.
Dat Allah de Hel harām maakt voor hen die 'Lā ilāha illā-Allāh' zeggen, betekent – Allah weet het beter – dat zij niet eeuwig in de Hel zullen verblijven, zoals ongelovigen, en dat ze na hun straf of door bemiddeling (shafa'a) eruit gehaald zullen worden.)
21-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: " īmān (geloof) bestaat uit meer dan zestig delen. Bescheidenheid (hayā’) is een deel van īmān."
[In sommige overleveringen wordt 'meer dan zeventig' genoemd. De takken van imaan verwijzen naar de praktische manifestaties van geloof in het leven.]
22-) Van Abdullaah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم liep voorbij een Anṣārie (Helper) die zijn broer adviezen gaf vanwege zijn verlegenheid. Rasûlallah صلى الله عليه وسلم, zei: 'Laat hem, want waarlijk verlegenheid (Ḥayā’) komt voort uit īmān.'[Ḥayā: In de woordenboeken betekent het: verlegenheid, schaamte dat iemand, uit angst voor de afkeuring van mensen, spijt voelt over wat hem overkomt en daardoor verandert. Het kan ook betekenen dat men iets nalaat vanwege een bepaalde oorzaak.
Volgens de sharīʿah betekent het: een karaktereigenschap die ervoor zorgt dat men zich onthoudt van slechte dingen; een natuurlijke eigenschap van de schepping. Het voorkomt nalatigheid tegenover Degene die recht op iets heeft. Daarom zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم):“Ḥayā is geheel en al goedheid.”
Ḥayā is een aangeboren karaktereigenschap, dus als men vraagt: Waarom wordt het dan als een tak van het geloof beschouwd?, dan wordt daarop het volgende geantwoord:Het kan wel een natuurlijke eigenschap zijn, maar om het volgens de sharīʿah te gebruiken — dus binnen de religie — is het noodzakelijk dat men er de juiste intentie en kennis voor heeft. Daarom behoort ḥayā tot het geloof (īmān). Want het spoort aan tot goede daden en houdt af van slechte daden.
Ḥayā’ kent twee vormen: natuurlijke verlegenheid en verlegenheid die voortkomt uit het geloof (īmān), wat zich uit in een afkeer van zonden. Deze hadīth verwijst naar de tweede vorm.
Een gebrek aan hayā’wijst vaak op zwakte in geloof. Hayā’ is een eigenschap die profeten nalaten, een teken van geloof, en beschermt mensen tegen zonden. Voor een gezonde samenleving is het noodzakelijk om mensen op te voeden met hayā’.]
23-) Van Imrān ibn Husayn (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Hayā’ brengt alleen maar goeds.'
Uitleg over de deugdzaamheid van de Islām en diens niveaus en de meest deugdzame
24-) Van `Abdullah ibn Amr (رضي الله عنه):Iemand vroeg an-Nabie صلى الله عليه وسلم : "Welke daad in de Islām is het beste?" Hij antwoordde: "Geef voedsel (aan de hongerigen) en geef vredesgroet (as-salām) zowel degenen die je kent als degenen die je niet kent." [Of je iemand nu kent of niet, maak geen onderscheid bij het vredesgroeten (as-salām) door gemaakte houdingen of hoogmoed. Integendeel, je moet dit doen ter behoud van de Islamitische symbool en de broederschap in de Islām.]
24a-) Van `Abdullah ibn Amr (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Degene voor wiens tong en voor wiens handen de (andere) moslims veilig zijn. Een muhajir (emigrant) is degene die stopt met wat Allah verboden heeft."
25-) Van Abû Mûsā al Ash`arie (رضي الله عنه): Ze vroegen: 'O Rasûlullāh, wie is de beste onder de moslim?' Hij antwoordde: (Een ware) moslim is degene voor wie de andere moslims veilig zijn voor zijn tong en zijn hand.'[an-Nabie صلى الله عليه وسلم gaf verschillende antwoorden op soortgelijke vragen, afhankelijk van de situatie, de vraagsteller en de context. Dit benadrukt dat een specifieke eigenschap niet exclusief de beste is, maar een van de beste eigenschappen binnen een bredere context.]
Uitleg over de eigenschappen van degene die de zoetheid van het geloof proeft.
26-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Er zijn drie dingen waardoor iemand de zoetheid (halawah) van het geloof (īmān) proeft als hij ze in zich heeft:Als hij Allah en Zijn Rasûl meer lief heeft dan wat ook anders.Als hij slechts om Allahs wille van iemand houdtAls hij het verafschuwt (na geloofd te hebben) naar ongeloof (kufr) terug te keren nadat Allah hem daarvan heeft verlost, zoals hij het ook verafschuwt in het Hellevuur geworpen te worden.”
[Sheikh Abû Muhammed ibn Abi Jamrah zei het volgende: De reden waarom Rasûlullaah صلى الله عليه وسلم, de "zoetheid" noemt, is omdat Allah het geloof vergelijkt met een boom, zoals vermeld in het vers:أَلَمۡ تَرَ كَيۡفَ ضَرَبَ ٱللَّهُ مَثَلٗا كَلِمَةٗ طَيِّبَةٗ كَشَجَرَةٖ طَيِّبَةٍ أَصۡلُهَا ثَابِتٞ وَفَرۡعُهَا فِي ٱلسَّمَآءِ ٢٤
Zien jullie niet hoe Allah een vergelijking maakt met een goed woord, die als een goede boom is, wiens wortels stevig in de grond staan, en de takken naar het Paradijs reiken? (Ibrahiem 14/24)Het woord is de uitspraak van de Kalimah al-Ikhlās, namelijk "La ilaha illallah" (Er is geen godheid dan Allah). De boom is de oorsprong van het geloof (īmān), de takken zijn het naleven van de geboden en het vermijden van verboden. De bladeren zijn de goede daden waaraan een mu’min aandacht besteedt. De vruchten zijn de mooie daden. Uiteindelijk rijpen de vruchten, en daarmee komt de zoetheid van het geloof naar voren.]
De verplichting om van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم meer te houden dan van familie, kinderen, ouders en de gehele mensheid.
27-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: Bij Allah, in Wiens hand mijn ziel is, niemand van jullie heeft (perfect) geloof (īmān) totdat ik hem geliefder ben dan zijn vader, zijn kinderen en alle mensen."
Het behoort tot het geloof dat men voor zijn broeder wenst wat men voor zichzelf aan goeds wenst.
28-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Niemand van jullie heeft (perfect) geloof (īmān) totdat hij voor zijn broeder (of zijn buren) wenst wat hij voor zichzelf wenst."
[Het is een van de teken van het geloof (īmān) om voor je broeder hetzelfde te wensen wat je voor jezelf wenst, vooral als het gaat om het goede. Het goede omvat zowel wereldlijke als hiernamaals zaken die toegestaan (halāl) zijn. Het doel hier is om aan te moedigen tot nederigheid. Men houdt er niet van zich boven een ander te stellen, wat gelijkheid vereist. Zoals Allahu Ta`ala zegt: تِلۡكَ ٱلدَّارُ ٱلۡأٓخِرَةُ نَجۡعَلُهَا لِلَّذِينَ لَا يُرِيدُونَ عُلُوّٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا فَسَادٗاۚ وَٱلۡعَٰقِبَةُ لِلۡمُتَّقِينَ ٨٣
Dat Huis van het Hiernamaals schenken Wij aan degenen die niet hoogmoedig wensen te zijn op aarde en die geen verderf zaaien. En het goede einde is voor de godvrezenden. (Qasas 28/83)
Dit is alleen mogelijk door het opgeven van jaloezie, haat, wrok, afgunst en bedrog. Al deze eigenschappen zijn verwerpelijk en ongewild]
Het behoort tot het geloof dat men aanspoort tot het eren van de buur en de gast, spreekt goede woorden of zwijgt.
29 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn buren geen schade berokkenen/niet storen. Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast iets aanbieden/gastvrij ontvangen. Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem goede woorden spreken of zwijgen."[In een andere overlevering staat: "Laat hem zijn buren iets aanbieden." Weer in een andere overlevering staat: "Laat hem goed zijn voor zijn buurman. Goede woorden spreken of zwijgen, en goed zijn voor buren en gasten, zijn eigenschappen van degenen die in Allah en de Laatste Dag geloven.]
30-) Van Abû Shurayh al Adawie (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn buren iets aanbieden. Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast een dag en een nacht iets aanbieden. Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem goede woorden spreken of zwijgen."In een andere overlevering zei hij: "Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast geschenk geven." De metgezellen vroegen: "O Rasûlullāh, wat is het geschenk van een gast?" Hij antwoordde: "Een dag en een nacht (huisvesten en gastvrij ontvangen), volledig. Gastvrijheid duurt drie dagen, wat daarna komt is vrijwillige liefdadigheid (sadaqah)."In een andere overlevering zei hij: "Gastvrijheid duurt drie dagen, de beloning is een dag en een nacht. Het is niet toegestaan voor een moslim om zo lang bij zijn broeder te blijven dat hij hem tot zonde drijft." De metgezellen vroegen: "O Rasûlullāh, hoe kan hij hem tot zonde drijven?" Hij antwoordde: "Door bij hem te blijven terwijl hij niets heeft om hem te ontvangen."
De graad van deugzaamheid van de mensen van de īmān en de hoogste graad bij de mensen van Jemen.
31-) Van Uqba ibn Amr en Abû Mas`ûd (رضي الله عنهما):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم wees met zijn hand naar de richting van Jemen en zei:"Geloof (īmān) is daar, in Jemen. Wees gewaarschuwd, strengheid en ruwheid bevinden zich bij de staarten van kamelen, bij schreeuwende en roepende (mensen) en op de plaats waar de twee horens/groepen van de duivel opkomen en bij de stammen Rabie`a en Mudarr."
[De toeschrijving van het geloof dat aan Jemen wordt uitgelegd is als een verwijzing naar de zachte en toegankelijke aard van de mensen van Jemen in die tijd, en hun bereidheid om de Islām te accepteren. Het kan ook verwijzen naar de oorsprong van de Anṣār, die afkomstig waren uit Jemen.]
32 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "De mensen van Jemen komen naar jullie toe. Ze hebben zachte harten en zachtaardige zielen. Kennis (fiqh) is Jemenitisch, wijsheid (hikmah) is Jemenitisch."
33-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Het hoofd van het ongeloof (kufr) ligt in de richting van het oosten. Hoogmoed en met zichzelf ingenomenheid bevinden zich bij degenen die zich bezighouden met paarden en kamelen bij schreeuwende en roepende bedoeïenen. Nederigheid en waardigheid bevinden zich bij degenen die zich bezighouden met schapen."
[Ten tijde van deze uitspraak waren de meeste tegenstanders van de Islām in het oosten van het Arabisch schiereiland, waar de stammen Rabie`a en Mudarr gevestigd waren.]
34-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Trots en hoogmoed zijn in de woestijnbewoners van de kamelen, kalmte is bij de mensen van de schapen, en het geloof is (afkomstig uit Jemen), en de wijsheid is Jemenitisch."Abu `Abdullah al-Bukharie (moge Allah genadig met hem zijn) zei: "Jemen is genoemd naar de rechterkant van de Ka'bah, en ash-Sham (Syrisch gebied) is genoemd naar de linkerkant van de Ka'bah."
Uitleg dat godsdienst (dīn) een advies is
35-) Van Jarir ibn `Abdullah (رضي الله عنه): Ik heb trouw gezworen aan an-Nabie صلى الله عليه وسلم om de salāh te verrichten, de zakāh op te brengen en (goede) advies (nasihah) te geven aan elke moslim.35a) Van Jarir ibn `Abdullah (رضي الله عنه):Ik zwoer trouw aan an-Nabie صلى الله عليه وسلم om hem te gehoorzamen en naar hem te luisteren. Hij zei toen tegen mij: 'Ook om (goede) raad te geven aan elke moslim, voor zover je kunt.'
Uitleg over de afname van het geloof door zonden en het ontkennen ervan voor degene die zich in een zonde bevindt, met de bedoeling om de onvolledigheid ervan te verduidelijken.
36-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Een persoon die overspel pleegt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig (mu’min) is. Iemand die alcohol drinkt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig is. Iemand die steelt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig is.'"
In een andere overlevering zei hij:"Iemand die een publieke functie uitvoert/onrechtdoener kan niet in het openbaar plunderen, terwijl hij (volmaakt) gelovig is."
[Volgens ahadīth die hierna volgen heeft de aardsengel Jibrīl (عليه السلام) an-Nabie صلى الله عليه وسلم geïnformeerd dat wie sterft zonder afgoderij te plegen, het Paradijs zal binnengaan. Aangezien ongelovigen het Paradijs niet kunnen binnengaan, blijkt uit deze overleveringen dat hoewel overspel en diefstal grote zonden zijn, degenen die deze daden begaan en geen afgoderij plegen of ongeloof aannemen, nog steeds binnen het bereik van het geloof blijven. De woorden 'Een persoon die overspel pleegt, kan dit niet doen terwijl hij gelovig is' worden daarom uitgelegd als een waarschuwing dat zulke daden een gelovige onwaardig zijn en dat een gelovige zich verre dient te houden van dergelijke handelingen.]
Uitleg over de eigenschappen van de hypocriet
37-) Van `Abdullah ibn Amr ibnu’l Aas (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Er zijn vier eigenschappen die iemand een pure hypocriet (moenafiq) maken. Wie een van deze eigenschappen bezit, heeft een kenmerk van hypocrisie totdat hij het opgeeft: 1) Als hem iets wordt toevertrouwd, verraadt hij het; 2) Als hij spreekt, liegt hij; 3) Als hij een belofte doet, breekt hij die; 4) En als hij vijandig is, gaat hij te ver."
38) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "De tekenen van een hypocriet (munafiq) zijn drie: - als hij spreekt, liegt hij; - als hij een belofte doet, verbreekt hij die; - en als hem iets wordt toevertrouwd, verraadt hij het."
[Het woord 'hypocriet' verwijst naar iemand die innerlijk iets anders gelooft dan wat hij uiterlijk toont. In het Arabisch wordt dit vaak als 'twee gezichten' omschreven. Een hypocriet is gevaarlijker dan een ongelovige en zijn plaats in het Hellevuur is ernstiger. Allahu Ta`ala zegt hierover: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا ١٤٥
Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Vuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden. (An-Nisa: 145)Er zijn verschillende interpretaties over de tekenen van hypocrisie in deze overlevering. Kunnen we bijvoorbeeld iemand die liegt meteen een hypocriet noemen? Sommige geleerden zeggen van wel, terwijl anderen stellen dat zo'n persoon niet dezelfde status heeft als een echte hypocriet die zich als moslim voordoet terwijl hij innerlijk ongelovig is.]
Uitleg over de toestand van het geloof van degene die tegen zijn moslimbroeder zegt 'jij bent een ongelovig.”
39-) Van ``Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Als iemand zijn (moslim) broeder een ongelovige (kāfir) noemt, keert dit woord terug naar een van hen. Als het waar is, is het geen probleem; maar als het niet waar is, dan keert het terug naar degene die het gezegd heeft (en wordt hij zelf een ongelovige).'
Uitleg over de toestand van het geloof van degene die zich afkeert van zijn vader terwijl hij het weet.
40-) Van Abû Dharr (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie opzettelijk beweert dat hij tot een andere vader behoort dan zijn eigen vader, pleegt ongeloof/ondankbaar (tegenover zijn vader). Wie beweert te behoren tot een stam waarmee hij geen familieband heeft, laat hem zijn plaats in het Hellevuur voorbereiden.'
41-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Keer je niet af van je vaders en wees hen niet ontrouw. Wie zich van zijn vader afkeert, pleegt ongeloof/ondankbaarheid."
42-) Van Sa'd ibn Abi Waqqas (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabie صلى الله عليه وسلم zeggen: 'Wie, terwijl hij weet dat iemand niet zijn vader is, toch beweert dat diegene zijn vader is, voor hem zal het Paradijs verboden (harām) zijn.'Toen deze overlevering aan Abû Bakrah werd verteld, zei hij:"Ook ik heb dit met mijn twee oren van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم gehoord en mijn hart heeft het onthouden."
[In sommige overleveringen, zoals in Sahih al-Bukhari en Sahih Muslim, wordt vermeld dat het afwijzen van je vader of het ontkennen van je vader om iemand anders als vader te claimen, wordt beschouwd als ongeloof en met het Hellevuur wordt bestraft. Soms gebeurt dit om een deel van een erfenis te verkrijgen. Daarom heeft Bukhari deze overlevering ook in het hoofdstuk over erfenis opgenomen. Het ongeloof van deze daad kan op twee manieren worden geïnterpreteerd: ofwel als werkelijk afvalligheid van het geloof, ofwel als ondankbaarheid. Hoe dan ook, in beide gevallen zal zo iemand tot de bewoners van het Hellevuur behoren.]
Uitleg over de uitspraak van an-Nabie صلى الله عليه وسلم: 'Het uitschelden van een moslim is zondig gedrag (fusûq), en het vechten tegen hem is ongeloof (kufr)
43-) Van `Abdullah ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Een moslim uitschelden is zondig gedrag (fusûq), en tegen hem strijden is ongeloof (kufr)."
[Als iemand een moslim doodt enkel omdat hij moslim is en diens geloof afwijst, wordt dit beschouwd als ongeloof. Als iemand echter een moslim doodt vanwege persoonlijke redenen of per ongeluk, hoewel dit een grote zonde is, wordt dit niet als ongeloof beschouwd. Het uitschelden van een moslim is kenmerkend voor zondaren, terwijl het strijden tegen moslims een kenmerk van ongelovigen is. ‘Fusûq’ betekent het verlaten van de juiste weg. Dit begrip wordt duidelijk uit de Qur’ān verzen waarin de duivel wordt beschreven als iemand die het bevel van zijn Rab heeft verlaten.:وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ حَبَّبَ إِلَيۡكُمُ ٱلۡإِيمَٰنَ وَزَيَّنَهُۥ فِي قُلُوبِكُمۡ وَكَرَّهَ إِلَيۡكُمُ ٱلۡكُفۡرَ وَٱلۡفُسُوقَ وَٱلۡعِصۡيَانَۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلرَّٰشِدُونَ ٧…Maar Allah heeft het geloof voor jullie geliefd gemaakt en het in jullie harten mooi gemaakt en Hij heeft jullie een afkeer doen hebben van het ongeloof, zware zonden en opstandigheid. Zij zijn de rechtgeleiden. (surah Hujjiraat 49/7) ]
Uitleg van de hadīth van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم ) " Word na mij niet ongelovigen, door elkaars nekken af te hakken (gedraagt jullie niet naar de moraal van de ongelovigen).
44-) Van Jarīr (رضي الله عنه): Tijdens zijn afscheidsbedevaart zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم tegen hem: "Laat de mensen stil zijn en luisteren."Daarna zei hij: "Word na mij niet ongelovigen door elkaars nekken af te hakken."
45-) Van `Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما):Tijdens de afscheidsbedevaart zei an-Nabie صلى الله عليه وسلم :"Ach, wat triest of jammer voor jullie! Gedraag jullie na mij, niet zoals de ongelovigen die elkaars nekken slaan die elkaars nekken afhakken."
Uitleg van iemands ongeloof (kufr) die zegt: "Wij zijn door de ster(renstand) van regen voorzien."
46-) Van Zayd ibn Khālid al-Juhanie (رضي الله عنه) : Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم verrichtte met ons de ochtend-salāh in al-Hudaybiyah, nadat het 's nachts geregend had. Toen hij klaar was wendde hij zich tot de mensen en zei: Weten jullie wat jullie Rab (Rab) gezegd heeft?' Allah en Zijn Rasûl weten het het best', riepen ze.Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Hij heeft gezegd: Sommigen van Mijn dienaren zijn vanochtend als mu'min (gelovig) en anderen als kāfir (ongelovig) opgestaan.Degenen die zeggen: We hebben regen gehad door de goedheid en barmhartigheid van Allah, die geloven in Mij en niet in de sterren. Maar zij die zeggen:We hebben regen gehad doordat die-en-die ster opkwam of onderging, die geloven niet in Mij, maar in de sterren.'
Het bewijs dat het houden van de Anṣār een teken van geloof is.
47-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Liefde voor de Anṣār is een teken van geloof, en vijandschap tegen de Anṣār is een teken van hypocrisie (nifāq)."
[Mensen uit Madīnah die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hielpen, namelijk de stammen van Aws en Khazraj, worden Anṣār genoemd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde hen Anṣār, wat een speciale naam voor hen werd. Deze naam werd later ook gebruikt voor hun kinderen, bondgenoten en vrienden. Hasad (afgunst) veroorzaakt haat, oftewel niet houden van, en afkeer. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewaarschuwd voor haat en afkeer, terwijl hij liefde heeft aangemoedigd. Daarom heeft hij liefde voor hen als tekenen van geloof en haat als teken van hypocrisie vastgesteld. In een overlevering in de Sahih Muslim zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen `Alī (رضي الله عنه): "Alleen de gelovige houdt van jou, en alleen de hypocriet haat jou." Het houden van de Anṣār kan verwijzen naar het liefhebben van de moslims in Madīnah tijdens het tijdperk van an-Nabie صلى الله عليه وسلم , die hem ontvingen en steunden. Het kan ook betekenen dat men degenen liefheeft die de Islām helpen.]
48-Van al-Barā (bin Aazib) (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Alleen de gelovigen heggen de Anṣār lief en alleen de hypocrieten haten hen. Wie hen liefheeft, Allah zal hen liefhebben. Wie hen haat, Allah zal hen haten.'
Uitleg dat het geloof afneemt door het verminderen van gehoorzaamheid/aanbiddingen (aan Allah).
49-) Van Abû Sa`ied al-Khudrie (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم ging op een Offerfeestof Ramadānfeestdag naar de salāhsveld (musallā). Hij kwam naar de vrouwen en sprak de vrouwen toe en zei:"O vrouwen menigte, geef aalmoes (sadaqah), want mij is getoond dat de meeste bewoners van het Hellevuur uit jullie bestaan."De vrouwen vroegen: "Waarom is dat zo, O Rasûlullāh?"Hij antwoordde: "Jullie vervloeken veel en zijn ondankbaar tegenover jullie echtgenoten. Ik heb geen andere groep gezien die een verstandige man zo kan afleiden als jullie. Jullie verstand en dīn (dīn) zijn gebrekkig."De vrouwen vroegen: "O Rasûlullāh, wat is het gebrek in ons verstand en onze dīn?"Hij zei: "Is het getuigenis van een vrouw niet gelijk aan het helft van dat van een man?"De vrouwen antwoordden: "Ja."Hij zei: "Dat is het gebrek in jullie verstand. En wanneer een vrouw menstrueert, kan zij dan niet bidden of vasten?"De vrouwen antwoordden: "Ja."Hij zei: "Dat is het gebrek in jullie dīn."
[Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم hield altijd rekening met geschikte tijden en gelegenheden om zijn metgezellen advies en vermaningen te geven. Zowel in vrijdagpreken, feestpreken als tijdens salāt zoals die voor zonsen maansverduisteringen wees hij op belangrijke zaken en waarschuwde hij tegen algemene tekortkomingen.Tijdens een feestsalāh richtte an-Nabie صلى الله عليه وسلم zich eerst tot de mannen, gaf hen advies, maande hen tot vrees voor Allah en gehoorzaamheid aan Hem (zoals vermeld in Sahih Muslim en Sunan an-Nasā`ie ). Toen hij merkte dat zijn stem de vrouwen niet goed bereikte, ging hij naar hen toe om hen ook vermaningen en richtlijnen te geven (Sahih al-Bukhari, Sahih Muslim, Sunan Abû Dawud, en Sunan Ibn Majah).
Volgens `Abdullah ibn `Abbās (رضي الله عنهما) (Sahih al-Bukhari) reciteerde an-Nabie bij die gelegenheid het volgende vers:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢
O, an-Nabie! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggen dat zij niemand in de aanbidding met Allah zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen en jou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allah hen te vergeven. Waarlijk, Allah is Vergevingsgezind, Genadevol.
(Surah al-Mumtahanah: 12).Hij vroeg hun: "Houden jullie je hieraan?" Dit vers maakte duidelijk dat an-Nabie صلى الله عليه وسلم trouw zwoer met hen en hen vermaningen gaf in een sfeer van gehoorzaamheid en trouw.In deze specifieke overlevering wordt vermeld dat de meeste vrouwen tot de bewoners van het Hellevuur zullen behoren. De redenen hiervoor zijn:
Ze vervloeken veel.Ze zijn ondankbaar tegenover hun echtgenoten.Ze verleiden verstandige mannen en brengen hen op een dwaalspoor.
Deze eigenschappen, die naar het Hellevuur kunnen leiden, gelden echter ook voor mannen. Als een man veel vervloekt of een vrouw op een dwaalspoor brengt, zal hij evenzeer gestraft worden.De woorden van an-Nabie صلى الله عليه وسلم waren bedoeld als een waarschuwing aan de vrouwen om hun morele gedrag te verbeteren en tekortkomingen te corrigeren. Als zij deze waarschuwingen negeren, zullen de genoemde gevolgen voor iedereen gelden, ongeacht of het een man of vrouw betreft. De specifieke toespraak was gericht aan de vrouwen omdat zij op dat moment de directe luisteraars waren.Vergelijkbare uitspraken van an-Nabie صلى الله عليه وسلم zijn te vinden in andere overleveringen. Bijvoorbeeld:"O moslimvrouwen! Zelfs al is het maar een poot van een schaap, laat een vrouw het geschenk van haar buurvrouw nooit onderschatten." (Sahih al-Bukhari en Sahih Muslim).Dit betekent echter niet dat alleen vrouwen een geschenk kunnen onderschatten; hetzelfde geldt voor mannen.Deze overleveringen moeten binnen een algemene context worden begrepen, waarbij de lessen en adviezen zowel voor mannen als vrouwen gelden.]
50-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Er werd aan Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم gevraagd: 'Welke daad is het meest waardevol?' Hij antwoordde: 'Het geloof (=bevestigen) in Allah en Zijn Rasûl.''En daarna, welke?' werd gevraagd.'Jihad op de weg van Allah, ‘antwoordde hij.'En daarna, welke?' werd weer gevraagd.'De aanvaarde pelgrimage,' antwoordde hij.[In verschillende ahadīth wordt gevraagd naar de waarde van bepaalde daden. Imaam Nawawie zei: In deze hadīth wordt jihad na het geloof genoemd. In de hadīth van Abu Dharr wordt de hadj niet genoemd, maar wordt het bevrijden van slaven wel genoemd.
In de hadīth van Ibn Mas`ûd begint hij met de salāh, daarna spreekt hij over goedheid naar de ouders en vervolgens over jihad. In de eerder genoemde ahadīth werd gesproken over de veiligheid van de handen en de tong. De geleerden zeiden: De variëteit in de antwoorden komt doordat ze gebaseerd zijn op de situatie van dat moment en de behoeften van de ander. Vragen over welke moslim het beste is, welke Islamitische gedraging het beste is, welke daad het meest waardevol is, welke daad Allah het meest behaagt, en wie de beste mensen zijn. an-Nabie صلى الله عليه وسلم gaf verschillende antwoorden op deze vragen, afhankelijk van de situatie, de omgeving en de tijd waarin ze gesteld werden. Het is belangrijk om te begrijpen dat zulke uitspraken over waarde niet betekenen dat iets absoluut het beste is, maar dat het een van de beste of waardevolste zaken is. Dit is te vergelijken met de uitspraak 'Ali is de slimste persoon', wat niet betekent dat er geen andere slimme mensen zijn, maar dat Ali binnen de groep van slimme mensen valt.]
51-) Van Abû Dharr (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabie صلى الله عليه وسلم : 'Welke daad is het meest waardevol?' Hij antwoordde: 'Geloof in Allah en jihad op de weg van Allah.''Welke slavenvrijlating is het meest waardevol?' vroeg ik.'Die welke het meest waardevol is in de ogen van de eigenaar.' antwoordde hij.'En als ik dat niet kan?' vroeg ik.'Je helpt een ambachtsman, of je helpt iemand die geen werk kan doen,' zei hij.'En als ik dat niet kan?' vroeg ik.'Dan laat je mensen met rust van slecht gedrag, dit is een vorm van aalmoes voor jezelf,' zei hij."[an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft in deze hadīth de meest deugdzame daden op volgorde vermeld. In het laatste gedeelte van de hadīth wordt gesproken over iemand die geen enkel nut voor de gemeenschap heeft. Het grootste goed van zo iemand is dat hij anderen en de samenleving beschermt tegen zijn kwaad en negatieve invloeden. Aangezien hij ver verwijderd is van het goeddoen en hulp bieden aan anderen, zou het tenminste beter zijn als hij geen schade veroorzaakt.
Dit wordt beschouwd als een soort van sadaqah (liefdadigheid), omdat het voorkomt dat hij anderen schaadt en hen beschermt tegen zonden.]
52-) Van ``Abdullah b. Mas`ûd (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabie صلى الله عليه وسلم : 'Welke daad is het meest geliefd bij Allah?' Hij antwoordde: 'De salāh op de juiste tijd.''En daarna, welke?' vroeg ik.'Het goed behandelen van je ouders.' zei hij.'En daarna, welke?' vroeg ik.'Jihad op de weg van Allah,' antwoordde hij. `Abdullah (رضي الله عنه) voegde eraan toe: 'an-Nabie صلى الله عليه وسلم vertelde me dit. Als ik hem had gevraagd om meer, zou hij me meer hebben verteld.'53-) Van `Abdullah b. Mas`ûd (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabie صلى الله عليه وسلم : 'Wat is de grootste zonde in de ogen van Allah?' Hij antwoordde: 'Je Allah deelgenoten toekennen, terwijl Hij je heeft geschapen.''Dit is inderdaad een grote zonde,' zei ik, en vroeg verder: 'En daarna, welke?''Het doden van je kind uit angst voor voedsel,' zei hij.'En daarna, welke?' vroeg ik.'Ontucht (zina) plegen met de vrouw van je buurman,' zei hij."
[De gedragingen die in strijd zijn met de bevelen van Allah en als zonden in de dīn worden beschouwd, zijn zaken die in de Islamitischewet (sharia) en volgens de zuivere menselijke natuur verboden zijn. In het Arabisch worden de termen "ism", "zenb", "isyan" en "jurm" gebruikt als tegenhangers van het woord "zonde". "Ism" betekent letterlijk zonde.
"Zenb" (of "jurm") verwijst naar iets dat verhindert dat iemand de tevredenheid van Allah behaalt, en "isyan" betekent ongehoorzaamheid aan Allah.
"Shirk" komt van het werkwoord "sharika". In het woordenboek betekent "shirk" en de woorden die van hetzelfde stamwoord komen, zoals "shirkah" en "mushârekah", het delen van het koninkrijk en het gezag, oftewel gezamenlijk eigendom van iets. Het duidt aan dat iets tot meerdere mensen behoort. Het werkwoord "ashraka", van dezelfde stam, betekent partnerschap aangaan of deelgenoot zijn. Iemand die partnerschap aangaat, wordt een "mushrik" genoemd. In Islamitische terminologie betekent "shirk" het toekennen van partners of gelijken aan Allah in Zijn wezen, eigenschappen of daden. Een persoon die "shirk" pleegt, wordt een "mushrik" genoemd. Het erkennen van twee of meer goden, het beschouwen van een wezen als een object van aanbidding, of het toekennen van eigenschappen zoals schepping, eeuwigheid, en onvergankelijkheid aan andere wezens dan Allah, is shirk. Kortom, shirk is het toekennen van de goddelijke eigenschappen van Allah aan iets anders dan Allah. Shirk is het afwijken van de fundamentele waarheid van tawhid ("Lâ ilâhe illallah"), door te geloven, te zeggen of te handelen in de zin dat er andere goden dan Allah zijn, en te geloven dat andere entiteiten dan Allah aanbidding en gebed verdienen, of dat zij echte macht en kracht bezitten.]
54-) Van Abû Bakrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei drie keer: 'Zal ik jullie de grootste van de grote zonden vertellen?'De aanwezigen vroegen: 'Ja, vertel het ons, O Rasûlullāh!''Hij antwoordde: 'Allah deelgenoten toekennen, en je ouders onrecht aandoen.'Hij ging zitten en zei toen: Weet, en ook liegen.'(De overleveraar zei:) Hij herhaalde dit zo vaak dat we uiteindelijk dachten: 'Hadden we gewild dat hij zou stoppen.'[Dit verlangen van de metgezellen dat an-Nabie صلى الله عليه وسلم zou stoppen met spreken, kan te maken hebben met zijn emotionele reactie en de bezorgdheid dat er een zware openbaring zou kunnen volgen. Zoals vermeld in de Qur’ān:"…Voor degenen die Rasûlullāh kwetsen, is er een pijnlijke straf..." (At-Tawba: 61).]
55-) Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم sprak over de grote zonden en zei: 'Het bondgenoten toekennen aan Allah en het onrecht aandoen aan je ouders en iemand opzettelijk doden' Daarna voegde hij toe: 'Zal ik jullie de grootste van de grote zonden vertellen? Liegen en valse getuigenis afleggen.'
56-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Vermijd de zeven dingen die je verder kunnen brengen naar de ondergang.' De aanwezigen vroegen: 'O Rasûlullāh, wat zijn deze dingen?'Hij antwoordde: het toekennen van bondgenoten aan Allah;magie bedrijven; het doden van een ziel die Allah verboden heeft, behalve degene die de dood verdient;het geven/nemen van rente;het ongeoorloofd nemen van bezittingen van weeskinderen;het terugtrekken tijdens de strijd met de vijand, en het beschuldigen van reine vrouwen van overspel.'[De in deze hadīth genoemde ondergangbrengers zijn de grote zonden die het hiernamaals van een persoon vernietigen. In deze hadīth worden zeven van deze grote zonden genoemd.
Het feit dat juist deze zeven worden genoemd, is omdat ze de grootste onder de grote zonden zijn, vaak voorkomen in de samenleving en bijzonder afschuwelijk zijn.]
57-) Van `Abdullah b. Amr (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'De grootste van de grote zonden is wanneer iemand zijn ouders vervloekt.' De aanwezigen vroegen: 'O Rasûlullāh, hoe kan iemand zijn ouders vervloeken?' Hij antwoordde: 'Iemand scheldt de vader van een ander uit en daarom scheldt die ander zijn vader uit. Hij scheldt de moeder van een ander uit en daarom scheldt die ander zijn moeder uit."
58-) Van ``Abdullah b. Mas`ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie sterft terwijl hij Allah bondgenoten toekent, zal in het Hellevuur komen.' Ik zei: 'En wie sterft zonder Allah een bondgenoot toe te kennen, zal dan in het Paradijs komen?' Hij zei: 'Ja.'
59-) Van Abû Dharr (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Degene die van mijn Rab (Rab ) komt (engel Jibrīl (Gabriël) kwam naar mij en bracht het bericht dat degene die van mijn ummah (gemeenschap) sterft zonder Allah een bondgenoot toe te kennen, zeker in het Paradijs zal komen.' Ik vroeg: 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' Hij (Jibrīl) antwoordde: 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.’
60-) Van Abû Dharr (رضي الله عنه): Ik kwam naar an-Nabie صلى الله عليه وسلم , die een witte kleding droeg en sliep.
Toen ik later weer kwam, was hij wakker en zei: 'Degene die sterft terwijl hij 'Lâ ilâhe illallah' (Er is geen godheid dan Allah) zegt, zal zeker het Paradijs binnengaan.' - 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' - Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' - 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' Al vindt Abû Dharr het moeilijk om het te accepteren.- 'Ik zou willen dat ik dit vóór mijn bekering had geweten.'
[De uitspraak dat iemand die in het geloof sterft, zeker het Paradijs zal binnengaan, betekent niet dat iedere gelovige onmiddellijk het Paradijs zal binnengaan. Een zondaar kan eerst zijn zonden in het Hellevuur aflossen voordat hij het Paradijs betreedt. Dit betekent echter niet dat men een weg naar zonden moet zoeken, want het betreden van het Paradijs betekent niet dat men ongestraft blijft voor zijn zonden. Zulke mensen zullen hun zonden eerst in het Hellevuur reinigen en dan het Paradijs binnengaan. Abû Dharr herhaalde de vraag omdat hij dacht dat deze mensen geen toegang tot het Paradijs zouden hebben, gezien de uitspraak in de hadīth hierboven, waar werd aangegeven dat degenen die zulke zonden begaan, geen gelovigen kunnen zijn.
In de versie van deze hadith die voorkomt in Sahih al-Bukhari, in het hoofdstuk Kitāb al-Libās (het Boek over Kleding), wordt vermeld dat Abū Dharr al-Ghifārī (رضي الله عنه) an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bezocht terwijl hij lag te slapen. Daarom moet Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de blijde boodschap die hij in de hadith vermeldt, in een droom van Jibrīl (عليه السلام) ontvangen hebben.
De sterke verbazing van Abū Dharr (رضي الله عنه), en het feit dat hij dit meerdere keren uitdrukte, is te verklaren vanuit een andere hadith van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), waarin staat:
"Een zondaar pleegt geen overspel terwijl hij (op dat moment) een gelovige is; en iemand drinkt geen alcohol terwijl hij (op dat moment) een gelovige is..."
De islamitische geleerden hebben bij het bespreken van grote zonden deze tweede hadith – die Abū Dharr (رضي الله عنه) zich herinnerde – geïnterpreteerd, en zij hebben de eerste hadith als uitgangspunt genomen.
Daarmee wordt bedoeld: iemand die overspel pleegt, doet dat niet terwijl hij een volmaakt geloof (īmān kāmil) bezit.
Als men deze hadith niet zou interpreteren, en enkel op de letterlijke betekenis zou afgaan, dan zou men de visie van de Khawārij moeten aannemen – namelijk: "Wie een grote zonde begaat, wordt ongelovig."
Maar de geleerden van Ahl as-Sunnah zeggen niet dat iemand die een grote zonde pleegt een kāfir is. Zij zeggen:"Hij is zondig. Als hij berouw toont, kan Allah hem vergeven."
Imām Abū Ḥanīfah beschouwde geloof (īmān) en daden (ʿamal) als afzonderlijke zaken.Geloof is: het innerlijk bevestigen met het hart en het uitspreken met de tong.Als dit aanwezig is, dan wordt iemand als moslim beschouwd, ongeacht zijn daden.
Ook als hij grote zonden pleegt, blijft hij een gelovige. Hij kan op elk moment berouw tonen en terugkeren tot Allah.
Zoals in de eerder vermelde hadith wordt gezegd: als zijn laatste woorden “lā ilāha illallāh” zijn, dan zal hij – zelfs als hij geen goddelijke vergeving voor zijn zonden krijgt – na zijn bestraffing toch uiteindelijk het Paradijs binnengaan.
In deze hadith heeft Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zonder voorwaarden het uiteindelijke eindresultaat vermeld.
Deze manier van formuleren heeft als doel de zondige dienaar hoop te geven en hem aan te sporen tot berouw.
De mening van sommigen dat deze hadith te veel hoop zou geven en mensen daarmee zou aanzetten tot zonde, is ongegrond.
Want iemand die zich bewust is van zijn dienaarschap tegenover Allah en het juiste gedrag kent, zal geen zonden begaan louter op basis van hoop op vergeving.
En degene die zich dit gedrag niet eigen maakt, is iemand bij wie woorden sowieso geen effect zullen hebben; hij is de gevangene van zijn eigen begeerten.
Deze hadith behoort tot de meest gezaghebbende en authentieke overleveringen, erkend door zowel al-Bukhārī als Muslim.
Onze geliefde Nabie (صلى الله عليه وسلم), die namens de Rab der werelden spreekt, zegt niets anders dan de waarheid en het goede.]
61-) Mikdad b. Amr al-Kindi (رضي الله عنه) had een bondgenootschap met de zonen van Zuhra. Hij was een van degenen die deelnam aan de Slag bij Badr met Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم.Hij vroeg: "O Rasûlullāh, stel je voor dat ik een ongelovige tegenkom en we strijden tegen elkaar. Hij hak een van zijn handen af en hij (vlucht en) schuilt achter een boom en zegt: 'Ik heb me overgegeven aan Allah/ben moslim geworden.' Kan ik hem dan nog steeds doden terwijl hij zegt dat hij moslim is geworden?"Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم antwoordde: "Je mag hem niet doden." Mikdad vroeg: "O Rasûlullāh, maar hij heeft mijn hand afgehakt en daarna zei hij dit?"Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم antwoordde: Je kunt hem niet doden. Als je hem doodt, is hij in de staat vóór dat jij hem gedood hebt. Jij bevindt je ook in de staat vóórdat hij het woord (tawhid) uitsprak!" zei hij."
62-) Van Usamah b. Zayd (رضي الله عنهما):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم stuurde ons naar de stam al-Huraka. We verrasten hen in de ochtend en versloegen hen. Ik en een van de Anṣār (het Hellevuurpers van an-Nabie) bereikten een van hen en omsingelden hem. Hij zei: 'Lâ ilâhe illallah' (Er is geen godheid dan Allah), waarna de man zich overgaf.
De man van de Anṣār trok zijn hand terug, maar ik stak hem met mijn speer en doodde hem. Toen we in (Madīnah) terugkwamen, hoorde an-Nabie صلى الله عليه وسلم van dit voorval en zei: 'O Usamah, heb je hem gedood nadat hij 'Lâ ilâhe illallah' had gezegd?' Ik antwoordde: 'Hij zei dit omdat hij bang was voor de dood (om zichzelf te redden).' an-Nabie صلى الله عليه وسلم herhaalde deze vraag steeds, tot ik wenste: ‘Was ik maar niet moslim geworden vóór dit incident.'
[In deze hadīth komt de kwestie van takfir (de verklaring van iemand als ongelovige) in de Islām ter sprake. Het standpunt van de Ahlu as-Sunnah wa’l Jama`ah hierover is: Onwetendheid is in algemene zin een excuus, maar dit geldt niet altijd, overal, voor iedereen of in elke kwestie. Onwetendheid komt van hetzelfde stamwoord als "jaahil" (onwetende persoon). "Jaahil" betekent iemand die niet weet, die niet bekwaam is, die geen kennis heeft, en wordt gebruikt voor mensen die onbekend zijn met kennis en inzicht. De toestand waarin iemand zich bevindt vanwege onwetendheid wordt ook "jahalah" genoemd. Onwetendheid betekent simpelweg niet weten, het tegenovergestelde van kennis, en is de slechtste toestand. Kennis is het beste en het meest deugdzame, terwijl onwetendheid het slechtste is. Een persoon die kennis bezit, wordt beschouwd als deugdzaam en verheven, terwijl onwetende mensen altijd als onwetend worden beschouwd. Niemand wordt verantwoordelijk gehouden zonder dat het bewijs (hujjah) is geleverd. Als iemand zegt "La ilâhe illallah" en vervolgens een ander persoon doodt, kan dit voortkomen uit angst, maar de intentie (in het hart) moet worden onderzocht. Je kunt iemand niet zomaar een ongelovige noemen zonder bewijs. Het is niet nodig om specifieke zonden te begaan om als ongelovige te worden verklaard. Als je iemand onterecht een ongelovige noemt, keer je de aanklacht uiteindelijk tegen jezelf. Daarom moeten we vasthouden aan het Boek en de Sunnah om de waarheid te leren, want dat is de basis van ons geloof. Anders, wanneer we proberen de fouten van mensen te corrigeren, kunnen we ons in een situatie bevinden waar we alleen degenen kiezen die het met ons eens zijn.
De ziekte van takfir in de samenleving is moeilijk te verhelpen en verdwijnt niet zo maar. Als we onwetendheid in het algemeen niet als excuus accepteren, betekent dit dat iedereen altijd en overal als ongelovige wordt verklaard. Verantwoordelijkheid komt geleidelijk met kennis van Allah). Daarom is onwetendheid in het algemeen een excuus, maar niet in elk geval of voor elke kwestie. Er zijn sectes die te ver gaan door te zeggen dat onwetendheid altijd een excuus is, zoals de Murji’ah . En er zijn ook extremisten die zeggen dat onwetendheid geen excuus is, zoals de Khawarij. Islām kijkt naar het uiterlijke gedrag, terwijl het innerlijke (de intentie) alleen aan Allah toebehoort.]
63-) Van Ibn Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie zich bewapend om ons (aan te vallen), is niet één van ons.'
64-) Van Abû Mûsā al Ash`arie (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie zich bewapend om ons (aan te vallen), is niet één van ons.'[De uitdrukking "is niet één van ons" wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd: sommigen begrijpen het als 'hij volgt onze weg (Sunna van an-Nabie صلى الله عليه وسلم niet', anderen zeggen dat hij onze houding niet deelt. Sommigen interpreteren het als 'hij is niet van onze dīn'.]
65-) Van ``Abdullah b. Mas`ûd (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie (achter een overledene) in zijn gezicht slaat, zijn kraag verscheurt en schreeuwt als in de tijd van de onwetendheid is niet één van ons '
66-) Van Abû Mûsā al-Ash'ari (رضي الله عنه):Abū Mūsā (رضي الله عنه) werd getroffen door hevige pijn, waardoor hij het bewustzijn verloor terwijl zijn hoofd rustte in de schoot van een vrouw uit zijn familie. Hij was niet in staat om haar iets te antwoorden.
Toen hij bijkwam, zei hij: “Ik neem afstand van degene van wie Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zich heeft gedistantieerd.Waarlijk, Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) heeft zich gedistantieerd van:– de vrouw die luid weeklaagt (ṣāliqah),– de vrouw die haar haar afscheert (ḥāliqah),– en de vrouw die haar kleren scheurt (shāqqah).”(Dus zij bevinden zich niet op de soennah en het pad van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).)
67-) Van Huzayfah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabie صلى الله عليه وسلم zeggen: 'Wie roddelt (namamah), zal het Paradijs niet binnengaan.'[Roddelen wordt vaak gezien als een daad die iemand ervan weerhoudt het Paradijs binnen te gaan, omdat het een ernstige zonde is die de verhoudingen tussen mensen verstoort.]
68-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Er zijn drie mensen naar wie Allah op de Dag des Oordeels niet zal omkijken, hen niet zal zuiveren, en voor wie er een pijnlijke straf is: 1. Iemand die, terwijl hij meer water heeft dan hij nodig heeft, (het water) niet aan reizigers aanbied;2. Iemand die alleen om wereldse voordelen trouw zweert aan de staatshoofd en tevreden is wanneer hij iets wereldlijks ontvangt, maar boos wordt wanneer hij niets ontvangt; 3. En iemand die na de middag zijn bezit op de markt brengt en zegt: 'Ik zweer bij Allah bij wie geen andere godheid naast Hem heeft, dat ik voor dit bezit zoveel geld heb uitgegeven.' De koper gelooft hem door de eed en koopt de goederen. Daarop reciteerde Rasûlullāh de vers:
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَشۡتَرُونَ بِعَهۡدِ ٱللَّهِ وَأَيۡمَٰنِهِمۡ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيۡهِمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٧٧
Waarlijk, degenen die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun verbond met Allah en voor hun eed, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allah zal niet tot hen spreken of naar hen kijken op de Dag der Opstanding, noch zal Hij hen reinigen en zij zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (surah Âli Imrân: 77)
69-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Wie van een berg valt en zichzelf doodt, zal eeuwig in het Hellevuur zijn, voortdurend zichzelf van een hoge plek in het Hellevuur werpend. Wie zich vergiftigt, zal eeuwig in het Hellevuur zijn, waarbij hem het vergif (door de engelen) wordt toegediend. Wie zichzelf met een snijwond doodt, zal eeuwig in het Hellevuur zijn, waarbij het mes zich steeds in zijn buik zal steken.'[Zelfmoord is een van de grote zonden en is een zaak die binnen de macht van Allah ligt. Allah de Almachtige kan straffen of vergeven als Hij dat wenst. Begrafenisgebed voor de persoon die zelfmoord heeft gepleegd wordt uitgevoerd door de moslims. Maar de leider van de moslims verricht het niet.]
70-) Van een van degenen die trouw zwoeren onder de boom, Sabit b.
Dahhâk (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Wie zweert met de eed 'Ware ik in een andere dīn dan de Islām zijn', zal worden zoals hij zei.Iemand kan geen belofte doen over iets wat hij niet heeft. Iemand kan niet belofte doen om een dankoffer te brengen (adaq) dat hij niet heeft. Wie in deze wereld zelfmoord pleegt, zal op de Dag des Oordeels met dezelfde straf worden gekweld. Wie een gelovige (mu’min) vervloekt, is alsof hij hem heeft gedood. Wie een gelovige (mu’min) beschuldigt van ongeloof, is alsof hij hem heeft gedood."
71 –Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig bij Khaybar. Toen zei hij over een man die beweerde moslim te zijn: “Deze is van de bewoners van het Vuur.”Toen het gevecht begon, vocht die man zeer heftig en raakte gewond. Toen zei men:“O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), die man waarvan u zei dat hij van de bewoners van het Vuur is — hij heeft vandaag hevig gevochten en is gestorven!”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij is in het Vuur.”Dat bracht sommige mensen aan het twijfelen. Terwijl zij in die toestand verkeerden, werd gezegd:“Hij is niet gestorven, maar hij is zwaar gewond geraakt.”Toen het nacht was geworden, kon hij het door de verwonding niet verdragen, en pleegde hij zelfmoord.Daarop werd an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hierover geïnformeerd.Hij zei toen: “Allāhu Akbar! Ik getuig dat ik de dienaar van Allah ben en Zijn boodschapper!”Daarna gaf hij Bilāl (رضي الله عنه) de opdracht om onder de mensen om te roepen:“Niemand zal het Paradijs binnengaan behalve een moslimziel!En waarlijk, Allah ondersteunt deze religie zelfs door middel van een verdorven man.”
72 –Van Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trof de afgodendienaren in de strijd en er werd gevochten. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terugkeerde naar zijn kamp en de anderen ook naar hun eigen kamp teruggingen, was er onder de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een man die geen enkele vijand spaarde: wie hij ook maar zag, volgde hij en sloeg hem met zijn zwaard.Toen zeiden de mensen: “Vandaag heeft niemand onder ons zo goed gestreden als die-en-die.”Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weet dat hij tot de mensen van het Vuur behoort.”Een man uit het gezelschap zei: “Ik zal hem volgen (en het uitzoeken).”Hij ging met hem mee: telkens als die man stilhield, hield hij ook stil, en als hij versnelde, versnelde hij ook.Toen raakte de man zwaar gewond. Hij haastte zich naar de dood: hij plaatste de punt van zijn zwaard op de grond, het gevest tussen zijn borst, en wierp zich erop — en doodde zichzelf.De andere man ging terug naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ik getuig dat u werkelijk de boodschapper van Allah bent.”Hij vroeg: “Wat is er aan de hand?”Hij zei: “De man over wie u eerder zei dat hij van de mensen van het Vuur is — de mensen vonden dat vreemd. Dus zei ik: ‘Ik zal het voor jullie uitzoeken.’ Toen volgde ik hem.
Hij raakte ernstig gewond, en toen haastte hij zich naar de dood: hij plaatste de punt van zijn zwaard op de grond, het gevest tussen zijn borst, en wierp zich erop en doodde zichzelf.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voorwaar, een man kan de daden verrichten van de mensen van het Paradijs – in wat de mensen zien – terwijl hij tot de mensen van het Vuur behoort.En voorwaar, een man kan de daden verrichten van de mensen van het Vuur – in wat de mensen zien – terwijl hij tot de mensen van het Paradijs behoort.”
[De persoon die het publiek inspireerde met het Hellevuur die hij hierboven toonde is Quzmân az-Zafeif. Volgens de informatie van `Aynie was deze man een van de hypocrieten. Omdat hij niet deelnam aan de Slag om Uhud, werd hij door de vrouwen dat bekritiseerd en zei: "Jij bent niets anders dan een vrouw.". Daarop ging hij ten strijde en was de eerste die zijn pijl (op de vijanden) schoot. En zei: "O mensen van Aws, vecht voor de eer van je familie !" Qatada b. Numan (رضي الله عنه) zei tegen hem: "Moge de getuigenis voor jou gezegend worden." Hij zei: "Bij Allah, ik heb niet voor dīn gevochten. Ik heb slechts gevochten om mijn eer te beschermen". Toen deze man zelfmoord pleegde, zei Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, : "Allah kan deze dīn zeker ondersteunen met een zondig persoon."]
73-) Van Jundab (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Er was een man (onder de volkeren) voor jullie die had een wond opgelopen. (De pijn) kon hij niet (meer) verdragen, waarop een mes nam en in zijn had sneed. Hij kon het bloedverlies niet tegenhouden waarop hij stierf. Allahu Ta`ala heeft gezegd: 'Mijn dienaar heeft zich haastig omgebracht, daarom heb Ik het hem verboden het Paradijs binnen te gaan.'
74-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
Wij openden (veroverden) Khaybar, en we verwierven daarbij geen goud of zilver als oorlogsbuit.Wat we wel als buit verkregen waren runderen, kamelen, goederen en boomgaarden.Daarna vertrokken we samen met Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) naar Wādī al-Qurā.Hij had een slaaf bij zich die Midʿam heette. Deze slaaf was hem geschonken door iemand van Banū Ḍiḍāb.Terwijl hij net bezig was om de zadeltas van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) af te nemen, werd hij geraakt door een verdwaalde pijl die hem dodelijk trof.De mensen zeiden toen: “Wat een mooie dood! De martelaarsdood!”Maar Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee! Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is: de mantel die hij had genomen op de dag van Khaybar uit de oorlogsbuit, vóórdat deze verdeeld was — die zal als een vuur op hem branden!”Toen kwam er een man, nadat hij dit van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, met een vetersluiting (sandalenriem), of twee, en zei: “Dit is iets wat ik had genomen.”Toen zei Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): “Een veter, of zelfs twee veters, zijn (in dat geval) vuur!”
74a-) In een andere overlevering van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "O die en die, sta op en verklaar dat alleen een gelovige (mu’min) het Paradijs zal binnengaan en dat Allah de dīn met een zondaar kan ondersteunen. "
75-) Van `Abdullah Ibni Mas’ûd (رضي الله عنه): Een man vroeg Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم 'O Rasûlullāh, zullen we worden afgerekend voor de zonden die we begingen in de tijd van onwetendheid?' Hij antwoordde: 'Wie goed handelt binnen de Islām , zal niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden uit de tijd van onwetendheid.
Maar wie slecht handelt binnen de Islām (m.a.w. van de Islām verzaakt en als ongelovige sterft) zal verantwoording moeten afleggen voor zowel de eerdere als de latere zonden.'
75a) Van `Abdullaah (ibn-i Mas`ûd) (رضي الله عنه):Sommige mensen zeiden aan Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم : O, Rasûlullāh, Zullen wij verantwoordelijk gesteld worden voor datgene wat wij in de tijd van de onwetendheid (jahiliyyah) hebben gedaan?Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Een ieder van jullie die in de Islām goede daden verricht, zal hiervoor niet verantwoordelijk gesteld worden; echter iemand die het slechte heeft verricht, zal wel verantwoordelijk gesteld worden voor datgene wat hij in de tijd van de onwetendheid (jahiliyyah) en in de Islām heeft gedaan.
[*Het slechte betekent: goede daden worden met ikhlaas (oprechtheid) verricht en het slechte zonder ikhlaas. Als iemand zowel uiterlijk als innerlijk tot de Islām treedt wordt vergeven anders is zo'n iemand geen oprechte muslim of een huichelaar.]
76-) Van ``Abdullah ibn Abbâs (رضي الله عنهما): Sommige mensen onder de polytheisten die veel zonden hadden begaan, zoals moord en overspel, kwamen naar Muhammed صلى الله عليه وسلم, en vroegen: 'Inderdaad, de dīn waarover u spreekt en waartoe u ons uitnodigt is zeer mooi. Als u ons op de hoogte stelt van boetedoening dat het goed zal maken (zullen wij moslim worden)!'' Toen openbaarde Allah:
وَٱلَّذِينَ لَا يَدۡعُونَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ وَلَا يَقۡتُلُونَ ٱلنَّفۡسَ ٱلَّتِي حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَلَا يَزۡنُونَۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ يَلۡقَ أَثَامٗا ٦٨
En degenen die geen andere godheid naast Allah aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allah verboden is, behalve volgens een gerechtelijke zaak. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontvangen!
يُضَٰعَفۡ لَهُ ٱلۡعَذَابُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَيَخۡلُدۡ فِيهِۦ مُهَانًا ٦٩
De bestraffing zal voor hem op de Dag der Opstanding verdubbeld worden en hij zal daarin met schande verblijven.
إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠
Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allah hun zonden in goede daden veranderen, en Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (Furkan: 68-70)
۞ قُلۡ يَٰعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ أَسۡرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ لَا تَقۡنَطُواْ مِن رَّحۡمَةِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ جَمِيعًاۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥٣
Zeg: “O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de Genade van Allah (aangaande Zijn vergiffenis en toelating tot het Paradijs), waarlijk Allah vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (surah Zumar: 53)
77-) Van Hakîm b. Hizaam (رضي الله عنه):Hij zei: "O Rasûlullāh, in de tijd van de onwetendheid deed ik daden van aanbidding zoals het geven van sadaqah, het bevrijden van slaven en het onderhouden van banden met familie. Heeft dit een beloning?" an-Nabie صلى الله عليه وسلم, antwoordde: "Jij bent moslim geworden door de goede daden die je in het verleden hebt verricht."[Uit deze hadīth kan worden begrepen dat de beloningen voor de goede daden die je hebt verricht in je voordeel zijn geregistreerd. Een andere betekenis zou kunnen zijn dat je een goed karakter had, je de Islām met dat goede karakter hebt omarmd, en je de goede deugden hebt behouden. Dit betekent dat de beloningen van voor de Islām toen niet aan jou zijn toegeschreven.]
78-) Van `Abdullah b.
Mas’ûd (رضي الله عنه): Toen de volgende ayah werd geopenbaard: ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَلَمۡ يَلۡبِسُوٓاْ إِيمَٰنَهُم بِظُلۡمٍ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلۡأَمۡنُ وَهُم مُّهۡتَدُونَ ٨٢
Het zijn degenen die geloven en hun geloof niet bezoedelen met onrecht, voor hen (alleen) is er veiligheid en zij zijn de rechtgeleiden. (Al-An'am: 82). (Deze ayah was te zwaar voor de moslims daarop) vroegen de metgezellen: 'O Rasûlullāh, Wie van ons doet zichzelf geen onrecht aan?' Hierop zei hij: "Deze (genoemde) onrecht is niet zoals jullie denken (het werkelijke onrecht). De onrecht hier is slechts shirk (polytheïsme). Hebben jullie niet gehoord wat Lokman zei toen hij zijn zoon adviseerde?": وَإِذۡ قَالَ لُقۡمَٰنُ لِٱبۡنِهِۦ وَهُوَ يَعِظُهُۥ يَٰبُنَيَّ لَا تُشۡرِكۡ بِٱللَّهِۖ إِنَّ ٱلشِّرۡكَ لَظُلۡمٌ عَظِيمٞ ١٣
En (gedenk) toen Loeqman tegen zijn zoon zei toen hij hem goede raad gaf: “O mijn zoon! Verenig geen anderen in de aanbidding met Allah. Waarlijk! Het verenigen van anderen in de aanbidding van Allah is zeker een grote fout.” (Luqman: 13)
79-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Zeker, Allah heeft de slechte gedachten en gevoelens die door de harten/gedachten van mijn gemeenschap (ummah) gaan, vergeven, zolang ze niet in daden worden omgezet of uitgesproken worden."
79a) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Allah vergeeft aan mijn gemeenschap (ummah) haar kwade ingevingen zolang zij die niet hebben uitgesproken of ernaar gehandeld hebben.
[Twijfel (waswasah) heeft geen waarde zolang het niet volledig in het hart is neergedaald en gevestigd. Hetzelfde geldt voor degenen die vergeten of zich vergissen; voor hen is er geen sprake van een beslissing of overtuiging in het hart.]
79b) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Allah (`Azza wa Jalla) zegt [tegen Zijn engelen]:'Als Mijn dienaar iets kwaads van plan, schrijf het dan niet (in zijn 'Boek'), maar als hij het uitvoert, schrijf het dan op als één slechte daad (sayya'a). En als hij iets goeds van plan is en hij doet het niet, schrijf het dan op als een goede daad (hasana), en als hij het uitvoert, schrijf het dan op als tien (goede daden).
80-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Wanneer iemand zijn Islām op een mooie manier beoefent, worden zijn goede daden van tien tot zevenhonderd keer vergroot geschreven, terwijl zijn slechte daden exact met dezelfde worden geschreven."
81-) Van ``Abdullah ibn Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft van zijn Rab (`Azza wa Jalla) ontvangen: "Waarlijk, Allah heeft goede (al hasanāt) en slechte (sayyiāt) daden (voorbeschikt en) opgeschreven en heeft de situatie als volgt uitgelegd: Wanneer iemand besluit om een goede daad te verrichten, maar dit niet doet, schrijft Allah het voor hem als een volmaakte goede daad. Wanneer iemand de goede daad verricht, schrijft Allah het voor hem, vermenigvuldigd van tien tot zevenhonderd keer. Wanneer iemand besluit een slechte daad te verrichten, maar het niet doet, schrijft Allah het voor hem als een volmaakte goede daad. Wanneer iemand de slechte daad doet, schrijft Allah het als een slechte daad."
82-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Shaytān komt naar een van jullie en vraagt: 'Wie heeft dit geschapen, wie heeft dat geschapen?' Totdat hij zegt: 'Wie heeft jouw Rab geschapen?' Wanneer dit gebeurt, moeten jullie je toevlucht tot Allah wenden (zegende: 'A'udhu billahi min ash-shaytani’r-rajim) en zich niet bezig houden met zulke gedachten."
82a) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: De mensen houden niet op vragen te stellen, tot zij dit punt bereiken: 'Goed Allah heeft alles geschapen, maar wie heeft dan Allah geschapen?' In zo'n situatie moet je zeggen: Ik geloof in Allah'.
36-) Van Anas b. Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Mensen blijven elkaar vragen stellen, zelfs: 'Allah is de schepper van alles, maar wie heeft Allah geschapen?'"[Een vraag bestaat uit twee delen: Vragen die gesteld worden met goede bedoelingen om iets te leren en de waarheid te vinden. Dit soort vragen zijn niet verboden en ook niet schadelijk. Zoals onze Verheven Rab zegt: "Als jullie het niet weten, vraag het dan aan de mensen die er verstand van hebben" (Nahl: 43; Enbiya: 7), waarmee Hij ons opdraagt om dingen die we niet weten aan de bevoegde personen te vragen.
Het andere soort vraag is die met kwade bedoelingen. Vragen die in de ahadīth worden genoemd en waarvan we verzocht worden ze te vermijden, behoren tot deze categorie. In een eerdere hadīth werd aangegeven dat deze vragen van de satan afkomstig zijn en daarom wordt gevraagd om bescherming bij Allah te zoeken. In de Qur’ān, in de surah an-Nâs, wordt ons ook opgedragen om bescherming bij Allah te zoeken tegen het kwaad van de suggesties van de duivel. Dit soort vragen komt meestal van mensen die niet in Allah geloven.
Soms, zelfs als deze mensen een wonder zouden zien, zouden ze nog steeds niet geloven en zeggen: "Dit is magie." Daarom moeten we ons distantiëren van zulke mensen die het product van de tijd van onwetendheid (jahiliyah) zijn. Natuurlijk kan het gebeuren dat een oprecht iemand zich bovenstaande vraag stelt.
In dergelijke gevallen hebben Islamitische geleerden in hun boeken over geloof (Aqa`ied) zeer logische en overtuigende antwoorden gegeven. Omdat we deze uitleg hier niet willen uitbreiden, zullen we slechts kort het volgende zeggen om licht te werpen op dit onderwerp: Wanneer we denken aan de wagons in een trein, zien we dat ze allemaal met elkaar verbonden zijn. Bijvoorbeeld, de vijfde wagon wordt door de vierde wagon getrokken, de vierde door de derde, de derde door de tweede, de tweede door de eerste, en de eerste wagon wordt door de locomotief getrokken, maar de locomotief wordt door niets getrokken, het is de eigen krachtbron die de anderen in beweging zet. We kunnen nooit denken dat de locomotief door iets anders wordt getrokken. Zelfs als we beweren dat het door iets anders wordt getrokken, zal het uiteindelijk altijd terugkomen bij de eerste krachtbron, want de eerste kracht is onafhankelijk. Zo is degene die het universum heeft geschapen de bron van alles, de eerste die in beweging zet. Na deze uitleg hoeven we ons niet meer af te vragen wie Allah heeft geschapen, want Allahu Ta`ala is de oorspronkelijke bron en de kracht zonder begin.]
84-) Van `Abdullah b. Mas’ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Wie valse eed aflegt om het bezit van een moslim te stelen, zal in de woede van Allah vallen en Allah zal hem ontmoeten!"Hierna openbaarde Allah de ayah:
إِنَّ ٱلَّذِينَ يَشۡتَرُونَ بِعَهۡدِ ٱللَّهِ وَأَيۡمَٰنِهِمۡ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيۡهِمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٧٧
Waarlijk, degenen die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun verbond met Allah en voor hun eed, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allah zal niet tot hen spreken of naar hen kijken op de Dag der Opstanding, noch zal Hij hen reinigen en zij zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (Al-Imran: 77)Op dat moment kwam Ash’as b. Qays binnen en (terwijl hij naar de aanwezigen keek, en verwees naar `Abdullah b. Mas’ûd) zei hij: "Abû Abdurrahman! Wat heeft hij jullie verteld?" Wij antwoordden: "Dit en dit (heeft hij verteld)!" Hierop zei Ash’as b. Qays: "Die ayah werd over mij geopenbaard. Het was als volgt: Mijn neef had een stuk grond waar ik een put had. (Hij ontkende dit.) an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei tegen mij: 'Je hebt een bewijs of een eed nodig om te bewijzen dat die put van jou is!' Ik zei: 'O Rasûlullāh! In dat geval zal hij zweren!' Hierop zei Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم: "Wie ook maar valse eed aflegt om het bezit van een moslim te stelen, zal in de woede van Allah vallen en Allah zal hem ontmoeten!"[In taalkundige zin verwijst het woord yamīn naar de rechterhand in verband met het zweren van een eed of het sluiten van een verbond. Want bij het aangaan van verdragen of overeenkomsten plachten beide partijen elkaars rechterhand vast te houden.
Er is ook gezegd dat de rechterhand belangrijk is bij het beschermen of bewaren van iets. Omdat een eed dient om iets te bevestigen of te bewaren, wordt het yemīn genoemd.
Er zijn drie soorten eed:
1. Lagw Yemīn (onzinnige of achteloze eed):
Dit is een eed die iemand uitspreekt zonder het in zijn hart te bedoelen. Bijvoorbeeld:
“Wallāhi, ik zal dit doen,”
“Nee, wallāhi,”
“Ja, wallāhi.”
Dus woorden die uitgesproken worden zonder dat er een bewuste bedoeling of bevestiging in het hart is.
Sommige geleerden zeggen: dit zijn de eden die iemand in een grap, in boosheid, tijdens een ruzie of in een discussie uitspreekt zonder het echt te menen.
Oordeel: Voor dit type eed is geen kaffārah (boetedoening) of andere verplichting nodig, omdat het hart het niet heeft bevestigd.
2. Munʿaqidah Yemīn (bewust gesloten eed):
Dit is een eed waarbij iemand doelbewust en met hartelijke overtuiging zweert om iets wel of juist niet te doen.
Oordeel: Deze moet worden nagekomen. Als men zich er niet aan houdt, dan is het verplicht om de kaffārah (boetedoening) te verrichten.
3. Ghamūs Yemīn (de onderdompelende of vernietigende eed):
Dit is een valse eed die iemand opzettelijk uitspreekt om rechten van anderen ten onrechte op te nemen — zoals bezit, eer of geld — door middel van leugen.
De reden waarom deze eed “ghamūs” (onderdompelend) genoemd wordt, is omdat zij de persoon in zonde en het Vuur doet onderdompelen.
Oordeel: Dit behoort tot de zwaarste verboden zaken en is een grote zonde. Voor deze eed bestaat geen kaffārah. Alleen een oprechte, nasūḥ-taubāh (berouwvolle berouw) onder de juiste voorwaarden kan vergeving brengen. De uiteindelijke beslissing ligt bij Allah: als Hij wil vergeeft Hij, als Hij wil straft Hij. En Allah is de Meest Barmhartige der barmhartigen.
De eed zweren op iets anders dan Allah:
Het is ḥarām (verboden) om op iets of iemand anders dan Allah te zweren, zoals op de Profeet, op eer, het leven, enzovoort.
Want een eed is een vorm van tazʿīm (verheffing) en alle verhevenheid komt uitsluitend Allah toe.
Uitzondering maken in een eed (istithnā’):
Ook dit behoort tot de regels van de eed:
Als iemand een uitzondering maakt in zijn eed, zoals:“Wallāhi, als Allah het wil, zal ik dit doen,”en hij doet het uiteindelijk niet, dan is er geen kaffārah nodig.
Als iemand een eed verbreekt door vergetelheid, vergissing, of onder dwang, dan is er eveneens geen kaffārah nodig, omdat hij het niet met opzet heeft gedaan.
Iemand die van plan is zijn eed te verbreken, mag de kaffārah ervoor of erna betalen. Beiden zijn toegestaan.
Als men in één bijeenkomst de eed herhaalt ter bekrachtiging, dan is slechts één kaffārah voldoende.Maar als men met elke herhaling een nieuwe eed bedoelt, dan moet voor elk een aparte kaffārah worden gegeven.
Tawriyyah (bedoelde dubbelzinnigheid) in de eed:
Dit wordt ook taʿrīḍ genoemd. Hierbij bedoelt men iets anders dan wat uit de woorden letterlijk blijkt.
Bijvoorbeeld: iemand zegt“Wallāhi, hij is mijn broer,”maar bedoelt daarmee dat hij zijn broeder in de islam is, en niet zijn bloedverwant.
Oordeel: Tawriyyah is toegestaan in gewone spraak. In eden is het ook toegestaan, zolang het niet leidt tot leugen of het schenden van andermans rechten.]
85-) Van `Abdullah b. Amr (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zeggen: 'Wie wordt gedood om zijn bezit te beschermen, is een martelaar (shahied).'
86 –) Van Maʿqil ibn Yasār (رضي الله عنه):Maʿqil ibn Yasār (رضي الله عنه) werd bezocht door ʿUbaydullāh ibn Ziyād toen hij ziek was in de ziekte waarin hij overleed.Toen zei Maʿqil tegen hem: “Ik zal jou een ḥadīth vertellen die ik heb gehoord van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم).Ik heb an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: ‘Er is geen dienaar aan wie Allah een verantwoordelijkheid over mensen heeft toevertrouwd, en hij die niet met oprechtheid en raadgeving voor hen zorgt, of hen niet beschermt — of hij zal de geur van het Paradijs niet eens ruiken.’”
86a-) Van Ma'kil b. Yasâr (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Wanneer een gouverneur (wali) het leiderschap van een groep moslims op zich neemt en hen bedriegt, zal Allah het Paradijs voor hem verboden verklaren."
[Op basis van de informatie in de keten van overleveringen aan het begin van beide ahadīth, wordt deze hadīth toegeschreven aan Ma'kıl b. Yathâr (رضي الله عنه):, die het zei tegen Ubaydullah b. Ziyâd (رضي الله عنه):, de gouverneur van Basra, toen deze hem bezocht terwijl hij ziek was. Ubaydullah b. Ziyâd was een gewelddadige en bloedige tiran. Ma'kıl (رضي الله عنه) wilde hem met dit gedrag waarschuwen. Eigenlijk had Ma'kıl (رضي الله عنه) deze tiran eerder al meerdere keren gewaarschuwd en hem verzocht om geen onrecht te doen aan het volk. De wrede man die het leger stuurde dat de heilige bloed van de heer van de jonge mannen van het Paradijs, Husayn (رضي الله عنه) vergoot door hem te martelen en te doden, was dezelfde persoon.)
87-)Van Huzeyfe al Yamaan (رضي الله عنه) : Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, vertelde ons twee ahadīth.
Een ervan heb ik zien (gebeuren) op de ander wacht ik nog steeds.' Hij zei tegen ons: 'De amanah (verantwoordelijkheid/plicht) daalde diep in de harten van de mensen, daarna leerden ze het uit de Qur’ān, en daarna leerden ze het uit de Soenna.' Weer vertelde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, ons dat de amanah (verantwoordelijkheid/plicht) zou worden weggehaald: 'Iemand slaapt en daarna wordt de amanah uit zijn hart genomen.Het resterende deel van de amanah blijft als een brandmerk. Dan slaapt hij weer en daarna wordt de amanah (bewustzijn en geloof) volledig weggehaald, en er blijft slechts een bobbel zoals een brandwond die je ziet nadat een vuurgloed je voet heeft geraakt. Mensen hebben handelsbetrekkingen met elkaar, maar vrijwel niemand vervult zijn amanah. Er wordt gezegd: 'In de familie van die en die is er een betrouwbare persoon.' Zelfs voor die persoon wordt gezegd: 'Wat een slimme man! Wat een verfijnde, mooie man! Wat een standvastige man!' Maar in zijn hart is er niet eens het gewicht van een mosterdzaadje van geloof.'" Hudayfa zei: Er was een tijd waarin ik niet eens dacht met wie ik handel zou drijven. Als hij een moslim was, zou de Islām hem tegen onrecht voor mij beschermen. Als hij een christen was, zou zijn leider hem tegen onrecht voor mij beschermen. Maar vandaag de dag handel ik alleen met die en die."[De liefde voor de wereld en de angst voor de dood hebben mensen van het rechte pad afgeleid. In onze authentieke bronnen, met name in de meeste hadiethwerken, zijn er speciale hoofdstukken die betrekking hebben op de dood, de Dag des Oordeels en het Hiernamaals. Echter, volgens sommige moslims die deze teksten lezen, lijkt het erop dat de meeste van deze gebeurtenissen zich al hebben voltrokken, en dat we, met inachtneming van hun belangrijkheid, onze aanbidding opnieuw zouden moeten overwegen. Desondanks is het blijkbaar zo dat door het (schijnbare) gematigde standpunt ten opzichte van de Islām , of door pogingen om mensen tevreden te stellen en andere excuses, deze waarheden niet voldoende bij de moslims zijn aangekomen.
Wanneer we een van deze ahadīth aanhalen, kijken veel mensen met de uitdrukking "bestaat er echt zo'n hadīth?" De ahadīth en Qur’ān verzen die de gebeurtenissen van de Dag des Oordeels beschrijven, worden door sommige van onze geleerden letterlijk begrepen, terwijl andere geleerden deze ahadīth hebben geïnterpreteerd en geprobeerd de betekenis ervan te begrijpen door ze te vergelijken met gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden of waarschijnlijk nog zullen plaatsvinden.]
88-) Van Hudhayfah (رضي الله عنه): We zaten bij `Umar (رضي الله عنه) (tijdens zijn khalifaatschap), en hij zei: 'Wie van jullie heeft de woorden van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, over fitnah (beproeving) in zijn geheugen?' Ik zei: 'Ik herinner me precies zoals hij het heeft gezegd.' Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه):“Waarlijk, jij bent nogal gedurfd om te zeggen dat je het precies weet!”
Ik zei: “De fitnah van een man in zijn gezin, bezit, kinderen en buren — die wordt uitgewist (vergeven) door de ṣalāh, het vasten, de liefdadigheid, het gebieden van het goede en het verbieden van het slechte.”
ʿUmar zei: “Daar heb ik het niet over. Ik bedoel de fitnah die als golven van de zee opkomt.”
Ik zei: “O Amīr al-Muʾminīn, er is geen vrees voor u daarvoor, want tussen u en haar is een gesloten deur.”
Hij vroeg: “Zal die deur geopend worden of gebroken worden?”Ik antwoordde: “Gebroken worden.”
Hij zei: “Dan zal die nooit meer gesloten worden.”
Wij vroegen (later): “Wist ʿUmar wie met ‘de deur’ werd bedoeld?”Hij zei: “Ja, net zo zeker als dat er een nacht is vóór morgen. Ik heb hem een overlevering verteld die geen vergissing bevat.”
We waren echter bang om Ḥudhayfah (رضي الله عنه) rechtstreeks te vragen, dus droegen we Masrūq op om hem te vragen.Toen zei hij: “Die deur is ʿUmar.”
89-) Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Zoals de slang zich terugtrekt naar zijn hol, zo zullen (de lieden van) het geloof zich terugtrekken naar Madīnah.'90-) Van Hudhayfah al Yamān (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Breng me een lijst met de mensen die zeggen dat ze moslim zijn.' We brachten hem een lijst van 1500 mensen. (Tijdens de Slag van de Graven (Khandak) zei ik: 'Zullen we bang zijn als we met 1500 man zijn?' Voorwaar ik zie nu dat we in zo'n fitna zijn beland dat iemand uit angst alleen in zijn eentje de salāh (thuis) verricht (zonder naar de moskee te gaan)."[De metgezellen, die geen angst kenden, konden niet meer naar de moskee gaan om te bidden vanwege de fitna en anarchie. Deze periode begon met de martelaarschap van Umar (رضي الله عنه), waarna de deur van fitna werd geopend. Toen Uthman (رضي الله عنه) martelaar werd, verhinderden de opstandelingen het bidden in de moskee van an-Nabie صلى الله عليه وسلم Dit herhaalde zich ook tijdens de Hajrah-incidenten, en in de Slagen van Jamal en Siffin verergerden fitna en dood en verderf verspreidde zich. In een andere overlevering van Sahih Muslim wordt gezegd: "O Rasûlullāh, zouden wij, toen we met zeshonderd of zevenhonderd mensen waren, nog steeds bang moeten zijn?" vroegen we. Hij antwoordde: "Jullie weten het niet, misschien worden jullie getroffen door een beproeving." Daarna kwamen we in een fitna waarin een van ons alleen nog maar in het geheim kon bidden." (Muslim, Īmān: 149]
91-) Van Sa'd b. Abi Waqqas (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, gaf een aantal mensen geschenken. Ik zat op dat moment. Maar hij gaf het geschenk niet aan degene waarvan ik (dacht dat hij) het meest verdiende. Ik zei: 'O Rasûlullāh, waarom heb je hem niet gegeven?
Bij Allah, ik ben van mening dat hij ook een gelovige (mu’min) is.' Hij zei: 'Noem hem een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom heb je hem niet gegeven?' Bij Allah, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.' Hij zei weer: 'Noem hem een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom heb je hem niet gegeven?' Bij Allah, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.'Toen zei hij : 'O Sa'd, ik kan hem, die ik minder liefheb dan anderen, een geschenk geven, alleen om te voorkomen dat Allah hem naar het Hellevuur zal sturen.'
[De betekenis hiervan is als volgt: Als iemand zijn islam openlijk uit, dat wil zeggen, als hij zegt dat hij moslim is, maar zijn innerlijke (toestand) – de werkelijke waarheid – niet kent of begrijpt, dan kan hij geen echte gelovige (mu’min) zijn.]
92-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: “Wij hebben meer reden om te twijfelen dan Ibrahim (عليه السلام): Allah zei:وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ أَرِنِي كَيۡفَ تُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ قَالَ أَوَلَمۡ تُؤۡمِنۖ قَالَ بَلَىٰ وَلَٰكِن لِّيَطۡمَئِنَّ قَلۡبِيۖ
En (gedenk) toen Ibrahim (zonder argwaan of twijfels) zei: “Mijn Rab! Toon mij (in levenden lijve) hoe U de doden weer tot leven wekt.” Hij zei: “Geloof je dan niet (met je hart)?” Hij zei: “Jawel, maar opdat mijn hart tot rust komt.” (Baqarah: 260)Moge Allah ook genade hebben met Lût (عليه السلام), want hij zei tegenover de mishandelingen van zijn volk:
قَالَ لَوۡ أَنَّ لِي بِكُمۡ قُوَّةً أَوۡ ءَاوِيٓ إِلَىٰ رُكۡنٖ شَدِيدٖ ٨٠
Hij zei: “Ik wenste dat ik de kracht had om jullie te overweldigen of dat ik tenminste een krachtige ondersteuning had (dan zou ik tegen jullie op kunnen treden).” (Hûd: 80)Terwijl hij in werkelijkheid al in het sterkste fort (Allah) schuilde. Als ik ook net als Yusuf (عليه السلام) zo lang in de gevangenis had gezeten, zou ik onmiddellijk reageren op de boodschapper die het nieuws van mijn vrijlating bracht," zei hij.
93-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: Aan elke profeet is slechts een wonder gegeven dat overeenkomt met de mate van geloof van de mensen in hun tijd. Wat mij echter als wonder is gegeven, is alleen de openbaring van Allah (de Qur’ān). Daarom hoop ik op de Dag des Oordeels degene te zijn met de meeste volgelingen.’
94-) Van Abû Mûsā al Ashari (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Er zijn drie (soort) mensen die twee beloningen zullen krijgen: Iemand (een man/vrouw) van de mensen van het Boek die zowel in zijn eigen profeet als in Muhammed صلى الله عليه وسلم, gelooft; Een slaaf die zowel het recht van Allah als dat van zijn meester vervult;En iemand die een dienares heeft, haar goed opvoedt, haar goed onderwijst, haar bevrijdt en met haar trouwt. Voor deze drie (soort) mensen is er twee keer zoveel beloning.'
[De uitdrukking "degene die zowel in zijn eigen profeet als in Muhammed صلى الله عليه وسلم gelooft" verwijst naar degenen die oorspronkelijk tot de mensen van het Boek behoorden, maar later an-Nabie Muhammed صلى الله عليه وسلم hebben leren kennen en zich tot de Islām bekeerden. Zoals duidelijk blijkt uit de overlevering in Sahih Muslim (Muslim, Īmān: 241), betekent dit niet dat men tegelijkertijd de dīn van beide profeten volgt.]
95-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Bij degene in Wiens Hand mijn ziel is, het is zeker dat de zoon van Maryam (Isâ) (عليه السلام) zal neerdalen als een rechtvaardige rechter onder jullie. Hij zal dan het kruis breken, het varken doden, de belasting voor niet-moslims (de jizyah) afschaffen, en er zal zoveel rijkdom zijn dat niemand het (aalmoes) kan accepteren.'
95a) In een andere overlevering zei hij : "...rijkdom zal zo overvloedig zijn dat niemand het zal accepteren; zelfs een enkele prosternatie zal waardevoller zijn dan de hele wereld en alles wat daarin is."Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zei na het uitspreken van deze hadīth: "Als je wilt, lees dan de volgende ayah:
وَإِن مِّنۡ أَهۡلِ ٱلۡكِتَٰبِ إِلَّا لَيُؤۡمِنَنَّ بِهِۦ قَبۡلَ مَوۡتِهِۦۖ وَيَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ يَكُونُ عَلَيۡهِمۡ شَهِيدٗا ١٥٩
En er is niemand van de mensen van het Boek, die er niet in zal geloven vόόr zijn dood. En op de Dag der Opstanding zal hij tegen hen getuigen. (Nisa: 159)
96) Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'Wanneer de zoon van Maryam (عليه السلام) onder jullie neerdalend komt en jullie imam is, hoe zou het dan met jullie zijn?'[`Iesa صلى الله عليه وسلم, zal nabij de Dag des Oordeels neerdalen op aarde en de leider van de bron van het kwaad, de Dajjâl, doden).
96a) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: 'De Dag des Oordeels zal niet aanbreken voordat twee mogendheden met elkaar strijden. Tussen deze twee mogendheden zullen er enorme slachtingen/oorlogen uitbreken.
De Dag des Oordeels zal niet aanbreken totdat er ongeveer 30 valse Messiaanse (Dajjaalse) figuren opkomen die claimen dat zij Rasûlullāh zijn. De Dag des Oordeels zal ook niet aanbreken totdat kennis wordt weggenomen, aardbevingen toenemen, de tijd zal sneller lijken te gaan, chaos zal uitbreken, moorden zullen toenemen, rijkdom zal zich in grote hoeveelheden ophopen, zodat de eigenaar van het bezit in de verlegenheid zal worden gebracht omdat hij niemand kan vinden om zijn zakāh te geven. Zelfs wanneer iemand wordt aangeboden om zakāh te geven, zal de ontvanger zeggen: "Ik heb dit niet nodig." Mensen zullen strijden om gebouwen te bouwen, en iemand zal het graf van een ander bezoeken en zeggen: "Was ik maar in zijn plaats (in dit graf)." De zon zal opkomen waar zij normaal ondergaat, en wanneer de zon op deze manier opkomt, zal iedereen in de wereld geloven (in de Islām): Dit zal hen niet ten goede komen voor degenen die voorheen niet geloofden of hun geloof niet in daden omzetten."De Dag des Oordeels zal zeker komen wanneer: Twee mensen zullen het niet eens kunnen worden over de prijs van een kledingstuk, noch zal er een transactie plaatsvinden, noch zullen ze de kleding kopen..De Dag des Oordeels zal zeker komen wanneer iemand zijn waterreservoir zal reinigen en repareren, maar het water niet zal kunnen gebruiken.De Dag des Oordeels zal zeker komen wanneer iemand zijn eten naar zijn mond zal brengen, maar het niet zal kunnen eten.
97 – Ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur (de Laatste Dag) zal niet aanbreken totdat de zon opkomt vanuit het westen. Wanneer zij opkomt en de mensen haar zien, zullen zij allen geloven. Maar dat is het moment waarop het geloof van geen enkele ziel nog baat zal hebben.
Daarna reciteerde hij de āyah:هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن تَأۡتِيَهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ أَوۡ يَأۡتِيَ رَبُّكَ أَوۡ يَأۡتِيَ بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَۗ يَوۡمَ يَأۡتِي بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَ لَا يَنفَعُ نَفۡسًا إِيمَٰنُهَا لَمۡ تَكُنۡ ءَامَنَتۡ مِن قَبۡلُ أَوۡ كَسَبَتۡ فِيٓ إِيمَٰنِهَا خَيۡرٗاۗ قُلِ ٱنتَظِرُوٓاْ إِنَّا مُنتَظِرُونَ ١٥٨
Wachten zij dan op iets anders dan dat de Engelen tot hen zullen komen, of dat jullie Heer zal komen, of dat een aantal van de Tekenen van jullie Heer zal komen. De dag dat er wat Tekenen van jullie Heer zullen verschijnen, zal het geloof van iemand niet baten wanneer hij daarvόόr niet geloofde of niets goeds verrichte toen hij geloofde. Zeg (O Mohammed): “Wacht jullie!
Wij wachten (ook).” (surah al-An`am 6/158)
98-) Van Abû Dharr (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم vroeg aan Abû Dharr toen de zon onderging: "Weet je waar de zon naartoe gaat?" Ik antwoordde: "Allah en Zijn Rasûl weten het beter." Hij zei: "De zon draait, zich neerbuigend (in aanbidding onder de Troon (al Arsh), en vraagt toestemming om terug te keren. Er wordt haar toestemming gegeven. (Op een dag) zal zij zich neerbuigend (in aanbidding) toestemming vragen, maar die zal haar geweigerd worden, en er zal tegen haar gezegd worden: 'Keer terug naar waar je vandaan kwam.' En zij zal opgaan vanuit het westen. Dit is wat wordt bedoeld met Allah's woorden: وَٱلشَّمۡسُ تَجۡرِي لِمُسۡتَقَرّٖ لَّهَاۚ ذَٰلِكَ تَقۡدِيرُ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡعَلِيمِ ٣٨
En de zon vaart haar eigen afgebakende koers voor een (vastgestelde) termijn. Dat is het besluit van de Almachtige, de Alwetende. (surah Yâsîn: 38).
99-) Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de moeder der gelovigen:
Het begin van de openbaring aan de Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vond plaats in de vorm van waarheidbrengende dromen in zijn slaap. De dromen die hij zag, kwamen altijd uit als het helderheid van de ochtendschemering. Daarna werd het hem dierbaar (gemaakt door Allah) om zich af te zonderen. [Ieder jaar zonderde hij zich een maand af.] Dat deed hij in Ḥirā’-grot. Daar beoefende hij dan een aantal nachten tahannuth (devotie aan de enige godheid Allah), voordat hij weer naar zijn gezin terugging. Hij nam er ook voorraad (eten en drinken) voor mee.(Ieder jaar als Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zich die maand afzonderde gaf hij de armen, die bij hem kwamen te eten. Als de maand voorbij was en hij terugkeerde naar Makkah, ging hij eerst naar de Ka`bah, nog voordat hij naar huis ging, en maakte tawaaf (zeven maal ommegang om de Ka`bah), of zo dikwijls als Allah het wilde.) Daarna keerde hij dan terug naar (zijn vrouw) Khadiedja (رضي الله عنها) om voorraad te halen voor een even lange tijd. (Dit was hij gewoon te doen) totdat de Waarheid/Openbaring tot hem kwam, [dat was in de maand Ramadān], terwijl hij in de Ḥirā’-grot was.De engel Jibrīl عليه السلا kwam bij hem en zei: "Lees op."(Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Ik kan niet lezen."(Het verhaal gaat verder in de eigen woorden van an-Nabie صلى الله عليه وسلم Toen greep hij mij en drukte mij de keel zo toe, dat ik het benauwd kreeg. Hij liet me los en zei: "Lees op."Ik zei: "Ik kan niet lezen."Toen greep hij mij en drukte mij de keel voor de tweede maal zo toe dat ik het benauwd kreeg. Hij liet me los en zei: "Lees op."Ik zei: "Ik kan niet lezen."Toen greep hij mij en drukte mij de keel voor de derde maal zo toe dat ik het benauwd kreeg.
Toen liet hij me los en zei:ٱقۡرَأۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلَّذِي خَلَقَخَلَقَ ٱلۡإِنسَٰنَ مِنۡ عَلَقٍ
ٱقۡرَأۡ وَرَبُّكَ ٱلۡأَكۡرَمُ
"Lees op in de naam van je Rab (Rab) die heeft geschapen. Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklomp. Draag voor! Jouw Rab is de edelmoedigste (surah Alaq 96/1,2,3).
Na deze openbaring keerde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, met zijn hart in zijn keel bonst. Toen ging hij naar (zijn vrouw) Khadiedja binti (de dochter van) Khuwailid en zei: "Bedek me, bedek me (met een deken)!Ze bedekten hem tot zijn angst over was. En daarna vertelde hij Khadiedja alles wat met hem gebeurd was en zei: Ik ben bang dat iets met mij gaat gebeuren.Ze antwoordde: "Nooit (wees gerust)! Bij Allah, Allah zal je nooit te schande maken. Je onderhoudt goede betrekkingen met je familie (en kennissen), draagt de lasten van degenen die hulpeloos zijn, voorziet de behoeftigen, je bedient je gasten gul en helpt (mensen) bij tegenspoed op het pad van de waarheid."Khadiedja bracht Rasûlullāh naar haar neef Nawfal bin Asad bin `Abdul `Uzza, die tijdens de PreIslamitische tijdperk (jahiliyyah) een christen werd. (Hij had de schriften gelezen en had allerlei zaken gehoord van de volgelingen van Thora (Tawraah) en Evangelie (Injiel)). Hij was gewoon in het Hebreeuws te schrijven.
Hij schreef het Evangelie in het Hebreeuws zoveel als Allah het wilde. Hij was een oude man en was blind geworden.Ze zei tegen hem: "Luister naar het van je neef, O mijn neef!Waraqa antwoordde: "O mijn neef! Wat heb je gezien?"Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, beschreef wat hij allemaal had gezien.Waraqa zei: "Dat is de Namoes (de engel Jabraiel (عليه السلام), die Allahs vertrouweling is) die Allah aan Moses (Mûsā عليه السلام)heeft gezonden. . Oh, was ik maar jonger en in leven wanneer jouw volk jou zal verdrijven (uit Makkah)".Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vroeg: "Zullen zij (mijn volk) mij (uit Makkah) verdrijven?"Waraqa antwoordde: "Ja, want niemand heeft ooit gebracht wat jij brengt (goddelijke openbaringen) zonder vijandigheid (van zijn volk) te ondervinden. Als ik jouw profetische dagen mag meemaken, dan zal ik me volledig inzetten om je te steunen".Maar Waraqa zou sterven (voordat zijn wens in vervulling kon gaan) en de goddelijke openbaring hield ook een tijd op.[Deze ḥadīth vormt het begin van de openbaring.Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd eerst een liefde voor afzondering gegeven. Vervolgens trok hij zich terug in de grot op de berg Ḥirā’.Daarna werd de engel van de openbaring (Jibrīl عليه السلام) tot hem gestuurd.Toen de engel van de openbaring kwam, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erdoor geraakt, hij schrok en ging vervolgens naar huis en zei: “Bedek mij!
Bedek mij!”In de ḥadīth wordt de goede akhlāq (zeden en karakter) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) genoemd, en hoe hij door zijn vrouw werd gerustgesteld.Daarna ging hij naar Waraqah ibn Nawfal, en deze vertelde hem over de vorige profeten (عليهم السلام) en bevestigde dat hij zelf ook een profeet is, en dat er veel zaken over hem zouden neerdalen (zoals moeilijkheden en vijandigheid van zijn volk).]
100-) Van Jâbir ibn `Abdullah al-Ansârî (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, beschreef de onderbreking van de openbaring en zei: 'Terwijl ik liep, hoorde ik opeens een stem uit het Paradijs. Ik keek omhoog en zag de engel die naar mij was gekomen in de Ḥirā’-grot, zittend op een troon tussen hemel en aarde. Ik werd bang en ging naar huis, zeggend: 'Bedek me, bedek me!' يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡمُدَّثِّرُ ١
قُمۡ فَأَنذِرۡ ٢
وَرَبَّكَ فَكَبِّرۡ ٣
وَثِيَابَكَ فَطَهِّرۡ ٤
وَٱلرُّجۡزَ فَٱهۡجُرۡ ٥O jij (O, Muhammad)! ommanteld (in dekens)! Sta op en waarschuw (de mensen tegen Allahs bestraffing). En verkondig de grootheid van je Rab (Rab). Reinig je kleren en ontwijk de afgoden" (74/1-5)Daarna volgde de openbaring elkaar snel op."101 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه) via Yahya b.
Abû Kethîr:Ik vroeg Abū Salamah ibn ʿAbd ar-Raḥmān over de eerste openbaring (surah) van de Qurʾān,en hij zei: "O jij die zich toegedekt heeft (يَا أَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ)." (surah al-Muddessir.)Ik zei toen: “Maar de mensen zeggen: قْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ (Lees in de Naam van jouw Heer Die heeft geschapen)' (surah al-Iqra 96/1-3) is de eerste āyah.”Abū Salamah zei: “Ik stelde dezelfde vraag aan Jābir ibn ʿAbdillāh en ik zei tegen hem wat jij ook zei.Toen zei Jābir (رضي الله عنه): “Ik zal je alleen vertellen wat wij van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zelf hebben gehoord.Hij zei: ‘Ik verbleef in afzondering in Ḥirā’ (de grot). Toen ik mijn afzondering had beëindigd en naar beneden kwam, werd ik geroepen.Ik keek rechts, maar ik zag niets. Ik keek links, maar zag niets.Ik keek voor mij en achter mij, maar ik zag niets.Toen hief ik mijn hoofd op, en ik zag iets.’Daarop ging ik naar Khadījah (رضي الله عنها) en zei: “Bedek mij! Giet koud water over mij!”Hij zei: “Toen bedekten zij mij en goten koud water over mij.”Daarop werd (de volgende openbaring) neergezonden:﴿يَا أَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ * قُمْ فَأَنْذِرْ * وَرَبَّكَ فَكَبِّرْ﴾"O jij die zich heeft toegedekt. Sta op en waarschuw! En verheerlijk jouw Heer!"(Sūrat al-Muddaththir, 74:1–3)
102-) Van Anas bin Mālik (رضي الله عنه) :Abû Dharr (رضي الله عنه) vertelde dat Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Toen ik in Makkah was, werd (plotseling) het dak van mijn huis geopend.
Jibrīl (عليه السلام) kwam naar beneden, opende mijn borst en waste deze met zamzam-water. Daarna bracht hij een gouden schaal gevuld met wijsheid (hikmah) en geloof (īmān), goot het in mijn borst en sloot het. Vervolgens nam hij mijn hand en leidde mij naar de dichtstbijzijnde hemel. Daar vroeg Jibrīl aan de bewaker van het Paradijs om de poort te openen. De bewaker vroeg: "Wie is daar?" Jibrīl antwoordde: "Jibrīl." Hij vroeg: "Is er iemand bij je?" Jibrīl zei: "Ja, Muhammed صلى الله عليه وسلم, is bij mij." De bewaker vroeg: "Is hem toestemming gegeven om te komen?" Jibrīl antwoordde: "Ja." Vervolgens werd de poort geopend, en we klommen de dichtstbijzijnde hemel. En ik zag een man zitten met een grote groep mensen aan zijn rechteren linkerzijde. Wanneer hij naar rechts keek, glimlachte hij; wanneer hij naar links keek, huilde hij. Hij zei tegen mij: "Welkom, rechtvaardige profeet en rechtvaardige zoon." Ik vroeg Jibrīl: "Wie is hij?" Hij antwoordde: "Dit is Adam عليه السلام. De menigte rechts en links van hem zijn de zielen van zijn kinderen. De mensen aan zijn rechterzijde zijn de inwoners van het Paradijs, en de mensen aan zijn linkerzijde zijn de inwoners van de Hel. Wanneer hij naar rechts kijkt, glimlacht hij, en wanneer hij naar links kijkt, huilt hij." Vervolgens leidde Jibrīl mij naar de tweede hemel. Aan de bewaker zei hij: Open de poort. De wachter zei hetzelfde als de wachter van de eerste poort en de poort werd geopend.
Anas bin Mālik die de overlevering heeft verteld, zei:"Abû Dharr heeft vermeld dat Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, in de hemelen Adam (عليه السلام) Idris (عليه السلام) Mûsā (عليه السلام) `Iesa عليه السلام en Ibrahim عليه السلام ontmoette.
Hij specificeerde niet hun exacte posities, maar hij zei wel dat hij Adam (عليه السلام) in de dichtstbijzijnde hemel aantrof en Ibrahim (عليه السلام) in de zesde hemel."
Anas bin Mālik heeft verder gezegd: "Toen Jibrīl (Gabriël) an-Nabie صلى الله عليه وسلم naar Idris (عليه السلام) bracht, zei Idris (عليه السلام): 'Welkom, rechtschapen Profeet, rechtschapen broeder.' (an-Nabie صلى الله عليه وسلم vervolgde): 'Ik vroeg Jibrīl: 'Wie is dit?' Jibrīl antwoordde: 'Dit is Idris.' Vervolgens kwam ik langs Mûsā (عليه السلام). Hij zei: 'Welkom, rechtschapen Profeet, rechtschapen broeder.' Ik vroeg: 'Wie is dit?' Jibrīl antwoordde: 'Dit is Mûsā.' Daarna kwam ik langs `Isa (عليه السلام). Hij zei: 'Welkom, rechtschapen Profeet, rechtschapen broeder.'Ik vroeg: 'Wie is dit?' Jibrīl zei: 'Dit is `Isa.' Daarna kwam ik langs Ibrahim (عليه السلام). Hij zei: 'Welkom, rechtschapen Profeet, rechtschapen nakomeling.' Ik vroeg: 'Wie is dit?' Jibrīl zei: 'Dit is Ibrahim.'
(De tabi’in (opvolgers van de metgezellen) Ibn Shihab az-Zuhri die de hadīth van Anas bin Mālik overleverde zei: Ibn Hazm zei: ‘Ibn `Abbās en Abû Habba al-Anṣāri hebben gezegd dat an-Nabie صلى الله عليه وسلم het volgende zei:"Daarna werd ik opnieuw verhoogd naar een plek waar ik het geluid van de pennen kon horen terwijl ze schreven."
Anas ibn Mālik en Amr ibn Hazm (een tabi’in die van de sahaba overleverde) vermelden ook dat an-Nabie صلى الله عليه وسلم heeft gezegd:
"Allah heeft mijn gemeenschap vijftig maal daags salāh opgelegd. Met deze opdracht keerde ik terug van mijn Rab.
(Op de terugweg) ontmoette ik Mûsā, hij vroeg: 'Wat heeft Allah jouw gemeenschap opgelegd?' Ik antwoordde: 'Vijftig maal daags salāh .' Mûsā zei: 'Ga terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.'Ik ging terug naar mijn Rab, en Hij verminderde het met het Hellevuurft. Toen ik Mûsā opnieuw ontmoette (en vertelde), zei hij: 'Ga terug naar jouw Rab en vraag opnieuw om vermindering, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.' Ik ging opnieuw terug en het werd opnieuw met het helft verminderd.Bij Mûsā teruggekomen, zei hij opnieuw: 'Vraag om verdere vermindering bij jouw Rab, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.' Ik ging weer terug en Allah zei: 'Het aantal is vijf (maal daags salāh ), maar de beloning blijft vijftig (maal daags salāh ). Mijn beslissing wordt niet gewijzigd.'Toen ik terugkeerde naar Mûsā, zei hij opnieuw: 'Vraag om verdere vermindering bij jouw Rab.' Maar ik zei: 'Ik schaam me om opnieuw terug te keren naar mijn Rab.'"
Daarna bracht Jibrīl mij naar de Sidrat al-Muntaha. De Sidrat al-Muntaha was omgeven door zulke prachtige kleuren dat ik niet wist wat het was. Daarna werd ik in het Paradijs geplaatst, en wat ik zag: in Jannah waren parelkettingen en de grond was van muskus."
103 Van Mālik b. Sa`sa`ah (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: (In de nacht van Isra en Mi'raj) in de Ka'bah lag, (de overleveraar zei: in Hatim of Hijr), kwam Jibrīl (Gabriël) en hij opereerde mij van hier tot hier, (de overleveraar zei: van hals tot onder de buik) en hij opende mijn hart. Daarna werd een gouden vat vol geloof (īmān) (en wijsheid (hikmah) gebracht en mijn hart werd daarin gewassen, gevuld (met īmān) en weer teruggeplaatst (in mijn borst).
Toen werd voor mij een wit rijdier, groter dan een ezel maar kleiner dan een muilezel, genaamd Burak, gebracht. Het kon springen naar de verste plek die een persoon met zijn ogen kon bereiken. Ik werd erop gezet en Jibrīl nam mij mee en we kwamen bij de dichtstbij zijnde hemel. Hij vroeg om de deur te openen. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd gevraagd. Hij antwoordde: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Adam. "Dit is Adam", zei hij, "geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het. Hij zei: "Welkom, rechtvaardige zoon, rechtvaardige profeet." Toen werd ik naar de tweede hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Isa en Yahya. Jibrīl zei: "Dit zijn Yahya en Isa, geef hen de salaam." Ik gaf hen de salaam en ze beantwoordden het, en ze zeiden: "Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet." Toen werd ik naar de derde hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Yusuf.
Jibrīl zei: "Dit is Yusuf, geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het, en zei: "Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet." Toen werd ik naar de vierde hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Idris. Jibrīl zei: "Dit is Idris, geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het, en zei: "Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet." Toen werd ik naar de vijfde hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Harun. Jibrīl zei: "Dit is Harun, geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het, en zei: "Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet." Toen werd ik naar de zesde hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Mûsā.
Jibrīl zei: "Dit is Mûsā, geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het, en zei: "Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet." Toen ik hem verliet, huilde hij. "Wat heeft je doen huilen?" werd er gevraagd. Hij zei: "Na mij is er een jonge profeet gekomen, en zijn volgelingen zullen meer in het Paradijs komen dan mijn volgelingen, en daarom huil ik." Toen werd ik naar de zevende hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: "Wie is daar?" Hij antwoordde: "Jibrīl". "Wie is er met je?" werd er gevraagd. Hij zei: "Muhammed". "Is hij voor zijn komst uitgenodigd?" werd er gevraagd. Hij zei: "Ja". "Welkom, dit is een prachtige komst" werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Ibrahim. Jibrīl zei: "Dit is je vader Ibrahim, geef hem de salaam." Ik gaf hem de salaam en hij beantwoordde het, en zei: "Welkom, rechtvaardige zoon, rechtvaardige profeet." Toen werd de Sidrat al-Muntahā aan mij getoond. Ik zag dat zijn vruchten op de Hajr-potten uit Jemen leken en zijn bladeren leken op de oren van een olifant. Jibrīl zei: "Dit is de Sidrat al-Muntahā." Toen kwam ik vier rivieren tegen, twee rivieren waren binnenin (verborgen) en twee rivieren waren van buitenaf (zichtbaar). "Wat zijn deze twee soorten rivieren?" vroeg ik. Jibrīl antwoordde: "De binnenste rivieren zijn de rivieren van het Paradijs, de buitenste rivieren zijn de Nijl en de Eufraat." Daarna werd de Bayt al-Ma'mur (zie Qur’ān surah Tûr 52/1-7) aan mij getoond, waar elke dag zeventig duizend engelen binnenkomen, die na hun binnenkomst nooit meer terugkomen. Vervolgens werd mij een vat met wijn, melk en honing gebracht, en ik nam de melk.
Jibrīl zei: "Dit is de natuur en het karakter (fitrah) van jouw gemeenschap (ummah)." Daarna werd het vijftig maal dagelijkse gebed voor mij verplicht gesteld. Toen ik vertrok, ontmoette ik Mûsā. "Wat werd je opgedragen?" vroeg hij. Ik antwoordde: "Ik werd opgedragen vijftig maal per dag te bidden." Hij zei: "Je gemeenschap kan niet vijftig maal per dag bidden, ik heb het al geprobeerd met de mensen vóór jou, zelfs met de Israëlieten, en ik heb veel moeite gedaan. Ga terug naar je Rab en vraag om vermindering." Ik ging terug en vroeg om vermindering, en het werd verminderd met tien gebeden (veertig maal per dag). Ik ging terug naar Mûsā, die hetzelfde zei, en toen vroeg ik weer om vermindering, en het werd weer met tien gebeden verminderd (dertig maal per dag). Ik ging weer naar Mûsā, en hij zei hetzelfde. Dus vroeg ik weer om vermindering, en het werd opnieuw verminderd met tien gebeden (twintig maal per dag).Ik ging weer naar Mûsā, en hij zei hetzelfde. Dus vroeg ik weer om vermindering, en het werd opnieuw verminderd met tien gebeden (tien maal per dag). Uiteindelijk vroeg ik opnieuw om vermindering, en toen werd het vijf maal dagelijks gebed per dag voorgeschreven. Toen ik terugkeerde naar Mûsā, zei hij: “Wat heb je gedaan?”Ik zei: “Hij heeft het tot vijf gemaakt.”
Toen zei hij iets soortgelijks.Ik zei: “Ik heb met iets goeds ingestemd (ik ben tevreden vertrokken).”
Daarop werd er uitgeroepen: “Voorwaar, Ik heb Mijn verplichting vastgesteld, en Ik heb het voor Mijn dienaren verlicht, en Ik zal elke goede daad tienvoudig belonen.”
[Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم lag in het huis van zijn tante, Ummu Hani, de dochter van Abû Talib, in de Heilige Ka'bah. Terwijl hij daar lag, kwam Jibrīl en opende zijn borst. Hij waste zijn hart met Zamzam-water en vulde het daarna met geloof en wijsheid. Daarna werd Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم op Buraq gezet en naar het heilige Al-Aqsa-moskee (Bayt al-Maqdis) gebracht.
Daar, in de moskee, leidde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم de andere profeten in de salāh. Vervolgens begon hij, samen met Jibrīl, zijn reis naar het Paradijs. Op de eerste hemel ontmoette hij Adam (عليه السلام) op de twee hemel ontmoette hij Isa (عليه السلام) en Yahya (Johannes de Doper) (عليه السلام), op de derde hemel ontmoette hij Yusuf (عليه السلام), op de vier hemel ontmoette hij Idris (عليه السلام), op de vijfde hemel ontmoette hij Harun (عليه السلام), op de zesde hemel ontmoette hij Mûsā (عليه السلام) en op de zevende hemel ontmoette hij Ibrahim (عليه السلام).
De reis met Jibrīl ging door tot de Sidrat al-Muntaha, de uiterste boom van het Paradijs. Jibrīl zei: "Als ik een vingerlengte verder ga, zal ik verbrand worden" en bleef daar achter. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم ging verder met de reis, nu op een ander voertuig genaamd Rafraf. Tijdens deze reis zag hij zowel de Hemel en haar zegeningen, als de Hel en haar straffen. Uiteindelijk werd hij toegelaten in de aanwezigheid van Allah.
Hem werd het verheugende nieuws gegeven dat degenen uit zijn gemeenschap die geen shirk (afgoderij) zouden begaan, het Paradijs zouden binnengaan. Hem werden de laatste twee verzen van surah al-Baqarah gegeven en de verplichting van de vijf dagelijkse gebeden werd ingesteld. Na deze gebeurtenis werd Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم teruggebracht naar Sidrat al-Muntaha met Rafraf, van daar naar Al-Quds (Jeruzalem) met Buraq, en vervolgens naar Makkah.]
Bayt al-Maʿmūr betekent letterlijk: het bevolkte, bloeiende of goed onderhouden huis. Het is een gezegende plek die zich recht boven de Kaʿbah bevindt in de hemel. Een andere naam ervoor is ook “Durāh”.In de Qurʾān wordt naar Bayt al-Maʿmūr verwezen in de volgende verzen:
وَٱلطُّورِ ١
Bij de berg (Sinaї).
وَكِتَٰبٖ مَّسۡطُورٖ ٢
En bij het geschreven.
فِي رَقّٖ مَّنشُورٖ ٣
In perkament opgerold.
وَٱلۡبَيۡتِ ٱلۡمَعۡمُورِ ٤
En bij het huis dat veel bezocht wordt. (de Ka’bah)
وَٱلسَّقۡفِ ٱلۡمَرۡفُوعِ ٥
En bij het dak, hoog verheven. (de hemel)
وَٱلۡبَحۡرِ ٱلۡمَسۡجُورِ ٦
En bij de kolkende zee.
إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ لَوَٰقِعٞ ٧
Waarlijk, de bestraffing van jouw Heer zal zeker plaatsvinden. (Sūrat aṭ-Ṭūr, 52:1–7)
Allah (ﷻ) zweert, net zoals Hij op andere plaatsen in de Qurʾān zweert, ook in deze āyah bij de Ṭūr-berg (Sinaї), bij de Qurʾān, en bij Bayt al-Maʿmūr. Het doel van deze eed is om de waarde en de verhevenheid van deze zaken te benadrukken.
Het woord "Muntahā" betekent einde, grens of uiterste punt. Het woord "Sidrah" betekent boom.
"Sidrat al-Muntahā" wordt als volgt beschreven: “Het is een van de uiterste grenzen van het Paradijs. Aan haar hangen de randen van de Paradijzen van Sundus en Istabraq.”
Deze boom, die Sidrah wordt genoemd, bevindt zich in het hoogste deel van het Paradijs. Het is ook de eindgrens van alle kennis — van de vroegeren en de lateren]Sidrat al-Muntahā bevindt zich aan de rechterzijde van de ʿArsh (Troon van Allah).De reden waarom het "al-Muntahā" (het uiterste eindpunt) wordt genoemd, is omdat:Zowel grote engelen als grote profeten (عليهم السلام) deze grens niet kunnen passeren. En omdat de kennis over deze plek onvoldoende is en ons verstand te boven gaat. Daarom wordt deze naam gebruikt, en het is ook wel uitgelegd als: “Het uiterste grenspunt van menselijke (beperkte) kennis.”Zowel de kennis van de profeten, als die van geleerden en andere schepselen, reikt niet verder dan dit punt.
Alles eindigt hier; niemand kan voorbij deze grens komen.]
104) Van `Abdullah Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Tijdens de Nachtreis (Mi`rāj) zag ik Mûsā (عليه السلام): hij was een man met een donkere huidskleur, lang van gestalte, krullend haar met een stevig en gespierd lichaam. Hij leek op de mannen van de stam Azdu Shanu’a (uit Jemen), die bekend staan om hun lange gestalte. Ik zag ook Isa (عليه السلام): hij was niet lang en niet kort, van gemiddelde bouw, met een lichtroodachtige teint en loshangend stijl haar. Ik zag ook de Dajjâl en de bewaker van de Hel, Mālik. فَلَا تَكُن فِي مِرۡيَةٖ مِّن لِّقَآئِهِTwijfel nooit dat je hem ooit zult ontmoeten. ’ (surah as-Sajda, 23)
Anas en Abû Bakra (رضي الله عنهما) zeiden: Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: “De engelen wachten tot Dajjâl Madīnah binnenkomt. Ze zullen het voorkomen en Madīnah beschermen."
[Dajjâl betekent "een grote leugenaar, bedrieger, en misleider". Hij wordt zo genoemd vanwege zijn leugens. Dajjâl zal zich uitgeven als een godheid, en Allah zal de mensen beproeven met bijzondere ‘wonderen’ die de Dajjâl zal uitoefenen. Voor degenen die Dajjâl volgen, zal Dajjâl het weer bevelen en regen laten vallen, en de aarde zal de planten doen groeien. Hij zal voor hen en hun vee eten voortbrengen en drinkwater leveren, en hun dieren zullen vet en gezond terugkeren. Voor degenen die hem verwerpen, zullen lijden aan hongersnood, ziektes, sterfgevallen en verlies van vee en eigendommen .
De Dajjâl, moge Allah hem vervloeken, wordt in zijn uiterlijke verschijning beschreven als een wezen met vele gebreken en onvolkomenheden.
Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft Dajjâl in zijn ahadīth op een manier beschreven die mensen met gezond verstand niet in twijfel kunnen trekken. Van Ibn Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Dajjâl heeft een grote en rode lichaamsbouw, krullend haar en één blind oog dat eruitziet als een uit de druiventros geschoten druif."
Ibn `Abbās (رضي الله عنهما) heeft gezegd: "Ik zag Dajjâl, en zijn kleur was noch te donker, noch helemaal wit, en zijn lichaam was groot. Zijn haar was zo verwarrend als de takken van een boom."
In de hadīth van `Ubadah ibn Sâmit (رضي الله عنه) wordt Dajjâl beschreven als "kort van lengte, met kromme benen, krullend haar, één oog, en zijn oogbol is noch hol, noch opgezwollen." Ibn Umar (رضي الله عنهما) zei: "Tussen zijn ogen staat het woord 'Ka, Fe, Ra' (ongelovige) en iedereen die het kwaadaardige werk van Dajjâl verafschuwt, kan dit lezen."
Dajjâl heeft een gescheurde oorlel. Sa'b ibn Jussama (رضي الله عنه) zei: "Ik hoorde Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zeggen: 'De mensen zullen Dajjâl niet vergeten zolang de imam op de preekstoel over hem spreekt. Dajjâl zal pas verschijnen wanneer de mensen afwijken van het geloof en zich wenden tot onwetendheid.'"
Dajjâl zal verschijnen in een tijd van onwetendheid, als het geloof verwaterd is en de kennis is vergeten. Hij is een persoon die door Allah gestuurd wordt als beproeving voor de mensen. Met Allah's wil zal Dajjâl mensen doden en weer tot leven brengen, en met hem zullen aardse genoegens komen. Hij zal het Paradijs bevelen om regen te laten vallen, de aarde om planten te doen groeien, en zijn volgelingen zullen de schatten van de aarde bezitten. Hij zal zijn volgelingen met valse wonderen misleiden, wat zijn grote beproeving zal zijn.
De profeten hebben gewaarschuwd tegen de beproeving van Dajjâl, zijn gebreken en zijn leugens bericht.
Maar degenen die met de steun van Allah worden beschermd, zullen niet worden misleid door zijn verleidingen. Wanneer Dajjâl iemand zal doden en weer tot leven zal brengen, zal een van de gelovigen zeggen: "Dit heeft mijn inzicht in jou alleen maar versterkt."
`Abdullah ibn Amr (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: " Dajjâl zal in mijn gemeenschap verschijnen en veertig … blijven. Ik weet niet of dit veertig dagen, maanden of jaren is."
Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zocht bescherming tegen de beproeving van Dajjâl in zijn gebed. "Wie de eerste tien verzen van de surah al-Kahf uit zijn hoofd leert, zal beschermd zijn tegen de beproeving van Dajjâl ", zei hij. In een andere overlevering zei hij: "Wie de laatste tien verzen van de surah al-Kahf uit zijn hoofd leert, zal beschermd zijn tegen de beproeving van Dajjâl."
Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei verder: "Wie over Dajjâl hoort, moet van hem wegblijven. Bij Allah, zeker zal er iemand komen die denkt dat hij een gelovige is, maar door de twijfelachtige daden van Dajjâl zal hij hem volgen."
Isa صلى الله عليه وسلم zal neerdaalden op aarde en Dajjâl doden. Zo zal de beproeving van Dajjâl en zijn volgelingen eindigen, en Allah zal de vuren van fitna (beproeving) doven. Het eerste grote fitna (beproeving) zal dan voorbij zijn.]
105 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), via Mujāhid:Wij waren bij Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en zij spraken over de Dajjāl.Hij zei (over de Dajjāl): ‘Er staat tussen zijn ogen geschreven: Kāfir (كافر).’Toen zei Ibn ʿAbbās: “Dat heb ik niet gehoord.Maar hij (an-Nabie صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Wat betreft Mūsā (عليه السلام) — het is alsof ik hem zie, terwijl hij in de vallei afdaalt terwijl hij de talbiyah uitspreekt.’
106 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Op de nacht waarin ik werd meegenomen op de Isrā’, zag ik Mūsā (عليه السلام).Hij was een gespierde man met golvend haar, en hij leek op een van de mannen van (de stam) Shanu’ah.
En ik zag ʿĪsā (عليه السلام); hij was een man van gemiddelde lengte, rossig van kleur, alsof hij uit een badhuis kwam.
En van de kinderen van Ibrāhīm (عليه السلام) lijk ik het meest op hem.
Toen werden er twee bekers naar mij gebracht — in één daarvan zat melk, en in de ander wijn.Er werd tegen mij gezegd: ‘Drink van welke je wilt.’
Dus ik nam de melk en dronk ervan.Toen werd er gezegd: ‘Je hebt de fitrah (natuurlijke aanleg) gekozen.Als je de wijn had genomen, zou jouw gemeenschap (ummāh) zijn afgedwaald.’”
107) Van Ibn Umar (رضي الله عنهما): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zat op een dag onder de mensen en vertelde over de Masieh Dajjâl. Hij zei:"Waarlijk Allah is niet scheel, maar let op: de Masieh Dajjāls rechteroog is scheel. Zijn oog is als een druif die uit de tros steekt."
108) Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Vannacht in mijn droom stond ik bij Ka’bah. Ik zag een man met een donkere huidskleur, hij was de mooiste van alle mensen met een donkere huidskleur die ik ooit heb gezien. Zijn haar viel tot aan zijn schouders, het was verzorgd en nat, alsof er waterdruppels uit vielen. Hij leunde op de schouders van twee mannen terwijl hij rond de Ka’bah liet. Ik vroeg: ‘Wie is dit?’ Ze zeiden: ‘Dit is de Messias, zoon van Maryam.’Daarna zag ik een andere man, met zeer krullend haar, wiens rechteroog scheel was. Hij leek meer op Ibn Qatan, (een man van de stam Khuza’a die leefde voor de komst van de Islām ), dan op wie dan ook die ik ooit heb gezien.
Hij leunde op de schouders van een andere man terwijl hij rond de Ka’bah liep. Ik vroeg: ‘Wie is dit?’ Ze zeiden: ‘Dit is de Messias Dajjâl.’"
[De term "Messias" wordt gebruikt voor zowel `Isa عليه السلام als de Dajjâl. Het woord heeft verschillende betekenissen: het kan verwijzen naar iemand die veel reist, iemand die iets aanraakt om het te reinigen (zoals `Isa عليه السلام deed bij het genezen van zieken), of naar iemand wiens oog verbleekt of beschadigd is (zoals bij de Dajjâl).
109) Van Jabir bin `Abdullah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Toen de Quraysh mij van leugens beschuldigde (over de Isra en Mi’rāj), stond ik bij de Hijr van de Ka’bah. Allah toonde mij Bayt al-Maqdis, en ik begon hen zijn kenmerken te beschrijven terwijl ik ernaar keek."
110) `Abdullah bin Mas`ûd (رضي الله عنه) zei over de verzen:
ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ ٨
فَكَانَ قَابَ قَوۡسَيۡنِ أَوۡ أَدۡنَىٰ ٩
فَأَوۡحَىٰٓ إِلَىٰ عَبۡدِهِۦ مَآ أَوۡحَىٰ ١٠
Daarna naderde hij en daalde neer. Zodat hij zich op een afstand van twee booglengten (van Muhammed) bevond, of zelfs dichterbij. En Hij (Allah) openbaarde aan Zijn dienaar hetgeen Hij wilde openbaren..’ (surah an-Najm, 8-10):(an-Nabie صلى الله عليه وسلم zag Jibrīl in zijn ware gedaante.) Hij had zeshonderd vleugels."
112) Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Wie beweert dat Muhammed صلى الله عليه وسلم, zijn Rab heeft gezien (met zijn fysieke wereldse ogen), zou hij een grote fout maken. Hij zag Jibrīl in zijn ware vorm, terwijl hij de horizon vulde."
[Uitleg over het zien van Allah door an-Nabie صلى الله عليه وسلم en gerelateerde verzen:
Ikhrimah, Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Abū Ṣāliḥ en Rabīʿ ibn Anas hebben deze Āyah als volgt uitgelegd:
“Het hart van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) ontkende niet wat hij zag.Dat wil zeggen: Muhammad (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn Rab niet met zijn eigen ogen direct gezien.Allah heeft zijn hart verlicht met een licht, en daardoor zag hij zijn Rab met het licht in zijn hart.”
Volgens ʿAbdullāh ibn Masʿūd en Qatādah betekent deze Āyah dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de engel Jibrīl met zijn hart heeft gezien. Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag Jibrīl (عليه السلام) gekleed in een zijden gewaad.Hij vulde de ruimte tussen hemel en aarde.” (Tirmidhi, K. Tafsir al-Qurʾān, Soera 53, Hadith nr. 3283)
Allahu Taʿālā zal niet in deze wereld met de ogen gezien worden, maar in het Hiernamaals wel.
ʿĀ’isha (رضي الله عنها) gebruikte als bewijs de Āyah:
لَّا تُدۡرِكُهُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَهُوَ يُدۡرِكُ ٱلۡأَبۡصَٰرَۖ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلۡخَبِيرُ ١٠٣
Geen blik kan Hem bereiken. Maar Hij bereikt de blik (van iedereen). En Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende. (Sūrah al-Anʿām 6:103)
Ze zei ook: “Wie zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien, heeft ongetwijfeld gelogen.”
۞ وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُكَلِّمَهُ ٱللَّهُ إِلَّا وَحۡيًا أَوۡ مِن وَرَآيِٕ حِجَابٍ أَوۡ يُرۡسِلَ رَسُولٗا فَيُوحِيَ بِإِذۡنِهِۦ مَا يَشَآءُۚ إِنَّهُۥ عَلِيٌّ حَكِيمٞ ٥١
Het past de mens niet dat Allah tot hem spreekt, behalve door middel van een openbaring, of van achter een sluier of door het zenden van een gezant (Djibril) om met Zijn toestemming te openbaren wat Hij wil. Waarlijk, Hij is Verheven, Alwijs. (Sūrah ash-Shūrā 42:51)
ʿĀ’isha (رضي الله عنها) voegde eraan toe: “Wie zegt dat hij weet wat er morgen zal gebeuren, heeft ook ongetwijfeld gelogen.”Daarna las ze ook het bijbehorende vers voor.
. إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤
Waarlijk Allah! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven.
Waarlijk, Allah is Alwetend, Bewust van alle (zaken). " (surah Luqman, 31:34)
En ook zei ze: "En wie jou vertelt: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft iets verborgen’, die liegt ongetwijfeld."
Vervolgens reciteerde zij deze Āyah:
۞ يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغۡ مَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۖ وَإِن لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَهُۥۚ وَٱللَّهُ يَعۡصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٦٧
O, Boodschapper! Verkondig wat aan jou is neergezonden van jouw Heer. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn Boodschap niet duidelijk gemaakt. Allah zal je tegen de mensheid beschermen. Waarlijk, Allah leidt de mensen die ongelovig zijn niet. (surah Al-Mā’ida, 5:67)
ʿĀ’isha (رضي الله عنها) vervolgde met: " Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn Rab niet gezien.Maar hij heeft wel twee keer Jibrīl (عليه السلام) in zijn ware gedaante gezien." (Bukhari, Tafsir al-Qur’ān, Soera 53, hoofdstuk 1)
ʿAbdullah ibn Shaqīq zei: "Ik zei tegen Abū Dhar: ‘Als ik in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geleefd, zou ik hem iets gevraagd hebben.’Abū Dhar vroeg: ‘Wat zou je hem gevraagd hebben?’Ik zei: ‘O Rasûlullāh, hebt u uw Rab gezien?’"
Abū Zar zei: "Ik vroeg het hem, en hij zei: ‘Ik heb Hem als licht gezien.’ (Muslim, Boek van het Geloof, hoofdstuk 292, Hadith nr. 178)
In een andere overlevering antwoordde hij: "Hij is het Licht; hoe zou Hij dan getoond kunnen worden?"(Muslim, Boek van het Geloof, hoofdstuk 292, Hadith nr. 178)
Dit betekent dat het Licht van Allah het zien van Zijn wezen verhinderde.
Zoals zichtbaar is, geven deze overleveringen aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze wereld Allah heeft gezien met het oog van het hart.
Er zijn ook authentieke hadiths die bevestigen dat Allah Taʿālā pas in het Hiernamaals zal worden gezien.
Deze zijn overgeleverd door:
Abū Saʿīd al-Khudrī
Abū Hurayra
Anas ibn Mālik
Suhayb al-Rūmī
Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنهم)
111 - Van ʿĀ’isha (رضي الله عنها) via Masrūq:Ik zei tegen ʿĀ’isha: "O moeder der gelovigen, heeft Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab gezien?"Zij zei: "Mijn haar stond overeind van wat je zei. er zijn drie dingen, en wie een van deze beweert, pleegt de grootste leugen tegen Allah.' Wie jou vertelt dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien, die heeft gelogen."Vervolgens reciteerde zij:
لَّا تُدۡرِكُهُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَهُوَ يُدۡرِكُ ٱلۡأَبۡصَٰرَۖ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلۡخَبِيرُ ١٠٣
Geen blik kan Hem bereiken. Maar Hij bereikt de blik (van iedereen). En Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende.
(Sūrah al-Anʿām 6:103)
En zij zei verder: "Wie jou vertelt dat hij weet wat er morgen zal gebeuren, die heeft gelogen."Vervolgens reciteerde zij:
. إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤
Waarlijk Allah! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk, Allah is Alwetend, Bewust van alle (zaken). " (surah Luqman, 31:34)
En zij zei: "Wie jou vertelt dat hij iets verborgen houdt, die heeft gelogen."Vervolgens reciteerde zij:
۞ يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغۡ مَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۖ وَإِن لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَهُۥۚ وَٱللَّهُ يَعۡصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٦٧
O, Boodschapper! Verkondig wat aan jou is neergezonden van jouw Heer. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn Boodschap niet duidelijk gemaakt. Allah zal je tegen de mensheid beschermen.
Waarlijk, Allah leidt de mensen die ongelovig zijn niet. (surah Al-Mā’ida, 5:67)
Maar hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft Jibrīl (عليه السلام) twee keer in zijn ware gedaante gezien.
111a - Van Masrûk bin Abdurrahman (رضي الله عنه): Ik zat geleund bij ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Ze zei tegen mij: 'O Abû ʿĀʾishah, er zijn drie dingen, en wie een van deze beweert, pleegt de grootste leugen tegen Allah.' Ik vroeg: 'Wat zijn dat?' Ze antwoordde: 'Wie zegt dat Muhammed صلى الله عليه وسلم, zijn Rab heeft gezien, pleegt de grootste leugen tegen Allah.'Ik ging meteen rechtop zitten en zei: 'O Moeder der Gelovigen, luister naar mij. Heeft Allah niet gezegd:
وَلَقَدۡ رَءَاهُ بِٱلۡأُفُقِ ٱلۡمُبِينِ ٢٣
‘Waarlijk, Hij zag hem (Jibrīl) aan de heldere horizon.’ (surah at-Takwir, 23) en
وَلَقَدۡ رَءَاهُ نَزۡلَةً أُخۡرَىٰ ١٣
عِندَ سِدۡرَةِ ٱلۡمُنتَهَىٰ ١٤
En voorwaar, hij (Muhammed) zag hem (Jibrīl) ook bij een tweede afdaling. In de buurt van de Lotusboom Sidrat al-Muntaha) waar niemand voorbij mag gaan. (surah an-Najm, 13-14)?'
ʿĀʾishah antwoordde: 'Ik was degene die Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, als eerste hierover vroeg. Hij zei: "Dat was Jibrīl. Ik zag hem slechts twee keer in zijn ware gedaante.
Ik zag hem terwijl zijn enorme lichaam de ruimte tussen hemel en aarde vulde toen hij neerdaalde." Heb je niet gehoord dat Allah zegt:
لَّا تُدۡرِكُهُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَهُوَ يُدۡرِكُ ٱلۡأَبۡصَٰرَۖ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلۡخَبِيرُ ١٠٣
Geen blik kan Hem bereiken. Maar Hij bereikt de blik (van iedereen). En Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende. (surah al-An’am, 103)? En ook: وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُكَلِّمَهُ ٱللَّهُ إِلَّا وَحۡيًا أَوۡ مِن وَرَآيِٕ حِجَابٍ أَوۡ يُرۡسِلَ رَسُولٗا فَيُوحِيَ بِإِذۡنِهِۦ مَا يَشَآءُۚ إِنَّهُۥ عَلِيٌّ حَكِيمٞ ٥١
Het past de mens niet dat Allah tot hem spreekt, behalve door middel van een openbaring, of van achter een sluier of door het zenden van een gezant (Djibril) om met Zijn toestemming te openbaren wat Hij wil. Waarlijk, Hij is Verheven, Alwijs. (surah ash-Shura, 51)?'
ʿĀʾishah vervolgde: 'Wie beweert dat Muhammed صلى الله عليه وسلم, iets van het Boek van Allah heeft verborgen, pleegt de grootste leugen tegen Allah. Want Allah zegt:
۞ يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغۡ مَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۖ وَإِن لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَهُۥۚ وَٱللَّهُ يَعۡصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٦٧
O, Rasûl! Verkondig wat aan jou is neergezonden van jouw Rab. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn Boodschap niet duidelijk gemaakt. Allah zal je tegen de mensheid beschermen. Waarlijk, Allah leidt de mensen die ongelovig zijn niet. (soera al Maaidah 67)
En ʿĀʾishah voegde eraan toe: 'Wie zegt dat hij weet wat er morgen zal gebeuren, pleegt de grootste leugen tegen Allah. Want Allah zegt:
قُل لَّا يَعۡلَمُ مَن فِي ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ ٱلۡغَيۡبَ إِلَّا ٱللَّهُۚ وَمَا يَشۡعُرُونَ أَيَّانَ يُبۡعَثُونَ ٦٥
Zeg: “Niemand in het hemelen en op de aarde kent het onzichtbare behalve Allah, noch kunnen zij voorzien wanneer zij zullen herrijzen.” (surah an-Naml, 65)'
112 - Van ʿĀ’ishah (رضي الله عنها):Wie beweert dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien, heeft een ernstige overtreding begaan.Maar hij heeft Jibrīl (vrede zij met hem) in zijn ware gedaante gezien,en zijn gestalte was zo groot dat hij het gebied tussen de horizonten vulde."
113) Van Abû Mûsâ al-Ash’arî (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Er zijn twee paradijzen waarvan de vaten en al het andere erin van zilver zijn. En er zijn twee andere paradijzen waarvan de vaten en al het andere erin van goud zijn. In het Paradijs van ‘Adn (Eden) is er niets dat de blikken van de mensen scheidt van het aanschouwen van hun Rab, behalve de sluier van de grootheid van Allahs gelaat (Wajh)."
114) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): De mensen vroegen: 'O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Dag der Opstanding?' an-Nabie صلى الله عليه وسلم antwoordde: 'Twijfelen jullie eraan om de maan te zien op een heldere nacht zonder enige wolken?' Ze zeiden: 'Nee, O Rasûlullāh.' Hij vroeg: 'En twijfelen jullie eraan om de zon te zien zonder enige wolken?' Ze zeiden: 'Nee.'an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: 'Zo zullen jullie Allah zien, zonder enige twijfel. Op de Dag der Opstanding zullen de mensen worden verzameld, en Allah zal zeggen: "Laat degenen die in de wereld iets aanbaden, hen volgen." Sommigen zullen de zon volgen, sommigen de maan, en anderen hun taghuts (alles wat de mensen ervan weerhield Allah te aanbidden).
Deze gemeenschap (ummah) zal echter blijven, met de hypocrieten onder hen. Allah zal tot hen komen in een vorm die ze niet kennen en zeggen: "Ik ben jullie Rab." Ze zullen antwoorden: "Wij blijven hier totdat onze Rab komt. Wanneer Hij komt, zullen we Hem herkennen."
Dan zal Allah tot hen komen in de vorm die zij herkennen en zeggen: "Ik ben jullie Rab." Ze zullen zeggen: "Ja, U bent onze Rab." Allah zal hen dan oproepen, en de Sirāt (de Brug) zal over de Hel worden gelegd. Ik zal de eerste profeet zijn die erover zal gaan met mijn gemeenschap. Op die dag zal niemand behalve de profeten kunnen spreken, en hun woorden zullen zijn: "Allahumma sallim, sallim: O Allah, verleen veiligheid, verleen veiligheid!"
"In het Hellevuur zijn er haken, vergelijkbaar met de doornen van de Sa'daan-boom.Hebben jullie de Sa'daan-doorn gezien?" vroeg hij. De metgezellen antwoordden: "Ja."
Hij vervolgde: "Die haken zijn precies zoals de doornen van de Sa'daan-boom (een stekelige plant die in Arabië groeit, ook wel bekend als de 'hormadoorn' of 'ijzeren doorn'). Maar niemand behalve Allah kent de grootte van deze haken."
Deze haken zullen mensen vastgrijpen naar hun daden. Sommigen zullen worden vernietigd vanwege hun daden, anderen zullen verpletterd worden als mosterd zaadje en uiteindelijk worden gered. Wanneer Allah besluit om genade te tonen aan degenen in de Hel die Hij wil redden, zal Hij de engelen opdragen: "Haal degenen eruit die Allah aanbaden.’ De engelen zullen hen eruit halen. Ze zullen worden herkend aan de sporen van hun prosternaties, want Allah heeft het Vuur verboden om de plaatsen van prosternatie aan te raken en te verbranden.'
Behalve de sporen van hun nedergebogen hoofden zal het vuur alles van de mensen verteren, waardoor ze verbranden en zwart uit het Hellevuur komen. Daarna zal levenswater over hen worden gegoten. Uiteindelijk zullen ze als bloemenzaadjes die op de grond van het regenwater zijn gevallen, snel opkomen en groeien.
Daarna zal Allah zijn oordeel over de mensen voltooien. Op dat moment zal er iemand tussen het Paradijs en het Hellevuur staan. Deze persoon is degene die als laatste het Hellevuur verlaat en wiens gezicht naar het Hellevuur gericht is. Hij zal zeggen: "O mijn Rab, draai mijn gezicht van het Hellevuur weg, want de geur heeft me vergiftigd en de vlammen hebben me gebrand." Allah zal zeggen: "Als dit voor jou gedaan wordt, is er dan iets anders dat je zou wensen?" Deze persoon zal zeggen: "Bij Uw majesteit, er is niets anders." En Allah zal na deze eed en belofte hem geven wat hij wenste. Daarna zal Allah zijn gezicht van het Hellevuur afdraaien. Zodra zijn gezicht naar het Paradijs gericht wordt, zal hij de pracht en de blijheid van de bewoners van het Paradijs zien.
Hij zal zo lang zwijgen als Allah het wil, en daarna zeggen: "O mijn Rab, breng me dichter bij de poorten van het Paradijs." Daarop zal Allah zeggen: "Heb je niet gezworen en beloofd dat je niets anders zou wensen dan wat je gevraagd hebt?" Deze persoon zal zeggen: "O mijn Rab, laat me niet de meest ongelukkige en lijdende (persoon) zijn van Uw schepselen." Allah zal zeggen: "Als je dit gegeven wordt, zou je dan iets anders wensen?" Deze persoon zal zeggen: "Bij Uw majesteit, ik wens niets anders." En hij legt zijn eed en belofte af bij Allah. Daarna zal Allah hem dichter bij de poorten van het Paradijs brengen.
Wanneer hij de poorten van het Paradijs bereikt, zal hij de schoonheid ervan zien, evenals de vreugde en het geluk daarin, maar hij zal zo lang zwijgen als Allah wil. Uiteindelijk zal hij zeggen: "O mijn Rab, breng me het Paradijs binnen." Allah zal zeggen: "Schaam je je niet o zoon van Adam, waarom houd je je woord niet. Heb je niet eed en belofte afgelegd dat je niets anders zou wensen dan wat je hebt gevraagd?" Deze persoon zal zeggen: "O mijn Rab, maak me niet de meest ongelukkige en lijdende (persoon) van Uw schepselen." Daarop zal Allah, de Almachtige, lachen en hem vervolgens toestemming geven om het pardadijs binnen te gaan. Allah zal zeggen: "Vraag wat je wilt?" En de persoon zal blijven vragen totdat al zijn wensen vervuld zijn. Hij zal blijven zeggen: "Dit en dat," totdat hij geen verlangens meer heeft. Uiteindelijk zal Allahu Ta`ala zeggen: "Naast deze wensen heb Ik je ook nog het dubbele gegeven."
115-) Van Abû Sa'id el-Hudrî (رضي الله عنه).
In de tijd van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vroegen enkele mensen: "O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Dag des Oordeels?" Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم antwoordde: "Ja" en vervolgde: "Zouden jullie elkaar niet duwen en hinderen om de zon en de maan te zien wanneer de lucht helder is en er geen wolken zijn?" Ze antwoordden: "Nee, O Rasûlullāh." Hij zei: "Evenzo, op de Dag des Oordeels, zullen jullie elkaar maar zoveel hinderen als jullie elkaar hinderen bij het zien van de zon of de maan wanneer de lucht helder is en er geen wolken zijn."
Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم vervolgde: "Wanneer de Dag des Oordeels aanbreekt, zal er een oproeper oproepen: 'Laat iedere volk degene volgen die ze in deze wereld hebben aanbad.' Iedereen die afgoden of stenen hebben aanbeden, zal in het Hellevuur worden geworpen. Uiteindelijk zullen alleen de mensen die Allah hebben aanbeden, zowel de goede als de zondaars, samen met een groep van de Mensen van het Boek (Joden en Christenen) overblijven.
Daarna zullen de Joden worden opgeroepen en gevraagd: 'Aan wie hebben jullie aanbidding gegeven?' Zij zullen antwoorden: 'Wij aanbaden Uzayr, de zoon van Allah.' Het zal hen worden gezegd: 'Jullie hebben gelogen! Allah heeft geen kinderen en geen gelijke! Wat willen jullie nu?' Zij zullen zeggen: 'Wij hebben veel dorst, O onze Rab, geef ons water.' Aan hen zal worden aangegeven: 'Ga naar het water.' Zij zullen zich meteen richting het Hellevuur haasten. (Het Hellevuur is als een verwoestende woestijnstorm.) Zo zullen zij in het Hellevuur worden geworpen.
Vervolgens zullen de Christenen worden opgeroepen en gevraagd: 'Aan wie hebben jullie aanbidding gegeven?' Zij zullen antwoorden: 'Wij aanbaden `Isa, de zoon van Allah.' Het zal hen worden gezegd: 'Jullie hebben gelogen! Allah heeft geen kinderen en geen gelijke!
Wat willen jullie nu?' Zij zullen zeggen: 'Wij hebben veel dorst, O onze Rab, geef ons water.' Ook zij zullen worden geïnstrueerd om naar het water te gaan en zullen zich meteen richting het Hellevuur haasten. (Ook voor hen is het Hellevuur als een verwoestende woestijnstorm.) Zo zullen zij in het Hellevuur worden geworpen.
Uiteindelijk zullen alleen de mensen die Allah hebben aanbeden, zowel de goede als de zondaars, overblijven. De Rab van de Werelden, de Verhevene, zal naar hen komen in de laagste verschijning die zij hebben gezien, in een vorm die zij niet herkennen, en zal zeggen: 'Wat wachten jullie nog op? Elke gemeenschap volgt wat zij in deze wereld heeft aanbidden.' Zij zullen antwoorden: 'O onze Rab! In de wereld waren wij van de mensen gescheiden en waren wij niet in hun gezelschap, hoe zouden we nu met hen samen zijn?'
Dan zal hen gevraagd worden: 'Is er een teken van herkenning tussen jullie en Allah?' Zij zullen zeggen: 'Ja, er is een teken.'Uiteindelijk zal de waarheid naar voren komen. Allah zal degenen die oprecht voor Hem hebben neergebogen (sajdah)) toelaten om dat te doen, terwijl degenen die uit schijn of voor anderen hebben neergebogen, hun gezichten op de grond zullen vallen en niet in staat zullen zijn om zich rechtop te houden. De waarheid zal dus blijken. Vervolgens zal Allah tegen hen zeggen: 'Ik ben jullie Rab.'Zij zullen antwoorden: 'Ja, U bent onze Rab.'
Daarna zal een brug over het Hellevuur worden gelegd en zal bemiddeling (sjaafa'a) worden toegestaan. Zij zullen zeggen: 'O Allah, geef ons veiligheid, geef ons veiligheid!' Toen vroeg men: 'O Rasûlullāh, wat is die brug?' Hij antwoordde: 'Het is een gladde brug, met haken, scherpe voorwerpen en doornen zoals de 'Sa'dan' die in de regio van Najd groeien. De gelovigen zullen over deze brug gaan, zo snel als een oogwenk, als bliksem, als de wind, als een vogel, als snel rijdende paarden en kamelen.
Sommige mensen zullen de brug veilig oversteken, anderen zullen getroost en gesleurd worden en sommigen zullen in het Hellevuur vallen.
Wanneer de gelovigen veilig uit het Hellevuur komen, zullen zij tot Allah bidden en zeggen: 'Bij Hem die mijn ziel in Zijn hand heeft, op de Dag des Oordeels zullen de gelovigen meer voor hun zusters in het Hellevuur bidden dan wie dan ook. Zelfs als zij hun recht zouden krijgen, zou niemand zo bidden als zij.'Naar aanleiding van hun smeekbeden zal er tegen hen gezegd worden: 'Haast je om je geliefden uit het Hellevuur te halen.' Het zal hen verboden worden om de lichamen van degenen die in het Hellevuur zijn, te verbranden. Zo zullen zij vele mensen uit het Hellevuur halen, sommigen met vuur tot aan hun enkels, anderen tot aan hun knieën.
Daarna zullen zij zeggen: 'O onze Rab, zoals U ons heeft geboden, is er niemand meer in het Hellevuur.' En Allah zal zeggen: 'Keer terug en haal degenen die nog in hun hart de waarde van een dinar aan goede daden hebben.' Zij zullen weer veel mensen uit het Hellevuur halen en zeggen: 'O onze Rab, zoals U ons heeft geboden, is er niemand meer in het Hellevuur.' Daarop zal Allah zeggen: 'Keer terug en haal degenen die nog in hun hart de waarde van een halve dinar aan goede daden hebben.' Ook dit zullen zij doen, en dan zal Allah zeggen: 'Keer terug en haal degenen die in hun hart een korreltje van goede daden hebben.' En zo zullen zij vele mensen uit het Hellevuur halen.
Wanneer ze eindelijk zeggen: 'O onze Rab, er is niemand in het Hellevuur die nog enige goede daad heeft,' zal Allah tegen hen zeggen: 'Mensen die geen goede daden hebben gedaan, maar als kolen zijn verbrand, zullen toch uit het Hellevuur worden gehaald. Ze zullen in de 'bron van het leven' bij de poorten van het Paradijs worden geworpen. Daar zullen ze eruit komen als zaadjes die op aarde zijn gevallen, die zich onder stenen of bij boomwortels hebben vastgegrepen. Aan de kant van de zon zullen ze geel en groen zijn, aan de schaduwkant wit.'
De aanwezigen zullen zeggen: 'O Rasûlullāh, je lijkt wel een herder in de woestijn.' Hij zal zeggen: 'Ze zullen opstaan met parelachtige zegels om hun nek, en de mensen van het Paradijs zullen hen herkennen. Ze hebben geen daden verricht, noch goede daden gestuurd, maar Allah heeft hen in het Paradijs gebracht als Zijn bevrijde dienaren.' Daarna zal Allah tegen hen zeggen: 'Ga het Paradijs binnen. Alles wat je ziet is voor jou.' En zij zullen zeggen: 'O onze Rab, U hebt ons iets gegeven dat niemand anders heeft gekregen.' Allah zal zeggen: 'Wat Ik voor jullie heb, is nog veel beter.' Zij zullen zeggen: 'O onze Rab, wat kan er nog beter zijn dan dit?' Allah zal antwoorden: 'Mijn tevredenheid. Na Mijn tevredenheid zal Ik nooit meer boos op jullie zijn.'"
115a-) Van Abû Sa'id al-Khudrî (رضي الله عنه) vertelde dat Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zei: Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Allah zegt: "Ik heb je naast deze wensen ook tien keer zoveel gegeven." Abû Hurayrah zei: "Ik herinner me niets anders dan wat Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: 'Ik heb je naast deze wensen ook zoveel meer gegeven.'Abû Sa'id zei: "Ik hoorde hem zeggen: 'Ik heb je naast deze wensen ook tien keer zoveel gegeven.'Bovenkant formulier
116-) Van Abû Said al- Khudrî (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "De mensen van het Paradijs zullen het Paradijs binnengaan en de mensen van de Hel zullen de Hel binnengaan. Uiteindelijk zal Allah zeggen: 'Wie ook maar een beetje geloof heeft, zelfs zo klein als een mosterdzaadje, laat hem dan uit de Hel komen.'"
Deze mensen zullen vervolgens, zwart geworden, uit de Hel gehaald worden en in de 'levensbron' of de 'bescheiden bron' worden geworpen, waar ze zullen opgroeien en zich ontwikkelen zoals een plant uit zaad groeit langs het water. "Zie je niet hoe het zaad geel wordt en zich aan beide zijden uitstrekt en uit de grond komt?" zei hij.(Een van de overleveraars van deze hadīth, Mâlik b.
Anas, wist niet precies of het 'levensbron' of 'bescheiden bron' was).
[Volgens de geloofsleer van Ahl as-Sunnah zal iemand die als gelovige (mu’min) zijn laatste adem uitblaast, niet voor eeuwig in de Hel verblijven. Er kan ook niet gesteld worden dat iedere zondaar noodzakelijkerwijs naar de Hel zal gaan, want Allah vergeeft wie Hij wil. Wie geen vergiffenis ontvangt, zal gestraft worden in overeenstemming met de zwaarte van zijn zonden. Maar als hij een gelovige was, dan is zijn bestemming niet de eeuwige bestraffing in de Hel.]
117-) Van `Abdullah b. Mas’ûd (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Ik weet wie de laatste persoon zal zijn die uit de Hel zal binnenkomen en de laatste persoon die het Paradijs zal binnengaan. Deze persoon zal zich op handen en knieën uit de Hel voortbewegen. Allah zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen.' Hij zal naar het Paradijs gaan, maar het zal voor hem lijken alsof het helemaal vol is. Hij zal terugkomen en zeggen: 'O mijn Rab, het Paradijs is vol.' Allah zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen.' Hij zal naar het Paradijs gaan, maar het zal voor hem lijken alsof het helemaal vol is. Hij zal terugkomen en zeggen: 'O mijn Rab, het Paradijs is vol.'Allah zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen. Er is voor jou zoveel ruimte als de hele wereld en zelfs tien keer zoveel ruimte of zelfs tien keer als de hele wereld.' Hij zal verbaasd zijn en zeggen: "Hoewel U de enige Koning bent, drijft U dan de spot met mij of lacht U me uit?De overleveraar zei: Toen Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, dit vertelde, zag ik hem lachen totdat zijn kiezen zichtbaar werden. Men zei: 'De laagste van de Paradijsbewoners is deze persoon.'"
117a -) Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Wie in zijn hart ter grootte van een gerstkorrel goedheid heeft en 'Lâ ilahe illallah' zegt, zal uit de Hel worden gehaald.
Wie in zijn hart ter grootte van een tarwekorrel goedheid heeft en 'Lâ ilahe illallah' zegt, zal uit de Hel worden gehaald. Wie in zijn hart zelfs maar een atoom goedheid heeft en 'Lâ ilahe illallah' zegt, zal ook uit de Hel worden gehaald."
118 -) Van Anas ibn Malik (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), zei:"Allah zal de mensen verzamelen op de Dag des Oordeels, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan geweest om voorspraak te doen bij onze Heer, zodat Hij ons van onze plaats zou verlossen.'Dan zullen zij naar Adam gaan en zeggen: 'U bent degene die door Allah met Zijn hand is geschapen, en Hij blies Zijn geest in u, en Hij beval de engelen zich voor u neer te buigen.
Wees ons dan een voorspraak bij onze Heer.'Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Noeh (Nuh) gaan, de eerste boodschapper die Allah zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Ibrahim gaan, die Allah tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Moesa gaan, die met Allah sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Isa (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar uohammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Heer.Wanneer ik hem zie, zal ik neerzijgen in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft uw hoofd op, vraag dan zal er gegeven worden, spreek dan zal er geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want je zult voorspraak doen.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Heer prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen het Paradijs binnendragen.Daarna zal ik weer neervallen in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die het Qur’ān gevangen houdt."
119-) Van Anas b. Mâlik (رضي الله عنه):(an-Nabie) Muhammed صلى الله عليه وسلم, hield een toespraak en gaf informatie aan ons en zei: "Wanneer de Dag des Oordeels komt, zullen mensen zich met elkaar bewegen, alsof ze in een storm verkeren (in een toestand van verwarring en chaos).
Wees ons dan een voorspraak bij onze Heer.'Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Noeh (Nuh) gaan, de eerste boodschapper die Allah zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Ibrahim gaan, die Allah tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Moesa gaan, die met Allah sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zijn zonde noemen.Dan zullen zij naar Isa (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar uohammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Heer.Wanneer ik hem zie, zal ik neerzijgen in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft uw hoofd op, vraag dan zal er gegeven worden, spreek dan zal er geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want je zult voorspraak doen.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Heer prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen het Paradijs binnendragen.Daarna zal ik weer neervallen in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die het Qur’ān gevangen houdt."
119-) Van Anas b. Mâlik (رضي الله عنه):(an-Nabie) Muhammed صلى الله عليه وسلم, hield een toespraak en gaf informatie aan ons en zei: "Wanneer de Dag des Oordeels komt, zullen mensen zich met elkaar bewegen, alsof ze in een storm verkeren (in een toestand van verwarring en chaos). Dan zullen ze naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: 'Vraag om tussenkomst (shafa`a) voor ons bij uw Rab.' Hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Ibrahim (عليه السلام), want hij is de Khaalil van de Barmhartige (Khalilu’r Rahmaan).' Ze zullen naar Ibrahim(عليه السلام) gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Mûsā (عليه السلام), want hij is het Woord van Allah (Kaliemu’llaah).' Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar `Isa (عليه السلام), want hij is de Geest (die ingeblazen is door) Allah (Roehu’llaah).' Ze zullen naar Isa gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Muhammad صلى الله عليه وسلم, ' Uiteindelijk zullen ze naar mij komen en ik zal zeggen: 'Ik ben degene die dit voor jullie (shafa`a) kan doen.' Ik zal mijn Rab om toestemming vragen en ik zal toestemming krijgen.
(Allah zal mij op die dag) inspireren met allerlei lofprijzingen, waar ik nu niet op kom, en ik prijs hiermee mijn Rab, en voor Hem neerbuig ik in aanbidding.Hij zal tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Til je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden. Doe voorspraak (shafa`a) en je voorspraak zal worden geaccepteerd.' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! Mijn gemeenschap (ummah), mijn ummah!' Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs maar een gerstkorrel aan geloof (īmān) in hun hart hebben uit de Hel.' Ik zal gaan en doen wat er gezegd is. Dan keer ik terug en prijs mijn Rab opnieuw, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Til je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak (shafa`a) en je voorspraak zal worden geaccepteerd .' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah, mijn ummah!'Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs maar een mosterdzaadje aan geloof (īmān) in hun hart hebben uit de Hel.' Ik zal gaan en doen wat er gezegd is. Daarna zal ik weer terugkeren en prijs mijn Rab opnieuw, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Til je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak (shafa`a) en je voorspraak zal worden geaccepteerd .' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab!
Mijn ummah, mijn ummah!'Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs minder dan een mosterdzaadje aan geloof (īmān) in hun hart hebben uit de Hel.'Ik zal gaan en doen wat er gezegd is
In een andere overlevering van Anas b. Mâlik (رضي الله عنه) zegt an-Nabie صلى الله عليه وسلم "Dan zal ik voor de vierde keer terugkeren, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Til je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak (shafa`a) en je voorspraak zal worden geaccepteerd .' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! (Geef mij toestemming) een voorspraak te doen voor degenen die 'Lâ ilahe illallah' zeggen!'En Hij zal zeggen: 'Ik zweer bij Mijn grootheid, Majesteit en verhevenheid dat ik degenen die 'Lâ ilahe illallah' zeggen, ook uit de Hel zal halen.'
120 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, werd vlees aangeboden, en het deel van de schouder werd aan hem gepresenteerd, want hij hield van dit deel van het vlees. Hij nam een stuk vlees met zijn tanden, en zei vervolgens: "Ik ben de leider (sayyid) van de mensen op de Dag des Oordeels. Weten jullie waarom? Allah zal zowel de vroegere als de latere generaties, de hele mensheid, bijeenbrengen op één uitgestrekt veld, waar de oproeper zijn stem zal kunnen laten horen en waar iedereen zichtbaar is. De zon zal zo dichtbij genaderd worden dat de mensen het niet kunnen verdragen en in wanhoop verkeren. Dan zullen de mensen zeggen: 'Zien jullie niet wie ons wil bereiken? Kijken jullie niet naar degene die bij onze Rab voorspraak gaat doen?'
Op dat moment zal een groep mensen tegen een andere groep zeggen: 'Ga naar Adam (عليه السلام).' Ze zullen naar Adam عليه السلام gaan en zeggen: 'Jij bent de vader van de mensheid, Allah heeft jou met Zijn hand geschapen, Hij heeft Zijn geest in jou geblazen en de Engelen geboden om voor jou neer te buigen. Doe voorspraak voor ons bij je Rab. Zie je onze toestand niet?
Zie je niet wat er met ons gebeurt?' Adam عليه السلام zal zeggen: 'Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik werd verboden om van de boom te eten, maar ik heb tegen Hem gezondigd. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf (nafsie).Ga naar Nuh.'Ze zullen naar Nuh (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Nuh, waarlijk jij bent de eerste van de boodschappers die naar de aarde werd gezonden. Allah noemde jou 'Een zeer dankbare dienaar', doe voorspraak voor ons bij je Rab. Zie je niet in wat voor een toestand we verkeren?' Nuh (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik had een recht om te bidden, maar die heb ik gebruikt tegen mijn volk. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf (nafsie). Ga naar Ibrahim.'
Ze zullen naar Ibrahim عليه السلام gaan en zeggen: 'O Ibrahim, jij bent Rasûlullāh en de innige vriend (khaliel) van Allah op aarde, doe voorspraak voor ons bij je Rab. Zie je niet in wat voor een toestand we verkeren?' Ibrahim (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb drie leugens verteld in mijn leven. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf (nafsie). Ga naar Mûsā.'
Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Mûsā, jij bent Rasûlullāh en jij hebt met Hem gesproken. Hij heeft jou verheven boven de mensen. doe voorspraak voor ons bij je Rab. Zie je niet in wat voor een toestand we verkeren?' Mûsā (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf. Ga naar Isa.'
Ze zullen naar `Isa عليه السلام gaan en zeggen: 'O Isa, jij bent Rasûlullāh en het woord dat Hij naar Maryam stuurde en geest uit Hemzelf inblies.
Jij sprak met mensen toen je nog een kindje in de wieg was. Doe voorspraak voor ons bij je Rab, zie je niet in wat voor een toestand we verkeren?' Isa (عليه السلام) zal zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf (nafsie). Ga naar Muhammad صلى الله عليه وسلم, '
Ze zullen naar Muhammed صلى الله عليه وسلم gaan en zeggen: "O Muhammed! Jij bent Rasûlullāh. Jij bent de laatste der profeten. Zeker, Allah heeft jouw eerdere en latere zonden vergeven. Doe voorspraak bij je Rab! Zie je niet in wat voor een toestand we verkeren?' "Daarop ga ik onmiddellijk onder de Troon (`Arsh) en buig ik neer in aanbidding voor mijn Almachtige en Majestueuze Rab. Vervolgens zal Allah, terwijl ik neerbuigend in mijn aanbidding ben, mij zulke lof en prijzen in mijn gebed inspireren die voor niemand vóór mij ooit zijn geopend. Nadat ik met die lof en prijzen Allah geprezen heb, zal mij het volgende worden gezegd:"
Ze zullen naar mij gaan, en ik zal zeggen: 'Ik ben degene die voor jullie pleit.' Ik zal mijn Rab om toestemming vragen, en deze wordt mij gegeven. Dan zal Allah mij lof en prijzen inspireren die voor niemand anders dan mij zijn bestemd. En nadat ik Hem met deze lofprijzingen in aanbidding ter aarde val, zal Hij tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Til je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak (shafa`a) en je voorspraak zal worden geaccepteerd .' ' Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah! O mijn Rab! Mijn ummah!'
Hij zal zeggen: "Laat degenen die zonder afrekening het Paradijs zullen binnengaan, via de rechterpoort van het Paradijs binnenkomen. Zij zullen ook door andere poorten naar binnen gaan.'
Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de ruimte tussen de poorten van het Paradijs is zo groot als de afstand tussen Makkah en Himya, of tussen Makkah en Busra."
121-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, zei: "Elke profeet heeft een du`ā’ waarvan hij weet dat het geaccepteerd zal worden. Ik heb mijn du`ā’ voor mijn ummah bewaard en het zal mijn shafa`a zijn op de Dag des Oordeels."
122-) Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: "Elke profeet heeft iets waar hij om kan vragen en waarvan hij weet dat het geaccepteerd zal worden. Ik heb mijn shafa`a voor mijn ummah bewaard op de Dag des Oordeels."
123-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen Allah Azza wa Jalla, deze woorden openbaarde:
وَأَنذِرۡ عَشِيرَتَكَ ٱلۡأَقۡرَبِينَ ٢١
(En waarschuw je stam en je naaste verwanten) in de Qur’ān openbaarde (Ash Shoeara 214), stond Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, op en zei: 'O Quraiysh, red jullie zielen (red jullie leven door te geloven en niet door in de ongeloof te blijven)! Ik kan jullie niet redden van wat Allah heeft bepaald.' O zonen van Abd al-Manaf, ik kan jullie niet redden van wat Allah heeft bepaald. O `Abbās ibnu Abdulmuttalib (oom van an-Nabie صلى الله عليه وسلم) ik kan je niet redden van wat Allah heeft bepaald. O Safiyyah, tante van Rasûlullāh, ik kan je niet redden van wat Allah heeft bepaald. O Fatimah, dochter van Muhammad صلى الله عليه وسلم, vraag van mijn bezittingen wat je wilt, maar ik kan je niet redden van wat Allah heeft bepaald.'"
124-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما):Toen het vers:
وَأَنذِرۡ عَشِيرَتَكَ ٱلۡأَقۡرَبِينَ ٢١
(En waarschuw je stam en je naaste verwanten) (surah Ash Shoeara 214) geopenbaard werd, beklom Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم de heuvel Saffa en riep: "O zonen van Fihr! O zonen van Adiy!". Zij verzamelden zich daar na deze oproep van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei tegen hen: "Als ik zeg dat er achter deze vallei cavalerie eenheden zijn die jullie zullen aanvallen, zullen jullie dan mijn woorden goedkeuren?" Ze antwoordden: ja, we keuren het goed, want we hebben tot nu toe niets anders dan de waarheid van jou gehoord. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Voorwaar, ik ben naar jullie gestuurd als een waarschuwer van een zeer zware straf die zal komen." Na deze woorden van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei Abû Lahab: "Vervloekt zij je! Moge je vanaf deze dag verlies lijden. Heb je ons hiervoor hier verzameld?" Na de woorden van Abû Lahab openbaarde Allah Azza ve Jalla de volgende verzen:
تَبَّتۡ يَدَآ أَبِي لَهَبٖ وَتَبَّ ١
مَآ أَغۡنَىٰ عَنۡهُ مَالُهُۥ وَمَا كَسَبَ ٢
سَيَصۡلَىٰ نَارٗا ذَاتَ لَهَبٖ ٣
وَٱمۡرَأَتُهُۥ حَمَّالَةَ ٱلۡحَطَبِ ٤
فِي جِيدِهَا حَبۡلٞ مِّن مَّسَدِۭ ٥
تَبَّتۡ يَدَآ أَبِي لَهَبٖ وَتَبَّ ١
Vernietigd zijn de twee handen van Abû Lahab en vernietigd is hij!
Zijn bezit en wat hij voortbracht zal hem niet baten.
Hij zal een vuur van vlammen (de Hel) binnengaan.
En ook zijn vrouw, die het hout aandraagt.
Om haar nek is een touw van palmvezels gebonden.
(Tabbah: 1-5)
124a-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم, beklom de heuvel Saffa en zei: 'Er komt een aanval!' De Quraysh kwamen meteen bijeen en vroegen: 'Wat is er, wat is er gebeurd?' Hij zei: 'Als ik jullie zou vertellen dat de vijand jullie 's ochtends of 's avonds zal aanvallen, zouden jullie mij dan geloven?' Zij antwoordden: 'Ja.' Hij zei: Waarlijk, ik ben voor jullie een waarschuwer vóór een strenge straf.' Toen zei Abû Lahab: 'Moge hij verdrogen en verdwijnen, heb je ons hiervoor bijeengeroepen?' Hierna openbaarde Allah de surah "Moge de handen van Abû Lahab verdrogen..." (Tabbah: 1-5)
125-) Van Abbâs b. Abdulmuttalib (رضي الله عنه):Hij zei tegen an-Nabie صلى الله عليه وسلم "Wat verhindert je om je oom (Abû Tâlib) te helpen (shafa`a te doen)? Weet dat hij je beschermde en verdedigde. Hij zou boos op je zijn als hij het niet deed." Hij antwoordde: Hij zal in het Hellevuur worden bestraft met vuur dat tot zijn enkels reikt, maar met een verlichtte straf. Als ik er niet was geweest, zou hij zelfs in de diepste laag van het Hellevuur (bestraft) zijn." (Abû Tâlib, hoewel hij an-Nabie صلى الله عليه وسلم veel had geholpen, is het Hellevuur binnengegaan omdat hij zonder geloof stierf. In deze overlevering wordt gemeld dat de voorspraak zelfs een polytheïst (mushrik) ten goede kan komen, en dat hij tot aan zijn hielen in het vuur van de hel zal binnengaan, waarbij zijn hersenen zullen koken.]
126-) Van Abû Said al-Hudrî (رضي الله عنه):Hij hoorde an-Nabie صلى الله عليه وسلم zeggen toen er over zijn oom Abû Tâlib werd gesproken: "Ik hoop dat mijn shafa`a hem op de Dag des Oordeels van profijt zal zijn. In het Hellevuur wordt hij tot aan zijn enkels in vuur gestraft, maar zelfs dan zal zijn brein koken van het vuur."
127-) Van Nu'mân b.
Beşîr (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabie صلى الله عليه وسلم zeggen: 'De minste straf die de mensen van het Hellevuur zullen ervaren, het lijden van degene bij wie twee vuurbronnen onder de voetbogen worden geplaatst zodat het vuur zijn brein doet koken, zoals een pan die kookt.'
[Deze overlevering wordt verteld nadat middels een āyah (vers uit de Koran) is bevestigd dat de oom van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), Abū Ṭālib, als een mushrik (polytheist) gestorven is. Naar aanleiding daarvan werd de volgende vraag gesteld:“O Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), zal al het goede dat Abū Ṭālib voor jou heeft gedaan dan zonder beloning blijven?” Daarop antwoordde hij dat er inderdaad shafāʿah (voorspraak) voor ongelovigen mogelijk is, maar die voorspraak houdt niet in dat zij uit het Hellevuur worden gered. Hij (Abū Ṭālib) zal immers voor eeuwig in het Hellevuur blijven. Maar vanwege de shafāʿah van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zal het vuur hem slechts tot aan zijn enkels bereiken, maar zelfs dat zal ervoor zorgen dat zijn hersenen koken]
128-) Van ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه): Ik heb an-Nabie صلى الله عليه وسلم duidelijk horen zeggen: 'Familieleden van mijn vader zijn niet mijn bondgenoten. Mijn enige beschermer en naaste (awliyāie) zijn Allah en de rechtvaardige gelovigen. Echter, ik heb familiebanden met hen, en vanwege deze familieband onderhoud ik relatie met hen.'"
[Het doel van deze overlevering is dat de vriendschap die door familiebanden komt geen invloed heeft op ware vriendschap, die alleen kan worden gevonden bij Allah en de rechtvaardige gelovigen. Familiebanden kunnen echter wel de reden zijn om relaties met niet-rechthebbende familieleden voort te zetten.]
129-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Zeventigduizend mensen uit mijn ummah zullen het Paradijs binnengaan zonder afrekening.
Hun gezichten zullen stralen zoals de volle maan op een heldere nacht.”."Abû Hurayrah zei: Uqqâshah ibn Mihsān el-Asadî, die op zijn schouder een mantel met het patroon van een luipaardhuid droeg, zei: " O Rasûlullāh, smeek Allah dat Hij mij onder hen maakt. Hij (bad tot Allah voor Uqqâshah): "O Allah, maak hem een van hen." Daarna stond een man van de Anṣār op en zei:“O Rasûlullāh, smeek Allah dat Hij mij ook onder hen maakt.”Hij zei: "Uqqâshah was je voor."
130-) Van Sahl b. Sa’d (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: "Zeventig duizend of zevenhonderdduizend mensen uit mijn ummah zullen zeker het Paradijs binnengaan. (de overleveraar weet niet zeker welk aantal er werd genoemd), zij zullen zich aan elkaar vasthouden, de één grijpt de ander vast. De eersten van hen zullen het Paradijs niet binnengaan totdat ook de laatsten binnen zijn gegaa,(dat wil zeggen, ze zullen allemaal tegelijk als een rij het Paradijs binnengaan). Hun gezichten zullen zijn als de volle maan op een heldere nacht.”
131-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما): Op een dag kwam an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) naar ons toe en zei: “De (vroegere) ummah’s werden aan mij getoond. Een profeet kwam voorbij met één persoon, een andere profeet had twee personen, weer een andere profeet had een klein groepje, en er was een profeet die niemand achter zich had.Toen zag ik een grote menigte die de horizon vulde. Ik hoopte dat het mijn ummah zou zijn. Maar er werd tegen mij gezegd: ‘Dit is Mūsā (عليه السلام) en zijn volk.’
Daarna werd er tegen mij gezegd: ‘Kijk, (naar de horizon)!’ En ik zag een nog grotere menigte die de horizon vulde. Er werd opnieuw gezegd: ‘Kijk hier en daar.’ En ik keek, en ik zag een menigte zo groot dat ze de hele horizon vulden.Toen werd er tegen mij gezegd: ‘Dit is jouw ummah.
En met hen zijn er zeventigduizend die het Paradijs binnengaan zonder afrekening.’Daarna verspreidden de mensen zich, en an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) had niet uitgelegd wie die zeventigduizend precies waren. De metgezellen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) bespraken het onderling en zeiden: “Wij zijn geboren in shirk (geboren in de tijd van jahiliyah), maar wij hebben geloofd in Allah en Zijn boodschapper. Het zullen vast onze kinderen zijn die in islam zijn geboren.”Toen bereikte dit an-Nabie (صلى الله عليه وسلم), en hij zei: “- Het zijn degenen die geen ṭiyarah (bijgeloof in voortekenen) kennen, (degenen die geen medicatie zoeken met):- ruqyah (genezing of bescherming door middel van spirituele handelingen, behalve met Allah's Woord), - - branding/cauterisatie (een medische procedure waarbij een deel van het lichaam wordt verbrand of verhit om te genezen.Ze stellen hun vertrouwen volledig in hun Rab.Daarop stond ʿUkkāshah ibn Miḥṣan op en zei: “Ben ik een van hen, o Rasulullah (صلى الله عليه وسلم)?”Hij zei: “Ja.”Daarna stond een andere man op en zei: “Ben ik een van hen?”Hij zei: “ʿUkkāshah is je al voor geweest.”
132-) Van `Abdullah b. Mas`ûd (رضي الله عنه):We waren samen met an-Nabie صلى الله عليه وسلم in een tent en hij zei: 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een vierde van de mensen van het Paradijs te zijn?' Wij antwoordden:’ ja’.Toen zei hij : 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een derde van de mensen van het Paradijs te zijn?' Weer antwoordden wij: ‘Ja’. Toen zei hij : 'Zouden jullie niet tevreden zijn om de helft van de mensen van het Paradijs te zijn? Weer antwoordden wij: ‘Ja’. Hij zei: " “Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Mohammed is,ik hoop werkelijk dat jullie de helft van de bewoners van het Paradijs zullen zijn.Het is zeke dat alleen een moslim zal het Paradijs binnengaan. Vergeleken met de mensen van de polytheisten zijn jullie als het witte haar op de huid van een zwart stier, of als het zwarte haar op de huid van een rood stier!"
133-) Van Abû Sa`īd al-Khudrî (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: “Allah zegt: ‘O Ādam!’ Hij zegt dan: ‘Labbaik wa Saʿdaik (Ik beantwoord Uw oproep, en haast mij tot Uw gehoorzaamheid en tevredenheid), en al het goede is in Uw Handen.’Allah zegt dan: ‘Haal degenen eruit die voor het Vuur bestemd zijn!’Ādam zegt dan: ‘Wat is de groep van het Vuur?’Allah zegt: ‘Van elke duizend (mensen): negenhonderdnegenennegentig (zijn voor het Vuur).’
يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢
Op die Dag zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn," maar zwaar zal de bestraffing van Allah zijn. Surah Al-Hajj, 2)
Dat werd zwaar voor hen (metgezellen), en zij zeiden: “O Rasulullah, wie onder ons is dan die ene (die gered zal worden)?”Hij zei: “Verheug jullie, want van Yāʾjūj en Māʾjūj zijn er duizend (die naar het Hellevuur worden geworpen), en van jullie is er één.”Daarna zei hij: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik hoop dat jullie een derde van de bewoners van het Paradijs zullen zijn.”(De overleveraar zei:) Toen prezen wij Allah en riepen Zijn grootheid uit (takbīr).Vervolgens zei hij: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik hoop dat jullie de helft van de bewoners van het Paradijs zullen zijn.
Want jullie gelijkenis in de (vorige) volkeren is als die van een witte haar op de huid van een zwarte stier, of een gevlekte vlek op de voorpoot van een ezel.”
[Elke dag die tijdens ons leven op deze wereld voorbijgaat, brengt ons een stap dichter bij die grote Dag der Opstanding. Elk uur, elke minuut, ja zelfs elke seconde is een stap richting de dood, de wederopstanding en de afrekening. Het leven stroomt als een zandloper voortdurend in die richting. Er is geen manier om de klok stil te zetten of terug te draaien. Alle mensen zullen dit pad volgen.Als de mens tijdens zijn wereldse leven Allah niet heeft gediend, en niet in die grote dag heeft geloofd noch zich erop heeft voorbereid, dan zal hij de grootste spijt ervaren. Hij zal er duizend keer de voorkeur aan geven om stof te blijven in plaats van herrezen te worden. Maar die spijt zal niets baten; het zal hem niet kunnen redden van de bestraffing. Integendeel, deze spijt zal voor hem een nieuwe bron van kwelling zijn en als geestelijke marteling toegevoegd worden bovenop de lichamelijke pijn die hij in de Hel zal ondergaan.]
133a-) Van `Abdullah ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Iedere profeet die Allah voor mij tot een gemeenschap (ummah) heeft gezonden, had in die gemeenschap discipelen (hawariyyûn) en metgezellen (ashāb) die vasthielden aan zijn sunnah en zijn bevelen opvolgden. Vervolgens kwamen na hun dood (hun slechte) opvolgers, die zeiden wat zij (profeten) niet deden en deden wat hun niet bevolen was. Wie hen bestrijdt met zijn hand is een gelovige. Wie hen bestrijdt met zijn tong is een gelovige.Wie hen bestrijdt met zijn hart is een gelovige. Buiten dat is er geen geloof (īmān), zelfs geen mosterdzaadje.
133b-) Van Jābir (bin Abdillaah) (رضي الله عنه): Ik heb an-Nabie صلى الله عليه وسلم horen zeggen: Waarlijk, tussen een man en polytheisme (shirk) en ongeloof (kufr) staat het verlaten van de (dagelijks vijf maal) salāh .
133c-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم heeft gezegd: Het geloof (īmān) bestaat uit meer dan zeventig (of: zestig) onderdelen. Het beste ervan is het zeggen van: 'Er is geen godheid dan Allah,' en het minste ervan is het verwijderen van iets schadelijks van de weg. En schaamte (hayā') is een onderdeel van het geloof.
[Deze overlevering behoort tot de aḥādīth die vanuit meerdere invalshoeken en ketens zijn overgeleverd. Dat deze ḥadīth voorkomt in zowel de Ṣaḥīḥ van al-Bukhārī als Muslim – en zij het hierover eens zijn – verhoogt de waarde van de ḥadīth aanzienlijk. Zoals gedeeltelijk zal worden toegelicht, hebben de islamitische geleerden zich uitvoerig beziggehouden met deze ḥadīth. Ze hebben geprobeerd de in de ḥadīth genoemde “vertakkingen van het geloof” (shuʿab al-īmān) één voor één aan te tonen op basis van de Qorʾān en de ḥadīth.
Imām al-Bayhaqī (رحمه الله) heeft, geïnspireerd door deze ḥadīth, een omvangrijk werk geschreven met de titel Shuʿab al-Īmān, waarvan we vernomen hebben dat het pas recent gedrukt is. Imām al-Bayhaqī (رحمه الله) heeft dit grote werk opgedeeld in hoofdstukken naar het aantal vertakkingen van het geloof, en in elk hoofdstuk verzamelt hij de overleveringen die daarop van toepassing zijn.
Aynī geeft echter aan dat geen van deze werken hem voldoende bevredigt in het vaststellen van de daadwerkelijke vertakkingen van het geloof.
Bij het toelichten van de ḥadīth willen we beginnen met het wijzen op de tegenstrijdigheden tussen de verschillende overleveringen. Sommige versies – zoals die van al-Bukhārī – vermelden dat het geloof meer dan zestig vertakkingen heeft, terwijl andere spreken van meer dan zeventig, of specifieke aantallen zoals 64, 33, 309 of zelfs 315.
Eveneens gebruikt men in sommige overleveringen het woord shuʿab (vertakkingen), terwijl andere termen worden gebruikt met een vergelijkbare betekenis zoals khiṣāl (eigenschappen), bāb (hoofdstukken), sharīʿa (wetspunten) of sahm (delen).
Bijvoorbeeld:
“De meest verheven eigenschap van het geloof is de uitspraak: lā ilāha illa-llāh.”
“Het geloof heeft meer dan zeventig hoofstukken.”
“De Islām bestaat uit drieëndertig sharīʿa-wetten. Wie één daarvan voor Allah uitvoert, zal het Paradijs binnengaan.”
“Voor de Almachtige en Majestueuze Raḥmān is er een tafeltje waarop driehonderdnegentien sharīʿa-wetten geschreven staan. Allah zegt: ‘Wie van Mijn dienaren, zonder metgezellen aan Mij toe te schrijven, ook maar één van deze naleeft, zal Ik zeker het Paradijs binnenlaten.’”
“De Islām bestaat uit tachtig delen. Ṣalāh is één deel, zakāt één deel, het vasten van Ramaḍān één deel, de ḥajj is één deel... Degene die geen enkel deel bezit, heeft verlies geleden.”
Het woord dat wij vertaalden als “meer dan” is in het Arabisch biḍʿun, en de exacte numerieke betekenis ervan is onderwerp van verschil van mening. Sommigen zeggen dat het wijst op een aantal tussen 3 en 10, terwijl anderen zeggen: 3 tot 9, of 2 tot 10, 12 tot 20, 3 tot 7, of zelfs 5 tot 7. Aḥmad ibn Ḥanbal zegt dat het naar 7 verwijst.
Aynī wijst erop dat het meest correcte standpunt is dat biḍʿun wijst op een aantal tussen 1 en 10.
Met betrekking tot het gebruik van de getallen 60 of 70 in de overleveringen zijn er verschillende interpretaties gegeven. In het algemeen wordt gezegd dat hiermee niet een exact getal bedoeld wordt, maar veeleer “veelheid”. Dat men daaraan vervolgens biḍʿun toevoegt (“meer dan...”) geeft aan dat de vertakkingen van het geloof niet aan een vast aantal gebonden zijn, maar talrijk zijn. Als er sprake zou zijn van een strikte begrenzing, dan zou het niet vaag gehouden zijn.
Ook wordt vermeld dat Arabieren het getal 70 vaak gebruiken als stijlfiguur voor overdrijving.
Toch beweren sommige geleerden dat de genoemde aantallen daadwerkelijk bedoeld zijn, en dat het de bedoeling is om deze vertakkingen precies te tellen.
Ibn Ḥibbān zegt in zijn werk Waṣf al-Īmān wa Shuʿabuhu het volgende over het tellen van de genoemde vertakkingen:
“Ik heb een tijdlang geprobeerd de betekenis van deze ḥadīth te achterhalen. Daartoe begon ik met het tellen van de vormen van aanbidding. Maar deze overtroffen het in de ḥadīth genoemde aantal. Daarna wendde ik mij tot de Sunan-verzamelingen en begon ik de daden te tellen die Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) tot het geloof rekende. Deze kwamen echter uit op minder dan zeventig.
Daarop wendde ik mij tot het Boek van Allah. Daar begon ik alle daden van aanbidding te tellen die Allah tot het geloof rekent. Dat aantal kwam wél uit op meer dan zeventig.
Toen voegde ik alles samen wat in de Qorʾān en de soenna was genoemd, ook met inbegrip van herhalingen. Ik zag dat het totaal van wat Allah en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) tot het geloof rekenen precies op meer dan zeventig uitkomt – niet meer, niet minder. Toen begreep ik dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) met deze ḥadīth doelde op het aantal dat voorkomt in het Boek en de Soenna.”
Velen hebben zich ingespannen om dit aantal op basis van ijtihād (juridisch redeneren) vast te stellen, maar hebben geen bevredigend resultaat bereikt.
Qāḍī ʿIyāḍ zegt:“Dat de details van deze kwestie niet volledig bekend zijn, doet niets af aan het geloof zelf.
Want de fundamenten (uṣūl) en de uitwerkingen (furūʿ) van het geloof zijn duidelijk en onbetwistbaar. Het is verplicht om in het algemeen te geloven dat het geloof zoveel vertakkingen heeft.
Welke zaken daartoe behoren en hoe ze precies gedefinieerd zijn, is afhankelijk van nader onderzoek en bewijs.”
Qāḍī ʿIyāḍ vervolgt:“Deze kennis behoort tot de goddelijke kennis en profetische kennis. Niemand anders weet dit. De sharīʿa omvat al deze aspecten, maar heeft ze niet expliciet aan ons meegedeeld. Onze onwetendheid hierover brengt ons geen schade. De zaken waarvoor wij verantwoordelijk zijn, kennen we tot in detail. Wij weten wat wij moeten geloven en wat wij moeten vermijden.”
Aynî vermeldt dat na dit soort citaten overgeleverd is dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de volgende ḥadīth de hoogste en de laagste tak van het geloof heeft benoemd:
“De hoogste tak van het geloof is: lā ilāha illā Allāh zeggen;de laagste is: het wegnemen van iets schadelijks van de weg.”
De overige (takken) bevinden zich tussen deze twee. Ook al kennen wij deze niet allemaal afzonderlijk, toch geloven wij erin als geheel. Zoals wij slechts weinig engelen bij naam kennen, maar wel in alle engelen geloven – wat ons geloof in engelen niet minderwaardig maakt – zo brengt ook ons algemeen geloof in de takken van het geloof geen tekortkoming met zich mee.
De Takken van het Geloof
Na deze toelichting probeert al-‘Aynî de genoemde takken van het geloof één voor één op te sommen. Omdat wij dit interessant vonden, vermelden wij het hier.
Hij zegt:
“Met de hulp en bijstand van Allah zeggen wij: de kern van het geloof is: bevestiging met het hart en de uiting met de tong. Maar het volmaakte en volledige geloof bestaat uit: bevestiging, uitspreken en daden – het is dus driedelig.”
Eerste Deel: Geloofsovertuigingen (al-ʿAqāʾid) met betrekking tot bevestiging (taṣdīq): 30 takken:
Geloof in Allah: in Zijn Wezen (dhāt), Zijn Eigenschappen, Zijn Eenheid en dat er niets aan Hem gelijk is.
Geloof dat alles behalve Allah geschapen is (ḥudūth).
Geloof in de engelen.
Geloof in de geopenbaarde Boeken.
Geloof in de profeten (عليهم السلام).
Geloof in de voorbeschikking (al-qadar), dat zowel het goede als het kwade van Allah afkomstig is.
Geloof in het Hiernamaals: ondervraging in het graf, bestraffing in het graf, opstanding, bijeenbrengen op de Opstandingsvlakte, de afrekening (ḥisāb), de weegschaal (mīzān), de oversteek van de brug (ṣirāṭ), enzovoorts.
Geloof in het Paradijs en het eeuwige leven daarin.
Geloof in de Hel, de straf daarin en dat de ongelovigen er voor eeuwig zullen verblijven.
Allah liefhebben.
Liefhebben omwille van Allah en haten omwille van Allah. Liefde voor de Muhājirūn en de Anṣār (رضي الله عنهم) en liefde voor de familie van de Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) vallen hier ook onder.
Liefde voor an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): het brengen van ṣalāt en salām over hem, en het volgen van zijn Soennah horen hierbij.
Oprechtheid (ikhlāṣ) en het vermijden van huichelarij (riyāʾ) en hypocrisie (nifāq).
Berouw tonen en spijt hebben.
Vrees voor Allah hebben.
Hopen op de barmhartigheid van Allah.
Het vermijden van wanhoop en hopeloosheid.
Dankbaarheid (shukr) tonen.
Trouw zijn aan beloftes.
Geduldig zijn.
Nederigheid tonen, respect hebben voor ouderen.
Mededogen en barmhartigheid tonen, vooral jegens jongeren.
Tevreden zijn met Allah’s beschikking.
Vertrouwen op Allah (tawakkul).
Niet op eigen daden vertrouwen, zichzelf niet prijzen of als onberispelijk beschouwen.
Jaloezie en afgunst vermijden.
Haat en wraakzucht opgeven.
Woede vermijden.
Geen mensen bedriegen, geen slechte vermoedens koesteren, geen verrader zijn.
Liefde voor wereldse zaken opgeven, evenals de liefde voor bezit en status.
Als je je een goede of slechte handeling voor de geest haalt die met het hart te maken heeft, maar hierboven niet genoemd is, dan behoort die in essentie toch tot één van de bovengenoemde punten. Dat zul je bij een beetje nadenken ontdekken.
Tweede Deel: Daden met de tong: 7 takken:
Het uitspreken van de tawḥīd: lā ilāha illā Allāh.
Het reciteren van de Qur’ān.
Het verwerven van kennis.
Het onderwijzen van kennis.
Het smeken tot Allah (duʿāʾ).
Het gedenken van Allah (dhikr), inclusief het vragen van vergiffenis (istighfār).
Het vermijden van nutteloze spraak.
Derde Deel: Lichamelijke daden: 40 takken, onderverdeeld in drie soorten:
1. Specifieke handelingen (16 takken):
Reinheid: van het lichaam, kleding en de omgeving. Dit omvat ook wudūʾ, ghusl (bij janābah, ḥayḍ, nifās).
Ṣalāh verrichten: de verplichte, vrijwillige en in te halen gebeden.
Zakāt geven: inclusief sadaqah, sadaqat al-fiṭr, vrijgevigheid en gastvrijheid voor armen en gasten.
Verplichte en vrijwillige vasten.
De ḥajj verrichten (ook ʿumrah valt hieronder).
Iʿtikāf in de moskee; zoeken naar Laylat al-Qadr hoort hierbij.
Emigreren naar een land waar de dīn geleefd kan worden; vluchten uit een gebied van shirk.
Het nakomen van geloften (naḏr).
Het naleven van eden.
Het verrichten van keffārāt (boetedoeningen).
Bedekking van het ʿawrah, zowel binnen als buiten het gebed.
Slachten van offerdieren (udhiyyah), inclusief naḏr-offers.
Zorgen voor begrafeniszaken.
Schulden aflossen.
Eerlijkheid in transacties, vermijden van rente (ribā).
Waarheidsgetrouwe getuigenis afleggen, de waarheid niet verzwijgen.
2. Gerelateerd aan de directe omgeving (6 takken):
Trouw zijn in het huwelijk en kuisheid bewaren.
Zorgen voor het gezin; goed omgaan met personeel.
Goedheid jegens ouders; vermijden van ongehoorzaamheid jegens hen.
Opvoeding van kinderen.
Familiebanden onderhouden (ṣilat ar-raḥim).
Gehoorzaamheid aan ouderen.
3. Betrekking op het publieke domein (18 takken):
Besturen met rechtvaardigheid.
De gemeenschap volgen.
Gehoorzaamheid aan de gezagsdragers (ūlū al-amr).
Vrede stichten onder mensen; strijden tegen opstandelingen en extremisten.
Samenwerken in het goede.
Het bevelen van het goede en het verbieden van het verwerpelijke (al-amr bil-maʿrūf wa-n-nahy ʿani-l-munkar).
Het toepassen van de ḥadd-straffen.
Strijden (jihād); het onderhouden van kazernes hoort hierbij.
Vertrouwenszaken nakomen; het afstaan van het vijfde deel (khums) van oorlogsbuit.
Geld uitlenen met de intentie het terug te vorderen.
Goed zijn voor de buren.
Verdraagzaam zijn; halal inkomsten verwerven.
Bezit op een juiste manier besteden; verspilling vermijden.
De vredesgroet beantwoorden (Salām).
"Yarḥamukā Allāh" zeggen tegen iemand die niest.
Anderen geen schade berokkenen.
Amusement vermijden.
Schadelijks van de weg verwijderen.
In totaal zijn dit 77 takken van het geloof.
Het feit dat het verwijderen van iets schadelijks van de weg als een tak van het geloof wordt genoemd, wijst op het belang van publieke dienstverlening en infrastructuur in de islam. Als het verwijderen van doorns, afval of stenen al een geloofsdaad is, hoeveel te meer is het bouwen van wegen, het waarborgen van veiligheid, het voorzien in rustplaatsen en het bouwen van bruggen dan geen grootse daad bij Allah! Dit is de reden waarom al vanaf de eerste eeuwen van de islamitische geschiedenis de wegen postinfrastructuur zich sterk heeft ontwikkeld. Zo ver dat men al in de tijd van de Umayyaden mijlpalen langs de hoofdwegen plaatste om de afstand tot het centrum in mijlen aan te duiden – net als in onze tijd.]
133e-) Van `Umar ibn al-Khattaab (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم horen zeggen: De daden worden beoordeeld naar de intensie. Een ieder krijgt wat hij beoogd heeft. Als iemand emigreert naar Allah en Zijn Rasûl dan is zijn emigratie naar Allah en Zijn Rasûl. En als iemand emigreert naar gewin in dit leven, of naar een vrouw die hij wil huwen, dan is dat zijn emigratie.
[Emigratie is een belangrijk begrip in de Islām . De emigratie bij uitstek is de tocht van Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم van Makkah naar Madīnah, in het jaar 622.
De muslims die toen met hem meegingen heten de Emigranten (Muhājiroen) en de bewoners van Madīnah heten de Helpers (Anṣār). Zij die naar Ethiopië waren uitgeweken voor de geloofsvervolging in Makkah werden eveneens Emigranten genoemd.]
133f-) Van Suhayb bin Sinān (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: De toestand waarin een mu'min in verkeerd is verbazingwekkend: Alles (wat hij doet) is gezegend (khayr). Dit (eigenschap) is alleen bij een mu'min en bij niemand anders: als hem voorspoed treft dan is hij dankbaar, dat is gezegend voor hem; en als hem tegenspoed treft dan is hij geduldig, dat is (ook) gezegend voor hem
133g-) Van Wahb bin Munabbih (رضي الله عنه): Er werd gevraagd: 'Laa ilaha illa Allah' is toch de sleutel van het Paradijs?
Hij zei: 'Ja, (het is wel waar), maar kan er een sleutel zijn zonder tanden (m.a.w. īmān en `ibadāt)? Als een sleutel is met tanden dan gaat de deur open, anders gaat het niet open en blijft het dicht.
133h-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Als de zonen van Adam de prosternatie verzen (uit de Qur’ān) reciteren en (meteen) daarna zich ter aarde werpen (sajdah), verwijdert de satan (shaytān) zich huilend van hen. Wee aan jou (of in de overlevering van Abû Kurayb: Wee aan mij), de zonen van Adam zijn bevolen om te zich ter aarde te werpen en ze hebben zich (meteen) ter aarde geworpen. Daarom is het Paradijs van hen. Ik was ook bevolen te prosterneren, maar dat heb ik geweigerd. Daarom is het Hellevuur voor mij.
133i-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم werd gevraagd: 'Welke daden zijn het voortreffelijkst?
- Īmān in Allah (en Zijn Rasûl).
- Jihād voor de zaak of op weg van Allah.
- Een bedevaart die (door Allah) geaccepteerd is (Hadj al-mabroer).
133j-) (`Abdullaah) ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):Ik vroeg Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم : Welke daden zijn het voortreffelijkst?
- De salāh die op tijd wordt verricht.
- Je vader en je moeder gehoorzamen.
- Jihād voor de zaak of op weg van Allah.
Doordat ik medelijden met hem had, heb ik hem niet meer dan dat gevraagd.
133k-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Bescherm je tegen (of verlaat) de zeven vernietigers (grote zondes).
Er werd gevaagd: 'Welke zijn deze?'
Hij zei:
- buiten Allah andere godheden dienen
- zwarte magie bedrijven
- zonder wettelijke reden een onschuldige doden
- de bezittingen van een wees misbruiken
- rente nemen of vragen
- in de aanval tegen de vijand het slagveld verlaten
- een eervol en onopvallend gehuwde (of gehuwd geweest) mu'mina's beschuldigen van ontucht.
133l-) Van `Abdullaah bin Mas`ûd (رضي الله عنه):an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: Iemand die een gewicht van een greintje hooghartigheid (kibr) in zijn hart heeft zal het Paradijs niet beterden.
Een man zei: 'Een mens houdt ervan mooie kleding en schoeisel te dragen.
Hij zei: Waarlijk, Allah is mooi en Hij houdt van het mooie. Daarentegen is hooghartigheid het ontevreden zijn met (of ontkennen van) de Waarheid (Allah) en het verachten van de mensen.
133m-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: ‘Een ieder die wapens draagt om tegen ons te gebruiken, behoort niet tot één van ons. Degene die ons bedriegt behoort (ook) niet tot één van ons’.
133n-) Van Abû Dharra (رضي الله عنه): an-Nabie صلى الله عليه وسلم zei: Er zijn drie (soorten) mensen waarmee Allah op de dag des Oordeel niet mee zal praten (niet naar zal omkijken, niet in hun voordeel zal getuigen; en op hen wacht een vreselijke straf).
1) al-mannān: iemand die iets geeft en achteraf erover praat;
2) iemand die de waarde van zijn waar verhoogt d.m.v. eed;
3) iemand (die uit hoogmoed) de pijpen van zijn kleding op de grond laat slepen.
133p -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: ‘Waarlijk, Allah zal vanuit Yemen een wind sturen die zachter is dan zijde. Deze wind zal iedereen doden die īmān heeft van het gewicht van een graan (in de overlevering van Abû Alqamah) of een greintje (in de overlevering van `Abdul`aziez)’.
133q-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: ‘Wees snel in het doen van (goede) daden (voordat je overrompeld wordt met) de beroering (fitna), die lijkt op de duisternis van de donkere nacht. (Als deze fitna aanbreekt) zal men als een gelovige (mu'min) de ochtend bereiken, als een ongelovige (kāfir) de nacht bereiken (de overleveraar twijfelt:) of als een ongelovige de ochtend bereiken, als een gelovige nacht bereiken. En men zal zijn godsdienst (dīn) verkopen voor wereldse goederen’.
133r-) Van Ibni Shumāsah Mahriyyah (رضي الله عنه): Wij waren bij het sterfbed van `Amr ibni'l Aas (رضي الله عنه) . Hij huilde aan één stuk door en draaide vervolgens zijn gezicht naar de muur toe. Zijn zoon (`Abdullah) zei: O mijn vader, heeft Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم jou niet met dat en dat gelukgewenst? Heeft Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم jou niet met dat en dat gelukgewenst?
Hij (de overleveraar) zei: Hierop draaide hij zich om en zei:
Waarlijk, het beste wat we (voor het Hiernamaals) klaar zetten is de getuigenis: Er is geen godheid dan Allah en Muhammad صلى الله عليه وسلم, is Allahs Rasûl. Waarlijk, ik heb in drie toestanden geleefd: Als ik terug kijk naar de tijd dat niemand zoveel Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم haatte als ik en dat er niets liever voor mij was dan de mogelijkheid af te wachten om hem te doden. Als ik in deze toestand zou komen te overlijden dat zou ik zeker tot de lieden van het Vuur behoren.
Toen Allah de Islām in mijn hart stopte, kwam ik naar an-Nabie صلى الله عليه وسلم en zei: Steekt u uw rechter hand uit dan zal ik u trouw zweren. Hij stak meteen zijn rechter hand uit. - Ik trok mijn hand terug. Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم zei: Wat is er met je aan de hand, o `Amr?- Ik wil voorwaarde stellen. - Welke voorwaarde wil je stellen?- Weet je niet dat (door het accepteren van) de Islām de zondes voor diens tijd uitwist, dat de Hijrah (Emigratie) ook de zondes voor diens tijd uitwist en dat de Haj ook de zondes voor diens tijd uitwist.
(Vanaf die tijd) was niemand anders bij mij zo geliefd en zo in hoog aanzien dan Rasûlullāh صلى الله عليه وسلم Doordat ik zo'n grote respect voor hem voelde, durfde ik niet genoeglijk naar hem kijken. Als jij mij zou vragen hoe hij eruit zag, zou ik niet in staat zijn dit (in details) te kunnen vertellen. Want ik kon niet genoeglijk naar hem kijken. Als ik in deze toestand zou komen te overlijden dat zou ik sterk gehoopt hebben dat tot de lieden van het Paradijs behoren. Vervolgens heb ik bepaalde dingen op mijn hals gehaald, waarvan ik niet weet hoe mijn toestand is geworden. Als ik dood ben, laat noch vrouwelijke rouwklager noch vuur mij begeleiden (tot mijn graf). Als jullie mij begraven, vul mijn graf goed met aarde. En wacht vervolgens rond mijn graf totdat jullie een kameel hebben geslacht en het vlees hebben verdeeld, zodat ik van jullie vriendschap kan genieten zijn om na te denken hoe ik de boodschappers (engelen) van mijn Rab moet ontvangen.
133s-) Van `Ubādah ibn aṣ-Ṣāmit al-Anṣārī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie getuigt dat er niets of niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, alleen, zonder deelgenoot,en dat Muḥammad Zijn dienaar en Zijn boodschapper is,en dat ʿĪsā de dienaar van Allah is en Zijn boodschapper, en Zijn woord dat Hij aan Maryam overbracht, en een geest van Hem,en dat het Paradijs waar is,en dat het Hellevuur waar is —Allah zal hem het Paradijs binnenlaten, ongeacht wat zijn daden ook waren.”In een andere overlevering van Muslim staat: “Wie getuigt dat er niets of niemand het recht heeft om aanbeden te worden behalve Allah, en dat Muḥammad de boodschapper van Allah is —Allahu Ta`ala, maakt het Vuur voor hem verboden.”
133t-) Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
Terwijl wij met an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) in de moskee zaten, kwam er een man binnen op een kameel. Hij liet zijn kameel neerknielen in de moskee en bond hem vast. Daarna zei hij:
“Wie van jullie is Muḥammad?”
Wij zeiden: “Die man daar, de witgetinte man die achterover leunt.”
In de overlevering van an-Nasā’ī via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) staat:
“De witgetinte man met een rode gloed op zijn huid, die leunt.”
Toen zei hij (de man): “O zoon van ʿAbdul-Muṭṭalib.”
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ik heb je gehoord.”
De man zei: “Ik ga je vragen stellen, en ik zal streng zijn in het vragen. Wees dus niet boos op mij.”
- “Vraag wat je wilt.”
- “Ik vraag je bij jouw Rab en de Rab van hen die vóór jou waren: Heeft Allah jou naar alle mensen gestuurd?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om vijf keer per dag en nacht de ṣalāh te verrichten?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om deze maand van het jaar te vasten?”
- “Ik bezweer je bij Allah: heeft Allah jou bevolen om deze zakāt te nemen van onze rijken en te verdelen onder onze armen?”
- “Ik geloof in wat jij hebt gebracht, en ik ben de afgevaardigde van mijn volk. Ik ben Ḍimām ibn Thaʿlabah, van de stam van Banū Saʿd ibn Bakr.”
In de versie van Muslim staat:
Een man kwam en zei: “O Muḥammad, jouw gezant kwam naar ons en beweerde dat jij zegt dat Allah jou heeft gestuurd.”
Hij zei: “Hij heeft de waarheid gesproken.”
- “Wie heeft de hemel geschapen?”
- “Allah.”
- “Wie heeft de aarde geschapen?”
- “Allah.”
- “Wie heeft deze bergen opgericht en er datgene in geplaatst wat er zich in bevindt?”
- “Allah.”
- “Bij Hem Die de hemel geschapen heeft, de aarde geschapen heeft, en de bergen opgericht heeft: heeft Allah jou gezonden?”
- “Ja.”
- “En jouw gezant beweerde dat wij vijf keer per dag en nacht ṣalāh moeten verrichten.”
- “Hij heeft de waarheid gesproken.”
- “Bij Hem Die jou gezonden heeft, heeft Allah jou hiermee bevolen?”
- “Ja.”
Daarna vroeg hij over de zakāt. Toen over het vasten. Daarna over de ḥajj — telkens antwoordde an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) met: “Hij heeft de waarheid gesproken.”En telkens zei de man: “Bij Hem Die jou heeft gezonden: heeft Allah jou dit bevolen?”En telkens antwoordde hij: “Ja.”
Toen draaide de man zich om en zei: “Bij Hem Die jou met de waarheid heeft gezonden: ik zal niets toevoegen aan wat verplicht is en ik zal er niets van weglaten.”
Daarop zei an-Nabie (صلى الله عليه وسلم): “Als hij de waarheid heeft gesproken, zal hij zeker het Paradijs binnengaan.”
[Deze ḥadīth is vanuit meerdere gezichtspunten belangrijk:
De waarde van een eed bij de Arabieren ten tijde van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم)De Arabieren in de tijd van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) hechtten veel waarde aan het zweren van een eed. Een eed had voor hen een sterk overtuigende en bevestigende kracht in hun spraak.
Het principe van verificatie onder de bedoeïenenDe berichten en oproepen die de gezanten van Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) overbrachten, werden geverifieerd via gezanten die naar al-Madīnah werden gestuurd.
Zoals besproken in de vakken van uṣūl (islamitische methodologie), hebben sommige geleerden deze overlevering als bewijs gebruikt voor het belang van het zoeken naar een hoge isnād (korte keten van overlevering). Op basis hiervan hebben zij gesteld dat reizen voor het verkrijgen van een 'āli isnād een aanbevolen praktijk (soennah) is.
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) luistert serieus naar vragen en beantwoordt ze stuk voor stukDit toont zijn nauwkeurigheid en zorgvuldigheid in het onderwijzen van de mensen en het beantwoorden van hun religieuze vragen.
Alleen het verrichten van de verplichte daden van de religie is voldoende voor verlossingWant toen de bedoeïen zei: “Ik zal hier niets aan toevoegen en ik zal er niets van weglaten,” antwoordde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم): "Als hij zijn woorden waarmaakt, zal hij het succes en de redding behalen."]
133u-) Van Abū Hurayrah: ʿAbd al-Raḥmān ibn Ṣakhr ad-Dawsī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie zijn islam goed verricht, dan wordt voor elke goede daad die hij verricht tien keer tot zevenhonderd keer de beloning opgeschreven, en voor elke zonde die hij verricht wordt slechts één zonde opgeschreven, totdat hij Allahu Ta`ala, ontmoet.”
[Dit is een van de belangrijke aḥādīth die de omvang van de genade en vergeving van Allah (جل جلاله) tegenover Zijn dienaren uitdrukt.
Toch wordt dezelfde betekenis ook in een āyah verwoord:مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠
Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden.
(Sūrah al-Anʿām, 6:160)
Dat goede daden tot zevenhonderd keer vermenigvuldigd worden, wordt in de volgende āyah vermeld:مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ ٢٦١
De gelijkenis van degenen die van zijn rijkdommen uitgeeft op het Pad van Allah is als de gelijkenis van een graankorrel; het groeit in zeven aren en iedere aar heeft honderd korrels. Allah geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is. En Allah is voldoende voor de noden van Zijn schepselen, Alwetend. (Sūrah al-Baqarah, 2:261)
Wanneer wij ons met een oprechte intentie tot het dienaarschap wenden, behandelt Allah (جل جلاله) ons niet met rechtvaardigheid, maar met vergeving:Voor één zonde wordt slechts één zonde opgeschreven, maar voor één goede daad ten minste tien keer, tot wel zevenhonderd keer of zelfs nog meer.Zonder twijfel is dit geen rechtvaardigheid, maar pure genade.
Als Allah (جل جلاله) het had gewild, had Hij voor de verrichte goede daden helemaal niets hoeven te noteren — en dat zou nog steeds ware rechtvaardigheid zijn geweest. Want geen enkele goede daad kan opwegen tegen de gunsten die Allah ons gegeven heeft:Het leven, gezondheid, materiële middelen, enzovoorts — we profiteren ervan. Lucht, water, zonlicht, voedsel — het zijn allemaal bezittingen van Allah (جل جلاله). Wij gebruiken Zijn bezit en beschikken over Zijn schepping.
Daarvoor hebben wij verplichtingen van dankbaarheid, lof en dienaarschap. Geen enkele goede daad kan als tegenprestatie gelden voor die gunsten; wij kunnen onze schuld niet aflossen.
Daarom zijn onze aanbiddingen en goede daden in essentie een dankbetoon voor de gunsten uit het verleden — ze zijn geen investering voor toekomstige gunsten.
Maar Allah (جل جلاله) heeft uit Zijn loutere genade beloofd ons in de toekomst te belonen en heeft het Paradijs beloofd.
De grootheid van deze genade en barmhartigheid blijkt uit het feit dat goede daden minimaal tienvoudig worden opgeschreven. En afhankelijk van onze oprechtheid en de zwaarte van de omstandigheden, heeft onze Rab beloofd ze tot wel zevenhonderd keer en zonder grenzen te vermenigvuldigen.]
133v-) Van Jābir ibn ʿAbdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Twee zaken zijn beslissend.”Daarop vroeg een man: “O Rasulullah, wat zijn die twee beslissende zaken?”Hij zei: “Wie sterft terwijl hij iets deelgenoot (shirk) toekent met Allah, die treedt het Vuur binnen; en wie sterft zonder deelgenoot toekent met Allah die treedt het Paradijs binnen.”
133w-) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Hem in Wiens hand de ziel van Muḥammad is!Geen enkel lid van deze gemeenschap – of het nu een jood of een christen is – die van mij hoort en vervolgens sterft zonder te geloven in wat ik gezonden ben, of hij behoort zeker tot de bewoners van het Vuur.”
[Deze ḥadīth maakt op duidelijke wijze duidelijk dat na de komst van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) alle eerdere godsdiensten zijn afgeschaft en hun geldigheid verloren hebben.De verantwoordelijkheid om in an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) te geloven, is verbonden aan het horen van zijn boodschap.Degenen die in afgelegen en geïsoleerde gebieden wonen en daarom de boodschap van de profeetschap van Muḥammad niet bereikt hebben, worden niet verantwoordelijk gehouden. Zoals ook in de Qu’rān al-Karīm wordt gezegd:
وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥
... En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Boodschapper hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht). (Sūrah al-Isrāʾ, 17:15)
Het feit dat in de ḥadīth specifiek joden en christenen genoemd worden, dient – zoals imaam Nawawī uitlegt – om te benadrukken dat de islam bestemd is voor heel de mensheid. Want deze twee groepen behoren tot de Ahl al-Kitāb, de volgelingen van hemelse godsdiensten. Er wordt dus mee gezegd:“Als zelfs zij – ondanks hun hemelse oorsprong – verplicht zijn om de islam te aanvaarden, dan zijn mensen die een religie volgen die geen goddelijke openbaring meer kent des te meer verplicht om de islam binnen te treden.”]
12. (12) Van Wahb ibn Munabbih (رضي الله عنه): Er werd tegen hem gezegd: “Is Lā ilāha illallāh niet de sleutel tot het Paradijs?”Hij antwoordde: “Zeker! Maar elke sleutel heeft tanden. Als je komt met een sleutel die tanden heeft, wordt er voor je geopend. Maar als je komt met een sleutel zonder tanden, dan wordt er niet voor je geopend.”
[Wahb ibn Munabbih bedoelde met de vergelijking van een “sleutel met tanden” het belang van goede daden (ʿibādāt), en daarmee dus ook de inspanning en de moeite die een gelovige dient te verrichten in het geloof. Hij wilde daarmee aangeven dat men niet enkel door het zeggen van Lā ilāha illa-llāh het Paradijs binnengaat zonder aanbidding en zonder zich moeite te getroosten.
Toch heeft an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Lā ilāha illallāh is de sleutel tot het Paradijs.”Zoals ook blijkt uit de hadith van Abū Dharr (رضي الله عنه) hierboven: wie deze uitspraak oprecht omarmt, heeft zeker kans op verlossing.Sommige commentatoren zeggen dat al-Bukhārī deze overlevering vermeldde om erop te wijzen dat het uitspreken van Lā ilāha illallāh oprecht aan het einde van het leven aanleiding kan zijn voor vergeving van alle eerdere zonden — omdat oprechtheid (ikhlāṣ) berouw (tawbah) en spijt (nadamah) met zich meebrengt. Het zeggen van Lā ilāha illallāh kan dan als teken dienen van oprecht berouw.Aangezien niemand weet waar, wanneer of in welke toestand zijn laatste adem komt, is het niet passend — en strijdig met de juiste houding van dienaarschap — om te vertrouwen op berouw op hoge leeftijd en ondertussen vol te houden in het begaan van zonden.De juiste benadering is daarom om Lā ilāha illallāh niet als een simpele formule zonder inhoud te beschouwen, maar als iets dat moet worden ondersteund door goede daden, net zoals een sleutel zonder tanden niets anders is dan een rechte staaf die geen enkel slot kan openen.Toch is het ook belangrijk om te weten wanneer en hoe zulke aḥādīth gebruikt moeten worden. Mensen die hun leven in achteloosheid hebben doorgebracht, kunnen plots ontwaken door een goddelijke genade en tot berouw komen. Zulke mensen hebben behoefte aan blijde tijdingen (tabshīr) zodat ze niet wanhopig worden door schaamte over hun verleden.Juist vanwege de intense behoefte aan deze vorm van troost voor ontwakende zondaren, komen er in veel aḥādīth en āyāt geruststellende boodschappen voor.Zoals in de Qur’ān al-Karīm staat:
قُلۡ يَٰعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ أَسۡرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ لَا تَقۡنَطُواْ مِن رَّحۡمَةِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ جَمِيعًاۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥٣
Zeg: “O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de Genade van Allah (aangaande Zijn vergiffenis en toelating tot het Paradijs), waarlijk Allah vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (Sūrah az-Zumar, 39:53)
An-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft ook gezegd dat wie met oprechtheid berouw toont, zo zuiver wordt van zonden als op de dag dat zijn moeder hem baarde. Daarnaast heeft hij verteld hoe groot de vreugde van Allah (جل جلاله) is over iemand die berouw toont, door het te vergelijken met een man die in de woestijn zijn rijdier met al zijn bezittingen verliest, en na een wanhopige slaap zijn rijdier ineens terugvindt. Uit blijdschap roept hij dan — zonder na te denken — uit:“O Allah! U bent mijn dienaar en ik ben Uw Heer!”Zo groot was zijn vreugde, dat hij zich versprak.De Qur’ān al-Karīm gaat zelfs nog verder in het bieden van hoop aan ontwakende zondaren, door te verkondigen dat hun vroegere zonden kunnen worden omgezet in goede daden:
إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠
Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allah hun zonden in goede daden veranderen, en Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (Sūrah al-Furqān, 25:70)
Hier gaat het niet om het simpelweg wissen of niet meetellen van zonden, maar om een hogere vorm van de openbaring van de goddelijke barmhartigheid: het veranderen van zonden in beloningen. Hoewel sommige geleerden andere verklaringen geven voor deze āyah, is één van de vier uitleggen die Fakhruddīn ar-Rāzī vermeldt, precies deze betekenis.Sa`īd ibn al-Musayyib en Makhḥūl baseerden hun mening op deze uitleg, en zij ondersteunden het met een overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) waarin Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zullen mensen zijn die wensen dat zij veel zonden hadden begaan.”Er werd gevraagd: “Wie zijn dat, O Rasulullah?”Hij antwoordde: “Zij zijn degenen wier slechte daden door Allah zijn omgezet in goede daden.”
In een andere ḥadīth staat: Op de Dag der Opstanding zal een man ondervraagd worden over zijn kleine zonden, en hij zal daarover verantwoording moeten afleggen.Terwijl hij bang is dat ook zijn grote zonden aan het licht zullen komen, zegt al-Ghaffār: “Schrijf voor elke slechte daad van deze dienaar een goede daad als beloning.”Bij het horen van deze onverwachte genade, wordt de man hoopvol en zegt: “Maar ik had ook grote zonden! Ik zie ze niet terug — kon het zijn dat ook die worden omgezet in beloningen?”Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) lachte toen zo hartelijk bij het vertellen van dit verhaal, dat zijn achterste kiezen zichtbaar werden.]