As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabû’l Īmān: Boek van het geloof

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabû’l Īmān: Boek van het geloof

[Imām Bukhari en Muslim begonnen hun boek met het onderwerp de īmān (het geloof) omdat dit de voorwaarde is voor alle aanbiddingen (ibādāt) en bovendien een hogere rang heeft dan alle andere onderwerpen. Vervolgens behandelden zij de afzonderlijke geboden.De lexicalebetekenis van het woord īmān is een persoon bevestigt en gelooft oprecht in wat hij zegt, accepteert het, neemt het met innerlijke rust aan, geeft vertrouwen aan de ander, verkeert in veiligheid en gelooft uit het diepst van het hart zonder twijfel.In terminologische zin houdt dit in dat men bevestigt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de vaststaande bepalingen van Allah جل جلاله heeft overgebracht — dat wil zeggen de noodzakelijke religieuze verplichtingen (zarūrāt ad-dīniyyah) — en dat men zonder enige aarzeling, vanuit het hart, gelooft dat alles wat hij heeft overgeleverd waar en correct is.De kern van Īmān ligt in de bevestiging van het hart. Deze innerlijke bevestiging vormt het onveranderlijke en fundamentele element van het geloof. Omdat mensen echter niet kunnen zien wat in het hart verborgen is, moet het geloof ook in woorden worden geuit en openbaar gemaakt, zodat iemand in deze wereld overeenkomstig deze uitspraak en belijdenis kan handelen. Het verbaal uiten van het geloof maakt daarom geen onderdeel uit van Īmān zelf, maar geldt als een wereldse voorwaarde ervan.Het begrip ʿamal verwijst naar een daad of handeling die voortkomt uit de wil en omvat gedrag en acties. Ook bevestiging en belijdenis (taṣdīq en iqrār) zijn vormen van handeling, maar wanneer men over ʿamal spreekt, wordt doorgaans gedoeld op de handelingen van de lichaamsdelen, buiten het hart en de tong.] (HA)

Wat is het geloof en uitleg van zijn eigenschappenالإيمان ما هو وبيان خصاله٥ - حديث أبي هُرَيْرَةَ قال كان النبيُّ ﷺ بارزًا يومًا للناسِ فأَتاه رجلٌ فقال: ما الإيمان قال: الإيمان أن تؤمنَ بالله وملائكتِهِ وبلقائِهِ وبرسلِهِ وتؤمَن بالبعثِ قال: ما الإسلامُ قال: الإسلامُ أن تعبدَ اللهَ ولا تشركَ به وتقيمَ الصلاةَ وتؤدِّيَ الزكاةَ المفروضةَ وتصومَ رمضانَ قال: ما الإحسان قال: أن تعبدَ الله كأنك تراهُ، فإِن لم تكن تراه فإِنه يراك قال: متى الساعةُ قال: ما المسئولُ عنها بأَعْلَم مِنَ السائل، وسأُخبرُكَ عن أشراطِها؛ إِذا وَلَدَتِ الأَمَةُ رَبَّهَا، وَإِذا تطاولَ رُعاةُ الإبِلِ البَهْمُ في البنيان، في خمسٍ لا يعلمهنَّ إِلاَّ الله ثم تلا النبيُّ ﷺ (إِنَّ الله عنده علم الساعة) الآية: ثم أدبر فقال: رُدُّوه فلم يَرَوْا شيئًا فقال: هذا جبريل جاءَ يُعَلِّمُ الناسَ دينَهم

5.

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) : Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich op een dag aan de mensen vertoonde kwam er een man bij hem en vroeg: ‘O Rasûlullāh, wat is geloof (īmān)?’Dat je gelooft in Allāh en Zijn engelen en Zijn boeken, in de ontmoeting met Hem en in Zijn boodschappers, en dat je gelooft in de wederopstanding (ba`th).‘O Rasûlullāh, wat is Islām?’Islām is dat je Allāh aanbidt en geen andere goden naast hem aanbidt; dat je de voorgeschreven vijfmaal dagelijks ṣalāh verricht, de opgelegde zakāh opbrengt en vast in (de maand) Ramadān.‘O Rasûlullāh, wat is goed doen (ihsān)?’Dat je Allāh aanbidt alsof je Hem ziet, want al zie je Hem niet, Hij ziet jou wel.‘O Rasûlullāh, wat is de Jongste Dag (Yawmu’l-Ākhirah)?’Degene aan wie de vraag wordt gesteld weet er niet meer over dan de vragensteller. Maar ik zal je vertellen over de voortekenen ervan. Als een slavin haar meester baart, (en de arme kameelherders die wedijveren in het bouwen van hoge gebouwen en zich daarmee beroemen) dat is een van de voortekenen.

Als mensen zonder kleren of schoenen de aanvoerders van de mensen worden, dat is een van de voortekenen. En als herders van lammeren languit liggen in fraaie zalen, dat is een van de voortekenen van de Jongste Dag, en dat is een van de vijf zaken die alleen Allāh kent. Toen reciteerde hij: إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤Waarlijk Allāh! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven.

Waarlijk, Allāh is Alwetend, Bewust van alle (zaken). (sûrah Luqmān 31:34]Daarop keerde die man zich om en liep weg.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Breng hem bij mij terug’.Ze gingen hem zoeken maar zagen hem nergens. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :’Dat was Jibrīl, hij was gekomen om de mensen hun godsdienst (dīn) te onderwijzen’.Uitleg over de ṣalāh die een van de pijlers van de Islām vormtبيان الصلوات التي هي أحد أركان الإسلام

٦ - حديث طَلْحَةَ بن عُبَيْد الله قال: جاءَ رجلٌ إِلى رسولِ اللهِ ﷺ من أهل نجْدٍ ثائرُ الرأسِ يُسْمَعُ دوِيُّ صوتِهِ ولا يُفْقَهُ ما يقول، حتى دنا فإِذا هو يسأَل عن الإسلام؛ فقال رسول الله ﷺ: خمسُ صلواتٍ في اليومِ والليلةِ فقال: هل عليّ غيرُها قال: لا إِلاَّ أَنْ تَطَوَّعَ قال رسول الله ﷺ: وصيامُ رمضانَ قال: هل عليّ غيره قال: لا إِلاَّ أَن تَطَوَّعَ قال، وذكر له رسول الله ﷺ الزكاةَ قال هل عليَّ غيرُها قال لا إِلاَّ أَنْ تَطَوَّعَ قال فأَدبر الرجل وهو يقول: والله لا أزيد على هذا ولا أَنْقصُ قال رسول الله ﷺ: أَفْلَحَ إِنْ صَدَقَ

6-) Van Talha Ibn `Ubeydullah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd benaderd door een man uit de Najd, wiens haar door de war was. Zijn stem was van verre te horen, maar wat hij zei was niet te verstaan. Uiteindelijk kwam hij dichterbij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en ik zag dat hij hem over de Islām vroeg. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De verplichte vijfmaal dagelijks ṣalāh verrichten gedurende de dag en de nacht.”“Is er iets anders wat ik moet doen?,” vroeg de man.“Nee, maar je kunt vrijwillige ṣalwāt (m.v. ṣalāh) van verrichten,” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) En hij zei verder: “Je vast in de (maand) Ramadān.”“Is er iets anders wat ik moet doen?,” vroeg de man.“Nee, maar je kunt vrijwillig vasten,” zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) legde hem de zakāh uit, en de man vroeg weer: “Is er iets anders wat ik moet doen?”“Nee, maar je kunt vrijwillige ṣadaqah geven,” antwoordde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Toen de man wegging, zei hij: “Bij Allāh, ik zal hier niets aan toevoegen of weglaten.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als hij zijn woorden waarmaakt, zal hij het succes en de redding behalen.” [an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde de Islām uit als het verrichten van de vijfmaal dagelijks verplichte ṣalwāt, de vasten in de maand Ramadān, en het geven van zakāh . Er zijn echter ook andere islamitische regels die niet in deze ḥadīth zijn opgenomen. In andere aḥadīth wordt aan het einde van de ḥadīth vermeld: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem de islamitische wetten (regels) en hij zei: 'Bij degene die mij heeft geëerd, ik zal geen extra vrijwillige daden verrichten, maar ik zal niets weglaten van wat Allāh mij heeft opgelegd.'“ (Bukhārī, Sawm; 1, Hiyal). In deze overlevering zien we dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de man leerde over de regels van de Islām, buiten de ṣalāh, vasten en zakāh.)](AFK)

[Sommigen vermelden dat de naam van de persoon in deze ḥadīth Dīmām ibn Sāʿibah is, terwijl anderen, vanwege bepaalde verschillen tussen deze ḥadīth en de overlevering over Dīmām ibn Sāʿibah, menen dat het niet om Dīmām gaat.In deze ḥadīth wordt bevestigd dat de plichten van de Islām, de ṣalāh), de vasten (ṣawm) en de zakāh, verplicht zijn.

Daarnaast wordt benadrukt dat deze handelingen ook in vrijwillige (nawāfil) vorm kunnen worden verricht, namelijk extra ṣalāh, vasten en liefdadigheid (ṣadaqah).Hier legt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Islām uit als het verrichten van de vijf dagelijkse gebeden, vasten tijdens de maand Ramadan en het geven van de zakāh. Naast deze kernplichten zijn er echter nog andere voorwaarden van de Islām terug te vinden in de Qur’ān: gebod tot goedheid en verbod op kwaad, verrichten van jihad, rechtvaardig handelen, goed behandelen van ouders, uitgaven doen (infāq), en gehoorzaamheid aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).De metgezellen stelden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vaak veel vragen. Er was zelfs een keer dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het gevoel had dat sommigen hem probeerden te testen of in verlegenheid wilden brengen. Hij werd zo boos dat zijn gezicht liep rood aan. Hij zei dat hij op een strenge en felle manier zou kunnen antwoorden op wat zij ook vragen. Op dat moment durfden de metgezellen bijna geen vragen meer te stellen. Hierop werd het vers:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ لَا تَسۡـَٔلُواْ عَنۡ أَشۡيَآءَ إِن تُبۡدَ لَكُمۡ تَسُؤۡكُمۡ وَإِن تَسۡـَٔلُواْ عَنۡهَا حِينَ يُنَزَّلُ ٱلۡقُرۡءَانُ تُبۡدَ لَكُمۡ عَفَا ٱللَّهُ عَنۡهَاۗ وَٱللَّهُ غَفُورٌ حَلِيمٞ ١٠١

O, jullie die geloven! Vraag niet over zaken die als zij voor jullie duidelijk worden gemaakt, moeilijkheden veroorzaken. Maar als jullie daarover vragen terwijl de Qu’ān geopenbaard wordt, dan worden zij jullie duidelijk. Allah heeft dat vergeven, en Allah is de Vergevingsgezinde, de Verdraagzame. (surah Maidah: 5/101) neergezonden.

Na dit vers stelden de mensen een tijdlang geen vragen meer aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het feit dat de metgezellen wilden dat de bedoeïenen vragen stelden, kwam doordat die groep nog niet op de hoogte was van het verbod en vergeven zouden worden. De metgezellen hoopten dat de vragensteller een verstandig iemand was om de noodzakelijke vragen te stellen in plaats van hen, zodat iedereen ervan kon profiteren.Deze persoon was Dīmām ibn Sāʿibah, die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na de Verovering van Makkah bezocht, in het negende jaar van de Hidjrah, dat bekendstaat als het “Jaar van de Gezanten” (Sana al-Huyūl).Over de vraag of Dīmām vóór zijn komst moslim was, bestaat verschil van mening. Volgens sommigen waren de vragen die hij stelde aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen echte vragen, maar eerder herhalingen. Volgens een overlevering van ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) legde Dīmām na het voltooien van zijn vragen de shahādah af, keerde terug naar zijn stam en verkondigde hen de Islām, waarna allen moslim werden.] (HA)

De uitleg over het geloof waarmee men het Paradijs binnengaatبيان الإيمان الذي يدخل به الجنة

٧ - حديث أبي أيوبَ الأَنصاريّ ﵁ أَنَّ رجلًا قال: يا رسول الله أخبرني بعمل يُدْخِلُني الجنة، فقال القوم: مَا لَهُ مَالَه فقال رسولُ اللهِ ﷺ: أَرَبٌ مَّا لَهُ فقال النبيُّ ﷺ: تعبُدُ اللهَ لا تُشْرِكُ بهِ شيئًا وتُقيمُ الصَّلاةَ وَتُؤْتِي الزكاةَ وَتَصِلُ الرَّحِمَ ذرْها قَال كأنّه كانَ عَلى رَاحِلَتِهِ

7-) Van Abû Ayyûb (رضي الله عنه):Iemand vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, kunt u me een daad aanbevelen die mij in het Paradijs zal brengen?” Op dat moment vroeg iemand anders die aanwezig was: “Wat is er, wat is (zijn probleem)?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Wat zou het zijn, hij heeft een behoefte” en vervolgde: “Je aanbidt Allāh zonder iets aan Hem gelijk te stellen, je verricht de vijfmaal maal dagelijkse ṣalāh , je brengt de zakāh op en je onderhoudt de banden met je familie.”

[De handelingen die een persoon tot het Paradijs naderen en van de Hel verwijderen, worden eerst genoemd als: niets aan Allah جل جلاله gelijkstellen, Hem alleen aanbidden, de ṣalāh op de juiste manier verrichten, de zakāh geven en het onderhouden van familiebanden. Iemand die zich schuldig maakt aan afgoderij (shirk), kan nooit het Paradijs binnengaan.] (HA)

٨ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ أَنَّ أَعْرابِيًّا أَتَى النَّبِيَّ ﷺ فَقالَ: دُلَّني عَلى عَمَلٍ إِذا عَمِلْتُهُ دَخَلْتُ الجنة قَالَ: تَعْبُدُ اللهَ لا تُشْرِكُ بِهِ شَيْئًا، وَتُقيمُ الصَّلاةَ المَكْتُوبَةَ، وَتُؤَدِّي الزَّكَاةَ الْمفْروضَة وَتَصُومُ رَمَضانَ قَالَ وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لاَ أَزِيدُ عَلى هذا فَلَمّا وَلّى، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ مَنْ سَرَّهُ أَنْ يَنْظُرَ إِلَى رَجُلٍ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ فَلْيَنْظُرْ إِلى هَذا

8-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Er kwam een man uit de woestijn naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: 'Vertel mij een daad, wanneer ik deze uitvoer, het Paradijs zal binnengaan.' Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Je aanbidt Allāh zonder iets aan Hem gelijk te stellen, je verricht de verplichte vijfmaal dagelijkse ṣalāh, je brengt de verplichte zakāh op en je vast in (de maand Ramadān).' Deze man zei: 'Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, ik zal niets meer toevoegen dan dit.' Toen deze man opstond en wegging, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : 'Wie naar een paradijsbewoner wil kijken, moet naar hem kijken.'

[Volgens imām al-ʿAynī (commentaar op al-Bukhārī al-Ṣaḥīḥ) heet deze bedoeïen Saʿd ibn al-Aḥrām. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wist dat deze man trouw zou blijven aan zijn belofte, zijn ṣalāh en andere aanbidding zou voortzetten, en uiteindelijk het Paradijs zou binnengaan. Want wie de shahādah uitspreekt en zijn gebeden (ṣalāh), vasten (ṣawm), zakāh en hadj verricht, zal, zolang hij geen afgoderij (shirk) of ongeloof (kufr) bedrijft, zelfs als hij steelt of zinloos handelt, uiteindelijk het Paradijs binnengaan.

Daarom wordt een gelovige (mu’min) die al zijn religieuze verplichtingen op de juiste manier vervult, met het Paradijs beloond worden.] (HA)De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “De Islām is gebouwd op vijf (pijlers)”قول النبي ﷺ بُني الإسلام على خمس ٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ ﵄ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: بُنِيَ الإِسْلامُ عَلى خَمْسٍ: شَهادَةِ أَنْ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ وَإِقامِ الصَّلاةِ وَإِيتاءَ الزَّكاةِ وَالْحَجِّ وَصَوْمِ رَمَضَانَ

9) Van `Abdullah ibn `Umar) (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Islām is gebouwd op vijf [zuilen]:1) Getuigen dat er geen godheid dan Allāh is en dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) Zijn `Abd (Dienaar) en Zijn Rasûl (Boodschapper) is;2) De (vijfmaal dagelijkse) ṣalāh verrichten;3) De (jaarlijkse) zakāh opbrengen;4) De Haj (bedevaart) naar het Huis (Ka`bah) verrichten;5) En in de maand Ramadān vasten”.

[De ḥadīth die de voorwaarden van de Islām vermeldt, staat bekend als de “vijf voorwaarden”. Naast deze vijf voorwaarden zijn er echter nog andere verplichtingen en principes in de Qur’ān te vinden. Deze vijf voorwaarden betreffen de verplichte rituele handelingen (farāʾiḍ al-ʿibādah) van de Islām. Daarbuiten zijn er ook de geloofsprincipes (ʿaqāʾid), de regels voor menselijke omgang (muʿāmalāt), strafrechtelijke voorschriften (hudûd), ethische normen, politieke richtlijnen en andere fundamentele beginselen. Op deze manier vormt de Islām een volledig en samenhangend geheel.

De vijf rituele plichten alleen vormen dus niet de volledige Islām.] (HA)

Bevel tot geloof in Allāh en Zijn Rasûl, de voorschriften van de godsdienst en de oproep daartoeالأمر بالإيمان بالله ورسوله وشرائع الدين والدعاء إليه

١٠ - حديث ابْنِ عَبّاس قَالَ إِنَّ وَفْدَ عَبْدِ الْقَيْسِ لَمّا أَتَوُا النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: مَنِ الْقَوْمُ أَوْ مَنِ الْوَفْدُ قَالُوا: رَبِيعَةَ قَالَ: مَرْحَبًا بِالْقَوْمِ أَوْ بِالْوَفْدِ غَيْرَ خَزايا وَلاَ نَدَامَى فَقالُوا: يا رَسُولَ اللهِ إِنَّا لاَ نَسْتَطِيعُ أَنْ نَأْتِيَكَ إِلاَّ في الشَّهْرِ الْحَرامِ، وَبَيْنَنَا وَبَيْنَكَ هَذا الْحَيُّ مِنْ كُفّارِ مُضَرَ، فَمُرْنَا بِأَمْرٍ فَصْلٍ نُخْبِرْ بِهِ مَنْ وَرَاءَنا وَنَدْخُلْ بِهِ الْجَنَّةَ وَسَأَلُوهُ عَنِ الأَشْرِبَةِ فَأَمَرَهُمْ بِأَرْبَعٍ وَنَهاهُمْ عَنْ أَرْبَعٍ: أَمَرَهُمْ بِالإِيمانِ بِاللهِ وَحْدَهُ، قَالَ: أَتَدْرُونَ مَا الإِيمانُ بِاللهِ وَحْدَهُ قَالُوا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ، قَالَ: شَهادَةُ أَنْ لاَ إِلهَ إِلاّ اللهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ، وَإِقامُ الصَّلاةِ وَإِيتاءُ الزَّكاةِ وَصِيامُ رَمَضَانَ وَأَنْ تُعْطُوا مِنَ الْمغنَمِ الْخُمُسَ وَنَهاهُمْ عَنْ أَرْبَعٍ: عَنِ الْحَنْتَمِ وَالدُّبَّاءِ وَالنَّقِيرِ وَالمُزَفَّتِ وَرُبَّما قَالَ المُقَيَّرِ وَقالَ: احْفَظُوهُنَّ وَأَخْبِرُوا بِهِنَّ مَنْ وَراءَكُمْ

10-) Van Abû Jamrah (رضي الله عنه):Ik was samen met Ibn `Abbās. Hij zette me op zijn eigen kleed en zei: “Blijf bij me, zodat ik je een deel van mijn bezit kan geven.” Ik bleef twee maanden bij hem.

Hij (Ibn `Abbās) zei: “Toen de vertegenwoordigers van de stam Abdu'l-Qays (zij waren uit eigen beweging moslims geworden) naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwamen, vroeg hij: 'Wie is deze gemeenschap? -of- Wie zijn deze vertegenwoordigers?' Zij antwoordden: 'Rabī`a clan.' Hij zei: 'Welkom (marhaba), o gemeenschap -ofo vertegenwoordigers.

Moge Allāh jullie niet te schande maken of in verlegenheid brengen, en moge Hij jullie geen spijt geven.'Zij zeiden: 'O Rasûlullāh, wij kunnen alleen in de heilige maanden naar u toe komen. Tussen ons en u staat deze stam van de ongelovigen, de Muḍar clan. Kunt u ons bevelen geven die het goede van het kwade scheidt, zodat wij deze aan degenen die achterblijven kunnen overbrengen, en door deze zaken het Paradijs kunnen binnengaan?'Zij vroegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook naar de dranken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) droeg hen vier dingen op en verbood hen vier dingen. Hij droeg hen op te geloven in Allāh de Enige (wahdah).'Weten jullie wat het betekent om te geloven in Allāh de Enige?' vroeg hij. Zij antwoordden: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’ Hij zei: 'Het betekent getuigen dat er geen godheid is behalve Allāh en dat Muhammed Rasûlullāh is, de vijfmaal dagelijkse ṣalāh verricht, de zakāh opbrengt, in de maand Ramadān vast, en een vijfde deel van de oorlogsbuit afstaat.'Hij verbood hen (het gebruik van de vaten waarmee ze wijn brouwden, nl) vier dingen: dubbâ' (een vat gemaakt van kalabas);hantam (een vat gemaakt van aarde);naqir (een vat uitgehold uit een palmstam);muzaffat (een vat bedekt met pek). (De verteller van de ḥadīth zei dat er mogelijk ook andere vaten zoals muqayyar (met pek bedekt) genoemd werden.) Vervolgens zei hij: 'Onthoud deze dingen goed en breng ze over aan degenen die achterblijven.'[Abû Jamrah was iemand die het Farsi sprak. Ibn `Abbās (رضي الله عنهما) riep hem bij zich om zijn woorden aan de mensen te vertalen.] (HY)[De in de ḥadīth genoemde verboden voorwerpen zijn bepaalde vaten die vloeistoffen bevatten. Voor de komst van de Islām waren deze vaten geschikt voor het maken van wijn, waarin dadels en druiven werden gegist.

In een ḥadīth van Muslim wordt dit verder uitgelegd: 'Men doet kleine dadels in een vat, en giet daar water overheen om te laten gisten. Wanneer het begint te borrelen en schuimen, kan men het drinken. Uiteindelijk gaat een van jullie zijn neef met een zwaard te lijf.' (Muslim, īmān: 26).Om deze reden werden deze vaten, die vaak voor wijnbereiding werden gebruikt, volledig verboden. Toen de islamitische voorschriften volledig waren gevestigd, werden ze, net als grafbezoeken, weer toegestaan. Over dit onderwerp zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): 'Ik had jullie bepaalde vaten verboden. Weet dat vaten niets ḥarām of ḥalāl maken, maar weet dat alles wat dronkenschap veroorzaakt ḥarām is.' (Muslim, Eshriba: 64, Tirmiḏī, Eshriba: 5).In een andere ḥadīth zei hij: 'Ik had jullie verboden om siroop te maken in leren zakken. Nu mogen jullie het in alle soorten vaten drinken, behalve als het dronkenschap veroorzaakt.' (Muslim, Eshriba: 65).”] (AFK)

[De leden van de stam Abdu'l-Qays waren de eerste delegatie van stammen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezochten. Deze delegatie arriveerde in het jaar van de Verovering van Makkah. Aan het hoofd van de delegatie stond Munẓir ibn ʿAlī, bekend onder de bijnaam Ashjaʿu’l-ʿĀṣarī. Over de identiteit van de individuele leden bestaat echter verschil van mening.De Abdu'l-Qays stam was een tak van de stam Rabīʿah en woonde in de regio Bahrein. De stam Mudar, die oorspronkelijk een zustergroep van Rabīʿah was, was op dat moment nog polytheïstisch (mushrik). Om deze reden konden de leden van Rabīʿah niet naar Madīnah afreizen.

Zij wachtten echter de heilige maanden af, want de polytheïsten voerden uit respect voor deze maanden geen oorlog.De heilige maanden zijn Dhū al-Qaʿdah, Dhū al-Ḥijjah, Muḥarram en Rajab. Hierover bestaat overeenstemming onder de geleerden. Oorlog voeren in deze maanden was verboden sinds de tijd van Ibrāhīm (عليه السلام). Dit verbod van kracht tot de vroege jaren van de Islām. Uiteindelijk werd het voeren van oorlog in de maand Rajab toegestaan, terwijl het in de andere maanden nog steeds verboden bleef. Sommige geleerden zijn echter van mening dat het zelfs in Rajab verboden bleef, aangezien het naleven van dit verbod diende ter veiligheid en bescherming.Wat betreft het vijfde deel van de opbrengsten van khumus, wordt bedoeld dat een vijfde van de buit die via jihād wordt verkregen, wordt besteed zoals vermeld in het vers:

وَٱعۡلَمُوٓاْ أَنَّمَا غَنِمۡتُم مِّن شَيۡءٖ فَأَنَّ لِلَّهِ خُمُسَهُۥ وَلِلرَّسُولِ وَلِذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِ إِن كُنتُمۡ ءَامَنتُم بِٱللَّهِ وَمَآ أَنزَلۡنَا عَلَىٰ عَبۡدِنَا يَوۡمَ ٱلۡفُرۡقَانِ يَوۡمَ ٱلۡتَقَى ٱلۡجَمۡعَانِۗ وَٱللَّهُ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ قَدِيرٌ ٤١

En weet dat wat jullie ook aan oorlogsbuit hebben verkregen; waarlijk één vijfde deel ervan is voor Allah, en voor de Boodschapper, en de naaste verwanten en de wezen, en de armen die bedelen en de reiziger; als jullie in Allah geloven en in wat Wij neer hebben gezonden naar Onze dienaar op de dag van het onderscheid, de dag dat de twee legers elkaar troffen – en Allah is tot alle dingen in staat. (surah Anfaal 8/41)

Het verbod om schalen zoals Ḥantam, Dubbā, Nakīr en Muzaffat te gebruiken, bleef enige tijd van kracht, maar werd later opgeheven door de ḥadīth van Buraydah. Volgens Abū Ḥanīfah, as-Shāfiʿī en de meerderheid van de geleerden geldt deze opheffing.] (HA)

١١ - حَدْيث ابْنِ عَبَّاسٍ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمَّا بَعَثَ مُعَاذًا ﵁ عَلى الْيَمنِ قَالَ: إِنَّكَ تَقْدَمُ عَلى قَوْمِ أَهْلِ كِتَابٍ، فَلْيَكُنْ أَوَّلَ مَا تَدْعُوهُمْ إِلَيْهِ عِبادَةُ اللهِ، فَإِذَا عَرَفُوا اللهَ فَأَخْبِرْهُمْ أَنَّ اللهَ قَدْ فَرَضَ عَلَيْهِمْ خَمْسَ صَلَواتٍ في يَوْمِهِمْ وَلَيْلَتِهِمْ، فَإِذا فَعَلُوا فَأَخْبِرْهُمْ أَنَّ اللهَ فَرَضَ عَلَيْهِمْ زَكاةً مِنْ أَمْوالِهِمْ وَتَردُّ عَلى فُقَرائِهِمْ فَإِذا أَطَاعُوا بِها فَخُذْ مِنْهُمْ وَتَوَقَّ كَرائِم أَمْوالِ النَّاسِ

11-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Muʿādz ibn Jabal (رضي الله عنه) naar Jemen stuurde (als gouverneur en zakāh ambtenaar), zei hij: “Je zult een volk tegenkomen dat behoort tot de Mensen van het Boek (ahli Kitāb). Het eerste waar je hen toe moet uitnodigen is om Allāh te aanbidden. Zodra zij Allāh erkennen, informeer hen dan dat Allāh hen heeft verplicht vijfmaal daags ṣalāh te verrichten gedurende de dag en de nacht.

Als zij dit accepteren, informeer hen dan dat Allāh hen heeft verplicht om de zakāh op te brengen, die wordt genomen van hun rijkdom en wordt verdeeld onder hun armen. Als zij dit accepteren en gehoorzamen, neem dan de zakāh van hen, maar wees voorzichtig om niet het meest waardevolle van hun bezittingen te nemen.”

[De benoeming van Muʿādz als gouverneur van Jemen vond plaats in het 9e jaar nH, na de Slag van Tabûk. De “Mensen van het Boek” zijn mensen aan wie een profeet werd gestuurd door Allāh en aan wie een boek werd geopenbaard. De Jemenieten waren ook Mensen van het Boek. In at-Talwih wordt vermeld dat de Jemenieten destijds joden waren. De Mensen van het Boek, hoewel ze het bestaan van Allāh erkennen, hebben in feite geen juiste begrip van Allāh. Dit geldt voor de joden, die Allāh associëren met Zijn schepping door Hem te humaniseren, en voor de christenen, die beweren dat Allāh een zoon en een vrouw heeft. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Muʿādz bevolen om hen eerst de getuigenis van het geloof af te leggen, en daarna te zeggen dat de vijfmaal dagelijkse ṣalāh en de zakāh voor hen verplicht zijn. Deze overlevering toont aan dat de uitnodiging tot de Islām tot de Dag des Oordeels blijft bestaan. De uitnodiging aan de Mensen van het Boek in Jemen werd eerst door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gedaan. De eerste stap in de uitnodiging was het concept van tawhīd (de eenheid van Allāh), gevolgd door de ṣalāh, zakāh en andere basisprincipes. Het is de taak van moslimleiders, commandanten en alle functionarissen om mensen, ongeacht hun godsdienst (dīn) of overtuiging, eerst tot de Islām uit te nodigen. De eerste fase van deze uitnodiging is de shahadatayn, oftewel de dubbele getuigenis dat er geen godheid is dan Allāh en dat Muhammed Rasûlullāh is.

Zoals sommigen ten onrechte beweren, kunnen de joden en christenen niet als gelovigen (mu’mins) worden beschouwd. Hun geloof in Allāh is volledig buiten de tawhīd-leer, aangezien de joden Allāh gelijkstellen aan Zijn schepping en humaniseren, terwijl de christenen Allāh een zoon en vrouw toekennen, en het idee van de Drie-eenheid en de Heilige Geest aannemen, wat hen van het rechte pad heeft afgevoerd en hen van de tawhīd-leer heeft verwijderd. Om deze reden wordt hun afgoderij en ongeloof in veel verzen van de Qur’ān genoemd, en vanaf de tijd van Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم) tot nu toe zijn ze uitgenodigd tot de Islām. De mensen of individuen die uitgenodigd worden tot de Islām, worden niet alleen verzocht de shahadah met de mond uit te spreken, maar wordt ook gevraagd om de rituelen van de Islām die hieruit voortvloeien te accepteren. Hier worden alleen de ṣalāh en de zakāh genoemd. Het feit dat vasten en Haj niet worden genoemd, betekent niet dat deze twee verplichtingen op dat moment nog niet verplicht waren of minder belangrijk waren. Want vasten werd verplicht in het tweede jaar nH, en de Haj in het negende jaar nH, enkele maanden voordat Muadz naar Jemen werd gestuurd. Er kan ook niet gesproken worden van onbelangrijkheid van islamitische verplichtingen of richtlijnen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wilde in die tijd juist de belangrijkste en meest prioritaire verplichtingen voor de Jemenieten duidelijk maken. Hier wordt geen volgorde gegeven op basis van wanneer iets verplicht werd gesteld, maar wordt uitgelegd wat verplicht is en wat vervuld moet worden. Bovendien is dit ook een bewijs dat iemand die de shahadah uitspreekt en moslim wordt, alle verplichtingen van het geloof accepteert. Ongelovigen worden eerst gevraagd om in Allāh te geloven. Ze zijn in eerste instantie alleen verplicht om in Allāh te geloven; zij zijn niet verplicht om de andere voorschriften van de Islām na te leven; zij zullen deze geleidelijk aan moeten uitvoeren, zeggen de geleerden, en zij gebruiken deze ḥadīth als bewijs. Want in deze ḥadīth is er een volgorde in de uitnodiging tot de Islām.

Deze ḥadīth wordt hier genoemd vanwege de laatste zin, die waarschuwt om de vloek van een onderdrukte te vermijden. Het wordt nogmaals duidelijk uit deze ḥadīth dat de smeekbeden en vloeken van een onderdrukte geaccepteerd zullen worden. Als een ambtenaar het duurste en mooiste bezit van een persoon aanneemt waarvan de zakāh verplicht is, is dit een soort onrecht. Of als hij hard optreedt tegen degene die de zakāh geeft, dan heeft hij hem met zijn woorden gekwetst, wat ook een onrecht is. Daarom moeten we alle vormen van onrecht vermijden, ervan weglopen en ons ertegen beschermen. Dat er geen barrière is tussen Allāh en de onderdrukte, betekent dat hun smeekbeden onmiddellijk worden geaccepteerd. Een barrière betekent een obstakel, maar er is geen obstakel tussen de smeekbeden van de onderdrukte en Allāh. Dit advies is bedoeld om zowel de onderdrukker van onrecht te weerhouden, als om de onderdrukte aan te moedigen geduldig te zijn. Ongeacht welk geloof of ras een persoon heeft, is het verboden om onrecht te plegen volgens de Islām. Dit kan zelfs breder worden geïnterpreteerd. Islām verbiedt namelijk meedogenloosheid tegenover alle levende wezens, mensen, dieren en zelfs planten. De mens heeft verplichtingen tegenover ieder van hen.] (HY)Bovenkant formulier

١٢ - حديث ابْنُ عَبّاسٍ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ بَعَثَ مُعاذًا إِلى الْيَمَنِ فَقالَ: اتَّقِ دَعْوَةَ المَظْلُومِ فَإِنَّها لَيْسَ بَيْنَها وَبَيْنَ اللهِ حِجابٌ

12-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde Muʿādz (رضي الله عنه) naar Jemen en zei: “Pas op voor de smeekbede van een onderdrukte, want er is geen sluier tussen de onderdrukte en Allāh.”[Onrecht kan op twee manieren plaatsvinden: het ene is het onterecht om de bezittingen van anderen afhandig te maken, het andere is het verzetten tegen Allāh, die gerechtigheid beveelt. Dit laatste is de grootste zonde die mensen begaan. Onrecht is zeker de vreselijke daad die de sterkere aan de zwakkere toebrengt. En de zwakkere heeft geen helper behalve Allāh. Het is onrecht om de zwakkere te onderdrukken terwijl deze onder de bescherming en het vertrouwen van Allāh staat; het is een gebrek aan respect voor Allāh's bescherming. Deze ḥadīth toont ook aan dat, ongeacht wie het ondergaat, Allāh om hulp vraagt en Allāh zal zijn aanroep nooit afwijzen.)] (HY)

Bevel om de mensen te bestrijden totdat zij: Lā ilāha illallāh, Muhammadur Rasûlullāh, zeggenالأمر بقتال الناس حتى يقولوا لا إِله إِلا الله محمد رسول الله

١٣ - حديث أَبي بَكْر وَعُمَر قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: لَمّا تُوُفِّيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَكانَ أَبُو بَكْرٍ ﵁، وَكَفَرَ مَنْ كَفَرَ مِنَ الْعَرَب، فَقالَ عُمَرُ ﵁: كَيْفَ تُقاتِلُ النَّاسَ وَقَدْ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أُمِرْتُ أَنْ أُقاتِلَ النَّاسَ حَتّى يَقُولوا لا إِلهَ إِلاَّ اللهُ، فَمَنْ قالَها فَقَدْ عَصَمَ مِنِّي مَالَهُ وَنَفْسَهُ إِلاَّ بِحَقِّهِ، وَحِسابُهُ عَلى اللهِ فَقالَ أَبُو بَكْرٍ: وَاللهِ لأُقاتِلَنَّ مَنْ فَرَّقَ بَيْنَ الصَّلاةِ وَالزَّكاةِ، فَإِنَّ الزَّكاةَ حَقُّ الْمالِ، وَاللهِ لَوْ مَنَعُوني عَناقًا كَانوا يُؤَدُّونَها إِلى رَسُولِ اللهِ ﷺ لَقاتَلْتُهُمْ عَلى مَنْعِها

قالَ عُمَر﵁: فَواللهِ ما هُوَ إِلاَّ أَنْ قَدْ شَرَحَ اللهُ صَدْرَ أَبي بَكْرٍ ﵁ فَعَرَفْتُ أَنَّهُ الْحَقُّ

13-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) overleed en Abû Bakr (رضي الله عنه) khaliefah werd, en een deel van de Arabieren het geloof verzaakten, zei `Umar (رضي الله عنه) tegen Abû Bakr: “Hoe kun je tegen deze mensen vechten”?

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft immers gezegd: 'Ik ben bevolen om de mensen te bestrijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is dan Allāh. Wie dit zegt, heeft daarmee zijn leven en bezit beschermd tegen mij, behalve waar de islamitische rechten dat toestaan. Wat betreft hun innerlijke overtuigingen, daarover zal Allāh hen ter verantwoording roepen.”Abû Bakr (رضي الله عنه) antwoordde: “Bij Allāh, ik zal zeker vechten tegen een ieder die onderscheid maakt tussen de ṣalāh en de zakāh, want de zakāh is een recht op het bezit (zoals vastgesteld door de Islām). Bij Allāh, als zij mij zelfs maar een jonge geit zouden onthouden dat zij eerder aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaven, dan zal ik hen daarom bestrijden.”`Umar (رضي الله عنه) zei vervolgens: “Bij Allāh, ik begreep dat dit niets anders was dan dat Allāh Abû Bakr's borst had geopend voor het besluit om te vechten, en ik realiseerde me (later) dat hij gelijk had.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleed in het 11e jaar nH, op maandag 12 Rabiʿ al-Awwal, rond het middaguur. Tijdens de bijeenkomst van de moslims die zich hadden verzameld bij de Banu Sāʿidah-Saqīfah, gaf ʿUmar (رضي الله عنه) onmiddellijk de eed van trouw (bayʿah) aan Abū Bakr (رضي الله عنه), waarna iedereen die aanwezig waren eveneens aan hem de eed aflegden. Zo werd Abū Bakr (رضي الله عنه) gekozen als khalīfah.In die tijd begonnen sommige groepen van de Islām af te dwalen. Volgens al-Ḥattābī (overleden 388/998) kunnen deze in twee categorieën worden ingedeeld:

Volledig afvalligen van de Islām:a. Degenen die de profetieclaims van Musaylimah al-Kazzāb bevestigden, zoals de Banu Hanīfah en Aswad al-ʿAnsīyah.

Zij ontkenden allemaal de profetie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Abū Bakr (رضي الله عنه) voerde oorlog tegen hen: Musaylimah al-Kazzāb werd in Yamamah gedood, Aswad al-ʿAnsī in Sanaʾ. De meeste volgelingen werden gedood, de overigen vluchtten en verspreidden zich over het Arabische Schiereiland.b. Degenen die alle religieuze verplichtingen ontkenden en de ṣalāh en de zakāh verwaarloosden. Zij keerden terug naar hun oude, pre-islamitische manieren.

Degenen die ṣalāh en zakāh van elkaar scheidden:Deze accepteerden dat de ṣalāh verplicht was, maar weigerden zakāh te geven. Sommigen wilden zakāh geven, maar durfden niet uit angst voor hun leiders. Anderen gaven na de dood van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de zakāh niet omdat de verzen over zakāh , zoals: خ خُذۡ مِنۡ أَمۡوَٰلِهِمۡ صَدَقَةٗ تُطَهِّرُهُمۡ وَتُزَكِّيهِم بِهَا ١٠٣: Neem aalmoezen van hun weelde om hen te reinigen en te zuiveren… (surah at-Tavbah 9:103), alleen voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van toepassing achtten.

Er was consensus (ijmāʿ) onder de metgezellen dat er oorlog mocht worden gevoerd tegen degenen die de ṣalāh verwaarlozen. Abū Bakr (رضي الله عنه) besloot dat wie zakāh weigerde te geven, ook op dezelfde manier behandeld zou moeten worden als degenen die de ṣalāh verwaarlozen. Zoals in een hadîth wordt vermeld: Van Jābir (رضي الله عنه):Ik heb an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen:"Tussen een persoon en polytheisme (shirk) en ongeloof (kufr) staat het verwaarlozen van de salaah."Hieruit blijkt dat hoewel ʿUmar (رضي الله عنه) rekening hield met de algemene betekenis van de ḥadīth, Abū Bakr (رضي الله عنه) de wetgeving baseerde op analogie (qiyās).

Dit toont aan dat een algemene regel soms door middel van qiyās beperkt (taḥṣīṣ) kan worden.] (HA)

١٤ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أُمِرْتُ أَنْ أُقاتِلَ النَّاسَ حَتّى يَقُولُوا لا إِلهَ إِلاّ اللهُ، فَمَنْ قَالَ لا إِلهَ إِلاّ اللهُ فَقَدْ عَصَمَ مِنّي نَفْسَهُ وَمالَهُ إِلاَّ بِحَقِّهِ، وَحِسابُهُ عَلى اللهِ

14-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben bevolen om tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is behalve Allāh, (en dat Muhammed Zijn Rasûlullāh is en hetgeen ik heb gebracht) te geloven. Als zij dit doen, zijn hun bezittingen en levens beschermd tegen mij, behalve waar de islamitische recht anders bepaalt. Wat betreft hun innerlijke zaken, daarover zal Allāh hen ter verantwoording roepen.”[Degene die de Islām accepteert, valt onder de bescherming van Allāh. Dit betekent dat de levens en bezittingen van moslims beschermd zijn. Mensen worden beoordeeld op basis van hun uiterlijke handelingen en gedrag. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor verborgen intensies en gedachten ligt bij Allāh. Met de “islamitische recht” wordt bijvoorbeeld verwezen naar het doden van iemand die een ernstige misdaad heeft begaan volgens de shari`ah. In dergelijke gevallen kan de vervulling van de genoemde voorwaarden de straf niet voorkomen.] (AFK)

[De kennis van wat mensen in hun harten verborgen houden behoort niet tot de taak of verantwoordelijkheid van An-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Omdat dit een geheim is, weet dit uiteindelijk niemand behalve Allah جل جلاله. Daarom verwijzen de zaken die in de ḥadīth worden genoemd naar uiterlijke tekenen die aangeven dat iemand moslim is. Degene die deze handelingen verricht, wordt als gelovige beschouwd. Wat in het hart verborgen blijft of wat men in gedachten houdt, valt uitsluitend onder de beoordeling van Allah جل جلاله.] (HA)

١٥ - حديث ابْنُ عُمَر أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: أُمِرْتُ أَنْ أُقاتِلَ النَّاسَ حَتّى يَشْهَدوا أَنْ لا إِلهَ إِلاّ اللهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ الله، وَيُقيمُوا الصَّلاةَ وَيُؤْتُوا الزَّكاةَ، فَإِذا فَعَلُوا ذَلِكَ عَصَمُوا مِنّي دِمَاءَهُمْ وَأَمْوالَهُمْ إِلاّ بِحَقِّ الإسْلامِ، وَحِسابُهُمْ عَلى اللهِ

15-) Van `Abdullah Ibn` Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben bevolen om tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen godheid is behalve Allāh, dat Muhammed Rasûlullāh is, de ṣalāh verrichten en de zakāh opbrengen. Als zij dit doen, zijn hun bezittingen en levens beschermd tegen mij, behalve waar de islamitische recht anders bepaalt. Wat betreft hun innerlijke zaken, daarover zal Allāh hen ter verantwoording roepen.” [Aḥadīth kunnen alleen correct worden begrepen wanneer ze worden begrepen in het licht van de verzen uit de Qur’ān en het leven van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Als men probeert aḥadīth te begrijpen en te interpreteren zonder kennis van de omstandigheden en context waarin zij uitgesproken zijn, kan dat tot onjuiste interpretaties leiden.In deze ḥadīth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat hem is opgedragen om met mensen te strijden totdat zij “lā ilāha illallāh” zeggen.

Als je de oorlogverzen (āyāt al-qitāl) in de Qur’ān bestudeert om de context te begrijpen, blijkt dat het bevel tot strijd en aanval slechts geldt bij het verbreken van verdragen, vijandige en oproerige (fitnah) handelingen, of wanneer door de tegenpartij een oorlogssituatie wordt gecreëerd.Wanneer we naar het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kijken, zien we dat hij samenleefde, handel dreef, at en in dezelfde bijeenkomsten aanwezig was met personen die geen moslim waren; en zelfs aan hen onderdak en bescherming bood. Zo beveelt de Qur’ān an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat zijn taak enkel het overbrengen (tablīgh) van de boodschap is, dat hij zichzelf niet moet uitputten waar het gaat om mensen die niet geloven, opgenomen moet zijn in vredelievendheid en rechtvaardigheid.In de volgende verzen wordt gezegd:لَّا يَنۡهَىٰكُمُ ٱللَّهُ عَنِ ٱلَّذِينَ لَمۡ يُقَٰتِلُوكُمۡ فِي ٱلدِّينِ وَلَمۡ يُخۡرِجُوكُم مِّن دِيَٰرِكُمۡ أَن تَبَرُّوهُمۡ وَتُقۡسِطُوٓاْ إِلَيۡهِمۡۚ إِنَّ ٱللَّهَ يُحِبُّ ٱلۡمُقۡسِطِينَ ٨

Allāh verbiedt jullie niet om met degenen die jullie niet bestrijden vanwege jullie godsdienst, en die jullie niet uit jullie huizen dreven, goed en rechtvaardig om te gaan. Waarlijk, Allāh houdt van de rechtvaardigen.

إِنَّمَا يَنۡهَىٰكُمُ ٱللَّهُ عَنِ ٱلَّذِينَ قَٰتَلُوكُمۡ فِي ٱلدِّينِ وَأَخۡرَجُوكُم مِّن دِيَٰرِكُمۡ وَظَٰهَرُواْ عَلَىٰٓ إِخۡرَاجِكُمۡ أَن تَوَلَّوۡهُمۡۚ وَمَن يَتَوَلَّهُمۡ فَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلظَّٰلِمُونَ ٩

Allāh verbied jullie wel degenen te bevrienden die jullie vanwege de godsdienst bestreden en die jullie uit jullie huizen dreven, en die (anderen) hebben geholpen om jullie te verdrijven. En wie hen tot vriend neemt: dat zijn de onrechtvaardigen. (sûrah, al-Mumtaḥinah 60:8-9)

Daarom was tijdens de Verovering van Makkah de houding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet om de mensen tot geloof te dwingen; integendeel, hij waarschuwde zijn ṣaḥābah herhaaldelijk om bloedvergieten te vermijden en hij verleende amnestie aan sommige personen die vele jaren zijn vijanden waren geweest.In het licht hiervan kan worden gesteld dat het bevel tot strijd die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de betreffende ḥadīth gaf níet betekent dat er onvoorwaardelijk oorlog wordt gevoerd tegen iedereen die niet “lā ilāha illallāh” zegt, maar dat het een bevel is gericht tegen hen die hem wilden uitschakelen, zijn daʿwah wilden blokkeren, of geen vreedzaam contact met de moslimgemeenschap wensten aan te gaan.Sterker nog, uit deze ḥadīth blijkt dat, zelfs ten tijde van strijd, een persoon “lā ilāha illallāh” uitspreekt, niet meer bestreden mag worden. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd zelfs zeer boos op Usāmah ibn Zayd (رضي الله عنهما) toen hij tijdens de strijd een vijandige soldaat doodde die net de shahāda had uitgesproken. Toen Usāmah zei dat de man dit deed uit angst voor de dood, zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Heb jij zijn hart opengespleten om erin te kijken?” Daarmee onderwees hij aan zijn ṣaḥābah dat zij de innerlijke gesteldheid niet kunnen kennen, en dat iedereen die de kalimah at-tawhīd uitspreekt, als moslim moet worden behandeld (Muslim, Īmān, 158).](Diyanet)

Begin van het geloof (īmān) is Lā ilāha illallāhأول الإيمان قول لا إله إلا الله

١٦ - حديث المُسَيَّبِ بْنِ حَزْنٍ قَالَ: لَمّا حَضَرَتْ أَبا طَالِبٍ الْوَفاةُ جاءَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَوَجَدَ عِنْدَهُ أَبا جَهْلِ بْنَ هِشامٍ وَعَبْدَ اللهِ بْنَ أَبي أُمَيَّةَ بْنِ المُغِيرَة، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لأبي طالِبٍ يا عَمِّ قُلْ لا إِلهَ إِلاّ اللهَ كَلِمَةَ أَشْهَدُ لَكَ بِها عِنْدَ اللهِ، فَقَالَ أَبُو جَهْلٍ وَعَبْدُ اللهِ بْنِ أَبي أُمَيَّةَ يا أَبا طَالِبٍ أَتَرْغَبُ عَنْ مِلَّةِ عَبْدِ المُطَّلِب فَلَمْ يَزَل رَسُولُ اللهِ ﷺ يَعْرِضُها عَلَيْهِ، وَيَعُودَانِ بِتِلْكَ المَقالَةِ حَتّى قَالَ أَبو طَالِبٍ، آخِرَ ما كَلَّمَهُمْ، هُوَ عَلى مِلَّة عَبْدِ المُطَّلِبِ، وَأَبى أَنْ يَقُولَ لا إِلهَ إِلاّ الله، فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَمّا وَاللهِ لأَسْتَغْفِرَنَّ لَكَ ما لَمْ أُنْهَ عَنْكَ فَأَنْزَلَ اللهُ تَعالى فِيهِ (مَا كانَ لِلنَّبِي) الآية

16-) Van Sa`id ibnu’l Musayyab via zijn vader Musayyab ibn Hazn (رضي الله عنهما):Toen Abû Tālib op sterven lag, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar hem toe en vond Abû Jahl ibn Hisham en `Abdullah ibn Abû Umayyah ibn al-Mughira bij hem.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen Abû Tālib: 'O oom, zeg “La ilaha illallah” (er is geen godheid dan Allāh), zodat ik op de Dag des Oordeels met deze woorden een getuigenis voor je kan doen bij Allāh.'Abû Jahl en `Abdullah ibn Abû Umayyah zeiden: 'O Abû Tālib, keer je je af van de godsdienst (dīn) van Abdulmuttalib?'Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bleef Abû Tālib uitnodigen tot de Islām, maar de anderen bleven hun woorden herhalen.

Uiteindelijk zei Abû Tālib als zijn laatste woorden: 'Ik blijf in de godsdienst van Abdulmuttalib'. Hij weigerde “La ilaha illallah” te zeggen. Hierop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'Bij Allāh, zolang ik niet wordt verboden, zal ik voor jou vergeving blijven vragen.'Daarna openbaarde Allāh de volgende ayah:مَا كَانَ لِلنَّبِيِّ وَٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ أَن يَسۡتَغۡفِرُواْ لِلۡمُشۡرِكِينَ وَلَوۡ كَانُوٓاْ أُوْلِي قُرۡبَىٰ مِنۢ بَعۡدِ مَا تَبَيَّنَ لَهُمۡ أَنَّهُمۡ أَصۡحَٰبُ ٱلۡجَحِيمِ ١١٣Het past an-Nabī en degenen die geloven niet om Allāh’s vergiffenis te vragen voor de afgodenaanbidders, zelfs als zij verwanten zijn, nadat het voor hen duidelijk is geworden dat zij de bewoners van het Vuur zijn.” (sûrah At-Tawba, 113).

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verloor zijn vader vóór zijn geboorte en zijn moeder toen hij zes jaar oud was. Daarna nam zijn grootvader, ʿAbdul Muṭṭalib, de zorg voor hem op zich. Na het overlijden van zijn grootvader kwam hij onder de hoede van zijn oom, Abū Ṭālib. Abū Ṭālib voedde hem op met de liefde en zorg van een vader. Zelfs na de profetie stond hij hem bij in moeilijke momenten en hield zelfs meer van hem dan zijn eigen kinderen. Abū Ṭālib verdedigde hem tegen de vijandigheid van de Quraysh en overleveringen melden dat hij, zelfs onder dreiging van de dood, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit aan hen zou uitleveren.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verlangde daarom dat zijn oom als moslim zou sterven en hoopte dat hij de shahādah zou uitspreken. Hij zei zelfs: “Bij Allāh, zolang ik niet wordt verboden, zal ik voor jou vergeving blijven vragen”.] (HA)

Wie Allah ontmoet met geloof, zonder daarin te twijfelen, zal het Paradijs binnengaan en is voor het Vuur verbodenمن لقي الله بالإيمان وهو غير شاك فيه دخل الجنة وحرم على النار

١٧ - حديث عُبادَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: مَنْ شَهِدَ أَنْ لا إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَحْدَهُ لا شَريكَ لَهُ، وَأَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ، وَأَنَّ عِيسَى عَبْدُ اللهِ وَرَسُولُهُ وَكَلِمَتُهُ أَلْقاها إِلى مَرْيَمَ وَرُوحٌ مِنْهُ، وَالْجَنَّةُ حَقٌّ، وَالنَّارُ حَقٌّ، أَدْخَلَهُ اللهُ الْجَنَّةَ عَلى مَا كَانَ مِنَ الْعَمَل

وزاد أحد رجال السند مِنْ أَبوَابِ الْجَنَّةِ الثمانِيَةِ أَيُها شَاءَ

17-) `Ubādah (ibnu's Sāmit al-Anṣārie) (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Als iemand getuigt dat er geen godheid is dan Allāh, dat Hij één is (in Zijn Wezen, Eigenschappen, Namen en Werken), dat Hij geen deelgenoten heeft, en dat Muhammad (صلى الله عليه وسلم) Zijn Rasûl en Zijn `Abd (Dienaar) is en dat `Īsā عليه السلام Zijn Rasûl, Zijn `Abd is en Zijn woord dat Hij op Marjam (رضي الله عنها) heeft geworpen, en een geest (rûh) van Hem is, en dat zowel het Paradijs (Jannah) als het Hellevuur (Nār) echt bestaat,' dan zal Allāh hem het Paradijs doen binnengaan (door welke van de acht poorten hij maar wil) overeenkomstig zijn daden (`amāl)”.In een andere overlevering van Muslim staat:“... Als iemand getuigt dat er geen godheid is dan Allāh en dat Muhammad Zijn Rasûl en Zijn `Abd is, zal Allāh het Hellevuur voor hem onveroorloofd (ḥarām) maken.”Al-Walīd zei: Ibn Jābir vertelde mij van ʿUmayr, van Junādah: “... en hij voegde eraan toe: ‘Van de acht poorten van het Paradijs mag hij binnengaan via welke hij wil.”

[Dit is een van de meest omvattende ḥadīth over īmān. In deze ḥadīth worden de fundamentele beginselen van de islamitische geloofsleer (ʿaqīda) uiteengezet en enkele belangrijke dwalingen afgewezen:

Het geloof in tawḥīd (de Eenheid van Allah).

De profetie van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

Het geloof in het Hiernamaals (Ākhirah).

De ongeboren schepping van ʿĪsā (عليه السلام) zonder vader.

Het geloof dat iemand die gelovig sterft, zelfs als hij grote zonden heeft begaan buiten shirk (het toekennen van deelgenoten aan Allah ) en kufr (ongeloof), niet voor eeuwig in het Vuur blijft, maar vanwege zijn īmān en de enkele goede daden die hij heeft verricht, het Paradijs binnengaat.

ʿĪsā (عليه السلام) wordt “Kalima” genoemd vanwege het woord “Wees” (Kun) waardoor hij tot bestaan werd gebracht in de wereld. Hij wordt “Rūḥullāh” genoemd omdat hij door het goddelijke bevel dat door Jibrīl in de schoot van zijn moeder werd geblazen, lichamelijk werd geschapen.] (HA)

١٨ - حديث مُعاذِ بْنِ جَبَلٍ ﵁ قَالَ: بَيْنا أَنا رَدِيفُ النَّبِيِّ ﷺ، لَيْسَ بَيْني وَبَيْنَهُ إِلاّ أَخِرَةُ الرَّحْلِ، فَقالَ: يا مُعاذ قُلْتُ: لَبَّيْكَ رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ ثُمَّ سَارَ ساعَةً ثُمَّ قَالَ: يا مُعاذ قُلْتُ: لَبَّيْكَ رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ ثُمَّ سارَ سَاعَةً ثُمَّ قَالَ: يا مُعاذ قُلْتُ: لَبَّيْكَ رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ قَالَ: هَلْ تَدْري ما حَقُّ اللهِ عَلى عِبادِهِ قُلْتُ: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ، قَالَ: حَقُّ اللهِ عَلى عِبادِهِ أَنْ يَعْبُدوهُ وَلا يُشْرِكُوا بِهِ شَيْئًا ثُمَّ سَارَ سَاعَةً ثُمَّ قَالَ: يا مُعاذُ بْنُ جَبَلٍ قُلْتُ: لَبَّيْكَ رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ، فَقَالَ: هَلْ تَدْري ما حَقُّ الْعِبادِ عَلى اللهِ إِذَا فَعَلُوهُ قُلْتُ اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ، قَالَ: حَقُّ الْعِبادِ عَلى اللهِ أَنْ لا يُعَذِّبَهُمْ

18-) Van Muʿādz ibn Jabal (رضي الله عنه): Ik reed achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een rijdier, waarbij alleen het houten deel van het zadel tussen ons in zat.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'O Muʿādz, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Hij liep een tijdje verder en zei opnieuw: 'O Muʿādz, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Na een tijdje lopen herhaalde hij: 'O Muʿādz, zoon van Jabal.' Ik antwoordde opnieuw: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Toen zei hij: 'Weet je wat het recht van Allāh op Zijn dienaren is?' Ik zei: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’Hij zei: 'Het recht van Allāh op Zijn dienaren is dat zij Hem aanbidden en geen deelgenoten aan Hem toekennen.' Hij liep weer verder en zei opnieuw: 'O Muʿādz, zoon van Jabal.' Ik antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Toen vroeg hij: 'Weet je wat het recht van de dienaren op Allāh is als zij dit doen?' Ik zei: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’Hij zei: 'Dat Hij hen niet straft.'

١٩ - حديث مُعاذ ﵁ قَالَ: كُنْتُ رِدْفَ النَّبِيِّ ﷺ عَلى حِمارٍ يُقالُ لَهُ عُفَيْرٌ، فَقَالَ: يَا مُعاذُ هَلْ تَدْري حَقَّ اللهِ عَلى عِبادِهِ وَما حَقُّ الْعِبادِ عَلى اللهِ قُلْتُ اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ، قَالَ: فَإِنَّ حَقَّ اللهِ عَلى الْعِبادِ أَنْ يَعْبُدُوهُ وَلا يُشْرِكُوا بِهِ شَيْئًا، وَحَقَّ الْعِبادِ عَلى اللهِ أَنْ لا يُعَذِّبَ مَنْ لا يُشْرِكُ بِهِ شَيْئًا فَقُلْتُ يا رَسُولَ اللهِ: أَفَلا أُبَشِّرُ بِهِ النَّاسَ قَالَ: لا تُبَشِّرْهُمْ فَيَتَّكِلُوا

19-) Van Muʿādz ibn Jabal (رضي الله عنه): Ik reed achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op een ezel genaamd 'Ufayr'. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg mij: 'O Muʿādz, weet je wat het recht van Allāh (Haqa’llaah) op Zijn dienaren is en wat het recht van de dienaren (Haqa’l `ibād) op Allāh is?' Ik zei: ‘Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.’Hij zei: 'Het recht van Allāh op Zijn dienaren is dat zij Hem aanbidden en geen deelgenoten aan Hem toekennen.Het recht van de dienaren op Allāh is dat Hij degenen die geen deelgenoten aan Hem toekennen niet straft.' Ik zei: 'O Rasûlullāh, mag ik dit goede nieuws aan de mensen doorgeven?' Hij antwoordde: 'Nee, want dan zullen zij erop vertrouwen (en geen goede daden verrichten).'

[Ḥaq (het recht/de werkelijkheid): alles wat daadwerkelijk bestaat of zeker zal plaatsvinden. Volgens deze definitie zijn dood, het Paradijs en de Hel ḥaq, omdat zij onvermijdelijk zullen plaatsvinden. Volgens al-ʿUbbī verwijst het recht van de dienaren op Allahu جل جلاله naar hetgeen hen wettelijk (sharʿī) toekomt.Volgens sommige geleerden betekent de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Het recht van de dienaren op Allah” eerder een wederkerigheid ten opzichte van het recht van Allah op Zijn dienaren.

Dienaren kunnen geen onafhankelijk recht op de Almachtige hebben.`Ufayr is de naam van het rijdier van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .Volgens Muslim (al-Īmān 53) heeft Muʿādz deze ḥadīth overgeleverd terwijl hij op zijn sterfbed lag, opdat zijn zonden zouden worden vergeven.] (HA)

٢٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مالِكٍ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ وَمُعاذٌ رَديفُهُ عَلى الرَّحْلِ، قَالَ: يا مُعاذُ بْنَ جَبَلٍ قَالَ: لَبَّيْكَ يا رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ، قَالَ: يا مُعاذُ قَالَ: لَبَّيْكَ يَا رَسُولَ اللهِ وَسَعْدَيْكَ ثَلاثًا، قَالَ: ما مِنْ أَحَدٍ يَشْهَدُ أَنْ لا إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ صِدْقًا مِنْ قَلْبِهِ إِلاَّ حَرَّمَهُ اللهُ عَلى النَّارِ قَالَ: يا رَسولَ اللهِ أَفَلا أُخْبِرُ بِهِ النَّاسَ فَيَسْتَبْشِروا قَالَ: إِذًا يَتَّكِلُوا وَأَخْبَرَ بِها مُعاذٌ عِنْدَ مَوْتِهِ تَأَثُّما

20-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reed op een kameel samen met Muʿādz achterop.

Hij zei: 'O Muʿādz, zoon van Jabal.' Muʿādz antwoordde: 'Hier ben ik, O Rasûlullāh.' Dit herhaalde zich drie keer. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei toen: 'Wie oprecht (vanuit zijn hart) getuigt dat er geen godheid is dan Allāh en dat Muhammed Rasûlullāh is, Allāh zal voor hem het Hellevuur verbieden.' Muʿādz zei: 'O Rasûlullāh, mag ik dit aan de mensen vertellen, zodat zij blij worden?' an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: 'Nee, want dan zullen zij erop vertrouwen (en geen goede daden verrichten).' Muʿādz vertelde dit pas vlak voor zijn overlijden, uit angst het te verbergen en daarmee zijn verplichting niet na te komen.”

Delen/takken van het geloof (īmān)شعب الإيمان٢١ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: الإِيمانُ بِضْعٌ وَسِتُّونَ شُعْبَةً وَالْحَياءُ شُعْبَةٌ مِنَ الإِيمانِ

21-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De īmān (geloof) bestaat uit meer dan zestig delen. Bescheidenheid (ḥayā’) is een deel van īmān.”[In sommige overleveringen wordt 'meer dan zeventig' genoemd: Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"Het geloof bestaat uit meer dan zeventig (of: zestig) delen. Het beste ervan is het zeggen van: ‘Er is geen godheid dan Allah,’ en het minste ervan is het verwijderen van iets schadelijks van de weg. En schaamte is een deel van het geloofDe takken van īmān verwijzen naar de praktische manifestaties van hetgeloof in het leven.] (AFK)

[Ḥayā’ (bescheidenheid/gevoel van schaamte): In de taal betekent het dat iemand zich spijtig voelt en verandert vanwege wat hem overkomt uit angst voor afkeuring van anderen. Het kan ook worden uitgelegd als het laten van iets om een reden.In de shari‘ah betekent het een eigenschap die gebruikt wordt om zich te onthouden van het kwade, een karaktereigenschap die van nature aanwezig is. Het voorkomt nalatigheid ten opzichte van de rechten van de rechthebbende. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Het geheel van ḥayā’ is goed.”Ḥayā’ is een van nature aanwezige eigenschap, maar men kan vragen: waarom is het dan een tak van īmān gemaakt?

Het antwoord luidt als volgt: het kan een van nature aanwezige eigenschap zijn, maar om het volgens de shari‘ah te gebruiken, dat wil zeggen in de godsdienst, vereist het intentie en kennis. Daarom behoort ḥayā’ tot de īmān. Hierdoor stimuleert het goede daden en weerhoudt het van slechte daden.] (HY)

[De werkelijkheid en de essentie van īmān ligt in de bevestiging van het hart. De bevestiging van het hart is het onveranderlijke, fundamentele element van het geloof. Omdat echter niemand kan weten wat er in het hart verborgen is, moet het geloof dat in het hart aanwezig is, met de tong worden uitgesproken en openbaar worden gemaakt, zodat de persoon op aarde naar deze woorden en belijdenis kan worden beoordeeld. Daarom vormt de uitdrukking van het geloof met de tong geen deel van īmān, maar is het eigenlijk een wereldse voorwaarde ervan.

Deze ḥadīth geeft aan dat īmān bestaat uit verschillende takken en afgeleiden die uit daden voortkomen, en dat de īmān die van deze takken en afgeleiden is gescheiden, geen volledig geloof is. Bovendien wordt gesteld dat īmān uit meer dan zeventig takken bestaat en dat het tekenen van īmān zich ook uit in uiterlijke gedragingen, zoals ḥayā’ (bescheidenheid).

Al-Bayhaqī heeft in zijn werk Shuʿab al-Īmān geprobeerd de inhoud van deze takken vast te stellen met behulp van verzen uit de Qur’ān en ḥadīth, gebaseerd op de ḥadīth die zegt dat īmān zestig of zeventig takken heeft.

Andere werken over de takken van īmān zijn onder meer:

Ibnu Hibbān, Wasf al-Īmān wa Shuʿabuh

Abu ʿAbdullah Ḥusayn al-Ḥalīmī, Fawāʾid al-Minhāj

Sjeikh ʿAbduljalīl, Shuʿab al-Īmān

Isḥāq ibn al-Qurṭubī, Kitāb al-Nasāʾiḥ

Echter, Aynī vond geen van deze werken voldoende voor het volledig vaststellen van de takken van de īmān.

Wat betreft de aard van de takken zoals vermeld in de ḥadīth, bestaan er globaal drie opvattingen:

Volgens de eerste opvatting verwijzen de genoemde getallen niet naar een exact aantal, omdat de manifestaties van īmān niet numeriek kunnen worden vastgelegd. De toevoeging van het woord bid`u (“meer dan”) geeft aan dat de takken van īmān zo talrijk zijn dat ze niet precies kunnen worden geteld. Als er een exact getal zou zijn bedoeld, zou dit niet verborgen zijn gebleven. In het Arabisch worden getallen zoals zeventig, zestig of hun veelvouden vaak als overdrijving gebruikt.

Een andere groep stelt dat het genoemde getal daadwerkelijk de takken van īmān aangeeft, en dat het doel is deze takken te tellen. Bijvoorbeeld, Ibnu Hibbān onderzocht in Wasf al-Īmān wa Shuʿabuh de betekenis van deze ḥadīth en merkte op dat de vermelde handelingen in de ḥadīth ruimschoots werden overschreden. Vervolgens telde hij de geboden uit de Qur’ān die tot īmān werden gerekend en voegde deze samen met de handelingen uit de Sunan-boeken. Door te tellen en te combineren kwam hij tot het aantal van zeventig takken. Hij concludeerde dat het doel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was het aantal van īmān zoals in de Qur’ān en sunnah beschreven, en dat dit aantal noch te veel noch te weinig was.

a. Volgens Qāḍī Iyāḍ brengt het feit dat men deze kwestie niet in detail kent geen tekortkoming in het geloof met zich mee, omdat de basisprincipes (usūl) en takken (furūʿ) van het geloof bekend zijn. Daarom is het voldoende en verplicht om globaal te geloven dat het geloof uit zoveel takken bestaat.b. Volgens Aynî heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de betreffende hadīth het hoogste en het laagste niveau van het geloof aangegeven; de overige niveaus bevinden zich daartussen. Zelfs als we deze niet allemaal afzonderlijk kennen, geloven we er als geheel in. Net zoals we slechts enkele namen van de engelen kennen, maar toch in alle engelen geloven, brengt dit geen tekortkoming in ons geloof in de engelen met zich mee.

Daarnaast heeft Aynî geprobeerd de genoemde takken van het geloof afzonderlijk te tellen en komt tot een totaal van 77 takken:Eerste Deel: Het geloof (`itqād) dat betrekking heeft op bevestiging en innerlijke overtuiging.

Dit zijn de dertig (30) takken van het geloof:

Geloof in Allah — geloven in Zijn Wezen, Zijn Eigenschappen, Zijn Eenheid, en dat er niets aan Hem gelijk is.

Geloven dat alles behalve Allah later geschapen is.

Geloven in de engelen.

Geloven in de Boeken.

Geloven in de Profeten (عليهم السلام).

Geloven in het raadsbesluit (al-qadar), dat zowel het goede als het kwade van Allah afkomstig is.

Geloven in het Hiernamaals: in het verhoor in het graf, de bestraffing in het graf, de opstanding, de bijeenkomst op de Dag der Opstanding, de afrekening, de weegschaal (mīzān), en de brug (ṣirāṭ).

Geloven in het Paradijs en in het eeuwige leven daarin.

Geloven in de Hel, in de bestraffing van de Hel, en dat de ongelovigen daarin eeuwig zullen verblijven.

Allah liefhebben.

Liefhebben omwille van Allah, en haten omwille van Allah. De Muhājirīn (رضي الله عنهم) en de Anṣār (رضي الله عنهم) liefhebben, evenals de familie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liefhebben, ṣalāh en salām over hem uitspreken, en zijn sunnah volgen.

Oprecht (ikhlās) zijn en het tonen van schijnheiligheid (riyā’) en huichelarij (nifāq) verlaten.

Berouw tonen (tawbah) en spijt hebben over zonden.

Vrees hebben voor Allah (taqwā).

Hopen op de barmhartigheid van Allah.

Wanhoop en moedeloosheid (ya’s) verlaten.

Dankbaar (shukr) zijn.

Trouw zijn aan beloften en overeenkomsten.

Geduldig (ṣabr) zijn.

Nederig zijn en respect hebben voor ouderen.

Liefdevol en barmhartig zijn, en mededogen tonen voor jongeren.

Tevreden zijn met het raadsbesluit (qaḍā’) van Allah.

Vertrouwen (tawakkul) hebben in Allah.

Niet vertrouwen op de eigen daden, en het zichzelf prijzen of volmaakt achten verlaten.

Afgunst (ḥasad) verlaten.

Haat en wraakzucht verlaten.

Woede verlaten.

Niet bedriegen, geen slechte vermoedens (sūʾ aẓ-ẓan) hebben, en geen bedrieglijk persoon zijn.

De liefde voor de wereld (dunyā) verlaten, evenals de liefde voor bezit en status.

Wanneer er in je hart een goede of slechte eigenschap opkomt die hier niet genoemd is, zul je bij enige bezinning merken dat deze in wezen niet buiten wat hierboven genoemd is valt, zij behoort tot een van deze genoemde eigenschappen.

Tweede gedeelte: Daden die met de tong verricht wordenDit zijn zeven (7) takken:

De uitspraak van de kalimat at-tawḥīd met de tong.

De recitatie (tilāwah) van de Qur’ān.

Kennis verwerven.

Kennis onderwijzen.

Du`ā’ (smeekbede) verrichten tot Allah.

Allah gedenken (ḏikr) en om vergiffenis vragen (istighfār).

Zich onthouden van nutteloze en zinloze woorden.

Derde gedeelte: Daden die met het lichaam verricht wordenDit zijn veertig (40) takken, en zij worden onderverdeeld in drie categorieën:

A. Daden die betrekking hebben op specifieke zaken

Deze zijn zestien (16):

Reiniging: hieronder vallen de reiniging van het lichaam, de kleding en de plaats. Het nemen van wuḍūʼ (kleine wassing) om zich te zuiveren van onreinheden, en het nemen van de grote wassing (ghusl) om zich te reinigen van janābah, menstruatie en kraambloeding.

Het verrichten van de ṣalāh, zowel de verplichte als de vrijwillige en de in te halen ṣalāh.

Het geven van zakāh; het geven van liefdadigheid (ṣadaqah), het betalen van ṣadaqat al-fiṭr, vrijgevigheid tonen, en de armen en gasten voeden en gastvrij behandelen.

De verplichte en vrijwillige vasten.

De bedevaart (ḥaj) en de ‘umrah’ verrichten.

In iʿtikāf gaan (zich terugtrekken in de moskee) en de Laylat al-Qadr zoeken.

Verhuizen naar een plaats waar de dīn geleefd kan worden en emigreren (hijrah) uit het land van shirk.

Het nakomen van geloften (nadḥr).

Het nakomen van eden.

Het betalen van boetedoeningen (kaffārah).

Het bedekken van de lichaamsdelen die bedekt moeten worden, zowel binnen als buiten de ṣalāh; het naleven van de regels van ḥijāb (bedekking).

Het slachten van offerdieren en, indien men een gelofteoffer heeft, ook dat slachten.

Zorgen voor begrafeniszaken (zoals het wassen en begraven van overledenen).

Het aflossen van schulden.

Eerlijkheid in transacties en het vermijden van rente (ribā).

Waarheidsgetuigenis afleggen en het niet verbergen van de waarheid.

B. Daden die betrekking hebben op degenen die onder iemands verantwoordelijkheid vallen

Deze zijn zes (6):

Huwen op een wettige wijze en de kuisheid bewaren.

De verplichtingen tegenover het gezin vervullen en goed omgaan met bedienden.

Goed zijn voor de ouders en zich onthouden van onrecht tegenover hen.

De opvoeding van de kinderen.

Familiebanden onderhouden (ṣilat ar-raḥm).

Gehoorzaamheid aan ouderen en gezagsdragers.

C. Daden die betrekking hebben op de gemeenschap

Deze zijn achttien (18):

Het bestuur rechtvaardig uitvoeren.

Met de gemeenschap (jamāʿah) samenzijn.

Gehoorzaam zijn aan de leiders (ulū al-amr).

Mensen met elkaar verzoenen en strijden tegen opstandelingen en vijandige groepen.

Samenwerken in het goede (taʿāwun ʿalā al-birr).

Het bevelen van het goede en het verbieden van het slechte (al-amr bil-maʿrūf wan-nahy ʿani al-munkar).

Het toepassen van de voorgeschreven straffen (ḥudūd).

Strijden op weg van Allah (jihād).

Het vervullen van toevertrouwde zaken (amānah) en het afstaan van een vijfde (khums) van de oorlogsbuit.

Een lening verstrekken onder de voorwaarde dat deze wordt terugbetaald.

Goed omgaan met de buren.

Vredelievend en verdraagzaam zijn.

Bezittingen op de juiste manier besteden en zich onthouden van verspilling.

De salām beantwoorden.

Tegen iemand die niest zeggen: “Yarḥamukallāh” (“Moge Allah jou barmhartig zijn”).

Zich onthouden van het schaden van mensen.

Zich onthouden van nutteloze vermaak en amusement.

Een hinderlijk voorwerp van de weg verwijderen.

Al deze samen vormen in totaal 77 takken van het geloof.] (HA)

٢٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ: أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ مَرَّ عَلى رَجُلٍ مِنَ الأَنْصارِ وَهُوَ يَعِظُ أَخَاهُ في الْحَياءِ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: دَعْهُ فَإِنَّ الْحَياءَ مِنَ الإِيمانِ

22-) Van Abdullaah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep voorbij een Anṣārī (Helper) die zijn broer adviezen gaf vanwege zijn verlegenheid. Rasûlallah (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Laat hem, waarlijk verlegenheid (ḥayā’) komt voort uit īmān.'٢٣ - حديث عِمَرانَ بْنِ حُصَيْنٍ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الْحَياءُ لا يَأتي إِلاّ بِخَيْرٍ23-) Van Imrān ibn Husayn (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Hayā’ brengt alleen maar goeds.'

[Hayā’ betekent schaamte. Het is het gevoel van schaamte dat een mens ervaart tegenover Allah en tegenover andere mensen, wanneer hij iets zegt of doet dat afkeuring verdient. Hayā’ is de mooiste maatstaf voor menselijke moraal.Dat een mens zijn grenzen kent, zich ongemakkelijk voelt en bloost om iets waarvoor hij zich behoort te schamen, is een grote deugd. Deze deugd houdt zijn bezitter weg van slechtheid en spoort hem aan om alleen dingen te doen waarvoor hij zich niet hoeft te schamen.

De ware ḥayā’ is die welke men voelt tegenover de Schepper. Dat ḥayā’ verbonden wordt aan het geloof (īmān), betekent dat geloof en religie bepalen wanneer en waarvoor men zich dient te schamen.

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wijst op de vervolmaking van ḥayā’ met de volgende woorden:

“Schaam je tegenover Allah zoals het Hem werkelijk toekomt!”Wij zeiden: “O Rasûlallah ! Wij schamen ons toch al, Alhamdoelillah.”Rasûlallah (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Dat is niet het soort schaamte dat jullie bedoelen.Echte schaamte tegenover Allah betekent: dat men het hoofd en wat zich daarin bevindt, alsook de buik en wat deze bevat, beschermt tegen alle zonden en verboden zaken; dat men zich voortdurend de dood en het vergaan in het graf herinnert. Wie het Hiernamaals verlangt, laat de pracht van de wereld achter zich. Wie zó leeft, die heeft zich werkelijk tegenover Allah geschaamd.” (Tirmidzi, Sifatu’l-Kiyama 24, 2458)

Hayā’ behoort niet tot de essentie van het geloof zelf, maar tot zijn volmaaktheid. Het ontbreken van volmaaktheid betekent niet dat iets helemaal niet bestaat. De sterkte of zwakte van ḥayā’ in een persoon hangt af van de toestand van het hart, levend of dood. Wanneer het hart levend is, is ḥayā’ volmaakt; wanneer het hart dood is, ontbreekt ḥayā’.

Sommigen hebben gezegd: “Soms kan ḥayā’ iemand tot het uiterste drijven, zodat het hem verhindert zijn plichten tegenover Allah te vervullen. Zulke schaamte is niet goed.”

Een van de commentatoren van Ṣaḥīḥ Muslim verduidelijkt dit als volgt: “Sommige vormen van schaamte brengen niets dan goeds voort, terwijl in andere vormen van schaamte geen goeds schuilt.”

Kort samengevat:Hayā’ , schaamte, is een deugd, maar ook zij kent haar grenzen. De overdrijving (ifrat) van ḥayā’ is zwakte en passiviteit,terwijl het tekort (tafrit) eraan onbeschaamdheid en eigenzinnigheid is. Beide uitersten zijn lelijk:zwakte leidt ertoe dat men zijn plichten nalaat en vele goede daden niet verricht; eigenzinnigheid daarentegen spreekt voor zich in haar lelijkheid.] (HA)

Uitleg over de deugdzaamheid van de Islām en diens niveaus en de meest deugdzameبيان تفاضل الإسلام وأي أموره أفضل٢٤ - حديث عبْد اللهِ بْنِ عَمْرٍو أَنَّ رَجُلًا سَأَلَ النَّبِيَّ ﷺ أَيُّ الإِسْلامِ خَيْرٌ قَالَ: تُطْعِمُ الطَّعامَ وَتَقْرَأُ السَّلامَ عَلى مَنْ عَرَفْتَ وَمَنْ لَمْ تَعْرِفْ

24-) Van `Abdullah ibn `Amr (رضي الله عنه):Iemand vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Welke daad in de Islām is het het beste?” Hij antwoordde: “Geef voedsel en geef vredesgroet (as-salām) zowel degenen die je kent als degenen die je niet kent.” [Of je iemand nu kent of niet, maak geen onderscheid bij de vredesgroet (as-salām) door namaak houdingen of hoogmoed. Integendeel, je moet dit doen ter behoud van de islamitische symbool en de broederschap in de Islām.] (HY)

[In de tekst van de hadīth komt de uitdrukking “ayyu'l-İslam” voor. In het woord İslam zelf is vooraf een verborgen haslah (karaktereigenschap) aanwezig. Haslah betekent hier karaktereigenschap, moreel gedrag of model. In dit geval betekent de zin dat het gaat om welk van de morele principes die de Islām introduceert het beste is.Er wordt gezegd dat degene die deze vraag stelde, hoewel zijn naam niet wordt vermeld, waarschijnlijk Abu Dzar (رضي الله عنه) was.De mensen werden aangemoedigd om elkaar lief te hebben en te respecteren; dit vormt de basis van de Islām. Ze werden gestimuleerd tot goede daden zoals het geven van voedsel, het verspreiden van de salām en het uitwisselen van geschenken, terwijl slechte eigenschappen zoals twisten, spioneren, roddelen en hypocrisie verboden werden.Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hier zegt dat het geven van voedsel en het groeten van elke moslim de meest deugdzame eigenschappen zijn, betekent niet dat deze twee eigenschappen absoluut de beste zijn.

Het houdt in dat hij hier antwoord gaf afgestemd op de situatie van degene die de vraag stelde, omdat hij wist dat deze persoon zijn basisplicht nog niet volledig vervulde. Daarnaast geldt dat zondaren bij het zondigen, mensen die de Qur’an reciteren, degenen die ṣalāh verrichten, degenen die preken geven of deelnemen aan kennisbesprekingen niet standaard met salām begroet worden.] HA)

[Imam an-Nawawī zei: “Het begroeten met de vredesgroet (as-salām) behoort tot de belangrijkste middelen om onderlinge verbondenheid en liefde te versterken. Door het verspreiden van de salām leren moslims elkaar kennen en tonen zij de kenmerken die hen onderscheiden van de aanhangers van andere religies.Het geven van de salām bevat bovendien vele mooie betekenissen:- het oefent de ziel in nederigheid,- het bevordert eerbied en respect onder moslims,- en het verwijdert wrok, breuk in relaties en tweedracht tussen hen.”] (HA)

٢٥ - حديث أَبي مُوسَى ﵁ قَالَ: قَالُوا يا رَسُولَ اللهِ أَيُّ الإِسْلامِ أَفْضَلُ قَالَ: مَنْ سَلِمَ الْمُسْلِمُونَ مِنْ لِسانِهِ وَيَدِهِ

25-) Van Abû Mûsā al Ash`arie (رضي الله عنه): Ze vroegen: 'O Rasûlullāh, wat is de meest waardevolle daad in de Islām (wie is de beste onder de moslims)?' Hij antwoordde: “(Een ware) moslim is degene voor wiens tong en voor wiens hand de moslims veilig zijn.”[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf verschillende antwoorden op soortgelijke vragen, afhankelijk van de situatie, de vraagsteller en de context. Dit benadrukt dat een specifieke eigenschap niet exclusief de beste is, maar een van de beste eigenschappen binnen een bredere context.](AFK)

[Hier wordt bedoeld dat een volmaakte moslim veilig is voor anderen met zijn hand en zijn tong, en daarnaast ook de andere geboden van de Islām vervult en de verboden vermijdt. Het betekent dus niet dat iemand die anderen met hand of tong kwaad doet geen moslim is.

Verder wordt hier aangemoedigd om de rechten en plichten van andere moslims te respecteren, en vooral wordt benadrukt dat de rechten van Allah eerst en vooral nageleefd moeten worden.Met het woord “moslims” worden zowel mannelijke als vrouwelijke moslims bedoeld. Een volmaakte moslim doet dus geen kwaad met zijn hand of tong, noch aan mannen noch aan vrouwen. Omdat de hand een van de organen is die het meest gebruikt wordt bij alle menselijke handelingen en emoties kan uitdrukken, wordt in de hadīth de hand specifiek genoemd, gezien het belang ervan in het uitvoeren van goede daden en het vermijden van het kwaad.] (HA)Uitleg over de eigenschappen van degene die de zoetheid van het geloof proeftبيان خصال من اتصف بهن وجد حلاوة الإيمان٢٦ - حديث أَنَسٍ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: ثَلاثٌ مَنْ كُنَّ فِيهِ وَجَدَ حَلاوَةَ الإِيمانِ، أَنْ يَكُونَ اللهُ وَرَسُولُهُ أَحَبَّ إِلَيْهِ مِمّا سِواهُما، وَأَنْ يُحِبَّ الْمَرْءَ لا يُحِبُّهُ إِلاّ للهِ، وَأَنْ يَكْرَهَ أَنْ يَعُودَ في الْكُفْرِ كَما يَكْرَهُ أَنْ يُقْذَفَ في النَّارِ

26-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn drie dingen waardoor iemand de zoetheid (halawah) van het geloof (īmān) ervaart als hij ze in zich heeft:Als hij Allāh en Zijn Rasûl meer liefheeft dan wat ook anders.Als hij slechts omwille van Allāhs van iemand houdtAls hij het verafschuwt (na geloofd te hebben) naar ongeloof (kufr) terug te keren (nadat Allāh hem daarvan heeft verlost), zoals hij het ook verafschuwt in het Hellevuur geworpen te worden.”

[Sheikh Abû Muhammed ibn Abi Jamrah zei het volgende: ‘De reden waarom Rasûlullaah (صلى الله عليه وسلم) al-halawah (de zoetheid) noemt, is omdat Allāh het geloof vergelijkt met een boom, zoals vermeld in het vers:أَلَمۡ تَرَ كَيۡفَ ضَرَبَ ٱللَّهُ مَثَلٗا كَلِمَةٗ طَيِّبَةٗ كَشَجَرَةٖ طَيِّبَةٍ أَصۡلُهَا ثَابِتٞ وَفَرۡعُهَا فِي ٱلسَّمَآءِ ٢٤

Zien jullie niet hoe Allāh een vergelijking maakt met een goed woord, die als een goede boom is, wiens wortels stevig in de grond staan, en de takken naar het Paradijs reiken? (sûrah Ibrahiem 14/24)Het woord is de uitspraak van de Kalimah al-Ikhlās, namelijk “La ilaha illallah” (Er is geen godheid dan Allāh). De boom is de oorsprong van het geloof (īmān), de takken zijn het naleven van de geboden en het vermijden van verboden. De bladeren zijn de goede daden waaraan een mu’min aandacht besteedt. De vruchten zijn de mooie daden. Uiteindelijk rijpen de vruchten, en daarmee komt de zoetheid van het geloof naar voren.](HY)

[Werkelijke toewijding aan de religie betekent in wezen Allah en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) boven alles liefhebben. Het is eigenlijk onmogelijk om dit anders te denken.De maatstaf voor het liefhebben van anderen dan Allah en Zijn Boodschapper is het vermijden van gevoelens van liefde of woede die Allah niet welgevallig zijn. Dit betekent: vrienden liefhebben die Allah behaagd zijn en degenen die niet waardig zijn voor Allah’s liefde niet liefhebben.Degene die zichzelf een moslim noemt, maar zijn kring van liefde baseert op mensen die geen echte moslims zijn of buiten de islamitische levenswijze leven, in plaats van op oprechte moslims en Allah’s vrienden, moet zichzelf serieus onderzoeken en kritisch evalueren.] (HA)

De verplichting om van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) meer te houden dan van familie, kinderen, ouders en de gehele mensheidوجوب محبة رسول الله ﷺ أكثر من الأَهل والولد والوالد والناس أجمعين

٢٧ - حديث أَنَس قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لا يُؤْمِنُ أَحَدُكُمْ حَتّى أَكُونَ أَحَبَّ إِلَيْهِ مِنْ والِدِهِ وَوَلَدِهِ وَالنَّاسِ أَجْمَعينَ

27-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij Allāh, in Wiens hand mijn ziel is, niemand van jullie heeft (perfect) geloof (īmān) totdat ik hem geliefder ben dan zijn vader, zijn kinderen en alle mensen.”

[Hier wordt niet bedoeld het absolute geloof, maar het geloof in zijn perfecte staat. Om het geloof van een persoon tot volmaaktheid te brengen, moet hij Allah en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم) meer liefhebben dan zijn vader, kinderen, bezit, familie en alle mensen. Wanneer deze hadīth wordt beoordeeld in samenhang met de vorige hadīth, blijkt dat een moslim zijn leiding niet moet baseren op mensen die buiten de islamitische levenswijze leven, maar dat hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld moet nemen, die de levenswijze van de Islām ons persoonlijk heeft laten zien.] (HA)

Het behoort tot het geloof dat men voor zijn broeder wenst wat men voor zichzelf aan goeds wenstالدليل على أن من خصال الإيمان أن يحب لأَخيه ما يحب لنفسه من الخير

٢٨ - حديث أَنَسٍ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لا يُؤْمِنُ أَحَدُكُمْ حَتّى يُحِبَّ َلأخيهِ ما يُحِبُّ لِنَفْسِهِ

28-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Niemand van jullie heeft (perfect) geloof (īmān) totdat hij voor zijn broeder wenst wat hij voor zichzelf wenst.”

[Het is een van de teken van het geloof om voor je broeder hetzelfde te wensen wat je voor jezelf wenst, vooral als het gaat om het goede. Het goede omvat zowel wereldlijke als Hiernamaals zaken die toegestaan (ḥalāl) zijn. Het doel hier is om aan te moedigen tot nederigheid. Men houdt er niet van zich boven een ander te stellen, wat gelijkheid vereist.

Zoals Allahu تعالى zegt: تِلۡكَ ٱلدَّارُ ٱلۡأٓخِرَةُ نَجۡعَلُهَا لِلَّذِينَ لَا يُرِيدُونَ عُلُوّٗا فِي ٱلۡأَرۡضِ وَلَا فَسَادٗاۚ وَٱلۡعَٰقِبَةُ لِلۡمُتَّقِينَ ٨٣

Dat Huis van het Hiernamaals schenken Wij aan degenen die niet hoogmoedig wensen te zijn op aarde en die geen verderf zaaien. En het goede einde is voor de godvrezenden. (sûrah al-Qasas 28/83)

Dit is alleen mogelijk door het opgeven van jaloezie, haat, wrok, afgunst en bedrog. Al deze eigenschappen zijn verwerpelijk en ongewild. Imām Karmānī zei: “Het behoort tot het geloof dat iemand voor zijn broeder niet verlangt wat hij ook niet voor zichzelf van het kwade verlangt.”](HY)

[Volgens Ibn Salâh behoort het tot de dingen die bijna onmogelijk lijken: dat iemand voor zijn broeder in het geloof hetzelfde wil als hij voor zichzelf wil. Echter, het is helemaal niet zo moeilijk. De betekenis van de hadīth is namelijk dat iemand in de Islām niet als volmaakt gelovig kan worden beschouwd tenzij hij voor zijn broeder in het geloof wenst wat hij voor zichzelf wenst, niet precies hetzelfde, maar iets vergelijkbaars.Dit kan alleen gebeuren zonder dat er iets van de zegeningen die hij zelf heeft verminderd of wordt aangetast, door te willen dat zijn broeder ook een vergelijkbare zegen ontvangt. Voor iemand met een zuiver hart is dit gemakkelijk, maar voor iemand met een verstoord hart is het moeilijk.Om een volmaakt gelovige te zijn, moet men dus voor zijn broeder in het geloof verlangen wat men voor zichzelf goed acht, en ook wat men voor zichzelf als slecht ziet, als slecht voor zijn broeder beschouwt. Dit behoort tot de volmaaktheid van het geloof. (HA)

Het behoort tot het geloof dat men gastvrij is tegenover de buur en gasten (en hen iets aanbiedt) en spreekt het goede of zwijgtالحث على إِكرام الجار والضيف وقول الخير أو لزوم الصمت وكون ذلك كله من الإيمان

٢٩ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ كانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلا يُؤْذِ جارَهُ، وَمَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ ضَيْفَهُ، وَمَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيَقُلُ خَيْرًا أَوْ لِيَصْمُتْ

29 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn buren geen schade berokkenen/niet storen. Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast gastvrijheid betonen. Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem een goed woord zeggen of zwijgen.”[In een andere overlevering staat: “Laat hem zijn buren iets aanbieden.” Weer in een andere overlevering staat: “Laat hem goed zijn voor zijn buurman. Goede woorden spreken of zwijgen, en goed zijn voor buren en gasten, zijn eigenschappen van degenen die in Allāh en de Laatste Dag geloven.] (AFK)

[Buurtgenoten zijn personen die elkaar nabij wonen wat betreft huis, werkplek, land, dorp, stad of land.In de Qur’ān wordt over het omgaan met buurtgenoten gezegd:" وَٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ وَلَا تُشۡرِكُواْ بِهِۦ شَيۡـٔٗاۖ وَبِٱلۡوَٰلِدَيۡنِ إِحۡسَٰنٗا وَبِذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡيَتَٰمَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينِ وَٱلۡجَارِ ذِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡجَارِ ٱلۡجُنُبِ وَٱلصَّاحِبِ بِٱلۡجَنۢبِ وَٱبۡنِ ٱلسَّبِيلِ وَمَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُكُمۡۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يُحِبُّ مَن كَانَ مُخۡتَالٗا فَخُورًا ٣٦

Aanbidt Allah en ken Hem geen deelgenoten toe en wees goed voor jullie ouders, jullie verwanten, wezen, armen die bedelen, de buur die verwant is, de buur die een vreemde is, de metgezel aan jullie zijde, de reiziger en degenen die jullie rechterhand bezitten. Waarlijk, Allah houdt niet van de hoogmoedigen die anderen de ogen uitsteken (met hun bezit). (surah an-Nisā 4/ 36)In deze aya wordt “de buur die verwant is” gedefinieerd als iemand die direct naast je woont, terwijl “de buur die een vreemde is” iemand is die niet direct naast je woont.Een moslim behoort anderen geen schade toe te brengen en goed te doen aan iedereen. Het is een van de belangrijkste morele plichten.

Door voortdurende wederzijdse interacties heeft de buur een hogere prioriteit in vertrouwen.De basis is dat een gelovige wenst dat zijn medegelovige buur dezelfde gunsten zal ontvangen als hijzelf, en dat hij voor zijn gelovige buur niet zal verlangen wat hij voor zichzelf ook niet wenst.Op basis van dit principe mag een buur een andere buur niet lastigvallen. Als men van dit principe uitgaat, kan een buur de andere buur niet lastigvallen. Hier is een objectieve maatstaf gepresenteerd die voor iedereen toepasbaar is. Degene die schade toebrengt door bijvoorbeeld te veel geluid te maken of door uitbouwconstructies zoals balkons en dakranden de buurgrond te overnemen, dient hij zich af te vragen of hij het zelf ook zou accepteren als hetzelfde met hem werd aangedaan. Zo kan hij zijn geweten raadplegen of hij een juiste beslissing heeft genomen.Toen een metgezel vroeg wat de rechten van een buur zijn, antwoordde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :"Als hij ziek is, bezoek hem. Als hij sterft, neem deel aan zijn begrafenis. Als hij een lening nodig heeft, geef hem een lening. Als hij in nood is, help hem. Als hem een ramp overkomt, troost hem. Houd het dak van je huis niet hoger dan dat van hem, zodat je zijn wind niet blokkeert. Laat hem niet weten wat je kookt, of deel anders wat je bereid hebt met hem. In het licht van deze overlevering zijn onze taken tegenover onze buren als volgt:

Vriendelijke omgang: We moeten vriendelijk en beleeft zijn tegenover onze buren, hen begroeten, informeren naar hun welzijn, hun vreugde en verdriet delen, en deze sociale omgang niet verwaarlozen.

Bezoeken en zorgBuren dienen bezocht te worden in goede en slechte tijden, bij ziekte en gezondheid, verdriet en blijdschap, bij bruiloften, feestdagen en wanneer iemand overlijdt. Het is ook een burenplicht om de nabestaanden te condoleren, hen bij te staan, te helpen bij begrafenissen, hun uitnodigingen te accepteren en hun kinderen als de onze te koesteren en te beschermen.

Goede behandeling volgens an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, moet goed zijn voor zijn buur.” En: “De beste vriend bij Allah is wie het beste is voor zijn vrienden; de beste buur is wie het beste is voor zijn buur.”

Gulheid en gastvrijheid:Het aanbieden van geschenken aan de buren is een van onze morele verplichtingen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in Allah en de Laatste Dag gelooft, moet zijn buur gastvrij behandelen.” Ook heeft hij geadviseerd: “O Abu Dzar, als je soep maakt, voeg dan meer water toe en vergeet je buren niet,” en “Wie verzadigd slaapt (zijn buik vol is) terwijl zijn buur honger heeft, behoort niet tot ons.”

Hulp aan behoeftige buren:Armen en behoeftige buren moeten worden geholpen, zowel financieel als door het lenen van geld, en voor wie kan werken, moet gezorgd worden voor een baan om in het levensonderhoud te voorzien. Zorg dragen voor eenzame en oudere buren, hun zaken opvolgen en hen helpen is een mooi gebaar.

Respect en discretie:Onderzoek niet wat er bij buren gebeurt en onthul hun fouten en tekortkomingen niet. Als ze zich vergissen of iets fout doen, benader dat met begrip en vergeef hen, en wees een gids voor hen in wereldse en religieuze zaken. De Qur’ān verbiedt het zoeken naar fouten en het onthullen van de verborgen kanten van anderen.

Geen kwaad doen aan buren:Men mag geen kwaad doen aan buren of hen schade toebrengen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) benadrukte het belang hiervan:"Wie niet zeker is van de veiligheid voor kwaad van zijn buur, heeft geen geloof"en"Wie in Allah en de Dag des Oordeels gelooft, laat zijn buur niet lastigvallen"

Schade aan een buur kan materieel of immaterieel zijn. Materiële schade omvat: inbreuk maken op hun huis, tuin, eigendom of bezittingen; deze beschadigen, vernietigen, bevuilen, met geweld innemen; of fysiek geweld toepassen. Immateriële schade omvat: inbreuk maken op hun eer en reputatie, of familiegeheimen verspreiden. Vooral het oog hebben op de eer van een buur leidt tot grote zonden.

Het opbouwen van goede burenrelaties met de mensen om je heen is de plicht van elke moslim. Mensen die deze plicht niet vervullen en hun buren lastigvallen, komen altijd voor. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft aangeraden geduldig te zijn tegenover het kwaad van slechte buren.

Goed doen aan buren:Zoals een slechte buur schade kan toebrengen aan zijn omgeving, zal een goede buur zowel in deze wereld als in het hiernamaals goedheid en hulp brengen aan zijn buren en naasten.] (HA)

٣٠ - حديث أَبي شُرَيْحٍ الْعَدَوِيّ قَالَ: سَمِعَتْ أُذُنَايَ وَأَبْصَرَتْ عَيْنَايَ حِينَ تَكَلَّمَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: مَنْ كَانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ جَارَهُ، وَمَنْ كانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيُكْرِمْ ضَيْفَهُ جائِزَتُهُ، قَالَ: وَما جاِئِزَتُهُ يا رَسُولَ اللهِ قالَ: يَوْمٌ وَلَيْلَةٌ، وَالضِّيافَةُ َثلاثَةُ أَيَّامٍ فَما كانَ َوراءَ ذَلِكَ فَهُوَ صَدَقَةٌ َعلَيْهِ، وَمَنْ كانَ يُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ فَلْيَقُلْ خَيْرًا أَوْ لِيَصْمُتْ

30-) Van Abû Shurayh al Adawī (رضي الله عنه): Hij zei: Mijn oren hoorden en mijn ogen zagen (het) toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn buren gastvrijheid betonen. Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem zijn gast een dag en een nacht iets aanbieden.

Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, laat hem een goed woord zeggen of zwijgen.”In een andere overlevering zei hij: “Wie in Allāh en de Laatste Dag gelooft, Laat hem zijn gast eren met zijn gastgeschenk.” De metgezellen vroegen: “O Rasûlullāh, wat is het gastgeschenk van een gast?” Hij antwoordde: “Een dag en een nacht (huisvesten en gastvrij ontvangen). Gastvrijheid duurt drie dagen, wat daarna komt is vrijwillige liefdadigheid (ṣadaqah).”In een andere overlevering zei hij: “Gastvrijheid duurt drie dagen, het gastgeschenk is een dag en een nacht. Het is niet toegestaan voor een moslim om zo lang bij zijn broeder te blijven dat hij hem tot zonde drijft.” De metgezellen vroegen: “O Rasûlullāh, hoe kan hij hem tot zonde drijven?” Hij antwoordde: “Door bij hem te blijven terwijl hij niets heeft om hem te ontvangen.”

[ In deze hadīth worden drie onderwerpen behandeld:1.

Het goede zeggen of zwijgen:Een van de zaken waar een moslim zeer voorzichtig en alert op moet zijn, zijn de woorden die uit zijn mond komen, uit angst dat ze kunnen leiden tot zonde of het ontstaan van een fitnah.Hij moet letten op zijn woorden en geen woord uitspreken tenzij hij zeker weet dat het goed is. Want een woord wordt beoordeeld naar de consequenties ervan: als het leidt tot iets dat verbod (ḥarām) is, is het ḥarām; als het leidt tot iets goeds/ goede daad die door Allah wordt beloond (thawāb), is het thawāb. Dit kan alleen worden bereikt door het goede te zeggen.2. Het respectvol en gastvrij behandelen van gasten, buren en anderen (ikrām):Het verwelkomen en goed behandelen van de buur, hem troosten wanneer hij hulp nodig heeft, is een geprezen en geboden handeling. De shari`ah bevestigt dit en de Qur’ān benadrukt het. Er zijn vele ahadīth over goed zijn voor de buur en hem geen schade toebrengen.Burenverplichtingen gelden in het algemeen voor alle mensen: moslims, ongelovigen, vromen, zondaars, vrienden, vijanden, vreemden en naasten. Er is echter een verschil in benadering afhankelijk van de persoon. Degene die deze geprezen eigenschappen en goede karaktertrekken bezit en ze toepast op anderen, bereikt een hoge morele rang. Degene die streeft naar het vergroten van zulke goede eigenschappen, is afhankelijk van zijn eigen positie en rang, omdat hij iedereen het recht geeft dat hem toekomt.3. Goed doen/gastvrij zijn aan de gast (ikrām):Islamitische geleerden zijn het niet volledig eens over de status van gastvrijheid. Volgens de meerderheid, waaronder Abu Hanifah, Shāfi‘ī, Mālik en anderen, is gastvrijheid sunnah (aanbevolen). Dit komt omdat gastvrijheid behoort tot hoge morele waarden, de islamitische etiquette, en het karakter van profeten en rechtschapen mensen. De meerderheid gebruikt de uitdrukking: "Laat hij zijn gast goed behandelen en hem een geschenk geven" als bewijs.

Dit gebeurt alleen uit vrije wil, want “laat hij goed behandelen” betekent dat hij vriendelijk moet zijn.Sommigen hebben daarentegen, op basis van de letterlijke tekst van de ahadīth, beweerd dat gastvrijheid verplicht (wajib) was in de eerste jaren van de Islām.Imam Lays en Imam Ahmad hebben gesteld dat één nacht gastvrijheid verplicht is. Als bewijs voeren ze aan dat het een plicht is om de gast op de eerste nacht te ontvangen, zoals vermeld in de hadīth: "Als je gast wordt bij een volk en zij bevelen hun dienaren om voor jou te zorgen en gastvrij te zijn, accepteer dat. Zo niet, neem dan van hen wat de gastvrijheid rechtvaardigt."Er bestaat discussie over of gastvrijheid verplicht is voor bewoners van steden en bedoeïenen, of alleen voor bedoeïenen. De letterlijke betekenis van de ahadīth wijst erop dat het algemeen geldt, maar uiteindelijk weet Allah het beste.Volgens Sahâranfûrî (overleden 1346/1927), die een commentaar op Abu Dâwud schreef, zijn er drie interpretaties van de duur van het ontvangen van een gast.1. De gast een dag en een nacht maaltijden aanbieden:De gast moet speciaal voor hem bereide maaltijden krijgen. In de hadīth wordt met het woord jaizah (geschenk) dit bedoeld. Als dit geschenk niet aan de gast wordt aangeboden, wordt hij niet echt geëerd. Echter, de gast kan ook gewone dagelijkse maaltijden krijgen. In dat geval wordt hij drie dagen in huis ontvangen. Door hem op deze manier drie dagen gastvrijheid te bieden, wordt de verplichting van gastvrijheid vervuld.2. Na drie dagen drie nachten gastvrijheid:Na deze periode moet de gast voor zijn reis een dag en een nacht maaltijden krijgen, die hij mee kan nemen als voedselvoorraad. Dit is wat met jaizah wordt bedoeld. Als dit niet gebeurt, wordt de gast niet correct geëerd.3. De gast op de eerste dag en nacht persoonlijk verzorgen:Als gastheer moet men de gast heel nauw verzorgen. Hij moet speciale gerechten aanbieden en gezelschap houden, zodat de gast zich welkom voelt. Dit is wat met jaizah wordt bedoeld. Op de volgende twee dagen is het niet nodig om uitgebreide maaltijd aan te bieden; gewone maaltijden volstaan. Op deze manier wordt de verplichting tegenover de gast volledig nageleefd. Dit is de opvatting van Imam Mālik.] (HA)

De graad van deugzaamheid van de mensen van de īmān en de hoogste graad bij de mensen van Jemen

تفاضل أهل الإيمان فيه ورجحان أهل اليمن فيه٣١ - حديثُ عُقْبَةَ بْنِ عَمْرٍو أَبي مَسْعودٍ قَالَ: أَشارَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِيَدِهِ نَحْوَ الْيَمَنِ فَقالَ: الإِيمانُ يَمانٍ هَهنا، أَلا إِنَّ الْقَسْوَةَ وَغِلَظَ الْقُلُوبِ في الْفَدَّادِينَ عِنْدَ أُصولِ أَذْنابِ الإِبْلِ حَيْثُ يَطْلُعُ قَرْنا الشَّيْطانِ في رَبيعَةَ وَمُضَرَ

31-) Van Uqba ibn Amr via Abû Mas`ûd (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wees met zijn hand naar de richting van Jemen en zei:“Geloof (īmān) is daar, in Jemen. Wees gewaarschuwd, strengheid en ruwheid bevinden zich bij de schreeuwende en roepende (mensen) aan de staarten van kamelen. De plaats waar de twee horens van de satan opkomen is bij de stammen Rabī`ah en Muḍar.”

[De toeschrijving van het geloof dat aan Jemen wordt uitgelegd is als een verwijzing naar de zachte en toegankelijke aard van de mensen van Jemen in die tijd, en hun bereidheid om de Islām te accepteren. Het kan ook verwijzen naar de oorsprong van de Anṣār, die afkomstig waren uit Jemen.](AFK)

[In de betreffende ḥadīth wordt vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mensen uit Jemen prijst, terwijl hij de stammen van Rabīʿah en Muḍar bekritiseert. Nochtans is het bekend dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich bij verschillende gelegenheden waarschuwend heeft uitgesproken tegen stammenen rassenwaan, evenals tegen haatzaaiende uitspraken.Om die reden vergemakkelijkt het begrip van deze ḥadīth als men de specifieke karakteristieken van de genoemde stammen uit de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kent.

In deze overlevering, waarin de Jemenieten tegenover de stammen van Rabīʿah en Muḍar worden geplaatst, wordt in werkelijkheid een vergelijking gemaakt tussen beschaving, stedelijkheid, etiquette, beleefdheid en diepgaande religiositeit enerzijds, en bedoeïenisme, ruwheid, onwetendheid en oppervlakkige religiositeit anderzijds.Uit verschillende voorbeelden blijkt dat de mensen van Jemen in hun omgang met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) respectvol waren en streefden naar een grondig begrip van de essentie van de Islām. Behalve enkele uitzonderingen vielen de bedoeïenen, behorend tot woestijnstammen als Rabīʿah en Muḍar, echter vooral op door hun gedrag waarmee zij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in verlegenheid brachten, dat veelal egoïstisch en ontdaan was van beleefdheid.De bedoeïenen werden bovendien in de Qur’ān, met name in de sûrah al-Ḥujurāt en ook in andere surahs, over hun gedrag gewaarschuwd. Dat deze personen in de ḥadīth worden beschreven als “roepend aan de staarten van kamelen” biedt een aanwijzing voor hun bestaan en levensonderhoud, want het waren vooral bedoeïenen die zich bezighielden met het hoeden van kamelen. Zowel hun beroep als de harde, verlaten omgeving waarin zij leefden, maakten hen tot hardvochtige en ongevoelige mensen.Aan de andere kant toont deze ḥadīth dat de boodschap niet specifiek over Jemen, Muḍar of Rabīʿah gaat, maar dat in algemene zin zachtmoedigheid, inzicht, begrip en beleefdheid worden aanbevolen, terwijl ruwheid, hardheid en een gebrek aan inlevingsvermogen worden afgekeurd. De taak van de moslim is om de zuivere boodschap van de aḥadīth zo goed mogelijk te begrijpen, deze in zijn leven toe te passen en zijn akhlāq (karakter goede manieren, gedragsnormen) te verfraaien.](Diyanet)

٣٢ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: أَتاكُمْ أَهْلُ الْيَمَنِ، أَضْعَف قُلوبًا، وَأَرَقُّ أَفْئِدَةً، الْفِقْهُ يَمانٍ وَالْحِكْمَةُ يَمانِيَةٌ

32 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen van Jemen komen naar jullie toe. Ze hebben zachte harten en zachtaardige zielen. Kennis (fiqh) is Jemenitisch, wijsheid (hikmah) is Jemenitisch.”

٣٣ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: رَأْسُ الْكُفْرِ نَحْوَ الْمَشْرِقِ، وَالْفَخْرُ وَالْخُيَلاءُ في أَهْلِ الْخَيْلِ وَالإِبِلِ وَالْفَدَّادينَ أَهْلِ الْوَبَرِ، وَالسَّكينَةُ في أَهْلِ الْغَنَمِ

33-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het hoofd van het ongeloof (kufr) ligt in de richting van het oosten. Hoogmoed en met zichzelf ingenomenheid bevinden zich bij degenen die zich bezighouden met paarden en kamelen bij de schreeuwende en roepende bedoeïenen in (kameelhaar) tenten. Nederigheid en waardigheid bevinden zich bij degenen die zich bezighouden met schapen.”

[Ten tijde van deze uitspraak waren de meeste tegenstanders van de Islām in het oosten van het Arabisch schiereiland, waar de stammen Rabīʿah en Mudar gevestigd waren.] (AFK)

[Fitnah, verderf, onrustzaaierij, rassendiscriminatie, shirk (deelgenoot aan Allāh toekennen), de Dajjāl, afvalligheid, de dreiging van de zoroastrisme en andere gebeurtenissen en fenomenen waarvan wordt gezegd dat ze in het Midden-Oosten zullen plaatsvinden, worden in aḥadīth gekarakteriseerd als “de kop van het ongeloof”.In de overleveringen die spreken over de tekenen van de Dag des Oordeels (yawmu’l qiyāmah), wordt ook verwezen naar chaos en oorlogen in het Midden-Oosten. Deze regio heeft in de loop van de geschiedenis inderdaad voortdurend te maken gehad met onrust.Trots, onbeschoftheid en slechte manieren zijn karaktereigenschappen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) streng verbood. In deze ḥadīth uit hij zijn onbehagen over het feit dat deze eigenschappen wijdverbreid waren onder de bedoeïenen, de Arabische woestijnbewoners die voornamelijk als kamelenhoeders leefden.Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarschuwde de bedoeïenen herhaaldelijk voor hun gedrag, zoals luid schreeuwen, wreed optreden en werelds gericht zijn, dat niet past bij een deugdzaam leven. Aan de andere kant prees hij de bewoners van nederzettingen die een rustig, bescheiden en ingetogen leven leidden en een beschaving hadden opgericht, zoals de dorpelingen die schapen hoedden.Het doel hierbij is niet om een bepaalde soort nomadenleven te prijzen of te bekritiseren, maar om het waardevolle en cultuurrijke mensbeeld dat de Islām nastreeft, van beleefde en beschaafde mensen, onder de aandacht te brengen en aan te moedigen.](Diyanet)

[Volgens Qadı `Iyâdz wordt met “het oosten” Najd streek bedoeld. In de vorige ḥadīth werd vermeld dat de stammen Muḍar en Rabīʿa daar woonden. Deze twee stammen waren broedstammen (verwante clans die van oudsher samenleven of een gemeenschappelijke oorsprong hebben) die hun levensonderhoud verdienden met veeteelt (zoals paarden en kamelen) en landbouw. Zij stonden bekend als hardvochtig en ruw van aard, en begrepen woorden niet gemakkelijk. Ze leidden een bedoeïenenleven.

Daarom doelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , hoewel Hij hen niet bij naam noemde, in deze ḥadīth op hen gericht.] (HA)

٣٤ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: الْفَخْر وَالْخُيَلاءُ في الْفَدَّادينَ أَهْلِ الْوَبَرِ، وَالسَّكينَةُ في أَهْلِ الْغَنَمِ، وَالإِيمانُ يَمانٍ، وَالْحِكْمَةُ يَمانِيَةٌ

34-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Trots en hoogmoed zijn in de woestijnbewoners van de kamelen, kalmte is bij de mensen van de schapen, en het geloof is (afkomstig uit Jemen), en de wijsheid is Jemenitisch.”Abû `Abdullah Bukhārī zei: “Jemen is genoemd naar de rechterkant van de Ka`bah, en ash-Shām is genoemd naar de linkerkant van de Ka`bah.”Uitleg dat godsdienst (dīn) een advies isبيان أن الدين النصيحة٣٥ - حديث جَريرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ قَالَ بايَعْتُ النَّبِيَّ ﷺ عَلى السَّمْعِ وَالطَّاعَةِ، فَلَقَّنَني فِيما اسْتَطَعْتُ، وَالنُّصْحِ لِكلِّ مُسْلِمٍ

35-) Van Jarir ibn `Abdullah (رضي الله عنه): Ik heb trouw gezworen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (om zijn bevelen) op te volgen en te gehoorzamen Hij bracht mij bij: “Voor zover ik daartoe in staat ben”, en het geven van oprecht advies (nasīhah) aan elke moslim.”

[Het woord “nuṣḥ” betekent “advies” of “raadgeving”.In het Arabisch echter heeft het woord een diepere betekenis: het betekent oprechte verlangen naar het goede voor degene aan wie men raad geeft.De hadīth benadrukt dat nasīḥah (oprechte raadgeving) een centrale plaats in de religie inneemt en zelfs de kern van de dīn vormt.De vormen van nasīḥah worden als volgt uitgelegd:1. Nasīḥah voor Allah:Dat betekent in Allah geloven, geen deelgenoten aan Hem toekennen, Hem beschrijven met volmaakte en prachtige eigenschappen, Hem vrij achten van alle tekortkomingen, Hem met volledige overgave gehoorzamen en ongehoorzaamheid vermijden.Het houdt ook in: liefhebben omwille van Allah, haten omwille van Allah, de gehoorzame liefhebben en de ongehoorzame haten, Zijn gunsten erkennen en daarvoor danken.

2. Nasīḥah voor Zijn Boek (de Qur’ān):Geloven dat het het Woord van Allah is, dat het niet lijkt op enig menselijk woord, het beschermen tegen valse interpretaties en aanvallen, en het op de juiste manier reciteren, begrijpen en toepassen.

3.

Nasīḥah voor Zijn Nabī (صلى الله عليه وسلم)Geloof hechten aan zijn zending, volledig geloven in alles wat hij heeft gebracht, gehoorzaam zijn aan zijn bevelen en verboden, zijn vijanden tot vijanden nemen en zijn vrienden tot vrienden, zijn boodschap verspreiden en zijn sunnah tot een levend voorbeeld maken.

4. Nasīḥah voor de leiders van de moslims:Hen ondersteunen in het goede, hen gehoorzamen in wat juist is, hen met oprechtheid adviseren, hen wijzen op hun fouten, hen aansporen tot barmhartigheid en rechtvaardigheid tegenover moslims en niet-moslims onder hun gezag, en hen waarschuwen wanneer zij onrecht of onderdrukking begaan.De hadīth maakt duidelijk dat nasīḥah (oprechte raad en goedheid) zo essentieel is dat het synoniem kan worden genoemd met dīn (de religie zelf). De dīn bestaat immers niet enkel uit woorden, maar ook uit daden.] (HA)

Uitleg over de afname van het geloof door zonden en het ontkennen ervan voor degene die zich in zonde bevindt, met de bedoeling om de onvolledigheid ervan te verduidelijken

بيان نقصان الإيمان بالمعاصي ونفيه عن المتلبس بالمعصية على إرادة نفي كماله٣٦ - حديثُ أَبي هُرَيْرَةَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: لا يَزْنِي الزَّانِي حِينَ يَزْني وَهُوَ مُؤْمِنٌ، وَلا يَشْرَبُ الْخَمْرَ حِينَ يَشْرَبُهَا وَهُوَ مُؤْمِنٌ، وَلا يَسْرِقُ السَّارِقُ حِينَ يَسْرِقُ وَهُوَ مُؤْمِنٌ

وزَادَ في رِوايَةٍ وَلا يَنْتَهِبُ نُهْبَةً ذَاتَ شَرَفٍ يَرْفَعُ النَّاسُ إِلَيْهِ أَبْصارَهُمْ فِيها حِينَ يَنْتَهِبُها وَهُوَ مُؤْمِنٌ

36-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Een persoon die overspel pleegt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig (mu’min) is. Een persoon die alcohol drinkt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig is. Een persoon die steelt, kan dit niet doen terwijl hij (volmaakt) gelovig is.”In een andere overlevering zei hij: “Een onrechtvaardige persoon met een hoge positie die in het bijzijn van de mensen plundert, kan tijdens het plunderen geen volmaakte gelovige zijn’.

[Volgens aḥadīth die hierna volgen heeft de aardsengel Jibrīl (عليه السلام) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geïnformeerd dat wie sterft zonder afgoderij te plegen (shirk), het Paradijs zal binnengaan. Aangezien ongelovigen het Paradijs niet kunnen binnengaan, blijkt uit deze overleveringen dat hoewel overspel en diefstal grote zonden zijn, degenen die deze daden begaan en geen afgoderij plegen of ongeloof aannemen, nog steeds binnen het bereik van het geloof blijven. De woorden 'Een persoon die overspel pleegt, kan dit niet doen terwijl hij gelovig is' worden daarom uitgelegd als een waarschuwing dat zulke daden een gelovige onwaardig zijn en dat een gelovige zich verre dient te houden van dergelijke handelingen.](AFK)

[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft tegen bepaalde zonden die kunnen leiden tot het afdwalen van de islamitische weg ernstig gewaarschuwd. Deze daden, bekend als kabāʾir (grote zonden), worden in aḥadīth zelfs beschreven als handelingen die duiden op ongeloof (kufr).

Wanneer deze overleveringen worden gelezen naast andere aḥadīth die aangeven dat degene die “lā ilāha illallāh” zegt een gelovige (mu’min) is, en samen met de gedragingen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in zijn leven, kan men concluderen dat hij in deze waarschuwingen een overdreven manier van uitdrukken, waarbij iets veel groter wordt voorgesteld dan het eigenlijk is, gebruikte om de ernst van deze zonden te benadrukken.In deze context kan de ḥadīth begrepen worden als: “Wie deze zonden begaat, stelt zich op zoals ongelovigen die de grenzen van de Islām niet erkennen,” of “Wie deze zonden begaat, is ondankbaar voor de zegen van het geloof die Allāh hem heeft geschonken.” Het betekent echter niet dat iemand die diefstal, overspel of alcoholgebruik pleegt, onmiddellijk als ongelovige (kāfir) moet worden beschouwd. Desalniettemin vestigt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de aandacht op de gevaren van deze zonden en benadrukt dat geloof altijd gepaard moet gaan met voorzichtigheid en waakzaamheid.Men mag nooit vergeten dat zonden iemand van perfect geloof kunnen beroven, dat hardnekkige zonde iemand van de leiding naar de dwaling kan brengen, en uiteindelijk naar ongeloof. Daarom mag geen enkele zonde lichtvaardig worden opgevat of worden verwaarloosd.] (Diyanet)

[In deze context geldt dat wanneer iemand zonden begaat (overspel plegen, alcohol drinken, stelen of iets van de oorlogsbuit verduisteren) zolang hij deze daden niet als toegestaan (ḥalāl) beschouwt, staat de deur van berouw (tawbah) open. Als hij oprecht berouw toont, wordt zijn straf kwijtgescholden.Maar als hij sterft zonder berouw te hebben getoond, dan ligt zijn zaak bij Allah: als Hij wil, vergeeft Hij hem, en als Hij wil, vergeeft Hij hem niet.Gelovigen die zulke zonden begaan, treden niet uit de Islām; zij blijven mu’min (gelovigen), maar zijn zondig.Door het begaan van zulke zonden verzwakt hun geloof (īmān).

Allah kent de zwakheden van Zijn dienaren, zowel die welke voortkomen uit hun eigen neigingen als die welke door de misleidingen van de shayṭān ontstaan. Daarom heeft Hij, uit genade voor de zondaars, de deur van berouw voor hen altijd open gelaten. Zolang de ziel nog niet de keel heeft bereikt (dus zolang men nog leeft), wordt een oprecht berouw altijd aanvaard.] (HA)

{ In een hadîth staat: Van `Abdullah ibn Mas’ûd (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Iedere profeet die Allah vóór mij tot een gemeenschap gezonden heeft, had in die gemeenschap discipelen (hawariyûn) en metgezellen (ashāb) die vasthielden aan zijn sunnah en hem navolgden. Maar na hun dood komen dan de (slechte) generaties, die zeggen wat zij niet doen en doen wat hun niet bevolen wordt. Wie hen bestrijdt met zijn hand is een gelovige. Wie hen bestrijdt met zijn tong is een gelovige. Wie hen bestrijdt met zijn hart is een gelovige. Buiten dat is er geen geloof, zelfs geen mosterdzaadje."En van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Een ontuchtige is niet (een ware) gelovig op het moment dat hij ontuchtig is. Een dief is niet (een ware) gelovig op het moment dat hij steelt. Een drinker is niet (een ware) gelovig op het moment dat hij drinkt. Maar berouw daarna kan worden aanvaard."}

Uitleg over de eigenschappen van de huichelaar

بيان خصال المنافق٣٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: أَرْبَعٌ مَنْ كنَّ فِيهِ كَانَ مُنافِقًا خَالِصًا، وَمَنْ كانَتْ فِيهِ خَصْلَةٌ مِنْهُنَّ كانَتْ فِيهِ خَصْلَةٌ مِنَ النِّفاقِ حَتّى يَدَعَهَا: إِذا اؤْتُمِنَ خَانَ، وَإِذا حَدَّثَ كَذَبَ، وَإِذا عاهَدَ غَدَرَ، وَإِذا خَاصَمَ فَجَرَ

37-) Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn vier eigenschappen die iemand een pure/volkomen huichelaar (munāfiq) maken. Bij wie één van deze eigenschappen aanwezig is, zal een eigenschap van huichelarij in zich dragen totdat hij het opgeeft: - als hem iets wordt toevertrouwd, verraadt hij het; - als hij spreekt, liegt hij; - als hij een belofte doet, pleegt hij verraad; - en als hij vijandig is, wendt hij van de waarheid.”

[Kenmerken van de munāfiq: Imām Bukhārī heeft, nadat hij heeft uiteengezet dat ongeloof en onrecht verschillende graden kennen, vermeldt dat ook nifāq (huichelarij) zo is. Het feit dat in de ḥadīth slechts drie tekenen van de munāfiq genoemd worden, is omdat deze drie de overige aanwijzen. Zaken die de dīn aangaan worden namelijk samengevat in drie elementen: het woord, de daad en de intentie.](HY)

[Een munāfiq is iemand die in zijn hart ongelovig is, maar zich uiterlijk als moslim voordoet.Als deze dubbele houding betrekking heeft op het geloof (īmān), dan is zijn huichelarij een vorm van ongeloof (kufr).

Maar als het niet om geloof gaat, maar om daden (ʿamal), dan is zijn huichelarij handeling-gerelateerd (praktische huichelarij).In deze overlevering wordt met ‘nifāq’ (huichelarij) niet het geloofsgerelateerde bedoeld, maar het daad-gerelateerde.Want zulke gedragingen komen niet voor bij volmaakte (kāmil) moslims, maar juist bij munāfiqûn.Een moslim die zich aan zulke daden schuldig maakt, vertoont uiterlijk gelijkenis met de munaafiq vanwege zijn gedrag. Daarom worden moslims gewaarschuwd om zich van dergelijke eigenschappen te onthouden.De ware moslim is degene die:- niet liegt wanneer hij spreekt,- zijn beloften nakomt,- rechtvaardig blijft in een meningsverschil,- en wanneer hem iets wordt toevertrouwd, dit getrouw bewaart en teruggeeft aan de rechtmatige eigenaar.Op deze manier wordt er een duidelijke scheidslijn getrokken tussen de echte gelovige moslim en de moslim met zwakke daden.] (HA)

٣٨ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: آيَةَ الْمُنافِق ثَلاثٌ: إِذا حَدَّثَ كَذَب، وَإِذا وَعَد أَخْلَفَ، وَإِذا اؤْتُمِنَ خَانَ

38) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tekenen van een huichelaar (munāfiq) zijn drie: - als hij spreekt, liegt hij; - als hij een belofte doet, verbreekt hij die; - en als hem iets wordt toevertrouwd, pleegt hij verraad.”

[Het woord 'huichelaar' (munāfiq) verwijst naar iemand die innerlijk iets anders gelooft dan wat hij uiterlijk toont. In het Arabisch wordt dit vaak als 'twee gezichten' omschreven. Een huichelaar is gevaarlijker dan een ongelovige en zijn plaats in het Hellevuur is ernstiger.

Allahu تعالى zegt hierover: إِنَّ ٱلۡمُنَٰفِقِينَ فِي ٱلدَّرۡكِ ٱلۡأَسۡفَلِ مِنَ ٱلنَّارِ وَلَن تَجِدَ لَهُمۡ نَصِيرًا ١٤٥

Waarlijk, de hypocrieten zullen in de laagste diepte van het Vuur zijn, jullie kunnen geen helper voor hen vinden. (sûrah an-Nisa: 145)Er zijn verschillende interpretaties over de tekenen van hypocrisie in deze overlevering. Kunnen we bijvoorbeeld iemand die liegt meteen een huichelaar noemen? Sommige geleerden zeggen van wel, terwijl anderen stellen dat zo'n persoon niet dezelfde status heeft als een echte huichelaar die zich als moslim voordoet terwijl hij innerlijk ongelovig is.](AFK)

Uitleg over de toestand van het geloof van degene die tegen zijn moslimbroeder zegt 'jij bent een ongelovig’

بيان حال إيمان من قال لأَخيه المسلم يا كافر٣٩ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: أَيُّما رَجُلٍ قالَ َلأخيهِ يا كافِرُ فَقَدْ باءَ بِها أَحَدَهُما39-) Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Als iemand zijn (moslim) broeder een ongelovige (kāfir) noemt, keert dit woord terug naar een van hen”. [Als het waar is wat men zegt, is het geen probleem; maar als het niet waar is, dan keert het terug naar degene die het gezegd heeft (en wordt hij zelf een ongelovige)].' (AFK)

[Een persoon die de Kalimah ash- Shahādah uitspreekt en de īmān-principes aanvaardt, wordt tot de moslimgemeenschap gerekend, ook al is hij zondig.

Wij zien dat de toepassing en de aansporingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in deze richting zijn. Wanneer iemand verklaart dat hij moslim is, maar toch zegt dat hij kāfir is, betekent dit dat men op basis van slechte veronderstelling (sû-i ẓan) die persoon buitensluit uit de ummah.Niemand heeft het recht om het geloof (īmān) in het hart van een ander te meten, op de proef te stellen of te beoordelen. Zo’n zware veronderstelling zou verdeeldheid in de ummah aanwakkeren en de sfeer van broederschap en vertrouwen ondermijnen.Dit gedrag, dat “takfīr” wordt genoemd, hebben de moslims in de geschiedenis zwaar moeten bekopen, en ook vandaag de dag ondervinden wij daar nog steeds de gevolgen ervan. De waarschuwing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) eeuwen geleden had als doel de poort van fitnah te sluiten.Uiteindelijk maakt de ḥadīth duidelijk dat degene die er geen bezwaar in ziet om zijn geloofsbroeder een kāfir te noemen, in werkelijkheid zelf onder het gewicht van zo’n beschuldiging zal bezwijken. Door deze spiegeling wordt de ernst van de zaak benadrukt.] (Diyanet)

[Takfīr (het verklaren van iemand als ongelovige) is een kwestie die zowel ʿilm al-kalām (theologie) als fiqh (islamitische jurisprudentie) bezighoudt. Daarom is het moeilijk te zeggen dat iemand die de fijne kneepjes van deze wetenschappen niet kent, een correct oordeel kan vellen over takfīr.Degene die een takfīr-uitspraak doet, moet:

De controversiële kwesties binnen de kalām diepgaand begrijpen,

De fijnheden van fiqh en fiqh-methodologie doorgronden,

En op basis daarvan een situatie beoordelen en tot een goed onderbouwd oordeel komen.

Dit is belangrijk omdat iemand als ongelovige verklaren binnen het domein van het geloof grote juridische en religieuze gevolgen heeft:

Zijn bloed mag vergoten worden,

Zijn vrouw mag van hem scheiden,

Zijn begrafenisṣalāh mag niet worden verricht,

Hij mag niet worden begraven op een moslimbegraafplaats,

En in het Hiernamaals wordt aangenomen dat hij eeuwig in de Hel verblijft.

Het vaststellen van zulke ingrijpende gevolgen vereist dat degene die takfīr toepast voldoet aan welomschreven voorwaarden. Daarom kunnen mensen die onervaren, onkundig of opportunistisch zijn, mensen die hun eigen rijkdom, macht of roem willen vergroten, niet zomaar takfīr uitspreken tegen anderen.Om deze redenen hebben de meeste geleerden van Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah in de disciplines kalām en fiqh zich ingehouden en voorzichtigheid en rechtvaardigheid betracht bij takfīr. Zij vermijden het om willekeurig iemand als ongelovige te verklaren. Zo zeggen de geleerden: "Zelfs als iemand een grote zonde heeft begaan, verklaren wij niemand die de salāh verricht in de richting van de Qiblah als ongelovige."De reden dat islamitische geleerden zo voorzichtig en tolerant zijn bij takfīr, is dat het zeer moeilijk is om het te beoordelen. En de toepassing van takfīr leidt tot diepgaande en ernstige juridische en maatschappelijke gevolgen.De geleerden die kennis, rechtvaardigheid en verdraagzaamheid belichamen, achten iemand die de shahādah uitspreekt en zichzelf moslim noemt, niet als ongelovige. Zij volgen hiermee ook het voorbeeld van de Beste der Schepselen, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), in zijn handelingen.“Iemand die zoals wij ṣalāh verrichten, zich naar onze qiblah richt en eet wat wij geslacht hebben, wordt beschouwd als onder de bescherming van Allah en Zijn Boodschapper (صلى الله عليه وسلم). Overschrijd daarom niet het verbond en de garantie die Allah heeft gegeven door zulke mensen te doden.”“Wie iemand een ongelovige noemt, of hem zonder reden ‘O vijand van Allah’ noemt, zal merken dat zijn eigen woorden op hem terugvallen.”“Een gelovige vervloeken is alsof je hem gedood hebt.

Een gelovige beschuldigen van ongeloof is alsof je hem vermoord hebt.”De Jemenitische geleerde en ḥadīth-geleerde Ibn al-Wazīr (overl. 840/1436) zegt over dit onderwerp:“Als we iedereen die we tegenkomen zouden verklaren tot ongelovige, zouden we een zeer grote gemeenschap als ongelovig bestempelen. Het is door Allahs genade dat we dit niet hebben gedaan.”Ook Imām Ghazālī stelt in zijn werk al-Iqtisād fī’l-ʿItiqād dat takfīr niet naar willekeur kan worden toegepast, maar slechts op basis van duidelijke kennis en bewijs.] (HA)

{ In een andere hadîth staat: Van `Abdullah ibn `Umar (رضي الله عنهما):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Als iemand tegen zijn broeder zegt: 'Ongelovige!' slaat het op één van hen beiden. Als het is zoals hij zegt, slaat het op die ander, en anders op hem zelf."}

Uitleg over de geloofstoestand van iemand die zich bewust van zijn vader afwendt

بيان حال إيمان من رغب عن أبيه وهو يعلم٤٠ - حديث أَبي ذَرٍّ ﵁ أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لَيْسَ مِنْ رَجُلٍ ادَّعَى لِغَيْرِ أَبيهِ وَهُوَ يَعْلَمُهُ إِلاَّ كَفَرَ، وَمَنِ ادَّعى قَوْمًا لَيْسَ لَهُ فِيهِمْ نَسَبٌ فَلْيَتَبَوَّأْ مَقْعَدَهُ مِنَ النَّارِ40-) Van Abû Dzar (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie bewust iemand anders dan zijn vader als vader opgeeft, is niets anders dan een ongelovige/ondankbare (tegenover zijn eigen vader). Wie beweert te behoren tot een stam waarmee hij geen familieband heeft, laat hem zijn plaats in het Hellevuur voorbereiden.'

[Wat in deze ḥadīth wordt bedoeld, is dat iemand bewust zijn eigen afstamming negeert en beweert dat hij de zoon is van iemand anders, en dat die ander zijn echte vader zou zijn. Deze praktijk was zeer gebruikelijk in de tijd van de jāhiliyyah en werd niet vreemd gevonden. Op deze manier kon iemand het kind van een ander adopteren en werd dat kind daarna bekend als ‘zoon van die persoon’. Met de komst van de Islām werd deze praktijk afgeschaft door het vers:

ٱدۡعُوهُمۡ لِأٓبَآئِهِمۡ هُوَ أَقۡسَطُ عِندَ ٱللَّهِۚ فَإِن لَّمۡ تَعۡلَمُوٓاْ ءَابَآءَهُمۡ فَإِخۡوَٰنُكُمۡ فِي ٱلدِّينِ وَمَوَٰلِيكُمۡۚ وَلَيۡسَ عَلَيۡكُمۡ جُنَاحٞ فِيمَآ أَخۡطَأۡتُم بِهِۦ وَلَٰكِن مَّا تَعَمَّدَتۡ قُلُوبُكُمۡۚ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمًا ٥

Noem hen bij (de namen van) hun vaders, dat is juister (en rechtvaardiger) in het aangezicht van Allah. Maar als jullie hun (echte) vaders niet kennen (noem hen dan) jullie broeders in geloof (waarin jullie werden samengebracht) of jullie vrienden.

En er rust geen zonde op jullie als jullie (onbewust) een fout begaan, maar wel in wat jullie harten zich hebben voorgenomen. En Allah is Vergevingsgezind, Genadevol. (surah al-Ahsab, 33:5)

Hierdoor wordt ieder kind nu aan zijn werkelijke vader toegeschreven. Het laat zien dat iemand bewust aan een andere dan zijn echte vader toeschrijven een daad van ondankbaarheid is, en dat dit gedrag niet juist is. Het is verboden zich iets toe te eigenen dat volgens de Sharīʿah niet toebehoort, ongeacht of het eigendomsrecht van een ander wordt geschonden. In onze tijd trachten mensen door list of bedrog bezit te verwerven dat hen niet toekomt, iets dat duidelijk in strijd is met de Sharīʿah.] (HA)

٤١ - حديثُ أَبي هُرَيْرَةَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لا تَرْغَبُوا عَنْ آبائِكِمْ فَمَنْ رَغِبَ عَنْ أَبيهِ فَهُوَ كُفْرٌ41-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Keert jullie niet af van je vaders en wees hen niet ontrouw. Wie zich van zijn vader afkeert, pleegt ongeloof/ondankbaarheid (tegenover de familie).”

٤٢ - حديثُ سَعْدِ بْنِ أَبي وَقَّاصٍ وَأَبي بَكْرَةَ قَالَ سَعْدٌ سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَنِ ادَّعى إِلى غَيْرِ أَبيهِ وَهُوَ يَعْلَمُ أَنَّهُ غَيْرُ أَبيهِ فَالْجَنَّةُ عَلَيْهِ حَرامٌ فَذُكِرَ َلأبي بَكْرَةَ فَقَالَ: وَأَنا سَمِعَتْهُ أُذُنايَ وَوَعاهُ قَلْبي مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ

42-) Van Sa'd ibn Abi Waqqas (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'Wie, terwijl hij weet dat iemand niet zijn vader is, toch beweert dat diegene zijn vader is, voor hem zal het Paradijs verboden (ḥarām) worden.'Toen deze overlevering aan Abû Bakrah werd verteld, zei hij: “Ook ik heb dit met mijn twee oren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord en mijn hart heeft het onthouden.”

[In sommige overleveringen, zoals in Ṣaḥīḥ Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim, wordt vermeld dat het afwijzen van je vader of het ontkennen van je vader om iemand anders als vader te claimen, wordt beschouwd als ongeloof en met het Hellevuur wordt bestraft. Soms gebeurt dit om een deel van een erfenis te verkrijgen. Daarom heeft Bukhāri deze overlevering ook in het hoofdstuk over erfenis opgenomen. Het ongeloof van deze daad kan op twee manieren worden geïnterpreteerd: ofwel als werkelijk afvalligheid van het geloof, ofwel als ondankbaarheid. Hoe dan ook, in beide gevallen zal zo iemand tot de bewoners van het Hellevuur behoren.](AFK)

Uitleg over de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : 'Het uitschelden van een moslim is zondig gedrag (fusûq), en het vechten tegen hem is ongeloof (kufr)’

بيان قول النبيّ ﷺ سباب المسلم فسوق وقتاله كُفر٤٣ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعودٍ أَنَّ النَّبِيّ ﷺ قَالَ: سِبَابُ الْمُسْلِم فُسُوقٌ وَقِتالُهُ كُفْرٌ43-) Van `Abdullah ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een moslim uitschelden is zondig gedrag (fusûq), en tegen hem strijden is ongeloof (kufr).”

[Als iemand een moslim doodt enkel omdat hij moslim is en diens geloof afwijst, wordt dit tot ongeloof gerekend. Als iemand echter een moslim doodt vanwege persoonlijke redenen of per ongeluk, hoewel dit een grote zonde is, wordt dit niet als ongeloof gerekend. Het uitschelden van een moslim is kenmerkend voor zondaren, terwijl het strijden tegen moslims een kenmerk van ongelovigen is.] (AFK)

[‘Fusûq’ betekent het verlaten van de juiste weg. Dit begrip wordt duidelijk uit de Qur’ān verzen waarin de satan wordt beschreven als iemand die het bevel van zijn Rab heeft verlaten:وَلَٰكِنَّ ٱللَّهَ حَبَّبَ إِلَيۡكُمُ ٱلۡإِيمَٰنَ وَزَيَّنَهُۥ فِي قُلُوبِكُمۡ وَكَرَّهَ إِلَيۡكُمُ ٱلۡكُفۡرَ وَٱلۡفُسُوقَ وَٱلۡعِصۡيَانَۚ أُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلرَّٰشِدُونَ ٧…Maar Allāh heeft het geloof voor jullie geliefd gemaakt en het in jullie harten mooi gemaakt en Hij heeft jullie een afkeer doen hebben van het ongeloof, zware zonden en opstandigheid. Zij zijn de rechtgeleiden. (sûrah Hujjiraat 49/7) ]

[Wanneer een daad nietig wordt, wordt de (spirituele) beloning (sawāb) voor de verrichte handeling aan de persoon onthouden.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei in één van zijn uitspraken: “Onrecht (ẓulm) is drieërlei” en hij verdeelde de zonden in drie categorieën: zonden tegenover Allāh, zonden tegenover de mensen en zonden tegenover zichzelf (nafs/ziel).

Hij gaf aan dat wat tegenover Allāh begaan wordt, in de vorm van shirk, zal niet vergeven worden door Allāh. Het onrecht dat de mensen wordt aangedaan, laat Allāh over aan de mensen zelf. En wat tegenover zichzelf begaan wordt, hangt af van Zijn wil (mashī’ah): als Hij wil, straft Hij het, en als Hij wil, vergeeft Hij het. De saḥābah waren allen bang voor nifāq (huichelarij). Ook vreesden zij zelf een munāfiq te kunnen zijn.] (HY)

[Het begrip “kufr” hier verwijst naar ondankbaarheid jegens de door Allah gegeven zegeningen, en betekent niet het verlaten van de Islām. Volgens de consensus (ijmāʿ) van de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah kan een gelovige niet als ongelovige worden verklaard alleen omdat hij:

strijdt tegen andere moslims,

andere zonden begaat dan shirk (polytheïsme), of

omwille van noodzakelijke religieuze redenen kan men iets ḥarām als ḥalāl behandelen.

Het gebruik van het woord “kufr” in dit soort gevallen dient als een waarschuwing of aansporing tot voorzichtigheid, niet als letterlijke takfīr.

Verder wordt hier aangegeven dat:

iemand die een moslim uitscheldt enkel vanwege diens geloof een fasīk (zondaar) is,

en wie hem doodt vanwege diens geloof een kāfir is.

Maar als iemand een moslim per ongeluk of vanwege persoonlijke kwesties doodt, wordt hij niet als ongelovige beschouwd.

Het beledigen van een moslim is het ontkennen van zijn rechten, want Allah heeft de moslims tot broeders gemaakt, hen geboden elkaar lief te hebben, te respecteren en goed voor elkaar te zorgen.

Ongeacht hoe men het woord “kufr” interpreteert, wijst de ḥadīth erop dat:

de rechten van een moslim groot en verheven zijn,

en dat respect voor deze rechten essentieel is, terwijl het niet naleven ervan slechte consequenties heeft.

Het doel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hier is om te benadrukken dat:

het uitschelden van moslims een praktijk van de fasīkīn (zondaars) is,

en strijd tegen moslims een praktijk van de kāfirīn (ongelovigen) is.] (HA)

(Uitleg van de ḥadīth van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “ Word na mij niet ongelovigen, door elkaars nekken af te hakken (gedraag je niet volgens de moraal van de ongelovigen)’

لا ترجعوا بعدي كفارًا يضرب بعضكم رقاب بعض

٤٤ - حديثُ جَريرٍ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ لَهُ في حَجَّةِ الْوَداعِ: اسْتَنْصِتِ النَّاسَ، فَقالَ: لا تَرْجِعُوا بَعْدي كُفَّارًا يَضْرِبُ بَعْضُكُمْ رِقابَ بَعْضٍ

44-) Van Jarīr (رضي الله عنه): Tijdens zijn Afscheidsbedevaart zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Laat de mensen stil zijn en luisteren.”Daarna zei hij: “Word na mij niet ongelovigen door elkaars nekken af te hakken.”[Imām Ibn Battāl zei: “In de ḥadīth wordt duidelijk dat zwijgen en luisteren naar de woorden van een geleerde (ʿālim) de houding is die een leerling of een vragensteller behoort aan te nemen. Want de geleerden (ʿulamāʾ) zijn de erfgenamen van de profeten. Sufyān ath-Thawrī en anderen zeiden: “Het begin van kennis is luisteren, daarna zwijgen, vervolgens memoriseren, en ernaar handelen en tenslotte het verspreiden ervan.”] (HY)

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak deze woorden tijdens zijn afscheidsrede. Daarmee waarschuwde hij de metgezellen en alle moslims die na hen zouden komen, dat zij goed met elkaar moesten omgaan en niet worden zoals de ongelovigen die elkaar afmaken. De ongelovigen worden hier als voorbeeld genoemd vanwege hun slechte houding, namelijk dat zij om allerlei redenen elkaar vermoorden. Dit voorbeeld dient als waarschuwing aan de moslims dat zij zich niet aan zo’n afkeurenswaardige daad schuldig moeten maken. Toch blijkt uit de latere historische gebeurtenissen dat de raad van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door veel moslims na hem niet voldoende in acht is genomen.] (HA)

٤٥ - حديثُ ابْنِ عُمَرَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: وَيْلَكُمْ أَوْ وَيْحَكُمْ، لا تَرْجِعُوا بَعْدي كُفَّارًا يَضْرِبُ بَعْضُكُمْ رِقابَ بَعْضٍ

45-) Van `Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما):Tijdens de Afscheidsbedevaart zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Ach, wat triest of jammer voor jullie! Gedraagt jullie na mij niet zoals de ongelovigen die elkaars nekken afhakken.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) waarschuwt ons voor iedere fitnah die ons als mensen kan overkomen.

Wat er ook gebeurt, hij beveelt ons niet te handelen naar gevoelens, maar te handelen volgens de geopenbaarde teksten (nas: Qur’ān en sunnah), en om Allāh te vrezen. Hij waarschuwt ons: neem de eigenschappen van de ongelovigen niet over, handel niet naar willekeur en wees niet iemand die vandaag een vriend is, maar morgen, om welke aanleiding dan ook, direct tegen het leven van zijn broeder staat.] (HY)

Uitleg van iemands ongeloof (kufr) die zegt: “Wij zijn door de ster(renstand) van regen voorzien”

بيان كفر من قال مطرنا بالنوء٤٦ - حديث زَيْدِ بْنِ خالِدٍ الْجُهَنِيِّ قَالَ: صَلّى لَنا رَسُولُ اللهِ ﷺ صَلاةَ الصُّبْحِ بالحُدَيْبِيَةِ عَلى إِثْرِ سَماءٍ كانَتْ مِنَ اللَّيْلَةِ، فَلَمّا انْصَرَفَ أَقْبَلَ عَلى النَّاسِ فَقالَ: هَلْ تَدْرُونَ مَاذا قَالَ رَبُّكُمْ قَالوا اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ قَالَ: أَصْبَحَ مِنْ عِبادي مُؤْمِنٌ بِيَ وَكافِرٌ، فَأَمّا مَنْ قَالَ مُطِرْنا بِفَضْلِ اللهِ وَرَحْمَتِهِ فَذَلِكَ مُؤْمِنٌ بِيَ وَكافِرٌ بِالْكَوْكَبِ وَأَمّا مَنْ قَالَ مُطِرْنا بِنَوْءِ كَذا وَكَذا فَذَلِكَ كافِرٌ بِيَ وَمُؤْمِنٌ بِالْكَوْكَبِ

46-) Van Zayd ibn Khālid al-Juhanī (رضي الله عنه) : Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte met ons de ṣalāh al-fajr in al-Hudaybiyah, terwijl het 's nachts geregend had. Toen hij klaar was wendde hij zich tot de mensen en zei: Weten jullie wat jullie Rab gezegd heeft?'Allāh en Zijn Rasûl weten het het best', riepen ze.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Hij heeft gezegd: Sommigen van Mijn dienaren zijn vanochtend als mu'min (gelovig) en anderen als kāfir (ongelovig) opgestaan.Degenen die zeggen: We hebben regen gehad door de goedheid en barmhartigheid van Allāh, die geloven in Mij en niet in de sterren. Maar zij die zeggen: We hebben regen gehad doordat die-en-die ster opkwam of onderging, die geloven niet in Mij, maar in de sterren.'

[Deze hadīth geeft aan dat het ongeloof (kufr) is om door naar de sterren te kijken en uitspraken te doen over gebeurtenissen die op aarde zullen plaatsvinden, en te geloven dat deze gebeurtenissen niet door het goddelijk besluit (qaḍāʾ) van Allah plaatsvinden.

Degene die beweert kennis te hebben van het onwaarneembare (ghayb), wordt als een ongelovige (kāfir) aangemerktTegelijkertijd wordt benadrukt dat het toegestaan en waardevol is om zich met de wetenschap van de astronomie bezig te houden, mits men gelooft dat Allah de Schepper van alle gebeurtenissen is. Omdat het de kennis over de schepping verdiept en het geloof in Allah versterkt, heeft deze wetenschap een belangrijke en nobele plaats.] (HA)

Het bewijs dat het houden van de Anṣār een teken van geloof is

الدليل على أن حب الأَنصار من الإيمان٤٧ - حديث أَنَسٍ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: آيَةُ الإيمانِ حُبُّ الأَنْصارِ، وَآيَةُ النِّفاقِ بُغْضُ الأَنْصارِ47-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Liefde voor de Anṣār (Helpers) is een teken van geloof, en vijandschap tegen de Anṣār is een teken van hypocrisie (nifāq).”

[Mensen uit Madīnah die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hielpen, namelijk de stammen van Aws en Khazraj, worden Anṣār genoemd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde hen Anṣār, wat een speciale naam voor hen werd. Deze naam werd later ook gebruikt voor hun kinderen, deelgenoten en vrienden. Afgunst (hasad) veroorzaakt haat, oftewel niet houden van, en afkeer. Daarom heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gewaarschuwd voor haat en afkeer, terwijl hij liefde heeft aangemoedigd. Daarom heeft hij liefde voor hen als tekenen van geloof en haat als teken van hypocrisie verklaard. In een ḥadīth in Ṣaḥīḥ Muslim zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen `Alī (رضي الله عنه): “Alleen de gelovige houdt van jou, en alleen de huichelaar haat jou.” Het liefhebben van de Anṣār verwijst naar het koesteren van liefde voor de moslims van Madīnah in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), die hem ontvingen en steunden. Het kan tevens betekenen dat men liefde heeft voor allen die de Islām ondersteunen. (AFK)

[Volgens de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah is na Abū Bakr, ʿUmar en ʿUthmān de meest vooraanstaande persoonlijkheid van de ummah ʿAlī (رضي الله عنه), de vierde kalief van de Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn schoonzoon. Hem liefhebben, iemand die vanaf jonge leeftijd zich volledig aan de Islām wijdde en met al zijn kracht grote diensten en opofferingen voor de religie verrichtte, is zeker een kenmerk van een gelovige. Hem haten zonder legitieme reden is daarentegen het werk van een huichelaar (munāfiq). Wat betreft ʿAlī (رضي الله عنه): de beoogde liefde is een gepaste en juiste genegenheid, zonder overdrijving (ifrāt). Overmatige liefde is niet verplicht, wordt niet als bewijs van īmān beschouwd, en kan zelfs leiden tot afwijking of ongeloof.] (HA)

٤٨ - حديث الْبَراء قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الأَنْصارُ لا يُحِبُّهُمْ إِلاَّ مُؤْمِنٌ، وَلا يُبْغِضُهُمْ إِلاّ مُنافِقٌ، فَمَنْ أَحَبَّهُمْ أَحَبَّهُ اللهُ، وَمَنْ أَبْغَضَهُمْ أَبْغَضَهُ اللهُ

48-Van al-Barā (Ibn Aazib) (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Alleen de gelovigen hebben de Anṣār lief en alleen de huichelaars haten hen. Wie hen liefheeft, Allāh zal hen liefhebben. Wie hen haat, Allāh zal hen haten.'

[Hier wordt met al-Ansār bedoeld: de moslims uit Madīnah, die hun huizen en harten openden voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de Muhājirīn (رضي الله عنهم), hen gastvrij ontvingen, hen beter behandelden dan hun eigen familie, hun bezittingen en levens aan hen toevertrouwden, vrienden als vrienden en vijanden als vijanden behandelden, alle mogelijke hulp verleenden en zich inspanden voor de verheffing van de Islām.Tegelijkertijd kan de term ook verwijzen naar iedereen die de Islām en de moslims ondersteunt. Het liefhebben van de Anṣār weerspiegelt duidelijk de echtheid en loyaliteit van het geloof, want wie hen liefheeft, is blij met de groei en verspreiding van de Islām en de versterking van de moslims. Hen alleen liefhebben vanwege hun daden of hen haten omdat ze hebben bijgedragen aan de verheffing van de Islām, duidt op hypocrisie (nifāq). Het verbod om wrok te koesteren tegen de Ansār geldt op dezelfde manier ook voor andere rechtschapen metgezellen.Alle metgezellen liefhebben vanwege hun inzet en opoffering is een verplichting voor elke gelovige, terwijl hen daardoor haten een kenmerk van hypocrisie is.] (HA)

Uitleg dat het geloof afneemt door het verminderen van gehoorzaamheid / aanbiddingen (aan Allāh)

بيان نقصان الإيمان بنقص الطاعات٤٩ - حديث أَبي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ: خَرَجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ في أَضْحًى أَوْ فِطْرٍ إِلى المُصَلَّى فَمَرَّ عَلى النِّساءِ فَقَالَ: يا مَعْشَرَ النِّساءِ تَصَدَّقْنَ فَإِنّي أُريتُكُنَّ أَكْثَرَ أَهْلِ النَّارِ فَقُلْنَ: وَبِمَ يا رَسُولَ اللهِ قَالَ: تُكْثِرْنَ اللَّعْنَ وَتَكْفُرْنَ الْعَشيرَ، ما رَأَيْتُ مِنْ ناقِصاتٍ عَقْلٍ وَدينٍ أَذْهَبَ لِلُبِّ الرَّجُلِ الْحازِمِ مِنْ إِحْداكُنَّ قُلْنِ: وَما نُقْصانُ دِينِنا وَعَقْلِنا يا رَسُولَ اللهِ قَالَ: أَلَيْسَ شَهادَةُ الْمَرْأَةِ مِثْلَ نِصْفِ شَهادَةِ الرَّجُلِ قُلْنِ: بَلَى، قَالَ: فَذَلِكَ مِنْ نُقْصانِ عَقْلِها، أَلَيْسَ إِذا حَاضَتْ لَمْ تُصَلِّ وَلَمْ تَصُمْ قُلْنَ: بَلى، قَالَ: فَذَلِكَ مِنْ نُقْصانِ دِينِها49-) Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging op een Offerfeestof Ramadānfeestdag naar de ṣalāh-veld (musallā). Hij kwam naar de vrouwen en sprak de vrouwen toe en zei: “O vrouwen menigte, geef aalmoes (ṣadaqah), want mij is getoond dat de meeste bewoners van het Hellevuur uit jullie bestaan.”De vrouwen vroegen: “Waarom is dat zo, o Rasûlullāh?”Hij antwoordde: “Jullie vervloeken veel en zijn ondankbaar tegenover jullie echtgenoten. Ik heb geen andere groep gezien die een verstandige man zo kan afleiden als jullie.

Jullie verstand en godsdienst (dīn) zijn gebrekkig.”De vrouwen vroegen: “O Rasûlullāh, wat is het gebrek in ons verstand en onze dīn?”Hij zei: “Is het getuigenis van een vrouw niet gelijk aan het helft van dat van een man?”De vrouwen antwoordden: “Ja.”Hij zei: “Dat is het gebrek in jullie verstand. En wanneer een vrouw menstrueert, kan zij dan niet ṣalāh verrichten of vasten?”De vrouwen antwoordden: “Ja.”Hij zei: “Dat is het gebrek in jullie dīn.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hield steeds rekening met de juiste tijden en gelegenheden om zijn metgezellen advies en vermaningen te geven. Zowel tijdens vrijdagpreken, feestpreken als de ṣalwāt bij zonsen maansverduisteringen richtte hij de aandacht op belangrijke zaken en waarschuwde hij voor algemene tekortkomingen.Tijdens een feestṣalāh richtte an-Nabī ( (صلى الله عليه وسلم) zich eerst tot de mannen, gaf hen advies, maande hen tot vrees voor Allāh en gehoorzaamheid aan Hem (zoals vermeld in Ṣaḥīḥ Muslim en Sunan an-Nasā`ī).

Toen hij merkte dat zijn stem de vrouwen niet goed bereikte, ging hij naar hen toe om hen ook vermaningen en richtlijnen te geven (Ṣaḥīḥ Bukhārī , Ṣaḥīḥ Muslim, Sunan Abû Dawud, en Sunan Ibn Majah)Volgens `Abdullah ibn `Abbās (رضي الله عنهما) (Ṣaḥīḥ Bukhārī ) reciteerde an-Nabī ( (صلى الله عليه وسلم) bij die gelegenheid het volgende vers:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا جَآءَكَ ٱلۡمُؤۡمِنَٰتُ يُبَايِعۡنَكَ عَلَىٰٓ أَن لَّا يُشۡرِكۡنَ بِٱللَّهِ شَيۡـٔٗا وَلَا يَسۡرِقۡنَ وَلَا يَزۡنِينَ وَلَا يَقۡتُلۡنَ أَوۡلَٰدَهُنَّ وَلَا يَأۡتِينَ بِبُهۡتَٰنٖ يَفۡتَرِينَهُۥ بَيۡنَ أَيۡدِيهِنَّ وَأَرۡجُلِهِنَّ وَلَا يَعۡصِينَكَ فِي مَعۡرُوفٖ فَبَايِعۡهُنَّ وَٱسۡتَغۡفِرۡ لَهُنَّ ٱللَّهَۚ إِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١٢

O, an-Nabī! Als de gelovige vrouwen tot jou gekomen zijn om de belofte af te leggen dat zij niemand in de aanbidding met Allāh zullen verenigen, dat zij niet zullen stelen, dat zij geen overspel zullen plegen, dat zij hun kinderen niet zullen doden, dat zij niet zullen lasteren, niet zullen liegen en jou niet in het goede ongehoorzaam zullen zijn, accepteer dan hun belofte en vraag Allāh hen te vergeven.

Waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (sûrah al-Mumtahanah: 12).Hij vroeg hun: “Houden jullie je hieraan?” Dit vers maakt duidelijk dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met hen een verbintenis van trouw aanging en hen vermaningen gaf binnen een sfeer van gehoorzaamheid en loyaliteit.In deze specifieke overlevering wordt vermeld dat de meeste vrouwen tot de bewoners van het Hellevuur zullen behoren. De redenen hiervoor zijn: ze vervloeken veel, ze zijn ondankbaar tegenover hun echtgenoten en ze verleiden verstandige mannen en brengen hen op een dwaalspoor.

Deze eigenschappen, die naar het Hellevuur kunnen leiden, gelden echter ook voor mannen. Als een man veel vervloekt of een vrouw op een dwaalspoor brengt, zal hij evenzeer gestraft worden.De woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren bedoeld als een waarschuwing aan de vrouwen om hun morele gedrag te verbeteren en tekortkomingen te corrigeren. Als zij deze waarschuwingen negeren, zullen de genoemde gevolgen voor iedereen gelden, ongeacht of het een man of vrouw is. De specifieke toespraak was gericht aan de vrouwen omdat zij op dat moment de directe luisteraars waren.Vergelijkbare uitspraken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn te vinden in andere overleveringen. Bijvoorbeeld:“O moslimvrouwen! Zelfs al is het maar een poot van een schaap, laat een vrouw het geschenk van haar buurvrouw nooit onderschatten.” (Ṣaḥīḥ Bukhārī en Ṣaḥīḥ Muslim).Dit betekent echter niet dat alleen vrouwen een geschenk kunnen onderschatten; hetzelfde geldt voor mannen.Deze overleveringen moeten binnen een algemene context worden begrepen, waarbij de lessen en adviezen zowel voor mannen als vrouwen gelden. ](AFK)

[Het feit dat iemand als vrouw of man wordt geschapen, biedt die persoon niet automatisch de gelegenheid om het Paradijs binnen te treden, noch is het een reden voor bestraffing in het Hellevuur. Wat de mens in het Hiernamaals naar geluk of eeuwige ongeluk zal leiden, is zijn geloof en de goede daden (al-a‘māl as-salih) die hij op aarde heeft verricht.

In de Qur’ān staat: فَٱسۡتَجَابَ لَهُمۡ رَبُّهُمۡ أَنِّي لَآ أُضِيعُ عَمَلَ عَٰمِلٖ مِّنكُم مِّن ذَكَرٍ أَوۡ أُنثَىٰۖ ١٩٥

Dus hun Heer heeft hun (smeekbeden) verhoord (en antwoordde hen): “Nooit zal Ik het toestaan dat (de goede) werken van iemand van jullie verloren zal gaan, of het nu om een man of een vrouw gaat…(Al-i ‘Imrān, 3/195)

Daarom kan uit deze ḥadīth niet worden geconcludeerd dat vrouwen dichter bij het Hellevuur staan. In deze verklaring waarschuwt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de vrouwen om zich te onthouden van daden die tot het Hellevuur leiden, waarbij hij als voorbeelden schadelijk gedrag noemt, zoals vervloeken en ondankbaarheid. Iemand vervloeken, dat samengaat met ongeloof (kufr) en wensen dat iemand kwaad overkomt, wordt gerekend tot de gevaren van de tong. Wie zijn tong aan slechte woorden wendt, bevindt zich op de drempel van zonde en zelfs van rebellie tegen Allāh. Evenzo kan ondankbaarheid aanvankelijk de relaties met de naasten, zoals de echtgenoot of familie, verstoren en uiteindelijk uitmonden in ondankbaarheid tegenover Allāh. Daarom waarschuwt an-Nabī ( (صلى الله عليه وسلم) de vrouwen die in de moskee naar hem luisteren, over de slechte gevolgen van negatieve relaties zowel met de gemeenschap als met Allāh.In het vervolg van deze toespraak verklaart an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat sommige verschillen tussen mannen en vrouwen zich ook manifesteren in religieuze verplichtingen. In dit verband bedoelt hij met de uitdrukking “het gebrek aan verstand (‘aql) bij vrouwen” niet hun intelligentie, maar hun ervaring.

Dit wordt ondersteund door het vers over schulden (Bakara, 2:282), waarin wordt gesteld dat de getuigenis van twee vrouwen gelijkstaat aan die van één man. Het vers heeft betrekking op vrouwen die getuigen bij commerciële transacties; vanwege hun beperkte ervaring in dit gebied is de getuigenis van twee vrouwen vereist, zodat de ene de ander kan helpen herinneren.Het idee dat een vrouw intellectueel of verstandelijk inferieur zou zijn aan een man, zoals soms verkeerd wordt geïnterpreteerd uit de ḥadīth, is in strijd met de fundamenten van de Islām. Elke vrouw en man die geestelijk volwassen (bulugh) is en beschikt over normale verstandelijke vermogens (`aql), wordt door Allāh als verantwoordelijk gehouden. Zij zijn beiden gelijkelijk verplicht tot ṣalāh, vasten, Haj en andere religieuze verplichtingen. Degene die geestelijk beperkt is, wordt in de Islām immers niet verplicht tot enige ibādah.De uitdrukking “gebrek aan ‘aql bij vrouwen” heeft betrekking op de natuurlijke aanleg (fiṭrah) en de religieuze voorschriften die bepalen dat vrouwen tijdens hun menstruatieperiode (en postpartumperiode (nifās) geen ṣalāh en vasten verrichten. Het betreft hier een kwantitatief verschil, en niet een tekort aan verstand of capaciteiten. Vrouwen die in deze periode de profetische praktijk volgen, kunnen niet worden gezien als bekritiseerd door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), omdat dit anders zou duiden op een gebrek. Bovendien is bekend dat in ibādah niet de kwantiteit, maar de kwaliteit en de oprechtheid (ikhlāṣ) doorslaggevend is. In dit kader verwijst het woord ‘gebrek’ in de ḥadīth, zoals an-Nabī ( (صلى الله عليه وسلم) zelf uitlegde, naar het feit dat sommige verplichtingen van vrouwen in religieuze en sociale zaken minder zwaar zijn dan die van mannen. Het is niet correct om deze uitspraak te interpreteren als spot, belediging of vernedering van vrouwen.Aan de andere kant is het opvallend dat de ḥadīth ook wijst op situaties waarin “het verstand van een vrouw een man kan overstijgen”.

Aangezien Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze toespraak op een feestdag (`Īd) gaf, bevatten zijn woorden mogelijk ook een vleugje humor waarmee hij op subtiele wijze een boodschap aan de vrouwen overbracht.Als een vrouw haar aangeboren slimme verstand (dzakā’), goede spreekvaardigheid en natuurlijke elegantie op een slechte of kwaadwillige manier gebruikt die de grenzen van Allāh overschrijdt, kan dit zowel voor haarzelf als voor haar echtgenoot tot problemen leiden. an-Nabī ( (صلى الله عليه وسلم) wijst daarom op deze natuurlijke talenten en nodigt de vrouwen uit om de door Allāh gegeven eigenschappen in te zetten voor het goede. Ten slotte dient te worden benadrukt dat een studie van het volledige leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de wijze waarop dit leven werd geleid door de openbaring (wahy) geen enkel negatief oordeel of uitspraken oplevert over de waardigheid, rechten of sociale positie van vrouwen.Het is essentieel om niet anachronistisch te interpreteren, oftewel rekening te houden met de historische en culturele context waarin het plaatsvond. Elke ḥadīth moet worden gelezen binnen de omstandigheden van die tijd en in het licht van de gehele sunnah, om zo een juiste en correcte betekenis te begrijpen. (Diyanet)

Uitleg dat het geloof in Allahu تَعَالَى de beste van de daden is

بيان كون الإيمان بالله تعالى أفضل الأعمال

٥٠ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ سُئِلَ: أَيُّ الْعَمَلِ أَفْضَلُ فَقَالَ: إِيمانٌ بِاللهِ وَرَسُولِهِ قِيلَ: ثُمَّ ماذا قَالَ: الْجِهادُ في سَبيلِ اللهِ قِيلَ: ثُمَّ ماذا قَالَ: حَجٌّ مَبْرورٌ50-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Er werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd: 'Welke daad is het meest voortreffelijk (voor Allāh)?' Hij antwoordde: ‘Geloven in Allāh en Zijn Rasûl.'- 'En daarna, welke?' werd er gevraagd.- 'Jihād op weg van Allāh, ‘antwoordde hij.- 'En daarna, welke?' werd er weer gevraagd.- ‘Aanvaarde Haj (Haj Mabrûr),' antwoordde hij.[In verschillende aḥadīth wordt gevraagd naar de waarde van bepaalde daden. Imām Nawawī schrijft: “In deze ḥadīth wordt jihād na het geloof genoemd. In de ḥadīth van Abû Dzar (رضي الله عنه) wordt de Haj niet genoemd, maar wordt het bevrijden van slaven wel genoemd. In de ḥadīth van Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه) begint hij met de ṣalāh, daarna spreekt hij over goedheid naar de ouders en vervolgens over jihād. In de eerder genoemde aḥadīth werd gesproken over de veiligheid van moslims voor iemands handen en tong. De geleerden zeiden: De variëteit in de antwoorden komt doordat ze gebaseerd zijn op de situatie van dat moment en de behoeften van de vrager.] (HY)

[Vragen over welke moslim het het beste is, welke islamitische gedraging het beste is, welke daad het meest voortreffelijk is, welke daad Allāh het meest behaagt, en wie de beste mensen zijn. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf verschillende antwoorden op deze vragen, afhankelijk van de situatie, de omgeving en de tijd waarin ze gesteld werden. Het is belangrijk om te begrijpen dat zulke uitspraken over waarde niet betekenen dat iets absoluut het beste is, maar dat het een van de beste of waardevolste is. Dit is te vergelijken met de uitspraak 'Alī is de slimste persoon', wat niet betekent dat er geen andere slimme mensen zijn, maar dat `'Alī binnen de groep van slimme mensen valt.](AFK)

[Jihād, verwijst naar de oorlog die zolang zal doorgaan tussen moslims en niet-moslims vanaf het moment dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als profeet werd gezonden tot aan de Dag des Oordeels, of totdat de laatste moslim op aarde blijft.Ḥaj al-Maqbūr, is volgens sommige geleerden een Haj waarin geen zonden gemengd zijn en volgens anderen betekent het gewoon een geaccepteerde, juiste verrichte Haj.] (HA)

٥١ - حديث أَبي ذَرٍّ ﵁، قَالَ سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ: أَيُّ الْعَمَلِ أَفْضَلُ قَالَ: إِيمانٌ بِاللهِ وَجِهادٌ في سَبيلِهِ قُلْتُ: فَأَيُّ الرِّقابِ أَفْضَلُ قَالَ: أَغْلاها ثَمَنًا وَأَنْفَسُها عِنْدَ أَهْلِهَا قُلْتُ: فَإِنْ لَمْ أَفْعَلْ قَالَ: تُعِينُ صَانِعًا أَوْ تَصْنَعُ َلأخْرَقَ قَالَ: فَإِنْ لَمْ أَفْعَلْ قَالَ: تَدَعُ النَّاسَ مِنَ الشَّرِّ فَإِنَّها صَدَقَةٌ تَصَدَّقُ بِها عَلى نَفْسِكَ

51-) Van Abû Dzar (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : 'Welke daad is het meest voortreffelijk (bij Allāh)?' Hij antwoordde: 'Geloof in Allāh en 'Jihād op weg van Allāh.'- 'Welke slaven zijn het best om vrij te kopen?' vroeg ik.- 'Die slaven die in ogen van de eigenaars het kostbaarst en het duurst zijn.' antwoordde hij.- 'En als ik dat niet kan doen?', vroeg ik.- 'Dan help je een ambachtsman, of je helpt iemand die geen werk kan doen,' zei hij.- 'En als ik nu tot al deze werken niet in staat ben?', vroeg ik.- Dan moet je ervan afzien de mensen kwaad te doen, want dat is een aalmoes die je wel kunt geven,' zei hij.”[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in deze ḥadīth de meest deugdzame daden op volgorde genoemd. In het laatste gedeelte van de ḥadīth wordt gesproken over iemand die geen enkel nut voor de gemeenschap heeft. Het grootste goed van zo iemand is dat hij anderen en de samenleving beschermt tegen zijn kwaad en negatieve invloeden. Aangezien hij ver verwijderd is van het goeddoen en hulp bieden aan anderen, zou het tenminste beter zijn als hij geen schade veroorzaakt. Dit wordt gezien als een vorm van ṣadaqah (liefdadigheid), omdat het voorkomt dat iemand anderen schaadt en hen helpt beschermd te blijven tegen zonden.](HY)

٥٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ أَيُّ الْعَمَلِ أَحَبُّ إِلى اللهِ قَالَ: الصَّلاةُ عَلى وَقْتِها قَالَ: ثُمَّ أَيّ قَالَ: ثُمَّ بِرُّ الْوالِدَيْنِ قَالَ: ثُمَّ أَيّ قَالَ: الْجِهادُ في سَبيلِ اللهِ قَالَ حَدَّثَنِي بِهِنَّ، وَلَوِ اسْتَزَدْتُهُ لَزَادَنِي52-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : 'Welke daad is het meest geliefd bij Allāh?' Hij antwoordde: 'De ṣalāh op de juiste tijd.'- 'En daarna, welke?' vroeg ik.- 'Je ouders goed behandelen' zei hij.- 'En daarna, welke?' vroeg ik.- 'Jihād op weg van Allāh,' antwoordde hij. `Abdullah voegde eraan toe: 'an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vertelde me dit. Als ik hem had gevraagd om meer, zou hij me meer hebben verteld.'

[De ṣalāh begint met de takbīr, eindigt met de salām en omvat specifieke handelingen en woorden. Het is een uitdrukking van tasbīḥ (Subḥānallāh: Allah prijzen), taʿẓīm (Allah eerbiedigen) en dankbaarheid jegens Allah.De ṣalāh wordt in de Qur’ān in meer dan negentig verzen genoemd. In de eerdere Sharīʿah’s bestonden de vijf daagsṣalāh nog niet; er was slechts een algemeen gebed zonder vaste tijden. De ṣalāh werd ongeveer anderhalf jaar voor de Hijrah verplicht gesteld tijdens de Miʿrāj (Isrā) nacht. Het is aanbevolen (mustahab) om de ṣalāh te verrichten aan het begin van de gebedstijden, omdat dit zowel voorzorgsmaatregelen bevordert als de gewoonte ontwikkelt om plichten op tijd te verrichten.De Islām hecht grote waarde aan het gezin. De belangrijkste elementen van een gezin zijn de moeder, de vader en het kind.

Tussen de gezinsleden bestaan wederzijdse rechten. Binnen het gezin heeft het kind de meeste rechten op de moeder, omdat zij degene is die het meest voor het kind zorgt. Vanaf het moment van zwangerschap ondergaat de moeder verschillende moeilijkheden; bij de bevalling kunnen levensrisico’s optreden, en daarna is zij voornamelijk verantwoordelijk voor borstvoeding, kleding, hygiëne en opvoeding van het kind. Voor deze diensten kan het kind geen materiële vergoeding geven; het enige wat het kind kan doen, is bewust zijn van het moederlijke offer en dankbaarheid tonen. Natuurlijk heeft de vader ook rechten over het kind, omdat hij doorgaans de noodzakelijke materiële behoeften voorziet en daarvoor offers brengt. Daarom benadrukt de Islām dat het kind liefde en respect moet tonen voor zowel moeder als vader.] (HA)

Shirk (afgoderij) is het lelijkste aller zonden en uitleg van de grootste zonden na shirk

كون الشرك أقبح الذنوب وبيان أعظمها بعده٥٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: سَأَلْتُ النَّبِيَّ ﷺ: أَيُّ الذَّنْبِ أَعْظَمُ عِنْدَ اللهِ قَالَ: أَنْ تَجْعَلَ للهِ نِدًّا وَهُوَ خَلَقَكَ قُلْتُ: إِنَّ ذَلِكَ لَعَظيمٌ، قلْتُ: ثُمَّ أَيّ قَالَ: وَأَنْ تَقْتُلَ وَلَدَكَ تَخافُ أَنْ يَطْعَمَ مَعَكَ، قُلْتُ: ثُمَّ أَيّ قَالَ: أَنْ تُزانِيَ حَليلَةَ جارِكَ

53-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Ik vroeg an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): 'Wat is de grootste zonde bij Allāh?' Hij antwoordde: 'Dat je Allāh deelgenoten toekent, hoewijl Hij je geschapen heeft.''Dit is inderdaad een grote zonde,' zei ik, en vroeg verder: 'En daarna, welke?'En dat je je eigen kind doodt uit vrees dat het met jou zal mee-eten,' zei hij.'En daarna, welke?' vroeg ik.'Dat je ontucht (zinā) pleegt met de vrouw van je buurman,' zei hij.”

[De gedragingen die in strijd zijn met de bevelen van Allāh en als zonden in de godsdienst worden beschouwd, zijn zaken die in de Islamitische wet (shari`ah) en volgens de zuivere menselijke natuur verboden zijn. In het Arabisch worden de termen “ism”, “dzanb”, “isyān” en “jurm” gebruikt als tegenhangers van het woord “zonde”. “Ism” betekent letterlijk zonde. “dzanb” (of “jurm”) verwijst naar iets dat verhindert dat iemand de tevredenheid van Allāh verkrijgt, en “ isyān “ betekent ongehoorzaamheid aan Allāh.“Shirk” komt van het werkwoord “sharika”. De lexicale betekenis van het woord “shirk” en de woorden die van hetzelfde stamwoord komen, zoals “shirkah” en “mushârekah” is het delen van het koninkrijk en het gezag, oftewel gezamenlijk eigendom van iets. Het duidt aan dat iets tot meerdere mensen behoort. Het werkwoord “ashraka”, van dezelfde stam, betekent partnerschap aangaan of deelgenoot zijn. Iemand die partnerschap aangaat, wordt een “mushrik” genoemd. In islamitische terminologie betekent “shirk” het toekennen van deelgenoten of gelijken aan Allāh in Zijn wezen, eigenschappen of daden. Een persoon die “shirk” pleegt, wordt een “mushrik” genoemd. Het erkennen van twee of meer goden, het beschouwen van een wezen als een object van aanbidding, of het toekennen van eigenschappen zoals scheppen, oneindig bestaan … aan andere wezens dan Allāh, is shirk. Kortom, shirk is het toekennen van de goddelijke eigenschappen van Allāh aan iets anders dan Allāh. Shirk is het afwijken van de fundamentele waarheid van tawhīd (“Lâ ilâhe illallah”), door te geloven, te zeggen of te handelen in de zin dat er andere goden dan Allāh zijn, en te geloven dat andere entiteiten dan Allāh aanbidding en du`ā’ verdienen, of dat zij echte macht en kracht bezitten.](HY)

[Zonde is een daad die, wanneer iemand die begaat, volgens de Sharīʿah afkeuring en terechtwijzing verdient.

Er zijn vier soorten zonden:

Zonden die niet vergeven worden zonder tawbah (berouw): dit is shirk (deelgenoten toekennen aan Allah).

Zonden waarvan vergeving wordt door istiġfār en andere goede daden: dit zijn kleine zonden.

Zonden waarvan vergeving wordt door tawbah of zelfs zonder tawbah: dit zijn zonden zoals het verwaarlozen van verplichte ṣalāh en zakāt, en betreffen uitsluitend de rechten van Allah.

Zonden die alleen betrekking hebben op de rechten van andere mensen (Ḥaq al-ʿIbād): deze kunnen alleen worden vergeven door het recht van de benadeelde persoon terug te geven of verzoening met hem te zoeken. Als het recht van de benadeelde in dit leven niet wordt gegeven, zal de benadeelde van het recht op de Dag des Oordeels bij Allah klacht indienen tegen de onrechtpleger.

Het doden van een kind uit angst voor gebrek aan middelen/voedsel behoort tot de grote zonden en staat na shirk op de tweede plaats. Hieruit blijkt de grote ernst van wantrouwen in Allah’s voorziening (rizq).Zinā is absoluut ḥarām en een grote zonde, maar het expliciet noemen van “met de vrouw van de buurman” benadrukt dat dit een nog grotere en gruwelijkere daad is. Dit sluit echter niet andere gevallen uit, zoals de dochter van de buurman, schoondochter of een ongehuwde buurvrouw; het blijft een grote zonde.Burenrelaties vereisen trouw en respect daarom moet men het huis en bezit van de buren beschermen, hun familie niet schaden en voorkomen dat de buren zich onveilig voelen.Goedheid en vrijgevigheid jegens de buren zijn verplicht volgens Allah en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .Daarom wordt zinā met de vrouw van de buurman beschouwd als een bijzonder afschuwelijke daad en een grote zonde, vanwege de combinatie van het overtreden van zowel het recht van de buren als het morele verbod van zinā.] (HA)

Uitleg over de grote zonden en welke daarvan de grootste is

بيان الكبائر وأكبرها٥٤ - حديث أَبي بَكْرَةَ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ أَلا أُنَبِّئُكُمْ بِأَكْبَرِ الْكَبائِرِ ثَلاثًا، قَالُوا: بَلى يا رَسُولَ اللهِ، قَالَ: الإِشْراكُ بِاللهِ وَعُقوقُ الْوالِدَيْنِ وَجَلَسَ وَكانَ مُتَّكِئًا، فَقالَ أَلا وَقَوْلُ الزّورِ قَالَ فَما زَالَ يُكَرِّرُها حَتّى قُلْنا لَيْتَهُ سَكَتَ54-) Van Abû Bakrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei drie keer: 'Zal ik jullie de grootste van de grote zonden vertellen?'De aanwezigen vroegen: 'Ja, vertel het ons, o Rasûlullāh!''Hij antwoordde: 'Allāh deelgenoten toekennen, en ongehoorzaam zijn aan/verbreken van respect en rechten met je ouders.'Hij ging zitten en zei toen: ‘Weet, en ook liegen.'(De overleveraar zei:) “Hij herhaalde dit zo vaak dat we uiteindelijk dachten: Zweeg hij maar.”[Dit verlangen van de metgezellen dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stopte met spreken, kan te maken hebben met zijn emotionele reactie en de bezorgdheid dat er een zware openbaring zou kunnen volgen. Zoals vermeld in de Qur’ān:”: وَٱلَّذِينَ يُؤۡذُونَ رَسُولَ ٱللَّهِ لَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٦١ …Maar degenen die de Boodschapper kwetsen, zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (sûrah at-Tawba: 61).](AFK)

[In de ḥadīth zien we dat de verantwoordelijkheid van een persoon tegenover zijn ouders vaak wordt benadrukt. In deze ḥadīth benoemt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) respectloosheid tegenover de ouders en het schenden van de rechten van de ouders (uqūq al-abwāb) samen met 'Allāh deelgenoten toekennen (shirk) als één van de grootste zonden.Het is algemeen bekend dat shirk de zwaarste zonde is, dat het iemand uit de dīn kan doen treden en uiteindelijk tot eeuwige bestraffing leidt. Dat het tonen van respectloosheid jegens de ouders naast zo’n ernstige zonde wordt genoemd, onderstreept het grote gewicht van deze zaak binnen onze dīn.In de āyāt en aḥadīth worden de woorden bir en iḥsān gebruikt om “goed doen aan ouders” aan te duiden.

Het tegenovergestelde, zoals “tegen de ouders ingaan, hen kwellen of hun rechten niet respecteren”, wordt uitgedrukt met het woord uqūq. Letterlijk betekent uqūq “afbreken” of “losmaken”. In deze context verwijst het naar het verbreken van de banden met de ouders, hen tegenwerken, beledigen of respectloos behandelen, en hun hart kwetsen met opstandige houdingen. Wanneer ouders ouder worden, valt ook het niet zorgen voor hun welzijn, hen niet bellen of bezoeken en hen alleen laten, onder het begrip uqūq dat door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt gebruikt. Daarom is binnen de dīn de basis van de relatie met de ouders niet louter “gehoorzaamheid aan de ouders”, zoals vaak cultureel wordt verwoord, maar iḥsān jegens de ouders. Iḥsān houdt in dat men in elke situatie het goede niet nalaat en handelt op de best mogelijke wijze, iets wat ouders ten volle verdienen. Tegelijkertijd dient te worden benadrukt dat wanneer ouders ongeoorloofde of onwettige verzoeken doen binnen de Islām, gehoorzaamheid aan hen niet is toegestaan, omdat dit zou neerkomen op ongehoorzaamheid aan Allāh (ʿiṣyān). (Diyanet)

٥٥ - حديث أَنَسٍ ﵁ قَالَ سُئِلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ الْكَبائِرِ قَالَ: الإِشْراكُ بِاللهِ، وَعُقوقُ الْوالِدَيْنِ، وَقَتْلُ النَّفْسِ، وَشَهادَةُ الزّورِ

55-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak over de grote zonden en zei: 'Het deelgenoten toekennen aan Allāh, ongehoorzaam zijn aan/verbreken van respect en rechten met je ouders en iemand opzettelijk doden' (Daarna voegde hij toe): ‘Valse getuigenis afleggen.'

[Hoewel men het bestaan en de eenheid van Allāh erkent, houdt shirk in dat men gelooft dat Hij niet de enige is met absolute macht over alle zaken, en dat niets bestaat buiten Zijn wil en beschikking. Het tegenovergestelde van shirk is tawḥīd, de bevestiging van de eenheid van Allāh.De rechten van de ouders zijn zo groot dat het onbetaalbaar is. Hoe hard men ook werkt, het is onmogelijk hun rechten volledig te voldoen. Men kan hun tevredenheid alleen bereiken door goed gedrag en respect, en zo het welbehagen van Allah verwerven; dit wordt beschouwd als het voldoen aan hun rechten. Anders zijn hun rechten te groot om volledig te voldoen, en heeft extra inspanning buiten respect weinig nut.Wanneer een ouder een kind opdraagt een toelaatbare of gepaste handeling te verrichten (mubāḥ of adab), wordt gehoorzaamheid daaraan verplicht (farḍ). Deze geboden en verboden dienen echter altijd in overeenstemming te zijn met wat binnen de Islām als ḥalāl en ḥarām is vastgesteld.In zaken die tawḥīd schenden of in strijd zijn met de bevelen van Allah en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), mag men nooit gehoorzaam zijn, ongeacht van wie het bevel komt. De Islām gebiedt uiterste gehoorzaamheid en respect aan ouders, maar niet als het gaat om shirk. Relevant zijn de verzen: Al-Ankabūt 29:8 en Luqmān 31:14-15.Valse getuigenis: Door leugenachtig te getuigen wordt het recht van anderen ontnomen of tenietgedaan. Dit kan betrekking hebben op zowel grote als kleine rechten; bepalend is dat er een schending van recht plaatsvindt. Om deze reden wordt valse getuigenis als een grote zonde beschouwd.] (HA)

أ٥٦ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: اجْتَنِبُوا السَّبْعَ الْمُوبِقاتِ قَالُوا: يا رَسُولَ اللهِ وَما هُنَّ قَالَ: الشِّرْكُ بِاللهِ، وَالسِّحْرُ، وَقَتْلُ النَّفْسِ الَّتي حَرَّمَ اللهُ إِلاَّ بِالْحَقِّ، وَأَكْلُ الرِّبا، وَأَكْلُ مَالِ الْيَتيمِ، وَالتَّوَلِّي يَوْمَ الزَّحْفِ، وَقَذْفُ الْمُحْصَنَاتِ الْمُؤْمِناتِ الْغافِلاتِ

56-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Vermijd de zeven verderfelijke (dodelijke) zonden.' De aanwezigen vroegen: 'O Rasûlullāh, wat zijn die?'Hij antwoordde: - het toekennen van deelgenoten aan Allāh;- magie bedrijven; - het doden van een ziel die Allāh verboden heeft, behalve degene die de dood verdient;- het geven/nemen van rente;- het ongeoorloofd nemen van bezittingen van weeskinderen;- (het) vluchten van het slagveld wanneer het gevecht gaande is; - en het beschuldigen van kuise, gelovige en onschuldige vrouwen (van ontucht).'[De in deze ḥadīth genoemde ondergangbrengers verwijzen naar de grote zonden die het hiernamaals van een persoon vernietigen. In deze ḥadīth worden zeven van deze zonden expliciet genoemd. Dat juist deze zeven worden vermeld, komt doordat ze tot de ernstigste van de grote zonden behoren, vaak in de samenleving voorkomen en bijzonder verwerpelijk zijn.](AFK)

[De geleerden hebben aangegeven dat grote zonden (kabāʾir) niet met een exact aantal kunnen worden beperkt, omdat er diverse aḥadīth over bestaan.

Toen ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنه) werd gevraagd:"Zijn er negen grote zonden?", antwoordde hij in verschillende overleveringen:

“Bijna zeventig”

“Bijna zevenhonderd”

en in een andere: “Alle verboden van van Allah zijn grote zonden.”

Volgens al-Qurṭubī is een grote zonde: een daad die in de Qur’ān of sunnah expliciet als zonde wordt genoemd, of waarvan consensus (ijmāʿ) bestaat dat deze groot is, en een daad waarvoor in dit leven had (straf) vereist is of die de dader onderworpen maakt aan Allah’s zware bestraffing in het Hiernamaals.

Hieronder volgen zeven van de bekendste grote zonden:

Shirk (deelgenoot toekennen aan Allah): dit is de grootste zonde, wie shirk pleegt, verblijft eeuwig in de hel. (zie: surah Nisāʾ 4:48, 116).

Sihr (toverij /magie): het gebruik van bovennatuurlijke krachten om een doel te bereiken via een verborgene kracht. Deze handeling is een geloofsovertuiging die de Islām absoluut verbiedt, en houdt in dat iets of een gebeurtenis op een manier wordt voorgesteld die afwijkt van de werkelijkheid.

Het onrechtmatig doden van een leven: onrechtmatig doden is ḥarām; volgens de Hanafi-geleerden leidt dit niet noodzakelijk tot eeuwige hel, maar wel tot lange straf. De wereldlijke straf is qisās (vergelding), tenzij de familie van het slachtoffer vergeeft of verzoent.

Volgens de Hanafi-geleerden wordt er bij opzettelijk onrechtmatig doden geen kaffārah (verzoeningsof boetedoening) gegeven, omdat kaffārah een vorm van aanbidding is. Daarom kan een opzettelijke moord, die een grote zonde is, niet volledig “vergoed” worden door een kaffārah; de ernst van de zonde blijft bestaan.

Het gebruik van het erfgoed van een wees. Een wees is een kind wiens vader is overleden. Het gebruik van het bezit van een wees is absoluut ḥarām. Voor een voogd of verzorger zijn er drie voorwaarden om het te mogen gebruiken:a. De hoeveelheid mag de noodzakelijke behoeften niet overschrijden.b. Het bezit van een wees mag worden gebruikt als kapitaal om winst te maken, en wanneer de wees de volwassenheid bereikt, moet het kapitaal aan hem worden teruggegeven; men mag zich niet toe-eigenen wat uit zijn handel voortkomt.”.c. Voordat de wees de volwassenheid bereikt, mag men de gelegenheid niet aangrijpen om persoonlijk voordeel te halen uit zijn bezit.

Ribā (rente) consumeren: Ribā betekent het extra bedrag dat wordt genomen of gegeven bij het ruilen van goederen, zonder tegenprestatie, of elke vorm van onrechtmatige winst. “Consumeren” betekent hier het doen van ribā-transacties, rentenieren, omdat de verkregen winst vaak wordt “geconsumeerd”. Ribā is strikt ḥarām verklaard in vele verzen en ḥadīth.

Vluchten uit de strijd tegen de vijand: Het is ḥarām voor een moslim om te vluchten wanneer men minder dan dubbele vijandige kracht tegenover zich heeft. Als de vijand sterker is, is terugtrekking toegestaan om verlies te beperken.

Valse beschuldiging tegen een eerbare moslima vanwege zinā. Dit geldt ook voor moslim mannen. Voor een volwassen, verstandige en eerbare moslim is de straf voor valse beschuldiging van zina tachtig zweepslagen.] (HA)

٥٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ مِنْ أَكْبَرِ الْكَبائِرِ أَنْ يَلْعَنَ الرَّجُلُ والِدَيْهِ قِيلَ يا رَسُولَ اللهِ وَكَيْفَ يَلْعَنُ الرَّجُلُ والِدَيْهِ قَالَ: يَسُبُّ الرَّجُلُ أَبا الرَّجُلِ فَيَسُبُّ أَباهُ وَيَسُبُّ أُمَّهُ57-) Van `Abdullah Ibn `Amr (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'De grootste van de grote zonden is wanneer iemand zijn ouders vervloekt.' De aanwezigen vroegen: 'O Rasûlullāh, hoe kan iemand zijn ouders vervloeken?' Hij antwoordde: 'Iemand scheldt de vader van een ander uit en daarom scheldt die ander zijn vader uit. (Hij scheldt de moeder van een ander uit) en daarom scheldt die ander zijn moeder uit.”

[Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak over het vloeken van iemands eigen vader/moeder, reageerden de metgezellen vol verbazing en vroegen: “O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)! Zou iemand zijn ouders kunnen vervloeken?”Dit was niet omdat ongehoorzaamheid of vloeken richting ouders destijds voorkwam; integendeel, respect voor ouders was toen algemeen aanwezig in de samenleving. Tegenwoordig komt het echter helaas steeds vaker voor dat ouders geslagen of vervloekt worden. De ḥadīth benadrukt dat degene die zijn ouders vloekt en daardoor eenzelfde reactie uitlokt, verantwoordelijk is voor de zonde van die daad. Zoals vermeld wordt in de Qur’ān:

وَلَا تَسُبُّواْ ٱلَّذِينَ يَدۡعُونَ مِن دُونِ ٱللَّهِ فَيَسُبُّواْ ٱللَّهَ عَدۡوَۢا بِغَيۡرِ عِلۡمٖۗ كَذَٰلِكَ زَيَّنَّا لِكُلِّ أُمَّةٍ عَمَلَهُمۡ ثُمَّ إِلَىٰ رَبِّهِم مَّرۡجِعُهُمۡ فَيُنَبِّئُهُم بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٠٨

En beledig niet degenen die zij naast Allah aanbidden, opdat zij Allah niet valselijk beschuldigen zonder kennis. Wij hebben de eigen daden van de mensen oprecht laten lijken; dan is hun terugkeer tot hun Heer en Hij zal hen vertellen wat zij gedaan hebben. (surah An`ām 6:108)

Kortom: respect en eerbied voor ouders is verplicht, en het vloeken van hen is een grote zonde die ook anderen in gevaar kan brengen om ongepast te reageren.] (HA)

Degene die sterft zonder deelgenoot aan Allāh toe te kennen gaat naar het Paradijs

من مات لا يشرك بالله شيئًا دخل الجنة٥٨ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعودٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَنْ ماتَ يُشْرِكُ بِاللهِ شَيْئًا دَخَلَ النَّارَ وَقُلْتُ أَنا: مَنْ ماتَ لا يُشْرِكُ بِاللهِ شَيْئًا دَخَلَ الْجَنَّةَ58-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie sterft terwijl hij Allāh deelgenoten toekent, zal in het Hellevuur komen.' Ik zei: 'En wie sterft zonder Allāh een deelgenoot toe te kennen, zal dan in het Paradijs komen?' Hij zei: 'Ja.'

[Volgens de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah zal degene wiens īmān gered wordt, zeker het Paradijs binnengaan. Wie grote zonden begaat en sterft zonder berouw te tonen, ligt in de handen van Allah جل جلاله: Hij kan hen vergeven en zonder straf in het Paradijs plaatsen, of hen een tijdlang in de Hel straffen voordat Hij hen het Paradijs doet binnengaan.Net zoals een gelovige die sterft met tawḥīd, ongeacht hoeveel zonden hij heeft, niet voor eeuwig in de Hel blijft, zal iemand die als ongelovige sterft, ongeacht hoeveel goede daden hij verricht, nooit het Paradijs binnengaan.Volgens Qāḍī Iyāḍ is er verschil van mening onder de geleerden over degenen die īmān hebben door het getuigen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar zich toch tegen Allah verzetten.Daarom wordt de ḥadīth uitgelegd als: “De zondaar zal óf vergeven worden, óf door middel van voorspraak (shafāʿah) uit de Hel worden bevrijd en het Paradijs binnengaan.” Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zegt dat iemand het Paradijs binnengaat, betekent dit ook dat hij eerst gestraft kan worden in de Hel voordat hij het Paradijs betreedt. Zonder deze uitleg zouden de bewijzen van de Sharīʿah met elkaar in tegenspraak komen.Volgens de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah zijn het uitspreken van de shahādah en het innerlijk kennen van Allah جل جلاله met elkaar verbonden. Als het ene aanwezig is en het andere ontbreekt, heeft het geloof (īmān) geen werkelijk nut.] (HA)

٥٩ - حديث أَبي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَتانِي آتٍ مِنْ رَبّي فَأَخْبَرَني، أَوْ قَالَ بَشَّرَني، أَنَّهُ مَنْ ماتَ مِنْ أُمَّتِي لا يُشْرِكُ بِاللهِ شَيْئًا دَخَلَ الْجَنَّةَ قلْتُ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ قَالَ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ

59-) Van Abû Dzar (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Er kwam tot mij een gezant van mijn Rab (Jibrīl) en hij berichtte mij, “of hij zei: 'Hij heeft mij verheugend nieuws gebracht, dat wie van mijn gemeenschap (ummah) sterft zonder deelgenoten aan Allāh toe te kennen (en in die staat sterft), zal het Paradijs binnengaan.'Ik zei: 'Ook als hij overspel heeft gepleegd of diefstal pleegt?'Hij zei: 'Ook als hij overspel heeft gepleegd of diefstal pleegt. ٦٠ - حديث أَبي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: أَتَيْتُ النَّبيَّ ﷺ وَعَلَيْهِ ثَوْبٌ أَبْيَضُ وَهُوَ نائِمٌ، ثُمَّ أَتَيْتُهُ وَقَدِ اسْتَيْقَظَ، فَقالَ: ما مَنْ عَبْدٍ قَالَ لا إِلهَ إِلاّ اللهُ ثُمَّ ماتَ عَلى ذَلِكَ إِلاّ دَخَلَ الْجَنَّةَ قُلْتُ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ قَالَ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ، قُلْتُ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ قَالَ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ، قُلْتُ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ قَالَ: وَإِنْ زَنى وَإِنْ سَرَقَ عَلى رَغْمِ أَنْفِ أَبي ذَرٍّ

وَكانَ أَبُو ذَرٍّ إِذا حَدَّثَ بِهذا قَالَ وَإِنْ رَغِمَ أَنْفُ أَبي ذَرٍّ

60-) Van Abû Dzar (رضي الله عنه): Ik kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), terwijl hij een witte kleding droeg en sliep.

Toen ik later weer kwam, was hij wakker en zei: 'Degene die 'Lâ ilâhe illallah' (Er is geen godheid dan Allāh) zegt en in die staat sterft, zal zeker het Paradijs binnengaan.' - 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' - Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' - 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt?' - '(Ja), 'Zelfs als hij overspel pleegt of diefstal pleegt.' Al vindt Abû Dzar het moeilijk om het te accepteren.

[De uitspraak dat iemand die in het geloof sterft, zeker het Paradijs zal binnengaan, betekent niet dat iedere gelovige onmiddellijk het Paradijs zal binnengaan. Een zondaar kan eerst zijn zonden in het Hellevuur aflossen voordat hij het Paradijs betreedt. Dit betekent echter niet dat men een weg naar zonden moet zoeken, want het betreden van het Paradijs betekent niet dat men ongestraft blijft voor zijn zonden. Zulke mensen zullen hun zonden eerst in het Hellevuur reinigen en dan het Paradijs binnengaan. Abû Dzar herhaalde de vraag omdat hij dacht dat deze mensen geen toegang tot het Paradijs zouden krijgen, gezien de uitspraak in de ḥadīth hierboven, waar werd aangegeven dat degenen die zulke zonden begaan, geen gelovigen kunnen zijn.](AFK)

Het verbod op het doden van een ongelovige die “lā ilāha illā Allāh” zegt

تحريم قتل الكافر بعد أن قال لا إِله إِلا الله٦١ - حديث الْمِقْدَادِ بْنِ الأَسْوَدِ (هُوَ الْمِقْدادُ بْنُ عَمْرٍو الْكِنْدِيُّ) أَنَّهُ قَالَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ: أَرَأَيْتَ إِنْ لَقِيتُ رَجُلًا مِنَ الْكُفّارِ، فَاقْتَتَلْنا فَضَرَبَ إِحْدى يَدَيَّ بِالسَّيْفِ قَقَطَعَها، ثُمَّ لاذَ مِنّي بِشَجَرَةٍ، فَقالَ أَسْلَمْتُ للهِ، أَأَقْتُلُهُ يا رَسولَ اللهِ بَعْدَ أَنْ قَالَها فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لا تَقْتُلْهُ، فَقالَ يا رَسُولَ اللهِ إِنَّهُ قَطَعَ إِحْدى يَدَيَّ ثُمَّ قَالَ ذَلِكَ بَعْدَ ما قَطَعَها؛ فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لا تَقْتُلْهُ، فَإِنْ قَتَلْتَهُ فَإِنَّهُ بِمَنْزِلَتِكَ قَبْلَ أَنْ تَقْتُلَهُ، وَإِنَّكَ بِمَنْزِلَتِهِ قَبْلَ أَنْ يَقولَ كَلِمَتُه الَّتي قَالَ61-) Mikdad Ibn `Amr al-Kindi (رضي الله عنه):“O Rasûlullāh, stel je voor dat ik een ongelovige tegenkom en we strijden tegen elkaar. Hij hakt een van mijn handen af en hij (vlucht en) schuilt achter een boom en zegt: 'Ik heb me overgegeven aan Allāh/ik ben moslim geworden.' Kan ik hem dan nog steeds doden (terwijl hij zegt dat hij moslim is geworden)?”- “Je mag hem niet doden.” - “O Rasûlullāh, maar hij heeft mijn hand afgehakt en daarna zei hij dit?”- “Je kunt hem niet doden. Als je hem doodt, is hij in de staat vóór dat jij hem gedood hebt (nl. moslim). Jij bevindt je in de staat vóórdat hij het woord (tawhīd ) uitsprak (nl. ongeloof)!” zei hij.”

[Mikdad Ibn Amr al-Kindi (رضي الله عنه) had een bondgenootschap met de Banī Zuhrah.

Hij was een van degenen die deelnam aan de Slag bij Badr met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).](AFK)

[Hier wordt benadrukt dat iemand die tijdens een strijd verklaart moslim te zijn, niet gedood mag worden. Door zijn getuigenis dat hij moslim is, wordt hij immers als moslim erkend.. Zijn innerlijke overtuiging (het hart) behoort alleen aan Allah toe; de mens heeft geen mogelijkheid om in iemands hart te kijken. Daarom moet men uitgaan van wat de persoon met zijn tong verklaart, en dienovereenkomstig handelen, zelfs als er twijfel bestaat over zijn oprechtheid.] (HA)

٦٢ - حديث أُسامَةَ بْنِ زَيْدٍ ﵄ قَالَ: بَعَثَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلى الْحُرَقَةِ فَصَبَّحْنَا الْقَوْمَ فَهَزَمْنَاهُمْ، وَلَحِقْتُ أَنَا وَرَجُلٌ مِنَ الأَنْصارِ رَجُلًا مِنْهُمْ، فَلَمّا غَشِينَاهُ قَالَ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ، فَكَفَّ الأَنْصارِيُّ عَنْهُ، وَطَعَنْتُهُ بِرُمْحي حَتّى قَتَلْتُهُ؛ فَلَمّا قَدِمْنَا، بَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ فَقالَ: يا أُسامَةُ أَقَتَلْتَهُ بَعْدَما قَالَ لا إِلهَ إِلاَّ اللهُ، قُلْتُ كَانَ مُتَعَوِّذًا؛ فَما زَالَ يُكَرِّرُها حَتّى تَمَنَّيْتُ أَنّي لَمْ أَكُنْ أَسْلَمْتُ قَبْلَ ذَلِكَ الْيَوْمِ

62-) Van Usamah Ibn Zayd (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde ons naar de stam al-Huraqah (van de Juhaynah-clan). We verrasten hen in de ochtend en versloegen hen. Ik en een van de Anṣār bereikten een van hen en omsingelden hem. Hij zei: 'Lâ ilâhe illallah' (Er is geen godheid dan Allāh), waarna de man zich overgaf. De Anṣārī trok zijn hand terug, maar ik stak hem met mijn speer en doodde hem. Toen we in (Madīnah) terugkwamen, hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van dit voorval en zei: 'O Usamah, heb je hem gedood nadat hij 'Lâ ilâhe illallah' had gezegd?' Ik antwoordde: 'Hij zei dit omdat hij bang was voor de dood (om zichzelf te redden).' an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) herhaalde deze vraag steeds, tot ik wenste: ‘Was ik maar niet moslim geworden vóór dit incident.'[In deze ḥadīth komt de kwestie van takfir (verklaring van iemand als ongelovige) in de Islām ter sprake. Het standpunt van de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah wa’l Jama`ah hierover is: Onwetendheid is in algemene zin een excuus, maar dit geldt niet altijd, overal, voor iedereen of in elke kwestie.

Onwetendheid komt van hetzelfde stamwoord als “jāhil” en het betekent iemand die niet weet, die niet bekwaam is, die geen kennis heeft, en wordt gebruikt voor mensen die onbekend zijn met kennis en inzicht. De toestand waarin iemand zich bevindt vanwege onwetendheid wordt ook “jahalah” genoemd. Onwetendheid betekent simpelweg niet weten, het tegenovergestelde van kennis, en is de slechtste toestand. Kennis is het beste en het meest deugdzame, terwijl onwetendheid het slechtste is. Een persoon die kennis bezit, wordt beschouwd als deugdzaam en verheven, terwijl onwetende mensen altijd als onwetend worden beschouwd. Niemand wordt verantwoordelijk gehouden zonder dat het bewijs (hujjah) is geleverd. Als iemand zegt “La ilâhe illallah” en vervolgens een ander persoon doodt, kan dit voortkomen uit angst, maar de intentie (in het hart) moet worden onderzocht. Je kunt iemand niet zomaar een ongelovige noemen zonder bewijs. Het is niet nodig om specifieke zonden te begaan om als ongelovige te worden verklaard. Als je iemand onterecht een ongelovige noemt, keert de aanklacht uiteindelijk tegen jezelf. Daarom moeten we vasthouden aan het Boek en de sunnah om de waarheid te leren, want dat is de basis van ons geloof. De ziekte van takfīr in de samenleving is moeilijk te verhelpen en verdwijnt niet zo maar. Als we onwetendheid in het algemeen niet als excuus accepteren, betekent dit dat iedereen altijd en overal als ongelovige wordt verklaard. Verantwoordelijkheid komt geleidelijk met de kennis van Allāh.Er zijn sectes die te ver gaan door te zeggen dat onwetendheid altijd een excuus is, zoals de Murji`ah . En er zijn ook extremisten die zeggen dat onwetendheid geen excuus is, zoals de Khawarij. Islām kijkt naar het uiterlijke gedrag, terwijl het innerlijke (de intentie) alleen aan Allāh toebehoort.](HY)

[De gebeurtenis die in deze ḥadīth wordt genoemd, vond plaats tijdens een oorlog in het 7e jaar nH, hoewel Hākim vermeldt dat deze gebeurtenis in het 8e jaar nH plaatsvond.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde hiermee de waarde van de kalimat at-tawḥīd benadrukken en duidelijk maken dat zelfs als deze verheven uitspraak uit de mond van een ongelovige komt, men er met eerbied en respect mee moet omgaan, en dienovereenkomstig een passende houding tegenover de spreker moet aannemen.Usāmah (رضي الله عنه) had echter de man gedood omdat hij, aangezien hij door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was uitgezonden om de stam Huraqah te bestrijden, meende dat de uitspraak van de kalimat at-tawḥīd op dat moment niet voldoende was om hem als moslim te beschouwen, verwijzend naar de āyah:

فَلَمۡ يَكُ يَنفَعُهُمۡ إِيمَٰنُهُمۡ لَمَّا رَأَوۡاْ بَأۡسَنَاۖ سُنَّتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي قَدۡ خَلَتۡ فِي عِبَادِهِۦۖ وَخَسِرَ هُنَالِكَ ٱلۡكَٰفِرُونَ ٨٥

Hun geloof kon hen niet baten toen zij Onze bestraffing zagen. Dat is de handelwijze van Allah die er reeds voor Zijn dienaren was. En de ongelovigen verloren toen. (surah al-Mu’min: 40/85)

Vanwege deze redenering en omstandigheden achtte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem verontschuldigbaar en legde hem geen straf op, noch qiṣāṣ (vergelding) noch diyah (bloedgeld).Hij berispte hem slechts streng en maakte hem duidelijk dat hij nooit meer op die manier mocht handelen.De uitspraak van Usāmah (رضي الله عنه) ‘Was ik maar niet moslim geworden vóór dit incident.' betekent niet dat hij wenste dat hij tot dan toe ongelovig was gebleven, maar dat hij verlangde naar een onberispelijk islamitisch leven, vrij van zonden.Aangezien het niet geoorloofd is om ongeloof te wensen, is deze uitspraak figuurlijk bedoeld, niet letterlijk.Na deze gebeurtenis zwoer Usāmah (رضي الله عنه) dat hij nooit meer met een moslim zou vechten, en daarom nam hij ook niet deel aan de slag bij Ṣiffīn aan de zijde van ʿAlī (رضي الله عنه).] (HA)

Uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): 'Wie zich bewapend tegen ons, is niet één van ons

قول النبي ﷺ من حمل علينا السلاح فليس منا٦٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: مَنْ حَمَلَ عَلَيْنا السِّلاَحَ فَلَيْسَ مِنّا63-) Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie zich bewapend tegen ons (om aan te vallen), is niet één van ons.'

[De uitdrukking “is niet één van ons” betekent: zulke mensen behoren niet tot de Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah, noch tot degenen die onze volmaakte weg volgen (sunnah). Het doel van deze uitspraak is een ernstige waarschuwing om zulke gedragingen te voorkomen, niet om te oordelen dat de persoon de Islām verlaat. Zoals een vader tegen zijn kind zegt: “Ik heb niets meer met jou te maken”, waarmee hij bedoelt: “Je volgt niet mijn weg”, maar niet letterlijk de ouder-kindrelatie ontkent, zo geldt dit ook hier. Alleen als iemand deze daden ḥalāl acht of Allah bekritiseert en boos wordt op Zijn beschikking, dan verlaat hij de Islām.] (HA)

٦٤ - حديث أَبي مُوسَى عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: مَنْ حَمَلَ عَلَيْنَا السِّلاحَ فَلَيْسَ مِنّا64-) Van Abû Mûsā `Ash`arī (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie zich bewapend tegen ons (om aan te vallen), is niet één van ons.'[De uitdrukking “is niet één van ons” wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd: sommigen begrijpen het als 'hij volgt onze weg (sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet', anderen zeggen dat hij onze houding niet deelt. Sommigen interpreteren het als 'hij is niet van onze godsdienst/dīn'.](AFK)

[Iemand die onterecht, dat wil zeggen zonder een sharʿī reden die het vechten rechtvaardigt, zonder dit te rechtvaardigen en zonder het vechten als mubāḥ te beschouwen, zijn wapen tegen moslims opneemt en in een gewapend conflict raakt, wordt door die handeling een ʿāṣī (opstandeling) en zondaar, maar niet als kāfir beschouwd.Als hij het conflict daarentegen wél als mubāḥ rekent, wordt hij kāfir en valt hij buiten de Islām.] (HA)

Verbod om na de dood van een persoon zich in het gezicht te slaan, kleren te scheuren en te rouwen door middel van luid wenen en mensen uitnodigen met de gewoontes van de jāhiliyyah

تحريم ضرب الخدود وشق الجيوب والدعاء بدعوى الجاهلية٦٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعودٍ ﵁ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لَيْسَ مِنّا مَنْ ضَرَبَ الْخُدُودَ، وَشَقَّ الْجُيُوبَ، وَدَعا بِدَعْوى الْجاهِلِيَّةِ

65-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie (achter een overledene weeklaagt door) in zijn gezicht te slaan, zijn kraag te verscheuren en te schreeuwen als in de tijd van de onwetendheid (jāhiliyyah) is niet één van ons '

٦٦ - حديث أَبي مُوسَى ﵁ وَجِعَ أَبُو مُوسَى وَجَعًا شَديدًا فَغُشِي عَلَيْهِ وَرَأْسُهُ في حَجْرِ امْرَأَةٍ مِنْ أَهْلِهِ، فَلَمْ يَسْتَطِعْ أَنْ يَرُدَّ عَلَيْها شَيْئًا؛ فَلَمَّا أَفاقَ قَالَ أَنا بَرِيءٌ مِمَّنْ بَرئَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ بَرِئَ مِنَ الصَّالِقَةِ وَالْحالِقَةِ وَالشَّاقَّةِ

66-) Van Abû Mûsā al-Ash`arī (رضي الله عنه):Abū Mūsā (رضي الله عنه) werd getroffen door hevige pijn, waardoor hij het bewustzijn verloor terwijl zijn hoofd rustte in de schoot van een vrouw uit zijn familie. Hij was niet in staat om (de vrouw die weeklaagte over hem) iets te antwoorden. Toen hij bijkwam, zei hij: “Ik neem afstand van degene van wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich heeft gedistantieerd.Waarlijk, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zich gedistantieerd van:– de vrouw die luid weeklaagt (ṣāliqah),– de vrouw die haar haar afscheert (ḥāliqah),– en de vrouw die haar kleren scheurt (shāqqah).”(Dus zij bevinden zich niet op de sunnah en het pad van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .

[Dit ziektegeval vond plaats tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه), toen Abu Mūsā al-Ashʿarī (رضي الله عنه) gouverneur van Basra was.

Volgens an-Nasā’ī was de naam van Abu Mūsā’s echtgenote Umm ʿAbdullah bint Dawmāh, terwijl sommigen vermelden dat haar naam Ṣafiyyah was.Zoals uit de ḥadīth blijkt, wordt hierin duidelijk gemaakt dat het verboden (ḥarām) is om in de nabijheid van een stervende persoon luid te schreeuwen, te jammeren, het haar uit te trekken of de kleren te scheuren.Verder wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich verre hield van zulke daden en niet tevreden was met dergelijk gedrag.] (HA)

Strikt verbod op laster en roddelبيان غلظ تحريم النميمة

٦٧ - حديث حُذَيْفَةَ قَالَ سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لا يَدْخُلُ الْجَنَّةَ قَتَّاتٌ

67-) Van Hudzayfah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Roddelaar/klikspaan (qattā), zal het Paradijs niet binnengaan.'[Roddelen (namīmah) wordt vaak gezien als een daad die iemand ervan weerhoudt het Paradijs binnen te gaan, omdat het een ernstige zonde is die de verhoudingen tussen mensen verstoort.](AFK)

[Dit geeft aan dat roddel en laster degenen die zich hieraan schuldig maken naar de Hel zullen leiden en hen de toegang tot het Paradijs zullen ontzeggen. Daarom vormt deze ḥadīth een ernstige waarschuwing voor roddelaars.Volgens deze waarschuwing kan geen roddelaar het Paradijs binnengaan tenzij Allah’s genade en vergeving hem te hulp komt. Als Allah Zijn vergeving schenkt, wordt zelfs een grote zonde tenietgedaan door Zijn grootheid en barmhartigheid.Volgens al-Ḥattābī geldt: wanneer iemand precies doorvertelt wat hij heeft gehoord aan de betrokkenen, is dat al een ernstige zaak.

Maar als hij iets toevoegt aan wat hij heeft gehoord, pleegt hij ook leugen, waardoor zijn zonde en verantwoordelijkheid groter worden en de gevolgen ernstiger zijn.] (HA)

Uitleg dat het streng verboden is om de izār (onderkleed) onder de enkels te dragen, op te scheppen met geschenken en verkwisten van goederen door gelofte, en uitleg over de drie types mensen met wie Allah op de Dag des Oordeels niet zal spreken, niet zal aankijken, hen niet zal zuiveren en voor hen een pijnlijke bestraffing is

بيان غلظ تحريم إِسبال الإِزار والمن بالعطية وتنفيق السلعة بالحلف، وبيان الثلاثة الذين لا يكلمهم الله يوم القيامة ولا ينظر إليهم، ولا يزكيهم ولهم عذاب أليم٦٨ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ ثَلاثَةٌ لا يَنْظُرُ اللهُ إِلَيْهِمْ يَوْمَ الْقِيامَةِ وَلا يُزَكِّيهِمْ وَلَهُمْ عَذابٌ أَليمٌ: رَجُلٌ كَانَ لَهُ فَضْلُ مَاءٍ بِالطَّريقِ فَمَنَعَهُ مِنِ ابْنِ السَّبيلِ؛ وَرَجُلٌ بايَعَ إِمامَهُ لا يُبايِعُهُ إِلاّ لِدُنْيا، فَإِنْ أَعْطاهُ مِنْها رَضِيَ، وَإِنْ لَمْ يُعْطِهِ مِنْهَا سَخِطَ؛ وَرَجُلٌ أَقامَ سِلْعَتَهُ بَعْدَ الْعَصْرِ فَقالَ وَاللهِ الَّذي لا إِلهَ غَيْرُهُ لَقَدْ أَعْطَيْتُ بِها كَذا وَكَذا، فَصَدَّقَهُ رَجُلٌ ثُمَّ قَرَأَ هذِهِ الآيَةَ (إِنَّ الَّذينَ يَشْتَرونَ بِعَهْدِ اللهِ وَأَيْمانِهِمْ ثَمَنًا قَليلًا)

68-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Er zijn drie mensen naar wie Allāh op de Dag des Oordeels niet zal omkijken, hun (zondes) niet zal zuiveren, en voor wie er een pijnlijke straf is: Iemand die, terwijl hij meer water heeft dan hij nodig heeft, (het water) niet aan reizigers aanbiedt;Iemand die alleen om wereldse voordelen trouw zweert (bay`ah) aan de staatshoofd (imām) en tevreden is wanneer hij iets wereldlijks ontvangt, maar boos wordt wanneer hij niets ontvangt; En iemand die na de middag (al -`asr) zijn bezit op de markt brengt en zegt: 'Ik zweer bij Allāh bij wie geen andere godheid naast Hem is, dat ik voor dit bezit zoveel geld heb uitgegeven.' De koper gelooft hem door de eed en koopt de goederen. Daarop reciteerde Rasûlullāh de vers:

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَشۡتَرُونَ بِعَهۡدِ ٱللَّهِ وَأَيۡمَٰنِهِمۡ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيۡهِمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٧٧

Waarlijk, degenen die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun verbond met Allāh en voor hun eed, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allāh zal niet tot hen spreken of naar hen kijken op de Dag der Opstanding, noch zal Hij hen reinigen en zij zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (sûrah Âli Imrân: 77)

[De drie groep mensen die hier worden genoemd, zullen op de Dag des Oordeels door Allah niet op een manier worden aangesproken die hen ten goede komt of tevreden stelt, zoals Hij dat wel doet bij degenen die goede daden verrichten en wier daden Hij met welbehagen accepteert. Integendeel, met hen zal Hij in toorn spreken, zoals Hij spreekt tot degenen over wie Zijn straf komt.Deze drie groep mensen verliezen zowel in de ogen van mensen als bij Allah hun waarde, door het verrichten van handelingen die zij niet hadden mogen doen. Het doel van deze passage is om Allahs houding tegenover hen duidelijk te maken als waarschuwing en om vrees voor dergelijke daden op te roepen.

In deze ḥadīth wordt beschreven dat ongelukkige personen in het Hiernamaals een zeer slechte situatie zullen ervaren. Het wordt vermeld dat Allah niet met hen zal spreken, hen niet zal aanschouwen, hen niet zal zuiveren, en dat er voor hen een pijnlijke bestraffing wacht.

De drie groepen mensen die hier worden genoemd zijn:

Degene die een dorstige reiziger water onthoudt, zelfs wanneer hij in de woestijn of op het platteland meer water heeft dan nodig is. Zo iemand is hards, zonder mededogen en wreed. Het onthouden van water aan dieren is al ḥarām, maar het onthouden aan een mens, zeker een dorstige reiziger, is veel ernstiger en een grote zonde.

Degene die na ʿAsr (de namiddag) zijn bezit wil verkopen en daarbij liegt door een eed af te leggen om de koper te overtuigen: “Ik heb dit goed voor deze prijs gekocht”, terwijl dat niet waar is, en zo zijn bezit verkoopt. Over de vermelding “na ʿAsr” zegt al-Ḥattābī het volgende: “Het zweren op een leugen is te allen tijde ḥarām. De reden dat hier ‘na ʿAsr’ wordt genoemd, is dat dit tijdstip waardevol is bij Allah. Allah verzamelt op dit moment de engelen, en de dagelijkse daden worden op dit tijdstip afgerond. Alles wordt dan belangrijk en geldig. Daarom is de straf voor zonden die tijdens dit tijdstip worden begaan verzwaard, om de gelovige ervan te weerhouden op dat moment een zonde te begaan.Wie zich toch op dit moment aan een zonde overgeeft, loopt het risico gewend te raken aan zondigen op andere momenten.”

De derde groep mensen die hier wordt genoemd, is:

Degene die om persoonlijke voordelen een staatsleider trouw zweert, en loyaal blijft zolang hij zijn voordeel krijgt, maar in opstand komt zodra hij zijn gewenste voordeel niet krijgt. Zo iemand bedriegt zowel de staatsleider als de moslims. Zijn karakter kan leiden tot onverwachte onrust en chaos, en veroorzaakt fitnah en verdeeldheid in de samenleving.] (HA)

Het is een ernstige fout zelfmoord te plegen, en wie zichzelf doodt met een bepaald middel, daarmee zal hij in het Vuur worden gestraft; en niemand zal het Paradijs binnengaat behalve een moslim

بيان غلظ تحريم قتل الإِنسان نفسه وأن من قتل نفسه بشيء عذب به في النار، وأنه لا يدخل الجنة إلا نفس مسلمة

٦٩ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: مَنْ تَرَدَّى مِنْ جَبَلٍ فَقَتَلَ نَفْسَهُ فَهُوَ في نَارِ جَهَنَّمَ يَتَرَدَّى فِيهِ خَالِدًا مُخَلَّدًا فِيها أَبَدًا، وَمَنْ تَحَسَّى سُمًّا فَقَتَلَ نَفْسَهُ فَسُمُّهُ في يَدِهِ يَتَحَسَّاهُ في نَارِ جَهَنَّمَ خَالِدًا مُخَلَّدًا فيها أَبَدًا، وَمَنْ قَتَلَ نَفْسَهُ بِحَديدَةٍ فَحَدِيدَتُهُ في يَدِهِ يَجَأُ بِها في بَطْنِهِ في نَارِ جَهَنَّمَ خَالِدًا مُخَلَّدًا فِيها أَبَدًا

69-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie van een berg valt en zichzelf doodt, zal voor eeuwig in het Hellevuur zijn, voortdurend zichzelf van een hoge plek in het Hellevuur werpend. Wie zich vergiftigt, zal eeuwig in het Hellevuur zijn, waarbij hem het vergif (door de engelen) wordt toegediend.

Wie zichzelf met een snijwond doodt, zal eeuwig in het Hellevuur zijn, waarbij het mes zich steeds in zijn buik stekend.'[Zelfmoord is een van de grote zonden en is een zaak die binnen de macht van Allāh ligt. Allāh de Almachtige kan straffen of vergeven als Hij dat wenst. Begrafenisgebed ( ṣalāh al-janazah) voor de persoon die zelfmoord heeft gepleegd wordt uitgevoerd door de moslims. Maar de staatshoofd (imām) verricht het niet.](HY)

[Wie zelfmoord pleegt en dit als ḥalāl beschouwt, is volgens de Islām voor eeuwig in de hel, want hij beschouwt een door Allah absoluut verboden daad als toegestaan en valt daarmee buiten de grenzen van het geloof.Wie echter uit zwakte en het volgen van zijn nafs (ego) zelfmoord pleegt, zonder het als ḥalāl te accepteren, is niet voor eeuwig in de Hel.

De uitdrukking “voor eeuwig” in sommige teksten betekent hier een zeer lange periode van straf, niet werkelijk voor eeuwigheid.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in deze ḥadīth benadrukt dat zelfmoord met welke methode dan ook een uiterst verwerpelijke daad is, en hij heeft de gelovigen door middel van een strenge waarschuwing voor de Hel ervoor proberen te behoeden.Over de ṣalāh al-janāzah voor iemand die zelfmoord heeft gepleegd verschillen de meningen:Volgens Abu Yusuf wordt de ṣalāh al-janāzah (begrafenisgebed) niet voor hem verricht, omdat hij zichzelf onrecht heeft aangedaan en daarmee op één lijn staat met een gewapende bandiet (ḥirābah).Volgens Abu Ḥanīfah wordt het wél verricht, want zijn bloed is niet heiligschennend en hij is vergelijkbaar met iemand die door zijn natuurlijke dood is gestorven.”] (HA)

٧٠ - حديث ثَابِتِ بْنِ الضَّحَّاكِ، وَكانَ مِنْ أَصْحابِ الشَّجَرَةِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: مَنْ حَلَفَ عَلى مِلَّةٍ غَيْرِ الإِسْلامِ فَهُوَ كَما قَالَ وَلَيْسَ عَلى ابْنِ آدَمَ نَذْرٌ فِيما لا يَمْلِكُ، وَمَنْ قَتَلَ نَفْسَهُ بِشَيْءٍ في الدُّنْيا عُذِّبَ بِهِ يَوْمَ الْقِيامَةِ، وَمَنْ لَعَنَ مُؤْمِنًا فَهُوَ كَقَتْلِهِ، وَمَنْ قَذَفَ مُؤْمِنًا بِكُفْرٍ فَهُوَ كَقَتْلِهِ

70-) Van een van degenen die trouw zwoeren onder de boom, Sabit Ibn Dahhâk (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zweert met de eed: 'Ware ik in een andere dīn dan de Islām zijn', zal worden zoals hij zei.Iemand kan geen belofte doen over iets wat hij niet heeft.

De zoon van Adam is niet gebonden aan een gelofte (naḏr) over iets waarover hij geen zeggenschap heeft. Wie in deze wereld zelfmoord pleegt, zal op de Dag des Oordeels met dezelfde straf worden gekweld. Wie een gelovige (mu’min) vervloekt, is alsof hij hem heeft gedood. Wie een gelovige beschuldigt van ongeloof, is alsof hij hem heeft gedood.”

[Het doel van deze eed is: een eed van het type “Als ik dit doe, word ik kāfir, word ik jood …

Dit soort eden wijst op overdrijving in waarschuwing en bestraffing. Degene die zo’n eed aflegt, wordt in werkelijk noch jood noch murtad (verlaat de Islām). Het betekent alsof hij een straf zoals een jood zou verdienen.

Volgens Ibn Ḥajar (overleden 852/1447) betekent de uitdrukking in de ḥadīth “zal worden zoals hij zei”: dat het waarschijnlijk bedoeld is als overdrijving in dreiging en straf, en niet dat de persoon daadwerkelijk tot die religie behoort.

Als iemand een eed aflegt bij iets buiten de Islām, maakt het geen verschil of de eed oprecht of vals is.

Volgens Ibn Battāl betekent “zal worden zoals hij zei” simpelweg dat hij een leugenaar is, niet dat hij kāfir is.

Hij verlaat de Islām niet en wordt niet lid van de religie waarover hij zwoer, omdat hij dit niet uit oprecht geloof heeft gezegd. Daarom is hij geen kāfir, maar een leugenaar.

Volgens Ibn Ḥajar (overleden 852/1447) en al-Munzirī (overleden 656/1258) wordt duidelijk dat degene die op deze manier zweert, niet werkelijk jood of kāfir wordt.

Of zulke uitspraken volgens de shariʿah als echt een eed worden beschouwd, en of kaffārah (boetedoening) vereist is als men zich er niet aan houdt, is er oneinigheid onder de geleerden:

Volgens Ibn al-Jawzī (overleden 597/1200) is iemand die zweert bij een religie buiten de Islām, is vergelijkbaar met een kāfir.

Volgens Imām al-Shāfiʿī (overleden 204/819) en Imām Mālik (overleden 179/795) zijn dergelijke uitspraken geen echte eed, en vereist geen kaffārah als men zich niet eraan houdt.

Volgens Imām Abū Ḥanīfah (overleden 150/767), Imām Aḥmad (overleden 241/795), al-Nahhāʾī (overleden 95/713), al-Awzāʿī (overleden 157/774) en ath-Thawrī (overleden 161/777) hebben dergelijke uitspraken de aard van een eed, en als men die verbreekt is kaffārah vereist.Bijvoorbeeld, Allah heeft kaffārah voorgeschreven voor iemand die zihar* pleegt, omdat zihar een zonde en valse uitspraak is. Het afleggen van een eed met dergelijke woorden is ook een zonde, en daarom is kaffārah vereist. (*Zihār is een verboden manier van echtscheiding waarbij de man zijn vrouw vergelijkt met een familielid en haar onrechtmatig afstandt van haar huwelijksrechten)

Het afstaan van iets dat men niet bezit: volgens Imām al-Shāfiʿī is dit niet verplicht, ongeacht of het algemeen of specifiek is. Volgens Abū Ḥanīfah is het in beide gevallen juist om een verklaring te geven.

Daarnaast vermeldt deze ḥadīth dat degene die zichzelf met iets doodt, op de Dag des Oordeels wordt bestraft met hetzelfde middel dat hij gebruikte, waardoor de ernst en belangrijkheid van deze daad wordt benadrukt.In de vorige ḥadīth werden specifieke vormen van zelfmoord genoemd; hier ligt de nadruk op een algemene formulering.] (HA)

٧١ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: شَهِدْنا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ خَيْبَرَ، فَقالَ لِرَجُلٍ مِمَّنْ يَدَّعِي الإِسْلامَ: هذا مِنْ أَهْلِ النَّارِ، فَلَمّا حَضَرَ الْقِتالُ قاتَلَ الرَّجُلُ قِتالًا شَديدًا فَأَصابَتْهُ جِراحَةٌ، فَقِيلَ يا رَسُولَ اللهِ الَّذِي قُلْتَ إِنَّهُ مِنْ أَهْلِ النَّارِ فَإِنَّه قَدْ قاتَلَ الْيَوْمَ قِتالًا شَدِيدًا، وَقَدْ مَاتَ، فَقالَ ﷺ: إِلى النَّارِ قَالَ فَكادَ بَعْضُ النَّاسِ أَنْ يَرْتابَ؛ فَبَيْنَما هُمْ عَلى ذلِكَ إِذْ قِيلَ إِنَّهُ لَمْ يَمُتْ وَلكِنَّ بِهِ جِراحًا شَدِيدًا، فَلَمّا كانَ مِنَ اللَّيْلِ لَمْ يَصْبِرْ عَلى الْجِراحِ فَقَتَلَ نَفْسَهُ: فَأُخْبِرَ النَّبِيُّ ﷺ بِذلِكَ، فَقالَ: اللهُ أَكْبَرُ أَشْهَدُ أَنّي عَبْدُ اللهِ وَرَسُولُهُ، ثُمَّ أَمَرَ بِلالًا فَنادى في النَّاسِ: إِنَّه لا يَدْخُلُ الْجَنَّةَ إِلاّ نَفْسٌ مُسْلِمَةٌ، وَإِنَّ اللهَ لَيُؤَيِّدُ هذا الدِّينَ بِالرَّجُلِ الْفاجِرِ

71 –Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Wij waren samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig bij (de slag om) Khaybar.

Toen zei hij over een man die beweerde moslim te zijn: “Deze man behoort tot de bewoners van het Vuur.”Toen het gevecht begon, vocht die man zeer heftig en raakte gewond.

Toen zei men: “O Rasûlullāh, die man waarvan u zei dat hij van de bewoners van het Vuur is, heeft vandaag hevig gevochten en is gestorven!”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Hij is in het Vuur.”Dat bracht sommige mensen aan het twijfelen.

Terwijl zij in die toestand verkeerden, werd gezegd:“Hij is niet gestorven, maar hij is zwaar gewond geraakt.”Toen het nacht was geworden, kon hij de verwonding niet verdragen, en pleegde zelfmoord.Daarop werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hierover geïnformeerd.Hij zei toen: “Allāhu Akbar! Ik getuig dat ik de dienaar van Allāh en Zijn boodschapper ben!”Daarna gaf hij Bilāl de opdracht om onder de mensen om te roepen: “Niemand zal het Paradijs binnengaan behalve een moslim persoon!En waarlijk, Allāh ondersteunt deze dīn (Islām) zelfs door middel van een verdorven man (fājir).”

٧٢ - حديثُ سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ ﵁ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ الْتَقى هُوَ وَالْمُشْرِكُونَ فَاقْتَتَلُوا فَلَمَّا مَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلى عَسْكَرِهِ، وَمالَ الآخَرُونَ إِلى عَسْكَرِهِمْ، وَفي أَصْحابِ رَسُولِ اللهِ ﷺ رَجُلٌ لا يَدَعُ لَهُمْ شاذَّةً وَلا فَاذَّةً إِلاَّ اتَّبَعَهَا يَضْرِبُها بِسَيْفِهِ، فَقالُوا ما أَجْزَأَ مِنّا الْيَوْمَ أَحَدٌ كَما أَجْزَأَ فُلانٌ؛ فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَما إِنَّهُ مِنْ أَهْلِ النَّارِ فَقالَ رَجُلٌ مِنَ الْقَوْمِ: أَنا صَاحِبُهُ قَالَ فَخَرَجَ مَعَهُ كُلَّما وَقَفَ وَقَفَ مَعَهُ، وَإِذا أَسْرَعَ أسرع مَعَهُ؛ قَالَ فَجُرِحَ الرَّجُلُ جُرْحًا شَديدًا، فَاسْتَعْجَلَ الْمَوْتَ فَوَضَعَ نَصْلَ سَيْفِهِ بِالأَرْضِ، وَذُبابَهُ بَيْنَ ثَدْييْهِ ثُمَّ تَحامَلَ عَلى نَفْسِهِ فَقَتَلَ نَفْسَهُ فَخَرَجَ الرَّجُلُ إِلى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقالَ: أَشْهَدُ أَنَّكَ رَسُولُ اللهِ قَالَ: وَما ذَاكَ قَالَ: الرَّجُلُ الَّذي ذَكَرْتَ آنِفًا أَنَّهُ مِنْ أَهْلِ النَّارِ فَأَعْظَمَ النَّاسُ ذَلِكَ، فَقُلْتُ: أَنا لَكُمْ بِهِ، فَخَرَجْتُ في طَلَبِهِ، ثُمَّ جُرِحَ جُرْحًا شَدِيدًا فَاسْتَعْجَلَ الْمَوْتَ، فَوَضَعَ نَصْلَ سَيْفِهِ في الأَرْضِ، وَذُبابَهُ بَيْنَ ثَدْيَيْهِ، ثُمَّ تَحامَلَ عَلَيْهِ فَقَتَلَ نَفْسَهُ فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عِنْدَ ذَلِكَ: إِنَّ الرَّجُلَ لَيَعْمَلُ عَمَلَ أَهْلِ الْجَنَّةِ فيما يَبْدُو لِلنَّاسِ وَهُوَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ، وَإِنَّ الرَّجُلَ لَيَعْمَلُ

عَمَلَ أَهْلِ النَّارِ فِيما يَبْدُو لِلنَّاسِ وَهْوَ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ72 –Van Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) trof de afgodendienaren en zij gingen met elkaar de strijd aan. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich terugtrok naar zijn legerkamp, en de anderen zich naar hun legerkamp, was er onder de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) een man die geen enkele vijand, geen enkeling, noch een groep, met rust liet zonder hen achterna te gaan en hen met zijn zwaard neer te slaan.Toen zeiden de mensen (ṣaḥābah): “Vandaag heeft niemand van ons zo goed gestreden als die-en-die.”Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Weet dat hij van de bewoners van het Vuur is.”Een man uit het gezelschap zei: “Ik zal hem volgen (en het uitzoeken).”Hij ging met hem mee: telkens als die man stilhield, hield hij ook stil, en als hij zich haastte, haastte hij zich ook.Toen raakte de man zwaar gewond. Hij haastte zich naar de dood: hij plaatste de punt van zijn zwaard op de grond, het gevest tussen zijn borst, en leunde toen met kracht op zichzelf tot hij zichzelf doodde.De man die hem had gevolgd ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Ik getuig dat u werkelijk Rasûlullāh bent.”- “Wat is er aan de hand?”- “De man van wie u zojuist zei dat hij van de bewoners van het Vuur is, dat heeft grote indruk gemaakt op de mensen. Ik zei: ‘Ik zal het voor jullie uitzoeken.’ Ik volgde hem en toen hij zwaar gewond raakte, wilde hij het sterven versnellen en plaatste de punt van zijn zwaard op de grond en het gevest tussen zijn borst, en leunde daarop tot hij zichzelf doodde.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Voorwaar, een man verricht de daden van de bewoners van het Paradijs, zoals het de mensen lijkt, terwijl hij van de bewoners van het Vuur is. En voorwaar, een man verricht de daden van de bewoners van het Vuur, zoals het de mensen lijkt, terwijl hij van de bewoners van het Paradijs is.”

[De persoon die het publiek inspireerde met het Hellevuur die hij hierboven toonde is Quzmân az-Zafaif. Volgens de informatie van imām `Aynī was deze man een van de hypocrieten.

Omdat hij niet deelnam aan de Slag in Uḥud, werd hij door de vrouwen bekritiseerd en zeiden: “Jij bent niets anders dan een vrouw.”. Daarop ging hij ten strijde en was de eerste die zijn pijl (op de vijanden) schoot. En zei: “O mensen van Aws, vecht voor de eer van je familie !” Qatada Ibn Numan (رضي الله عنه) zei tegen hem: “Moge de getuigenis voor jou gezegend worden.” Hij zei: “Bij Allāh, ik heb niet voor de Islām gevochten. Ik heb slechts gevochten om mijn eer te beschermen”. Toen deze man zelfmoord pleegde, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Allāh kan deze godsdienst (dīn) zeker ondersteunen met een zondig persoon.”](AFK)

[Slag van Huneyn: Deze slag vond plaats in het 8e jaar van nH tegen de stam van Hawāzin, ten zuidoosten van Makkah, en de moslims keerden er overwinnend uit terug. Hierin wordt vermeld dat het nieuws dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over een gebeurtenis in toekomst gaf, juist uitkwam. In deze gebeurtenis maakte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) via wahy (openbaring) of door te laten zien dat iemand zichzelf het recht gaf om zich te doden, duidelijk dat die persoon geen gelovige was of dat hij door zijn overtuiging de Islām had verlaten. Hij vocht op het slagveld en raakte gewond. Deze persoon, die bekend stond als Kuzmān, kon de pijn niet verdragen en doodde zichzelf. Een belangrijk punt dat hier wordt benadrukt, is dat men zich niet moet laten misleiden door daden. Want de staat of conditie van een persoon kan altijd veranderen.] (HA)

٧٣ - حديث جُنْدُبَ بْنِ عَبْدِ اللهِ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ كَانَ فيمَنْ كَانَ قَبْلَكُمْ رَجُلٌ بِهِ جُرْحٌ فَجَزِعَ، فَأَخَذَ سِكِّينًا فَحَزَّ بِها يَدَهُ فَما رَقَأَ الدَّمُ حَتّى مَاتَ، قَالَ اللهُ تَعالَى بادَرَنِي عَبْدي بِنَفْسِهِ حَرَّمْتُ عَلَيْهِ الْجَنَّةَ

73-) Van Jundab (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was een man (onder de volkeren) voor jullie die had een wond opgelopen. (De pijn) kon hij niet (meer) verdragen, waarop hij een mes nam en in zijn had sneed. Hij kon het bloedverlies niet tegenhouden waarop hij stierf. Allahu تعالى heeft gezegd: 'Mijn dienaar heeft zich haastig omgebracht, daarom heb Ik het hem verboden het Paradijs binnen te gaan.'[Zoals in de voorgaande ahadīth is aangegeven, wordt degene die zichzelf doodt terwijl hij gewond of stervende is, nog vóórdat Allah zijn ziel neemt, de toegang tot het Paradijs ontzegd. Dit komt doordat deze persoon zelfdoding als toegestaan heeft beschouwd. Want deze persoon koos er niet voor om zijn wond te laten behandelen en te genezen, maar vond het gepast om, doordat hij het effect van de wond niet kon verdragen, uit zijn pijlkoker een pijl te nemen en door het verwonden van zijn eigen wond zichzelf van het leven te beroven. Daarom heeft Allah het Paradijs voor hem verboden.] (HA)

Verraad in oorlogsbuit is ḥarām en niemand anders dan de gelovige zal het Paradijs binnengaanغلظ تحريم الغلول وأنه لا يدخل الجنة إلا المؤمنون٧٤ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: افْتَتَحْنَا خَيْبَرَ وَلَمْ نَغْنَمْ ذَهَبًا وَلا فِضَّةً، إِنَّما غَنِمْنا الْبَقَرَ وَالإِبِلَ وَالْمَتاعَ وَالْحَوائِطَ، ثُمَّ انْصَرَفْنا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ إِلى وادي الْقُرى وَمَعَهُ عَبْدٌ لَهُ يُقالُ لَهُ مِدْعَمٌ، أَهْداهُ لَهُ أَحَدُ بَني الضِّبابِ؛ فَبَيْنَما هُوَ يَحُطُّ رَحْلَ رَسُولِ اللهِ ﷺ إِذْ جاءَهُ سَهْمٌ عائِرٌ حَتّى أَصابَ ذَلِكَ الْعَبْدَ فَقالَ النَّاسُ: هَنيئًا لَهُ الشَّهادَةُ فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: بَلى وَالَّذي نَفْسِي بِيَدِهِ إِنَّ الشَّمْلَةَ الَّتي أَصابَها يَوْمَ خَيْبَرَ مِنَ الْمَغانِمِ لَمْ تُصِبْها الْمَقاسِمُ لَتَشْتَعِلُ عَلَيْهِ نارًا

فَجاءَ رَجُلٌ، حِينَ سَمِعَ ذَلِكَ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ، بِشِراكٍ أَوْ بِشِراكَيْنِ، فَقالَ: هذا شَيْءٌ كُنْتُ أَصَبْتُهُ فَقالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: شِراكٌ أَوْ شِرَاكانِ مِنْ نارٍ

74-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Wij openden (veroverden) Khaybar, en we verwierven daarbij geen goud of zilver als oorlogsbuit.Wat we wel als buit binnenhaalden waren runderen, kamelen, goederen en boomgaarden.Daarna vertrokken we samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Wādī al-Qurā (in de buurt van Madīnah).Hij had een slaaf bij zich die Midʿam heette.

Deze slaaf was hem geschonken door iemand van Banū Ḍibāb.Terwijl hij net bezig was om de zadeltas van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) af te nemen, werd hij geraakt door een verdwaalde pijl die hem dodelijk trof.De mensen zeiden toen: “Wat een mooie dood! De martelaarsdood!”Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Nee! Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is: de mantel die hij had genomen op de dag van Khaybar uit de oorlogsbuit, vóórdat deze verdeeld was, die zal als een vuur op hem branden!”Toen kwam er een man, nadat hij dit van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, met een vetersluiting (sandalenriem), of twee, en zei: “Dit is iets wat ik had genomen.”Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Een (schoen) veter, of zelfs twee (schoen) veters, zijn (in dat geval) vuur!”

[Ghanīmah (oorlogsbuit): is de buit die tijdens een oorlog met niet-moslims of tijdens confrontaties tussen twee legers door de kracht van de strijders van de vijand wordt genomen. Draagbare buitgoederen worden “ghanāim-i ma‘lūfah” genoemd. Niet-draagbare goederen worden “ghanāim-i ghayr-i ma‘lūfah” genoemd. De in sūrah al-Anfāl genoemde buit wordt algemeen “ghanāim-i khālīsa” genoemd. De buit waarvan een vijfde aan de staatskas wordt gegeven en de rest aan de strijders wordt verdeeld, heet “ghanāim-i maqsūmah”. De buit die nog niet onder de strijders is verdeeld, heet “ghanāim-i ghayr-i maqsūmah”. Goederen die extra door de leider van het leger of de amīr aan de strijders worden gegeven als motivatie voor de strijd, worden “naīl” (meervoud: anfāl) genoemd.Het is absoluut ḥarām bewust goederen uit de buit te stelen, ongeacht de waarde of hoeveelheid. Het belangrijkste is dat het vertrouwen in de buit wordt geschonden.

Als de gestolen goederen echter weer aan de buit worden teruggegeven, wordt dat geaccepteerd.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een (schoen)veter van vuur of twee (schoen)veters van vuur.”Dit verwijst symbolisch naar de eeuwige straf in het Hiernamaals voor degene die uit de buit steelt. Met andere woorden: de gestolen goederen worden verbrand en de dader zal door dat vuur gestraft worden in het Hiernamaals. De betekenis kan ook algemeen worden opgevat als:“Wie verraad pleegt en buit steelt, zal in de Hel worden bestraft vanwege wat hij heeft genomen.”Een belangrijk punt hier is dat iemand die tijdens de oorlog verraderlijk wordt gedood, niet als martelaar (shahīd) wordt beschouwd, en dat het niet correct is om iemand van tevoren als “ Hij is in het Paradijs” of “Hij is in de Hel” te bestempelen. Sommigen zeggen dat dit incident plaatsvond tijdens Hunayn, maar zoals in deze ḥadīth wordt vermeld, gebeurde het eigenlijk in Khaybar.] (HA)

De verantwoordelijkheid voor de daden uit de tijd van de jāhiliyyah

هل يؤاخذ بأعمال الجاهلية٧٥ - حديث ابْنِ مَسْعودٍ ﵁ قَالَ: قَالَ رَجُلٌ يا رَسُولَ اللهِ أَنُؤَاخَذُ بِما عَمِلْنا في الْجاهِلِيَّةِ قَالَ: مَنْ أَحْسَنَ في الإِسْلامِ لَمْ يُؤَاخَذْ بِما عَمِلَ في الْجاهِلِيَّةِ، وَمَنْ أَساءَ في الإِسْلامِ أُخِذَ بِالأَوَّلِ وَالآخِرِ

75-) Van `Abdullah Ibni Mes'ûd (رضي الله عنه): Een man vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): 'O Rasûlullāh, zullen we worden afgerekend voor de zonden die we begingen in de tijd van onwetendheid (jāhiliyyah)?' Hij antwoordde: 'Wie goed handelt binnen de Islām, zal niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn (slechte) daden uit de tijd van onwetendheid. Maar wie slecht* handelt binnen de Islām (m.a.w. van de Islām verzaakt en als ongelovige sterft) zal verantwoording moeten afleggen voor zowel de eerdere als de latere zonden.'

[* ‘Slecht’ betekent: goede daden worden met ikhlās (oprechtheid) verricht en het slechte zonder ikhlās. Als iemand zowel uiterlijk als innerlijk tot de Islām toetreedt, wordt vergeven anders is zo'n iemand geen oprechte muslim of een huichelaar.]

De Islām doet (zondes) wat eraan voorafging teniet, en evenzo de ḥijrah en de ḥaj

كون الإِسلام يهدم ما قبله وكذا الهجرة والحج

٧٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ ناسًا مِنْ أَهْلِ الشِّرْكِ كانُوا قَدْ قَتَلُوا وَأَكْثَروا، وَزَنَوْا وَأَكْثَرُوا، فَأَتَوْا مُحَمَّدًا ﷺ فَقالُوا: إِنَّ الَّذي تَقُولُ وَتَدْعُو إِلَيْهِ لَحَسَنٌ لَوْ تُخْبِرُنا أَنَّ لِما عَمِلْنا كَفَّارَةً؛ فَنَزَلَ (وَالَّذينَ لا يَدْعُونَ مَعَ اللهِ إِلهًا آخَرَ وَلا يَقْتُلُونَ النَّفْسَ الَّتي حَرَّمَ اللهُ إِلاَّ بِالْحَقِّ وَلا يَزْنُونَ)، وَنَزَلَ: (قُلْ يا عِبادِي الَّذينَ أَسْرَفُوا عَلى أَنْفُسِهِمْ لا تَقْنَطُوا مِنْ رَحْمَةِ اللهِ)

76-) Van `Abdullah ibn `Abbâs (رضي الله عنهما): Sommige mensen onder de polytheisten die veel zonden hadden begaan, zoals moord en overspel, kwamen naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) en vroegen: 'Inderdaad, de dīn waarover u over spreekt en waartoe u ons uitnodigt is zeer mooi. Als u ons op de hoogte stelt van boetedoening dat het goed zal maken (zullen wij moslim worden)!'' Toen openbaarde Allāh:

وَٱلَّذِينَ لَا يَدۡعُونَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ وَلَا يَقۡتُلُونَ ٱلنَّفۡسَ ٱلَّتِي حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَلَا يَزۡنُونَۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ يَلۡقَ أَثَامٗا ٦٨

En degenen die geen andere godheid naast Allāh aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allāh verboden is, behalve volgens een gerechtelijke zaak. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontvangen!

يُضَٰعَفۡ لَهُ ٱلۡعَذَابُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَيَخۡلُدۡ فِيهِۦ مُهَانًا ٦٩

De bestraffing zal voor hem op de Dag der Opstanding verdubbeld worden en hij zal daarin met schande verblijven.

إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠

Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten. Voor diegenen zal Allāh hun zonden in goede daden veranderen, en Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (surah Furkan: 68-70)

۞ قُلۡ يَٰعِبَادِيَ ٱلَّذِينَ أَسۡرَفُواْ عَلَىٰٓ أَنفُسِهِمۡ لَا تَقۡنَطُواْ مِن رَّحۡمَةِ ٱللَّهِۚ إِنَّ ٱللَّهَ يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ جَمِيعًاۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ٥٣

Zeg: “O Mijn dienaren die buitensporig zijn tegenover zichzelf, wanhoop niet aan de Genade van Allāh (aangaande Zijn vergiffenis en toelating tot het Paradijs), waarlijk Allāh vergeeft alle zonden. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde, de Barmhartige. (sûrah Zumar: 53)Het oordeel over de daden van de ongelovige vóórdat hij moslim werdحكم عمل الكافر إِذا أسلم بعده

٧٧ - حديث حَكيمِ بْنِ حِزامٍ ﵁، قَالَ: قُلْتُ يا رَسُولَ اللهِ أَرَأَيْتَ أَشْياءَ كُنْتُ أَتَحَنَّثُ بِها في الْجاهِلِيَّةِ مِنْ صَدَقَةٍ أَوْ عَتاقَةٍ وَصِلَةِ رَحِمٍ، فَهَلْ فيها مِنْ أَجْرٍ فَقالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَسْلَمْتَ عَلى ما سَلَفَ مِنْ خَيْرٍ

77-) Van Hakîm Ibn Hizām (رضي الله عنه):O Rasûlullāh, in de tijd van de onwetendheid deed ik daden van aanbidding zoals het geven van ṣadaqah, het bevrijden van slaven en het onderhouden van banden met mijn familie. Heeft dit een beloning?” an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Jij bent moslim geworden door de goede daden die je in het verleden hebt verricht.”[Uit deze ḥadīth blijkt dat de beloningen voor de goede daden die iemand heeft verricht voor hem worden geregistreerd. Een andere uitleg kan zijn dat iemand een goed karakter had, de Islām met dat goede karakter omarmde en zijn deugden behield. Dit impliceert dat de beloningen van vóór de Islām niet aan hem worden toegerekend.] (AFK)

[Māẓirī zegt over de uitspraak: “Jij bent moslim geworden door de goede daden die je in het verleden hebt verricht.”Na het aangeven van de meningsverschillen onder de geleerden, merkt hij op dat de letterlijke betekenis van deze zin in strijd is met de principes van de Islām. Immers, de aanbidding van een niet-moslim is niet geldig, zodat hij door die daden beloning kan ontvangen. Het tonen van gehoorzaamheid daarentegen kan wel geldig zijn.Na deze toelichting is de ḥadīth op drie manieren geïnterpreteerd:De uitspraak “Jij bent moslim geworden door de goede daden die je in het verleden hebt verricht” kan betekenen: “Je hebt eerder goede gewoonten ontwikkeld. Daar profiteer je nog van als moslim; deze gewoonten dienen als voorbereiding en ondersteuning voor goede daden.”Het kan ook betekenen: “Door deze daden heb je een goede reputatie opgebouwd. Deze reputatie blijft ook geldig nu je moslim bent.”Het is mogelijk dat iemand, na moslim te zijn geworden, extra beloning ontvangt voor de goede daden die hij eerder heeft verricht.Volgens Qādī Iyāz betekent deze uitspraak: “Door de zegen van de goede daden die je in het verleden hebt verricht, heeft Allah jou tot het islamitische geloof geleid.” Immers, het feit dat iemand eerder goede daden heeft verricht, kan een aanwijzing zijn voor het succes van zijn uiteindelijke qadar.] (HA)

De oprechtheid en zuiverheid van het geloof

صدق الإيمان وإِخلاصه٧٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: لَمّا نَزَلَتْ (الَّذينَ آمَنُوا وَلَمْ يَلْبِسوا إِيمانَهُمْ بِظُلْمٍ) شَقَّ ذَلِكَ عَلى الْمُسْلِمينَ؛ فَقالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ أَيُّنا لاَ يَظْلِمُ نَفْسَهُ قَالَ: لَيْسَ ذَلِكَ، إِنَّما هُوَ الشِّرْكُ؛ أَلَمْ تَسْمَعُوا ما قَالَ لُقْمَانُ لاِبْنِهِ وَهوَ يَعِظهُ (يا بُنَيَّ لا تُشْرِكُ بِاللهِ إِنَّ الشِّرْكَ لَظُلْمٌ عَظِيمٌ)78-) Van `Abdullah Ibn Mes'ûd (رضي الله عنه): Toen de volgende ayah werd geopenbaard: ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ وَلَمۡ يَلۡبِسُوٓاْ إِيمَٰنَهُم بِظُلۡمٍ أُوْلَٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلۡأَمۡنُ وَهُم مُّهۡتَدُونَ ٨٢

Het zijn degenen die geloven en hun geloof niet bezoedelen met onrecht, voor hen (alleen) is er veiligheid en zij zijn de rechtgeleiden. (sûrah al-An'am: 82). (Deze ayah was te zwaar voor de moslims daarop) vroegen de metgezellen (ṣaḥābah): 'O Rasûlullāh, Wie van ons doet zichzelf geen onrecht aan?' Hierop zei hij: “Dit (genoemde) onrecht is niet zoals jullie denken (het werkelijke onrecht). Het onrecht hier is slechts shirk (polytheïsme). Hebben jullie niet gehoord wat Lukmān zei toen hij zijn zoon adviseerde?”: وَإِذۡ قَالَ لُقۡمَٰنُ لِٱبۡنِهِۦ وَهُوَ يَعِظُهُۥ يَٰبُنَيَّ لَا تُشۡرِكۡ بِٱللَّهِۖ إِنَّ ٱلشِّرۡكَ لَظُلۡمٌ عَظِيمٞ ١٣

En (gedenk) toen Loeqman tegen zijn zoon zei toen hij hem goede raad gaf: “O mijn zoon! Verenig geen anderen in de aanbidding met Allāh. Waarlijk!

Het verenigen van anderen in de aanbidding van Allāh is zeker een grote fout.” (sûrah Luqman: 13) [Het woord zulm wordt in de Qur’an in verschillende betekenissen gebruikt. Eén van deze betekenissen is: “Dat iemand zichzelf tekortdoet door zonden te begaan. De metgezellen begrepen het woord zulm in deze context als: “Wie van ons begaat geen zulm?”, oftewel: “Wie van ons begaat geen zonde?”Echter, in vers 13 in surah Luqmān wordt het woord zulm gebruikt in de betekenis van shirk / deelgenoot aan Allah toekennen.Zulm betekent iemand zijn recht onthouden en op onrechtvaardige wijze handelen. Shirk is een groot zulm. Dit is omdat de mens andere wezens als deelgenoten aan zijn Schepper toekent, die de Voorziener en Schenker van alle zegeningen is, terwijl deze wezens geen enkel aandeel hebben in Zijn schepping, voorziening of de geneugten van deze wereld. Een grotere onrechtvaardigheid is nauwelijks denkbaar.Het is het exclusieve recht van de mens om alleen Allah te aanbidden; dit is het recht van de Schepper over de mens. Echter, de mushrik (degene die shirk pleegt) aanbidt anderen en schendt hiermee dit recht van Allah. Bovendien verbruikt hij bij zijn aanbidding van anderen allerlei middelen, van zijn eigen verstand en lichaam tot aan de hemel en de aarde, terwijl al deze middelen door Allah geschapen zijn. De mens heeft geen recht om deze middelen te gebruiken door iemand anders te aanbidden dan Allah.Daarnaast heeft de mens een recht op zichzelf: dat hij zichzelf niet vernederd en geen schade berokkent. Degene die naast Allah wordt aanbeden, is niet alleen strafbaar tegenover Allah, maar brengt daarmee ook zichzelf tot vernedering. Zo wordt het hele leven van de mushrik, in elk aspect en op elk moment, een toestand van onrecht. Elke ademhaling die hij neemt, wordt een uitdrukking van zulm.] (HA)

Allāh vergeeft wat in het hart opkomt zolang het geen vaste overtuiging wordtتجاوز الله عن حديث النفس والخواطر بالقلب إِذا لم تستقر٧٩ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: إِنَّ اللهَ تَجاوَزَ عَنْ أُمَّتي ما حَدَّثَتْ بِهِ أَنْفُسُها ما لَمْ تَعْمَلْ أَوْ تَتَكَلَّمْ

79-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, Allāh heeft mijn ummah (gemeenschap) vergeven wat zij in hun harten overwegen, zolang zij er niet naar handelen of uitspreken.”

[Aan fluisteringen (waswasah) wordt geen waarde gehecht zolang het zich niet in het hart heeft genesteld en daar een vaste plaats heeft gevonden. Hetzelfde geldt voor degene die vergeet of zich vergist; ook bij hen is er geen sprake van dat het hart zich bij iets heeft neergelegd en het heeft bevestigd.] (HY)

Wanneer een dienaar een goede daad in zijn hart neemt, wordt het voor hem opgeschreven, maar een slechte gedachte wordt niet opgeschreven

إِذا هم العبد بحسنة كتبت وإِذا هم بسيئة لم تكتب٨٠ - حديث أَبي هُرَىْرَةَ ﵁ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِذا أَحْسَنَ أَحَدُكُمْ إِسْلامَهُ فَكُلُّ حَسَنَةٍ ىَعْمَلُها تُكْتَبُ لَهُ بِعَشْرِ أَمْثالِها، إِلى سَبْعِمائَةِ ضِعْفٍ، وَكُلُّ سَيِّئَةٍ يَعْمَلُها تُكْتَبُ لَهُ بِمِثْلِها

80-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand zijn Islām op een mooie manier beoefent, worden zijn goede daden van tien tot zevenhonderd keer vermeerd opgeschreven, terwijl zijn slechte daden exact met dezelfde worden opgeschreven.”٨١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ ﵄ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، فِيما يَرْوي عَنْ رَبِّهِ ﷿، قَالَ: قَالَ إِنَّ اللهَ كَتَبَ الْحَسَناتِ وَالسَّيِّئاتِ، ثُمَّ بَيَّنَ ذَلِكَ، فَمَنْ هَمَّ بِحَسَنَةٍ فَلَمْ يَعْمَلْها كَتَبَها اللهُ لَهُ عِنْدَهُ حَسَنَةً كامِلَةً، فَإِنْ هُوَ هَمَّ بِها فَعَمِلَها كَتَبَها اللهُ لَهُ عِنْدَهُ عَشْرَ حَسَناتٍ إِلى سَبْعِمائَةِ ضِعْفٍ، إِلى أَضْعافٍ كَثيرَةٍ، وَمَنْ هَمَّ بِسَيِّئَةٍ فَلَمْ يَعْمَلْها، كَتَبَها اللهُ لَهُ عِنْدَهُ حَسَنَةً كامِلَةً، فَإِنْ هُوَ هَمَّ بِها فَعَمِلَها كَتَبَها اللهُ لَهُ سَيِّئَةً واحِدَةً

81-) Van `Abdullah ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft van zijn Rab (عز وجل) overgeleverd: “Waarlijk, Allāh heeft goede (hasanāt) en slechte (sayyi`āt) daden (voorbeschikt en) opgeschreven en heeft de situatie als volgt uitgelegd: Wanneer iemand besluit om een goede daad te verrichten, maar dit niet doet, schrijft Allāh het voor hem als een volmaakte goede daad. Wanneer iemand de goede daad verricht, schrijft Allāh het voor hem, vermenigvuldigd van tien tot zevenhonderd keer. Wanneer iemand besluit een slechte daad te verrichten, maar dit niet doet, schrijft Allāh het voor hem als een volmaakte goede daad. Wanneer iemand de slechte daad doet, schrijft Allāh het als een slechte daad.”

{In een andere hadîth staat: Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"Allah zegt [tegen Zijn engelen]: Als Mijn dienaar iets kwaads in de zin heeft, schrijf het dan niet op zijn rekening, maar als hij het uitvoert, schrijf het dan op als een slechte daad. En als hij iets goeds in de zin heeft en hij doet het niet, schrijf het dan op als een goed werk, en als hij het uitvoert, schrijf het dan op als tien goede werken."}

[Zowel goedheid als slechtheid behoren tot de daden van het hart. Dat echter alleen de goedheid wordt vermenigvuldigd en niet de slechtheid, is een gunst van Allah (عز وجل) aan Zijn dienaren. Als deze grote gunst er niet was geweest, zou niemand het Paradijs kunnen binnengaan, want de slechte daden van de dienaren zijn talrijker dan hun goede daden.Daarom heeft Allah, uit Zijn genade voor de dienaren, de goede daden vermenigvuldigd en de slechte daden enkel op hun werkelijke waarde gelaten. Sommigen hebben gezegd: “Wanneer een dienaar van plan is een slechte daad te verrichten, maar die niet uitvoert, wordt die zonde niet opgeschreven. Maar waarom zou er dan wél een goede daad voor hem worden opgeschreven?” Tegen hen is gezegd: “Het achterwege laten van een slechte daad is zelf een goede daad.”Het ontvangen van tien beloningen voor één goede daad is gebaseerd op het woord van Allah (تعالى):

مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠

Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (surah al-Anʿām, 6:160)

En dat deze beloning tot zevenhonderdvoud kan toenemen, is afgeleid uit het vers:

مَّثَلُ ٱلَّذِينَ يُنفِقُونَ أَمۡوَٰلَهُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ كَمَثَلِ حَبَّةٍ أَنۢبَتَتۡ سَبۡعَ سَنَابِلَ فِي كُلِّ سُنۢبُلَةٖ مِّاْئَةُ حَبَّةٖۗ وَٱللَّهُ يُضَٰعِفُ لِمَن يَشَآءُۚ وَٱللَّهُ وَٰسِعٌ عَلِيمٌ ٢٦١

De gelijkenis van degenen die van zijn rijkdommen uitgeeft op het Pad van Allah is als de gelijkenis van een graankorrel; het groeit in zeven aren en iedere aar heeft honderd korrels. Allah geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is. En Allah is voldoende voor de noden van Zijn schepselen, Alwetend. (surah al-Baqarah, 2:261)

De uitspraak in dit vers — Allah geeft het veelvoudige aan degenen waarover Hij tevreden is — duidt erop dat dit afhankelijk is van Allah’s wil; als Hij wil, schenkt Hij nog meer beloning dan dat.] (HA)

Wat iemand moet zeggen die last heeft van twijfels in zijn geloofالوسوسة في الإِيمان وما يقوله من وجدها٨٢ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَأْتي الشَّيْطانُ أَحَدَكُمْ فَيَقُولُ: مَنْ خَلَقَ كَذا مَنْ خَلَقَ كَذا حَتَّى يَقُولَ: مَنْ خَلَقَ رَبَّكَ فَإِذا بَلَغَهُ فَلْيَسْتَعِذْ بِاللهِ وَلْيَنْتَهِ

82-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Shaytān komt naar een van jullie en vraagt: 'Wie heeft dit geschapen, wie heeft dat geschapen?' Totdat hij zegt: 'Wie heeft jouw Rab geschapen?' Wanneer dit gebeurt, moeten jullie je toevlucht tot Allāh wenden (zegende: 'A'udhu billahi min ash-shaytani’r-rajim) en zich niet bezig houden met zulke gedachten.”

[Deze ḥadīth moedigt aan om zich af te keren van dergelijke valse gedachten die in het hart opkomen, en Allah (عز وجل) te smeken om ze weg te nemen. Wat in de gedachten van een persoon opkomt, kan in twee categorieën worden verdeeld:

Dingen die in de geest opkomen maar geen invloed hebben op het verstand en geen twijfel veroorzaken.Zulke gedachten verdwijnen eenvoudigweg door ze te negeren. Dit zijn de zogenaamde waswasah (fluisteringen van de shayṭān). Omdat ze op geen enkel bewijs of grondslag berusten, verdwijnen ze vanzelf zonder dat men er een argument tegen hoeft te gebruiken.

Dit zijn standvastige gedachten en overtuigingen die ontstaan uit een twijfel.Zulke gedachten kunnen alleen worden verwijderd door middel van bewijs en kennis die de twijfel wegneemt.] (HA)

٨٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مالِكٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَنْ يَبْرَحَ النَّاسُ يَتَساءَلُونَ حَتّى يَقُولوا: هذا اللهُ خَالِقُ كُلِّ شَيْءٍ، فَمَنْ خَلَقَ اللهَ

83-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mensen blijven elkaar vragen stellen, zelfs: 'Allāh is de schepper van alles, maar wie heeft Allāh geschapen?”

{Een andere hadīth staat: Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"De mensen houden niet op vragen te stellen, tot zij dit punt bereiken: ‘Goed, Allah heeft alles geschapen, maar wie heeft dan Allah geschapen?’ In zo’n situatie moet je zeggen: ‘Ik geloof in Allah.’}[Een vraag bestaat uit twee delen: vragen die gesteld worden met goede bedoelingen om iets te leren en de waarheid te vinden. Dit soort vragen zijn niet verboden en ook niet schadelijk. Zoals onze Rab zegt: وَمَآ أَرۡسَلۡنَا مِن قَبۡلِكَ إِلَّا رِجَالٗا نُّوحِيٓ إِلَيۡهِمۡۖ فَسۡـَٔلُوٓاْ أَهۡلَ ٱلذِّكۡرِ إِن كُنتُمۡ لَا تَعۡلَمُونَ ٤٣

En vόόr jou (O Mohammed) zonden Wij slechts mannen aan wie Wij openbaarden. Vraag het aan degenen die de Boeken kennen als jullie het niet weten. (sûrah an-Nahl: 16/43), waarmee Hij ons opdraagt om dingen die we niet weten aan de bevoegde personen te vragen.Het andere soort vraag is die met de kwade bedoelingen. Vragen die in de aḥadīth worden genoemd en waarvan we verzocht worden ze te vermijden, behoren tot deze categorie. In een eerdere ḥadīth werd aangegeven dat deze vragen van de satan afkomstig zijn en daarom wordt gevraagd om bescherming bij Allāh te zoeken. In de Qur’ān, in de sûrah an-Nâs, wordt ons ook opgedragen om bescherming bij Allāh te zoeken tegen het kwaad van de suggesties van de satan. Dit soort vragen komt meestal van mensen die niet in Allāh geloven. Soms, zelfs als deze mensen een wonder zouden zien, zouden ze nog steeds niet geloven en zeggen: “Dit is magie.” Daarom moeten we ons distantiëren van zulke mensen die het product van de tijd van onwetendheid (jāhiliyyah) zijn.

Natuurlijk kan het gebeuren dat een oprecht iemand zich bovenstaande vraag stelt.In dergelijke gevallen hebben islamitische geleerden in hun boeken over geloof (`aqa`īd) zeer logische en overtuigende antwoorden gegeven. Omdat we deze uitleg hier niet willen uitbreiden, zullen we slechts kort het volgende zeggen om licht te werpen op dit onderwerp: Wanneer we denken aan de wagons in een trein, zien we dat ze allemaal met elkaar verbonden zijn. Bijvoorbeeld, de vijfde wagon wordt door de vierde wagon getrokken, de vierde door de derde, de derde door de tweede, de tweede door de eerste, en de eerste wagon wordt door de locomotief getrokken, maar de locomotief wordt door niets getrokken, het is de eigen krachtbron die de anderen in beweging zet. We kunnen nooit denken dat de locomotief door iets anders wordt getrokken. Zelfs als we beweren dat het door iets anders wordt getrokken, zal het uiteindelijk altijd terugkomen bij de eerste krachtbron, want de eerste kracht is onafhankelijk. Zo is degene die het universum heeft geschapen de bron van alles, de eerste die in beweging zet. Na deze uitleg hoeven we ons niet meer af te vragen wie Allāh heeft geschapen, want Allahu تعالى is de oorspronkelijke bron en de kracht zonder begin.](HY)

Het oordeel over het zweren bij Allāh terwijl men liegt

وعيد من اقتطع حق مسلم بيمين فاجرة بالنار٨٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَنْ حَلَفَ يَمينٍ صَبْرٍ لِيَقْتَطِعَ بِها مَالَ امْرِىءٍ مُسْلِمٍ، لَقِيَ اللهَ وَهُوَ عَلَيْهِ غَضْبانُ فَأَنْزَلَ اللهُ تَصْديقَ ذَلِكَ (إِنَّ الَّذينَ يَشْتَرُونَ بِعَهْدِ اللهِ وَأَيْمانِهِمْ ثَمَنًا قَليلًا أُولئِكَ لاَ خَلاقَ لَهُمْ في الآخِرَةِ) إِلى آخر الآية؛ قَالَ فَدَخَلَ الأَشْعَثُ بْنُ قَيْسٍ وَقَالَ: ما يُحَدِّثُكُمْ أَبُو عَبْدِ الرَّحْمنِ قُلْنا: كَذا وَكَذا، قَالَ فيَّ أُنْزِلَتْ: كانَتْ لي بِئْرٌ في أَرْضِ ابْنِ عَمٍّ لي، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بَيِّنَتُكَ أَوْ يَمينُهُ؛ فَقُلْتُ: إِذًا يَحْلِفَ يا رَسُول اللهِ؛ فَقالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَنْ حَلَفَ عَلى يَمينِ صَبْرٍ يَقْتَطِعُ بِها مَالَ امْرِىءٍ مُسْلِمٍ، وَهُوَ فِيها فاجِرٌ لَقِيَ اللهَ وَهُوَ عَلَيْهِ غَضْبانُ

84-) Van `Abdullah Ibn Mes'ûd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie valse eed aflegt om het bezit van een moslim te stelen, zal in de woede van Allāh op de hals halen en Allāh zal hem ontmoeten!”Hierna openbaarde Allāh de ayah:

إِنَّ ٱلَّذِينَ يَشۡتَرُونَ بِعَهۡدِ ٱللَّهِ وَأَيۡمَٰنِهِمۡ ثَمَنٗا قَلِيلًا أُوْلَٰٓئِكَ لَا خَلَٰقَ لَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ وَلَا يُكَلِّمُهُمُ ٱللَّهُ وَلَا يَنظُرُ إِلَيۡهِمۡ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَلَا يُزَكِّيهِمۡ وَلَهُمۡ عَذَابٌ أَلِيمٞ ٧٧

Waarlijk, degenen die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen voor hun verbond met Allāh en voor hun eed, zullen geen aandeel hebben in het Hiernamaals. En Allāh zal niet tot hen spreken of naar hen kijken op de Dag der Opstanding, noch zal Hij hen reinigen en zij zullen een pijnlijke bestraffing hebben. (sûrah al-Imran: 77)Op dat moment kwam Ash’as Ibn Qays binnen en (terwijl hij naar de aanwezigen keek, en verwees naar `Abdullah Ibn Mas’ûd) zei hij: “Abû Abdurrahman! Wat heeft hij jullie verteld?” Wij antwoordden: “Dit en dit (heeft hij verteld)!” Hierop zei Ash’as Ibn Qays: “Die ayah werd over mij geopenbaard. Het was als volgt: Mijn neef had een stuk grond waar ik een put had. (Hij ontkende dit.) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: 'Je hebt een bewijs of een eed nodig om te bewijzen dat die put van jou is!' Ik zei: 'O Rasûlullāh! In dat geval zal hij zweren!' Hierop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie ook maar valse eed aflegt om het bezit van een moslim te stelen, zal in de woede van Allāh op de hals halen en Allāh zal hem ontmoeten!”[In taalkundige zin verwijst het woord ‘yamīn’ naar de rechterhand in verband met het zweren van een eed of het sluiten van een verbond. Want bij het aangaan van verdragen of overeenkomsten plachten beide partijen elkaars rechterhand vast te houden. Er is ook gezegd dat de rechterhand belangrijk is bij het beschermen of bewaren van iets. Omdat een eed dient om iets te bevestigen of te bewaren, wordt het ‘yamīn’ genoemd.

Er zijn drie soorten eed:

1. Lagw yamīn (onzinnige of achteloze eed)

Dit is een eed die iemand uitspreekt zonder het in zijn hart te bedoelen. Bijvoorbeeld:

“Wallāhi, ik zal dit doen,”

“Nee, wallāhi,”

“Ja, wallāhi.”

Dus woorden die uitgesproken worden zonder dat er een bewuste bedoeling of bevestiging in het hart is.

Sommige geleerden zeggen: dit zijn de eden die iemand in een grap, in boosheid, tijdens een ruzie of in een discussie uitspreekt zonder het echt te menen.

Oordeel: Voor dit type eed is geen kaffārah (boetedoening) of andere verplichting nodig, omdat het hart het niet heeft bevestigd.

2. Munʿaqidah yamīn (bewust gesloten eed)

Dit is een eed waarbij iemand doelbewust en met overtuiging zweert om iets wel of juist niet te doen.

Oordeel: Deze moet worden nagekomen. Als men zich er niet aan houdt, dan is het verplicht om de kaffārah (boetedoening) te betalen.

3. Ghamūs yamīn (de onderdompelende of vernietigende eed)

Dit is een valse eed die iemand opzettelijk uitspreekt om rechten van anderen ten onrechte afhandig te nemen, zoals bezit, eer of geld, door middel van leugen. De reden waarom deze eed “ghamūs” (onderdompelend) genoemd wordt, is omdat zij de persoon in zonde en in het Vuur doet onderdompelen.

Oordeel: Dit behoort tot de zwaarste verboden zaken en is een grote zonde. Voor deze eed bestaat geen kaffārah. Alleen een oprechte, nasūḥ-taubāh (berouwvolle berouw) onder de juiste voorwaarden kan vergeving verwachten. De uiteindelijke beslissing ligt bij Allāh: als Hij wil vergeeft Hij, als Hij wil straft Hij. En Allāh is de Meest Barmhartige der barmhartigen.

De eed zweren op iets anders dan Allāh

Het is ḥarām (verboden) om op iets of iemand anders dan Allāh te zweren, zoals op an-Nabī, op eer, het leven, enzovoort. Want een eed is een vorm van verheffing (tazʿīm) en alle verhevenheid komt uitsluitend Allāh toe.

Uitzondering maken in een eed (istithnā’):

Ook dit behoort tot de regels van de eed:

Als iemand een uitzondering maakt in zijn eed, zoals:“Wallāhi, als Allāh het wil, zal ik dit doen,” en hij doet het uiteindelijk niet, dan is er geen kaffārah nodig.

Als iemand een eed verbreekt door vergetelheid, vergissing, of onder dwang, dan is er eveneens geen kaffārah nodig, omdat hij het niet met opzet heeft gedaan.

Iemand die van plan is zijn eed te verbreken, mag de kaffārah ervoor of erna betalen. Beiden zijn toegestaan.

Als men in één bijeenkomst de eed herhaalt ter bekrachtiging, dan is slechts één kaffārah voldoende.Maar als men met elke herhaling een nieuwe eed bedoelt, dan moet voor elk een aparte kaffārah worden gegeven.

Tawriyyah (bedoelde dubbelzinnigheid) in de eed:

Dit wordt ook taʿrīḍ genoemd. Hierbij bedoelt men iets anders dan wat uit de woorden letterlijk blijkt.

Bijvoorbeeld: iemand zegt, “Wallāhi, hij is mijn broer,” maar bedoelt daarmee dat hij zijn broeder in de Islām is, en niet zijn bloedverwant.

Oordeel: Tawriyyah is toegestaan in gewone spraak. In eden is het ook toegestaan, zolang het niet leidt tot leugen of het schenden van andermans rechten.](HY)

Het oordeel over degene die onrechtmatig andermans bezit in beslag wil nemen, en degene die daarvoor sterft, een martelaar is

الدليل على أن من قصد أخذ مال غيره بغير حق كان القاصد مهدر الدم في حقه، وإن قتل كان في النار، وأن من قتل دون ماله فهو شهيد٨٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو، قَالَ سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَنْ قُتِلَ دُونَ مالِهِ فَهُوَ شَهيدٌ85-) Van `Abdullah Ibn Amr (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Wie gedood wordt terwijl hij zijn bezit verdedigt, die is een martelaar (shahīd).”

Een leider die zijn volk bedriegt verdient de Hel استحقاق الوالي الغاش لرعيته النار٨٦ - حديث مَعْقِلِ بْنِ يَسارٍ، أَنَّ عُبَيْدَ اللهِ بْنَ زِيادٍ عادَهُ في مَرَضِهِ الَّذي مَاتَ فِيهِ، فَقَالَ لَهُ مَعْقِلٌ إِنِّي مُحَدِّثُكَ حَديثًا سَمِعْتُهُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: ما مِنْ عَبْدٍ اسْتَرْعاهُ اللهُ رَعِيَّةً فَلَمْ يَحُطْها بِنَصيحَةٍ إِلاّ لَمْ يَجِدْ رائِحَةَ الْجَنَّةِ

86–) Van Maʿqil ibn Yasār (رضي الله عنه):Maʿqil ibn Yasār (رضي الله عنه) werd bezocht door ʿUbaydullāh ibn Ziyād toen hij ziek was in de ziekte waarin hij overleed.Toen zei Maʿqil tegen hem: “Ik zal jou een ḥadīth vertellen die ik heb gehoord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) .Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Geen enkele dienaar aan wie Allāh de zorg over mensen heeft toevertrouwd, die deze verantwoordelijkheid niet met oprechtheid en raadgeving vervult of hen niet beschermt, zal zelfs de geur van het Paradijs ervaren.”

[Uit de informatie in de keten van overleveringen aan het begin van de ḥadīth blijkt dat deze ḥadīth wordt toegeschreven aan Ma`qil Ibn Yathâr (رضي الله عنه), die het overbracht aan Ubaydullah Ibn Ziyâd, de gouverneur van Basra, toen deze hem bezocht tijdens zijn ziekte. Ubaydullah Ibn Ziyâd was een gewelddadige en bloeddorstige tiran.

Ma`qil wilde hem met dit gedrag waarschuwen. Eigenlijk had Ma`qil deze tiran eerder al meerdere keren gewaarschuwd en hem verzocht om geen onrecht aan te doen aan het volk. De wrede man die het leger aanvoerde dat het bloed van Husayn (رضي الله عنه), de heer van de jonge mannen van het Paradijs, vergoot door hem te martelen en te doden, was precies diezelfde persoon.] (AFK)

[Toen ʿUbaydullah ibn Ziyād, die op dat moment de gouverneur van Basra was namens Muʿāwiyah, Ma`qil (رضي الله عنه) kwam bezoeken, had Maʿqil deze ḥadīth tot dan toe niet overgeleverd. Dat hij deze overlevering pas op zijn sterfbed doorgaf, kan twee oorzaken hebben gehad: ofwel vreesde hij aan het einde van zijn leven de zonde van het achterhouden van kennis op zich te laden, of hij hield de overlevering bewust achter omdat het eerder meedelen ervan geen effect op ʿUbaydullah zou hebben gehad en mogelijk alleen onrust in de harten van de mensen zou veroorzaken vanwege diens slechte daden.

{In een andere hadîth zei Ma’kil zei tegen hem:"Ik zal je een traditie vertellen die ik nooit zou overleveren als ik niet op sterven lag. Ik heb an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen:'Een vorst die over de moslims regeert en die zich niet voor hen inspant en niet het goede met hen voor heeft, komt niet met hen in het Paradijs.'}De uitdrukking “Er is geen dienaar aan wie Allāh verantwoordelijkheid over mensen heeft toevertrouwd” doelt op heersers en bestuurders. Zij zijn degenen die het volk moeten helpen en onderwijzen in zowel religieuze als wereldlijke zaken. Wanneer zij zich niet rechtvaardig gedragen bij het toepassen van waarheid en rechtvaardigheid, dan hebben zij hun verantwoordelijkheid misbruikt.

Dat zulke personen het Paradijs verboden wordt, betekent ofwel dat zij menen dat onrechtvaardigheid (zulm) geoorloofd is, en dus het geloof verlaten hebben en eeuwig van het Paradijs zijn uitgesloten óf dat zij, hoewel zij weten dat onrecht ḥarām is, het toch de onderdrukten aandoen; in dat geval is het Paradijs niet absoluut voor hen verboden, maar is hun de eer ontzegd om het Paradijs direct te betreden samen met de rechtvaardige en gelukzalige gelovigen.] (HA)

Het vertrouwen en geloof uit sommige harten zal worden weggenomen en de komst van fitnah

رفع الأمانة والإيمان من بعض القلوب وعرض الفتن على القلوب٨٧ - حديث حُذَيْفَةَ قَالَ: حَدَّثَنا رَسُولُ اللهِ ﷺ حَديثَيْنِ، رَأَيْتُ أَحَدَهُمَا، وَأَنا أَنْتَظِرُ الآخَرَ حَدَّثَنا أَنَّ الأَمانَةَ نَزَلَتْ في جَذْرِ قُلوبِ الرِّجالِ، ثُمَّ عَلِمُوا مِنَ الْقُرْآنِ ثُمَّ عَلِمُوا مِنَ السُّنَّةِ وَحَدَّثَنا عَنْ رَفْعِها قَالَ: يَنامُ الرَّجُلُ النَّوْمَةَ فَتُقْبَضُ الأَمانَةُ مِنْ قَلْبِهِ، فَيَظَلُّ أَثَرُها مثل أَثَر الْوَكْتِ، ثُمَّ يَنامُ النَّوْمَةَ فَتُقْبَضُ، فَيَبْقى أَثَرُها مِثْلَ الْمَجْلِ كَجَمْرِ دَحْرَجْتَهُ عَلى رِجْلِكَ، فَنَفِطَ فَتَرَاهُ مُنْتَبِرًا وَلَيْسَ فِيهِ شَيْءٌ، فَيُصْبِحُ النَّاسُ يَتَبايَعُونَ فَلاَ يَكَادُ أَحَدٌ يُؤَدِّي الأَمَانَةَ، فَيُقَالُ إِنَّ فِي بَنِي فُلاَنٍ رَجُلًا أَمِينًا؛ وَيُقَالُ لِلرَّجُلِ مَا أَعْقَلَهُ وَمَا أَظْرَفَهُ وَمَا أَجْلَدَهُ وَمَا فِي قَلْبِهِ مِثْقَالُ حَبَّةِ خَرْدَلٍ مِنْ إِيمَانٍ

وَلَقَدْ أَتَى عَلَيَّ زَمَانٌ وَمَا أُبَالِي أَيَّكُمْ بَايَعْتُ؛ لَئِنْ كَانَ مُسْلِمًا رَدَّهُ عَلَيَّ الإِسْلاَمُ، وَإِنْ كَانَ نَصْرَانِيًّا رَدَّهُ عَلَيَّ سَاعِيهِ، فَأَمَّا الْيَوْمَ، فَمَا كُنْتُ أُبَايِعُ إِلاَّ فُلاَنًا وَفُلاَنًا

87-) Van Ḥudhayfah al Yamān (رضي الله عنه) : Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons twee overleveringen verteld. Eén ervan heb ik al gezien, en ik wacht nog op de tweede.Hij vertelde ons: “De amānah (vertrouwelijkheid/betrouwbaarheid) daalde eerst neer in de wortel van de harten van de mensen. Daarna leerden zij uit de Qurʾān, en daarna leerden zij uit de sunnah.En hij vertelde ons over het verdwijnen (opheffen) van de amānah.Hij zei: “Iemand slaapt en de amānah wordt uit zijn hart genomen. Er blijft dan slechts een spoor achter, zoals de zwelling van een brandplek.Daarna slaapt hij weer, en opnieuw wordt de amānah weggenomen. Dan blijft er een spoor achter zoals een blaar, als een kooltje vuur dat je over je voet rolt, en die doet opzwellen, maar er zit niets onder.Dan worden de mensen wakker, en ze gaan onderling handel drijven, maar er is nauwelijks nog iemand die de amānah naleeft.Men zal dan zeggen: ‘Bij de stam van die-en-die is nog een betrouwbare man!’En over een man zal gezegd worden: ‘Wat is hij verstandig! Wat is hij netjes! Wat is hij dapper!’, terwijl er in zijn hart geen geloof (īmān) is ter grootte van een mosterdzaadje.”Ḥudzayfah vervolgde: “Er was een tijd waarin het mij niets kon schelen met wie van jullie ik handel dreef.Als het een moslim was, dan bracht zijn Islām het mij terug (bij onrecht).En als hij een christen was, dan zou zijn bestuurder het mij teruggeven.Maar tegenwoordig doe ik geen zaken behalve met die-en-die (d.w.z. alleen nog met specifieke, betrouwbare mensen).”

[De liefde voor de wereld en de angst voor de dood hebben mensen van het rechte pad afgeleid. In onze authentieke bronnen, met name in de meeste ḥadīthwerken, zijn er speciale hoofdstukken die betrekking hebben op de dood, de Dag des Oordeels en het Hiernamaals.

Echter, volgens sommige moslims die deze teksten lezen, lijkt het erop dat de meeste van deze gebeurtenissen zich al hebben voltrokken, en dat we, met inachtneming van hun belangrijkheid, onze aanbidding opnieuw zouden moeten overwegen. Desondanks is het blijkbaar zo dat door het (schijnbare) gematigde standpunt ten opzichte van de Islām, of door pogingen om mensen tevreden te stellen en andere excuses, deze waarheden niet voldoende bij de moslims zijn aangekomen. Wanneer we een van deze aḥadīth aanhalen, kijken veel mensen met de uitdrukking “bestaat er echt zo'n ḥadīth?” De aḥadīth en Qur’ān verzen die de gebeurtenissen van de Dag des Oordeels beschrijven, worden door sommige van onze geleerden letterlijk begrepen, terwijl andere geleerden deze aḥadīth hebben geïnterpreteerd en geprobeerd de betekenis ervan te begrijpen door ze te vergelijken met gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden of waarschijnlijk nog zullen plaatsvinden.] (HY)

[In de ḥadīth verwijst de term “amānah” naar īmān en het bewustzijn van de verantwoordelijkheden die uit īmān voortvloeien. Deze term komt ook in de Qur’ān voor:إِنَّا عَرَضۡنَا ٱلۡأَمَانَةَ عَلَى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱلۡجِبَالِ فَأَبَيۡنَ أَن يَحۡمِلۡنَهَا وَأَشۡفَقۡنَ مِنۡهَا وَحَمَلَهَا ٱلۡإِنسَٰنُۖ إِنَّهُۥ كَانَ ظَلُومٗا جَهُولٗا ٧٢

Waarlijk, Wij hebben de godsdienstige verplichtingen aan de hemelen en de aarde en de bergen aangeboden, maar zij hebben het afgewezen en waren daar bang voor. Maar de mens nam deze op zich.

Waarlijk, hij is onrechtvaardig en onwetend. (sûrah al-Aḥzāb, 33/72)

In deze ḥadīth bespreekt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op symbolische wijze de periodes waarin īmān in de harten van mensen werd geplaatst, en hoe later het besef van verantwoordelijkheid in het geweten geleidelijk afneemt of zelfs verdwijnt. Van een moslim wordt verwacht dat hij eerlijk handelt tegenover zowel de geschapen wezens om hem heen als tegenover andere mensen en tegenover Allāh, zonder dat er een toezichthouder nodig is, en dat hij zijn verantwoordelijkheden volledig nakomt.Toch wordt vaak gezien dat sommige moslims, die geloven in Allāh en het hiernamaals, en weten dat elke daad wordt genoteerd en de Dag van Rekening zal komen, zich gedragen alsof deze kennis niet bestaat. Daarom wordt van een persoon verwacht dat hij zich naar zijn eigen hart keert, dat hij de amānah die Allāh hem heeft toevertrouwd waarmaakt. En dat hij trouw blijft aan het geloof (īmān) dat hij aan Allāh heeft beloofd.] (Diyanet)

[Over de betekenis van het woord “amānah” (vertrouwen / toevertrouwde verantwoordelijkheid) dat in deze ḥadīth wordt genoemd, zijn verschillende opvattingen geuit.Sommigen verklaarden dat hiermee bedoeld wordt: betrouwbaarheid als het tegenovergestelde van verraad, geloof (īmān), gehoorzaamheid aan Allah, de verplichtingen van de dienaren tegenover Allah, of het verbond dat Allah met Zijn dienaren heeft gesloten.Volgens Ibn al-Humām verwijst de in deze ḥadīth genoemde amānah naar dezelfde amānah die bedoeld wordt in het vers:

إِنَّا عَرَضۡنَا ٱلۡأَمَانَةَ عَلَى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَٱلۡأَرۡضِ وَٱلۡجِبَالِ فَأَبَيۡنَ أَن يَحۡمِلۡنَهَا وَأَشۡفَقۡنَ مِنۡهَا وَحَمَلَهَا ٱلۡإِنسَٰنُۖ إِنَّهُۥ كَانَ ظَلُومٗا جَهُولٗا ٧٢

Waarlijk, Wij hebben de godsdienstige verplichtingen (amānah) aan de hemelen en de aarde en de bergen aangeboden, maar zij hebben het afgewezen en waren daar bang voor. Maar de mens nam deze op zich. Waarlijk, hij is onrechtvaardig en onwetend. (surah al-Aḥzāb, 33:72)

Daarom wordt het woord amānah in zowel dit vers als in de ḥadīth gebruikt in de betekenis van īmān (geloof).Wanneer deze amānah zich stevig in het hart vestigt, gehoorzaamt men de bevelen en mijdt men de verboden.De passage in de ḥadīth waarin gesproken wordt over het zakendoen, dat mensen geen vertrouwen meer hebben om elkaar iets toe te vertrouwen, en dat eerlijke handelaren schaars worden, duidt er echter op dat amānah in deze context ook de betekenis van betrouwbaarheid en eerlijkheid draagt.Met het gezegde: “De Qur’ān is neergezonden, en de mensen hebben de onderdelen van de amānah (toevertrouwde verantwoordelijkheid) uit de Qur’ān en de sunnah geleerd” wordt bedoeld dat, nadat het geloof (īmān) in de harten was neergedaald, wij door de Qur’ān en de ḥadīth onze gehechtheid aan het geloof hebben versterkt, volledig bewust zijn geworden, en zowel van binnen als van buiten onszelf hebben gereinigd en verheven.Hieruit blijkt dat met “sunnah” in deze context wordt bedoeld de ḥadīth die de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben ontvangen en geleerd.Het opheffen van de amānah verwijst naar het geleidelijk wegnemen van deze spirituele en heilige waarde uit de harten van de mensen, en dat het merendeel van het volk deze uiteindelijk zal verliezen. Dit wordt hier uitgedrukt als een eeuwige wet en voorbeeld.] (HA)

{In een hadîth staat:Van `Abdullah ibn Mas’ûd (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Iedere profeet die Allah vóór mij tot een gemeenschap gezonden heeft, had in die gemeenschap discipelen en metgezellen die vasthielden aan zijn sunnah en hem navolgden.

Daarom wordt het woord amānah in zowel dit vers als in de ḥadīth gebruikt in de betekenis van īmān (geloof).Wanneer deze amānah zich stevig in het hart vestigt, gehoorzaamt men de bevelen en mijdt men de verboden.De passage in de ḥadīth waarin gesproken wordt over het zakendoen, dat mensen geen vertrouwen meer hebben om elkaar iets toe te vertrouwen, en dat eerlijke handelaren schaars worden, duidt er echter op dat amānah in deze context ook de betekenis van betrouwbaarheid en eerlijkheid draagt.Met het gezegde: “De Qur’ān is neergezonden, en de mensen hebben de onderdelen van de amānah (toevertrouwde verantwoordelijkheid) uit de Qur’ān en de sunnah geleerd” wordt bedoeld dat, nadat het geloof (īmān) in de harten was neergedaald, wij door de Qur’ān en de ḥadīth onze gehechtheid aan het geloof hebben versterkt, volledig bewust zijn geworden, en zowel van binnen als van buiten onszelf hebben gereinigd en verheven.Hieruit blijkt dat met “sunnah” in deze context wordt bedoeld de ḥadīth die de metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hebben ontvangen en geleerd.Het opheffen van de amānah verwijst naar het geleidelijk wegnemen van deze spirituele en heilige waarde uit de harten van de mensen, en dat het merendeel van het volk deze uiteindelijk zal verliezen. Dit wordt hier uitgedrukt als een eeuwige wet en voorbeeld.] (HA)

{In een hadîth staat:Van `Abdullah ibn Mas’ûd (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Iedere profeet die Allah vóór mij tot een gemeenschap gezonden heeft, had in die gemeenschap discipelen en metgezellen die vasthielden aan zijn sunnah en hem navolgden. Maar na hun dood komen dan de opvolgers, die zeggen wat zij niet doen en doen wat hun niet bevolen wordt. Wie hen bestrijdt met zijn hand is een gelovige. Wie hen bestrijdt met zijn tong is een gelovige. Wie hen bestrijdt met zijn hart is een gelovige. Buiten dat is er geen geloof, zelfs geen mosterdzaadje."}

Het aangeven dat de Islām als iets vreemds (gharīb) begon, opnieuw vreemd zal worden, en zich zal vestigen tussen de twee moskeeën

بيان أن الإسلام بدأ غريبا وسيعود غريبا وأنه يأرز بين المسجدين٨٨ - حديث حُذَيْفَةَ، قَالَ: كُنَّا جُلُوسًا عِنْدَ عُمَرَ ﵁ فَقَالَ: أَيُّكُمْ يَحْفَظُ قَوْلَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي الْفِتْنَةِ قُلْتُ: أَنَا كَمَا قَالَهُ، قَالَ: إِنَّكَ عَلَيْهِ أَوْ عَلَيْهَا لَجَرِيءٌ؛ قُلْتُ فِتْنَةُ الرَّجُلِ فِي أَهْلِهِ وَمَالِهِ وَوَلَدِهِ وَجَارِهِ تُكَفِّرُهَا الصَّلاَةُ وَالصَّوْمُ وَالصَّدَقَةُ وَالأَمْرُ وَالنَّهْيُ، قَالَ: لَيْسَ هذَا أُرِيدُ وَلكِنْ الْفِتْنَةُ الَّتِي تَمُوجُ كَمَا يَمُوجُ الْبَحْرُ، قَالَ: لَيْسَ عَلَيْكَ مِنْهَا بَأْسٌ يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ، إِنَّ بَيْنَكَ وَبَيْنَهَا بَابًا مُغْلَقًا، قَالَ: أَيُكْسَرُ أَمْ يُفْتَحُ قَالَ: يُكْسَرُ، قَالَ: إِذًا لاَ يُغْلَقُ أَبَدًا

قُلْنَا: أَكَانَ عُمَرُ يَعْلَمُ الْبَابَ قَالَ نَعَمْ، كَمَا أَنَّ دُونَ الْغَدِ اللَّيْلَةَ، إِنِّي حَدَّثْتُهُ بِحَدِيثٍ لَيْسَ بِالأَغَالِيطِ

فَهِبْنَا أَنْ نَسْأَلَ حُذَيْفَةَ، فَأَمَرْنَا مَسْرُوقًا فَسَأَلَهُ؛ فَقَالَ: الْبَاب عُمَرُ

88-) Van Hudzayfah (رضي الله عنه): (Tijdens zijn khalifaatschap) zaten we bij `Umar (رضي الله عنه) en hij zei: 'Wie van jullie heeft de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over fitnah (beproeving) in zijn geheugen?' Ik zei: 'Ik herinner me precies zoals hij het heeft gezegd.' Daarop zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Waarlijk, jij bent nogal gedurfd om te zeggen dat je het precies weet!”- “De fitnah van een man in zijn gezin, bezit, kinderen en buren, is de ṣalāh, de vasten, de liefdadigheid, het gebieden van het goede en het verbieden van het slechte als kafārah (boetedoening) (m.a.w. die wordt uitgewist (vergeven).”- “Daar heb ik het niet over. Ik bedoel de fitnah zoals de golven van de zee.”- “O Amīr al-Muʾminīn, er is geen vrees voor u daarvoor, want tussen u en haar is een gesloten deur.”- “Zal die deur geopend worden of gebroken worden?”- “Gebroken worden.”- “Dan zal die nooit meer gesloten worden.”Wij vroegen (later): “Wist ʿUmar wie met ‘de deur’ werd bedoeld?”- “Ja, net zo zeker als dat er een nacht is vóór de morgen. Ik heb hem een overlevering verteld betrof zeer betrouwbare en valide informatie.” We waren echter bang om Ḥudhayfah (رضي الله عنه) rechtstreeks te vragen, dus droegen we Masrūq op om hem te vragen.Toen zei hij: “Die deur is ʿUmar.”

[Hadīth die de tekst van het hoofdstuk dekt is: Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De Islām begon als iets vreemds en zal weer terugkeren naar zijn oorspronkelijke staat van vreemd zijn. Gelukzalig zijn de vreemdelingen (die in dit geloof standvastig blijven).” (Muslim)

Het woord gharīb (vreemdeling) verwijst naar iemand die zich in een ongebruikelijke of vreemde omgeving bevindt.

Deze ḥadīth benadrukt dat een gelovige, ongeacht de omstandigheden, niet pessimistisch of somber moet zijn over de toekomst van de Islām.

Men kan deze ḥadīth ook begrijpen als: “De Islām begon met een ongekende opkomst in de geschiedenis en zal aan het einde der tijden weer zo’n krachtige heropleving meemaken.”

Dit spoort aan om deel te nemen aan het streven van de ghurabā, degenen die deze voorspoedige tijden voorbereiden.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geeft hiermee goed nieuws aan de ghurabā: zij zullen de niet-islamitische praktijken uit het leven verwijderen en de Islām in zijn oorspronkelijke, zuivere vorm toepassen. Zo kondigt hij een hoopvolle toekomst aan voor de ummah.

Hoewel sommige bewoordingen van de ḥadīth misschien pessimistisch lijken, beschrijft zij de ghurabā als:

“De ghurabā zijn degenen die, na mij, de mensen die mijn sunnah hebben verdorven en veranderd, zullen corrigeren.” (Tirmiḏī)] (HA)

[De lexicale betekenis van het woord fitnah is: beproeving of test (imtihān, ibtilā). Soms wordt het ook gebruikt in de zin van ongeloof, schandelijkheid, straf, oorlog, rampspoed, dwaling of zonde.

Wanneer iemand fitnah ervaart met betrekking tot zijn familie, verwijst dit naar het lijden, verdriet, pijn, kwaad of twijfel dat hen treft en hem raakt. Fitnah ten opzichte van de buren betekent dat iemand zich ongelukkig voelt omdat zijn buren rijk zijn en hij hetzelfde wenst te bereiken. De boetedoening (kafārah) voor dit soort fitnah bestaat uit het op tijd verrichten van de vijf dagelijkse ṣalāh, vasten (ṣiyām) en het geven van zekāh. Het vers:

إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ (Surah Hūd 11:114) – “Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden”

wordt geïnterpreteerd als: mits men zich onthoudt van grote zonden, wissen de vijf dagelijkse ṣalāh kleine zonden uit.

De ernst van fitnah wordt vergeleken met de golven van de zee.

Net zoals de woeste golven elkaar opvolgen en op elkaar slaan, volgen ook de fitnahs elkaar op en beïnvloeden ze elkaar.

Hudzayfah zei tegen ʿUmar (رضي الله عنه):

“O Amīr al-Muʾminīn, er is geen vrees voor u daarvoor, want tussen u en haar is een gesloten deur.”

Hiermee wilde hij aangeven dat deze fitnahs tijdens het leven van ʿUmar (رضي الله عنه) niet volledig tot uiting zouden komen. Het woord “breken” duidt erop dat het later moeilijk zal zijn om de gevolgen van de fitnahs te herstellen, zoals iets gebroken slechts met moeite hersteld kan worden.

Hudzayfah voorzag dat ʿUmar (رضي الله عنه) vermoord zou worden, maar durfde dit niet rechtstreeks te zeggen en liet het daarom vaag. ʿUmar (رضي الله عنه) begreep echter dat de “deur” naar hem verwees. Hudzayfah’s bedoeling was niet zijn dood aan te kondigen, maar te waarschuwen dat de fitnahs na zijn overlijden zouden ontstaan.] (HA)

٨٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الإِيمَانَ لَيَأْرِزُ إِلَى الْمَدِينَةِ كَمَا تَأْرِزُ الْحَيَّةُ إِلَى جُحْرِهَا

89-) Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Zoals de slang zich terugtrekt naar zijn hol, zo zullen (de lieden van) het geloof zich terugtrekken naar Madīnah.'Het is toestaan dat een gelovige die vreest zijn geloof te verbergen

جواز الاستسرار للخائف٩٠ - حديث حُذَيْفَةَ ﵁ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ اكْتُبُوا لِي مَنْ تَلَفَّظَ بِالإِسْلاَمِ مِنَ النَّاسِ فَكَتَبْنَا لَهُ أَلْفًا وَخَمْسَمِائَةِ رَجُلٍ فَقُلْنَا نَخَافُ وَنَحْنُ أَلْفٌ وَخَمْسُمِائَةٍ فَلَقَدْ رَأَيْتُنَا ابْتُلِينَا حَتَّى إِنَّ الرَّجُلَ لَيُصَلِّي وَحْدَهُ وَهُوَ خَائِفٌ

90-) Van Hudzayfah al Yamān (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Breng me een lijst met de mensen die zeggen dat ze moslim zijn.' We brachten hem een lijst van 1500 mensen. (Tijdens de Slag van de Graven (Khandaq) zei ik: 'Zullen we bang zijn als we met 1500 man zijn?' Voorwaar ik zie nu dat we in zo'n fitnah (tijd) zijn beland dat iemand uit angst alleen in zijn eentje de ṣalāh (thuis) verricht (zonder naar de moskee te gaan).”[De metgezellen (ṣaḥābah), die van nature geen angst kenden, konden door de verspreiding van fitnah en anarchie niet langer de moskee betreden om de ṣalāh gezamenlijk te verrichten. Deze periode begon met het martelaarschap van ʿUmar (رضي الله عنه), waarna de deur van fitnah openging. Toen ʿUthmān (رضي الله عنه) werd vermoord, verhinderden de opstandelingen zelfs de ṣalwāt in de moskee van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Vergelijkbare situaties deden zich voor tijdens de Hajrah-incidenten en de veldslagen van Jamal en Siffīn.

Deze gebeurtenissen verergerden de fitnah, en dood en verderf verspreidden zich.In een andere overlevering van Ṣaḥīḥ Muslim staat: “O Rasûlullāh, zouden wij, toen we met zeshonderd of zevenhonderd mensen waren, nog steeds bang moeten zijn?” vroegen wij. Hij antwoordde: “Jullie weten het niet; misschien worden jullie getroffen door een beproeving.” Daarna bevonden wij ons in een fitnah waarin sommigen van ons alleen nog in het geheim de ṣalāh konden verrichten (Muslim, Īmān: 149). (AFK)

Het hart van degene die bang is dat zijn geloof wankelt door zijn zwakheid, wordt daardoor verzacht. Het is bovendien niet toegestaan om over zaken van geloof een definitieve uitspraak te doen zonder duidelijk en doorslaggevend bewijs.

تألف قلب من يخاف على إيمانه لضعفه والنهي عن القطع بالإيمان من غير دليل قاطع٩١ - حديث سَعْدٍ ﵁ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ أَعْطَى رَهْطًا وَسَعْدٌ جَالِسٌ، فَتَرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ رَجُلًا هُوَ أَعْجَبُهُمْ إِلَيَّ، فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا لَكَ عَنْ فُلاَنٍ فَوَاللهِ إِنِّي لأَرَاهُ مُؤْمِنًا، فَقَالَ: أَوْ مُسْلِمًا فَسَكَتُّ قَلِيلًا ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَعْلَمُ مِنْهُ فَعُدْتُ لِمَقَالَتِي فَقُلْتُ: مَا لَكَ عَنْ فُلاَنٍ فَوَاللهِ إِنِّي لأَرَاهُ مُؤمِنًا فَقَالَ: أَوْ مُسْلِمًا فَسَكَتُّ قَلِيلًا ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَعْلَمُ مِنْهُ، فَعُدْتُ لِمَقَالَتِي، وَعَادَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، ثُمَّ قَالَ: يَا سَعْدُ إِنِّي لأُعْطِي الرَّجُلَ، وَغَيْرُهُ أَحَبُّ إِلَيَّ مِنْهُ، خَشْيَةَ أَنْ يَكُبَّهُ اللهُ فِي النَّارِ

91-) Van Sa`d Ibn Abi Waqqās (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf een aantal mensen geschenken. Ik zat op dat moment bij hem. Maar hij gaf geen geschenk aan degene waarvan ik (dacht dat hij) het meest verdiende.Ik zei: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?

Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige (mu’min) is.' Hij zei: 'Noem hem (geen mu’min maar) een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?' Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.' Hij zei weer: 'Noem hem een moslim.' Ik zweeg even, maar mijn overtuiging was sterker, dus herhaalde ik: 'O Rasûlullāh, waarom hebt u hem niet gegeven?' Bij Allāh, ik ben van mening dat hij ook een gelovige is.'Toen zei hij : 'O Sa`d, ik kan hem, die ik minder liefheb dan anderen, een geschenk geven, alleen om te voorkomen dat Allāh hem naar het Hellevuur zal sturen.'

[De betekenis hiervan is dat iemand die zijn Islām slechts uiterlijk belijdt, door te verklaren dat hij moslim is maar geen inzicht heeft in zijn innerlijke toestand en de werkelijke werkelijkheid daarvan niet begrijpt, niet kan worden beschouwd als een ware gelovige (muʾmin).] (HY)

[In deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een gift schonk en daarmee een daad van vrijgevigheid verrichtte. Saʿd b. Abī Waqqāṣ (رضي الله عنه) was hiervan getuige en merkte op dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sommige personen met een zwak geloof iets gaf, terwijl hij anderen — die arm waren maar een sterk geloof hadden — niets gaf. Daarop zei Saʿd (رضي الله عنه): “O Rasulullāh, waarom hebt u hem niets gegeven? Bij Allah, ik ben van mening dat hij ook een gelovige (muʾmin) is.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde daarop slechts: “Nee, zeg liever: ‘moslim’.”Met dit antwoord wordt bedoeld: oordeel niet te snel dat iemand een muʾmin is, want het innerlijke geloof van het hart is niet met zekerheid vast te stellen. Het is passender iemand ‘moslim’ te noemen, aangezien ‘moslim’ duidt op uiterlijke overgave aan Allah.”Hieruit blijkt dat het innerlijke geloof (īmān) een verborgen aangelegenheid is die alleen Allah volledig kent. Daarom is het op basis van uiterlijke overgave juister om iemand als moslim te beschouwen, zonder te veronderstellen dat hij automatisch een volledige muʾmin is.De persoon die Saʿd (رضي الله عنه) aanwees, was Jâil b. Surakah (رضي الله عنه). Hij was een arme man die had deelgenomen aan de veldslagen van Uhud en andere veldtochten.

Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Jâil (رضي الله عنه) niets gaf, terwijl hij wel iets gaf aan mensen met zwak geloof, laat zien dat hij wist dat Jâil (رضي الله عنه) niet van zijn geloof zou afvallen. Het schenken aan mensen met zwak geloof had daarentegen als doel hun hart voor de Islām te verzachten en te versterken; zulke personen worden “muʾallafah al-qulûb” genoemd.Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Saʿd, ik kan hem, die ik minder liefheb dan anderen, een geschenk geven, alleen om te voorkomen dat Allah hem naar het Hellevuur zal sturen.” Hiermee benadrukte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat het geven aan mensen met zwak geloof bedoeld is om hen bij de Islām te houden. Als zij niets zouden ontvangen, zouden ze mogelijk hun geloof verzaken of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) van gierigheid beschuldigen, waardoor ze de Islām zouden verlaten.] (HA)

Het hart wordt tevreden door de toename van bewijzen

زيادة طمأنينة بتظاهر الأَدلة٩٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ نَحْنُ أَحَقُّ بِالشَّكِّ مِنْ إِبْرَاهِيمَ إِذْ قَالَ: (رَبِّ أَرِنِي كَيْفَ تُحْيِي الْمَوْتَى قَالَ أَوَلَمْ تُؤمِنْ قَالَ بَلَى وَلكِنْ لِيَطْمَئِنَّ قَلْبِي) وَيَرْحَمُ اللهُ لُوطًا، لَقَدْ كَانَ يَأْوِي إِلَى رُكْنٍ شَدِيدٍ؛ وَلَوْ لَبِثْتُ فِي السِّجْنِ طولَ مَا لَبِثَ يُوسُفَ لأَجَبْتُ الدَّاعِيَ

92-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij hebben meer reden om te twijfelen dan Ibrahim (عليه السلام): Allāh zei:وَإِذۡ قَالَ إِبۡرَٰهِـۧمُ رَبِّ أَرِنِي كَيۡفَ تُحۡيِ ٱلۡمَوۡتَىٰۖ قَالَ أَوَلَمۡ تُؤۡمِنۖ قَالَ بَلَىٰ وَلَٰكِن لِّيَطۡمَئِنَّ قَلۡبِيۖ

En (gedenk) toen Ibrahim (zonder argwaan of twijfels) zei: “Mijn Rab! Toon mij (in levenden lijve) hoe U de doden weer tot leven wekt.” Hij zei: “Geloof je dan niet (met je hart)?” Hij zei: “Jawel, maar opdat mijn hart tot rust komt.” (sûrah Baqarah: 260)Moge Allāh ook genade hebben met Lût (عليه السلام), want hij zei tegenover de mishandelingen van zijn volk:

قَالَ لَوۡ أَنَّ لِي بِكُمۡ قُوَّةً أَوۡ ءَاوِيٓ إِلَىٰ رُكۡنٖ شَدِيدٖ ٨٠

Hij zei: “Ik wenste dat ik de kracht had om jullie te overweldigen of dat ik tenminste een krachtige ondersteuning had (dan zou ik tegen jullie op kunnen treden).” (sûrah Hûd: 80)Terwijl hij in werkelijkheid al in het sterkste fort (Allāh) schuilde.

Als ik ook net als Yusuf (عليه السلام) zo lang in de gevangenis had gezeten, zou ik onmiddellijk reageren op de boodschapper die het nieuws van mijn vrijlating bracht,” zei hij.

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wijst hier op drie zaken:

Dit heeft betrekking op het verzoek van Ibrāhīm (عليه السلام) om een aanschouwelijk voorbeeld te krijgen van hoe de doden tot leven worden gewekt. Toen het desbetreffende vers werd geopenbaard (al-Baqarah 2:260), merkten sommige metgezellen op: “Ibrāhīm (عليه السلام) zou hebben getwijfeld aan de opstanding van de doden, terwijl onze Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit heeft getwijfeld.”

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toonde daarop zijn diepe nederigheid en stelde Ibrāhīm (عليه السلام) boven zichzelf door te zeggen: “Als zijn uitspraak als twijfel wordt opgevat, dan zijn wij daar eerder vatbaar voor dan Ibrāhīm (عليه السلام).” Daarmee maakte hij duidelijk dat er bij Ibrāhīm (عليه السلام) geen sprake was van twijfel.

Met ‘twijfel’ wordt hier gedoeld op een kortstondige innerlijke wankeling of een verontrustende gedachte die in het hart kan opkomen (waswasah). Van daadwerkelijke aarzeling in terminologische zin was bij Ibrāhīm (عليه السلام) echter geen sprake. Het is immers onmogelijk dat iemand met een diepgeworteld īmān, laat staan iemand die de rang van profeet heeft bereikt, aan zulke aarzeling onderhevig zou zijn. Ibrāhīm (عليه السلام) vroeg dan ook niet óf de doden zouden worden opgewekt, maar slechts hoe de opstanding zou plaatsvinden.

Dit heeft betrekking op het voorval waarin Lūt (عليه السلام) zijn toevlucht zocht tot Allah om zijn gasten te beschermen tegen de slechte intenties van zijn volk. Het volk van Lūt had zich de gewoonte eigen gemaakt om seksuele handelingen te verrichten met jonge mannen. Toen Allah besloot dit volk te vernietigen, zond Hij Djibrīl, Mikā’īl en Isrāfīl in de gedaante van knappe jongemannen als gasten naar Lūt (عليه السلام).

De bijzonderheden van dit voorval worden vermeld in sūrah Hūd (11:77–83).

Met de uitdrukking “een sterke vesting” doelde Lūt (عليه السلام) op Allah. Hij sprak deze woorden uitsluitend om zijn gasten gerust te stellen en hun harten te versterken.

Dit heeft betrekking op een gedeelte van het bekende verhaal van Yūsuf (عليه السلام). Zoals vermeld in Yūsuf 12:50 - 52, verliet Yūsuf (عليه السلام), nadat zijn onschuld was vastgesteld en hij lange tijd onrechtmatig gevangen had gezeten, de gevangenis niet onmiddellijk. Hij verlangde eerst dat zijn zaak volledig en openbaar zou worden onderzocht. Met deze overlevering wil an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het grote geduld en het voorbeeldige handelen van Yūsuf (عليه السلام) benadrukken. Daarmee bedoelde hij geenszins dat iemand tekortschiet ten opzichte van dit verheven voorbeeld.

In deze ḥadīth prijst en eert Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) deze drie profeten en toont hij tegelijkertijd zijn diepe nederigheid. Want, zoals bekend, is an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in alle opzichten superieur aan de andere profeten: zijn īmān, zijn vertrouwen in Allah en zijn geduld overstijgen dat van alle anderen. Hij is de meest eervolle van alle schepselen. Moge Allah ons laten delen in zijn shafāʿah en ons in staat stellen zijn pad te volgen.] (HA)

De verplichting om te geloven in de boodschap van onze Nabī Muhammad صلى الله عليه وسلم voor alle mensen, en de afschaffing van de eerdere religies door zijn geloofsgemeenschap

وجوب الإيمان برسالة نبينا محمد ﷺ إِلى جميع الناس ونسخ الملل بملته٩٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ مَا مِنَ الأَنْبِيَاءِ نَبِيٌّ إِلاَّ أُعْطِيَ مَا مِثْلُهُ آمَنَ عَلَيْهِ الْبَشَرُ، وَإِنَّمَا كَانَ الَّذِي أُوتِيتُهُ وَحْيًا أَوْحَاهُ اللهُ إِلَيَّ، فَأَرْجُو أَنْ أَكُونَ أَكْثَرَهُمْ تَابِعًا يَوْمَ الْقِيَامَةِ

93-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Aan elke profeet is slechts een wonder gegeven dat overeenkomt met de mate van geloof van de mensen in hun tijd. Wat mij echter als wonder is gegeven, is de openbaring van Allāh (de Qur’ān). Daarom hoop ik op de Dag des Oordeels degene te zijn met de meeste volgelingen/die door de meeste mensen wordt geloofd.’

[Aan elke profeet werden, passend bij hun tijd en omstandigheden, specifieke wonderen gegeven om mensen tot het geloof te leiden. De grootste en meest overduidelijke wonder van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is echter de Qur’ān. Dit komt doordat de Qur’ān een ongeëvenaarde eloquentie bezit, kennis van het ongeziene bevat, de waarheden van het geloof uiteenzet, verhalen vertelt, het hiernamaals belicht, richtlijnen voor het maatschappelijke leven en de moraal biedt, en bescherming verschaft tot aan de Dag des Oordeels. Bovendien is het aan de gehele mensheid gericht en bezit het vele andere unieke eigenschappen die geen enkel ander boek of wonder aan een andere profeet is gegeven.De wonderen van andere profeten bestonden slechts tijdens hun leven en hielden op bij hun overlijden; zij waren enkel zichtbaar voor degenen die in hun tijd leefden. Het wonder van de Qur’ān, doorgegeven via onze Nabī (صلى الله عليه وسلم), daarentegen zal blijven voortbestaan tot de Dag des Oordeels. (HA)

٩٤ - حديث أَبِي مُوسَى، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ ثَلاَثَةٌ لَهُمْ أَجْرَانِ، رَجُلٌ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ آمَنَ بِنَبِيِّهِ وَآمَنَ بِمُحَمَّدٍ ﷺ، وَالْعَبْدُ الْمَمْلُوكُ إِذَا أَدَّى حَقَّ اللهِ وَحَقَّ مَوَالِيهِ، وَرَجُلٌ كَانَتْ عِنْدَهُ أَمَةٌ فَأَدَّبَهَا فَأَحْسَنَ تَأْدِيبَهَا، وَعَلَّمَهَا فَأَحْسَنَ تَعْلِيمَهَا ثُمَّ أَعْتَقَهَا فَتَزَوَّجَهَا فَلَهُ أَجْرَانِ

94-) Van Abû Mûsā al `Asharī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Er zijn drie (soort) mensen die twee beloningen zullen krijgen: Iemand van de mensen van het Boek die zowel in zijn eigen profeet als in Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gelooft; Een slaaf die zowel het recht van Allāh als dat van zijn meester vervult;En iemand die een dienares heeft, haar goed opvoedt, haar goed onderwijst, haar bevrijdt en met haar trouwt. Voor deze drie (soort) mensen is er twee keer zoveel beloning.'

[De uitdrukking “degene die zowel in zijn eigen profeet als in Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gelooft” verwijst naar degenen die oorspronkelijk tot de mensen van het Boek behoorden, maar later an-Nabī Muhammed (صلى الله عليه وسلم) hebben leren kennen en de Islām accepteerden. Zoals duidelijk blijkt uit de overlevering in Ṣaḥīḥ Muslim (Muslim, Īmān: 241), betekent dit niet dat men tegelijkertijd de godsdienst van beide profeten volgt.] (AFK)

`Īsā (عليه السلام) zal neerdalen en zal oordelen met de Sharīʿah van Muhammad (صلى الله عليه وسلم)

نزول عيسى بن مريم حاكما بشريعة نبينا محمد ﷺ٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَيُوشِكَنَّ أَنْ يَنْزِلَ فِيكُمُ ابْنُ مَرْيَمَ حَكَمَا مُقْسِطًا، فَيَكْسِرَ الصَّلِيبَ، وَيَقْتُلَ الْخِنْزِيرَ، وَيَضَعَ الْجِزْيَةَ وَيَفِيضَ الْمَالُ حَتَّى لاَ يَقْبَلَهُ أَحَدٌ95-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Bij degene in Wiens Hand mijn ziel is, het is zeker dat de zoon van Maryam (Isâ) (عليه السلام) zal neerdalen als een rechtvaardige rechter onder jullie. Hij zal dan het kruis breken, het varken doden, de belasting voor niet-moslims (jizyah) afschaffen, en er zal zoveel rijkdom zijn dat niemand het (ṣadaqah/zakāh) kan accepteren.'[In de islamitische gedachtegang is het algemeen aanvaarde standpunt dat, toen de vijanden probeerden `Īsā (عليه السلام) te doden, hij zowel met ziel (rûh) als lichaam door Allāh naar Zijn aanwezigheid werd verheven. Een van de āyāt die hiervoor wordt aangehaald, luidt als volgt:

وَقَوۡلِهِمۡ إِنَّا قَتَلۡنَا ٱلۡمَسِيحَ عِيسَى ٱبۡنَ مَرۡيَمَ رَسُولَ ٱللَّهِ وَمَا قَتَلُوهُ وَمَا صَلَبُوهُ وَلَٰكِن شُبِّهَ لَهُمۡۚ وَإِنَّ ٱلَّذِينَ ٱخۡتَلَفُواْ فِيهِ لَفِي شَكّٖ مِّنۡهُۚ مَا لَهُم بِهِۦ مِنۡ عِلۡمٍ إِلَّا ٱتِّبَاعَ ٱلظَّنِّۚ وَمَا قَتَلُوهُ يَقِينَۢا ١٥٧

En wegens hun uitspraak: “Wij hebben de Messias, `Īsā de zoon van Maryam gedood” – maar zij hebben hem niet gedood, noch hem gekruisigd, maar de gelijkenis van `Īsā werd op een andere man gelegd. En degenen die daarin van mening verschillen zitten vol twijfel. Zij hebben daar geen kennis over, zij volgen niets anders dan gissingen en zij doodden hem niet. (Nisā, 4/157)

Volgens de geleerden van Ahl as-Sunnah wa’l Jama`ah, zoals vermeld in deze en soortgelijke sahih ḥadīth, zal `Īsā (عليه السلام) vóór de Dag des Oordeels naar de aarde terugkeren, en zijn komst naar de aarde zal een van de tekenen van de Qiyāmah zijn. Het breken van het kruis en het doden van het varken door `Īsā (عليه السلام) symboliseert zijn verwerping van de christenen die geloven dat hij gekruisigd werd en die varkensvlees ḥalāl verklaren. Tijdens de periode van zijn terugkeer zal er zoveel rijkdom zijn dat het innen van de beschermingsbelasting (jizyah) van de Ahl al-Kitāb niet nodig zal zijn.De Muʿtazilah-kelāmgeleerden zijn echter van mening dat `Īsā (عليه السلام) op natuurlijke wijze is overleed.

Zij stellen dat de overleveringen over de terugkeer van `Īsā (عليه السلام) naar de aarde en zijn korte periode van rechtvaardig heersen in strijd zouden zijn met zowel de Sunnatullāh als de godsdienst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de laatste van de profeten.] (Diyanet)٩٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ كَيْفَ أَنْتُمْ إِذَا نَزَلَ ابْنُ مَرْيَمَ فِيكُمْ وَإِمَامُكُمْ مِنْكُمْ

96) Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wanneer de zoon van Maryam (رضي الله عنها) onder jullie neerdaalt en jullie imām is, hoe zou het dan met jullie zijn?'[Īsā (صلى الله عليه وسلم) zal nabij de Dag des Oordeels neerdalen op aarde en de leider van de bron van het kwaad, de Dajjâl, doden).] (AFK)

[Vlak voor de Qiyāmah, kondigt de ḥadīth aan dat tijdens de periode waarin `Īsā (عليه السلام) naar de aarde zal terugkeren, de moslims door een persoon (imām) uit hun eigen gelederen zullen worden geleid. Met de uitdrukking “hoe zou het dan met jullie zijn?” wordt voorspeld dat de samenleving in die tijd in waardigheid en eer zal leven.] (Diyanet)

Verklaring van het moment waarop geloof niet meer wordt aanvaard

بيان الزمن الذي لا يقبل فيه الإيمان٩٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لاَ تَقُومُ السَّاعَةُ حَتَّى تَطْلُعَ الشَّمْسُ مِنْ مَغْرِبِهَا، فَإِذَا طَلَعَتْ وَرَآهَا النَّاسُ آمَنُوا أَجْمَعُونَ، وَذَلِكَ حِينَ لاَ يَنْفَعُ نَفْسًا إِيمَانُهَا ثُمَّ قَرَأَ الآية

97 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Uur (de Laatste Dag) zal niet aanbreken totdat de zon opkomt vanuit het westen. Wanneer zij (vanuit het westen) opkomt en de mensen haar zien, zullen zij allen geloven (īmān). Maar op die dag zal het geloof van degenen die eerder niet geloofden, hen niet baten. Daarna reciteerde hij de āyah:هَلۡ يَنظُرُونَ إِلَّآ أَن تَأۡتِيَهُمُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ أَوۡ يَأۡتِيَ رَبُّكَ أَوۡ يَأۡتِيَ بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَۗ يَوۡمَ يَأۡتِي بَعۡضُ ءَايَٰتِ رَبِّكَ لَا يَنفَعُ نَفۡسًا إِيمَٰنُهَا لَمۡ تَكُنۡ ءَامَنَتۡ مِن قَبۡلُ أَوۡ كَسَبَتۡ فِيٓ إِيمَٰنِهَا خَيۡرٗاۗ قُلِ ٱنتَظِرُوٓاْ إِنَّا مُنتَظِرُونَ ١٥٨

Wachten zij dan op iets anders dan dat de Engelen tot hen zullen komen, of dat jullie Heer zal komen, of dat een aantal van de Tekenen van jullie Heer zal komen. De dag dat er wat Tekenen van jullie Heer zullen verschijnen, zal het geloof van iemand niet baten wanneer hij daarvόόr niet geloofde of niets goeds verrichte toen hij geloofde. Zeg (O Mohammed): “Wacht jullie! Wij wachten (ook).” (sûrah al-An`am 6/158)

٩٨ - حديث أَبِي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: دَخَلْتُ الْمَسْجِدَ وَرَسُولُ اللهِ ﷺ جَالِسٌ، فَلَمَّا غَرَبَتِ الشَّمْسُ قَالَ: يَا أَبَا ذَرٍّ هَلْ تَدْرِي أَيْنَ تَذْهَبُ هذِهِ قَالَ قُلْتُ اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ قَالَ: فَإِنَّهَا تَذْهَبُ تَسْتَأْذِنُ فِي السُّجُودِ فَيُؤْذَنُ لَهَا وَكَأَنَّهَا قَدْ قِيل لَهَا ارْجِعِي مِنْ حَيْثُ جِئْتِ، فَتَطْلُعُ مِنْ مَغْرِبِهَا ثُمَّ قَرَأَ (ذَلِكَ مُسْتَقَرٌّ لَهَا)

98-) Van Abû Dzar (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسل) vroeg aan Abû Dzar toen de zon onderging: “Weet je waar de zon naartoe gaat?” Ik antwoordde: “Allāh en Zijn Rasûl weten het beter.” Hij zei: “De zon draait, zich neerbuigend/sajdah (in aanbidding onder de Troon (`Arsh), en vraagt toestemming om terug te keren. Er wordt haar toestemming gegeven. (Op een dag) zal zij zich neerbuigend/sajdah (in aanbidding) toestemming vragen, maar die zal haar geweigerd worden, en er zal tegen haar gezegd worden: 'Keer terug naar waar je vandaan kwam.' En zij zal opgaan vanuit het westen. Dit is wat wordt bedoeld met Allāh's woorden: وَٱلشَّمۡسُ تَجۡرِي لِمُسۡتَقَرّٖ لَّهَاۚ ذَٰلِكَ تَقۡدِيرُ ٱلۡعَزِيزِ ٱلۡعَلِيمِ ٣٨

En de zon vaart haar eigen afgebakende koers voor een (vastgestelde) termijn.

Dat is het besluit van de Almachtige, de Alwetende. (sûrah Yâsîn: 38).

[In de Qur’ān zijn er āyāt die wij āyāt al-qawniyyah noemen, waarin de orde en wetten van het universum worden uitgelegd. Evenzo bevatten de aḥadīth uitleg van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسل) over het universum en hemellichamen.In deze ḥadīth legt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسل) uit dat de zon onderworpen is aan de wetten van Allāh, en gebruikt hij de kunst van observatie en vergelijking op een manier die de toehoorder kan begrijpen.Het is belangrijk te onthouden dat de kawniyyah beschrijvingen (die betrekking hebben op de loop van het universum) in de ḥadīth niet bedoeld zijn om wetenschappelijke feiten te verklaren. Ze worden aan de mensen gepresenteerd om te wijzen op de grootheid en macht van de Almachtige Schepper en om het besef van Allāh’s bestaan bij de toehoorders op te wekken.In de ḥadīth wordt de natuurlijke cyclus van de zon uitgelegd als het volgen van de door Allāh vastgestelde wetten, geïllustreerd via de metafoor van sajdah (neerbuigen). Neerbuigen is het symbool van gehoorzaamheid. De sajdah van de zon betekent dat de zon zich volledig en zonder voorbehoud aan de vastgestelde wet houdt.Wanneer de Dag des Oordeels aanbreekt, zal de termijn van deze wet vervallen, en zal het nieuwe bevel van onze Rab komen, waarbij de zon van het westen naar het oosten zal bewegen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسل) legde dit uit op een manier die ook een eenvoudig mens, die geen kennis had van sterrenkunde, kon begrijpen.] (Diyanet)

Het begin van de openbaring aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم)

بدء الوحى إِلى رسول الله ﷺ٩٩ - حديث عَائِشَةَ أُمّ الْمُؤُمِنِينَ قَالتْ: أَوَّلُ مَا بُدِىءَ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنَ الْوَحْيِ الرؤيَا الصَّالِحَةُ فِي النَّوْمِ، فَكَانَ لاَ يَرَى رُؤْيَا إِلاَّ جَاءَتْ مِثْلَ فَلَقِ الصُّبْحِ، ثُمَّ حُبِّبَ إِلَيْهِ الْخَلاَءُ، وَكَانَ يَخْلُو بِغَارِ حِرَاءٍ فَيَتَحَنَّثُ فِيهِ، وَهُوَ التَّعَبُّدُ، اللَّيَالِيَ ذَوَاتِ الْعَدَدِ قَبْلَ أَنْ يَنْزِعَ إِلَى أَهْلِهِ، وَيَتَزَوَّدُ لِذَلِكَ، ثُمَّ يَرْجِعُ إِلَى خَدِيجَةَ فَيَتَزَوَّدُ لِمِثْلِهَا، حَتَّى جَاءَهُ الْحَقُّ وَهُوَ فِي غَارٍ حِرَاءٍ؛ فَجَاءَهُ الْمَلِكُ فَقَالَ اقْرَأْ، قَالَ: مَا أَنَا بِقَارِيءٍ، قَالَ: فَأَخَذَنِي فَغَطَّنِي حَتَّى بَلَغَ مِنِّي الْجَهْدَ ثُمَّ أَرْسَلَنِي فَقَالَ: اقْرَأْ قُلْتُ: مَا أَنَا بِقَارِيءٍ، فَأَخَذَنِي فَغَطَّنِي الثَّانِيَةَ حَتَّى بَلَغَ مِنَّي الْجَهْدَ ثُمَّ أَرْسَلَنِي فَقَالَ: اقْرَأْ، فَقُلْتُ: مَا أَنَا بِقَارِيءٍ، فَأَخَذَنِي فَغَطَّنِي الثَّالِثَةَ ثُمَّ أَرْسَلَنِي فَقَالَ: (اقْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ خَلَقَ الإِنْسَانَ مِنْ عَلَقٍ اقْرَأْ وَرَبُّكَ الأكْرَمُ)فَرَجَعَ بِهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ يَرْجُفُ فُؤَادُهُ، فَدَخَلَ عَلَى خَدِيجَةَ بِنْتِ خُوَيْلِدٍ، فَقَالَ: زَمِّلُونِي زَمِّلُونِي فَزَمَّلُوهُ حَتَّى ذَهَبَ عَنْهُ الرَّوْعُ، فَقَالَ لِخَدِيجَةَ، وَأَخْبَرَهَا الْخَبَرَ لَقَدْ خَشِيتُ عَلَى نَفْسِي فَقَالَتْ خَدِيجَةُ:

كَلاَّ وَاللهِ، مَا يُخْزِيكَ اللهُ أَبَدًا، إِنَّكَ لَتَصِلُ الرَّحِمَ، وَتَحْمِلُ الْكَلَّ، وَتَكْسِبُ الْمَعْدُومَ، وَتَقْرِي الضَّيْفَ، وَتُعِين عَلَى نَوَائِبِ الْحَقِّ

فَانْطَلَقَتْ بِهِ خَدِيجَةُ حَتَّى أَتَتْ بِهِ وَرَقَةَ بْنَ نَوْفَلِ بْنِ أَسَدِ بْنِ عَبْدِ الْعُزَّى ابْنَ عَمِّ خَدِيجَةَ، وَكَانَ امْرءًا تَنَصَّرَ فِي الْجَاهِلِيَّةِ، وَكَانَ يَكْتُبُ الْكِتَابَ الْعِبْرَانِيَّ فَيَكْتُبُ مِنَ الإِنْجِيلِ بِالْعِبْرَانِيَّةِ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَكْتُبَ، وَكَانَ شَيْخًا كَبِيرًا قَدْ عَمِيَ، فَقَالَتْ لَهُ خَدِيجَةُ: يَا ابْنَ عَمِّ اسْمَعْ مِنَ ابْنِ أَخِيكَ

فَقَالَ لَهُ وَرَقَةُ: يَا ابْنَ أَخِي مَاذَا تَرَى فَأَخْبَرَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِخَبَرِ مَا رَأَى فَقَالَ لَهُ وَرَقَةُ: هذَا النَّامُوسُ الَّذِي نَزَّلَ اللهُ عَلَى مُوسَى ﷺ، يَا لَيْتَنِي فِيهَا جَذَعًا، لَيْتَنِي أَكُونُ حَيًّا إِذْ يُخْرِجُكَ قَوْمكَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَوَ مُخْرِجِيَّ هُمْ قَالَ نَعَمْ، لَمْ يَأْتِ رَجُلٌ قَطُّ بِمِثْلِ مَا جِئْتَ بِهِ إِلاَّ عُودِيَ، وَإِنْ يُدْرِكْنِي يَوْمُكَ أَنْصُرُكَ نَصْرًا مُؤَزَّرًا

99-) Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de moeder der gelovigen:Het begin van de openbaring aan de Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vond plaats in de vorm van waarheidbrengende dromen in zijn slaap. De dromen die hij zag, kwamen altijd uit als de helderheid van de ochtendschemering. Daarna werd het hem dierbaar (gemaakt door Allāh) om zich af te zonderen. (Ieder jaar zonderde hij zich een maand af.) Dat deed hij in Ḥirā’-grot. Daar beoefende hij dan een aantal nachten tahannuth (devotie aan de enige godheid Allāh), voordat hij weer naar zijn gezin terugging. Hij nam er ook voedsel voorraad mee.(Ieder jaar als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich die maand afzonderde gaf hij de armen, die bij hem kwamen te eten. Als de maand voorbij was en hij terugkeerde naar Makkah, ging hij eerst naar de Ka`bah, nog voordat hij naar huis ging, en maakte tawāf (zeven maal ommegang om de Ka`bah), of zo dikwijls als Allāh het wilde. Daarna keerde hij dan terug naar (zijn vrouw) Khadīdjah (رضي الله عنها) om voorraad te halen voor een even lange tijd.

(Dit was hij gewoon te doen) totdat de Waarheid/Openbaring tot hem kwam, (dat was in de maand Ramadān), terwijl hij in de Ḥirā’-grot was.De engel Jibrīl عليه السلا kwam bij hem en zei: “Lees op.”(Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik kan niet lezen.”(Het verhaal gaat verder in de eigen woorden van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Toen greep hij mij en drukte mij de keel zo toe, dat ik het benauwd kreeg. Hij liet me los en zei: “Lees op.”Ik zei: “Ik kan niet lezen.”Toen greep hij mij en drukte mij de keel voor de tweede maal zo toe dat ik het benauwd kreeg. Hij liet me los en zei: “Lees op.”Ik zei: “Ik kan niet lezen.”Toen greep hij mij en drukte mij de keel voor de derde maal zo toe dat ik het benauwd kreeg. Toen liet hij me los en zei:ٱقۡرَأۡ بِٱسۡمِ رَبِّكَ ٱلَّذِي خَلَقَ ١

خَلَقَ ٱلۡإِنسَٰنَ مِنۡ عَلَقٍ ٢

ٱقۡرَأۡ وَرَبُّكَ ٱلۡأَكۡرَمُ ٣

“Lees op in de naam van je Rab die heeft geschapen. Geschapen heeft Hij de mens uit een bloedklomp. Draag voor! Jouw Rab is de edelmoedigste (sûrah Alaq 96/1,2,3).

Na deze openbaring keerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met bonsend hart in zijn keel en hevig trillende schouders naar (zijn vrouw) Khadīdjah binti (de dochter van) Khuwaylid en zei: “Bedek me, bedek me (met een deken)!Ze bedekten hem tot zijn angst over was. En daarna vertelde hij Khadīdjah alles wat met hem gebeurd was en zei: “Ik ben bang dat er iets met mij gaat gebeuren”.Ze antwoordde: “Nooit (wees gerust)! Bij Allāh, Allāh zal je nooit te schande maken.

Je onderhoudt goede betrekkingen met je familie (en kennissen), draagt de lasten van degenen die hulpeloos zijn, voorziet de behoeftigen, je bedient je gasten gul en helpt (mensen) bij tegenspoed op het pad van de waarheid.”Khadīdjah bracht Rasûlullāh naar haar neef Nawfal Ibn Asad Ibn `Abdul `Uzza, die tijdens de preislamitische tijdperk (jāhiliyyah) christen werd. (Hij had de schriften gelezen en had allerlei zaken gehoord van de volgelingen van Thora (Tawrāh) en Evangelie (Injīl)). Hij was gewoon in het Hebreeuws te schrijven. Hij schreef het Evangelie in het Hebreeuws zoveel als Allāh het wilde. Hij was een oude man en was blind geworden.Ze zei tegen hem: “Luister naar het verhaal van je neef, O mijn neef!Waraqah antwoordde: “O mijn neef! Wat heb je gezien?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef wat hij allemaal had gezien.Waraqah zei: “Dat is de Na`mûs (de engel Jabraīl (عليه السلام), die Allāhs vertrouweling is) die Allāh aan Moses (Mûsā عليه السلام) heeft gezonden. Oh, was ik maar jonger en in leven wanneer jouw volk jou zal verdrijven (uit Makkah)”.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Zullen zij (mijn volk) mij (uit Makkah) verdrijven?”Waraqah antwoordde: “Ja, want niemand heeft ooit gebracht wat jij brengt (goddelijke openbaringen) zonder vijandigheid (van zijn volk) te ondervinden. Als ik jouw profetische dagen mag meemaken, dan zal ik me volledig inzetten om je te steunen”.Maar Waraqah zou sterven (voordat zijn wens in vervulling kon gaan) en de goddelijke openbaring hield ook een tijdje op.[Deze ḥadīth vormt het begin van de openbaring. Aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd eerst liefde voor afzondering gegeven. Vervolgens trok hij zich terug in de grot op de berg Ḥirā’.

Daarna werd de engel van de openbaring (Jibrīl عليه السلام) tot hem gestuurd. Toen de engel van de openbaring kwam, werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erdoor geraakt, hij schrok en ging vervolgens naar huis en zei: “Bedek mij! Bedek mij!”In de ḥadīth wordt de goede akhlāq (zeden en karakter) van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) genoemd, en hoe hij door zijn vrouw werd gerustgesteld. Daarna ging hij naar Waraqah ibn Nawfal, en deze vertelde hem over de vorige profeten (عليهم السلام) en bevestigde dat hij zelf ook een profeet is, en dat er veel zaken over hem zouden neerdalen (zoals moeilijkheden en vijandigheid van zijn volk).] (HY)

[De lexicale betekenis van het woord wahy is in het geheim spreken, bevelen, inspireren, aanwijzen en signaleren, zich haasten, toespreken, fluisteren, een brief schrijven, en dergelijke.In terminologische zin verwijst het naar de manier waarop Allah Zijn Boodschapper, Rasûl (صلى الله عليه وسلم), in het geheim kennis geeft van de Sharīʿah en de openbaringen, zodanig dat bij de Boodschapper een onmiskenbaar en zeker besef ontstaat dat deze kennis van Allah afkomstig is.In deze hadīth wordt beschreven hoe de wahy is begonnen. De eerste geopenbaarde verzen van de Qur’ān zijn de eerste vijf verzen van surah Al-‘Alaq. In deze overlevering worden slechts de eerste drie verzen genoemd.

Deze ḥadīth benadrukt ook dat wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bracht betrekking heeft op de onzichtbare realiteiten (ghayb) en de geboden van de Sharīʿah, die absoluut geloof verdienen. De kern van wahy vormt hierbij een duidelijke grens: tussen de mens die op basis van eigen inzicht en verstand wetten probeert te stellen, en degene die direct van zijn Rab de geboden en verboden ontvangt en deze onveranderd aan de mensen doorgeeft, zonder toevoegingen of weglatingen.Waarom, terwijl het mogelijk was dat de wahy op een verborgen wijze zou plaatsvinden, zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Jibrīl bij de eerste openbaring met eigen ogen?

Waarom plantte Allah angst en ontzag in het hart van Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم)) door hem Jibrīl te laten zien? En waarom werd de wahy daarna voor een langere tijd onderbroken?Dergelijke vragen zijn volkomen natuurlijk met betrekking tot het begin van de openbaring, omdat hierin de zuivere waarheid besloten ligt die bescherming biedt tegen degenen die een intellectuele strijd tegen de Islām voeren en mensen zouden kunnen beïnvloeden met afgoderij of verzonnen misleiding.Deze ḥadīth maakt duidelijk dat alle pogingen van de vijanden van de Islām om twijfel te zaaien of mensen verkeerd te informeren over het profeetschap en de wahy die Allah an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft geschonken, uiteindelijk vruchteloos zijn.Wat betreft de aard van de ṣalāh en aanbidding van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de berg Ḥirā vóór het ontvangen van de wahy, zijn de geleerden het erover eens dat hij handelde volgens een eerdere Sharīʿah of godsdienstige praktijk. Onder degenen die deze mening aanhangen bestond er echter verschil van inzicht, waaruit uiteindelijk acht uiteenlopende opvattingen voortkwamen.Volgens de meerderheid van de geleerden verrichtte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn aanbidding niet gebonden aan een eerdere Shari`ah, maar met het licht van de kennis en wijsheid die Allah hem had geschonken. Zijn aanbidding bestond in die tijd uit diepe overdenking (tafakkur) en het nemen van morele lessen.Volgens de overlevering van Ibn Sa'd viel het moment waarop Jibrīl de wahy bracht op de 17e dag van de maand Ramadan. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was toen 40 jaar oud.Hoe wist an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat degene die tot hem kwam niet de shayṭān (satan) was maar Jibrīl, en hoe begreep hij dat de wahy die hij bracht niet vals maar werkelijk van Allah was?

Imam ʿAynî legt uit dat, zoals Allah het wonder gaf om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als betrouwbaar en waarheidsgetrouw te bevestigen, Hij hem ook een teken schonk waarmee hij kon herkennen dat degene die tot hem kwam een engel was en door Allah gezonden.

Volgens sommigen werd de keuze van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om voor zijn gebed de berg Ḥirā te verkiezen mede verklaard doordat men van daaruit de Kaʿbah kon zien.] (HA)

{In een andere hadîth staat: Van `Aaishah (رضي الله عنها), de moeder der gelovigen:Al-Harith ibn Hishaam vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): "O Rasûlullāh, hoe komt de openbaring tot u?"Hij antwoordde: "Soms komt zij tot mij als klokgeluid dat is voor mij het moeilijkst. Zij houdt op als ik alles heb onthouden. Soms verschijnt de engel mij in de gedaante van een man; hij spreekt tegen mij en ik onthoud wat hij zegt."`Aaishah voegde eraan toe: "Eens was ik er getuige van dat de openbaring op Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) neerdaalde, op een heel koude dag, en toen het voorbij was droop het zweet hem van het voorhoofd."}

١٠٠ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ الأَنْصَارِيِّ، قَالَ وَهُوَ يُحَدِّثُ عَنْ فَتْرَةِ الْوَحْيِ، فَقَالَ فِي حَدِيثِهِ: بَيْنَا أَنَا أَمْشِي إِذْ سَمِعْتُ صَوْتًا مِنَ السَّمَاءِ فَرَفَعْتُ بَصَرِي فَإِذَا الْمَلكُ الَّذِي جَاءَنِي بِحِرَاءٍ جَالِسٌ عَلَى كُرْسِيٍّ بَيْنَ السَّمَاءِ وَالأَرْضِ، فَرُعِبْتُ مِنْهُ، فَرَجَعْتُ، فَقُلْتُ: زَمِّلُونِي، فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (يأَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ قُمْ فَأَنْذِرْ) إِلَى قَوْلِهِ: (وَالرُّجْزَ فَاهْجُرْ) فَحَمِيَ الْوَحْيُ وَتَتَابَعَ

100-) Van Jâbir ibn `Abdullah al-Ansârî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beschreef de onderbreking van de openbaring en zei: 'Terwijl ik liep, hoorde ik opeens een stem uit de hemel (samā’). Ik keek omhoog en zag de engel die naar mij was gekomen in de Ḥirā’-grot, zittend op een troon tussen hemel en aarde. Ik werd bang en ging naar huis, zeggend: 'Bedek me, bedek me!' يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡمُدَّثِّرُ ١

قُمۡ فَأَنذِرۡ ٢

وَرَبَّكَ فَكَبِّرۡ ٣

وَثِيَابَكَ فَطَهِّرۡ ٤

وَٱلرُّجۡزَ فَٱهۡجُرۡ ٥O jij (O, Muhammad)! ommanteld (in dekens)!

Sta op en waarschuw (de mensen tegen Allāhs bestraffing). En verkondig de grootheid van je Rab.

Reinig je kleren en ontwijk de afgoden” (sûrah al Muddaththir 74/1-5)Daarna volgde de openbaringen elkaar snel op.”١٠١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ الأَنْصَارِيِّ عَنْ يَحْي بْنِ كَثِيرٍ، سَأَلْتُ أَبَا سَلَمَةَ بْنَ عَبْدِ الرَّحْمنِ عَنْ أَوَّلِ مَا نَزَلَ مِنَ الْقُرْآنِ قَالَ يأَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ قُلْتُ يَقُولُونَ اقْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ فَقَالَ أَبُو سَلَمَةَ سَأَلْتُ جَابِرَ بنَ عَبْدِ اللهِ عَنْ ذَلِكَ، وَقُلْتُ لَهُ مِثْلَ الَّذِي قُلْتَ، فَقَالَ جَابِرٌ لاَ أُحَدِّثكَ إِلاَّ مَا حَدَّثَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ قَالَ: جَاوَرْتُ بِحِرَاءٍ فَلَمَّا قَضَيْتُ جِوَارِي هَبَطْتُ فَنُودِيتُ فَنَظَرْتُ عَنْ يَمِينِي فَلَمْ أَرَ شَيْئًا، وَنَظَرْتُ عَنْ شِمَالِي فَلَمْ أَرَ شَيْئًا، وَنَظَرْتُ أَمَامِي فَلَمْ أَرَ شَيْئًا، وَنَظَرْتُ خَلْفِي فَلَمْ أَرَ شَيْئًا؛ فَرَفَعْتُ رَأْسِي فَرَأَيْتُ شَيْئًا، فَأَتَيْتُ خَدِيجَةَ فَقُلْتُ: دَثِّرُونِي وَصُبُّوا عَلَيَّ مَاءً بَارِدًا، قَالَ فَدَثَّرُونِي وَصَبُّوا عَلَيَّ مَاءً بَارِدًا، قَالَ فَنَزَلَتْ (يأَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ قُمْ فَأَنْذِرْ وَرَبَّكَ فَكَبِّرْ)

101 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh al-Anṣārī (رضي الله عنه) via Yahya Ibn Abû Kathîr:Ik vroeg Abū Salamah ibn ʿAbd ar-Raḥmān over de eerste openbaring (sûrah) van de Qurʾān,en hij zei: “O jij die zich toegedekt heeft (يَا أَيُّهَا الْمُدَّثِّرُ).” (sûrah al-Muddaththir.)Ik zei toen: “Maar de mensen zeggen: قْرَأْ بِاسْمِ رَبِّكَ الَّذِي خَلَقَ (Lees in de Naam van jouw Heer Die heeft geschapen)' (sûrah al-Iqra 96/1-3) is de eerste āyah.”Abū Salamah zei: “Ik stelde dezelfde vraag aan Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنهما ) en ik zei tegen hem wat jij ook zei.Toen zei Jābir: “Ik zal je alleen vertellen wat wij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zelf hebben gehoord.Hij zei: ‘Ik verbleef in afzondering in Ḥirā’ (de grot).

Toen ik mijn afzondering had beëindigd en naar beneden kwam, werd ik geroepen.Ik keek rechts, maar ik zag niets. Ik keek links, maar zag niets.Ik keek voor mij en achter mij, maar ik zag niets.Toen hief ik mijn hoofd op en ik zag iets.’Daarop ging ik naar Khadījah (رضي الله عنها) en zei: “Bedek mij! Giet koud water over mij!”Hij zei: “Toen bedekten zij mij en goten koud water over mij.”Daarop werd (de volgende openbaring) neergezonden:

يَٰٓأَيُّهَا ٱلۡمُدَّثِّرُ ١

قُمۡ فَأَنذِرۡ ٢

وَرَبَّكَ فَكَبِّرۡ ٣

وَثِيَابَكَ فَطَهِّرۡ ٤

O jij ommantelde. Sta op en waarschuw. En verheerlijk jouw Heer! En reinig jouw kleding.En verheerlijk jouw Heer! (Sūrat al-Muddaththir, 74:1–3)

De hemelvaart van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de nacht en de verplichtstelling van de ṣalāh

الإسراء برسول الله ﷺ إِلى السموات وفرض الصلوات١٠٢ - حديث أَبِي ذَرٍّ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: فُرِجَ عَنْ سَقْفِ بَيْتِي وَأَنَا بِمَكَّةَ، فَنَزَلَ جِبْرِيلُ فَفَرَجَ عَنْ صَدْرِي، ثُمَّ غَسَلَهُ بِمَاءِ زَمْزَمَ، ثُمَّ جَاءَ بِطَسْتٍ مِنْ ذَهَبٍ مُمْتَلِيءٍ حِكْمَةً وَإِيمَانًا فَأَفْرَغَهُ فِي صَدْرِي، ثُمَّ أَطْبَقَهُ، ثُمَّ أَخَذَ بِيَدِي فَعَرَجَ بِي إِلَى السّمَاءِ الدُّنْيَا، فَلَمَّا جِئْتُ إِلَى السَّمَاءِ الدُّنْيَا قَالَ جِبْرِيلُ لِخَازِنِ السَّمَاءِ افْتَحْ، قَالَ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا جِبْرِيلُ، قَالَ: هَلْ مَعَكَ أَحَدٌ قَالَ: نَعَمْ مَعِي مُحَمَّدٌ ﷺ، فَقَالَ: أَوَ أُرْسِلَ إِلَيْهِ قَالَ: نَعَمْ؛ فَلَمَّا فَتَحَ عَلَوْنَا السَّمَاءَ الدُّنْيَا فَإِذَا رَجُلٌ قَاعِدٌ، عَلَى يَمِينِهِ أَسْوِدَةٌ وَعَلَى يَسَارِهِ أَسْوِدَةٌ، إِذَا نَظَرَ قِبَلَ يَمِينِهِ ضَحِكَ، وَإِذَا نَظَرَ قِبَلَ يَسَارِهِ بَكَى، فَقَالَ مَرْحَبًا بِالنَّبِيِّ الصَّالِحِ وَالاِبْنِ الصَّالِحِ، قُلْتُ لِجِبْرِيلَ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا آدَمُ، وَهذِهِ الأَسْوِدَةَ عَنْ يَمِينِهِ وَشِمَالِهِ نَسَمُ بَنِيهِ، فَأَهْلُ الْيَمِينِ مِنْهُمْ أَهْلُ الْجَنَّةِ، وَالأَسْوِدَةُ الَّتِي عَنْ شِمَالِهِ أَهْلُ النَّارِ؛ فَإِذَا نَظَرَ عَنْ يَمِينِهِ ضَحِكَ، وَإِذَا نَظَرَ قِبَلَ شِمَالِهِ بَكَى حَتَّى عَرَجَ بِي إِلَى السَّمَاءِ الثَّانِيَةِ فَقَالَ لِخَازِنِهَا افْتَحْ، فَقَالَ لَهُ خَازِنُهَا مِثْلَ مَا قَالَ

الأَوَّلُ؛ فَفَتَحَ قَالَ أَنَسٌ فَذَكَرَ أَنَّهُ وَجَدَ فِي السَّموَاتِ آدَمَ وَإِدْرِيسَ وَمُوسَى وَعيسَى وَإِبْرَاهِيمَ صَلَوَاتُ اللهِ عَلَيْهِمْ، وَلَمْ يُثْبِتْ كَيْفَ مَنَازِلُهُمْ؛ غَيْرَ أَنَّهُ ذَكَرَ أَنَّهُ وَجَدَ آدَمَ فِي السَّمَاءِ الدُّنْيَا وَإِبْرَاهِيمَ فِي السَّمَاءِ السَّادِسَةِ قَالَ أَنَسٌ، فَلَمَّا مَرَّ جِبْرِيلُ بِالنَّبِيِّ ﷺ بِإِدْرِيسَ قَالَ مَرْحَبًا بِالنَّبِيِّ الصَّالِحِ وَالأَخِ الصَّالِحِ فَقُلْتُ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا إِدْرِيسُ ثُمَّ مَرَرْتُ بِمُوسَى فَقَالَ مَرْحَبًا بِالنَّبِيِّ الصَّالِحِ وَالأَخِ الصَّالِحِ؛ قُلْتُ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا مُوسَى ثُمَّ مَرَرْتُ بِعِيسَى فَقَالَ مَرْحَبَا بِالأَخِ الصَّالِحِ وَالنَّبِيِّ الصَّالِحِ؛ قُلْتُ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا عِيسَى ثُمَّ مَرَرْتُ بِإِبْرَاهِيمَ فَقَالَ مَرْحَبًا بِالنَّبِيِّ الصَّالِحِ وَالاِبْنِ الصَّالِحِ؛ قُلْتُ: مَنْ هذَا قَالَ: هذَا إِبْرَاهِيمُ ﷺ ثُمَّ عُرِجَ بِي حَتَّى ظَهَرْتُ لِمُسْتَوَى أَسْمَعُ فِيهِ صَريفَ الأَقْلاَمِ، فَفَرَضَ اللهُ عَلَى أُمَّتِي خَمْسِينَ صَلاَةً، فَرَجَعْتُ بِذَلِكَ حَتَّى مَرَرْتُ عَلَى مُوسَى، فَقَالَ: مَا فَرَضَ اللهُ لَكَ عَلَى أُمَّتِكَ قُلْتُ: فَرَضَ خَمْسِينَ صَلاَةً، قَالَ فَارْجِعْ إِلَى رَبِّكَ فَإِنَّ أُمَّتَكَ لاَ تُطِيقُ ذَلِكَ، فَرَاجَعَنِي فَوَضَعَ شَطْرَهَا فَرَجَعْتُ إِلَى مُوسَى فَقُلْتُ: وَضَعَ شَطْرَهَا؛ فَقَالَ: رَاجِعْ رَبَّكَ فَإِنَّ أُمَّتَكَ لاَ تُطِيقُ، فَرَاجَعْتُ فَوَضَعَ

شَطْرَهَا، فَرَجَعْتُ إِلَيْهِ، فَقَالَ: ارْجِعْ إِلَى رَبِّكَ فَإِنَّ أُمَّتَكَ لاَ تُطِيقُ ذَلِكَ، فَرَاجَعْتُهُ، فَقَالَ: هِيَ خَمْسٌ وَهِيَ خَمْسُونَ لاَ يُبَدَّلُ الْقَوْلُ لَدَيَّ فَرَجَعْتُ إِلَى مُوسَى فَقَالَ رَاجِعْ رَبَّكَ، فَقُلْتُ اسْتَحْيَيْتُ مِنْ رَبِّي ثُمَّ انْطَلَقَ بِي حَتَّى انْتَهَى بِي إِلَى سِدْرَةِ الْمُنْتَهَى، وَغَشِيَهَا أَلْوَانٌ لاَ أَدْرِي مَا هِيَ ثُمَّ أُدْخِلْتُ الْجَنَّةَ فَإِذَا فِيهَا حَبَايِلُ اللُّؤْلُؤِ، وَإِذَا تُرَابُهَا الْمِسْكُ

102-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه) :Abû Dzar vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Toen ik in Makkah was, werd (plotseling) het dak van mijn huis geopend. Jibrīl (عليه السلام) kwam naar beneden, opende mijn borst en waste deze met zamzam-water. Daarna bracht hij een gouden schaal gevuld met wijsheid (hikmah) en geloof (īmān), goot het in mijn borst en sloot het. Vervolgens nam hij mijn hand en leidde mij naar de dichtstbijzijnde hemel. Daar vroeg Jibrīl aan de bewaker van het Paradijs om de poort te openen. De bewaker vroeg: “Wie is daar?” Jibrīl antwoordde: “Jibrīl.” - “Is er iemand bij je?” - “Ja, Muhammed (صلى الله عليه وسلم) is bij mij.” - “Is hem toestemming gegeven om te komen?” - “Ja.” Vervolgens werd de poort geopend, en we klommen de dichtstbijzijnde hemel. En ik zag een man zitten met een grote groep mensen aan zijn rechteren linkerzijde. Wanneer hij naar rechts keek, glimlachte hij; wanneer hij naar links keek, huilde hij. Hij zei tegen mij: “Welkom, rechtvaardige Nabī en rechtvaardige zoon.” Ik vroeg Jibrīl: “Wie is hij?” Hij antwoordde: “Dit is Adam عليه السلام. De menigte rechts en links van hem zijn de zielen van zijn kinderen.

De mensen aan zijn rechterzijde zijn de inwoners van het Paradijs, en de mensen aan zijn linkerzijde zijn de inwoners van de Hel. Wanneer hij naar rechts kijkt, glimlacht hij, en wanneer hij naar links kijkt, huilt hij.” Vervolgens leidde Jibrīl mij naar de tweede hemel. Aan de bewaker zei hij: Open de poort. De wachter zei hetzelfde als de wachter van de eerste poort en de poort werd geopend.

Anas Ibn Mālik die de overlevering heeft verteld, zei:“Abû Dzar heeft vermeld dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de hemelen Adam (عليه السلام) Idris (عليه السلام) Mûsā (عليه السلام) `Iesa عليه السلام en Ibrahim عليه السلام ontmoette. Hij specificeerde niet hun exacte posities, maar hij zei wel dat hij Adam (عليه السلام) in de dichtstbijzijnde hemel aantrof en Ibrahim (عليه السلام) in de zesde hemel.”

Anas Ibn Mālik heeft verder gezegd: “Toen Jibrīl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Idris (عليه السلام) bracht, zei Idris (عليه السلام): 'Welkom, rechtschapen Nabī, rechtschapen broeder.' (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervolgde): - 'Wie is dit?' - 'Dit is Idris.' Vervolgens kwam ik langs Mûsā (عليه السلام). - 'Welkom, rechtschapen Nabī, rechtschapen broeder.' - 'Wie is dit?' - 'Dit is Mûsā.' Daarna kwam ik langs `Īsā (عليه السلام). Hij zei: 'Welkom, rechtschapen Nabī, rechtschapen broeder.'- 'Wie is dit?' - 'Dit is `Īsā.' Daarna kwam ik langs Ibrahim (عليه السلام). - 'Welkom, rechtschapen Nabī, rechtschapen nakomeling.' - 'Wie is dit?' - 'Dit is Ibrahim.'

(De tabi’īn (opvolgers van de metgezellen) Ibn Shihab az-Zuhri die de ḥadīth van Anas Ibn Mālik overleverde zei: Ibn Hazm zei: ‘Ibn `Abbās en Abû Habba al-Anṣāri hebben gezegd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het volgende zei: “Daarna werd ik opnieuw verhoogd naar een plek waar ik het geluid van de pennen kon horen terwijl ze schreven.”

Anas ibn Mālik en Amr ibn Hazm (een tabi’in die van de sahaba overleverde) vermelden ook dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Allāh heeft mijn gemeenschap vijftig maal daags ṣalāh opgelegd. Met deze opdracht keerde ik terug van mijn Rab (Op de terugweg) ontmoette ik Mûsā, hij vroeg: 'Wat heeft Allāh jouw gemeenschap opgelegd?' - 'Vijftig maal daags ṣalāh .' - 'Ga terug naar jouw Rab en vraag om vermindering, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.'Ik ging terug naar mijn Rab, en Hij verminderde het met het helft verminderd. Toen ik Mûsā opnieuw ontmoette (en vertelde), zei hij: 'Ga terug naar jouw Rab en vraag opnieuw om vermindering, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.' Ik ging opnieuw terug en het werd opnieuw met het helft verminderd.Bij Mûsā teruggekomen, zei hij opnieuw: 'Vraag om verdere vermindering bij jouw Rab, want jouw gemeenschap kan dit werkelijk niet aan.' Ik ging weer terug en Allāh zei: 'Het aantal is vijf (maal daags ṣalāh), maar de beloning blijft vijftig (maal daags ṣalāh). Mijn beslissing wordt niet gewijzigd.'Toen ik terugkeerde naar Mûsā, zei hij opnieuw: 'Vraag om verdere vermindering bij jouw Rab ' Maar ik zei: 'Ik schaam me om opnieuw terug te keren naar mijn Rab '“

Daarna bracht Jibrīl mij naar de Sidrah al-Muntaha. De Sidrah al-Muntaha was omgeven door zulke prachtige kleuren dat ik niet wist wat het was. Daarna werd ik in het Paradijs geplaatst, en wat ik zag: in het Paradijs waren parelkettingen en de grond was van muskus.”

[Mir`āj: De gebeurtenis vanaf de Masjid al-Aqsā tot aan het ontmoeten van Allah wordt “Mir`āj” genoemd. Isra: toen Jibrīl kwam bevond an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich op een nacht in de Kabah-hof, bij het gedeelte van Hatim of bij Hijr, in een staat tussen slapen en waken. Hij opende de borst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en waste het hart met zamzamwater in een gouden bak, zodat het gevuld werd met īmān (geloof) en hikmah (wijsheid). Vervolgens bracht hij een dier genaamd Buraq, waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd geplaatst en van de Masjid al-Haram naar de Masjid al-Aqsā in Quds werd vervoerd. Deze nachtelijke reis wordt “Isra” genoemd.Het Isra-incident wordt ook genoemd in de Qur’ān, Isrā: 17/1. Het vond plaats ongeveer 1 tot 1,5 jaar vóór de Hijrah.Buraq: Een wit dier groter dan een muilezel maar kleiner dan een kameel. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte de reis op de nacht van de Mir`āj op dit dier.

Allah vermeldt in de Qur’ān, o.a. in Bakara: 2/29, Isrā: 17/44, Mû’minûn: 23/86, Fussilah: 41/12, Talâk: 65/12, Mulk: 67/3 en Nûh: 71/15, dat de hemel uit zeven lagen bestaat.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft tijdens de Mir`āj-reis de volgende ontmoetingen gehad op de zeven hemellagen:

Eerste hemel: ontmoette Âdem عليه السلام

Tweede hemel: ontmoette ‘Îsā en Hz. Yahyā عليه السلام

Derde hemel: ontmoette Yûsuf عليه السلام

Vierde hemel: ontmoette Idrîs عليه السلام

Vijfde hemel: ontmoette Hârûn عليه السلام

Zesde hemel: ontmoette Mûsâ عليه السلام

Zevende hemel: ontmoette Ibrâhîm عليه السلام

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) sprak met de profeten in elke hemel niet met hun fysieke lichamen, maar met hun rûh (geest), aangezien hun lichamen onder de aarde lagen en hun rûh los van de lichamen bestond. Deze toestand blijft bestaan tot het blazen van de tweede Sûr (bazuin) op de Dag des Oordeels. Na het tweede blazen keren de rûh terug naar hun lichamen en begeven zij zich naar de plaats van de Mahshar (verzameling voor het oordeel).Islamitische geleerden hebben uiteenlopende opvattingen over de verblijfplaats van de arwāh (zielen, m.v. van rûh) die los van hun lichamen bestaan. In grote lijnen kunnen deze, naar hun gradaties, als volgt worden ingedeeld:

1- De arwāh van de profeten. Nadat deze uit hun lichamen zijn getreden, gaan ze als wierook en kafur (geurige substanties) naar het Paradijs en worden daar begiftigd met de voor hen bereide genietingen. De graden van de arwāh van de profeten verschillen echter van elkaar. Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de Mir`āj iedere profeet in een aparte hemelse rang ontmoet.

2- De arwāh van degenen die op de weg van Allah zijn gesneuveld (shuhadā’). Zij bevinden zich in het Paradijs en eten de paradijselijkbeloningen die zich in de kelen van groene vogels aanwezig zijn en worden daarmee begiftigd.

3- De arwāh van de gehoorzame gelovigen. Ook deze bevinden zich in het Paradijs en genieten door simpelweg naar hun hemelse rang te kijken.

4- De arwāh van de ongehoorzame gelovigen. Deze bevinden zich tussen de hemel en de aarde.

5- De arwāh van de ongelovigen (kāfirûn).

Zij bevinden zich in de “Sijjîn” onder de zeven aardlagen en worden gestraft in de bekken of kelen van zwarte vogels.

Over de aard van de rûh is geen gedetailleerde informatie van Allah en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gekomen. Wat wij over de rûh weten, is dat deze in het lichaam binnengaat en het leven geeft; dankzij de rûh ontstaan in het lichaam waarneming, overdenking, kennis, wil en keuze, liefde en afkeer. Deze eigenschappen onderscheiden de rûh van het lichaam. Daarom is de dood voor de mens geen ophouden van bestaan, maar een overgaan van de rûh.Ṣalāh betekent: gebed, smeekbede en toewijding. In de terminologie betekent het een aanbidding die verricht wordt voor Allah binnen bepaalde tijden, met specifieke handelingen.Ṣalāh, dat één van de pijlers van de Islām vormt, staat aan het hoofd van de aanbiddingen die ons dichter bij Allah brengt en onze ziel reinigt van het kwade. De vijf verplichte ṣalawāt werden tijdens de Mir`āj-nacht voorgeschreven. Dit wordt ook bevestigd in de Qur’ān, Nisa: 4/103, waar staat dat de tijden voor de gelovigen een verplichte regel zijn.

De vijfmaal daagsṣalāh werden zo bepaald: ochtend, middag, namiddag, avond en nacht, met hun specifieke grenzen en regels zoals uitgelegd en toegelicht door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Sindsdien vormen ze een verplichting voor alle moslims.Tijdens de terugkeer van de Mir`āj bezocht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Musa (عليه السلام) op de zesde hemel en bracht hem het bericht dat Allah aan zijn ummah de dagelijks vijftig ṣalāh had voorgeschreven. Musa (عليه السلام) adviseerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om terug te keren naar zijn Rab en deze last te verlichten voor zijn ummah, omdat Allah de Israëlieten slechts twee ṣalāh-tijden had voorgeschreven, maar zij dit niet hadden nageleefd. Bovendien had Musa (عليه السلام) hen streng behandeld, maar was nog steeds niet succesvol. Daarom probeerde Musa (عليه السلام) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terug te sturen naar Allah voor verlichting van deze verplichting.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bleef heen en weer gaan tussen Musa (عليه السلام) en zijn Rab totdat het aantal ṣalāh werd vastgesteld op vijf keer per dag. Daarna weigerde hij verder te reizen, waardoor de vijfmaal daagsṣalāh verplicht werd voor zijn ummah. Eerder verrichtten de moslims slechts twee ṣalāh per dag, ‘s ochtends en ‘s avonds. Tijdens de Isra-nacht, die plaatsvond ongeveer 1 tot 1,5 jaar voor de Hidjrah, werden de vijfmaals daagsṣalāh voorgeschreven aan de moslims.In de Qur’ān wordt vermeld dat ṣalāh een verplichting is voor de gelovigen, op specifieke tijden. Deze tijden zijn vastgesteld in de Qur’ān, bijvoorbeeld in Isrā: 17/78, Hûd: 11/114, Tâhā: 20/130, Rûm: 30/17-18, als vijf ṣalāh: ochtend, middag, namiddag, avond en nacht. De specifieke regels en wijze van verrichten zijn door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uitgelegd en sindsdien vormen ze een van de verplichtingen die moslims consequent naleven.] (HA)

١٠٣ - حديث مالِكِ بْنِ صَعْصَعَة ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ بَيْنَا أَنَا عِنْدَ الْبَيْتِ بَيْنَ النَّائمِ وَالْيَقْظَانِ، وَذَكَرَ بَيْنَ الرَّجُلَيْنِ، فَأُتِيتُ بِطَسْتٍ مِنْ ذَهَبٍ مُلِيءَ حِكْمَةً وَإِيمَانًا، فَشُقَّ مِنَ النَّحْرِ إِلَى مَرَاقِّ الْبَطْنِ، ثُمَّ غُسِلَ الْبَطْنُ بِمَاءِ زَمْزَمَ، ثُمَّ مُلِيءَ حِكْمَةً وَإِيمَانًا، وَأُتِيتُ بِدَابَّةٍ أَبْيَضَ دُونَ الْبَغْلِ وَفَوْقَ الْحِمَارِ، الْبُرَاقُ، فَانْطَلَقْتُ مَعَ جِبْرِيل حَتَّى أَتَيْنَا السَّمَاءَ الدُّنْيَا، قِيلَ مَنْ هذَا قَالَ: جِبْرِيلُ؛ قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قَالَ: مُحَمَّدٌ، قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلَيْهِ قَالَ: نَعَمْ؛ قِيلَ: مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ؛ فَأَتَيْتُ عَلَى آدَمَ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ فَقَالَ: مَرْحَبًا بِكَ مِنِ ابْنٍ وَنَبِيٍّ، فَأَتَيْنَا السَّمَاءَ الثَّانِيَةَ قِيلَ: مَنْ هذَا قَالَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قَالَ: مَحَمَّدٌ ﷺ، قِيلَ: أُرْسِلَ إِلَيْهِ قَالَ: نَعَمْ، قِيلَ مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ؛ فَأَتَيْتُ عَلَى عِيسَى وَيَحْيَى فَقَالاَ: مَرْحَبًا بِكَ مِنْ أَخٍ وَنَبِيٍّ فَأَتَيْنَا السَّمَاءَ الثَّالِثَةَ قِيلَ: مَنْ هذَا قِيلَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قِيلَ: مُحَمَّدٌ، قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلَيْهِ قَالَ نَعَمْ، قِيلَ: مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ، فَأَتَيْتُ يُوسُفَ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، قَالَ: مَرْحَبًا بِكَ

مِنْ أَخٍ وَنَبِيٍّ فَأَتَيْنَا السَّمَاءَ الرَّابِعَةَ، قِيلَ: مَنْ هذَا قَالَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قِيلَ: مُحَمَّدٌ ﷺ قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلِيْهِ قِيلَ: نَعَمْ، قِيلَ: مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ فَأَتَيْتُ عَلَى إِدْرِيسَ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، فَقَالَ مَرْحَبًا مِن أَخٍ وَنَبِيٍّ فَأَتَيْنَا السَّمَاءَ الْخَامِسَةَ، قِيلَ: مَنْ هذَا قَالَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: وَمَنْ مَعَكَ قِيلَ: مُحَمَّدٌ، قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلَيْهِ قَالَ: نَعَمْ، قِيلَ مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ فَأَتَيْنَا عَلَى هرُونَ، فَسَلَّمتُ عَلَيْهِ، فَقَالَ: مَرْحَبًا بِكَ مِنْ أَخٍ وَنَبِيٍّ فَأَتَيْنا عَلَى السَّمَاءِ السَّادِسَةِ، قِيلَ: مَنْ هذَا قِيلَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قَالَ: مُحَمَّدٌ ﷺ، قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلَيْهِ مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ المَجِيءُ جَاءَ فَأَتَيْتُ عَلَى مُوسَى فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، فَقَالَ: مَرْحَبًا بِكَ مِنْ أَخٍ وَنَبِيٍّ، فَلَمَّا جَاوَزْتُ بَكَى، فَقِيلَ: مَا أَبْكَاكَ فَقَالَ: يَا رَبِّ هذَا الْغُلاَمُ الَّذِي بُعِثَ بَعْدِي يَدْخُلُ الْجَنَّةَ مِنْ أُمَّتِهِ أَفْضَلُ مِمَّا يَدْخلُ مِنْ أُمَّتِي فَأَتَيْنَا السَّمَاءَ السَّابِعَةَ، قِيلَ: مَنْ هذَا قِيلَ: جِبْرِيلُ، قِيلَ: مَنْ مَعَكَ قِيلَ: مُحَمَّدٌ، قِيلَ: وَقَدْ أُرْسِلَ إِلَيْهِ مَرْحَبًا بِهِ وَلَنِعْمَ الْمَجِيءُ جَاءَ فَأَتَيْتُ عَلَى إِبْرَاهِيمَ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ،

فَقَالَ: مَرْحَبًا بِكَ مِنِ ابْنٍ وَنَبِيٍّ فَرُفِعَ لِيَ الْبَيْتُ الْمَعْمُورُ، فَسَأَلْتُ جِبْرِيلَ، فَقَالَ: هذَا الْبَيْتُ الْمَعْمُورُ، يَصَلِّي فِيهِ كُلَّ يَوْمٍ سَبْعُونَ أَلْفَ مَلَكٍ، إِذَا خَرَجُوا لَمْ يَعُودُوا إِلَيْهِ آخِرَ مَا عَلَيْهِمْ وَرُفِعَتْ لِي سِدْرَةُ الْمُنْتَهَى، فَإِذَا نَبِقُهَا كَأَنَّهُ قِلاَلُ هَجَرٍ وَوَرَقُهَا كَأَنَّهُ آذَانُ الْفُيُولِ، فِي أَصْلِهَا أَرْبَعَةُ أَنْهَارٍ، نَهْرَانِ بَاطِنَانِ وَنَهْرَانِ ظَاهِرَانِ، فَسَأَلْتُ جِبْرِيلَ، فَقَالَ: أَمَّا الْبَاطِنَانِ فَفِي

الْجَنَّةِ، وَأَمَّا الظَّاهِرَانِ فَالنِّيلُ وَالْفُرَاتُ ثُمَّ فُرِضَتْ عَلَيَّ خَمْسُونَ صَلاَةً، فَأَقْبَلْتُ حَتَّى جِئْتُ مُوسَى، فَقَالَ: مَا صَنَعْتَ قُلْتُ: فُرِضَتْ عَلَيَّ خَمْسُونَ صَلاَةً، قَالَ أَنَا أَعْلَمُ بِالنَّاسِ مِنْكَ، عَالَجْتُ بَنِي إِسْرَائِيلَ أَشَدَّ الْمُعَالَجَةِ، وَإِنَّ أُمَّتَكَ لاَ تُطِيقُ، فَارْجِعْ إِلَى رَبِّكَ فَسَلْهُ، فَرَجَعْتُ فَسَأَلْتُهُ، فَجَعَلَهَا أَربَعِينَ، ثُمَّ مِثْلَهُ، ثُمَّ ثَلاَثِينَ، ثُمَّ مِثْلَهُ، فَجَعَلَ عِشْرِينَ، ثُمَّ مِثْلَهُ، فَجَعَلَ عَشرًا، فَأَتَيْتُ مُوسَى فَقَالَ مِثْلَهُ، فَجَعَلَهَا خَمْسًا، فَأَتَيْتُ مُوسَى، فَقَالَ: مَا صَنَعْتَ قُلْتُ: جَعَلَهَا خَمْسًا، فَقَالَ مِثْلَهُ، قُلْتُ: سَلَّمْتُ بِخَيْرٍ، فَنُودِيَ إِنِّي قَدْ أَمْضَيْت فَرِيضَتِي وَخَفَّفْتُ عَنْ عِبَادِي وَأَجْزِي الْحَسَنَةَ عَشْرًا

103 Van Mālik Ibn Sa`sa`ah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “(In de nacht van Isrā’ en Mi'raj) in de Ka`bah lag, (de overleveraar zei: in Hatim of Hijr), kwam Jibrīl en hij opereerde mij van hier tot hier, (de overleveraar zei: van hals tot onder de buik) en hij opende mijn hart. Daarna werd een gouden schaal vol geloof (īmān) (en wijsheid (hikmah) gebracht en mijn hart werd daarin gewassen, gevuld (met īmān) en weer teruggeplaatst (in mijn borst). Toen werd voor mij een wit rijdier, groter dan een ezel maar kleiner dan een muilezel, genaamd Burak, gebracht. Het kon springen naar de verste plek die een persoon met zijn ogen kon bereiken. Ik werd erop gezet en Jibrīl nam mij mee en we kwamen bij de dichtstbij zijnde hemel. Hij vroeg om de deur te openen. Er werd gevraagd: “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?” - “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?” - “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Adam. “Dit is Adam”, zei hij, “geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het. - “Welkom, rechtvaardige zoon, rechtvaardige Nabī.” Toen werd ik naar de tweede hemel gebracht en de deur werd geopend. Er werd gevraagd: “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?’- “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?” - “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik `Īsā en Yahyā. - “Dit zijn Yahya en `Īsā, geef hen de salām.” Ik gaf hen de salām en ze beantwoordden het, en ze zeiden: “Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige Nabī.” Toen werd ik naar de derde hemel gebracht en de deur werd geopend. - “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?”- “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?” - “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend.

Toen ik binnenkwam, zag ik Yûsuf. - “Dit is Yusuf, geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het, en zei: “Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige Nabī.” Toen werd ik naar de vierde hemel gebracht en de deur werd geopend. - “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?” - “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?” - “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Idris. - “Dit is Idris, geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het, en zei: “Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige Nabī.” Toen werd ik naar de vijfde hemel gebracht en de deur werd geopend. - “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?’- “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?”- “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Hārûn. - “Dit is Harun, geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het, en zei: “Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige profeet.” Toen werd ik naar de zesde hemel gebracht en de deur werd geopend. - “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?” - “Muhammed”. - “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?”- “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend.

Toen ik binnenkwam, zag ik Mûsā. - “Dit is Mûsā, geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het, en zei: “Welkom, rechtvaardige broeder, rechtvaardige Nabī.” Toen ik hem verliet, huilde hij. - “Wat heeft je doen huilen?” - “Na mij is er een jonge profeet gekomen, en zijn volgelingen zullen meer in het Paradijs komen dan mijn volgelingen, en daarom huil ik.” Toen werd ik naar de zevende hemel gebracht en de deur werd geopend. - “Wie is daar?” - “Jibrīl”. - “Wie is er met je?” - “Muhammed”. “Is hij voor zijn komst uitgenodigd?”- - “Ja”. “Welkom, dit is een prachtige komst” werd er gezegd en de deur werd geopend. Toen ik binnenkwam, zag ik Ibrāhīm. - “Dit is je vader Ibrāhīm, geef hem de salām.” Ik gaf hem de salām en hij beantwoordde het, en zei: “Welkom, rechtvaardige zoon, rechtvaardige Nabī.” Toen werd de Sidratu’l Muntahā aan mij getoond. Ik zag dat zijn vruchten op de Hajr-potten uit Jemen leken en zijn bladeren leken op de oren van een olifant. - “Dit is de Sidratu’l Muntahā.” Toen kwam ik vier rivieren tegen, twee rivieren waren binnenin (verborgen) en twee rivieren waren van buitenaf (zichtbaar). - “Wat zijn deze twee soorten rivieren?” - “De binnenste rivieren zijn de rivieren van het Paradijs, de buitenste rivieren zijn de Nijl en de Eufraat.” Daarna werd de Bayt al-Ma'mur (zie Qur’ān sûrah Tûr 52/1-7) aan mij getoond, waar elke dag zeventig duizend engelen binnenkomen, die na hun binnenkomst nooit meer terugkomen. Vervolgens werd mij een vat met wijn, melk en honing gebracht, en ik nam de melk. - “Dit is de natuur en het karakter (fiṭrah) van jouw gemeenschap (ummah).” Daarna werd het vijftig maal dagelijkse salāh voor mij verplicht gesteld.

Toen ik vertrok, ontmoette ik Mûsā. - “Wat werd je opgedragen?”- “Ik werd opgedragen vijftig maal per dag salāh te verrichten.” - “Je gemeenschap kan niet vijftig maal per dag salāh verrichten, ik heb het al geprobeerd met de mensen vóór jou, zelfs met de Israëlieten, en ik heb veel moeite gedaan. Ga terug naar je Rab en vraag om vermindering.” Ik ging terug en vroeg om vermindering, en het werd verminderd met tien gebeden (veertig maal per dag). Ik ging terug naar Mûsā, die hetzelfde zei, en toen vroeg ik weer om vermindering, en het werd weer met tien gebeden verminderd (dertig maal per dag). Ik ging weer naar Mûsā, en hij zei hetzelfde. Dus vroeg ik weer om vermindering, en het werd opnieuw verminderd met tien gebeden (twintig maal per dag).Ik ging weer naar Mûsā, en hij zei hetzelfde. Dus vroeg ik weer om vermindering, en het werd opnieuw verminderd met tien gebeden (tien maal per dag). Uiteindelijk vroeg ik opnieuw om vermindering, en toen werd het vijf maal dagelijks salāh per dag voorgeschreven. Toen ik terugkeerde naar Mûsā, zei hij: “Wat heb je gedaan?”- “Hij heeft het tot vijf gemaakt.”

Toen zei hij iets soortgelijks.- “Ik heb met iets goeds ingestemd (ik ben tevreden vertrokken).”

Daarop werd er uitgeroepen: “Voorwaar, Ik heb Mijn verplichting vastgesteld, en Ik heb het voor Mijn dienaren verlicht, en Ik zal elke goede daad tienvoudig belonen.”

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lag in het huis van zijn tante, Ummu Hani, de dochter van Abû Tālib, in de Ka`bah. Terwijl hij daar lag, kwam Jibrīl en opende zijn borst.

Hij waste zijn hart met Zamzam-water en vulde het daarna met geloof en wijsheid. Daarna werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op Buraq gezet en naar de Al-Aqsa-moskee (Bayt al-Maqdis) gebracht.Daar, in de moskee, leidde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de andere profeten in de ṣalāh. Vervolgens begon hij, samen met Jibrīl, zijn reis naar het Paradijs. In de eerste hemel ontmoette hij Adam (عليه السلام) in de twee `Īsā (عليه السلام) en Yahya (Johannes de Doper) (عليه السلام), in de derde Yûsuf (عليه السلام), in de vier Idris (عليه السلام), in de vijfde Hārûn (عليه السلام), in de zesde Mûsā (عليه السلام) en in de zevende Ibrāhīm (عليه السلام).De reis met Jibrīl ging door tot de Sidrah al- Muntahā, de uiterste boom van het Paradijs. Jibrīl zei: “Als ik een vingerlengte verder ga, zal ik verbrand worden” en bleef daar achter. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging verder met de reis, nu op een ander voertuig genaamd Rafraf. Tijdens deze reis zag hij zowel het Paradijs en haar zegeningen, als de Hel en haar straffen. Uiteindelijk werd hij toegelaten in de aanwezigheid van Allāh.Hem werd het verheugende nieuws gegeven dat degenen uit zijn gemeenschap die geen shirk (afgoderij) zullen begaan, het Paradijs zullen binnengaan. Hem werden de laatste twee verzen van sûrah al-Baqarah gegeven en de verplichting van de vijf dagelijkse ṣalwāt werd ingesteld. Na deze gebeurtenis werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) teruggebracht naar Sidratu’l Muntahā met Rafraf, van daar naar Al-Quds (Jeruzalem) met Buraq, en vervolgens naar Makkah.] (HY)

[Bayt al-Maʿmūr betekent letterlijk: het bevolkte, bloeiende of goed onderhouden huis. Het is een gezegende plek die zich recht boven de Kaʿbah bevindt in de hemel. Een andere naam ervoor is ook “Durāh”.In de Qurʾān wordt naar Bayt al-Maʿmūr verwezen in de volgende verzen:

وَٱلطُّورِ ١ Bij de berg (Sinaї).

وَكِتَٰبٖ مَّسۡطُورٖ ٢ En bij het geschreven.

فِي رَقّٖ مَّنشُورٖ ٣ In perkament opgerold.

وَٱلۡبَيۡتِ ٱلۡمَعۡمُورِ ٤ En bij het huis dat veel bezocht wordt (de Ka`bah)

وَٱلسَّقۡفِ ٱلۡمَرۡفُوعِ ٥ En bij het dak, hoog verheven (de hemel)

وَٱلۡبَحۡرِ ٱلۡمَسۡجُورِ ٦ En bij de kolkende zee.

إِنَّ عَذَابَ رَبِّكَ لَوَٰقِعٞ ٧ Waarlijk, de bestraffing van jouw Heer zal zeker plaatsvinden. (sūrah aṭ-Ṭūr, 52:1–7)

Allāh zweert, net zoals Hij op andere plaatsen in de Qurʾān zweert, ook in deze āyah bij de Ṭūr-berg (Sinaї), bij de Qurʾān, en bij Bayt al-Maʿmūr. Het doel van deze eed is om de waarde en de verhevenheid van deze zaken te benadrukken.Het woord “Muntahā” betekent einde, grens of uiterste punt. Het woord “Sidrah” betekent boom.

“Sidrat al-Muntahā” wordt als volgt beschreven: “Het is een van de uiterste grenzen van het Paradijs. Aan haar hangen de randen van de Paradijzen van Sundus (een dunne, fijne zijde) en Istabraq (een dikke, glanzende zijde).”

Deze boom, die Sidrah wordt genoemd, bevindt zich in het hoogste deel van het Paradijs.

Het is ook de eindgrens van alle kennis, van de vroegeren en de lateren.Sidrat al-Muntahā bevindt zich aan de rechterzijde van de ʿArsh (Troon van Allāh).De reden waarom het “al-Muntahā” (het uiterste eindpunt) wordt genoemd, is omdat zowel grote engelen als grote profeten deze grens niet kunnen passeren. En omdat de kennis over deze plek onvoldoende is en ons verstand te boven gaat. Daarom wordt deze naam gebruikt, en het is ook wel uitgelegd als: “Het uiterste grenspunt van menselijke (beperkte) kennis.”Zowel de kennis van de profeten, als die van geleerden en andere schepselen, reikt niet verder dan dit punt. Alles eindigt hier; niemand kan voorbij deze grens komen.] (AFK)

{In een andere hadîth staat: Anas ibn Malik (رضي الله عنه) vertelde over de nacht waarin Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de nachtreis maakte vanuit de moskee van de Ka`bah:Er kwamen drie mannen tot hem voordat hij een openbaring had ontvangen, terwijl hij sliep in de moskee al Haram (het heiligdom). De eerste zei: "Welke is het?" De tweede zei: "De middelste, dat is de beste van hen." De laatste zei: "Neem de beste van hen mee!"Dat was die nacht, en hij heeft hen niet meer gezien voordat zij in een andere nacht weer verschenen in een visioen van zijn hart. Want de profeten: hun ogen slapen, maar hun hart slaapt niet. Toen nam Jibriel (عليه السلام) hem over en voer met hem ten hemel.Van Anas ibn Malik (رضي الله عنه):Toen an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) (in zijn kindertijd) met andere jongens aan het spelen was, kwam Jibriel (عليه السلام) bij hem, legde hem op de grond, spleet zijn borst open en haalde zijn hart eruit. Daaruit nam hij een bloedklomp en zei: "Dit is het deel van de satan in jou." Vervolgens waste hij het hart in een gouden schaal met water uit de bron Zamzam, zette het terug en sloot de borst weer.

De jongens renden naar zijn voedster (Halimah) en zeiden: "Muhammad is gedood!" Zij liepen hem tegemoet en zagen dat hij verbleekt was van schrik.Anas zei: "Ik heb zelf het litteken van de hechting op zijn borst gezien."}

١٠٤ - حديث ابنِ عَبَّاسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: رَأَيْتُ لَيْلَةَ أُسْرِيَ بِي؛ مُوسَى، رَجُلًا آدَمَ طُوَالًا جَعْدًا كَأَنَّهُ مِنْ رِجَالِ شَنُوءَةَ؛ وَرَأَيْتُ عَيسَى رَجُلًا مَرْبُوعًا مَرْبُوعَ الْخَلْقِ إِلَى الْحُمْرَةِ وَالْبَيَاضِ، سَبِطَ الرَّأْسِ، وَرَأَيْتُ مَالِكًا خَازِنَ النَّارِ، وَالدَّجَّالَ فِي آيَاتٍ أَرَاهُنَّ اللهُ إِيَّاهُ، فَلاَ تَكُنْ فِي مِرْيَةٍ مِنْ لِقَائِهِ

104) Van `Abdullah Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Tijdens de Nachtreis (Isrā’) zag ik Mûsā (عليه السلام): hij was een man met een donkere huidskleur, lang van gestalte, krullend haar met een stevig en gespierd lichaam. Hij leek op de mannen van de stam Shanu’a (uit Jemen), die bekend staan om hun lange gestalte. Ik zag ook `Īsā (عليه السلام): hij was niet lang en niet kort, van gemiddelde bouw, met een lichtroodachtige teint en loshangend stijl haar. Ik zag ook de Dajjâl en de bewaker van de Hel, Mālik.

(Zoals in de ayah staat:) فَلَا تَكُن فِي مِرۡيَةٖ مِّن لِّقَآئِهِTwijfel nooit dat je hem ooit zult ontmoeten. ’ (sûrah as-Sajda, 23)

Anas en Abû Bakrah zeiden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De engelen wachten tot Dajjâl Madīnah binnenkomt. Ze zullen het voorkomen en Madīnah beschermen.”

[Dajjâl betekent “een grote leugenaar, bedrieger, en misleider”. Hij wordt zo genoemd vanwege zijn leugens. Dajjâl zal zich uitgeven als een godheid, en Allāh zal de mensen beproeven met bijzondere ‘wonderen’ die de Dajjâl zal uitoefenen. Voor degenen die Dajjâl volgen, zal Dajjâl het weer bevelen en regen laten vallen, en de aarde zal de planten doen groeien. Hij zal voor hen en hun vee eten voortbrengen en drinkwater leveren, en hun dieren zullen vet en gezond terugkeren. Voor degenen die hem verwerpen, zullen lijden aan hongersnood, ziektes, sterfgevallen en verlies van vee en eigendommen.Dajjâl, moge Allāh hem vervloeken, wordt in zijn uiterlijke verschijning beschreven als een wezen met vele gebreken en onvolkomenheden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft Dajjâl in zijn aḥadīth op een manier beschreven die mensen met gezond verstand niet in twijfel kunnen trekken. Van Ibn Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dajjâl heeft een grote en rode lichaamsbouw, krullend haar en één blind oog dat eruitziet als een uit de druiventros geschoten druif.”Ibn `Abbās (رضي الله عنهما) heeft gezegd: “Ik zag Dajjâl, en zijn kleur was noch te donker, noch helemaal wit, en zijn lichaam was groot.

Zijn haar was zo verwarrend als de takken van een boom.”In de ḥadīth van `Ubadah ibn Samit (رضي الله عنه) wordt Dajjâl beschreven als “kort van lengte, met kromme benen, krullend haar, één oog, en zijn oogbol is noch hol noch opgezwollen.” Ibn Umar (رضي الله عنهما) zei: “Tussen zijn ogen staat het woord 'Ka, Fa, Ra' (ongelovige) en iedereen die het kwaadaardige werk van Dajjâl verafschuwt, kan dit lezen.”Dajjâl heeft een gescheurde oorlel. Saʿb ibn Juthāmah (رضي الله عنه) zei: “Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'De mensen zullen Dajjâl niet vergeten zolang de imām op de preekstoel over hem spreekt. Dajjâl zal pas verschijnen wanneer de mensen afwijken van het geloof en zich wenden tot onwetendheid.”Dajjâl zal verschijnen in een tijd van onwetendheid, als het geloof verwaterd is en de kennis vergeten. Hij is een persoon die door Allāh gestuurd wordt als beproeving voor de mensen. Met Allāh's wil zal Dajjâl mensen doden en weer tot leven brengen, en met hem zullen aardse genoegens komen. Hij zal de hemel bevelen om regen te laten vallen, de aarde om planten te doen groeien, en zijn volgelingen zullen de schatten van de aarde bezitten. Hij zal zijn volgelingen met valse wonderen misleiden, wat zijn grote beproeving zal zijn.De profeten hebben gewaarschuwd tegen de beproeving van Dajjâl, zijn gebreken en zijn leugens. Maar degenen die met de steun van Allāh worden beschermd, zullen niet worden misleid door zijn verleidingen. Wanneer Dajjâl iemand zal doden en weer tot leven zal brengen, zal een van de gelovigen zeggen: “Dit heeft mijn inzicht in jou alleen maar versterkt.”`Abdullah ibn Amr (رضي الله عنه) zei dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Dajjâl zal in mijn gemeenschap verschijnen en veertig … blijven.

Ik weet niet of dit veertig dagen, maanden of jaren is.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft in zijn du`ā’ (smeekgebed) bescherming gezocht tegen de beproeving van Dajjâl. “Wie de eerste tien verzen van de sûrah al-Kahf uit zijn hoofd leert, zal beschermd worden tegen de beproeving van Dajjâl”, zei hij. In een andere overlevering zei hij: “Wie de laatste tien verzen van de sûrah al-Kahf uit zijn hoofd leert, zal beschermd worden tegen de beproeving van Dajjâl.”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei verder: “Wie over Dajjâl hoort, moet van hem wegblijven. Bij Allāh, zeker zal er iemand komen die denkt dat hij een gelovige is, maar door de twijfelachtige daden van Dajjâl zal hij hem volgen.”`Īsā (صلى الله عليه وسلم) zal neerdaalden op aarde en Dajjâl doden. Zo zal de beproeving van Dajjâl en zijn volgelingen eindigen, en Allāh zal de vuren van fitnah (beproeving) doven. Het eerste grote fitnah zal dan voorbij zijn.] (HY)

١٠٥ - حديثُ ابْنِ عَبَّاسٍ، عَنْ مُجَاهِدٍ قَالَ كُنَّا عِنْدَ ابْنِ عَبَّاسٍ، فَذَكَرُوا الدَّجَّالَ أَنَّهُ قَالَ مَكْتُوبٌ بَيْنَ عَيْنَيْهِ كَافِرٌ، فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: لَمْ أَسْمَعْهُ وَلكِنَّهُ قَالَ أَمَّا مُوسَى كَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَيْهِ إِذِ انْحَدَرَ فِي الْوَادِي يُلَبِّي

105 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), via Mujāhid:Wij waren bij Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), en zij (aanwezigen) spraken over de Dajjāl.Zij (de aanwezigen) zeiden (over de Dajjāl): ‘Er staat tussen zijn ogen geschreven: Kāfir (كافر).’Toen zei Ibn ʿAbbās: “Dat heb ik niet (van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ) gehoord.Maar hij (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘Wat betreft Mūsā (عليه السلام), het is alsof ik hem zie, terwijl hij in de vallei afdaalt terwijl hij de talbiyah oproept (voor Haj).’

١٠٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لَيْلَةَ أُسْرِيَ بِهِ رَأَيْتُ مُوسَى وَإِذَا رَجُلٌ ضَرْبٌ رَجِلٌ كَأَنَّهُ مِنْ رِجَالِ شَنُوءَةَ، وَرَأَيْتُ عِيسَى فَإِذَا هُوَ رَجُلٌ رَبْعَةٌ أَحْمَرُ، كَأَنَّمَا خَرَجَ مِنْ دِيمَاسٍ، وَأَنَا أَشْبَهُ وَلَدِ إِبْرَاهيمَ بِهِ، ثُمَّ أُتِيتُ بِإِنَاءَيْنِ فِي أَحَدِهِمَا لَبَنٌ، وَفِي الآخَرِ خَمْرٌ، فَقَالَ اشْرَبْ أَيَّهُمَا شِئْتَ، فَأَخَذْتُ اللَّبَنَ فَشَرِبْتُهُ، فَقِيلَ أَخَذْتَ الْفِطْرَةَ، أَمَا إِنَّكَ لَوْ أَخَذْتَ الْخَمْرَ غَوَتْ أُمَّتُكَ

106 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “In de nacht waarin ik op de nachtelijke reis (al-Isrāʾ) werd meegenomen, zag ik Mūsā (عليه السلام). Hij was een stevig gebouwde man met (golvend) haar, en alsof hij één van de mannen van (de stam) Shanū’ah was.

En ik zag ʿ`Īsā (عليه السلام); hij was een man van gemiddelde lengte, rossig van kleur, alsof hij uit een badhuis kwam.

En van de kinderen van Ibrāhīm (عليه السلام) lijk ik het meest op hem.

Toen werden er twee bekers naar mij gebracht, in één daarvan zat melk, en in de ander wijn.Er werd tegen mij gezegd: ‘Drink van welke je wilt.’

Ik nam de melk en dronk ervan.Toen werd er gezegd: ‘Je hebt de fiṭrah (natuurlijke aanleg) gekozen.Als je de wijn had genomen, zou jouw gemeenschap (ummāh) zijn afgedwaald.’

De vermelding van Masīḥ (`Īsā), zoon van Maryam, en de Masīḥ ad-Dajjāl

في ذكر المسيح بن مريم والمسيح الدجال١٠٧ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: ذَكَرَ النَّبِيُّ ﷺ يَوْمًا بَيْنَ ظَهْرَي النَّاسِ الْمَسِيحَ الدَّجَّالَ، فَقَالَ: إِنَّ اللهَ لَيْسَ بِأَعْوَرَ، أَلاَ إِنَّ الْمَسِيحَ الدَّجَّالَ أَعْوَرُ الْعَيْنِ الْيُمْنَى كَأَنَّ عَيْنَهُ عِنَبَةٌ طَافِيَةٌ

107) Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zat op een dag onder de mensen en vertelde over de Masīḥ ad-Dajjāl. Hij zei: “Waarlijk Allāh is niet scheel, maar let op: de Masīḥ Dajjāls rechteroog is scheel. Zijn oog is als een druif die uit de tros steekt.”

١٠٨ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَرَانِي اللَّيْلَةَ عِنْدَ الْكَعْبَةِ فِي المَنَامِ، فَإِذَا رَجُلٌ آدَمُ كَأَحْسَنِ مَا يُرَى مِنْ أُدْمِ الرِّجَالِ، تَضْرِبُ لِمَّتُهُ بَيْنَ مَنْكِبَيْهِ، رَجِلُ الشَّعَر، يَقْطُرُ رَأْسُهُ مَاءً، وَاضِعًا يَدَيْهِ عَلَى مَنْكِبَيْ رَجُلَيْنِ وَهُوَ يَطُوفُ بِالْبَيْتِ، فَقُلْتُ: مَنْ هذَا فَقَالَوا: هذَا الْمَسِيحُ ابْنُ مَرْيَمَ، ثُمَّ رَأَيْتُ رَجُلًا وَرَاءَهُ جَعْدًا قَطِطًا، أَعْوَرَ الْعَيْنِ الْيُمْنَى، كَأَشْبَهِ مَنْ رَأَيْتُ بِابْنِ قَطَنٍ، وَاضِعًا يَدَيْهِ عَلَى مَنْكِبَيْ رَجُلٍ يَطُوفُ بِالْبَيْتِ، فَقُلْتُ: مَنْ هذَا فَقَالُوا الْمَسِيحُ الدَّجَّالُ

108) Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “ Vannacht zag ik mijzelf in een droom bij de Kaʿbah. Ik zag een man met een donkere huidskleur, zo mooi van teint als je bij mannen zelden ziet, met een prachtige golvende haardos, die hij uitgekamd had en waar het water uitdroop. Leunend op (de schouders van) twee mannen maakte hij de ommegang rond de Ka`bah (ṭawāf). Ik vroeg: 'Wie is dit?' en het antwoord luidde: 'De Masīḥ, de zoon van Marjam.' Toen verscheen er een man met een gedrongen gestalte en kroezend haar die blind was aan zijn rechteroog, (dat eruitzag als een gezwollen druif). Hij leek meer op Ibn Qatan, (een man van de stam Khuza`ah die leefde voor de komst van de Islām), dan op wie dan ook die ik ooit heb gezien. Hij leunde op de schouders van een andere man terwijl hij rond de Ka`bah liep.

Ik vroeg: 'Wie is dit?' en het antwoord was: 'Dit is Masīḥ ad-Dajjāl.

[De term “Masīḥ” wordt gebruikt voor zowel `Īsā عليه السلام als de Dajjâl. Het woord heeft verschillende betekenissen: het kan verwijzen naar iemand die veel reist, iemand die iets aanraakt om het te reinigen (zoals `Īsā عليه السلام het deed bij het genezen van zieken), of naar iemand wiens oog verbleekt of beschadigd is (zoals bij de Dajjâl). (AFK)

{In een hadîth wordt vermeld: Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"Ik sta het dichtst bij `Īsā (عليه السلام). De profeten zijn zonen van één vader, en tussen mij en `Iesa is er geen profeet."}

١٠٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ الله أنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: لَمَّا كَذَّبَتْنِي قُرَيْشٌ قُمْتُ فِي الْحِجْرِ فَجَلاَ الله لِي بَيْتَ الْمَقْدِسِ، فَطَفِقْتُ أُخْبِرُهُمْ عَنْ آيَاتِهِ وَأَنَا أَنْظُرُ إِلَيْهِ

109) Van Jabir Ibn `Abdullah (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen de Quraysh mij van leugens beschuldigde (over de Isrā’ en Mi’rāj), stond ik bij de Hijr van de Ka`bah. Allāh toonde mij Bayt al-Maqdis, en ik begon hen (polytheisten) zijn kenmerken te beschrijven terwijl ik ernaar keek.”

De vermelding van Sidratu’l Muntahā

في ذكر سدرة المنتهى١١٠ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ عَنْ أَبِي إِسْحقَ الشَّيْبَانِيّ، قَالَ: سَأَلْتُ زِرَّ بْنَ حُبَيْشٍ عَنْ قَوْلِ اللهِ تَعَالَى (فَكَانَ قَابَ قَوْسَيْنِ أَوْ أَدْنَى فَأَوْحَى إِلَى عَبْدِهِ ما أَوْحَى) قَالَ: حَدَّثَنَا ابْنُ مَسْعُودٍ أَنَّهُ رَأَى جِبْرِيلَ لَهُ سِتُّمِائَةِ جَنَاحٍ

110) `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):Abû Ishāq ash-Shaybānī zei: Ik vroeg Zir Ibn Hubaysh betreffende Allāhu Ta`ala (de onderstaande verzen) openebaarde:

ثُمَّ دَنَا فَتَدَلَّىٰ ٨

فَكَانَ قَابَ قَوۡسَيۡنِ أَوۡ أَدۡنَىٰ ٩

فَأَوۡحَىٰٓ إِلَىٰ عَبۡدِهِۦ مَآ أَوۡحَىٰ ١٠

Daarna naderde hij en daalde neer. Zodat hij zich op een afstand van twee booglengten (van Muhammed) bevond, of zelfs dichterbij. En Hij (Allāh) openbaarde aan Zijn dienaar hetgeen Hij wilde openbaren..’ (sûrah an-Najm, 8-10): vroeg ik aan Zir Ibn Hubaysh: hij zei: `Abdullah Ibn Mas`ûd zei: “(an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag Jibrīl (in zijn ware gedaante.) Hij had zeshonderd vleugels.”

[De uitleg over het zien van Allāh door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en gerelateerde verzen:

`Iqrimah, Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما), Abū Ṣāliḥ en Rabīʿ ibn Anas hebben deze ayah als volgt uitgelegd:

“Het hart van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) ontkende niet wat hij zag.Dat wil zeggen: Muhammad (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn Rab niet met zijn eigen ogen direct gezien.Allāh heeft zijn hart verlicht met een licht, en daardoor zag hij zijn Rab met het licht in zijn hart.”Volgens ʿAbdullāh ibn Masʿūd en Qatādah (رضي الله عنهما) betekent deze ayah dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de engel Jibrīl met zijn hart heeft gezien.

Hij zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag Jibrīl (عليه السلام) gekleed in een zijden gewaad.Hij vulde de ruimte tussen hemel en aarde.” (Tirmiḏī, K. Tafsir al-Qurʾān, sûrah 53, ḥadīth nr. 3283)Allahu تَعَالَى zal niet in deze wereld met de ogen gezien worden, maar in het Hiernamaals wel.

ʿĀ’isha (رضي الله عنها) gebruikte als bewijs de āyah:

لَّا تُدۡرِكُهُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَهُوَ يُدۡرِكُ ٱلۡأَبۡصَٰرَۖ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلۡخَبِيرُ ١٠٣

Geen blik kan Hem bereiken. Maar Hij bereikt de blik (van iedereen). En Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende. (Sūrah al-Anʿām 6:103)

Ze zei ook: “Wie zegt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien, heeft ongetwijfeld gelogen.”

۞ وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَن يُكَلِّمَهُ ٱللَّهُ إِلَّا وَحۡيًا أَوۡ مِن وَرَآيِٕ حِجَابٍ أَوۡ يُرۡسِلَ رَسُولٗا فَيُوحِيَ بِإِذۡنِهِۦ مَا يَشَآءُۚ إِنَّهُۥ عَلِيٌّ حَكِيمٞ ٥١

Het past de mens niet dat Allāh tot hem spreekt, behalve door middel van een openbaring, of van achter een sluier of door het zenden van een gezant (Djibril) om met Zijn toestemming te openbaren wat Hij wil. Waarlijk, Hij is Verheven, Alwijs. (Sūrah ash-Shūrā 42:51)

ʿĀ’isha (رضي الله عنها) voegde eraan toe: “Wie zegt dat hij weet wat er morgen zal gebeuren, heeft ook ongetwijfeld gelogen.” Daarna las ze ook het bijbehorende vers voor:

. إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤

Waarlijk Allāh! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk, Allāh is Alwetend, Bewust van alle (zaken). “ (sûrah Luqman, 31:34)

En ook zei ze: “En wie jou vertelt: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft iets verborgen’, die liegt ongetwijfeld.”

Vervolgens reciteerde zij deze ayah:

۞ يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغۡ مَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۖ وَإِن لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَهُۥۚ وَٱللَّهُ يَعۡصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٦٧

O, Boodschapper! Verkondig wat aan jou is neergezonden van jouw Heer. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn Boodschap niet duidelijk gemaakt. Allāh zal je tegen de mensheid beschermen. Waarlijk, Allāh leidt de mensen die ongelovig zijn niet. (sûrah Al-Mā’ida, 5:67)

ʿĀ’isha (رضي الله عنها) vervolgde met: “ Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn Rab niet gezien.Maar hij heeft wel twee keer Jibrīl (عليه السلام) in zijn ware gedaante gezien.” (Bukhārī, Tafsir al-Qur’ān, sûrah 53, hoofdstuk 1)

`Abdullah ibn Shaqīq zei: “Ik zei tegen Abū Dzar: ‘Als ik in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had geleefd, zou ik hem iets gevraagd hebben.’Abū Dzar vroeg: ‘Wat zou je hem gevraagd hebben?’Ik zei: ‘O Rasûlullāh, hebt u uw Rab gezien?’”

Abū Zar zei: “Ik vroeg het hem, en hij zei: ‘Ik heb Hem als licht gezien.’ (Muslim, Boek van het Geloof, 292/178)

In een andere overlevering antwoordde hij: “Hij is het Licht; hoe zou Hij dan getoond kunnen worden?”(Muslim, Boek van het Geloof, 292/178)

Dit betekent dat het Licht van Allāh het zien van Zijn wezen verhinderde.

Zoals zichtbaar is, geven deze overleveringen aan dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in deze wereld Allāh heeft gezien met het oog van het hart.

Er zijn ook authentieke aḥadīth die bevestigen dat Allāh تَعَالَى pas in het Hiernamaals zal worden gezien.

Deze zijn overgeleverd door: Abū Saʿīd al-Khudrī, Abū Hurayrah, Anas ibn Mālik, Suhayb al-Rūmī, Bilāl al-Ḥabashī (رضي الله عنهم) (HY)

[Sidratu’l-Muntahâ: Het woord “Muntahâ” betekent in het Arabisch einde, grens, uiterste punt of afsluiting.Het woord “Sidrah” betekent boom. De uitdrukking “Sidratu’l-Muntahâ” verwijst naar een verheven plaats die behoort tot de sfeer van de Wezen van Allāhu (تعالى), een gebied waar noch de grootste engelen, noch de hoogste profeten kunnen binnengaan.Zoals in de ḥadīth wordt vermeld, vergezelde Jibrīl (عليه السلام) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tot aan deze plaats, waarna hij aangaf niet verder te kunnen gaan. Hij verduidelijkte dat uitsluitend an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verder mocht reizen, op uitnodiging van Allāhu (تعالى) Zelf.Daarom wordt deze uitdrukking opgevat als “de laatste grens, het uiterste punt, of het einde van alle grenzen.”Er is ook overgeleverd dat het “één van de uiteinden van het Paradijs” is, “waarover de uitlopers hangen van de Paradijsbomen die met zijde en brokaat (sundus en istabraq) bedekt zijn.”In tafsīr al-Kashshāf wordt uitgelegd dat Sidratu’l-Muntahâ “aan het uiterste einde van het Paradijs” ligt.

De term “Sidratu’l-Muntahâ” komt voor in de Qu’ān, in surah an-Najm, vers 14, en wordt ook genoemd in de ḥadīth over de Miʿrāj van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) , overgeleverd door vele ṣaḥābah.De Sidrah-boom bevindt zich in het hoogste gedeelte van het Paradijs. Het is de grens van alle kennis, de uiterste limiet die bereikt kan worden door zowel de vroegeren als de lateren. Hij bevindt zich aan de rechterzijde van de ʿArsh (Troon van Allāh). Tijdens de nacht van de Miʿrāj bereikte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en Jibrīl (عليه السلام) deze verheven plaats. Daar bleef Jibrīl (عليه السلام) achter. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem vroeg waarom hij niet verderging, antwoordde Jibrīl (عليه السلام): “Dit is een plaats waar de vriend (Jibrīl ) stopt bij de Vriend (Allah). Als ik ook maar een haarbreed verder zou gaan, zou ik verbranden en tot as vergaan. Vanaf hier is het slechts aan jou toegestaan om verder te gaan.”

Deze plaats wordt Sidratu’l-Muntahā genoemd omdat noch de voornaamste engelen, noch de voornaamste profeten verder kunnen gaan, en omdat de kennis over deze plaats zeer beperkt is. Daarom wordt zij ook aangeduid als “de uiterste grens van de menselijke kennis”. Zowel de kennis van de profeten als die van alle andere schepselen — engelen en mensen — reikt tot deze grens, waarna niemand verder kan doordringen.De grote Qurān excegeet (mufassir) Fakhruddīn ar-Rāzī beschrijft Sidratu’l-Muntahâ als een plaats waar het verstand in verbazing stilstaat, een niveau van ontzag en verwondering dat niet te overtreffen is, waar de mens in de diepste staat van verbijstering verkeert.

Daarna merkt hij op dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op die plaats niet in verwarring of verbazing verviel, maar duidelijk zag wat hij zag, zonder te aarzelen of te twijfelen. Daarom, zegt ar-Rāzī, is het voor ons, de zwakke mensen, onmogelijk om Sidratu’l-Muntahâ met zekerheid te omschrijven als “het is dit” of “het is dat”.Volgens surah an-Najm, vers 9 en de overlevering in de ḥadīth mocht Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) slechts naderen “tot op een afstand van twee booglengten (كابَ قَوْسَيْنِ)”. Wat voorbij Sidratu’l-Muntahâ ligt, behoort tot de ghayb-wereld, een werkelijkheid waarvan alleen Allāhu (تعالى) de kennis bezit, de uiterste grens van menselijke kennis en begrip. Daar voorbij bevindt zich wat wordt aangeduid als het “rijk van het Wezen (de Zāt-wereld)” van Allāhu (تعالى), iets wat zich onttrekt aan menselijke woorden en begrippen en daarom niet te beschrijven is.] (HA)

"En de uitleg van de uitspraak van Allah: ولقد رآه نزلة أخرى (En hij heeft hem zeker een andere keer gezien) en de kwestie of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de nacht van al-Isrā zijn Rab heeft gezien

معنى قول الله ﷿: (ولقد رآه نزلة أخرى)، وهل رأى النبي ﷺ ربه ليلة الإسراء١١١ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مَسْرُوقٍ قَالَ: قُلْتُ لِعَائِشَةَ يَا أُمَّتَاهْ هَلْ رَأَى مُحَمَّدٌ ﷺ رَبَّهُ فَقَالَتْ لَقَدْ قَفَّ شَعَرِي مِمَّا قُلْتَ، أَيْنَ أَنْتَ مِنْ ثَلاَثٍ مَنْ حَدَّثَكَهُنَّ فَقَدْ كَذَبَ: مَنْ حَدَّثَكَ أَنَّ مُحَمَّدًا ﷺ رَأَى رَبَّهُ فَقَدْ كَذَبَ، ثُمَّ قَرأَتْ (لاَ تُدْرِكُهُ الأَبْصَارُ وَهُوَ يُدْرِكُ الأَبْصَارَ وَهُوَ اللَّطِيفُ الْخَبِيرُ)، (وَمَا كَانَ لِبَشَرٍ أَنْ يُكَلِّمَهُ اللهُ إِلاَّ وَحْيًا أَوْ مِنْ وَرَاءِ حِجَابٍ)؛ وَمَنْ حَدَّثَكَ أَنَّهُ يَعْلَمُ مَا فِي غَدٍ فَقَدْ كَذَبَ، ثُمَّ قَرَأَتْ (وَمَا تَدْرِي نَفْسٌ مَاذَا تَكْسِبُ غَدًا)؛ وَمَنْ حَدَّثَكَ أَنَّهُ كَتَمَ فَقَدْ كَذَبَ، ثُمَّ قَرَأَتْ (يَأَيُّهَا الرَّسُولُ بَلِّغْ مَا أُنْزِلَ إِلَيْكَ مِنْ رَبِّكَ) الآية؛ وَلكِنَّهُ رَأَى جِبْرِيلَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ فِي صُورَتِهِ مَرَّتَيْنِ

111 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها) via Masrūq:Ik zei tegen ʿĀishah: “O moeder der gelovigen, heeft Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab gezien?”Zij zei: “Mijn haar stond overeind van wat je zei. Er zijn drie dingen, en wie een van deze beweert, pleegt de grootste leugen tegen Allāh.' Wie jou vertelt dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien, die heeft gelogen.”Vervolgens reciteerde zij:

لَّا تُدۡرِكُهُ ٱلۡأَبۡصَٰرُ وَهُوَ يُدۡرِكُ ٱلۡأَبۡصَٰرَۖ وَهُوَ ٱللَّطِيفُ ٱلۡخَبِيرُ ١٠٣

Geen blik kan Hem bereiken. Maar Hij bereikt de blik (van iedereen). En Hij is de Zachtmoedige, de Alwetende. (Sūrah al-Anʿām 6:103)

En zij zei verder: “Wie jou vertelt dat hij weet wat er morgen zal gebeuren, die heeft gelogen.”Vervolgens reciteerde zij:

. إِنَّ ٱللَّهَ عِندَهُۥ عِلۡمُ ٱلسَّاعَةِ وَيُنَزِّلُ ٱلۡغَيۡثَ وَيَعۡلَمُ مَا فِي ٱلۡأَرۡحَامِۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسٞ مَّاذَا تَكۡسِبُ غَدٗاۖ وَمَا تَدۡرِي نَفۡسُۢ بِأَيِّ أَرۡضٖ تَمُوتُۚ إِنَّ ٱللَّهَ عَلِيمٌ خَبِيرُۢ ٣٤

Waarlijk Allāh! Bij Hem (alleen) is de kennis over het Uur, Hij laat de regen vallen en Hij kent wat zich in de schoten bevindt. Niemand weet wat hij morgen zal doen. En niemand weet in welk land hij zal sterven. Waarlijk, Allāh is Alwetend, Bewust van alle (zaken). “ (sûrah Luqman, 31:34)

En zij zei: “Wie jou vertelt dat hij iets verborgen houdt, die heeft gelogen.”Vervolgens reciteerde zij:

۞ يَٰٓأَيُّهَا ٱلرَّسُولُ بَلِّغۡ مَآ أُنزِلَ إِلَيۡكَ مِن رَّبِّكَۖ وَإِن لَّمۡ تَفۡعَلۡ فَمَا بَلَّغۡتَ رِسَالَتَهُۥۚ وَٱللَّهُ يَعۡصِمُكَ مِنَ ٱلنَّاسِۗ إِنَّ ٱللَّهَ لَا يَهۡدِي ٱلۡقَوۡمَ ٱلۡكَٰفِرِينَ ٦٧

O, Boodschapper! Verkondig wat aan jou is neergezonden van jouw Heer. En als je dat niet doet, dan heb je Zijn Boodschap niet duidelijk gemaakt. Allāh zal je tegen de mensheid beschermen. Waarlijk, Allāh leidt de mensen die ongelovig zijn niet. (sûrah Al-Mā’ida, 5:67)

Maar hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft Jibrīl (عليه السلام) twee keer in zijn ware gedaante gezien.

١١٢ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ مَنْ زَعَمَ أَنَّ مُحَمَّدًا رَأَى رَبَّهُ فَقَدْ أَعْظَمَ، ولكِنْ قد رَأى جِبْرِيلَ فِي صُورَتِهِ، وَخَلْقُهُ سَادٌّ مَا بَيْنَ الأُفُقِ

112) Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Wie beweert dat Muhammed (صلى الله عليه وسلم) zijn Rab heeft gezien (met zijn fysieke wereldse ogen), heeft een grote fout gemaakt. Hij zag Jibrīl in zijn ware vorm, terwijl hij de horizon vulde.”

Het bewijs dat de gelovigen in het Hiernamaals Allāhu سُبْحَانَهُ وَ تَعَالَى zullen zien

إِثبات رؤية المؤمنين في الآخرة ربهم ﷾١١٣ - حديث أَبِي مُوسَى، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: جَنَّتَانِ مِنْ فِضَّةٍ آنِيَتُهُمَا وَمَا فِيهِمَا، وَجَنَّتَانِ مِنْ ذَهَبٍ، آنِيَتُهُمَا وَمَا فِيهِمَا، وَمَا بَيْنَ الْقَوْمِ وَبَيْنَ أَنْ يَنْظُرُوا إِلَى رَبِّهِمْ إِلاَّ رِدَاءُ الْكِبْر عَلَى وَجْهِهِ فِي جَنَّةِ عَدْنٍ

113) Van Abû Mûsâ al-Ash’arî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn twee paradijzen waarvan de vaten en al het andere erin van zilver zijn. En er zijn twee andere paradijzen waarvan de vaten en al het andere erin van goud zijn. In het Paradijs van ‘Adn (Eden) is er niets dat de blikken van de mensen scheidt van het aanschouwen van hun Rab, behalve de sluier van de grootsheid van Allāhs gelaat (Wajhullah).”

[In de ḥadīth wordt gesproken over vier paradijzen. In de Qur’ān wordt het woord jannah zowel in enkelvoud, dualis als meervoud gebruikt. De mufassirīn (de Qur’ān excegeten) leggen het als volgt uit:

enkelvoud wordt gebruikt omdat de grond van het Paradijs één is;

dualis wordt gebruikt omdat de geneugten zowel de ziel (rûh) als het lichaam aanspreken;

meervoud wordt gebruikt vanwege de verschillende delen van het Paradijs en de vele soorten geneugden dat het bevat.

Het gaat hier niet om het aantal of de indeling van het Paradijs, maar om de onvoorstelbare uitgestrektheid ervan en de overvloed aan rust, comfort en genietingen. De beschrijvingen van het hiernamaals dienen te worden begrepen in het licht van onze beperkte aardse ervaring en zijn gericht op de kern en het doel. Zulke ḥadīth behoren tot het type targhīb: zij zijn bedoeld om de gelovige aan te sporen tot goede en prijzenswaardige daden.In de ḥadīth van hierboven, wordt ook vermeld dat er een “sluier van grootsheid” tussen de bewoners van het Paradijs en het zien van Allāh bestaat. Deze uitdrukking verwijst niet naar een fysiek obstakel, maar is een metaforisch gebruik dat de unieke verhevenheid van Allāh symboliseert.Uit andere ḥadīth blijkt dat sommige bewoners van het Paradijs Allāh daadwerkelijk zullen kunnen zien.

Hoe dit precies zal zijn, behoort tot het onbekende (ghayb) en kan in deze wereld niet volledig worden begrepen.] (Diyanet)

De manier om (onze Rab) te kunnen zien

معرفة طريق الرؤية١١٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ النَّاس قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ هَلْ نَرَى رَبَّنَا يَوْمَ الْقِيَامَةِ قَالَ: هَلْ تُمَارُونَ فِي الْقَمَرِ لَيْلَةَ الْبَدْرِ لَيْسَ دُونَهُ سَحَابٌ قَالُوا لاَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: فَهَلْ تمَارُونَ فِي الشَّمْسِ لَيْسَ دُونَهَا سَحَابٌ قَالُوا لاَ يَا رَسُولَ اللهِ، قَالَ: فَإِنَّكمْ تَرَوْنَهُ كَذَلِكَ يُحْشَرُ النَّاسُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَيَقُولُ مَنْ كَانَ يَعْبدُ شَيْئًا فَلْيَتْبَعْهُ، فَمِنْهُمْ مَنْ يَتَّبِعُ الشَّمْسَ، وَمِنْهُمْ مَنْ يَتَّبِعُ الْقَمَر، وَمِنْهُمْ مَنْ يَتَّبِعُ الطَّوَاغِيتَ وَتَبْقَى هذِهِ الأُمَّةُ فِيهَا مُنَافِقُوهَا، فَيَأْتِيهِمُ اللهُ فَيَقُولُ أَنَا رَبُّكُمْ، فَيَقُولُونَ هذَا مَكَانُنَا حَتَّى يَأْتِيَنَا رَبُّنَا، فَإِذَا جَاءَ رَبُّنَا عَرَفْنَاهُ، فَيَأْتِيهِمُ اللهُ فَيَقُولُ أَنَا رَبُّكُمْ، فَيقُولُونَ أَنْتَ رَبُّنَا، فَيَدْعُوهُمْ، وَيُضْرَبُ الصِّرَاطُ بَيْنَ ظَهْرَانَيْ جَهَنَّمَ، فَأَكُونُ أَوَّلَ مَنْ يَجُوزُ مِنَ الرَّسُلِ بِأُمَّتِهِ، وَلاَ يَتَكَلَّمُ يَوْمَئِذٍ أَحَدٌ إِلاَّ الرُّسُلُ، وَكَلاَمُ الرُّسُلِ يَوْمَئِذٍ اللهُمَّ سَلِّمْ سَلِّمْ، وَفِي جَهَنَّمَ كَلاَلِيبُ مِثْلُ شَوْكِ السَّعْدَانِ، هَلْ رَأَيْتُمْ شَوْكَ السَّعْدَانِ قَالُوا نَعَمْ، قَالَ: فَإِنَّهَا مِثْلُ شَوْكِ السَّعْدانِ، غَيْرَ أَنَّهُ لاَ يَعْلَمُ قَدْرَ عِظَمِهَا إِلاَّ اللهُ، تَخْطَفُ النَّاسَ بِأَعْمَالِهِمْ، فَمِنْهُمْ مَنْ يُوبَقُ بِعَمَلِهِ، وَمِنْهُمْ

مَنْ يُخَرْدَلُ ثُمَّ يَنْجُو، حَتَّى إِذَا أَرَادَ اللهُ رَحْمَةَ مَنْ أَرَادَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ أَمَرَ اللهُ الْمَلاَئِكَةَ أَنْ يُخْرِجُوا مَنْ كَانَ يَعْبُدُ اللهَ، فَيُخْرِجُونَهُمْ، وَيَعْرِفُونَهُمْ بِآثَارِ السُّجُودِ، وَحَرَّمَ اللهُ عَلَى النَّارِ أَنْ تَأْكُلَ أَثَرَ السُّجُودِ، فَيَخْرُجُونَ مِنَ النَّار، فَكُلُّ ابْنِ آدَمَ تَأْكُلُهُ النَّارُ إِلاَّ أَثَرَ السُّجُودِ؛ فَيَخْرُجُونَ مِنَ النَّارِ قَدِ امْتَحَشُوا، فَيُصَبُّ عَلَيْهِمْ مَاءُ الْحَيَاةِ، فَيَنْبُتُونَ كَمَا تَنْبُتُ الْحِبَّةُ فِي حَمِيلِ السَّيْلِ؛ ثُمَّ يَفْرُغُ اللهُ مِنَ الْقَضَاءِ بَيْنَ الْعِبَادِ، وَيَبْقَى رَجُلٌ بَيْنَ الْجَنَّةِ وَالنَّارِ، وَهُوَ آخِرُ أَهْلِ النَّارِ دُخُولًا الْجَنَّةَ، مُقْبِلًا بِوَجْهِهِ قِبَلَ النَّارِ، فَيَقُولُ يَا رَبِّ اصْرِفْ وَجْهِي عَنِ النَّارِ، قَدْ قَشَبَنِي رِيحُهَا، وَأَحْرَقَنِي ذَكَاؤُهَا، فَيَقُولُ هَلْ عَسِيْتَ إِنْ فُعِلَ ذَلِكَ بِكَ أَنْ تَسْأَلَ غَيْرَ ذَلِكَ فَيَقُولُ لاَ وَعِزَّتِكَ،

فَيُعْطِي اللهَ مَا يَشَاءُ مِنْ عَهْدٍ وَمِيثَاقٍ؛ فَيَصْرِفُ اللهُ وَجْهَهُ عَنِ النَّارِ فَإِذَا أَقْبَلَ بِهِ عَلَى الْجَنَّةِ رَأَى بَهْجَتَهَا، سَكَتَ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَسْكُتَ، ثُمَّ قَالَ يَا رَبِّ قَدِّمْنِي عِنْدَ بَابِ الْجَنَّةِ، فَيَقُولُ اللهُ لَهُ، أَلَيْسَ قَدْ أَعْطَيْتَ العُهُودَ وَالْمَوَاثِيقَ أَنْ لاَ تَسْأَلَ غَيْرَ الَّذِي كُنْتَ سَأَلْتَ فَيَقُولُ يَا رَبِّ لاَ أَكُونَنَّ أَشْقَى خَلْقِكَ؛ فَيَقُولُ فَمَا عَسِيْتَ إِنْ أُعْطِيتَ ذَلِكَ أَنْ لاَ تَسْأَلَ غَيْرَهُ فَيَقُولُ لاَ وَعِزَّتِكَ لاَ أَسْأَلُ غَيْرَ ذَلِكَ؛ فَيعْطِي رَبَّهُ مَا شَاءَ مِنْ عَهْدٍ وَمِيثَاق، فَيُقَدِّمُهُ إِلَى بَابِ الْجَنَّةِ، فَإِذَا بَلَغَ بَابَهَا فَرَأَى زَهْرَتَهَا، وَمَا فِيهَا مَنَ النَّضْرَةِ والسُّرُورِ فَيَسْكُتُ مَا شَاءَ اللهُ أَنْ يَسْكُتَ، فَيقُولُ يَا رَبِّ أَدْخِلْنِي الْجَنَّةَ، فَيَقُولُ اللهُ: وَيْحَكَ يَا ابْنَ آدَمَ مَا أَغْدَرَكَ أَلَيْسَ قَدْ أَعْطَيْتَ الْعُهُودَ وَالْمَوَاثِيقَ أَنْ لاَ تَسْأَلَ غَيْرَ الَّذِي أُعْطِيتَ فَيَقُولُ يَا رَبِّ لاَ تَجْعَلْنِي أَشْقَى خَلْقِكَ، فَيَضْحَكُ اللهُ ﷿ مِنْهُ، ثُمَّ يَأْذَنُ لَهُ فِي دُخُولِ الْجنَّةِ، فَيَقُولُ تَمَنَّ، فَيَتَمَنَّى، حَتَّى إِذَا انْقَطَعَتْ أُمْنِيَّتُهُ، قَالَ اللهُ ﷿: مِنْ كَذَا وَكَذَا أَقْبَلَ يُذَكِّرُهُ رَبُّهُ؛ حَتَّى إِذَا انْتَهَتْ بِهِ الأَمَانِيُّ قَالَ اللهُ تَعَالَى: لَكَ ذَلكَ

وَمِثْلُهُ مَعَهُ

114) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): De mensen vroegen: 'O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab zien op de Dag der Opstanding?' an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: 'Twijfelen jullie eraan om de maan te zien op een heldere nacht zonder enige wolken?' - 'Nee, o Rasûlullāh.' - 'En twijfelen jullie eraan om de zon te zien zonder enige wolken?' - 'Nee.'an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Zo zullen jullie Allāh zien, zonder enige twijfel. Op de Dag der Opstanding zullen de mensen worden verzameld, en Allāh zal zeggen: “Laat degenen die in de wereld iets aanbaden, die volgen.” Sommigen zullen de zon volgen, sommigen de maan, en anderen hun taghuts (alles wat de mensen ervan weerhield Allāh te aanbidden).Deze gemeenschap (ummah) zal echter blijven, met de hypocrieten onder hen. Allāh zal tot hen komen in een vorm die ze niet kennen en zeggen: “Ik ben jullie Rab.” Ze zullen antwoorden: “Wij blijven hier totdat onze Rab komt. Wanneer Hij komt, zullen we Hem herkennen.”Dan zal Allāh tot hen komen in de vorm die zij herkennen en zeggen: “Ik ben jullie Rab.” Ze zullen zeggen: “Ja, U bent onze Rab.” Allāh zal hen dan oproepen, en de Sirāt (de Brug) zal over de Hel worden gespannen. Ik zal de eerste profeet zijn die erover zal gaan met mijn gemeenschap. Op die dag zal niemand behalve de profeten kunnen spreken, en hun woorden zullen zijn: “Allahumma sallim, sallim: O Allāh, verleen veiligheid, verleen veiligheid!”“In het Hellevuur zijn er haken, vergelijkbaar met de doornen van de Sa`dān-boom.Hebben jullie de Sa`dān-doorn gezien?” vroeg hij. De metgezellen antwoordden: “Ja.”Hij vervolgde: “Die haken zijn precies zoals de doornen van de Sa`dān-boom (een stekelige plant die in Arabië groeit, ook wel bekend als de 'hormadoorn' of 'ijzeren doorn'). Maar niemand behalve Allāh kent de grootte van deze haken. Deze haken zullen mensen vastgrijpen naar hun daden. Sommigen zullen worden vernietigd vanwege hun daden, anderen zullen verpletterd worden als mosterd zaadje en uiteindelijk worden gered. Wanneer Allāh besluit om genade te tonen aan degenen in de Hel die Hij wil redden, zal Hij de engelen opdragen: “Haal degenen eruit die Allāh aanbaden.’ De engelen zullen hen eruit halen.

Ze zullen worden herkend aan de sporen van hun prosternaties (sujûd), want Allāh heeft het Vuur verboden om de plaatsen van prosternatie aan te raken en te verbranden.'Behalve de sporen van hun nedergebogen hoofden zal het vuur alles van de mensen verteren, waardoor ze verbranden en zwart uit het Hellevuur komen. Daarna zal levenswater over hen worden gegoten. Uiteindelijk zullen ze als bloemenzaadjes die op de grond van het regenwater zijn gevallen, snel opkomen en groeien.Daarna zal Allāh zijn oordeel over de mensen voltooien. Op dat moment zal er iemand tussen het Paradijs en het Hellevuur staan. Deze persoon is degene die als laatste het Hellevuur verlaat en wiens gezicht naar het Hellevuur gericht is. Hij zal zeggen: “O mijn Rab, draai mijn gezicht van het Hellevuur weg, want de geur heeft me vergiftigd en de vlammen hebben me verbrand.” Allāh zal zeggen: “Als dit voor jou gedaan wordt, is er dan iets anders dat je zou wensen?” Deze persoon zal zeggen: “Bij Uw majesteit, er is niets anders.” En Allāh zal na deze eed en belofte hem geven wat hij wenste. Daarna zal Allāh zijn gezicht van het Hellevuur afwenden. Zodra zijn gezicht naar het Paradijs gericht wordt, zal hij de pracht en de blijheid van de bewoners van het Paradijs zien. Hij zal zo lang zwijgen als Allāh het wil, en daarna zeggen: “O mijn Rab, breng me dichter bij de poorten van het Paradijs.” Daarop zal Allāh zeggen: “Heb je niet gezworen en beloofd dat je niets anders zou wensen dan wat je gevraagd hebt?” Deze persoon zal zeggen: “O mijn Rab, laat me niet de meest ongelukkige en lijdende (persoon) zijn van Uw schepselen.” Allāh zal zeggen: “Als je dit gegeven wordt, zou je dan iets anders wensen?” Deze persoon zal zeggen: “Bij Uw majesteit, ik wens niets anders.” En hij legt zijn eed en belofte af bij Allāh. Daarna zal Allāh hem dichter bij de poorten van het Paradijs brengen.Wanneer hij de poorten van het Paradijs bereikt, zal hij de schoonheid ervan zien, evenals de vreugde en het geluk daarin, maar hij zal zo lang zwijgen als Allāh wil.

Uiteindelijk zal hij zeggen: “O mijn Rab, breng me het Paradijs binnen.” Allāh zal zeggen: “Schaam je je niet o zoon van Adam, waarom houd je je woord niet. Heb je niet eed en belofte afgelegd dat je niets anders zou wensen dan wat je hebt gevraagd?” Deze persoon zal zeggen: “O mijn Rab, maak me niet de meest ongelukkige en lijdende (persoon) van Uw schepselen.” Daarop zal Allāh, de Almachtige, lachen en hem vervolgens toestemming geven om het pardadijs binnen te gaan. Allāh zal zeggen: “Vraag wat je wilt?” En de persoon zal blijven vragen totdat al zijn wensen vervuld zijn. Hij zal blijven zeggen: “Dit en dat,” totdat hij geen verlangens meer heeft. Uiteindelijk zal Allahu تعالى zeggen: “Naast deze wensen heb Ik je ook nog het dubbele gegeven.”

١١٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ قُلْنَا يَا رَسُولَ اللهِ هَلْ نَرَى رَبَّنَا يَوْمَ الْقِيَامَةِ قَالَ: هَلْ تُضَارُونَ فِي رُؤْيَةِ الشَّمْسِ وَالْقَمَرِ إِذَا كَانَتْ صَحْوًا قُلْنَا لاَ قَالَ: فَإَنَّكُمْ لاَ تُضَارُونَ فِي رُؤْيَةِ رَبِّكُمْ يَوْمَئِذٍ إِلاَّ كَمَا تُضَارُونَ فِي رُؤْيَتِهِمَا ثُمَّ قَالَ: يُنَادِي مُنَادٍ: لِيَذْهَبْ كُلُّ قَوْمٍ إِلَى مَا كَانُوا يَعْبُدُونَ، فَيَذْهَبُ أَصْحَابُ الصَّلِيبِ مَعَ صَلِيبِهِمْ، وَأَصْحَابُ الأَوْثَانِ مَعَ أَوْثَانِهِمْ، وَأَصْحَابُ كُلِّ آلِهَةٍ مَعَ آلِهَتِهِمْ، حَتَّى يَبْقَى مَنْ كَانَ يَعْبُدُ اللهَ مِنْ بَرٍّ أَوْ فَاجِرٍ، وغُبَّرَاتٌ مِنْ أَهْلِ الْكِتَابِ، ثُمَّ يُؤْتَى بِجَهَنَّمَ تُعْرَضُ كَأَنَّهَا سَرَابٌ، فَيُقَالُ لِلْيَهُودِ: مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ قَالُوا كُنَّا نَعْبُدُ عُزَيْرَ ابْنَ اللهِ، فَقَالَ كَذَبْتُمْ، لَمْ يَكُنْ للهِ صَاحِبَةٌ وَلاَ وَلَدٌ، فَمَا تُرِيدُون قَالُوا نُرِيدُ أَنْ تَسْقِيَنَا، فَيُقَالُ اشْرَبُوا، فَيَتَسَاقَطُونَ فِي جَهَنَّمَ ثُمَّ يُقَالُ لِلنَّصَارَى مَا كُنْتُمْ تَعْبُدُونَ فَيَقُولونَ كُنَّا نَعْبُدُ الْمَسِيحَ ابْنَ اللهِ، فَيُقَال كَذَبْتُمْ لَمْ يَكُنْ للهِ صَاحِبَةٌ وَلاَ وَلَدٌ، فَمَا تُرِيدُونَ فَيَقُولُونَ نُرِيدُ أَنْ تَسْقِيَنَا، فَيُقَالُ اشْرَبُوا، فَيَتَسَاقَطُونَ فِي جَهَنَّمَ حَتَّى يَبْقَى مَنْ كَانَ يَعْبُدُ اللهَ مِنْ بَرٍّ أَوْ فَاجِرٍ، فَيُقَالُ

لَهُمْ مَا يَحْبِسُكمْ وَقَدْ ذَهَبَ النَّاس فَيَقولُونَ فَارَقْنَاهُمْ وَنَحْنُ أَحْوَجُ مِنَّا إِلَيْهِ الْيَوْمَ، وَإِنَّا سَمِعْنَا مُنَادِيًا يُنَادِي: لِيَلْحَقْ كلُّ قَوْمٍ بِمَا كَانُوا يَعْبُدُونَ وَإِنَّمَا نَنْتَظِرُ رَبَّنَا؛ قَالَ فَيَأْتِيهِمُ الْجَبَّارُ، فِي صُورَةٍ غَيْرَ صُورَتِهِ

الَّتِي رَأَوْهُ فِيهَا أَوَّلَ مَرَّةٍ؛ فَيَقُولُ أَنَا رَبُّكُمْ، فَيَقُولُون أَنْتَ رَبُّنَا فَلاَ يُكَلِّمُهُ إِلاَّ الأَنْبِيَاءُ، فَيَقُولُ هَلْ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَه آيةٌ تَعْرِفُونَهُ فَيَقُولُونَ السَّاقُ؛ فيَكْشِفُ عَنْ سَاقِهِ، فَيَسْجُدُ لَهُ كُلُّ مُؤْمِنٍ، وَيَبْقَى مَنْ كَانَ يَسْجُدُ للهِ رِيَاءً وَسُمْعَةً؛ فَيَذْهَبُ كَيْما يَسْجُدَ فَيَعُودُ ظَهْرُهُ طَبَقًا وِاحِدًا، ثُمَّ يُؤْتَى بِالْجِسْمِ فَيُجْعَلُ بَيْنَ ظَهْرَيْ جَهَنَّمَ قُلْنَا يَا رَسُولَ اللهِ وَمَا الْجِسْرُ قَالَ مَدْحَضَةٌ مَزِلَّةٌ عَلَيْهِ خَطَاطِيفُ وَكَلاَلِيبُ، وَحَسَكَةٌ مُفَلْطَحَةٌ لَهَا شَوْكَةٌ عُقَيْفَاءُ تَكُونُ بِنَجْدٍ يُقَالُ لَهَا السَّعْدَانُ الْمُؤْمِنُ عَلَيْهَا كَالطَّرْفِ وَكَالْبَرْقِ وكَالرِّيحِ، وَكَأَجَاوِيدَ الْخَيْلِ وَالرِّكَابِ، فَنَاجٍ مُسَلَّمٌ، وَنَاجٍ مَخْدُوشٌ، وَمَكْدُوسٌ فِي نَارِ جَهَنَّمَ، حَتَّى يَمُرَّ آخِرُهُمْ يُسْحَبُ سَحْبًا فَمَا أَنْتُمْ بَأَشَدَّ لِي مُنَاشَدَةً فِي الْحَقِّ قَدْ تَبَيَّنَ لَكُمْ مِنَ الْمؤْمِنِ يَوْمَئِذٍ لِلْجَبَّارِ فَإِذَا رَأَوْا أَنَهُمْ قَدْ نَجَوْا وَبَقِيَ إِخْوَانُهُمْ، يَقُولُونَ رَبَّنَا إِخْوَانُنَا كَانُوا يُصَلُّونَ مَعَنَا وَيَصُومُونَ مَعَنَا وَيَعْمَلُونَ مَعَنَا؛ فَيَقُولُ اللهُ تَعَالَى اذْهَبُوا فَمَنْ وَجَدْتُمْ فِي قَلْبِهِ مِثْقَالَ دِينَارٍ مِنْ إِيمَانٍ فَأَخْرِجُوهُ، وَيُحَرِّمُ اللهُ صُوَرَهمْ عَلَى النَّارِ، فَيَأْتُونَهُمْ

وَبَعْضُهُمْ قَدْ غَابَ فِي النَّارِ إِلَى قَدَمِهِ وَإِلَى أَنْصَافِ سَاقَيْهِ، فَيُخْرِجُونَ مَنْ عَرَفوا ثُمَّ يَعُودُونَ فَيَقُولُ اذْهَبُوا فَمَنْ وَجَدْتُم فِي قَلْبِهِ مِثْقَالَ نِصْفِ دِينَارٍ فَأَخْرِجُوهُ؛ فَيُخْرِجُونَ مَنْ عَرَفُوا ثُمَّ يَعُودُونَ فَيَقُولُ اذْهَبُوا

فَمَنْ وَجَدْتُمْ فِي قَلْبِهِ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ مِنْ إِيمَانٍ فَأَخْرِجُوهُ؛ فَيُخْرِجُونَ مَنْ عَرَفُوا

قَالَ أَبُو سَعِيدٍ: فَإِنْ لَمْ تُصَدِّقُونِي فَاقْرَءُوا (إِنَّ اللهَ لاَ يَظْلِمُ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ وَإِنْ تَكُ حَسَنَةً يُضَاعِفْهَا) فَيَشْفَعُ النَّبِيُونَ وَالْمَلاَئِكَةُ وَالْمُؤْمِنُونَ فَيَقُولُ الْجَبَّارُ بَقِيَتْ شَفَاعَتِي، فَيَقْبِضُ قَبْضَةً مِنَ النَّارِ فَيُخْرِجُ أَقْوَامًا قَدِ امْتُحِشُوا، فَيُلْقَوْنَ فِي نَهَرٍ بِأَفْوَاهِ الْجَنَّةِ يُقَالُ لَهُ مَاءُ الْحَيَاةِ، فَيَنْبُتُونَ فِي حَافَتَيهِ كَمَا تَنْبُتُ الْحِبَّةُ فِي حَمِيلِ السَّيْلِ قَدْ رَأَيْتُمُوهَا إِلَى جَانِبِ الصَّخْرَةِ إِلَى جَانِبِ الشَّجَرَةِ، فَمَا كَانَ إِلَى الشَّمْسِ مِنْهَا كَانَ أَخْضَرَ، وَمَا كَان مِنْهًا إِلَى الظِّلِّ كَانَ أَبْيَضَ فَيَخْرُجُونَ كَأَنَّهُمُ اللُّؤْلُؤُ، فَيُجْعَلُ فِي رِقَابِهِمِ الْخَوَاتِيمُ فَيَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ، فَيَقُولُ أَهْلُ الْجَنَّةِ هؤُلاَءِ عُتَقَاءُ الرَّحْمنِ أَدْخَلَهُمُ الْجَنَّةَ بَغَيْرِ عَمَلٍ عَمِلُوهُ، وَلاَ خَيْرٍ قَدَّمُوهُ، فَيُقَالُ لَهُمْ لَكُمْ مَا رَأَيْتُمْ وَمِثْلُهُ مَعَهُ

115 - Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):

Wij zeiden: “O Rasûlullāh, zullen wij onze Rab op de Dag der Opstanding zien?”

- “Hebben jullie moeite om de zon en de maan te zien wanneer de hemel helder is?”- “Nee.”- “Voorwaar, jullie zullen jullie Rab op die Dag niet moeilijker kunnen zien dan dat (jullie de zon en maan zien op een heldere dag).”

Daarna zei hij: “Een aankondiger zal roepen: ‘Laat ieder volk gaan naar wat zij (op aarde) aanbaden.’Dan zullen de volgelingen van het kruis met hun kruis weggaan, en de afgodendienaren met hun afgoden, en ieder volk met datgene wat zij als godheid aanbaden.

Er blijven alleen degenen die Allāh aanbaden, of degenen die nu goeddoeners/ rechtschapenen (bir) waren of zondaren (fājir), en de overblijfselen van de mensen van het Boek overblijven.

Dan wordt Jahannam gebracht, het zal getoond worden als was het een luchtspiegeling.

Er zal tegen de joden gezegd worden: ‘Wat aanbaden jullie?’- ‘Wij aanbaden ʿUzayr, de zoon van Allāh.’- ‘Jullie liegen. Allāh heeft geen metgezellin en geen zoon.’- ‘Wat willen jullie nu?’- ‘Wij willen dat U ons te drinken geeft.’- ‘Drink!’En zij zullen achter elkaar in het Hellevuur worden geworpen.

Dan wordt tegen de christenen gezegd: ‘Wat aanbaden jullie?’- ‘Wij aanbaden al-Masīḥ (`Īsā), de zoon van Allāh.’- ‘Jullie liegen. Allāh heeft geen metgezellin en geen zoon. - ‘Wat willen jullie?’- ‘Wij willen dat U ons te drinken geeft.’- ‘Drink!’En zij zullen achter elkaar in het Hellevuur worden geworpen.

Totdat alleen zij die Allāh aanbaden overblijven, hetzij goeddoeners/ rechtschapenen of zondaren.

Er wordt tegen hen gezegd: ‘Wat houdt jullie nog hier, terwijl de mensen al weg zijn?’Zij zeggen: ‘Wij hebben ons van hen afgescheiden, en wij hebben Hem vandaag harder nodig dan ooit. Wij hoorden een aankondiger roepen: ‘Laat ieder volk gaan naar wat zij (op aarde) aanbaden.En wij wachten slechts op onze Rab ’

Dan komt al-Jabbār (de Almachtige) Allāh tot hen, in een andere vorm dan die waarin zij Hem de eerste keer zagen.- ‘Ik ben jullie Rab ’- ‘Bent U onze Rab? Maar niemand spreekt Hem aan behalve de profeten.- ‘Is er een teken tussen jullie en Hem waaraan jullie Hem zullen herkennen?’- ‘as-Sâq. (Zijn Macht)’Daarop onthult Hij Zijn Sâq (Zijn Macht), en iedere gelovige (mu’min) verricht sajdah (ter aarde werpen) voor Hem.

Degenen die voor Allāh slechts sajdah verrichten om gezien te worden of om gehoord te worden,zullen proberen sajdah te verrichten, maar hun rug zal als één stuk plank worden en zij zullen niet kunnen buigen.

Daarna wordt de brug (ṣirāṭ) gebracht en geplaatst over Jahannam.”

Wij zeiden: “O Rasûlullāh, wat is die brug?”

Hij zei: “Het is een brug vol glibberigheid en struikelgevaar, met haken en klauwen eraan,en er zijn ijzeren doorns, platgedrukt maar met weerhaakjes, zoals die in Najd voorkomen en die men ‘as-saʿdān’ noemt.

De gelovige (mu’min) zal eroverheen gaan zoals het knipperen van een oog, zoals de bliksem, zoals de wind, zoals snelle paarden of kamelen. Sommigen zullen veilig overkomen, anderen zullen eraf geschampt worden maar toch ontsnappen, en sommigen zullen vallen en in het vuur van Jahannam geworpen worden.

Totdat de laatsten over de brug worden gesleept, glijdend naar de overkant.

Hij zei: “Jullie zullen op die Dag vuriger pleiten bij (Allah) al-Jabbār voor de zaak van jullie broeders dan ooit tevoren als het duidelijk voor jullie is dat zij gelovigen waren.”

Wanneer zij zien dat zij zelf zijn gered maar hun broeders achterblijven, zullen zij zeggen: “O onze Rab, onze broeders! Zij verrichtten de ṣalāh met ons, zij vastten met ons, zij verrichtten daden (van gehoorzaamheid) met ons.”

Dan zegt Allāhu تعالى: “Gaat! En wie jullie ook maar vinden in wiens hart het gewicht van één dīnār aan īmān is, breng hem naar buiten.”

En Allāh maakt hun lichamen verboden voor het Vuur. Zij gaan dan naar binnen (in Jahannam) en sommigen van hen zullen al tot hun voeten, anderen tot hun schenen verzonken zijn in het vuur, en zij halen eruit wie zij herkennen. Dan keren zij terug. Hij (Allāh) zegt: “Gaat! En wie jullie vinden met het gewicht van een halve dīnār aan īmān in zijn hart, breng hem naar buiten.”

Zij doen dit opnieuw en keren terug.Dan zegt Hij: “Gaat!

En wie jullie vinden met het gewicht van een mosterdzaadje (dharrah) aan īmān, breng hem naar buiten.”

En zij halen eruit wie zij herkennen.

Abū Saʿīd zei: “Als jullie mij niet geloven, lees dan het Woord van Allāhu تعالى:﴾إِنَّ اللَّهَ لَا يَظْلِمُ مِثْقَالَ ذَرَّةٍ وَإِنْ تَكُ حَسَنَةً يُضَاعِفْهَا﴿(Waarlijk, Allāh doet geen onrecht zelfs niet ter grootte van een dharrah (mosterdzaadje); en als het een goede daad is, vermenigvuldigt Hij die.)” (sûrah an-Nisā 4/40)

Daarna zal de profeten (عليهم السلام), de engelen en de gelovigen voorspraak (shafa`ah) doen.En dan zegt Allāh, al-Jabbār: “Er blijft alleen nog Mijn tussenkomst (shafāʿah) over.”

Hij zal dan een greep nemen uit het Vuur, en mensen naar buiten halen die volledig zijn verbrand.Zij worden geplaatst in een rivier aan de rand van het Paradijs, die de Rivier van het Leven (Mā’ al-Ḥayāt) genoemd wordt. Zij zullen ontspruiten aan de oevers ervan, zoals zaad ontkiemt in het slib van regenstromen. Jullie hebben vast weleens gezien hoe het uitgroeit naast rotsen en bomen.

Wat naar de zon gericht is, wordt groen, wat in de schaduw is, wordt witachtig en dan komen zij eruit als parels. Er worden zegelringen geplaatst om hun halzen en zij betreden het Paradijs.

De bewoners van het Paradijs zeggen dan: “Zij zijn de vrijgekochten van ar-Raḥmān!Hij liet hen het Paradijs binnengaan zonder enige daad die zij verrichtten en zonder enig goed dat zij vooruit hadden gestuurd.”

Tegen hen wordt gezegd: “Voor jullie is wat jullie zagen én nog eens hetzelfde daaraan toegevoegd!”

Het bewijs van de shafā‘ah en het uit de Hel gehaald worden van de muwaḥḥidūn (vanwege shafā‘ah)

إِثبات الشفاعة وإِخراج الموحدين من النار١١٦ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: يَدْخُلُ أَهْلُ الْجَنَّةِ الْجَنَّةَ، وَأَهْلُ النَّارِ النَّارَ ثُمَّ يَقُولُ اللهُ تَعَالَى: أَخْرِجُوا مَنْ كَانَ فِي قَلْبِهِ مِثْقَالُ حَبَّةٍ مِنْ خَرْدَلٍ مِنْ إِيمَانِ، فَيُخْرَجُونَ مِنْهَا قَدِ اسْوَدُّوا، فَيُلْقَونَ فِي نَهَرِ الْحَيَا أَوِ الْحَيَاةِ (شَكٌّ من أَحد رجال السَّنَد) فَيَنْبُتُونَ كَمَا تَنْبُتُ الْحِبَّةُ فِي جَانِبِ السَّيْلِ، أَلَمْ تَرَأَنَّهَا تَخْرُجُ صَفْرَاءَ مُلْتَوِيَةً

116-) Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen van het Paradijs zullen het Paradijs binnengaan en de mensen van de Hel zullen de Hel binnengaan. Uiteindelijk zal Allāh zeggen: 'Wie ook maar een het gewicht van een mosterdzaadje (dzarrah) aan geloof (īmān) heeft, laat hem dan uit de Hel komen.'Deze mensen zullen vervolgens, zwart geworden, uit de Hel gehaald worden en in de 'levensbron' of de 'bescheiden bron' worden geworpen, waar ze zullen opgroeien en zich ontwikkelen zoals een plant uit zaad groeit langs de waterkant. “Zie je niet hoe het zaad geel wordt en zich aan beide zijden uitstrekt en uit de grond komt?” zei hij.(Een van de overleveraars van deze ḥadīth, Mâlik Ibn Anas, wist niet precies of het 'levensbron' of 'bescheiden bron' was).

Degene die als laatste uit de Hel gehaald zal worden

آخر أهل النار خروجا١١٧ - حديثُ عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنِّي لأَعْلَمُ آخِرَ أَهْلِ النَّارِ خُرُوجًا مِنْهَا، وَآخِرَ أَهْلِ الْجَنَّةِ دُخُولًا رَجُلٌ يَخْرُجُ مِنَ النَّارِ كَبْوًا فَيَقُولُ اللهُ اذْهَبْ فَادْخُلِ الْجَنَّةَ، فَيَأْتِيهَا فَيُخَيَّلُ إِلَيْهِ أَنَّهَا مَلأَى، فَيَرْجِعُ فَيَقُولُ يَا رَبِّ وَجَدْتُهَا مَلأَى، فَيَقُولُ اذْهَب فَادْخُلِ الْجَنَّةَ فَيَأْتِيَها فَيُخَيَّلُ إِلَيْهِ أَنَّهَا مَلأَى، فَيَرْجِعُ فَيَقُولُ يَا رَبِّ وَجَدْتُهَا مَلأَى، فَيَقُولُ اذْهَب فادْخُلِ الْجَنَّةَ فَإِنَّ لَكَ مِثْلَ الدُّنْيَا وَعَشَرَةَ أَمْثَالِهَا، أَوْ إِنَّ لَكَ مِثْلَ عَشَرَةِ أَمْثَالِ الدُّنْيَا، فَيَقُولُ تَسخَرُ مِنِّي أَوْ تَضْحَكُ مِنِّي وَأَنْتَ الْمَلِكُ

فَلَقَدْ رَأَيْتُ رَسُولَ الله ﷺ ضَحِكَ حَتَّى بَدَتْ نَوَاجِذُهُ

وَكَانَ يُقَالُ: ذَلِكَ أَدْنَى أَهْلِ الْجَنَّةِ مَنْزِلَةً

117-) Van `Abdullah Ibn Mes'ûd (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik weet wie de laatste persoon zal zijn die uit de Hel zal komen en de laatste persoon die het Paradijs zal binnengaan. Deze persoon zal zich op handen en knieën uit de Hel voortbewegen. Allāh zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen.' Hij zal naar het Paradijs gaan, maar het zal voor hem lijken alsof het helemaal vol is.

Hij zal terugkomen en zeggen: 'O mijn Rab, het Paradijs is vol.' Allāh zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen.' Hij zal naar het Paradijs gaan, maar het zal voor hem lijken alsof het helemaal vol is. Hij zal terugkomen en zeggen: 'O mijn Rab, het Paradijs is vol.'Allāh zal tegen hem zeggen: 'Ga het Paradijs binnen. Er is voor jou zoveel ruimte als de hele wereld en zelfs tien keer zoveel ruimte of zelfs tien keer als de hele wereld.' Hij zal verbaasd zijn en zeggen: “Hoewel U de enige Koning bent, drijft U dan de spot met mij of lacht U me uit?De overleveraar zei: Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dit vertelde, zag ik hem lachen totdat zijn kiezen zichtbaar werden. Men zei: 'De laagste van de Paradijsbewoners is deze persoon.'“

De vermelding van degenen met de laagste niveau in het Paradijs

أدنى أهل الجنة منزلة فيها١١٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَجْمَعُ اللهُ النَّاسَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَيَقولُونَ لَوِ اسْتَشْفَعْنَا عَلَى رَبِّنَا حَتَّى يُرِيحَنَا مِنْ مَكَانِنَا فَيَأْتُونَ آدَمَ فَيَقُولُونَ: أَنْتَ الَّذِي خَلَقَكَ اللهُ بِيَدِهِ، وَنَفَخَ فِيكَ مِنْ رُوحِهِ، وَأَمَرَ الْمَلاَئِكَةَ فَسَجَدُوا لَكَ، فَاشْفَعْ لَنَا عِنْدَ رَبِّنَا؛ فَيَقُولُ: لَسْتُ هُنَاكُمْ، وَيَذْكُرُ خَطِيئَتَهُ، وَيَقولُ ائْتُوا نُوحًا، أَوَّلَ رَسُولٍ بَعَثَهُ اللهُ فَيَأْتُونَهُ فَيَقُولُ: لَسْتُ هُنَاكُمْ، وَيَذْكُرُ خَطِيئَتَهُ، ائْتُوا إِبْرَاهِيمَ الَّذِي اتَّخَذَهُ اللهُ خَلِيلًا، فَيَأْتُونَهُ فَيَقُولُ لَسْتُ هُنَاكُمْ، وَيَذْكُرُ خَطِيئَتَهُ، ائْتَوا مُوسَى الَّذِي كَلَّمَهُ اللهُ؛ فَيَأْتُونَه فَيَقُولُ لَسْتُ هُنَاكُمْ، فَيَذْكُرُ خَطِيئَتَهُ، ائْتُوا عِيسَى، فَيَأْتُونَهُ فَيَقُولُ لَسْتُ هُنَاكُمْ، ائْتُوا مُحَمَّدًا ﷺ فَقَدْ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ وَمَا تَأَخَّرَ فَيَأْتُونِي، فَأَسْتأْذِنُ عَلَى رَبِّي، فَإِذَا رَأَيْتُهُ وَقَعْتُ سَاجدًا، فَيَدَعُنِي مَا شَاءَ اللهُ، ثُمَّ يُقَالُ ارْفَعْ رَأْسَكَ، سَلْ تُعْطَهْ، وَقُلْ يُسمَعْ، وَاشْفَعْ تُشَفَّعْ فَأَرْفَعُ رَأْسِي فَأَحْمَدُ رَبِّي بِتَحْمِيدٍ يُعَلِّمُنِي؛ ثُمَّ أَشْفَعُ فَيَحُدُّ لِي حَدًّا، ثُمَّ أُخْرِجُهُمْ مِنَ النَّارِ وَأُدْخِلُهُمُ الْجَنَّةَ؛ ثُمَّ

أَعُودُ فَأَقَعُ سَاجِدًا مِثْلَهُ فِي الثَّالِثَةِ أَوِ الرَّابِعَةِ حَتَّى مَا يَبْقَى فِي النَّارِ إِلاَّ مَنْ حَبَسَهُ الْقُرْآنُ

118 -) Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zal de mensen verzamelen op de Dag des Oordeels, en zij zullen zeggen: 'Was het ons maar toegestaan om voorspraak (shafa`ah) te doen bij onze Rab, zodat Hij ons van onze plaats verlost voor een comfortabele/rustige plek.'Dan zullen zij naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: U bent degene die door Allāh met Zijn Hand is geschapen; Hij blies Zijn geest in u en beval de engelen zich voor u neer te buigen. Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāh tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāh sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je gegeven worden, spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen het Paradijs binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

Wees daarom onze voorspraak bij onze Rab.Maar hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en hij zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Nûh (عليه السلام) gaan, de eerste boodschapper (rasûl) die Allāh zond, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan, die Allāh tot Zijn vriend heeft genomen, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar Mûsā (عليه السلام) gaan, die met Allāh sprak, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor,' en zal zijn zonde opsommen.Dan zullen zij naar `Īsā (عليه السلام) gaan, maar ook hij zal zeggen: 'Ik ben niet geschikt daarvoor.'Dan zullen zij naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan, want aan hem is al zijn voorgaande en komende zonden vergeven.Zij zullen naar mij komen en ik zal toestemming vragen aan mijn Rab Wanneer ik Hem zie, zal ik neerbuigen (sajdah) in aanbidding.Hij zal mij laten gaan zoals Hij wil, en dan zal er gezegd worden: 'Heft jullie hoofd op, vraag dan zal je gegeven worden, spreek dan zal er naar je geluisterd worden, en doe dan voorspraak, want jouw voorspraak zal geaccepteerd worden.'Dan zal ik mijn hoofd opheffen en mijn Rab prijzen met lof die Hij mij leert.Vervolgens zal ik voorspraak doen en er zal voor mij een grens gesteld worden.Daarna zal ik hen uit het Vuur halen en hen het Paradijs binnendragen.Daarna zal ik weer neerbuigen (sajdah) in aanbidding, net zoals de derde of vierde keer, totdat er niemand meer in het Vuur overblijft behalve degenen die de Qur’ān gevangen houdt.”

١١٩ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ حَدَّثَنَا مُحَمَّدٌ ﷺ قَالَ: إِذَا كَانَ يَوْمُ الْقِيَامَةِ مَاجَ النَّاسُ بَعْضُهُمْ فِي بَعْضٍ، فَيَأْتُونَ آدَمَ فَيَقُولُونَ: اشْفَعْ لَنَا إِلَى رَبِّكَ فَيَقُولُ: لَسْتُ لَهَا وَلكِنْ عَلَيْكُمْ بِإِبْرَاهِيمَ فَإِنَّهُ خَلِيلُ الرَّحْمنِ؛ فَيَأْتُونَ إِبْرَاهِيمَ، فَيَقُولُ: لَسْتُ لَهَا وَلكِنْ عَلَيْكُمْ بِمُوسَى فَإِنَّهُ كَلِيمُ اللهِ؛ فَيَأْتُونَ مُوسَى فَيَقُولُ: لَسْتُ لَهَا وَلكِنْ عَلَيْكُمْ بِعِيسَى فَإِنَّهُ رُوحُ اللهِ وَكَلِمَتُهُ؛ فَيَأْتونَ عِيسَى فيَقُولُ: لَسْتُ لَهَا وَلكِنْ عَلَيْكُمْ بِمحَمَّدٍ ﷺ؛ فَيَأْتُونِي فَأَقُولُ: أَنَا لَهَا، فَأسْتَأْذِنُ عَلَى رَبِّي فَيُؤْذَنُ لِي، وَيُلْهِمُنِي مَحَامِدَ أَحْمَدُهُ بِهَا لاَ تَحْضُرُنِي الآنَ، فَأَحْمَدُهُ بِتِلْكَ الْمَحَامِدِ وَأَخِرُّ لَهُ سَاجِدًا، فَيُقَالُ: يَا مُحَمَّدُ ارْفَعْ رَأْسَكَ وَقُلْ يُسْمَعْ لَكَ، وَسَلْ تُعْطَ، وَاشْفَعْ تُشَفَّعْ؛ فَأَقُولُ: يَا رَبِّ أُمَّتِي، أُمَّتِي، فَيُقَالُ: انْطَلِقْ فَأَخْرِجْ مَنْ كَانَ فِي قَلْبِهِ مِثْقَالُ شَعِيرَةٍ مِنْ إِيمَانٍ، فَأَنْطَلِقُ فَأَفْعَلُ ثُمَّ أَعُودُ فَأَحْمَدُهُ بِتِلْكَ الْمَحَامِدِ، ثُمَّ أَخِرُّ لَهُ سَاجِدًا؛ فَيُقَالُ: يَا مُحَمَّدُ ارْفَعْ رَأْسَكَ، وَقُلْ يُسْمَعْ لَكَ، وَسَلْ تُعْطَ، وَاشْفَعْ تُشَفَعْ؛ فَأَقُولُ: يَا رَبِّ أُمَّتِي، أُمَّتِي فَيُقَالُ انْطَلِقْ فَأَخْرِجْ

مِنْهَا مَنْ كَانَ فِي قَلْبِهِ مِثْقَالُ ذَرَّةٍ أَوْ خَرْدَلَةٍ مِنْ إِيمَانٍ؛ فَأَنْطَلِقُ فَأَفْعَلُ؛ ثُمَّ أَعُودُ فَأَحْمَدُهُ بِتَلْكَ الْمَحَامِدِ ثُمَّ أَخِرُّ لَهُ سَاجِدًا؛ فَيُقَالُ يَا مُحَمَّدُ ارْفَعْ رَأْسَكَ، وَقُلْ يُسْمَعْ لَكَ، وَسَلْ تُعْطَ، وَاشْفَعْ تُشَفَّعْ؛ فَأَقُولُ يَا رَبِّ أُمَّتِي، أُمَّتِي فَيُقَالُ انْطَلِقْ فَأخْرِجْ مَنْ كَانَ فِي قَلْبِهِ أَدْنَى أَدْنَى أَدْنَى مِثْقَالِ حَبَّةِ خَرْدَلٍ مِنْ إِيمَانٍ فَأَخْرِجْهُ مِنَ النَّارِ؛ فَأَنْطَلِقُ فَأَفْعَل ثُمَّ أَعُودُ الرَّابِعَةَ فَأَحْمَدُهُ بِتِلْكَ الْمَحَامِدِ، ثُمَّ أَخِرُّ لَهُ سَاجِدًا؛ فَيُقَالُ يَا مُحَمَّدُ ارْفَعْ رَأْسَكَ، وَقُلْ يُسْمَع، وَسَلْ تُعْطَهْ، وَاشْفَعْ تُشَفَّعْ؛ فَأَقَولُ يَا رَبِّ ائْذَنْ لِي فِيمَنْ قَالَ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ، فَيَقُولُ وَعِزَّتِي وَجَلاَلِي وَكِبْرِيَائِي وَعَظَمَتِي لأُخْرِجَنَّ مِنْهَا مَنْ قَالَ لا إِله إلاَّ اللهُ

119-) Van Anas Ibn Mâlik (رضي الله عنه):(an-Nabī) Muhammed (صلى الله عليه وسلم) hield een toespraak en gaf informatie aan ons en zei: “Wanneer de Dag des Oordeels komt, zullen mensen zich met elkaar bewegen, alsof ze in een storm verkeren (in een toestand van verwarring en chaos).

Dan zullen ze naar Adam (عليه السلام) gaan en zeggen: 'Vraag om tussenkomst (shafa`ah) voor ons bij uw Rab ' Hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Ibrāhīm (عليه السلام), want hij is de Khalil van de Barmhartige (Khalilu’r Rahmān).' Ze zullen naar Ibrāhīm (عليه السلام) gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Mûsā (عليه السلام), want hij is het Woord van Allāh (Kalīmu’llaah).' Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar `Īsā (عليه السلام), want hij is de Geest (die ingeblazen is door) Allāh (Rûhu’llaah).' Ze zullen naar `Īsā gaan en hij zal zeggen: 'Ik ben hier niet voor geschikt, maar ga naar Muhammad (صلى الله عليه وسلم)' Uiteindelijk zullen ze naar mij komen en ik zal zeggen: 'Ik ben degene die dit voor jullie (shafa`ah) kan doen.' Ik zal mijn Rab om toestemming vragen en ik zal toestemming krijgen.

(Allāh zal mij op die dag) inspireren met allerlei lofprijzingen, waar ik nu niet op kom, en ik prijs hiermee mijn Rab, en voor Hem neerbuig (sajdah) ik in aanbidding.Hij zal tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden. Doe voorspraak (shafa`ah) en je voorspraak zal worden geaccepteerd.' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! Mijn gemeenschap (ummah), mijn ummah!' Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs maar een gerstkorrel aan geloof (īmān) in hun hart hebben uit de Hel.' Ik zal gaan en doen wat er gezegd is. Dan keer ik terug en prijs mijn Rab opnieuw, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd .' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah, mijn ummah!'Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs maar een mosterdzaadje aan geloof in hun hart hebben uit de Hel.' Ik zal gaan en doen wat er gezegd is. Daarna zal ik weer terugkeren en prijs mijn Rab opnieuw, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd.' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah, mijn ummah!'Dan zal Hij zeggen: 'Ga en haal degenen die zelfs minder dan een mosterdzaadje aan geloof in hun hart hebben uit de Hel.'Ik zal gaan en doen wat er gezegd is.In een andere overlevering van Anas Ibn Mâlik zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) “Dan zal ik voor de vierde keer terugkeren, en ik zal weer voor Hem in aanbidding neerbuigen. Hij zal zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord. Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd.' Ik zal zeggen: 'O mijn Rab! (Geef mij toestemming) een voorspraak te doen voor degenen die 'Lâ ilahe illallah' zeggen!'En Hij zal zeggen: 'Ik zweer bij Mijn grootheid, Majesteit en verhevenheid dat ik degenen die 'Lâ ilahe illallah' zeggen, ook uit de Hel zal halen.'

١٢٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: أُتِيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِلَحْمٍ، فَرُفِعَ إِلَيْهِ الذِّرَاعُ، وَكَانَتْ تُعْجِبُهُ، فَنَهَسَ مِنْهَا نَهْسَةً ثُمَّ قَالَ: أَنَا سَيِّدُ النَّاسِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ وَهَلْ تَدْرُونَ مِمَّ ذَلِكَ يُجْمَعُ النَّاسُ الأَوَّلِينَ وَالآخِرِينَ فِي صَعِيدٍ وِاحِدٍ، يُسْمِعُهُمُ الدَّاعِي، وَيَنْفُذُهُمُ الْبَصَرُ، وَتَدْنُو الشَّمْسُ فَيَبْلُغُ النَّاسَ مِنَ الغَمِّ وَالْكَرْبِ مَا لاَ يُطِيقُونَ وَلاَ يَحْتَمِلُونَ؛ فَيَقُولُ النَّاسُ أَلاَ تَرَوْنَ مَا قَدْ بَلَغَكُمْ أَلاَ تَنْظُرُونَ مَنْ يَشْفَعُ لَكُمْ إِلَى رَبِّكُمْ فَيقُولُ بَعْضُ النَّاسِ لِبَعْضٍ، عَلَيْكُمْ بِآدَمَ، فَيَأْتُونَ آدَمَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ؛ فَيَقُولُونَ لَهُ: أَنْتَ أَبُو الْبَشَر، خَلَقَكَ اللهُ بِيَدِهِ، وَنَفَخَ فِيكَ مِنْ رُوحِهِ، وَأَمَرَ الْمَلاَئِكَةَ فَسَجَدُوا لَكَ، اشْفَعْ لَنَا إِلَى رَبِّكَ، أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ فِيهِ أَلاَ تَرَى إِلَى مَا قَدْ بَلَغَنَا فَيَقُولُ آدَمُ إِنَّ رَبِّي قَدْ غَضِبَ الْيَوْمَ غَضَبًا لَمْ يَغْضَبْ قَبْلَهُ مِثْلَهُ وَلَنْ يَغْضَبَ بَعْدَهُ مِثْلَهُ، وَإِنَّهُ نَهَانِي عَنِ الشَّجَرَةِ فَعَصَيْتُهُ، نَفْسِي نَفْسِي نَفْسِي؛ اذْهَبُوا إِلَى غَيْرِي، اذْهَبُوا إِلَى نُوحٍ؛ فَيَأْتُونَ نُوحًا فَيَقُولُونَ: يَا نُوحُ إِنَّكَ أَنْتَ أَوَّلُ الرُّسُلِ إِلَى أَهْلِ الأَرْضِ، وَقَدْ سَمَّاكَ اللهُ عَبْدًا شَكُورًا، اشْفَعْ لَنَا إِلَى رَبِّكَ، أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ

فِيهِ فَيَقُولُ: إِنَّ رَبِّي ﷿ قَدْ غَضِبَ الْيَوْمَ غَضَبًا لَمْ يَغْضَبْ قَبْلَهُ مِثْلَهُ وَلَنْ يَغْضَبَ بَعْدَهُ مِثْلَهُ؛ وَإِنَّهُ قَدْ كَانَتْ لِي دَعْوَةٌ دَعَوْتُهَا عَلَى قَوْمِي، نَفْسِي نَفْسِي نَفْسِي

اذْهَبُوا إِلَى غَيْرِي، اذْهَبُوا إِلَى إِبْرَاهِيمَ، فَيَأْتُونَ إِبْراهِيمَ فَيَقُولُونَ يَا إِبْرَاهِيمُ أَنْتَ نَبِيُّ اللهِ وَخِلِيلُهُ مِنْ أَهْلِ الأَرْضِ اشْفَعْ لَنَا إِلَى رَبِّكَ، أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ فِيهِ فَيَقُولُ لَهُمْ إِنَّ رَبِّي قَدْ غَضِبَ الْيَوْمَ غَضَبًا لَمْ يَغْضَبْ قَبْلَهُ مِثْلَه، وَلَنْ يَغْضَبَ بَعْدَهُ مِثْلَهُ؛ وَإِنِّي قَدْ كنْتُ كَذَبْتُ ثَلاثَ كَذَبَاتٍ، نَفْسِي نَفْسِي نَفْسِي اذْهَبُوا إِلَى غَيْرِي، اذْهَبُوا إِلَى مُوسَى فَيَأْتُونَ مُوسَى، فَيَقُولُونَ: يَا مُوسَى أَنْتَ رَسُولُ اللهِ فَضَّلَكَ الله بِرِسَالَتِهِ وَبِكَلاَمِهِ عَلَى النَّاسِ، اشْفَعْ لَنَا إِلَى رَبِّكَ أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ فِيهِ فَيَقُولُ إِنَّ رَبِّي قَدْ غَضِبَ الْيَوْمَ غَضَبًا لَمْ يَغْضَبْ قَبْلَهُ مِثْلَهُ، وَلَنْ يَغْضَبَ بَعْدَهُ مِثْلَهُ، وَإِنِّي قَدْ قَتَلْتُ نَفْسًا لَمْ أُومَرْ بِقَتْلِهَا، نَفْسِي نَفْسِي نَفْسِي اذْهَبُوا إِلَى غَيْرِي، اذْهبُوا إِلَى عِيسى؛ فَيَأْتُونَ عِيسى، فَيَقُولُونَ يَا عِيسى أَنْتَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَكَلِمَتُهُ أَلْقَاهَا إِلَى مَرْيَمَ وَرُوحٌ مِنْهُ، وَكَلَّمْتَ النَّاسَ فِي الْمَهْدِ صَبِيًّا، اشْفَعْ لَنَا، أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ فِيهِ فَيَقُولُ عِيسى، إِنَّ رَبِّي قَدْ غَضِبَ الْيَوْمَ غَضَبًا لَمْ يَغْضَبْ قَبْلَهُ مِثْلَهُ وَلَنْ يَغْضَبَ بَعْدَهُ مِثْلَهُ، وَلَمْ يَذْكُرْ ذَنْبًا، نَفْسِي نَفْسِي نَفْسِي

اذْهَبُوا إِلَى غَيْرِي، اذْهَبُوا إِلَى مُحَمَّدٍ ﷺ؛ فَيَأْتُونَ مُحَمَّدًا ﷺ، فَيَقُولُونَ: يَا مُحَمَّدُ أَنْتَ رَسُولُ اللهِ وَخَاتِمُ الأَنْبِيَاءِ، وَقَدْ غَفَرَ اللهُ لَكَ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِكَ وَمَا تَأَخَّرَ، اشْفَعْ لَنَا إِلَى

رَبِّكَ، أَلاَ تَرَى إِلَى مَا نَحْنُ فِيه

فَأَنْطَلِقُ فَآتِي تَحْتَ الْعَرْشِ فَأَقَعُ سَاجِدًا لِرَبِّي ﷿ ثُمَّ يَفْتَحُ اللهُ عَلَيَّ مِنْ مَحَامِدِهِ وَحُسْنِ الثَّنَاءِ عَلَيْهِ شَيْئًا لَمْ يَفْتَحْهُ عَلَى أَحَدٍ قَبْلِي، ثُمَّ يُقَالُ: يَا مُحَمَّدُ ارْفَعْ رَأْسَكَ، سَلْ تُعْطَهْ، وَاشْفَعْ تُشَفَّعْ؛ فَأَرْفَعُ رَأْسِي، فَأَقُولُ: أُمَّتِي يَا رَبِّ أُمَّتِي يَا رَبِّ فَيُقَالُ: يَا مُحَمَّدُ أَدْخِلْ مِنْ أُمَّتِكَ مَنْ لاَ حِسَابَ عَلَيْهِمْ مِنَ الْبَابِ الأَيْمَنِ مِنْ أَبْوَابِ الْجَنَّةِ، وَهُمْ شُرَكَاءُ النَّاسِ فِيمَا سِوَى ذلِكَ مِنَ الأَبْوَابِ، ثُمَّ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ إِنَّ مَا بَيْنَ المِصْرَاعَيْنِ مِنْ مَصَارِيعِ الْجَنَّةِ كَمَا بَيْنَ مَكَّةَ وَحِمْيَرَ، أَوْ كَمَا بَيْنَ مَكَّةَ وَبُصْرَى

120 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd vleesmaaltijd aangeboden, het deel van de schouder werd aan hem gepresenteerd, want hij hield van dit deel van het vlees.

Hij beet een stuk van het vlees af, en zei vervolgens: “Ik ben de meester/heer (sayyid) van de mensen op de Dag des Oordeels. Weten jullie waarom? Allāh zal zowel de vroegere als de latere generaties, de hele mensheid, bijeenbrengen op één uitgestrekt veld, waar de oproeper zijn stem zal kunnen laten horen en waar iedereen zichtbaar is. De zon zal zo dichtbij genaderd worden dat de mensen het niet kunnen verdragen en in wanhoop verkeren. Dan zullen de mensen zeggen: “Zien jullie niet wat jullie zal overkomen?

Kijken jullie niet naar degene die bij onze Rab voorspraak (shafa`ah) gaat doen?'Op dat moment zal een groep mensen tegen een andere groep zeggen: 'Ga naar Adam (عليه السلام).' Ze zullen naar Adam عليه السلام gaan en zeggen: 'U bent de vader van de mensheid, Allāh heeft u met Zijn hand geschapen, Hij heeft Zijn geest in u geblazen en de Engelen geboden om voor u neer te buigen. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u onze toestand niet? Ziet u niet wat er met ons gebeurt?' Adam عليه السلام zal zeggen: 'Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik werd verboden om van de boom te eten, maar ik heb tegen Hem gezondigd. Ik denk aan mezelf, ik denk aan mezelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Nûh.'Ze zullen naar Nûh (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Nûh, waarlijk u bent de eerste van de boodschappers die naar de aarde werd gezonden. Allāh noemde u 'Een zeer dankbare dienaar', doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Nûh (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik had een recht om te bidden, maar die heb ik gebruikt tegen mijn volk. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, (nafsī). Ga naar Ibrāhīm.'Ze zullen naar Ibrāhīm عليه السلام gaan en zeggen: 'O Ibrāhīm, u bent Rasûlullāh en de innige vriend (khalīl) van Allāh op aarde, doe voorspraak voor ons bij uw Rab Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Ibrāhīm (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb drie leugens verteld in mijn leven. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī).

Ga naar Mûsā.'Ze zullen naar Mûsā (عليه السلام) gaan en zeggen: 'O Mûsā, u bent Rasûlullāh en u hebt met Hem gesproken. Hij heeft u verheven boven de mensen. doe voorspraak voor ons bij uw Rab. Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' Mûsā (عليه السلام) zal zeggen: ''Waarlijk, mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar `Īsā.'Ze zullen naar `Īsā عليه السلام gaan en zeggen: 'O `Īsā, u bent Rasûlullāh en het woord dat Hij naar Maryam stuurde en geest uit Hemzelf inblies. U sprak met mensen toen u nog een kindje in de wieg was. Doe voorspraak voor ons bij uw Rab, ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' `Īsā (عليه السلام) zal zeggen: 'Mijn Rab is vandaag zo boos dat Hij nog nooit zo boos is geweest en Hij zal dat ook nooit weer zijn. Ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf (nafsī). Ga naar Muhammad (صلى الله عليه وسلم). Ze zullen naar Muhammed (صلى الله عليه وسلم) gaan en zeggen: “O Muhammed! U bent Rasûlullāh. U bent de laatste der profeten. Zeker, Allāh heeft uw eerdere en latere zonden vergeven. Doe voorspraak bij uw Rab! Ziet u niet in wat voor een toestand we verkeren?' “Daarop ga ik onmiddellijk onder de Troon (`Arsh) en buig ik neer (sajdah) in aanbidding voor mijn Almachtige en Majestueuze Rab. Dan zal Allāh mij lof en prijzen inspireren die voor niemand anders dan mij zijn bestemd. En nadat ik Hem met deze lofprijzingen in aanbidding ter aarde val, zal Hij tegen mij zeggen: 'O Muhammad! Hef je hoofd op. Zeg en je woorden zullen worden gehoord.

Vraag en het zal je gegeven worden Doe voorspraak en je voorspraak zal worden geaccepteerd. Ik zal mijn hoofd opheffen en zeggen: 'O mijn Rab! Mijn ummah! O mijn Rab! Mijn ummah!' Hij zal zeggen: “Laat degenen die zonder afrekening het Paradijs zullen binnengaan, via de rechterpoort van het Paradijs binnenkomen. Zij zullen ook door andere poorten naar binnen gaan.'Bij Hem in Wiens hand mijn ziel is, de ruimte tussen de poorten van het Paradijs is zo groot als de afstand tussen Makkah en Himyar, of tussen Makkah en Busra.”

[De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Ik ben de meester/heer van de mensen op de Dag der Opstanding” is niet bedoeld als een uiting van trots, maar om een gunst van Allāhu (تعالى) te vermelden. Want een sayyid (meester, heer) is degene tot wie mensen zich wenden in tijden van nood en moeilijkheid. Daarom worden de vooraanstaanden van een gemeenschap “sayyid” genoemd.Omdat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de meester van de mensheid is, zal hij op de Dag der Opstanding de moeilijkheden van de mensen op het verzamelveld (mahshar) proberen te verlichten en voor hen bij Allāhu (تعالى) om vergeving en bemiddeling (shafāʿah) smeken. Allāhu (تعالى) zal zijn smeekbede aanvaarden en hem toestaan om als bemiddelaar voor de mensen op te treden.De uitdrukking “de boosheid van Allāh” duidt hier op Zijn boosheid over de ongehoorzamen, en op de hevige bestraffing, angst en benauwdheid die de mensen op het verzamelveld zullen meemaken, iets wat nooit eerder is gezien, noch ooit daarna zal worden gezien.Wanneer de profeten op die dag zeggen: “Nefsī, nefsī” (ik vrees voor mijzelf, ik vrees voor mijzelf), bedoelen zij daarmee: “Ik ben hier niet degene wiens woord gehoord zal worden; ik moet mij met mijn eigen toestand bezighouden.” Dat komt omdat zij in hun leven reeds hun smeekbede bij Allāhu (تعالى) hebben gebruikt.

Maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn bijzondere recht op bemiddeling/voorspraak bewaard voor zijn ummah, en zal het op de Dag der Opstanding gebruiken voor de mensen op het verzamelveld. Dit wordt “de Grote Shafāʿah (ash-Shafāʿah al-ʿUẓmā)” genoemd.Daarna zal elke profeet door Allāhu (تعالى) gemachtigd worden om voor zijn eigen gemeenschap bemiddeling te verrichten. Zoals vermeld in een andere ḥadīth, zullen de profeten (عليهم السلام) bemiddelen voor hun volgelingen.Het voorval van Ādam (عليه السلام) die van de verboden boom at, wordt vermeld in:surah al-Baqarah 2:35–38, al-Aʿrāf 7:19–23, en Ṭāhā 20:115–122. Allāhu (تعالى) heeft Ādam (عليه السلام) vergeven omdat hij uit vergetelheid handelde en niet uit opzet.Wat betreft Ibrāhīm (عليه السلام), wordt vermeld dat hij drie uitspraken deed die uiterlijk op onwaarheid leken:

Toen hij zei: “Ik ben ziek” (surah Saffāt 37:89), zodat hij niet met de afgodendienaars hoefde mee te gaan en de beelden kon verbreken.

Toen hij zei: “Nee, deze grote beeld heeft het gedaan” (al-Anbiyāʾ 21:63), om hun onlogische overtuiging te laten blijken.

Toen hij over zijn vrouw Sārah (رضي الله عنها) zei: “Zij is mijn zuster”, om haar te beschermen tegen de tirannieke koning.

Het incident waarbij Mūsā (عليه السلام) een man doodde, wordt vermeld in surah al-Qaṣaṣ 28:15–22.Daarin staat dat hij een man uit zijn volk te hulp kwam tegen een Egyptenaar, en hem met een vuistslag trof waardoor hij stierf.

Toen zei Mūsā (عليه السلام):قَالَ رَبِّ إِنِّي ظَلَمۡتُ نَفۡسِي فَٱغۡفِرۡ لِي فَغَفَرَ لَهُۥٓۚ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلۡغَفُورُ ٱلرَّحِيمُ ١٦

Hij zei: “Mijn Heer! Waarlijk, ik heb mijzelf onrecht aangedaan, vergeef mij dus. Toen vergaf Hij het hem. Waarlijk, Hij is de Vergevingsgezinde de Genadevolle. En Allāhu (تعالى) vergaf hem (surah al-Qaṣaṣ 28:16).Wat betreft ʿĪsā (عليه السلام): hij zal, zonder iets te zeggen, de mensen op het verzamelveld rechtstreeks verwijzen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), omdat hij diens verheven rang en hoge positie bij Allāhu (تعالى) kent.Deze ḥadīth toont aan dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de meest voortreffelijke is onder alle mensen, jin, profeten en engelen, en dat hij verheven is boven Ādam (عليه السلام), Nūḥ (عليه السلام), Ibrāhīm (عليه السلام), Mūsā (عليه السلام) en ʿĪsā (عليه السلام).] (HA)

an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn du‘ā’ (smeekbede) voor shafā‘ah bewaard voor zijn ummah

اختباء النبي ﷺ دعوة الشفاعة لأُمته١٢١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لِكُلِّ نَبِيٍّ دَعْوَةٌ، فَأُرِيدُ، إِنْ شَاءَ اللهُ، أَنْ أَخْتَبِيَ دَعْوَتِي شَفَاعَةً لأُمَّتِي يَوْمَ الْقِيَامَةِ121-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke profeet heeft een du`ā’ waarvan hij weet dat het geaccepteerd zal worden. Ik heb mijn du`ā’ voor mijn ummah bewaard en het zal mijn voorspraak zijn op de Dag der Opstanding.”

١٢٢ - حديث أَنَسٍ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: كُلُّ نَبِيٍّ سَأَلَ سُؤَالًا أَوْ قَالَ لِكُلِّ نَبِيٍّ دَعْوةٌ قَد دَعَا بِهَا فَاسْتُجِيبَتْ، فَجَعَلْتُ دَعْوَتِي شَفَاعَةً لأُمَّتِي يَوْمَ الْقِيَامَةِ122-) Van Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Elke profeet heeft iets waar hij om kan vragen en waarvan hij weet dat het geaccepteerd zal worden. Ik heb mijn voorspraak voor mijn ummah bewaard op de Dag des Oordeels.”

In Zijn (Allahu) تَعَالَى’s Woorden: وَأَنذِرۡ عَشِيرَتَكَ ٱلۡأَقۡرَبِينَ ٢١ “Waarschuw je naaste verwanten”

في قوله تعالى: (وأنذر عشيرتك الأقربين)١٢٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ: قَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حِينَ أَنْزَلَ اللهُ ﷿ (وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الأَقْرَبِينَ)، قَالَ: يَا مَعْشَرَ قرَيْشٍ أَوْ كَلِمَةً نَحْوَهَا اشْتَرُوا أَنْفُسَكُمْ، لاَ أُغْنِي عَنْكُمْ مِنَ اللهِ شَيْئًا يَا بَنِي عَبْدِ مَنَافٍ لاَ أُغْنِي عَنْكُمْ مَنَ اللهِ شَيْئًا يَا عَبَّاسُ بْنَ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ لاَ أُغْنِي عَنْكَ مِنَ اللهِ شَيْئًا وَيَا صَفِيَّةُ عَمَّةَ رَسُولِ اللهِ لاَ أُغْنِي عَنْكِ مِنَ اللهِ شَيْئًا وَيَا فَاطِمَةُ بِنْتَ مُحَمَّدٍ ﷺ، سَلِيني مَا شِئْتِ مِنْ مَالِي، لاَ أُغْنِي عَنْكِ مِنَ اللهِ شَيْئًا123-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Toen Allāh (عز وجل), deze woorden openbaarde: وَأَنذِرۡ عَشِيرَتَكَ ٱلۡأَقۡرَبِينَ ٢١ (En waarschuw je stam en je naaste verwanten) in de Qur’ān openbaarde (sûrah ash-Shu`arah 214), stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op en zei: 'O Quraysh, red jullie zielen (red jullie leven door te geloven en niet door in de ongeloof te blijven)! Ik kan jullie niet redden van wat Allāh heeft bepaald.' O zonen van `Abd al-Manāf, ik kan jullie niet redden van wat Allāh heeft bepaald. O `Abbās ibnu Abdulmuttalib (oom van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ik kan u niet redden van wat Allāh heeft bepaald. O Safiyyah, tante van Rasûlullāh, ik kan u niet redden van wat Allāh heeft bepaald. O Fātimah, dochter van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) vraag van mijn bezittingen wat je wilt, maar ik kan je niet redden van wat Allāh heeft bepaald.'“

١٢٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ (وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الأَقْرَبِينَ) وَرَهْطَكَ مِنْهُمُ الْمُخْلَصِينَ، خَرَجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حَتَّى صَعِدَ الصَّفَا فَهَتفَ: يَا صَبَاحَاهْ فَقَالُوا مَنْ هذَا فَاجْتَمَعُوا إِلَيْهِ فَقَالَ: أَرَأَيْتُمْ إِنْ أَخْبَرْتُكُمْ أَنَّ خَيْلًا تَخْرُجُ مِنْ سَفْحِ هذَا الْجَبَلِ أَكُنْتُمْ مُصَدِّقِيَّ قَالُوا مَا جَرَّبْنَا عَلَيْكَ كَذِبًا، قَالَ: فَإِنِّي نَذِيرٌ لَكُمْ بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ شَدِيدٍ، قالَ أَبُو لَهَبٍ: تَبًّا لَكَ مَا جَمَعْتَنَا إِلاَّ لِهذَا ثُمَّ قَامَ فَنَزَلَتْ (تَبَّتْ يَدَا أَبِي لَهَبٍ وَتَبَّ)124-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما):Toen het vers:وَأَنذِرۡ عَشِيرَتَكَ ٱلۡأَقۡرَبِينَ ٢١ (En waarschuw je stam en je naaste verwanten) (sûrah ash-Shu`arah 214) geopenbaard werd, beklom Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de heuvel van Safa en riep luid: ‘O mensen, let op!’ Daarop vroegen zij: ‘Wie is dat?’ en zij verzamelden zich om hem heen.

Toen zei hij: “Als ik zeg dat er achter deze vallei cavalerie eenheden zijn die jullie zullen aanvallen, zullen jullie dan mijn woorden goedkeuren?” Ze antwoordden: “Ja, (we keuren het goed), want we hebben tot nu toe niets anders dan de waarheid van jou gehoord”. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, ik ben naar jullie gestuurd als een waarschuwer van een zeer zware straf die zal komen.” Na deze woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei Abû Lahab: “Verdoemd ben je!

Heb je ons alleen daarom bijeengeroepen?’ En hij stond op en vertrok.(Na de woorden van Abû Lahab) openbaarde Allāh عَزَّ وَجَلَّ de volgende verzen:

تَبَّتۡ يَدَآ أَبِي لَهَبٖ وَتَبَّ ١

مَآ أَغۡنَىٰ عَنۡهُ مَالُهُۥ وَمَا كَسَبَ ٢

سَيَصۡلَىٰ نَارٗا ذَاتَ لَهَبٖ ٣

وَٱمۡرَأَتُهُۥ حَمَّالَةَ ٱلۡحَطَبِ ٤

فِي جِيدِهَا حَبۡلٞ مِّن مَّسَدِۭ ٥

تَبَّتۡ يَدَآ أَبِي لَهَبٖ وَتَبَّ ١

Vernietigd zijn de twee handen van Abû Lahab en vernietigd is hij!

Zijn bezit en wat hij voortbracht zal hem niet baten.

Hij zal een vuur van vlammen (de Hel) binnengaan.

En ook zijn vrouw, die het hout aandraagt.

Om haar nek is een touw van palmvezels gebonden. (sûrah at-Tabbah, 111: 1-5)

De voorspraak (shafā‘ah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor Abū Ṭālib en (vanwege de shafā‘ah) verlichting van zijn bestraffing

شفاعة النبي ﷺ لأبي طالب والتخفيف عنه بسببه١٢٥ - حديثُ الْعَبَّاسِ بْنِ عَبْدِ الْمُطَّلِبِ قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: مَا أَغْنَيْتَ عَنْ عَمِّكَ فَإِنَّهُ كَانَ يَحُوطُكَ وَيَغْضَبُ لَكَ قَالَ: هُوَ فِي ضَحْضَاحٍ مِنْ نَارٍ وَلَوْلاَ أَنَا لَكَانَ فِي الدَّرَكِ الأَسْفَلِ مِنَ النَّارِ125-) Van Abbâs Ibn Abdulmuttalib (رضي الله عنه):Hij zei tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Wat verhindert je om uw oom (Abû Tâlib) te helpen (voorspraak bij Allāh (shafa`ah)? Weet dat hij u beschermde en verdedigde. Hij zou boos op u zijn als u het niet deed.” Hij antwoordde: Hij zal in het Hellevuur worden bestraft met vuur dat tot zijn hielen reikt, maar met een verlichte straf. Als ik er niet was geweest, zou hij zelfs in de diepste laag van het Hellevuur (bestraft) zijn.” [Abû Tâlib, hoewel hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) veel had geholpen, is het Hellevuur binnengegaan omdat hij zonder geloof stierf. In deze overlevering wordt gemeld dat de voorspraak zelfs een polytheïst (mushrik) ten goede kan komen, en dat hij tot aan zijn hielen in het vuur van de Hel zal binnengaan, waarbij zijn hersenen zullen koken.] (HY)

١٢٦ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁ أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ، وَذُكِرَ عِنْدَهُ عَمُّهُ، فَقالَ: لَعَلَّهُ تَنْفَعُهُ شَفَاعَتِي يَوْمَ الْقِيَامَةِ فَيُجْعَلُ فِي ضَحضَاحٍ مِنَ النَّارِ يَبْلُغُ كَعْبَيْهِ يَغْلِي مِنْهُ دِمَاغهُ126-) Van Abû Said al-Khudrî (رضي الله عنه):Hij hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen toen er over zijn oom Abû Tâlib werd gesproken: “Ik hoop dat mijn voorspraak hem op de Dag des Oordeels van profijt zal zijn. In het Hellevuur wordt hij tot aan zijn hielen in vuur gestraft, maar zelfs dan zal zijn hersenen koken van het vuur.”

Degene van de bewoners van de Hel die de lichtste straf krijgt

أهون أهل النار عذابًا١٢٧ - حديث النُّعْمَانِ بْنِ بَشِيرٍ قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: إِنَّ أَهْوَنَ أَهْلِ النَّارِ عَذَابًا يَوْمَ الْقِيَامَةِ لَرَجُلٌ تَوضَعُ فِي أَخْمَصِ قَدَميْهِ جَمْرَةٌ يَغْلِي مِنْهَا دِمَاغُهُ127-) Van Nu'mân Ibn Bashîr (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “De lichtst gestrafte persoon van de Hel op de Dag des Oordeels is een man onder wiens voetzolen een gloeiende kool wordt geplaatst, waardoor zijn hersenen koken.”

[Deze overlevering wordt verteld nadat een vers (uit de Qur’ān) bevestigt dat de oom van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), Abū Ṭālib, als een mushrik (polytheist) is gestorven. Naar aanleiding daarvan werd de volgende vraag gesteld:“O Rasûlullāh, zal al het goede dat Abū Ṭālib voor u heeft gedaan dan zonder beloning blijven?” Daarop antwoordde hij dat er inderdaad voorspraak voor ongelovigen mogelijk is, maar die voorspraak houdt niet in dat zij uit het Hellevuur worden gered. Hij (Abū Ṭālib) zal immers voor eeuwig in het Hellevuur blijven. Maar vanwege de voorspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zal het vuur hem slechts tot aan zijn hielen bereiken, maar zelfs dat zal ervoor zorgen dat zijn hersenen koken] (HY)

De gelovigen zijn elkaars beschermers/vrienden, en het verbreken van banden met anderen en zich van hen distantiëren

موالاة المؤمنين ومقاطعة غيرهم والبراءة منهم١٢٨ - حديث عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ جِهَارًا غَيْرَ سِرٍّ يَقُولُ: إِنَّ آلَ أَبِي فُلاَنٍ لَيْسُوا بِأَوْلِيَائِي، إِنَّمَا وَلِيِّيَ اللهُ وَصَالِحُ الْمُؤْمِنِينَ، وَلكِنْ لَهُمْ رَحِمٌ أَبَلُّهًا بِبَلاَلِهَا يَعْنِي أَصِلُهَا بِصِلَتِهَا128-) Van ʿAmr ibn al-ʿĀṣ (رضي الله عنه): Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) duidelijk horen zeggen: 'Familieleden van mijn vader zijn niet mijn deelgenoten. Mijn enige beschermer en naaste (awliyāie) zijn Allāh en de vrome (sālih) gelovigen. Echter, ik heb verwantschapsband met hen, dat wil zeggen: “Ik onderhoud (de verwantschapsband) zoals het hoort onderhouden te worden.”

[Het doel van deze overlevering is dat de vriendschap die door verwantschapsband komt geen invloed heeft op de ware vriendschap, die alleen kan worden gevonden bij Allāh en de rechtvaardige gelovigen. Verwantschapsband kan echter wel de reden zijn om relaties met niet-rechthebbende familieleden voort te zetten.] (AFK)

[In de ḥadīth wordt benadrukt dat de personen van wie Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) houdt en die hij als vrienden/beschermers beschouwt, gelovige dienaren zijn die hun verantwoordelijkheid tegenover Allāh proberen te vervullen en die īmān en goede daden (ʿamal as-ṣāliḥ) hebben.

Het maakt niet uit of er een bloedverwantschap bestaat tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en deze personen; dit benadrukt het perspectief dat broederschap in het geloof boven bloedverwantschap staat.Aan het einde van de ḥadīth wordt echter benadrukt dat de verantwoordelijkheid jegens verwantschap, los van liefde en vriendschap, evenzeer van groot belang blijft. De verwantschapsband, bekend als ṣilāʾ ar-raḥm, is een verplichting die Allāh en Zijn Rasûl (صلى الله عليه وسلم) niet willen zien verbroken. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zorgde gedurende zijn hele leven met beleefdheid en mededogen voor het in stand houden van deze keten van relaties.Een ander belangrijk punt dat hij benadrukte, is dat men geen voorkeursbehandeling mag geven aan eigen familie boven anderen. Zijn woorden: “Zelfs als het mijn dochter Fāṭimah is!” geven aan dat, net zoals in īmān en goede daden, iedereen gelijk zal worden beoordeeld bij beloning of bestraffing.] (Diyanet)

Het bewijs dat een groep moslims zonder afrekening en zonder bestraffing het Paradijs zullen binnengaan

الدليل على دخول طوائف من المسلمين الجنة بغير حساب ولا عذاب١٢٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: يَدْخُلُ مِنْ أُمَّتِي زُمْرَةٌ هُمْ سَبْعُونَ أَلْفًا تُضِيءُ وُجُوهُهُمْ إِضَاءَةَ الْقَمَرِ لَيْلَةَ الْبَدْرِ

قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: فَقَامَ عُكَّاشَةُ بْنُ مِحْصَنٍ الأَسَدِيُّ يَرْفَعُ نَمِرَةً عَلَيْهِ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ ادْعُ اللهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ، قَالَ: اللهُمَّ اجْعَلْهُ مِنْهُمْ ثُمَّ قَامَ رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ ادْعُ اللهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ، فَقَالَ: سَبَقَكَ عُكَّاشَةُ

129-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “ Er zal een groep van zeventigduizend (mensen) van mijn ummah (zonder afrekening) het Paradijs binnengaan en hun gezichten zullen stralen zoals de volle maan op een heldere nacht. Abû Hurayrah zei: `Ukkâshah ibn Mihsān el-Asadî, die op zijn schouder een mantel met het patroon van een luipaardhuid droeg, stond op en zei: “ O Rasûlullāh, smeek Allāh dat Hij mij onder hen maakt. Hij (bad tot Allāh voor `Ukkâshah): “O Allāh, maak hem een van hen.” Daarna stond een man van de Anṣār op en zei:“O Rasûlullāh, smeek Allāh dat Hij mij ook onder hen maakt.”Hij zei: “`Ukkâshah was je voor.”

١٣٠ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لَيَدْخُلَنَّ الْجَنَّةَ مِنْ أُمَّتِي سَبْعُونَ أَلْفًا، أَوْ سَبْعُمِائَةِ أَلْفٍ (لاَ يَدْرِي الرَّاوِي أَيَّهُمَا قَالَ) مُتَمَاسِكونَ آخِذٌ بَعْضُهُمْ بعضًا، لاَ يَدْخُلُ أَوَّلُهُمْ حَتَّى يَدْخُلَ آخِرُهُمْ، وُجُوهُهُمْ عَلَى صُورَةِ الْقَمَرِ لَيْلَةَ الْبَدْرِ130-) Van Sahl Ibn Sa’d (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeventig duizend of zevenhonderdduizend mensen uit mijn ummah zullen zeker het Paradijs binnengaan. (de overleveraar weet niet zeker welk aantal er werd genoemd), zij zullen zich aan elkaar vasthouden, de één grijpt de andere vast. De eersten van hen zullen het Paradijs niet binnengaan totdat ook de laatsten binnen zijn gegaan (d.w.z. ze zullen allemaal tegelijk als een rij het Paradijs binnengaan). Hun gezichten zullen zijn als de volle maan op een heldere nacht.”

١٣١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: خَرَجَ عَلَيْنَا النَّبِيُّ ﷺ يَوْمًا فَقَالَ عُرِضَتْ عَلَيَّ الأُمَمُ فَجَعَلَ يَمُرُّ النَّبِيُّ مَعَهُ الرَّجُلُ، وَالنَّبِيُّ مَعَهُ الرَّجُلاَنِ، وَالنَّبِيُّ مَعَهُ الرَّهْطُ، وَالنَّبِيُّ لَيْسَ مَعَهُ أَحَدٌ، وَرَأَيْتُ سَوَادًا كَثِيرًا سَدَّ الأُفُقَ، فَرَجَوْتُ أَنْ تَكُونَ أُمَّتِي، فَقِيلَ هذَا مُوسى وَقَوْمُهُ؛ ثُمَّ قِيلَ لي انْظُرْ، فَرَأَيْتُ سَوَادًا كَثِيرًا سَدَّ الأُفُقَ، فَقِيلَ لِي انْظُرْ هكَذَا وَهكَذَا، فَرَأَيْتُ سَوَادًا كَثِيرًا سَدَّ الأُفُقَ، فَقِيلَ هؤُلاَءِ أُمَّتُكَ، وَمَعَ هؤُلاَءِ سَبْعُونَ أَلْفًا يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ بَغَيْرِ حِسَابٍ فَتَفَرَّقَ النَّاسُ وَلَمْ يُبَيِّنْ لَهُمْ؛ فَتَذَاكَرَ أَصْحَابُ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالُوا: أَمَّا نَحْنُ فَوُلِدْنا فِي الشِّرْكِ، وَلكِنَّا آمَنَّا بِاللهِ وَرَسُولِهِ، وَلكِنَّ هؤُلاَءِ هُمْ أَبْنَاؤُنَا فَبَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: هُمُ الَّذِينَ لاَ يَتَطَيَّرُونَ وَلاَ يَسْتَرْقُونَ وَلاَ يَكْتَوُونَ وَعَلَى رَبِّهِمْ يَتَوَكَّلُونَ فَقَامَ عُكَّاشَةُ بْنُ مِحْصَنٍ، فَقَالَ أَمِنْهُمْ أَنَا يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: نَعَمْ فَقَامَ آخَرُ فَقَالَ: أَمِنْهُمْ أَنَا فَقَالَ: سَبَقَكَ بِهَا عُكَّاشَةُ

131-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما): Op een dag kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar ons toe en zei: “De (vroegere) ummah’s werden aan mij getoond. Een profeet kwam voorbij met één persoon, een andere profeet had twee personen, weer een andere profeet had een klein groepje, en er was een profeet die niemand achter zich had.Toen zag ik een grote menigte die de horizon vulde. Ik hoopte dat het mijn ummah zou zijn. Maar er werd tegen mij gezegd: ‘Dit is Mūsā (عليه السلام) en zijn volk.’Daarna werd er tegen mij gezegd: ‘Kijk, (naar de horizon)!’ En ik zag een nog grotere menigte die de horizon vulde. Er werd opnieuw gezegd: ‘Kijk hier en daar.’ En ik keek, en ik zag een menigte zo groot dat ze de hele horizon vulden. Toen werd er tegen mij gezegd: ‘Dit is jouw ummah. En met hen zijn er zeventigduizend die het Paradijs binnengaan zonder afrekening (en zonder bestraffing).’De mensen vertrokken (nadat ze dit hoorden), maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had nog niet uitgelegd wie die zeventigduizend mensen precies waren. De metgezellen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) begonnen daarover te speculeren en zeiden: “Wij zijn geboren in shirk (geboren in de tijd van jāhiliyyah), maar wij hebben geloofd in Allāh en Zijn boodschapper. Het zullen vast onze kinderen zijn (die in de tijd van de Islām zijn geboren).”Toen bereikte dit an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Zij zijn degenen die geen ongeluksvoorspellingen (ṭiyarah) kennen, (degenen die geen medicatie zoeken met) ruqyah (genezing of bescherming door middel van spirituele handelingen, behalve met Allāh's Woord) en branding/cauterisatie (een medische procedure waarbij een deel van het lichaam wordt verbrand of verhit om te genezen). Ze stellen hun vertrouwen volledig in hun Rab Daarop stond ʿUkkāshah ibn Miḥṣan op en zei: “Ben ik een van hen, o Rasûlullāh?”Hij zei: “Ja.”Daarna stond een andere man op en zei: “Ben ik ook een van hen?”Hij zei: “ʿUkkāshah is je al voor geweest.”

[Het woord ruqyah betekent duʿāʾ, bezwering of amulet, en verwijst ook naar de woorden die tovernaars of bezweerders uitspreken. Ibn Ḥajar al-ʿAsqalānī (gest. 852/1447) vermeldt dat de geleerden het er unaniem over eens zijn dat ruqyah toegestaan (ḥalāl) is onder drie voorwaarden:

a.

Dat het gebeurt met de woorden van Allāhu (تعالى), d.w.z. met verzen uit de Qurʾān, of met Zijn Namen of Eigenschappen;b. Dat het wordt verricht in het Arabisch of in een andere taal, mits de betekenis duidelijk en correct is;c. Dat men gelooft dat de genezing en het nut uitsluitend van Allāhu (تعالى) afkomstig is, en niet van de ruqyah zelf.

Soorten ruqyahDe ruqyah wordt onderverdeeld in drie categorieën: toegestaan (mubāḥ), verboden (ḥarām) en deelgenootmaking (shirk).

1. Toegestane (mubāḥ) ruqyah

Wanneer ruqyah wordt uitgevoerd met verzen uit de Qurʾān, of met de Namen en Eigenschappen van Allāhu (تعالى), en in een taal waarvan de betekenis duidelijk en correct is, dan is het toegestaan (mubāḥ).Er is overgeleverd van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) dat zij zei: “Tijdens zijn laatste ziekte las Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de twee beschermende surah’s (al-Muʿawwidhatayn, d.w.z. al-Falaq en an-Nās) over zichzelf en blies erover.Wanneer zijn ziekte verergerde, reciteerde ik deze over hem, blies over hem en wreef zijn lichaam met zijn eigen hand voor de zegen ervan.” (al-Bukhārī, al-Ṭibb 32; Muslim, as-Salām 51–52)Ook zei ʿĀʾishah (رضي الله عنها): “Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op bed lag, reciteerde hij surahs al-Ikhlāṣ en de Muʿawwidhatayn volledig, blies in zijn handpalmen en wreef daarmee over zijn gezicht en over elk deel van zijn lichaam dat zijn handen konden bereiken.” (al-Bukhārī, al-Ṭibb 39)Daarnaast is er een ḥadīth overgeleverd waarin vermeld wordt dat er ruqyah werd verricht met surah al-Fātiḥah tegen een schorpioensteek. (Bukhārī, al-Ṭibb 33)Ook is overgeleverd dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bij zieke mensen de Muʿawwidhatayn reciteerde, met zijn rechterhand over hen streek, en daarna zei: “O Allāh, Heer van de mensen! Verwijder de kwaal, schenk genezing, want U bent Degene die genezing schenkt.

Er is geen genezing behalve Uw genezing; schenk een genezing die geen spoor van ziekte achterlaat.” (Bukhārī, al-Ṭibb 37)Er zijn vele ḥadīth met deze betekenis overgeleverd.Sommige geleerden baseerden hun mening op de uitspraak van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Er is geen ruqyah behalve bij het boze oog (ʿayn) en bij koorts (of steek van een dier).” (Bukhārī, al-Ṭibb 17; Muslim, as-Salām 64) en concludeerden daaruit dat ruqyah alleen toegestaan is bij het boze oog, slangenof schorpioenenbeten.Andere geleerden legden echter uit dat deze uitspraak betekent dat ruqyah vooral nuttig is in die gevallen, zoals men zegt: “Er is geen zwaard als Dhū’l-Fiqār” (de naam van het zwaard van ʿAlī (رضي الله عنه), terwijl er in werkelijkheid wel andere zwaarden bestaan.

Want uit andere ḥadīth blijkt duidelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ook voor andere aandoeningen ruqyah toestond.

2. Verboden (ḥarām) ruqyah

Ruqyah wordt ḥarām wanneer het wordt verricht met:

Onbegrijpelijke woorden,

Zinloze of afgebroken letters,

Onbekende namen,

Door iemand die Arabisch spreekt, maar in een andere taal,

Of door gebruik van voorwerpen zoals ijzer, zout of touw.

Praktijken die bewezen nuttig zijn, vallen hier buiten.

Overgeleverd van Shabīr (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood het verrichten van ruqyah.De kinderen van ʿAmr ibn Ḥazm kwamen en zeiden: ‘O Rasûlullāh! Wij deden een soort ruqyah waardoor we beschermd waren tegen schorpioenensteken.’Hij zei: ‘Ga ermee door, ik zie er geen kwaad in. Wie onder jullie zijn broer kan helpen, laat hem dat dan doen.’”(Muslim, as-Salām 63)

Iẕz ibn ʿAbdussalām werd gevraagd naar ruqyah met onbekende letters.Omdat men niet kon vaststellen of zulke woorden ongeloof (kufr) inhielden, gaf hij hiervoor geen toestemming.

3. Shirk (polytheïstische) ruqyah

Ruqyah die wordt verricht door te bidden tot, zich te wenden tot, of hulp te vragen van iemand anders dan Allāhu (تعالى) is shirk.

Voorbeelden:

Ruqyah met de namen van engelen, profeten, jin of andere wezens.

Bezweringen, amuletten of liefdesamuletjes die worden gebruikt voor eigen gewin of bescherming, zijn shirk.

Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bezweringen, oogamuletjes en liefdesamuletjes zijn shirk.”(al-Bukhārī, al-Ṭibb 17)

Maar hij zei ook: “Er is geen kwaad in ruqyah die geen shirk bevat.” (al-Bukhārī, al-Ṭibb 17)] (HA)

٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي قبَّةٍ، فَقَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا رُبُعَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ، قَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا ثُلُثَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ، قَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا شَطْرَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ إِنِّي لأَرْجُو أَنْ تَكُونُوا نِصْفَ أَهْلِ الْجَنَّةِ، وَذَلِكَ أَنَّ الْجَنَّةَ لاَ يَدْخُلُها إِلاَّ نَفْسٌ مُسْلِمَةٌ، وَمَا أَنْتُمْ فِي أَهْلِ الشِّرْكِ إِلاَّ كَالشَّعَرَةِ الْبَيْضَاءِ فِي جِلْدِ الثَّوْرِ الأَسْوَدِ، أَوْ كَالشَّعَرَةِ السَّوْدَاءِ فِي جِلْدِ الثَّوْرِ الأَحْمَرِ132-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):We waren samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een tent en hij zei: 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een vierde van de mensen van het Paradijs te zijn?' - ’ Ja’, zeiden ze- 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een derde van de mensen van het Paradijs te zijn?' - ‘Ja’. - 'Zouden jullie niet tevreden zijn om de helft van de mensen van het Paradijs te zijn? - ‘Ja’. - “Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Muhammed is, ik hoop werkelijk dat jullie de helft van de bewoners van het Paradijs zullen zijn.

Het is zeker dat alleen een moslim het Paradijs zal binnengaan. Vergeleken met de mensen van de polytheisten zijn jullie als het witte haar op de huid van een zwarte stier, of als het zwarte haar op de huid van een rode stier!”

[Vraag stellen aan het begin van zijn toespraak behoort tot de stijlkenmerken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .

٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي قبَّةٍ، فَقَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا رُبُعَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ، قَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا ثُلُثَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ، قَالَ: أَتَرْضَوْنَ أَنْ تَكُونُوا شَطْرَ أَهْلِ الْجَنَّةِ قُلْنَا: نَعَمْ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ إِنِّي لأَرْجُو أَنْ تَكُونُوا نِصْفَ أَهْلِ الْجَنَّةِ، وَذَلِكَ أَنَّ الْجَنَّةَ لاَ يَدْخُلُها إِلاَّ نَفْسٌ مُسْلِمَةٌ، وَمَا أَنْتُمْ فِي أَهْلِ الشِّرْكِ إِلاَّ كَالشَّعَرَةِ الْبَيْضَاءِ فِي جِلْدِ الثَّوْرِ الأَسْوَدِ، أَوْ كَالشَّعَرَةِ السَّوْدَاءِ فِي جِلْدِ الثَّوْرِ الأَحْمَرِ132-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه):We waren samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een tent en hij zei: 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een vierde van de mensen van het Paradijs te zijn?' - ’ Ja’, zeiden ze- 'Zouden jullie niet tevreden zijn om een derde van de mensen van het Paradijs te zijn?' - ‘Ja’. - 'Zouden jullie niet tevreden zijn om de helft van de mensen van het Paradijs te zijn? - ‘Ja’. - “Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Muhammed is, ik hoop werkelijk dat jullie de helft van de bewoners van het Paradijs zullen zijn. Het is zeker dat alleen een moslim het Paradijs zal binnengaan. Vergeleken met de mensen van de polytheisten zijn jullie als het witte haar op de huid van een zwarte stier, of als het zwarte haar op de huid van een rode stier!”

[Vraag stellen aan het begin van zijn toespraak behoort tot de stijlkenmerken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) . In deze ḥadīth verhoogde hij telkens de vreugde en aandacht van de toehoorders door het goede nieuws steeds opnieuw te benadrukken.Deze ḥadīth vermeldt dat, vergeleken met alle andere gemeenschappen, de gemeenschap van Muhammed (صلى الله عليه وسلم) de helft van de inwoners van het Paradijs zal uitmaken.

Toch zal, vergeleken met het aantal mensen op aarde dat met shirk (afgoderij) besmet is geraakt, het aantal gelovigen zo klein lijken als een vlek van een andere kleur op de huid van een dier. Dat het aantal niet-moslims veel groter is dan het aantal moslims, komt overeen met de historische werkelijkheid en met de aantallen van vandaag. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft duidelijk gezegd dat niet-moslims het Paradijs niet zullen binnengaan. Na dit oordeel kan de vraag opkomen: hoe zit het dan met degenen die, hoewel zij geen moslim zijn, toch goede daden verrichten. Het bewust negeren van Degene, Rabbu’l `Aalamīn, die je geschapen heeft, en het weloverwogen afwijzen van Zijn bestaan, vormt de hoogste graad van kwaad, namelijk shirk. Er is geen twijfel dat shirk in de Qur’ān als de grootste zonde wordt genoemd. Indien iemand tijdens zijn leven nooit in aanraking is gekomen met een profeet en de openbaring, dus de kennis van de waarheid, wordt hem noch bestraffing noch onrecht aangedaan, zoals ook expliciet in de verzen vermeld wordt.De conclusie is dat een moslim moet vertrouwen op Allāh, de Oneindig Rechtvaardige. Hij dient zich te concentreren op zijn eigen verantwoordelijkheden en moet ernaar streven zijn taken te vervullen, als een oprechte dienaar, met de grootst mogelijke zorgvuldigheid.] (Diyanet)

Zijn Woorden: Allāh zal aan Adam zeggen: “Van iedere duizend die naar de Hel wordt gestuurd, neem er negenhonderdnegenennegentig weg”

قوله يقول الله لآدم: أخرج بعث النار من كل ألف تسعمائة وتسعة وتسعين١٣٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَقُولُ اللهُ: يَا آدَمُ فَيَقُولُ: لَبَّيْكَ وَسَعْدَيكَ وَالْخَيْرُ فِي يَدَيْكَ قَالَ: يَقُولُ: أَخْرِجْ بَعْثَ النَّارِ، قَالَ: وَمَا بَعثُ النَّارِ قَالَ: مِنْ كُلِّ أَلْفٍ، تِسْعَمِائَةٍ وَتِسْعَةً وَتِسْعِينَ، فَذَاكَ حَينَ يَشِيبُ الصَّغِيرُ، وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمْلٍ حَمْلَهَا، وَتَرَى النَّاسَ سُكَارَى وَمَا هُمْ بِسُكَارَى وَلكِنَّ عَذَابَ اللهِ شَدِيدٌ فَاشْتَدَّ ذَلِكَ عَلَيْهِمْ، فَقَالُوا يَا رَسُولَ اللهِ أَيُّنَا ذَلِكَ الرَّجُلُ قَالَ: أَبْشِرُوا فَإِنَّ مِنْ يَأْجُوج وَمَأجُوجَ أَلْفًا وَمِنْكُمْ رَجُلٌ، ثُمَّ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي في يَدِهِ إِنِّي لأَطْمَعُ أَنْ تَكُونُوا ثُلُثَ أَهْلِ الْجَنَّةِ، قَالَ: فَحَمِدْنَا اللهَ وَكَبَّرْنَا، ثُمَّ قَالَ: وَالَّذِي نَفْسِي فِي يَدِهِ إِنِّي لأَطْمَعُ أَنْ تَكُونُوا شَطْرَ أَهْل الجَنَّةِ، إِنَّ مَثَلَكُمْ فِي الأُمَمِ كَمَثَلِ الشَّعَرَةِ الْبَيْضَاءِ فِي جِلْدِ الثَّوْرِ الأَسْوَدِ، أَوِ الرَّقْمَةِ فِي ذِرَاعِ الْحِمَارِ133-) Van Abû Sa`īd al-Khudrî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh zegt: ‘O Ādam!’ - ‘Labbaik wa saʿdayk (Ik beantwoord Uw oproep, en haast mij tot Uw gehoorzaamheid en tevredenheid), en al het goede is in Uw Handen.’- ‘Haal degenen eruit die voor het Vuur bestemd zijn!’- ‘Wat is de groep van het Vuur?’- ‘Van elke duizend (mensen): negenhonderdnegenennegentig (zijn voor het Vuur).’

يَوۡمَ تَرَوۡنَهَا تَذۡهَلُ كُلُّ مُرۡضِعَةٍ عَمَّآ أَرۡضَعَتۡ وَتَضَعُ كُلُّ ذَاتِ حَمۡلٍ حَمۡلَهَا وَتَرَى ٱلنَّاسَ سُكَٰرَىٰ وَمَا هُم بِسُكَٰرَىٰ وَلَٰكِنَّ عَذَابَ ٱللَّهِ شَدِيدٞ ٢

Op die Dag (der Opstanding) zullen jullie het zien; ieder zogende moeder zal haar baby vergeten en iedere zwangere vrouw zal haar vrucht laten vallen. En jullie zullen de mensheid zien alsof zij in een dronken toestand verkeert, toch zullen zij niet dronken zijn, maar zwaar zal de bestraffing van Allāh zijn. (sûrah Al-Hajj, 22: 2)

Dat werd zwaar voor hen (ṣaḥābah), en zij zeiden: “O Rasûlullāh , wie onder ons is dan degene (die gered zal worden)?”Hij zei: “Verheug jullie, want van Yāʾjūj en Māʾjūj (Gog en Magog) zijn er duizend (die naar het Hellevuur worden geworpen), en van jullie is er één.”Daarna zei hij: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik hoop dat jullie een derde van de bewoners van het Paradijs zullen zijn.”(De overleveraar zei:) Toen prezen wij Allāh en riepen Zijn grootheid uit (takbīr).Vervolgens zei hij: “Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, ik hoop dat jullie de helft van de bewoners van het Paradijs zullen zijn. Want jullie gelijkenis met de (vorige) volkeren is als die van een witte haar op de huid van een zwarte stier, of een gevlekte vlek op de voorpoot van een ezel.”

[Elke dag die tijdens ons leven op deze wereld voorbijgaat, brengt ons een stap dichter bij die grote Dag der Opstanding. Elk uur, elke minuut, ja zelfs elke seconde is een stap richting de dood, de wederopstanding en de afrekening. Het leven stroomt als een zandloper voortdurend in die richting. Er is geen manier om de klok stil te zetten of terug te draaien. Alle mensen zullen dit pad volgen.Als de mens tijdens zijn wereldse leven Allāh niet heeft gediend, en niet in die grote dag heeft geloofd noch zich erop heeft voorbereid, zal de grootste spijt ervaren. Hij zal er duizend keer de voorkeur aan geven om stof te blijven in plaats van herrezen te worden. Maar die spijt zal hem niet baten; het zal hem niet kunnen redden van de bestraffing. Integendeel, deze spijt zal voor hem een nieuwe bron van kwelling zijn en als geestelijke marteling toegevoegd worden bovenop de lichamelijke pijn die hij in de Hel zal ondergaan.] (HY)