As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabu’l Qadar: Boek van de voorbeschikking

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabu’l Qadar: Boek van de voorbeschikking

De schepping van de mens in de baarmoeder van zijn moeder en het vastleggen van zijn levensonderhoud, levensduur, daden, gelukkig en ongelukkig

كيفية خلق الآدمي في بطن أمه وكتابة رزقه وأجله وعمله وشقاوته وسعادته

١٦٩٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ: حَدَّثَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَهُوَ الصَّادِق الْمَصْدُوقُ، قَالَ: إِنَّ أَحَدَكُمْ يُجْمعُ خَلْقُهُ فِي بَطْنِ أُمِّهِ أَرْبَعِينَ يَوْمًا ثُمَّ يَكُونُ عَلَقَةً مِثْلَ ذَلِكَ ثُمَّ يَكُونُ مُضْغَةً مِثْلَ ذَلِكَ ثُمَّ يَبْعَثُ اللهُ مَلَكًا فَيُؤْمَرُ بِأَرْبَعِ كَلِمَاتٍ، وَيُقَالُ لَهُ: اكْتُبْ عَمَلَهُ وَرِزْقَهُ وَأَجَلَهُ وَشَقِيٌّ أَوْ سَعِيدٌ ثُمَّ يُنْفَخُ فِيهِ الرُّوحُ فَإِنَّ الرَّجُلَ مِنْكُمْ لَيَعْمَلُ حَتَّى مَا يَكُونُ بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْجَنَّةَ إِلاَّ ذِرَاعٌ، فَيَسْبِقُ عَلَيْهِ كَتَابُهُ، فَيَعْمَلُ بِعَمَلِ أَهْلِ النَّارِ وَيَعْمَلُ حَتَّى مَا يَكُونُ بَيْنَهُ وَبَيْنَ النَّارِ إِلاَّ ذِرَاعٌ، فَيَسْبِقُ عَلَيْهِ الْكِتَابُ، فَيَعْمَلُ بِعَمَلِ أَهْلِ الْجَنَّةِ

1695-) Van `Abdullah (ibn-i Mas`ûd) (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft ons verteld, en hij is de waarachtige (sādiq), de geloofwaardige (masdûq): “Waarlijk, elk van jullie wordt gedurende veertig dagen bijeengebracht in de buik van zijn moeder; daarna is hij daar een ` alaq (iets dat vast zit), ook veertig dagen. Daarna is hij daar een embryo (mudghah), ook veertig dagen.

Dan wordt de engel neergezonden om hem de rûh (geest) in te blazen en hij krijgt opdracht vier dingen neer te schrijven: zijn levensonderhoud (rizq), zijn sterfdag (ajal), zijn werken (`amal) en of hij ongelukkig (in de Hel) (shaqī) of gelukkig (in het Paradijs) (sa`īd) wordt. (Dan wordt de rûh ingeblazen).”(`Abdullaah zei:) “Bij Allāh, naast wie er geen godheid is (en in wiens Handen `Abdullah's leven is), Iemand doet de werken van de Paradijsbewoners tot er tussen hem en het Paradijs nog maar een el afstand is, maar dan haalt zijn neergeschreven qadar hem in, hij doet de werken van de Hellebewoners en komt dan in het Hellevuur. Iemand doet de werken van de Hellebewoners tot er tussen hem en de Hel nog maar een el afstand is, maar dan haalt zijn neergeschreven qadar hem in, hij doet de werken van de Paradijsbewoners en komt dan in het Paradijs."

[Het onderwerp van de qadar is een van de belangrijkste aspecten van het geloof (īmān).Hedendaagse moslims bevinden zich vaak op twee uitersten:

Aan de ene kant een traditioneel en gemakzuchtig begrip, vaak verstikt door blindelinge imitatie, innovaties (bid’ah), oppervlakkigheid en uiterlijkheidsdenke., dat de gelovige afhoudt van het zoeken naar bewijzen.

Aan de andere kant een radicale benadering die, hoewel het ook de gelovige afhoudt van het zoeken naar bewijzen, meer nadruk legt op daden dan op het geloofsleer (`aqidah) en meer op nadruk legt uitnodiging tot de Islam en op smeekbeden (du`ā’) en ḏikr dan op jihad,.

Islām is echter niet alleen jihad, noch is het uitsluitend beperkt tot smeekbeden en ḏikr. Islām betekent geloven in wat is voorgeschreven volgens de Qur'ān en de Sunnah, het uitvoeren van wat wordt bevolen en het vermijden van wat is verboden.

Wat betreft de voorbeschikking (qadar) dient men slechts te spreken binnen de grenzen die Allāh en Zijn Rasûl hebben toegestaan. Wat besproken wordt, moet gebaseerd zijn op datgene wat van Allāh en Zijn Rasûl zijn geopenbaard en toegestaan.

Wanneer de qadar in zowel positief als negatief aspecten vastgesteld, dan rust het geloof in de qadar op vier pijlers. Het begrijpen van deze pijlers vormt de ingang tot het begrijpen van de qadar. Geloof in deze pijlers is een voorwaarde voor het begrijpen van de qadar en maakt deel uit van de geloofsvoorwaarden. Deze vier pijlers zijn:

al-‘Ilm (Kennis): Geloven dat Allāh alles weet, zowel algemeen als in detail, eeuwig en oneindig. Allāh weet de daden van Zijn dienaren, wat wel of niet zal gebeuren, en al het andere. Hij weet hoeveel voorziening Zijn schepping zal ontvangen, wat hun daden zijn en of zij het Paradijs of de Hel zullen binnengaan. Hij is de Alwetende en de Sleutels van het Ongeziene zijn bij Hem. Niemand anders weet deze. Geen blad valt zonder dat Hij daarvan weet, en niets in de duisternis van de aarde of de zeeën is buiten Zijn kennis. Alles is vastgelegd in het duidelijke Boek (Lawh al-Mahfuz). Allāh wist wat zal gebeuren, wat gebeurd is, en wat niet zal gebeuren.

al-Kitabatu (Schrijven): Allāh heeft de qadar van al Zijn schepping opgeschreven in al-Lawh al-Maḥfūẓ, vanwege Zijn allesomvattende kennis. Dit omvat alles wat zal gebeuren tot de Dag des Oordeels. Vijftigduizend jaar voordat Allāh de schepping schiep, heeft Hij alles opgeschreven in al-Lawh al-Maḥfūẓ. De metgezellen (ṣaḥābah), de volgende generatie (tabi'in), en de volgelingen van de sunnitische traditie (ahl al-sunnah) zijn unaniem van mening dat alles wat zal gebeuren, is vastgelegd in de Qur’ān (wordt al-Lawh al-Maḥfūẓ bedoeld).

al-Mashiatu (Wil): Deze pijler erkent dat alles gebeurt volgens Allāh 's wil en macht. Wat Allāh wil, gebeurt, en wat Hij niet wil, gebeurt niet. Geen enkele beweging of stilstand, geen leiding of dwaling, vindt plaats behalve door Zijn wil. Alle boodschappers, vanaf de eerste tot de laatste, en alle door Allāh geopenbaarde boeken, hebben unaniem bevestigd dat dit de natuurlijke orde van Allāh 's schepping is.

al-Khalku (Schepping): Deze pijler houdt in dat alles in het universum behalve Allāh Zelf, inclusief hun wezen, eigenschappen en bewegingen, door Allāh is geschapen. Het geloof hierin vereist de afwijzing van vele afwijkende overtuigingen.

Deze vier pijlers zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als men Allāh 's kennis niet begrijpt, kan men Zijn schrijven niet begrijpen. Het begrijpen van Zijn kennis en het schrijven ervan is essentieel om het concept van de qadar volledig te begrijpen.] (HY)

[De uitleg van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over het ontstaan van het kind in de baarmoeder heeft een fysieke dimensie die gericht was op de mensen van zijn tijd en die met de moderne medische kennis verder kan worden onderzocht. De religieuze dimensie van de ḥadīth gaat over het onderwerp van de voorbestemming (qadar) en bevat belangrijke boodschappen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wijst erop dat Allāh met Zijn eeuwige kennis vooraf weet wat ieder mens gedurende zijn leven zal doen en meemaken. Deze kennis van Allāh beperkt de mens niet, noch ontneemt Hij diens vrije wil; het is geen dwingende kennis. Het web van de qadar wordt verwezenlijkt door Allahs kennis (`ilm), voorbeschikking (takdīr) en schepping, terwijl de keuzes die de mens maakt tijdens deze speciale beproeving die voor hem is voorbereid, wel degelijk de loop van zijn leven beïnvloeden.De mens maakt met zijn vrije wil keuzes in de verschillende situaties die hem door Allāh’s voorbeschikking wordt voorgelegd en ervaart de gevolgen van deze keuzes. Daarom moet hij tot zijn laatste adem trachten te kiezen voor īmān en goedheid, rechtvaardigheid en waarheid, zodat hij een ‘kapitaal’ voor het Hiernamaals opbouwt. Tegelijkertijd moet hij niet vergeten dat kracht en macht, wil en ultieme autoriteit die alles bestuurt en bepaalt altijd bij Allāh ligt. Het oordeel en de wijsheid behoren uitsluitend Hem toe; de definitieve beslissing is aan Hem. Een zwakke dienaar, zoals de mens, kan dus nooit zeker zijn van afloop (van zijn leven), zelfgenoegzaam zijn met eigen daden of zichzelf verheffen. Een oprecht aan Allāh toegewijde gelovige moet tot aan zijn laatste adem in een evenwicht tussen vrees en hoop leven. ] (Diyanet)

١٦٩٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: إِنَّ اللهَ ﷿ وَكَّلَ بِالرَّحِمِ مَلَكًا، يَقُولُ: يَا رَبِّ نُطْفَةٌ يا رَبِّ عَلَقَةٌ يَا رَبِّ مُضْغَةٌ فَإِذَا أَرَادَ أَنْ يَقْضِيَ خَلْقَهُ، قَالَ: أَذَكَرٌ أَمْ أُنْثى شَقِيٌّ أَمْ سَعِيدٌ فَمَا الرِّزْقُ وَالأَجَلُ فَيُكْتَبُ فِي بَطْنِ أُمِّهِ1696-) Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) :an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: Allāh عَزَّ وَ جَلَّ (Almachtige en Majestueuze), heeft een engel aangesteld over de baarmoeder. Deze engel zegt:O mijn Rab, het is een druppel embryo (nutfah).O mijn Rab, het is een bloedklonter (`alaqah). O mijn Rab, het is een stukje vlees. (mudghah)Wanneer Allāh besluit om Zijn schepping te voltooien, zegt de engel:'Zal het een man zijn of een vrouw? Zal hij gelukkig (sa`īd) zijn of ongelukkig (shaqī)? Wat is zijn levensonderhoud (rizq) en zijn levensduur (ajal)?'Dit alles wordt dan in de baarmoeder opgeschreven.”

[Wanneer een druppel sperma in de baarmoeder terechtkomt, blijft het de eerste veertig dagen een nutfah (embryo). De daaropvolgende veertig dagen verandert het in een `alaqah (bloedklonter) en in de derde periode van veertig dagen wordt het een mudghah (een stukje vlees). Met andere woorden, wanneer de zwangerschap 120 dagen bereikt, stuurt Allāh een engel. Deze engel schrijft het levensonderhoud, de levensduur, en of het individu tot de bewoners van het Paradijs of tot de bewoners van de Hel zal behoren, op.] (HY)

[Laten wij nu kijken naar het uitleg van voorbeschikking (qadar) en raadsbesluit (qadâ') in de ḥadīth, aan de hand van het “Kitab al Qadar” van Sahīh al-Bukhārī met de commentaar van Imām al-Qastalanī.

In de ḥadīth van `Abdullah ibn-i Mas`ud (رضي الله عنه) wordt gezegd dat, wanneer het kind na 120 dagen gemetamorfoseerd is in de baarmoeder tot een mens, Allāh de zorg opdraagt aan een engel, die op bevel van Allāh vier besluiten moet optekenen: zijn daad (`amal), zijn levensonderhoud en zijn middelen van bestaan (rizq), de duur van zijn leven (adjal) en of hij ongelukkig (shaqi) (in de Hel belandt) of gelukkig (sa`îd) (in het Paradijs komt) zal worden (in het Hiernamaals). Hierna zal de ziel (rûh) ingeblazen worden. Verder staat in deze ḥadīth: “Bij Allāh naast wie er geen godheid is (en in wiens Handen `Abdullah's leven is), zal een ieder van jullie de werken verrichten van hen, die bestemd zijn voor het Paradijs, totdat er tussen hem en het Paradijs niet meer afstand is dan een vadem of een el, maar toch, indien het boek (van de qadar) het vooraf anders bepaald heeft, dan zal hij eindigen met het verrichten van de werken van hen, die bestemd zijn voor het Hellevuur en daar binnen gaan. En dat een ieder van jullie de werken zal verrichten van hen, die bestemd zijn voor het Hellevuur, totdat er tussen hem en het Hellevuur niet meer afstand is dan een vadem of een el, maar toch, indien het boek (van de qadar) het vooraf anders bepaald heeft, dan zal hij eindigen met het verrichten van de werken van hen, die bestemd zijn voor het Paradijs en daar binnen gaan”.

Er zullen twee tegenstrijdige noodwendigheden zijn: de werken, die de Hel noodwendig maken, en de qadar, dat het Paradijs noodwendig maakt; de qadar doet zijn recht zegevieren en heeft de voorrang.

2) In een andere ḥadīth van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De pen (van jullie qadar) is droog, nadat het geschreven heeft wat jullie zal overkomen”.

Dat wil zeggen alles is in het boek (al-Lawh al-Maḥfūẓ) voor jullie beschikt.)]

١٦٩٧ - حديث عَلِيٍّ ﵁، قَالَ: كُنَّا فِي جَنَازَةٍ، فِي بَقِيعِ الْغَرْقَدِ فَأَتَانَا النَّبِيُّ ﷺ فَقَعَدَ وَقَعَدْنَا حَوْلَهُ، وَمَعَهُ مِخْصَرَةٌ، فَنَكَّسَ، فَجَعَلَ يَنْكُتُ بِمِخْصَرَتِهِ ثُمَّ قَالَ: مَا مِنْكُمْ مِنْ أَحَدٍ، مَا مِنْ نَفْسٍ مَنْفُوسَةٍ إِلاَّ كُتِبَ مَكَانُهَا مِنَ الْجَنَّةِ وَالنَّارِ، وَإِلاَّ قَدْ كُتِبَ شَقِيَّةً أَوْ سَعِيدَةً فَقَالَ رَجُلٌ: يَا رَسُولَ اللهِ أَفَلا نَتَّكِلُ عَلَى كِتَابِنَا، وَنَدَعُ الْعَمَلَ فَمَنْ كَانَ مِنَّا مِنْ أَهْلِ السَّعَادَةِ فَسَيَصِيرُ إِلَى عَمَلِ أَهْلِ السَّعَادَةِ وَأَمَّا مَنْ كَانَ مِنَّا مَنْ أَهْلِ الشَّقَاوَةِ فَسَيَصِيرُ إِلَى عَمَلِ أَهْلِ الشَّقَاوَةِ قَالَ: أَمَّا أَهْلُ السَّعَادَةِ فَيُيَسِّرُونَ لَعَمَلِ السَّعَادَةِ، وَأَمَّا أَهْلُ الشَّقَاوَةِ فَبُيَسِّرُونَ لِعَمَلِ الشَّقَاوَةِ ثُمَّ قَرَأَ (فَأَمَّا مَنْ أَعْطَى وَاتَّقَى) الآية1697-) Van `Ali (رضي الله عنه):Wij waren bij een begrafenis op Baqî` al-Gharqad (de begraafplaats van Baki).

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam naar ons toe en ging zitten. Wij gingen om hem heen zitten. Hij hield een stok in zijn hand, waarmee hij op de grond kraste. Hij boog zijn hoofd neer en zei: “Voor ieder van jullie, en voor ieder levend wezen dat ademhaalt, is zijn plaats in het Paradijs en zijn plaats in het Hellevuur reeds vastgelegd.

Het is geschreven of hij ongelukkig (shaqi) (in de Hel belandt) of gelukkig (sa`îd) (in het Paradijs komt). ”Toen zei één van ons: “O Rasûlullāh, zullen wij dan het verrichten van goede daden nalaten (d.w.z. in de qadar vertrouwen, dat voor ons is voorbeschikt)”.

Degene onder ons die tot de gelukkigen (ahli’s sa`adah) behoort, zal toch handelen zoals de gelukkigen, en degene die tot de ongelukkigen (ahli`sh shaqāwah) behoort, zal handelen zoals de ongelukkigen?'Hij antwoordde: “Neen, werk, want ieder wordt geleid naar hetgeen voor hem voorbeschikt is”.En hij reciteerde de volgende verzen:فَأَمَّا مَنۡ أَعۡطَىٰ وَٱتَّقَىٰ ٥ Wat hem betreft die geeft en Allāh vreest.

وَصَدَّقَ بِٱلۡحُسۡنَىٰ ٦ En in de goede beloning (het Paradijs) gelooft.

فَسَنُيَسِّرُهُۥ لِلۡيُسۡرَىٰ ٧ Wij zullen zijn weg effenen tot welslagen.

وَأَمَّا مَنۢ بَخِلَ وَٱسۡتَغۡنَىٰ ٨ Maar hij die gierig is en zich behoefteloos waant.

وَكَذَّبَ بِٱلۡحُسۡنَىٰ ٩ En die de goede beloning loochent.

فَسَنُيَسِّرُهُۥ لِلۡعُسۡرَىٰ ١٠ Wij zullen het slechte pad voor hem effenen. (surah al-Layl 92/5-10).

[De vrager wilde de uitspraak hebben, dat men de goede werken kon nalaten, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stond dit niet toe, want zijn woorden over de qadar hebben betrekking op de verborgenheden van de goddelijke alwetendheid en moet dienen als argument tegen de mens, i.p.v. hem een voorwendsel te verschaffen, om de goede werken na te laten. M.a.w. de mens wordt op de proef gesteld en niet de Schepper.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde twee beschouwingswijzen uiteenzetten, waarvan de ene de ander niet opheft:-1) een verborgen zienswijze: Allāh is alwetendheid, waarmee Allāh alles oordeelt en beslist;-2) een geopenbaarde zienswijze, de Qur'ān en Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) sunnah, waarmee de mens in staat is te kunnen weten hoe hij Allāh moet dienen.] (AFK)

[Allāhu تَعَالَى weet met Zijn oneindige kennis, die het verleden en de toekomst omvat, elke toestand van Zijn dienaren. Maar deze kennis betekent niet dat de daden van de mens, buiten zijn wil om is, tot een onveranderlijk qadar veroordeeld is, of met andere woorden dat de mens als een marionet leeft. Binnen de lijnen van de qadar stelt Allāh iedere dienaar op de proef door hem met verschillende mogelijkheden en moeilijkheden te confronteren. Wat de mens te doen staat, is in deze beproeving van het leven zijn keuzes te maken voor het goede, de waarheid en het schone. Want er zal een dag komen dat hij geconfronteerd zal worden met de gevolgen van zijn keuzes. De weg die de mens met verstand en vrije wil kiest, wordt door Allāh vergemakkelijkt. Zo heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit uitgelegd met een verwijzing naar surah al-Layl (92/5-10): (zie hierboven) (Diyanet)

١٦٩٨ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ قَالَ: قَالَ رَجُلٌ: يَا رَسُولَ اللهِ أَيُعْرَفُ أَهْلُ الْجَنَّةِ مِنْ أَهْلِ النَّارِ قَالَ: نَعَمْ قَالَ: فَلِمَ يَعْمَلُ الْعَامِلُونَ قَالَ: كُلٌّ يَعْمَلُ لِمَا خُلِقَ لَهُ، أَوْ لِمَا يُسِّرَ لَهُ1698-) ) Van `Imran Ibn-i Husayn (رضي الله عنه):Iemand vroeg aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Rasûlullāh, zijn degenen van het Paradijs en degenen van het Hellevuur dan reeds bepaald?” - “Ja”.- “Waarom verrichten degenen die handelen dan (nog) daden. - “Ieder handelt overeenkomstig zijn schepping en hij handelt wat voor hem is voorbeschikt (en zoals hij door Allāh wordt geleid)”.[Een daad die de dienaar geen baat brengt, maar hem juist schaadt, zoals het zondigen tegen Allāh, trots worden door overvloed en over de grenzen gaan, kan net zo goed gemakkelijk worden gemaakt als het zich richten tot Allāh in aanbidding, Hem gehoorzamen en het verrichten van goede daden. Daarom is het in elke salāh voorgeschreven om te zeggen:

إِيَّاكَ نَعۡبُدُ وَإِيَّاكَ نَسۡتَعِينُ ٥ U (alléén) aanbidden wij, en U (alléén) vragen wij om hulp. (surah al-Fatiha, 5).Wanneer een dienaar een handeling verricht die niet gericht is op gehoorzaamheid en aanbidding van Allāh, oftewel geen goede daad is, dan is die handeling zinloos.

De wereld is namelijk vervloekt, en alles wat erin is, is vervloekt, behalve datgene wat voor Allāh is.Als een mens met zijn daden in deze wereld leiderschap of rijkdom wil verkrijgen, dan leidt het najagen van leiderschap uiteindelijk tot een toestand als die van de Farao, en het vergaren van rijkdom eindigt in een situatie zoals die van Qarun. Allahu تعالى vertelt in sûrah Al-Qasas de verhalen van zowel de Farao als Qarun, waarin grote lessen liggen voor degenen die willen nadenken.Als Allāh een dienaar niet helpt in een zaak, zal die zaak niet tot stand komen en geen voordeel opleveren. Alles wat niet met Allāh is, kan niet bestaan, en alles wat niet voor Allāh is, brengt geen voordeel en blijft niet voortbestaan.Voordat iets is voorbestemd, moet de dienaar Allāh om hulp vragen, op Hem vertrouwen en tot Hem bidden. Wanneer het voorziene plaatsvindt zonder enige invloed van de handeling van de dienaar, behoort hij geduld te hebben of tevredenheid te tonen. Als het voorziene door zijn handelingen wordt verwezenlijkt, dan is dat een zegen en dient hij Allāh daarvoor te prijzen. Als het voorziene door zijn daden leidt tot een zonde, moet hij Allāh om vergeving vragen.] (HY)

١٦٩٩ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِنَّ الرَّجُلَ لَيَعْمَلُ عَمَلَ أَهْلِ الْجَنَّةِ، فِيمَا يَبْدُو لِلنَّاسِ، وَهُوَ مِنْ أَهْلِ النَّارِ وَإِنَّ الرَّجُلَ لَيَعْمَلُ عَمَلَ أَهْلِ النَّارِ، فِيمَا يَبْدُو لِلنَّاسِ، وَهُوَ مِنْ أَهْلِ الْجَنَّةِ1699 – Van Sahl ibn Sa'd al-Sa`idī, (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een persoon verricht daden die, voor zover de mensen kunnen zien, behoren tot de daden van de bewoners van het Paradijs, maar hij is eigenlijk een van de mensen van het Hellevuur. Een persoon verricht daden die, voor zover de mensen kunnen zien, behoren tot de daden van de bewoners van het Hellevuur., maar hij is eigenlijk een van de mensen van het Paradijs.

Het debat tussen Adam en Mûsâ (عليه السلام)حجاج آدم وموسى ﵉

١٧٠٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: احْتَجَّ آدَمُ وَمُوسى فَقَالَ لَهُ مُوسى: يَا آدَمُ أَنْتَ أَبُونَا، خَيَّبْتَنَا، وَأَخْرَجْتَنَا مِنَ الْجَنَّةِ قَالَ لَهُ آدَمُ: يَا مُوسى اصْطَفَاكَ اللهُ بِكَلاَمِهِ، وَخَطَّ لَكَ بِيَدِهِ، أَتَلُومُنِي عَلَى أَمْرٍ قَدَّرَ اللهُ عَلَيَّ قَبْلَ أَنْ يَخْلُقَنِي بِأَرْبَعِينَ سَنَةً فَحَجَّ آدَمُ مُوسى ثَلاَثًا

1700-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: Adam عليه السلام en Mûsā عليه السلام waren aan het redetwisten.Mūsā (عليه السلام) zei tegen Ādam (عليه السلام): “O Ādam! Jij was onze vader.

Jij hebt ons uit het Paradijs laten verdrijven en daardoor heb je ons in ontbering en verlies gebracht!”Toen zei Ādam tegen hem: “O Mūsā! Jij bent degene die Allāh heeft uitverkoren en verheven met Zijn Woord, en voor wie Hij met Zijn eigen Hand heeft geschreven. En toch berisp jij mij om een zaak die Allāh reeds veertig jaar vóór mijn schepping voor mij had bepaald?”Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Zo heeft Ādam met bewijs en argument Mūsā overwonnen.” En hij herhaalde dit drie keer.[Mûsā عليه السلام zei niet: “Waarom ben je in verzet gekomen tegen het bevel? Waarom heb je gezondigd?” maar hij zei: “Waarom heb je jezelf en ons uit het Paradijs laten verdreven?” Het wordt de mensen opgedragen om zich over te geven aan de qadar en getuigenis af te leggen van de heerschappij van Allāh wanneer ze geconfronteerd worden met de beproevingen die voortkomen uit de daden van mensen of andere oorzaken.] (HY)

[Andere ḥadīth: Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنه): Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Allāh heeft de lotgevallen van de schepselen vijftigduizend jaar voordat Hij de hemelen en de aarde schiep neergeschreven terwijl Zijn Troon (Arsh) op het water was”.(Muslim) (AFK)

Aandeel in het overspel en dergelijke is voorbeschikt aan de zoon van Adamقدِّر على ابن آدم حظه من الزنا وغيره

١٧٠١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: إِنَّ اللهَ كَتَبَ عَلَى ابْنِ آدَمَ حَظَّهُ مِنَ الزِّنَا أَدْرَكَ ذَلِكَ، لاَ مَحَالَةَ فَزِنَا الْعَيْنِ النَّظَرُ، وَزِنَا اللِّسَانِ الْمَنْطِقُ وَالنَّفْسُ تَمَنَّى وَتَشْتَهِي وَالْفَرْجُ يُصَدِّقُ ذَلِكَ وَيُكَذِّبُهُ

1701-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft voor ieder kind van Adam zijn aandeel aan de zonden van overspel (zinā) geschreven. En hij zal dit hoe dan ook op een zeker moment ervaren. Overspel van het oog is het zien van datgene, waarnaar men niet mag kijken.Overspel van de tong is het zeggen van datgene, wat men niet mag zeggen. De ziel koestert wensen en begeerten, en het geslachtsdeel bevestigt of loochent die.

[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft de moslims gewaarschuwd voor alle kwesties die hen tot aan de Dag der Opstanding zullen overkomen. In deze ḥadīth vestigde hij de aandacht op het feit dat een mens niet moet vervallen in zonden door zijn eigen begeerten te volgen. Moge Allāh ons tot degenen maken die (Hem) vrezen. Amīn.] (HY)

[Het doel van Allah met het toekennen van het aandeel van de zoon van Ādam in de overspel (zinā) is dat Hij dit aandeel vastlegt in de Lawh al-Maḥfūẓ. Met de uitdrukking “Allāh heeft voor ieder kind van Adam zijn aandeel aan de zonden van overspel (zinā) geschreven” wordt bedoeld: de reden en oorzaak die een mens tot zinā leidt, zoals het overwegen van iets dat ḥarām is, het aanraken van iets dat ḥarām is, of verbaal bedrijven van iets dat zinā is.

Voor de profeten geldt dit niet, omdat zij vrij zijn van zonden en er dus voor hen geen aandeel in zinā is vastgelegd.

Volgens sommigen verwijst deze uitspraak naar de natuurlijke begeerte van de mens en seksuele driften zoals neiging tot vrouwen. Maar omdat de profeten vrij zijn van zonden, geldt dit voor hen ook niet.

Met betrekking tot de begeerte van de nafs voor zinā en de seksuele verlangens:

Bevestigen betekent dat het geslachtsorgaan, in overeenstemming met de wens van de nafs, daadwerkelijk zinā bedrijft.

Ontkennen betekent dat het geslachtsorgaan de wens van de nafs afwijst, oftewel zich onthoudt van zinā of daarin niet slaagt.

Daaruit volgt dat Allah de mensen niet tot zinā dwingt. Echter, omdat Hij weet wat ieder zal doen, heeft Hij in de Lawh al-Maḥfūẓ vastgelegd welke daden van zinā ieder zal verrichten nog voordat zij deze wereld betreedden.] (HA)

Elke pasgeborene wordt op de natuurlijke aanleg geboren en de situatie van de overleden gelovige en ongelovige kinderenمعنى كل مولود يولد على الفطرة، وحكم موت أطفال الكفار وأطفال المسلمين

١٧٠٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: مَا مِنْ مَوْلُودٍ إِلاَّ يُولَدُ عَلَى الْفِطْرَةِ فَأَبَوَاهُ يُهَوِّدَانِهِ أَوْ يُنَصِّرَانِهِ أَوْ يُمَجِّسَانِهِ كَمَا تنْتَجُ الْبَهِيمَةُ بَهِيمَةً جَمْعَاءَ هَلْ تُحِسُّونَ فِيهَا مِنْ جَدْعَاءَ

ثُمَّ يَقُولُ أَبُو هُرَيرَةَ ﵁: (فِطْرَةَ اللهِ الَّتِي فَطَرَ النَّاسَ عَلَيْهَا لاَ تَبْدِيلَ لِخَلْقِ اللهِ، ذَلِكَ الدِّينُ الْقَيِّمُ)

1702-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ieder kind wordt in de ware godsdienst geboren (fiṭrah, m.a.w. de Islām). (Het heeft in zich de potentie voor de ware godsdienst en als het aan zichzelf zou worden gelaten dan zou het geen andere godsdienst aanhangen dan de Islām.) Maar de ouders maken hem een jood of christen of vuuraanbidder (majusī). (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vergelijkt dit met de geboorte van een jong van een van de huisdieren:) “Hebben jullie ooit gezien dat een dier verminkt ter wereld kwam? Zien jullie een verminkte ledenmaat?”

[Zo is het ook met de kinderen, als ze aan hun lot zouden worden overgelaten en geen slechte invloeden van buiten ondergaan, dan zouden zij in de ware godsdienst blijven, omdat zij het vermogen bezitten: door gezond verstand kennis te verwerven, de waarheid aan te nemen en de leugens te verwerpen, en te onderscheiden tussen goed en kwaad. Indien de kinderen adolescent zijn en niet-muslim worden, dan zijn de ouders in de eerste instantie de schuldige. Wat betreft de qadar van de jonggestorven kinderen, dit hangt af van de bestemming, die Allāh hun geeft, omdat Hij weet, wat zij zouden gedaan hebben, als zij waren bijven leven. Ten opzichte van de jong gestorven kinderen van de niet muslims, hebben de `ulama dan ook tengevolge van deze traditie drie meningen: zij gaan naar te hel net als hun ouders; men onthoudt zich van het uitspreken van een oordeel; zij komen in het Paradijs.] (AFK)

١٧٠٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سُئِلَ النَّبِيُّ ﷺ عَنْ ذَرَارِيِّ الْمُشْرِكِينَ، فَقَالَ: اللهُ أَعْلَمُ بِمَا كَانُوا عَامِلِينَ1703-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Er werd aan an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) gevraagd over de kinderen van de mushrikīn. Hij zei: ‘Allah weet het beste wat zij zouden hebben gedaan.

[Volgens de uitleg van Ibn Ḥajar al-ʿAsqalânî hebben de islamitische geleerden meningsverschil gehad over de toestand van de kinderen van de polytheisten (mushrikûn) in het Hiernamaals. Hun meningen kunnen als volgt worden samengevat:

1. Toestand is afhankelijk van de Wil van Allah

Als Hij wil, werpt Hij hen in de Hel; en als Hij wil, plaatst Hij hen in het Paradijs.Dit is de mening van de twee Ḥammâds, Ibn al-Mubârak en Isḥâq. Al-Bayhaqî vermeldt dat ook Imâm ash-Shâfiʿî deze mening aanhing. Hun bewijs is de uitspraak in de ḥadīth die het onderwerp vormt van deze bespreking: “Allah weet het beste wat zij zouden doen.” Ook de Jabriyyah hangen deze mening aan.

2. Zij volgen de toestand van hun vaders

Dus: de kinderen van moslims zijn mensen van het Paradijs, en de kinderen van ongelovigen zijn mensen van de Hel.De Azrâqiyyah, een tak van de Khawârij, volgen deze mening.Als bewijs gebruiken zij het vers:

وَقَالَ نُوحٞ رَّبِّ لَا تَذَرۡ عَلَى ٱلۡأَرۡضِ مِنَ ٱلۡكَٰفِرِينَ دَيَّارًا ٢٦

En Noach zei: “Mijn Heer! Laat geen enkele ongelovige op aarde! (Sûrah Noeḥ 71:26)

Maar dit vers geldt alleen voor het volk van Nūḥ (عليه السلام), want hij kreeg via openbaring te horen dat niemand van zijn volk nog in hem zou geloven. Daarom deed hij smeekbede voor de totale vernietiging, zonder onderscheid tussen jong en oud.

Daarom wordt deze mening afgewezen.

De ḥadīth: “Zij behoren tot hun vaders” heeft betrekking op kinderen van oorlogvoerende ongelovigen (ḥarbiyyûn), en ondersteunt dus niet de visie van de Azrâqiyyah.

3. Zij bevinden zich op een plaats tussen Paradijs en Hel4. Zij bedienen de bewoners van het Paradijs

Abû Dâwûd at-Ṭayâlisî heeft een ḥadīth in deze strekking overgeleverd, maar deze ḥadīth is zwak.5. Zij worden tot aarde

Dit is de mening van Sumâma ibn al-Ashras.

6. Zij zijn in de Hel

Kâḍî ʿIyâḍ schrijft deze mening toe aan Imâm Aḥmad. Echter, Ibn Taymiyyah weerlegt dit en zegt dat deze mening niet van Imâm Aḥmad komt, maar van sommige van zijn leerlingen.

7. Zij worden beproefd door in een voor hen ontstoken vuur te springen

Wie in het vuur springt, wordt niet gestraft en gaat het Paradijs binnen.Wie weigert te springen, behoort tot de mensen van de Hel.

8. Zij behoren tot de Paradijsbewoners

Hun bewijs is het vers uit Sûrat al-Isrâ’ (17:15):

مَّنِ ٱهۡتَدَىٰ فَإِنَّمَا يَهۡتَدِي لِنَفۡسِهِۦۖ وَمَن ضَلَّ فَإِنَّمَا يَضِلُّ عَلَيۡهَاۚ وَلَا تَزِرُ وَازِرَةٞ وِزۡرَ أُخۡرَىٰۗ وَمَا كُنَّا مُعَذِّبِينَ حَتَّىٰ نَبۡعَثَ رَسُولٗا ١٥

Iedereen die recht gaat, gaat slechts recht ten bate van zichzelf. En iedereen die dwaalt, dwaalt slechts voor zijn eigen verlies. Niemand kan de last van een ander dragen. En Wij bestraffen nooit (iemand van jullie) tot Wij een Boodschapper hebben gezonden (die verduidelijkt wat er van jullie wordt verwacht).

Imâm Abû Ḥanîfah zweeg over dit onderwerp en onthield zich van een uitspraak.

Volgens Ibn Ḥajar is deze mening de meest correcte en de sterkste mening. Volgens Ibn Ḥajar behoren ook de kinderen van de mushrikûn tot de bewoners van het Paradijs.] (HA)

١٧٠٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: سُئِلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ أَوْلاَدِ الْمُشْرِكِينَ فَقَالَ: اللهُ، إِذْ خَلَقَهُمْ، أَعْلَمُ بِمَا كَانُوا عَامِلِينَ1704-) Van Ibn Abbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd over de kinderen van de polytheïsten, en hij zei: “Omdat Allāh hen heeft geschapen, beter wat zij zouden doen (als ze zouden leven).'

[ Andere ahadīth over de qadar:Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Ieder kind wordt geboren met de fitra (een natuurlijke aanleg tot de Islām), en het zijn zijn ouders die het tot jood of christen of vuuraanbidder maken, zoals ook ieder beest als een volledig jong ter wereld komt; zien jullie daaraan enig gebrek?”Toen zei Abû Hurayrah (رضي الله عنه): 'Lees als jullie willen maar de āyah: فَأَقِمۡ وَجۡهَكَ لِلدِّينِ حَنِيفٗاۚ فِطۡرَتَ ٱللَّهِ ٱلَّتِي فَطَرَ ٱلنَّاسَ عَلَيۡهَاۚ لَا تَبۡدِيلَ لِخَلۡقِ ٱللَّهِۚ ذَٰلِكَ ٱلدِّينُ ٱلۡقَيِّمُ وَلَٰكِنَّ أَكۡثَرَ ٱلنَّاسِ لَا يَعۡلَمُونَ ٣٠

Keer je gezicht dus in de richting van de (zuivere) godsdienst als een rechtzinnige (samen met jouw volgelingen). (Volg) De natuurlijke aanleg waarmee Allāh de mensheid heeft geschapen. De schepping van Allāh kent geen verandering. Dat is de juiste godsdienst, maar de meeste (ongelovige) mensen weten het niet! (ar Roem 30:30)(Muslim K.Qadar/B6/H.22)

Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: Ieder kind wordt geboren met de fitra (aanleg tot de Islām), en het zijn zijn ouders die het tot jood of christen of polytheist maken.Toen vroeg een man: 'O Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en als het daarvoor sterft (nl. voordat het kind adolescent is)?'Hij antwoordde: Allāh weet het best wat zij gedaan zouden hebben.(Muslim K.Qadar/B6/H.23)

Van Ummu’l mu'minīn ʿĀishah (رضي الله عنها) (de moeder der gelovigen): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd eens geroepen naar de begrafenis van een klein jongetje uit de Ansār. Ik zei: 'O Rasûlullāh zalig zij dit kind!. Het is een van de musjes in het Paradijs, want het heeft nog geen kwaad gedaan en (de adolescentie) niet bereikt.'Hij antwoordde: “Het kan ook anders zijn, o, ʿĀishah. Allāh heeft voor het Paradijs inwoners geschapen toen zij nog in de lendenen van hun vaders verkeerden. En Hij heeft voor de Hel inwoners geschapen toen zij nog in de lendenen van hun vaders verkeerden”. (Muslim K.Qadar/B6/H.31Uit voorgaande kunnen drie betekenissen worden afgeleid: 1-) Door te zeggen “Allāh weet het beste”, wordt de zaak aan Allāh overgelaten. 2-) Allāh weet wat zij zouden doen als zij in leven waren, en Hij zal hen dienovereenkomstig verantwoorden. 3-) Het zogenaamde “Qālu balâ” (surah al-`Arāf: 172) verwijst naar de erkenning van alle mensen tijdens hun eerste schepping dat Allāh hun Rab is, en vanwege hun overlijden zonder deze erkenning te hebben gebroken, zullen ze behandeld worden zoals gelovige kinderen.]