Kitabu’l masājid wa mawādi`u’s ṣalāh: Moskeeën en de plaatsen waar ṣalāh wordt verricht
٢٩٨ - حديث أَبِي ذَرٍّ ﵁، قَالَ: قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ أيُّ مَسْجِدٍ وُضِعَ فِي الأَرْضِ أَوَّلُ قَالَ: الْمَسْجِدُ الْحَرَامُ قَالَ: قُلْتُ ثُمَّ أيُّ قَالَ: الْمَسْجِدُ الأَقْصى قُلْتُ: كَمْ كَانَ بَيْنَهُمًا قَالَ: أَرْبَعُونَ سَنَةً، ثُمَّ أَيْنَمَا أَدْرَكَتْكَ الصَّلاَةُ بَعْدُ، فَصَلِّ، فَإِنَّ الْفَضْلَ فِيهِ298 -). Van Abū Dzar رضي الله عنه:Ik zei: “O Rasûlullāh, welke masjid werd als eerste op aarde gebouwd?”Hij zei: “Al-Masjid al-Ḥarām.”“En daarna welke?”“Al-Masjid al-Aqṣā.”“Hoeveel jaar zat ertussen?”“Veertig jaar. En waar jij je ook bevindt wanneer de tijd van de ṣalāh aanbreekt, verricht dan de ṣalāh. Want de meest verdienstelijke ṣalāh is die binnen de daarvoor vastgestelde tijd wordt verricht.”
٢٩٩ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أُعْطِيتُ خَمْسًا لَمْ يُعْطَهُنَّ أَحَدٌ مِنَ الأَنْبِيَاءِ قَبْلِي: نُصِرْتُ بِالرُّعْبِ مَسِيرَةَ شَهْرٍ، وَجُعِلَتْ لِيَ الأَرْضُ مَسْجِدًا وَطَهُورًا، فَأَيُّمَا رَجُلٍ مِنْ أُمَّتِي أَدْرَكَتْهُ الصَّلاَةُ فَلْيُصَلِّ، وَأُحِلَّتْ لِيَ الْغَنَائِمُ، وَكَانَ النَبِيُّ ﷺ يُبْعَثُ إِلَى قَوْمِهِ خَاصَّةً وَبُعِثْتُ إِلَى النَّاس كَافَّةً، وَأُعْطِيتُ الشَّفَاعَةَ299 –) Van Jābir ibn ʿAbdillāh رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er zijn mij vijf zaken gegeven die aan geen enkele profeet vóór mij gegeven zijn:
Ik ben geholpen door de angst (die Allāh bij de vijand in het hart wordt geworpen op) een afstand van een maandreis;
De aarde is voor mij tot gebedsplaats en reine plaats gemaakt; dus als de tijd voor de ṣalāh komt voor iemand uit mijn, laat hij dan de ṣalāh verrichten waar hij ook is;
De oorlogsbuiten (ghanāim) is voor mij toegestaan (en dat was niemand voor mij toegestaan);
Elk (voorgaande) profeet werd slechts naar zijn eigen volk gezonden, terwijl ik naar de gehele mensheid ben gezonden;
En mij is de voorspraak (shafāʿah) gegeven.”
[In de ḥadīthliteratuur zijn meerdere overleveringen te vinden over de uitzonderlijke gaven die aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn geschonken.
In sommige aḥādīth wordt vermeld dat hem vijf zaken zijn gegeven, in andere drie, en in weer andere zelfs zes, waarmee hij boven de overige profeten wordt verheven. Op het eerste gezicht lijken deze aantallen met elkaar in tegenspraak, maar in werkelijkheid is daarvan geen sprake.
Imām al-Qurṭubī licht dit als volgt toe:“Dit moet niet worden opgevat als een tegenstrijdigheid. De indruk van tegenspraak ontstaat alleen wanneer men veronderstelt dat deze getallen elkaar uitsluiten, terwijl dat niet het geval is. Wanneer iemand zegt: ‘Ik bezit vijf gouden munten,’ betekent dit niet dat hij geen andere munten heeft. Iemand die dertig gouden munten bezit, kan op een ander moment zeggen: ‘Ik heb twintig munten,’ en later: ‘Ik heb dertig munten.’ Voor iemand die dertig munten bezit, is het dus juist om te zeggen dat hij er twintig of tien heeft. Er is hier geen tegenstrijdigheid. Zo kan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) berichten dat Allāh hem eerst drie, vervolgens vijf en daarna zes eigenschappen heeft geschonken, zonder dat er sprake is van een conflict.”Er bestaan nog vele andere overleveringen over dit onderwerp. Uit al deze aḥādīth kan worden afgeleid dat de bijzondere eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet beperkt zijn tot vijf, en zelfs niet tot tien. Abū Saʿīd an-Nīsābūrī heeft in zijn werk Sharafu’l-Muṣṭafā deze unieke eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verzameld en er maar liefst zestig opgesomd.
De aḥādīth waarin deze eigenschappen worden genoemd, kunnen thematisch als volgt worden ingedeeld. Hieronder volgen de eerste eigenschappen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zoals zij in de overleveringen voorkomen:
1. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is tot de gehele mensheid als profeet gezonden.Volgens Ibn al-Jawzī werd in het verleden aan ieder volk een afzonderlijke profeet gestuurd, waardoor in één tijdperk meerdere profeten konden leven. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daarentegen werd als enige profeet gezonden, en in zijn tijd is geen andere profeet meer gezonden.
2.
De angst die de vijand voor hem en zijn leger voelt, zelfs op een afstand van een maandreis afstand (een afstand van de afstand die een reiziger in één maand kan afleggen, doorgaans te paard of met een kameel, met een normale reissnelheid):Met “een maandreis afstand” wordt niet bedoeld dat alleen degenen binnen die afstand angst voelden en degenen daarbuiten niet. In die periode bevonden zich geen vijanden verder dan een maandreis van Madīnah, waardoor dit als de maximale afstand werd genoemd. Ongeacht de afstand wekt de aanwezigheid van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en het islamitische leger altijd vrees in de harten van de vijanden, omdat zij weten dat zijn zaak uiteindelijk zal zegevieren.
3. De aarde is tot een masjid gemaakt.Dit betekent dat de aarde in haar geheel geschikt is als plaats voor sujūd en ṣalāh, en niet beperkt is tot specifieke gebedsgebouwen. Qāḍī ʿIyāḍ vermeldt dat eerdere profeten slechts op aangewezen plaatsen mochten bidden, zoals kerken of synagogen, en dat sommige geleerden stelden dat gebed alleen op volledig reine plaatsen was toegestaan. Voor deze ummah is het echter toegestaan om overal ṣalāh te verrichten, behalve op plaatsen die door de sharīʿah expliciet zijn uitgesloten. Ook het verrichten van tayammum op elke geschikte plek behoort tot deze bijzondere gunsten die aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn geschonken.
4. De oorlogsbuit (ghanimah) is ḥalāl verklaard voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Onder ghanimah worden de bezittingen verstaan die het islamitische leger na overwinning van de ongelovigen verkrijgt. Al-Ḥallābī vermeldt dat eerdere gemeenschappen hierin in twee categorieën vielen: sommigen mochten helemaal geen oorlogsbuit nemen, terwijl anderen deze wel mochten verzamelen, maar het niet was toegestaan ervan te profiteren. Wanneer zij dit toch deden, daalde er een vuur uit de hemel neer dat de oorlogsbuit verteerde.
5. De voorspraak (shafāʿah) op de Dag des Oordeels.Shafāʿah betekent het vragen om goed voor iemand te doen of het afwenden van kwaad.
Sommigen beschrijven het als een vorm van smeekbede, waarbij een tussenpersoon namens een ander een verzoek richt tot de heerser. Volgens Ibn Daqīq al-ʿĪd duidt dit in de eerste plaats op de grote voorspraak die de mensheid op de Dag des Oordeels verlichting en ademruimte zal schenken, waarover geen meningsverschil bestaat.
Geleerden hebben gesteld dat dit de bijzondere en onbetwiste shafāʿah van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) is. Sommigen leggen dit uit als de voorspraak waardoor mensen die zelfs maar een stofdeeltje īmān in hun hart bezitten, uit de Hel zullen worden gehaald. Anderen zijn van mening dat het betrekking heeft op de voorspraak waardoor de bewoners van het Paradijs in hogere rangen zullen worden verheven. Weer anderen stellen dat het gaat om de voorspraak waardoor bepaalde mensen het Paradijs zullen binnengaan zonder dat zij rekenschap (ḥisāb) hoeven af te leggen.6. Het verrichten van tayammum bij afwezigheid van waterWanneer er op de plaats waar men zich bevindt geen water beschikbaar is, of wanneer men vreest dat de tijd van de ṣalāh zal verstrijken, is het toegestaan tayammum te verrichten en vervolgens de ṣalāh te verrichten. Tayammum wordt uitgevoerd met zuivere, aardse materialen.
7. Het vermogen tot beknopte maar allesomvattende uitspraken (jawāmiʿ al-kalim)In verschillende aḥādīth treffen we uitspraken aan die in bewoordingen zeer kort zijn, maar in betekenis en uitleg bijzonder diepgaand en omvattend. Dit vermogen om met weinig woorden veel betekenis over te brengen, is een unieke eigenschap die onder de mensen uitsluitend aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is geschonken.
8. De sleutels van de schatten van de aardeMet deze uitspraak kondigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan dat de schatten en rijken van koningen zoals Kisrā en Caesar uiteindelijk in handen van de moslims zouden komen. In de loop van de geschiedenis is deze profetische aankondiging daadwerkelijk uitgekomen.
9. Het afsluiten van het profeetschap met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)Hij is de laatste der profeten en boodschappers; na hem zal er noch een profeet en noch een boodschapper meer worden gezonden.
10.
Het gelijkstellen van de rijen van de moslims aan die van de engelenDit is een bijzondere gunst die uitsluitend aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zijn ummah is verleend. Geen enkele andere gemeenschap of profeet heeft een dergelijke eigenschap ontvangen. ] (HA)
٣٠٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: بُعِثْتُ بِجَوَامِعِ الْكَلِمِ، وَنُصِرْتُ بِالرُّعْبِ، فَبَيْنَا أَنَا نَائِمٌ أُتِيتُ بِمَفَاتِيحِ خَزَائِنِ الأَرْضِ فَوُضِعَتْ فِي يَدِي
قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: وَقَدْ ذَهَبَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَنْتُمْ تَنْتَثِلُونَهَا
300 –) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ik ben gezonden met 'jawāmi` al-kalim' (beknopte maar allesomvattende uitspraken), en ik ben geholpen met angst (die in de harten van de vijand wordt geworpen). En terwijl ik lag te slapen, werden de sleutels van de wereldschatten naar mij gebracht en in mijn handen gelegd.”Abū Hurayrah zei: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is heengegaan, en vanaf nu zullen jullie degenen zijn die deze rijkdommen tevoorschijn zullen halen.”
De bouw van de moskee van an-Nabī صلى الله عليه وسلمابتناء مسجد النبي ﷺ
٣٠١ - حديث أَنَسٍ قَالَ: قَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ الْمَدِينَةَ، فَنَزَلَ أَعْلَى الْمَدِينَةِ فِي حَيٍّ يُقَالُ لَهُمْ بَنُو عَمْرِو بْنِ عَوْفٍ، فَأَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ فِيهِمْ أَرْبَعَ عَشْرَةَ لَيْلَةَ، ثُمَّ أَرْسَلَ ⦗١٠٥⦘ إِلِى بَني النَّجَّارِ فَجَاءُوا مُتَقَلِّدِي السُّيُوفِ، فَكَأَنِّي أَنْظُرُ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ عَلَى رَاحِلَته، وَأَبُو بَكْرٍ رِدْفُهُ، وَمَلأُ بَنِي النَّجَّارِ حَوْلَهُ، حَتَّى أَلْقَى بِفِنَاءِ أَبِي أَيُّوبَ، وَكَانَ يُحِبُّ أَنْ يُصَلِّي حَيْثُ أَدْرَكَتْهُ الصَّلاَةُ، وَيُصَلِّي فِي مَرَابِضِ الْغَنَمِ، وَأَنَّهُ أَمَرَ بِبِنَاءِ الْمَسْجِدِ، فَأَرْسَلَ إِلَى مَلإٍ مِنْ بَنِي النَّجَّارِ، فَقَالَ: يَا بَنِي النَّجَّارِ ثَامِنُونِي بِحَائِطِكُمْ هذَا قَالُوا: لاَ وَاللهِ لاَ نَطْلُبُ ثَمَنَهُ إِلاَّ إِلَى الله
قَالَ أَنَسٌ: فَكَانَ فِيهِ مَا أَقُولُ لَكُمْ، قُبُورُ الْمُشْرِكِينَ، وَفِيهِ خَرِبٌ، وَفِيهِ نَخْلٌ؛ فَأَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ بِقُبُورِ الْمُشْرِكِينَ فَنُبِشَتْ، ثمَّ بِالْخَرِبِ فَسُوِّيَتْ، وَبِالنَّخْلِ فَقُطِعَ فَصَفُّوا النَّخْلَ قِبْلَةَ الْمَسْجِدِ، وَجَعَلوا عِضَادَتَيْهِ الْحِجَارَةَ، وَجَعَلُوا يَنْقُلُونَ الصَّخْرَ وَهُمْ يَرْتَجِزُونَ، وَالنَّبِيُّ ﷺ مَعَهُمْ وَهُوَ يَقُولُ:
اللهُمَّ لاَ خَيْرَ إِلاَّ خَيْرُ الآخِرَهْفَاغْفِرْ لِلأَنْصَارِ وَالْمُهَاجِرَهْ
301 –) Van Anas (رضي الله عنه)Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah aankwam, verbleef hij in het hoogst gelegen gedeelte van Madīnah, in de wijk van de stam Banū ʿAmr ibn ʿAwf. Daar verbleef hij veertien nachten. Daarna zond hij een boodschap naar de Banū an-Najjār. Zij kwamen aan met hun zwaarden om (hun middel).Anas zei: “Het is alsof ik naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kijk, zittend op zijn rijdier, terwijl Abū Bakr achter hem zat en de mannen van Banū an-Najjār zich rondom hem verzamelden. Uiteindelijk kwam hij aan bij het huis van Abū Ayyūb al-Anṣārī. (Hij liet zijn kameel neerknielen op de binnenplaats van Abū Ayyūb) en zette zijn vracht neer.Hij hield ervan om ṣalāh te verrichten waar de ṣalāh-tijd aanbrak, zelfs in de schaapskooi. Vervolgens gaf hij opdracht tot de bouw van de moskee.
Hij riep een aantal mensen van Banū an-Najjār bijeen en zei: 'O Banū an-Najjār, zeg mij wat de prijs is van dat met een muur omgeven perceel van jullie.'Zij antwoordden: 'Bij Allāh, wij vragen er geen prijs voor, behalve (onze beloning) van Allāh.'Anas zei: “Op dat stuk grond bevonden zich graven van de afgodendienaren, ruïnes en palmbomen.”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf opdracht om de graven op te graven, de ruïnes te egaliseren en de palmbomen te kappen. De palmbomen werden in de qiblah-richting van de moskee geplaatst, de zijkanten werden van stenen gemaakt, en zij begonnen stenen te dragen terwijl zij poëzie voordroegen.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) droeg ook stenen met hen mee, terwijl hij zei:
اللَّهُمَّ لَا خَيْرَ إِلَّا خَيْرُ الْآخِرَةِ، فَاغْفِرْ لِلْأَنْصَارِ وَالْمُهَاجِرَةِ“O Allāh, Ware goedheid is slechts de goedheid van het Hiernamaals. Schenk vergiffenis aan de Anṣār en de Muhājirīn.”
[Deze ḥadīth beschrijft de bouw van al-Masjid an-Nabawī door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na zijn hidjrah van Makkah naar Madīnah. Zoals wordt vermeld, verbleef an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij zijn aankomst in Madīnah eerst bij de stam Banū ʿAmr ibn ʿAwf, die woonde in het hoger gelegen deel van de stad richting Najd. Daar verbleef hij veertien dagen, waarna hij zich begaf naar het gebied van Banū an-Najjār.
Hij wenste daar een tuin aan te kopen die toebehoorde aan Banū an-Najjār, met de bedoeling deze te gebruiken voor de bouw van de masjid.
Banū an-Najjār wilden de tuin echter schenken ter wille van Allah, zonder enige materiële tegenprestatie. In deze overlevering wordt niet expliciet vermeld of Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) de tuin uiteindelijk heeft gekocht of niet. In andere overleveringen wordt echter verduidelijkt dat de tuin eigendom was van twee wezen, Sahl en Suhayl, die bereid waren deze kosteloos af te staan. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weigerde dit aanbod en stond erop de tuin tegen betaling te verwerven, waarna Abū Bakr (رضي الله عنه) de koopsom voldeed.
Wanneer men deze verschillende overleveringen gezamenlijk bekijkt, wordt duidelijk dat Banū an-Najjār aanvankelijk bereid waren de tuin te schenken, maar dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toen hij vernam dat het bezit was van twee wezen, de schenking afwees, aandrong op een rechtmatige aankoop en dat de betaling uiteindelijk door Abū Bakr (رضي الله عنه) werd verricht. Op die manier werd de grond op correcte en rechtmatige wijze verworven.
Een belangrijk thema dat in deze ḥadīth naar voren komt, betreft het verplaatsen van de graven van polytheisten (mushrikīn) op het terrein waar de masjid gebouwd zou worden. Bij nadere beschouwing van dit gedeelte komen de volgende punten naar voren:
Hoewel het verrichten van ṣalāh op een begraafplaats verboden is, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een terrein dat eerder als begraafplaats diende, bestemd voor de bouw van een masjid.
De graven van de mushrikīn werden geopend en de daarin aanwezige beenderen werden naar een andere locatie overgebracht, waarna op die plek een masjid werd gebouwd.
Dit roept de vraag op of het in geval van nood ook is toegestaan om hetzelfde te doen met een islamitische begraafplaats.
Deze punten kunnen als volgt worden toegelicht:
Ten aanzien van het eerste punt zegt al-Khaṭṭābī:“Uit deze ḥadīth begrijpen wij dat het toegestaan is graven te openen en de aarde ervan te verplaatsen, zodat, wanneer er geen spoor van onreinheid (najāsah) meer aanwezig is, ṣalāh op die plek verricht mag worden.
Het verbod om op een begraafplaats te bidden is namelijk gebaseerd op het feit dat de aarde vermengd is met het vocht en het bloed van de overledenen. Wanneer die aarde echter wordt verplaatst, verliest de plek haar status als begraafplaats en wordt zij opnieuw beschouwd als reine grond.”
Wat betreft de vraag of de graven van polytheisten bij nood geopend mogen worden, bestaan er onder de geleerden uiteenlopende opvattingen. Imām al-Awzāʿī stelde:“An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft het betreden van de huizen van de polytheisten verboden. Als het al verboden is hun huizen te betreden, dan is het des te meer verboden om hun graven te openen.”Op basis hiervan concludeerde hij dat het niet toegestaan is de graven van polytheisten te openen en de beenderen van de doden eruit te halen.
De meerderheid van de geleerden is echter van mening dat, wanneer er sprake is van noodzaak, het openen van de graven van polytheisten is toegestaan en dat op die plaats een masjid mag worden gebouwd. Al-Khaṭṭābī zegt hierover:“Uit deze ḥadīth leren wij dat het in tijden van nood toegestaan (mubāḥ) is om de graven van polytheisten te openen. Er is immers overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), toen hij naar Ṭāʾif trok, zijn metgezellen opdroeg het graf van Abū Righāl te openen. Hij (صلى الله عليه وسلم) zei dat er een gouden tak bij hem begraven lag. Zijn metgezellen openden daarop het graf en haalden die gouden tak eruit.”3. Over het bouwen van een masjid op een islamitische begraafplaats of het herbestemmen van begraafplaatsen
Wat betreft de vraag of een islamitische begraafplaats gebruikt mag worden voor de bouw van een masjid of voor een ander doel, luiden de standpunten van de geleerden als volgt:
Māliki-geleerden: Ibn al-Qāsim stelt:“Wanneer de sporen van de graven van moslims verdwenen zijn, zie ik geen bezwaar tegen het bouwen van een masjid op die plek. Een begraafplaats is een waqf (religieuze schenking) voor het begraven van moslims, en daarom is het niet toegestaan er persoonlijk bezit van te nemen.
Als de graven niet meer zichtbaar zijn en er geen behoefte meer is om er doden te begraven, mag de grond voor een masjid worden bestemd, aangezien ook een masjid een waqf voor de moslims vormt.”
Hanafi-geleerden: Al-Aynī vermeldt:“Volgens de Hanafi-geleerden, wanneer een masjid vervallen is en er geen gemeenschap meer in de omgeving is, of wanneer een begraafplaats vervallen is en de sporen van de graven verdwenen, keren deze plaatsen terug naar de voormalige eigenaren. Omdat ze dan privébezit zijn geworden, is het toegestaan op de plek van een oude masjid een ander gebouw te zetten en op de begraafplaats een masjid of iets anders te bouwen. Als er geen eigenaar meer is, vallen deze plaatsen toe aan de staat (bayt al-īmālah).”In de praktijk beschouwen de Hanafi-geleerden een plaats die als masjid is ingericht of voor begraving is bestemd nog steeds als waqf; wanneer er een dode wordt begraven, blijft de plaats waqf en mag deze niet worden verkocht of als privébezit gebruikt.
Het feit dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de tuin met de graven van de polytheisten bij de eigenaren kocht, bevestigt de correctheid van al-Aynī’s standpunt.
Samenvatting van de madhāhib:
Het gebruik van oude begraafplaatsen die niet meer nodig zijn voor begrafenis is toegestaan volgens de Mālikī-, Ḥanbalīen Ḥanafī-scholen.
Volgens de Shāfiʿī-school wordt dit als afkeurenswaardig (makrūh) beschouwd.
Over het voordragen van poëzie tijdens de bouw van de masjid
Het laatste deel van de ḥadīth vermeldt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) samen met zijn metgezellen poëzie voordroeg tijdens het dragen van stenen. Dit kan vragen oproepen, omdat Allah zegt:
وَمَا عَلَّمۡنَٰهُ ٱلشِّعۡرَ وَمَا يَنۢبَغِي لَهُۥٓۚ إِنۡ هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ وَقُرۡءَانٞ مُّبِينٞ ٦٩“En Wij hebben hem de dichtkunst niet onderwezen en het past hem niet.
Dit is slechts een Waarschuwing en een duidelijke Qur’ān.” (Yā Sīn 36:69)
Hieruit blijkt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen poëzie mocht voordragen. Twee uitlegmogelijkheden worden gegeven:
Het was geen poëzie, maar sajʿSajʿ is ritmische, gebonden proza in het Arabisch en geen poëzie in de strikte zin.
Indien het poëzie wasAn-Nabī (صلى الله عليه وسلم) componeerde zelf geen poëzie, maar herhaalde poëzie van anderen.
Het voordragen of herhalen van andermans poëzie is toegestaan; alleen het zelf componeren van poëzie is verboden.
Wat is poëzie in het Arabisch (shiʿr)?
Shiʿr bestaat uit woorden die volgens specifieke ritmische patronen (bahr) worden gesproken.
Als woorden toevallig in een patroon passen zonder dat het de bedoeling van poëzie is, geldt dit niet als poëzie.
Evenzo zijn krachtige uitdrukkingen die niet aan het metrum voldoen, geen poëzie.
Over het herhalen van andermans poëzie door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):
Er is geen bewijs dat hij een volledig couplet exact volgens het metrum van de dichter heeft herhaald.
In de seerah wordt bijvoorbeeld vermeld dat hij een deel van een vers (misra) van de Muʿallaq-dichter Labīd reciteerde, maar het tweede deel niet afmaakte.
Hieruit blijkt dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen verboden poëzie componeerde, maar bestaande poëtische uitdrukkingen gebruikte om zijn metgezellen een betekenisvolle boodschap over te brengen: “Alles behalve Allah zal verdwijnen en is gedoemd te vergaan.”] (AH)
Verplaatsen van de qiblah van Jeruzalem naar de Kaʿbah
تحويل القبلة من القدس إلى الكعبة
٣٠٢ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ صَلَّى نَحْوَ بَيْتِ الْمَقْدِسِ سِتَّةَ عَشَرَ أَوْ سَبْعَةَ عَشَرَ شَهْرًا، وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُحِبُّ أَنَّ يُوَجَّهَ إِلَى الْكَعْبَةِ، فَأنْزَلَ اللهُ (قَدْ نَرَى تَقَلُّبَ وَجْهِكَ فِي السَّمَاءِ) فتَوَجَّهَ نَحْوَ الْكَعْبَةِ وَقَالَ السُّفَهَاءُ مِنَ النَّاسِ، وَهُمُ الْيَهُودُ مَا وَلاَّهُمْ عَنْ قِبْلَتِهِمُ الَّتِي كَانُوا عَلَيْهَا قُلْ للهِ الْمَشْرِقُ وَالْمَغْرِبُ يَهْدِي مَنْ يَشَاءُ إِلَى صِرَاطٍ مُسْتَقِيمٍ فَصَلَّى مَعَ النَّبِيِّ ﷺ رَجُلٌ ثُمَّ خَرَجَ بَعْدَ مَا صَلَّى، فَمَرَّ عَلَى قَوْمٍ منَ الأَنْصَارِ فِي صَلاَةِ الْعَصْرِ يُصَلُّونَ نَحْوَ بَيْتِ الْمَقْدِسِ، فَقَالَ هُوَ يَشْهَدُ أَنَّهُ صَلَّى مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَأَنَّهُ تَوَجَّهَ نَحْوَ الْكَعْبَةِ؛ فَتَحَرَّفَ الْقَوْمُ حَتَّى تَوجَّهُوا نَحْوَ الْكَعْبَةِ
302 –) Van al-Barāʾ ibn ʿĀzib (رضي الله عنه)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte gedurende zestien of zeventien maanden ṣalāh in de richting van Bayt al-Maqdis (de Aqṣā-moskee). En hij verlangde ernaar om richting de Kaʿbah ṣalāh te verrichten. Toen openbaarde Allāh:
قَدۡ نَرَىٰ تَقَلُّبَ وَجۡهِكَ فِي ٱلسَّمَآءِۖ فَلَنُوَلِّيَنَّكَ قِبۡلَةٗ تَرۡضَىٰهَاۚ فَوَلِّ وَجۡهَكَ شَطۡرَ ٱلۡمَسۡجِدِ ٱلۡحَرَامِۚ وَحَيۡثُ مَا كُنتُمۡ فَوَلُّواْ وُجُوهَكُمۡ شَطۡرَهُۥۗ وَإِنَّ ٱلَّذِينَ أُوتُواْ ٱلۡكِتَٰبَ لَيَعۡلَمُونَ أَنَّهُ ٱلۡحَقُّ مِن رَّبِّهِمۡۗ وَمَا ٱللَّهُ بِغَٰفِلٍ عَمَّا يَعۡمَلُونَ ١٤٤
Waarlijk! Wij hebben gezien dat jij je gezicht naar de hemel toekeerde. Zeker, Wij zullen je tot een gebedsrichting laten keren waar je tevreden over bent, richt je gezicht dus in de richting van de Masdjied al-Ḥarām. En waar jullie je ook bevinden, wendt jullie gezichten in die richting. Waarlijk de mensen die het Schrift is gegeven, weten goed wat de Waarheid van hun Heer is. En Allāh is niet onachtzaam van wat jullie doen. (sûrah al-Baqarah (2): 144)
Daarop keerde hij zich richting de Kaʿbah.De dwazen onder de mensen, en dat waren de joden, zeiden: “Wat heeft hen van hun vroegere gebedsrichting (qiblah) afgebracht?”Allāh zei:۞ سَيَقُولُ ٱلسُّفَهَآءُ مِنَ ٱلنَّاسِ مَا وَلَّىٰهُمۡ عَن قِبۡلَتِهِمُ ٱلَّتِي كَانُواْ عَلَيۡهَاۚ قُل لِّلَّهِ ٱلۡمَشۡرِقُ وَٱلۡمَغۡرِبُۚ يَهۡدِي مَن يَشَآءُ إِلَىٰ صِرَٰطٖ مُّسۡتَقِيمٖ ١٤٢
De dwazen onder het volk zullen zeggen: “Wat heeft hen zich doen afwenden van hun Qibla (gebedsrichting), waartoe zij zich gewend waren te richten?” Zeg: “Aan Allāh behoort zowel het Oosten als het Westen toe, Hij leidt wie Hij wil op het rechte Pad.” (sûrah al-Baqarah 2/242)
Nadat de qiblah-richting was gewijzigd verrichtte een man de ṣalāh met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Na de ṣalāh vertrok hij en kwam langs een groep Anṣār die de ṣalāh al-ʿaṣr verrichtten richting Bayt al-Maqdis.Hij zei: “Ik getuig dat ik met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh heb verricht dat hij zich naar (de richting van) Kaʿbah heeft gewend.” Daarop draaiden zij zich tijdens de ṣalāh naar (de richting van) Kaʿbah.
[Want die twee liggen in tegenovergestelde richtingen. De Kaʿbah bevindt zich ten zuiden van Madīnah, terwijl Bayt al-Maqdis ten noorden van Madīnah ligt.] (HY)
[Deze gebeurtenis deed zich voor tijdens de verandering van de qiblah (gebedsrichting). De overleveringen hebben betrekking op het moment waarop de bewoners van Qubā’ nog richting Bayt al-Maqdis (Masjid al-Aqṣā) bidden.
Toen zij vernamen dat de gebedsrichting was veranderd naar de Kaʿbah, draaiden zij zich onmiddellijk om terwijl zij nog in de ṣalāh stonden en voltooiden hun gebed in de nieuwe richting, zonder de ṣalāh te onderbreken.
Geleerden hebben drie mogelijke verklaringen gegeven voor deze gebeurtenis:
Dit gebeurde vóór de openbaring van de verzen die spreken en handelen tijdens de ṣalāh verboden, waardoor het omdraaien op dat moment geen overtreding was.
De handeling werd door Allah vergeven vanwege de bijzondere situatie, namelijk dat de qiblah tijdens de ṣalāh zelf door openbaring werd veranderd.
Het omdraaien gebeurde geleidelijk, stap voor stap, zodat het niet werd beschouwd als een “grote handeling” (ʿamal kathīr) die de ṣalāh ongeldig zou maken.
Uit de uiterlijke betekenis van de ḥadīth volgt dat wanneer iemand tijdens de ṣalāh ontdekt dat hij zich niet in de juiste richting bevindt, hij zich onmiddellijk naar de correcte qiblah moet wenden en zijn ṣalāh voortzet. Ontdekt iemand dit pas na afloop van de ṣalāh, of zelfs nadat de gebedstijd is verstreken, dan hoeft hij zijn ṣalāh niet opnieuw te verrichten.
Dit wordt bevestigd door het feit dat de āyah die de verandering van de qiblah vermeldt (Sūrah al-Baqarah, 2:144) werd geopenbaard terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh al-ʿaṣr verrichtte. De mensen van Qubā’ moesten dus eerder de ṣalāh al-maghrib en al-ʿishā nog richting Bayt al-Maqdis hebben gebeden. Er is echter geen enkele overlevering die meldt dat zij deze ṣalwāt opnieuw hebben verricht, wat aantoont dat hun ṣalwāt geldig waren gebleven.
De Ḥanafī-geleerden hebben hieruit afgeleid dat iemand die niet weet waar de qiblah is, en geen ander heeft om het hem te tonen, zelf onderzoek moet verrichten, bijvoorbeeld aan de hand van de zon, sterren, een kompas of andere middelen.
Verricht iemand op basis van dit onderzoek zijn ṣalāh en ontdekt hij later dat hij verkeerd stond, dan hoeft hij de ṣalāh niet te herhalen.
Als iemand echter nalatig is en het niet vraagt aan iemand die het weet, terwijl dit wel mogelijk was, en later blijkt dat hij verkeerd stond, dan is zijn ṣalāh ongeldig (fāsid).] (HA)
٣٠٣ - حديث الْبَرَاءِ ﵁، قَالَ: صَلَّيْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ نَحْوَ بَيْتِ الْمَقْدِسِ سِتَّةَ عَشَرَ أَوْ سَبْعَةَ عَشَرَ شَهْرًا، ثُمَّ صُرِفُوا نَحْوَ الْقِبْلَةِ303 –) Van al-Barāʾ رضي الله عنه:
Wij verrichtten ṣalāh met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de richting van Bayt al-Maqdis gedurende zestien of zeventien maanden. Vervolgens werden zij (de moslims) naar de qiblah (de Kaʿbah) gewend.
٣٠٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: بَيْنَا النَّاسُ بِقبَاءٍ فِي صَلاَةِ الصُّبْحِ إِذْ جَاءَهُمْ آتٍ؛ فَقَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَد أُنْزِلَ عَلَيْهِ اللَّيْلَةَ قُرْآنٌ، وَقَدْ أُمِرَ أَنْ يَسْتَقْبِلَ الْكَعْبَةَ، فَاسْتَقْبِلُوهَا وَكَانَتْ وُجُوهُهُمْ إِلَى الشَّامِ، فَاسْتَدَارُوا إِلَى الْكَعْبَةِ304 –) Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما)::
Terwijl de mensen in Qubāʾ de ṣalāh as-ṣubḥ verrichtten, kwam er een boodschapper naar hen toe en zei: “Waarlijk, vannacht is er Qur’ān (vers) aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geopenbaard, en hem is bevolen om zich richting de Kaʿbah te keren, dus richt jullie er ook naar!” Eerst waren hun gezichten nog naar Shām gericht, en nu wendden zij zich (tijdens de ṣalāh) in de richting van de Kaʿbah.
Het verbod om moskeeën boven graven te bouwen
النهي عن بناء المساجد على القبور
٣٠٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ أُمَّ حَبِيبَة وَأُمَّ سَلَمَةَ ذكَرَتَا كَنِيسَةً رَأَتَاهَا بِالْحَبَشَةِ، فِيهَا تَصَاوِيرُ، فَذَكَرَتَا ذلِكَ لِلنَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: إِنَّ أُولئِكَ إِذَا كَانَ فِيهِمُ الرَّجُلُ الصَّالِحُ فَمَاتَ، بَنَوْا عَلَى قَبْرِهِ مَسْجِدًا، وَصَوَّرُوا فِيهِ تِلْكَ الصُّوَرَ، فَأُولئِكَ شِرَارُ الْخَلْقِ عِنْدَ اللهِ يَوْمَ الْقِيَامَةِ
305 –) Van ʿĀʾishah رضي الله عنها:
Umm Ḥabībah en Umm Salamah vertelden over een kerk die zij in al-Ḥabashah hadden gezien, waarin afbeeldingen waren. Zij vertelde dit aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarop hij zei: “Waarlijk, wanneer er een rechtschapen man onder hen was en hij stierf, dan bouwden zij op zijn graf een masjid en maakten daarin die afbeeldingen. Zij zijn de slechtste schepselen bij Allāh op de Dag der Opstanding.”
٣٠٦ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ فِي مَرضِهِ الَّذِي مَاتَ فِيهِ: لَعَنَ اللهُ الْيَهُودَ وَالنَّصَارَى، اتَّخَذوا قُبُورَ أَنْبِيَائِهِمْ مَسَاجِدَ
قَالَتْ: وَلَوْلاَ ذلِكَ لأبْرَزُوا قَبْرَهُ، غَيْرَ أَنِّي أَخْشى أَنْ يُتَّخَذَ مِسْجِدًا
306 -) Van ʿĀʾishah رضي الله عنها:
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tijdens zijn ziekte waarin hij overleed: “Allāh's vervloeking rust op de joden en de christenen; zij namen de graven van hun profeten als masājid.”ʿĀʾishah رضي الله عنها zei: “En als dit (verbod) er niet was geweest, dan zouden zij (de ṣaḥābah) zijn graf zichtbaar gemaakt hebben (en toegankelijk).
Maar ik vrees dat het (graf van Rasûlullāh) als een masjid zou worden gebruikt.”
٣٠٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: قَاتَلَ اللهُ الْيَهُودَ، اتَّخَذُوا قُبُورَ أَنْبِيَائِهِمْ مَسَاجِدَ307 -) Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Moge Allāh de joden verdoemen/vernietigen! Zij namen de graven van hun profeten tot masājid (gebedsplaatsen).”
٣٠٨ - حديث عَائِشَةَ وَعَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، قَالاَ: لَمَّا نَزَلَ برَسُولِ اللهِ ﷺ، طَفِقَ يَطْرَحُ خَمِيصَةَ لَهُ عَلَى وَجْهِهِ، فَإِذَا اغْتَمَّ بهَا كَشَفَهَا عَنْ وَجْهِهِ، فَقَالَ، وَهُوَ كَذلِكَ: لَعْنَةُ اللهِ عَلَى الْيَهُودِ وَالنَّصَارَى، اتَّخَذُوا قُبُورَ أَنْبِيائِهِمْ مَسَاجِدَ يُحَذِّرُ مَا صَنَعُوا308 -) Van ʿĀishah en ʿAbdullāh ibn ʿAbbās رضي الله عنهما:Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn sterfbed lag, legde hij een dunne deken (van wol) over zijn gezicht. Wanneer hij er benauwd van werd, trok hij het van zijn gezicht af en zei, terwijl hij in die toestand was: “De vervloeking van Allāh zij over de joden en de christenen! Zij namen de graven van hun profeten tot masājid.”Hij waarschuwde (zijn ummah) voor hetgeen zij gedaan hadden.
[Het graf van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bevindt zich volledig binnen de Masjid an-Nabawī, wat vragen kan oproepen. Voordat dit wordt uitgelegd, is het belangrijk te vermelden dat profeten worden begraven op de plek waar zij zijn overleden (At-Tirmidzī, Janāiz: 32). Daarom ligt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in het huis van onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها), omdat hij daar is overleden. Destijds lag dit buiten de moskee.
Het huis van ʿĀʾishah was verdeeld in twee gedeelten: in het ene gedeelte bevond zich het graf en in het andere gedeelte woonde zij. Soms bracht zij ook tijd door in het gedeelte bij het graf. Er is zelfs overgeleverd dat men haar toestemming vroeg om het graf open te houden voor bezoekers. Haar neef, Qāsim ibn Muḥammad, zei: “O moeder, wilt u het graf van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn twee metgezellen openen?” Zij stemde toe en Qāsim zag drie graven (Abū Dāwūd, Janāiz: 72).
Door de groei van de bevolking werd de moskee later uitgebreid.
Tijdens het kalifaat van ʿUmar ibn ʿAbd al-ʿAzīz werden de kamers van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aangekocht en bij de moskee gevoegd. Om de ruimte met de graven gescheiden te houden van de rest van de moskee, werd een grote muur gebouwd. Hierdoor liggen de graven weliswaar binnen de moskee, maar zijn ze afgeschermd.
Op basis van deze ḥadīth en soortgelijke aḥadīth werd het volk op afstand gehouden van het graf. Tijdens het Amawitische kalifaat van Walīd (86-95 H.) vielen de muren rond het graf om en werd een voet in een van de graven zichtbaar. De aanwezigen wisten niet van wie deze voet was, maar vermoedden dat het de voet van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was. Bukhārī meldt: “Ze konden niemand vinden die het precies wist, totdat ʿUrwah ibn Zubayr zei: ‘Bij Allāh, dit is niet de voet van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Het is hoogstwaarschijnlijk de voet van ʿUmar (رضي الله عنه).’” (Bukhārī, Janāiz: 96).
Dat men weinig bekend was over de precieze situatie van de graven toont aan dat men niet vaak het mausoleum betrad. Uit deze informatie begrijpen wij dat het volk uit vrees voor aanbidding en shirk op afstand van de kamer van het graf werd gehouden.
Tegenwoordig bestaat er nog steeds discussie over welk graf aan wie toebehoort. De overleveringen die de ligging van de drie graven beschrijven, zijn tegenstrijdig. Bukhārī’s commentator Badruddīn ʿAynī categoriseerde zes mogelijke posities van de drie graven en maakte schetsen daarvan.
Uit de ḥadīth van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) blijkt dat het graf niet open en bloot werd gehouden, uit angst dat het tot een soort heiligdom of aanbiddingsplaats (masjid) zou worden. Daarom is het heilige graf altijd gesloten gehouden. Zelfs vandaag de dag vinden bezoeken plaats achter de graven.
Dat het niet mogelijk was om precies vast te stellen welk graf van wie is, ontstond al in de eerste eeuw.
Daarmee werd de wens van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vervuld: men richt zich niet naar de “graven van de profeten”, maar bidt uitsluitend naar de qiblah.] (AFK)
De deugd van het bouwen van moskeeën en de aanmoediging daartoe
فضل بناء المساجد والحث عليها
٣٠٩ - حديث عُثْمَانَ بْنِ عَفَّان عَنْ عُبَيْدِ اللهِ الْخَوْلاَنِيِّ، أَنَّهُ سَمِعَ عُثْمَانَ بْنَ عَفَّانَ يَقُولُ، عِنْدَ قَوْلِ النَّاسِ فِيهِ، حِينَ بَنَى مَسْجِدَ الرَّسُولِ ﷺ: إِنَّكُمْ أَكْثَرْتُمْ، وَإِنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَنْ بَنَى مَسْجدًا يَبْتَغِي بِهِ وَجْهَ اللهِ بَنَى اللهُ لَهُ مِثْلَهُ فِي الْجَنَّةِ
309 -) Van ʿUthmān ibn ʿAffān via ʿUbaydullāh al-Khawlānī رضي الله عنهما:Hij hoorde ʿUthmān ibn ʿAffān (رضي الله عنه) zeggen, toen de mensen opmerkingen maakten over zijn uitbreiding van de moskee van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):“Jullie maken hier veel ophef over, terwijl ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heb horen zeggen: “Wie een moskee bouwt met de intentie om het welbehagen van Allāh te zoeken, zal Allāh voor hem een gelijksoortig huis in het Paradijs bouwen.”
[In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was de moskee gebouwd van leemstenen, met een dak van dadeltakken en pilaren van palmstammen. Abū Bakr (رضي الله عنه) voegde daar niets aan toe, terwijl ʿUmar (رضي الله عنه) een kleine uitbreiding aanbracht zonder de oorspronkelijke structuur te wijzigen. ʿUthmān (رضي الله عنه) voerde daarentegen aanzienlijke verbouwingen door.
In sommige overleveringen van de ḥadīth wordt gezegd:“Wie een moskee bouwt, al is het slechts zo klein als het nest van een wulp (of een andere kleine zangvogel), Allah zal voor hem een huis in het Paradijs bouwen.”
Geleerden hebben deze uitspraak op twee manieren geïnterpreteerd:
Overdrijving (mubālagh): De meerderheid ziet dit als een manier om het grote belang en de verdienste van het bouwen van een moskee te benadrukken. Een vogelnest is immers niet geschikt om ṣalāh in te verrichten, waardoor de betekenis niet letterlijk bedoeld is.
Letterlijke betekenis: Anderen interpreteren het letterlijk: als iemand een bijdrage levert aan de bouw van een moskee, hoe klein die ook is—bijvoorbeeld ter grootte van een vogelnest—of als een groep mensen gezamenlijk bouwt en ieders aandeel klein is, krijgt ieder van hen de beloofde beloning van Allah.
Uit de verzamelde ḥadīth blijkt dat iedereen die een moskee bouwt, groot of klein, beloond zal worden met het Paradijs, zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft beloofd..] (HA)
De aanbeveling om de handen op de knieën te plaatsen tijdens de rukūʿ, en de afschaffing (naskh) van de taṭbīq* الندب إِلى وضع الأيدي على الركب في الركوع ونسخ التطبيق
٣١٠ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ قَالَ مُصْعَبُ ابْنُ سَعْدٍ: صَلَيْتُ إِلَى جَنْبِ أَبِي فَطَبَّقْتُ بَيْنَ كَفَّيَّ، ثُمَّ وَضَعْتُهُمَا بَيْنَ فَخِذَيَّ، فَنَهَانِي أَبِي، وَقَالَ: كُنَّا نَفْعَلُهُ؛ فَنُهِينَا عَنْهُ، وَأُمِرْنَا أَنْ نَضَعَ أَيْدِينَا عَلَى الرُّكَبِ
310 -) Van Saʿd ibn Abī Waqqāṣ رضي الله عنه:Musʿab ibn Saʿd zei: “Ik verrichtte de ṣalāh naast mijn vader en ik vouwde mijn handen samen en legde ze tussen mijn dijen. Mijn vader weerhield mij daarvan en zei: ‘Wij deden dat vroeger, maar werden er later van weerhouden. Er werd ons bevolen onze handen op de knieën te leggen (bij de rukû`).’{*: taṭbīq was een manier van rukūʿ waarbij men de beide handen tussen de dijen plaatste en de armen tegen de zijkanten drukte.}
Het verbod op het praten in de ṣalāh en de afschaffing van wat eerder toegestaan was
تحريم الكلام في الصلاة ونسخ ما كان من إِباحته
٣١١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا نُسَلِّمُ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ وَهُوَ فِي الصَّلاَةِ فَيَرُدُّ عَلَيْنَا، فَلَمَّا رَجَعْنَا مِنْ عِنْدِ النَّجَاشِيِّ سَلَّمْنَا عَلَيْهِ فَلَمْ يَرُدَّ عَلَيْنَا، وَقَالَ: إِنَّ فِي الصَّلاَةِ شُغْلًا
311 -) Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd رضي الله عنه:We plachten an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de ṣalāh de salām te geven en hij beantwoordde onze salām. Maar toen wij terugkeerden van (het land van) Najāshī en wij hem weer salām gaven, beantwoordde hij die niet meer en zei: ‘Waarlijk, in de ṣalāh is slechts bezigheid (met Qur’ān, du`ā en ḏikr).’”
٣١٢ - حديث زَيْدِ بْنِ أَرْقَمَ، قَالَ: كُنَّا نَتَكَلَّمُ فِي الصَّلاَةِ، يُكَلِّمُ أَحَدُنَا أَخَاهُ فِي حَاجَتِهِ، حَتَّى نَزَلَتْ هذِهِ الآيَةُ (حَافِظُوا عَلَى الصَّلَوَاتِ وَالصَّلاَةِ الْوُسْطَى وَقُومُوا للهِ قَانِتِينَ) فَأُمِرْنَا بِالسُّكُوتِ
312 -) Van Zayd ibn Arqam رضي الله عنه:
We praatten tijdens de ṣalāh. Iemand van ons sprak zijn broeder aan over zijn behoefte, tot dit vers werd neergezonden: حَٰفِظُواْ عَلَى ٱلصَّلَوَٰتِ وَٱلصَّلَوٰةِ ٱلۡوُسۡطَىٰ وَقُومُواْ لِلَّهِ قَٰنِتِينَ ٢٣٨
Waak over de gebeden en (in het bijzonder) over het middelste gebed. En sta voor Allāh in ootmoed. (sûrah Baqarah 2/238)(Allāh عزّ وجلّ) heeft ons bevolen om (tijdens de ṣalāh) niet met iets anders dan (de ṣalāh) bezig te zijn, (dat wil zeggen) om stil te zijn.”
٣١٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: بَعَثَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي حَاجَةٍ لَهُ، فَانْطَلَقْتُ، ثُمَّ رَجَعْتُ وَقَدْ قَضَيْتُهَا، فَأَتَيْتُ النَّبيَّ ﷺ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ، فَلَمْ يَرُدَّ عَلَيَّ، فَوَقَعَ فِي قَلْبِي مَا اللهُ أَعْلَمُ بِهِ، فَقُلْتُ فِي نَفْسِي لَعَلَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ وَجَدَ عَلَيَّ أَنِّي أَبْطَأْتُ عَلَيْهِ، ثُمَّ سَلَّمْتُ عَلَيْهِ فَلَمْ يَرُدَّ عَلَيَّ فَوَقَعَ فِي قَلْبِي أَشَدُّ مِنَ الْمَرَّةِ الأُولَى؛ ثُمَّ سَلَّمْتُ عَلَيْهِ فَرَدَّ عَلَيَّ، وَقَالَ: إِنَّمَا مَنَعَنِي أَنْ أَرُدَّ عَلَيْكَ أَنِّي كُنْتُ أُصَلِّي وَكَانَ عَلَى رَاحِلَتِهِ مُتَوَجِّهًا إِلَى غَيْرِ الْقِبْلَةِ313 -) Van Jābir ibn ʿAbdillāh رضي الله عنه:(Tijdens de oorlog tegen de stam van Banī-Muṣṭaliq) stuurde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mij op pad voor een opdracht.
Toen ik deze voltooid had en bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terugkwam, gaf ik hem de salām (terwijl hij de ṣalāh verrichtte), maar hij beantwoordde mijn salām niet.Daarop ontstond er in mijn hart zo’n verdriet, dat alleen Allāh het weet, en ik zei tegen mijzelf: ‘Misschien is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) boos op mij omdat ik te lang wegbleef.’Ik gaf hem opnieuw de salām, maar ook dit keer beantwoordde hij het niet. Dit raakte mij nog dieper dan de eerste keer.Ik gaf hem vervolgens voor de derde keer de salām, waarop hij mij wél beantwoordde en zei:‘Wat mij verhinderde om je te salām te beantwoorden, was dat ik in ṣalāh was.’Op dat moment bevond hij zich tijdens een reis op zijn rijdier, en hij was in een richting gekeerd die niet de qiblah was.
Het is toestaan om de shayṭān te vervloeken tijdens de ṣalāh
جواز لعن الشيطان في أثناء الصلاة
٣١٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ عِفْرِيتًا مِنَ الْجِنِّ تَفَلَّتَ عَلَيَّ الْبَارِحَةَ لِيَقْطَعَ عَلَيَّ الصَّلاَةَ، فَأَمْكَنَنِي اللهُ مِنْهُ، فَأَرَدْتُ أَنْ أَرْبِطَهُ إِلَى سَارِيَةٍ مِنْ سَوَارِي الْمَسْجِدِ حَتَّى تُصْبِحُوا وَتَنْظُرُوا إِلَيْهِ كُلُّكُمْ، فَذَكَرْتُ قَوْلَ أَخِي سُلَيْمَانَ (رَبِّ هَبْ لِي مُلْكًا لاَ يَنْبَغِي لأَحدٍ مِنْ بَعْدِي) فَرَدَّهُ خَاسِئًا
314 -) Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Afgelopen nacht sprong een `ifrīt (een opstandige jin) op mij af om mijn ṣalāh te onderbreken. Allāh stelde mij in staat om hem te grijpen, en ik wilde hem vastbinden aan een van de zuilen van de moskee, zodat jullie hem ’s ochtends allemaal zouden kunnen zien. Maar ik herinnerde mij de uitspraak van mijn broer Sulaymān ( عليه السلام) wat mij hiervan weerhield:قَالَ رَبِّ ٱغۡفِرۡ لِي وَهَبۡ لِي مُلۡكٗا لَّا يَنۢبَغِي لِأَحَدٖ مِّنۢ بَعۡدِيٓۖ إِنَّكَ أَنتَ ٱلۡوَهَّابُ ٣٥
Hij zei: “Mijn Heer! Vergeef mij en schenk mij een koninkrijk dat niemand na mij ooit zal bezitten. Waarlijk, U bent Degene Die geeft.” (sûrah Sād 35)(De overleveraar zei:) “Toen stuurde hij hem terug, vernederd en afgewezen.”
[Het woord “jin” is etymologisch afgeleid van de wortel j-n-n, wat “bedekken” of “verbergen” betekent. Het bestaan van de jin is sinds de vroegste tijden erkend; joden, christenen en andere gemeenschappen waren zich hiervan bewust. Behalve enkele filosofen en bepaalde Mu`tazilieten, hebben de Ahl as-Sunnah wa’l-Jamaʿah altijd het bestaan van jin aanvaard.
Er is echter geen absolute consensus over de precieze aard van jin.
Volgens de gangbare opvatting onder moslims is jin:
gemaakt van materialen zoals vuur, lucht of geurstoffen,
voorzien van verstand en wil,
fijn van aard en onzichtbaar voor onze zintuigen.
Deze eigenschappen verklaren waarom zij verborgen zijn en daarom “jin” worden genoemd.
Het woord “ifrit” wordt door sommige geleerden niet als eigennaam gezien, maar als aanduiding voor een type wezen met specifieke eigenschappen. In de Qur’ān wordt het gebruikt in uitspraken zoals “van de jin” of “van de mens”. Door de ambiguïteit van het begrip jin is het echter moeilijk om de exacte aard van een ifrit vast te stellen. Enerzijds wordt ifrit gezien als een soort jin; anderzijds gebruikt de Qur’ān (surah an-Namī, 39) het woord ifrit ook in de betekenis van “rebels” of “arrogant”, zonder dat het per se een specifieke soort jin aanduidt.
Volgens sommige islamitische bronnen is een ifrit onder de jin een wezen dat:
de eigenschappen van jin bezit,
wilskracht heeft,
een mannelijke of vrouwelijke vorm kan aannemen,
en van vorm kan veranderen.
De uitdrukking: “Als het niet de smeekbede van onze broeder Sulayman (عليه السلام) was geweest” betekent volgens Qāḍī Baydâwî dat het gezag over de jin uitsluitend aan Sulayman (عليه السلام) was toevertrouwd. Hij liet een ifrit vrij, omdat hij daartoe de macht had of uit nederigheid en hoffelijkheid handelde.] (HA)
Het is toegestaan om een kind te dragen tijdens de ṣalāh
جواز حمل الصبيان في الصلاة
٣١٥ - حديث أَبِي قَتَادَةَ الأَنْصَارِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُصَلِّي وَهُوَ حَامِلٌ أُمَامَةَ بِنْتَ زَيْنَبَ بِنْتِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلأَبِي الْعَاصِ بْنِ رَبِيعَةَ بْنِ عَبْدِ شَمْسٍ، فَإِذَا سَجَدَ وَضَعَهَا، وَإِذَا قَامَ حَمَلَهَا
315 -) Van Abū Qatādah al-Anṣārī رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh terwijl hij (zijn kleindochter) Umāmah, dochter van Zaynab, de dochter van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en van (zijn schoonzoon) Abū al-ʿĀṣ ibn Rabīʿah ibn ʿAbdi Shams, droeg. Wanneer hij in sajdah ging, zette hij haar neer; en wanneer hij opstond, tilde hij haar weer op.
Het is toegestaan om een of twee stappen te lopen tijdens de ṣalāh
جواز الخطوة والخطوتين في الصلاة
٣١٦ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ، قَالَ أَبُو حَازِمِ بْنِ دِينَارٍ: إِنَّ رِجَالًا أَتَوْا سَهْلَ بْنَ سَعْدٍ السَّاعِدِيَّ، وَقَدِ امْتَرَوْا فِي الْمِنْبَرِ، مِمَّ عُودُهُ، فَسَأَلُوهُ عَنْ ذلِكَ، فَقَالَ وَاللهِ إِنِّي لأَعْرِفُ مِمَّا هُوَ، وَلَقَدْ رَأَيْتُهُ أَوَّلَ يَوْمٍ وُضِعَ، وأَوَّلَ يَوْمٍ جَلَسَ عَلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَرْسَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِلَى فُلاَنَةَ (امْرأَةٍ قَدْ سَمَّاهَا سَهْلٌ): مُرِي غُلاَمَكِ النَّجَّارَ أَنْ يَعْمَلَ لِي أَعْوَادًا أَجْلِسُ عَلَيْهِنَّ إِذَا كَلَّمْتُ النَّاسَ فَأَمَرَتْهُ فَعَمِلَهَا مِنْ طَرْفَاء الْغَابَةِ، ثُمَّ جَاءَ بِهَا، فَأَرْسَلَتْ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَأَمَرَ بِهَا فَوُضِعَتْ ههُنَا ثُمَّ رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ صَلَّى عَلَيْهَا، وَكَبَّرَ وَهُوَ عَلَيْهَا، ثُمَّ رَكَع وَهُوَ عَلَيْهَا، ثُمَّ نَزَلَ الْقَهْقَرَى، فَسَجَدَ فِي أَصْلِ الْمِنْبَرِ، ثُمَّ عَادَ، فَلَمَّا فَرَغَ أَقْبَلَ عَلَى النَّاسِ، فَقَالَ: أَيُّهَا النَّاسُ إِنَّمَا صَنَعْتُ هذَا لِتَأْتَمُّوا وَلِتُعلَّمُوا صَلاَتِي
316 -) Van Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī via Abū Ḥāzim ibn Dīnār رضي الله عنهما:
Mensen kwamen bij Sahl ibn Saʿd as-Sāʿidī met een meningsverschil over (van welk hout) de minbar was gemaakt.
Ze vroegen hem ernaar, en hij zei:
“Bij Allāh, ik weet precies waarvan het gemaakt is.
Op de dag dat de minbar voor het eerst werd geplaatst, heb ik deze zelf gezien.
Ik zag ook dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) er die dag voor het eerst op plaatsnam. Hij had mij naar een vrouw gestuurd (wiens naam Sahl was genoemd) en haar gevraagd haar timmerknecht opdracht te geven houten treden te maken waarop hij kon zitten wanneer hij tot de mensen sprak.
Zij gaf hem de opdracht, en hij maakte de minbar van ṭarfāʾ-hout (tamariskhout) afkomstig uit al-Ghābah, een hooggelegen plek nabij Madīnah. Het werd vervolgens naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gestuurd en daar geplaatst.
Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop ṣalāh verrichten: hij maakte de takbīr terwijl hij op de minbar stond, boog in rukūʿ terwijl hij erop bleef, daalde achterwaarts af om sajdah te verrichten aan de voet van de minbar, en keerde daarna terug.
Toen hij de ṣalāh had beëindigd, wendde hij zich tot de mensen en zei: ‘O mensen! Ik heb dit slechts gedaan opdat jullie mij zouden volgen en leren hoe ik mijn ṣalāh verricht.”
Het is verbod om de handen in de zij te plaatsen tijdens de ṣalāhكراهة الاختصار في الصلاة
٣١٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: نُهِيَ أَنْ يُصَلِّيَ الرَّجُلُ مُخْتَصِرًا
317 -) Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Het werd verboden dat iemand al biddend zijn hand op zijn zij laat rusten.”
Het is afkeurenswaardig om steentjes weg te schuiven of de grond glad te maken tijdens de ṣalāh
كراهة مسح الحصى وتسوية التراب في الصلاة
٣١٨ - حديث مُعَيْقيبٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: فِي الرَّجُلِ يُسَوِّي التُّرَابَ حَيْثُ يَسْجُدُ، قَالَ: إِنْ كُنْتَ فَاعِلًا فَوَاحِدَةً
318 -) Van Muʿayqīb رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei over een man die de grond waar hij gaat neerknielen tijdens de ṣalāh gelijkmaakt: “Als je het dan toch moet doen, doe het dan in één keer.”Verbod om in de moskee te spugen, zowel tijdens als buiten de ṣalāhالنهي عن البصاق في المسجد، في الصلاة وغيرها
٣١٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ رَأَى بُصَاقًا فِي جِدَارَ الْقِبْلَةِ فَحَكَّهُ، ثُمَّ أَقْبَلَ عَلَى النَّاسِ، فَقَالَ: إِذَا كَانَ أَحَدُكُمْ يُصَلِّي فَلاَ يَبْصُقْ قِبَلَ وَجْههِ، فَإِنَّ اللهَ قِبَلَ وَجْهِهِ إِذَا صَلَّى
319 -) Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag een spuugvlek op de qiblah-muur van de moskee. Hij schraapte deze weg en wendde zich vervolgens tot de mensen en zei: “Wanneer iemand van jullie ṣalāh verricht, laat hem dan niet voor zich uit spugen. Want wanneer iemand ṣalāh verrichten, dan is Allāh aan de zijde waarheen zijn gezicht is gewend.’
٣٢٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَبْصَرَ نُخَامَةً فِي قِبْلَةِ الْمَسْجِدِ فَحَكَّهَا بِحَصَاةٍ، ثُمَّ نَهى أَنْ يَبْزُقَ الرَّجُلُ بَيْنَ يَدَيْهِ، أَوْ عَنْ يَمِينِهِ، وَلكِنْ عَنْ يَسَارِهِ، أَوْ تَحْتَ قَدَمِهِ الْيُسْرَى
320 -) Van Abū Saʿīd رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag een spuugvlek op de qiblah-muur van de moskee. Hij verwijderde die met een steentje en verbood vervolgens om recht voor zich uit of aan de rechterkant te spuwen tijdens de ṣalāh, maar gebood het aan de linkerkant of onder de linkervoet te doen.
[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) benadrukt het belang van reinheid op de plaatsen waar men Allāh aanbidt en van de qiblah, de richting waar men zich tijdens de ṣalāh naar wendt. Wanneer een gelovige zich tot zijn Rab richt, wordt hij aangemoedigd elk gedrag te vermijden dat de geestelijke concentratie tijdens de aanbidding kan verstoren.
Spugen in de omgeving is niet alleen schadelijk voor de gezondheid van anderen, maar ook ongepast vanuit respect en etiquette voor de gelovige. De ḥadīth geeft daarom richtlijnen over hoe men deze menselijke behoefte op de meest geschikte manier kan vervullen, zonder de omgeving te schaden. Dit verwijst naar de vroege periode van de Islām, toen moskeeën nog geen matten of tapijten hadden en de vloeren bestonden uit zand of dadelvezels.
De overlevering betreft vooral situaties buiten de moskee. In geval van nood zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat men naar de linkerzijde kan spugen, en in een andere ḥadīth instrueerde hij om het direct met aarde te bedekken (Bukhārī, Ṣalāh, 38). Dat hij zelf een spuugvlek op de muur van de moskee schoonmaakte, toont zijn zorg, nederigheid en voorbeeldige gedrag.] (Diyanet)
٣٢١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ وَأَبِي سَعِيدٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ رَأَى نُخَامَةً فِي جِدَارِ الْمَسْجِدِ فَتَنَاوَلَ حَصَاةً فَحَكَّهَا، فَقَالَ: إِذَا تَنَخَّمَ أَحَدُكُمْ فَلاَ يَتَنَخَّمَنَّ قِبَلَ وَجْهِهِ، وَلاَ عَنْ يَمِينِهِ، وَلْيَبْصُقْ عَنْ يَسَارِهِ أَوْ تَحْتَ قَدَمِهِ الْيُسْرَى
321 –) Van Abū Hurayrah en Abū Saʿīd رضي الله عنهما: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag slijm op een muur van de moskee, nam een steentje en schraapte het weg, en zei: “Als iemand van jullie moet spugen, laat hij dan niet recht voor zich uit of aan de rechterkant spugen, maar aan zijn linkerkant of onder zijn linker voet.”
٣٢٢ - حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ رَأَى فِي جِدار الْقِبْلَةِ مُخاطًا، أَوْ بُصَاقًا، أَوْ نُخَامةً فَحَكَّهُ
322 –) Van ʿĀʾishah, de Moeder der Gelovigen رضي الله عنها: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zag snot of speeksel of slijm op de qiblah-muur en schraapte het weg.
٣٢٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ الْمُؤْمِنَ إِذَا كَانَ فِي الصَّلاَةِ فَإِنَّمَا يُنَاجِي رَبَّهُ، فَلاَ يَبْزُقَنَّ بَيْنَ يَدَيْهِ وَلاَ عَنْ يَمِينِهِ، وَلكِنْ عَنْ يَسَارِهِ أَو تَحْتَ قَدَمِهِ
323 –) Van Anas ibn Mālik رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een gelovige (mu’min) in de ṣalāh is, is hij in gesprek met zijn Rab. Laat hij daarom niet voor zich of aan zijn rechterzijde spugen, maar aan zijn linkerzijde of onder zijn linkervoet.”
٣٢٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الْبُزَاق فِي الْمَسْجِدِ خَطِيئَةٌ وَكَفَّارَتُهَا دَفْنُهَا
324 –) Van Anas ibn Mālik رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Spugen in de moskee is een zonde en de boetedoening ervan is het speeksel bedekken (in de grond begraven) en verwijderen, (zodat het niet zichtbaar of hinderlijk is).”
Ṣalāh verrichten met schoenen aan
جواز الصلاة في النعلين
٣٢٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ سَعِيدِ بْنِ يَزِيدَ الأَزْدِيِّ، قَالَ: سَأَلْتُ أَنَسَ بْنَ مَالِكٍ: أَكَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي فِي نَعْلَيْهِ قَالَ: نَعَمْ
325 –) Van Anas ibn Mālik over Saʿīd ibn Yazīd al-Azdī رضي الله عنهما:Ik vroeg aan Anas ibn Mālik: “Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh verricht met zijn sandalen aan?” Hij zei: “Ja.”
[Zoals bekend moet iemand die de ṣalāh verricht vrij zijn van onreinheden, zowel aan het lichaam, op de kleding als op de plaats van de ṣalāh. Als dergelijke onreinheden aanwezig zijn, is de ṣalāh ongeldig. Indien er echter geen onreinheid aan de schoenen zit, is het toegestaan om met schoenen de ṣalāh te verrichten.
In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren moskeeën nog niet bedekt met tapijten; men bad op de schone zandgrond. In feite is het toegestaan om op elke schone aarde ṣalāh te verrichten. Door het hete klimaat in de Arabische gebieden droogde onreinheid snel op, waardoor de grond meestal schoon bleef en schoenen zelden verontreinigd raakten volgens de Islām.
Aan de andere kant heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “Onderscheid jullie van de joden, want zij verrichten de ṣalāh noch met schoenen, noch met leren overschoenen.” (Abū Dāwūd, aṣ-Ṣalāh: 88)
Dit verwijst mogelijk naar het feit dat Allāh zei over Mūsā (عليه السلام):فَلَمَّآ أَتَىٰهَا نُودِيَ يَٰمُوسَىٰ ١١إِنِّيٓ أَنَا۠ رَبُّكَ فَٱخۡلَعۡ نَعۡلَيۡكَ إِنَّكَ بِٱلۡوَادِ ٱلۡمُقَدَّسِ طُوٗى ١٢“En toen hij daar aankwam, werd hij bij zijn naam geroepen: ‘O Mozes! Waarlijk, Ik ben jouw Heer! Doe je schoenen uit, je bent in het heilige dal Toewa’ (Ṭāhā: 11–12).”
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moedigde daarom aan om, juist als onderscheid met de joden, ook met schoenen te bidden. Hijzelf verrichtte de ṣalāh zowel met als zonder schoenen.
(Abū Dāwūd, aṣ-Ṣalāh: 88)
Over de vraag of dit een vaste sunnah of slechts een rukḥṣah (toestemming) is, verschillen de geleerden. Sommige fiqhboeken vermelden dat bidden met schoenen zelfs meer deugdzaam is.
Tegenwoordig, aangezien joden en christenen wél met schoenen bidden, lijkt het verstandiger om tijdens de ṣalāh de schoenen uit te trekken. Zo wordt het oorspronkelijke doel, je onderscheiden van hen, beter bereikt.] (AFK)
Het is afkeurenswaardig om ṣalāh te verrichten in gestreepte kleding
كراهة الصلاة في ثوب له أعلام
٣٢٦ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ صَلَّى فِي خَمِيصَةٍ لَهَا أَعْلاَمٌ، فَقَالَ: شَغَلَتْنِي أَعْلاَمُ هذِهِ اذهبوا بِهَا إِلَى أَبِي جَهْمٍ وَأْتُونِي بِأَنْبِجَانِيَّةٍ
326 -) Van ʿĀʾishah رضي الله عنها: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh in een mantel met patronen erop en zei: “Deze patronen hebben me afgeleid (van mijn ṣalāh). Breng deze naar Abū Jahm en breng mij een eenvoudige wollen mantel.”
Het is afkeurenswaardig om de ṣalāh te verrichten terwijl het eten bereid is
كراهة الصلاة بحضرة الطعام
٣٢٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا وُضِعَ الْعَشَاءُ وَأُقِيمَتِ الصَّلاَةُ فَابْدَءُوا بِالْعَشَاءِ
327 –) Van Anas ibn Mālik رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als het eten opgediend wordt en de ṣalāh-tijd is ingegaan, begin dan eerst met het eten.”
٣٢٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا قُدِّمَ الْعَشَاءُ فَابْدَءُوا بِهِ قَبْلَ أَنْ تُصَلُّوا صَلاَةَ الْمَغْرِبِ، وَلاَ تَعْجَلُوا عَنْ عَشَائِكمْ328 -) Van Anas ibn Mālik رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het avondeten wordt opgediend, begin dan met het eten vóór de ṣalāh al-maghrib, en wees niet gehaast met jullie maaltijd.”
٣٢٩ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ أَنَّهُ قَالَ: إِذَا وُضِعَ الْعَشَاءُ وَأُقِيمَتِ الصَّلاَةُ فَابْدَءُوا بِالْعَشَاءِ329 -) Van ʿĀʾishah رضي الله عنها: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het eten wordt opgediend en de ṣalāh-tijd is aangebroken, begin dan eerst met het eten.”
٣٣٠ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا وُضِعَ عَشَاءُ أَحَدِكُمْ وَأُقِيمَت الصَّلاَةُ فَابْدَءُوا بِالْعَشَاءِ، وَلاَ يَعْجَلْ حَتَّى يَفْرُغَ مِنْهُ
330 -) Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer het avondeten van iemand van jullie wordt opgediend en de ṣalāh-tijd is aangebroken, begin dan eerst met het avondeten en wees niet gehaast (tot hij klaar is).”
Verbod op het eten van knoflook, ui, prei en dergelijke bij moskee bezoek
نهي من أكل ثومًا أو بصلًا أو كراثًا أو نحوها
٣٣١ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ فِي غَزْوَةِ خَيْبَرَ: مَنْ أَكَلَ مِنْ هذِهِ الشَّجَرَةِ يَعْنِي الثُّومَ فَلاَ يَقْرَبَنَّ مَسْجِدَنَا
331 -) Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما: Tijdens de veldtocht van Khaybar zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wie van deze plant eet, en hij bedoelde knoflook, moet onze moskee niet naderen.”
٣٣٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، زَعَمَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَكَلَ ثُومًا أَوْ بَصَلًا فَلْيَعْتَزِلْنَا أَوْ قَالَ فَلْيَعْتَزِلْ مَسْجِدَنَا وَلْيَقْعُدْ فِي بَيْتِهِ
وَأَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أُتِيَ بِقِدْرٍ فِيهِ خَضِرَاتٌ مِنْ بُقُولٍ فَوَجَدَ لَهَا رِيحًا، فَسَأَلَ فَأُخْبِرَ بِمَا فِيهَا مِنَ الْبُقُولِ، فَقَالَ: قَرِّبُوهَا إِلَى بَعْضِ أَصْحَابِهِ كَانَ مَعَهُ فَلَمَّا رَآهُ كَرِهَ أَكْلَهَا، قَالَ: كُلْ فَإِنِّي أُنَاجِي مَنْ لاَ تُنَاجِي
332 –) Van Anas via ʿAbd al-ʿAzīz رضي الله عنهما: Een man vroeg aan Anas (رضي الله عنه): “Wat heb jij van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gehoord over knoflook?” Hij zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie van deze plant eet, moet niet in onze nabijheid komen of samen met ons de ṣalāh verrichten.'
٣٣٣ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، زَعَمَ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: مَنْ أَكَلَ ثُومًا أَوْ بَصَلًا فَلْيَعْتَزِلْنَا أَوْ قَالَ فَلْيَعْتَزِلْ مَسْجِدَنَا وَلْيَقْعُدْ فِي بَيْتِهِ
333 –) Van Jābir ibn ʿAbd Allāh رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie knoflook of ui eet, moet zich van ons afzonderen,” of hij zei: “moet de moskee verlaten en thuis blijven.”
Op een keer werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een schaal met groenten aangeboden. Toen hij de geur rook, vroeg hij wat erin zat. Men vertelde hem dat het groenten waren, waarop hij zei: “Breng het naar een van mijn metgezellen (ashāb) die bij mij is.”
Toen de metgezel het zag, voelde hij afkeer om het te eten. Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen hem: “Eet ervan, want ik voer een vertrouwelijk gesprek met degene (Jibrīl) met wie jij geen vertrouwelijk gesprek voert.”
In de ahādīth worden waarschuwingen gegeven over bepaalde groenten zoals knoflook, ui, prei en andere vergelijkbare soorten, vanwege hun geur die hinderlijk kan zijn voor mensen in de omgeving. Deze groenten zijn echter zeer nuttig voor de gezondheid, wat ook door modern wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd.
Bij bestudering van de ahādīth blijkt dat deze groenten niet ḥarām zijn verklaard; het verbod of de waarschuwing is uitsluitend gebaseerd op de onaangename geur die anderen kan storen. Zo is overgeleverd: “Laat degene met knoflookgeur ons geen overlast bezorgen.” (Muslim, al-Masājid: 71)
Op grond hiervan wordt gesteld dat het eten van deze groenten toegestaan is wanneer de geur is verminderd of verwijderd. Er wordt bijvoorbeeld aangeraden: “Als jullie ze toch moeten eten, dood dan de geur door ze te koken.” (Abū Dāwūd, al-Aṭʿimah: 40) Een soortgelijke uitspraak is ook gedaan door ʿUmar (رضي الله عنه).
(Muslim, al-Masājid: 71; Ibn Mājah, al-Aṭʿimah: 19)] (AFK)
Vergeetachtigheid in de ṣalāh en de sajdah ervoor (als compensatie)
السهو في الصلاة والسجود له
٣٣٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا نُودِيَ بِالصَّلاَةِ أَدْبَرَ الشَّيْطَانُ وَلَهُ ضُرَاطٌ حَتَّى لاَ يَسْمَعَ الأَذَانَ، فَإِذَا قُضِيَ ْالأَذَانُ أَقْبَلَ، فَإِذَا ثُوِّبَ بِهَا أَدْبَرَ، فَإِذَا قُضِيَ التَّثْوِيبُ أَقْبَلَ، حَتَّى يَخْطِرَ بَيْنَ الْمَرْءِ وَنَفْسِهِ، يَقُولُ اذْكُرْ كَذَا وَكَذَا، مَا لَمْ يَكُنْ يَذْكُرُ، حَتَّى يَظَلَّ الرَّجُلُ إِنْ يَدْرِي كَمْ صَلَّى فَإِذَا لَمْ يَدْرِ أَحَدُكُمْ كَمْ صَلَّى، ثَلاَثًا أَوْ أَرْبَعًا، فَلْيَسْجُدْ سَجْدَتَيْنِ وَهُوَ جَالِسٌ
334 – Van Abū Hurayrah رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de oproep tot de ṣalāh (aḏān) klinkt, keert de shayṭān zich om en vlucht, waarbij hij winden laat om de aḏān niet te hoeven horen.Zodra de aḏān voorbij is, keert hij terug.Wanneer de iqāmah wordt uitgesproken, draait hij zich opnieuw om, en zodra de iqāmah is voltooid, keert hij weer terug.Daarna probeert hij zich tussen een persoon en zijn ego (nafs) te plaatsen door hem af te leiden met gedachten aan zaken waaraan hij eerder niet dacht, zodat de persoon niet meer weet hoeveel rakaʿāh hij in de ṣalāh heeft verricht.
Als iemand van jullie niet meer weet of hij drie of vier rakaʿāh heeft verricht, laat hem dan twee sajdah uitvoeren terwijl hij zit.”
[De geleerden hebben op basis van dit soort ḥadīth uiteenlopende opvattingen over de vraag of de shayṭān (duivel) letterlijk “wind laat”.
Al-Aynī (overl. 855/1451) stelt dat dit symbolisch bedoeld is: het vluchten van de shayṭān bij de aḏān wordt vergeleken met de toestand van een man die vol angst en verwarring is.
Sommigen menen dat de shayṭān niet wegvlucht bij het reciteren van de Qur’ān of het verrichten van ṣalāh, maar wel bij de aḏān, zodat hij op de Dag des Oordeels niet kan getuigen dat hij de oproep gehoord heeft. Volgens een ḥadīth zal alles wat de mu’adhdhin hoort – mensen, djinn en alles – getuigen op de Dag des Oordeels dat ze het gehoord hebben.
Anderen zeggen dat de shayṭān vlucht vanwege de majesteit van de aḏān, omdat deze de kernregels van de religie omvat en de proclamatie van de Islām vormt; de shayṭān kan dit niet verdragen.
Weer anderen verklaren dat het vluchten van de shayṭān voortkomt uit wanhoop en ontmoediging, omdat hij zijn hoop verliest zodra hij de verkondiging van het tawhīd (de eenheid van Allah) hoort.
Tijdens het bidden of reciteren van de Qur’ān in smeekbede vlucht de shayṭān echter niet. Integendeel, de deuren van waswasah (verleidingen en verontrustende gedachten) staan open, zodat hij subtiel allerlei afleidingen kan binnensluipen, tot het punt dat de biddende persoon kan vergeten hoeveel rakaʿāh hij heeft verricht. Het middel om dit te overwinnen is alle opkomende gedachten onmiddellijk af te wijzen en de verleidingen niet te overdenken.
De ḥadīth wijst tevens op de sahw-sajdah (boetende prostraties) voor degene die twijfelt over het aantal rakaʿāh in zijn ṣalāh.
Volgens de Ḥanafī-geleerden geldt: als iemand voor de eerste keer onzeker is over het aantal rakaʿāh , moet hij zijn ṣalāh herhalen. Als bewijs verwijzen zij naar een ḥadīth van al-Tabarānī (overl. 360/970) in al-Kabīr: “Wanneer iemand zich niet herinnert hoeveel rakaʿāh hij heeft gebeden, werd aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gevraagd wat hij moest doen. Hij zei: ‘Laat hem zijn salāh opnieuw verrichten en aan het einde tweemaal zitten voor sahw-sajdah.’”
Als de twijfel vaker voorkomt, onderzoekt de persoon zelf wat het meest waarschijnlijk is. Neigt zijn overtuiging naar een bepaald aantal, dan handelt hij daarnaar en voltooit hij zijn ṣalāh. Als hij geen voorkeur kan bepalen, volgt hij het kleinere aantal.] (HA)
٣٣٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ بُحَيْنَةَ ﵁، قَالَ: صَلَّى لَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ رَكْعَتَيْنِ مِنْ بَعْضِ الصَّلَوَاتِ، ثُمَّ قَامَ فَلَمْ يَجْلِسْ، فَقَامَ النَّاسُ مَعَهُ، فَلَمَّا قَضَى صَلاَتَهُ وَنَظَرْنَا تَسْلِيمَهُ كَبَّرَ قَبْلَ التَّسْلِيمِ، فَسَجَدَ سَجْدَتَيْنِ وَهُوَ جَالِسٌ، ثُمَّ سَلَّمَ
335 – Van ʿAbdullāh ibn Buḥaynah رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in een van de ṣalwāt en verrichtte twee rakaʿāh , stond toen op zonder te gaan zitten, en de mensen stonden met hem op. Toen hij zijn ṣalāh voltooide en we wachtten op zijn taslīm, zei hij 'Allāhu akbar' vóór de taslīm, deed twee sajdah terwijl hij zat, en beëindigde toen met de taslīm.
٣٣٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: صَلَّى النَّبِيُّ ﷺ، (قَالَ إِبْرَاهِيمُ، أَحَدُ الرُّوَاةِ، لاَ أَدْرِي زَادَ أَوْ نَقَصَ)؛ فَلَمَّا سَلَّمَ قِيلَ لَهُ يَا رَسُولَ اللهِ أَحَدَثَ فِي الصَّلاَةِ شَيْءٌ قَالَ: وَمَا ذَاكَ قَالُوا: صَلَّيْتَ كَذَا وَكَذَا فَثَنَى رِجْلَيْهِ وَاسْتَقْبَلَ الْقِبْلَةَ وَسَجَدَ سَجْدَتَيْنِ، ثُمَّ سَلَّمَ فَلَمَّا أَقْبَلَ عَلَيْنَا بِوَجْهِهِ، قَالَ: إِنَّهُ لَوْ حَدَثَ فِي الصَّلاَةِ شَيْءٌ لَنَبَّأْتُكُمْ بِهِ، وَلكِنْ إِنَّمَا أَنَا بَشَرٌ مِثْلُكُمْ أَنْسى كَمَا تَنْسَوْنَ، فَإِذَا نَسِيتُ فَذَكِّرُونِي، وَإِذَا شَكَّ أَحَدُكُمْ فِي صَلاَتِهِ فَلْيَتَحَرَّ الصَّوَابَ فَلْيُتِمَّ عَلَيْهِ، ثُمَّ لِيسَلِّمْ ثُمَّ يَسْجُدْ سَجْدَتَيْنِ
336 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh. (Ibrāhīm an-Nakhaī, een van de overleveraars, zei hierover: “Ik weet niet of hij iets aan de ṣalāh toevoegde of wegnam).”
Na het geven van de salām werd hem gevraagd: “O Rasûlullāh! Is er iets nieuws gebeurd in de ṣalāh?”Hij antwoordde: “En wat is dat dan?”Men zei: “U hebt zo-en-zo ṣalāh verricht.”
Daarop vouwde hij zijn benen onder zich, keerde zich naar de qiblah en verrichtte twee sajdah’s, waarna hij de salām gaf. Vervolgens wendde hij zich tot ons en zei:
“Als er iets nieuws of een openbaring was geweest in de ṣalāh, dan had ik het jullie zeker verteld.
Maar ik ben slechts een mens zoals jullie; ik vergeet zoals jullie vergeten. Als ik dus iets vergeet, herinner mij eraan. Wanneer iemand van jullie twijfelt over (het aantal rakaʿāh in) zijn ṣalāh, laat hem dan proberen het juiste aantal te schatten, zijn ṣalāh vervolledigen, de salām geven en daarna twee sajdah’s verrichten.”
[Uit de ḥadīth blijkt dat een imām zich tijdens de ṣalāh kan vergissen, dat de aanwezigen dit vervolgens aan hem melden, en dat daarna de ṣalāh wordt afgerond met de prosternatie van vergissing (sujūd as-sahw). Hieruit wordt geconcludeerd dat het spreken door de imām en de gemeenschap bij een vergissing de geldigheid van de ṣalāh niet ongeldig maakt.
Tegelijkertijd zijn er ahādīth die aangeven dat wanneer er een fout optreedt tijdens de ṣalāh, de correctie niet via gewone spraak mag gebeuren, maar door het uitspreken van tasbīḥ (subḥānallāh door mannen) of door in de handen te klappen (door vrouwen).
Hierdoor is dit onderwerp onderwerp van meningsverschil (ikhtilāf). De Ḥanafī-wetschool stelt dat vergissingen tijdens de ṣalāh kunnen worden gecorrigeerd door tasbīḥ, takbīr, tahlīl of het reciteren van Qur’ān-verzen. Ze baseren zich daarbij op een lange ḥadīth die door Muslim (en ook door Abū Dāwūd en an-Nasā’ī) is overgeleverd, waarin wordt gezegd: “Deze ṣalāh is niet geschikt voor het wereldse spreken van mensen. Wat wel passend is, is het uitspreken van tasbīḥ, takbīr en het reciteren van de Qur’ān…”
Op basis hiervan menen zij dat de eerder genoemde ḥadīth en soortgelijke overleveringen stammen uit de periode vóór het verbod op praten tijdens de ṣalāh. Aanvankelijk was spreken tijdens de ṣalāh toegestaan, maar dit is later afgeschaft. Tirmiḏī wijdde er zelfs een hoofdstuk aan onder de titel: “Het hoofdstuk over het afschaffen van het praten tijdens de ṣalāh” (Tirmiḏī, aṣ-Ṣalāh: 293).
In daaropvolgende ḥadīth wordt eveneens bevestigd dat spreken en elkaar groeten tijdens de ṣalāh zijn afgeschaft.] (AFK)
٣٣٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: صَلَّى بِنَا النَّبِيُّ ﷺ الظُّهْرَ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ سَلَّمَ، ثُمَّ قَامَ إِلَى خَشَبَةٍ فِي مُقَدِّمِ الْمَسْجِدِ وَوَضَعَ يَدَهُ عَلَيْهَا؛ وَفِي الْقَوْمِ يَوْمَئِذٍ أَبُو بَكْرٍ وَعُمَرُ فهَابَا أَنْ يُكَلِّمَاهُ، وَخَرَجَ سَرَعَانُ النَّاسِ، فَقَالُوا: قَصُرَتِ الصَّلاَةُ، وَفِي الْقَوْمِ رَجُلٌ كَان النَّبِيُّ ﷺ يَدْعُوهُ ذَا الْيَدَيْنِ، فَقَالَ: يَا نَبِيَّ اللهِ أَنَسِيت أَمْ قَصُرَتْ، فَقَالَ: لَمْ أَنْسَ وَلَمْ تَقْصُرْ، قَالُوا: بَلْ نَسِيتَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: صَدَقَ ذُو الْيَدَيْنِ، فَقَامَ فَصَلَّى رَكْعَتَيْنِ ثُمَّ سَلَّمَ، ثُمَّ كَبَّرَ فَسَجَدَ مِثْلَ سُجُودِهِ أَوْ أَطْوَلَ، ثُمَّ رَفَعَ رَأْسَهُ وَكَبَّرَ، ثُمَّ وَضَعَ مِثْلَ سُجُودِهِ أَوْ أَطْوَلَ، ثُمَّ رَفَعَ رَأْسَهُ وَكَبَّرَ
337 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) leidde ons in de ṣalāh az-ẓuhr en verrichtte slechts twee rakaʿāt , waarna hij de salām gaf. Daarna liep hij naar een houten paal voorin de moskee en legde zijn hand erop. Onder de mensen bevonden zich op die dag Abû Bakr en ʿUmar, maar zij durfden hem niets te zeggen. Sommige mensen verlieten haastig de moskee en zeiden: “De ṣalāh is verkort!”
Onder hen was een man die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gewoonlijk “Dhū al-Yadayn” (twee handige) noemde (omdat ‘zijn hand lang’ (vrijgevig) was). Hij zei: “O Nabiyyallāh, bent u het vergeten of is de ṣalāh verkort?”Hij zei: “Ik ben niet vergeten en het is ook niet verkort.”De mensen zeiden: “Toch hebt u het vergeten, o Rasûlullāh .”Daarop zei hij: “Dhū al-Yadayn heeft gelijk.”
Toen stond hij op en verrichtte twee rakaʿāt , gaf de salām, zei “Allāhu akbar” en verrichtte een sajdah zoals zijn gewone sajdah of nog langer. Daarna hief hij zijn hoofd op, zei “Allāhu akbar”, verrichtte een tweede sajdah zoals de eerste of nog langer, en hief vervolgens zijn hoofd weer op en zei “Allāhu akbar”.
سجود التلاوة