Kitabu’s salām: Boek van de vrede-groetenis De ruiter geeft de salām aan degene die loopt, en de kleine groep aan de grote groep
يسلم الراكب على الماشي والقليل على الكثير[Salâm betekent vrede, rust en welzijn. As salâmu `alaykum is een islamitische ethische term die verwijst naar het wensen van gezondheid en welzijn wanneer moslims elkaar ontmoeten. In sommige ḥadīth-verzamelingen wordt onder het hoofdstuk “Salâm” niet alleen het begroeten met salâm besproken, maar ook onderwerpen zoals persoonlijk gedrag, houding bij zitten en opstaan, medische ziekten en behandelwijzen, evenals zaken als ruqyah, toverij, bijgeloof en besmettelijke ziekten.] (HA)١٣٩٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يُسَلِّمُ الرَّاكِبُ عَلَى الْمَاشِي، وَالْمَاشِي عَلَى الْقَاعِدِ، وَالْقَلِيلُ عَلَى الْكَثِيرِ1396 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die op een rijdier zit, geeft salām (as salamu `alaykum) aan degene die loopt. Degene die loopt, geeft salām aan degene die zit. En een kleine groep geeft salām aan een grotere groep.”
[Volgens de Islamitische geleerden zijn de richtlijnen in deze ḥadīth geen vrijblijvende aanbevelingen, maar geboden. Daarbij maakt het geen verschil of men op een dier rijdt of in een modern voertuig. De reden dat degene op een rijdier degene die loopt moet salām geven, is omdat Allāh hem een vervoermiddel heeft geschonken en hij daarom nederigheid dient te tonen, zodat hij zichzelf niet beter of verhevener acht dan de ander. In sommige aḥadīth wordt “degene die loopt” omschreven als “degene die passeert”.De persoon die loopt wordt, ten opzichte van iemand die zit, beschouwd als degene die zich in een nieuwe omgeving begeeft. Ook geldt dat het recht van een grotere groep voorrang heeft op dat van een kleinere; daarom geeft de kleinere groep salām aan de grotere. Het feit dat de rijdende persoon de lopende salām geeft, de lopende de zittende, en de kleine groep de grote, dient tot het wegnemen van mogelijke terughoudendheid of angst, het tonen ook nederigheid aan. Wanneer een jongere een oudere salām geeft is een uitdrukking van eerbied en respect. In al deze gevallen is nederigheid het onderliggende doel.Ook is bekend dat degene die de salām geeft, meer beloning ontvangt dan degene die hem beantwoordt.
Een ander belangrijk punt om te weten is dat de basisregel is dat degene die ergens aankomt, degene die reeds aanwezig is als eerste salām geeft, ongeacht of deze persoon jonger of ouder is, op een rijdier of te voet is, of deel uitmaakt van een grotere of kleinere groep.] (HY)
(Het geven van) de salām is een recht van de moslim tegenover een andere moslimمن حق المسلم للمسلم رد السلام
١٣٩٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: حَقُّ الْمُسْلِمِ عَلَى الْمُسْلِمِ خَمْسٌ: رَدُّ السَّلاَمِ، وَعِيَادَةُ الْمَرِيضِ، وَاتِّبَاعُ الْجَنَائِزِ، وَإِجَابَةُ الدَّعْوَةِ، وَتَشْمِيتُ الْعَاطِسِ
1397 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een moslim heeft vijf rechten op zijn medemoslim:
Het beantwoorden van zijn salām,
Het bezoeken van een zieke,
Het meelopen (in begrafenisstoet )(en het verrichten van salāh al-janāzah) van de overledene,
Ingaan op een uitnodiging,
En wanneer hij niest en ‘al-ḥamdu lillāh’ zegt, hem antwoorden met: ‘yarḥamukallāh’.”
[De Islām benadert het leven van het individu en de samenleving op een allesomvattende manier. Ze heeft tot doel dat de mensen in vrede, veiligheid en geluk leven in deze wereld, en dat zij in het Hiernamaals deze levenslijn kunnen voortzetten. Daarom heeft de Islām voor alle aspecten van het leven maatstaven en richtlijnen gegeven om de mens te leiden. Īmān (geloof) vormt de kern van de godsdienst (dīn), en de ʿibādāt (aanbiddingen) gelden als het symbool van gehechtheid aan de dīn.
Een werkelijk vroom persoon is iemand die zijn trouw aan de dīn uitstraalt over alle facetten van het leven.
Zijn gehoorzaamheid aan de Schepper moet blijken niet alleen in uiterlijke handelingen, maar ook in sociale relaties, in zijn omgang met de rechten van derden, en in maatschappelijke kwesties, waarin hij zich dient te gedragen volgens de door de Islām aanbevolen waarden van rechtvaardigheid, gematigdheid, eerlijkheid en opoffering.
Het woord al-ḥaq betekent in islamitische terminologie: het recht of de verantwoordelijkheid die de Islām aan individuen heeft toegewezen ten aanzien van personen of zaken; met andere woorden, de bevoegdheden, verplichtingen en aanspraken die iemand bezit volgens de sharīʿah.
De bron van rechten in de Islām is de Qur’ān en de Sunnah. De rechten die hier worden bedoeld, zijn de rechten van een moslim tegenover een andere moslim. Deze zijn als volgt:
1. De salām groeten geven
De salām kan worden gegeven met de woorden: “As-salāmu ʿalaykum”, of uitgebreider als “As-salāmu ʿalaykum wa raḥmatullāhi wa barakātuhu wa maghfiratuhu.”Er wordt vermeld dat voor elk aanvullend woord na “ʿalaykum” tien beloningen worden opgeschreven.
De salām geven is sunnah, en het beantwoorden ervan is farḍ. Het is een teken van vriendschap en goede bedoelingen tussen moslims.
2. Het bezoeken van zieken
Het bezoeken van een zieke moslim wordt door sommigen als farḍ beschouwd, door anderen als farḍ kifāyah, en volgens de meerderheid van de geleerden als aanbevolen (mandūb).De uitspraak van de ḥadīth over “de rechten van een moslim tegenover een medemoslim” betekent niet dat men niet de zieken onder dhimmī’s (niet-moslims onder islamitisch gezag) mag bezoeken. Want an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bezocht zijn niet-moslimse dienaar toen die ziek was; dankzij de duʿā van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd deze dienaar uiteindelijk moslim.Evenzo bezocht an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn oom Abū Ṭālib op diens sterfbed en riep hem op tot de Islām
3.
Het meelopen (in begrafenisstoet )(en het verrichten van salāh al-janāzah) van de overledene.Het is een recht van een moslim ten opzichte van zijn moslim broeder dat hij de ṣalāh al-janāzah over hem verricht, de begrafenis bijwoont tot het moment van begraven. En voor hem du`ā’verricht.
4. Het aannemen van uitnodigingen
Het beantwoorden van uitnodigingen, vooral bij een bruiloftsmaaltijd (walīmah), wordt beschouwd als sunnah al-mu’akkadah, terwijl deelname aan andere uitnodigingen aanbevolen (mandūb) is.
5. Iemand die niest beantwoorden
Wanneer iemand “Al-ḥamdu lillāh” zegt na het niezen, dient een andere moslim die het hoort te beantwoorden met “Yarḥamukallāh (moge Allah je genadig zijn).”Volgens de meeste geleerden is het vervolgens verplicht (wājib) voor degene die geniest heeft om te antwoorden met:“Yahdīkumullāhu wa yuṣliḥu bālakum” (moge Allah jullie leiden en jullie zaken goed maken).”
6. Het geven van advies (nasīḥah)
Op basis van de ḥadīth wordt gesteld dat het verplicht (farḍ) is om iemand die om raad vraagt eerlijk advies te geven en hem niet te bedriegen. Zonder dat iemand om raad vraagt, is het geven van nasīḥah aanbevolen (mandūb).] (HA)
Het verbod om de Mensen van het Boek als eerste met de salām te groeten, en hoe men hen wel dient te beantwoorden
النهي عن ابتداء أهل الكتاب بالسلام وكيف يرد عليهم
١٣٩٨ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِذَا سَلَّمَ عَلَيْكُمْ أَهْلُ الْكِتَابِ، فَقُولُوا: وَعَلَيْكُمْ
1398 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):
An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de lieden van het Boek (Ahl al-Kitāb) jullie met de salām begroeten, zeg dan: ‘Wa ʿalaykum’ (en op jullie).”
١٣٩٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ ﵄، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا سَلَّمَ عَلَيْكُمُ الْيَهُودُ فَإِنَّمَا يَقُولُ أَحَدُهُمُ: السَّامُ عَلَيْكَ فَقُلْ: وَعَلَيْكَ1399 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de joden jullie met de salām begroeten, dan zeggen zij in werkelijkheid: ‘as-sām ʿalayk’ (de dood over jou). Zeg daarom: ‘wa ʿalayk’ (en over jou).”
١٤٠٠ - حديث عَائِشَةَ ﵂، قَالَتْ: دَخَلَ رَهْطٌ مِنَ الْيَهُودِ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالُوا: السَّامُ عَلَيْكَ فَفَهِمْتُهَا، فَقُلْتُ: عَلَيْكُمُ السَّامُ وَاللَّعْنَةُ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَهْلًا، يَا عَائِشَةُ فَإِنَّ اللهَ يُحِبُّ الرِّفْقَ فِي الأَمْرِ كُلِّهِ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَوَ لَمْ تَسْمَعْ مَا قَالوا قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: فَقَدْ قُلْتُ: وَعَلَيْكُمْ1400 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):
Een groep joden kwam bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “As-sām ʿalayk” (de dood over jou).Ik begreep de betekenis en zei: “ʿAlaykum as-sām wa al-laʿnah” (de dood en de vervloeking over jullie).
Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم):”Rustig aan, ʿĀishah, want Allāh houdt van zachtheid in alle zaken.”
Ik zei: “O Rasûlullāh, heb je niet gehoord wat ze zeiden?”
Hij zei: “Ik heb gezegd: wa ʿalaykum (en over jullie).”
[De betekenis van de groet die de joden gaven is: “De dood zij over jullie.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) begreep dit en gaf als antwoord: “En over jullie.” Echter, dat ʿĀ’ishah (رضي الله عنها) daar nog een vloek aan toevoegde, vond hij niet gepast. Dit omdat het een reactie was die het woord niet in gelijke mate beantwoordde en de grens overschreed. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keurde het nooit goed om in welke situatie dan ook de grens te overschrijden.] (HY)
De salām geven aan kinderenاستحباب السلام على الصبيان
١٤٠١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّهُ مَرَّ عَلَى صِبْيَانٍ، فَسَلَّمَ عَلَيْهِمْ وَقَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، يَفْعَلُهُ
1401 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه) Hij kwam langs kinderen, gaf hen de salām en zei: “an-Nabī(صلى الله عليه وسلم) deed dit ook.”
[Uit verschillende aḥadīth van de metgezellen blijkt dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de gewoonte had om kinderen de salâm te geven en dit nooit naliet.Anas (رضي الله عنه), die op jonge leeftijd lange tijd in dienst van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was en daarom tot de metgezellen behoorde die het best bekend was met zijn gedrag, heeft deze sunnah zijn hele leven lang in ere gehouden.De metgezellen en tâbi’īn die zich in de nabijheid van Anas bevonden, evenals de kinderen aan wie hij als kind de salâm had gegeven, hebben zijn gedrag voortgezet en overgeleverd aan de volgende generaties.Dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de kinderen de salâm gaf, toont zowel zijn nederigheid als zijn hoge morele karakter: het gaf de kinderen een gevoel van eigenwaarde en benadrukte het belang van het verspreiden van de salâm onder alle lagen van de samenleving, jong en oud.Ook nemen volwassenen de salâm aan van kinderen wanneer zij ermee begroet worden. Het geven van de salâm aan kinderen en het beantwoorden ervan draagt sterk bij aan hun karaktervorming, hun sociale ontwikkeling en hun opvoeding vanaf jonge leeftijd.De sunnah van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op dit gebied, evenals zijn aanbevelingen en vermaningen die een voorschrift of verbod inhouden, verdienen aandacht van moslimpsychologen vanwege hun waardevolle pedagogische en psychologische betekenis.] (HY)
Het is toegestaan dat vrouwen naar buiten gaan om hun behoeften te vervullenإِباحة الخروج للنساء لقضاء حاجة الإنسان
١٤٠٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَرَجَتْ سَوْدَةُ بَعْدَمَا ضُرِبَ الْحِجَابُ، لِحَاجَتِهَا؛ وَكَانَتِ امْرَأَةً جَسِيمَةً لاَ تَخْفَى عَلَى مَنْ يَعْرِفُهَا؛ فَرَآهَا عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ، فَقَالَ: يَا سَوْدَةُ أَمَا وَاللهِ مَا تَخْفَيْنَ عَلَيْنَا، فَانْظُرِي كَيْفَ تَخْرُجِينَ قَالَتْ: فَانْكَفَأَتْ رَاجِعَةً ⦗٥٤⦘ وَرَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي بَيْتِي، وَإِنَّهُ لَيَتَعَشَّى، وَفِي يَدِهِ عَرْقٌ فَدَخَلَتْ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي خَرَجْتُ لِبَعْضِ حَاجَتِي، فَقَالَ لِي عُمَرُ كَذَا وَكَذَا قَالَتْ: فَأَوْحى اللهُ إِلَيْهِ ثُمَّ رُفِعَ عَنْهُ وَإِنَّ الْعَرْقَ فِي يَدِهِ، مَا وَضَعَهُ فَقَالَ: إِنَّه قَدْ أُذِنَ لَكُنَّ أَنْ تَخْرُجْنَ لِحَاجَتِكُنَّ أخرجه البخاري في ٦٥ كتاب التفسير: ١٣ سورة الأحزاب: ٨ باب قوله (لا تدخلوا بيوت النبي)
1402. Van ‘Â’ishah (رضي الله عنها):Nadat de hijâb verplicht werd gesteld ging Sawdah (binti Zam`ah) naar buiten om haar behoefte te doen.
Zij was een forse vrouw die niet onopgemerkt bleef voor wie haar kende. ‘Umar ibn al-Khattâb zag haar en zei: ‘O Sawdah, bij Allāh, jij bent niet onzichtbaar voor ons. Kijk dus uit hoe je naar buiten gaat.’Daarop keerde zij terug naar huis. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op dat moment bij mij thuis en hij was aan het avondeten. In zijn hand had hij bot met vlees.
Sawdah kwam binnen en zei: ‘O Rasûlullāh, ik was naar buiten gegaan voor mijn behoefte en ‘Umar zei tegen mij dit en dat.’Toen kwam er een openbaring van Allāh. Daarna werd de toestand van openbaring over hem opgeheven. Terwijl het bot nog in zijn hand was en hij het nog niet had neergelegd, zei hij (tegen Sawdah): ‘Er is jullie toegestaan om naar buiten te gaan voor jullie behoeften.’”
Het is ḥarām om met een vreemde vrouw alleen achter gesloten deuren te verblijvenتحريم الخلوة بالأجنبية والدخول عليها
١٤٠٣ - حديث عُقْبَةَ بْنِ عَامِرٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِيَّاكُمْ وَالدُّخُولَ عَلَى النِّسَاء فَقَالَ رَجُلٌ مِنَ الأَنْصَارِ، يَا رَسولَ اللهِ أَفَرَأَيْتَ الْحَمْوَ قَالَ: الحَمْوُ المَوْتُ
1403. Van ‘Uqba ibn ‘Âmir (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wees waakzaam met het alleen zijn met vrouwen.”Daarop vroeg een man uit de Ansâr: “O Rasûlullāh , hoe zit het dan met de zwager (broer of mannelijke familieleden van de echtgenoot)?”Hij antwoordde: “De zwager is de dood.”
[De mannelijke familieleden van de echtgenoot van een vrouw zijn: de zwager, de oom van de man, de oom van moederskant en hun zonen. Wanneer gewezen wordt op de gevaren van het alleen zijn met een vreemde man bij een vrouw, is het gebruik van de term ‘de dood is de zwager’ bedoeld om te benadrukken dat de kans op ongewenste gebeurtenissen bij deze familieleden groter is dan bij andere vreemde mannen. Dit komt doordat deze mannen gemakkelijker toegang hebben tot de vrouw dan willekeurige buitenstaanders.In een ḥadīth van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنه) luidt het als volgt: ‘Geen enkele man mag ooit alleen zijn met een vrouw tenzij er iemand bij is bij wie een huwelijk met haar niet mogelijk is (mahram).’ (Overgeleverd door Bukhârî, Boek: Nikâh)] (AFK)
[Deze en soortgelijke waarschuwingen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn ethische maatregelen bedoeld om het recht op privacy en de waardigheid van het individu te beschermen, en om mogelijke laster en roddel te voorkomen. Omdat een zwager voor een vrouw een niet-mahram is, werd van familieleden ook verlangd dat zij een communicatiestijl hanteren die zorgvuldig en binnen duidelijke grenzen blijft. ] (Diyanet)
Uitleg dat het aanbevolen is voor degene die alleen gezien wordt met een vrouw die zijn echtgenote of mahram is, om te zeggen: “Zij is die en die,” om kwade vermoedens over hem te voorkomenبيان أنه يستحب لمن رُؤيَ خاليًا بامرأة وكانت زوجة أو محرمًا له أن يقول هذه فلانة ليدفع ظن السوء به
١٤٠٤ - حديث صَفِيَّةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا جَاءَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، تَزُورُهُ فِي اعْتِكَافِهِ، فِي الْمَسْجِدِ، فِي الْعَشْرِ الأَوَاخِرِ مِنْ رَمَضَانَ فَتَحَدَّثَتْ عِنْدَهُ سَاعَةً، ثُمَّ قَامَتْ تَنْقَلِبُ فَقَامَ النَّبِيُّ ﷺ مَعَهَا يَقْلِبُهَا، حَتَّى إِذَا بَلَغَتْ بَابَ المَسْجِدِ، عِنْدَ بَابِ أُمِّ سَلَمَةَ، مَرَّ رَجُلاَنِ مِنَ الأَنْصَارِ فَسَلَّمَا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ لَهُمَا النَّبِيُّ ﷺ: عَلَى رِسْلِكُمَا، إِنَّمَا هِيَ صَفِيَّةُ بِنْتُ حُيَيٍّ فَقَالاَ: سُبْحَانَ اللهِ، يَا رَسُولَ اللهِ وَكَبُرَ عَلَيْهِمَا فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّ الشَّيْطَانَ يَبْلُغُ مِنَ الإِنْسَانِ مَبْلَغَ الدَّمِ، وَإِنِّي خَشِيْتُ أَنْ يَقْذِفَ فِي قُلُوبِكُمَا شَيْئًا
1404. Van Safiyyah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Ik kwam op bezoek bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn i‘tikāf in de moskee, in de laatste tien nachten van de Ramadān.
Ik sprak enige tijd met hem, daarna stond ik op om te vertrekken en an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stond met mij op om mij te begeleiden.
Toen ik de poort van de moskee bereikte, bij de deur van Ummu Salamah, kwamen er twee mannen van de Ansâr langs en zij gaven de salām aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).Hij zei tegen hen: ‘Rustig aan, (degene die bij mij is) is slechts (mijn echtgenote) Safiyyah bint Huyay.’Zij zeiden: ‘SubḥânAllah, o Rasûlullāh !’ (Wij denken over u niets anders dan goeds.) En dat viel hen zwaar.Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘Waarlijk, de shayṭân stroomt door de mens zoals het bloed stroomt. Ik vreesde dat hij iets in jullie harten zou werpen.’
[In dit ḥadīth zien we dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in situaties die tot achterdocht konden leiden, uitleg gaf en zijn gesprekspartners hierover inlichtte. Als iemand die het hoogste niveau van vertrouwen heeft bereikt zich op deze manier gedraagt, dan is het voor mensen van een lager niveau des te meer noodzakelijk om in soortgelijke gevallen duidelijkheid te verschaffen.] (AFK)
Wie een bijeenkomst/gezelschap binnengaat en een open plekje vindt, laat hij zich daar zitten; zo niet, laat hij achter hen zittenمن أتى مجلسًا فوجد فرجة فجلس فيها، وإلا وراءهم
١٤٠٥ - حديث أَبِي وَاقِدٍ اللَّيْثِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، بَيْنَمَا هُوَ جَالِسٌ فِي الْمَسْجِدِ، وَالنَّاسُ مَعَهُ، إِذْ أَقْبَلَ ثَلاَثَةُ نَفَرٍ، فَأَقْبَلَ اثْنَانِ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَذَهَبَ وَاحِدٌ ⦗٥٦⦘ قَالَ: فَوَقَفَا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَأَمَّا أَحَدُهُمَا فَرَأَى فُرْجَةً فِي الْحَلْقَةِ، فَجَلَسَ فِيهَا وَأَمَّا الآخَرُ فَجَلَسَ خَلْفَهُمْ وَأَمَّا الثَّالِثُ فَأَدْبَرَ ذَاهِبًا فَلَمَّا فَرَغَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، قَالَ: أَلاَ أُخْبِرُكُمْ عَنِ النَّفَرِ الثَّلاَثَةِ أَمَّا أَحَدُهُمْ فَأَوَى إِلَى اللهِ فَآوَاهُ اللهُ؛ وَأَمَّا الآخَرُ فَاسْتَحْيَا فَاسْتَحْيَا اللهُ مِنْهُ؛ وَأَمَّا الآخَرُ فَأَعْرَضَ فَأَعْرَضَ اللهُ عَنْهُ
1405. Van Abû Wâqid al-Laythî (رضي الله عنه):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de moskee zat met mensen om hem heen, kwamen er drie mannen (de moskee in).
Twee van hen gingen in (de kring van) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (zitten) en de derde keerde zich van hen af.De eerste van de twee vond een lege plek in de kring en ging daar zitten. De ander ging achteraan zitten. De derde draaide zich om en vertrok.Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) klaar was, zei hij: “Zal ik jullie vertellen over deze drie mannen?De eerste zocht toevlucht bij Allāh, en Allāh schonk hem bescherming De tweede schaamde zich, en Allāh schaamde Zich voor hem.De derde wendde zich af, en Allāh wendde Zich van hem af”.[Allāh nam de eerste man op in Zijn welbehagen en genade als beloning voor wat hij gedaan had.
De tweede man was te bescheiden om de bijeenkomst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zomaar te verlaten zoals zijn vriend dat had gedaan. En Allāh was ook bescheiden, dat wil zeggen dat Hij hem niet bestrafte maar hem vergaf. En de laatste man wendde zich af van de bijeenkomst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). En Allāh keerde zich ook van hem af en werd boos op hem.] AFK)
[In deze ḥadīth wordt vermeld dat iemand die deelneemt aan een kring van kennis dichter bij Allah staat en onder Zijn bescherming verkeert. Een van degene voor wie de engelen hun vleugels uitslaan, is degene die vanwege verlegenheid niet vooraan gaat zitten maar achteraan plaatsneemt. Allah zal ook terughoudend zijn met Zijn bestraffing jegens hem. Degene die zich volledig afzijdig houdt van het bijwonen van zo’n kring, zal Allah zich ook van hem afwenden.
Verder wordt in de ḥadīth het volgende over de etiquette van een kring van kennis aangegeven:
Het is mustaḥab (aanbevolen) om dicht bij degene te zitten die spreekt, zodat men beter kan horen en begrijpen.
Zitten aan de rand van de kring en het niet wegsturen van iemand die luistert wordt als een goede manier beschouwd.
Het wordt geprezen voor hen die geen lege plaatsen laten in de kring of die zich inspannen om kennis te verkrijgen.
Het is toegestaan om het onderwijs te starten voordat anderen hun vragen stellen.] (HA)
Wanneer iemand opstaat en later terugkomt, dan heeft hij meer recht op die plek dan een ander
تحريم إِقامة الإنسان من موضعه المباح الذي سبق إِليه
١٤٠٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يُقِيمُ الرَّجُلُ الرَّجُلَ مِنْ مَجْلِسِهِ ثُمَّ يَجْلِسُ فِيهِ
1406. Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat een persoon een andere persoon niet van zijn zitplaats wegsturen om daar zelf te gaan zitten.”
[Of het nu een man of een vrouw is, als iemand op een plek zit waar het geen bezwaar is om daar te zitten, bijvoorbeeld in de moskee of op een andere plek, dan heeft die persoon het recht op die plaats. Het is niet toegestaan om diegene weg te sturen om zelf die plek in te nemen.Als iemand later bij de bijeenkomst komt en er is geen plek om te zitten, dan moet men ruimte maken door de kring te vergroten en de rijen aan te vullen, zodat die persoon kan zitten. Dit gedrag behoort tot de etiquette van bijeenkomsten.Of het nu in de moskee is of buiten de moskee, als iemand op een plek zit en die persoon opstaat om zijn wudû’ te vernieuwen of om een andere reden tijdelijk weggaat en daarna terugkomt, behoudt diegene het recht om weer op die plek te zitten. Zelfs als iemand anders daar inmiddels is gaan zitten, mag hij diegene vragen op te staan.De metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) namen als voorbeeld hoe zij in de bijeenkomst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gingen zitten waar ze maar een plaats konden vinden. Dit is een voorbeeld voor ons allen, omdat er geen verschil is tussen het begin of het einde van de rij.Als iemand die later komt wil gaan zitten aan het begin of vooraan, kan dat leiden tot wreveling, ruzies en zelfs vijandschap. De metgezellen deden dit ongeacht hun status, rang, nabijheid tot Rabbu’l `Aalamīn (Heer der Werelden) of hun leeftijd.Zij namen plaats waar er ruimte was, zonder anderen lastig te vallen of hun rust of concentratie te verstoren door dwars door de groep te lopen. Dit is een teken van goede manieren.Al deze regels zijn opgesteld om conflicten tussen mensen te voorkomen die door dergelijke situaties kunnen ontstaan, om de samenleving op orde te houden en mensen te leren zich aan bepaalde fatsoensnormen te houden.] (HY)
Het is verboden dat mannen en eunuchen zich bij vrouwen voegen
منع المخنث من الدخول على النساء الأجانب
١٤٠٧ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ ﵂، قَالَتْ: دَخَلَ عَلَيَّ النَّبِيُّ ﷺ، وَعِنْدِي مُخَنَّثٌ، فَسَمِعَهُ يَقُولُ لِعَبْدِ اللهِ بْنِ أُمَيَّةَ: يَا عَبْدَ اللهِ أَرَأَيْتَ إِنْ فَتَحَ اللهُ عَلَيْكُمُ الطَّائِفَ غَدًا فَعَلَيْكَ بِابْنَةِ غَيْلاَنَ، فَإِنَّهَا تَقْبِلُ بِأَرْبَعٍ، وَتدْبِرُ بِثَمَانٍ وَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ يَدْخُلَنَّ هؤُلاَءِ عَلَيْكُنَّ
1407. Van Ummu Salamah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam bij mij terwijl er een verwijfde man (mukhannath) aanwezig was. Hij hoorde hem tegen (mijn broer) `Abdullah Ibn Abî Umayyah zeggen:‘O, `Abdullah, als Allāh jullie morgen de overwinning schenkt op Tâ’if, let dan op de (gezette) dochter van Ghaylân, want zij komt met vier (vetrollen van voren) en keert terug met acht (vetrollen van achteren)!’Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Laat zulke mensen niet bij jullie binnenkomen.”
[In de tekst van de ḥadīth wordt mukhannath genoemd als iemand die in zijn gedrag, handelingen en woorden op vrouwen lijkt. Soms lijkt hij van nature op een vrouw. Daarom spreekt hij ook zoals vrouwen. Dat deze persoon op een vrouw lijkt, is niet uit vrije wil; hij is als het ware een hermafrodiet (iemand die zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsdelen bezit). Het kan zijn dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niets zei toen hij zo iemand voor het eerst zag, vanwege deze natuurlijke aanleg. Daarnaast zijn er mensen die van nature niet op vrouwen lijken maar er vrijwillig naar streven vrouwen na te bootsen. Ook zij worden mukhannath genoemd. Volgens de authentieke aḥadīth zijn dit de mukhannath die vervloekt zijn.] (HA)
Het is toegestaan om een vreemde vrouw te begeleiden (op een rijdier) als zij vermoeid is onderweg
جواز إِرداف المرأة الأجنبية إِذا أعيت في الطريق
١٤٠٨ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ، قَالَتْ: تَزَوَّجَنِي الزُّبَيْرُ، وَمَا لَهُ فِي الأَرْضِ مِنْ مَالٍ وَلاَ مَمْلوكٍ وَلاَ شَيْءٍ، غَيْرَ نَاضِجٍ وَغَيْرَ فَرَسِهِ فَكُنْتُ أَعْلِفُ فَرَسَهُ، وَأَسْتَقِي الْمَاءَ، وَأَخْرِزُ غَرْبَهُ، وَأَعجِنُ، وَلَمْ أَكُنْ أُحْسِنُ أَخْبِزُ وَكَانَ يَخْبِزُ جَارَاتٌ لِي مِنَ الأَنْصَارِ، وَكُنَّ نِسْوَةَ صِدْقٍ وَكُنْتُ أَنْقُلُ النَّوَى مِنْ أَرْضِ الزُّبَيْرِ الَّتِي أَقْطَعَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، عَلَى رَأْسِي، وَهِيَ مِنِّي عَلَى ثُلثَيْ فَرْسَخٍ فَجِئْتُ يَوْمًا وَالنَّوَى عَلَى رَأسِي، فَلَقِيتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، وَمَعَهُ نَفَرٌ مِنَ الأَنْصَارِ فَدَعَانِي ثُمَّ قَالَ: إِخْ إِخْ لِيَحْمِلَنِي خَلْفَهُ فَاسَتَحْيَيْتُ أَنْ أَسِيرَ مَعَ الرِّجَالِ، وَذَكَرْتُ الزُّبَيْرَ وَغَيْرَتَهُ، وَكَانَ أَغْيَرَ النَّاسِ فَعَرَفَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَنِّي اسْتَحْيَيْتُ، فَمَضى فَجِئْتُ الزُّبَيْرَ، فَقُلْتُ: لَقِيَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَعَلَى رَأْسِي النَّوَى، وَمَعَهُ نَفَرٌ مِنْ أَصْحَابِهِ، فَأَنَاخَ لأَرْكَبَ فَاسْتَحْيَيْتُ مِنْهُ، وَعَرَفْتُ غَيْرَتَكَ فَقَالَ: وَاللهِ لَحَمْلُكِ النَّوَى كَانَ أَشَدَّ عَلَيَّ مِنْ رُكُوبِكِ مَعَهُ قَالَتْ: حَتَّى أَرْسَلَ إِلَيَّ أَبُو بَكْرٍ، بَعْدَ ذَلِكَ، بِخَادِمٍ يَكْفِينِي سِيَاسَةَ الْفَرَسِ، فَكَأَنَّمَا أَعْتَقَنِي
1408.
Van Asmâ’ bint Abî Bakr (رضي الله عنهما), ze zei:Zubayr trouwde met mij terwijl hij geen bezit had, geen slaaf en niets anders dan een kameel voor watertransport en zijn paard.Ik verzorgde zijn paard, gaf hem water, lapte zijn waterzaken.
Ik kneedde het deeg. Ik kon echter niet goed (brood) bakken, dus bakten mijn buurvrouwen van de Ansâr het voor mij; zij waren oprechte vrouwen. Ik droeg de dadels op mijn hoofd vanaf het land van Zubayr dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hem had toegewezen, op een afstand van twee derde farsakh (ca. 3-4 km).Op een dag liep ik met de dadels op mijn hoofd, ontmoette ik samen met een groep van Ansâr Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).Hij riep mij: ‘Ikh, ikh’ (hurk neer) om mij achterop zijn rijdier te laten nemen.Ik schaamde mij echter om met mannen mee te rijden en dacht aan de jaloezie van Zubayr. Hij was de meest jaloerse man onder de mensen.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) merkte dat ik mij schaamde, dus reed hij door.Ik kwam bij Az-Zubayr en vertelde hem wat er was gebeurd. Ze zei: “Ik ontmoette Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) terwijl er dadels op mijn hoofd waren, en met hem waren een aantal van zijn metgezellen. Toen liet hij zijn rijdier neerknielen zodat ik erop kon rijden, maar ik schaamde mij voor hem, en ik kende jouw jaloezie.”Hij zei: ‘Bij Allāh, het dragen van die dadels is voor mij zwaarder dan dat jij achter op zijn rijdier zou zijn meegegaan!’Na enige tijd stuurde (mijn vader) Abû Bakr mij een dienares die het werk van het paard van mij overnam. Alsof ik daarmee bevrijd was (van slavenwerk).”
In aanwezigheid van drie personen, mogen twee niet fluisteren
مناجاة الاثنين دون الثالث بغير رضاه
١٤٠٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ، قَالَ: إِذَا كَانُوا ثَلاَثَةً فَلاَ يَتَنَاجى اثْنَانِ دُونَ الثَّالِثِ
1409. Van `Abdullah Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Als jullie met z’n drieën zijn, laat dan twee niet onderling fluisteren zonder de derde erbij te betrekken.’
[Wanneer drie mensen samen zijn, mogen twee van hen de derde niet achterlaten om heimelijk te spreken; dit is een van de mooiste raadgevingen die de rechten van broederschap versterken.] (HY)
١٤١٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: إِذَا كُنْتُمْ ثَلاَثَةً، فَلاَ يَتَنَاجى رَجُلاَنٍ دُونَ الآخَرِ حَتَّى تَخْتَلِطُوا بِالنَّاسِ أَجْلَ أَنْ يُحْزِنَهُ1410. Van `Abdullah Ibn Mas‘ûd (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Als jullie met z’n drieën zijn, laat dan twee niet onderling fluisteren zonder de derde, totdat jullie onder de mensen zijn, want dat kan hem verdriet doen.’”
Geneeskunde, ziekte en ruqyah (Islamitische genezing door du`ā’ en Qur’ān)
الطب والمرض والرقي
١٤١١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْعَيْنُ حَقٌّ
1411. Van Abû Hurayra (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het boze oog (`ayn) is een werkelijkheid.”
[Het lijkt erop dat de basis van het verschijnsel van het door het boze oog getroffen worden, ligt in het gevoel van jaloezie dat iemand in zijn hart draagt. Deze jaloezie weerspiegelt zich in zijn blik en beïnvloedt de persoon waarnaar hij kijkt. Er bestaat een nauwe relatie tussen het boze oog en jaloezie.De Qur’ān exegeet Elmalılı Hamdi Yazır drukt deze relatie als volgt uit:“Uit jaloezie zouden zij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bijna met het boze oog hebben getroffen. Als ze het konden, zouden zij hem met het kwaad van hun hebberige en kwaadaardige blikken vernietigen. Hieruit blijkt dat, zoals woede invloed heeft op het lichaam, de blik van de ogen, afhankelijk van hoe zij kijken, een goede of kwade uitwerking heeft op een persoon.Sommigen raken aan als elektriciteit en treffen. Zij trekken aan als magneten en oefenen een magnetische invloed uit. Sommigen raken door de indruk die zij ontvangen in jaloezie en woede, en proberen dan allerlei kwade opzetten en listen te ondernemen; of dit nu materieel of geestelijk is, wanneer het zijn doel bereikt, wordt dit geraakt worden door het oog of naẓrah genoemd.Wanneer men erkent dat naẓrah werkelijk bestaat, dient men ook te leren hoe men zich ertegen kan beschermen.Daarvoor moeten wij gebruikmaken van de middelen die de Islām heeft toegestaan, en ons onthouden van wat zij heeft verboden.In de westerse terminologie komt het begrip naẓrah overeen met psychokinese. Bij het verschijnsel van naẓrah ontstaat, afhankelijk van de intentie en concentratie, een soort “boog” (energielijn) tussen de zender en de ontvanger.Vriendschappelijke gevoelens zoals bewondering, lof of gezonde jaloezie, en zelfs de liefde van ouders voor hun kinderen, kunnen in kleine mate aanleiding geven tot naẓrah. Iemand die door naẓrah wordt getroffen, gaapt vaak en voelt zich bedrukt. De werkelijke schadelijke vorm van naẓrah ontstaat echter uit afgunst (ḥasad). In dit gevoel bevinden zich vijandschap, haat en wraak.
De kracht van het boze oog hangt nauw samen met de intensiteit van deze afgunst: hoe sterker de afgunst, hoe krachtiger de werking van naẓrah.Volgens een onderzoek gepubliceerd in het tijdschrift Yankı (5–30 juni 1983, nr. 635, p. 52) wordt de wetenschappelijke kant van het boze oog als volgt verklaard: de ogen zenden elektromagnetische stralen uit.In de voormalige Sovjet-Unie werd dit intensief onderzocht; de uitgezonden straling heeft een golflengte van ongeveer acht procent van het totale spectrum, dat wil zeggen: tussen de radiogolven en de infrarode golven in.] (HA)
As-Sihr (magie)
السحر
السحر
١٤١٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ سُحِرَ، حَتَّى كَانَ يَرَى أَنَّهُ يَأْتِي النِّسَاءَ وَلاَ يَأْتِيهِنَّ قَالَ سُفْيَانُ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) وَهذَا أَشَدُّ مَا يَكُونُ مِنَ السِّحْرِ إِذَا كَانَ كَذَا فَقَالَ: يَا عَائِشَةُ أَعَلِمْتِ أَنَّ اللهَ قَدْ أَفْتَانِي فِيمَا اسْتَفْتَيْتُهُ فِيهِ أَتَانِي رَجُلاَنِ فَقَعَدَ أَحَدُهُمَا عِنْدَ رَأْسِي، وَالآخَرُ عِنْدَ رِجْلَيَّ، فَقَالَ الَّذِي عِنْدَ رَأْسِي لِلآخَرِ: مَا بَالُ الرَّجُلِ قَالَ: مَطْبُوبٌ قَالَ: وَمَنْ طَبَّهُ قَالَ: لُبَيْدُ ابْنُ أَعْصَمَ، رَجُلٌ مِنْ زُرَيْقٍ، حَلِيفٌ لِيَهُودَ، كَانَ مُنَافِقًا قَالَ: وَفِيمَ قَالَ: فِي مُشْطٍ وَمُشَاقَةٍ قَالَ: وَأَيْنَ قَالَ: فِي جُفِّ طَلْعَةٍ ذَكَرٍ تَحْتَ رَعُوفَةٍ، فِي بِئْرِ ذَرْوَانَ قَالَتْ: فَأَتَى النَّبِيُّ ﷺ الْبِئْرَ حَتَّى اسْتَخْرَجَهُ فَقَالَ: هذِهِ الْبِئْرُ الَّتِي أُرِيتُهَا وَكَأَنَّ مَاءَهَا نُقَاعَةُ الْحِنَّاءِ، وَكأَنَّ نخْلَهَا رُؤُوسُ الشَّيَاطِينِ قَالَ: فَاسْتُخْرِجَ قَالَتْ: فَقُلْتُ أَفَلاَ، أَي، تَنَشَّرْتَ فَقَالَ: أَمَا وَاللهِ فَقَدْ شَفَانِي، وَأَكْرَهُ أَنْ أُثِيرَ عَلَى أَحَدٍ مِنَ النَّاسِ شَرًّا
1412.
Van ‘Â’ishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was eens betoverd (sihr), zodat hij dacht gemeenschap te hebben met zijn vrouwen terwijl dat niet het geval was.”Sufyân (een van de overleveraars) zei: “Het is de zwaarste vorm van leed die door tovenarij/sihr kan worden veroorzaakt.”Zij zei: “Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): ‘O ‘Â’ishah, weet jij dat Allāh mij een antwoord heeft gegeven op wat ik Hem heb gevraagd?Twee mannen kwamen tot mij; de een ging aan mijn hoofdzijde zitten en de ander aan mijn voeten.Degene bij mijn hoofd was, zei tegen de ander: “Wat is er met deze man?”- “Hij is betoverd.”- “En wie heeft hem betoverd?”- “Lubaid ibn al-A‘ṣam, een man uit de stam van Zurayq, deelgenoot van de joden.
Hij was een hypocriet.”- “Waarmee (is sihr gedaan)?”- “Met een kam en haarresten.”- “In wat?”- “In het omhulsel van een mannelijke dadelbloem, onder een (zware) steen in de (water)put van Dzarwân.’Daarop ging an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar die bron en haalde het eruit. Hij zei: “Dit is de waterput die mij is getoond. En het is alsof haar water het aftreksel van henna was, en alsof haar dadelpalmen de hoofden van de satans waren.”Het voorwerp werd uit (de bron) gehaald.Ik zei: ‘Zou u zich dan niet hebben laten behandelen (door middel van ruqyah)?’Hij antwoordde: ‘Bij Allāh, Allāh heeft mij genezen. Maar ik wil niet dat er door mij kwaad op iemand wordt losgelaten.”
[In de tijd van de jāhiliyyah werd magie en tovenarij veelvuldig toegepast door waarzeggers die op het Arabisch Schiereiland woonden. Degenen die probeerden de verkondiging van de Islām door an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) onmogelijk te maken en de verspreiding van de Islām te stoppen, grepen soms ook naar magie (sihr).An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voelde zich ongeveer een maand lang bedrukt en twijfelde soms of hij een bepaalde handeling wel of niet had uitgevoerd. Door de aanwijzing van de openbaring door Allāh ontdekte hij echter de materialen waarop de magie (sihr) was uitgevoerd. Met de getuigenis van de metgezellen las hij de surahs al-Falaq en an-Nās, waardoor, met toestemming van Allāh, de magie onschadelijk werd gemaakt.Onze geliefde Nabī (صلى الله عليه وسلم) was immers een mens; het is natuurlijk dat hij soms ziek werd, gewond raakte, verdriet voelde of moe werd. Het belangrijke is dat hij altijd de steun van Allāh had en onder controle van Allāh stond en zijn profeetschap volledig en zonder fouten uitoefende.In dit geval voelde hij persoonlijk enige zorgen, maar dit had geen nadelige invloed op de verkondiging van de Islām. Toen de dader (Labīd) werd opgeroepen en zijn schuld bekende, strafte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hem niet. En zei slechts: “Ik geniet er niet van om enig kwaad aan mensen toe te brengen.” Dit toont aan dat het probleem persoonlijk van aard bleef en het profeetschap niet beïnvloedde werd. ] (Diyanet)
[ Sihr is een handeling die gericht is op een persoon en waarbij men zich een bovennatuurlijke, verborgen kracht toe-eigent of inschakelt om een bepaald doel te bereiken en een gewenst resultaat te bewerkstelligen.
Het betekent: het tonen van iets of een gebeurtenis in een andere gedaante, los van zijn ware aard.Sihr is een overtuiging en praktijk die de Islām absoluut verbiedt en verwerpt. Het is een primitief concept waarbij men veronderstelde krachten van de natuur gebruikt om invloed uit te oefenen op mensen. In tijden dat het geloof in de ene God (tawhîd) zwak was, raakten samenlevingen verstrikt in primitieve overtuigingen, en vooral binnen volkeren waar het totemgeloof wijdverspreid was, werd sihr op verschillende manieren toegepast om te misleiden.Sihr werd een beroepsmatig verschijnsel in oude samenlevingen zoals in Iran, China, Mesopotamië, het Arabisch Schiereiland, Egypte en India. Sihr werd zelfs opgenomen in religieuze rituelen, waarbij de kracht van Allah werd vergeten en de woorden van tovenaars en waarzeggers werden aangenomen als geldig.Het verbod van de Islām op tovenaars en waarzeggers heeft tot doel mensen te beschermen tegen simpele overtuigingen en misleidingen die hen van het ware geloof in Allah weghouden en naar primitieve en irrationele opvattingen leiden.] (HA)
Gif
السم
١٤١٣ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ يَهُودِيَّة أَتَتِ النَّبِيَّ ﷺ، بِشَاةٍ مَسْمُومَةٍ فَأَكَلَ مِنْهَا، فَجِيءَ بِهَا، فَقِيلَ: أَلاَ تَقْتُلُهَا قَالَ: لاَ قَالَ: فَمَا زِلْتُ أَعْرِفُهَا فِي لَهَوَاتِ رَسُولِ اللهِ ﷺ
1413. Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Een joodse vrouw bracht een vergiftigd stuk vlees naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij at ervan. Toen men haar bracht (om berecht te worden), zei men: “Zult u haar niet doden?” Hij antwoordde: “Nee.”Anas zei: “Ik bleef de invloed ervan merken in de gehemelte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”
[Van dit vergiftigde vlees had ook Bishr ibn al-Barâ (رضي الله عنه) gegeten, en toen hij daaraan overleed, werd de vrouw als vergelding geëxecuteerd. Uit andere aḥadīth blijkt dat de naam van deze joodse vrouw Zaynab was.] (HY)
Het is toegestaan voor een zieke ruqyah (Qur’ān of du`ā’) te reciteren
استحباب رقية المريض
١٤١٤ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، كَانَ إِذَا أَتَى مَرِيضًا، أَوْ أُتِيَ بِهِ قَالَ: أَذْهِبِ الْبَاسَ، رَبَّ النَّاسِ، اشْفِ وَأَنْتَ الشَّافِي، لاَ شِفَاءَ إِلاَّ شِفَاؤُكَ، شِفَاءً لاَ يُغَادِرُ سَقَمًا
1414. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een zieke bezocht, of wanneer een zieke naar hem werd gebracht, zei hij: “(O Allāh), neem (de ziekte van deze zieke) weg, Rab van de mensen! schenk hem genezing. U bent de Enige Die geneest. Er is geen genezing behalve Uw genezing. Schenk hem een genezing waarbij geen spoor van de ziekte overblijft: أَذْهِبِ الْبَاسَ، رَبَّ النَّاسِ، اشْفِ وَأَنْتَ الشَّافِي، لاَ شِفَاءَ إِلاَّ شِفَاؤُكَ، شِفَاءً لاَ يُغَادِرُ سَقَمًا
Ruqyah door de zieke door de surahs al-Falaq en an-Nās te reciterenرقية المريض بالمعوّذات والنفث
١٤١٥ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ، إِذَا اشْتَكَى، يَقْرَأُ عَلَى نَفْسِهِ بِالْمَعَوِّذَاتِ، وَيَنْفُثُ فَلَمَّا اشْتَدَّ وَجَعُهُ كُنْتُ أَقْرَأُ عَلَيْهِ، وَأَمَسَحُ بِيَدِهِ، رَجَاءَ بَرَكَتِهَا
1415. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ergens last van had, reciteerde hij de mu‘awwidzât (sura’s al-Ikhlās, al-Falaq en an-Nâs) voor hemzelf en blies in zijn handen. Toen zijn pijn verergerde, reciteerde ik over hem en wreef over hemzelf met zijn eigen hand, in de hoop op zijn zegeningen.
De aanbeveling van ruqyah tegen het boze oog, insectenbeten, koorts en kwaadaardige blikken
استحباب الرقية من العين والنملة والحمة والنظرة
١٤١٦ - حديث عَائِشَةَ عَنِ الأَسْوَدِ بْنِ يَزِيدَ، أَنَّهُ قَالَ: سَأَلْتُ عَائِشَةَ عَنِ الرُّقْيَةِ مِنَ الْحُمَةِ فَقَالَتْ: رَخَّصَ النَّبِيُّ ﷺ الرُّقْيَةَ مِنْ كُلِّ ذِي حُمَةٍ
1416. Van ʿĀishah (رضي الله عنها) via al-Aswad ibn Yazid:Hij vroeg haar over ruqyah tegen (ziektes die hoge) koort veroorzaken, en zij zei: An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft toestemming gegeven tegen iedereen die (ziektes hebben die hoge) koort veroorzaken.١٤١٧ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، كَانَ يَقُولُ لِلْمَرِيضِ: بِسْمِ اللهِ، تُرْبَةُ أَرْضِنَا، بِرِيقَةِ بَعْضِنَا، يُشْفَى سَقِيمُنَا، بِإِذْنِ رَبِّنَا1417. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen een zieke: بِسْمِ اللهِ، تُرْبَةُ أَرْضِنَا، بِرِيقَةِ بَعْضِنَا، يُشْفَى سَقِيمُنَا، بِإِذْنِ رَبِّنَا“In de naam van Allāh (ik vraag genezing): met de aarde van ons land, door het te lezen en erop te blazen (met speeksel) van een van ons, moge onze zieke genezen worden met de wil van onze Rab.”
[Elke ziekte wordt geschapen door Allāh. Daarom is het volkomen natuurlijk om bij Allāh, de Schepper van alles, bescherming te zoeken en genezing te vragen voor een ziekte. Du`ā’ is het erkennen van de eigen onmacht van de mens tegenover zijn Schepper. De essentie van zowel genezing als het zoeken naar een oplossing voor moeilijkheden ligt in het toevlucht nemen tot Allāh, die alles bezit en alles bestuurt.Net zoals Allāh de atmosfeer beschermt met de ozonlaag, is het mogelijk dat Hij ook mechanismen heeft geschapen die de mens beschermen tegen schadelijke stralingen of invloeden, zoals het boze oog.
Door middel van du`ā’ kunnen deze beschermende mechanismen geactiveerd worden, zodat men bescherming vindt tegen het boze oog of soortgelijke invloeden.Om schade die ons treft weg te nemen, moeten we zowel gebruikmaken van materiële middelen als onze toevlucht nemen tot Allāh met du`ā’. Het is belangrijk te beseffen dat Hij tot alles in staat is. Degene die het vuur zijn brandende eigenschap geeft en aspirine zijn pijnstillende werking, is Allāh. Wat wij als materiële oorzaak beschouwen, behoort in werkelijkheid ook tot het eigendom van Allāh. Hoewel aspirine een zichtbare oorzaak lijkt, is het Allāh die deze werking eraan geeft.Volgens de Islām is er wezenlijk geen verschil tussen genezing door middel van een medicijn en genezing als gevolg van een du`ā’. Het verschil ligt slechts in de uiterlijke middelen. In beide gevallen is het Allāh die genezing schenkt. Degene die de ziekte geeft, heeft ook het geneesmiddel geschapen, en deze genezing heeft Hij met verschillende oorzaken verbonden.Soms ligt genezing in een medicijn, soms in een chirurgische ingreep, en soms ook in een du`ā’. Daarbij moet men het volgende algemene principe niet vergeten: de behandeling verschilt naar gelang van de soort ziekte. Als je bij een maagzweer aspirine toedient, bereik je geen genezing, maar juist schade. Daarom moet men leren dat een fysieke aandoening zoals hoofdpijn met aspirine behandeld wordt, maar dat ziekten als het boze oog of tovenarij met du`ā’ en geestelijke behandelingen aangepakt moeten worden.Bij alle vormen van behandeling, of het nu via du`ā’ is, medicijnen of medische interventie, moet het vragen om hulp, steun en succes aan Allāh steeds centraal staan. Alleen met Zijn toestemming en hulp kan men werkelijk genezen worden.] (AFK)
[Imâm an-Imām Nawawî schreef: De betekenis van de ḥadīth is als volgt: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nam een beetje van zijn speeksel op zijn wijsvinger, wreef die vervolgens over de aarde zodat er aarde aan kleefde, en plaatste daarna zijn vinger op de pijnlijke of gewonde plek. Daarbij reciteerde hij deze duʿā (van hierboven).] (HY)
١٤١٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: أَمَرَنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ، أَوْ أَمَرَ أَنْ يُسْتَرْقَى منَ الْعَيْنِ1418. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf mij de opdracht, of beval, om ruqyah te doen of te laten verrichten tegen het boze oog.
[Het boze oog is een werkelijkheid. Toen Yaʿqûb (عليه السلام) zijn jongste zoon Bunyamîn voorbereidde om samen met zijn broers naar Egypte te gaan, beval hij hen om niet allemaal via één poort de stad binnen te gaan, maar via verschillende poorten. De reden hiervoor was dat Yaʿqûb (عليه السلام) vreesde dat de mensen zijn kinderen zouden benijden en met een boze blik zouden treffen, omdat zij allen zeer knappe en aantrekkelijke jonge mannen waren.
Allahu تعالى zegt:وَإِن يَكَادُ ٱلَّذِينَ كَفَرُواْ لَيُزۡلِقُونَكَ بِأَبۡصَٰرِهِمۡ لَمَّا سَمِعُواْ ٱلذِّكۡرَ وَيَقُولُونَ إِنَّهُۥ لَمَجۡنُونٞ ٥١
وَمَا هُوَ إِلَّا ذِكۡرٞ لِّلۡعَٰلَمِينَ ٥٢
En waarlijk, degenen die ongelovig zijn zouden je bijna door hun blikken willen doden wanneer zij de overdenking horen. En zij zeggen: “Waarlijk, hij is zeker bezeten!”Terwijl de (de Qur’ān) niets anders is dan een overdenking voor de werelden. sûrah al-Qalam, 68:51-52)
De afgodendienaren wilden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) doden met hun blikken, uit haat en afgunst. Als Allāh hem niet had beschermd, hadden zij hem zeker schade toegebracht.Allahu تعالى gebiedt ons ook om toevlucht te zoeken tegen de afgunst van afgunstigen. Hij zegt:
قُلۡ أَعُوذُ بِرَبِّ ٱلۡفَلَقِ ١ Zeg: “Ik zoek mijn toevlucht tot de Heer van de dageraad.
مِن شَرِّ مَا خَلَقَ ٢ Tegen het kwaad dat Hij geschapen heeft.
وَمِن شَرِّ غَاسِقٍ إِذَا وَقَبَ ٣ En tegen het kwaad van de duisternis wanneer deze zich verspreid.
وَمِن شَرِّ ٱلنَّفَّٰثَٰتِ فِي ٱلۡعُقَدِ ٤ En tegen het kwaad van degenen die op knopen blazen (de magiërs).وَمِن شَرِّ حَاسِدٍ إِذَا حَسَدَ ٥ En tegen het kwaad van de jaloerse wanneer deze jaloers is.” (sûrah al-Falaq, 113:1–5)
In het laatste vers van deze sûrah beveelt Allāh ons duidelijk om toevlucht bij Hem te zoeken tegen het kwaad van de afgunst. De afgunstige verdraagt niet dat Allāh een gunst aan iemand anders schenkt en wenst dat die gunst vernietigd wordt. Dit kan zich ook uiten in het boze oog. De bovengenoemde verzen vormen een bewijs dat het boze oog een ware realiteit is. Als het geen werkelijkheid zou zijn, was er geen noodzaak geweest om ertegen toevlucht te zoeken.Er zijn ook bewijzen uit de sunnah dat het boze oog bestaat. Velen zijn getuige geweest van voorvallen die daaraan te wijten waren. Soms is men zich daarvan bewust, soms niet. Vele ervaringen van mensen wijzen op het bestaan van de boze oog. Er zijn mensen overleden zonder duidelijke oorzaak, of mensen die gezond waren maar ineens ziek werden zonder dat men de reden van hun ziekte kon achterhalen. Sommige mensen hebben een bepaalde kracht in hun blik waardoor ze, als ze geconcentreerd naar iemand kijken, schade kunnen toebrengen. Hoewel het boze oog een werkelijkheid is, is de werkelijke aard ervan onbekend en slechts bij Allāh bekend. Er zijn vele authentieke aḥadīth over het boze oog. Alles gebeurt uiteraard alleen met de wil van Allāh.
Allāh zegt:وَمَا هُم بِضَآرِّينَ بِهِۦ مِنۡ أَحَدٍ إِلَّا بِإِذۡنِ ٱللَّهِۚ…Maar hiermee (‘sihr’) konden zij (de tovenaars) niemand schade berokkenen, tenzij met Allāh’s toestemming… (sûrah al-Baqarah, 2:102)
Toch zijn er mensen die geen verstand van openbaring (religie) hebben, die het boze oog als bijgeloof beschouwen. Zij behoren tot de meest onwetenden in verstand en kennis.Volgens de wijzen gebeurt naẓrah om twee redenen, door intense afgunst en haat en door iets te bewonderen zonder daarbij Allāh te zegenen (barakah te wensen).Velen ervaren de gevolgen: iemand die rijkdom heeft gekregen, verliest plots zijn bezittingen na een afgunstige blik. Of een vrouw met opvallende schoonheid krijgt een plotselinge ziekte waar geen arts raad mee weet.
Bescherming tegen het boze oog
Om het boze oog te voorkomen, wordt aanbevolen:
- Regelmatig de beschermende smeekbeden (duʿā’s), awrâd (e.v. wird: regelmatige smeekbedes) en ḏikr te reciteren, vooral in de ochtend en avond.
- Onder andere de volgende verzen en surahs worden aanbevolen: sûrah al-Fātihah, Aayah al-Kursî (2:255), sûrah al-Falaq en sûrah an-Nâs
Ook deze smeekbeden zijn aanbevolen:
“Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allāh tegen het kwaad van wat Hij heeft geschapen.”
“Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allāh tegen elke satan, elk giftig dier en elk boze oog.”
“Ik zoek toevlucht bij de volmaakte woorden van Allāh tegen elk kwaad, hetzij van Zijn schepping, hetzij uit de hemel of aarde, uit het zichtbare of onzichtbare, tegen het kwaad van de nacht en de dag, behalve wie met het goede aanklopt.”
Een andere manier van bescherming is het vermijden van uiterlijk vertoon van schoonheid of bezit tegenover mensen die mogelijk afgunstig zijn. Wanneer iemand iets moois of goeds ziet bij een ander, dient hij te zeggen:
“Moge Allāh het voor jou zegenen.” (اللَّهُمَّ بَارِكْ لَهُ)
En als iemand bang is dat zijn eigen blik anderen schaadt, dient hij ook barakah (zegen) toe te wensen bij het zien van iets wat hem bevalt.
Of men kan ook het volgende zeggen: “O mijn Rab! Zegen het voor hem.”Of men kan zeggen: “Mâ shâ’ Allāh, wat heeft Allāh het prachtig gemaakt, er is geen kracht dan bij Allāh.”Ook andere smeekbeden met een soortgelijke strekking kunnen gezegd worden. In dat geval zal, met de toestemming van Allāh, het kwaad geen effect hebben.
De remedie tegen het boze oog
De remedie tegen het boze oog is door de islamitische bronnen aangegeven. Volgens die uitleg moet van degene die het boze oog heeft veroorzaakt water genomen worden waarin hij zijn wassing (wudû') verricht heeft, met nadruk op de delen van het lichaam die in contact komen met kleding of huid, zoals het ondergoed. Dat water wordt vervolgens van achteren over degene gegoten die getroffen is door het boze oog.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Als van jullie gevraagd wordt om zich te wassen (omwille van een ander die door jullie blik getroffen zou kunnen zijn), laat hij zich dan wassen.”Dat wil zeggen: als iemand naar jou toekomt en vraagt om wat van jouw wassing of water waarmee je je gewassen hebt op zijn kleding aan te brengen, dan mag hij dat doen en men dient daar niet boos om te worden.
Iemand die vermoedt dat zijn blik een ander schade heeft berokkend, of daar bang voor is, dient vrees te hebben voor Allāh en zich te onthouden van zaken die tot boze oog kunnen leiden.Daarom is het belangrijk om Allāh veelvuldig te gedenken (ḏikr) en om Zijn bescherming te zoeken.] (HY)
١٤١٩ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، رَأَى فِي بَيْتِهَا جَارِيَةً، فِي وَجْهِهَا سَفْعَةٌ فَقَالَ: اسْتَرْقُوا لَهَا، فَإِنَّ بِهَا النَّظْرَةَ1419.
Van Ummu Salama (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zag in haar huis een jong meisje met een geelachtig teken op haar gezicht. Hij zei: “Laat voor haar ruqyah verrichten, want zij is getroffen door het boze oog (naẓrah).”
Het is toegestaan een vergoeding te nemen voor ruqyah verricht met Qur’an en adhkār (smeekbeden)جواز أخذ الأجرة على الرقية بالقرآن والأذكار
١٤٢٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ ﵁، قَالَ: انْطَلَقَ نَفَرٌ مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ، فِي سَفْرَةٍ سَافَرُوهَا، حَتَّى نَزَلُوا عَلَى حَيٍّ مِنْ أَحْيَاءِ الْعَرَبِ، فَاسْتَضَافُوهُمْ، فَأَبَوْا أَنْ يُضَيِّفُوهُمْ فَلُدِغَ سَيِّدُ ذلِكَ الْحَيِّ، فَسَعَوْا لَهُ بِكُلِّ شَيْءٍ، لاَ يَنْفَعُهُ شَيْءٌ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: لَوْ أَتَيْتُمْ هؤُلاَءِ الرَّهْطَ الَّذِين نَزَلُوا، لَعَلَّهُ أَنْ يَكُونَ عِنْدَ بَعْضِهِمْ شَيْءٌ فَأَتَوْهُمْ فَقَالُوا: يَا أَيُّهَا الرَّهْطُ إِنَّ سَيِّدَنَا لُدِغَ، وَسَعَيْنَا لَهُ بِكُلِّ شَيْءٍ، لاَ يَنْفَعُهُ فَهَلْ عِنْدَ أَحَدٍ مِنْكُمْ مِنْ شَيْءٍ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: نَعَمْ وَاللهِ إِنِّي لأَرْقِي، وَلكِنْ وَاللهِ لَقَدِ اسْتَضَفْنَاكمْ فَلَمْ تُضَيِّفُونَا، فَمَا أَنَا بَرَاقٍ لَكمْ حَتَّى تَجْعَلُوا لَنَا جُعْلًا فَصَالَحُوهُمْ عَلَى قَطِيعِ مِنَ الْغَنَمِ فَانْطَلَقَ يَتْفِلُ عَلَيْهِ وَيَقْرَأُ (الْحَمْدُ للهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ) فَكَأَنَّمَا نُشِطَ مِنْ عِقَالٍ فَانْطَلَقَ يَمْشِي وَمَا بِهِ قَلَبَةٌ قَالَ: فَأَوْفَوْهُمْ جُعْلَهُمُ الَّذِي صَالَحُوهُمْ عَلَيْهِ فَقَالَ بَعْضُهُمُ: اقْسِمُوا فَقَالَ الَّذِي رَقَى لاَ تَفْعَلُوا، حَتَّى نَأْتِيَ النَّبِيَّ ﷺ، فَنَذْكُرَ لَهُ الَّذِي كَانَ، فَنَنْظرَ مَا يَأْمُرُنَا فَقَدِمُوا عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَذَكَرُوا لَهُ فَقَالَ: وَمَا يُدْرِيكَ أَنَّهَا رُقْيَةٌ ثُمَّ قَالَ: قَدْ أَصَبْتُمُ، اقْسِمُوا وَاضْرِبُوا لِي مَعَكُمْ سَهْمًا فَضَحِكَ رَسُولُ
اللهِ ﷺ
1420. Van Abû Sa`īd al-Khudri رضي الله عنه,:Een groep metgezellen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ging op reis en zij kwamen bij een Arabische stam. Ze vroegen om gastvrijheid, maar die werd hen geweigerd. Toen werd de leider van het dorp door een (schorpioen) gestoken en men probeerde van alles om hem te helpen, maar niets hielp.Iemand zei: “Misschien kunnen die reizigers die bij ons zijn, iets doen.”Zij gingen naar de metgezellen toe en zeiden: “O mensen, onze leider is gebeten, en we hebben van alles geprobeerd maar niets helpt. Heeft een van jullie een geneeswijze?”Een van de metgezellen antwoordde: “Ja, bij Allāh, ik weet hoe ik ruqyah moet verrichten (d.m.v. Qur’ān recitatie). Maar bij Allāh, jullie hebben ons geen gastvrijheid verleend. Ik zal hem niet genezen tenzij jullie ons een vergoeding geven.”Ze kwamen tot een akkoord over een kudde schapen.Hij begon op de leider te spuwen terwijl hij al-Fatiha reciteerde:“Al-ḥamdu lillāhi Rabbil-‘ālamīn…”Het was alsof de man loskwam van touwen. Hij stond op en liep alsof hij nooit ziek was geweest.Zij gaven hun het afgesproken loon.Een van hen zei: “Laten we het onder elkaar verdelen.”De genezer zei: “Doe dat nog niet, totdat we bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn geweest en hem hierover geïnformeerd hebben.”Ze gingen naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vertelden hem wat er was gebeurd. Hij zei: “Hoe wist je dat het een ruqyah was?”Daarna zei hij: “Jullie hebben het juist gedaan. Verdeel het onder jullie en geef mij ook een aandeel.”En an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) glimlachte.
Voor elke ziekte is er een geneesmiddel, en de aanbeveling om zich te laten behandelenلكل داء دواء واستحباب التداوي
١٤٢١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ ﵄، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: إِنْ كَانَ فِي شَيْءٍ مِنْ أَدْوِيَتِكُمْ، أَوْ يَكُونُ فِي شَيْءٍ مِنْ أَدْوِيَتِكُمْ، خَيْرٌ، فَفِي شَرْطَةِ مِحْجَمٍ، أَوْ شَرْبَةِ عَسَلٍ، أَوْ لَذْعَةٍ بِنَارٍ تُوَافِقُ الدَّاءَ، وَمَا أُحِبُّ أَنْ أَكْتَوِيَ
1421.Van Jabir ibn ‘Abdillah(رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Als er in jullie geneesmiddelen enig nut is (of als er enig nut zal zijn in jullie geneesmiddelen), dan is dat óf in de wond die wordt geopend door een ḥijāmah-mes, óf in een honingdrank, óf in het dichtschroeien (cauteriseren) met een vuur dat passend is voor de ziekte. Maar ik geef geen voorkeur aan het schroeien.
(Ḥijāmah is een aanbevolen geneesmethode (sunnah) van het bloed laten trekken met koppen, bekend als “cupping”)
١٤٢٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ ﵄، قَالَ: احْتَجَمَ النَّبِيُّ ﷺ، وَأَعْطَى الْحَجَّامَ أَجْرَهُ1422. Van Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet zich met ḥijāmah behandelen, en hij gaf de persoon die het deed zijn vergoeding.
١٤٢٣ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ، يَحْتَجِمُ، وَلَمْ يَكُنْ يَظْلِم أَحَدًا أَجْرَهُ
1423. Van Anas (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) liet zich met ḥijāmah behandelen en hij onthield niemand het loon dat hem toekwam.
١٤٢٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْحُمَّى مِنْ فَيْحِ جَهَنَّمَ فَأَبْرِدُوهَا بِالْمَاءِ1424.Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Koorts (ḥummā) is (alsof het) de hitte van het Hellevuur is, dus koel haar af met water.”
[De vergelijking van de koorts (ḥummā) met het koken van het Hellevuur (Jahannam) komt voort uit het feit dat ook koorts het lichaam van de mens uitput en als het ware “wegvreet”, net als het vuur van het Hellevuur dat verterend is. Daarom wordt ḥummā als een wereldse afspiegeling beschouwd van het branden van het Hellevuur.](AFK)
[“Humma” is een algemene naam die wordt gegeven aan koortsachtige ziekten, zoals malaria en andere aandoeningen die gepaard gaan met hoge koorts. In deze ḥadīth wordt enerzijds gewezen op een mogelijke behandelingsmethode voor koortsziekten, terwijl anderzijds de hitte van de Hel wordt voorgesteld op een manier die mensen kunnen begrijpen door iets wat zij zelf hebben ervaren of waargenomen, namelijk de hevigheid van koorts.
Een koortsziekte die de zieke doet branden van de hitte en hem langzaam uitput en verteert, is slechts een zeer kleine afspiegeling van het leven in de Hel. Zoals men voorzorgsmaatregelen neemt om niet ziek te worden, en wanneer men ziek is, naar genezing zoekt, zo behoort men in dit wereldse leven ook de nodige maatregelen te nemen om in het eeuwige leven niet aan de bestraffing van de Hel te worden blootgesteld.
De daden die men in deze wereld verricht vooral die welke hun oorsprong vinden in reinheid en zuiverheid, dat wil zeggen in het water, hebben een verkoelend en zuiverend effect. Hun verkoeling zal in het Hiernamaals de hitte van de Hel neutraliseren.
Bij de behandeling van koortsachtige ziekten, hoewel de methode kan verschillen afhankelijk van de aard van de ziekte, is het gebruik van koud water in het algemeen nuttig en verlichtend.] (HA)
١٤٢٥ - حديث أَسْمَاءَ بِنْتِ أَبِي بَكْرٍ، كَانَتْ، إِذَا أُتِيَتْ بِالْمَرْأَةِ قَدْ حُمَّتْ تَدْعُو لَهَا، أَخَذَتِ الْمَاءَ فَصَبَّتْهُ بَيْنَهَا وَبَيْنَ جَيْبِهَا قَالَتْ: وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يَأْمُرُنَا أَنْ نَبْرُدَهَا بِالْمَاءِ1425. Van Asmâ’ bint Abî Bakr (رضي الله عنهما):Wanneer men naar haar een vrouw bracht die koorts had, verrichtte zij du`ā’ voor haar, nam water en goot het tussen haar en haar halsopening.En zij zei: “an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval ons de koorts met water te verkoelen.”
١٤٢٦ - حديث رَافِعِ بْنِ خَدِيجٍ، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: الْحُمَّى مِنْ فَوْحِ جَهَنَّمَ، فَابْرُدُوهَا بِالْمَاءِ1426. Van Râfi‘ ibn Khadîdj (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Koorts is (als) een vuurvlaag van het Hellevuur, dus koel haar af met water.”
(an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) keurde zijn behandeling met medicatie afكراهة التداوي باللدود
١٤٢٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَدَدْنَاهُ فِي مَرَضِهِ، فَجَعَلَ يُشِيرُ إِلَيْنَا أَنْ لاَ تَلُدُّونِي فَقُلْنَا: كَرَاهِيَةُ الْمَرِيضِ لِلدَّوَاءِ فَلَمَّا أَفَاقَ، قَالَ: أَلَمْ أَنْهَكُمْ أَنْ تَلدُّونِي قُلْنَا: كَرَاهِيَةَ الْمَرِيضِ لِلدَّوَاءِ فَقَالَ لاَ يَبْقَى أَحَدٌ فِي الْبَيْتِ إِلاَّ لُدَّ وَأَنَا أَنْظرُ، إِلاَّ الْعَبَّاسَ، فَإِنَّهُ لَمْ يَشْهَدْكُمْ
1427. Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Wij lieten Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (een medicijn) nemen tijdens zijn ziekte, maar hij gebaarde naar ons om dat niet te doen.Wij zeiden toen: “Zieken houden nu eenmaal niet van medicijnen.”Toen hij bij bewustzijn kwam, zei hij: “Heb ik jullie niet verboden mij via de mond (tegen mijn wil) medicijnen toe te dienen??”Wij zeiden: “(We dachten) zieke mensen houden er gewoon niet van.”Daarop zei hij: “Behalve Abbās (رضي الله عنه): laat in dit huis, onder mijn blik, niemand achterblijven van wie niet een geneesmiddel in de mond wordt toegediend. Want toen jullie dit deden, was hij niet bij jullie aanwezig.”
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gedurende zijn leven aan de gelovigen duidelijk gemaakt dat genezing van Allāh komt, maar dat de mens zijn verantwoordelijkheid moet nemen door passende maatregelen te treffen, zoals behandeling of het nemen van voorzorgsmaatregelen tegen ziekten.
Hij zei: “Allāh heeft bij de ziekte (of pijn) die Hij heeft gezonden, zeker ook de genezing gezonden.” (Bukhārī, Ṭibb, 1). Hij gaf hoop door duidelijk te waarschuwen: “O dienaren van Allāh, zoek genezing!” (Tirmidhī, Ṭibb, 2).Tijdens de ziekte die tot zijn overlijden leidde, besefte hij dat deze zijn afscheid van de wereld betekende en weigerde hij verdere pogingen tot behandeling. Omdat hij zich al in een moeilijke situatie bevond, wilde hij dat men hem geen extra zorg hoeft te geven. Hij werd zelfs geïrriteerd door gezinsleden die, in de hoop op herstel, aandrongen op behandeling. ] (Diyanet)
Behandeling met Indiase aloëwortel (al-ʿūd al-Hindī), namelijk al-kust (wierook)التداوي بالعود الهندي وهو الكست
١٤٢٨ - حديث أُمِّ قَيْسٍ بِنْتِ مِحْصَنٍ، أَنَّهَا أَتَتْ بِابْنٍ لَهَا صَغِيرٍ، لَمْ يَأْكُلِ الطَّعَامَ، إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَأَجْلَسَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي حِجْرِهِ، فَبَالَ عَلَى ثَوْبِهِ، فَدَعَا بِمَاءٍ فَنَضَحَهُ وَلَمْ يَغْسِلْهُ
1428.
Van Ummu Qays bint Mihsan (رضي الله عنها):Zij bracht haar jonge zoontje, die nog geen vast voedsel at, naar Rasûlullāh ((صلى الله عليه وسلم) .Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zette hem op zijn schoot, en het jongentje plaste op zijn kleding.Hij liet water halen en sprenkelde het erover, maar waste het niet uit.
١٤٢٩ - حديث أُمِّ قَيْسٍ بِنْتِ مِحْصَنٍ، قَالَتْ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: عَلَيْكمْ بِهذا الْعُودِ الْهِنْدِيِّ فَإِنَّ فِيهِ سَبْعَةَ أَشْفِيَةٍ، يُسْتَعَطُ بِهِ مِنَ الْعُذْرَةِ، وَيُلَدُّ بِهِ مِنْ ذَاتِ الْجَنْبِ1429. Van Ummu Qays bint Mihsan (رضي الله عنها):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Gebruik dit Indiase hout (al-‘ûd al-hindî), want het bevat zeven geneeswijzen. Men snuift het tegen keelzwelling (‘udzrah) en een aandoening waarbij vocht in de longen samenkomt (dzât al-janb) wordt het aan de zieke te drinken gegeven.”
Behandeling met zwarte komijn/zwarte zaad (al-ḥabbatu’s sawdā’)التداوي بالحبة السوداء
١٤٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّه سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: فِي الْحَبَّةِ السَّوْدَاءِ شِفَاءٌ مِنْ كُلِّ دَاءٍ، إِلاَّ السَّامَ
1430.
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “In het zwarte komijn/zwarte zaad (ḥabbatu’s-sawdâ’) zit genezing voor elke ziekte, behalve de dood.”
[Sommige van onze geleerden hebben aangegeven dat de geneeskrachtige plant die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aanduidde als ḥabbatu’s-sawdāʾ (het zwarte zaad/zwarte komijn), in feite de ʿajwah-dadel was die hij met zijn eigen handen had geplant.] (Diyanet)Zie ook Appendix 14: De geneeskrachtige bron uit de natuur: zwarte komijn
.
Attalbînah (griesmeelpap) is een verkwikking voor het hart van de ziekeالتلبينة مجمة لفؤاد المريض
١٤٣١ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا كَانَتْ، إِذَا مَاتَ الْمَيِّتُ مِنْ أَهْلِهَا، فَاجْتَمَعَ لِذلِكَ النِّسَاءُ، ثُمَّ تَفَرَّقْنَ إِلاَّ أَهْلَهَا وَخَاصَّتَهَا، أَمَرَتْ بِبُرْمَةٍ مِنْ تَلْبِينَةٍ فَطُبِخَتْ ثمَّ صُنِعَ ثَرِيدٌ فَصُبَّتِ التَّلْبِينَةُ عَلَيْهَا ثُمَّ قَالَتْ: كُلْنَ مِنْهَا، فَإِنِّي سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: التَّلْبِينَةُ مَجَمَّةٌ لِفُؤَادِ الْمَرِيضِ تَذْهَبُ بِبَعْضِ الْحُزْنِ
1431. ʿĀishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Wanneer er een van haar familieleden overleed, verzamelden de vrouwen zich bij haar.
En als zij dan vertrokken, behalve haar naaste familie, dan liet zij (ʿĀishah) een pot met talbînah (griesmeelpap) klaarmaken. Het werd gekookt, en vervolgens maakte men er een tharîd (broodpap) van, waarop de talbînah werd gegoten.Daarna zei zij: “Eet ervan, want ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Talbînah versterkt het hart van de zieke en verdrijft een deel van het verdriet.”
Behandeling met honingdrankالتداوي بسقي العسل
١٤٣٢ - حديث أَبِي سَعِيدِ، أَنَّ رَجُلًا أَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ: أَخِي يَشْتَكِي بَطْنَهُ فَقَالَ: اسْقِهِ عَسَلًا ثُمَّ أَتى الثَّانِيَةَ، فَقَالَ: اسْقِهِ عَسَلًا ثُمَّ أَتَاهُ الثَّالِثَةَ، فَقَالَ: اسْقِهِ عَسَلًا ثُمَّ أَتَاهُ، فَقَالَ: فَعَلْتُ فَقَالَ: صَدَقَ اللهُ وَكَذَبَ بَطْنُ أَخِيكَ، اسْقِهِ عَسَلًا فَسَقَاهُ، فَبَرَأَ
1432 – Van Abû Sa‘îd (رضي الله عنه):Een man kwam bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Mijn broer klaagt over zijn buik (pijn).”Hij zei: “Laat hem honingdrank drinken.”De man kwam terug en hij zei opnieuw: “Laat hem honingdrank drinken.”De man kwam voor de derde keer en hij zei: “Laat hem honingdrank drinken.”De man kwam weer en zei: “Ik heb het gedaan.”Hij zei toen: “Allāh heeft de waarheid gesproken, maar de buik van je broer heeft gelogen.Laat hem honingdrank drinken.”Hij gaf hem honingdrank, en zijn broer genas.
[İbnu’l-Qayyim legt de ḥadīth: “Allāh heeft de waarheid gesproken, maar de buik van je broer heeft gelogen”, alsvolgt uit: “Hier wordt aangegeven dat het geneesmiddel absoluut nuttig is. Het voortduren van de ziekte komt niet door een gebrek in het geneesmiddel, maar doordat er bederfelijke stoffen in de maag van de patiënt aanwezig zijn.”
Vervolgens vergelijkt İbnul-Qayyim de Tib an-Nabawî met andere geneeskunde:
“De Tib an-Nabawî is niet zoals de gewone geneeskunde; zij is het product van volmaakte rede, het licht van profeetschap en openbaring.
De meeste andere geneeskundes zijn gebaseerd op gissing, veronderstelling en ervaring. Het is dus normaal dat veel ziekten niet reageren op Tib an-Nabawî. Alleen wie met volledig geloof en overtuiging gelooft in de genezende kracht ervan, zal er baat bij hebben.”
(Deze uitspraken) zijn als de Qur’ān, die genezing is voor het hart: zij die er niet in geloven, vinden er geen genezing. Integendeel, de Qur’ān versterkt het ongeloof van de hypocrieten en de ziektes van hun hart. Zoals de Qur’ān zuivere harten en geesten geneest, zo geneest de Tibb an-Nabawî de zuivere lichamen. Het afwijzen van de Tibb an-Nabawî is gelijk aan het afwijzen om genezing te vragen van de Qur’ān. De fout ligt dus niet bij het geneesmiddel, maar bij de aard van de ziekte en bij de patiënt zelf. Door de onreine aard van het lichaam en de plaats van de ziekte, wordt het geneesmiddel niet geaccepteerd.
Geneeskracht van honing
Honing heeft veel voordelen:
Het reinigt de maag, bloedvaten en andere organen,
Het is nuttig voor ouderen en mensen met slijmproblemen,
Het voorkomt verkoudheid, reinigt de borst en longen, en bevordert urineproductie.
Honing is rijk aan suikers, vitaminen en andere geneeskrachtige stoffen, en wordt gemakkelijk door het lichaam opgenomen. Het is een zeer waardevol en krachtig voedingsmiddel. In de klassieke geneeskunde werd honing gebruikt als remedie voor veel kwalen. Tegenwoordig wordt het nog steeds gebruikt bij wondgenezing en keelziekten.
Bijenmelk (uit honing) wordt ook gebruikt bij bepaalde ziekten, vooral bij vermoeidheid en uitputting, huidproblemen, prikkelbaarheid, haaruitval, gewrichtsontstekingen,, rimpels in het gezicht etc.
Een andere ḥadīth staat: “Genezing is beperkt tot drie dingen: het drinken van honingdrank, cupping (bloed laten afnemen) en cauterisatie met vuur. Maar ik verbied mijn ummah het gebruik van vuurcauterisatie tenzij het absoluut noodzakelijk is.”
Over de genezende kracht van honing zegt de Qur’ān (surah an-Nahl 16:68-69):
وَأَوۡحَىٰ رَبُّكَ إِلَى ٱلنَّحۡلِ أَنِ ٱتَّخِذِي مِنَ ٱلۡجِبَالِ بُيُوتٗا وَمِنَ ٱلشَّجَرِ وَمِمَّا يَعۡرِشُونَ ٦٨
En jullie Heer heeft de bij geïnspireerd, zeggende: “Neem je woonplaats in de bergen en in de bomen en in wat zij (de mensen) oprichten.”
ثُمَّ كُلِي مِن كُلِّ ٱلثَّمَرَٰتِ فَٱسۡلُكِي سُبُلَ رَبِّكِ ذُلُلٗاۚ يَخۡرُجُ مِنۢ بُطُونِهَا شَرَابٞ مُّخۡتَلِفٌ أَلۡوَٰنُهُۥ فِيهِ شِفَآءٞ لِّلنَّاسِۚ إِنَّ فِي ذَٰلِكَ لَأٓيَةٗ لِّقَوۡمٖ يَتَفَكَّرُونَ ٦٩
Eet dan van al het fruit en volg de wegen die jouw Heer gemakkelijk maakt.” Uit hun buiken komt een drank voort (honing) – variërend van kleur – waarin genezing ligt voor de mensheid. Waarlijk, hierin is beslist een Teken voor de mensen die denken.] (HA)
De pest, bijgeloof (door voortekens), waarzeggerij en andere zakenالطاعون والطيرة والكهانة وغيرها
١٤٣٣ - حديث أُسَامَةَ بْنِ زَيْدٍ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: الطَّاعُونُ رِجْسٌ، أُرْسِلَ عَلَى ظَائِفَةٍ مِنْ بَنِي إِسْرَائِيلَ، أَوْ عَلَى مَنْ كَانَ قَبْلَكُمْ، فَإِذَا سَمِعْتُمْ بِهِ بِأَرْضٍ فَلاَ تَقْدَمُوا عَلَيْهِ وَإِذَا وَقَعَ بِأَرْضٍ وَأَنْتُمْ بِهَا فَلاَ تَخْرُجُوا فِرَارًا مِنْهُ (وَفِي رِوَايَةٍ) لاَ يُخْرِجُكُمْ إِلاَّ فِرَارًا مِنْهُ
1433– Van Usâmah ibn Zayd (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De pest (ta`ûn) is een straf die is gezonden over een groep van Banû Isrâ’îl, of over degenen vóór jullie leefden.Als jullie horen dat pest zich in een land bevindt, ga daar dan niet naartoe.En als de pest heerst in het land waar jullie zijn, vertrek dan niet om eraan te ontkomen.”(In een andere ḥadīth staat:)“Verlaat die plaats alleen maar om niet door de pest getroffen te worden.”
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) spreekt in deze ḥadīth over het toepassen van quarantaine.
Hij raadt aan om te voorkomen dat een besmettelijke ziekte zich naar andere plaatsen verspreidt door het betreden of verlaten van een plaats tijdelijk te verbieden. Omdat de pest een ernstige ziekte was die veel levens kostte, noemt hij deze “straf” (ʿadzāb).] (Diyanet)
١٤٣٤ - حديث عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ عَوْفٍ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ ﵁، خَرَجَ إِلَى الشَّامِ، حَتَّى إِذَا كَانَ بِسَرْغَ، لَقِيَهُ أُمَرَاءُ الأَجْنَادِ، أَبُو عُبَيْدَةَ بْنُ الْجَرَّاحِ وَأَصْحَابُهُ، فَأَخْبَرُوهُ أَنَّ الْوَبَاءَ قَدْ وَقَعَ بِأَرْضِ الشَّامِ قَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: فَقَالَ عُمَرُ: ادْعُ لِي الْمُهَاجِرِينَ الأَوَّلِينَ فَدَعَاهُمْ فَاسْتَشَارَهُمْ وَأَخْبَرَهُمْ أَنَّ الْوَبَاءَ قَدْ وَقَعَ بِالشَّامِ، فَاخْتَلَفُوا فَقَالَ بَعْضهُمْ: قَدْ خَرَجْتَ لأَمْرٍ، وَلاَ نَرَى أَنْ تَرْجِعَ عَنْهُ وَقَالَ بَعْضُهُمْ: مَعَكَ بَقِيَّةُ النَّاسِ وَأَصْحَابُ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَلاَ نَرَى أَنْ تُقْدِمَهُمْ عَلَى هذَا الْوَبَاءِ فَقَالَ: ارْتَفِعُوا عَنِّي ثُمَّ قَالَ: ادْعُوا لِي الأَنْصَارَ فَدَعَوْتُهُمْ، فَاسْتَشَارَهُمْ فَسَلَكُوا سَبِيلَ الْمُهَاجِرِينَ، وَاخْتَلَفُوا كَاخْتِلاَفِهِمْ فَقَالَ: ارْتَفِعُوا عَنِّي ثُمَّ قَالَ: ادْعُ لِي مَنْ كَانَ ههُنَا مِنْ مَشْيَخَةِ قُرَيْشٍ مِنْ مُهَاجِرَةِ الْفَتْحِ فَدَعَوْتُهُمْ، فَلَمْ يَخْتَلِفْ مِنْهُمْ عَلَيْهِ رَجُلاَنِ فَقَالُوا: نَرَى أَنْ تَرْجِعَ بِالنَّاسِ وَلاَ تقْدِمَهُمْ عَلَى هذَا الْوَبَاءِ فَنَادَى عُمَرُ، فِي النَّاسِ: إِنِّي مُصْبِحٌ عَلَى ظَهْرٍ فَأَصْبَحُوا عَلَيْهِ قَالَ أَبُو عُبَيْدَةَ بْنُ الْجَرَّاحِ: أَفِرَارًا مِنْ قَدَرِ اللهِ فَقَالَ عُمَرُ: لَوْ غَيْرُكَ قَالَهَا يَا أَبَا عُبَيْدَةَ نَعَمْ، نَفِرُّ مِنْ قَدَرِ
اللهِ إِلَى قَدَرِ اللهِ، أَرَأَيْتَ لَوْ كَانَ لَكَ إِبِلٌ هَبَطَتْ وَادِيًا لَهُ عُدْوَتَانِ، إِحْدَاهُمَا خَصِبَةٌ وَالأُخْرَى جَدْبَةٌ، أَلَيْسَ إِنْ رَعَيْتَ الْخَصِبَةَ رَعَيْتَهَا بِقَدَرِ اللهِ، وَاِنْ رَعَيْتَ الْجَدْبَةَ رَعَيْتَهَا بِقَدَرِ اللهِ قَالَ: فَجَاءَ عَبْدُ الرَّحْمنِ بْنُ عَوْفٍ وَكَانَ مُتَغَيِّبًا فِي بَعْضِ حَاجَتِهِ، فَقَالَ: إِنَّ عِنْدِي فِي هذَا عِلْمًا سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِذَا سَمِعْتُمْ بِهِ بَأَرْضٍ فَلاَ تَقْدَمُوا عَلَيْهِ، وَإِذَا وَقَعَ بِأَرْضٍ وَأَنْتُمْ بِهَا فَلاَ تَخْرُجُوا فِرَارًا مِنْهُ قَالَ: فَحَمِدَ اللهَ عُمَرُ، ثُمَّ انْصَرَفَ1434 – Van ‘Abdur-Rahmân ibn ‘Awf via Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهم):Toen ‘Umar ibn al-Khattâb (رضي الله عنه) onderweg naar Shâm was, en bij (het dorp) Sargh aankwam, ontmoette hij de bevelhebbers van de legers, onder wie Abû ‘Ubaydah ibn al-Jarrâh en zijn vrienden.Zij informeerden hem dat er een epidemie in Shâm was uitgebroken.Ibn ‘Abbâs zei: ‘Umar zei: “Roep voor mij de eerste Muhâjirûn.”Zij werden opgeroepen, hij raadpleegde hen en vertelde hen over de epidemie.Zij waren verdeeld van mening: sommigen zeiden: “U bent met een doel vertrokken, keer daar niet van terug.”Anderen zeiden: “Er zijn andere mensen en de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die met u zijn meegekomen, en wij vinden niet dat je hen moet blootstellen aan deze plaag.”‘Umar zei: “Jullie kunnen vertrekken.”Daarna zei hij: “Roep voor mij de Ansâr.”Ook hen raadpleegde hij, en zij volgden het voorbeeld van de Muhâjirûn en verschilden ook van mening.Daarna zei ‘Umar: “Jullie kunnen vertrekken.”Daarna zei hij: “Roep voor mij de oudsten van Quraysh op, die bij de verovering (van Makkah) (tot de Islām zijn getreden).”Toen ik hen riep, waren zij het allen met elkaar over eens en zeiden: “Wij vinden het gepast dat u met de mensen moet terugkeren (naar Madīnāh) en hen niet moet blootstellen aan deze plaag.”‘Umar riep toen onder het volk uit: “Ik ga morgen vroeg (mij klaarmaken voor de terugreis) en op mijn rijdier zitten, dus zorgt ervoor dat jullie ook morgen vroeg (ook klaar
اللهِ إِلَى قَدَرِ اللهِ، أَرَأَيْتَ لَوْ كَانَ لَكَ إِبِلٌ هَبَطَتْ وَادِيًا لَهُ عُدْوَتَانِ، إِحْدَاهُمَا خَصِبَةٌ وَالأُخْرَى جَدْبَةٌ، أَلَيْسَ إِنْ رَعَيْتَ الْخَصِبَةَ رَعَيْتَهَا بِقَدَرِ اللهِ، وَاِنْ رَعَيْتَ الْجَدْبَةَ رَعَيْتَهَا بِقَدَرِ اللهِ قَالَ: فَجَاءَ عَبْدُ الرَّحْمنِ بْنُ عَوْفٍ وَكَانَ مُتَغَيِّبًا فِي بَعْضِ حَاجَتِهِ، فَقَالَ: إِنَّ عِنْدِي فِي هذَا عِلْمًا سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِذَا سَمِعْتُمْ بِهِ بَأَرْضٍ فَلاَ تَقْدَمُوا عَلَيْهِ، وَإِذَا وَقَعَ بِأَرْضٍ وَأَنْتُمْ بِهَا فَلاَ تَخْرُجُوا فِرَارًا مِنْهُ قَالَ: فَحَمِدَ اللهَ عُمَرُ، ثُمَّ انْصَرَفَ1434 – Van ‘Abdur-Rahmân ibn ‘Awf via Ibn ‘Abbâs (رضي الله عنهم):Toen ‘Umar ibn al-Khattâb (رضي الله عنه) onderweg naar Shâm was, en bij (het dorp) Sargh aankwam, ontmoette hij de bevelhebbers van de legers, onder wie Abû ‘Ubaydah ibn al-Jarrâh en zijn vrienden.Zij informeerden hem dat er een epidemie in Shâm was uitgebroken.Ibn ‘Abbâs zei: ‘Umar zei: “Roep voor mij de eerste Muhâjirûn.”Zij werden opgeroepen, hij raadpleegde hen en vertelde hen over de epidemie.Zij waren verdeeld van mening: sommigen zeiden: “U bent met een doel vertrokken, keer daar niet van terug.”Anderen zeiden: “Er zijn andere mensen en de metgezellen van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die met u zijn meegekomen, en wij vinden niet dat je hen moet blootstellen aan deze plaag.”‘Umar zei: “Jullie kunnen vertrekken.”Daarna zei hij: “Roep voor mij de Ansâr.”Ook hen raadpleegde hij, en zij volgden het voorbeeld van de Muhâjirûn en verschilden ook van mening.Daarna zei ‘Umar: “Jullie kunnen vertrekken.”Daarna zei hij: “Roep voor mij de oudsten van Quraysh op, die bij de verovering (van Makkah) (tot de Islām zijn getreden).”Toen ik hen riep, waren zij het allen met elkaar over eens en zeiden: “Wij vinden het gepast dat u met de mensen moet terugkeren (naar Madīnāh) en hen niet moet blootstellen aan deze plaag.”‘Umar riep toen onder het volk uit: “Ik ga morgen vroeg (mij klaarmaken voor de terugreis) en op mijn rijdier zitten, dus zorgt ervoor dat jullie ook morgen vroeg (ook klaar zijn) en op jullie rijdier zitten.” Toen zei Abû ‘Ubaydah ibn al-Jarrâh: “Vluchten wij dan voor de voorbeschikking (qadar) van Allāh?”‘Umar antwoordde: “Was het maar iemand anders dan jij die dat zei, o Abâ ‘Ubaydah!
Ja, wij vluchten voor de voorbeschikking van Allāh naar de voorbeschikking van Allāh.Wat denk je: als je kamelen afdalen in een vallei met twee hellingen, één vruchtbaar en één dor. Als je ze op de vruchtbare kant laat grazen, is dat dan niet met de voorbeschikking van Allāh? En als je ze op de dorre kant laat grazen, is dat dan ook niet met de voorbeschikking van Allāh?”Daarop kwam ‘Abdur-Rahmân ibn ‘Awf, die eerder afwezig was wegens een bepaalde bezigheid, en hij zei: “Ik weet iets over deze kwestie: ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Als jullie horen dat de pest zich in een land bevindt, betreed het dan niet. En als het zich in het land bevindt waar jullie zijn, verlaat het dan niet om eraan te ontkomen.”Toen prees ‘Umar Allāh en vertrok (naar Madīnāh).
[Deze ramp, die plaatsvond tijdens het kalifaat van ʿUmar (رضي الله عنه) aan het einde van het 17e jaar na de Hijrah, trof Syrië, Egypte en Irak en duurde maandenlang voort. Tijdens de hevigste dagen van de epidemie zouden binnen drie dagen zeventigduizend mensen zijn gestorven. Het aantal verliezen binnen de islamitische legers in Syrië en Irak wordt geschat op ongeveer vijfentwintigduizend.Tijdens deze vreselijke uitbraak kwamen ook verschillende vooraanstaande metgezellen om het leven. Deze plaag staat bekend als de Amwās-pest (ṭāʿūn Amwās).] (HA)
Er is geen besmettelijkheid, geen bijgeloof door voortekens, uil, Ṣafar, sterrenstanden en ghūl (een soort shayṭān die mensen bang maakt of misleidt). Een zieke (met besmettelijke aandoening) moet niet bij een gezonde worden gebrachtلا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر ولا نوء ولا غول ولا يورد ممرض على مصح
١٤٣٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ عَدْوَى وَلاَ صَفَرَ وَلاَ هَامَةَ فَقَالَ أَعْرَابِيٌّ: يَا رَسُول اللهِ فَمَا بَالُ إِبِلِي تَكُونُ فِي الرَّمْلِ كَأنَّهَا الظِّبَاءُ، فَيَأْتِي الْبَعِيرُ الأَجْرَبُ فَيَدْخُلُ بَيْنَهَا فَيُجْرِبُهَا فَقَالَ: فَمَنْ أَعْدَى الأَوَّلَ
1435. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen besmettelijkheid (zonder de wil van Allāh), geen (bijgeloof over de maand) Safar en geen (bijgeloof in het roepgeluid van) de uil (als onheilsteken).”Een bedoeïen zei: “O Rasûlullāh, hoe komt het dan dat mijn kamelen in de woestijn gezond zijn als gazellen, en dan komt er een schurftige kameel bij, en die besmet hen allemaal?”Hij zei: “Wie heeft de eerste besmet?”
[In de ḥadīth waarnaar wordt verwezen, is het woord “Safar”. Dit woord is door de Arabieren op verschillende manieren uitgelegd. Sommigen beschouwden de maand Safar als een ongeluksmaand. Anderen legden het uit als een soort besmettelijke darmziekte. Hoe dan ook: alles gebeurt slechts met de wil van Allāh. Een ziekte ontstaat alleen als Allāh het wil, en als Hij het niet wil, gebeurt het niet. Daarom is er geen reden tot paniek vanwege het bestaan van besmettelijke ziekten. Want als Allāh het niet wil, heeft geen enkele ziekte enig effect.In ons leven maken we soms gebeurtenissen mee die ons verbazen. Bijvoorbeeld, iemand die nooit heeft gerookt en altijd sportief heeft geleefd, overlijdt aan longkanker. Terwijl hij sigaretten, een bekende oorzaak van kanker, altijd heeft gemeden en zijn lichaam gezond heeft gehouden.
Redelijkerwijs zou hij dus geen kanker mogen krijgen. Toch gebeurt het.Volgens medische gegevens zijn er ook gevallen waarin iemand die eigenlijk ziek zou moeten worden, gezond blijft, of iemand die ongeneeslijk lijkt, toch geneest. Zulke gebeurtenissen maken duidelijk dat achter alles Allāh’s wil en beschikking zit.Toch moet uit deze ḥadīth niet worden begrepen dat men geen voorzorgsmaatregelen hoeft te nemen tegen besmettelijke ziekten. Dat blijkt ook uit de tweede ḥadīth waarin een bedoeïen zich verwondert en vraagt naar zijn kamelen die schurft hebben opgelopen. Als antwoord wordt zijn aandacht gevestigd op de Eerste Oorzaak: Allāh. De boodschap is dat men niet mag geloven dat een ziekte zich zomaar, zonder Allāh’s wil, verspreidt.Zoals eerder gezegd, uit deze woorden mag niet worden afgeleid dat er geen maatregelen genomen mogen worden tegen besmettelijke ziekten. Integendeel, in een andere ḥadīth zegt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Vlucht voor de melaatse zoals je voor een leeuw zou vluchten!” (Bukhārī, Tibb 19). Dit betekent: vertrouw op Allāh, maar neem ook je voorzorgsmaatregelen. Met andere woorden, neem jouw verantwoordelijkheid, maar weet dat uiteindelijk alleen Allāh de Schepper is van zowel ziekte als genezing. Zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een andere ḥadīth zegt: “Breng een ziek dier niet naar een gezond dier.” Hiermee wordt het belang van isolatie en preventie in geval van besmettelijke ziekten benadrukt].(AFK)
[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verwierp het geloof in ongeluk dat wijdverbreid was onder de Arabieren vóór de Islām. Het toeschrijven van ongeluk aan bepaalde wezens, tijdsperioden of voorwerpen, als onderdeel van de overtuigingen uit de jāhiliyyah, is een bijgeloof dat tot op de dag van vandaag blijft voortbestaan. Een gelovige draagt altijd hoop in zijn hart, gevoed door zijn imān, en kijkt en handelt positief naar zijn omgeving.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) benadrukte ook dat valse overtuigingen over de oorzaak en de besmettelijkheid van ziekten ongegrond zijn.
Hij wees erop dat Allāh degene is die alle ziekten en hun genezing heeft geschapen, en dat het verspreiden van ziekten niet gebeurt door enige kracht buiten de wil van Allāh. ] (Diyanet)
[Onheilteken/bijgeloof is een toestand waarvan men veronderstelt dat deze in bepaalde dingen aanwezig is en die als oorzaak wordt gezien voor het mislukken van zaken. In verschillende tijden hebben vele mensen en samenlevingen geloofd dat bepaalde voorwerpen, dieren of natuurverschijnselen ongeluk zouden brengen. Ook in onze tijd zijn er nog veel mensen die zich niet hebben kunnen bevrijden van dit bijgeloof. Zulke mensen geloven dat van de dingen die zij als “onheilteken” beschouwen, kwaad en schade tot hen zal komen. Daarom proberen zij zich voortdurend van dergelijke dingen te distantiëren. Het geloof in “onheilteken”, dat geen enkele religieuze of wetenschappelijke grond heeft, zorgt ervoor dat degenen die eraan vasthouden, in alle fasen van hun leven in angst en onrust verkeren.In werkelijkheid is er in geen enkel ding rampspoed te vinden. Geen enkel ding is van nature veroorzaakt “geluk” of “ongeluk”. Onheilteken gevoel bevindt zich hoogstens in iemands zelf, in zijn interpretatie en in zijn opvatting. De in de volksmond wordt vaak uitdrukkingen zoals “Hij bracht geluk” of “Hij bracht ongeluk” gebruikt. Het zijn niet meer dan vermoedens en inbeeldingen.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in een ḥadīth gezegd: “In de Islām is er geen tashā’um (het als onheilteken beschouwen van iets of iets als een slecht voorteken zien); het beste is tafā’ul (het positief interpreteren van gebeurtenissen, woorden of tekenen).”Na al deze zaken kan het volgende worden gezegd: Geloven dat er ongeluk schuilt in zaken zoals een maansof zonsverduistering, het blaffen van honden, het roepen van een uil, het oversteken van een kat of hond op de weg voor iemand die loopt, onder een ladder doorlopen, het getal dertien, op een dinsdag aan een werk beginnen of op reis gaan, ’s nachts in de spiegel kijken of nagels knippen, en dergelijke overtuigingen is bāṭil (ongeldig en bijgeloof). Want in zulke dingen is noch goedheid, noch slechtheid aanwezig.
Als men een gebeurtenis of voorwerp per se ergens aan wil toeschrijven, dan past het om dit, overeenkomstig het advies van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), in goede zin (tafā’ul) te duiden.Het woord “`adwā” betekent besmetting of het overdragen van ziekte. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilde met deze uitspraak een bijgeloof uit de jāhiliyyah-tijd vernietigen. Want de Arabieren in de tijd van de onwetendheid geloofden dat ziekte zich van nature van de een op de ander overdraagt, niet door de daad van Allah. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft met deze woorden de onjuiste overtuiging van de Arabieren weerlegd en benadrukt dat, zoals in alle zaken, ook bij ziektebesmetting de daad van Allah in aanmerking moet worden genomen. Als Allah het niet bepaalt dat een ziekte zich verspreidt, dan kan een mens uit zichzelf niets veroorzaken.Ṣafar heeft een aantal betekenissen, buiten de maan-maand, betekent het ook een ziekte die de buik van de mens aantast en het gezicht geel wordt als barnsteen. In de tijd van de jāhiliyyah geloofden de Arabieren dat deze ziekte van de ene mens op de andere kon overgaan.Met de uitdrukking “er is geen (bijgeloof in het roepgeluid van) de uil” wordt verwezen naar een jāhiliyyah-geloof volgens hetwelk de organen van een vermoorde persoon, naarmate ze in het graf vergingen, een vogel voortbrachten die uit zijn hoofd tevoorschijn kwam, ’s nachts riep en van de ene plaats naar de andere vloog.] (HA)
١٤٣٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ يُورِدَنَّ مُمْرِضٌ عَلَى مُصِحٍّ1436.
Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه) an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie zieke dieren heeft, moet die beslist niet bij gezonde dieren brengen.”
At-ṭīrah (pessimistisch voorteken zien), al-faʾl (het nemen van voortekens/positieve voortekens) en alles wat daarin ongeluk of slechte voortekens bevat
الطيرة والفأل وما يكون فيه الشؤم
١٤٣٧ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ عَدْوَى وَلاَ طِيَرَةَ، وَيُعْجِبُنِي الْفَأْلُ قَالُوا: وَمَا الْفَأْلُ قَالَ: كَلِمَةٌ طَيِّبَةٌ
1437. Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen `adwā (besmettelijkheid zonder de wil van Allāh), geen ṭīrah (ongeluk verwachten/pessimistisch voorteken zien), maar ik hou van fa’l (het nemen van positieve voortekens).”Zij vroegen: “Wat is fa’l?”Hij antwoordde: “Een goed woord.”
[ṭīrah betekent: geloven dat er in de toekomst iets slechts zal gebeuren. In de tijd van de jāhiliyyah geloofde men dat bepaalde zaken een voorteken van rampspoed waren, zoals het zien van een uil of het horen van het gekras van een raaf. Dit is in zekere zin een aanspraak op kennis van de toekomst. Maar de kennis van het ongeziene (ghayb) behoort uitsluitend toe aan Allāh. Zoals Allāh zegt in de Qur’ān: عَٰلِمُ ٱلۡغَيۡبِ فَلَا يُظۡهِرُ عَلَىٰ غَيۡبِهِۦٓ أَحَدًا ٢٦
إِلَّا مَنِ ٱرۡتَضَىٰ مِن رَّسُولٖ فَإِنَّهُۥ يَسۡلُكُ مِنۢ بَيۡنِ يَدَيۡهِ وَمِنۡ خَلۡفِهِۦ رَصَدٗا ٢٧
De Alwetende van het onwaarneembare. Hij openbaart aan niemand het onwaarneembare.Behalve aan een Boodschapper die Hij heeft uitgekozen en voorwaar, dan laat Hij vόόr hem en achter hem wachters (engelen) gaan. (sûrah Djinn: 26-27)
Wanneer iemand beweert de toekomst te kunnen voorspellen op basis van zulke voortekens, is dat niets anders dan een ongefundeerde claim. In dat geval is het dus ongegrond en irrationeel om somberheid of pessimisme te ontwikkelen na het zien van een uil of het horen van een raaf, of andere soortgelijke gebeurtenissen. Daarom heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd dat zulke gedragingen ongeldig zijn.
Hij heeft gezegd: “Er is niets als een (werkelijk) ongeluksteken.”Met deze uitspraak heeft hij duidelijkheid gegeven.Fa’l daarentegen betekent: een gebeurtenis positief interpreteren en goede dingen verwachten. Omdat de mens de toekomst niet kent, zou hij zich niet moeten verliezen in negativiteit, maar in plaats daarvan hoopvol moeten zijn op het goede. Fa’l is dus in wezen het verwachten van iets goeds in de toekomst. Aangezien wij geen kennis hebben over wat goed of slecht zal gebeuren, is het logisch en verstandig om optimistisch te blijven. Dit draagt bij aan zowel de geestelijke gezondheid van de mens als aan de harmonie in de samenleving.Geleerden hebben fa’l met voorbeelden toegelicht. Bijvoorbeeld: als tijdens een moeilijke situatie iemand met de naam “Amin” (wat 'betrouwbaar' of 'veilig' betekent) binnenkomt, zeggen de aanwezigen:“In shā’ Allāh, onze zaak zal in veiligheid en vertrouwen eindigen.”Dit is een voorbeeld van hoe men wordt aangemoedigd om gebeurtenissen positief te duiden.Ongeluksvoorspellingen daarentegen brengen somberheid en terughoudendheid met zich mee.Kortom: de Islām moedigt optimisme aan en verwerpt ongegronde bijgeloof.] (AFK)
١٤٣٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لاَ طِيَرَةَ، وَخَيْرُهَا الْفأْلُ قَالُوا: وَمَا الْفأْلُ قَالَ: الْكَلِمَةُ الصَّالِحَةِ يَسْمَعُهَا أَحَدُكُمْ1438. Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Er is geen ṭīrah (ongeluk verwachten/pessimistisch voorteken zien), en het beste ervan is al-fa’l.”Zij vroegen: “Wat is fa’l?”Hij antwoordde: “Een goed woord dat iemand van jullie hoort.”
١٤٣٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ عَدْوَى وَلاَ طِيَرَةَ، وَالشُّؤْمُ فِي ثَلاَثٍ: فِي الْمَرْأَةِ وَالدَّارِ وَالدَّابَّةِ1439. Van Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er is geen adwā (besmettelijkheid) en geen ṭīrah (ongeluk verwachten/pessimistisch voorteken zien), maar als er onheilsteken (ergens bevond dan was het) in drie dingen: de vrouw, de woning en het rijdier.”
[an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft de mensen de leer van tawhīd bijgebracht door te strijden tegen alle vormen van valse overtuigingen, bijgeloof en ideeën over ongeluk. Hij streefde ernaar rechtvaardigheid en barmhartigheid in de samenleving te bevorderen. De uitspraak waar hiernaar wordt verwezen, is een ḥadīth die door Ibn ‘Umar (رضي الله عنهما) incompleet werd doorgegeven en buiten de context werd geplaatst. Deze woorden passen niet bij an-Nabī’s (صلى الله عليه وسلم) manier van leven en denkwijze.Toen om haar mening over deze ḥadīth werd gevraagd, verklaarde `A’ishah (رضي الله عنها) om de onvolledigheid te corrigeren: “Bij Allāh, Die de Qur’ān aan Abū’l-Qāsim heeft geopenbaard, an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei dit niet op deze manier.
Maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De mensen van de jāhiliyyah zeiden zo: ongeluk is bij de vrouw, in het huis en bij het paard.’ (Ibn Ḥanbal, Musnad, VI/240, 246] (Diyanet)
١٤٣٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ عَدْوَى وَلاَ طِيَرَةَ، وَالشُّؤْمُ فِي ثَلاَثٍ: فِي الْمَرْأَةِ وَالدَّارِ وَالدَّابَّةِ1440. Van Sahl ibn Sa‘d as-Sâ‘idî (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als er (in iets onheil zou bestaan), dan is het in de vrouw, het paard en de woning.”
[Geleerden hebben uit de uitdrukking “Als er (in iets onheil zou bestaan), dan...” afgeleid dat er in werkelijkheid geen ongeluk bestaat. Zij hebben gezegd: “Er is zoiets als ongeluk niet.” Ook heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in een andere ḥadīth gezegd: “Er is geen ongeluk (voorteken van rampspoed).” (Bukhārī, Tibb: 19; Muslim, Salam: 103; Abû Dawud, Tibb: 24; Ibn Majah, Tibb: 43)Daarom wordt in de ḥadīth die hierboven werd genoemd, waarin sprake is van ongeluk in huis, vrouw of rijdier, bedoeld dat dit geloof voortkomt uit de opvattingen van de Arabieren in de tijd van de jâhiliyyah. In een andere ḥadīth wordt zelfs het ongeluk aan wapens gekoppeld. De uitdrukking “Er is geen ongeluk” betekent dat al deze overtuigingen ongegrond en foutief zijn.Toen deze ḥadīth werd verteld aan ʿĀ’ishah (رضي الله عنها), werd zij erg boos en zei: “Bij Allāh, Die de Qur’ān heeft neergezonden op Muhammed: zeker, Rasûlullāh heeft zoiets nooit gezegd!
Hij zei slechts: ‘De mensen uit de tijd van de onwetendheid geloofden dat er ongeluk zat in zulke dingen.’ (Overgeleverd door aṭ-Ṭaḥāwī)Er bestaan ook aḥadīth die aangeven dat de ḥadīth niet volledig werd gehoord door de verteller. De verteller kwam binnen op het moment dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aan het spreken was, en begreep de bedoeling niet helemaal.Doç. Dr. Nevzat Aşık geeft hierover het volgende commentaar:Volgens een ḥadīth in de Musnad van aṭ-Ṭayālisī, hoorde Abū Hurayrah dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het ongeluk zit in drie zaken: in het huis, de vrouw en het rijdier.”Toen ʿĀ’isha (رضي الله عنها) dit hoorde, zei ze: “Abū Hurayrah heeft het verkeerd onthouden. Rasûlullāh sprak over de dingen die de joden als ongeluksbrengers beschouwden, en hij vervloekte hen om die reden. Hij zei namelijk: ‘Moge Allāh de joden straffen! Want zij zeggen: “Het ongeluk zit in drie dingen: het huis, de vrouw en het paard.”Abū Hurayrah was op dat moment binnengekomen, maar had het eerste deel van de uitspraak niet gehoord, alleen het laatste gedeelte.Samenvattend: De Islām verwerpt overtuigingen van bijgeloof en ongeluk, en wat soms als een uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt opgevat, blijkt bij nadere beschouwing vaak een misverstand of onvolledige weergave te zijn.] (AFK)
Het doden van slangen en soortgelijke dierenباب قتل الحيات وغيرها
١٤٤١ - حديث ابن عمر وأبي لبابة ﵃، أَنَّهُ سَمِعَ النَّبِيَّ ﷺ يَخْطُبُ عَلَى المِنْبَرِ يَقُولُ: "اقْتُلُوا الحَيَّاتِ، وَاقْتُلُوا ذَا الطُّفْيَتَيْنِ وَالأَبْتَرَ، فَإِنَّهُمَا يَطْمِسَانِ البَصَرَ، وَيَسْتَسْقِطَانِ الحَبَلَ " قَالَ عَبْدُ اللهِ: فَبَيْنَا أَنَا أُطَارِدُ حَيَّةً لِأَقْتُلَهَا، فَنَادَانِي أَبُو لُبَابَةَ: لاَ تَقْتُلْهَا، فَقُلْتُ إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَدْ أَمَرَ بِقَتْلِ الحَيَّاتِ قَالَ: إِنَّهُ نَهَى بَعْدَ ذَلِكَ عَنْ ذَوَاتِ البُيُوتِ، وَهِيَ العَوَامِرُ
1441. Van Ibn ‘Umar via Abû Lubâbah (رضي الله عنهما): Ibn ‘Umar zei dat hij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de preekstoel hoorde zeggen:“Dood de slangen, en dood die met de twee strepen en de stompe staart, want zij verblinden het oog en veroorzaken miskramen.”‘Abdullâh zei: “Terwijl ik een slang achtervolgde om die te doden, riep Abû Lubâbah mij: ‘Dood haar niet!’ Ik zei: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft toch bevolen slangen te doden!’ Hij zei: “Hij verbood het daarna voor de huisslangen, de bewoners van huizen (‘awâmir).”(En in een ḥadīth: 'Toen zag Abû Lubâbah of Zayd ibn al-Khattâb mij.)
١٤٤٢ - حديث عبد الله بن مسعود قَالَ: بَيْنَا نَحْنُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي غَارٍ، إِذْ نَزَلَتْ عَلَيْهِ: وَالمُرْسَلاَتِ فَتَلَقَّيْنَاهَا مِنْ فِيهِ، وَإِنَّ فَاهُ لَرَطْبٌ بِهَا، إِذْ خَرَجَتْ حَيَّةٌ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: " عَلَيْكُمُ اقْتُلُوهَا " قَالَ: فَابْتَدَرْنَاهَا فَسَبَقَتْنَا، قَالَ: فَقَالَ: " وُقِيَتْ شَرَّكُمْ كَمَا وُقِيتُمْ شَرَّهَا 1442. Van ‘Abdullâh ibn Mas‘ûd (رضي الله عنه): Terwijl wij met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een grot waren, werd de sûrah al-Mursalât op hem geopenbaard. Wij leerden die direct van hem terwijl zijn mond er nog nat van was. Plotseling kwam er een slang uit de grot. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Dood haar!”Wij gingen achter haar aan, maar zij ontsnapte. Toen zei hij: “Zij werd voor jullie beschermd tegen jullie kwaad, zoals jullie beschermd werden tegen haar kwaad.”
De aanbeveling om de (giftige) muurhagedis (wazagh) te dodenاستحباب قتل الوزغ
١٤٤٣ - حديث أُمِّ شَرِيكٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ أَمَرَهَا بِقَتْلِ الأَوْزَاغِ
1443.
Van Ummu Sharîk al Ghuzayyah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beval haar om huisgekko’s/muurhagedissen (awzāgh) te doden.
١٤٤٤ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ؛ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ لِلْوَزَغِ فُوَيْسِقٌ وَلَمْ أَسْمَعْهُ أَمَرَ بِقَتْلِهِ1444. ‘Â’ishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) noemde het huisgekko een ‘fâsiq’ (zondaar). Ze zei: “Ik hoorde hem niet uitdrukkelijk zeggen dat het gedood moest worden.”
Het is ongewenst om mieren te dodenالنهي عن قتل النمل
١٤٤٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ: قَرَصَتْ نَمْلَةٌ نَبِيًّا مِنَ الأَنْبِيَاءِ، فَأَمَرَ بِقَرْيَةِ النَّمْلِ فَأُحْرِقَتْ، فَأَوْحى اللهُ إِلَيْهِ أَنْ قَرَصَتْكَ نَمْلَةٌ أَحْرَقْتَ أُمَّةً مِنَ الأُمَمِ تُسَبِّحُ
1445. Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een mier beet een van de profeten. Toen beval hij de mierennest te verbranden. Daarop openbaarde Allāh aan hem:‘Een mier heeft jou gebeten, en jij hebt een hele gemeenschap (van mieren) vernietigd die Allāh verheerlijkt!’
Het is verboden om katten te dodenتحريم قتل الهرة
١٤٤٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: عُذِّبَتِ امْرَأَةٌ فِي هِرَّةٍ سَجَنَتْهَا حَتَّى مَاتَتْ، فَدَخَلَتْ فِيهَا النَّارَ، لاَ هِيَ أَطْعَمَتْهَا وَلاَ سَقَتْهَا إِذْ هِيَ حَبَسَتْهَا، وَلاَ هِيَ تَرَكَتْهَا تَأْكلُ مِنْ خَشَاشِ الأَرْضِ
1446. ‘Abdullâh ibn ‘Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een vrouw werd gestraft vanwege een kat die zij gevangenhield totdat het dier stierf. Hierdoor kwam zij in de Hel terecht. Zij voedde haar niet en gaf haar geen water, en zij liet haar niet los zodat zij van het ongedierte van de grond kon eten.”
[Yusuf al-Qardawî geeft de volgende uitleg aan deze ḥadīth: “Een kat opsluiten tot het van de honger sterft, is het duidelijkste bewijs van de verstarring van het hart van die vrouw, haar hardheid jegens de zwakken die Allah heeft geschapen, en het ontbreken van mededogen in haar hart. Alleen de barmhartigen zullen het Paradijs binnengaan. Allah toont alleen genade aan de barmhartigen. Als die vrouw genade had getoond aan de wezens op aarde, zou Allahu تَعَالَى ook genade aan haar hebben getoond. Zeker, deze en soortgelijke aḥadīth vormen een bron van trots voor de Islām vanuit menselijk oogpunt. Zo wordt elk levend schepsel verzorgd, en wordt elk levend wezen dat een hart draagt beloond voor het in acht nemen van hun welzijn.”] (HA)
De verdienste van degene die levende wezens voorziet van drinkwater en voedingفضل ساقي البهائم المحترمة وإِطعامها
١٤٤٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: بَيْنَا رَجُلٌ يَمْشِي فَاشْتَدَّ عَلَيْهِ الْعَطَشُ، فَنَزَلَ بِئْرًا، فَشَرِبَ مِنْهَا، ثُمَّ خَرَجَ؛ فَإِذَا هُوَ بِكَلْبٍ يَلْهَثُ يَأْكُلُ الثَّرَى مِنَ الْعَطَشِ فَقَالَ: لَقَدْ بَلَغَ هذَا مِثْلُ الَّذِي بَلَغَ بِي فَمَلأَ خُفَّهُ، ثُمَّ أَمْسَكَهُ بِفِيهِ، ثُمَّ رَقِيَ، فَسَقَى الْكَلْبَ فَشَكَرَ اللهُ لَهُ فَغَفَرَ لَهُ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ وَإِنَّ لَنَا فِي الْبَهَائِمِ أَجْرًا قَالَ: فِي كلِّ كَبِدٍ رَطْبَةٍ أَجْرٌ
1447. Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Terwijl een man onderweg was en hevige dorst kreeg, vond hij een put. Hij ging erin, dronk eruit, en kwam weer omhoog. Daar zag hij een hond die uit dorst de natte aarde likte. Hij zei: ‘Deze hond heeft net als ik dorst.’Hij vulde zijn schoen, hield hem met zijn tanden vast, klom omhoog en gaf de hond te drinken. Allāh waardeerde dit van hem en schonk hem vergeving.”Zij zeiden: “O Rasûlullāh , hebben wij beloning voor (zorg voor) dieren?”Hij zei: “In elk levend wezen dat vochtige lever heeft, is er beloning.”
[In de ḥadīth wordt gezegd: “In elk levend wezen dat vochtige lever heeft, is er beloning.”Dit betekent: wanneer men een levend wezen, of het nu een dier is of zelfs een plant, water geeft terwijl het nog leeft en tekenen van leven vertoont, dan levert dat een beloning op. Ook als het wezen bijna dood is van de dorst maar nog niet gestorven is, wordt het water geven beloond. Hieruit blijkt dat het geven van water een manier is om dichter bij Allāh te komen.Sommige geleerden uit de generatie van de Tabi‘în (de opvolgers van de metgezellen) hebben gezegd: “Zij die veel zonden hebben begaan, laten zij dorstigen van water voorzien.”Want als het geven van water aan een dorstige hond al tot vergeving leidt, dan is het logisch dat het lessen van de dorst van een mens nog veel meer tot Allāh’s genade en vergeving zal leiden.] (HY)
١٤٤٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: بَيْنَمَا كَلْبٌ يُطِيفُ بِرَكِيَّةٍ كَادَ يَقْتُلُهُ الْعَطَشُ، إِذْ رَأَتْهُ بَغِيٌّ مِنْ بَغَايَا بَنِي إِسْرَائِيلَ، فَنَزَعَتْ مُوقَهَا، فَسَقَتْهُ، فَغُفِرَ لَهَا بِهِ1448. Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een hond liep rond een put, stierf bijna van de dorst. Toen zag een prostituee uit de vrouwen van Banû Isrā`īl hem. Zij trok haar schoen uit, gaf hem te drinken, en Allāh vergaf haar om die reden.”
[We moeten aandacht hebben voor elk levend wezen en het goed behandelen, ook in eenvoudige zaken waaraan men niet meteen denkt. Het feit dat een vrouw die ernstig zondigt, een van de grote zonden in de Islām, door het geven van water aan een hond vergeving kan krijgen, vraagt om reflectie.
Het is niet gezegd in de ḥadīth dat er een directe connectie was tussen haar zonden en het water geven aan de hond; misschien heeft zij berouw getoond en haar zonden laten varen, en heeft haar daad van goedheid jegens de hond geleid tot vergiffenis.Over de vrouw die een kat opsloot tot deze van honger stierf, met verwijzing naar de ḥadīth “Wie geen barmhartigheid toont, zal zelf geen barmhartigheid ontvangen”: het opsluiten van de kat tot de dood een duidelijke indicatie is van haar hardheid en gebrek aan mededogen tegenover de zwakken die Allāh geschapen heeft. Alleen de barmhartigen zullen het Paradijs binnengaan, want Allāh toont barmhartigheid aan degenen die zelf barmhartig zijn. Als die vrouw mededogen had getoond voor de schepselen op aarde, zou Allāh ook mededogen met haar hebben gehad.Deze en soortgelijke aḥadīth zijn een bron van trots voor de Islām vanuit menselijk oogpunt, omdat elke levend wezen wordt gediend en het verzorgen van elk levend wezen met een levend hart (een 'levend long' betekent hier letterlijk elk levend wezen met een adem) wordt beloond.] (AFK)