As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu’l- Waṣiyyah: Het boek over testament/nalatenschap

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu’l- Waṣiyyah: Het boek over testament/nalatenschap

[De lexionale betekenis van het woord waṣiyyah is bevelen, iemand iets opdragen, een goed na overlijden schenken”. In de islamitische wet (fiqh) en de uṣūl al-ḥadīth (methodologie van de ḥadīth) wordt waṣiyyah op twee manieren toegepast:

Het schenken van een goed of voordeel na overlijden aan een persoon of liefdadigheidsinstelling, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat.

Het machtigen van iemand vóór overlijden om de financiële zaken van jonge kinderen te beheren of over de nalatenschap te beschikken.

Degene die zijn goed of het voordeel ervan schenkt via een waṣiyyah wordt de wāsī genoemd (voogd of beheervertegenwoordiger van een nalatenschap).

Waṣiyyah s een van de rechtsgeldige contracten die door de Islām worden erkend.

Historisch gezien bestond het concept van testamentaire beschikking ook al vóór de komst van de Islām .

Soorten waṣiyyah:

Onvoorwaardelijk testament: Er is geen tijdsof gebeurtenisvoorwaarde verbonden

Voorwaardelijk testament: Verbonden aan een specifieke gebeurtenis of tijd.

Bijvoorbeeld: “Als dit gebeurt”, of “Als ik voor deze datum sterf”.

Specifiek testament: Het te schenken goed of voordeel wordt in een bepaald bedrag of specifieke hoeveelheid vastgelegd.

Niet-specifiek testament: Het te schenken goed of voordeel wordt niet als exact bedrag, maar als percentage van de nalatenschap vastgelegd, bijvoorbeeld één derde of één vierde.

Daarnaast kunnen waṣiyyahs worden ingedeeld op basis van wat wordt nagelaten: het goed zelf of het voordeel / gebruik van het goed] (HA)

١٠٥٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَا حَقُّ امْرِىءٍ مُسْلِمٍ لَهُ شَيْءٌ يُوصِي فِيهِ يَبِيتُ لَيْلَتَيْنِ إِلاَّ وَوَصِيَّتُهُ مَكْتُوبَةٌ عِنْدَهُ1052 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een moslim die iets heeft om na te laten (een schuld of bezit), mag niet twee nachten laten voorbijgaan zonder dat zijn testament schriftelijk bij hem is vastgelegd.”

[Met de uitdrukking “twee nachten” wordt hier geen vaste grens bedoeld. De strekking is dat iemand die iets heeft om in een testament op te nemen, dit niet moet uitstellen maar het direct op schrift dient te stellen.

In een andere overlevering van deze ḥadīth, overgeleverd door Muslim en an-Nasāʾī, wordt zelfs gesproken over “drie nachten”.

Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) is overgeleverd:

“Vanaf het moment dat ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit heb horen zeggen, is er geen enkele nacht voorbijgegaan zonder dat mijn testament bij mij aanwezig was.” (Muslim, al-Waṣiyyah: 1; an-Nasāʾī, al-Waṣāyā: 1)] (AFK)

Een derde deel als testament (beschikbaar deel van de erfenis)الوصية بالثلث

١٠٥٣ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَعُودُنِي عَامَ حَجَّةِ الْوَدَاعِ، مِنْ وَجَعٍ اشْتَدَّ بِي، فَقُلْتُ: إِنِّي قَدْ بَلَغَ بِي مِنَ الْوَجَعِ وَأَنَا ذُو مَالٍ، وَلاَ يَرِثُنِي إِلاَّ ابْنَةٌ، أَفَأَتَصَدَّقُ بِثُلُثَيْ مَالِي قَالَ: لاَ فَقُلْتُ: بِالشَّطْرِ فَقَالَ: لاَ ثُمَّ قَالَ: الثُّلُثُ، وَالثُّلُثُ كَبِيرٌ أَوْ كَثِيرٌ، إنَّكَ أَنْ تَذَرَ وَرَثَتَكَ أَغْنِيَاءَ خَيْرٌ مِنْ أَنْ تَذَرَهُمْ عَالَةً يَتَكَفَّفُونَ النَّاسَ، وَإِنَّكَ لَنْ تُنْفِقَ نَفَقَةً تَبْتَغِي بِهَا وَجْهَ اللهِ إِلاَّ أُجِرْتَ بِهَا حَتَّى مَا تَجْعَلُ فِي فِي امْرَأَتِكَ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أُخَلَّفُ بَعْدَ أَصْحَابِي قَالَ: إِنَّكَ لَنْ تُخَلَّفَ فَتَعْمَلَ عَمَلًا صَالِحًا إِلاَّ ازْدَدْتَ بِهِ دَرَجَةً وَرِفْعَةً، ثُمَّ لَعَلَّكَ أَنْ تُخَلَّفَ حَتَّى يَنْتَفِعَ بِكَ أَقْوَامٌ وَيُضَرَّ بِكَ آخَرُونَ، اللهُمَّ أَمْضِ لأَصْحَابِي هِجْرَتَهُمْ وَلاَ تَرُدَّهُمْ عَلَى أَعْقَابِهِمْ، لكِنَ الْبَائِسُ سَعْدُ ابْنُ خَوْلَةَ، يَرْثِي لَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَنْ مَاتَ بِمَكَّةَ

1053 – Van Saʿd ibn Abī Waqqās (رضي الله عنه):Tijdens de afscheidsḤaj (Ḥajat’ul-Wadāʿ) bezocht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) mij (in Makkah) vanwege een hevige pijn die mij had getroffen.

Ik zei: “De pijn/ziekte is verergerd, en ik bezit veel bezittingen (ik ben een rijke man), maar ik laat alleen een dochter als erfgenaam achter.

Mag ik twee derde deel van mijn bezit schenken als liefdadigheid (ṣadaqah)?”Hij zei: “Nee.”“De helft dan?” “Nee.”“Één derde deel is toegestaan, en een derde is (eigenlijk al) veel of groot.”Het is beter dat je je erfgenamen rijk achterlaat dan dat je hen behoeftig achterlaat zodat zij anderen om hulp moeten vragen. Iedere uitgave die je omwille van Allāh doet, zal voor jou worden beloond, zelfs wanneer je een hap eten in de mond van je echtgenote legt.” “O Rasūlullāh, laat u mij hier achter terwijl mijn vrienden (Makkah) verlaten?”“Je zult niet achtergelaten worden. Als je hier (in Makkah) een goede (sâlih) daad verricht, dan stijgt jouw rang daardoor en wordt jouw positie verhoogd. (Misschien zul je een lang leven leiden) Er zullen zelfs volkeren zijn die door jou voordeel zullen verkrijgen, en anderen zullen door jou schade ondervinden die ze hebben verdiend.” (Toen deed hij du`â’): ‘O Allāh! Voltooi de Hijrah van mijn metgezellen, en laat hen niet terugkeren op hun schreden!” De ware beklagenswaardige is arme Saʿd ibn Khawlah. Omdat hij in Makkah stierf, rouwde Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem.

[Deze ḥadīth verwoordt een fundamenteel principe met betrekking tot het gebruik van eigendom in overeenstemming met het welbehagen van Allāh. Zij maakt duidelijk dat het, zelfs met de intentie om dichter tot Allāh te komen, niet passend is om het grootste deel van iemands bezit weg te schenken. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bepaalde dat via een testament (waṣiyyah) maximaal één derde van het bezit kan worden toegewezen aan iemand die geen erfgenaam is.

Als reden gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan dat de erfgenamen niet in een situatie mogen worden achtergelaten waarin zij afhankelijk worden van anderen. Tegelijkertijd benadrukt de ḥadīth dat alle uitgaven ten behoeve van het gezin als goede daden (ṣāliḥ ʿamal / ṣadaqah) gelden, en dat zelfs ogenschijnlijk wereldse uitgaven in het Hiernamaals beloond zullen worden.

Dit vormt een ander belangrijk principe en bevat tevens een blijde boodschap die uit deze ḥadīth naar voren komt.

Het voorbeeld van Saʿd ibn Abī Waqqās, die vreesde in Makkah te overlijden en deze angst met Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) deelde, onderstreept het belang van de emigratie (ḥijrah). De gelovigen die samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar Madīnah emigreerden, en die hem moesten steunen, beschermen en gehoorzamen, bleven terughoudend ten aanzien van een verblijf in Makkah. Zij wilden daar niet sterven, uit vrees dat dit hun deel aan de beloften van Allāh, verbonden aan de ḥijrah, zou aantasten. Dit toont aan hoe diep zij het gebod tot emigratie en het samenleven en sterven in dezelfde stad als Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) hadden geïnternaliseerd.

Op vergelijkbare wijze voelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verdriet over het overlijden van Saʿd ibn Khawlah in Makkah, ondanks dat hij naar Abessinië was geëmigreerd en had deelgenomen aan de Slag bij Badr. Madīnah — de plaats van de ḥijrah en de stad waarnaar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelfs na de verovering van Makkah de voorkeur gaf om terug te keren — had namelijk, net zoals bij Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم), ook in de harten van de gelovigen een bijzondere en diepgewortelde plaats.] (Diyanet)

١٠٥٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَوْ غَضَّ النَّاسُ إِلَى الرُّبُعِ؛ لأَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الثُّلُثُ، وَالثُّلُثُ كَثِيرٌ أَوْ كَبِيرٌ1054 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Als de mensen zich zouden beperken tot een kwart van hun bezittingen (te schenken als ṣadaqah), zou dat passend zijn, want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een derde is veel of groot.”

Het bereiken van sadaqāt (aalmoezen) aan de overledene

وصول ثواب الصدقات إلى الميت

١٠٥٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَجُلًا قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: إِنَّ أُمِّي افْتُلِتَتْ نَفْسُهَا وأَظُنُّهَا لَوْ تَكَلَّمَتْ تَصَدَّقَتْ، فَهَلْ لَهَا أَجْرٌ إِنْ تَصَدَّقْتُ عَنْهَا قَالَ: نَعَمْ

1055 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها):Er was een man die tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Mijn moeder is (plotseling) overleden en ik denk dat zij, als ze had kunnen spreken, liefdadigheid zou hebben willen geven. Zou zij dan een beloning ontvangen als ik namens haar liefdadigheid geef?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Ja.”

Waqf (stichting)

الوقف

١٠٥٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ أَصَابَ أَرْضًا بِخَيْبَرَ، فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ يَسْتَأْمِرُهُ فِيهَا، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي أَصَبْتُ أَرْضًا بِخَيْبَرَ لمْ أُصِبْ مَالًا قَطُّ أَنْفَسَ عِنْدِي مِنْهُ، فَمَا تَامُرُ بِهِ قَالَ: إِنْ شِئْتَ حَبَّسْتَ أَصْلَهَا وَتَصَدَّقْتَ بِهَا قَالَ: فَتَصَدَّقَ بِهَا عُمَرُ أَنَّهُ لاَ يُبَاعُ وَلاَ يُوهَبُ وَلاَ يُورَثُ، وَتَصَدَّقَ بِهَا فِي الْفُقَرَاءِ وَفِي الْقُرْبَى وَفِي الرِّقَابِ وَفِي سَبِيلِ اللهِ وَابْنِ السَّبِيلِ وَالضَّيْفِ، لاَ جُنَاحَ عَلَى مَنْ وَلِيَهَا أَنْ يَأكُلَ مِنْهَا بِالْمَعْرُوفِ وَيُطْعِمَ، غَيْرَ مُتَمَوِّلٍ قَالَ (الرَّاوِي): فَحَدَّثْتُ بِهِ ابْن سِيرِينَ، فَقَالَ: غَيْرَ مُتَأَثِّلٍ مَالًا

1056 – Van Ibn ʿUmar رضي الله عنهما):Aan ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb viel een stuk land van de (oorlogsbuit) in Khaybar en ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om te vragen wat hij moest doen.. Hij zei: “O Rasūlullāh ik heb een stuk land gekregen (als oorlogsbuit) in Khaybar. Dit is het meest waardevolle bezit dat ik ooit heb gehad.

Wat beveelt u mij aan?”an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als je wilt, blijft het land je eigendom, en schenk je (de opbrengst ervan) als ṣadaqah (liefdadigheid).”ʿUmar heeft het land als liefdadigheid gegeven, wat betekent dat het niet verkocht, geschonken of geërfd mag worden, geschonken of geërfd mag worden. De (opbrengst van het) land is bestemd voor de armen, familie, bevrijden van slaven, degenen die op weg van Allāh (fi sabilillah) strijden, de gestrande reiziger en de zwakken. Het is toegestaan voor degene die er verantwoordelijk voor is om er met mate van te eten en te voeden, zolang het niet aan zijn eigen bezit wordt toegevoegd.De verteller zei: Ibn Sirīn vertelde mij dat dit niet mag worden gedaan met het oog op persoonlijk gewin.

Wie niets heeft om na te laten, maakt geen testament

ترك الوصية لمن ليس له شيء يوصي فيه

١٠٥٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ أَبِي أَوْفَى عَنْ طَلْحَةَ ابْنِ مُصَرِّفٍ قَالَ: سَأَلْتُ عَبْدَ اللهِ بْنَ أَبِي أَوْفَى هَلْ كَانَ النَّبِيُّ ﷺ أَوْصى قَالَ: لاَ فَقُلْتُ: كَيْفَ كُتِبَ عَلَى النَّاس الْوَصِيَّةُ، أَوْ أُمِرُوا بِالْوَصِيَّةِ قَالَ: أَوْصى بِكِتَابِ اللهِ

1057 – Van ʿAbdullāh ibn Abī Awfā via Ṭalḥah ibn Muṣarrif (رضي الله عنهم):Hij vroeg aan ʿAbdullāh ibn Abī Awfā of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) testament had aanbevolen.Hij zei: “Nee.”Toen vroeg hij: “Hoe werd het dan verplicht gesteld voor de mensen om een testament op te stellen, (of hoe werden de mensen opgedragen om een testament op te stellen)?”Hij antwoordde: “Hij (an-Nabī) verwees naar het Boek van Allāh (de Qur’ānal s testament).”

١٠٥٨ - حديث عَائِشَةَ، عَنِ الأَسْوَدِ، قَالَ: ذَكَرُوا عِنْدَ عَائِشَةَ أَنَّ عَلِيًّا ﵁ كَانَ وَصِيًّا فَقَالَتْ: مَتَى أَوْصَى إِلَيْهِ وَقَدْ كُنْتُ مُسْنِدَتَهُ إِلَى صَدْرِي، أَوْ قَالَتْ: حَجْرِي، فَدَعَا بِالطَّسْتِ، فَلَقَدِ انْخَنَثَ فِي حَجْرِي فَمَا شَعَرْتُ أَنَّهُ قَدْ مَاتَ، فَمَتَى أَوْصى إِلَيْهِ1058 – Van ʿĀʾishah via Al-Aswad : رضي الله عنهما):Ze zeiden bij ʿĀʾishah dat (Rasūlullah (صلى الله عليه وسلم) ʿAlī (رضي الله عنه) als voogd heeft aangewezen.. Daarop zei ze: “Wanneer zou Rasūlullah(صلى الله عليه وسلم) hem aangewezen hebben als voogd (wāsī). Ik had (Rasūlullah(صلى الله عليه وسلم) vóór zijn overlijden tegen mijn borst of tegen mijn kleding aangedrukt.

Toen vroeg hij om een schaal (met water), waarna hij, terwijl hij op mijn schoot lag, verslapte in al zijn ledematen en zijn kracht verloor. Ik merkte niet eens dat hij was overleden. Hoe zou (Rasūlullah(صلى الله عليه وسلم) in deze toestand hem (ʿAlī) aangewezen hebben als voogd?

١٠٥٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّهُ قَالَ: يَوْمُ الْخَمِيسِ، وَمَا يَوْمُ الْخَمِيسِ ثمَّ بَكَى حَتَّى خَضَبَ دَمْعُهُ الْحَصْبَاءَ، فَقَالَ: اشْتَدَّ بِرَسُولِ اللهِ ﷺ وَجَعُهُ يَوْمَ الْخَمِيسِ، فَقَالَ: ائْتُونِي بِكِتَابٍ، أَكْتُبْ لَكُمْ كِتَابًا لَنْ تَضِلُّوا بَعْدَهُ أَبَدًا فَتَنَازَعُوا، وَلاَ يَنْبَغِي عِنْدَ نَبِيٍّ تَنَازُعٌ فَقَالُوا: هَجَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَالَ: دَعُونِي فَالَّذِي أَنَا فِيهِ خَيْرٌ مِمَّا تَدْعُونِي إِلَيْهِ وَأَوْصى عِنْدَ مَوْتِهِ بِثَلاَثٍ: أَخْرِجُوا الْمُشْرِكِينَ مِنْ جَزِيرَةِ الْعَرَبِ، وَأَجِيزُوا الْوَفْدَ بِنَحْوِ مَا كُنْتُ أُجِيزُهُمْ وَنَسِيتُ الثَّالِثَةَ1059 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Donderdag, donderdag, wat een droevige dag was dat. Daarna huilde hij zo hevig dat zijn tranen de kiezelstenen nat maakten. De pijn/ziekte van Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op die donderdag heviger geworden.Hij zei: ‘Breng mij schrijfgerei zodat ik iets kan laten opschrijven waardoor jullie na mij nooit zullen dwalen.’Maar de aanwezigen begonnen met elkaar te redetwisten. Ze zeiden:“Het is niet passend om te twisten in het bijzijn van an-Nabī.

Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) spreekt dit niet uit zichzelf, maar omdat hij zich niet lekker voelt.Daarop antwoordde hij (Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) ): “Laat mij met rust, want de toestand waarin ik mij nu bevind, is beter dan de situatie waarin jullie mij zouden brengen”En bij zijn overlijden liet hij drie dingen na:

De mushrikīn moeten volledig van het Arabische schiereiland (Makkah, Madīnah, Yamâmah ve Yaman) worden verdreven,

De ambassadeurs moeten worden behandeld zoals hij hen behandelde,

En het derde punt ben ik vergeten.”

١٠٦٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَمَّا حُضِرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَفِي الْبَيْتِ رِجَالٌ، فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: هَلُمُّوا أَكْتُبْ لَكُمْ كِتَابًا لاَ تَضِلُّوا بَعْدَهُ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَدْ غَلَبَهُ الْوَجَعُ، وَعِنْدَكُمْ القُرْآنُ، حَسْبُنَا كِتَابُ اللهِ فَاخْتَلَفَ أَهْلُ الْبَيْتِ وَاخْتَصَمُوا؛ فَمِنْهُمْ مَنْ يَقُولُ: قَرِّبُوا يَكْتُبْ لَكُمْ كِتَابًا لاَ تَضِلُّوا بَعْدَهُ وَمِنْهُمْ مَنْ يَقُولُ غَيْرَ ذلِكَ فَلَمَّا أَكْثَرُوا اللَّغْوَ وَالاخْتِلافَ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قُومُوا

قَالَ عُبَيْدُ اللهِ (الرَّاوِي) فَكَانَ يَقُولُ ابْنُ عَبَّاسٍ: إِنَّ الرَّزِيَّةَ كُلَّ الرَّزِيَّةِ مَا حَالَ بَيْنَ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَبَيْنَ أَنْ يَكْتُبَ لَهُمْ ذلِكَ الْكِتَابَ، لاِخْتِلاَفِهِمْ وَلَغَطِهِمْ

1060 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op zijn sterfbed lag met (enkele) mannen aanwezig in het huis, zei hij: “Breng mij schrijfgerei, zodat ik voor jullie een schrift (testament) laten optekenen waarmee jullie nooit meer zullen dwalen.”Sommigen van hen antwoordden: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) is overmand door de pijn, en jullie hebben de Qurʾān; het Boek van Allāh is voor ons voldoende.”Hierdoor ontstond onder de aanwezigen onenigheid en discussie.Sommigen zeiden: “Breng iets, zodat hij een document kan schrijven waarmee jullie niet meer zullen dwalen.”Anderen waren het hier juist tegen..Toen de woordenwisselingen en het lawaai te ver gingen, zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Sta op (en ga weg).”ʿUbaydullāh (de overleveraar) zei: “Ibn ʿAbbās placht te zeggen:“Werkelijk, de grootste rampspoed was dat hun onenigheid en geredetwist verhinderde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat document voor hen opschreef.”

[Vlak voor zijn overlijden was an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) enige tijd ziek. Zijn ziekte was soms ernstig, en daarbij verloor hij af en toe het bewustzijn. Gedurende deze periode kon hij de ṣalāh niet leiden in de moskee, en hij had Abū Bakr (رضي الله عنه) daartoe aangewezen.

Het is begrijpelijk dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens deze ziekte een soort testament wilde opstellen voor zijn ummah, vooral voor degenen die zich bewust waren van zijn naderende overlijden. Toch konden de zaken die hij wilde laten opschrijven beslist niet tot de fundamenten van de godsdienst (dīn) behoren, noch zaken zijn die hij tot dat moment nog niet had bekendgemaakt. Immers, Allāhu تعالى, die hem als boodschapper had gezonden, zou niet toestaan dat hij deze wereld verlaat zonder de volledige plicht tot het verkondigen van de boodschap van Allāh te hebben volbracht.

In zijn Afscheidspreek getuigde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan zijn gemeenschap dat hij de godsdienst (Islām) volledig en zonder tekort had verkondigd.

. De Qur’ān lezen we:

ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ ٣

.... Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islām voor jullie als godsdienst gekozen… (Mā’ida, 5:3).

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde mogelijk enkele zaken ter bevestiging herhalen als zijn laatste woorden, maar zijn bewusteloosheid verhinderde dit. Het commentaar van de jonge metgezel ʿAbdullāh ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما) hierover weerspiegelde vooral zijn jeugdige nieuwsgierigheid en leergierigheid. Anders zouden de aanwezige oudere en meer gerespecteerde metgezellen, die eerder tot de Islām waren overgegaan, niet verantwoordelijk zijn geweest voor enig groot onheil dat de ummah zou kunnen schaden.] (Diyanet)