As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu’r Ru’yā: Boek over dromen

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu’r Ru’yā: Boek over dromen

[Droom (ru’yā) is de toestand waarin een persoon tijdens de slaap allerlei gebeurtenissen ervaart alsof hij wakker is. Door de eeuwen heen hebben dromen in alle samenlevingen grote betekenis gehad. Over de aard en oorsprong van dromen is veel geschreven en gesproken, maar deze verklaringen hebben per cultuur en tijdperk sterk uiteengelopen. In sommige oude beschavingen werd veel belang gehecht aan dromen, en droomuitleg werd zelfs in boeken verzameld. Over het algemeen is een droom een voortzetting van de waaktoestand: gebeurtenissen die een mens diep hebben geraakt, blij of verdrietig, worden tijdens de slaap opnieuw beleefd.

Binnen de Islām vormt een droom geen juridische bron of bewijsgrond. Het geldt uitsluitend voor degene die het ziet. Die persoon kan zijn droom als goed (ḥayr) uitleggen, maar de betekenis geldt alleen voor hemzelf.

Een droom is omschreven als: “Een innerlijke gewaarwording of gevoel dat Allah via een engel in het bewustzijn van de dienaar wekt, hetzij als waarheid, hetzij in symbolische vorm, of het zijn verwarrende inbeeldingen die voortkomen uit de influisteringen van de shayṭān.”

In de Qur’ān wordt op verschillende plaatsen over dromen gesproken. Zo zag Ibrāhīm (عليه السلام) in zijn droom dat hij zijn zoon Ismāʿīl (عليه السلام) moest offeren, en hij probeerde deze droom ook uit te voeren (as-Ṣāffāt 37:102).Ook Yūsuf (عليه السلام) zag in zijn droom dat elf sterren/hemellichamen, de zon en de maan zich voor hem neerbogen (Yūsuf 12:4). Later verklaarde hij zowel de droom van de Egyptische koning als die van twee medegevangenen (Yūsuf 12:36–43).In de Qur’ān wordt eveneens melding gemaakt van dromen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf heeft gezien (surah al-Fatḥ 48:27).

De islamitische geleerden hebben, op basis van deze verzen en van de uitspraken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) over dromen, aangevuld met eigen ervaring en observatie, een rijke kennistraditie ontwikkeld over de aard, soorten en interpretatie van dromen. Zij maken onderscheid tussen natuurlijke dromen, voortkomend uit de fysieke en psychologische toestand van de mens, en de waarachtige (ṣādiq) dromen van de profeten, die behoren tot het onderdeel van de openbaring (waḥy) en dus niet betwijfeld worden.

Zowel in de islamitische wereld als in het Westen hebben geleerden zich beziggehouden met de oorsprong en betekenis van dromen, en hierover verschillende verklaringen gegeven.

De hedendaagse boeken die onder de titel “Droomuitleg” verschijnen, hebben doorgaans weinig te maken met de werkelijke aard van dromen. Daarom zijn droomuitleg en -verklaring vaak slechts een vorm van veronderstelling of wensdenken.

Men dient dromen, evenals innerlijke inspiratie (ilhām), niet te beschouwen als objectieve of universeel geldige bewijzen, zij gelden alleen voor degene die ze ervaart.

Samenvattend:Dromen die door de profeten zijn gezien of verklaard, zijn betrouwbaar en waarachtig.Daarbuiten echter hebben dromen of hun interpretaties geen zekere kenniswaarde.Daarom is het niet toegestaan om op basis van dromen religieuze oordelen te formuleren, bestaande voorschriften ongeldig te verklaren of het leven daaraan in te richten.De uitleg van een droom geldt uitsluitend voor degene die de droom heeft gezien, en anderen mogen daarop geen oordeel of handeling baseren.] (HA)

١٤٥٦ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: الرُّؤْيَا مِنَ اللهِ وَالْحُلُمُ مِنَ الشَّيْطَانِ، فَإِذَا رَأَى أَحَدُكُمْ شَيْئًا يَكْرَهُهُ فَلْيَنْفِثْ، حِينَ يَسْتَيْقِظ، ثَلاَثَ مَرَّاتٍ، وَيَتَعَوّذْ مِنْ شَرِّهَا، فَإِنَّهَا لاَ تَضُرُّهُ1456 – Van Abū Qatādah:Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘De ware droom (ru’yā) is van Allāh, en de (nare/slechte) droom (ḥulm) is van de shayṭān. Wanneer iemand van jullie iets onaangenaams droomt, laat hij driemaal spuwen (zonder speeksel) bij het ontwaken, en zijn toevlucht zoeken tegen het kwaad ervan (bij Allāh), dan zal het hem niet schaden.”

[Dromen worden in het algemeen in drie categorieën verdeeld:

1. Ware en goede dromen

Dit zijn dromen die in het waakleven blijken uit te komen. Zulke dromen worden gezien door de profeten (عليهم السلام), de oprechte en vrome gelovigen die hen volgen, en soms ook door mensen die niet bijzonder vroom zijn.

Deze categorie kan in drie groepen worden onderverdeeld:

a. Dromen die zo duidelijk zijn dat ze geen uitleg of interpretatie vereisen, zoals de droom van Ibrāhīm (عليه السلام), waarin hij zag dat hij zijn zoon moest offeren.

b. Dromen die gedeeltelijk uitleg vereisen, zoals de droom van Yūsuf (عليه السلام), waarin hij zag dat de zon, de maan en elf sterren/hemellichamen zich voor hem neerbogen.

c. Dromen die volledig interpretatie vereisen, zoals de droom van de koning van Egypte (Fir‘awn of de heerser van Miṣr) die Yūsuf (عليه السلام) uitlegde.

2. Chaotische dromen zonder betekenis (Aḍghāth Ahlām)

Deze dromen hebben geen duidelijke betekenis en worden “aḍghāth” genoemd (enkelvoud: ḍughth), oftewel chaotische dromen. Ook deze zijn in verschillende soorten te verdelen:

a. Dromen waarin de shayṭān met de slapende persoon speelt en hem verdriet bezorgt, bijvoorbeeld wanneer iemand in zijn droom ziet dat zijn hoofd wordt afgehakt en hij erachteraan rent, of dat hij zich in een angstaanjagende situatie bevindt en niemand hem komt helpen.

b. Dromen waarin de slapende iets onmogelijks ziet, zoals dat engelen hem iets harams toestaan of hem iets aanbieden wat verstandelijk onmogelijk is.

c. Dromen die voortkomen uit wat iemand overdag heeft meegemaakt, gewenst of overwogen heeft. Wanneer iemand zich intens met iets bezighoudt, kan hij dat in zijn slaap terugzien.

Drie soorten dromen samenvattend:

Een droom die van Allah komt en een blijde tijding bevat (ru’yā raḥmāniyyha).

Een droom die voortkomt uit iemands gedachten of zorgen (nafsāniyyah).

Een droom die van Shayṭān komt om de mens te verontrusten (shayṭāniyyah).

Wat te doen na een slechte droom

Wanneer een moslim een slechte of angstaanjagende droom ziet, dient hij:

Drie keer bescherming te zoeken bij Allah tegen het kwaad van die droom en tegen de shayṭān, door te zeggen:

“Allāhumma innī a‘ūdhu bika min sharri hādzihi ar-ru’yā wa min sharri ash-shayṭān ar-rajīm.”“O Allah, ik zoek toevlucht bij U tegen het kwaad van deze droom en tegen de Shayṭān die van Uw barmhartigheid is verstoten.”

Du‘ā te verrichten dat de droom in iets goeds verandert.

De droom aan niemand te vertellen.

Wat te doen bij een goede droom

Wanneer een moslim een goede droom ziet, prijst hij Allah (door te zeggen al-ḥamdu lillāh), wordt er blij van en ziet het als een blijde tijding. Hij mag deze droom alleen vertellen aan iemand die hij liefheeft en vertrouwt, en niet aan iemand die hij niet mag.

Volgens Qāḍī ‘Iyāḍ (overl. 544/1149) is het drie keer spugen (droog spuwen) na een slechte droom bedoeld om de shayṭān die in die droom aanwezig was te verjagen, te vernederen en te kleineren.] (HA)

١٤٥٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا اقْتَرَبَ الزَّمَان لَمْ تَكَدْ تَكْذِبُ رُؤْيَا الْمُؤْمِنِ، وَرُؤْيَا الْمُؤْمِنِ جُزْءٌ مِنْ سِتَّةٍ وَأَرْبَعِينَ جُزْءًا مِنَ النُّبُوَّةِ1457 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Wanneer de (Einde der) Tijd nadert, zal de droom van een gelovige (mu’min) zelden onwaar zijn. De droom van een gelovige is één zesenveertigste deel van de profetie.”

[De uitdrukking “het naderen van de Tijd” die in de ḥadīth voorkomt, is op verschillende manieren geïnterpreteerd:

De tijd waarin de duur van dag en nacht gelijk is, namelijk tijdens de overgangsperiodes tussen zomer en winter (lente en herfst).

De laatste delen van de nacht, het moment waarop de nacht overgaat in de dag.

(Dromen worden wetenschappelijk verklaard als verschijnend in de REM-slaapfase, en dat deze REM-slaap zich voornamelijk in het laatste derde deel van de nacht voordoet. De herinnerde dromen zijn dan ook meestal de dromen die in deze laatste fase gezien worden).

De eindtijd van de wereld, de ākhir al-zamān. Zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover zei: ‘De Dag der Opstanding (qiyāmah) zal niet plaatsvinden voordat de tijd is genaderd: een jaar zal als een maand zijn, een maand als een week, een week als een dag, een dag als een uur, en een uur als het ontbranden van een vuur.” (Tirmidzī, Zuhd: 16)

In deze ḥadīth wordt “het naderen van de Tijd” uitgelegd als het afnemen van zegeningen (barakah) en het verlies aan nut van tijd. Ook wordt het uitgelegd als een toestand waarin mensen aan het Einde der Tijden zo worden beziggehouden door fitnah en rampen, dat ze de tijd niet meer bewust ervaren, de tijd vliegt als het ware ongemerkt voorbij.

Volgens een andere interpretatie betekent “het naderen van de Tijd” ook letterlijk het korter worden ervan. Dit wordt toegeschreven aan de komst van snelle vervoersmiddelen, waardoor reizen die eerder maanden duurden, nu met vliegtuigen of soortgelijke middelen in zeer korte tijd kunnen worden afgelegd.] (AFK)

[Nubuwwah (profeten-zijn) is geen verschijnsel dat in delen kan worden opgesplitst of gedeeld met anderen buiten de profeten. Met an-Nabī Muḥammad (صلى الله عليه وسلم), de laatste der profeten/boodschappers, is de taak van de nubuwwah beëindigd. In de kern bestaat de taak van de nubuwwah uit het ontvangen van waḥy en het overbrengen van de goddelijke boodschap die door Allāh wordt gezonden aan de mensen.Een nabī geeft leiding, verkondigt blijde tijdingen, spoort aan, waarschuwt en waakt. Dromen behoren tot het rijk van het onzichtbare (ghayb), en de waarachtige dromen die een gelovige ziet, kunnen voor hemzelf een blijde tijding of een waarschuwing zijn.

In de ḥadīth wordt deze werkelijkheid, die met de toestemming en de kennis van Allāh plaatsvindt, omschreven als een “deel van de nubuwwah.” Toch is dit geschenk dat aan de gelovige wordt gegeven, persoonlijk. Het kan niet worden vergeleken met de waḥy, en mag niet worden gebruikt als een middel om zichzelf boven andere gelovigen te verheffen, noch als een vorm van dwang. ] (Diyanet)

١٤٥٨ - حديث عُبَادَة بْنِ الصَّامِتِ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: رُؤْيَا الْمُؤْمِنِ جُزْءٌ مِنْ سِتَّةٍ وَأَرْبَعِينَ جُزْءًا مِنَ النُّبُوَّةِ1458 – Van ʿUbādah ibn aṣ-Ṣāmit (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘De droom van een gelovige is één zesenveertigste deel van de profetie.”

١٤٥٩ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: رُؤْيَا الْمُؤْمِنِ جُزْءٌ مِنْ سِتَّةٍ وَأَرْبَعِين جُزْءًا مِنَ النُّبُوَّةِ1459 – Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De droom van een gelovige is één zesenveertigste deel van de profetie.”

١٤٦٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: رُؤْيَا الْمُؤْمِنِ جُزْءٌ مِنْ سِتَّةٍ وَأَرْبَعِينَ جُزْءًا مِنَ النُّبُوَّةِ1460 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De droom van een gelovige is één zesenveertigste deel van de profetie.”

De uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Wie mij in een droom ziet, heeft mij werkelijk gezienقول النبيّ ﷺ من رآني في المنام فقد رآني

١٤٦١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: مَنْ رَآنِي فِي الْمَنَامِ فَسَيَرَانِي فِي الْيَقَظَةِ، وَلاَ يَتَمَثَّلُ الشَّيْطَانُ بِي

1461 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Wie mij in zijn droom ziet, zal mij zeker in wakkere toestand zien, want de shayṭān kan zich niet in mijn gedaante voordoen.”

[Over de uitspraak in de ḥadīth “Hij zal mij ook in wakkere toestand zien”, zijn verschillende interpretaties gegeven. Sommigen hebben gezegd dat dit specifiek gold voor de metgezellen (ṣaḥābah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn leven. Volgens deze opvatting zou bijvoorbeeld een metgezel die zich niet in Madīnah bevond, wanneer hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een droom zag, hem later in werkelijkheid zien door naar Madīnah te reizen. Voor iemand die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na zijn overlijden in een droom ziet, betekent dit dat hij hem zal zien in het Hiernamaals (ākhirah).Sommige soefi's hebben deze ḥadīth echter gebruikt als bewijs dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ook in deze wereld gezien kan worden door middel van spirituele openbaring (kashf) en diepe meditatie (murāqabah).] (AFK)

[Deze ḥadīth is een blijde tijding dat de droom van degene die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in zijn slaap ziet, geen illusie is, maar dat hij werkelijk an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezien.

Wanneer deze persoon in de tijd van ‘Aṣr aṣ-Ṣa‘ādah (het Tijdperk van Geluk) leefde, betekent het dat de dag zal komen dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) daadwerkelijk zal ontmoeten. Wanneer hij echter in latere tijden leeft, dan wordt dit zo uitgelegd dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de Dag der Opstanding zal zien. ] (Diyanet)

[De kwestie van het zien van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom heeft geleid tot enkele verschillende interpretaties. De vragen die hierbij opkomen zijn bijvoorbeeld: Is elke keer dat je Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom ziet, werkelijk een authentiek zien is? Of moet men Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) met zijn bekende eigenschappen en ware identiteit zien om te kunnen spreken van een echte zien? Want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verschijnt niet altijd met al zijn bekende kenmerken en zijn ware essentie.Wat de geleerden (ʿulama’) echter unaniem overeenkomen is dat de shayṭān (duivel) niet in de gedaante van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kan verschijnen. Allahu تَعَالَى heeft de duivel deze mogelijkheid niet gegeven. Als dat wel mogelijk zou zijn, zou er een kans zijn dat leugens in de shari`ah zouden binnensluipen, waardoor het vertrouwen in de godsdienst zou worden aangetast. Daarom heeft Allah de shayṭān verboden om zich voor te doen als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zowel wanneer iemand wakker is als wanneer hij slaapt.] (HA)

Interpretatie van dromenفي تأويل الرؤيا

١٤٦٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ رَجُلًا أَتى رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: إِنِّي رَأَيْتُ اللَّيْلَةَ فِي الْمَنَامِ ظُلَّةً تَنْطُفُ السَّمْنَ وَالْعَسَلَ، فَأَرَى النَّاسَ يَتَكَفَّفُونَ مِنْهَا فَالْمُسْتَكْثِرُ وَالْمُسْتَقِلُّ وَإِذَا سَبَبٌ وَاصِلٌ مِنَ الأَرْضِ إِلَى السَّمَاءِ، فَأَرَاكَ أَخَذْتَ بِهِ فَعَلَوْتَ، ثُمَّ أَخَذَ بِهِ رَجُلٌ آخَرُ فَعَلاَ بِهِ، ثُمَّ أَخَذَ بِهِ رَجُلٌ آخَرُ فَعَلاَ بِهِ، ثُمَ أَخَذَ بِهِ رَجُلٌ آخَرُ فَانْقَطَعَ ثُمَّ وُصِلَ فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: يَا رَسُولَ اللهِ بِأَبى أَنْتَ، وَاللهِ لَتَدَعَنِّي فَأَعْبُرَهَا فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: اعْبُرْ قَالَ: أَمَّا الظُّلَّةُ فَالإِسْلاَمُ، وَأَمَّا الَّذِي يَنْطُفُ مِنَ الْعَسَلِ وَالسَّمْنِ فَالْقُرْآن، حَلاَوَتُهُ تَنْطِفُ فَالْمُسْتَكْثِرُ مِنَ الْقُرْآنِ وَالْمُسْتَقِلُّ وَأَمَّا السَّبَبُ الْوَاصِلُ مِنَ السَّمَاءِ إِلَى الأَرْضِ فَالْحَقُّ الَّذِي أَنْتَ عَلَيْهِ؛ تَأْخُذُ بِهِ فَيُعْلِيكَ اللهُ، ثُمَّ يَأْخُذُ بِهِ رَجُلٌ مِنْ بَعْدِكَ فَيَعْلُو بِهِ، ثُمَّ يَأْخُذُ رَجُلٌ آخَرُ فَيَعْلُو بِهِ ثُمَّ يَأْخُذُ رَجُلٌ آخَرُ فَيَنْقَطِعُ بِهِ، ثُمَّ يُوَصَّل لَهُ فَيَعْلُو بِهِ فَأَخْبِرْنِي، يَا رَسُولَ اللهِ، بِأَبِي أَنْتَ، أَصَبْتُ أَمْ أَخْطَاْتُ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَصَبْتَ بَعْضًا وأَخطَأْتَ بَعْضًا قَالَ: فَوَاللهِ لَتُحَدِّثنِي بِالَّذِي أَخْطَأْتُ قَالَ: لاَ تُقْسِمْ

1462 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Er kwam een man naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: ‘Ik zag vannacht in mijn droom een wolk waaruit boter en honing druppelden, en ik zag mensen daarvan scheppen: sommigen namen veel, anderen weinig. En ik zag een touw dat zich uitstrekte van de aarde tot aan de hemel. Ik zag dat u het vastgreep en daarmee steeg u omhoog. Daarna greep een andere man het vast en steeg ook omhoog. Toen een andere man, en ook hij steeg omhoog. Daarna een andere man die het touw greep maar het brak. Vervolgens werd het touw weer hersteld.”Abū Bakr zei: ‘O Rasûlullāh , moge mijn vader voor u geofferd worden, bij Allāh, laat mij het uitleggen.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Doe het’Hij zei: ‘De wolk is de Islām. De boter en honing die druppelen is de Qurʾān, zijn zoetheid stroomt. Sommigen nemen er veel van, anderen weinig. Het touw dat zich uitstrekt van de hemel tot de aarde is de waarheid waarop u zich bevindt. U greep het en Allāh liet u daardoor stijgen. Daarna greep een man het na u vast en steeg ermee, en daarna een andere man die het vasthield en ermee steeg. Vervolgens een andere man die het vasthield, waarna het brak, en toen weer werd hersteld en hij ermee steeg.”Vertel mij, o Rasûlullāh, moge mijn vader voor u geofferd worden, heb ik het goed gedaan of heb ik een fout gemaakt?”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Je hebt deels juist geïnterpreteerd en deels niet.”Abū Bakr zei: ‘Bij Allāh, vertel mij waarin ik fout zat.”Hij zei: ‘Zweer niet.”

[Wat betreft de vergissing van Abū Bakr (رضي الله عنه) heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet uitgelegd wat die precies inhield en heeft gezegd: “Zweer niet!” Dit kan op twee manieren worden begrepen:

Zweer niet, ik zal het niet uitleggen.

Zweer niet, want bedenk dat jij het ook zonder mijn uitleg kunt begrijpen.

Aan de andere kant hebben geleerden die onderzochten wat precies de vergissing van Abū Bakr (رضي الله عنه) was, verschillende meningen geuit. Sommigen zeggen dat hij het regenende boter en de honing uit de wolk slechts op de Qur’ān betrok.

Maar aangezien er twee zaken werden genoemd, had hij dit als één op de Qur’ān en de andere op de Sunnah zouden moeten uitleggen.Over degene bij wie het touw brak, namelijk ʿUthmān (رضي الله عنه), wordt gezegd dat er voor hem geen nieuw touw werd vastgemaakt, omdat hij als martelaar overleed door dat touw te breken. Het touw werd voor hem dus niet opnieuw vastgemaakt. Voor hem bij wie het touw wel werd vastgemaakt, is ʿAlī (رضي الله عنه), zo wordt vermeld.] (AFK)

De droom van An-Nabī (صلى الله عليه وسلم)رؤيا النبيّ ﷺ

١٤٦٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: أَرَانِي أَتَسَوَّكُ بِسِوَاكٍ، فَجَاءَنِي رَجُلاَنِ أَحَدُهُمَا أَكْبَرُ مِنَ الآخَرِ فَنَاوَلْتُ السِّوَاكَ الأَصْغَرَ مِنْهُمَا، فَقِيلَ لِي كَبِّرْ، فَدَفَعْتُهُ إِلَى الأَكْبَرِ مِنْهُمَا

1463 – Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In mijn droom zag ik dat ik mijn tanden aan het poetsen was met een siwāk. Twee mannen kwamen naar mij toe, van wie de een ouder was dan de ander. Ik gaf de siwāk aan de jongere van de twee. Toen werd er tegen mij gezegd: 'Geef het aan de oudste', en dus gaf ik het aan de oudere van hen.”

[De dromen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn altijd betekenisvol, waarachtig en consistent. In deze droom werd hem opgedragen de siwāk aan degene die ouder was te geven, waarmee een aanbeveling werd gedaan om, uit respect, bij het betonen van eer en het aanbieden van iets, te beginnen met de ouderen. ] (Diyanet)

١٤٦٤ - حديث أَبِي مُوسى، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: رَأَيْتُ فِي الْمَنَامِ أَنِّي أُهَاجِرُ مِنْ مَكَّةَ إِلَى أَرْضٍ بِهَا نَخْلٌ، فَذَهَبَ وَهَلِي إِلَى أَنَّهَا الْيَمَامَةُ أَوْ هَجَرُ فَإِذَا هِيَ الْمَدِينَةُ، يَثْرِبُ وَرَأَيْتُ فِي رُؤْيَايَ هذِهِ أَنِّي هَزَزْتُ سَيْفًا فَانْقَطَعَ صَدْرُهُ، فَإِذَا هُوَ مَا أُصِيبَ مِنَ الْمُؤْمِنِينَ، يَوْمَ أُحُدٍ ثُمَّ هَزَزْتُهُ بِأُخْرَى، فَعَادَ أَحْسَنَ مَا كَانَ، فَإِذَا هُوَ مَا جَاءَ اللهُ بِهِ مِنَ الْفَتْحِ وَاجْتِمَاعِ الْمُؤْمِنِينَ وَرَأَيْتُ فِيهَا بَقَرًا، وَاللهُ خَيْرٌ، فَإِذَا هُمُ الْمُؤْمِنُونَ يَوْمَ أُحُدٍ، وَإِذَا الْخَيْرُ مَا جَاءَ اللهُ، مِنَ الْخَيْرِ، وَثَوَابِ الصِّدْقِ الَّذِي آتَانَا اللهُ بَعْدَ يَوْمِ بَدْرٍ1464 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In mijn droom zag ik dat ik uit Makkah emigreerde naar een plaats waar dadelpalmen (in overvloed) groeiden. Mijn indruk was dat het al-Yamāmah of Ḥājar was, maar het bleek Madīnah, Yathrib, te zijn.

In diezelfde droom zag ik dat ik een zwaard zwaaide en dat het midden van het zwaard gebroken was. Dat bleek te verwijzen naar wat de gelovigen op de dag van Uḥud overkwam. Daarna zwaaide ik het (zwaard) opnieuw, en het werd mooier dan tevoren. Dat bleek te duiden op de overwinning en de eenheid die Allāh aan de gelovigen schonk.

Ik zag ook (geslachte) runderen en bij Allāh, dat is goed, wat duidde op de gelovige (martelaren) op de dag van Uḥud. Ik zag ook dat het echte goed, het goed is dat Allāh schenkt. Wat Allāh ons na de Slag bij Badr heeft gegeven, was de beloning voor onze standvastigheid.”

[Yamāmah ligt in Bahrein. Ḥājar is de naam van een stad in Jemen. Yathrib is de oude naam van Madīnah. Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar Yathrib emigreerde, werd deze plaats Madinatu’r Rasûl (de Stad van de Boodschapper) genoemd. Later werd de naam van deze gezegende stad afgekort tot Madīnah.In de Qur’ān wordt zowel de naam Yathrib gebruikt (zoals in surah Al-Ahzāb 33:13) als de naam Madīnah (zoals in surah At-Tawbah 9:101, 9:120 en Al-Ahzāb 33:60). Bovendien gaf Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze plaats ook de naam Ṭābah of Ṭayyibah, wat respectievelijk “aangenaam” of “mooi” betekent].(AFK)

١٤٦٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَدِمَ مُسَيْلِمَةُ الْكَذَّابُ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَجَعَلَ يَقُولُ: إِنْ جَعَلَ لِي مُحَمَّدٌ مِنْ بَعْدِهِ تَبِعْتُهُ وَقَدِمَهَا فِي بَشَرٍ كَثِيرٍ مِنْ قَوْمِه فَأَقْبَلَ إِلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَمَعَهُ ثَابِتُ بْنُ قَيْسِ بْنِ شَمَّاسٍ وَفِي يَدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، قِطْعَةُ جَرِيدٍ، حَتَّى وَقَفَ عَلَى مُسَيْلِمَةَ، فِي أَصْحَابِهِ فَقَالَ: لَوْ سَأَلْتَنِي هذِهِ الْقِطْعَةَ مَا أَعْطَيْتُكَهَا وَلَنْ تَعْدُوَ أَمْرَ اللهِ فِيكَ؛ وَلَئِنْ أَدْبَرْتَ لَيَعْقِرَنَّكَ اللهُ وَإِنِّي لأَرَاكَ الَّذِي أُرِيتُ فِيه مَا رَأَيْتُ وَهذَا ثَابِتٌ يُجِيبُكَ عَنِّي ثُمَّ انْصَرَفَ عَنْه

قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: فَسَأَلْتُ عَنْ قَوْلِ رَسُولِ اللهِ ﷺ: إِنَّكَ أُرَى الَّذِي أُرِيتُ فِيهِ مَا رَأَيْتُ

1465 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Mûsāylimah de leugenaar kwam in de tijd van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (met de delegatie van de Banû Hanîfah naar Madīnah). Hij zei: “Als Muḥammad mij na hem leiderschap overdraagt, zal ik hem volgen.” Hij arriveerde met een grote groep mensen uit zijn stam. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar hem toe, vergezeld door Thābit ibn Qays ibn Shamās, terwijl hij een stuk palmvezel in zijn hand had.

Toen hij bij Mûsāylimah in het gezelschap van zijn mensen recht voor hem stond, zei hij (an-Nabī): “Zelfs al zou je mij dit stukje (palmvezel) vragen, ik zou het je niet geven. Jij zult de beslissing van Allāh over jou niet kunnen ontlopen. En als je je (van de Islām) afwendt, dan zal Allāh je vernietigen. En ik denk dat jij de man bent die mij in mijn droom is getoond. En dit is Thābit hij zal namens mij met jou spreken.” Daarna draaide hij zich om en vertrok.Ibn ʿAbbās zei: “Ik vroeg (Abū Hurayrah) naar de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ‘Voorwaar jij bent degene die mij in mijn droom is getoond.”

١٤٦٦ - فَأَخْبَرَنِي أَبُو هُرَيْرَةَ: أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: بَيْنَا أَنَا نَائِمٌ، رَأَيْتُ فِي يَدَيّ سِوَارَيْنِ مِنْ ذَهَبٍ فَأَهَمَّنِي شَأْنُهُمَا، فَأُوحِيَ إِلَيَّ فِي الْمَنَامِ أَنِ انْفُخْهُمَا، فَنَفَخْتُهُمَا فَطَارَا، فَأَوَّلْتُهُمَا كَذَّابَيْنِ يَخْرُجَانِ بَعْدِي؛ أَحَدُهُمَا الْعَنْسِيُّ، وَالآخَرُ مُسَيْلِمَةُ

1466 - Abū Hurayrah (رضي الله عنه): (Vervolg op de vorige ḥadīth:) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl ik sliep, zag ik in mijn droom dat er twee gouden armbanden om mijn polsen zaten, en dit bezorgde mij zorgen. Toen werd mij in mijn droom geopenbaard: ‘Blaas erop’, en ik blies erop, daarna vlogen ze weg.

Ik interpreteerde hen als twee leugenaars die na mij zullen opstaan: de een is (Aswad) ʿAnsī (uit San`ah) en de ander is Mûsāylimah (al-kaththāb: de leugenaar).”

١٤٦٧ - حديث سَمُرَةُ بْنُ جُنْدُبٍ ﵁، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِمَّا يُكْثِرُ أَنْ يَقُولَ لِأَصْحَابِهِ: " هَلْ رَأَى أَحَدٌ مِنْكُمْ مِنْ رُؤْيَا " قَالَ: فَيَقُصُّ عَلَيْهِ مَنْ شَاءَ اللهُ أَنْ يَقُصَّ وَإِنَّهُ قَالَ، ذَاتَ غَدَاةٍ: إِنَّهُ أَتَانِي، اللَيْلَةَ، آتِيَانِ، وَإِنَّهُمَا ابْتَعَثَانِي، وَإِنَّهُمَا قَالاَ لِي: انْطَلِقْ وَإِنِّي انْطَلَقْتُ مَعَهُمَا، وَإِنَّا أَتَيْنَا عَلَى رَجُلٍ مُضْطَجِعٍ، وَإِذَا آخَرُ قَائِمٌ عَلَيْهِ بِصَخْرَةٍ، وَإِذَا هُوَ يَهْوِي بِالصَّخْرَةِ لِرَأْسِهِ، فَيَثْلَغُ رَأْسَهُ فَيَتَهَدْهَدُ الْحَجَرُ ههُنَا، فَيَتْبَعُ الْحَجَرَ، فَيَاْخُذُهُ، فَلاَ يَرْجِعُ إِلَيْهِ حَتَّى يَصِحَّ رَأْسُهُ كَمَا كَانَ ثُمَّ يَعُودُ عَلَيْهِ فَيَفْعَلُ بِهِ مِثْلَ مَا فَعَلَ الْمَرَّةَ الأُولَى

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: سُبْحَانَ اللهِ مَا هذَانِ

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ

قَالَ: فَانْطَلَقْنَا، فَأَتَيْنَا عَلَى رَجُلٍ مُسْتَلْقٍ لِقَفَاهُ، وَإِذَا آخَرُ قَائِمٌ عَلَيْهِ، بِكَلُّوبٍ مِنْ حَدِيدٍ، وَإِذَا هُوَ يَأْتِي أَحَدَ شِقَّيْ وَجْهِهِ فَيُشَرْشِرُ شِدْقَهُ إِلَى قَفَاهُ، وَمِنْخَرَهُ إِلَى قَفَاهُ، وَعَيْنَهُ إِلَى قَفَاهُ

قَالَ: ثُمَّ يَتَحَوَّلُ إِلَى الْجَانِبِ الآخَرِ، فَيَفْعَلُ بِهِ مِثْلَ مَا فَعَلَ بِالْجَانِبِ الأَوَّلِ، فَمَا يَفْرُغُ مِنْ ذلِكَ الْجَانِبِ حَتَّى يَصِحَّ ذَلِكَ الْجَانِبُ كَمَا كَانَ، ثُمَّ يَعُودُ عَلَيْهِ فَيَفْعَلُ مِثْلَ مَا فَعَلَ الْمَرَّةَ الأُولى

قَالَ: قُلْتُ سُبْحَانَ اللهِ مَا هذَانِ

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ فَانْطَلَقْنَا، فَأَتَيْنَا عَلَى مِثْلِ التَّنُّورِ، فَإِذَا فِيهِ لَغَطٌ وَأَصْوَاتٌ

قَالَ: فَاطَّلَعْنَا فِيهِ، فَإِذَا فِيهِ رِجَالٌ وَنِسَاءٌ عُرَاةٌ، وَإِذَا هُمْ يَأْتِيهِمْ لَهَبٌ مِنْ أَسْفَلَ مِنْهُمْ، فَإِذَا أَتاهُمْ ذَلِكَ اللهَبُ ضَوْضوْا

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: مَا هؤُلاَءِ

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ، انْطَلِقْ

قَالَ: فَانْطَلَقْنَا، فَأَتَيْنَا عَلَى نَهَرٍ أَحْمَرَ مِثْلِ الدَّمِ، وَإِذَا فِي النَّهَرِ رَجُلٌ سَابِحٌ يَسْبح، وَإِذَا عَلَى شَطِّ النَّهَرِ رَجُلٌ قَدْ جَمَعَ عِنْدَهُ حِجَارَةً كَثِيرَةً، وَإِذَا ذَلِكَ السَّابِحُ يَسْبَحُ مَا يَسْبَحُ ثُمَّ يَأْتِي ذَلِكَ الَّذِي قَدْ جَمَعَ عِنْدَهُ الْحِجَارَةَ فَيَفْغَرُ لَهُ فَاهُ، فَيُلْقِمُهُ حَجَرًا، فَيَنْطَلِقُ يَسْبَحُ ثُمَّ يَرْجِعُ إِلَيْهِ كُلَّمَا رَجَعَ إِلَيْهِ فَغَرَ لَهُ فَاهُ فَأَلْقَمَهُ حَجَرًا

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: مَا هذَان

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ، انْطَلِقْ

قَالَ: فَانْطَلَقْنَا، فَأَتَيْنَا عَلَى رَجُلٍ كَرِيهِ الْمَرْآةِ، كَأَكْرَهِ مَا أَنْتَ رَاءٍ رَجُلًا، مَرْآةً؛ وَإِذَا عِنْدَهُ نَارٌ يَحُشُّهَا وَيَسْعى حَوْلَهَا

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: مَا هذَا

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ، انْطَلِقْ فَانْطَلَقْنَا، فَأَتَيْنَا عَلَى رَوْضَةٍ مُعْتَمَّةٍ، فِيهَا مِنْ كُلِّ نَوْرِ الرَّبِيعِ، وَإِذَا بَيْنَ ظَهْرَيِ الرَّوْضَةِ رَجُلٌ طُوِيلٌ لاَ أَكَادُ أَرَى رَأْسَهُ طُولًا فِي السَّمَاءِ، وَإِذَا حَوْلَ الرَّجُلِ مِنْ أَكْثَرِ وِلْدَانٍ رَأَيْتُهُمْ قَطُّ

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: مَا هذَا مَا هؤُلاَءِ

قَالَ: قَالاَ لِي: انْطَلِقْ، انْطَلِقْ

قَالَ: فَانْطَلَقْنَا فَانْتَهَيْنَا إِلَى رَوْضَةٍ عَظِيمَةٍ؛ لَمْ أَرَ رَوْضَةً قَطُّ أَعْظَمَ مِنْهَا وَلاَ أَحْسَنَ

قَالَ: قَالاَ لِي: ارْقَ فِيهَا

قَالَ: فَارْتَقَيْنَا فِيهَا فَانْتَهَيْنَا إِلَى مَدِينَةٍ مَبْنِيَّةٍ، بِلَبِنِ ذَهَبٍ وَلَبِنِ فِضَّةٍ، فَأَتَيْنَا بَابَ الْمَدِينَةِ، فَاسْتَفْتَحْنَا، فَفُتِحَ لَنَا، فَدَخَلْنَاهَا، فَتَلَقَّانَا فِيهَا رِجَالٌ، شَطْرٌ مِنْ خَلْقِهِمْ كَأَحْسَنِ مَا أَنْتَ رَاءٍ، وَشَطْرٌ كَأَقْبَحِ مَا أَنْتَ رَاءٍ

قَالَ: قَالاَ لَهُمُ: اذهَبُوا فَقَعُوا فِي ذلِكَ النَّهَرِ

قَالَ: وَإِذَا نَهَرٌ مُعْتَرِضٌ يَجْرِي كَأَنَّ مَاءَهُ الْمَحْضُ فِي الْبَيَاضِ فَذَهَبُوا فَوَقَعُوا فِيهِ ثُمَّ رَجَعُوا إِلَيْنَا، قَد ذَهَبَ ذَلِكَ السُّوءُ عَنْهُمْ فَصَارُوا فِي أَحْسَنِ صُورَةٍ

قَالَ: قَالاَ لِي: هذِهِ جَنَّةُ عَدْنٍ، وَهذَا مَنْزِلكَ

قَالَ: فسَمَا بَصَرِي صُعُدًا، فَإِذَا قَصْرٌ مِثْلُ الرَّبَابَةِ الْبَيْضَاءِ

قَالَ: قَالاَ لِي: هذَاكَ مَنْزِلُكَ

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: بَارَكَ اللهُ فِيكُمَا، ذَرَانِي فَأَدْخلَهُ قَالاَ: أَمَّا الآنَ فَلاَ وَأَنْتَ دَاخِلُهُ

قَالَ: قُلْتُ لَهُمَا: فَإِنِّي قَدْ رَأَيْتُ مَنْذُ اللَّيْلَةِ عَجَبًا فَمَا هذَا الَّذِي رَأَيْتُ

قَالَ: قَالاَ لِي: أَمَا إِنّا سَنُخْبِرُكَ أَمَّا الرَّجُلُ الأَوَّلُ الَّذِي أَتَيْتَ عَلَيْهِ يُثْلَغُ رَأْسُهُ بِالْحَجَرِ، فَإِنَّهُ الرَّجُلُ يَأْخُذُ الْقُرْآنَ فَيَرْفِضُهُ، وَيَنَامُ عَنِ الصَّلاَةِ الْمَكْتُوبَةِ وَأَمَّا الرَّجُلُ الَّذِي أَتَيْتَ عَلَيْهِ يُشَرْشَرُ شِدْقُهُ إِلَى قَفَاهُ، وَمَنْخِرُهُ إِلَى قَفَاهُ، وَعَيْنُهُ إِلَى قَفَاهُ، فَإِنَّهُ الرَّجُلُ يَغْدُو مِنْ بَيْتِهِ فَيَكْذِبُ الْكَذْبَةَ تَبْلُغُ الآفَاقَ وَأَمَّا الرِّجَالُ وَالنِّسَاءُ الْعُرَاةُ، الَّذِينَ فِي مِثْلِ بِنَاءِ التَّنُّورِ، فَإِنَّهُمُ الزُّنَاةُ وَالزَّوَانِي وَأَمَّا الرَّجُلُ الَّذِي أَتَيْتَ عَلَيْهِ يَسْبَحُ فِي النَّهَرِ وَيُلْقَمُ الْحَجَرَ، فَإِنَّهُ آكِلُ الرِّبَا وَأَمَّا الرَّجُلُ الْكَرِيهُ الْمَرْآةِ، الَّذِي عِنْدَ النَّارِ، يَحُشُّهَا وَيَسْعى حَوْلَهَا، فَإِنَّهُ مَالِكٌ، خَازِنُ جَهَنَّمَ وَأَمَّا الرَّجُلُ الطَّوِيلُ الَّذِي فِي الرَّوْضَةِ فَإِنَّهُ إِبْرَاهِيمُ ﷺ وَأَمَّا الْوِلْدَانُ الَّذِينَ حَوْلَهُ فَكُلُّ مَوْلُودٍ مَاتَ عَلَى الْفِطْرَةِ

قَالَ: فَقَالَ بَعْضُ الْمُسْلِمِينَ: يَا رَسُولَ اللهِ وَأَوْلاَدُ الْمُشْرِكِينَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَأَوْلاَدُ الْمُشْرِكِينَ وَأَمَّا الْقَوْمُ الَّذِينَ كَانُوا، شَطْرٌ مِنْهُمْ حَسَنًا وَشَطْرٌ مِنْهُمْ قَبِيحًا، فَإِنَّهُمْ قَوْمٌ خَلَطُوا عَمَلًا صَالِحًا وَآخَرَ سَيِّئًا، تَجَاوَزَ اللهُ عَنْهُمْ

1467 – Van Samurah ibn Jundub (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg zijn metgezellen (na salāh as-subh) vaak: “Heeft iemand van jullie een droom gezien?”

Hij legde de droom uit zolang als Allāh het wilde.Op een dag zei hij weer tegen ons: 'Wie van jullie heeft een droom gezien’.

Wij zeiden: ‘Nee’.

Hij zei: “Vannacht kwamen er twee personen tot mij. Zij zeiden tegen mij: ‘Kom met ons mee.’

Ik ging met hen mee, en wij kwamen bij een man die op zijn rug lag. Er stond iemand boven hem met een enorme steen. Hij sloeg met die steen op zijn hoofd, zodat het werd verbrijzeld. De steen rolde weg. De man die sloeg liep erachteraan, en voordat hij terugkwam, was het hoofd weer zoals het was. Vervolgens herhaalde hij dit opnieuw.”

- “Subḥānallāh! Wat is dit?”- “Kom verder.”

Daarna kwamen wij bij een man die op zijn rug lag, en er stond iemand met een haak van ijzer boven hem. Hij haakte een van zijn mondhoeken tot aan zijn nek open, en zijn neusgat tot aan zijn nek, en zijn oog tot aan zijn nek. Vervolgens deed hij hetzelfde aan de andere kant, en tegen de tijd dat hij klaar was, was de eerste kant weer geheeld. Toen herhaalde hij de marteling.

- “Subḥānallāh! Wat is dit?”- “Kom verder.”

Toen kwamen we bij iets dat leek op een oven (tanūr) waar geschreeuw en stemmen uitkwamen.Toen we erin keken, zagen we naakte mannen en vrouwen. Onder hen kwam een vlam omhoog, telkens wanneer het hen bereikte, schreeuwden zij het uit van de pijn.

- “Wie zijn dit?”- “Kom verder.”

Toen kwamen wij bij een rivier van bloed, waarin een man aan het zwemmen was.Aan de oever stond een man met veel stenen.

Telkens als de zwemmer naar de kant kwam, opende hij zijn mond en gaf de man hem een steen om in te slikken.De zwemmer keerde dan terug naar het midden van de rivier, waarna het opnieuw gebeurde.

- “Wat is dit?”- “Kom verder.”

Toen kwamen we bij een man met een afschrikwekkend uiterlijk, het was de meest afschrikwekkende man die ik ooit gezien heb. Hij stookte vuur en liep eromheen.

- “Wie is dit?”- “Kom verder.”

Toen kwamen we bij een tuin vol bloemen van de lente, en daar stond een heel lange man, wiens hoofd ik bijna niet kon zien vanwege de lengte. Rondom hem waren kinderen, zoveel die ik ooit bij elkaar had gezien.

- “Wie is dit, en wie zijn die kinderen?”- “Kom verder.”

Toen kwamen wij bij een grote tuin, groter en mooier dan ik ooit had gezien. Ze zeiden: “Beklim dit.” We beklommen het, en kwamen bij een stad gebouwd van goud en zilver.We kwamen bij de poort, klopten, en het werd voor ons geopend. Daar ontmoetten we mensen van wie de helft er prachtig uitzag, en de andere helft vreselijk. Zij werden bevolen: “Ga naar die rivier.”

Ze gingen en baadden zich in een stromende rivier, helder als melk. Toen ze terugkwamen, waren zij allemaal mooi geworden. Er werd tegen mij gezegd: “Dit is het Paradijs van ʿAdn, en dit is jouw woning.” Ik keek omhoog en zag een wit paleis dat leek op een witte wolk.Er werd gezegd: “Dat is jouw huis.”Ik zei: “Moge Allāh jullie zegenen, laat mij nu binnengaan.”Zij zeiden: “Nu nog niet, maar je zult het zeker binnengaan.”

Ik zei: “Ik heb vannacht verbazingwekkende dingen gezien. Wat zijn al deze zaken?”

Zij vertelden mij:

De man wiens hoofd verbrijzeld werd, is iemand die de Qur’ān verwaarloost en de verplichte ṣalāh niet verricht.

De man wiens mond, neus en ogen van zijn gezicht werden gescheurd, is degene die de leugen verspreidt tot die de hele wereld bereikt.

De naakte mannen en vrouwen in de oven zijn de overspelers en overspeelsters.

De man die in de rivier zwom en stenen moest slikken, is degene die rente (ribā) eet.

De afschrikwekkende man bij het vuur is Mālik, de bewaker van de Hel.

De lange man in de tuin is Ibrāhīm (عليه السلام).

De kinderen rond hem zijn alle kinderen die gestorven zijn op de natuurlijke aanleg (fiṭrah).

(Samurah zei): Sommige moslims vroegen: “O Rasûlullāh, en de kinderen van de ongelovigen dan?”Hij zei: “Ook de kinderen van de ongelovigen.”

Wat betreft het volk dat half mooi en half lelijk was: het zijn mensen die goede en slechte daden hebben gemengd, en Allāh heeft hen vergeven.