As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitābu’sh-Shi`r: Boek van de poëzie

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitābu’sh-Shi`r: Boek van de poëzie

[Poëzie is een vorm van uitdrukking die invloed uitoefent op mensen. In de jāhiliyyah-periode hadden dichters, net als magiers, een sterke invloed op de samenleving. Deze invloed kon zowel ten goede als ten kwade worden gebruikt en vaak woog de slechte kant zwaarder. De mushrikīn beschuldigden Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) er valselijk van een dichter te zijn, waarmee zij hem wilden kleineren en in diskrediet brengen. De Qur’ān weerlegde deze bewering in verzen zoals al-Anbiyāʾ 21:5, Yā Sīn 36:69, as-Saffāt 37:36, at-Tūr 52:30 en al-Ḥāqqah 69:41, waarin duidelijk wordt gesteld dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) geen dichter is en dat de openbaring geen poëzie is.

De Qur’ān wijdde zelfs een surah aan de dichters, ash-Shuʿarāʾ (“De Dichters”), waarin in de verzen 26:224–227 de dichter wordt bekritiseerd.

Opvallend is dat Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) tijdens zijn daʿwah (uitnodigen van mensen tot de Islām) de poëzie of de dichters niet minachtte. Enerzijds streed hij tegen de ongelovige dichters die spotten met de Islām, anderzijds steunde en eerde hij de moslimdichters. Hij moedigde hen aan om met hun poëzie te antwoorden op de aanvallen van de ongelovige dichters en om de moraal van de moslims te versterken. Zelf sprak hij ook op verschillende momenten poëtische verzen uit.

Hij had drie bekende dichters die dicht bij hem stonden:

Ḥassān ibn Thābit (رضي الله عنه)

ʿAbdullāh ibn Rawāḥah (رضي الله عنه)

Kaʿb ibn Mālik (رضي الله عنه)

Voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was poëzie een wapen dat zowel voor het goede als voor het kwade gebruikt kon worden. Een gelovige werd immers geacht te strijden, niet alleen met zijn leven en zijn bezit, maar ook met zijn tong. Daarom spoorde Rasulullah (صلى الله عليه وسلم) zijn dichters aan om door middel van poëzie te reageren op de mushrikīn van Makkah.

Terwijl hij de poëzie die in dienst stond van valseheid en begeerte afwees, prees hij de poëzie die in het teken stond van waarheid, deugd en goede zeden, en moedigde hij zijn dichters aan om die te reciteren. Tijdens het graven van de loopgraaf (Khandak) reciteerde hij zelf een lang gedicht.

Op basis hiervan hebben islamitische geleerden uiteenlopende standpunten ingenomen over poëzie, soms positief, soms kritisch.

Hun onderscheid ligt tussen slechte poëzie, die aanzet tot kwaad of ijdelheid, en goede poëzie, die mensen inspireert tot geluk, deugd en vrede.] (HA)

١٤٥٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: أَصْدَقُ كَلِمَةٍ قَالَهَا الشَّاعِر، كَلِمَةُ لَبِيدٍ أَلاَ كُلُّ شَيْءٍ مَا خَلاَ اللهَ بَاطِلُ وَكَادَ أُمَيَّةُ بْنُ أَبِي الصَّلْتِ أَنْ يُسْلِمَ1454 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Het meest ware uitspraak dat een dichter ooit heeft uitgesproken, is het woord van Labīd: ‘Weet dat alles behalve Allāh gedoemd is te vergaan.’ En Umayyah ibn Abī aṣ-Ṣalt stond op het punt om de Islām te aanvaarden.”

[Labîd ibn Rabîʿa was een dichter uit de Jāhiliyya-periode. In het negende jaar van de Hijrah werd hij moslim. Nadat hij moslim werd en in aanraking kwam met de Qur'ān, hield hij op met het dichten. Hij zei hierover: “Nadat Allāh mij sūrah al-Baqarah en sūrah Āli ʿImrān heeft onderwezen, ben ik niet meer in staat geweest om poëzie te reciteren. De welsprekendheid en retoriek van de Qur'ān hebben de grootsheid van de poëzie doen verdwijnen.”De dichtregel dat in de ḥadīth wordt aangehaald, is een deel van een van de zeven beroemde muʿallaqāt, klassieke gedichten die aan de Kaʿbah werden gehangen vanwege hun literaire waarde. In de betreffende ḥadīth komt slechts één versregel voor.Wat betreft Umayyah ibn Abī al-Ṣalt: hij was in eerste instantie een aanhanger van het ḥanīfisme, net als Zayd ibn ʿAmr. Echter, tegen het einde van zijn leven week hij hiervan af.

Hoewel hij de islamitische periode meemaakte, werd hij geen moslim.In een andere ḥadīth heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezegd: “In sommige poëzie zit wijsheid.” (Ṣaḥīḥ al-Bukhārī, al-Adab, 90)In de ḥadīth die wij hier bespreken, wordt gezegd: “De meest ware uitspraak die ooit door een dichter is uitgesproken”. Deze uitdrukking wijst erop dat de dichters van die tijd, die feitelijk functioneerden als de publieke opinieleiders van hun samenleving, als een soort radio, televisie en kranten van toen. Ze beïnvloedden de massa, maar dit vaak niet op een eerlijke en objectieve manier deden. Zij volgden namelijk vaak bepaalde belangen of machten. Sommige dichters die zich actief tegen de Islām keerden, zijn dan ook terechtgesteld. Dit toont aan hoe groot de invloed van poëzie was en dat die invloed ook verantwoordelijkheden met zich meebracht.] (HY)

[Labîd b. Rabîʿa was één van de beroemdste dichters uit de jāhiliyyah-periode. Hij was de enige dichter van wie muʿallaqāt aan de muren van de Kaʿbah werden opgehangen, en die de Islām aanvaardde. Nadat hij moslim was geworden, bleef hij gedichten voordragen over geloof (īmān), taqwā en wijsheid.Umayyah b. Abī’s-Ṣalt was eveneens een beroemde Arabische dichter. In de jāhiliyya stond hij bekend om zijn kennis van de heilige boeken en zijn wijsheid. Hij had de wijn opgegeven, hulde zich in monnikskledij en had de ḥanīf-religie aangenomen, maar toen aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de openbaring kwam, geloofde hij niet in zijn boodschappen. ] (Diyanet)

١٤٥٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لأَنْ يَمْتَلِىءَ جَوفُ رَجُلٍ قَيْحًا يَرِيهِ، خَيْرٌ مِنْ أَنْ يَمْتَلِىءَ شِعْرًا1455 – Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Het is beter dat iemands hart gevuld is met pus (kwaad of wrok dat hem kan bederven) dan gevuld te zijn met poëzie.”

[Het wordt zo voorgesteld dat etter (pus) beter zou zijn dan deze dingen (d.w.z. misleidende poëzie). Ook in een andere ḥadīth waarin wordt gezegd: “In sommige poëzie zit wijsheid”, wordt hiermee bedoeld dat de dichters die in die tijd de publieke opinie beïnvloedden, vaak niet zelfstandig handelden maar gestuurd waren. En dat zij zich daarbij niet altijd op de juiste manier gedroegen.] (AFK)

[In de ḥadīth wordt bedoeld dat het gaat om gedichten die in strijd zijn met de essentie van de dīn, met de principes van īmān en akhlāq, en die de mens tot zonde verleiden. Zij die de gave hebben om poëzie te maken of te onthouden, zijn gewaarschuwd om de kracht van het woord niet te gebruiken voor het corrupt maken van de samenleving, of om fitnah, vijandschap en slechtheid aan te wakkeren.Degenen die de poëzie daarentegen inzetten als middel om de dīn en het goede te verspreiden, zijn juist aangemoedigd. Tot hen behoorden ook sommige dichter-metgezellen, zoals Ḥassān b. Thābit (رضي الله عنه), die de lof van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gewonnen. ] (Diyanet)