As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabu’s siyām: Boek van de vasten

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabu’s siyām: Boek van de vasten

[Na de kalimah at-tawḥīd is het derde fundament van de Islām de vasten. De vasten werd in het tweede jaar nH verplicht gesteld. Allāhu تَعَالَى heeft deze grote ʿibādah verplicht gesteld, gebaseerd op grote wijsheden. De grootste wijsheid daarvan is dat het de hevigheid en ruwheid van de nafs al-ammārah (de lagere ego die tot het kwaad aanzet) breekt en haar tot rust brengt. Want volgens de uitleg van de uṣūl al-fiqh is vasten in wezen in dat de mens zich onthoudt van eten, drinken en geslachtsgemeenschap, waardoor hij zich tijdelijk onthoudt van de gunsten die Allāh hem heeft geschonken. Vanuit dat oogpunt zou het op zichzelf niet als iets goeds worden beschouwd. Doordat het echter een middel is om de nafs al-ammārah te disciplineren, heeft het een verheven waarde gekregen en is het opgenomen in de categorie van datgene wat wettelijk als intrinsiek goed wordt aangemerkt. In de uṣūl wetenschap wordt dit aangeduid als: ḥasan li-dzātihī ḥukman.Zonder twijfel bevindt zich in de mens een kracht die de nafs genoemd wordt. Deze kracht kan zowel voor het goede als voor het slechte aangewend worden, maar neigt van nature sterker naar het slechte. Zij is te vergelijken met vuur: vuur kan zowel nutig als schadelijk zijn, maar zijn aard neigt meer naar schade, omdat het alles wat het raakt wil verbranden. Zo is ook de nafs al-ammārah. Daarom heeft Yūsuf (عليه السلام) gezegd:وَمَآ أُبَرِّئُ نَفۡسِيٓۚ إِنَّ ٱلنَّفۡسَ لَأَمَّارَةُۢ بِٱلسُّوٓءِ إِلَّا مَا رَحِمَ رَبِّيٓۚ إِنَّ رَبِّي غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٥٣

“En ik verklaar mijzelf niet vrij. Waarlijk, de (mens) zelf is geneigd naar het slechte, behalve als mijn Heer hem Zijn genade schenkt. Waarlijk, mijn Heer is Genadevol, Barmhartig. (Sūrah Yūsuf, 12:53)

Zelfs Yūsuf (عليه السلام) zocht toevlucht bij Allāh tegen zijn nafs. Zoals het noodzakelijk is om zorgvuldig met vuur om te gaan om het onschadelijk te maken, zo is het ook noodzakelijk de nafs al-ammārah op te voeden en te disciplineren. De meest krachtige opvoeder van de nafs al-ammārah is vasten. Daarom zegt men: “Vasten maakt de ledematen hongerig, maar voedt de nafs.

Wanneer de ledematen verzadigd zijn, wordt de nafs hongerig; maar wanneer de ledematen hongerig zijn, wordt de nafs verzadigd.”De vasten wekt in de mens ook gevoelens van medelijden op jegens de armen en behoeftigen. Want iemand die tijdelijk de pijn van honger en dorst heeft geproefd, zal zich ongetwijfeld herinneren hoe de behoeftigen deze ontberingen het hele jaar door doorstaan. Hierdoor groeit zijn medeleven en wordt hij aangespoord om hen te helpen.Er schuilen nog vele andere wijsheden in het vasten, die wij hier niet allemaal zullen bespreken. Belangrijk om te benadrukken is dat men niet moet vasten vanwege deze wijsheden, maar omdat het een bevel van Allāh is. Dit moet het uitgangspunt zijn bij elke ʿibādah.De lexicale betekenis van het woord ṣawm is absoluut onthouden, dat wil zeggen, zich onthouden van eten, drinken, spreken, enz. In de Sharīʿah betekent vasten dat men zich, met de juiste intentie, vanaf het aanbreken van de dageraad tot zonsondergang onthoudt van eten, drinken en geslachtsgemeenschap. De rukn (pilaar) van de vasten is zich onthouden van het bovenstaande.De oorzaak verschilt, aangezien de vormen van vasten verschillend zijn: farḍ, wājib, masnūn, mandūb, nāfilah, makrūh taḥrīman en makrūh tanzīhan.

De vasten in de maand Ramaḍān, de kaffarah (boetedoening) voor ẓihār*, voor doding, voor het verbreken van een eed, de straf bij overtreding tijdens de Ḥaj, en de fidyah** bij overtredingen in de iḥrām, zijn farḍ-vasten omdat zij allen met een onweerlegbaar bewijs zijn vastgesteld.

Vasten die iemand door een gelofte (naḏr) verplicht maakt, is wājib-vasten.

Vasten op de negende dag van Muḥarram samen met de tiende (ʿĀshūrāʾ) is sunnahvasten.

Drie dagen per maand vasten is mandūb-vasten

Alle overige vasten waarbij geen afkeur is vastgesteld, zijn nāfilah-vasten.

Alleen de tiende dag van Muḥarram vasten, zonder de negende erbij, is makrūh tanzīhan-vasten.

Vasten tijdens de dagen van tashrīq en de beide feestdagen is makrūh taḥrīman-vasten.

De oorzaak van het vasten in de maand Ramaḍān – zowel het reguliere vasten als het inhalen ervan – is het meemaken van een deel van de maand Ramaḍān. Elke dag vormt de aanleiding voor het vasten van die specifieke dag, aangezien elke dag een afzonderlijke ʿibādah is.De oorzaken van de kaffārah-vasten zijn de handelingen of gebeurtenissen die deze kaffārah verplicht maken, zoals het breken van een eed of het plegen van doodslag.De oorzaken van de naḏr-vasten zijn de geloften die iemand zelf heeft afgelegd.

De voorwaarden voor verplichting: moslim zijn, gezond van verstand, en de puberteit bereikt hebben.De voorwaarden voor uitvoering: niet ziek zijn en muqīm (niet op reis).De voorwaarden voor geldigheid: niyyah (intentie) en vrij zijn van menstruatie en nifās.De ḥukm van het vasten: het wegvallen van de verplichting (de schuld is afgelost) en het verkrijgen van beloning.De vasten is een strikte verplichting (farīḍah muḥkamah). De verplichting is bevestigd door de Qurʾān, consensus (ijmāʿ) en de Sunnah. Wie dit ontkent of ermee spot, wordt kāfir. Wie dit niet verricht, is fāsiq.Bewijs uit de Qurʾān:

فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهۡرَ فَلۡيَصُمۡهُۖ “Wie van jullie de maand bereikt, laat hem daarin vasten.” (Sūrah al-Baqarah: 185)يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ كُتِبَ عَلَيۡكُمُ ٱلصِّيَامُ كَمَا كُتِبَ عَلَى ٱلَّذِينَ مِن قَبۡلِكُمۡ لَعَلَّكُمۡ تَتَّقُونَ ١٨٣ “O jullie die geloven! Het vasten is jullie verplicht, zoals het ook verplicht was voor degenen die vóór jullie waren, hopelijk zullen jullie Allāh vrezen. (Sūrah al-Baqarah: 183)

Bewijs uit de Sunnah:

De bekende ḥadīth over de pijlers van het geloof. En andere aḥādīth die dit bevestigen.

{*: ẓihār: een onrechtmatige vorm van echtscheidingsverklaring waarbij een man tegen zijn vrouw zegt:

“Je bent voor mij als de rug van mijn moeder.”}{**: Fidyah: compensatie die de gelovige moet verrichten wanneer een verplichte daad niet wordt uitgevoerd of wordt geschonden, volgens de regels die Sharīʿah daarvoor bepaalt}.] (Bulughu’l marām)

Deugden van de maand Ramaḍān

فضل شهر رمضان

٦٥٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا دَخَلَ شَهْرُ رَمَضَانَ فتِّحَتْ أَبْوَابُ السَّمَاءِ وَغُلِّقَتْ أَبْوَابُ جَهَنَّمَ، وَسُلْسِلَتِ الشَّيَاطيِنُ

652 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de maand Ramaḍān aanbreekt, worden de poorten van de hemel (samā-i) geopend, de poorten van het Hellevuur (Jahannam) gesloten, en de satans (shayāṭīn) worden vastgeketend.”

De verplichting (wājib) om (in de maand) Ramaḍān te vasten door het zien van de (nieuwe) maan (hilāl) en het beëindigen van de vasten (`Iedu’l Fitr) door het zien van de (nieuwe) maan. En als aan het begin of het einde (van de maand) de lucht bewolkt blijft, dan wordt het aantal dagen van de maand voltooid tot dertig dagen

وجوب صوم رمضان لرؤية الهلال، والفطر لرؤية الهلال، وأنه إِذا غم في أوله أو آخره أكملت عدة الشهر ثلاثين يوما

٦٥٣ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، ذَكَرَ رَمَضَانَ، فَقَالَ: لاَ تَصُومُوا حَتَّى تَرَوُا الْهِلاَلَ، وَلاَ تُفْطِرُوا حَتَّى تَرَوْهُ، فَإِنْ غُمَّ عَلَيْكُمْ فَاقْدُرُوا لَهُ

653 – Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak eens over Ramaḍān en zei: “Vast niet totdat jullie de hilāl (maansikkel) zien, en beëindig de (Ramaḍān) vasten niet totdat jullie haar (weer) zien. Als zij voor jullie verborgen blijft (m.a.w. als het bewolkt is), bereken dan (de maand) (m.a.w. maakt de Ramaḍān 30 dagen).”

٦٥٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: الشَّهْرُ هكَذَا وَهكَذَا وَهكَذَا يَعْنِي ثَلاَثِينَ ثُمَّ قَالَ: وَهكَذَا وَهكَذَا وَهكَذَا يَعْنِي تِسْعًا وَعِشْرِينَ، يَقُولُ، مَرَّةً ثَلاَثِينَ وَمَرَّةً تِسْعًا وَعِشْرِينَ654 – van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De maand is zó en zó en zó,” waarmee hij dertig bedoelde. Vervolgens zei hij: “En zó en zó en zó,” waarmee hij negenentwintig bedoelde. Hij zegt dus: één keer dertig en één keer negenentwintig.

٦٥٥ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: إِنَّا أُمَّةٌ أُمِّيَّةٌ، لاَ نَكْتُبُ وَلاَ نَحْسُبُ، الشَّهْرُ هكَذَا وَهكَذَا يَعْنِي مَرَّةً تِسْعَةً وَعِشْرِينَ، وَمَرَّة ثَلاَثِينَ655 – van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wij zijn een ongeletterde gemeenschap; wij schrijven niet en wij rekenen niet. De maand is soms zo en zo”, hij bedoelde soms negenentwintig, en soms dertig (dagen).

٦٥٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبَيُّ ﷺ، أَوْ قَالَ: قَالَ أَبُو الْقَاسِمِ ﷺ صُوموا لِرُؤْيَتِهِ وَأَفْطِرُوا لِرُؤْيَتِهِ، فَإِنْ غُبِّيَ عَلَيْكُمْ فَأَكْمِلُوا عِدَّةَ شَعْبَانَ ثَلاَثِينَ656 – van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم), of: Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم), zei: “Vast bij het zien van (de Ramaḍān sikkel), en beëindig de vasten (vier `Iedu’l Fitr) bij het zien van (Shawwal sikkel).

Als zij voor jullie verborgen blijft (m.a.w. bewolkt is), voltooi dan de telling van Shaʿbān tot dertig (dagen).”

Niet een of twee dagen vóór Ramaḍān vasten (om Ramaḍān te verwelkomen)

لا تقدموا رمضان بصوم يوم ولا يومين

٦٥٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَتَقَدَّمَنَّ أَحَدُكُمْ رَمَضَانَ بِصَوْمِ يَوْمٍ أَوْ يَوْمَيْنِ إِلاَّ أَنْ يَكُونَ رَجُلٌ كَانَ يَصُومُ صَوْمَهُ فَلْيَصُمْ ذلِكَ الْيَوْمَ

657 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie Ramaḍān voorafgaan door (vrijwillig) een of twee dagen te vasten, tenzij men gewoon is op die dag(en) te vasten, dan mag men op die dag(en) vasten.”

De maand kan negenentwintig dagen zijn

الشهر يكون تسعا وعشرين

٦٥٨ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ حَلَفَ لاَ يَدْخُلُ عَلَى بَعْضِ أَهْلِهِ شَهْرًا؛ فَلَمَّا مَضَى تِسْعَةٌ وَعِشْرُونَ يَوْما غَدَا عَلَيْهِنَّ أَوْ رَاحَ؛ فَقِيلَ لَهُ: يَا نَبِيَّ اللهِ حَلَفْتَ أَنْ لاَ تَدْخُلَ عَلَيْهِنَّ شَهْرًا قَالَ: إِنَّ الشَّهْرَ يَكُونُ تِسْعَةً وَعِشْرَينَ يَوْمًا

658 – Van Umm Salamah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had gezworen dat hij een maand lang sommige van zijn vrouwen niet zou benaderen. (Hij verbleef in de hoge kamer waarvan de trap van palmstam was gemaakt). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam op de negenentwintigste dag na zijn vertrek (van die hoge kamer naar beneden en) bezocht hen in de ochtend of avond. Men zei tegen hem: “Yā Nabiyyallāh, u had toch gezworen dat u een maand hen niet zou benaderen?”Hij zei: “De maand kan ook negenentwintig dagen zijn.”

Uitleg van de betekenis van de woorden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “De twee (feest)maanden die nooit verkorten”

بيان معنى قوله ﷺ شهرا عيد لا ينقصان

٦٥٩ - حديث أَبِي بَكْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: شَهْرَانِ لاَ يَنْقُصَانِ، شَهْرَا عِيدٍ، رَمَضَانُ وَذُو الْحَجَّةِ

659 – Van Abū Bakrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Twee maanden verkorten nooit (in waarde of beloning): de twee feestmaanden, Ramaḍān en Dhū al-Ḥijjah.”

Uitleg over het begin van de vasten bij de opgang van de fajr en de toegestane tijd voor het eten tot de fajr opgang. En de kenmerken van de fajr waarop regels zoals het begin van de vasten en het ingaan van de (tijd voor de) ochtend ṣalāh is van toepassing

بيان أن الدخول في الصوم يحصل بطلوع الفجر، وأن له الأكل وغيره حتى يطلع الفجر وبيان صفة الفجر الذي تتعلق به الأحكام من الدخول في الصوم، ودخول وقت صلاة الصبح وغير ذلك

٦٦٠ - حديث عَدِيِّ بْنِ حَاتِمٍ ﵁، قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ (حَتَّى يَتَبَيَّنَ لَكُمُ الْخَيْطُ الأَبْيَضُ مِنَ الْخَيْطِ الأَسْوَدِ) عَمَدْتُ إِلَى عِقَالٍ أَسْوَدَ، وَإِلَى عِقَالٍ أَبْيَضَ، فَجَعَلْتُهُمَا تَحْتَ وِسَادَتِي، فَجَعَلْتُ أَنْظُرُ فِي اللَّيْلِ فَلاَ يَسْتَبِينُ لِي، فَغَدَوْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَذَكَرْتُ لَهُ ذلِكَ، فَقَالَ: إِنَّمَا ذلِكَ سَوَادُ اللَّيْلِ وَبَيَاضُ النَّهَارِ

660 – Van ʿAdiyy ibn Ḥātim (رضي الله عنه):Toen het vers werd geopenbaard:وَكُلُواْ وَٱشۡرَبُواْ حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَكُمُ ٱلۡخَيۡطُ ٱلۡأَبۡيَضُ مِنَ ٱلۡخَيۡطِ ٱلۡأَسۡوَدِ مِنَ ٱلۡفَجۡرِۖ ١٨٧

…En eet en drink totdat bij de dageraad de witte draad en de zwarte draad voor jullie te onderscheiden is… (sûrah al-Baqarah 2:187), nam ik een zwart touw en een wit touw en plaatste ze onder mijn kussen. Ik bleef er 's nachts naar kijken, maar ik kon geen onderscheid maken (tussen de witte en de zwarte draad).De volgende ochtend ging ik naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vertelde hem hierover. Hij zei: ‘Jouw kussen moet wel erg groot zijn, want met die draden is bedoeld: het donker van de nacht en het licht van de dag.’

٦٦١ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: أُنْزِلَتْ (وَكُلُوا وَاشْرَبُوا حَتَّى يَتَبَيَّنَ لَكُمُ الْخَيْطُ الأَبْيَضُ مِنَ الْخَيْطِ الأَسْوَدِ) وَلَمْ يَنْزِلْ مِنَ الْفَجْرِ فَكَانَ رِجَالٌ، إِذا أَرَادُوا الصَّوْمَ، رَبَطَ أَحَدُهُمْ فِي رِجْلِهِ الْخَيْطَ الأَبْيَضَ وَالْخَيْطَ الأَسْوَدَ، وَلَمْ يَزَلْ يَأْكلُ حَتَّى يَتَبَيَّنَ لَهُ رُؤْيَتُهُمَا، فَأَنْزَل اللهُ بَعْدُ مِنَ الْفَجْرِ فَعَلِمُوا أَنَّهُ إِنَّمَا يَعْنِي اللَّيْلَ وَالنَّهَارَ 661 – Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه):Het vers حَتَّىٰ يَتَبَيَّنَ لَكُمُ ٱلۡخَيۡطُ ٱلۡأَبۡيَضُ مِنَ ٱلۡخَيۡطِ ٱلۡأَسۡوَدِ …totdat de witte draad en de zwarte draad voor jullie te onderscheiden is…' (Baqarah 2:187), werd geopenbaard, maar het gedeelte (مِنَ الْفَجْرِ ‘bij de dageraad’) was nog niet geopenbaard… (sûrah al-Baqarah 2:187)Mensen bonden toen een wit en een zwart touw aan hun voet vast, en bleven eten totdat ze het verschil (tussen de kleur van de touwen) konden zien.

Toen werd (ook) het gedeelte gedeelte (مِنَ الْفَجْرِ ‘bij de dageraad’) waarna zij begrepen dat hiermee de scheiding tussen de nacht en de dag bedoeld werd.

٦٦٢ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِنَّ بِلاَلًا يُؤَذِّنُ بِلَيْلٍ، فَكُلُوا وَاشْرَبُوا حَتَّى يُنَادِيَ ابْنُ أُمِّ مَكْتُومٍ662 –Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Bilāl roept ’s nachts de oproep tot de ṣalāh (adzā) op. , terwijl het nog nacht is.

Eet en drink totdat Ibn Umm Maktūm de aḍhān oproept.”Daarna zei de overleveraar: Ibn Umm Maktūm was een blinde man. Hij riep de aḍhān pas op wanneer men tegen hem zei: ‘De tijd voor ṣalāh al-fajr is aangebroken.

[In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waren de moderne hulpmiddelen waarover wij tegenwoordig beschikken nog niet voorhanden, waardoor het vaststellen van het tijdstip van de ṣalāt al-fajr geen eenvoudige zaak was. Daarom namen veel van de ṣaḥābah de aḍhān als richtlijn voor zowel het begin van de vasten (imsāk) als het verbreken ervan (iftār).Tijdens de nacht werd de aḍhān tweemaal uitgeroepen: eerst door Bilāl (رضي الله عنه) en vervolgens door ibn Ummu Maktūm (رضي الله عنه). Uit de ḥadīth blijkt dat de aḍhān van Bilāl bedoeld was om degenen die de ṣalāh at-tahajjud verrichtten te informeren dat de tijd voor de suḥūr bijna ten einde liep, en om de slapenden te wekken. Deze aḍhān markeerde echter niet het begin van het imsāk-tijdstip.Het daadwerkelijke begin van het imsāk-tijdstip werd aangegeven door de tweede aḍhān, die werd uitgeroepen door ibn Ummu Maktūm (رضي الله عنه).] (Diyanet)

٦٦٣ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ بِلاَلًا كَانَ يُؤَذِّنُ بِلَيْلٍ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: كُلُوا وَاشْرَبُوا حَتَّى يُؤَذِّنَ ابْنُ أُمِّ مَكْتُومٍ، فَإِنَّهُ لاَ يُؤَذِّنُ حَتَّى يَطْلُعَ الْفَجْرُ 663 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Bilāl riep de aḍhān op terwijl het nog nacht was.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Eet en drink totdat Ibn Umm Maktūm de aḍhān oproept, want hij roept pas op als het fajr is aangebroken.”

٦٦٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ يَمْنَعَنَّ أَحَدَكُمْ أَوْ أَحَدًا مِنْكُمْ أَذَانُ بِلاَلٍ مِنْ سَحُورِهِ، فَإِنَّهُ يُؤَذِّنُ أَوْ يُنَادِي بِلَيْلٍ لِيَرْجِعَ قَائمَكُمْ وَلِيُنَبِّهَ نَائمَكُمْ، وَلَيْسَ لَهُ أَنْ يَقُولَ الْفَجْرُ أَوِ الصُّبْحُ وَقَالَ بِأَصَابِعِهِ وَرَفَعَهَا إِلَى فَوْقُ وَطَأْطأَ إِلَى أَسْفَلُ حَتَّى يَقولَ هكَذَا 664 –Van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه)an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie zich door de aḍhān van Bilāl laten weerhouden van zijn suḥūr (maaltijd vóór de dageraad), want hij roept de aḍhān op in de nacht.

Daarmee geeft hij degene die in aanbidding is te kennen dat hij kan stoppen en wekt hij degene die slaapt (voor de ṣalāh at-tahajjud). Het is niet aan hem om te verkondigen: ‘De ochtend (ṣubḥ) is aangebroken’.”Vervolgens maakte hij een gebaar met zijn vingers: hij hief ze omhoog en liet ze daarna weer zakken, en zei: “Zo is het. (Waarmee hij de overgang van nacht naar ochtend aanduidde.)”

Deugd van sahûr, de nadrukkelijke aanbeveling ervan, het aanbevolen om de sahûr uit te stellen en het bespoedigen van de iftār (verbreken van de vasten)

فضل السحور وتأكيد استحبابه، واستحباب تأخيره وتعجيل الفطر

٦٦٥ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: تَسَحَّرُوا فَإِنَّ فِي السَّحُورِ بَرَكَةً

665 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Ontbijt met sahûr, want er is zegen in de sahûr”.

٦٦٦ - حديث زَيْدِ بْنِ ثَابِتٍ عَنْ أَنَسٍ أَنَّ زَيْدَ بْنَ ثَابِتٍ حَدَّثَه أَنَّهُمْ تَسَحَّرُوا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ ثُمَّ قَامُوا إِلَى الصَّلاَةِ، قُلْتُ: كَمْ بَيْنَهُمَا قَالَ: قَدْرُ خَمْسِينَ أَوْ سِتِّينَ، يَعْنِي آيَةً666 - Van Zayd ibn Thābit, via Anas (رضي الله عنهم): Wij ontbeten sahûr met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en daarna stonden wij op voor de (ochtend)ṣalāh.Ik (Anas) vroeg: Hoeveel tijd zat daartussen? Hij (Zayd) antwoordde: “(De tijd om) ongeveer vijftig of zestig verzen (āyāt) (te reciteren).”

٦٦٧ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَزالُ النَّاسُ بِخَيْرٍ مَا عَجَّلُوا الْفِطْرَ667 - Van Sahl ibn Saʿd (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “De mensen zullen goede (khayr) (daad) verrichten zolang zij de iftār (vasten verbreking) bespoedigen.”

Uitleg over het tijdstip van het beëindigen van de vasten en het einde van de dag

بيان وقت انقضاء الصوم وخروج النهار

٦٦٨ - حديث عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا أَقْبَلَ اللَّيْلُ مِنْ ههُنَا، وَأَدْبَرَ النَّهَارُ مِنْ ههُنَا، وَغَرَبَتِ الشَّمْسُ فَقَدْ أَفْطَرَ الصَّائمُ

668 - Van ʿUmar (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de nacht van deze kant (oosten) intreedt, de dag van die kant (westen) zich terugtrekt en de zon is ondergegaan, dan mag de vastende zijn vasten verbreken (iftār).”

[An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wees met zijn hand en gaf daarmee aan dat wanneer de zon in het westen ondergaat en de nacht in het oosten begint, de vastende persoon de vasten mag verbreken (iftār).] (Diyanet)

٦٦٩ - حديث ابْنِ أَبِي أَوْفَى ﵁، قَالَ: كُنَّا مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ فِي سَفَرٍ، فَقَالَ لِرَجُلٍ: انْزِلْ فَاجْدَحْ لِي قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ الشَّمْسُ، قَالَ: انْزِلْ فَاجْدَحْ لِي قَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ الشَّمْسُ، قَالَ: انْزِلْ فَاجْدَحْ لِي فَنَزَلَ فَجَدَحَ لَه، فَشَرِبَ؛ ثُمَّ رَمَى بِيَدِهِ ههُنَا، ثُمَّ قَالَ: إِذَا رَأَيْتُمُ اللَّيْلَ أَقْبَلَ مِنْ ههُنَا فَقَدْ أَفْطَرَ الصَّائمُ669 - Van (`Abdullah) Ibn Abi Awfā’ (رضي الله عنه):Wij waren met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis, toen hij tegen een man (Bilāl) zei: ‘Stap (van je rijdier) af en bereid voor mij pap (geroosterde tarwe tot meel vermalen en vervolgens met water of melk mengen).’De man zei: ‘O Rasûlullāh, de zon is nog (niet ondergegaan).’Hij zei: ‘Stap af en bereid voor mij pap klaar.’De man zei weer: ‘O Rasûlullāh, de zon is nog (niet ondergegaan).’Hij zei (voor de) derde keer: ‘Stap af en bereid voor mij pap klaar.’Toen stapte de man af, bereidde de pap en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) at ervan. Daarna wees hij met zijn hand in een richting en zei: ‘Wanneer jullie de nacht van deze kant zien naderen, mag de vastende zijn vasten verbreken.’

Het verbod op wiṣāl (vasten zonder onderbreking)

النهى عن الوصال في الصوم

٦٧٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ الْوِصَالِ، قَالُوا: إِنَّكَ تُوَاصِلُ، قَالَ: إِنِّي لَسْتُ مِثْلَكُمْ، إِنِّي أُطْعَمُ وَأُسْقَى

670 - Van `Abdullah ibn Umar (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood wiṣāl (het onafgebroken vasten zonder sahûr en iftār). Zij zeiden: ‘Maar u vast (wel) wiṣāl-vasten.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben niet zoals jullie, want (mijn Rab) voedt en geeft mij te drinken.’

[Wisāl-vasten houdt in dat men de vasten gedurende twee of meer dagen voortzet zonder ’s nachts de vasten te verbreken (iftār). Een dergelijke ononderbroken vasten wordt als makrūh beschoud.Volgens al-Khattābī is de reden hiervoor dat degene die op deze manier vast lichamelijk verzwakt en zijn kracht verliest, waardoor hij niet meer in staat is de verplichte vormen van aanbidding, zoals de verplichte vasten en andere vormen van ‘ibādah, correct uit te voeren. Bovendien bestaat het risico dat men ontmoedigd raakt en zelfs de verplichte vasten geheel nalaat vanwege de moeilijkheden die het aaneengesloten vasten met zich meebrengt.Over de precieze betekenis van het feit dat Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) door Allāh wordt gevoed en dorst gelest, zijn verschillende interpretaties gegeven:- Allāh schenkt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kracht alsof hij gegeten en gedronken heeft. Hierdoor kan hij zijn aanbidding voortzetten zonder de behoefte aan voedsel of drank te voelen.

- Allāh voedt en laat hem daadwerkelijk drinken gedurende de nacht. Dit is een bijzondere eigenschap die uitsluitend voor hem geldt; hoewel het voor de ummah verboden is, is het toegestaan voor Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم). Er zijn ook andere voorbeelden van zaken die voor de ummah verboden zijn, maar die voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wel toegestaan waren. Zo werd zijn borst door engelen gewassen met water uit een gouden schaal, terwijl het gebruik van gouden vaten in deze wereld verboden is.

- Tijdens de wiṣāl-vasten eet of drinkt an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) niet, maar zijn toestand wordt vergeleken met iemand die tijdens de slaap eet en drinkt: diens honger en dorst verdwijnen, maar zijn vasten blijft geldig. Evenzo wordt de vasten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in deze toestand niet ongeldig.

Deze verklaring is afkomstig van Ibn al-Mundhir..

Allāh maakt Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) onafhankelijk van voedsel en drank door zijn hart te vervullen met het besef van Zijn Majesteit, door liefde en genegenheid voor Hem, en door hem te voeden met Zijn ma‘rifah (kennis van Allāh).] (HA)

٦٧١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ الْوِصَالِ فِي الصَّوْمِ، فَقَالَ لَهُ رَجلٌ مِنَ الْمُسْلِمِينَ: إِنَّكَ تُوَاصِلُ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: وَأَيُّكُمْ مِثْلِي إِنِّي أَبِيتُ يُطْعِمُنِي رَبِّي وَيَسْقَينِ فَلَمَّا أَبَوْا أَنْ يَنْتَهُوا عَنِ الْوِصَالِ؛ وَاصَلَ بِهِمْ يَوْمًا، ثُمَّ يَوْمًا، ثُمَّ رَأَوُا الْهِلاَلَ فَقَالَ: لَوْ تَأَخَّرَ لَزِدْتُكُمْ كَالتَّنْكِيلِ لَهُمْ حِينَ أَبَوْا أَنْ يَنْتَهُوا671 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood wiṣāl-vasten. Een man onder de moslims zei tegen hem: 'O Rasûlullāh, maar u vast wiṣāl.' Hij zei: 'En wie van jullie is zoals ik ben? Waarlijk, ik breng de nacht door terwijl mijn Rab mij voedt en mij te drinken geeft.'Toen zij (de metgezellen) weigerden te stoppen met wiṣāl-vasten, liet hij hen twee dagen achter elkaar wiṣāl-vasten.

Toen ze (de derde dag) de sikkel (nieuwe maan: hilāl) zagen, zei hij: 'Als (de maand) later was aangebroken, dan had ik het voor jullie voortgezet.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) leek hen als les te willen straffen, omdat zij vasthielden aan de wiṣāl-vasten en niet hadden opgegeven.

٦٧٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِيَّاكُمْ وَالْوِصَالَ مَرَّتَيْنِ قِيلَ: إِنَّكَ تُوَاصِلُ قَالَ: إِنِّي أَبِيتُ يُطْعِمُنِي رَبِّي وَيَسْقِينِ، فَاكْلَفُوا مِنَ الْعَمَلِ مَا تُطِيقُونَ672 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an- Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei twee maal: “Pas op voor het verrichten van wiṣāl-vasten”.Zij zeiden: “O Rasûlullāh, maar u vast wiṣāl.”Hij antwoordde: “Ik breng de nacht door terwijl mijn Rab mij voedt en mij te drinken geeft. Verricht daden wat je kunt verdragen/wat binnen je vermogen ligt.”

٦٧٣ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: وَاصَلَ النَّبِيُّ ﷺ آخِرَ الشَّهْرِ، وَوَاصَلَ أُنَاسٌ مِنَ النَّاسِ، فَبَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ فَقَالَ: لَوْ مُدَّ بيَ الشَّهْرُ لَوَاصَلْتُ وِصَالًا يَدَعُ الْمُتَعَمِّقُونَ تَعَمُّقَهُمْ؛ إِنِّي لَسْتُ مِثْلَكُمْ، إِنِّي أَظَلُّ يُطْعِمُنِي رَبِّي وَيَسْقِينِ673 - Van Anas (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte wiṣāl-vasten aan het einde van de maand (Ramaḍān), en sommige mensen deden dat ook. Toen bereikte dit an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: 'Als de maand langer was gemaakt voor mij, zou ik verder hebben wiṣāl-gevast (zonder iftār en sahûr), zodat de overdrijvers hun overdrijving zouden verlaten.

Ik ben niet zoals jullie, want mijn Rab voedt mij en geeft mij te drinken.'

٦٧٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنِ الْوِصَالِ، رَحْمَةً لَهُمْ، فَقَالُوا: إِنَّكَ تُوَاصِلُ قَالَ: إِنِّي لَسْتُ كَهَيْئَتِكُمْ، إِنِّي يُطْعِمُنِي رَبِّي وَيَسْقِينِ674 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verbood de wiṣāl-vasten (zonder iftār en sahûr), uit genade voor hen (zijn metgezellen). Zij zeiden: ‘U vast wel wiṣāl.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben niet zoals jullie, want mijn Rab voedt mij en geeft mij te drinken.’”

Uitleg dat het kussen tijdens de vasten niet verboden is voor degene van wie de verlangens niet worden opgewekt

بيان أن القُبلة في الصوم ليست محرمة على من لم تحرك شهوته

٦٧٥ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: إِنْ كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ لَيُقَبِّلُ بَعْضَ أَزْوَاجِهِ وَهُوَ صَائمٌ؛ ثُمَّ ضَحِكَتْ

675 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kuste sommige van zijn vrouwen terwijl hij vastte.” En zij lachte (toen zij dit zei).

٦٧٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُقَبِّلُ وَيُبَاشِرُ وَهُوَ صَائمٌ، وَكَانَ أَمْلَكَكُمْ لإِرْبِهِ676 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kuste en streelde (zijn vrouwen) terwijl hij vastte, en hij was het meest in staat om zijn verlangens onder controle te houden.”

Geldigheid van de vasten van degene bij wie de fajr (ochtend) aanbreekt terwijl hij in de staat van janabah (grote rituele onreinheid) verkeert

صحة صوم من طلع عليه الفجر وهو جنب

٦٧٧ - حديث عَائِشَةَ وَأُمِّ سَلَمَةَ عَنْ أَبِي بَكْرِ بْنِ عَبْدِ الرَّحْمنِ بْنِ الْحرِثِ بْنِ هِشَامٍ، أَنَّ أَبَاهُ عَبْدَ الرَّحْمنِ أَخْبَرَ مَرْوَانَ أَنَّ عَائِشَةَ وَأُمَّ سَلَمَةَ أَخْبَرَتَاهُ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُدْرِكُهُ الْفَجْرُ وَهُوَ جُنُبٌ مِنْ أَهْلِهِ، ثُمَّ يَغْتَسِلُ وَيَصُوم

فَقَالَ مَرْوَانُ لِعَبْدِ الرَّحمنِ بْنِ الْحرِثِ: أُقْسِمُ بِاللهِ لَتُقَرِّ عَنَّ بِهَا أَبَا هُرَيْرَةَ، وَمَرْوَان يَوْمَئِذٍ عَلَى الْمَدِينَةِ؛ فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: فَكَرِهَ ذلِكَ عَبْدُ الرَّحْمنِ ثُمَّ قُدِّرَ لَنَا أَنْ نَجْتَمِعَ بِذِي الْحُلَيْفَةِ، وَكَانَتْ لأَبِي هُرَيْرَةَ هُنَالِكَ أَرْضٌ، فَقَالَ عَبْدُ الرَّحْمنِ لأَبِي هرَيْرَةَ إِنِّي ذَاكِرٌ لَكَ أَمْرًا، وَلَوْلاَ مَرْوَانُ أَقْسَمَ عَلَيَّ فِيهِ لَمْ أَذْكرْهُ لَكَ فَذَكَرَ قَوْلَ عَائِشَةَ وَأُمِّ سَلَمَةَ؛ فَقَالَ: كَذلِكَ حَدَّثَنِي الْفَضْلُ ابْنُ عَبَّاسٍ، وَهُوَ أَعْلَمُ

677 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en Umm Salamah (رضي الله عنها) Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had het tijdstip van de ṣalāh al-fajr bereikt terwijl hij in de staat van janabah (grote rituele onreinheid) was van zijn vrouwen.

Daarna verrichtte hij de ghusl (rituele grote wassing) en vastte. Marwān zei tegen Abdurrahmān ibn al-Harith: “Ik zweer bij Allāh, door dit te zeggen, zet je Abû Hurayrah in een moeilijke positie!” Marwān was toen de gouverneur van Madīnah. Toen zei Abû Bakr: “Mijn vader `Abdurrahmān vond (deze woorden van Marwān) niet prettig om het te herhalen.” Vervolgens hadden we de gelegenheid om elkaar te ontmoeten in Dhu’l-Hulayfah, waar Abû Hurayrah land had.`Abdurrahmān zei tegen Abû Hurayrah: “Ik wil je iets vertellen, en als Marwān niet had gezworen dat ik het zou zeggen, zou ik het niet hebben gevraagd.” En hij vertelde wat ʿĀʾishah en Umm Salamah hadden gezegd.

Abû Hurayrah zei: “Zo heeft mij Fadl ibn Abbās verteld, en hij is degene die dit het beste weet.”Abû Hurayrah had overleverd dat: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) beval degene die in staat van janabah (rituele onreinheid) de ochtend bereikte, om niet te vasten.Imaam Bukhārī zei: De ḥadīth van de moeder der gelovigen is qua isnād (overleveringsketen) betrouwbaarder dan die van Abû Hurayrah.

[Abû Hurayrah (رضي الله عنه) zei in een toespraak: “Wie in staat van janābah (grote onreinheid) wakker wordt, moet niet vasten.” Hij gaf aan dat hij deze uitspraak van Faḍl b. ʿAbbās (رضي الله عنهما) had gehoord. Toen hem echter een overlevering werd verteld die afkomstig is van de echtgenotes van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de profetische praktijk beschreeft, waarin het tegenovergestelde werd aangegeven, herzag hij zijn mening. (Muslim, Ṣiyām, 75). ] (Diyanet)

Het is strikt verboden dat een vastende persoon gemeenschap heeft tijdens de Ramaḍān(vasten), de verplichting van de grote boetedoening (kaffarah) daarvoor. Kaffarah is voor zowel de welgestelde als de behoeftige een verplichting, en de schuld van de behoeftige blijft totdat hij in staat is om het te betalen

تغليظ تحريم الجماع في نهار رمضان على الصائم، ووجوب الكفارة الكبرى فيه، وأنها تجب على الموسر والمعسر، وتثبت في ذمة المعسر حتى يستطيع

٦٧٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: إِنَّ الأَخِرَ وَقَعَ عَلَى امْرَأَتِهِ فِي رَمَضَانَ، فَقَالَ: أَتَجِدُ مَا تُحَرِّرُ رَقَبَةً قَالَ: لاَ، قَالَ: فَتَسْتَطِيعُ أَنْ تَصُومَ شَهْرَيْنِ مُتَتابِعَيْنِ قَالَ: لاَ قَالَ: أَفَتَجِدُ مَا تُطْعِمُ بِهِ سِتِّينَ مِسْكِينًا قَالَ: لاَ قَالَ: فَأُتِيَ النَّبِيُّ ﷺ بِعَرَقٍ فِيهِ تَمْرٌ، وَهُوَ الزَّبِيلُ، قَالَ: أَطْعِمْ هذَا عَنْكَ قَالَ: عَلَى أَحْوَجَ مِنَّا مَا بَيْنَ لاَبَتَيْها أَهْلُ بَيْتٍ أَحْوَجُ مِنَّا قَالَ: فَأَطْعِمْهُ أَهْلَكَ

678 - Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “Een van de meest behoeftige onder de gemeenschap (hij bedoelt zichzelf mee) heeft geslachtsgemeenschap gehad met zijn vrouw in de maand Ramaḍān.” “Kun je een slaaf (ter boetedoening) vrijlaten?”, zei hij.“Nee,” antwoordde de man. “Kun je twee opeenvolgende maanden vasten?” “Nee.” “Kun je zestig arme mensen voeden?” “Nee.” Toen werd an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een zak met dadels gebracht, en hij zei:“Geef dit als aalmoes (ṣadaqah).” De man antwoordde:“Er is niemand armer dan wij tussen de twee lava-velden van Madīnah.”Hij zei: “Voed dan jouw gezin daarmee.”

[De belangrijkste handeling die de vasten verbreekt en zowel qaḍāʾ (inhaalvasten) als kaffārah (boetedoening) verplicht stelt, is geslachtsgemeenschap overdag tijdens de maand Ramaḍān, terwijl men vast.

An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bepaalde de regel van kaffārah voor het verbreken van de vasten naar aanleiding van een gebeurtenis waarbij iemand tijdens de vasten gemeenschap had. Dit voorval vormt de enige overgeleverde grondslag en het enige bewijs met betrekking tot de verplichting van kaffārah bij het verbreken van de vasten. Daarom zijn alle fiqh-rechtsscholen het erover eens dat wie overdag in Ramaḍān, bewust en uit eigen wil, geslachtsgemeenschap heeft, verplicht is zowel qaḍāʾ (het inhalen van die dag) als kaffārah te verrichten.Wat betreft het bewust eten of drinken tijdens de vasten, verschillen de rechtsgeleerden van mening over de vraag of dit, naast qaḍāʾ, ook kaffārah vereistDe Ḥanafi-geleerden hebben geoordeeld dat wie willens en wetens een voedingsmiddel of iets wat de eigenschappen van voedsel heeft tot zich neemt, eveneens zowel qaḍāʾ als kaffārah moet verrichten. Zij baseren dit op qiyās (analogie) met de zaak van geslachtsgemeenschap. De reden dat het verbreken van de vasten in Ramaḍān met kaffārah wordt bestraft, is dat het een overtreding vormt tegen de heiligheid van de maand Ramaḍān.Het verbreken van de vasten in Ramaḍān is namelijk een vorm van oneerbiedigheid tegenover de maand zelf en tegenover de vasten van Ramaḍān. Daarom is voor wie dit doet een kaffārah vastgesteld.De kaffārah voor het verbreken van de vasten, zoals vermeld in de ḥadīth, bestaat uit drie niveaus die in een vaste volgorde moeten worden uitgevoerd:

Een slaaf bevrijden.

Als men daartoe niet in staat is: twee opeenvolgende maanden vasten.

Als men dat ook niet kan: zestig behoeftigen voeden.

Deze daden moeten in de genoemde volgorde worden verricht. Wie in staat is het eerste te doen, mag niet naar het volgende overgaan. Men kan dus niet willekeurig kiezen met welke van de drie men zijn kaffārah wil voldoen.

Dit is de mening van Abū Ḥanīfah, ash-Shāfi‘ī en Ibn Ḥabīb uit de Mālikitische school.] (HA)

٦٧٩ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: أَتَى رَجُلٌ النَّبِيَّ ﷺ فِي الْمَسْجِدِ، فَقَالَ: احْتَرَقْتُ قَالَ: مِمَّ ذَاكَ قَالَ: وَقَعْتُ بِامرَأَتِي فِي رَمَضَانَ قَالَ لَهُ: تَصَدَّقْ قَالَ: مَا عِنْدِي شَيْءفَجَلَسَ وَأَتَاهُ إِنْسَانٌ يَسُوقُ حِمَارًا، وَمَعَهُ طَعَامٌ (قَالَ عَبْدُ الرَّحْمنِ، أحَدُ رُواةِ الْحَدِيثِ: مَا أَدْرِي مَا هُوَ) إِلَى النَّبِيِّ ﷺ؛ فَقَالَ: أَيْنَ الْمُحْتَرِق فَقَالَ: هَا أَنَا ذَا، قَالَ: خذْ هذَا فَتَصَدَّقْ بِهِ قَالَ: عَلَى أَحْوَجَ مِنِّي مَا َلأهْلِي طَعَامٌ قَالَ: فَكُلُوهُ

679 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Wij zaten bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen er een man langskwam en zei:'Het is gedaan met mij!'An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg: “Hoezo (is het met je gedaan)?”- “Ik heb geslachtsgemeenschap gehad met mijn vrouw (terwijl ik in de maand Ramaḍān vastte.”Hij zei tegen hem: 'Geef een liefdadigheid (sadaqah).'Hij zei: “Ik heb niets.”Toen ging hij zitten.Daarna kwam er een man die een ezel voortdreef, met eten bij zich.(Abdur-Rahmān, een van de overleveraars van de hadith, zei: “Ik weet niet wat het precies was.”)De man ging naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).- “Waar is degene die verbrand is?”- “Hier ben ik.”- “Neem dit en geef het als liefdadigheid.”- “Ik heb het het hardst nodig, want mijn gezin heeft voedsel nodig.”- “Eet het dan.”

Het is toegestaan voor de reiziger om te vasten of te breken in de maand Ramaḍān, zolang het geen zonden is, als zijn reis twee of meer fasen (dagafstanden) beslaat

جواز الصوم والفطر في شهر رمضان للمسافر في غير معصية إِذا كان سفره مرحلتين فأكثر

٦٨٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ خَرَجَ إِلَى مَكَّةَ فِي رَمَضَانَ، فَصَامَ حَتَّى بَلَغَ الْكَدِيدَ أَفْطَرَ، فَأَفْطَرَ النَّاسُ

680 - Van Ibn Abbās (رضي الله عنهما):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vertrok in de maand Ramaḍān op weg naar de verovering van Makkah. Hij vastte totdat ze Kadīd bereikten. Daarna verbrak hij zijn vasten en de mensen verbraken ook hun vasten.

٦٨١ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي سَفَرٍ، فَرَأَى زِحَامًا وَرَجُلًا قَدْ ظُلِّلَ عَلَيْهِ؛ فَقَالَ: مَا هذَا فَقَالُوا: صَائمٌ فَقَالَ: لَيْسَ مِنَ الْبِرِّ الصَّوْمُ فِي السَّفَرِ681 - Van Jabir ibn `Abdullah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op reis toen hij een groep mensen zag, waaronder een man over wie een beschutting was geplaatst (Hij was onwel geworden en werd in de schaduw neergelegd.) Hij zei: “Wat is dit?” Ze zeiden: “Een vastende man.” Hij zei: “ Het is geen goedheid/vroomheid om te vasten tijdens een reis.”

٦٨٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كُنَّا نُسَافِرُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فَلَمْ يَعِبِ الصَّائِمُ عَلَى الْمُفْطِرِ، وَلاَ الْمُفْطِرُ عَلَى الصَّائمِ أخرجه البخاري: ٣٠ كتاب الصوم: ٣٧ باب لم يعب أصحاب النبي ﷺ بعضًا في الصوم والإفطار682 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):We reisden met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Sommigen van ons vastten, anderen niet, en niemand nam de ander iets kwalijk.”

[In de overlevering van Muslim, overgeleverd van Abû Sa`īd, staat het volgende: “We gingen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op veldtochten.

Tijdens de reis bekritiseerden we niemand noch degenen die vastten noch degenen die niet vastten. Wie zich sterk voelde, vastte en beschouwde dit als iets goeds. En wie zich zwak voelde, vastte niet. Ook de metgezellen zagen dit als iets goeds, en beiden werden met volwassenheid en begrip geaccepteerd.”] (HY)

De beloning van degene die zijn vasten verbreekt tijdens een reis, op voorwaarde dat hij een taak heeft

أجر المفطر في السفر إِذا تولى العمل

٦٨٣ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: كُنَّا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، أَكْثَرُنَا ظِلًا الَّذِي يَسْتَظِلُّ بِكِسَائِهِ؛ وَأَمَّا الَّذِينَ صَامُوا فَلَمْ يَعْمَلُوا شَيْئًا، وَأَمَّا الَّذِينَ أَفْطَرُوا فَبَعَثُوا الرِّكَابَ وامْتَهَنُوا وَعَالَجُوا؛ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: ذَهَبَ الْمُفْطِرُونَ الْيَوْمَ بِالأَجْرِ

683 - Van Anas رضي الله عنه):We waren samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en de meesten van ons zochten schaduw onder onze kleding (tegen de brandende zon) te beschermen. Wat betreft degenen die vastten. (Ze waren te verzwakt) om enige taak op zich te nemen. Degenen die hun vasten hadden verbroken, verzorgden de kamelen en zorgden voor de reizenen/zieken. Ze werkten hard. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “De niet-vastenden hebben vandaag de volledige beloning (ook) ontvangen.”

De keuze tussen vasten en niet-vasten tijdens het reizen

التخيير في الصوم والفطر في السفر

٦٨٤ - حديث عَائِشَةَ، زوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّ حَمْزَةَ بْنَ عَمْرٍو الأَسْلَمِيَّ قَالَ لِلنَّبِيِّ ﷺ: أَأَصُومُ فِي السَّفَرِ وَكَانَ كَثِيرَ الصِّيَامِ، فَقَالَ: إِنْ شِئْتَ فَصُمْ وَإِنْ شِئْتَ فَأَفْطِرْ

684 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها), de echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Hamzah Ibn ʿAmr al-Aslamī vroeg aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Moet ik vasten tijdens de reis? Want hij vastte vaak. Daarop zei hij: “Wie wil, mag vasten; wie wil, mag het vasten verbreken.”

٦٨٥ - حديث أَبِي الدَّرْداءِ ﵁، قَالَ: خَرَجْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فِي بَعْضِ أَسْفَارِهِ، فِي يَوْمٍ حَارٍّ، حَتَّى يضَعَ الرَّجُلُ يَدَهُ عَلَى رَأْسِهِ مِنْ شِدَّةِ الْحَرِّ، وَمَا فِينَا صَائمٌ، إِلاَّ مَا كَانَ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ وَابْنِ رَوَاحَةَ

685 – Van Abū ad-Dardāʾ (رضي الله عنه): Wij trokken met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) erop uit tijdens een van zijn reizen. Het was op een zeer hete (Ramaḍān)dag. Vanwege de hitte legden mensen hun handen op hun hoofd. Niemand van ons vastte, behalve an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en `Abdullah Ibn Rawāḥah.”

[In de overlevering van Saʿīd ibn ʿAbd al-ʿAzīz, overgeleverd in Muslim, wordt vermeld: “Wij trokken met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erop uit tijdens de maand Ramaḍān, op een moment waarop de hitte zeer intens was.”] (HY)

Aanbeveling om niet te vasten voor de Ḥaj in ʿArafah op de dag van ʿArafah

استحباب الفطر للحاج بعرفات يوم عرفة

٦٨٦ - حديث أُمِّ الْفَضْلِ بِنْتِ الْحَارِثِ، أَنَّ نَاسًا اخْتَلَفُوا عِنْدَهَا، يَوْمَ عَرَفَةَ، فِي صَوْمِ النَّبِيِّ ﷺ؛ فَقَالَ بَعْضُهُمْ: هُوَ صَائمٌ وَقَالَ بَعْضُهُمْ: لَيْسَ بِصَائمٍ فَأَرْسَلَتْ إِلَيْهِ بِقَدَحِ لَبَنٍ، وَهُوَ وَاقِفٌ عَلَى بَعِيرِهِ، فَشَرِبَهُ

686 - Van Umm al-Faḍl bint al-Ḥārith (رضي الله عنها): Bij mij bevonden mensen die discussieerden over de vraag of an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿArafah (tijdens Afscheids-Ḥaj) gevast had. Sommigen beweerden van wel, anderen van niet. Ik stuurde hem daarop zelf een schaal melk terwijl hij op zijn kameel in `Arafah (waqfah) vertoefde, en hij dronk deze leeg.

٦٨٧ - حديث مَيْمُونَةَ، أَنَّ النَّاسَ شَكُّوا فِي صِيَامِ النَّبِيِّ ﷺ يَوْمَ عَرَفَةَ، فَأَرْسَلَتْ إِلَيْهِ بِحِلاَبٍ، وَهُوَ وَاقِفٌ فِي الْمَوْقِفِ، فَشَرِبَ مِنْهُ، وَالنَّاسُ يَنْظُرُونَ687 - Van Maymūnah (رضي الله عنها): De mensen twijfelden over de vasten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿArafah. Daarop stuurde zij hem een beker melk terwijl hij op de `Arafa-Waqfah vertoefde, en hij dronk ervan terwijl de mensen ernaar keken.

Vasten op de dag van ʿĀshūrāʾ

صوم يوم عاشوراء

٦٨٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ قُرَيْشًا كَانَتْ تَصُومُ يَوْمَ عَاشُورَاءَ فِي الْجَاهِلِيَّةِ، ثُمَّ أَمَرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِصِيَامِهِ حَتَّى فُرِضَ رَمَضَانُ، وَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ شَاءَ فَلْيَصُمْهُ وَمَنْ شَاءَ أَفْطَرَ

688 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): De Quraysh-stam vastte in de tijd van de jāhiliyyah op de dag van ʿĀshūrāʾ. Daarna droeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op om deze dag te vasten, totdat de vastenmaand Ramaḍān verplicht werd gesteld. Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Wie wil, laat hem vasten; en wie wil, laat hem de vasten verbreken.”

٦٨٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَ عَاشُورَاءُ يَصُومُهُ أَهْلُ الْجَاهِلِيَّةِ، فَلَمَّا نَزَلَ رَمَضَانُ، قَالَ: مَنْ شَاءَ صَامَهُ وَمَنْ شَاءَ لَمْ يَصُمْهُ689 - Van Ibn ʿUmar(رضي الله عنهما): De mensen in de jāhiliyyah vastten op de dag van ʿĀshūrāʾ. Toen (de vasten in) de maand Ramaḍān verplicht werd gesteld, zei hij: 'Wie wil, laat hem vasten; en wie wil, laat hem de vasten verbreken.'

٦٩٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ دَخَلَ عَلَيْهِ الأَشْعَثُ وَهُوَ يَطْعَمُ، فَقَالَ: الْيَوْمُ عَاشُورَاء، فَقَالَ: كَانَ يُصَامُ قَبْلَ أَنْ يَنْزِلَ رَمَضَانُ، فَلَمَّا نَزَلَ رَمَضَانُ تُرِكَ، فَادْنُ فَكُلْ690 - VanʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه): Hij werd bezocht door Ashʿath Ibn Qays terwijl hij aan het eten was.

Ashʿath zei: “Vandaag is het ʿĀshūrāʾ.” Daarop antwoordde hij (`Abdullah): “Deze dag werd gevast voordat de Ramaḍān werd verplicht gesteld. Toen (de vasten in) Ramaḍān werd neergezonden (verplicht gesteld), werd de vasten op deze dag verlaten. Kom dichterbij en eet.”

٦٩١ - حديث مُعَاوِيَةَ بْنِ أَبِي سُفْيَانَ عَنْ حُمَيْدِ بْنِ عَبْدِ الرَحْمنِ، أَنَّهُ سَمِعَ مُعَاوِيَةَ ابْنَ أَبِي سُفْيَانَ، يَوْمَ عَاشُورَاءَ، عَامَ حَجَّ، عَلَى الْمِنْبَرِ، يَقُولُ: يَا أَهْلَ الْمَدِينَة أَيْنَ عُلَمَاؤُكُمْ سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: هذَا يَوْمُ عَاشُورَاءَ، وَلَمْ يُكْتَبْ عَلَيْكُمْ صِيَامُهُ، وَأَنَا صَائمٌ، فَمَنْ شَاءَ فَلْيَصُمْ وَمَنْ شَاءَ فَلْيُفْطِرْ691 – Van Muʿāwiyah Ibn Abī Sufyān (رضي الله عنهما) via Ḥumayd Ibn ʿAbd ar-Raḥmān:Ik hoorde Muʿāwiyah Ibn Abī Sufyān (رضي الله عنهما) op de dag van ʿĀshūrāʾ spreken vanaf de minbar, in het jaar waarin hij de Ḥaj verrichtte. Hij zei: “O inwoners van Madīnah, waar zijn jullie geleerden?

Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: 'Dit is de dag van ʿĀshūrāʾ, en de vasten ervan is niet verplicht voor jullie. Maar ik vast wel. Wie wil, laat hem vasten; en wie wil, laat hem de vasten verbreken.”

٦٩٢ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: قَدِمَ النَّبِيُّ ﷺ المَدِينَة، فَرَأَى الْيَهُودَ تصُومُ يَوْمَ عَاشُورَاءَ، فَقَالَ: مَا هذَا قَالُوا: هذَا يَوْمٌ صَالِحٌ، هذَا يَوْمُ نَجَّى اللهُ بَنِي إِسْرَائِيلَ مِنْ عَدُوِّهِمْ فَصَامَهُ مُوسى، قَالَ: فَأَنَا أَحَقُّ بِمُوسى مِنْكُمْ فَصَامَهُ وَأَمَرَ بِصِيَامِهِ692 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Madīnah aankwam, zag hij dat de joden de dag van ʿĀshūrāʾ vastten.

Hij vroeg: “Wat is dit (vasten)?”Zij zeiden: “Dit is een goede dag, de dag waarop Allāh de kinderen van Israël redde van hun vijand, en daarom vastte Mūsā.”Hij zei: “Ik heb meer recht op (wat) Mūsā (heeft gedaan) dan jullie. Dus ik vast deze dag. Hij beval (de metgezellen) om deze dag (ook) te vasten.”

٦٩٣ - حديث أَبِي مُوسى ﵁، قَالَ: كَانَ يَوْمُ عَاشُورَاءَ تَعُدُّهُ الْيَهُودُ عِيدًا قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: فَصُومُوهُ أَنْتُمْ693 – Van Abū Mūsā (رضي الله عنه):De joden beschouwden de dag van ʿĀshūrāʾ als een feestdag. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) (aan zijn metgezellen): 'Vasten jullie deze dag (ook).

٦٩٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: مَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَتَحَرَّى صِيَامَ يَوْم فَضَّلَهُ عَلَى غَيْرِهِ إِلاَّ هذَا الْيَوْمَ، يَوْمَ عَاشُورَاءَ؛ وَهذَا الشَّهْرَ، يَعْنِي شَهْرَ رَمَضَانَ694 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما): Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) nooit gezien dat hij de vasten op een bepaalde dag boven andere dagen verkoos, behalve op deze dag, de dag van ʿĀshūrāʾ, en in deze maand, namelijk de maand Ramaḍān.”

Wie op de dag van ʿĀshūrāʾ eet, moet de rest van de dag vasten

من أكل في عاشوراء فليكفّ بقية يومه

٦٩٥ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوعِ ﵁، أَنَّ النَّبِيِّ ﷺ بَعَثَ رَجُلًا يُنَادِي فِي النَّاسِ يَوْمَ عَاشُورَاءَ: أَنَّ مَنْ أَكَلَ فَلْيُتِمَّ أَوْ فَلْيَصُمْ، وَمَنْ لَمْ يأْكُلْ فَلاَ يَأْكُلْ

695 – Van Salamah Ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde een man (Hind Ibn Asmā’) om op de dag van ʿĀshūrāʾ aan de mensen te verwittigen: “Wie al heeft gegeten, laat hem de rest van de dag vastend doorbrengen. En wie (tot nu toe) niet heeft gegeten, laat hem dan (tot de iftār) niets eten.”

٦٩٦ - حديث الرُّبَيِّعِ بِنْتِ مُعَوِّذٍ، قَالَتْ: أَرْسَلَ النَّبِيُّ ﷺ غَدَاةَ عَاشُورَاءَ إِلَى قرَى الأَنْصَارِ مَنْ أَصْبَحَ مُفْطِرًا فَلْيُتِمَّ بَقِيَّةَ يَوْمِهِ وَمَنْ أَصْبَحَ صَائمًا فَلْيَصُمْ قَالَتْ: فَكنَّا نَصُومُهُ بَعْدُ، وَنُصَوِّمُ صِبْيَانَنَا وَنَجْعَلُ لَهُمُ اللُّعْبَةَ مِنَ الْعِهْنِ، فَإِذَا بَكَى أَحَدُهُمْ عَلَى الطَّعَامِ أَعْطَيْنَاهُ ذَاكَ حَتَّى يَكُونَ عِنْدَ الإِفْطَارِ696 – Van Ar-Rubayyi` bint Muʿawidz (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stuurde in de ochtend van ʿĀshūrāʾ een boodschappen naar de dorpen van de Anṣār met het boodschap: “Wie de dag met iftār is begonnen (m.a.w. heeft gegeten), laat hem de rest van de dag niet eten en drinken. En wie de ochtend vastend is begonnen, laat hem de rest van de dag vasten.”Daarna vastten wij de dag van ʿĀshūrāʾ altijd, en wij lieten ook onze kinderen vasten.

Wij gaven hun speelgoed van geverfde wol en wanneer een van hen uit honger begon te huilen, gaven wij hem dat dat speelgoed totdat het tijd was om (de vasten) te verbreken.”

Het is verboden om te vasten op de dagen van `Iedu’l Fitr en `Iedu’l-ʿAḍḥā

النهى عن صوم يوم الفطر ويوم الأضحى

٦٩٧ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ ﵁، قَالَ: هذَانِ يَوْمَانِ نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ صِيَامِهِمَا: يَوْمُ فِطْرِكُمْ مِنْ صِيَامِكُمْ، وَالْيَوْمُ الآخَرُ تَأْكُلُونَ فِيهِ مِنْ نُسُكِكُمْ

697 – Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه): Deze twee dagen zijn de dagen waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de vasten verbood: het feest aan het einde van de vastenmaand (`Īdu’l-Fiṭr), en de dag waarop jullie van jullie offerdieren eten (`Īdu’l-ʿAḍḥā).”

٦٩٨ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: وَلاَ صَوْمَ فِي يَوْمَيْنِ: الْفِطْرِ وَالأَضْحى698 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er mag niet gevast worden op twee dagen: de dag van het Fitrfeest ( `Iedu’l Fitr) en de dag van het Offerfeest (`Iedu’l-ʿAḍḥā).”

٦٩٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ زِيَادِ ابْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى ابْنِ عُمَرَ فَقَالَ: رَجُلٌ نَذَرَ أَنْ يَصُومَ يَوْمًا، قَالَ: أَظُنُّهُ، قَالَ: الاثْنَيْنِ، فَوَافَقَ يَوْمَ عِيدٍ؛ فَقَالَ ابْنُ عُمَرَ: أَمَرَ اللهُ بِوَفَاءِ النَّذْرِ، وَنَهى النَّبِيُّ ﷺ عَنْ صَوْمِ هذَا الْيَوْمِ699 – Van Ibn ʿUmar via Ziyād ibn Jubayr (رضي الله عنهما):Een man kwam naar Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما) en zei: “Een man heeft een belofte gedaan om een dag te vasten, en ik denk dat hij bedoelt op een maandag, maar het valt samen met een feestdag.” Toen zei Ibn ʿUmar: “Allāh heeft bevolen dat men zijn belofte moet nakomen, maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbood om op deze dag te vasten.”

Het is afkeurenswaardig om alleen op vrijdag te vasten.

كراهة صيام الجمعة منفردا

٧٠٠ - حديث جَابِرٍ عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ عَبَّادٍ، قَالَ: سَأَلْتُ جَابِرًا ﵁: نَهَى النَّبِيُّ ﷺ عَنْ صَوْمِ يَوْمِ الْجُمُعَةِ قَالَ: نَعَ

700 – Van Jābir via Muḥammad ibn ʿAbbād (رضي الله عنهما): Ik vroeg Jābir (رضي الله عنه): “Heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vasten op vrijdag verboden?” Hij antwoordde: “Ja.”

٧٠١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: لاَ يَصُومَنَّ أَحَدُكُمْ يَوْمَ الْجُمُعَةِ إِلاَّ يَوْمًا قَبْلَهُ أَوْ بَعْدَهُ701- Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Laat niemand van jullie op vrijdag vasten, behalve wanneer hij op de dag ervoor of de dag erna vast.”

Uitleg over de afschaffing van het vers: “En voor degenen die het kunnen volhouden, een boetedoening (fidyah)” door het vers (فمن شهد منكم الشهر فليصمه): “En wie van jullie de maand (Ramaḍān) meemaakt, laat hem dan vasten.”

بيان نسخ قوله تعالى (وعلى الذين يطيقونه فدية) بقوله (فمن شهد منكم الشهر فليصمه)

٧٠٢ - حديث سَلَمَةَ، قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ (وَعَلَى الَّذِينَ يُطِيقُونَهُ فِدْيَةٌ طَعَامُ مِسْكِينٍ) كَانَ مَنْ أَرَادَ أَنْ يُفْطِرَ وَيَفْتَدِيَ، حَتَّى نَزَلَتِ الآيَةُ الَّتِي بَعْدَهَا فَنَسَخَتْهَا

702 – Van Salamah ibn’l Akwā’ (رضي الله عنه: Toen het vers: وَعَلَى ٱلَّذِينَ يُطِيقُونَهُۥ فِدۡيَةٞ طَعَامُ مِسۡكِينٖۖ Er is een boetedoening (fidyah) voor degenen die niet kunnen vasten (door ouderdom ziekte of reizen) (sûrah al-Baqarah 184) werd geopenbaard, mocht men (in de vroege Islām ) ervoor kiezen om niet te vasten en een boetedoening (fidyah) te geven, totdat het volgende vers werd geopenbaard en het (voorgaande vers werd) afschaft (naskh).”

[ فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهۡرَ فَلۡيَصُمۡهُۖ وَمَن كَانَ مَرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۗ يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلۡيُسۡرَ وَلَا يُرِيدُ بِكُمُ ٱلۡعُسۡرَ وَلِتُكۡمِلُواْ ٱلۡعِدَّةَ Dus wie van jullie de nieuwe maan (van de eerste nacht) van de maand Ramaḍān ziet, moet die maand vasten en iedereen die ziek of op reis is, moet hetzelfde aantal dagen inhalen op andere dagen. (sûrah al-Baqarah 185)]

[De āyah die een eerdere āyah opheft (naskh), is de 185ste āyah van surah al-Baqarah, waarin de vasten in de maand Ramaḍān aan de gelovigen als verplichting wordt opgelegd.

In deze āyah staat:شَهۡرُ رَمَضَانَ ٱلَّذِيٓ أُنزِلَ فِيهِ ٱلۡقُرۡءَانُ هُدٗى لِّلنَّاسِ وَبَيِّنَٰتٖ مِّنَ ٱلۡهُدَىٰ وَٱلۡفُرۡقَانِۚ فَمَن شَهِدَ مِنكُمُ ٱلشَّهۡرَ فَلۡيَصُمۡهُۖ وَمَن كَانَ مَرِيضًا أَوۡ عَلَىٰ سَفَرٖ فَعِدَّةٞ مِّنۡ أَيَّامٍ أُخَرَۗ يُرِيدُ ٱللَّهُ بِكُمُ ٱلۡيُسۡرَ وَلَا يُرِيدُ بِكُمُ ٱلۡعُسۡرَ وَلِتُكۡمِلُواْ ٱلۡعِدَّةَ وَلِتُكَبِّرُواْ ٱللَّهَ عَلَىٰ مَا هَدَىٰكُمۡ وَلَعَلَّكُمۡ تَشۡكُرُونَ ١٨٥

Ramaḍan is de maand waarin de Qur’ān werd geopenbaard als een gids voor de mensheid met duidelijke bewijzen van leiding en de standaard om onderscheid te maken tussen goed en kwaad.

Dus wie van jullie de nieuwe maan (van de eerste nacht) van de maand Ramaḍān ziet, moet die maand vasten en iedereen die ziek of op reis is, moet hetzelfde aantal dagen inhalen op andere dagen. Allāh wenst voor jullie het gemakkelijke en Hij wenst niet voor jullie het ongemak. En maakt het aantal (dagen) vol en prijs Allāh’s Grootheid omdat Hij jullie leiding schonk, hopelijk zullen jullie dankbaar zijnHet feit dat zieken en reizigers hun vasten later kunnen inhalen, werd al in de vorige āyah genoemd, maar hier wordt het nogmaals benadrukt. Uit deze opheffing (naskh) blijkt dat de optie om in plaats van vasten fidyah te betalen, is komen te vervallen. Degene die de maand Ramaḍān bereikt, kan niet langer fidyah betalen in plaats van vasten, terwijl de toestemming voor zieken en reizigers om hun vasten op andere dagen in te halen wel blijft bestaan.] (Diyanet)

Inhalen (qadā’) van de vasten van Ramaḍān in (de maand) Shaʿbān.

قضاء رمضان في شعبان

٧٠٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ يَكُون عَلَيَّ الصَّوْمُ مِنْ رَمَضَانَ، فَمَا أَسْتَطِيعُ أَنْ أَقْضِيَ إِلاَّ فِي شَعْبَانَ

703 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Ik had een vasten-schuld van de Ramaḍān in te halen (qadā’), maar ik was daartoe niet in staat, behalve (het jaar daarop) in (de maand) Shaʿbān.”

[Het inhalen (qaḍāʾ) van gemiste ṣalāh of vasten kent een ruime termijn. Tot aan de maand Shaʿbān mag men op elk gewenst moment de gemiste vasten inhalen. Zodra de maand Shaʿbān begint, moeten de resterende vasten vóór het begin van Ramaḍān in die maand worden ingehaald.In deze ḥadīth wordt vermeld dat ʿĀ’isha (رضي الله عنها), vanwege haar geldige excuus, de vasten die zij in Ramaḍān niet kon verrichten, pas in Shabān van het daaropvolgende jaar inhaalde. De reden hiervoor was dat ʿĀ’isha (رضي الله عنها) volledig bezig was met de behoeften van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zich volledig wijdde om hem tevreden te stellen. Toen het volgende jaar Shabān aanbrak, verrichtten zowel an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) als zijn echtgenotes veel vasten, en kon zij haar inhaalvasten in die periode uitvoeren. Bovendien was er slechts weinig tijd tot Ramaḍān, waardoor het noodzakelijk werd de resterende vasten van het voorgaande jaar in te halen.Deze ḥadīth toont duidelijk aan dat het toegestaan is het inhalen van gemiste vasten uit te stellen wegens een legitiem excuus, zoals ziekte, menstruatie of reizen. Het uitstellen van het inhalen van vasten zonder legitiem excuus is echter een punt van verschil tussen de geleerden. Volgens de Ḥanafi-geleerden mag gemiste vasten, ongeacht of er een excuus is of niet, worden ingehaald tot aan het overlijden van de persoon. Er is geen beperking van tijd, mits de persoon daadwerkelijk het voornemen heeft de vasten in te halen.] (HA)

Inhalen (qadā’) van vasten voor een overledene

قضاء الصيام عن الميت

٧٠٤ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: مَنْ مَاتَ وَعَلَيْهِ صِيَامٌ صَامَ عَنْهُ وَلِيُّهُ

704 – VanʿĀishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als iemand sterft met een vasten-schuld, dan vast zijn voogd namens hem.”

[Er bestaat een meningsverschil over de vraag of een familielid het vasten moet overnemen van iemand die is overleden terwijl hij nog een vastenschuld had. Sommige geleerden stellen dat, ongeacht het soort vasten, een familielid dit namens de overledene moet verrichten. Andere geleerden daarentegen verklaren dat dit alleen geldt voor vasten dat op basis van een gelofte (naḏr) verplicht was geworden, en niet voor de verplichtingen van de maand Ramaḍān. Abū Dāwūd heeft deze ḥadīth vermeld en daarbij opgemerkt: “Dit betreft het vasten op basis van een gelofte.” (Abū Dāwūd, Ṣiyām: 41] (AFK)

٥ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أُمِّي مَاتَتْ وَعَلَيْهَا صَوْمُ شَهْرٍ، أَفأَقْضِيهِ عَنْهَا قَالَ: نَعَمْ قَالَ: فَدَيْنُ اللهِ أَحَقُّ أَنْ يُقْضى705 - Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Een man kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, mijn moeder is overleden en zij had een maand vasten-schuld. Moet ik het voor haar inhalen (qadā’)?”Hij zei: “Ja.”Hij zei toen: “Want de schuld (fidyah) bij Allāh heeft meer recht om ingelost te worden.”

[In deze ḥadīth wordt aangegeven dat, als een overledene een vastenschuld had, deze voor hem kan worden ingelost. In de toelichting bij de vorige ḥadīth is echter vermeld dat het inlossen van deze plicht niet geschiedt door namens hem te vasten, maar door in zijn naam fidyah (een compensatie in de vorm van een voedselgift) te geven.] (AFK)

[De letterlijke betekenis van de ḥadīth wijst erop dat de schulden van een overledene moeten worden voldaan.

Er bestaat echter verschil van mening onder de geleerden over de aard en het soort van die schulden.1. Schulden aan andere mensen (malīyyah):Als het gaat om een financiële verplichting jegens anderen, wordt deze uit de nalatenschap van de overledene voldaan. Hierover bestaat geen meningsverschil.2. Gelofte (naḏr) als schuld:Een gelofte kan financieel (malīyyah) of lichamelijk (badaniyyah) zijn. Bovendien kan een gelofte zijn gedaan vóór de ziekte die tot de dood leidde, of tijdens die ziekte.a. Financiële gelofte vóór de stervensziekte:- Volgens de Shāfi‘ī-geleerden wordt een dergelijke gelofte uit de nalatenschap betaald, ongeacht of er een testament is opgemaakt.- Volgens de Ḥanafīen Mālikī-geleerden wordt de gelofte alleen betaald als de overledene een testament heeft opgemaakt waarin dit is vastgelegd. Zonder testament zijn de erfgenamen niet verplicht, en zij mogen maximaal een derde van de nalatenschap besteden aan het voldoen van de gelofte.- Degenen die deze mening volgen, beschouwen de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen Sa‘d: “Betaal het in zijn plaats” als een mendub (aanbevolen handeling), niet als een verplichting.

b. Financiële gelofte tijdens de stervensziekte:- Volgens de Shāfi‘ī-geleerden mag een dergelijke gelofte slechts een derde van het vermogen van de overledene bedragen.- Als er onvoldoende vermogen is om de gelofte volledig te voldoen, zijn de erfgenamen niet verplicht te betalen; het is echter mustahab (aanbevolen).- Over dit punt bestaat overeenstemming tussen de vier rechtsscholen.

3.

Lichamelijke gelofte (badaniyyah):Over het algemeen kan een lichamelijke gelofte niet door iemand anders worden uitgevoerd, omdat niyābah (vervanging door een ander) bij lichamelijke aanbidding niet is toegestaan.- An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in een ḥadīth overgeleverd door an-Nasā’ī gezegd:“Laat niemand voor een ander ṣalāh verrichten, en laat niemand voor een ander vasten.”- Uit een ḥadīth van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنه):“Wie overlijdt terwijl hij verplicht was te vasten in Ramaḍān, laat voor elke dag een behoeftige worden gevoed.”- Uit een ḥadīth van ʿĀ’isha (رضي الله عنها):“Vast niet voor jullie overledenen; voed hen met voedsel (ṣadaqah) in hun plaats.”

Daarnaast merken de geleerden op dat de ḥadīth in Bukhārī over dit onderwerp muḍarrib is (verschillend overleverd), en dat deze onzekerheid voortkomt uit wahm (veronderstelling), wat de betrouwbaarheid van een ḥadīth kan verzwakken.Meningen van de imāms over het inhalen van gemiste vasten:- Imām Mālik, Imām Abū Ḥanīfah en een mening van Imām Shāfi‘ī: bij gemiste vasten kan men een behoeftige voeden; niyābah in vasten is toegestaan volgens een andere mening van Imām Shāfi‘ī.- Volgens Aḥmad ibn Ḥanbal en een andere mening van Imām Shāfi‘ī is niyābah bij vasten toegestaan.- Voor de Ḥaj is er unanimiteit: iemand mag een ander in zijn plaats Ḥajj laten verrichten..] (HA)

Beschermen van de tong voor de vastende

حفظ اللسان للصائم

٧٠٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: الصِّيَامُ جُنَّةٌ، فَلاَ يَرْفثْ وَلاَ يَجْهَلْ، وَإِنِ امْرُؤٌ قَاتَلَهُ أَوْ شَاتَمَهُ فَلْيَقُلْ إِنِّي صَائمٌ، مَرَّتَيْنِ وَالَّذِي نَفْسِي بِيَدِهِ لَخُلُوفُ فَمِ الصَّائمِ أَطْيَبُ عِنْدَ اللهِ تَعَالَى مِنْ رِيحِ الْمِسْكِ، يَتْرُكُ طَعَامَهُ وَشَرَابَهُ وَشَهْوَتَهُ مِنْ أَجْلِي، الصِّيَامُ لِي وَأَنَا أَجْزِي بِهِ، وَالْحَسَنَةُ بِعَشْرِ أَمْثَالِهَا

706 – Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Vasten is een schild (tegen het vuur van de Hel). Laat degene die vast niet slecht praten/geen obscene taal gebruiken, en laat hem zich niet onbeschoft gedragen. Als iemand hem aanvalt of beledigt, laat hem dan twee maal zeggen: 'Ik ben aan het vasten'. Bij Degene in Wiens Hand mijn ziel is, de geur uit de mond van de vastende is geliefder bij Allāh dan de geur van muskus”. (Allāhu تعالى zegt): “Hij laat zijn eten, drinken en seksuele verlangens achterwege voor Mij. Vasten is voor Mij, en Ik zal het belonen. En elke goede daad wordt tien keer vermenigvuldigd.”

[Goede daden worden beloond met tienvoudige beloning. Deze uitspraak is bevestigd in de Qur’ān: مَن جَآءَ بِٱلۡحَسَنَةِ فَلَهُۥ عَشۡرُ أَمۡثَالِهَاۖ وَمَن جَآءَ بِٱلسَّيِّئَةِ فَلَا يُجۡزَىٰٓ إِلَّا مِثۡلَهَا وَهُمۡ لَا يُظۡلَمُونَ ١٦٠Iedereen die een goede daad verricht zal tien maal daarvan de prijs krijgen en iedereen die een slechte daad verricht zal slechts de vergelding van het gelijkwaardige krijgen en hen zal geen onrecht aangedaan worden. (surah al-An`ām: 6/160)] (HY)

Deugden van de vasten

فضل الصيام

٧٠٧ - حديث أبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قَالَ اللهُ: كُلُّ عَمَلِ ابْنِ آدَمَ لَهُ إِلاَّ الصِّيَامَ، فَإِنَّهُ لِي وَأَنَا أَجْزِي بِهِ، وَالصِّيَامُ جُنَّةٌ، وَإِذَا كَانَ يَوْمُ صَوْمِ أَحَدِكُمْ فَلاَ يَرْفُثْ وَلاَ يَصْخَبْ، فَإِنْ سَابَّهُ أَحَدٌ أَوْ قَاتَلَهُ فَلْيَقُلْ إِنِّي امْرُؤٌ صَائمٌ، وَالَّذِي نَفْسُ مُحَمَّدٍ بِيَدِهِ لَخُلُوفُ فَمِ الصَّائمِ أَطْيَبُ عِنْدَ اللهِ مِنْ رِيحِ الْمِسْكِ لِلصَّائمِ فَرْحَتَانِ يَفْرَحُهُمَا: إِذَا أَفْطَرَ فَرِحَ، وَإِذَا لَقِيَ رَبَّهُ فَرِحَ بِصَوْمِهِ

707 - Van Abû Hurayrah ( رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh heeft gezegd (Ḥadīth Qudsi): “Elke daad van de zoon van Ādam is voor hemzelf, behalve de vasten, dat is voor Mij, en Ik zal het belonen. Vasten is een bescherming. Wanneer iemand van jullie een vastendag doormaakt, laat hij dan geen obscene taal gebruiken en zich niet luidruchtig gedragen.En als iemand hem uitscheldt of met hem wil vechten, laat hij dan zeggen: ‘Ik ben een vastende.’Bij Degene in Wiens Hand de ziel van Muḥammad is: de geur uit de mond van een vastende is bij Allāh aangenamer dan de geur van musk.Voor de vastende zijn er twee momenten van vreugde: bij het verbreken de vasten (iftār) verheugt hij zich; en wanneer hij (op de Dag des Opstanding) zijn Rab ontmoet, verheugt hij zich over (dat hij heeft) gevast.”

٧٠٨ - حديث سَهْلٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ فِي الْجَنَّةِ بَابًا يُقَالُ لَهُ: الرَّيَّانُ،يدْخلُ مِنْهُ الصَّائمُونَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ، لاَ يَدْخُلُ مِنْهُ أَحَدٌ غَيْرُهُمْ، يُقَالُ: أَيْنَ الصَّائمُونَ، فَيَقُومُونَ، لاَ يَدْخُلُ مِنْهُ أَحَدٌ غَيْرُهُمْ، فَإِذَا دَخَلُوا أُغْلِقَ فَلَمْ يَدْخُلْ مِنْهُ أَحَدٌ708 - Van Sahl (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “In het Paradijs (Jannah) is er een poort die ar-Rayyān wordt genoemd. Op de Dag der Opstanding zullen alleen de vastenden daardoor naar binnen gaan; niemand anders zal door die poort binnengaan.Er zal worden uitgeroepen: ‘Waar zijn de vastenden?’Dan zullen zij opstaan, en niemand anders zal erdoor binnengaan.En wanneer allen binnengegaan zijn, dan wordt die poort gesloten, en niemand anders zal er nog door binnengaan.”

Deugd van de vasten op weg van Allāh voor degene die het kan zonder zich schade (toe te brengen) en zonder een inbreuk op rechten (van mensen) te maken

فضل الصيام في سبيل الله لمن يطيقه بلا ضرر ولا تفويت حق

٧٠٩ - حديث أَبِي سَعِيدٍ ﵁، قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ، يَقُولُ: مَنْ صَامَ يَوْمًا فِي سَبيلِ اللهِ بَعَّدَ اللهُ وَجْهَهُ عَنِ النَّارِ سَبْعِينَ خَرِيفًا

709 - Van Abū Saʿīd (رضي الله عنه): Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Wie op weg van Allāh strijdt en daarbij een dag vast, zal Allāh zijn gezicht zeventig jaar ver van het Vuur houden.”

Het eten, drinken en geslachtsgemeenschap van iemand die vergeet, verbreekt de vasten niet

أكل الناسي وشربه وجماعه لا يفطر

٧١٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: إِذَا نَسِيَ فَأَكَلَ وَشَرِبَ فَلْيُتِمَّ صَوْمَهُ فَإِنَّمَا أَطْعَمَهُ اللهُ وَسَقَاهُ

710 - Van Abū Hurayrahh (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: “Als iemand vergeet (dat hij vast) en eet en drinkt, laat hij dan zijn vasten voltooien, want het is Allāh die hem te eten en te drinken heeft gegeven.”

De vasten van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) buiten Ramaḍān en de aanbeveling om geen enkele maand zonder vasten te laten voorbijgaan

صيام النبي ﷺ في غير رمضان واستحباب أن لا يخلى شهرا عن صوم

٧١١ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَصُومُ حَتَّى نَقُولَ لاَ يُفْطِرُ، وَيُفْطِرُ حَتَّى نَقُولَ لاَ يَصُومُ، فَمَا رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ اسْتَكْمَلَ صِيَامَ شَهْرٍ إِلاَّ رَمَضَانَ، وَمَا رَأَيْتُه أَكْثَرَ صِيَامًا مِنْهُ فِي شَعْبَانَ

711 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vastte (sommige maanden) zoveel dat wij dachten dat hij niet zou stoppen met (nafilah) vasten, en hij verbrak zijn vasten zoveel dat wij dachten dat hij niet zou (nafilah) vasten. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nooit een volledige maand zien vasten, behalve Ramaḍān, en ik heb hem nooit meer (nafilah) vasten zien verrichten in een maand dan in Sha`bān.

[De maand waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het meeste nafilah-vasten verrichtte, was Sha`bān. De wijsheid achter dit intensief vasten in Sha`bān is dat in deze maand de daden aan Allah worden gepresenteerd, en an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) wilde dat zijn daden werden gepresenteerd terwijl hij vastte.Daarnaast worden de volgende overwegingen genoemd:

Het veelvuldig vasten van an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Sha`bān diende ter eerbiediging van Ramaḍān.

Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) vastte normaal gesproken drie dagen per maand. Als hij door een geldige reden eerder in een maand niet had kunnen vasten, haalde hij deze dagen in Sha`bān in.

Omdat de mensen in Sha`bān vaak onoplettend zijn, wilde an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) hen een voorbeeld stellen.

De namen van degenen die gedurende het jaar zullen overlijden, worden in Sha`bān opgeschreven. Zo zei Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) tegen ʿĀ’isha (رضي الله عنها):"O ʿĀ’isha! In deze maand worden de zielen van degenen die de Engel des Doods zal nemen genoteerd. Ik wil dat mijn naam wordt genoteerd terwijl ik vast."

De echtgenotes van an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) haalden in Sha`bān de dagen van vasten in die zij in het voorgaande Ramaḍān niet hadden kunnen vasten. Daarom vastte an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) in deze maand veel.] (HA)

٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمْ يَكُنِ النَّبِيُّ ﷺ يَصُومُ شَهْرًا أَكْثَرَ مِنْ شَعْبَانَ، فَإِنَّهُ كَانَ يَصُومُ شَعْبَانَ كُلَّهُ، وَكَانَ يَقُولُ: خُذُوا مِنَ الْعَمَلِ مَا تُطِيقُونَ فَإِنَّ اللهَ لاَ يَمَلُّ حَتَّى تَمَلُّوا وَأَحَبُّ الصَّلاَةِ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ مَا دُووِمَ عَلَيْهِ وَإِنْ قَلَّتْ، وَكَانَ إِذَا صَلَّى صَلاَةً دَاوَمَ عَلَيْهَا712 - Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vastte nooit in een maand meer dan in Sha`bān, want hij vastte de hele maand Sha`bān. En hij zei: “Neem taken op jullie die binnen jullie vermogen liggen, want uiteindelijk raken jullie vermoeid maar Allāh raakt mooit vermoeid.” En de meest geliefde ṣalāh bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was, (ṣalāh) die hij continu verrichtte, hoe weinig ook. En wanneer hij een ṣalāh begon, hield hij daar voortdurend aan vast.

٧١٣ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: مَا صَامَ النَّبِيُّ ﷺ شَهْرًا كَامِلًا قَطُّ غَيْرَ رَمَضَانَ، وَيَصُومُ حَتَّى يَقُولَ الْقَائِلُ، لاَ وَاللهِ لاَ يُفْطِرُ؛ وَيُفْطِرُ حَتَّى يَقُولَ الْقَائِلُ، لاَ وَاللهِ لاَ يَصُومُ713 - Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft nooit een volle maand gevast, behalve de maand Ramaḍān. Hij vastte (nafilah) zo vaak dat men zei: Bij Allāh, hij vast onafgebroken.” En er waren tijden dat hij lange tijd niet vastte, zodat men zei: “Bij Allāh, hij zal niet vasten.”

Verbod op onafgebroken vasten voor degene die er schade van ondervindt, of het recht van (mensen) schendt, of doorgaat met de vasten (ook) op de twee feesten (`Iedsen Tashrīq-dagen). En de deugd van om de dag vasten

النهى عن صوم الدهر لمن تضرر به، أو فوت به حقا أو لم يفطر العيدين والتشريق، وبيان تفضيل صوم يوم وإفطار يوم

٧١٤ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرو، قَالَ: أُخْبِرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَنِّي أَقُولُ، وَاللهِ لأَصُومَنَّ النَّهَارَ وَلأَقُومَنَّ اللَّيْلَ مَا عِشْتُ؛ فَقُلْتُ لَهُ: قَدْ قُلْتُهُ، بِأَبِي أَنْتَ وَأُمِّي قَالَ: فَإِنَّكَ لاَ تَسْتَطِيع ذلِكَ، فَصُمْ وَأَفْطِرْ، وَقُمْ وَنَمْ، وَصُمْ مِنَ الشَّهْرِ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، فَإِنَّ الْحَسَنَةَ بِعَشْرِ أَمْثَالِهَا، وَذلِكَ مِثْلُ صِيَامِ الدَّهْرِ قُلْتُ: إِنِّي أُطِيقُ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ قَالَ: فَصُمْ يَوْمًا وَأَفْطِرْ يَوْمَيْنِ قُلْتُ: إِنِّي أُطِيقُ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ قَالَ: فَصُمْ يَوْمًا وَأَفْطِرْ يَوْمًا، فَذَلِكَ صِيَامُ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، وَهُوَ أَفْضَلُ الصِّيَامُ فَقُلْتُ: إِنِّي أُطِيقُ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ فَقَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ أَفْضَلَ مِنْ ذلِكَ

714 – `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) werd verteld dat ik zei: “Bij Allāh, ik zal overdag vasten en ’s nachts ṣalāh verrichtten zolang ik leef.”Ik zei tegen hem: “Ja, dat heb ik gezegd, moge mijn vader en moeder voor u worden opgeofferd!”Hij zei: ‘Je kunt dat niet volhouden. Vast en verbreek je vasten. Verricht (nafilah) ṣalāh en slaap.

En vast drie dagen per maand, want elke goede daad telt als tienvoudig, en dat is alsof je het hele jaar vast.”- “Ik kan beter dan dat.”- “Vast één dag en verbreek twee dagen.”- “Ik kan beter dan dat.”- “Vast één dag en verbreek één dag. Dat is de vasten van Dāwūd (عليه السلام), en dat is het beste vasten.”- “Ik kan nog meer.”Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Er is niets beters dan dat.”

٧١٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرو بْنِ الْعَاصِ، قَالَ: قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَا عَبْدَ اللهِ أَلَمْ أُخْبَرْ أَنَّكَ تَصُومُ النَّهَارَ وَتَقُومُ اللَّيْلَ فَقُلْتُ: بَلَى يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: فَلاَ تَفْعَلْ، صُمْ وَأَفْطِرْ، وَقُمْ وَنَمْ، فَإِنَّ لِجَسَدِكَ عَلَيْكَ حَقًّا، وَإِنَّ لِعَيْنِكَ عَلَيْكَ حَقًّا، وَإِنَّ لِزَوْجِكَ عَلَيْكَ حَقًّا، وَإِنَّ لِزَوْرِكَ عَلَيْكَ حَقًّا، وَإِنَّ بِحَسْبِكَ أَنْ تَصُومَ كُلَّ شَهْرٍ ثَلاَثَةَ أَيَّامٍ، فَإِنَّ لَكَ بِكُلِّ حَسَنَةٍ عَشْرَ أَمْثَالِهَا، فَإِنَّ ذلِكَ صِيَامُ الدَّهْرِ كُلِّهِ فَشَدَّدْتُ فَشُدِّدَ عَلَيَّ، قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي أَجِدُ قُوَّةً قَالَ: فَصُمْ صِيَامَ نَبِيِّ اللهِ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، وَلاَ تَزِدْ عَلَيْهِ قُلْتُ: وَمَا كَانَ صِيَامُ نَبِيِّ اللهِ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ قَالَ: نِصْفُ الدَّهْرِ

فَكَانَ عَبْدُ اللهِ يَقُولُ بَعْدَمَا كَبِرَ: يَا لَيْتَنِي قَبِلْتُ رُخْصَةَ النَّبِيِّ ﷺ

715 - Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “O `Abdullah, is het mij niet ter ore gekomen dat jij overdag (nafilah) vast en 's nachts (nafilah) ṣalāh verricht?” - “Ja, o Rasûlullāh .” - “Doe dat niet!

Vast en verbreek je vasten, bid soms en slaap soms. Want jouw lichaam heeft recht op jou, jouw ogen hebben recht op jou, jouw echtgenote heeft recht op jou en jouw bezoeker heeft recht op jou. Het is voldoende voor jou om drie dagen per maand te vasten, want elke goede daad wordt tien keer beloond, en dat is alsof je het hele jaar vast.”Ik hield echter voet bij stuk en legde het mezelf streng op.- “O Rasûlullāh, ik kan meer dan dit aan.” - “Vast zoals de vasten van an-Nabī Allāh Dāwûd (عليه السلام) en doe niet meer dan dat.” - “Wat was de vasten van an-Nabī Allāh Dāwûd (عليه السلام)?” - “Hij vastte de helft van de tijd (één dag vasten en één dag niet).”Na verloop van tijd, toen hij ouder werd, zei `Abdullah: “Was ik maar ingegaan op de vergemakkelijking (rukhsah) van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم).”

٧١٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرو، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اقْرَإِ الْقرْآنَ فِي شَهْرٍ قُلْتُ: إِنِّي أَجِدُ قُوَّةً حَتَّى قَالَ: فَاقْرَأْهُ فِي سَبْعٍ وَلاَ تَزِدْ عَلَى ذَلِكَ716 - Van `Abdullah ibn Amr (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Lees de Qur'ān in een maand (uit).” Ik zei: “Ik kan meer dan dit doen.” Uiteindelijk zei hij: “Lees het in zeven dagen uit en ga daar niet overheen.”

٧١٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، قَالَ: قَالَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَا عَبْدَ اللهِ لاَ تَكُنْ مِثْلَ فُلاَنٍ، كَانَ يَقُومُ اللَّيْلَ فَتَرَكَ قِيَامَ اللَّيْلِ717 - Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “O `Abdullah, wees niet zoals die-en-die. Hij stond 's nachts op voor de (qiyām al-layl) ṣalāh en liet daarna het (opstaan voor de ṣalāh al-fajr) achterwege.”

٧١٨ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو، قَالَ: بَلَغَ النَّبِيَّ ﷺ أَنِّي أَسْرُدُ الصَّوْمَ وَأُصَلِّي اللَّيْلَ، فَإِمَّا أَرْسَلَ إِلَيَّ وَإِمَّا لَقِيتُهُ، فَقَالَ: أَلَمْ أُخْبَرْ أَنَّكَ تَصُومُ وَلاَ تُفْطِرُ وَتُصَلِّي؛ فَصُمْ وَأَفْطِرْ وَقُمْ وَنَمْ، فَإِنَّ لِعَيْنِكَ عَلَيْكَ حَظًّا، وَإِنَّ لِنَفْسِكَ وَأَهْلِكَ عَلَيْكَ حَظًّا قَالَ: إِنِّي لأَقْوَى لِذلِكَ قَالَ: فَصُمْ صِيَامَ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ قَالَ: وَكَيْ قَالَ: كَانَ يَصُومُ يَوْمًا وَيُفْطِرُ يَوْمًا، وَلاَ يَفِرُّ إِذَا لاَقَى قَالَ: مَنْ لِي بِهذِهِ، يَا نَبِيَّ اللهِ قَالَ عَطَاءٌ (أَحَد الرُّوَاة): لاَ أَدْرِي كَيْفَ ذَكَرَ صِيَامَ الأَبَدِ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ صَامَ مَنْ صَامَ الأَبَدَ مَرَّتَيْنِ718 - Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما):Het bereikte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat ik onafgebroken vastte en de nacht in (nafilah) ṣalāh doorbracht.Hij stuurde iemand naar mij of ik ontmoette hem.Hij zei: “Is het mij niet verteld dat jij vast en niet verbreekt, en (altijd) ṣalāh verricht?Vast en verbreek, bid en slaap.

Je ogen hebben recht op jou.

Je ziel en je familie hebben recht op jou.”- “Ik ben sterk genoeg daarvoor.”- “Vast dan zoals de vasten van Dāwūd (عليه السلام).”- “Hoe was dat?”- “Hij vastte een dag en verbrak (de volgende dag), en hij vluchtte niet wanneer hij (de vijand) ontmoette.”- “Wie kan dat volhouden, o Nabī Allāh?”ʿAṭā’ (één van de overleveraars) zei: “Ik weet niet hoe hij de vasten van altijd/levenslang noemde, maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Degene die altijd/levenslang vast, heeft in feite niet (echt) gevast.

En hij herhaalde dit twee keer)”.

٧١٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، قَالَ: قَالَ لِي النَّبِيُّ ﷺ: إِنَّكَ لَتَصُومُ الدَّهْرَ وَتَقُومُ اللَّيْلَ فَقُلْتُ: نَعَمْ قَالَ: إِنَّكَ إِذَا فَعَلْتَ ذَلِكَ، هَجَمَتْ لَهُ الْعَيْنُ، وَنَفِهَتْ لَهُ النَّفْسُ، لاَ صَامَ مَنْ صَامَ الدَّهْرَ، صَوْمُ ثَلاَثَةِ أَيَّامِ صَوْمُ الدَّهْرِ كُلِّهِ قُلْتُ: فَإِنِّي أُطِيقُ أَكْثَرَ مِنْ ذلِكَ قَالَ: فَصُمْ صَوْمَ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، كَانَ يَصُومُ يَوْمًا وَيُفْطِرُ يَوْمًا، وَلاَ يَفِرُّ إِذَا لاَقَى719 – Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei tegen mij: “Ben jij degene die het hele jaar vast en de nachten doorbrengt met het verricht van (nafilah) ṣalāh.” - “Ja.”- “Als je dat doet, zullen je ogen moe worden en je ziel uitgeput raken. Degene die het hele jaar vast, heeft in feite niet gevast. Het vasten van drie dagen per maand staat gelijk aan de vasten van het hele jaar.”- “Maar ik kan meer dan dat aan.”- “Vast zoals de vasten van Dāwūd (عليه السلام). Hij vastte één dag en brak de vasten de volgende dag.

En hij vluchtte niet wanneer hij (de vijand) ontmoette.”

٧٢٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرِو بْنِ الْعَاصِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ لَهُ: أَحَبُّ الصَّلاَةِ إِلَى اللهِ صَلاَةُ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، وَأَحَبُّ الصِّيَامِ إِلَى اللهِ صِيَامُ دَاوُدَ، وَكَانَ يَنَامُ نِصْفَ اللَّيْلِ وَيَقُومُ ثُلُثَهُ وَيَنَامُ سُدُسَهُ، وَيَصُومُ يَوْمًا، وَيُفْطِرُ يَوْمًا720 – Van `Abdullah ibn `Amr b. ʿĀṣ (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei tegen hem: “De meest geliefde ṣalāh bij Allāh is de ṣalāh van Dāwūd (عليه السلام), en het meest geliefde vasten bij Allāh is de vasten van Dāwūd (عليه السلام).

Hij sliep de helft van de nacht, stond op voor een derde ervan en sliep weer een zesde ervan. Hij vastte één dag en verbrak de vasten de volgende dag.”

٧٢١ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو، حَدَّثَ: أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ ذُكِرَ لَهُ صَوْمِي، فَدَخَلَ عَلَيَّ، فَأَلْقَيْتُ لَهُ وِسَادَةً مِنْ أَدَمٍ، حَشْوُهَا لِيفٌ، فَجَلَسَ عَلَى الأَرْضِ، وَصَارَتِ الْوِسَادَةُ بَيْنِي وَبَيْنَهُ؛ فَقَالَ: أَمَا يَكْفِيكَ مِنْ كُلِّ شَهْرٍ ثَلاَثَةُ أَيَّامٍ قَالَ، قُلْتُ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: خَمْسًا قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: سَبْعًا قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: تِسْعًا قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: إِحْدَى عَشْرَةَ ثُمَّ قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ صَوْمَ فَوْقَ صَوْمِ دَاوُدَ عَلَيْهِ السَّلاَمُ، شَطرَ الدَّهْرِ، صُمْ يَوْمًا وَأَفْطِرْ يَوْمًا721 – Van `Abdullah ibn Amr ibn al `Aas (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde over mijn vasten en kwam bij mij binnen.

Ik legde een kussen van leer, gevuld met vezels, voor hem neer. Hij ging op de grond zitten, terwijl het kussen tussen mij en hem in lag.- “Is het niet voldoende voor jou om drie dagen in de maand te vasten?”- “O Rasûlullāh, maar ik kan meer dan dat aan.- “Dan vijf dagen in de maand te vasten?”- “O Rasûlullāh, maar ik kan meer dan dat aan.- “Dan zeven dagen in de maand te vasten?”- “O Rasûlullāh, maar ik kan meer dan dat aan.- “Dan negen dagen in de maand te vasten?”- “O Rasûlullāh, maar ik kan meer dan dat aan.- “Elf dagen in de maand te vasten?”Daarna zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Er is geen vasten beter dan de vasten van Dāwūd (عليه السلام): de helft van het jaar, vast één dag en verbreek de vasten de volgende dag.”

Vasten-sir (laatste dagen van) de maand Sha`bān

صوم سرر شعبان

٧٢٢ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ سَأَلَهُ، أَوْ سَأَلَ رَجُلًا وَعِمْرَانُ يَسْمَعُ، فَقَالَ: يَا أَبَا فُلاَنٍ أَمَا صُمْتَ سَرَرَ هذَا الشَّهْرِ قَالَ: أَظُنُّهُ قَالَ: يَعْنِي رَمَضَانَ قَالَ الرَّجُلُ: لاَ يَا رَسُولَ اللهِ، قَالَ: فَإِذَا أَفْطَرْتَ فَصُمْ يَوْمَيْنِ

722 – Van ʿImrān ibn Ḥuṣayn (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vroeg hem, terwijl ʿImrān luisterde:“O Abū [zo-en-zo], heb je de ‘sarar’ (laatste dagen) van deze maand gevast?”Hij (overleveraar Abû Nu`mān) zei: “Bedoelde hij de maand Ramaḍān?”De man antwoordde: “Nee, o Rasûlullāh.”Daarop zei hij: “Wanneer je deze dagen niet gevast hebt, vast dan (tenminste) twee dagen.”

[Het is sunnah om drie dagen aan het begin, in het midden of aan het einde van elke maand te vasten. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei hierover dat een metgezel die dit tot een gewoonte had gemaakt, aangaf dat als iemand op de laatste dag van de maand zijn vasten niet had verricht, hij dit later kan inhalen (qadā’).Het feit dat de overleveraar spreekt over de maand Ramaḍān betekent niet dat de vasten die niet is verricht automatisch van Ramaḍān is. Integendeel, hij bedoelt dat de maand die net is aangebroken Ramaḍān is, en dat de laatste dagen waarop niet werd gevast, behoren tot de maand Shaʿbān.De maand Shaʿbān is de maand waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) na Ramaḍān het meest vastte en het aanraadde. Daarom wordt uit deze ḥadīth begrepen dat de vasten die in deze maand niet zijn verricht, ook al zijn ze vrijwillig, ingehaald kunnen worden. ] (Diyanet)

Voortreffelijkheid van Laylah al-Qadr, aansporing om het te zoeken, plaats en de meest waarschijnlijke tijdstippen om het te vinden

فضل ليلة القدر والحث على طلبها وبيان محلها وأرجى أوقات طلبها

٧٢٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رِجَالًا مِنْ أَصْحَابِ النَّبِيِّ ﷺ، أُرُوا لَيْلَةَ الْقَدْرِ فِي الْمَنَامِ، فِي السَّبْعِ الأَوَاخِرِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَرَى رُؤْيَاكُمْ قَدْ تَوَاطَأَتْ فِي السَّبْعِ الأَوَاخِرِ، فَمَنْ كَانَ مُتَحَرِّيَهَا فَلْيَتَحَرَّهَا فِي السَّبْعِ الأَوَاخِرِ

723 Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Er waren enkele mannen onder de ashāb van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) aan wie Laylah al-Qadr in hun droom werd getoond, namelijk in de laatste zeven (nachten van Ramadān).Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Ik zie dat jullie dromen overeenkomen met (het wijzen naar) de laatste zeven (nachten). Wie het zoekt, laat hij het zoeken in de laatste zeven (nachten).”

٧٢٤ - حديث أَبِي سَعِيدٍ، قَالَ: اعْتَكَفْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ الْعَشْرَ الأَوْسَطَ مِنْ رَمَضَانَ، فَخَرَجَ صَبِيحَةَ عِشْرَينَ، فَخَطَبَا، وَقَالَ: إِنِّي أُرِيتُ لَيْلَةَ الْقَدْرِ ثُمَّ أُنْسِيتُهَا أَوْ نُسِّيتُهَا، فَالْتَمِسُوهَا فِي الْعَشْرِ الأَوَاخِرِ فِي الْوِتْرِ، وَإِنِّي رَأَيْتُ أَنِّي أَسْجُدُ فِي مَاءٍ وَطِينٍ، فَمَنْ كَانَ اعْتَكَفَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَلْيَرْجِعْ فَرَجَعْنَا وَمَا نَرَى فِي السَّمَاءٍ قَزَعَةَ فَجَاءَتْ سَحَابَةٌ فَمَطَرَتْ حَتَّى سَالَ سَقْفُ الْمَسْجِدِ، وَكَانَ مِنْ جَرِيدِ النَّخْلِ، وَأَقِيمَتِ الصَّلاَةُ، فَرَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَسْجُدُ فِي الْمَاءِ وَالطِّينِ، حَتَّى رَأَيْتُ أَثَرَ الطِّينِ فِي جَبْهَتِهِ724 – Van Abū Saʿīd (رضي الله عنه): Wij verrichtten met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) iʿtikāf (afzondering in de moskee) in de middelste tien dagen van Ramaḍān.

Op de ochtend van de twintigste dag kwam hij naar de buiten en hield een toespraak (khutba), waarin hij zei: “Voorwaar, mij is Laylah al-Qadr getoond, maar ik ben het vergeten of het is mij doen vergeten. Zoek het in de laatste tien nachten, in de oneven nachten.

En voorwaar, ik zag mijzelf sajdah verrichten in water en modder.”Laat dus degene die met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) i`tikāf verrichtte, terugkeren (naar de moskee).”Wij keerden terug, terwijl er geen enkel wolkje aan de hemel was, verscheen er een wolk en het regende, zodat het dak van de moskee, gemaakt van palmstengels, begon te lekken.De ṣalāh werd verricht en ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sajdah verrichten in water en modder, totdat ik het spoor van de modder op zijn voorhoofd zag.

٧٢٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁، كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُجَاوِرُ فِي رَمَضَانَ الْعَشْرَ الَّتِي فِي وَسَطِ الشَّهْرِ، فَإِذَا كَانَ حِينَ يُمْسِى مِنْ عِشْرِينَ لَيْلَةً تَمْضِي، وَيَسْتَقْبِلُ إِحْدَى وَعِشْرَينَ، رَجَعَ إِلَى مَسْكَنِهِ، وَرَجَعَ مَنْ كَانَ يُجَاوِرُ مَعَهُ؛ وَأَنَّهُ أَقَامَ فِي شَهْرٍ جَاوَرَ فِيهِ اللَّيْلَةَ الَّتِي كَانَ يَرْجِعُ فِيهَا، فَخَطَبَ النَّاسَ، فَأَمَرَهُمْ مَا شَاءَ اللهُ، ثُمَّ قَالَ: كُنْتُ أُجَاوِرُ هذِهِ الْعَشْرَ، ثُمَّ قَدْ بَدَا لِي أَنْ أُجَاوِرَ هذِهِ الْعَشْرَ الأَوَاخِرَ، فَمَنْ كَانَ اعْتَكَفَ مَعِي فَلْيَثْبُتْ فِي مُعْتَكَفِهِ، وَقَدْ أُرِيتُ هذِهِ اللَّيْلَةَ، ثُمَّ أُنْسِيتُهَا، فَابْتَغُوهَا فِي الْعَشْرِ الأَوَاخِرِ، وَابْتَغُوهَا فِي كلِّ وِتْرٍ، وَقَدْ رَأَيْتَنِي أَسْجُدُ فِي مَاءٍ وَطِينٍ فَاسْتَهَلَّتِ السَّمَاءُ فِي تِلْكَ اللَّيْلَةِ فَأَمْطَرَتْ، فَوَكَفَ الْمَسْجِدُ فِي مُصَلَّى النَّبِيِّ ﷺ لَيْلَةَ إِحْدَى وَعِشْرِينَ، فَبَصُرَتْ عَيْنِي، نَظَرْتُ إِلَيْهِ انْصَرَفَ مِنَ الصُّبْحِ وَوَجْهُهُ مُمْتَلِيءٌ طينًا وَمَاءً725 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه): An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef in de middelste tien dagen van Ramaḍān (in iʿtikāf).Wanneer het avond van de twintigste nacht werd en de eenentwintigste nacht aanbrak, keerde hij terug naar zijn verblijf, en ook degenen die met hem in afzondering verbleven keerden terug.Maar in één maand waarin hij iʿtikāf verrichtte, bleef hij op de avond waarin hij normaal terugkeerde, in de moskee, en hij hield een preek voor de mensen.Hij beval hen met wat Allāh wilde, en daarna zei hij: “Ik

verbleef in afzondering in deze tien (nachten), maar het is mij duidelijk geworden dat ik in afzondering wil blijven in de laatste tien (nachten). Wie dus met mij in afzondering bleef, laat hem in zijn iʿtikāf blijven.Voorwaar, aan mij werd Laylah al-Qadr getoond, toen werd dit mij ontnomen, dus zoeken jullie het in de laatste tien nachten van de oneven (nachten).En ik zag mijzelf sajdah verrichten in water en modder.”De hemel klaarde diezelfde nacht op, en het regende, en de moskee lekte op de plek waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichtte in de eenentwintigste nacht.Mijn oog zag (dat moment), ik keek naar hem terwijl hij de ochtendṣalāh beëindigde en zijn gezicht was bedekt met modder en water.

٧٢٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُجَاوِرُ فِي الْعَشْرِ الأَوَاخِرِ مِنْ رَمَضَانَ، وَيَقُولُ: تَحَرَّوْا لَيْلَةَ الْقَدْرِ فِي الْعَشْرِ الأَوَاخِرِ مِنْ رَمَضَانَ726 – VanʿĀʾishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte iʿtikāf (in de moskee) gedurende de laatste tien dagen van Ramaḍān en zei: “Zoek Laylah al-Qadr in de laatste tien nachten van de Ramaḍān.”

[De Laylah al-Qadr betekent zowel ‘de nacht van beschikking en oordeel’ als ‘de nacht van waarde, eer en verhevenheid’. Aan deze nacht is in de Qur’ān een aparte sûrah gewijd:

إِنَّآ أَنزَلۡنَٰهُ فِي لَيۡلَةِ ٱلۡقَدۡرِ ١ Waarlijk!

Wij hebben hem (de Qur’ān) neergezonden in de Waardevolle Nacht.وَمَآ أَدۡرَىٰكَ مَا لَيۡلَةُ ٱلۡقَدۡرِ ٢ En wat doet jou weten wat de Waardevolle Nacht is?لَيۡلَةُ ٱلۡقَدۡرِ خَيۡرٞ مِّنۡ أَلۡفِ شَهۡر٣ De Waardevolle Nacht is beter dan duizend maanden.تَنَزَّلُ ٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ وَٱلرُّوحُ فِيهَا بِإِذۡنِ رَبِّهِم مِّن كُلِّ أَمۡرٖ ٤ De Engelen en de Geest (Djibril) daalden in haar neer met Allāh’s toestemming, voor elke beschikking.سَلَٰمٌ هِيَ حَتَّىٰ مَطۡلَعِ ٱلۡفَجۡرِ ٥ Vrede heerst in deze nacht, tot aan de ochtendschemering. (sûrah al-Qadr, 1–5)

De uitdrukking “duizend maanden” wordt door sommige geleerden geïnterpreteerd als een aanduiding van overvloed of veelheid.Er bestaan meer dan veertig verschillende opvattingen over welke nacht precies de Laylah al-Qadr is. Het lijkt erop dat deze nacht niet met opzet op één bepaald moment is vastgelegd.

De wijsheid daarvan is duidelijk: Allāhu تعالى heeft meerdere zaken verborgen gehouden om de mensen voortdurend tot inspanning aan te zetten, zoals Zijn welbehagen (riḍā’), Zijn allergrootste Naam (Ism al-Aʿẓam), de middelste ṣalāh (aṣ-ṣalāh al-wusṭā), het tijdstip waarop berouw (tawbah) wordt aanvaard, het tijdstip van verhoring van smeekbedes op vrijdag en tijdens de nacht, het uur waarop iemand sterft en ook de Laylah al-Qadr .Volgens overleveringen over de Laylah al-Qadr valt deze in een van de volgende nachten van Ramaḍān: de 1e, 17e, 18e, 19e, 21e, 23e, 25e, 27e of 29e nacht.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd gevraagd naar de Laylah al-Qadr , zei hij: “Zij bevindt zich in de gehele maand Ramaḍān.” (Abū Dāwūd)Er wordt aangegeven dat zij zich kan bevinden in de laatste tien nachten van de maand of in de oneven nachten ervan.ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Wie het hele jaar in aanbidding doorbrengt, treft zeker de Laylah al-Qadr .” (Abū Dāwūd)Hieruit hebben Abū Bakr al-Jaṣṣāṣ en een aantal geleerden uit de Ḥanafī-madzhab afgeleid dat de Laylah al-Qadr over het hele jaar verspreid kan liggen. Volgens sommige overleveringen zei Imām Abū Ḥanīfah dat zij zich aan het begin of aan het einde van Ramaḍān kan bevinden. De ahādīth over het exacte tijdstip van de Laylah al-Qadr zijn vaak verhuld geformuleerd, bijvoorbeeld: “de resterende negende nacht”. Aangezien we niet weten of de maand uit 29 of 30 dagen bestaat, blijft het onduidelijk wat met de ‘resterende’ nacht bedoeld wordt.An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie in de Laylah al-Qadr de ṣalawāt in gemeenschap verricht, heeft het grootste deel ervan verworven.” (al-Muwaṭṭa’)Er is vermeld dat deze nacht ieder jaar op een ander moment kan vallen, dat zij wisselt binnen het jaar of ten minste binnen de nachten van Ramaḍān. Zo kunnen de verschillende overleveringen met elkaar worden verzoend: iedere overlevering wijst dan op een andere verschijningsvorm van deze nacht in een bepaald jaar.Zoals hierboven aangegeven is de wijsheid van het niet exact bepalen van deze nacht, dat de mens altijd alert blijft.

Toen ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه) zei: “Wie het hele jaar in aanbidding doorbrengt, treft zeker de Laylah al-Qadr”, werd dit opgemerkt door Ubayy ibn Kaʿb (رضي الله عنه), antwoordde hij: “Moge Allāh hem genadig zijn. Hij wist dat deze nacht in Ramaḍān is, maar hij wilde niet dat de mensen lui zouden worden.” (Abū Dāwūd, at-Tirmidzī)De Laylah al-Qadr is de nacht waarin de Qur’ān werd geopenbaard (surah al-Qadr: 1), en de Qur’ān werd geopenbaard in de maand Ramaḍān (surah al-Baqarah: 185). De Qur’ān werd in een periode van 23 jaar geleidelijk neergezonden. De openbaring op de Laylah al-Qadr betekent dan óf het begin van de openbaring, óf dat de Qur’ān in zijn geheel vanuit de Lawḥ al-Maḥfūẓ werd neergezonden naar de onderste hemel.Uit al het bovenstaande begrijpen we dat de exacte datum van deze nacht niet is vastgesteld, opdat mensen niet lui zouden worden. We zouden iedere nacht moeten beleven alsof het de Laylah al-Qadr is, vooral in de maand Ramaḍān. Alleen de 27e nacht in aanbidding doorbrengen en de overige nachten verwaarlozen is niet gepast.Aangezien de Laylah al-Qadr de nacht is waarin de Qur’ān werd neergezonden, is iedere nacht waarin wij de Qur’ān werkelijk in ons laten neerdalen, beleven en tot leven brengen, voor ons een Laylah al-Qadr is.De geleerden zijn het erover eens dat de grootheid en eer van deze nacht niet vanwege de nacht zelf is, maar door hetgeen erin aanwezig is.

Omdat de Qur’ān in deze nacht werd neergezonden, verkreeg de nacht haar waarde vanwege de verhevenheid van de Qur’ān.Dus: iedere nacht waarin wij de Qur’ān in ons laten neerdalen en ermee leven, wordt voor ons een Laylah al-Qadr .] (AFK)