Kitâbu’sṣalāh: Boek van de ṣalāh
[De tot nu toe besproken onderwerpen waren geen op zichzelf staande ʿibādāt, maar voorwaarden die de weg bereiden voor echte aanbidding. Nu richten we ons op de op zichzelf beoogde ʿibādāt, te beginnen met de ṣalāh, aangezien deze de zuil van de dīn vormt. Daarom moet de ṣalāh, na het geloof in Allāh, vóór iedere andere ʿibādah worden genoemd.Salāh betekent letterlijk “duʿā’” (smeekbede). In de Qur’ān al-Karīm staat vermeld:وَصَلِّ عَلَيۡهِمۡۖ إِنَّ صَلَوٰتَكَ سَكَنٞ لَّهُمۡۗ…en roep Allah voor hen aan. Waarlijk! Jouw aanroepingen zijn een bron van zekerheid voor hen… (at-Tawbah 9:103), dat wil zeggen: doe duʿā voor hen.
In de sharʿī-terminologie verwijst ṣalāh naar bepaalde vaste arkān (zuilen: m.v. van rukn) en specifieke handelingen, dat wil zeggen een aantal vastgestelde rukn en bijzondere daden. Omdat deze handelingen ook de betekenis van duʿā’ bevatten, heeft de Shāriʿ het gebed de naam ṣalāh gegeven. Na het toekennen van deze specifieke betekenis, duidt ṣalāh niet langer enkel op duʿā’, maar op het rituele gebed zelf. Over de namen ervan redetwisten is niet toegestaan; het gezegde “لا مشاحة في الاصطلاح” – “Over namen wordt niet geredetwist” – geldt als een gevestigde regel.Daarom is er, afgezien van enkele dwalenden in onze tijd, in de afgelopen veertienhonderd jaar geen enkele van de miljoenen ʿulamā’ geweest die over de betekenis van het woord ṣalāh heeft geredetwist of het enkel als duʿā’ heeft willen interpreteren. Hoewel het woord soms figuurlijk wordt gebruikt voor ṣalawāt of istighfār, is dat een overdrachtelijke toepassing.De ṣalāh kent een oorzaak, voorwaarden, rukn, wijsheid en ḥukm: Oorzaak van de verplichtstelling zijn uiterlijke oorzaak, nl. de vastgestelde gebedstijden en de werkelijke oorzaak, nl. het bevel van Allāh.Bovenkant formulier
Voorwaarden zijn: reinheid, het bedekken van de ʿawrah, het richten naar de qiblah, de tijd, de niyyah en de iftitāḥ-takbīr.Rukn: qiyām (staan), qirā’ah (Qurā’n reciteren), de rukūʿ(vooroverbuiging), de sujūd (nederbuiging) en het zitten in de laatste tashahhud (de geloofsgetuigenis (zittend uitgesproken) in de ṣalāh).Wijsheid van de wettelijke voorschrijving: het is dankbetuiging aan Allah, Die talloze gunsten schenkt.Laat degenen die de vijf dagelijkse ṣalāh van de Islām als zwaar ervaren, eens stilstaan bij deze wijsheid: wanneer men zich buigt voor een schadelijke sigaret en daarbij met allerlei woorden dankbaarheid toont, hoe zouden wij dan niet buigen voor het leven, dat met geen enkel fortuin te vergelijken is; voor onze lichaamsdelen, die van onschatbare waarde zijn; voor het voedsel dat deze lichaamsdelen voedt; en voor de vruchten, de lucht, het water en de ontelbare andere gunsten die Allāh ons heeft geschonken? Het verrichten van de vijf dagelijkse ṣalāh is dan slechts een bescheiden uiting van dankbaarheid, en in werkelijkheid zelfs minder dan wat wij Allāh verschuldigd zijn, want zelfs voor het drinken van een slok koel water zijn wij niet in staat volledige dankbaarheid te betonen.Ḥukm: door het verrichten ervan valt de verplichting hier op aarde van iemands verantwoording af, en in het Hiernamaals wordt de beloofde beloning gegeven.De ṣalāh is een muhkam farīḍah. De verplichting ervan staat vast door alle sharʿī bewijzen. Daarom is degene die haar wettelijke voorschrijving ontkent, zonder meningsverschil kāfir.Bewijs uit de Kitāb:
حَٰفِظُواْ عَلَى ٱلصَّلَوَٰتِ وَٱلصَّلَوٰةِ ٱلۡوُسۡطَىٰ وَقُومُواْ لِلَّهِ قَٰنِتِينَ ٢٣٨
Waak over de gebeden en (in het bijzonder) over het middelste gebed. En sta voor Allah in ootmoed. (sûrah al-Baqarah 2:238).Dit vers duidt zowel op het verplichtende karakter van de ṣalāh als op het aantal van vijf maaldaags gebedstijden. Er wordt namelijk in algemene zin bevolen de ṣalāh te onderhouden, en daarnaast wordt specifiek de middelste ṣalāh genoemd. Het bestaan van een “middelste” impliceert dat er ten minste vier andere zijn; samen met de middelste komt men uit op vijf. Over het feit dat de ṣalāh een duidelijke en vaststaande farīḍah (muhkam hukm) is, bestaat consensus binnen de ummah.Het bewijs uit de sunnah wordt gevormd door de aḥādīth die later zullen worden aangehaald.
De aḏān betekent letterlijk: bekendmaken.In de shariʿah betekent het: het aankondigen van de tijd van de ṣalāh met een aantal specifieke woorden.De aḏān werd in het eerste jaar nH in Madīnah vastgesteld. Weliswaar zijn er ook degenen geweest die zeiden dat hij al in Makkah werd ingesteld, maar de juiste mening is de eerste.De aanleiding voor zijn vaststelling was dat een groep van de saḥābah onder wie ook ʿUmar (رضي الله عنه), in hun dromen zagen dat een engel uit de hemel neerdaalde en de woorden van de aḏān onderwees.De aḏān behoort tot de openbare symbolen (shaʿā’ir) van de dīn.De status van de aḏān : het is een sterk bevestigde sunnah (sunnah al-mu’akkadah). Er zijn ook geleerden die zeiden dat het wājib is.
Want Imām Muḥammad zei: “Als de bewoners van een stad gezamenlijk de aḏān en de iqāmah verlaten, dan wordt er tegen hen gevochten.” Oorlog voeren is immers slechts toegestaan wanneer een wājib is verlaten.] (Bulughu’l marām)
Het begin van de aḏān
بدء الأذان٢١٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ كَانَ يَقُولُ: كَانَ الْمُسْلِمُونَ حِينَ قَدِمُوا الْمَدِينَةَ يَجْتَمِعُونَ فَيَتَحيَّنُونَ الصَّلاَةَ، لَيْسَ يُنَادَى لَهَا؛ فَتَكَلَّمُوا يَوْمًا فِي ذَلِكَ، فَقَالَ بَعْضُهُمْ اتَّخِذُوا نَاقُوسًا مِثْلَ نَاقُوسِ النَّصَارَى، وَقَالَ بَعْضُهُمْ: بَلْ بُوقًا مِثْلَ بُوقِ الْيَهُودِ؛ فَقَالَ عُمَرُ ﵁: أَوَلًا تَبْعَثُونَ رَجُلًا يُنَادِي بِالصَّلاَةِ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: يَا بِلاَلُ قُمْ فَنَادِ بِالصَّلاَةِ213-) Van ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما): Toen de moslims net in Madīnah waren aangekomen, verzamelden zij zich en wachtten het tijdstip van de ṣalāh af. Er werd toen nog niet voor de ṣalāh opgeroepen. Op een dag bespraken zij dit onderwerp met elkaar. Sommigen van hen zeiden: “Laten we een klok maken zoals de klok van de christenen.”Anderen zeiden: “Liever een hoorn zoals de hoorn van de joden.”Toen zei ʿUmar (رضي الله عنه): “Zullen jullie dan niet iemand aanstellen die de oproep tot de ṣalāh doet?”Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “O Bilāl, sta op en roep op tot de ṣalāh!”
Het bevel om de aḏān in paren te doen en de 'iqamah' enkelvoudig te verrichten
الأمر بشفع الأذان وإِيتار الإقامة
٢١٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا سَمِعْتُمُ النِّدَاءَ فَقُولُوا مِثْلَ مَا يَقُولُ الْمُؤَذِّنُ214-) Van Anas (رضي الله عنه):Zij (de ṣaḥābah) spraken over het vuur en de klok (als manieren om op te roepen tot de ṣalāh), en zij noemden (in dat verband) de joden en de christenen. Daarop werd Bilāl opgedragen om de aḏān in een even aantal zinnen (d.w.z. herhaald) te verrichten, en de iqāmah in oneven aantal zinnen (d.w.z. niet herhaald).
[Iqāmah (oproepen tot de ṣalāh) wordt vóór de farḍ-ṣalāh die in gemeenschap wordt verricht; of door iemand die alleen de farḍ-ṣalāh verricht, opgeroepen. Deze ḥadīth vormt het bewijs voor de opvatting van Imām ash-Shāfiʿī en Imām Aḥmad. Volgens hen worden de woorden van de aḏān telkens herhaald uitgesproken, en de woorden van de iqāmah één keer. Volgens de Ḥanafī’-geleerden worden de takbīrs aan het begin van de aḏān vier keer uitgesproken; de overige zinnen – met uitzondering van de slotzin kalimat at-tawḥīd – telkens twee keer, de slotzin Lā ilāha illā Allāh wordt één keer uitgesproken. In totaal bestaat de aḏān dus uit vijftien zinnen.In de iqāmah wordt bovendien tweemaal gezegd: “Qad qāmatiṣ-ṣalāh” (= de ṣalāh is begonnen).Het bewijs van de Ḥanafī’-geleerden hiervoor is de overlevering van ʿAbdullāh b. Zayd (رضي الله عنه), die vermeld staat bij at-Tirmiḏī (Aḏān 25), Abū Dāwūd (Ṣalāh 28, 499), Ibn Mājah (Aḏān 1), ad-Dārimī (Ṣalāh 3) en Aḥmad b. Ḥanbal (Musnad, 4/43).Wanneer mannen de farḍ-ṣalāh verrichten, hetzij individueel, hetzij in gemeenschap, dient de iqāmah te worden uitgesproken.
Bij het inhalen van een gemiste farḍ-ṣalāh (qaḍāʾ) geldt dit eveneens.Voor de witr-, tarāwīḥ-, ʿĪd-, janāzah- (begrafenis-ṣalāh) en nafilah-ṣalāh (vrijwillige gebeden) wordt echter geen iqāmah opgezegd.De iqāmah behoort tot de aanbevolen sunan al-muʾakkadah van de gemeenschaps ṣalāh. De iqāmah die in de wijkmoskee wordt uitgeroepen, volstaat ook voor degenen die in hun huis ṣalāh verrichten. Het is dus niet verplicht dat iemand die thuis huis ṣalāh verricht de iqāmah op te roepen, maar het is wel beter als hij het wel doet.De aḏān wordt langzaam en duidelijk uitgesproken, terwijl de iqāmah sneller wordt gezegd.De iqāmah wordt staand verricht en degene die hem oproept, wendt zich naar de qiblah.De zinnen van de iqāmah zijn dezelfde als die van de aḏān , met als enige toevoeging dat men na “Ḥayya ʿala-l-falāḥ” twee keer zegt: “Qad qāmatiṣ-ṣalāh” (= de ṣalāh is begonnen).De iqāmah is een sunnah bij de verplichte ṣalwāt, en omdat het een sunnah van de ṣalāh zelf is en niet van de tijd, wordt het ook aanbevolen om de iqāmah te zeggen bij het inhalen van een gemiste ṣalāh.] (HA)
Wie de aḏān hoort, dient dezelfde woorden te herhalen als de muʾaḏḏhin zegt. Daarna zendt hij zegeningen (ṣalāh en salām) over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vervolgens vraagt hij voor hem al-wasīlah (de verheven positie in het Paradijs)القول مثل قول المؤذن لمن سمعه ثم يصلي على النبي ﷺ ثم يسأل له الوسيلة
٢١٥ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخدْرِيِّ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا سَمِعْتُمُ النِّدَاءَ فَقُولُوا مِثْلَ مَا يَقُولُ الْمُؤَذِّنُ215-) Van Abû Sai`d al-Khudri (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wanneer je de aḏān hoort, zeg dan hetzelfde als de muʾaḏḏhin.'
De deugd van de aḏān en wanneer de shayṭān deze hoort vlucht
فضل الأذان وهرب الشيطان عند سماعه٢١٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا نُودِيَ لِلصَّلاَةِ أَدْبَرَ الشَّيْطَان وَلَهُ ضُرَاطٌ حَتَّى لاَ يَسْمَعَ التَّأْذِينَ، فَإِذَا قُضِيَ النِّدَاءُ أَقْبَلَ، حَتَّى إِذَا ثُوِّبَ بِالصَّلاَةِ أَدْبَرَ، حَتَّى إِذَا قُضِيَ التَّثْوِيبُ أَقْبَلَ، حَتَّى يَخْطُرَ بَيْنَ الْمَرْءِ وَنَفْسِهِ، يَقُولُ اذْكُرْ كَذَا، اذْكُرْ كَذَا، لِمَا لَمْ يَكُنْ يَذْكُرُ؛ حَتَّى يَظَلَّ الرَّجُلُ لاَ يَدْرِي كَمْ صَلَّى216 -) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Wanneer er wordt opgeroepen tot de ṣalāh, keert de shayṭān (satan) zich om, terwijl hij winden laat, zodat hij het geluid van de aḏān niet meer hoort. Wanneer de aḏān voltooid is, keert hij terug. En zodra de iqāmah wordt verricht, draait hij zich opnieuw om. Wanneer ook die afgerond is, komt hij weer terug, totdat hij zich tussen de persoon en zijn eigen gedachten plaatst. Hij zegt dan: ‘Denk aan dit en denk aan dat’, dingen waar die persoon eerder niet aan dacht, totdat men (in zijn ṣalāh) niet meer weet hoeveel rakaʿāt hij heeft gebeden.”
[Zulke aḥadīth geven de situatie van de satan weer die wegvlucht voor de aḏān (en iqāmah) door een vergelijking. De manier waarop hij wegvlucht voor de aḏān wordt vergeleken met de situatie van een mens die plotseling getroffen wordt door grote angst en vrees. Zo'n persoon weet niet wat hij moet doen, zijn knieën worden zwak, zijn gewrichten verzwakken, en zijn wilskracht wordt volledig verstoord. In de volksmond zou men zeggen dat hij in zijn broek doet. De satan die de aḏān hoort, voelt zich dus net zo bang en verward en weet niet wat hij moet doen. In deze toestand lijkt hij op een mens die, door het ongeluk dat hem overkomt, niet weet wat hij moet doen.
In een andere ḥadīth wordt vermeld dat de satan blatend weg vlucht. Het geblaten van de satan duidt de intensiteit van zijn angst aan. Wat betreft de vraag of het 'geblaten' van de satan een figuurlijke uitdrukking is of werkelijk blaat, zijn er verschillende verklaringen gegeven. Volgens sommige geleerden is het geluid van de satan een lelijk geluid dat hij maakt om de aḏān te vermijden en te onderdrukken. De reden waarom de satan vlucht voor de aḏān is op verschillende manieren uitgelegd: In een andere ḥadīth wordt verteld dat degenen die de stem van de muʾaḏḏhin horen, zullen getuigen op de Dag des Oordeels. Volgens deze uitleg vlucht de satan om deze getuigenis te vermijden of om niet de oproep tot aanbidding van Allāh te horen. Een andere verklaring is dat de satan vlucht vanwege de belangrijkheid en de verhevenheid van de aḏān .] (AFK)
Het is aanbevolen om bij de taḥrīm, rukūʿ en het opheffen van het hoofd uit rukūʿ de handen op schouderhoogte op te heffen, en dat dit niet gebeurt bij het opheffen uit de sujūd
استحباب رفع اليدين حذو المنكبين مع تكبيرة الإحرام والركوع وفي الرفع من الركوع وأنه لا يفعله إِذا رفع من السجود٢١٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ إِذَا قَامَ فِي الصَّلاَةِ رَفَعَ يدَيْهِ حَتَّى تَكُونَا حَذْوَ مَنْكِبَيْهِ، وَكَانَ يَفْعَلُ ذَلِكَ حِينَ يُكبِّرُ لِلرُّكُوعِ، وَيَفْعَلُ ذَلِكَ إِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ، وَيَقُولُ: سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، وَلاَ يَفْعَلُ ذَلِكَ فِي السُّجُودِ217-) ʿAbdullāh ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), wanneer hij opstond voor de ṣalāh, zijn beide handen opheffen tot ze zich ter hoogte van zijn schouders bevonden.En hij deed dat ook wanneer hij de takbīr (Allahu Akbar) voor de rukūʿ (vooroverbuiging) uitsprak, en hij deed dat eveneens wanneer hij zijn hoofd verhief uit de rukūʿ, terwijl hij zei:“Samiʿa -llāhu līmān ḥamidah” (“Allāh hoort degene die Hem prijst”).Maar hij deed dat niet tijdens de sujūd (zich ter aarde werping).
٢١٨ - حديث مَالِكِ بْنِ الْحُوَيْرِثِ عَنْ أَبِي قِلاَبَةَ، أَنَّهُ رَأَىَ مَالِكَ بْنَ الْحُوَيْرِثِ إِذَا صَلَّى كَبَّرَ وَرَفَعَ يَدَيْهِ، وَإِذَا أَرَادَ أَنْ يَرْكَعَ رَفَعَ يَدَيْهِ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ رَفَعَ يَدَيْهِ، وَحَدَّثَ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ صَنَعَ هكَذَا218 – Van Mālik ibn al-Ḥuwayrith (رضي الله عنه):Abū Qilābah, zag Mālik ibn al-Ḥuwayrith toen hij de ṣalāh verrichtte, sprak hij de takbīr uit en hief daarbij zijn handen op.
En wanneer hij naar de rukūʿ wilde gaan, hief hij zijn handen op. En wanneer hij zijn hoofd verhief uit de rukūʿ, hief hij opnieuw zijn handen op. Hij (Mālik ibn al-Ḥuwayrith ) vertelde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) dat ook zo deed.Een andere overlevering zegt: “Hij tilde zijn handen tot de hoogte van zijn oren.”[In deze ḥadīth komen twee kwesties aan de orde: het optillen van de handen tot schouderhoogte en het optillen van de handen bij het naderen van en terugkeren van de rukūʿ.De ḥadīth vermeldt dat de handen bij het uitspreken van de takbīr tot schouderhoogte werden opgetild. In de praktijk bestaan echter verschillende varianten (Muslim, Ṣalāt: 26; Abū Dāwūd, Ṣalāt: 115; An-Nasāʾī, Iftitāḥ: 5), waarin wordt aangegeven dat de handen tot oorhoogte worden opgetild, of dat de duimen tot de oorlellen reiken.
Onder de wetsscholen (madhāhib) bestaan hierover diverse meningen.De commentator van Sahīh Bukhārī, `Aynī, stelt dat het optillen van de handen een praktijk was in de vroege jaren van de Islām, maar dat deze later werd afgeschaft, met bewijs aangehaald van Imām Tahāwī.Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat critici, met name onder de Hanafī-geleerden, twijfels hebben geuit over de betrouwbaarheid van de overleveringsketen betreffende dit punt.Dit onderwerp wordt het beste samengevat met de opmerking van Shah Waliyyullah: “Dit zijn handelingen die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) soms deed en soms verliet. Daarom is het allemaal sunnah. Elke handeling werd door een groep van de metgezellen gevolgd, en zo ging het door in de generaties van de tabi’ûn en de latere generaties. Dit is een onderwerp waar de wetscholen van Madīnah en Kufa van mening verschilden. Elk van de wetscholen heeft solide bewijzen en argumenten. Naar mijn mening zijn ze allemaal sunnah.”] (AFK)
Het bewijs dat bij iedere buiging en oprichting in de ṣalāh takbīr wordt uitgesproken, behalve bij het oprichten uit de rukūʿ, waar men zegt: “Sami‘a Allāhu liman ḥamidah”
إِثبات التكبير في كل خفض ورفع في الصلاة إِلا رفعه من الركوع فيقول فيه: سمع الله لمن حمده٢١٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّهُ كَانَ يُصَلِّي بِهِمْ فَيُكَبِّرُ كلَّمَا خَفَضَ وَرَفَعَ، فَإِذَا انْصَرَفَ قَالَ: إِنِّي لأَشْبَهُكُمْ صَلاَةً بِرَسُولِ الله ﷺ219-) Van Abû Salamah (رضي الله عنه):Abû Hurayrah leidde ons in de ṣalāh sprak de takbīr uit zowel bij de rukû` als bij het verheffen (van zijn hoofd uit de rukūʿ). Toen hij de ṣalāh beëindigde, zei hij: 'Van de mensen die ṣalāh verrichten, ben ik degene die het meeste op de ṣalāh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lijkt.'“
٢٢٠ - حديث أَبي هُرَيْرَةَ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِذَا قَامَ إِلَى الصَّلاَةِ يُكَبِّرُ حِينَ يَقُومُ، ثُمَّ يُكَبِّرُ حِينَ يَرْكَعُ، ثُمَّ يَقُولُ: سَمِعَ الله لِمَنْ حَمِدَهُ حِينَ يَرْفَعُ صُلْبَهُ مِنَ الرُّكُوعِ، ثُمَّ يَقُولُ وَهُوَ قَائِمٌ: رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ، ثُمَّ يُكَبِّرُ حِينَ يَهْوِي، ثُمَّ يُكَبِّرُ حِينَ يَرْفَعُ رَأْسَهُ، ثُمَّ يُكَبِّرُ حِينَ يَسْجُدُ، ثُمَّ يُكَبِّرُ حِينَ يَرْفَعُ رَأْسَهُ؛ ثُمَّ يَفْعَلُ ذَلِكَ فِي الصَّلاَةِ كُلِّهَا حَتَّى يَقْضِيَهَا؛ وَيُكَبِّرُ حِينَ يَقُومُ مِنَ الثِّنْتَيْنِ بَعْدَ الْجُلُوسِ220-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opstond voor de ṣalāh, sprak hij de takbīr uit wanneer hij opstond.
Vervolgens sprak hij de takbīr uit wanneer hij in rukūʿ ging.Dan zei hij: “Sami`a Allāhu liman ḥamidah” (“Allāh hoort degene die Hem prijst”) wanneer hij zijn rug verhief uit de rukūʿ.Vervolgens zei hij terwijl hij rechtop stond: “Rabbanā wa laka-l-ḥamd” (“Onze Rab en aan U komt alle lof toe”).Daarna sprak hij de takbīr uit wanneer hij zich ter aarde wierp [voor de sujūd],en hij sprak de takbīr uit wanneer hij zijn hoofd verhief,en hij sprak de takbīr uit wanneer hij weer zich ter aarde wierp in sujūd,en hij sprak de takbīr uit wanneer hij zijn hoofd daaruit verhief.Zo deed hij dat gedurende de hele ṣalāh, tot hij klaar was.Ook sprak hij de takbīr uit wanneer hij opstond na het (eerste) zitten bij twee rakaʿāh (na het eerste tashahhud).
٢٢١ - حديث عِمْرَانَ بْنِ حُصَيْنِ عَنْ مُطَرِّفِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، قَالَ: صَلَّيْتُ خَلْفَ عَلِيِّ بْنِ أَبِي طَالِبٍ، أَنَا وَعِمْرَانُ بْنُ حُصَيْنٍ، فَكَانَ إِذَا سَجَدَ كَبَّرَ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ كَبَّرَ، وَإِذَا نَهَضَ مِنَ الرَكْعَتَيْنِ كَبَّرَ؛ فَلَمَّا قَضَى الصَّلاَةَ أَخَذَ بِيَدِي عِمْرَانُ بْنُ حُصَيْنٍ فَقَالَ: لَقَدْ ذَكَّرَنِي هذَا صَلاَةَ مُحَمَّدٍ ﷺ، أَوْ قَالَ: لَقَدْ صَلَّى بِنَا صَلاَةَ مُحَمَّدٍ ﷺ221–) Van ʿImrān ibn Ḥuṣayn via Muṭarrif ibn ʿAbdullāh (رضي الله عنهما):Ik en ʿImrān ibn Ḥuṣayn verrichtten ṣalāh achter ʿAlī ibn Abī Ṭālib,Wanneer hij zich ter aarde wierp (sajdah), sprak hij de takbīr uit.Wanneer hij zijn hoofd weer ophief, sprak hij de takbīr uit.En wanneer hij opstond na de twee rakaʿāt , sprak hij ook de takbīr uit.Toen hij de ṣalāh had voltooid, pakte ʿImrān ibn Ḥuṣayn mijn hand en zei: “Deze herinnerde mij aan de ṣalāh van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) ,”of hij zei: “Hij heeft voor ons de ṣalāh van Muhammad (صلى الله عليه وسلم) gebeden.”
Het is verplicht om al-Fātiḥah in elke rakaʿāh te reciteren, en als iemand de al-Fātiḥah niet goed kent en het ook niet kan leren, laat hem een ander gedeelte uit de Qur’ān reciteren dat hij gemakkelijk kanوجوب قراءة الفاتحة في كل ركعة وأنه إِذا لم يحسن الفاتحة ولا أمكنه تعلمها، قرأ ما تيسر له من غيرها٢٢٢ - حديث عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لاَ صَلاَة لِمَنْ لَمْ يَقْرَأْ بِفَاتِحَةِ الْكِتَابِ
أخرجه البخاري في: كتاب الأذان: ٩٥ باب وجوب القراءة للإمام والمأموم في الصلوات كلها222-) Van Ubâdah Ibn as-Sâmit (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wie sûrah Fātihah niet reciteert, heeft geen ṣalāh verricht.” (m.a.w. verricht de ṣalāh niet zonder sûrah Fātiḥah te reciteren.)[In deze ḥadīth wordt gesteld dat wie de sûrah Fātihah niet reciteert, geen ṣalāh heeft. Dit is echter niet in overeenstemming met het vers:
فَٱقۡرَءُواْ مَا تَيَسَّرَ مِنَ ٱلۡقُرۡءَانِۚ“Reciteer dus wat gemakkelijk voor je is (van de Qur’ān)” (Sûrah al-Muzzammil: 20), waarin de vrijheid in het reciteren van de Qur’ān tijdens de ṣalāh wordt benadrukt.De uitspraak dat “de ṣalāh niet geldig is zonder Fātihah” moet daarom waarschijnlijk niet letterlijk worden opgevat als ongeldig, maar als een aanduiding dat het weglaten van een belangrijke sûrah zoals Fātihah, de basis van de Qur’ān (ummu’l Qur’ān), ongepast is. Dit kan vergeleken worden met de ḥadīth: “Er kan geen ṣalāh plaatsvinden als het eten klaarstaat,” wat niet betekent dat de ṣalāh niet geldig is, maar dat het in die situatie ongepast zou zijn. Het doel van de ḥadīth is dus om moslims aan te moedigen altijd Fātihah te reciteren.Aan de andere kant geven de Hanafī-geleerden aan dat het voor de gemeenschap achter de imām voldoende is dat de imām Fātihah reciteert tijdens de ṣalāh; de gemeenschap hoeft zelf niet mee te reciteren.
Zij baseren dit op diverse aḥādīth.Vanwege het grote belang van Fātihah in de ṣalāh en de kracht van de betreffende aḥādīth, en mogelijk omdat de aḥādīth die stellen dat “de recitatie van de imām de recitatie van de gemeenschap vervangt” niet zo sterk zijn, vonden sommige Hanafī-geleerden het echter wenselijk dat de gemeenschap achter de imām ook Fātihah reciteert.Er bestond verschil van mening over hoe dit toe te passen: sommige geleerden stelden dat dit alleen geldt voor ṣalāh waarin de recitatie stil wordt verricht, anderen meenden dat dit voor alle ṣalāh geldt. Weer anderen zeiden dat als de imām een fout maakt in zijn recitatie, de gemeenschap alsnog Fātihah zou moeten reciteren. Er wordt ook overgeleverd dat Imām Muhammad (een van de vooraanstaande leerlingen van Imām Abû Hanīfah) het positief beoordeelde dat de gemeenschap Fātihah reciteerde in ṣalāh waarin de recitatie stil plaatsvond.
or de gemeenschap in ṣalwāt waarin de recitatie in stilte wordt gedaan, als positief beschouwde.] (AFK)
٢٢٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: فِي كُلِّ صَلاَةٍ يُقْرَأُ، فَمَا أَسْمَعَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ أَسْمَعْنَاكُمْ، وَمَا أَخْفَى عَنَّا أَخْفَيْنَا عَنْكُمْ، وَإِنْ لَمْ تَزدْ عَلى أُمِّ الْقُرْآن أَجْزَأَتْ، وَإِنْ زِدْتَ فَهُوَ خَيْرٌ223-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): In elke ṣalāh wordt (Qur’ān) gereciteerd, wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons hardop liet horen (reciteren van de Qur’ān tijdens de farḍ ṣalāh), dat laten wij jullie ook horen.
En wat hij voor ons stil hield (reciteren van de Qur’ān tijdens de farḍ ṣalāh), houden wij ook stil voor jullie. Als iemand vroeg om meer recitatie na Fātihah, zei hij: 'Het is genoeg als je Fātihah leest, maar als je meer toevoegt, is dat beter.'
[Het reciteren van een gedeelte van de Qurʾān tijdens het staan (qiyām) in de ṣalāh, wat qirāʾah wordt genoemd, is een verplichte handeling (farḍ) binnen de ṣalāh. De manier waarop deze verplichting wordt vervuld, leren we van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde de qirāʾah stil tijdens de verplichte daggebeden (ṣalāh az-zuhr en al-ʿasr) en luid tijdens de verplichte nachtgebeden (ṣalāh al-maghrib, al-ʿishāʾ en fajr).Wanneer de aḥādīth over qirāʾah in de ṣalāh samen worden bekeken, blijkt dat het tijdens het staan noodzakelijk is eerst de sûrah Fātihah te reciteren, gevolgd door een aantal verzen of andere surahs uit de Qurʾān. De ḥadīth vermeldt dat iemand die alleen Fātihah reciteert, zonder daarna andere verzen te lezen, zijn ṣalāh geldig is. Dit geldt bijvoorbeeld voor iemand die net moslim is geworden en nog geen andere delen van de Qurʾān uit het hoofd kent.Door Fātihah te reciteren wordt de verplichte qirāʾah uitgevoerd, maar omdat dit niet volledig overeenkomt met de praktijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zal de beloning (thawāb) van de ṣalāh minder zijn.] (Diyanet)
٢٢٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ دَخَلَ الْمَسْجِدَ؛ فَدَخَلَ رَجُلٌ فَصَلَّى، ثُمَّ جَاءَ فَسَلَّمَ عَلَى النَبِيِّ ﷺ، فَرَدَّ النَّبِيُّ ﷺ عَلَيْهِ السَّلاَمَ؛ فَقَالَ: ارْجِعْ فَصَلِّ فَإِنَّكَ لَمْ تُصَلِّ فَصَلَّى، ثُمَّ جَاءَ فَسَلَّمَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ؛ فَقَالَ: ارْجِعْ فَصَلِّ فَإِنَّكَ لَمْ تُصَلِّ ثَلاَثًا فَقَالَ: وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ مَا أُحْسِنُ غَيْرَهُ، فَعَلِّمْنِي قَالَ: إِذَا قُمْتَ إِلَى الصَّلاَةِ فكَبِّرْ ثُمَّ اقْرَأْ مَا تَيَسَّرَ مَعَكَ مِنَ الْقُرْآنِ، ثُمَّ ارْكَعْ حَتَّى تَطْمَئِنَّ رَاكِعًا، ثُمَّ ارْفَعْ حَتَّى تَعْتَدِلَ قَائِمًا، ثُمَّ اسْجُدْ حَتَّى تَطْمَئِنَّ سَاجِدًا، ثُمَّ ارْفَعْ حَتَّى تَطْمَئِنَّ جَالِسًا، ثُمَّ اسْجُدْ حَتَّى تَطْمَئنَّ سَاجِدًا، ثُمَّ افْعَلْ ذَلِكَ فِي صَلاَتِكَ كُلِّهَا224-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) kwam eens de moskee binnen gegaan tegelijk met iemand anders. De man verrichtte (haastig) de ṣalāh.
Daarna gaf de man an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de salām.an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) beantwoordde zijn salām en zei: 'Ga terug, (herhaal) je ṣalāh, je hebt geen ṣalāh verricht.' De man verrichtte dus weer de ṣalāh.
Net als hij tevoren gedaan had en gaf an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de salām, waarna an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weer zei: Ga terug, (herhaal) je ṣalāh, je hebt geen ṣalāh verricht.' Zo ging het drie maal.
Tenslotte zei de man: 'Ik zweer bij degene die u met de waarheid heeft gezonden. Ik kan het niet beter dan zo. Zegt u mij hoe hoe ik (de ṣalāh) moet verrichten.' Hij zei: 'Als je de ṣalāh verricht, begin dan met de takbīr, lees daarna wat gemakkelijk voor je is uit de Qur’ān, buig neer (ruku`) totdat je rug recht is, vervolgen hef je jezelf recht op totdat je rechtstaat. Vervolgens verricht de sujūd tot je in rustig bent in sujūd. Daarna kom je overeind tot je in rustig bent. Vervolgens verricht opnieuw de sujūd totdat je kalm en rustig bent in sujūd. Doe dat zo in je heel de ṣalāh.”
[Onder de geleerden staat deze ḥadīth bekend als de “Mūsī-ḥadīth” en bevat veel kwesties waarover verschil van mening bestaat, terwijl het tegelijkertijd als bewijs dient voor alle partijen.Degene die de moskee binnengaat en achter Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichtte, was Hallād b. Rāfiʿ (رضي الله عنه). Sommigen begrijpen de uitspraak “Ga terug, (herhaal) je ṣalāh” alsof de ṣalāh ongeldig (fāsiṭ) was. Anderen, zoals `Aynī, menen dat ermee bedoeld wordt dat de ṣalāh niet perfect verricht was. Want in een variant van deze ḥadīth staat: “Als je dit doet, is je ṣalāh compleet; doe je iets tekort, dan blijft er een tekort in je ṣalāh.”Aangezien de ṣalāh die met tekortkomingen wordt verricht nog steeds de status van ṣalāh behoudt, betekent de uitspraak hier dus niet “je hebt niet ṣalāh verricht”, maar eerder “je hebt de ṣalāh niet volledig en perfect verricht”.Kortom, het negatieve aspect heeft betrekking op de kwaliteit van de ṣalāh, niet op de ṣalāh zelf.
Als de ṣalāh van Hallād ongeldig (fāsiṭ) was geweest, zou Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich er niet mee hebben hoeven bezighouden.De frase “wat gemakkelijk voor je is uit de Qur’ān” verwijst, volgens an-Nawawī, naar het surah al-Fātiḥah. Volgens de Ḥanafī’-geleerden verwijst het naar de surah die volgt na al-Fātiḥah.De uitdrukking “totdat je kalm en rustig bent” betekent, volgens Imām Abū Ḥanīfah en Imām Muḥammad, dat het verplicht is om tijdens rukūʿ en sujūd de lichaamsdelen op hun juiste plaats te houden totdat de rukūʿ of sujūd correct is voltooid.] (HA)
Het bewijs van degenen die zeggen dat de basmalah niet hardop wordt gereciteerd in de ṣalāhحجة من قال لا يجهر بالبسملة٢٢٥ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، وَأَبَا بَكْرٍ وَعُمَرَ، كَانُوا يَفْتَتِحُونَ الصَّلاَةَ ب الْحَمْدُ للهِ رَبِّ الْعَالَمِينَ225-) Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), Abû Bakr en` Umar begonnen hun ṣalāh met 'Alhamdulillâhi Rabbil-‘âlamîn' (sûrah Fātihah).”
[De kwestie of bismillāh in de ṣalwāt die hardop worden gereciteerd moet worden uitgesproken, heeft geleid tot verschillende meningen onder de geleerden:
Sommige metgezellen hebben bismillāh tijdens de ṣalāh stil gereciteerd.
Andere metgezellen hebben bismillāh luid gereciteerd.
Dit verschil hangt samen met de vraag of bismillāh beschouwd wordt als een vers van surah al-Fātiḥah.
Volgens de Ḥanafī’-geleerden en Ḥanbalīgeleerden heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bismillāh altijd gereciteerd bij Fātiḥah, maar stil, zodat men het niet hoorde.
Volgens de Shāfiʿī’- geleerden is bismillāh het eerste vers van Fātiḥah, en volgt het de manier waarop Fātiḥah wordt gereciteerd: stil in stil ṣalāh, luid in luid ṣalāh.
Volgens Imām Mālik wordt bismillāh in farḍ-ṣalāh niet gereciteerd; in nafilah-ṣalāh kan men het lezen of overslaan, omdat bismillāh volgens hem geen vers van Fātiḥah is] (HA)
De tashahhud in de ṣalāh
التشهد في الصلاة٢٢٦ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، قَالَ: كُنَّا إِذَا صَلَّيْنَا مَعَ النَّبِيِّ ﷺ قُلْنَا السَّلاَمُ عَلَى اللهِ قَبْلَ عِبَادِهِ، السَّلاَمُ عَلَى جِبْرِيلَ، السَّلاَمُ عَلَى مِيكَائِيلَ، السَّلاَمُ عَلَى فُلاَنٍ؛ فَلَمَّا انْصَرَفَ النَّبِيُّ ﷺ أَقْبَلَ عَلَيْنَا بِوَجْهِهِ، فَقَالَ: إِنَّ اللهَ هَوَ السَّلاَمُ، فَإِذَا جَلَسَ أَحَدُكُمْ فِي الصَّلاَةِ فَلْيَقُلِ التَّحِيَّاتُ للهِ وَالصَّلَوَاتُ وَالطَّيِّبَاتُ، السَّلاَمُ عَلَيْكَ أَيُّهَا النَّبِيُّ وَرَحْمَةُ اللهِ وَبَرَكَاتُهُ، السَّلاَمُ عَلَيْنَا وَعَلَى عِبَادِ اللهِ الصَّالِحِينَ؛ فَإِنَّهُ إِذَا قَالَ ذَلِكَ أَصَابَ كُلَّ عَبْدٍ صَالِحٍ في السَّمَاءِ والأَرْضِ؛ أَشْهَدُ أَنْ لاَ إِلهَ إِلاَّ اللهُ وَأَشْهَدُ أَنَّ مُحَمَّدًا عَبْدُهُ وَرَسُولُهُ، ثُمَّ يَتَخَيَّرُ بَعْدُ مِنَ الْكَلاَم مَا شَاءَ226-) Van `Abdullah Ibn Mas`ûd (رضي الله عنه): Wij waren gewoon als wij de ṣalāh achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtten, te zeggen: 'As-Salâmu alâllah, As-Salâmu alâ Jibrîl en Mikâil, as-Salâmu alâ fulânîn en fulânîn.' (as- Salâmu aan Allāh, Jibrîl, Mikâil en aan die en die)an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) keerde zich naar ons om en zei: 'Waarlijk, Allāh is as-Salâm (de vrede) zelf.
Wanneer een van jullie de ṣalāh verricht, laat hij dan zeggen: 'At-Tahiyyâtu lillâhi, wa’s-Salawâtu wa’t-Tayyibâtu, as-Salâmu alayka, ayyuhan-Nabiyyu wa Rahmetullâhi wa barakâtuhû, as-Salâmu alaynâ wa alâ ıbâdillâhi’s-Sâlihîn.
(Ashhadu allâ ilâha illalâh wa ashhadu enne Muhammeden `abduhu ve Rasûluh.) (Betekenis: (Alle lof, zegeningen en schoonheden behoren tot Allāh.
Moge Allāh's vrede, genade en zegeningen op jou zijn. (Want als je dit zegt, bereikt het iedere dienaar tussen de hemel en de aarde) Ik getuig dat er geen godheid is (die aanbeden dient te worden) dan Allāh. En ik getuig dat Muhammed de dienaar en boodschapper van Allāh is. Vervolgens kiest men de gewenste smeekbede die men wil.
Het uitspreken van de ṣalāh over Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de tashahhud
الصلاة على النبي ﷺ بعد التشهد٢٢٧ - حديث كَعْبِ بْنِ عُجْرَةَ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ ابْنِ أَبِي لَيْلَى، قَالَ: لَقِيَنِي كَعْبُ بْن عُجْرَةَ؛ فَقَالَ: أَلاَ أُهْدِي لَكَ هَدِيَّةً سَمِعْتُهَا مِنَ النَّبِيِّ ﷺ فَقُلْتُ: بَلَى فَأَهْدِهَا لِي فَقَالَ: سَأَلْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ فَقُلْنَا: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ الصَّلاَةُ عَلَيْكُمْ أَهْلَ الْبَيْتِ فَإِنَّ اللهَ قَدْ عَلَّمَنَا كَيْفَ نُسَلِّمُ عَلَيْكُمْ، قَالَ: قُولُوا اللهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ كَمَا صَلَّيْتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ، اللهُمَّ بَارِكْ عَلى مُحَمَّدٍ وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ كَمَا بَارَكْتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ227-) Van Ka'b Ibn Ujrah van Abdurrahman ibnu Abî Laylâ (رضي الله عنه): Ik kwam Ka'b Ibn Ujrah en die zei: “Zal ik je een cadeautje geven die ik van an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord?” Ik zei: “Ja, geef het me”.Ka'b zei: “We stelden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende vraag en zeiden: “O Rasûlullāh , we hebben geleerd om u de salām te geven, maar hoe brengen we salât (du`ā’: smeekbede) over aan u en aan uw familie?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Zeg: 'Allāhumma salli alâ Muhammedin wa alâ Âli Muhammedin kamâ Sallayta alâ İbrahîma wa alâ Âli Ibrahiem innak Hamîdum Majjied.
'Allāhumma baarik alâ Muhammedin wa alâ Âli Muhammedin kamâ baarakta alâ İbrahîma wa alâ Âli Ibrahiem innak Hamîdum Majjied.
(Betekenis: (O Allāh!
Zoals U Ibrahim en zijn familie de ṣalāh gaf, geeft ook Muhammed en zijn nakomelingen/familie de ṣalāh.
الصلاة على النبي ﷺ بعد التشهد٢٢٧ - حديث كَعْبِ بْنِ عُجْرَةَ عَنْ عَبْدِ الرَّحْمنِ ابْنِ أَبِي لَيْلَى، قَالَ: لَقِيَنِي كَعْبُ بْن عُجْرَةَ؛ فَقَالَ: أَلاَ أُهْدِي لَكَ هَدِيَّةً سَمِعْتُهَا مِنَ النَّبِيِّ ﷺ فَقُلْتُ: بَلَى فَأَهْدِهَا لِي فَقَالَ: سَأَلْنَا رَسُولَ اللهِ ﷺ فَقُلْنَا: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ الصَّلاَةُ عَلَيْكُمْ أَهْلَ الْبَيْتِ فَإِنَّ اللهَ قَدْ عَلَّمَنَا كَيْفَ نُسَلِّمُ عَلَيْكُمْ، قَالَ: قُولُوا اللهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ كَمَا صَلَّيْتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ، اللهُمَّ بَارِكْ عَلى مُحَمَّدٍ وَعَلَى آلِ مُحَمَّدٍ كَمَا بَارَكْتَ عَلَى إِبْرَاهِيمَ وَعَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ227-) Van Ka'b Ibn Ujrah van Abdurrahman ibnu Abî Laylâ (رضي الله عنه): Ik kwam Ka'b Ibn Ujrah en die zei: “Zal ik je een cadeautje geven die ik van an-Nabī, (صلى الله عليه وسلم) heb gehoord?” Ik zei: “Ja, geef het me”.Ka'b zei: “We stelden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de volgende vraag en zeiden: “O Rasûlullāh , we hebben geleerd om u de salām te geven, maar hoe brengen we salât (du`ā’: smeekbede) over aan u en aan uw familie?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Zeg: 'Allāhumma salli alâ Muhammedin wa alâ Âli Muhammedin kamâ Sallayta alâ İbrahîma wa alâ Âli Ibrahiem innak Hamîdum Majjied. 'Allāhumma baarik alâ Muhammedin wa alâ Âli Muhammedin kamâ baarakta alâ İbrahîma wa alâ Âli Ibrahiem innak Hamîdum Majjied.
(Betekenis: (O Allāh! Zoals U Ibrahim en zijn familie de ṣalāh gaf, geeft ook Muhammed en zijn nakomelingen/familie de ṣalāh. Zeker, U bent de Geprezen, de Majesteitvolle.)(O Allāh!
Zoals U Ibrahim en zijn nakomelingen/familie gezegend hebt, zegen ook Muhammed en zijn familie. Zeker, U bent de Geprezen, de Majesteitvolle.)
[In de bovenstaande aḥadīth werd geleerd hoe men de ṣalāh en salām over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) moet opzeggen. De metgezellen wisten hoe ze de salām moesten brengen en handelden dienovereenkomstig. Toen het Qur’ānvers van sûrah Ahzab: 56 werd geopenbaard, waarin werd bevolen om ṣalāh en salām (du`ā’, zegeningen en vrede) over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) uit te spreken, vroegen de metgezellen hoe ze dat moesten doen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) instrueerde hen om de bovengenoemde ṣalāh te reciteren. Volgens de andere overleveringen van de ḥadīth (Muslim, Salât; 65 …) werd vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) even stil was voordat hij antwoord gaf. Zelfs de metgezellen zeiden door de langdurige stilte: “Had hij maar niet gevraagd.” De reden voor de lange stilte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou kunnen zijn dat hij wachtte op een openbaring over hoe te antwoorden, of hij was aan het nadenken over hoe de ṣalāh en salām uitgesproken moesten worden.] (AFK)
[Het oordeel over het uitspreken van ṣalawāt over an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) buiten de ṣalāh is onderwerp van meningsverschil. De Ḥanafī’-geleerden baseren zich op het vers uit surah al-Aḥzāb (33:56):
إِنَّ ٱللَّهَ وَمَلَٰٓئِكَتَهُۥ يُصَلُّونَ عَلَى ٱلنَّبِيِّۚ يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ صَلُّواْ عَلَيۡهِ وَسَلِّمُواْ تَسۡلِيمًا ٥٦
Allah en Zijn Engelen sturen zegeningen over an-Nabī. O jullie die geloven! Zendt zegeningen over hem en wens hem vrede met alle eerbied toe.
Volgens hen is het één keer in het leven uitspreken van ṣalawāt verplicht (farḍ). Elke keer dat zijn naam genoemd wordt, is het uitspreken ervan wājib, en wanneer hij meerdere keren in één bijeenkomst genoemd wordt, is het aanbevolen (mustaḥabb) om bij elke vermelding ṣalawāt uit te spreken.
Wat bedoeld wordt met de uitdrukking “de familie van Muḥammad” (Āli Muḥammad) is onderwerp van verschillende meningen. Deze kunnen als volgt samengevat worden:
Zij die door hun verwantschap met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen recht hebben op het ontvangen van zakāh.Over wie dit precies zijn, bestaat verschil van mening:a. Alleen de afstammelingen van Hāshim.b. De afstammelingen van Hāshim en al-Muṭṭalib.En ook het nageslacht van Ḥasan en Ḥusayn (رضي الله عنهما) de kinderen van ʿAlī (رضي الله عنه) en Fāṭimah (رضي الله عنها), tot aan de Dag der Opstanding.
Allen die onvoorwaardelijk verwant zijn aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .
Allen die tot aan de Dag der Opstanding het voorbeeld van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) volgen.
De godvrezenden (muttaqūn) onder de moslims.
Alleen al dit ene woord (“Āli Muḥammad”) kan in verschillende contexten verschillende groepen bedoelen:
In duʿāʾvoor de gehele ummah,
In lofprijzing voor de godvrezenden,
In het geval van zakāh voor degenen aan wie zakāh niet gegeven mag worden…] (HA)
٢٢٨ - حديث أَبِي حُمَيْدٍ السَّاعِدِيِّ ﵁، أَنَّهُمْ قَالُوا: يَا رَسُولَ اللهِ كَيْفَ نُصَلِّي عَلَيْكَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قُولُوا: اللهُمَّ صَلِّ عَلَى مُحَمَّدٍ وَأَزْوَاجِهِ وَذُرِّيَّتِهِ كَمَا صَلَّيْتَ عَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ، وَبَارِكْ عَلَى مُحَمَّدٍ وَأَزْوَاجِهِ وَذُرِّيَّتِهِ كَمَا بَارَكْتَ عَلَى آلِ إِبْرَاهِيمَ إِنَّكَ حَمِيدٌ مَجِيدٌ228-) Van Abû Humayd es-Sâ`idî (رضي الله عنه): (De ṣaḥābah zei): “O Rasûlullāh, hoe moeten we salâh (smeekbede: du`ā’) (en salâm) over u brengen?” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zeg: 'Allāhumma salli alâ Muhammedin ve azwâjihî wa Zurriyatihî. Kamâ Sallayte alâ İbrahîma, Bârik alâ Muhammedin wa azwâjihî wa Zurriyatihî Kamâ Bârakta alâ Âli İbrahîme innak Hamîdum Majīd.”
(Betekenis: O Allāh! Zoals U Ibrahim's familie zegende, zegene ook Muhammed, zijn vrouwen en zijn nakomelingen, en maak Muhammed, zijn vrouwen en nakomelingen gezegend zoals U Ibrahim's familie gezegend hebt. Zeker, U bent de Geprezen, de Majesteitvolle.)
at-Tasmīʿ, at-taḥmīd, at-taʾmīn*
التسميع والتحميد والتأمين٢٢٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا قَالَ الإِمَامُ سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، فَقُولُوا: اللهُمَّ رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ؛ فَإِنَّهُ مَنْ وَافَقَ قَوْلُهُ قَوْلَ الْمَلاَئِكَةِ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ229-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de imām zegt 'Sami’allahu līmān hamidah', zeg dan 'Allāhumma Rabbana laka’l-Hamd'. Weet dat degene wiens woorden overeenkomen met de woorden van de engelen, zullen zijn voorgaande zonden worden vergeven.”
{* at-tasmīʿ = “سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ” (Allah hoort wie Hem prijst) zeggen. Dit wordt door de imām of degene die alleen ṣalāh verricht uitgesproken wanneer hij uit de rukūʿ (buiging) omhoogkomt.at-taḥmīd = “رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ” (Onze Rab, en aan U behoort alle lof) zeggen. Dit wordt door de volgeling in de ṣalāh en ook door degene die alleen ṣalāh verricht uitgesproken na het omhoogkomen uit de rukūʿ.at-taʾmīn = “آمِينَ” (Amīn – “O Allah, verhoor [onze smeekbede]”) zeggen. Dit wordt gezegd na het reciteren van sūrah Fātihah , na de woorden “وَلَا الضَّالِّينَ”.}
٢٣٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا قَالَ أَحَدُكُمْ آمِينَ، وَقَالَتِ الْمَلاَئِكَةُ فِي السَّمَاءِ آمِينَ، فَوَافَقَتْ إِحْداهُمَا الأُخْرَى؛ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ230-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه:)Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer iemand van jullie ‘Āmīn’ zegt, en de engelen in de hemel ook ‘Āmīn’ zeggen, en de beide uitspraken samenvallen, dan worden zijn voorgaande zonden vergeven.”
[Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, het moment te bepalen waarop de engelen “Âmin” zeggen. Daarom lijkt het niet mogelijk om het moment waarop de engelen “Âmin” zeggen precies samen te laten vallen met het moment waarop wij “Âmin” zeggen. Wat hier benadrukt wordt, is dat men “Âmin” moet zeggen omdat de engelen dit ook zeggen. Er is een aansporing om aandachtig te zijn en niet afgeleid te worden van de recitatie van de imām, en om wakker en alert te blijven tijdens dit moment. Iemand die zich in deze toestand bevindt, is niet afgeleid tijdens de ṣalāh; hij luistert voortdurend aandachtig naar de recitatie van de imām en brengt geen andere gedachten in zijn hoofd.] (AFK)
[Tot op de dag van vandaag zijn er verschillende opvattingen geuit over de oorsprong en betekenis van het woord “Āmīn”. De meest aanvaarde mening is dat het is afgeleid van de Arabische stam “ʾamn” (أمن), die de betekenis heeft van “geloven” en “vertrouwen”.Het woord Āmīn komt niet voor in de Qur’ān, maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft in verschillende aḥādīth bevolendat de gemeenschap Āmīn zegt nadat de imam surah al-Fātiḥah heeft beëindigd. Daarom wordt het uitspreken van Āmīn aan het einde van surah al-Fātiḥah, hoewel het niet in de Muṣḥaf geschreven staat, als sunnah beschouwd.
De reden dat de sunnah van het zeggen van Āmīn alleen is beperkt tot surah al-Fātiḥah na het reciteren van de Qur’ān, ligt in de positie, betekenis en functie van deze surah als de eerste surah en een fundamenteel onderdeel van de ṣalāh. Want surah al-Fātiḥah, die beschouwd wordt als de essentie van de Qur’ān en letterlijk betekent “Opening”, staat aan het begin van het Boek en geeft een overzicht van de gehele Qur’ān.Door aan het einde van deze surah Āmīn te zeggen, drukt de lezer zijn geloof in de gehele Qur’ān uit. Volgens verschillende aḥādīth is duʿāʾ de kern van de ʿibādah, en aangezien de ṣalāh in wezen een vorm van duʿāʾ is, is surah al-Fātiḥah, die in elke rakaʿāh wordt gereciteerd, de belangrijkste duʿāʾ binnen de ṣalāh geworden.Daarom wordt het uitspreken van Āmīn aan het einde ervan ook vanuit dit oogpunt als noodzakelijk of wenselijk beschouwd. In gezamenlijke ṣalāh (in jamaʿah) bestaan er twee punten van meningsverschil:
Of de imam in gebeden waarbij de recitatie hardop gebeurt (zoals maghrib, ʿishāʾ, fajr)Āmīn moet zeggen of niet.
Of Āmīn hardop of zachtjes moet worden uitgesproken.
Volgens de Ḥanafī-, Shāfiʿīen Ḥanbalī-geleerden is het voor de imam aanbevolen (mandūb) om Āmīn te zeggen.
Wat betreft het hardop of zachtjes zeggen:
Volgens de Ḥanafī’-geleerden zeggen zowel imam als gemeenschap het zachtjes.
Volgens de Shāfiʿi-geleerden en Ḥanbali-geleerden zeggen beiden het hardop.
Over de uitspraak van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) : “Wanneer de Āmīn van iemand samenvalt met die van de engelen,dan worden zijn zonden vergeven,” verklaart an-Nawawī dat hiermee bedoeld wordt: dat de mens en de engelen gelijktijdig Āmīn zeggen.
Qāḍī ʿIyāḍ daarentegen zegt dat het betekent dat de Āmīn van de mens overeenkomt met die van de engelenin eigenschap, nederigheid en oprechtheid.
Wat betreft de bedoelde engelen: volgens sommigen zijn dat de Bewakers (ḥafaza) engelen, volgens anderen betreft het andere engelen.] (HA)
٢٣١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: إِذَا قَالَ الإِمَامُ غَيْرِ الْمَغْضُوبِ عَلَيْهِمْ وَلاَ الضَّالِّينَ فَقُولُوا: آمِينَ؛ فَإِنَّهُ مَنْ وَافَقَ قَوْلُهُ قَوْلَ الْمَلاَئِكَةِ؛ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ231-) Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer de imām zegt 'gayri’l maghdubi 'alayhim wa’ladâllîn' (niet degenen die uw boosheid hebben opgeroepen, noch degenen die afdwaalden), zeg dan ‘Âmīn’. Degene wiens woorden overeenkomen met de woorden van de engelen, zullen zijn voorgaande zonden vergeven worden.”
Volgen van de imām door de gemeenschap
ائتمام المأموم بالإمام٢٣٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: سَقَطَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ فَرَسٍ فَجُحِشَ شِقُّهُ الأَيْمَنُ، فَدَخَلْنَا عَلَيْهِ نَعُودُهُ، فَحَضَرَتِ الصَّلاَةُ، فَصَلَّى بِنا قَاعِدًا، فَقَعَدْنَا؛ ⦗٨٤⦘ فَلَمَّا قَضَى الصَّلاَةَ، قَالَ: إِنَّمَا جُعِلَ الإِمَامُ لِيُؤْتَمَّ بِهِ؛ فَإِذَا كَبَّرَ فَكَبِّرُوا، وَإِذَا رَكَعَ فَارْكَعُوا، وَإِذَا رَفَع فارْفَعُوا، وَإِذَا قَالَ سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، فَقُولُوا رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ، وَإِذَا سَجَدَ فَاسْجُدُوا232-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) van zijn paard viel en zijn rechterzijde gewond raakte, bezochten wij hem (om hem beterschap te wensen). Toen het tijd was voor de ṣalāh, verrichtte hij de ṣalāh zittend, en wij verrichtten de ṣalāh achter hem zittend. Na de ṣalāh zei hij: 'De imām is ervoor om gevolgd te worden. Daarom, wanneer hij de takbīr zegt, zeg dan de takbīr.Wanneer hij neerbuigt (ruku`), buig dan mee.Wanneer hij zijn hoofd opheft (van de ruku`), hef het hoofd op. Wanneer hij 'Sami'allahu līmān hamidah' zegt, zeg dan 'Rabbana laka’l hamd. Wanneer hij neerbuigt (sajdah), buig dan mee. Wanneer hij zittend ṣalāh, verricht, verricht dan allemaal zittend.'Sufyān zei: “Heeft Maʿmar het ook op deze manier overgeleverd?”Ik zei: “Ja.”Hij zei: “Hij heeft het uit zijn hoofd geleerd.”En Zuhrī zei: ‘Wa laka al-ḥamd’ (En voor U is de lof).Ik heb onthouden dat hij zei: “Hij was aan zijn rechterzijde gewond.”Toen wij van bij Zuhrī weggingen, zei Ibn Jurayj, terwijl ik bij Zuhrī aanwezig was: “Hij was aan zijn rechterbeen gewond geraakt.”
- حديث عَائِشَةَ أُمِّ الْمُؤْمِنِينَ، أَنَّهَا قَالَتْ: صَلَّى رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي بَيْتِهِ وَهُوَ شَاكٍ، فَصَلَّى جَالِسًا وَصَلَّى وَرَاءَهُ قَوْمٌ قِيَامًا، فَأَشَارَ إِلَيْهِمْ أَنِ اجْلِسُوا؛ فَلَمَّا انْصَرَفَ قَالَ: إِنَّمَا جُعِلَ الإِمَامُ لِيُؤْتَمَّ بِهِ، فَإِذَا رَكَعَ فَارْكَعُوا، وَإِذَا رَفَعَ فَارْفَعُوا، وَإِذَا صَلَّى جَالِسًا فَصَلُّوا جُلُوسًا233-) Van ʿĀishah (رضي ا لله عنها) moeder der gelovigen: Tijdens de ziekte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte hij zittend de ṣalāh in zijn huis. Maar de mensen (achter hem) verrichtten de ṣalāh staande. Toen gaf hij hun het teken om te gaan zitten. Na de ṣalāh zei hij : 'De imām is er om gevolgd te worden. Dus wanneer hij neerbuigt (ruku`), buig mee, wanneer hij zijn hoofd opheft, hef je hoofd op, wanneer hij zittend ṣalāh verricht, verricht dan allemaal zittend.'
٢٣٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ إِنَّمَا جُعِلَ الإِمَامُ لِيُؤْتَمَّ بِهِ، فَإِذَا كَبَّرَ فَكَبِّرُوا، وَإِذَا رَكَعَ فَارْكَعُوا، وَإِذَا قَالَ سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ، فَقُولوا: رَبَّنَا وَلَكَ الْحَمْدُ، وَإِذَا سَجَدَ فَاسْجُدُوا، وَإِذَا صَلَّى جَالِسًا فَصَلُّوا جُلُوسًا أَجْمَعُونَ234-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “De imām is slechts aangesteld om gevolgd te worden.
Dus wanneer hij de takbīr zegt, zeg dan ook takbīr; wanneer hij in rukūʿ gaat, ga dan in rukūʿ; en wanneer hij zegt: ‘Samiʿa -llāhu līmān ḥamidah’, zeg dan: ‘Rabbanā wa laka al-ḥamd’; en wanneer hij in sajdah gaat, verricht dan ook sajdah. En als hij de ṣalāh zittend verricht, verricht dan de ṣalāh allen zittend.”
[Imām Bukhārī voegt hierna een verklaring van zijn leraar al-Humaydi: “Wanneer de imām zittend ṣalāh verricht, verricht dan ook zittend.” Deze uitspraak was tijdens de eerdere ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft later, terwijl de gemeenschap stond, zelf zittend ṣalāh verricht en hen niet opgedragen ook te zitten. De laatste praktijk van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wordt als leidraad genomen.In dit verband zei Shah Waliyyullah al-Dihlawī: “Het gedeelte van de ḥadīth: 'Als de imām zittend ṣalāh verricht, verricht dan ook allemaal zittend' is opgeheven (mansukh). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft aan het einde van zijn leven de gemeenschap laten staan terwijl hij zelf zittend ṣalāh verrichtte, en dit is bewijs van de afschaffing (naskh). De reden voor de afschaffing (van deze regelgeving) is als volgt: wanneer de imām zittend ṣalāh verricht terwijl de gemeenschap staat, lijkt dit op de overmatige eerbied die de Perzische koningen ontvingen. Dit wordt inderdaad in sommige aḥadīth expliciet vermeld.
Toen de islamitische principes stevig waren gevestigd en de afwijkingen van de shari`ah in veel regels wijdverspreid waren, begon een ander principe sterk te worden, namelijk dat staan (qiyam) vereist is en dat het niet toegestaan is om zonder geldige reden te zitten. De gemeenschap heeft echter geen geldige reden om zittend te ṣalāh te verrichten.”] (AFK)
Het aanstellen van een plaatsvervanger door de imām wanneer er een geldige reden is zoals ziekte of reizen
استخلاف الإمام إِذا عرض له عذر من مرض وسفر وغيرهما من يصلي بالناس٢٣٥ - حديث عَائِشَةَ عَنْ عُبَيْدِ اللهِ بْنِ عَبْدِ اللهِ بْنِ عُتْبَةَ، قَالَ: دَخَلْتُ عَلَى عَائِشَةَ فَقُلْتُ: أَلاَ تُحَدِّثِينِي عَنْ مَرَضِ رَسُولِ اللهِ ﷺ قَالَتْ: بَلَى ثَقُلَ النَّبِيُّ ﷺ، فَقَالَ: أَصَلَّى النَّاسُ قُلْنَا: لاَ، هُمْ يَنْتَظِرُونَكَ؛ قَالَ: ضُعُوا لِي مَاءً فِي الْمِخْضَبِ قَالَتْ: فَفَعَلْنَا، فَقَعَدَ فَاغْتَسَلَ، ثُمَّ ذَهَبَ لِيَنُوءَ فَأُغْمِيَ عَلَيْهِ، ثُمَّ أَفَاقَ؛ فَقَالَ ﷺ: أَصَلَّى النَّاسُ قُلْنَا: لاَ، هُمْ يَنْتَظِرُونَكَ يَا رَسُولَ اللهِ قَالَ: ضَعُوا لِي مَاءً فِي الْمِخْضَبِ قَالَتْ: فَقَعَدَ فَاغْتَسَلَ، ثُمَّ ذَهَبَ لِيَنُوءَ، فَأُغْمِيَ عَلَيْهِ، ثُمَّ أَفَاقَ فَقَالَ: أَصَلَّى النَّاسُ قُلْنَا: لاَ، هُمْ يَنْتَظِرُونَكَ يَا رَسُولَ اللهِ فَقَالَ ضَعُوا لِي مَاءً فِي الْمِخْضَبِ فَقَعَدَ فَاغْتَسَلَ، ثُمَّ ذَهَبَ لِيَنُوءَ، فَأُغْمِيَ عَلَيْهِ، ثُمَّ أَفَاقَ فَقَالَ أَصَلَّى النَّاسُ فَقُلْنَا لاَ، هُمْ يَنْتَظِرونَكَ يَا رَسُولَ اللهِ وَالنَّاسُ عُكُوفٌ فِي الْمَسْجِدِ يَنْتَظِرُونَ النَّبِيَّ ﷺ لِصَلاَةِ الْعِشَاءِ الآخِرَةِ؛ فَأَرْسَلَ النَّبِيُّ ﷺ إِلَى أَبِي بَكْرٍ بِأَنْ يُصَلِّيَ بِالنَّاسِ، فَأَتَاهُ الرَّسُولُ فَقَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَأْمُرُكَ أَنْ تُصَلِّيَ بِالنَّاسِ، فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ، وَكَانَ رَجُلًا رَقِيقًا: يَا عُمَر صَلِّ بِالنَّاسِ، فَقَالَ لَهُ عُمرُ: أَنْتَ أَحَقُّ بِذَلِكَ، فَصَلَّى أَبُو بَكْرٍ
تِلْكَ الأَيَّام
ثُمَّ إِنَّ النَّبِيَّ ﷺ وَجَدَ مِنْ نَفْسِهِ خِفَّةً فَخَرَجَ بَيْنَ رَجُلَيْنِ، أَحَدُهُمَا الْعَبَّاسُ، لِصَلاَةِ الظُّهْرِ، وَأَبُو بَكْرٍ يُصَلِّي بِالنَّاسِ؛ فَلَمَّا رَآهُ أَبُو بَكْر ذَهَبَ لِيَتأَخَّرَ، فَأَوْمَأَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ بِأَنْ لاَ يَتَأَخَّرَ؛ قَالَ: أَجْلِسَانِي إِلَى جَنْبِهِ، فَأَجْلَسَاهُ إِلَى جَنْبِ أَبِي بَكْرٍ، قَالَ: فَجَعَلَ أَبُو بَكْرٍ يُصَلِّي وَهُوَ يَأْتَمُّ بِصَلاَةِ النَّبِيِّ ﷺ، وَالنَّاسُ بِصَلاَةِ أَبِي بَكْرٍ وَالنَّبِيُّ ﷺ قَاعِدٌ
قَالَ عُبَيْدُ اللهِ: فَدَخَلْتُ عَلَى عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، فَقُلْتُ لَهُ: أَلاَ أَعْرِضُ عَلَيْكَ مَا حدَّثَتْنِي عَائِشَةُ عَنْ مَرَضِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: هَاتِ؛ فَعَرَضْتُ عَلَيْهِ حَدِيثَهَا فَمَا أَنْكَرَ مِنْهُ شَيئًا، غَيْرَ أَنَّهُ قَالَ أَسَمَّتْ لَكَ الرَّجُلَ الَّذِي كَانَ مَعَ الْعَبَّاسِ قُلْتُ: لاَ؛ قَالَ: هُوَ عَلِيٌّ
235-) Van Ubaydullah ibn `Abdullah ibn Utbah (رضي الله عنه): Ik ging naar ʿĀishah en vroeg haar: “Wil je me niet vertellen over de ziekte van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ?” ʿĀishah antwoordde: 'Ja, ik zal het je vertellen.' Ze zei: “Toen de ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verergerde, vroeg hij: 'Hebben de mensen de ṣalāh verricht?' Wij antwoordden: 'Nee, ze wachten op u, o Rasûlullāh .Hij zei: 'Breng mij een waskom met water.' Toen hij zich had gewassen en probeerde op te staan, zakte hij onmiddellijk weer neer.Maar na een moment krabbelde hij overeind en vroeg opnieuw: “Hebben de mensen de ṣalāh verricht?' Wij antwoordden: 'Nee, ze wachten op u, o Rasûlullāh.' Hij vroeg opnieuw om waskom met water en waste zich opnieuw.Maar toen zei hij weer: 'Hebben de mensen de ṣalāh verricht?' En wij antwoordden weer hetzelfde. Ondertussen wachtten de mensen op an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de moskee op de ṣalāh al-`ishā’, de laatste (ṣalāh van de dag). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stuurde iemand naar Abû Bakr met het bericht dat hij de mensen voor moest gaan voor de ṣalāh. Toen de boodschapper aankwam en zei: 'Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft jou gevraagd om de ṣalāh te leiden,' zei Abû Bakr, die zachtmoedig was: 'O `Umar, jij bent meer geschikt om (de ṣalāh) te leiden.' ` Umar antwoordde: 'Jij bent degene die hier meer recht op heeft.' In die dagen leidde Abû Bakr de ṣalāh.
Later voelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich beter en ging hij tussen twee mensen (een ervan was `Abbās) naar de moskee voor de ṣalāh aẓ-ẓuhr (middag ṣalāh). Terwijl Abû Bakr de ṣalāh leidde, zag hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en probeerde terug te trekken. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebaarde echter dat hij niet moest terugtrekken. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Zet me naast hem neer.” Ze zetten hem naast Abû Bakr neer. Abû Bakr volgde de ṣalāh van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en de mensen volgden de ṣalāh van Abû Bakr, terwijl an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zittend ṣalāh verrichtte en zij staande de ṣalāh verrichtten.`Ubaydullah zei: “Ik ging naar `Abdullah ibn `Abbās en vroeg hem: 'Zal ik je vertellen wat ʿĀishah me verteld heeft over de ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ?'Ibn `Abbās zei: 'Ja, vertel het me.' Ik vertelde hem de ḥadīth van ʿĀishah. Hij ontkende niets, maar vroeg: 'Noemde zij de naam van degene die samen met `Abbās was?' Ik zei: 'Nee.' Hij (Ibn `Abbās) zei: 'Dat was `Ali.'
٢٣٦ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمَّا ثَقُلَ النَّبِيُّ ﷺ، فَاشْتَدَّ وَجَعُهُ، اسْتَأْذَنَ أَزْوَاجَهُ أَنْ يُمَرَّضَ فِي بَيْتِي، فَأَذِنَّ لَهُ، فَخَرَجَ بَيْنَ رَجُلَيْنِ تَخُطُّ رِجْلاَهُ الأَرْضَ، وَكَانَ بَيْنَ الْعَبَّاسِ وَبَيْنَ رَجُلٍ آخَرَ؛ فَقَالَ عُبَيْدُ اللهِ (راوي الحديث) فَذَكَرْتُ لاِبْنِ عَبَّاسٍ مَا قَالَتْ عَائِشَةُ؛ فَقَالَ: وَهَلْ تَدْرِي مَنِ الرَّجُلُ الَّذِي لَمْ تُسَمِّ عَائِشَةُ قُلْتُ: لاَ، قَالَ: هُوَ عَلِيُّ بْنُ أَبِي طَالِبٍ236-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Toen de ziekte van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verergerde, vroeg hij zijn vrouwen om toestemming om zich door mij te laten verzorgen. Dit werd hem toegestaan.Hij kwam naar buiten terwijl hij leunde op de schouders van twee mannen, zijn voeten sleepten over de grond. Hij was tussen `Abbās en een andere man.`Ubaydullah zei: “Ik vertelde `Abdullah ibn `Abbās wat ʿĀishah had gezegd.
Hij vroeg: 'Weet je wie die andere man is, wiens naam ʿĀishah niet heeft genoemd?' Ik zei: 'Nee.' Hij (Ibn `Abbās) zei: 'Dat was `Ali ibn Abû Tālib'“
٢٣٧ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَقَدْ رَاجَعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي ذَلِكَ وَمَا حَمَلَنِي عَلَى كَثْرَةِ مُرَاجَعَتِهِ إِلاَّ أَنَّهُ لَمْ يَقَعْ فِي قَلْبِي أَنْ يُحِبَّ النَّاسُ بَعْدَهُ رَجُلًا قَامَ مَقَامَهُ أَبَدًا وَلاَ كُنْتُ أُرَى أَنَّهُ لَنْ يَقُومَ أَحَدٌ مَقَامَهُ إِلاَّ تَشَاءَمَ النَّاسُ بِهِ، فَأَرَدْتُ أَنْ يَعْدِلَ ذَلِكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ أَبِي بَكْرٍ237-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wees tijdens zijn laatste ziekte vóór zijn overlijden Abû Bakr aan de mensen in de ṣalāh te leiden. Ik heb Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vaak gevraagd om Abû Bakr niet met deze taak te belasten. De reden waarom ik dit deed, was dat ik vreesde dat de mensen degene die de plaats van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zou innemen, niet zouden waarderen. Ik dacht dat de mensen negatief zouden zijn tegenover degene die zijn plaats zou innemen. Daarom vroeg ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om de opdracht die hij aan Abû Bakr had gegeven, in te trekken.
٢٣٨ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمَّا مَرِضَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَرَضَهُ الَّذِي مَاتَ فِيهِ، فَحَضَرَتِ الصَّلاَةُ فَأُذِّنَ، فَقَالَ: مُرُوا أَبَا بَكْرٍ فَلْيُصَلِّ بِالنَّاسِ فَقِيلَ لَهُ: إِنَّ أَبَا بَكْرٍ رجلٌ أَسِيفٌ إِذَا قَامَ فِي مَقَامِكَ لَمْ يَسْتَطِعْ أَنْ يُصَلِّي بِالنَّاسِ وَأَعَادَ فَأَعَادُوا لَهُ، فَأَعَادَ الثَّالِثَةَ، فَقَالَ: إِنَّكُنَّ صَوَاحِبُ يُوسُفَ، مُرُوا أَبَا بَكْرٍ فَلْيُصَلِّ بِالنَّاسِ؛ فَخَرَجَ أَبُو بَكْرٍ فَصَلَّى، فَوَجَدَ النَّبِيُّ ﷺ مِنْ نَفْسِهِ خِفَّةً، فَخَرَجَ يُهَادَى بَيْنَ رَجُلَيْنِ، كَأَنِّي أَنْظُرُ رِجْلَيْهِ تَخُطَّانِ الأَرْضَ مِنَ الْوَجَعِ، فَأَرَادَ أَبُو بَكْرٍ أَنْ يَتَأَخَّرَ فَأَوْمَأَ إِلَيْهِ النَّبِيُّ ﷺ أَنْ مَكَانَكَ، ثُمَّ أُتِيَ بِهِ حَتَّى جَلَسَ إِلَى جَنْبِهِ فَكَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي وأَبُو بَكْرٍ يُصَلِّي بِصَلاَتِهِ، وَالنَّاسُ يُصَلُّونَ بِصَلاَةِ أَبِي بَكْرٍ238 – Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ziek werd, de ziekte waaraan hij overleed, was de tijd voor de ṣalāh aangebroken.
Er werd de aḏān opgelezen.
Daarop zei hij: “Geef Abū Bakr opdracht de mensen in de ṣalāh te leiden.”Men zei tegen hem: “Abū Bakr is een zachtaardig man; als hij op uw plek staat, zal hij (uit verdriet) niet in staat zijn de mensen in de ṣalāh te leiden.”Hij herhaalde (zijn bevel), en zij herhaalden (hun bezwaren).
Toen zei hij voor de derde keer:“Voorwaar, jullie zijn als de vrouwen (in het tijdperk) van Yūsuf (عليه السلام).
Geef Abū Bakr opdracht de mensen in de ṣalāh te leiden!”Toen ging Abū Bakr naar buiten en leidde de ṣalāh.Daarna voelde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich wat lichter, en hij kwam naar buiten terwijl twee mannen hem ondersteunden. Het was alsof ik zijn voeten over de grond zag slepen vanwege de pijn.Abū Bakr wilde een stap terugdoen (van de imāmaat), maar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gaf hem een teken om op zijn plaats te blijven.Toen werd hij naar voren gebracht totdat hij naast hem zat. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh, en Abū Bakr verrichtte de ṣalāh door hem te volgen, en de mensen verrichtten de ṣalāh door de ṣalāh van Abū Bakr te volgen.
٢٣٩ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمَّا ثَقُلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ جَاءَ بِلاَلٌ يُؤْذِنُهُ بِالصَّلاَةِ فَقَالَ: مُرُوا أَبَا بَكْرٍ أَنْ يُصَلِّيَ بِالنَّاسِ، فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ أَبَا بَكْرٍ رَجُلٌ أَسِيفٌ وَإِنَّهُ مَتَى مَا يَقُمْ مَقَامَكَ لاَ يُسْمِعُ النَّاسَ فَلَوْ أَمَرْتَ عُمَرَ فَقَالَ: مُرُوا أَبَا بَكْرٍ يُصَلِّي بِالنَّاسِ؛ فَقُلْتُ لِحَفْصَةَ: قُولِي لَهُ إِنَّ أَبَا بَكْرٍ رَجُلٌ أَسِيفٌ، وَإِنَّهُ مَتَى يَقُمْ مَقَامَكَ لاَ يُسْمِعُ النَّاسَ فَلَوْ أَمَرْتَ عُمَرَ قَالَ: إِنَّكُنَّ لأَنْتُنَّ صَوَاحِبُ يُوسُفَ، مُرُوا أَبَا بَكْرٍ أَنْ يُصَلِّيَ بِالنَّاس؛ فَلَمَّا دَخَلَ فِي الصَّلاَةِ وَجَدَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي نَفْسِهِ خِفَّةً، فَقَامَ يُهَادَى بَيْنَ رَجُلَيْنِ، وَرِجْلاَهُ تَخُطَّانِ فِي الأَرْضِ حَتَّى دَخَلَ الْمَسْجِدَ؛ فَلَمَّا سَمِعَ أَبُو بَكْرٍ حِسَّهُ، ذَهَبَ أَبُو بَكْرٍ يَتَأَخَّرُ؛ فَأَوْمَأَ إِلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَجَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حَتَّى جَلَسَ عَنْ يَسَارٍ أَبِي بَكْرٍ، فَكَانَ أَبُو بَكْرٍ يُصَلِّي قَائِمًا، وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُصَلِّي قَاعِدًا، يَقْتَدِي أَبُو بَكْرٍ بِصَلاَةِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَالنَّاسُ مُقْتَدُونَ بِصَلاَةِ أَبِي بَكْرٍ ﵁239 -) Van Ā’ishah (رضي الله عنها):Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) erg ziek werd, kwam Bilāl om hem op de hoogte te stellen van de tijd voor de ṣalāh.Toen zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Geef Abū Bakr het bevel de mensen in de ṣalāh te leiden.”Ik zei: “O Rasûlullāh, Abū Bakr is een
gevoelig (emotioneel) man. Wanneer hij op uw plaats komt te staan, zal hij de mensen niet goed verstaanbaar kunnen leiden.Als u ʿUmar zou bevelen (in zijn plaats)?”Hij zei (opnieuw): “Beveel Abū Bakr de mensen in de ṣalāh te leiden.”Dus ik zei tegen Ḥafṣah: “Zeg jij het hem, dat Abū Bakr een gevoelig man is en dat hij de mensen niet goed zal kunnen laten horen als hij op uw plaats staat.Vraag hem of hij ʿUmar wil bevelen.”Daarop zei hij: “Jullie zijn net als de vrouwen (in het tijdperk) van Yūsuf!Beveel Abū Bakr de mensen in de ṣalāh te leiden.”Toen Abū Bakr met de ṣalāh begon, voelde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich iets beter.Hij kwam (naar de moskee) terwijl hij tussen twee mannen werd ondersteund en zijn voeten sleepten over de grond totdat hij de moskee binnenging.Toen Abū Bakr zijn (stem) hoorde, wilde hij zich terugtrekken (uit de ṣalāh), maar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf hem een teken om te blijven staan.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam toen naast Abū Bakr zitten, aan zijn linkerzijde.Abū Bakr verrichtte ṣalāh staand, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zittend, waarbij Abū Bakr zich richtte naar de ṣalāh van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), en de mensen volgden de ṣalāh van Abū Bakr (رضي الله عنه).
٢٤٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ الأَنْصَارِيِّ، وَكَانَ تَبِعَ النَّبِيَّ ﷺ وَخَدَمَهُ، وَصَحْبَهُ، أَنَّ أَبَا بَكْرٍ كَانَ يُصَلِّي لَهُمْ فِي وَجَعِ النَّبِيِّ ﷺ الَّذِي تُوُفِّيَ فِيهِ، حَتَّى إِذَا كَانَ يَوْمُ الاثْنَيْنِ وَهُمْ صُفُوفٌ فِي الصَّلاَةِ، فَكَشَفَ النَّبِيُّ ﷺ سِتْرَ الْحُجْرَةِ، يَنْظُرُ إِلَيْنَا وَهُوَ قَائِمٌ كَأَنَّ وَجْهَهُ وَرَقَةُ مُصْحَفٍ، ثُمَّ تَبَسَّمَ يَضْحَكُ، فَهَمَمْنَا أَنْ نَفْتَتِنَ مِنَ الْفَرَحِ بِرُؤْيَةِ النَّبِيِّ ﷺ، فَنَكَصَ أَبُو بَكْرٍ عَلَى عَقِبَيْهِ لِيَصِلَ الصَّفَّ، وَظَنَّ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ خَارِجٌ إِلَى الصَّلاَةِ، فَأَشَارَ إِلَيْنَا النَّبِيُّ ﷺ أَنْ أَتِمُّوا صَلاَتَكمْ، وَأَرْخَى السِّتْرَ، فَتُوُفِّيَ مِنْ يَوْمِهِ240-) Anas Ibn Mâlik al Ansārī (رضي الله عنه):( Anas heeft an-Nabī , (صلى الله عليه وسلم) gevolgd, hem gediend en is zijn metgezel geweest) zei: “Tijdens an-Nabī’s (صلى الله عليه وسلم) ziekte waaraan hij stierf, leidde Abû Bakr de mensen in de ṣalāh.
Op een maandag, toen de moslims zich in de rij voor de ṣalāh hadden opgesteld, trok an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het gordijn van de kamer open. Hij keek staand naar ons. Zijn gezicht was als een bladzijde van de Muṣḥaf (Qur’ān, dat wil zeggen, het was stralend van vreugde) en toen glimlachte hij. We waren zo blij om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te zien, dat we bijna uit de ṣalāh kwamen. Abû Bakr dacht dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh zou leiden, en hij trok zich terug naar de rij achter hem. Toen gebaarde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons: “Maak je ṣalāh af,” en hij liet het gordijn weer zakken. Op die dag stierf hij.”
[De uitspraak “Zijn gezegend gezicht was als een bladzijde van de Muṣḥaf” betekent dat zijn gezicht uitermate mooi, en zijn gezegende huid zo helder wit en stralend was als een bladzijde. Het gebruik van het woord Muṣḥaf in deze overlevering is echter afkomstig uit de bewoording van de verteller, want op dat moment was de Qur’ān nog niet in de vorm van een gebundelde Muṣḥaf geschreven.De reden dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) glimlachte toen hij zijn metgezellen in rijen zag staan, als engelen in rijen, was dat zij de eenheid binnen de Islām eerden en een praktijk voortzetten waaraan zij altijd trouw waren gebleven.] (HA)
٢٤١ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: لَمْ يَخْرُجِ النَّبِيُّ ﷺ ثَلاَثًا، فَأُقِيمَتِ الصَّلاَةُ، فَذَهَبَ أَبُو بَكْرٍ يَتَقَدَّمُ؛ فَقَالَ نَبِيُّ اللهِ ﷺ بِالْحِجَابِ فَرَفَعَهُ، فَلَمَّا وَضَحَ وَجْهُ النَّبِيِّ ﷺ، مَا نَظَرْنَا مَنْظَرًا كَانَ أَعْجَبَ إِلَيْنَا مِنْ وَجْهِ النَّبِيِّ ﷺ حِينَ وَضَحَ لَنَا، فَأَوْمَأَ النَّبِيُّ ﷺ بِيَدِهِ إِلَى أَبِي بَكْرٍ أَنْ يَتَقَدَّمَ، وَأَرْخَى النَّبِيُّ ﷺ الْحِجَابَ، فَلَمْ يُقْدَرْ عَلَيْهِ حَتَّى مَاتَ
241-) Van Anas ibn Mâlik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was drie dagen (nadat hij zittend ṣalāh verrichtte) niet naar de moskee gekomen. Iqamah werd opgezegd en Abû Bakr had de leiding in de ṣalāh overgenomen. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield het gordijn vast en tilde het op. Het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verscheen. Toen we het gezicht van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zagen, was het het mooiste gezicht dat we ooit hadden gezien. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebaarde naar Abû Bakr om de ṣalāh te leiden. Daarna liet hij het gordijn zakken en kon hij niet meer naar ons komen, en uiteindelijk stierf hij (die dag).”
٢٤٢ - حديث أَبِي مُوسى، قَالَ: مَرِضَ النَّبِيُّ ﷺ فَاشْتَدَّ مَرَضُهُ، فَقَالَ: مُرُوا أَبَا بَكْرٍ فَلْيُصَلِّ بِالنَّاسِ قَالَتْ عَائِشَةُ: إِنَّهُ رَجُلٌ رَقِيقٌ إِذَا قَامَ مَقَامَكَ لَمْ يَسْتَطِعْ أَنْ يُصَلِّيَ بِالنَّاس، قَالَ: مُرُوا أَبَا بَكْرٍ فَلْيُصَلِّ بِالنَّاسِ، فَعَادَتْ، فَقَالَ: مُرِي أَبَا بَكْرٍ فَلْيُصَلِّ بِالنَّاسِ فَإِنَّكُنَّ صَوَاحِبُ يُوسُفَ فَأَتَاهُ الرَّسُولُ فَصَلَّى بِالنَّاسِ فِي حَيَاةِ النَّبِيِّ ﷺ242-) Abû Musa (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd ziek en zijn ziekte verergerde. Hij zei: 'Zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen in de ṣalāh moet leiden.' ʿĀishah zei: 'Hij is een zachtaardig persoon, hij kan de mensen niet in de ṣalāh leiden in uw plaats.' Hij herhaalde: 'Zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen in de ṣalāh moet leiden.' ʿĀishah herhaalde haar bezwaar. Hij zei: 'Zeg tegen Abû Bakr dat hij de mensen in de ṣalāh moet leiden. Jullie zijn zoals de vrouwen (in het tijdperk) van Yusuf (jullie verbergen wat jullie denken).'“ Een boodschapper (Bilâl) berichtte Abû Bakr, die de ṣalāh leidde tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) .”
Wanneer de imām verlaat is en het aanstellen van iemand door de gemeenschap als imam, wanneer er geen bezwaar in hem wordt gezien
تقديم الجماعة من يصلي بهم إِذا تأخر الإمام ولم يخافوا مفسدة بالتقدي
٢٤٣ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ السَّاعِدِيِّ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ ذَهَبَ إِلَى بَنِي عَمْرِو بْنِ عَوْفٍ لِيُصْلِحَ بَيْنَهُمْ، فَحَانَتِ الصَّلاَةُ، فَجَاءَ الْمُؤَذِّنُ إِلَى أَبِي بَكْرٍ، فَقَالَ: أَتُصَلِّي بِالنَّاسِ فَأُقِيم قَالَ: نَعَمْ فَصَلَّى أَبُو بَكْرٍ؛ فَجَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَالنَّاسُ فِي الصَّلاَةِ، فَتَخَلَّصَ حَتَّى وَقَفَ فِي الصَّفِّ، فَصَفَّقَ النَّاسُ، وَكَانَ أَبُو بَكْرٍ لاَ يَلْتَفِتُ فِي صَلاَتِهِ، فَلَمَّا أَكْثَرَ النَّاسُ التَّصْفِيقَ الْتَفَتَ فَرَأَى رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَأَشَارَ إِلَيْهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَنِ امْكُثْ مَكَانَكَ، فَرَفَعَ أَبُو بَكْرٍ ﵁ يَدَيْهِ فَحَمِدَ اللهَ عَلَى مَا أَمَرَهُ بِهِ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ ذلِكَ، ثُمَّ اسْتَأْخَرَ أَبُو بَكْرٍ حَتَّى اسْتَوَى فِي الصَّفِّ، وَتَقَدَّمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَصَلَّى؛ فَلَمَّا انْصَرَفَ، قَالَ: يَا أَبَا بَكْرٍ مَا مَنَعَكَ أَنْ تَثْبُتَ إِذْ أَمَرْتُكَ فَقَالَ أَبُو بَكْرٍ: مَا كَانَ لاِبْنِ أَبِي قُحَافَةَ أَنْ يُصَلِّي بَيْنَ يَدَيْ رَسُولِ اللهِ ﷺ؛ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَا لِي رَأَيْتُكُمْ أَكْثَرْتُمُ التَّصْفِيقَ مَنْ رَابَهُ شَيْءٌ فِي صَلاَتِهَ فَلْيُسَبِّحْ فَإِنَّهُ إِذَا سَبَّحَ الْتُفِتَ إِلَيْهِ، وَإِنَّمَا التَّصْفِيقُ لِلنِّسَاءِ243-) Van Sahl Ibn Sa'd as-Sâidî (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar de zonen van Amr Ibn Avf om hun zaken (onderlinge onenigheid) te regelen toen het tijd was voor de ṣalāh.
De muʾaḏḏhin kwam naar Abû Bakr en vroeg: 'Zal ik de oproep (iqāmah) doen en u de mensen in de ṣalāh gaat leiden?' Hij antwoordde: 'Ja.' Vervolgens leidde Abû Bakr de ṣalāh. Terwijl de mensen ṣalāh aan het verrichten waren, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen en ging naar de voorste rij. De mensen klapten, maar Abû Bakr keek niet achterom terwijl hij de ṣalāh leidde. Toen de mensen echter harder klapten, keek hij achterom en zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) . Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gebaarde naar Abû Bakr om op zijn plaats te blijven. Abû Bakr (رضي الله عنه) was Allāh dankbaar voor de gebaren van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), bleef op zijn plaats staan en begon langzaam naar de achterste rij (eerste rij) te bewegen. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar voren en leidde de ṣalāh. Toen de ṣalāh was afgelopen, zei hij: 'O Abû Bakr, wat heeft je ervan weerhouden om op je plaats te blijven, terwijl ik je dat had bevolen?' Abû Bakr antwoordde: 'Het is niet gepast voor de zoon van Abû Kuhâfah voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh te verrichten (m.a.w. de ṣalāh leiden in de aanwezigheid van an-Nabī ).' Vervolgens zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen de gemeenschap: 'Waarom klappen jullie zo veel? Als er iets verkeerds gebeurt in de ṣalāh, moet men 'Subhânallah' zeggen. Als men zegt “Subhânallah”,dan wordt dit in acht genomen. Zeker, het klappen met de handen om de imām te waarschuwen voor een fout die hij in de ṣalāh maakt, is uitsluitend voor vrouwen bedoeld.
Mannen zeggen tasbīḥ en de vrouwen klappen wanneer er iets onverwachts gebeurt tijdens de ṣalāh
تسبيح الرجل وَتصفيق المرأة إِذا نابهما شيء في الصلاة٢٤٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: التَّسْبِيحُ لِلرِّجَالِ وَالتَّصْفِيقُ لِلنِّسَاءِ244-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ''Subhânallah' zeggen is voor de mannen en de handgebaren (klappen) zijn voor de vrouwen.'
[In het geval van een vergissing van de imām in de ṣalāh, moeten mannen hem waarschuwen door 'Subhânallah' te zeggen, terwijl vrouwen dit doen door te klappen.] (AFK)
Het bevel om de ṣalāh mooi, volledig en in nederigheid te verrichten
الأمر بتحسين الصلاة وإِتمامها والخشوع فيها٢٤٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: هَلْ تَرَوْنَ قِبْلَتِي ههُنَا فَوَاللهِ مَا يَخْفَى عَلَيَّ خُشُوعُكُمْ وَلاَ رُكُوعُكْم، إِنِّي لأَرَاكُمْ مِنْ وَرَاءِ ظَهْرِي245-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Denken jullie echt dat ik niet zie wat er achter mij gebeurt, alleen omdat de qiblah deze kant op wijst? Bij Allāh, jullie nederigheid (khushu`) (in de ṣalāh) en jullie rukû` blijven voor mij niet verborgen. Want ik zie jullie zelfs achter mij’
[Het verrichten van de ṣalāh volgens een vaste orde en discipline biedt allereerst de biddende zelf, en ook de andere moslims die in gemeenschap bidden, de mogelijkheid om geconcentreerd (khushūʿ) te bidden. Deze ḥadīth benadrukt het correct in rijen staan tijdens de ṣalāh. De ṣalāh, die het leven van de moslim ordent en disciplineert, leert deze ordelijkheid zelfs tijdens de uitvoering aan het individu.In een andere overlevering zegt Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Houd jullie rijen goed gesloten tijdens de ṣalāh, want ik zie jullie ook achter mij.” (Bukhārī, Aḏān, 76). Het wordt verteld dat wanneer de ṣaḥābah in rijen stonden, iedereen zijn schouder dicht tegen die van de buurman hield en zijn voet naast die van de buurman plaatste, zodat de rijen strak en samenhangend waren.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had de intentie zijn ṣaḥābah te onderwijzen hoe in de ṣalāh de rijen en orde moeten worden gehouden, en benadrukte daarmee het belang van discipline in de ṣalāh. Het feit dat hij vermeldde dat hij ziet wat er achter hem gebeurt, wijst erop dat hij door Allāhu تَعَالَى geïnformeerd en beschermd wordt. Dit is uiteraard een bijzondere en exclusieve eigenschap van hem.] (Diyanet)
٢٤٦ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: أَقِيمُوا الرُّكُوعَ وَالسُّجُودَ فَوَاللهِ إِنِّي لأَرَاكُمْ مِنْ بَعْدِي، وَرُبَّمَا قَالَ: مِنْ بَعْدِ ظَهْرِي إِذَا رَكَعْتُمْ وَسَجَدْتُمْ246-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Doe je rukû` en sajdah (neerbuigen en prosternatie) correct. Bij Allāh, ik zie jullie ook achter mij als jullie rukû` en sajdah verrichten. “En misschien zei hij: 'Achter mijn rug, wanneer jullie rukūʿ en sajdah verrichten.”
Het verbod om vóór de imām te buigen, te knielen of andere pilaren (van de ṣalāh) te verrichten
النهي عن سبق الإمام بركوع أو سجود ونحوهما٢٤٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: أَمَا يَخْشَى أَحَدُكُمْ، أَوْ لاَ يَخْشَى أَحَدُكُمْ إِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ قَبْلَ الإِمَامِ أَنْ يَجْعَلَ اللهُ رَأْسَهُ رَأْسَ حِمَارٍ، أَوْ يَجْعَلَ اللهُ صُورَتَهُ صُورَةَ حِمَارٍ247-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Is niemand dan bevreesd?” of: “Is er dan niemand onder jullie die vreest, dat zijn hoofd veranderd wordt in het hoofd van een ezel, of dat zijn gelaat veranderd wordt in het gelaat van een ezel, wanneer hij zijn hoofd (tijdens ṣalāh al-farḍ) opheft uit de sajdah vóór de imām?
[Tijdens de ṣalāh moeten we ons realiseren dat we staan voor het aangezicht van de Almachtige, Rabbi’l-Âlamīn. Zoals men eerbied toont voor de tijdelijke koningen van deze wereld, zo dienen wij ons in uiterste respect voor Allāh te gedragen. Respectloosheid in onze ṣalāh weerspiegelt ons gedrag. Daarom moeten we onze ṣalāh op de best mogelijke manier verrichten, ongepaste bewegingen vermijden en de volgorde en orde van onze ṣalāh niet verstoren.] (AFK)
[Deze ḥadīth benadrukt voor de moslim het belang van orde en discipline bij het verrichten van de ṣalāh in gemeenschap (jamāʿah). Ze vormt een duidelijke waarschuwing dat men de imām moet volgen tijdens de ṣalāh in gemeenschap. In de ṣalāh in gemeenschap mag men de buiging (rukūʿ) of zich nederwerping (sajdah) niet eerder uitvoeren dan de imām, en men mag ook niet eerder uit de rukūʿ of sajdah opstaan.De in de ḥadīth gebruikte uitdrukking “hoofd van een ezel” verwijst naar de chaos en wanorde die ontstaat wanneer de discipline in de ṣalāh wordt verwaarloosd. Deze beeldspraak moet niet letterlijk worden genomen; zij wijst op een bizarre, eigenzinnige en disharmonische houding tijdens de ṣalāh.] (Diyanet)
[Deze ḥadīth bevat een ernstige waarschuwing voor wie zijn hoofd optilt uit de sujūd of eerder uit de rukūʿ opstaat dan de imām.
Ibn Ḥajar en al-ʿAynī verklaren dat de vermelding van een veranderde gedaante in deze ḥadīth letterlijk bedoeld zou zijn. Qāḍī Abū Bakr Ibn al-ʿArabī (overleden 543/1148) nuanceert dit echter: in deze ummah is er niemand wiens hoofd door Allāh werkelijk in dat van een ezel is veranderd, omdat de ummah beschermd is tegen fysieke transformaties.Wat hier bedoeld wordt, is eerder de innerlijke gelijkenis met de eigenschappen van een ezel, zoals domheid en koppigheid. Zo iemand probeert misschien wel de imām te volgen, maar handelt ertegen in, wat men in gewone termen kan omschrijven als “ezelachtig gedrag”. Volgens de meerderheid van de geleerden is het ḥarām om het hoofd vóór de imām op te tillen. Als het echter gebeurt, hoeft de ṣalāh niet opnieuw te worden verricht.] (HA)
Recht en ordelijk houden van de rijen
تسوية الصفوف وإقامتها٢٤٨ - حديث أَنَسٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: سَوُّوا صَفُوفَكمْ فَإِنَّ تَسْوِيَةَ الصُّفوفِ مِنْ إِقَامَةِ الصَّلاَةِ248-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Houd jullie rijen (in de farḍ-ṣalāh) recht, waarlijk, het recht maken van de rijen behoort tot het correct verrichten van de ṣalāh.”
٢٤٩ - حديث أَنَسٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: أَقِيمُو الصُّفُوفَ فَإِنِّي أَرَاكُمْ خَلْفَ ظَهْرِي249-) Van Anas (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Houd je rijen recht, waarlijk ik zie jullie ook achter mij.'
٢٥٠ - حديث النُّعْمَانِ بْنِ بَشِيرٍ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لَتُسَوُّنَّ صُفُوفَكُمْ، أَوْ لَيُخَالِفَنَّ اللهُ بَيْنَ وُجُوهِكُمْ250-) Van Nu`mān Ibn Bashîr (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Zorg ervoor dat de rijen recht zijn, want als je dat niet doet, zal Allāh verdeeldheid tussen jullie zaaien.' [Dat wil zeggen: er ontstaat vijandschap en haat tussen jullie, en jullie harten keren zich van elkaar af.] (HY)
Het rechtmaken van de rijen (ṣufūf) heeft als doel dat alle leden van een rij volledig op één lijn staan. Het opvullen van lege plekken tussen de rijen wordt taswiyah genoemd. In verschillende overleveringen van de ḥadīth worden de termen taswiyah, itmām en iqāmah allen gebruikt om hetzelfde te bedoelen: het ordelijk opstellen van de rijen.De waarschuwing “Zorg dat de rijen recht zijn…” is gericht tegen degenen die de rijen niet recht houden. Worden de rijen verstoord doordat mensen in verschillende richtingen kijken of hun positie niet handhaven, dan kan volgens sommigen een verandering in gezichtsuitdrukking of houding optreden als correctie.Sommigen interpreteren dit figuurlijk: “Allāh zal vijandschap en wrok in jullie harten brengen en jullie innerlijk veranderen,” omdat zichtbare chaos in de rijen leidt tot innerlijke tegenstrijdigheid. Andere geleerden nemen het letterlijk: “Stel je rijen recht!
Als je dat niet doet, zal Allāh jullie gezichten van hun oorspronkelijke richting afwenden, waardoor jullie een onaangenaam of verbroken voorkomen krijgen.”Volgens deze letterlijke uitleg valt de ḥadīth in dezelfde categorie als de waarschuwingen tegen degenen die hun hoofd vóór de imām optillen tijdens rukūʿ of sujūd. Volgens Abū Ḥanīfah, Imām ash-Shāfiʿī en Imām Mālik is het rechttrekken van de rijen in de ṣalāh een sunnah.] (HA)
٢٥١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لَوْ يَعْلَمُ النَّاسُ مَا فِي النِّدَاءِ وَالصَفِّ الأَوَّلِ، ثُمَّ لَمْ يَجِدُوا إِلاَّ أَنْ يَسْتَهِمُوا عَلَيْهِ لاَسْتَهَمُوا، وَلَوْ يَعْلَمُونَ مَا فِي التَّهْجِيرِ لاَسْتَبَقُوا إِلَيْهِ، وَلَوْ يَعْلَمُونَ مَا فِي الْعَتَمَةِ وَالصُّبْحِ لأَتَوْهُمَا وَلَوْ حَبْوًا251-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als de mensen wisten (welke beloning of welke deugd er schuilt) in het uitroepen van de aḏān en in de eerste rij, dan zouden zij geen andere uitweg vinden dan erom te loten, en zij zouden dat ook werkelijk doen. Als ze wisten wat het betekent zodra het tijd is om ṣalāh te verrichten, dan zouden zij daar zeker om wedijveren. En als zij de deugd kenden van de ṣalāh al-`ishā’en -ṣubḥ, dan zouden zij er beslist heengaan, al moesten zij kruipend of op handen en knieën (naar de masjid) komen.
Het bevel dat de vrouwen die achter de mannen bidden hun hoofden niet eerder van de sajdah op te heffen dan de mannen
أمر النساء المصليات وراء الرجال أن لا يرفعن رؤوسهن من السجود حتى يرفع الرجال٢٥٢ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ، قَالَ: كَانَ رِجَالٌ يُصلُّونَ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ عَاقِدِي أُزْرِهِمْ عَلَى أَعْنَاقِهِمْ كَهَيْئَةِ الصِّبْيَانِ، وَيُقَالُ لِلنِّسَاءِ: لاَ تَرْفَعْنَ رُؤُوسَكُنَّ حَتَّى يَسْتَوِيَ الرِّجَالُ جُلُوسًا252-) Van Sahl Ibn S`ad (رضي الله عنه):(Sommige) mannen verrichtten de ṣalāh met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl zij hun gewaden (izār) om hun nek hadden geknoopt zoals kinderen dat doen. En er werd tegen de vrouwen gezegd: 'Heft jullie hoofden niet op totdat de mannen volledig rechtop zitten (na hun sujūd).'
[In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtten mannen en vrouwen in dezelfde ruimte de ṣalāh, waarbij de vrouwen achter de mannen stonden. Omdat de kleding van sommige mannen de ʿawrah (lichaamsdeel tussen de nafel en de knieen) niet goed bedekte tijdens de sujūd, werd tegen de vrouwen gezegd: “Heft jullie hoofden pas als de mannen volledig rechtop zitten”, zodat er geen ongewenst zicht was op het lichaam van de mannen bij het omhoog komen uit sujūd.] (AFK)
Moskeebezoek van vrouwen op voorwaarde dat er geen fitnah ontstaat, maar dat zij niet met parfum buitenhuis mogen gaan
خروج النساء إِلى المساجد إِذا لم يترتب عليه فتنة وأنها لا تخرج مطيبة٢٥٣ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: إِذَا اسْتَأْذَنَتِ امْرَأَةُ أَحَدِكُمْ إِلَى الْمَسْجِدِ فَلاَ يَمْنَعْهَا253-) Van Ibn Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een vrouw van een van jullie toestemming vraagt om naar de moskee te gaan (en de ṣalāh in gemeenschap willen verrichten), laat hem haar dan niet tegenhouden.”
٢٥٤ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: كَانَتِ امْرأَةٌ لِعُمَرَ تَشْهَدُ صَلاَةَ الصُّبْحِ وَالْعِشَاءِ فِي الْجَمَاعَةِ فِي الْمَسْجِدِ، فَقِيلَ لَهَا: لِم تَخْرُجِينَ وَقَدْ تَعْلَمِينَ أَنَّ عُمَرَ يَكْرَهُ ذَلِكَ وَيَغَارُ قَالَتْ: وَمَا يَمْنَعَهُ أَنْ يَنْهَانِي قَالَ: يَمْنَعُهُ قَوْلُ رَسُولِ اللهِ ﷺ: لاَ تَمْنَعُوا إِمَاءَ اللهِ مَسَاجِدَ اللهِ254-) Van Ibn Umar (رضي الله عنهما):De vrouw van` Umar kwam voor ṣalāh al-`ishā' en ṣalāh aṣ-ṣubḥ naar de congregatie (gemeenschap in de moskee). Toen werd haar gevraagd: 'Weet je dat ʿUmar dat afkeurde en jaloers was dat je naar buiten gaat tijdens deze tijden? Waarom ga je dan toch?'Zijn vrouw zei: ‘En wat weerhoudt hem ervan om mij dit te verbieden? Het is het woord van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (die `Umar weerhoudt): “Verbied de vrouwelijke dienaren van Allāh niet naar de moskeeën van Allāh te gaan.”
٢٥٥ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَوْ أَدْرَكَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَا أَحْدَثَ النِّسَاءُ لَمَنَعَهُنَّ الْمَسَاجِدَ كَمَا مُنِعَتْ نِسَاءُ بَنِي إِسْرَائِيلَ255-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had gezien wat de vrouwen na hem hebben gedaan, zou hij hen hebben tegengehouden naar de moskee te gaan, zoals de vrouwen van Banī Isrā`īl werden tegengehouden.”
[Sinds de dagen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) na de Hijrah in Madīnah de Masjid an-Nabawi stichtte, hebben moskeeën een centrale rol gekregen. Ze zijn plaatsen van rust, aanbidding, onderwijs en het cultiveren van het besef van tawḥīd en eenheid onder moslims van alle leeftijden en geslachten. Moskeeën bieden moslimvrouwen de mogelijkheid om zowel individueel als in groepen hun aanbidding te verrichten, deel te nemen aan het sociale leven en hun religieuze kennis te verdiepen. Door de geschiedenis heen hebben moskeeën en masjids een essentiële rol gespeeld binnen de moslimgemeenschappen.Waar de vrouwen van Banû Israʾīl (de joden) vaak werden uitgesloten van de masjids, benadrukte an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in vele aḥādīth het belang van het ondersteunen en aanmoedigen van moslimvrouwen om de moskee te bezoeken. Hij zorgde voor aparte rijen voor hen en had er nooit bezwaar tegen als vrouwen met hun kinderen kwamen. Zijn aandacht voor het comfort van een vrouw met een kind binnen de gemeenschap wordt treffend weerspiegeld in zijn uitspraak:“Wanneer ik aan de ṣalāh begin met de intentie deze lang te verrichten, hoor ik een kind huilen. Omdat ik weet dat de moeder hierdoor ongemak zal ervaren, houd ik mijn ṣalāh kort.” (Bukhārī, Adzān, 65)Daarnaast leerde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de vrouwen dat zij zich bij een bezoek aan de moskee respectvol en gepast moeten gedragen.
In verschillende aḥādīth waarschuwde hij hen om geen parfum te gebruiken, geen sieraden te dragen en bescheiden kleding te dragen wanneer zij de moskee betreden. Het citaat van ʿĀʾiṣah (رضي الله عنها) benadrukt het belang van het naleven van deze profetische richtlijnen en waarschuwt tegen gedragingen die de etiquette van de moskee door vrouwen zouden schenden. Tegelijkertijd legt zij de nadruk op zorgvuldige sociale betrokkenheid, binnen de grenzen die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) stelde, zonder hoffelijkheid, fatsoen of evenwicht te verliezen.Dit betekent echter niet dat vrouwen, vanwege veranderde omstandigheden, van de moskee zouden moeten worden uitgesloten, aangezien dit niet overeenkomt met de sunnah van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).] (Diyanet) Half-hardop reciteren wanneer men vreest dat een luide recitatie tot fitnah zal leiden
التوسط في القراءة في الصلاة الجهرية بين الجهر والإسرار إذا خاف من الجهر مفسدة٢٥٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسِ (وَلاَ تَجْهَرْ بِصَلاتِكَ وَلاَ تُخَافِتْ بِهَا) قَالَ: أُنْزِلَتْ وَرَسُولُ اللهِ ﷺ مُتَوَارٍ بِمَكَّةَ، فَكَانَ إِذَا رَفَعَ صَوْتَهُ سَمِعَ الْمُشْرِكُونَ، فَسبُّوا الْقُرْآنَ وَمَنْ أَنْزَلَهُ وَمَنْ جَاءَ بِهِ؛ فَقَالَ اللهُ تَعَالَى (وَلا تَجْهَرْ بِصَلاَتِكَ وَلاَ تُخَافِتْ بِهَا) لاَ تَجْهَرْ بِصَلاَتِكَ حَتَّى يَسْمعَ الْمُشْرِكُونَ، وَلاَ تُخَافِتْ بِهَا عَنْ أَصْحَابِكَ فَلاَ تُسْمِعُهُمْ (وَابْتَغِ بَيْنَ ذَلِكَ سَبِيلًا) أَسْمِعْهُمْ وَلاَ تَجْهَرْ حَتَّى يَأْخُذُوا عَنْكَ الْقُرْآنَ256-) Van Ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):Hij zei over de ayah:
وَلَا تَجۡهَرۡ بِصَلَاتِكَ وَلَا تُخَافِتۡ بِهَا وَٱبۡتَغِ بَيۡنَ ذَٰلِكَ سَبِيلٗا
En reciteer (de Qur’ān verzen in ) jullie ṣalwāt niet te luid (zodat de ongelovigen niet de kans krijgen om onderling Allāh’s Boek te beledigen), maar ook niet te zacht (waardoor de metgezellen jou nauwelijks kunnen verstaan).
Zoek dus naar de gulden middenweg. (sûrah Isrā’: 17/110)Deze ayah werd geopenbaard terwijl Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in Makkah (zijn islamitische leven) geheim hield. Wanneer hij de ṣaḥābah leidde in de ṣalāh en de Qur’ān reciteerde, verhoogde hij zijn stem. Toen de polytheïsten dit hoorden, vloekten ze tegen de Qur’ān, degene die het heeft geopenbaard (Allāh) en degene die het heeft gebracht (Rasûlullāh). Hierna zei Allāhu تعالى (tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) En reciteer (de Qur’ān) in jullie ṣalwāt niet te luid maar ook niet te zacht!' Daarna zouden de polytheïsten zijn recitatie horen (en de Qur’ān, Allāh en an-Nabī vervloeken). Maar ook niet te zacht voor je ṣaḥābah, anders kunnen zij het niet horen. Zoek dus naar de gulden middenweg: Laat hen (ṣaḥābah) horen, maar verhef je stem niet zodanig dat de vijanden het horen, zodat zij (ṣaḥābah) de Qur’ān van jou kunnen overnemen.
Luisteren naar de recitatieالاستماع للقراءة٢٥٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، فِي قَوْلِهِ (لاَ تُحَرِّكْ بِهِ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِ) قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِذَا نَزَلَ جِبْرِيلُ بِالْوَحْيِ وَكَانَ مِمَّا يُحَرِّكُ بِهِ لِسَانَهُ وَشَفَتَيْهِ فَيَشْتَدُّ عَلَيْهِ، وَكَانَ يُعْرَفُ مِنْهُ، فَأَنْزَلَ اللهُ الآيَةَ الَّتِي فِي (لاَ أُقْسِمُ بِيَوْمِ الْقِيَامَةِ) (لاَ تُحَرِّكْ بِهِ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِ إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَه وَقُرْآنَهُ) قَالَ: عَلَيْنَا أَنْ نَجْمَعَهُ فِي صَدْرِكَ، وَقُرْآنَهُ (فَإِذَا قَرَأْنَاهُ فَاتَّبِعْ قُرْآنَهُ) فَإِذَا أَنْزَلْنَاهُ فَاسْتَمِعْ (ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَه) عَلَيْنَا أَنْ نُبَيِّنَهُ بِلِسَانِكَ قَالَ: فَكَانَ إِذَا أَتَاهُ جِبْرِيلُ أَطْرَقَ، فَإِذَا ذَهَبَ قَرَأَهُ كَمَا وَعَدَهُ اللهُ257-) Van Ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):Hij zei over de ayah: لَا تُحَرِّكۡ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعۡجَلَ بِهِ“Beweeg jouw tong er niet mee (de Qur’ān), om het daarmee te bespoedigen (onthouden)...” (sûrah Qiyâma: 16): Toen Jibriel عليه السلام neerdaalde om de openbaring aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te reciteren, bewoog hij zijn tong en zijn lippen snel (om het snel te memoriseren) en dat viel hem zwaar.Het was bekend dat, wanneer hij zo deed, openbaring tot hem kwam.
Daarop openbaarde Allāh عَزَّ وَجَلَّ de volgende ayât uit de sûrah al-Qiyamah:
لَا تُحَرِّكۡ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعۡجَلَ بِهِۦٓ ١٦
إِنَّ عَلَيۡنَا جَمۡعَهُۥ وَقُرۡءَانَهُۥ ١٧
فَإِذَا قَرَأۡنَٰهُ فَٱتَّبِعۡ قُرۡءَانَهُۥ ١٨
ثُمَّ إِنَّ عَلَيۡنَا بَيَانَهُۥ ١٩
“Beweeg jouw tong er niet mee (de Qur’ān), om het daarmee te bespoedigen.Het is aan Ons om hem te doen bewaren en hem voor te doen dragen.En als Wij hem dan aan jou hebben gereciteerd, volg dan zijn recitatie.Het is dan aan Ons om het voor jou duidelijk te maken. (sûrah al-Qiyamah: 16-18)Met andere woorden: Het is aan Ons om de Qur'an in jouw borst te verzamelen.Wanneer Wij Onze openbaring neerzenden, luister dan alleen.Het is aan Ons om deze Qur'an in jouw taal uit te leggen.(Hierna) wanneer Jibriel عليه السلام met de openbaring neerdaalde tot an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dan sloeg hij zijn ogen neer en bleef hij zwijgen.
En zodra Jibriel عليه السلام vertrok, reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zoals Allāh hem beloofd had.٢٥٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، فِي قَوْلِهِ تَعَالَى (لاَ تُحَرِّكْ بِهِ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِ) قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُعَالِجُ مِنَ التَّنْزِيلِ شِدَّةً، وَكَانَ مِمَّا يُحَرِّكُ شَفَتَيْهِ، فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ فَأَنَا أُحَرِّكُهُمَا لَكُمْ كَمَا كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُحَرِّكُهُمَا وَقَالَ سَعِيدٌ (هُوَ سَعِيدُ بْنُ جُبَيْرٍ رَاوِي الْحَدِيثِ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ): أَنَا أُحَرِّكُهُمَا كَمَا رَأَيْتُ ابْنَ عَبَّاسٍ يُحَرِّكُهُمَا، فَحَرَّكَ شَفَتَيْهِ فَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى (لاَ تُحَرِّكْ بِهِ لِسَانَكَ لِتَعْجَلَ بِهِ إِنَّ عَلَيْنَا جَمْعَهُ وَقُرْآنَهُ) قَالَ جَمْعُهُ لَهُ فِي صَدْرِكَ وَتَقْرَأَهُ، (فَإِذَا قَرَأْنَاهُ فَاتَّبِعْ قُرْآنَهُ) قَالَ: فَاسْتَمِعْ لَهُ وَأَنْصِتْ (ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا بَيَانَهُ) ثُمَّ إِنَّ عَلَيْنَا أَنْ تَقْرَأَهُ فَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بَعْدَ ذَلِكَ، إِذَا أَتَاهُ جِبْرِيلُ اسْتَمَعَ، فَإِذَا انْطَلَقَ جِبْرِيلُ قَرَأَهُ النَّبِيُّ ﷺ كَمَا قَرَأَهُ258 – Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Over de uitspraak van Allāhu تعالى (sûrah al-Qiyāmah, 75:16-19) zei hij:لَا تُحَرِّكۡ بِهِۦ لِسَانَكَ لِتَعۡجَلَ بِهِۦٓ ١٦
(Allāh zegt tot an-Nabī:) “Beweeg jouw tong er niet mee (de Qur’ān), om het daarmee te bespoedigen.
إِنَّ عَلَيۡنَا جَمۡعَهُۥ وَقُرۡءَانَهُۥ ١٧
Het is aan Ons om hem te doen bewaren en hem voor te doen dragen.
فَإِذَا قَرَأۡنَٰهُ فَٱتَّبِعۡ قُرۡءَانَهُۥ ١٨
En als Wij hem dan aan jou hebben gereciteerd, volg dan zijn recitatie.
ثُمَّ إِنَّ عَلَيۡنَا بَيَانَهُۥ ١٩
Het is dan aan Ons om het voor jou duidelijk te maken.
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) probeerde met moeite de geopenbaarde verzen te onthouden en bewoog daarom vaak zijn lippen.” Toen zei Ibn ʿAbbās: “Ik zal zijn lippen voor jullie bewegen zoals Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ze bewoog.”
En Saʿīd (dit is Saʿīd ibn Jubayr, de overleveraar van de ḥadīth van Ibn ʿAbbās) zei: “Ik zal ze bewegen zoals ik Ibn ʿAbbās zijn lippen heb zien bewegen.” En toen bewoog hij zijn lippen.
Toen heeft Allāhu تعالى neergezonden: (Nederlandse betekenis):
(Allāh zegt tot an-Nabī:) “Beweeg jouw tong er niet mee (de Qur’ān), om het daarmee te bespoedigen. Het is aan Ons om hem te doen bewaren en hem voor te doen dragen.
[Ibn ʿAbbās zei:] “(Dat betekent:) het verzamelen ervan in jouw borst en het (jou) laten reciteren.”
En als Wij hem dan aan jou hebben gereciteerd, volg dan zijn recitatie.
Hij zei: “Luister dan aandachtig en wees stil.”
Het is dan aan Ons om het voor jou duidelijk te maken.
(Dat betekent:) Daarna is het aan Ons om jou het te laten reciteren.
Daarna, telkens wanneer Jibrīl عليه السلام bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam, luisterde hij (gewoon) aandachtig; en wanneer Jibrīl vertrokken was, reciteerde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) het precies zoals hij het (van hem) gehoord had.
[Deze ḥadīth is tegelijkertijd een bewijs dat ook de sunnah een openbaring is. (Nederlandse betekenis):“Beweeg jouw tong er niet mee. Want toen Allāh (عز وجل) zei (Nederlandse betekenis): “Het is aan Ons om hem te doen bewaren en hem voor te doen dragen.
En als Wij hem dan aan jou hebben gereciteerd, volg dan zijn recitatie.”, is het bewijs dat Degene die de uitleg (bayān) neerzendt, dus ook de sunnah, niemand anders is dan Allāh (عَزَّ وَجَلَّ).] (HY)
Openlijk recitatie van de Qurʾān in de ṣalāh al-fajr en het reciteren van de Qurʾān aan de djin
الجهر بالقراءة في الصبح والقراءَة على الجن٢٥٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: انْطَلَقَ النَّبِيُّ ﷺ فِي طَائِفَةٍ مِنْ أَصْحَابِهِ عَامِدِينَ إِلَى سُوقِ عُكَاظٍ، وَقَدْ حِيلَ بَيْنَ الشَّيَاطِينِ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، وَأُرْسِلَتْ عَلَيْهِمُ الشُّهُبُ فَرَجَعَتِ الشَّيَاطِينُ إِلَى قَوْمِهِمْ، فَقَالُوا مَا لَكُمْ قَالُوا: حِيلَ بَيْنَنَا وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، وَأُرْسِلَتْ عَلَيْنَا الشُّهُبُ قَالُوا: مَا حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ إِلاَّ شَيْءٌ حَدَثَ، فَاضْرِبُوا مَشَارِقَ الأَرْضِ وَمَغَارِبَهَا فَانْظُرُوا مَا هذَا الَّذِي حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ فَانْصَرَفَ أُولئِكَ الَّذِينَ تَوَجَّهُوا نَحْوَ تِهَامَةَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَهُوَ بِنَخْلَةَ عَامِدِينَ إِلَى سُوقِ عُكَاظٍ، وَهُوَ يُصَلِّي بِأَصْحَابِهِ صَلاَةَ الْفَجْرِ، فَلَمَّا سَمِعُوا الْقُرْآنَ اسْتَمَعُوا لَهُ؛ فَقَالُوا: هذَا وَاللهِ الَّذِي حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، فَهُنَالِكَ حِينَ رَجَعُوا إِلَى قَوْمِهِمْ؛ فَقَالُوا: (يَا قوْمَنَا إِنَّا سَمِعْنَا قُرْآنًا عَجَبًا يَهْدِي إلى الرُّشْدِ فَآمَنَّا بِهِ وَلَنْ نُشْرِكَ بِرَبِّنَا أَحَدًا) فَأَنْزَلَ اللهُ عَلَى نَبِيِّهِ ﷺ (قُلْ أُوحِيَ إِلَيَّ أَنَّهُ اسْتَمَعَ نَفَرٌ مِنَ الْجِنِّ) وَإِنِّمَا أُوحِيَ إِلَيْهِ قَوْلُ الْجِنِّ259-) Van Ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op weg naar de `Ukâz Markt met een groep van zijn metgezellen.
Op dat moment was er een barrière tussen de shayatīn/jiens en de hemelse berichten (ze konden geen berichten verzamelen).
Er werden vlammen naar hen gestuurd.
الجهر بالقراءة في الصبح والقراءَة على الجن٢٥٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: انْطَلَقَ النَّبِيُّ ﷺ فِي طَائِفَةٍ مِنْ أَصْحَابِهِ عَامِدِينَ إِلَى سُوقِ عُكَاظٍ، وَقَدْ حِيلَ بَيْنَ الشَّيَاطِينِ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، وَأُرْسِلَتْ عَلَيْهِمُ الشُّهُبُ فَرَجَعَتِ الشَّيَاطِينُ إِلَى قَوْمِهِمْ، فَقَالُوا مَا لَكُمْ قَالُوا: حِيلَ بَيْنَنَا وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، وَأُرْسِلَتْ عَلَيْنَا الشُّهُبُ قَالُوا: مَا حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ إِلاَّ شَيْءٌ حَدَثَ، فَاضْرِبُوا مَشَارِقَ الأَرْضِ وَمَغَارِبَهَا فَانْظُرُوا مَا هذَا الَّذِي حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ فَانْصَرَفَ أُولئِكَ الَّذِينَ تَوَجَّهُوا نَحْوَ تِهَامَةَ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ، وَهُوَ بِنَخْلَةَ عَامِدِينَ إِلَى سُوقِ عُكَاظٍ، وَهُوَ يُصَلِّي بِأَصْحَابِهِ صَلاَةَ الْفَجْرِ، فَلَمَّا سَمِعُوا الْقُرْآنَ اسْتَمَعُوا لَهُ؛ فَقَالُوا: هذَا وَاللهِ الَّذِي حَالَ بَيْنَكُمْ وَبَيْنَ خَبَرِ السَّمَاءِ، فَهُنَالِكَ حِينَ رَجَعُوا إِلَى قَوْمِهِمْ؛ فَقَالُوا: (يَا قوْمَنَا إِنَّا سَمِعْنَا قُرْآنًا عَجَبًا يَهْدِي إلى الرُّشْدِ فَآمَنَّا بِهِ وَلَنْ نُشْرِكَ بِرَبِّنَا أَحَدًا) فَأَنْزَلَ اللهُ عَلَى نَبِيِّهِ ﷺ (قُلْ أُوحِيَ إِلَيَّ أَنَّهُ اسْتَمَعَ نَفَرٌ مِنَ الْجِنِّ) وَإِنِّمَا أُوحِيَ إِلَيْهِ قَوْلُ الْجِنِّ259-) Van Ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) was op weg naar de `Ukâz Markt met een groep van zijn metgezellen. Op dat moment was er een barrière tussen de shayatīn/jiens en de hemelse berichten (ze konden geen berichten verzamelen). Er werden vlammen naar hen gestuurd. De shayatīn (die uit de hemel waren verdreven) keerden terug naar hun volk en zeiden: 'Wat is er met jullie gebeurd?' Zij antwoordden: 'Er is een barrière tussen ons en de hemelse berichten gekomen, en er werden vlammen naar ons gestuurd.' Ze antwoordden hen: 'Het moet iets nieuws zijn dat deze barrière heeft veroorzaakt, ga naar het oosten en westen van de aarde en ontdek wat deze barrière is.' Een groep (shayatīn) die richting Tihârnah (in het westen van Arabië) ging, vonden an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in Nakhlah (dichtbij Makkah) die op weg was naar `Ukâz Markt.
Hij verrichtte met zijn metgezellen de ṣalāh al-fajr. Toen ze (shayatīn) de Qur’ān hoorden (tijdens de ṣalāh), luisterden ze aandachtig en zeiden: 'Bij Allāh, dit is wat tussen ons en de hemelse berichten gekomen is.' Nadat ze terugkeerden naar hun volk, zeiden zij: 'O ons volk, “Waarlijk! Wij hebben een wonderbaarlijke (Qur’ān) recitatie gehoord en (de Qur’ān) leidt naar het rechte pad en wij geloven daarin en (na deze dag) zullen wij nooit meer deelgenoten aan onze Rab toekennen.' Toen openbaarde Allāh de sûrah al Jin aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) waarin de woorden van de shayatīn wordt verteld.”قُلۡ أُوحِيَ إِلَيَّ أَنَّهُ ٱسۡتَمَعَ نَفَرٞ مِّنَ ٱلۡجِنِّ فَقَالُوٓاْ إِنَّا سَمِعۡنَا قُرۡءَانًا عَجَبٗا ١
يَهۡدِيٓ إِلَى ٱلرُّشۡدِ فَـَٔامَنَّا بِهِۦۖ وَلَن نُّشۡرِكَ بِرَبِّنَآ أَحَدٗا ٢
(O Muhammed), zeg: “Er is aan mij geopenbaard dat een groep Jin heeft meegeluisterd.” En zij zeiden (tegen hun mede-Jin): “Waarlijk! Wij hebben een wonderbaarlijke recitatie gehoord (tijdens het ochtendgebed)!Zij (de recitatie) leidt naar het rechte Pad en wij geloven daarin en (na deze dag) zullen wij nooit meer deelgenoten aan onze Heer toekennen. (sûrah al Jin 1-2)
Qur’ān recitatie in de ṣalāh az-ẓuhren al-ʿaṣr
القراءة في الظهر والعصر٢٦٠ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: كَانَ النَبِيُّ ﷺ يَقْرَأُ فِي الرَّكْعَتَيْنِ الأُولَيَيْنِ مِنْ صَلاَةِ الظُّهْرِ بِفَاتِحَةِ الْكِتَابِ وَسُورَتَيْنِ، يُطَوِّلُ فِي الأُولَى وَيُقَصِّرُ فِي الثَّانيَةِ، وَيُسْمِعُ الآيَة أَحْيانًا، وَكَانَ يَقْرَأُ فِي الْعصْرِ بِفَاتِحَةِ الْكِتَابِ وَسُورَتَيْنِ، وَكَانَ يُطَوِّلُ فِي الأُولَى، وَكَانَ يُطَوِّلُ فِي الرَكْعَةِ الأُولَى مِنْ صَلاَةِ الصُّبْحِ وَيُقَصِّرُ فِي الثَّانِيَةِ260-) Van Abū Qatādah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde in de eerste twee raka’at van de ṣalāh aẓ-ẓuhr sûrah al-Fātihah en nog twee sûrah’s. Hij reciteerde in de eerste rak`ah een lange (sûrah) en de tweede rak`ah een kortere, en soms liet hij een vers horen (die hij reciteerde)Tijdens de ṣalāh al-`asr reciteerde hij sûrah al-Fātihah en nog twee sûrah’s, en hij reciteerde in (de eerste twee rakʿahs ervan) telkens een sūrah. In de ṣalāh alsubh/fajr was de eerste rak`ah lang en de tweede kort.[Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ontving vaak delegaties van shayatīn/jiens, zowel in Makkah, in Madīnah als op andere plaatsen. `Abdullah Ibn Mes'ûd (رضي الله عنه) was vier keer aanwezig bij zo’n ontmoeting. Soms tekende an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) een lijn en zei tegen hem: 'Je mag deze lijn niet overschrijden.' Soms konden de ṣaḥābah an-Nabī niet zien en dachten ze dat hij weg was. De eerste delegatie die kwam, had de Qur’ān gehoord die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tijdens de ṣalāh alfajr reciteerde en wilde het aan hun volk vertellen. In sûrah al Jinn wordt vermeld dat de shayatīn de Qur’ān habben gehoord.
Later ontmoette an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de shayatīn en sprak met hen.] (AFK)
٢٦١ - حديث سَعْدِ بْنِ أَبِي وَقَّاصٍ، عَنْ جَابِرِ بْنِ سَمُرَةَ قَالَ: شَكَا أَهْلُ الْكُوفَةِ سَعْدًا إِلَى عُمَرَ ﵁، فَعَزَلَهُ، وَاسْتَعْمَلَ عَلَيْهِمْ عَمَّارًا فَشَكَوْا حَتَّى ذَكَرُوا أَنَّهُ لاَ يُحْسِنُ يُصَلِّي، فَأَرْسَلَ إِلَيْه، فَقَالَ: يَا أَبَا إِسْحقَ إِنَّ هؤُلاَءِ يَزْعُمُونَ أَنَّكَ لاَ تُحْسِن تُصَلِّي قَالَ أَبُو إِسْحقَ: أَمَّا أَنَا وَاللهِ فَإِنِّي كُنْتُ أُصَلِّي بِهِمْ صَلاَةَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، مَا أَخْرِمُ عَنْهَا، أُصَلِّي صَلاَةَ الْعِشَاءِ فَأَرْكُدُ فِي الأُولَيَيْنِ، وَأُخِفُّ فِي الأُخْرَيينِ قَالَ: ذَاكَ الظَّنُّ بِكَ يَا أَبَا إِسْحقَ فَأَرْسَلَ مَعَهُ رَجُلًا، أَوْ رِجَالًا، إِلَى الْكُوفَةِ فَسَأَلَ عَنْهُ أَهْلَ الْكُوفَةِ، وَلَمْ يَدَعْ مَسْجِدًا إِلاَّ سَأَلَ عَنْهُ، وَيُثْنُونَ مَعْرُوفًا، حَتَّى دَخَلَ مَسْجِدًا لِبَنِي عَبْسٍ؛ فَقَامَ رَجُلٌ مِنْهُمْ يُقَالُ لَهُ أُسَامَةُ بْنُ قَتَادَةَ، يُكْنَى أَبَا سَعْدَةَ؛ فَقَالَ: أَمَّا إِذْ نَشَدْتَنَا فَإِنَّ سَعْدًا كَانَ لاَ يَسِيرُ بِالسَّرِيَّةِ، وَلاَ يَقْسِمُ بِالسَّوِيَّةِ، وَلاَ يَعْدِلُ فِي الْقَضِيَّة قَالَ سَعْدٌ: أَمَا وَاللهِ لأَدْعُوَنَّ بِثَلاَثٍ: اللهُمَّ إِنْ كَانَ عَبْدُكَ هذَا كَاذِبًا قَامَ رِيَاءً وَسُمْعَةً فَأَطِلْ عُمْرَهُ، وَأَطِلْ فَقْرَهُ، وَعَرِّضْهُ بِالْفِتَنِ فَكَانَ بَعْدُ، إِذَا سُئِلَ يَقُولُ: شَيْخٌ كَبيرٌ مَفْتُونٌ أَصَابَتْنِي
دَعْوَةُ سَعْد
قَالَ عَبْدُ الْمَلِكِ (أَحَدُ رُوَاةِ هذَا الْحَدِيثَ) فَأَنَا رَأَيْتُهُ بَعْدُ، قَدْ سَقَطَ حَاجِبَاهُ عَلَى عَيْنَيْهِ مِنَ الْكِبَرِ، وَإِنَّهُ لَيَتَعَرَّضُ لِلْجَوَارِي فِي الطُّرُقِ يَغْمِزُهُنَّ
261-) Van Sa’d ibn Abī Waqqās via Jābir ibn Samurah (رضي الله عنهما): De mensen van al-Kūfah klaagden over Saʿd bij ʿUmar (رضي الله عنه), waarop ʿUmar hem afzette en ʿAmmār (ibn Yāsir) aanstelde als hun gouverneur.
Zij klaagden echter opnieuw, en onder meer beweerden zij dat Saʿd niet goed de ṣalāh leidde.
Toen liet ʿUmar hem bij zich komen en zei: “O Abū Isḥāq, deze mensen beweren dat jij niet goed de ṣalāh kunt leiden.”
Abū Isḥāq (Saʿd) zei: “Bij Allāh, ik leidde hen in de ṣalāh zoals ik het van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heb geleerd; ik week daar niet van af. Ik verrichtte de ṣalāh al-ʿishā met hen, waarbij ik de eerste twee rakaʿāt lang reciteerde, en de laatste twee kort hield.”
ʿUmar zei: “Dat is ook wat wij van jou verwachtten, o Abū Isḥāq.”
Vervolgens stuurde hij een man, of enkele mannen, met hem mee naar al-Kūfah om bij de mensen navraag te doen over Saʿd. Zij ondervroegen de mensen in elk masjid (moskee), en iedereen prees hem. Totdat zij de masjid van Banū ʿAbs binnengingen, waar een man opstond genaamd Usāmah ibn Qatādah, ook wel Abū Sāʿdah genoemd.
Hij zei: “Aangezien je het ons vraagt: Saʿd ging niet mee met de expedities, hij verdeelde (de oorlogsbuit) niet eerlijk, en hij was niet rechtvaardig in zijn oordelen.”
Daarop zei Saʿd (رضي الله عنه): “Bij Allāh, ik zal drie smeekbeden tegen hem doen:
O Allāh! Als deze dienaar van U liegt en dit uit ijdelheid en reputatiezucht heeft gezegd, verleng dan zijn leven, verleng zijn armoede en stel hem bloot aan beproevingen!”
En later, telkens wanneer hij (Abū Sāʿdah) werd bevraagd, zei hij: “(Ik ben) een oude man, die door fitnah (beproevingen/verleidingen) en door de smeekbede (vloek) van Saʿd ben getroffen.”
ʿAbd al-Mālik (een van de overleveraars van deze ḥadīth) zei: “Ik heb hem later gezien: zijn wenkbrauwen hingen vanwege ouderdom over zijn ogen en hij viel de slavinnen op straat lastig door hen te betasten.”
Qur’ān recitatie in de ṣalāh al-fajr en al-maghrib
القراءة في الصبح والمغرب٢٦٢ - حديث أَبِي بَرْزَةَ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُصَلِّي الصُّبْحَ وَأَحَدُنَا يَعْرِفُ جَلِيسَهُ وَيَقْرأُ فِيهَا مَا بَيْنَ السِّتِّينَ إِلَى الْمِائَةِ، وَيُصَلِّي الظُّهْرَ إِذَا زَالَتِ الشَّمْسُ، وَالْعَصْرَ وَأَحَدُنَا يَذْهَبُ إِلَى أَقْصَى الْمَدِينَةِ ثُمَّ يَرْجِعُ وَالشَّمْسُ حَيَّةٌ وَلاَ يُبَالِي بِتَأْخِيرِ الْعِشَاءِ إِلَى ثُلُثِ اللَّيْلِ262)- Van Abū Barzah (al Aslamī) (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh aṣ-ṣubḥ terwijl een van ons zijn metgezel nog kon herkennen (vanwege de hoeveelheid licht), en hij reciteerde daarin tussen de zestig en de honderd (verzen).
Hij verrichtte de ẓuhr-ṣalāh zodra de zon haar hoogste punt gepasseerd was (en naar het westen zakte), en de ṣalāh al-`asr verrichtte hij zó dat een van ons naar het verste deel van Madīnah kon gaan en terug kon keren terwijl de zon nog helder scheen.
En hij hechtte er geen bezwaar aan om de ṣalāh al-`ishāʾ uit te stellen tot een derde van de nacht voorbij was.Later zei hij, uitstellen tot de helft van de nacht voorbij was, was geen bezwaar..Muʿādz zei: Shu’bah zei: Bij onze volgende ontmoeting zei hij: “Of tot een derde van de nacht voorbij was.”
٢٦٣ - حديث أُمِّ الْفَضْلِ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، أَنَّهُ قَالَ: إِنَّ أُمَّ الْفَضْلِ سَمِعَتْهُ وَهُوَ يَقْرَأُ (وَالْمُرْسَلاَتِ عُرْفًا) فَقَالَتْ: يَا بُنَيَّ وَاللهِ لَقَدْ ذَكَّرْتَنِي بِقِرَاءَتِكَ هذِهِ السُّورَةَ، إِنَّهَا لآخِرُ مَا سَمِعْتُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ يَقْرَأُ بِهَا فِي الْمَغْرِبِ263-) Van `Abdullah Ibn `Abbâs (رضي الله عنهما):Ummu Fadl (zijn moeder) hoorde hem de sûrah al-Murṣalāt lezen en zei: “O mijn zoon, bij Allāh, jouw recitatie heeft mijn geheugen opgefrist. Dit was de laatste keer dat ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hoorde reciteren in ṣalāh al-maghrib.”
٢٦٤ - حديث جُبَيْرِ بْنِ مُطْعِمٍ قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقْرَأُ فِي الْمَغْرِبِ بِالطورِ264-) Van Jubayr Ibn Mut`im (رضي الله عنه): Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in ṣalāh al-maghrib de sûrah at-Tûr reciteren”
[Jubayr Ibn Mut`im (رضي الله عنه) was een rustige en vrome man. Hij was een van de gevangenen na de Slag bij Badr, maar later ging hij over tot de Islām.
Toen hij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens ṣalāh al-maghrib (de Qur’an) hoorde reciteren, maakte een diepe indruk op hem.] (AFK)
Qur’ān recitatie in de ṣalāh al-ʿishāʾ
القراءة في العشاء٢٦٥ - حديث الْبَرَاءِ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ في سَفَرٍ فَقَرَأَ فِي الْعِشَاءِ فِي إِحْدَى الرَّكْعَتَيْنِ بِالتِّينِ وَالزَّيْتُون265-) Barā’ (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) reciteerde in de ṣalāh al-ʿishāʾ- een van de twee rak`ahs de sûrah Tīn ('Wa't-tîn wa'z-zaytûn').” In een andere overlevering zei hij: “Ik heb nooit iemand mooier horen reciteren of beter reciteren dan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).
٢٦٦ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ، أَنَّ مُعَاذَ بْنَ جَبَلٍ ﵁ كَانَ يُصَلِّي مَعَ النَّبِيِّ ﷺ ثُمَّ يَأْتِي قَوْمَهُ فَيُصَلِّي بِهِمْ الصَّلاَةَ، فَقَرَأَ بِهِمُ الْبَقَرَةَ قَالَ: فَتَجَوَّزَ رَجُلٌ فَصَلَّى صَلاَةً خَفِيفَةً، فَبَلَغَ ذَلِكَ مُعَاذًا، فَقَالَ: إِنَّهُ مُنَافِقٌ فَبَلَغَ ذلِكَ الرَّجُلَ، فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَ يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّا قَوْمٌ نَعْمَلُ بِأَيْدِينَا، وَنَسْقِي بِنَوَاضِحِنَا وَإِنَّ مُعَاذًا صَلَّى بِنَا الْبَارِحَةَ، فَقَرَأَ الْبَقَرَةَ، فَتَجَوَّزْتُ، فَزَعَمْ أَنِّي مُنَافِقٌ فَقَالَ النَبِيُّ ﷺ: يَا مُعَاذُ أَفَتَّانٌ أَنْتَ ثلاثًا اقْرَأْ (وَالشَّمْسِ وَضُحَاهَا) وَ(سَبِّحِ اسْمَ رَبِّكَ الأَعْلَى) وَنَحْوَهَا266 – Van Jābir ibn ʿAbdillāh (رضي الله عنه):
Muʿādz ibn Jabal (رضي الله عنه) verrichtte samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh.
Daarna ging hij naar zijn clan en leidde hen in de ṣalāh. Hij reciteerde sūrah al-Baqarah tijdens de ṣalāh met hen. Hierop verliet een man de (gezamenlijk) ṣalāh. En verrichtte een korte (lichte) ṣalāh alleen. Dit bericht hiervan bereikte Muʿādz,Toen zei hij: “Hij is een huichelaar.”
Toen dat de man bereikte, ging hij naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, wij zijn mensen die werken met onze handen, en wij vervoeren water met onze lastdieren.Gisteravond verrichtte Muʿādz met ons de ṣalāh en reciteerde sūrah al-Baqarah, en maakte ik de ṣalāh kort, en hij beweerde dat ik een huichelaar ben.”
Daarop zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “O Muʿādz, ben jij een beproever (fitnah-veroorzaker)?”, en hij herhaalde dit drie keer.
“Reciteer (in de ṣalāh): ‘Wa ash-shamsi wa ḍuḥāhā’ en ‘Sabbih isma rabbika al-aʿlā’,of iets dergelijks (mufassāl sûrah's).”
Aanbeveling aan de imāms om de ṣalāh te verlichten maar toch volledig te maken
أمر الأئمة بتخفيف الصلاة في تمام٢٦٧ - حديث أَبِي مَسْعُودٍ الأَنْصَارِيِّ، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي وَاللهِ لأَتأَخَّرُ عَنْ صَلاَةِ الْغَدَاةِ مِنْ أَجْلِ فُلاَنٍ مِمَّا يُطِيلُ بِنَا فِيهَا قَالَ: فَمَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ قَطُّ أَشَدَّ غَضَبًا فِي مَوْعِظَةٍ مِنْهُ يَوْمَئِذٍ، ثُمَّ قَالَ: يأَيُّهَا النَّاسُ إِنَّ مِنْكُمْ مُنَفِّرِينَ؛ فَأَيُّكُمْ مَا صَلَّى بِالنَّاسِ فَلْيُوجِزْ، فَإِنَّ فِيهِمُ الْكَبِيرَ وَالضَّعِيفَ وَذَا الْحَاجَةِ267-) Van Abû Mes’ûd (رضي الله عنه): Er kwam een man bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), hij zei: 'O Rasûlullāh , bij Allāh, ik blijf weg bij de ṣalāh al-fajr vanwege die-en-die (imam), omdat de lange recitatie..' Ik heb Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) nog nooit zo boos gezien bij een vermaning als op die dag. Daarna zei hij: ' Sommigen van jullie (maken de recitatie in de ṣalāh lang, waardoor sommige mensen uit de ṣalāh stappen en) een afkeer krijgen (van het gezamenlijk bidden in de jamāʿah (congregatie). Als iemand van jullie voorgaat in de gemeenschap ṣalāh, moet het kort maken, want er zijn ook oude en zwakke, oude en hulpbehoeftige mensen die meedoen!'
٢٦٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا صَلَّى أَحَدُكُمْ لِلنَّاسِ فَلْيُخَفِّفْ، فَإِنَّ مِنْهُمُ الضَّعِيفَ وَالسَّقِيمَ وَالْكَبِيرَ؛ وَإِذَا صَلَّى أَحَدُكُمْ لِنَفْسِهِ فَلْيُطَوِّلْ مَا شَاءَ268-) Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Als iemand imām is voor de mensen (jamāʿah: congregatie), moet hij de recitatie kort houden, want er zijn kinderen, ouderen en zieken (in de congregatie).
Maar als hij alleen ṣalāh verricht, kan hij zo lang reciteren als hij wil.'
٢٦٩ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُوجِزُ الصَّلاَةَ وَيُكْمِلُهَا269-) Anas (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) maakte zijn ṣalāh niet langer, maar voldeed volledig (aan de verplichtingen van de ṣalāh).”
٢٧٠ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: مَا صَلَّيْتُ وَرَاءَ إِمَامٍ قَطُّ أَخَفَّ صَلاَةً وَلاَ أَتَمَّ مِنَ النَّبِيِّ ﷺ؛ وَإِنْ كَانَ لَيَسْمَعُ بُكَاءَ الصَّبِيِّ فيُخَفِّفُ مَخَافَةَ أَنْ تُفْتَنَ أُمُّهُ270-) Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Ik heb nooit achter een imām ṣalāh verricht die de ṣalāh licht (kort) en volledig verrichtte dan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). En waarlijk, hij hoorde soms het gehuil van een kind, en dan maakte hij de ṣalāh kort, uit vrees dat diens moeder in beproeving zou raken (door onrust of bezorgdheid).
٢٧١ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: إِنِّي لأَدْخُلُ فِي الصَّلاةِ وَأَنَا أُرِيدُ إِطَالَتَهَا فَأَسْمَعُ بُكَاءَ الصَّبِيِّ فَأَتَجَوَّزُ فِي صَلاَتِي مِمَّا أَعْلَمُ مِنْ شِدَّةِ وَجْدِ أُمِّهِ مِنْ بُكَائِهِ271-) Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Waarlijk, ik begin soms aan de ṣalāh met de intentie om deze lang te maken, maar dan hoor ik het gehuil van een kind, en dan verkort ik mijn ṣalāh vanwege wat ik weet van het verdriet en de bezorgdheid van zijn moeder om zijn gehuil.”
Verlichten van de ṣalāh mits men de pilaren (van de ṣalāh ) correct verricht en de ṣalāh volledig maaktاعتدال أركان الصلاة وتخفيفها في تمام٢٧٢ - حديث الْبَرَاءِ، قَالَ: كَانَ رُكُوعُ النَّبِيِّ ﷺ وَسُجُودُهُ، وَبَيْنَ السَّجْدَتَيْنِ، وَإِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ، مَا خَلاَ الْقِيَامَ وَالقُعُودَ، قَرِيبًا مِنَ السَّوَاءِ272-) Barâ Ibn Âzib (رضي الله عنه):De rukūʿ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), zijn sujūd, het zitten tussen de twee sajdayn, en wanneer hij zijn hoofd ophief uit de rukūʿ, met uitzondering van het staan (qiyām) en het zitten (tussen de tashahhud), waren ongeveer gelijk in duur.
٢٧٣ - حديث أَنَسٍ ﵁ قَالَ: إِنِّي لاَ آلُو أَنْ أُصَلِّي بِكُمْ كَمَا رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يُصَلِّي بِنَا
قَالَ ثَابِتٌ (راوي هذَا الْحَدِيثِ) كَانَ أَنَسٌ يَصْنَعُ شَيْئًا لَمْ أَرَكُمْ تَصْنَعُونَهُ، كَانَ إِذَا رَفَعَ رَأْسَهُ مِنَ الرُّكُوعِ قَامَ حَتَّى يَقُولَ الْقَائِلُ قَدْ نَسِيَ؛ وَبَيْنَ السَّجْدَتَيْنِ، حَتَّى يَقولَ الْقَائِلُ قَدْ نَسِيَ
273-) Anas (رضي الله عنه):Ik spaar geen moeite om met jullie de ṣalāh te verrichten zoals ik an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) met ons zag doen.
Thābit (de overleveraar van deze ḥadīth) zei: “Anas deed iets wat ik jullie niet heb zien doen:Wanneer hij zijn hoofd ophief uit de rukūʿ, bleef hij zo lang rechtop staan dat iemand zou denken dat hij het vergeten was; en tussen de twee sajdayn, bleef hij zo lang zitten dat iemand zou denken dat hij het vergeten was.
Volgen van de imām en de daden daarna
متابعة الإمام والعمل بعده٢٧٤ - حديث الْبَرَاءِ بْنِ عَازِبٍ، قَالَ: كُنَّا نُصَلِّي خَلْفَ النَّبِيِّ ﷺ، فَإِذَا قَالَ: سَمِعَ اللهُ لِمَنْ حَمِدَهُ لَمْ يَحْنِ أَحَدٌ مِنَّا ظَهْرَهُ حَتَّى يَضَعَ النَبِيُّ ﷺ جَبْهَتَهُ عَلَى الأَرْضِ274-) Berâ Ibn Âzib (رضي الله عنه):Wij verrichtten de ṣalāh achter an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Samiallahu līmān hamidah' (Allāh hoort degene die lofprezen), boog niemand van ons zijn rug totdat an- Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn voorhoofd op de grond had gelegd.” De smeekbeden die in rukūʿ en sujūd worden gezegd
ما يقال في الركوع والسجود
٢٧٥ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُكْثِرُ أَنْ يَقُولَ فِي رُكُوعِهِ وَسُجُودِهِ: سُبْحَانَكَ اللهُمَّ رَبَّنَا وَبِحَمْدِكَ، اللهُمَّ اغْفِرْ لِي يَتَأَوَلُ الْقُرْآنَ
275-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei in rukû` en sujûd: 'Subhanaka Allāhumma Rabbana wa bi-hamdika Allāhummaghfirlie' (O Allāh, U bent verheven, onze Rab, geprezen zij U, O Allāh, vergeef mij).” Hij volgde de Qur’ān (sûrah an Nasr waarin staat: فَسَبِّحۡ بِحَمۡدِ رَبِّكَ وَٱسۡتَغۡفِرۡهُۚ إِنَّهُۥ كَانَ تَوَّابَۢا ٣ Prijs dan de Glorie van jouw Heer en vraag Hem om vergeving. Voorwaar, Hij is Berouwaanvaardend.) en paste (Allahs bevel) toe.”
De lichaamsdelen die tijdens de sujūd de grond raken en het verbod op het bijeenhouden van het hoofdhaar en kledingstuk en het vastbinden van het hoofdhaar in de ṣalāh
أعضاء السجود والنهي عن كف الشعر والثوب وعقص الرأس في الصلاة
٢٧٦ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أُمِرَ النَّبِيُّ ﷺ أَنْ يَسْجُدَ عَلَى سَبْعَةِ أَعْضَاءٍ، وَلاَ يَكُفَّ شَعَرًا وَلاَ ثَوْبًا: الْجَبْهَةِ، وَالْيَدَيْنِ وَالرُّكْبَتَيْنِ وَالرِّجْلَيْنِ
276-) Van Ibn Abbâs (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Ik ben opgedragen om noch mijn haar, noch mijn kleding op te binden tijdens de ṣalāh, en om mijn zeven lichaamsdelen (de grond) te raken tijdens de sujûd: het voorhoofd en de neus, de handen, de knieën en de voeten.'
De beschrijving van de ṣalāh: waarmee het begint en waarmee het eindigt
ما يجمع صفة الصلاة وما يفتتح به ويختم به
٢٧٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَالِكِ بْنِ بحَيْنَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ إِذَا صَلَّى فَرَّجَ بَيْنَ يَدَيْهِ حَتَّى يَبْدُوَ بَيَاضُ إِبْطَيْهِ
277-) Van `Abdullah Ibn Mâlik Ibn Buhaynah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) plaatste zijn handen zo ver uit elkaar tijdens de sujûd dat je de witte delen van zijn oksels kon zien.”
(Nemen van een) sutrah door degene die de ṣalāh verricht
سترة المصلي
٢٧٨ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ إِذَا خَرَجَ يَوْمَ الْعِيدِ أَمَر بِالْحَرْبَةِ فَتُوضَعُ بَيْنَ يَدَيْهِ فَيُصَلي إِلَيْهَا، وَالنَّاسُ وَرَاءَه
وَكَانَ يَفْعَلُ ذلِكَ فِي السَّفَرِ، فَمِنْ ثَمَّ اتَّخَذَهَا الأُمَرَاءُ 278-) Van Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de dag van ʿĪd naar buiten-ṣalāh (muṣallā) ging, gaf hij bevel (aan zijn bediende) een speer vóór hem te plaatsen.Dan verrichtte hij de ṣalāh met zijn gezicht in de richting daarvan, terwijl de mensen zich achter hem opstelden.
En dit deed hij ook als hij op reis was. De latere bevelvoerders hebben dat overgenomen.
٢٧٩ - حديث ابْنِ عُمَرَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ أَنَّهُ كَانَ يُعَرِّضُ رَاحِلَتَهُ فَيُصَلِّي إِلَيْهَا279-) Van Ibn Umar (رضي الله عنهما):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zette zijn kameel overdwars (surtah) en verrichtte de ṣalāh met zijn gezicht daarnatoe.” ٢٨٠ - حديث أَبِي جُحَيْفَةَ، أَنَّهُ رَأَى بِلاَلًا يُؤَذِّنُ، فَجَعَلْتُ أَتَتَبَّعُ فَاهُ ههُنَا وَههُنَا بِالأَذانِ280-) Van Abû Juhayfah (رضي الله عنه):Ik zag Bilal de aḏān oproepen. Toen begon ik zijn mond te volgen, hierheen en daarheen (d.w.z. van links naar rechts), tijdens het uitroepen van de aḏān .
٢٨١ - حديث أَبِي جُحَيْفَةَ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي قُبَّةٍ حَمْرَاءَ مِنْ أَدَمٍ، وَرَأَيْتُ بِلاَلًا أَخَذَ وَضُوءَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، وَرَأَيْتُ النَّاسَ يَبْتَدِرُونَ ذَاكَ الْوَضوءَ، فَمَنْ أَصَابَ مِنْهُ شَيْئًا تَمَسَّحَ بِهِ، وَمَنْ لَمْ يُصِبْ مِنْهُ شَيْئًا أَخَذَ مِنْ بَلَلِ يَدِ صَاحِبِه، ثُمَّ رَأَيْتُ بِلاَلًا أَخَذَ عَنَزَةً فَرَكَزَهَا، وَخَرَجَ النَّبِيُّ ﷺ فِي حُلَّةٍ حَمْرَاءَ مُشَمِّرًا، صَلَّى إِلَى الْعَنَزَةِ بِالنَّاسِ رَكْعَتَيْنِ، وَرَأَيْتُ النَّاسَ وَالدَّوَابَّ يَمُرُّونَ مِنْ بَيْنَ يَدَيِ الْعَنَزَةِ281 – Van Abū Juḥayfah (رضي الله عنه):Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een rode leren tent, en ik zag Bilāl met het wuḍūʾ-water van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) naar buiten komen.Ik zag de mensen zich haasten naar dat wuḍūʾ-water: wie ervan wist te bemachtigen, wreef het op zichzelf; en wie er niets van kon pakken, nam wat vocht van de hand van zijn vriend en wreef dat op zich.Daarna zag ik dat Bilāl een korte speer pakte en deze neerzette (als sutrah).Toen kwam an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) naar buiten kwam in een rode mantel (ḥullah).
Hij stroopte de uiteinden ervan op. Hij verrichtte met de mensen twee rakaʿāt ṣalāh in de richting van de korte speer.Ik zag de mensen en de dieren voorbijgaan vóór de korte speer, maar niet vóór an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zelf.
[Een ḥullah is een kledingcombinatie bestaande uit een izār (onderkleed) en een ridāʾ (bovenkleed). Pas wanneer deze twee kledingstukken samen worden gedragen, wordt het geheel ḥullah genoemd.
De rode ḥullah bestaat uit twee Jemenitische mantels die, net als andere Jemenitische mantels, geweven zijn met rode en zwarte strepen.] (HY)
٢٨٢ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: أَقْبَلْتُ رَاكِبًا عَلَى حِمَارٍ أَتَانٍ، وَأَنَا يَوْمَئِذٍ قَدْ نَاهَزْتُ الاحْتِلاَمَ، وَرَسُولُ اللهِ ﷺ يُصَلِّي بِمِنَى إِلَى غَيْرِ جِدَارٍ، فَمَرَرْتُ بَيْنَ يَدَيْ بَعْضِ الصَّفِّ، وَأَرْسَلْتُ الأَتَانَ تَرْتَعُ، فَدَخَلْتُ فِي الصَّفِّ، فَلَمْ يُنْكَرْ ذلِكَ عَلَيَ282-) Van `Abdullah Ibn Abbâs (رضي الله عنهما):Ik kwam op een ezelin aanrijden, terwijl ik op die dag bijna de puberteit had bereikt. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was op dat moment in Minā bezig met het verrichten van de ṣalāh, zonder dat er een muur (als sutrah) voor hem stond. Ik reed voorbij vóór een deel van de rij (ṣaf), liet de ezelin grazen, en voegde mij bij de rij (om de ṣalāh mee te verrichten). En niemand keurde dat van mij af.
Verhinderen van iemand die voor de biddende langs wil lopen
منع المار بين يدي المصلي٢٨٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ قَالَ أَبُو صَالِحِ السَّمَّانُ: رَأَيْتُ أَبَا سَعِيدٍ الخُدْرِيَّ فِي يَوْمِ جُمُعَةٍ يُصَلِّي إِلَى شَيْءٍ يَسْتُرُهُ مِنَ النَّاسِ، فَأَرَادَ شَابٌّ مِنْ بَنِي أَبِي مُعَيْطٍ أَنْ يَجْتَازَ بَيْنَ يَدَيْهِ، فَدَفَعَ أَبُو سَعِيدٍ فِي صَدْرِهِ، فَنَظَرَ الشَّابُ فَلَمْ يَجِدْ مَسَاغًا إِلاَّ بَيْنَ يَدَيْهِ؛ فَعَادَ لِيَجْتَازَ فَدَفَعَهُ أَبُو سَعِيدٍ أَشَدَّ مِنَ الأُولَى فَنَالَ مِنْ أَبِي سَعِيدٍ، ثُمَّ دَخَلَ عَلَى مَرْوَانَ، فَشَكَا إِلَيْهِ مَا لَقِيَ مِنْ أَبِي سَعِيدٍ، وَدَخَلَ أَبُو سَعِيدٍ خَلْفَهُ عَلَى مَرْوَانَ، فَقَالَ: مَا لَكَ وَلاِبْنِ أَخِيكَ يَا أَبَا سَعِيدٍ قَالَ: سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ: إِذَا صَلَّى أَحَدُكُمْ إِلَى شَيْءٍ يَسْتُرُهُ مِنَ النَّاسِ فَأَرَادَ أَحَدٌ أَنْ يَجْتَازَ بَيْنَ يَدَيْهِ فَلْيَدْفَعُهُ، فَإِنْ أَبى فَلْيُقَاتِلْهُ فَإِنَّمَا هُوَ شَيْطَانٌ
283 – Van Abū Saʿīd al-Khudrī (رضي الله عنه):Abū Ṣāliḥ as-Sammān zei: “Ik zag Abū Saʿīd al-Khudrī op een vrijdag ṣalāh verrichten, terwijl hij naar iets toe bad dat hem tegen de mensen afschermde (een sutrah). Toen probeerde een jongeman uit de Banū Abī Muʿayṭ voor hem langs te lopen, maar Abū Saʿīd gaf hem een duw op zijn borst.
De jongeman keek nog eens goed maar zag geen andere mogelijkheid om er langs te komen. Hij probeerde opnieuw voor Abū Saʿīd langs te lopen. Toen duwde Abū Saʿīd hem nog krachtiger, waarop de jongeman zich afwendde en begon Abū Saʿīd uit te schelden.Vervolgens begaf hij zich naar Marwān Ibn Hakam (de gouverneur van Madīnah) en deed zijn beklag over wat hij van Abū Saʿīd had ondervonden. Even later kwam Abū Saʿīd zelf ook binnen. Marwān zei: “Waarom heb je het met de zoon van je broer aan de stok, o Abū Saʿīd?”Hij antwoordde: “Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Als iemand van jullie ṣalāh verricht naar iets dat hem afschermt van de mensen (een sutrah), en iemand probeert vóór hem langs te lopen, dan moet hij hem tegenhouden. En als diegene niet wil wijken, laat hem dan geweld gebruiken, want (zijn daad) is slechts een (handeling van de) shayṭān.’
[Wie de ṣalāh verricht en zich via de Kaʿbah tot zijn Rab wendt, bevindt zich in aanbidding. Het is daarom niet gepast om tussen hem en de Kaʿbah door te lopen, behalve wanneer er sprake is van een dringende noodzaak. Degene die desondanks vóór een biddende persoon probeert langs te gaan en, zelfs na aangesproken te zijn, hierin volhardt, wordt omschreven als een shayṭān. Dit omdat het verstoren of onderbreken van een daad van aanbidding behoort tot gedrag dat met de shayṭān wordt geassocieerd. Behoudens een levensbedreigende situatie of andere urgente noodzaak dient men geduld te hebben, te wachten en respect te tonen voor de aanbidding van een ander.] (Diyanet)
٢٨٤ - حديث أَبِي جُهَيْمٍ عَنْ بُسْرِ بْنِ سَعِيدٍ، أَنَّ زَيْدَ بْنَ خَالِدٍ أَرْسَلَهُ إِلَى أَبِي جُهَيْمٍ يَسْأَلُهُ مَاذَا سَمِعَ مِنْ رَسُولِ الله ﷺ فِي الْمَارِّ بَيْنَ يَدَيِ الْمُصَلِّي، فَقَالَ أَبُو جُهَيْمٍ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَوْ يَعْلَمُ الْمَارُّ بَيْنَ يَدَيِ الْمُصَلِّي مَاذَا عَلَيْهِ مِنَ الإِثْمِ لَكَانَ أَنْ يَقِفَ أَرْبَعِينَ خَيْرًا لَهُ مِنْ أَنْ يَمُرَّ بَيْنَ يَدَيْهِ284-) Abû Juhaym (رضي الله عنه) van Busr ibn Saʿīd: Zayd ibn Khālid stuurde mij naar Abū Juḥaym om hem te vragen wat hij van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gehoord had over iemand die voor een ander langsloopt die de ṣalāh aan het verrichten is. Abū Juḥaym zei: “Rasûlullâh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Als degene die voor iemand langsloopt die de ṣalāh verrichten, zou hij liever veertig … blijven staan wachten dan voor hem langs te lopen.”De overleveraar vroeg: “Ik weet niet wat hij precies zei: Veertig dagen, veertig maanden, of veertig jaar?”
Dichtbij de sutrah staan van degene die ṣalāh verricht
دنو المصلي من السترة
٢٨٥ - حديث سَهْلِ بْنِ سَعْدٍ قَالَ: كَانَ بَيْنَ مُصَلَّي رَسُولِ اللهِ ﷺ وَبَيْنَ الْجِدَارِ مَمَرُّ الشَّاةِ
285-) Van Sahl (رضي الله عنه):Tussen de (qiblah) muur van de moskee en de minbar (de plaats waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh verrichtte) was zó dat een schaap er nauwelijks langs kon gaan.
٢٨٦ - حديث سَلَمَةَ، قَالَ: كَانَ جِدَارُ الْمَسْجِدِ عِنْدَ الْمِنْبَرِ مَا كَادَتِ الشَّاةُ تَجُوزُهَا286-) Salamah Ibn Akwa' (رضي الله عنه):De (qiblah) muur van de moskee en de minbar was zó smal dat een schaap er nauwelijks langs kon gaan.
٢٨٧ - حديث سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ قَالَ يَزِيدُ بْنُ أَبِي عُبَيْدٍ: كُنْتُ آتِي مَعَ سَلَمَةَ بْنِ الأَكْوَعِ فَيُصَلِّي عِنْدَ الأُسْطُوَانَةِ الَّتِي عِنْدَ الْمُصْحَفِ، فَقُلْتُ يَا أَبَا مُسْلِمٍ أَرَاكَ تَتَحَرَّى الصَّلاَةَ عِنْدَ هذِهِ الأُسْطُوَانَةِ قَالَ: فَإِنِّي رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَتَحَرَّى الصَّلاَةَ عِنْدهَا287 –) Van Salamah ibn al-Akwaʿ (رضي الله عنه)::
Yazīd ibn Abī ʿUbayd zei: “Ik kwam samen met Salamah ibn al-Akwaʿ(in Masjid an-Nabawī), en hij verrichtte de ṣalāh bij de zuil die zich bij de muṣḥaf (van `Uthmān, het gebonden boek van de Qur’ān) bevindt.Toen zei ik: 'O Abā Muslim! Ik zie dat jij er speciaal op let om de ṣalāh bij deze zuil te verrichten.'
Hij zei: ‘Ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gezien dat hij er speciaal op lette om de ṣalāh bij deze zuil te verrichten.’
Liggen vóór iemand die ṣalāh verricht
الاعتراض بين يدي المصلي
٢٨٨ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يُصَلِّي وَهِيَ بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْقِبْلَةِ عَلَى فِرَاشِ أَهْلِهِ اعْتِرَاضَ الْجَنَازَةِ
288 - ) Van ʿĀishah رضي الله عنها:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh terwijl zij tussen hem en de qiblah lag op het bed van zijn gezin, in de breedte zoals een overledene (wordt neergelegd).
[Voor de vrouwen van Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) werden vertrekken ingericht die direct aansloten op al-Masjid an-Nabawī. De ruimte die was toegewezen aan onze moeder ʿĀʾishah (رضي الله عنها) maakte deel uit van wat bekendstaat als de Hujrah as-Saʿādah (de Kamer van het Geluk), die later ook de plaats werd waar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd begraven. In verschillende overleveringen wordt vermeld dat deze kamer zeer eenvoudig was en een laag plafond had.
In deze ḥadīth wordt beschreven dat ʿĀʾishah, vanwege de beperkte ruimte in de kamer, soms geen andere plek had om te gaan zitten en zich daarom uitstrekte terwijl Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichtte. Het spreekt vanzelf dat dit op geen enkele wijze voortkwam uit onbeleefdheid of gebrek aan eerbied tegenover Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) of de ṣalāh, maar uitsluitend het gevolg was van de natuurlijke en beperkte omstandigheden van de ruimte.
Daarnaast brengt deze ḥadīth ook het onderwerp van de sutrah ter sprake. Een sutrah is een afbakening die een biddende persoon tussen zichzelf en degene die vóór hem passeert plaatst, in de richting van de qiblah, om te voorkomen dat de ṣalāh wordt verstoord. In meerdere aḥādīth wordt vermeld dat Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens de ṣalāh een sutrah gebruikte en dit ook aanbeval, al was dit niet altijd noodzakelijk. In dit geval koos Rasulullāh (صلى الله عليه وسلم) ervoor de ṣalāh zonder sutrah te verrichten. Deze overlevering ondersteunt bovendien het standpunt dat de ṣalāh niet ongeldig wordt wanneer een vrouw vóór de biddende persoon passeert.] (Diyanet)
٢٨٩ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَبِيُّ ﷺ يُصَلِّي وَأَنَا رَاقِدَةٌ مُعْتَرِضَةٌ عَلَى فِرَاشِهِ، فَإِذَا أَرَادَ أَنْ يُوتِرَ أَيْقَظَنِي فَأَوْتَرْتُ289 -) Van ʿĀishah رضي الله عنها:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh terwijl ik languit op zijn bed lag. Wanneer hij witr-( ṣalāh) wilde verrichten, wekte hij mij, en dan verrichtte ik ook witr- (ṣalāh).
٢٩٠ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مَسْرُوقٍ، قَالَ: ذُكِرَ عِنْدَهَا (عَائِشَةَ) مَا يَقْطَعُ الصَّلاَةَ، الْكَلْبُ وَالْحِمَارُ وَالْمَرْأَةُ فَقَالَتْ: شَبَّهْتُمُونَا بالْحُمُر وَالْكِلاَب وَاللهِ لَقَدْ رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يُصَلِّي وَإِنِّي عَلَى السَرِيرِ بَيْنَهُ وَبَيْنَ الْقبْلَةِ، مُضْطَجِعَةً، فَتَبْدو لِي الْحَاجَةُ فَأَكْرَهُ أَنْ أَجْلِسَ فأُوذِيَ النَّبِيَّ ﷺ، فَأَنْسَلُّ مِنْ عِنْد رِجْلَيْهِ290 -) Van ʿĀishah رضي الله عنها via Masrūq:Toen men haar (ʿĀishah ) vertelde over (de opvatting dat) een hond, een ezel en een vrouw de ṣalāh onderbreken, zei zij: “Hebben jullie ons dan met ezels en honden vergeleken?! Bij Allāh, ik heb an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de ṣalāh verrichten terwijl ik op bed lag tussen hem en de qiblah.
En als ik iets nodig had en het niet prettig vond om rechtop te gaan zitten uit vrees om an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) te storen, dan sloop ik geruisloos weg langs zijn voeten.”
٢٩١ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: أَعَدَلْتُمُونَا بِالْكَلْبِ وَالْحِمَارِ لَقَدْ رَأَيْتُنِي مُضْطَجِعَةً عَلَى السَّرِيرِ فَيَجِيءُ النَّبِيُّ ﷺ فَيتَوَسَّطُ السَّرِيرَ، فَيُصَلِّي، فَأَكْرَهُ أَنْ أُسَنِّحَهُ فَأَنْسَلُّ مِنْ قِبَلِ رِجْلِي السَّرِيرِ حَتَّى أنْسَلَّ مِنْ لِحَافِي291 -) Van ʿĀishah رضي الله عنها:Vergeleken jullie ons met de hond en de ezel?! Ik lag eens languit op het bed en an-Nabī ging in het midden van het bed staan en verrichtte de ṣalāh.
Ik wilde hem niet hinderen, dus schoof ik langzaam weg aan de kant van het voeteneinde van het bed, totdat ik helemaal onder mijn deken uit was.”
٢٩٢ - حديث عَائِشَةَ زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهَا قَالَتْ: كُنْتُ أَنَامُ بَيْنَ يَدَيْ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَرِجْلاَيَ فِي قِبْلَتِهِ، فَإِذَا سَجَدَ غَمَزَنِي فَقَبَضْتُ رِجْلَيَّ، فَإِذَا قَامَ بَسَطْتُهُمَا قَالَتْ: والْبُيُوتُ يَوْمَئِذٍ لَيْسَ فِيهَا مَصَابِيحُ292 -) Van ʿĀishah رضي الله عنها, de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :Ik sliep voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) terwijl mijn benen in zijn qiblah-richting waren. Wanneer hij zich ter aarde wilde werpen (sajdah), tikte hij me aan zodat ik mijn benen introk. Wanneer hij opstond, strekte ik mijn benen weer. En de huizen hadden toen nog geen lampen.”
٢٩٣ - حديث مَيْمُونَةَ قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُصَلِّي وَأَنَا حِذَاءَهُ، وَأَنَا حَائِضٌ، وَرُبَّمَا أَصَابَنِي ثَوْبُهُ إِذَا سَجَدَ293 -) Van Maymūnah رضي الله عنها:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) verrichtte de ṣalāh terwijl ik naast hem stond, en ik had mijn menstruatie periode. Soms raakte zijn kleding mij aan wanneer hij in de sajdah ging.”
Ṣalāh verrichten in één kledingstuk en de beschrijving daarvan
الصلاة في ثوب واحد وصفة لبسه
٢٩٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ سَائِلًا سَأَلَ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنِ الصَّلاَةِ فِي ثَوبٍ وَاحِدٍ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَوَلِكُلِّكُمْ ثَوْبَانِ
294 -) Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:Een man vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over het verrichten van de ṣalāh in slechts één kledingstuk. Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): “Heeft ieder van jullie dan twee kledingstukken?”
٢٩٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: لاَ يُصَلِّي أَحَدُكُمْ فِي الثَّوْبِ الْوَاحِدِ لَيْسَ عَلَى عَاتِقَيْهِ شَيْءٌ295 -) Van Abū Hurayrah رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie ṣalāh verrichten in slechts één kledingstuk zonder dat er iets op zijn schouders ligt.”
٢٩٦ - حديث عُمَرَ بْنِ أَبِي سَلَمَةَ، قَالَ: رَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يُصَلِّي فِي ثَوْبٍ وَاحِدٍ مُشْتَمِلًا بِهِ، فِي بَيْتِ أُمِّ سَلَمَةَ، وَاضِعًا طَرَفَيْهِ عَلَى عَاتِقَيْهِ296 -) Van ʿUmar ibn Abī Salamah رضي الله عنه:Ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ṣalāh verrichten in één kledingstuk waarin hij zich had gewikkeld, in het huis van Umm Salamah, waarbij hij de uiteinden van dat kledingstuk over zijn beide schouders had gelegd.
٢٩٧ - حديث جَابِرِ بْنِ عَبْدِ اللهِ قَالَ مُحَمَّدُ بْنُ الْمُنْكَدِرِ: رَأَيْتُ جَابِرَ بْنَ عَبْدِ اللهِ يُصَلِّي فِي ثَوْبٍ وَاحِدٍ، وَقَالَ رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ يُصَلِّي فِي ثَوْبٍ297 -) Van Jābir ibn ʿAbdillāh رضي الله عنه:Muḥammad ibn al-Munkadir zei: “Ik zag Jābir ibn ʿAbdillāh ṣalāh verrichten in één kledingstuk, en hij zei: ‘Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dat ook doen.”
[De vraag werd gesteld over het verrichten van ṣalāh in kleding gemaakt van één stuk stof, omdat het mogelijk is dat het bovenlichaam niet bedekt wordt en de ‘awrah zichtbaar wordt. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) vestigde de aandacht op het feit dat niet iedereen de financiële middelen had om twee kledingstukken te bezitten. Hij stond toe dat men ṣalāh verrichtte door zich in één stuk stof te wikkelen. In dergelijke gevallen adviseerde hij om een deel van de stof over de schouder te slaan of om de nek te draperen.] (Diyanet)