Kitābu’l-Qasāmah: Boek van de onopgehelderde doodslag
[De Islām heeft, om misdaden te voorkomen, het principe van collectieve verantwoordelijkheid ingesteld. Qasāmah is een term uit het Islamitische strafrecht en verwijst naar een situatie waarin waarin de dader van een moord onbekend is bij een moord. In dat geval wordt van vijftig mannen uit het dorp of de wijk waar het lichaam is aangetroffen geëist dat zij bij Allāh zweren met de woorden: “Wij hebben niet gedood en we hebben de dader ook niet gezien.”Het is het recht van de nabestaande van het slachtoffer om dit te eisen en de vijftig mannen te selecteren die de eed zullen afleggen.Het doel van qasāmah is het beschermen van het leven van een mens, het voorkomen dat bloed ongestraft vergoten wordt en ervoor zorgen dat de dader niet vrijuit gaat.Als niemand tijdens de eedaflegging de moord bekent, wordt het oordeel geveld dat de mannelijke, verantwoordelijke bewoners van dat dorp of die wijk de diyah (bloedgeld) moeten betalen.Wordt het lichaam op een afgelegen plek aangetroffen, ver van de bewoonde wereld en buiten gehoorafstand, en is duidelijk dat er sprake is van moord, dan wordt de diyah door de staat betaald.Wanneer de bevoegdheid niet aan een individu of een specifieke gemeenschap is toegewezen, maar aan de gehele moslimgemeenschap (ummah), dan is qasāmah en het betalen van diyah geen individuele verantwoordelijkheid meer, maar wordt dit door de staat gedragen.] (AFK)
Al-Qasāmah (het afleggen van meerdere eden in een moordzaak zonder duidelijk bewijs)
القسامة
١٠٨٥ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ وَسَهْلِ بْنِ أَبِي حَثْمَةَ عَنْ بُشَيْرٍ بْنِ يَسَارِ، مَوْلَى الأَنْصَارِ، أَنَّهُمَا حَدَّثَاهُ: أَنَّ عَبْدَ اللهِ بْنَ سَهْلٍ وَمُحَيِّصَةَ بْنَ مَسْعُودٍ أَتَيَا خَيْبَرَ، فَتَفَرَّقَا فِي النَّخْلِ، فَقُتِلَ عَبْدُ اللهِ بْنُ سَهْلٍ فَجَاءَ عَبْدُ الرَّحْمنِ بْنُ سَهْلٍ، وَحُوَيِّصَةُ وَمُحَيِّصَةُ ابْنَا مَسْعُودٍ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَتَكَلَّمُوا فِي أَمْرِ صَاحِبِهِمْ، فَبَدَأَ عَبْدُ الرَّحْمنِ، وَكَانَ أَصْغَرَ الْقَوْمِ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: كَبِّرِ الْكُبْرَ (قَالَ يَحْيى أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ: لِيَلِيَ الْكَلاَمَ الأَكْبَرُ) فَتَكلَّمُوا فِي أَمْرِ صَاحِبِهِمْ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَتَسْتَحِقُّون قَتِيلَكُمْ أُوْ قَالَ صَاحِبَكُمْ بِأَيْمَانِ خَمْسِينَ مِنْكُمْ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ أَمْرٌ لَمْ نَرَهُ قَالَ: فَتُبْرِئُكُمْ يَهُودُ فِي أَيْمَانِ خَمْسِينَ مِنْهُمْ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ قَوْمٌ كُفَّارٌ فَوَدَاهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ قِبَلِه
قَالَ سَهْلٌ: فَأَدْرَكْتُ نَاقَةً مِنْ تِلْكَ الإِبِلِ، فَدَخَلَتْ مِرْبَدًا لَهُمْ فَرَكَضَتْنِي بِرِجْلِهَا
1085 – Van Sahl ibn Abī Ḥathmah (رضي الله عنه):ʿAbdullāh ibn Sahl en Muḥayyīṣah ibn Masʿūd gingen naar Khaybar (om dadels te oogsten).
(In die tijd was er vrede tussen de mensen van Khaybar en de moslims. Toen deze twee (mannen) in Khaybar aankwamen, gingen zij uit elkaar. Na enige tijd, toen Muḥayyīṣah zijn werkzaamheden had afgerond, ging hij naar ʿAbdullāh ibn Sahl.) Daar verspreidden zij zich onder de dadelpalmen, en ʿAbdullāh ibn Sahl werd vermoord, (en zijn lichaam was doorweekt met bloed. Muḥayyīṣah begroef hem. Daarna keerde hij terug naar Madīnah).Daarop gingen ʿAbd ar-Raḥmān ibn Sahl en de twee zonen van Masʿūd, Muḥayyīṣah en Ḥuwayyiṣah, naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hoewel ʿAbd ar-Raḥmān, de jongste van hen was, nam het woord. Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Laat de oudste spreken.”(Yaḥyā, een van de overleveraars, zei: “Laat de oudste het woord voeren.”)Ze vertelden vervolgens over hun (vermoorde) vriend. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Zijn jullie bereid om met vijftig personen te zweren dat (deze moord in Khaybar door de joden is gepleegd), zodat jullie recht hebben op de bloedgeld (diyah) voor jullie gesneuvelde vriend of hij zei: jullie vriend?
Zij antwoordden: “O Rasûlullāh, hoe kunnen wij (zweren over iets) wat wij niet gezien hebben (en waarvan wij geen getuige van zijn geweest)?”Daarop zei hij: “Dan zullen vijftig personen onder de joden zweren (dat zij deze moord niet hebben gepleegd), en daarmee worden jullie van het zweren gevrijwaard.”Zij zeiden: “O Rasûlullāh, dat is een ongelovig volk (hoe kunnen we hun eed accepteren?)”Daarop betaalde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het bloedgeld voor hen (uit eigen middelen of uit baytu’l māl (staatskas).Sahl zei: “Ik trof een van die kamelen (die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) als diyah (schadevergoeding) heeft gegeven). Ze was een erf binnengegaan en schopte mij met haar poot.”
[Zoals in de ḥadīth wordt beschreven, verwijst het concept van qasāmah in de fiqh naar een speciale vorm van eedaflegging die wordt toegepast bij moordzaken:
Vijftig mensen uit de gemeenschap waarin de moord heeft plaatsgevonden zweren dat zij de misdaad niet hebben begaan en de dader niet kennen.
Of vijftig verwanten van het slachtoffer zweren dat: “Die persoon heeft de misdaad gepleegd.”
Deze praktijk, bekend als qasāmah, wordt in de fiqh gebruikt als een juridisch middel om de dader van een moord op te sporen wanneer directe bewijzen ontbreken.Qasāmah is niet uniek voor de Islām ; het was ook bekend en toegepast in het jodendom, christendom en Islām en binnen de Arabische samenleving van die tijd. De eed zelf heeft een belangrijke morele en spirituele kracht, omdat het een verklaring is waarbij Allāh als getuige wordt opgeroepen. De ernst en het gewicht van deze eed liggen zowel in de religieuze als in de ethische integriteit van de zwerende personen. En bij het vonnis/de rechtbank wordt ervan gebruikgemaakt.
Hierbij is de qasāmah een maatregel die gebruikmaakt van deze kracht om de dader van de misdaad te achterhalen.Het doel van qasāmah is: het verzachten van het verdriet van de nabestaanden, het voorkomen dat een misdaad onbestraft blijft en het creëren van een collectief bewustzijn binnen de gemeenschap.Door het gebruik maken van indirect bewijs en de morele druk van deze eed helpt de samenleving enigszins gerust te stellen en draagt het bij aan gerechtigheid wanneer directe en duidelijke bewijzen ontbreken. ] (Diyanet)
Het oordeel (ḥukm) over de muḥāribīn* (wapen opnemen tegen de gemeenschap) en de murtaddīn (afvalligen)
حكم المحاربين والمرتدين
١٠٨٦ - حَدِيث أَنَسٍ: أَنَّ نَفَرًا مِنْ عُكْلٍ ثَمَانِيَةً، قَدِمُوا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَبَايَعُوهُ عَلَى الإِسْلاَمِ، فَاسْتَوْخَمُوا الأَرْضَ فَسَقِمَتْ أَجْسَامُهُمْ، فَشَكَوْا ذَلِكَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، قَالَ: " أَفَلاَ تَخْرُجُونَ مَعَ رَاعِينَا فِي إِبِلِهِ، فَتُصِيبُونَ مِنْ أَلْبَانِهَا وَأَبْوَالِهَا " قَالُوا: بَلَى، فَخَرَجُوا فَشَرِبُوا مِنْ أَلْبَانِهَا وَأَبْوَالِهَا، فَصَحُّوا، فَقَتَلُوا رَاعِيَ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَأَطْرَدُوا النَّعَمَ، فَبَلَغَ ذَلِكَ رَسُولَ اللهِ ﷺ فَأَرْسَلَ فِي آثَارِهِمْ، فَأُدْرِكُوا فَجِيءَ بِهِمْ، فَأَمَرَ بِهِمْ فَقُطِّعَتْ أَيْدِيهِمْ وَأَرْجُلُهُمْ، وَسَمَرَ أَعْيُنَهُمْ، ثُمَّ نَبَذَهُمْ فِي الشَّمْسِ حَتَّى مَاتُوا
1086 - Van Anas (رضي الله عنه):Een groep van acht mannen van de stam ʿUkl kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Zij legden de eed van trouw af op de Islām (ze accepteerden Islām ). Zij (vonden het klimaat van Madīnah zwaar en) werden ziek, daarop klaagden ze bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Hij vroeg hen: “Willen jullie met onze herder meegaan naar de kamelen om van hun melk en urine te drinken?”Zij stemden toe en vertrokken (met de herder). Ze dronken van hun melk en urine (van de kamelen), en herstelden (daardoor van hun ziekte).
Daarna doodden zij de herder van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en joegen de kamelen op (en namen ze mee).Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hiervan op de hoogte werd gebracht, stuurde hij mensen om hen te achtervolgen. Zij werden gepakt (gevangen genomen) en bij hem gebracht. Vervolgens gaf hij bevel om hun handen en voeten af te hakken, hun ogen uit te steken, en hen onder de zon achter te laten totdat zij stierven.
{* muḥāribīn: degenen die oorlog voeren tegen Allāh en Zijn Boodschapper en onrust of ellende op aarde veroorzaken; dit betreft gewapende opstand of misdaden tegen de samenleving (verwijzing: Sūrah al-Mā’idah 5:33).}
[In deze ḥadīth vallen twee zaken op: het drinken van kamelenurine en de wijze waarop de daders zijn bestraft.
Ten eerste: moslims zijn bevolen zich te onthouden van urine. Zoals in voorgaande ḥadīth vermeld, is urine een oorzaak van bestraffing in het graf. Ondanks dit gegeven werd het drinken van kamelenurine in de tijd van de jāhiliyyah soms als geneesmiddel beschouwd. Of deze praktijk correct of onjuist was, laten we buiten beschouwing; met de komst van de Islām werden praktijken die tegen haar geest ingingen afgeschaft.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:
“Voorwaar, Allāh heeft jullie genezing niet geplaatst in datgene wat Hij jullie verboden heeft.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, Kitāb al-Ashribā)
Hoewel sommige geleerden op basis van deze ḥadīth hebben betoogd dat de urine van dieren waarvan het vlees is toegestaan, niet onrein zou zijn, zijn veel andere geleerden van mening dat elke vorm van urine onrein is.
Men zou kunnen vragen: “Is het werkelijk mogelijk om met urine te genezen? Dat lijkt toch afstotelijk.” Het is belangrijk te begrijpen dat het gebruik van kamelenurine als geneesmiddel voortkwam uit de Arabische medische traditie vóór de Islām. Zonder modern wetenschappelijk onderzoek naar de samenstelling en werking van kamelenurine is het moeilijk hierover met zekerheid iets te zeggen. (opmerking vertaler: Moderne studies hebben aandacht besteed aan kamelenurine.
In laboratoriumonderzoek is aangetoond dat kamelenurine bepaalde bioactieve stoffen bevat, waaronder antilichamen en antimicrobiële componenten. Er zijn onderzoeken die hebben aangetoond dat deze stoffen mogelijk bacteriële groei kunnen remmen of het immuunsysteem kunnen stimuleren.
Ten tweede: de wijze waarop de misdadigers zijn gestraft.
Allāh zegt:
فَمَنِ ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡ فَٱعۡتَدُواْ عَلَيۡهِ بِمِثۡلِ مَا ٱعۡتَدَىٰ عَلَيۡكُمۡۚ ١٩٤
… Wie dan ook (tijdens de verboden maanden) in overtreding is met jullie (door jullie te bestrijden), beantwoord hun (overtreding) dan in gelijke mate… (sūrah al-Baqarah: 194)
وَإِنۡ عَاقَبۡتُمۡ فَعَاقِبُواْ بِمِثۡلِ مَا عُوقِبۡتُم بِهِۦۖ َ ١٢٦
En als jullie straffen, bestraf hen dan in verhouding waarmee zij jullie kwaad hebben gedaan. (sūrah an-Naḥl: 126)
وَجَزَٰٓؤُاْ سَيِّئَةٖ سَيِّئَةٞ مِّثۡلُهَا ٤٠
…De vergelding voor een kwade daad is dezelfde kwade daad…(sūrah ash-Shūrā: 40)
Volgens deze verzen zijn deze gewelddadige bandieten met een gelijke straf gestraft. De overleveraar van de besproken ḥadīth, Anas (رضي الله عنه), heeft gezegd: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet hun ogen uitsteken omdat zij ook de ogen van de herder hadden uitgestoken.” (Tirmidzī, Ṭahārah: 55)] (AFK)
[Medische behandelingen en therapieën kunnen sterk variëren afhankelijk van tijd en plaats. De praktijk die onder de Arabieren bekend was ten tijde van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zoals het drinken van kamelenurine als middel tegen ziekte, weerspiegelt de medische kennis en gewoonten van die periode. Dit mag niet worden opgevat als een goddelijk gebod of als een specifieke aanbeveling voor genezing.
Het vergelijken van zulke traditionele behandelingen met hedendaagse wetenschappelijke kennis en medische vooruitgang om de bindende aard van de Sunnah ter discussie te stellen, of er polemiek over te voeren, is eveneens ongepast.
Aan de andere kant werden de leden van de groep die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hadden verraden en misdaden hadden gepleegd, zoals diefstal en moord, streng gestraft. Zo werd de herder die door hen werd vermoord, op grond van qiṣāṣ (wederkerige vergelding) gestraft. Sommige geleerden wijzen erop dat deze straf gerechtvaardigd was omdat hun daden onrechtvaardig waren en angst zaaiden binnen de gemeenschap, waardoor de maatschappelijke orde werd verstoord.
Volgens de bronnen van tafsīr (Qur’ān-uitleg) werd na het straffen van deze groep het volgende vers geopenbaard:
:
إِنَّمَا جَزَٰٓؤُاْ ٱلَّذِينَ يُحَارِبُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَسۡعَوۡنَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوٓاْ أَوۡ يُصَلَّبُوٓاْ أَوۡ تُقَطَّعَ أَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم مِّنۡ خِلَٰفٍ أَوۡ يُنفَوۡاْ مِنَ ٱلۡأَرۡضِۚ ذَٰلِكَ لَهُمۡ خِزۡيٞ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ ٣٣
De vergelding voor degenen die een oorlog tegen Allāh en Zijn Boodschapper aangaan en ellende over het land brengen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of hun handen en voeten worden aan tegengestelde kanten afgehakt, of zij worden uit het land verbannen. Dat is hun vernedering in deze wereld en een grote bestraffing behoort hen toe in het Hiernamaals. (surah al-Mā’ida, 5:33) ] (Diyanet)
[Voordat we ingaan op de juridische bepalingen die verband houden met dit onderwerp, willen we enkele punten benadrukken:
Over het niet dichtschroeien van hun aders:In één van de overleveringen wordt vermeld dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم), nadat hij had bevolen dat de handen en voeten van deze mannen werden afgehakt, hun aders niet dichtschroeide met vuur, zodat hun bloed bleef vloeien. Bij strafzaken zoals diefstal of gewapende overvallen, waarbij handen en voeten worden afgehakt, wordt de wond doorgaans dichtgeschroeid om het bloeden te stoppen.
De verklaring hiervoor is dat deze mannen afvallig waren geworden (uit de Islām getreden) en reeds de dood hadden verdiend. Daarom was er geen reden om een handeling te verrichten die hun dood zou uitstellen of verhinderen.
Over de strenge aanvullende straffen:Naast het afhakken van handen en voeten, werden ook hun ogen uitgestoken, werden zij in de woestijn achtergelaten zonder water en werden zij gekruisigd. Hoewel het verminken van het lichaam (muthla) in de Islām verboden is, rijst de vraag waarom Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zulke straffen oplegde.
De uitleg is als volgt:
Volgens Qāḍī ‘Iyāḍ (overleden 544/1149) werden deze straffen toegepast voordat de verzen over ḥadd-straffen en over gewapende opstand (muḥāraba) werden geopenbaard. Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) voerde deze straffen dus niet als ḥadd-straf uit, maar als qiṣāṣ (vergelding). Omdat deze mannen de ogen van een moslimherder hadden uitgestoken, liet Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) uit vergelding ook hun ogen uitsteken. Nadat de betreffende āyah werd geopenbaard, werd deze vorm van straf afgeschaft (naskh).
Sommige geleerden zijn van mening dat de āyah over muḥāraba juist betrekking had op deze personen, maar dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) de straf op hen uitvoerde als qiṣāṣ voor wat zij de herder hadden aangedaan.
Over het achterlaten zonder water:
Volgens sommige overleveringen gaven de metgezellen deze mannen geen water; Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) gaf hier geen direct bevel toe.
Qāḍī ‘Iyāḍ stelt dat het niet toegestaan is om iemand die ter dood is veroordeeld, extra te straffen door hem geen water te geven.
Volgens an-Nawawī (overleden 676/1277) hadden deze mannen, omdat zij de Islām hadden verzaakt en de herder hadden gedood, geen recht meer om water te vragen of om een goede behandeling te verwachten.
In de aḥādīth wordt verwezen naar het 33ste vers van Sūrah al-Mā’idah, waarin Allāh zegt:
إِنَّمَا جَزَٰٓؤُاْ ٱلَّذِينَ يُحَارِبُونَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَيَسۡعَوۡنَ فِي ٱلۡأَرۡضِ فَسَادًا أَن يُقَتَّلُوٓاْ أَوۡ يُصَلَّبُوٓاْ أَوۡ تُقَطَّعَ أَيۡدِيهِمۡ وَأَرۡجُلُهُم مِّنۡ خِلَٰفٍ أَوۡ يُنفَوۡاْ مِنَ ٱلۡأَرۡضِۚ ذَٰلِكَ لَهُمۡ خِزۡيٞ فِي ٱلدُّنۡيَاۖ وَلَهُمۡ فِي ٱلۡأٓخِرَةِ عَذَابٌ عَظِيمٌ ٣٣
De vergelding voor degenen die een oorlog tegen Allah en Zijn Boodschapper aangaan en ellende over het land brengen, is slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of hun handen en voeten worden aan tegengestelde kanten afgehakt, of zij worden uit het land verbannen. Dat is hun vernedering in deze wereld en een grote bestraffing behoort hen toe in het Hiernamaals. (surah al-Māʾidah, 5:33)
De straffen die in deze āyah worden genoemd, hebben specifiek betrekking op degenen die oorlog voeren tegen Allāh en Zijn Rasūl. In het incident dat in de ḥadīth wordt beschreven, hadden de stamleden van ʿUraynah echter de Islām verlaten, de herder vermoord en de kamelen gestolen. Hun daden vallen niet precies onder de gebruikelijke betekenis van het woord muḥārabah (gewapende opstand).
Wat betekent muḥārabah dan precies in deze āyah? Volgens vrijwel alle overgeleverde meningen van de geleerden verwijst het woord naar mensen die met wapens aanvallen op anderen, hun bezit bedreigen of hun leven in gevaar brengen.
Wat betreft het gebruik van middelen die verboden (harām) zijn om te eten of te drinken, onderscheiden islamitische geleerden drie hoofdstandpunten:
Verbod onder alle omstandigheden:Sommige geleerden, waaronder de Ḥanbalī’s, beschouwen behandeling met harām middelen als niet toegestaan. Volgens hen vormt ziekte geen noodzakelijke reden (ḍarūrah) om verboden zaken te gebruiken. Daarom passen zij de regel die geldt bij hongersnood – dat iemand uit noodzaak vlees van een dood dier mag eten – niet toe op zieken. Zij maken hierbij onderscheid: bij hongersnood is er geen alternatief om te overleven, terwijl bij ziekte meestal meerdere geneesmiddelen beschikbaar zijn; genezing hangt dus niet uitsluitend af van verboden middelen.
Toestaan in principe:Een andere groep, waaronder de Ẓāhirī-geleerden, beschouwt het gebruik van harām middelen als geneesmiddel in principe als toegestaan (jāʾiz).
Voorwaardelijk toegestaan:De meerderheid van de geleerden, met name de Ḥanafī’s en Shāfiʿī’s, stelt dat het gebruik van verboden middelen slechts onder specifieke voorwaarden toegestaan is. Volgens hen mag een harām middel alleen gebruikt worden als het zeker of zeer waarschijnlijk genezing biedt. Wanneer het effect onzeker is, mag het middel niet worden toegepast. Een geneesmiddel wordt, net als voedsel, gezien als een noodzakelijke levensbehoefte; in situaties van nood mag men iets gebruiken dat normaal verboden is. Een voorbeeld hiervan is dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) mannen verbood zijde te dragen, maar sommige metgezellen toestemming gaf dit te gebruiken vanwege een huidaandoening.
De ḥadīth die het verbod op behandeling met verboden middelen onderstreept, heeft betrekking op normale omstandigheden, waarin ook toegestane (ḥalāl) geneesmiddelen beschikbaar zijn. Wanneer echter geen ḥalāl alternatief bestaat en genezing alleen mogelijk is met een verboden middel, wordt het middel toegestaan (mubāḥ) en valt het buiten de reikwijdte van die ḥadīth.
De fuqahāʾ hebben daarnaast besproken of stoffen zoals wijn of urine rechtstreeks als geneesmiddel mogen worden gebruikt. Wanneer zulke stoffen worden verwerkt in de bereiding van medicijnen en hun aard verandert, geldt volgens de fiqh-regel:
“Wanneer een onreine of verboden stof zich vermengt en daardoor zijn oorspronkelijke aard verandert, verandert ook de juridische status ervan.”
Hieruit volgt dat het, met het oog op genezing, toegestaan kan zijn om de urine van dieren waarvan het vlees geoorloofd is te gebruiken of te drinken. In het geval van het Uraynah-incident berustte de toelaatbaarheid op noodzaak (ḍarūrah).
Waar noodzaak aanwezig is, worden veel verboden zaken toegestaan, maar zodra de noodzaak wegvalt, blijft het oorspronkelijke verbod weer van kracht.] (HA)
De vaststelling van qiṣāṣ (wedervergelding) bij doding met een steen en andere scherpe of zware voorwerpen, en de terechtstelling van een man wegens (moord op) een vrouw
ثبوت القصاص في القتل بالحجر وغيره من المحددات والمثقلات وقتل الرجل بالمرأة
١٠٨٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: عَدَا يَهُودِيٌّ، فِي عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، عَلَى جَارِيَةٍ، فَأَخَذَ أَوْضَاحًا كَانَتْ عَلَيْهَا، وَرَضَخَ رَأْسَهَا؛ فَأَتَى بِهَا أَهْلُهَا رَسُولَ اللهِ ﷺ وَهِيَ فِي آخِرِ رَمَقٍ، وَقَدْ أُصْمِتَتْ فَقَالَ لَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ قَتَلَكِ، فُلاَنٌ لِغَيْرِ الَّذِي قَتَلَهَا، فَأَشَارَتْ بِرَأْسِهَا أَنْ لاَ قَالَ، فَقَالَ لِرَجُلٍ آخَرَ غَيْرِ الَّذِي قَتَلَهَا فَأَشَارَتْ أَنْ لاَ، فَقَالَ: فَفُلاَنٌ لِقَاتِلِهَا فَأَشَارَتْ أَنْ نَعَمْ؛ فَأَمَرَ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَرُضِخَ رَأْسُهُ بَيْنَ حَجَرَيْن
1087 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):In de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had een jood een slavin aangevallen. Hij had haar sieraden gestolen en probeerde haar te doden met een steen op haar hoofd. Haar familie bracht haar, die op sterven lag en niet meer kon spreken, naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg haar: “Wie heeft jou vermoord?”Hij noemde naam van een man, zij schudde haar hoofd: nee.Hij noemde naam van een andere man, zij schudde haar hoofd: nee.Toen noemde hij de ware dader, en zij knikte: ja.Daarop gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het bevel (om de dader op te pakken) en liet zijn hoofd verbrijzelen tussen twee stenen (als qişāṣ: wedervergelding).
[Qiṣāṣ is de vergeldingsmaatregel die wordt toegepast bij de zwaarste misdrijven, met name wanneer het recht op leven wordt geschonden, het fundament waarop alle andere rechten rusten.
Het is de strengste straf en staat altijd in verhouding tot de ernst van het misdrijf. Net zoals bij moord, bestaat er bij lichamelijk letsel een equivalente straf volgens het principe van qiṣāṣ.
De toepassing van qiṣāṣ, zoals vastgesteld in de Qur’ān, hangt af van het verzoek van de familie van het slachtoffer. Zij hebben de keuze om qiṣāṣ te eisen of de dader te vergeven en in plaats daarvan een financiele/materiele compensatie (diyah) te accepteren.
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet de persoon oproepen die door de op brute wijze vermoorde slavin werd aangewezen. Toen deze zijn schuld bekende, werd het principe van qiṣāṣ toegepast en werd het leven van de dader als vergelding genomen.
Dit illustreert duidelijk hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de rechten van kwetsbare groepen in de samenleving beschermde, zoals vrouwelijke slaven, en hoe hij ervoor zorgde dat de straf rechtvaardig en consistent werd uitgevoerd, ongeacht de status van de dader.] (Diyanet)
Als iemand een aanval doet op iemands leven of ledemaat, en de aangevallene zich verdedigt waardoor de aanvaller zijn eigen leven of ledemaat verliest, dan rust er geen aansprakelijkheid (schadevergoeding) op hem
الصائل على نفس الإنسان أو عضوه إِذا دفعه المصول عليه فأتلف نفسه أو عضوه لا ضمان عليه
١٠٨٨ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ، أَنَّ رَجُلًا عَضَّ يَدَ رَجُل، فَنَزَعَ يَدَهُ مِنْ فَمِهِ فَوَقَعَتْ ثَنِيَّتَاهُ فَاخْتَصَمُوا إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: يَعَضُّ أَحَدُكُمْ أَخَاهُ كَمَا يَعَضُّ الْفَحْلُ لاَ دِيَةَ لَكَ
1088 – Van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه):Een man beet in de hand van een andere man. De ander trok (zo krachtig) zijn hand terug, dat zijn voortanden eruit vielen. Zij brachten de zaak voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Bijt een van jullie zijn broeder alsof hij een (kamelen) hengst is? (In dat geval) heb je geen recht op schadevergoeding (diyah)”
١٠٨٩ - حديث يَعْلَى بْنِ أُمَيَّةَ ﵁، قَالَ: غَزَوْتُ مَعَ النَبِيِّ ﷺ جَيْشَ الْعُسْرَةِ، فَكَانَ مِنْ أَوْثَقِ أَعْمَالِي فِي نَفْسِي، فَكَانَ لِي أَجِيرٌ، فَقَاتَلَ إِنْسَانًا، فَعَضَّ أَحَدُهُمَا إِصْبَعَ صَاحِبهِ، فَانْتَزَعَ إِصْبَعَهُ، فَأَنْدَرَ ثَنِيَّتَهُ فَسَقَطَتْ فَانْطَلَقَ إِلَى النَّبِىِّ ﷺ، فَأَهْدَرَ ثَنِيَّتَهُ، وَقَالَ: أَفَيَدَعُ إِصْبَعَهُ فِي فِيكَ تقْضَمُهَا قَالَ أَحْسِبُهُ قَالَ: كَمَا يَقْضَمُ الْفَحْلُ اخرجه البخاري في: ٣٧ كتاب الإجارة: ٥ باب الأجير في الغزو1089 - Van Yaʿlā ibn Umayyah (رضي الله عنه):Ik nam deel aan de veldtocht (ghazwah) (van Tabuk) met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het Leger van de Moeilijkheid (Jaysh al-ʿUsrah). Dit behoorde tot de (goede) daden waarop ik het meest vertrouw. Ik had een knecht die vocht met iemand. Een van hen beet de vinger van de ander, waarop deze zijn vinger terugtrok, en de voortanden van de bijter afbraken.Hij ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maar die oordeelde: “Er is geen schadevergoeding voor je voortand. Moest hij dan zijn vinger in jouw mond laten zodat jij erop kon knagen als een (kamelen) hengst?”
De vaststelling van qiṣāṣ (wedervergelding) voor tanden en wat daarmee gelijkstaat.
إثبات القصاص في الأسنان وما في معناها
١٠٩٠ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: كَسَرَتِ الرُّبيِّعُ، وَهِيَ عَمَّةُ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، ثَنِيَّةَ جَارِيَةٍ مِنَ الأَنْصَارِ، فَطَلَبَ الْقَوْمُ الْقِصَاصَ، فَأَتَوُا النَّبِيَّ ﷺ، فَأَمَرَ النَّبِيُّ ﷺ بِالْقِصَاصِ؛ فَقَالَ أَنَسُ بْنُ النَّضْرِ، عَمُّ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ: لاَ وَاللهِ لاَ تُكْسَرُ سِنُّهَا يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَا أَنَسُ كِتَابُ اللهِ الْقِصَاصُ فَرَضِيَ الْقَوْمُ وَقَبِلُوا الأَرْشَ؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّ مِنْ عِبَادِ اللهِ مَنْ لَوْ أَقْسَمَ عَلَى اللهِ لأَبَرَّهُ
1090 – Van Anas (رضي الله عنه):Ar-Rubayyiʿ, de tante van Anas ibn Mālik, had een voortand van een dienstmaagd van de Anṣār gebroken. Haar familie eiste qiṣāṣ (wedervergelding). Zij gingen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij gaf het bevel tot (toepassing van) qiṣāṣ.Toen zei Anas ibn an-Naḍr, oom van Anas ibn Mālik: “Nee, bij Allāh, haar tand zal toch niet gebroken worden, o Rasûlullāh !”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “O Anas, het Boek van Allāh schrijft qiṣāṣ voor.”Uiteindelijk stemde de familie van het meisje in het accepeteren van bloedgeld (arsh)Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Onder de dienaren van Allāh zijn er mensen die, wanneer zij bij Allāh een eed afleggen, Allāh die voor hen doet uitkomen.”
Wat toegestaan is met het vergieten van het bloed van een moslim
ما يباح به دم المسلم
١٠٩١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ يَحِلُّ دَمُ امْرِىءٍ مُسْلِمٍ يَشْهَدُ أَنْ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَأَنِّي رَسُولُ اللهِ إِلاَّ بِإِحْدَى ثَلاَثٍ: النَّفْسُ بِالنَّفْسِ، وَالثَّيِّبُ الزَّانِي، وَالْمَارِقُ مِنَ الدِّينِ التَّارِكُ الْجَمَاعَةَ
1091 – Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is niet toegestaan het bloed te vergieten van een moslim die getuigt dat er geen godheid is dan Allāh, en dat ik de Rasûlullāh ben, behalve in drie gevallen:
Degene die een ander (opzettelijk) doodt, wordt ter dood gebracht,
De gehuwde persoon die overspel pleegt,
En degene die de Islām verzaakt en zich afscheidt van de gemeenschap (jamâ`ah).”
De uitleg over de zonde van degene die (de eerste) moord heeft gepleegd
بيان إِثم من سنّ القتل
١٠٩٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ ُتقْتَلُ نَفْسٌ ظُلْمًا إِلاَّ كَانَ عَلَى ابْنِ آدمَ الأَوَّلِ كِفْلٌ مِنْ دَمِهَا، لأَنَّهُ أَوَّلُ مَن سَنَّ الْقَتْلَ
1092 - Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bij iedere onrechtvaardige moord die wordt gepleegd, draagt de zoon van Ādam (Qābīl) die als eerste een moord beging (door zijn eigen broer te doden) een aandeel in die zonde.”
Vergelding met bloed is in het Hiernamaals en het eerste waarover tussen de mensen wordt geoordeeld op de Dag der Opstanding
المجازاة بالدماء في الآخرة، وأنها أول ما يقضى فيه بين الناس يوم القيامة
١٠٩٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَوَّلُ مَا يُقْضى بَيْنَ النَّاسِ بِالدِّمَاءِ
1093 - Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het eerste waarover (op de Dag der Opstanding) tussen de mensen geoordeeld zal worden, zijn zaken van bloedvergieten (bloedwraak).”
Het verzwaard verbod op het schenden van bloed, eer en eigendom
تغليظ تحريم الدماء والأعراض والأموال
١٠٩٤ - حديث أَبِي بَكْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الزَّمَانُ قَدِ اسْتَدَارَ كَهَيْئَةِ يَوْمَ خَلَقَ السَّموَاتِ وَالأَرْضَ، السَّنَةُ اثْنَا عَشَرَ شَهْرًا؛ مِنْهَا أَرْبَعَةٌ حُرُمٌ، ثَلاَثَةٌ مُتَوَالِيَاتٌ: ذو الْقَعْدَةِ وَذُو الْحِجَّةِ وَالْمُحَرَّمُ، وَرَجَبُ مَضَرَ، الَّذِي بَيْنَ جُمَادَى وَشَعْبَانَ؛ أَيُّ شَهْرٍ هذَا قُلْنَا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ فَسَكَتَ حَتَّى ظَنَنَّا أَنَّهُ سَيُسَمِّيهِ بِغَيْرِ اسْمِهِ، قَالَ: أَلَيْسَ ذُو الْحِجَّةِ قُلْنَا: بَلَى قَالَ: فَأَيُّ بَلَدٍ هذَا قُلْنَا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ فَسَكَتَ حَتَّى ظَنَنَّا أَنَّهُ سَيُسَمِّيهِ بِغَيْرِ اسْمِهِ، قَالَ: أَلَيْسَ الْبَلْدَةَ قُلْنَا: بَلَى قَالَ: فَأَيُّ يَوْمٍ هذَا قُلْنَا: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ فَسَكَتَ حَتَّى ظَنَنَّا أَنَّهُ سَيُسَمِّيهِ بِغيْرِ اسْمِهِ قَالَ: أَلَيْسَ يَوْمَ النَّحْرِ قُلْنَا: بَلَىقَالَ: فَإِنَّ دِمَاءَكُمْ وَأَمْوَالَكُمْ قَالَ مُحَمَّدٌ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) وَأَحْسِبُهُ قَالَ: وَأَعْرَاضَكُمْ عَلَيْكُمْ حَرَامٌ كَحُرْمَةِ يَوْمِكُمْ هذَا فِي بَلَدِكُمْ هذَا في شَهْرِكُمْ هذَا؛ وَسَتَلْقَوْنَ رَبَّكُمْ فَسَيَسْأَلُكُمْ عَنْ أَعْمَالِكُمْ، أَلاَ فَلاَ تَرْجِعُوا بَعْدِي ضُلاَّلًا يَضْرِبُ بَعْضُكُمْ رِقَابَ بَعْضٍ، أَلاَ لِيُبَلِّغِ الشَّاهِدُ الْغَائِبَ، فَلَعَلَّ بَعْضَ مَنْ يُبَلَّغُهُ أَنْ يُكُونَ أَوْعَى لَهُ مِنْ بَعْضِ مَن سَمِعهُ فَكَانَ
مُحَمَّدٌ إِذَا ذَكَرَهُ يَقُولُ: صَدَقَ مُحَمَّدٌ ﷺ ثُمَّ قَالَ: أَلاَ هَلْ بَلَّغْتُ مَرَّتَيْنِ
1094 - Van Abū Bakrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De tijd is teruggekeerd naar zijn oorspronkelijke staat, zoals op de dag waarop Allāh de hemelen en de aarde schiep. Het jaar telt twaalf maanden, waarvan er vier heilig zijn. Drie daarvan zijn opeenvolgend: Dhū al-Qaʿdah, Dhū al-Ḥijjah en al-Muḥarram, en (daarnaast is er) Rajab van (de stam) Muḍar, gelegen tussen Jumādā (al Akhirah) en Shaʿbān.”Toen vroeg hij: “Welke maand is dit?”Wij antwoordden: “Allāh en Zijn Boodschapper weten het het best.”Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij (de maand) een andere naam zou geven. - “Is het niet Dhū al-Ḥijjah?”- “Zeker.”- “En welke stad is dit?”- “Allāh en Zijn Boodschapper weten het het best.”Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij (de stad) een andere naam zou geven. - “Is het niet (de stad) al-Baldah (Makkah)?”- “Zeker.”- “En welke dag is vandaag?”- “Allāh en Zijn Boodschapper weten het het best.”Hij zweeg, totdat wij dachten dat hij (de dag) een andere naam zou geven. - “Is het niet de (eerste) dag van an-Naḥr (offerfeest)?”- “Zeker.”- “Voorwaar, jullie levens, jullie bezittingen”, voegde Muḥammad (een van de overleveraars) eraan toe: “en jullie eer”, zijn onder jullie even heilig als de heiligheid van deze dag, in deze maand en in deze stad.Jullie zullen jullie Rab ontmoeten, en Hij zal jullie ondervragen over al jullie daden. Wees daarom op jullie hoede dat jullie na mij niet terugkeren naar dwaling, waarbij jullie elkaar de hals doorsnijden. Laat degene die aanwezig is, (mijn woorden) overbrengen aan idegene de afwezig is. Het kan zijn dat degene aan wie (deze woorden) worden overgebracht het beter begrijpt dan degene die ze rechtstreeks heeft gehoord.”En wanneer Muḥammad (een van de vertellers) dit vertelde, zei hij: “Muḥammad (صلى الله عليه وسلم) sprak de waarheid.”Daarna zei hij twee keer: “Heb ik (de boodschap) overgebracht? Heb ik (de boodschap) overgebracht?”
[In deze raadgeving stelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) allereerst de berekening van maanden en jaren vast. In die tijd had dit grote betekenis voor de bescherming van bezit, leven en eer, aangezien alle jaarmarkten tijdens deze heilige maanden veilig konden plaatsvinden.
Sinds oudsher hebben de Arabieren respect gehad voor deze vier heilige maanden, waardoor handel, ambacht, aanbidding en andere menselijke activiteiten in veiligheid konden plaatsvinden. Later werden echter, met het oog op roof en plundering, de heilige maanden soms verplaatst; soms werd het jaar zelfs van twaalf naar dertien maanden verlengd. Door toevoegingen en weglatingen in de kalender ontstond er veel onrecht.
Tijdens zijn preken bij de Afscheids-Ḥaj heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze vervalsingen rechtgezet en verklaard dat de maanden weer in de oorspronkelijke volgorde staan, zoals bij de schepping vastgesteld. Omdat het beschermen van bezit, leven en eer van groot belang is, heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de heilige maanden bij hun namen genoemd. Om dit zelfs voor de eenvoudigste geesten begrijpelijk te maken, presenteerde hij het op uiterst welsprekende wijze in een vraag-en-antwoordvorm.] (HY)
De diyah (bloedgeld) is verschuldigd voor een foetus, evenals bij onopzettelijke dood of quasi-opzettelijke doodslag. De verplichting tot betaling van de diyah rust op de verwanten van de dader
دية الجنين ووجوب الدية في قتل الخطأ وشبه العمد على عاقلة الجاني
١٠٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَضى فِي امْرَأَتَيْنِ مِنْ هُذَيْلٍ اقْتَتَلَتَا، فَرَمَتْ إِحْدَاهُمَا الأُخْرَى بَحَجَرٍ، فَأَصَابَ بَطْنَهَا وَهِيَ حَامِلٌ، فَقَتَلَتْ وَلَدَهَا الَّذِي فِي بَطْنِهَا فَاخْتَصَمُوا إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَضى أَنَّ دِيَةَ مَا فِي بَطْنِهَا غُرَّةٌ: عَبْدٌ أَوْ أَمَةٌ؛ فَقَالَ وَلِيُّ الْمَرْأَةِ الَّتِي غَرِمَتْ: كَيْفَ أَغْرَمُ، يَا رَسُولَ اللهِ مَنْ لاَ شَرِبَ وَلاَ أَكلَ، وَلاَ نَطَقَ وَلاَ اسْتَهَلَّ، فَمِثْلُ ذَلِكَ بطَلَ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّمَا هذَا مِنْ إِخْوَانِ الْكهَّانِ
1095 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) oordeelde over twee vrouwen van de stam Hudzayl die met elkaar in gevecht raakten. Eén van hen sloeg de ander met een steen en raakte haar buik, terwijl zij zwanger was.
Hett kind in haar buik overleed daardoor.Zij brachten de zaak voor aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en hij oordeelde dat de bloedgeld (diyah) voor het kind een ‘ghurrah’ bedreg (gelijk aan de waarde voor het vrijkopen van een slaaf of slavin).De voogd van de vrouw die de schade moest vergoeden, vroeg: “O Rasûlullāh, hoe kan ik bloedgeld betalen voor iemand die niet heeft gedronken, niet heeft gegeten, niet heeft gesproken en zelfs niet heeft gehuild? Zoiets zou toch geen bloedgeld vereisen! Een dergelijk oordeel is ongeldig.”Waarop an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Waarlijk, (deze man) behoort tot een van de broeders van de waarzeggers.”
[Wat er bedoeld wordt met 'één van de broeders van de waarzeggers' is dat hij lijkt op waarzeggers die met versierde en indrukwekkende woorden hun toehoorders beïnvloeden en misleiden.] (AFK)
١٠٩٦ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ وَمُحَمَّدِ بْنِ مَسْلَمَةَ عَنْ عُمَرَ ﵁، أَنَّهُ اسْتَشَارَهُمْ فِي إِمْلاَصِ الْمَرْأَةِ؛ فَقَالَ الْمُغِيرَةُ: قَضى النَّبِيُّ ﷺ بِالْغُرَّةِ: عَبْدٍ أَوْ أَمَةٍ فَشَهِدَ مُحَمَّدُ بْنُ مَسْلَمَةَ أَنَّهُ شَهِدَ النَّبِيَّ ﷺ قَضى بِهِ1096 - Van al-Mughīrah ibn Shuʿbah en Muḥammad ibn Maslamah (رضي الله عنها):ʿUmar (رضي الله عنه) raadpleegde hen over het verlies van een foetus.Al-Mughīrah zei: “An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft geoordeeld dat in het geval van miskraam een ‘ghurrah’ (gelijk aan de waarde voor het vrijkopen van een slaaf of een slavin) betaald moet worden.”Muḥammad ibn Maslamah bevestigde dat hij getuige was van dit oordeel van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).