As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu’l Jannah Ṣifati Naʿīmihā wa Ahluhā: Boek over Paradijs: de kenmerken van zijn zegeningen en van de bewoners van het Paradijs

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu’l Jannah Ṣifati Naʿīmihā wa Ahluhā: Boek over Paradijs: de kenmerken van zijn zegeningen en van de bewoners van het Paradijs

١٧٩٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: حُجِبَتِ النَّارُ بِالشَّهَوَاتِ، وَحُجِبَتِ الْجَنَّةُ بِالْمَكَارِهِ1797 - Abû Hurayra (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Hellevuur is omringd met verlangens (shahwah). (De verlangens van de mens hebben hem in het Hellevuur gebracht.) Het Paradijs is omringd met dingen waar de ziel niet van houdt.”

[De menselijke ziel (nafs) is de mens zelve, met al zijn behoeften, verlangens, hebzucht, begeerten, woede en angst. De fundamentele krachten van de nafs zijn de drijfveren uit het onderbewuste. De meest fundamentele instincten in de menselijke natuur zijn de drijfveren van honger, seksualiteit en zelfbehoud.Deze instincten zijn in wezen nuttig en noodzakelijk voor het leven van de mens, maar als ze niet onder controle worden gehouden, kunnen ze de mens de afgrond insleuren. Zo zijn de gevoelens van eten en drinken in hun kern nuttig, omdat ze het voortbestaan van het leven garanderen. Maar wanneer deze gevoelens niet beheerst worden, leiden ze tot problemen zoals obesitas, een van de belangrijkste problemen van de moderne tijd, en vormen de basis voor vele ziekten.Vanaf de vroege levensfasen waarin de mens in contact komt met zijn omgeving, ontstaan er psychologische behoeften zoals liefde, eigenliefde, geliefd zijn, gewaardeerd worden, erkend worden, geprezen worden, sterk zijn en bekend worden.Een kind is hongerig en wil gevoed worden, wil aandacht en liefde, is egoïstisch en wil dat de hele wereld om hem draait. Wanneer zijn wensen niet worden vervuld, huilt hij, gooit zichzelf op de grond en schroomt niet anderen schade toe te brengen. Hij is jaloers en agressief. Op een onverwacht moment kunnen de verborgen drijfveren in zijn onderbewustzijn plotseling geactiveerd worden en hem ertoe brengen roekeloos zijn begeerten en onderdrukte gevoelens te bevredigen. Daarom is het noodzakelijk om altijd waakzaam te zijn.Het veelvuldig gedenken aan de dood, het niet vergeten dat alle genoegens vergankelijk zijn, het beseffen dat zelfs de grootste wereldse geneugten tijdelijk zijn, en het bewust handelen vanuit de wetenschap dat de verlangens van de nafs nooit zullen ophouden, zijn essentieel.Ook Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wees hierop toen hij zei: “Gedenk vaak de dood, die de genoegens beëindigt.”Als gevolg hiervan verliest de nafs en het hart hun rust. Het afscheid nemen van wereldse geneugten valt de nafs zwaar.

De nafs raakt bedroefd, verliest hoop en komt tot bezinning. Wanneer de nafs onder druk wordt gezet en aan de hevigheid van de bestraffing in het Hiernamaals denkt, neemt zijn angst toe. Hij herinnert zich dat hij moet volharden tot hij het eeuwige thuis van het Hiernamaals bereikt, waar zijn ware verlangens zullen worden vervuld, en zijn hoop neemt toe.] (HY)

١٧٩٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قَالَ اللهُ: أَعْدَدْتُ لِعِبَادِي الصَّالِحِينَ مَا لاَ عَيْنٌ رَأَتْ، وَلاَ أُذُنٌ سَمِعَتْ، وَلاَ خَطَرَ عَلَى قَلْبِ بَشَرٍ فَاقْرَءُوا إِنْ شِئْتُمْ (فَلاَ تَعْلَمُ نَفْسٌ مَا أُخْفِيَ لَهُمْ مِنْ قُرَّةِ أَعْيُنِ)1798 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāh heeft gezegd: “Ik heb voor Zijn rechtvaardige dienaren (weldaden in het Paradijs) voorbereid wat geen enkel oog heeft gezien, geen enkel oor heeft gehoord, en wat bij geen enkele mens in zijn gedachte is opgekomen.”En vervolgens zei hij: “Lees als jullie willen”:فَلَا تَعۡلَمُ نَفۡسٞ مَّآ أُخۡفِيَ لَهُم مِّن قُرَّةِ أَعۡيُنٖ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَعۡمَلُونَ ١٧

Niemand weet wat voor hen verborgen blijft voor plezier, als een beloning voor wat zij plachten te doen. (sûrah as-Sajda: 17)

Waarlijk, in het Paradijs is er een boom waarvan een ruiter honderd jaar lang in haar schaduw kan reizen zonder haar te doorkruisenإِن في الجنة شجرة يسير الراكب في ظلها مائة عام لا يقطعها

١٧٩٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، يَبْلُغُ بِهِ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ فِي الْجَنَّةِ شَجَرَةً يَسِيرُ الرَّاكِبُ فِي ظِلِّهَا مِائَةَ عَامٍ لاَ يَقْطَعُهَا

1799 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):(Waarmee hij (de boodschap) van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) overbrengt zei: “Voorwaar, in het Paradijs is er een boom; zelfs al zou een ruiter honderd jaar in zijn schaduw reizen, dan nog zou hij die schaduw niet van begin tot eind kunnen doorkruisen.” En hij zei: “Lees als jullie willen”: وَظِلّٖ مَّمۡدُودٖ ٣٠ En uitgestrekte schaduw. (sûrah al Waaqi`a: 30)

١٨٠٠ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدِ، عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ فِي الْجَنَّةِ لَشَجَرَةً يَسِيرُ الرَّاكِبُ فِي ظِلِّهَا مِائَةَ عَامٍ لاَ يَقْطَعُهَا1800 - Van Sahl ibn Sa'd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, in het Paradijs is er een boom; zelfs al zou een ruiter honderd jaar in zijn schaduw reizen, dan nog zou hij die schaduw niet van begin tot eind kunnen doorkruisen.”

١٨٠١ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ فِي الْجَنَّةِ لَشَجَرَةً يَسِيرُ الرَّاكِبُ الْجَوَادَ الْمُضَمَّرَ السَّرِيعَ مِائَةَ عَامٍ مَا يَقْطَعُهَا1801 - Van Abû Sa`īd: (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, in het Paradijs is er een boom; zelfs al zou een ruiter op een goed getraind, snel paard honderd jaar in zijn schaduw reizen, dan nog zou hij die schaduw niet van begin tot eind kunnen doorkruisen.”

Allah’s tevreden voor de bewoners van het Paradijs is ḥalāl, en zij zullen nooit woede over hen komt١٨٠٢ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ اللهَ يَقُولُ لأَهْلِ الْجَنَّةِ: يَا أَهْلَ الْجَنَّةِ يَقُولُونَ: لَبَّيْكَ، رَبَّنَا وَسَعْدَيْكَ فَيَقُولُ: هَلْ رَضِيتُمْ فَيَقُولُونَ: وَمَا لَنَا لاَ نَرْضى وَقَدْ أَعْطَيْتَنَا مَا لَمْ تُعْطِ أَحَدًا مِنْ خَلْقِكَ فَيَقُولُ: أَنَا أُعْطِيكُمْ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ قَالُوا: يَا رَبِّ وَأَيُّ شَيْءٍ أَفْضَلُ مِنْ ذَلِكَ فَيَقُولُ: أُحِلُّ عَلَيْكُمْ رِضْوَانِي، فَلاَ أَسْخَطُ عَلَيْكُمْ بَعْدَهُ أَبَدًا1802 - Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Voorwaar, Allahu تَبَارَكَ وَ تعالى (Gezegend en Verheven zij Allāh), zegt tegen de bewoners van het Paradijs: “O bewoners van het Paradijs!” Zij antwoorden dan: “O onze Rab, zegt U het maar, wij zijn klaar (om Uw bevelen uit te voeren, altijd toegewijd in aanbidding)!”- “Zijn jullie tevreden?” - “Hoe zouden wij niet tevreden kunnen zijn, terwijl U ons (weldaden) heeft gegeven wat U aan niemand van Uw schepselen hebt gegeven?” - “Ik zal jullie iets beters geven dan nog beter is dan dat.” - “O onze Rab, en wat is er beter dan dat?” - “Ik zal Mijn tevredenheid/welbehagen over jullie neerdalen en daarna zal nooit meer boos op jullie worden.’

Degenen die in het Paradijs in paleizen verblijven, kunnen de andere bewoners van het Paradijs aanschouwen alsof zij de sterren aan de hemel bekijkenترائى أهل الجنة أهل الغرف كما يرى الكوكب في السماء

Allah’s tevreden voor de bewoners van het Paradijs is ḥalāl, en zij zullen nooit woede over hen komt١٨٠٢ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ اللهَ يَقُولُ لأَهْلِ الْجَنَّةِ: يَا أَهْلَ الْجَنَّةِ يَقُولُونَ: لَبَّيْكَ، رَبَّنَا وَسَعْدَيْكَ فَيَقُولُ: هَلْ رَضِيتُمْ فَيَقُولُونَ: وَمَا لَنَا لاَ نَرْضى وَقَدْ أَعْطَيْتَنَا مَا لَمْ تُعْطِ أَحَدًا مِنْ خَلْقِكَ فَيَقُولُ: أَنَا أُعْطِيكُمْ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ قَالُوا: يَا رَبِّ وَأَيُّ شَيْءٍ أَفْضَلُ مِنْ ذَلِكَ فَيَقُولُ: أُحِلُّ عَلَيْكُمْ رِضْوَانِي، فَلاَ أَسْخَطُ عَلَيْكُمْ بَعْدَهُ أَبَدًا1802 - Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Voorwaar, Allahu تَبَارَكَ وَ تعالى (Gezegend en Verheven zij Allāh), zegt tegen de bewoners van het Paradijs: “O bewoners van het Paradijs!” Zij antwoorden dan: “O onze Rab, zegt U het maar, wij zijn klaar (om Uw bevelen uit te voeren, altijd toegewijd in aanbidding)!”- “Zijn jullie tevreden?” - “Hoe zouden wij niet tevreden kunnen zijn, terwijl U ons (weldaden) heeft gegeven wat U aan niemand van Uw schepselen hebt gegeven?” - “Ik zal jullie iets beters geven dan nog beter is dan dat.” - “O onze Rab, en wat is er beter dan dat?” - “Ik zal Mijn tevredenheid/welbehagen over jullie neerdalen en daarna zal nooit meer boos op jullie worden.’

Degenen die in het Paradijs in paleizen verblijven, kunnen de andere bewoners van het Paradijs aanschouwen alsof zij de sterren aan de hemel bekijkenترائى أهل الجنة أهل الغرف كما يرى الكوكب في السماء

١٨٠٣ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ أَهْلَ الْجَنَّةِ لَيَتَرَاءَوْنَ الْغُرَفَ فِي الْجَنَّةِ، كَمَا تَتَرَاءَوْنَ الْكَوْكَبَ فِي السَّمَاءِ قَالَ: فَحَدَّثْتُ النُّعْمَانَ ابْنَ أَبِي عَيَّاشٍ فَقَالَ: أَشْهَدُ لَسَمِعْتُ أَبَا سَعِيدٍ يُحَدِّثُ وَيَزِيدُ فِيهِ كَمَا تَرَاءَوْنَ الْكَوْكَبَ الْغَارِبَ فِي الأفُقِ الشَّرْقِيِّ وَالْغَرْبِيِّ

1803 - Van Sahl (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: De bewoners van het Paradijs zullen de paleizen van de mensen van het Paradijs (die in graad hoger zijn dan hen) aanschouwen, zoals jullie de sterren aan de hemel aanschouwen.”De overleveraar zegt: “Ik vertelde deze ḥadīth aan Nu‘mān ibn Abī Ayyāsh, en hij zei: ‘Ik getuig dat ik Abū Saʿīd deze ḥadīth heb horen overleveren, en dat hij daaraan toevoegde:‘Zoals jullie een ster zien die aan de oostelijke of westelijke horizon ondergaat.

١٨٠٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: إِنَّ أَهْلَ الْجَنَّةِ يَتَرَاءَيُونَ أَهْلَ الْغُرَفِ مِنْ فَوْقِهِم كَمَا يَتَرَاءَيُونَ الْكَوْكَبَ الدُّرِّيَّ الْغَابِرَ فِي الأُفُقِ مِنَ الْمَشْرِقِ أَوِ الْمَغْرِبِ، لِتَفَاضُلِ مَا بَيْنَهُمْ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ تِلْكَ مَنَازِلُ الأَنْبِيَاءِ، لاَ يَبْلُغُهَا غَيْرُهُمْ قَالَ: بَلَى، وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ رِجَالٌ آَمَنوا بِاللهِ، وَصَدَّقُوا الْمُرْسَلِينَ1804 - Van Abû Sa`īd al-Khudri (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De bewoners van het Paradijs zullen, degenen die in de hoge paleizen boven hen bevinden, van veraf kunnen zien, net zoals zij de heldere ster aan de horizon na zonsondergang vanuit het oosten of het westen zien. Dit is vanwege het verschil in rang tussen hen”. Zij (de metgezellen) vroegen: 'O Rasûlullāh, zijn die paleizen voor de profeten, en zullen alleen zij ze bereiken?' Hij antwoordde: 'Ja, (die paleizen zijn voor de profeten, maar Allāh kan ze ook aan anderen geven ). Bij Hem in Wiens Hand mijn ziel is, er zullen mensen zijn (die ze zullen bereiken). Zij geloven (werkelijk) in Allāh en bevestigen de boodschappers.”

Het gezicht van de groep die als eerste het Paradijs binnengaat, zal als een volle maan zijn. De kenmerken van deze groep en hun echtgenoten in het Paradijs

أول زمرة تدخل الجنة على صورة القمر ليلة البدر وصفاتهم وأزواجهم

١٨٠٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ أَوَّلَ زُمْرَةٍ يَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ عَلَى صُورَةِ الْقَمَرِ لَيْلَةَ الْبَدْرِ، ثُمَّ الَّذِينَ يَلُونَهُمْ، عَلَى أَشَدِّ كَوْكَبٍ دُرِّيٍّ فِي السَّمَاءِ إِضَاءَةً؛ لاَ يَبُولُونَ، وَلاَ يَتَغَوَّطُونَ، وَلاَ يَتْفِلُونَ، وَلاَ يَمْتَخِطُونَ أَمْشَاطُهُمُ الذَّهَبُ، وَرَشْحُهُمُ الْمِسْكُ، وَمَجَامِرُهُمُ الأَلُوَّةُ الأَنجُوجُ عُودُ الطِّيبِ وَأَزْوَاجُهُمُ الْحُورُ الْعِينُ عَلَى خَلْقِ رَجُلٍ وَاحِدٍ عَلَى صُورَةِ أَبِيهِمْ آدَمَ سِتُّونَ ذِرَاعًا فِي السَّمَاءِ

1805 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar, (de gezichten van de) eerste groep die het Paradijs binnengaat, zal stralen als de volle maan op de (14de ) nacht.Degenen die daarna het Paradijs binnengaan, zullen stralen als de helderste sterren aan de hemel. Ze (de bewoners van het Paradijs) zullen daar geen behoefte voelen om naar het toilet te gaan, noch zullen zij spuwen of hun neus snuiten. Hun kammen zullen van goud zijn, hun zweet zal als muskus ruiken, en hun wierookbranders zullen afkomstig zijn van aloëhout (al-ʿuluwwah’ en ‘al-anjūj’) heerlijk geurende houtsoorten. Hun echtgenotes zijn de ḥûr al-ʿīn* . Zij zijn allemaal geschapen naar de gestalte van één man: de gestalte van hun vader Ādam (عليه السلام) zestig el (dzir`a) (ongeveer 40 meter) lang zijn.”

{*: ḥûr al-ʿīn zijn hemelse gezellinnen die Allah speciaal voor de gelovigen in het Paradijs heeft geschapen, als een van de vele beloningen.

Hūri betekent vrouwen met grote, zuivere ogen, vaak uitgelegd als uiterst schoon, rein en stralend en ʿīn betekent grote ogen met een opvallend contrast tussen het wit en het zwart, een teken van schoonheid onder de Arabieren.}

[De lichaamslengte die in de ḥadīth wordt genoemd, kan worden opgevat als een verwijzing naar de geestelijke verhevenheid en niet louter als een fysieke lengte. Deze lengte, die onze verbeelding te boven gaat is ook mogelijk dat hiermee wordt bedoeld dat dit de lengte is die Ādam (عليه السلام) in het Paradijs had.Uiteindelijk gaat het in deze ḥadīth, die een aansporing bevat om tot de eersten te behoren die het Paradijs binnentreden, om het benadrukken van de verheven eigenschappen van deze uitverkorenen. “Een gestalte hebben die tot aan de hemel reikt” behoort tot die eigenschappen, en wijst op een unieke staat van gelukzaligheid. ] (Diyanet)

De kenmerken van de tenten in het Paradijs en de gezinnen van de gelovigen die in deze tenten verblijven

صفة خيام الجنة وما للمؤمنين فيها من الأهلين

١٨٠٦ - حديث أَبِي مُوسى الأَشْعَرِيِّ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: الْخَيْمَةُ دُرَّةٌ مُجَوَّفَةٌ، طُولُهَا فِي السَّمَاءِ ثَلاَثُونَ مِيلًا فِي كُلِّ زَاوِيَةٍ مِنْهَا لِلْمُؤْمِنِ أَهْلٌ، لاَ يَرَاهُمُ الآخَرُونَ

1806 - Van Abū Bakr ibn ʿAbdillāh ibn Qays al-Ashʿarī van zijn vader (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tent (in het Paradijs) is een holle parel, dertig mijl hoog de hemel reikend. In elke hoek ervan zal een gelovige een gezin hebben die de anderen niet kan zien.”Abū ʿAbd aṣ-Ṣamad en al-Ḥārith ibn ʿUbayd hebben van zijn vader Abū ʿImrān overgeleverd (hij zei): “... zestig mijl (hoog).”

De harten van sommige mensen die het Paradijs binnengaan zullen zo licht zijn als een veertje

يدخل الجنة أقوام أفئدتهم مثل أفئدة الطير

١٨٠٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: خَلَقَ اللهُ آدَمَ، وَطُولُهُ سِتُّونَ ذِرَاعًا، ثُمَّ قَالَ: اذْهَبْ فَسَلِّمْ عَلَى أُولَئِكَ مِنَ الْمَلاَئِكَةِ، فَاسْتَمِعْ مَا يُحَيُّونَكَ ⦗٢٩٠⦘ تَحِيَّتُكَ وَتَحِيَّةُ ذُرِّيَّتِكِ فَقَالَ: السَّلاَمُ عَلَيْكُمْ فَقَالُوا: السَّلاَمُ عَلَيْكَ وَرَحْمَةُ اللهِ فَزَادُوهُ، وَرَحْمَةُ اللهِ فَكُلُّ مَنْ يَدْخُلُ الْجَنَّةَ عَلَى صُورَةِ آدَمَ، فَلَمْ يَزَلِ الْخَلْقُ يَنْقُصُ حَتَّى الآنَ

1807 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft Ādam (عليه السلام) geschapen, en zijn lengte was zestig el (dzir`a). Vervolgens zei Hij (Allāh): ‘Ga en geeft salām aan die groep engelen, en luister hoe zij jou (terug) salām geven, want dat zal jouw salām zijn en de begroeting van jouw nakomelingen.’ Toen zei hij (Ādam aan de engelen): ‘As-salāmu ʿalaykum.’ Zij (engelen) zeiden: ‘As-salāmu ʿalayka wa raḥmatullāh.’ Zij voegden ‘wa raḥmatullāh’ toe. Iedereen die het Paradijs binnengaat zal de gestalte van Ādam (عليه السلام) hebben. Daarna bleef de schepping in gestalte afnemen tot op de dag van vandaag.”

[In onze ḥadīth wordt vermeld dat Adam (عليه السلام) bij zijn schepping zestig el (dzir`a) lang was. Dit soort informatie behoort tot het rijk van het onwaarneembare (al-ghayb). Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat zo heeft gezegd, dan is het zo. Er zullen wellicht mensen zijn die dit vreemd vinden als ze kijken naar de lengte van de mens van tegenwoordig. Aangezien wij hierover weinig kennis bezitten, achten wij het passend om hierover te zwijgen.Maar als iemand het getal van zestig el onbegrijpelijk vindt, willen we opmerken dat er ook in de Qur’ān soortgelijke informatie staat die wij niet gewend zijn.

Onze Rab maakt in de Qur’ān duidelijk dat Nûh (عليه السلام) vóór de zondvloed negenhonderdvijftig jaar onder zijn volk verbleef (sûrah al-ʿAnkaboet, 14–15). Als we ook nog in beschouwing nemen dat Nûh (عليه السلام) na de vernietiging van zijn volk verder heeft geleefd, kunnen we zeggen dat hij meer dan duizend jaar oud is geworden. Als we kijken naar de gemiddelde levensverwachting van mensen van vandaag de dag of in de bekende geschiedenis, dan is een leven van meer dan duizend jaar rationeel moeilijk te verklaren.Wat we hiermee willen zeggen is dat dit voor ons zaken van het onwaarneembare zijn. Bij dit soort onderwerpen, als we vertrouwen hebben in degene die het bericht overbrengt, bevestigen we het en zwijgen we er verder over.We willen dit onderwerp afsluiten met de woorden van een onderzoeker:“We weten niet wanneer Adam (عليه السلام) precies heeft geleefd. In een tijd waarin bomen tweehonderd meter hoog waren en dinosauriërs rondliepen, is het onvoorstelbaar dat er toen kleine mensen zoals wij leefden. Vanuit het oogpunt van de levensstrijd is het logischer dat er mensen waren die zó groot waren dat zij tussen gigantische hagedissen en reusachtige dinosauriërs konden overleven en hun bestaan en nageslacht konden voortzetten. Sommige schrijvers vestigen de aandacht op ecologische veranderingen en bespreken levende wezens die hierdoor zijn verdwenen of lichamelijke veranderingen hebben ondergaan. Ze proberen deze kwestie biologisch en genetisch te verklaren. Daarnaast proberen ze ook een indruk te geven van het onderwerp door een foto te tonen waarop naast een dinosaurusvoet een mens staat, waarvan de lengte ongeveer een kwart van de voet bedraagt.”] (AFK)

De hevigheid en diepte van het vuur van het Hellevuur, en hoe degenen die bestraft worden erin zullen worden opgenomenفي شدة حر نار جهنم وبعد قعرها، وما تأخذ من المعذبين

١٨٠٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: نارُكمْ جُزْءٌ مِنْ سَبْعِينَ جُزْءًا مِنْ نَارِ جَهَنَّمَ قِيلَ يَا رَسُولَ اللهِ ﷺ إِنْ كَانَتْ لَكَافِيَةً قَالَ: فُضِّلَتْ عَلَيْهِنَّ بِتِسْعَةٍ وَسِتِّينَّ جُزْءًا، كلُّهُنَّ مِثْلُ حَرِّهَا

1808 - Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Jullie vuur (in deze wereld) is één zeventigste deel van het vuur van het Hellevuur.”Er werd gezegd: “O Rasûlullāh, dat (wereldse vuur) zou toch al voldoende moeten zijn (voor de straf van de zondelingen)?”Hij zei: “Het (vuur in het Hellevuur) is er met negenenzestig delen bovenop versterkt, elk deel even heet als het (gehele) wereldse vuur.”

De onderdrukkers zullen het Hellevuur binnengaan en de benadeelden het Paradijsالنار يدخلها الجبارون والجنة يدخلها الضعفاء

١٨٠٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: تَحَاجَّتِ الْجَنَّةُ وَالنَّارُ ⦗٢٩١⦘ فَقَالَتِ النَّارُ: أُوثِرْتُ بِالْمُتَكَبِّرِينَ وَالْمُتَجَبِّرِينَ وَقَالَتِ الْجَنَّةُ: مَا لِي لاَ يَدْخُلُنِي إِلاَّ ضُعَفَاءُ النَّاسِ وَسَقَطُهُمْ قَالَ اللهُ، ﵎، لِلْجنَّةِ: أَنْتِ رَحْمَتِي أَرْحَمُ بِكِ مَنْ أَشَاءُ مِنْ عِبَادِي وَقَالَ لِلنَّارِ: إِنَّمَا أَنْتِ عَذَابٌ أُعَذِّبُ بِكِ مَنْ أَشَاءُ مِنْ عِبَادِي وَلِكُلِّ وَاحِدَةٍ مِنْهُمَا مِلْؤُهَا فَأَمَّا النَّارُ فَلاَ تَمْتَلِىءُ حَتَّى يَضَعَ رِجْلَهُ فَتَقُولُ قَطٍ قَطٍ قَطٍ فَهُنَالِكَ تَمْتَلِىءُ، وَيُزْوَى بَعْضُهَا إِلَى بَعْضٍ وَلاَ يَظْلِمُ اللهُ، ﷿، مِنْ خَلْقِهِ أَحَدًا وَأَمَّا الْجَنَّةُ، فَإِنَّ اللهَ، ﷿، يُنْشِىءُ لَهَا خَلْقًا

1809 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Paradijs en het Hellevuur voerden een discussie met elkaar. Het Hellevuur zei: 'Ik word bevolkt door de hoogmoedigen en de onderdrukkers (op aarde).' Het Paradijs zei: 'Wat is er met mij, dat alleen de zwakken en de laaggeplaatsten (onder de mensen op aarde) toegelaten worden?'Allāh (تبارك وتعالى) zei tegen het Paradijs: 'Jij bent Mijn barmhartigheid; daarmee zal Ik barmhartig zijn voor wie Ik wil van Mijn dienaren.' En Hij zei tegen het Vuur: 'Jij bent Mijn bestraffing; daarmee zal Ik straffen wie Ik wil van Mijn dienaren.

Elke van beiden heeft zijn maximale capaciteit.”Wat betreft het Hellevuur: ‘Het zal zich blijven vullen tot Allāh Zijn Voet erin plaatst, dan zal het zeggen: 'Genoeg, genoeg, genoeg!' Dan pas wordt het gevuld, en zullen delen ervan ineenkrimpen. Allāh (عز وجل) doet niemand van Zijn schepping onrecht aan.Wat betreft het Paradijs: Allāh (عز وجل) zal een nieuw schepsel voor het Paradijs voortbrengen.”

١٨١٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ تَزَالُ جَهَنَّمُ تَقُولُ هَلْ مِنْ مَزِيدٍ، حَتَّى يَضَعَ رَبُّ الْعِزَّةِ فِيهَا قَدَمَهُ فَتَقُولُ قطِ قَطِ وَعِزَّتِكَ وَيُزْوَى بَعْضُهَا إِلَى بَعْض1810 - Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het Hellevuur zal zich blijven uitrekken en zeggen: ‘Is er nog meer?’ [Hal min Mazīd: sûrah Qāf, 30 ], totdat de Rabbu’l `Izzah (Heer van de Eer) Zijn Voet erin plaatst. Dan zal zij zeggen: ‘Genoeg! Genoeg! Bij Uw Eer!’ En dan zullen delen van haar ineenkrimpen.” وَيَوْمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ ٱمْتَلَأْتِ وَتَقُولُ هَلْ مِن مَّزِيدٍ“En op de Dag waarop Wij tot de Hel zeggen: 'Ben je gevuld?' zal zij zeggen: 'Is er nog meer (om te ontvangen)?' ( Surah Qāf, 30)]

[Allāhu تَعَالَى is verheven boven alle vormen en gedaanten die men zich kan voorstellen, en Hij is vrij van gelijkenis met de door Hem geschapen wezens.

Hij heeft geen gelijke of gelijkwaardig of gelijk aan iets; Hij is uniek en ongeëvenaard.Sommige āyāt in de Qurʾān en aḥadīth die spreken over een hand, voet of andere menselijke handelingen toegeschreven aan Allāh, moeten niet letterlijk opgevat worden. Het zijn Allahs eigenschappen en behoren tot mutashabihāt.In de ḥadīth wordt symbolisch uitgelegd dat het Paradijs de mensen die de straf van het Hellevuur ondergaan, zal ontvangen met een soort ironische verwachting, en dat het steeds intensere vuur uiteindelijk slechts rust zal vinden tegenover de grootsheid van Allāh. Zo wordt de absolute heerschappij van Allāh benadrukt. Deze situatie wordt ook in de Qurʾān verhaald:يَوۡمَ نَقُولُ لِجَهَنَّمَ هَلِ ٱمۡتَلَأۡتِ وَتَقُولُ هَلۡ مِن مَّزِيدٖ ٣٠

(Gedenk) De dag wanneer Wij tot de Hel zullen zeggen: “Ben jij al vol?” Zal zij zeggen: “(Komen) er nog meer? (sūrah Qāf, 50:30) ] (Diyanet)

١٨١١ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يُؤْتَى بِالْمَوْتِ كَهَيْئَةِ كَبْشٍ أَمْلَحَ، فَيُنَادِي مُنَادٍ، يَا أَهْلَ الْجَنَّةِ فَيَشْرَئِبُّونَ وَيَنْظُرونَ فَيَقُولُ: هَلْ تَعْرِفُونَ هذَا فَيَقُولُونَ: نَعَمْ هذَا الْمَوْتُ وَكلُّهُمْ قَدْ رَأَوْهُ ثُمَّ يُنَادِي: يَا أَهْلَ النَّارِ فَيَشْرَئِبُّونَ وَيَنْظُرُونَ فَيَقُولُ: هَلْ تَعْرِفُونَ هذَا فَيَقُولُونَ: نَعَمْ هذَا الْمَوْتُ وَكُلُّهُمْ قَدْ رَآه فَيُذْبَحُ ثُمَّ يَقُولُ: يَا أَهْلَ الْجَنَّةِ خُلُودٌ، فَلاَ مَوْتَ وَيَا أَهْلَ النَّار خُلُودٌ، فَلاَ مَوْتَ ثُمَّ قَرَأَ (وَأَنْذِرْهُمْ يَوْمَ الْحَسْرَةِ إِذْ قُضِيَ الأَمْرُ وَهُمْ فِي غَفْلَةٍ، وَهؤُلاَءِ فِي غَفْلَةٍ، أَهْل الدُّنْيَا، وَهُمْ لاَ يُؤْمِنُونَ)1811 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De dood zal gebracht worden in de gedaante van een witgespikkelde ram.

Dan zal een omroeper roepen: ‘O bewoners van het Paradijs!’ Zij zullen hun halzen uitstrekken en kijken. Er zal gezegd worden: ‘Kennen jullie dit?’ Zij zullen zeggen: ‘Ja, dit is de dood.’ En allen zullen hem herkend hebben.Daarna zal er geroepen worden: ‘O bewoners van het Hellevuur!’ Zij zullen hun halzen uitstrekken en kijken. Er zal gezegd worden: ‘Kennen jullie dit?’ Zij zullen zeggen: ‘Ja, dit is de dood.’ En allen zullen hem herkend hebben.Vervolgens zal (de ram) geslacht worden. Dan zal er gezegd worden: ‘O bewoners van het Paradijs!

(Jullie zullen hierin) eeuwig (verblijven), en (er is) geen dood meer (voor jullie)!’ En: ‘O bewoners van het Hellevuur! (Jullie zullen hierin) eeuwig (verblijven), en (er is) geen dood meer (voor jullie)!’Daarna reciteerde hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):

وَأَنذِرۡهُمۡ يَوۡمَ ٱلۡحَسۡرَةِ إِذۡ قُضِيَ ٱلۡأَمۡرُ وَهُمۡ فِي غَفۡلَةٖ وَهُمۡ لَا يُؤۡمِنُونَ ٣٩

En waarschuw hen voor de Dag van droefheid en spijt, als over hun zaak besloten wordt, zij zijn (nu) achteloos en zij geloven niet. (sûrah Maryam, 19:39)En hij zei: “Zij (die in achteloosheid verkeren) zijn de mensen van de wereld.”

١٨١٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا صَارَ أَهْلُ الْجَنَّةِ إِلَى الْجَنَّةِ، وَأَهْلُ النَّارِ إِلَى النَّارِ؛ جِيءَ بِالْمَوْتِ حَتَّى يُجْعَلَ بَيْنَ الْجَنَّةِ وَالنَّارِ ثُمَّ يُذْبَحُ ثُمَّ يُنَادِي مُنَادٍ: يَا أَهْلَ الْجنَّةِ لاَ مَوْتَ، وَيَا أَهْلَ النَّارِ لاَ مَوْتَ فَيَزْدَادُ أَهْلُ الْجَنَّةِ فَرَحًا إِلَى فَرَحِهِمْ، وَيَزْدَادُ أَهْلُ النَّارِ حُزْنًا إِلَى حُزْنِهِمْ1812 - Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de bewoners van het Paradijs naar het Paradijs gaan en de bewoners van het Vuur naar het Vuur, zal de dood gebracht worden totdat het tussen het Paradijs en het Vuur geplaatst wordt. Vervolgens zal het geslacht worden. Dan zal een omroeper roepen: ‘O bewoners van het Paradijs, er is geen dood meer!’ en: ‘O bewoners van het Vuur, er is geen dood meer!’De bewoners van het Paradijs zullen dan meer vreugde krijgen boven hun vreugde, en de bewoners van het Vuur zullen dan meer verdriet krijgen boven hun verdriet.”

١٨١٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَبِيِّ ﷺ، قَالَ: مَا بَيْنَ مَنْكِبَيِ الْكَافِرِ مَسِيرَةُ ثَلاَثَةِ أَيَّامٍ لِلرَّاكِبِ الْمُسْرِعِ1813 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “(Op de Dag des Opstanding) is de afstand tussen de beide schouders van de ongelovige (gelijk aan) een reis van drie dagen voor een snelle ruiter.”

[De lichamen van degenen die Allāh ontkennen zullen groter zijn dan in deze wereld, zodat zij in het Hellevuur meer straf zullen ondergaan en de pijn die zij ervaren heviger zal zijn. ] (Diyanet)

١٨١٤ - حديث حارِثَةَ بْنِ وَهْبٍ الْخُزَاعِيِّ قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: أَلاَ أُخْبِرُكُمْ بِأَهْلِ الْجَنَّةِ كُلُّ ضَعِيفٍ مَتَضَعِّفٍ، لَوْ أَقْسَمَ عَلَى اللهِ لأَبَرَّهُ أَلاَ أُخْبِرُكُمْ بِأَهْلِ النَّارِ كُلُّ عُتُلٍّ جَوَّاظٍ مُسْتَكْبِرٍ1814 - Van Ḥārithah ibn Wahb al-Khuzaʿī (رضي الله عنه): Ik hoor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Zal ik jullie vertellen wie de bewoners van het Paradijs zijn? Het zijn (degenen die) zwak zijn, (degenen die in de wereld vanwege hun zwakte) veracht zijn, en als zij een eed op Allāh zouden afleggen, zou Hij hun eed vervullen.Zal ik jullie vertellen wie de bewoners van het Vuur zijn? Zij zijn degenen die hardvochtig, trots en arrogant zijn en zich verheffen boven de anderen/verwaand zijn.”

١٨١٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ زَمْعَةَ، أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَخْطُبُ، وَذَكَرَ النَّاقَةَ وَالَّذِي عَقَرَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: (إِذِ انْبَعَثَ أَشْقَاهَا) انْبَعَثَ لَهَا رَجُلٌ عَزِيزٌ عَارِمٌ مَنِيعٌ فِي رَهْطِهِ، مِثْلُ أَبِي زَمْعَةَ وَذَكَرَ النِّسَاءَ فَقَالَ: يَعْمِدُ أَحَدُكُمْ، يَجْلِدُ امْرَأَتَهُ جَلْدَ الْعَبْدِ، فَلَعَلَّهُ يُضَاجِعُهَا مِنْ آخِرِ يَوْمِهِ ثُمَّ وَعَظَهُمْ فِي ضَحِكِهِمْ مِنَ الضَّرْطَةِ، وَقَالَ لِمَ يَضْحَكُ أَحَدُكُمْ مِمَّا يَفْعَلُ1815 – Van `Abdullah ibn Zamʿah (رضي الله عنه): Hij hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) preken (over) de kameel (van Sālih عليه السلام), evenals degene die haar slachtten.

(Reciteerde) Hij: كَذَّبَتۡ ثَمُودُ بِطَغۡوَىٰهَآ ١١ De Thamoed loochenden in hun buitensporigheid (Sālih عليه السلام)إِذِ ٱنۢبَعَثَ أَشۡقَىٰهَا ١٢ Toen de meest verdorven man onder hen naar voren kwam.(surah ash Shams,11- 12)

Ze stuurden een man, moedigste onder hen, gedurfd, meest slechte en krachtige man van zijn stam, om de vrouwelijke kameel te slachten. Hij was zoals Abū Zam`ah.”Hij noemde (in zijn preek) ook de vrouwen en zei: “ Laat geen van jullie zijn vrouw slaan zoals men een slaaf zou slaan, omdat hij aan het einde van de dag in hetzelfde bed zal liggen.”Daarna gaf hij hen advies over een persoon die zich in een gemeenschap ontlastte (windje liet) en vervolgens door anderen werd uitgelachen, en zei: “Waarom lachen jullie over wat jullie ook doen?”

Abū Muʿāwiyah vertelde ons dat Ḥishām zei van zijn vader overʿAbdullāh ibn Zam`ah, dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei dat de man, Abū Zam`ah, op de oom van Zubayr ibn al-ʿAwwām leek.

[Abū Zam`ah was een ongelovige die de moslims in Makkah kwelde en hen bespotte. Hij stierf als ongelovige in Makkah.] (AFK)

١٨١٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: رَأَيْتُ عَمْرَو بْنَ عَامِرِ بْنِ لُحَيٍّ الْخُزَاعِيَّ يَجُرُّ قُصْبَهُ فِي النَّارِ، وَكَانَ أَوَّلَ مَنْ سَيَّبَ السَّوَائِبَ1816 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Amr ibn Luḥay ibn Qamaʿah ibn Khindaf, is de vader van Khuzāʿah clan. Ik zag hem in het Vuur zijn darmen voorttrekkend. Hij is degene die als eerste de offerkamelen (aan de afgodsbeelden) introduceerde. “

[Deze ḥadīth verwijst naar de stamvader van de Khuzāʿah, die Amr ibn Luḥay was. Hij was een belangrijke figuur in de vroege geschiedenis van de Arabische stammen en wordt vaak geassocieerd met de invoering van afgoderij in de regio. Ismāiel ( عليه السلام) heeft in Makkah de Kaʿbah gebouwd, en het onderhoud ervan werd toevertrouwd aan stammen van de Mustarabah-Arabieren die afstamden van Ismāiel ( عليه السلام).

Op een gegeven moment nam ʿAmr ibn Luhay, die behoorde tot de Khuzāʿah clan uit Jemen, een stam die tot de oorspronkelijke (ʿArab al-ʿĀriba) Arabieren behoorde en niet tot de Mustarabah, de leiding over Makkah en de Kaʿbah. Dit bleef een tijdlang in handen van de Khuzāʿah clan. Tijdens deze periode bracht ʿAmr ibn Luhay veranderingen aan in de religie van Ismāiel ( عليه السلام) bij de Kaʿbah. Hij was de eerste die afgoden in de Kaʿbah plaatste. Naast deze afgoden introduceerde hij vele nieuwe zaken die de aard van de religie aantastten. De offerkamelen die aan deze afgoden werden gewijd, vergelijkbaar met de koeien die in India als heilig worden beschouwd, mochten door niemand worden aangeraakt. Ze zwierven vrij rond en werden als heilig beschouwd omdat ze aan de afgoden waren gewijd. Omdat ʿAmr ibn Luhay degene was die deze eerste afwijking en de vervorming van de religie in gang zette, is overgeleverd dat hij hiervoor gestraft wordt in het Hellevuur.] (AFK)

De vernietiging van de wereld en het bijeenbrengen op de Dag der Opstandingفناء الدنيا وبيان الحشر يوم القيامة

١٨١٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: تُحْشَرُونَ حُفَاةً عُرَاةً غُرْلًا قَالَتْ عَائِشَةُ: فَقُلْتُ، يَا رَسُولَ اللهِ الرِّجَالُ وَالنِّسَاءُ يَنْظُرَ بَعْضُهُمْ إِلَى بَعْضٍ فَقَالَ: الأَمْرُ أَشَدُّ مِنْ أَنْ يَهِمَّهُمْ ذَاكِ

1817 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Jullie zullen op de Dag der Opstanding op blote voeten, naakt, en onbesneden worden opgewekt.'ʿĀishah vroeg toen: “O Rasûlullāh, zullen de mannen en vrouwen elkaar aankijken?”Hij antwoordde: “De toestand op de Dag der Opstanding is ernstiger dan dat het hen zal interesseren.”

[Het naakt zijn op de verzamelplaats (Mahshar) komt doordat zij zullen terugkeren zoals zij op de wereld zijn gekomen, zodanig zelfs dat het stukje huid dat bij de besnijdenis is verwijderd, zal worden teruggegeven, en zij zullen terugkeren zoals zij op de wereld zijn gekomen. De paniek van de mensen op de verzamelplaats zal zo groot zijn dat zij elkaar niet zullen opmerken. Onze Rab heeft dit ook in de Qur’ān als volgt meegedeeld:

يَوۡمَ يَفِرُّ ٱلۡمَرۡءُ مِنۡ أَخِيهِ ٣٤ Op die Dag vlucht de mens van zijn broeder.

وَأُمِّهِۦ وَأَبِيهِ ٣٥ En van zijn moeder en zijn vader.

وَصَٰحِبَتِهِۦ وَبَنِيهِ ٣٦ En van zijn vrouw en zijn kinderen.

لِكُلِّ ٱمۡرِيٕٖ مِّنۡهُمۡ يَوۡمَئِذٖ شَأۡنٞ يُغۡنِيهِ ٣٧ Ieder mens zal op die Dag meer dan genoeg (om handen) hebben (sûrah ʿAbasa: 34-37)

يَوۡمَ تَأۡتِي كُلُّ نَفۡسٖ تُجَٰدِلُ عَن نَّفۡسِهَا وَتُوَفَّىٰ كُلُّ نَفۡسٖ مَّا عَمِلَتۡ وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١١١

(Gedenk) de Dag wanneer ieder persoon voor zichzelf zal pleiten, en iedereen volledig beloond wordt voor wat hij gedaan heeft en zij zullen niet onrechtvaardig behandeld worden. (sûrah an-Nahl 111] (AFK)

١٨١٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: قَامَ فِينَا النَّبِيُّ ﷺ يَخْطُبُ، فَقَالَ: إِنَّكُمْ مَحْشُورُونَ حُفَاةً عُرَاةً غُرْلًا (كَمَا بَدَأْنَا أَوَّلَ خَلْقٍ نُعِيدُهُ) الآيَةَ وَإِنَّ أَوَّلَ الْخَلاَئِقِ يُكْسى يَوْمَ الْقَيَامَةِ إِبْرَاهِيمُ وَإِنَّهُ سَيُجَاءُ بِرِجَالٍ مَنْ أُمَّتِي فَيُؤْخَذُ بِهِمْ ذَاتَ الشِّمَالِ، فَأَقُولُ: يَا رَبِّ أُصَيْحَابِي فَيَقُولُ: إِنَّكَ لاَ تَدْرِي مَا أَحْدَثُوا بَعْدَكَ فَأَقُولُ كَمَا قَالَ الْعَبْدُ الصَّالِحُ: (وَكُنْتُ عَلَيْهِمْ شَهِيدًا مَا دُمْتُ فِيهِمْ) إِلَى قَوْلِهِ (الْحَكِيمُ) قَالَ: فَيُقَالُ إِنَّهُمْ لَمْ يَزَالُوا مُرْتَدِّينَ عَلَى أَعْقَابِهِمْ1818 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond voor ons op en hield een preek waarin hij zei: 'Waarlijk, jullie zullen op de Dag der Opstanding opgewekt worden, blote voeten, naakt en onbesneden,

يَوۡمَ نَطۡوِي ٱلسَّمَآءَ كَطَيِّ ٱلسِّجِلِّ لِلۡكُتُبِۚ كَمَا بَدَأۡنَآ أَوَّلَ خَلۡقٖ نُّعِيدُهُۥۚ وَعۡدًا عَلَيۡنَآۚ إِنَّا كُنَّا فَٰعِلِينَ ١٠٤

En (gedenk) de Dag wanneer Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt; zoals Wij de eerste schepping begonnen, Wij zullen het herhalen (het is) een belofte die Ons bindt. Waarlijk, Wij zullen het doen. (sûrah al-Anbiyā’105)

En de eerste van de schepselen die op de Dag der Opstanding gekleed zal worden, is Ibrāhīm عليه السلام . En er zullen mannen uit mijn ummah (gemeenschap) komen die naar de linkerzijde (van het Hellevuur) worden gebracht. Ik zal dan zeggen: 'O mijn Rab, mijn metgezellen!' En Hij zal zeggen: 'Weet jij wat zij na jou hebben gedaan?' En ik zal antwoorden zoals de rechtvaardige dienaar (ʿĪsā عليه السلام, de Zoon van Maria) zei:

مَا قُلۡتُ لَهُمۡ إِلَّا مَآ أَمَرۡتَنِي بِهِۦٓ أَنِ ٱعۡبُدُواْ ٱللَّهَ رَبِّي وَرَبَّكُمۡۚ وَكُنتُ عَلَيۡهِمۡ شَهِيدٗا مَّا دُمۡتُ فِيهِمۡۖ فَلَمَّا تَوَفَّيۡتَنِي كُنتَ أَنتَ ٱلرَّقِيبَ عَلَيۡهِمۡۚ وَأَنتَ عَلَىٰ كُلِّ شَيۡءٖ شَهِيدٌ ١١٧

Ik heb hen niet anders gezegd, behalve wat U mij bevolen heeft te zeggen: “Aanbidt Allāh, mijn Heer en jullie Heer.” En ik was een getuige van hen, terwijl ik onder hen verbleef, maar toen U mij tot U nam, werd U de Waker over hen, en U bent Getuige van alle zaken. (sûrah al Māidah 5:117).' Hij zei: ‘Vervolgens zal tegen mij gezegd worden: 'Zij keerden zich steeds weer van hun geloof af/verzaakten de Islām.'

١٨١٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: يُحْشَرُ النَّاسُ عَلَى ثَلاَثِ طَرَائِقَ: رَاغِبِينَ رَاهِبِينَ وَاثْنَانِ عَلَى بَعِيرِ، وَثَلاَثَةٌ عَلَى بَعِيرٍ، وأَرْبَعَةٌ عَلَى بَعِير، وَعَشَرَةٌ عَلَى بَعِيرٍ وَيَحْشُرُ بَقِيَّتَهُمُ النَّارُ، تَقِيلُ مَعَهُمْ حَيْثُ قَالُوا، وَتَبِيتُ مَعَهُمْ حَيثُ بَاتُوا وَتُصْبِحُ مَعَهُمْ حَيْثُ أَصْبَحُوا، وَتُمْسى مَعَهُمْ حَيْثُ أَمْسَوْا1819 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen op de Dag der Opstanding in drie groepen verzameld worden:– Een groep die verlangend uitziet (naar de Barmhartigheid van Allah): gewilligen, vromen en hoopvollen;– Een groep die vreest (voor de bestraffing van Allah): Schuchteren en vrezenden;– en (anderen) die zwak zijn: (De tweede groep zal vervoerd worden:) sommigen twee op een kameel, anderen drie op een kameel, sommigen vier op een kameel, en sommigen zelfs tien op een kameel.

En de anderen (die zwak zijn) zullen in het Vuur verzameld worden: waar zij ook halt houden om uit te rusten, daar rust ook het Vuur met hen; waar zij overnachten, daar overnacht ook het Vuur met hen; waar zij de ochtend bereiken, daar bereikt ook het Vuur de ochtend met hen; en waar zij de avond bereiken, daar bereikt ook het Vuur de avond met hen.

[In de ḥadīth worden drie groepen mensen genoemd. De eersten zijn degenen die verlangend en bewust het Hiernamaals wensen en nastreven.

De tweede groep bestaat uit degenen die angstig zijn omdat hun voorbereiding op het Hiernamaals niet volledig is; zij verlaten deze wereld met bezorgdheid. Hun toestand verschilt onderling: sommigen zullen in het Hiernamaals met twee personen op één kameel zitten, anderen met tien op één dier, dit beeld staat symbool voor hun verschillende mate van voorbereiding. En degenen die zich totaal niet op het Hiernamaals hebben voorbereid, zullen door het Vuur zelf voortgesleept worden.] (AFK)

[De derde groep van degenen die in het Hellevuur worden verzameld, zijn zij die door het Hellevuur zelf worden meegesleurd of door de engelen naar het vuur worden gebracht. Waar zij ook heen gaan, het Vuur zal hen niet loslaten en uiteindelijk zal het hen volledig omsluiten. ] (Diyanet)

De kenmerken van de Dag des Oordeels - Moge Allah ons beschermen tegen haar moeilijkheden

في صفة يوم القيامة، أعاننا الله على أهوالها

١٨٢٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: يَوْمَ يَقُومُ النّاسُ لِرَبِّ الْعَالَمِينَ، حَتَّى يَغِيبَ أَحَدُهُمْ فِي رَشْحِهِ إِلَى أَنْصَافِ أُذُنَيْهِ

1820 - Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: يَوْمَ يَقُومُ النَّاسُ لِرَبِّ الْعَالَمِينَ “Op de Dag dat de mensen zullen opstaan voor de Heer der werelden”, (Surah al-Mutaffifien 83:6). Totdat één van hen wegzinkt in zijn zweet tot aan het midden van zijn oren.”

١٨٢١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: يَعْرَقُ النَّاسُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ حَتَّى يَذْهَبَ عَرَقُهُمْ فِي الأَرْضِ سَبْعِينَ ذِرَاعًا، وَيُلْجِمُهُمْ حَتَّى يَبْلُغَ آذَانَهُمْ1821 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen zweten op de Dag der Opstanding, totdat hun zweet 70 el de grond in zal doordringen en het zal hen tot aan hun oren bedekken.”

[Op de Dag des Oordeels zullen de mensen op het verzamelplein (mahshar) hevig zweten vanwege de benauwdheid, de angst en de nabijheid van de zon. Het zal zo intens zijn dat hun zweet zeventig el diep in de grond doordringen en tot aan hun monden stijgen als een teugel, ja zelfs hun oren bereiken.Op de Dag des Oordeels zal de zon tot op een mijl afstand van de mensen worden gebracht en de mensen zullen, afhankelijk van hun daden, in hun eigen zweet verdrinken: sommigen tot aan hun enkel, sommigen tot aan hun knieën, anderen tot aan hun middel, en weer anderen tot aan hun keel, zo diep dat ze niet meer kunnen spreken.Allahu تعالى zal op die dag, waarop er geen enkele schaduw is, diegenen die Hij wil onder de schaduw van Zijn Troon (`Arsh) laten verblijven. Terwijl de gelovigen zich verheugen in deze genade, zullen de ongelovigen zich in dodelijke schaamte bevinden.

Ze zullen verlangen om te sterven of zelfs te verdwijnen.Een dienaar zal op die dag geen mogelijkheid hebben om zijn daden te ontkennen in het bijzijn van onze Rab. Al het goede en slechte dat hij heeft verricht zal duidelijk gemaakt worden. Zelfs al probeert hij te ontkennen, de getuigen zullen zijn leugen blootleggen. Ook de mensen die in het wereldse leven getuige waren van hun daden, zullen erbij worden gehaald om tijdens de afrekening te getuigen.De ongelovigen hebben, door in opstand te komen tegen Allāh, de Schepper en de Onderhouder, de grootste zonde begaan. Daarom zullen zij op de dag van de afrekening zelfs geen mogelijkheid worden gegeven om zichzelf te verdedigen. Sterker nog, ze krijgen zelfs geen kans om een woord uit te brengen.In de ḥadīth van Imām Muslim staat: “De mensen zullen afhankelijk van hun daden in het zweet verdrinken. Sommigen tot aan hun enkels, sommigen tot aan hun knieën, sommigen tot aan hun sleutelbeenderen, en sommigen zinken zo diep weg dat hun zweet als een teugel in hun mond wordt.” (Muslim, Jannah: 62)Wat hier benadrukt wordt, is de ontzagwekkende angst van die Dag en de verschillende toestanden waarin mensen zich zullen bevinden. Sommigen zullen zo heftig zweten vanwege de moeilijkheid van de afrekening, dat ze als het ware in een zee van zweet ondergedompeld raken. Deze beschrijving maakt duidelijk hoe zwaar de afrekening voor sommigen zal zijn. Het is een waarschuwing om in dit wereldse leven zorgvuldig te zijn met ons gedrag, en om daden te vermijden die ons op de Dag des Oordeels voor Allāh in schaamte of moeilijkheden zouden kunnen brengen.] (HY)

Het tonen aan de overledene van zijn plaats in het Paradijs of in het Hellevuur, het bewijs van de bestraffing in het graf en het waarschuwen om zich te beschermen tegen de bestraffing van het grafعرض مقعد الميت من الجنة أو النار عليه، وإِثْبات عذاب القبر والتعوّذ منه

١٨٢٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ أَحَدَكمْ، إِذَا مَاتَ، عُرِضَ عَلَيْهِ مَقْعَدُهُ بِالْغَدَاةِ وَالْعَشِيِّ إِنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ، فَمِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ وَإِنْ كَانَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ؛ فَيُقَالُ هذَا مَقْعَدُكَ حَتَّى يَبْعَثَكَ اللهُ يَوْمَ الْقِيَامَةِ

1822 Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie sterft, wordt zijn zetel (in het Hiernamaals) 's ochtends en 's avonds aan hem getoond. Als hij tot de mensen van het Paradijs behoort, wordt het hem als zijn zetel van het Paradijs getoond. En als hij tot de mensen van het Vuur behoort, wordt het hem als zijn zetel van het Vuur getoond. Het wordt gezegd: 'Dit is jouw zetel totdat Allāh jou op de Dag der Opstanding opwekt.'“

١٨٢٣ - حديث أَبِي أَيُّوبَ ﵁ قَالَ: خَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ، وَقَدْ وَجَبَتِ الشَّمْسُ، فَسَمِعَ صَوْتًا فَقَالَ: يَهُودُ تُعَذَّبُ فِي قُبُورِهَا1823 Van Abû Ayyūb (رضي الله عنه) zei:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging naar buiten (om zijn behoefte te doen) toen de zon onderging en hoorde een geluid.

Hij zei: 'De joden worden in hun graven gestraft.'[Taberanī heeft via Abduljabbār ibn al-ʿAbbas, die het weer van ʿAwn overleverde met dezelfde keten van overleveraars, deze ḥadīth in verduidelijkende bewoordingen als volgt overgeleverd:“Ik ging samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar buiten toen de zon was ondergegaan. Ik had een kom vol water bij me. Hij verwijderde zich van mij om zijn behoefte te doen. Daarna kwam hij weer naar mij toe. Ik goot water voor hem uit en hij verrichtte de wudû’ (kleine rituele wassing). Daarna zei hij: ‘Hoor jij ook wat ik hoor?’ Ik zei: ‘Allāh en Zijn Boodschapper weten het het best.’ Hij zei: ‘Ik hoor de stemmen van de joden die in hun graven worden gestraft.’] (HY)

١٨٢٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ الْعَبْدَ إِذَا وُضِعَ فِي قَبْرِهِ، وَتَوَلَّى عَنْهُ أَصْحَابُهُ، وَإِنَّهُ لَيَسْمَعُ قَرْعَ نِعَالِهِمْ، أَتَاهُ مَلَكَانِ، فَيُقعِدَانِهِ فَيقُولاَنِ: مَا كُنْتَ تَقُولُ فِي هذَا الرَّجُلِ (لِمُحَمَّدٍ ﷺ فَأَمَّا الْمُؤْمِنُ فَيَقُولُ: أَشْهَدُ أَنَّهُ عَبْدُ اللهِ وَرَسُولُهُ فَيُقَالُ لَهُ: انْظُرْ إِلَى مَقْعَدِكَ مِنَ النَّارِ، قَدْ أَبْدَلَكَ اللهُ بِهِ مَقْعَدًا مِنَ الْجَنَّةِ فَيَرَاهُمَا جَمِيعًا1824 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de dienaar in zijn graf wordt gelegd en zijn metgezellen (familie, kennis en vrienden) zich van hem verwijderen, hoort hij waarlijk het geluid van hun sandalen. Dan komen er twee engelen naar hem toe. Ze laten hem (de overledene) rechtop zitten en vragen: 'Wat zei jij over deze man, Muhammad (صلى الله عليه وسلم)?' De gelovige (mu’min) antwoordt: 'Ik getuigde dat hij de dienaar van Allāh (`Abdullāh) is en Zijn rasûl.' Het wordt tegen hem gezegd: 'Kijk naar je plaats in het Vuur. Allāh heeft het vervangen door een plaats in het Paradijs.' Hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Hij ziet de beiden (zetels is het Paradijs en het Hellevuur).

Qatādah zei: “Ons is verteld dat zijn graf voor hem zal worden verruimd.”Dan gaat de verteller verder met de ḥadīth van Anas. Maar de hypocriet en de ongelovige zullen antwoorden: 'Ik weet niet (wat ik over deze man (Muhammed (صلى الله عليه وسلم) moet zeggen). Ik zei wat de mensen zeiden.' Het wordt (door de twee engelen) tegen hem gezegd: 'Je wist het wel en je volgde hen.' Daarna wordt hij geslagen met een ijzeren hamer waarop hij een schreeuw uitstoot die door iedereen rondom hem gehoord wordt, behalve door de twee schepselen (ath-thaqalayn: mensen en jiens).”

١٨٢٥ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا أُقْعِدَ الْمُؤْمِنُ فِي قَبْرِهِ أُتِيَ، ثُمَّ شَهِدَ أَنْ لاَ إِله إِلاَّ اللهُ، وَأَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللهِ، فَذلِكَ قَوْلُهُ (يُثَبِّتُ اللهُ الَّذِينَ آمَنُوا بَالْقَوْلِ الثَّابِتِ)1825 - Van al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de gelovige in zijn graf wordt geplaatst, komt er (een engel) tot hem in zijn graf en getuigt hij: 'Er is geen godheid dan Allāh, en Muhammad is Rasûlullāh.' Dit is wat wordt bedoeld in de uitspraak van Allāh: يُثَبِّتُ ٱللَّهُ ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ بِٱلۡقَوۡلِ ٱلثَّابِتِ فِي ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا وَفِي ٱلۡأٓخِرَةِۖ وَيُضِلُّ ٱللَّهُ ٱلظَّٰلِمِينَۚ وَيَفۡعَلُ ٱللَّهُ مَا يَشَآءُ ٢٧

Allāh versterkt degenen die geloven met de standvastige uitspraak (de geloofsbelijdenis) tijdens het wereldse leven en in het Hiernamaals. En Allāh zal degenen die onrechtvaardig zijn laten dwalen, en Allāh doet wat Hij wil. (sûrah Ibrahim 14:27), Deze āyah is neergezonden met betrekking tot de bestraffing in het graf.”

١٨٢٦ - حديث أَبِي طَلْحَةَ، أَنَّ نَبِيَّ اللهِ ﷺ، أَمَرَ يَوْمَ بَدْرٍ بِأَرْبَعَةٍ وَعِشْرِينَ رَجُلًا مِنْ صَنَادِيدِ قُرَيْشٍ، فَقُذِفُوا فِي طَوِيٍّ مِنْ أَطْوَاءِ بَدْرٍ، خَبِيثٍ مُخْبِثٍ وَكَانَ إِذَا ظَهَرَ عَلَى قَوْمٍ أَقَامَ بِالْعَرْصَةِ ثَلاَثَ لَيَالٍ فَلَمَّا كَانَ بِبَدْرٍ، الْيَوْمَ الثَّالِثَ، أَمَرَ بَرَاحِلَتِهِ فَشُدَّ عَلَيْهَا رَحْلُهَا ثُمَّ مَشَى وَاتَّبَعَهُ أَصْحَابُهُ وَقَالُوا مَا نُرَى يَنْطَلِقُ إِلاَّ لِبَعْضِ حَاجَتِهِ حَتَّى قَامَ عَلَى شَفَةِ الرَّكِيِّ فَجَعَلَ يُنَادِيهِمْ بِأَسْمَائِهِمْ وَأَسْمَاءِ آبَائِهِمْ: يَا فُلاَنُ بْنَ فُلاَنٍ وَيَا فُلاَنُ بْنَ فُلاَن أَيَسُرُّكُمْ أنَّكُمْ أَطَعْتُمُ اللهَ وَرَسُولَهُ فَإِنَّا قَدْ وَجَدْنَا مَا وَعَدَنَا رَبُّنَا حَقًّا، فَهَلْ وَجَدْتُمْ مَا وَعَدَ رَبُّكُمْ حَقًّا قَالَ: فَقَالَ عُمَرُ: يَا رَسُولَ اللهِ مَا تُكَلِّمُ مِنْ أَجْسَادٍ لاَ أَرْوَاحَ لَهَا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ مَا أَنْتُمْ بِأَسْمَعَ لِمَا أَقُولُ مِنْهُمْ1826 – Van Anas ibn Mālik via Abû Ṭalḥah (رضي الله عنهما): zei:Op de dag van Badr gaf NabieAllah (صلى الله عليه وسلم) opdracht om vierentwintig lijken van de leiders van Quraysh bijeen te brengen.

Ze werden in een put in Badr, waarin vuil werd gestort, geworpen. Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de overwinnaar had behaald over een volk, bleef hij meestal drie dagen bij hen. Op de derde dag in Badr gaf hij de opdracht om zijn kamelen uit te rusten. Daarna begon hij te lopen, gevolgd door zijn metgezellen. Ze vroegen: 'We denken dat hij ergens naartoe gaat om zijn behoefte te doen.' Totdat hij bij de rand van de put stond en hen begon aan te roepen, door hun namen en de namen van hun vaders: 'O zoon van die en die, 'o zoon van die en die, zou het jullie verheugen als jullie Allāh en Zijn Boodschapper gehoorzaamd hadden? Wij hebben zeker bevonden dat hetgeen onze Rab ons beloofd had, waar is. Voorwaar, Hij heeft Zijn belofte waargemaakt. Hebben jullie ook bevonden dat hetgeen jullie Rab jullie beloofd had, waar is?”`Umar zei: “O Rasûlullāh, wat praat u tegen lichamen zonder zielen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Bij Hem in Wiens hand Muhammeds ziel is, jullie horen mij niet beter dan zij.”Qatādah zei: “Allāh heeft hen levend gemaakt zodat Hij hen Zijn woorden kon laten horen, als vernedering, afwijzing, vergelding, spijt en berouw.”

De bevestiging van de afrekening (op de Dag des Oordeels)

إِثبات الحساب

١٨٢٧ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ كَانَتْ لاَ تَسْمَعُ شَيْئًا لاَ تَعْرِفُهُ إِلاَّ رَاجَعَتْ فِيهِ حَتَّى تَعْرِفَهُ وَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: مَنْ حُوسِبَ عُذِّبَ قَالَتْ عَائِشَةُ: فَقُلْتُ أَوَلَيْسَ يَقُولُ اللهُ تَعَالَى (فَسَوْفَ يُحَاسَبُ حِسَابًا يَسِيرًا) قَالَتْ: فَقَالَ إِنَّمَا ذَلِكَ الْعَرْضُ، وَلكِنْ مَنْ نُوقِشَ الْحِسَابَ يَهْلِكْ

1827 - Van ʿĀʾishah, de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Wanneer ik iets hoorde wat ik niet begreep, vroeg ik daar over totdat ik het begreep En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie ter verantwoording wordt geroepen, zal gestraft worden.”Ik (ʿĀʾishah) zei: “Maar zegt Allāh تعالى , niet:فَسَوۡفَ يُحَاسَبُ حِسَابٗا يَسِيرٗا ٨ Hij (die zijn boek aan de rechterzijde wordt gegeven) zal zeker een gemakkelijke afrekening krijgen. (sûrah Inshiqaq 8)Hij zei: Dat is slechts al-ʿarḍ (het tonen van de daden); maar wie tot in detail streng ter verantwoording (ḥisāb), wordt geroepen, zal vergaan/is verloren).

[Het grondig onderzoeken van iemands daden leidt tot de verdiende straf. De weegschaal (mizān) weegt de goed en de slechte daden. Degene wiens rekening (daden) niet in balans is (waarbij de zonden de goede daden overtreffen), zal verloren gaan. De acceptatie van iemands goede daden hangt af van de goedkeuring van Allāh. Als Allāh, uit Zijn genade, deze niet accepteert, zal de tussenkomst (shafa`ah) niet plaatsvinden.] (HY)

١٨٢٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ ﵄، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا أَنْزَلَ اللهُ بِقَوْمٍ عَذَابًا، أَصَابَ الْعَذَابُ مَنْ كَانَ فِيهِمْ، ثُمَّ بُعِثُوا عَلَى أَعْمَالِهِمْ1828 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer Allāh een volk met een bestraffing treft, dan treft die bestraffing zowel de goede als de slechte mensen die zich onder hen bevinden. Daarna zullen zij (op de Dag der Opstanding) worden opgewekt op grond van hun (eigen) daden.”