Kitabu’l Li`ān: Boek van wederzijdse vervloeking
[Liʿān is een vorm van scheiding die het huwelijk definitief beëindigt.Wanneer een man zijn vrouw beschuldigt van overspel, maar geen getuigen kan aandragen, dan moet hij vier keer Allāh tot getuige nemen dat hij tot de waarachtigen behoort, en de vijfde keer Allāh's vloek over zichzelf afroepen als hij liegt.In reactie daarop moet de vrouw vier keer zweren bij Allāh dat haar man liegt, en bij de vijfde keer Allāh’s toorn over zichzelf afroepen als haar man tot de waarachtigen behoort. Over deze kwestie zegt de Qurʾān het volgende (sūrah an-Nūr, 6–9):
وَٱلَّذِينَ يَرۡمُونَ أَزۡوَٰجَهُمۡ وَلَمۡ يَكُن لَّهُمۡ شُهَدَآءُ إِلَّآ أَنفُسُهُمۡ فَشَهَٰدَةُ أَحَدِهِمۡ أَرۡبَعُ شَهَٰدَٰتِۭ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ ٦
En degenen die hun echtgenotes beschuldigen, maar geen andere getuigen hebben dan zichzelf, laat ieder van hen vier maal in de naam van Allāh zweren, dat hij degene is die de waarheid spreekt.
وَٱلۡخَٰمِسَةُ أَنَّ لَعۡنَتَ ٱللَّهِ عَلَيۡهِ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ ٧
En de vijfde (getuigenis) (moet) de oproeping van de vloek van Allāh over hem zijn, als hij een leugen (over haar) verteld heeft.
وَيَدۡرَؤُاْ عَنۡهَا ٱلۡعَذَابَ أَن تَشۡهَدَ أَرۡبَعَ شَهَٰدَٰتِۭ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ ٨
Maar het zal de bestraffing van haar afwenden, als zij vier maal voor Allāh getuigt (zweert) dat hij een leugen vertelt.
Na deze wederzijdse eedsaflegging en vervloeking (liʿān), wordt de vrouw vrijgesteld van de had-straf voor overspel, en wordt de man vrijgesteld van de straf voor valse beschuldiging/laster (van ontucht) (qaḏf).Echter, na het verrichten van deze liʿān is het huwelijk onherroepelijk beëindigd, de man en vrouw mogen nooit meer met elkaar trouwen.Een andere vorm van liʿān vindt plaats wanneer de man twijfelt aan het vaderschap van een geboren kind en beweert dat het kind niet van hem is.] (AFK)
٩٥٢ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ، أَنَّ عُوَيْمِرًا الْعَجْلاَنِيَّ جَاءَ إِلَى عَاصِمِ بْنِ عَدِيٍّ الأَنْصَارِيِّ، فَقَالَ لَهُ: يَا عَاصِمُ أَرَأَيْتَ رَجُلًا وَجَدَ مَعَ امْرَأَتِهِ رَجُلًا أَيَقْتُلُهُ فَتَقْتُلُونَهُ، أَمْ كَيْفَ يَفْعَلُ سَلْ لِي يَا عَاصِمُ عَنْ ذَلِكَ رَسُولَ اللهِ ﷺ؛ فَسَأَلَ عَاصِمٌ عَنْ ذَلِكَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَكَرِهَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الْمَسَائِلَ وَعَابَهَا، حَتَّى كَبُرَ عَلَى عَاصِمٍ مَا سَمِعَ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَلَمَّا رَجَعَ عَاصِمٌ إِلَى أَهْلِهِ، جَاءَ عُوَيْمِرٌ، فَقَالَ: يَا عَاصِمُ مَاذَا قَالَ لَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَقَالَ عَاصِمٌ: لَمْ تَأْتِنِي بِخَيْرٍ، قَدْ كَرِهَ رَسُولُ اللهِ ﷺ الْمَسْئَلَةَ الَّتِي سَأَلْتُهُ عَنْهَا قَالَ عُوَيْمِرٌ: وَاللهِ لاَ أَنْتَهِي حَتَّى أَسْأَلَهُ عَنْهَا فَأَقْبَلَ عُوَيْمِرٌ حَتَّى أَتَى رَسُولَ اللهِ ﷺ وَسْطَ النَّاس فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ أَرَأَيْتَ رَجُلًا وَجَدَ مَعَ امْرَأَتِهِ رَجُلًا أَيَقْتُلُهُ فَتَقْتُلُونَهُ أَمْ كَيْفَ يَفْعَلُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قَدْ أَنْزَلَ اللهُ فِيكَ وَفِي صَاحِبَتِكَ، فَاذْهَبْ فَأْتِ بِهَا
قَالَ سَهْلٌ: فَتَلاَعَنَا، وَأَنَا مَعَ النَّاسِ عِنْدَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَلَمَّا فَرَغَا قَالَ عُوَيْمِرٌ: كَذَبْتُ عَلَيْهَا يَا رَسُولَ اللهِ إِنْ أَمْسَكْتُهَا؛ فَطَلَّقَهَا ثَلاَثًا، قَبْلَ أَنْ يَأْمُرَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ
952 – Van Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī (رضي الله عنه):ʿUwajmir al-ʿAjlānī kwam naar ʿĀṣim ibn ʿAdiyy al-Anṣārī en zei tegen hem: “O ʿĀṣim, wat denk je van een man die een andere man met zijn vrouw betrapt (op ontucht), doodt hij hem dan, waarna jullie hém doden (door qiṣāṣ: wedervergelding)? Of wat moet hij doen? O ʿĀṣim, Zou je deze kwestie voor mij aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) willen voorleggen?” Toen vroeg ʿĀṣim het aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een afkeer van dergelijke vragen en wees ze af.Het viel ʿĀṣim zwaar wat hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gehoord, en toen hij naar zijn volk terugkeerde, kwam ʿUwajmir opnieuw naar hem toe en vroeg: “O ʿĀṣim, wat heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen jou gezegd?”ʿĀṣim antwoordde: “Je hebt me niets goeds gebracht. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een afkeer voor de vraag die ik hem hierover stelde.”Toen zei ʿUwajmir: “Bij Allāh, ik zal niet rusten voordat ik het hem zelf vraag.”Daarop ging hij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl de mensen erbij waren en zei: “O Rasûlullāh, wat denk je van een man die een andere man met zijn vrouw betrapt (op ontucht), doodt hij hem dan, waarna jullie hém doden? Of wat moet hij doen?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft een openbaring over jou en jouw vrouw neergezonden.
Ga, en breng haar hierheen.”Sahl zei: “Toen verrichtten zij beiden de liʿān (wederzijdse vervloeking ), terwijl ik met de mensen bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was.Toen zij klaar waren, zei ʿUwajmir: “O Rasûlullāh, als ik haar bij me houd, doe ik haar dan onrecht/laster aan.”En hij scheidde van haar door haar drie keer te verstoten, nog vóórdat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem daartoe had opgedragen.Ibn Shihāb zei: “Deze handeling is een gewoonte (sunnah) geworden onder degenen die de liʿān verrichten.”
[Volgens de Islām is de waardigheid en de eer van ieder individu onaantastbaar en beschermd tegen elke vorm van aantasting, zonder enig onderscheid naar ras, taal, religie, leeftijd of geslacht. Een van de bijzondere bepalingen die hierover is ingesteld, betreft valse beschuldiging van overspel (zinā). Degene die een ander van overspel beschuldigt, is verplicht dit met ten minste vier ooggetuigen te bewijzen die de daad zelf en duidelijk hebben gezien. Als hij dit niet kan aantonen, wordt hij wegens qaḏf (laster) bestraft.Voor echtgenoten geldt echter een uitzondering. Wanneer een man beweert dat zijn vrouw overspel heeft gepleegd, of dat het kind dat geboren is niet van hem afkomstig is, maar dit niet met getuigen kan aantonen, wordt hij niet bestraft wegens laster.
In plaats daarvan wordt er een juridische procedure toegepast die liʿān (wederzijdse vervloeking) wordt genoemd.Liʿān houdt in dat de echtgenoot, in aanwezigheid van de rechter, zijn beschuldiging vier keer bevestigt door bij Allāh te zweren dat hij de waarheid spreekt, en de vijfde keer zegt: “Moge de vloek van Allāh op mij rusten als ik tot de leugenaars behoor.”De vrouw daarentegen zweert op dezelfde manier vier keer dat haar man tot de leugenaars behoort en dat zij onschuldig is, en de vijfde keer zegt zij: “Moge de toorn van Allāh op mij rusten als mijn man tot de waarachtigen behoort.”Omdat zelfs het vermoeden of de overtuiging dat een dergelijke zonde is begaan de basis van het huwelijksleven ondermijnt, is het raadzaam dat zo’n huwelijk wordt beëindigd, ook als de beschuldiging niet met zekerheid bewezen kan worden.In de ḥadīth wordt vermeld dat, vanwege de situatie van de metgezel ʿUwaymir (رضي الله عنه), die zulke informatie over zijn vrouw had, de verzen werden geopenbaard waarin dit nieuwe juridische oordeel werd vastgelegd. Het betreft de verzen 6-9 van surah an-Nūr:
وَٱلَّذِينَ يَرۡمُونَ أَزۡوَٰجَهُمۡ وَلَمۡ يَكُن لَّهُمۡ شُهَدَآءُ إِلَّآ أَنفُسُهُمۡ فَشَهَٰدَةُ أَحَدِهِمۡ أَرۡبَعُ شَهَٰدَٰتِۭ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ ٦
En degenen die hun echtgenotes beschuldigen, maar geen andere getuigen hebben dan zichzelf, laat ieder van hen vier maal in de naam van Allāh zweren, dat hij degene is die de waarheid spreekt.
وَٱلۡخَٰمِسَةُ أَنَّ لَعۡنَتَ ٱللَّهِ عَلَيۡهِ إِن كَانَ مِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ ٧
En de vijfde (getuigenis) (moet) de oproeping van de vloek van Allāh over hem zijn, als hij een leugen (over haar) verteld heeft.
وَيَدۡرَؤُاْ عَنۡهَا ٱلۡعَذَابَ أَن تَشۡهَدَ أَرۡبَعَ شَهَٰدَٰتِۭ بِٱللَّهِ إِنَّهُۥ لَمِنَ ٱلۡكَٰذِبِينَ ٨
Maar het zal de bestraffing van haar afwenden, als zij vier maal voor Allāh getuigt (zweert) dat hij een leugen vertelt.
وَٱلۡخَٰمِسَةَ أَنَّ غَضَبَ ٱللَّهِ عَلَيۡهَآ إِن كَانَ مِنَ ٱلصَّٰدِقِينَ ٩
En haar vijfde (getuigenis) moet zijn, dat zij de wraak van Allāh op haar roept als hij de waarheid spreekt. (an-Nūr, 24:6-9)] (Diyanet)
٩٥٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ لِلْمُتَلاَعِنَيْنِ: حِسَابُكُمَا عَلَى اللهِ، أَحَدُكُمَا كَاذِبٌ، لاَ سَبِيلَ لَكَ عَلَيْهَا قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ مَالِي قَالَ: لاَ مَالَ لَكَ، إِنْ كُنْتَ صَدَقْتَ عَلَيْهَا فَهُوَ بِمَا اسْتَحْلَلْتَ مِنْ فَرْجِهَا، وَإِنْ كُنْتَ كَذَبْتَ عَلَيْهَا فَذَاكَ أَبْعَدُ، وَأَبْعَدُ لَكَ مِنْهَا953 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen de twee (Hilāl Ibn Umayyah en zijn vrouw bij wie huwelijk is beëindigd door middel van liʿān (wederzijdse vervloeking), het volgende: “Jullie afrekening is bij Allāh; één van jullie is een leugenaar. Jij hebt geen recht meer op haar.”De man zei: “O Rasûlullāh, wat gebeurt er met mijn bruidsschat?”Hij zei: “Jij hebt geen recht op iets. Als je de waarheid over haar hebt gesproken,dan is het (de bruidsschat) voor wat je van haar intiem hebt mogen genieten.Maar als je hebt gelogen (over overspel), dan ben jij degene die het verst van haar verwijderd moet zijn.”
٩٥٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ لاَعَنَ بَيْنَ رَجُلٍ وَامْرَأَتِهِ، فَانْتَفَى مِنْ وَلَدِهَا، فَفَرَّقَ بَيْنَهُمَا، وَأَلْحَقَ الْوَلَدَ بِالْمَرْأَةِ954 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte liʿān (wederzijdse vervloeking) tussen een man en zijn vrouw, waarbij de man het vaderschap van haar kind ontkende. Daarop scheidde hij (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hen van elkaar en kende het kind toe aan de vrouw.
٩٥٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّهُ ذُكِرَ التَّلاَعُنُ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ عَاصِمُ بْنُ عَدِيٍّ فِي ذَلِكَ قَوْلًا ثُمَّ انْصَرَفَ فَأَتَاهُ رَجُلٌ مِنْ قَوْمِهِ يَشْكُو إِلَيْهِ أَنَّهُ قَدْ وَجَدَ مَعَ امْرَأَتِهِ رَجُلًا، فَقَالَ عَاصِمٌ: مَا ابْتُلِيتُ بِهذَا إِلاَّ لِقَوْلِي فَذَهَبَ بِهِ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَأَخْبَرَهُ بِالَّذِي وَجَدَ عَلَيْهِ امْرَأَتَهُ وَكَانَ ذَلِكَ الرَّجُلُ مُصْفَرًّا، قَلِيلَ اللَّحْمِ، سَبْطَ الشَّعَرِ؛ وَكَانَ الَّذِي ادَّعَى عَلَيْهِ، أَنَّهُ وَجَدَهُ عِنْدَ أَهْلِهِ، خَدْلًا، آدَمَ، كَثِيرَ اللَّحْمِ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اللهُمَّ بَيِّنْ فَجَاءَتْ شَبِيهًا بِالرَّجُلِ الَّذِي ذَكَرَ زَوْجُهَا أَنَّهُ وَجَدَهُ، فَلاَعَنَ النَّبِيُّ ﷺ بَيْنَهُمَا
قَالَ رَجُلٌ لاِبْنِ عَبَّاسٍ، فِي الْمَجْلِسِ: هِيَ الَّتِي قَالَ النَّبِيُّ ﷺ لَوْ رَجَمْتُ أَحَدًا بِغَيْرِ بَيِّنَةٍ رَجَمْتُ هذِهِ فَقَالَ: لاَ، تِلْكَ امْرَأَةٌ كَانَتْ تُظْهِرُ فِي الإِسْلاَمِ السُّوءَ
955 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Er werd gesproken over liʿān (wederzijdse vervloeking) in het bijzijn van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Āṣim ibn ʿAdiyy gaf zijn mening hierover en ging daarna weg.
Toen kwam er een man uit zijn clan naar hem toe en klaagde dat hij een andere man bij zijn vrouw had aangetroffen.ʿĀṣim zei: “Ik ben hiermee beproefd vanwege wat ik daarstraks zei.”Hij nam hem mee naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem wat hij had gezien.De beschuldigde man had een gele huidskleur, was mager en had sluik haar, terwijl de beschuldiger had verklaard dat de man bij zijn vrouw stevig gebouwd, donker en vlezig was.Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O Allāh, maak de waarheid duidelijk!”Uiteindelijk leek het kind sprekend op de man die de beschuldiger was genoemd.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet hen liʿān verrichten.Een man zei tegen Ibn ʿAbbās tijdens de bijeenkomst: “Is dit de vrouw over wie an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Als ik iemand zonder bewijs zou stenigen, zou ik haar stenigen?”Hij (Ibn ʿAbbās ) antwoordde: “Nee, dat was een andere vrouw die openlijk slecht gedrag vertoonde in de Islām.”
[ʿĀṣim (رضي الله عنه) was een van de leiders van de stam Ajlān. Hij had tegenover an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ondoordacht gesproken en gezegd: “Als ik een man bij mijn vrouw aantref, dan zal ik hem beslist met het zwaard neerslaan.”
Later kwam iemand uit zijn stam daadwerkelijk in deze situatie terecht. Daarop zei hij: “Wat mij is overkomen, heb ik aan mijn eigen woorden te danken.”
In een overlevering die door Imām Muslim is overgeleverd (Ṣaḥīḥ Muslim, Kitāb al-Liʿān), wordt het volgende verteld door ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): “Wij bevonden ons op een vrijdagavond in de moskee.
Toen kwam er iemand van de Anṣār en zei: ‘Wat als iemand een man bij zijn vrouw betrapt en dit vertelt? Zouden jullie hem dan de ḥadd-straf geven wegens valse beschuldiging (ḥadd al-qaḏf)?Of als hij die man doodt, zouden jullie dan qiṣāṣ (wedervergelding) toepassen en hém doden?En als hij zwijgt, dan heeft hij gezwegen over iets waarover men woedend zou moeten zijn!’Bij Allāh, ik zal deze zaak aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voorleggen!”
De volgende dag kwam hij naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: “Wat als iemand een man bij zijn vrouw betrapt en dit zegt, geeft u hem dan de ḥadd-straf voor valse beschuldiging (qaḏf)?Of als hij die man doodt, wordt hij dan zelf geëxecuteerd als vergelding?En als hij zwijgt, dan heeft hij gezwegen over iets dat woede verdient?”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei daarop: “O Allāh, breng duidelijkheid in deze zaak!”
Hij begon Allāh om uitleg te smeken, waarna de āyah over liʿān werd geopenbaard.Wat in deze verzen werd beschreven, was precies van toepassing op de man die deze vraag had gesteld.
Hij en zijn vrouw kwamen vervolgens naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en verrichtten de liʿān.De man nam Allāh vier keer tot getuige dat hij de waarheid sprak, en bij de vijfde keer riep hij de vloek van Allāh over zichzelf af indien hij loog.
Daarna wilde ook de vrouw de liʿān verrichten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen haar: “Kom, geef het op.”
Maar zij weigerde. Toen zij vertrokken, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Zij zal waarschijnlijk een kind baren dat donker is en kroezend haar heeft.”
En uiteindelijk baarde zij inderdaad een donker kind met kroezend haar.] (AFK)
٩٥٦ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ، قَالَ: قَالَ سَعْد ابْنُ عُبَادَةَ: لَوْ رَأَيْتُ رَجُلًا مَعَ امْرَأَتِي لَضَرَبْتُهُ بِالسَّيْفِ غَيْرَ مُصْفَحٍ فَبَلَغَ ذلِكَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: تَعْجَبُونَ مِنْ غَيْرَةِ سَعْدٍ وَاللهِ لأَنَا أَغْيَرُ مِنْهُ، وَاللهُ أَغْيَرُ مِنِّي وَمِنْ أَجْلِ غَيْرَةِ اللهِ حَرَّمَ الْفَوَاحِشَ مَا ظَهَرَ مِنْهَا وَمَا بَطَنَ؛ وَلاَ أَحَدَ أَحَبُّ إِلَيْهِ الْعُذْرُ مِنَ اللهِ، وَمِنْ أَجْلِ ذَلِك بَعَثَ الْمُبَشِّرِينَ وَالْمُنْذِرِينَ؛ وَلاَ أَحَدَ أَحَبُّ إِلَيْهِ الْمَدْحَةُ مِنَ اللهِ، وَمِنْ أَجْلِ ذَلِكَ وَعَدَ اللهُ الْجَنَّةَ956 – Van al-Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه) zei: “Als ik een man bij mijn vrouw zou aantreffen, dan zou ik hem met het zwaard slaan, niet met de platte kant (maar met de scherpe zijde).”Toen dit Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bereikte, zei hij: “Verwonderen jullie je over de jaloezie van Saʿd? Bij Allāh, ik ben nog jaloerser dan hij, en Allāh is nog jaloerser dan ik. Vanwege Allāhs jaloezie heeft Hij de verdorvenheden verboden, zowel het openlijke als het verborgene.Er is niemand die meer waarde hecht aan het aanvoeren van bewijzen dan Allāh.
Daarom heeft Allāh vele profeten gezonden als brengers van blijde tijdingen (mubashshirīn) en als waarschuwingen (mundzirīn).Eveneens is er niemand die meer houdt van lof en eer dan Allāh. Daarom heeft Hij als beloning het Paradijs vastgesteld.”
٩٥٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَجُلًا أَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ وُلِدَ لِي غُلاَمٌ أَسْوَدُ، فَقَالَ: هَلْ لَكَ مِنْ إِبِلٍ قَالَ: نَعَمْ، قَالَ: مَا أَلْوَانَهَا قَالَ: حُمْرٌ قَالَ: هَلْ فِيهَا مِنْ أَوْرَقَ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: فَأَنَّى ذَلِكَ قَالَ: لَعَلَّهُ نَزَعَهُ عِرْقٌ قَالَ: فَلَعَلَّ ابْنكَ هذَا نَزَعَهُ957 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, (mijn vrouw heeft) een donkere jongen gebaard.”- “Heb jij kamelen?”- “Ja.”- “Wat is hun kleur?”- “Roodachtig.”- “Is er ook een grijs tussen hen?”- “Ja.”- “Hoe komt dat dan?”- “Misschien heeft een voorouderlijke ader zich gemengd.”- “Misschien is dat ook bij jouw zoon gebeurd.”
[Dat deze ḥadīth in het hoofdstuk over echtscheiding is opgenomen, komt doordat de hierboven genoemde persoon bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanklopte vanwege zijn overtuiging dat het kind niet van hem was. Als het kind inderdaad niet van hem was, dan zou dat betekenen dat zijn vrouw overspel had gepleegd. En als hij dat niet wilde accepteren, dan zou het tot liʿān komen, waarbij hij door middel van wederzijdse vervloeking van zijn vrouw scheidde.] (AFK)