As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu’n naḏr: Boek van de gelofte/belofte (aan Allāh)

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu’n naḏr: Boek van de gelofte/belofte (aan Allāh)

[De lexicale betekenis van het woord naḏr is “gelofte” of “belofte”. In terminologische zin betekent het dat iemand een vorm van aanbidding, die oorspronkelijk niet verplicht was, voor zichzelf verplicht maakt. Met andere woorden: een persoon legt in de naam van Allāh een gelofte af om een bepaalde daad van aanbidding, die normaal gesproken aanbevolen is of vrijwillig, te verrichten en verplicht dit voor zichzelf.

Voorwaarden voor een rechtsgeldige gelofte

Om een gelofte rechtsgeldig te zijn, moeten zowel de persoon die de gelofte aflegt als het onderwerp van de gelofte aan specifieke voorwaarden voldoen:

1. Voorwaarden betreffende de persoon:

Degene die de gelofte aflegt, moet een moslim zijn.

Hij of zij moet verstandig (ʿāqil) zijn.

Hij of zij moet de volwassen leeftijd (bāligh) bereikt hebben.

2. Voorwaarden betreffende het onderwerp van de gelofte:

a. De aard van de daad:

Het onderwerp van de gelofte moet een daad van aanbidding zijn die op zichzelf een farḍ of wājib-type is, zoals het verrichten van de ṣalāh, het geven van ṣadaqah, het slachten van een offerdier of vasten.

Zaken zoals ziekenbezoek, het laten reciteren van mawlid, of rituelen bij heiligengraven vallen hier niet onder en vormen geen geldige gelofte.

b. Zelfstandigheid van de daad:

De gelofte moet betrekking hebben op een daad die op zichzelf wordt nagestreefd, niet op iets dat slechts een middel is tot een andere vorm van aanbidding.

Daarom zijn geloften zoals het reciteren van de adhān of iqāmah, of het binnengaan van een moskee, ongeldig, omdat deze handelingen geen zelfstandige verplichtingen vormen.

c. Geen reeds verplichte of aanbevolen handelingen:

De gelofte mag geen daad omvatten die op dat moment of later al verplicht (farḍ) of sterk aanbevolen (wājib) is voor degene die de gelofte doet. Bijvoorbeeld, de verplichte ṣalāh of de vasten van Ramaḍān kunnen geen onderwerp van een gelofte zijn.

d. Mogelijkheid en toelaatbaarheid:

De daad of het goed dat wordt beloofd, moet materieel en religieus mogelijk en toegestaan zijn.

Bij een gelofte die betrekking heeft op bezit, moet degene die de gelofte aflegt eigenaar zijn van dat bezit.

Een gelofte over iets wat men niet bezit, of waarin men meer belooft dan men bezit, is ongeldig of beperkt tot wat daadwerkelijk eigendom is.

e. Geen verboden of zondige handelingen:

De gelofte mag geen ongehoorzaamheid jegens Allāh, geen innovatie (bidʿah), zonde of ongeoorloofde handeling omvatten. In dat geval is de gelofte ongeldig.

Voorbeeld: An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval een vrouw die had beloofd de Ḥaj met onbedekt hoofd te verrichten, haar hoofd te bedekken, waarmee werd aangetoond dat een gelofte om een zondige handeling te verrichten ongeldig is.

Voorbeelden uit de praktijk:

Volgens al-Khaṭṭābī is een gelofte om blootsvoets naar de Ḥaj te gaan geldig. Degene die deze gelofte doet, dient dit te volgen zolang hij daartoe in staat is. Als hij niet meer kan lopen, mag hij een dier berijden en in Makkah een offerdier slachten.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zij moet drie dagen vasten.” Dit betekent dat de vasten in de plaats komt van het offerdier dat normaal naar Makkah gebracht zou worden. De vrouw mocht kiezen tussen vasten of het brengen van het offerdier.Dit lijkt op de situatie van iemand in iḥrām die een jachtdier doodt: hij mag kiezen tussen het geven van een gelijkwaardig dier, de waarde ervan aan de armen geven, of voor elke mud tarwe één dag vasten.(HA)

De verplichting om een gedane gelofte (naḏr) te vervullen

الأمر بقضاء النذر

١٠٦١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ سَعْدَ بْنَ عُبَادَةَ ﵁، اسْتَفْتَى رَسُولَ اللهِ ﷺ فَقَالَ: إِنَّ أُمِّي مَاتَتْ وَعَلَيْهَا نَذْرٌ، فَقَالَ: اقْضِهِ عَنْهَا

1061 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Saʿd ibn ʿUbādah (رضي الله عنه) vroeg advies aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Mijn moeder is overleden en ze had een belofte(-schuld aan Allāh).”Hij antwoordde: ‘Vervul de gelofte van je moeder namens haar.’

Gelofte drijft geen ramp weg

النهي عن النذر وأنه لا يرد شيئًا

١٠٦٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: نَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنِ النَّذْرِ، قَالَ: إِنَّهُ لاَ يَرُدُّ شَيْئًا، وَإِنَّمَا يُسْتَخْرَجُ بِهِ مِنَ الْبَخِيل

1062 – Van Ibn ʿUmar ((رضي الله عنهما):Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood de gelofte (aan Allāh) en zei: “Het brengt niets (noch het goede noch het slechte) terug, maar (dankzij het doen van een gelofte) wordt er bezit onttrokken aan een gierige persoon.”

[naḏr is een gelofte aan Allāh om een bepaalde daad van aanbidding te verrichten of een handeling te volbrengen, ook al is deze niet verplicht (farḍ of wājib).

Een gelofte kan worden gedaan uit oprechte religieuze toewijding, om iemands vroomheid te tonen, of uit hoop op hulp van Allāh bij het bereiken van een gewenst resultaat.

De Qur’ān vermeldt dat gelofte ook in eerdere religies bestond (Āl ʿImrān 3:35; Maryam 19:26). In de tijd van de jāhiliyyah beloofden Arabieren bijvoorbeeld gelofte om een zoon te krijgen, een oorlog te winnen, of te overleven bij hongersnood of ziekte.

In de Islām wordt gelofte echter niet expliciet aanbevolen. Dit komt doordat degene die een gelofte doet, deze mogelijk niet kan nakomen. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde uit dat een gelofte niet het vermogen heeft om Allāhs kennis of besluitvorming te veranderen. Hij benadrukte dat een gelofte de gelovige bewust maakt van tawḥīd (de eenheid van Allāh) en qadar (de goddelijke voorbestemming).

Het advies is daarom om een gelofte niet te zien als iets dat de qadar of qadā van Allāh beïnvloedt, maar als een middel om de duʿā’ en inspanning van de gelovige te versterken. Net zoals bij de duʿā’, ligt het resultaat van de gelofte volledig in het oordeel en de voorbestemming van Allāh.] (Diyanet)

١٠٦٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ يَأْتِي ابْنَ آدَمَ النَّذْرُ بِشَيْءٍ لَمْ يَكُنْ قُدِّرَ لَهُ، وَلكِنْ يُلْقِيهِ النَّذْرُ إِلَى الْقَدَرِ قَدْ قُدِّرَ لَهُ، فَيَسْتَخْرِجُ اللهُ بِهِ مِنَ الْبَخِيلِ، فَيُؤْتِي عَلَيْهِ مَا لَمْ يَكُنْ يُؤْتِي عَلَيْهِ مِنْ قَبْلُ1063 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De gelofte brengt de zoon van Adam niets dan wat voor hem was voorbestemd. Maar de gelofte sleept hem naar wat al voor hem was voorbestemd. Maar (dankzij het doen van een gelofte) wordt er bezit onttrokken aan een gierige persoon en (voortaan) brengt die persoon zelf het bezit dat hij niet eerder wilde weggeven.

[Onder islamitische geleerden is er discussie geweest over de vraag of het toegestaan is om bij het doen van een gelofte een voorwaarde te verbinden. Men besprak bijvoorbeeld of het correct is om een gelofte te doen zoals: “Als ik mijn studie afrond, zal ik een schaap offeren.”

Over het algemeen adviseren de geleerden dat een gelofte zonder enige voorwaarde wordt gedaan, uitsluitend omwille van Allāh’s tevredenheid. In de betreffende ḥadīth wordt eveneens vermeld dat een voorwaardelijke gelofte niets verandert aan de uitkomst.

In de praktijk wordt het begrip gelofte vaak verkeerd begrepen. Veel mensen denken dat het gaat om een gelofte tot aanbidding in ruil voor het verkrijgen van een wens. Het soort gelofte dat door de Islām wordt aanbevolen, is echter het vrijwillig beloven van een naflilah-ibadah (een niet-verplichte daad van aanbidding) louter omwille van Allāh’s tevredenheid, zonder dat er een voorwaarde aan verbonden is..] (AFK)Gelofte van iemand die lopend naar de Kaʿbah wil gaan

من نذر أن يمشي إلى الكعبة

١٠٦٤ - حديث أَنَسٍ ﵁، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ رَأَى شَيْخًا يُهَادَى بَيْنَ ابْنَيْهِ، قَالَ: مَا بَالُ هذَا قَالُوا: نَذَرَ أَنْ يَمْشِيَ؛ قَالَ: إِنَّ اللهَ عَنْ تَعْذِيبِ هذَا نَفْسَهُ لَغَنِيٌّ وَأَمَرَهُ أَنْ يَرْكَبَ

1064 – Van Anas (رضي الله عنه):De an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag een oude man die tussen zijn twee zonen liep, leunend op hen. Hij vroeg: “Wat is er aan de hand hem?”Zij antwoordden: “Hij heeft een gelofte (bij Allāh gedaan) dat hij lopend (naar Ka`bah zou gaan).”Daarop zei hij: “Allāh heeft er geen behoefte aan dat deze man zichzelf kwelt; Allāh staat erboven/Allāh heeft dit niet nodig.” Vervolgens beval hij de man om op zijn rijdier te gaan zitten.”

١٠٦٥ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ، قَالَ: نَذَرَتْ أُخْتِي أَنْ تَمْشِيَ إِلَى بَيْتِ اللهِ، وَأَمَرَتْنِي أَنْ أَسْتَفْتِيَ لَهَا النَّبِيَّ ﷺ، فَاسْتَفْتَيْتُهُ فَقَالَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ: لِتَمْشِ وَلْتَرْكَبْ1065 – Van ʿUqbah ibn ʿĀmir (رضي الله عنه):Zijn zus (Ummu Hibbân) had een gelofte (aan Allāh) gedaan om naar het huis van Allāh (Ka`bah) te lopen. Hij vroeg namens haar advies aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij antwoordde: “Laat haar lopen en ook (een rijdier) rijden.”

[In de Musnad van Imâm Ahmed en in de Sunen-ḥadīthboeken wordt overgeleverd dat `Uqbah ibn Âmir el-Juhanî (رضي الله عنه) zei: “Mijn zuster Ummu Hibbān legde de gelofte af om blootsvoets, te voet en zonder gebruik van enig rijdier naar de Kaʿbah te gaan.”

Tabarî en İshaq ibn Salim voegen via `Uqbah ibn Âmir toe:

“Ummu Hibbān is een zware, corpulente vrouw, en het lopen valt haar moeilijk.”

In Abû Dâwûd wordt overgeleverd van Qatâdah, via Ikrimah en Ibn ʿAbbās, dat:

“`Uqbah ibn Âmir meldde dat zijn zuster had gezworen om te voet naar de Kaʿbah te gaan, maar klaagde over haar zwakte om dit vol te houden. Hij vroeg hierover het oordeel aan Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم).”

Volgens een overlevering van `Abdullāh ibn Mālik zei Rasūlullāh (صلى الله عليه وسلم) daarop:

“Zeg haar dat ze op een rijdier moet gaan zitten en drie dagen moet vasten.”

Aansluitend vermeldt Imâm Muslim in zijn Sahîh:

“De boetedoening voor het afleggen van een gelofte is gelijk aan de boetedoening voor een eed.”] (HY)