Kitābu’t tafsīr: Boek van de excegese
١٨٩٣ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: قِيلَ لِبَنِي إِسْرَائِيلَ: ادْخُلُوا الْبَابَ سُجَّدًا، وَقُولُوا حِطَّةٌ، فَبَدَّلُوا فَدَخَلُوا يَزْحَفُونَ عَلَى أَسْتَاهِهِمْ، وَقَالُوا: حَبَّةٌ فِي شَعْرَةٍ
1893 - Van Abū Hurayrah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: Tegen Banū Isrā’īl werd gezegd:
وَإِذۡ قُلۡنَا ٱدۡخُلُواْ هَٰذِهِ ٱلۡقَرۡيَةَ فَكُلُواْ مِنۡهَا حَيۡثُ شِئۡتُمۡ رَغَدٗا وَٱدۡخُلُواْ ٱلۡبَابَ سُجَّدٗا وَقُولُواْ حِطَّةٞ نَّغۡفِرۡ لَكُمۡ خَطَٰيَٰكُمۡۚ وَسَنَزِيدُ ٱلۡمُحۡسِنِينَ ٥٨
En (gedenk) toen Wij zeiden: “Ga deze stad binnen en eet daar met plezier en genot zoveel als jullie willen en ga de poort binnen en kniel neer en zeg: “Vergeef ons” en Wij zullen jullie jullie zonden vergeven en zullen de (beloning) voor de weldoeners doen toenemen.” (sûrah Baqarah 2:58)Maar zij veranderden dit. Zij gingen de poort binnen terwijl zij zich op hun achterwerken voortsleepten en zeiden (i.p.v. ḥiṭṭatun (vergeving)): “Een graankorrel in een zak”.
[De Israëlieten waren een volk dat niet alleen de geboden die Allāh aan hen heeft gezonden niet naleefden, maar ook herhaaldelijk de geboden kansen verspilden en ondankbaar waren.In de ḥadīth wordt verwezen naar het gebod aan de Israëlieten toen zij onder leiding van profeet Mûsā (عليه السلام) de tirannie van Firaun ontvluchtten en de Rode Zee overstaken, om met nederigheid Bayt al-Maqdis binnen te gaan: met gebogen hoofd en vergeving smekend.Allāh تَعَالَى gebood hen het woord “ḥitta” te zeggen, wat een smeekbede betekent die inhoudt: “breng je last neer, buig je neder, vraag vergiffenis en bevrijd jezelf van de last van je zonde.” Op deze manier zouden hun verraad en egoïsme tegenover profeet Mûsā (عليه السلام) vergeven worden en zouden zij overvloedig gezegend worden.Maar zij maakten er een spot van en vervormden het woord tot “hinta” (wat letterlijk “een zak vol tarwe” betekent), en betraden het heiligdom op een zo trots en gewelddadig mogelijke manier. Het vragen van een materiële gave zoals tarwe in plaats van een spirituele zegen zoals vergiffenis, wijst op hun gehechtheid aan het wereldse. ] (Diyanet)
١٨٩٤ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁، أَنَّ اللهَ تَعَالَى تَابَعَ عَلَى رَسُولِهِ، قَبْلَ وَفَاتِهِ حَتَّى تَوَفَّاهُ أَكْثَرَ مَا كَانَ الْوَحْيُ ثُمَّ تُوُفِّيَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، بَعْدُ1894 – Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Waarlijk Allahu تعالى heeft vóór het overlijden van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) het neerdalen van de openbaring steeds voortgezet, totdat Hij hem tot Zich nam. De openbaring was het meest overvloedig vlak vóór zijn overlijden.
Daarna is Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) overleden.
[Want na de verovering van Makkah kwamen er steeds meer mensen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem vragen te stellen,en als gevolg daarvan nam ook de openbaring (wahy) toe.] (AFK)
٥ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ، أَنَّ رَجُلًا مِنَ الْيَهُودِ قَالَ لَهُ: يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ آيَةٌ فِي كِتَابِكُمْ تَقْرَءُونَهَا، لَوْ عَلَيْنَا، مَعْشَرَ الْيَهُودِ نَزَلَتْ، لاَتَّخَذْنَا ذلِكَ الْيَوْمَ عِيدًا قَالَ: أَيُّ آيَةٍ قَالَ (الْيَوْمَ أَكْمَلْتُ لَكُمْ دِينَكُمْ وَأَتْمَمْتُ عَلَيْكُمْ نِعْمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ الإِسْلاَمَ دِينًا) قَالَ عُمَرُ: قَدْ عَرَفْنَا ذَلِكَ الْيَوْمَ، وَالْمَكَانَ الَّذِي نَزَلَتْ فِيهِ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ وَهُوَ قَائِمٌ بِعَرَفَةَ، يَوْمَ جُمُعَةٍ1895 - Van ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (رضي الله عنه):Een joodse man (Ka`b al-Ahbar) zei tegen hem: “O leider van de gelovigen! Er is een āyah in jullie Boek die jullie reciteren.
Als die op ons, de joden, was neergezonden, dan zouden wij die dag tot een feestdag hebben uitgeroepen.”ʿUmar vroeg: “Welke āyah bedoel je?”Hij zei: ٱلۡيَوۡمَ أَكۡمَلۡتُ لَكُمۡ دِينَكُمۡ وَأَتۡمَمۡتُ عَلَيۡكُمۡ نِعۡمَتِي وَرَضِيتُ لَكُمُ ٱلۡإِسۡلَٰمَ دِينٗاۚ“…Vandaag heb Ik de godsdienst voor jullie voltooid en Mijn gunst voor jullie volmaakt en heb de Islām voor jullie als godsdienst gekozen... (sura Maidah 3)
ʿUmar zei: “Wij kennen die dag en de plaats waar deze āyah aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd geopenbaard: hij stond op de dag van Jumuʿah op de vlakte van ʿArafah.”
١٨٩٦ - حديث عَائِشَةَ، عَنْ عُرْوَةَ ابْنِ الزُّبَيْرِ، أَنَّه سَأَلَ عَائِشَةَ عَنْ قَوْلِ اللهِ تَعَالَى (وَإِنْ خِفْتُمْ) إِلَى (وَرُبَاعَ) فَقَالَتْ: يَا ابْنَ أُخْتِي هِيَ الْيَتِيمَةُ تَكُونُ فِي حَجْرِ وَلِيِّهَا، تُشَارِكهُ فِي مَالِهِ، فَيُعْجِبُهُ مَالُهَا وَجَمَالُهَا فَيُرِيدُ وَلِيُّهَا أَنْ يَتَزَوَّجَهَا بِغَيْرِ أَنْ يُقْسِطَ فِي صَدَاقِهَا، فَيُعْطِيَهَا مِثْلَ مَا يُعْطِيهَا غَيْرُهُ فَنُهُوا أَنْ يَنْكِحُوهُنَّ إِلاَّ أَنْ يُقْسِطُوا لَهُنَّ، وَيَبْلُغُوا بِهِنَّ أَعْلَى سُنَّتِهِنَّ مِنَ الصَّدَاقِ، وَأُمِرُوا أَنْ يَنْكِحُوا مَا طَابَ لَهُمْ مِنَ النِّسَاءِ سِوَاهُنَّقَالَتْ عَائِشَةُ: ثُمَّ إِنَّ النَّاسَ اسْتَفْتَوْا رَسُولَ اللهِ ﷺ، بَعْدَ هذِهِ الآيَةِ فَأَنْزَلَ اللهُ (وَيَسْتَفْتُونَكَ فِي النِّسَاءِ) إِلَى قَوْلِهِ (وَتَرْغَبُونَ أَنْ تَنْكِحُوهُنَّ) وَالَّذِي ذَكَرَ اللهُ أَنَّهُ يُتْلَى عَلَيْكُمْ فِي الْكِتَابِ، الآيَةُ الأُولَى الَّتِي قَالَ فِيهَا (وَإِنْ خِفْتُمْ أَنْ لاَ تُقْسِطُوا في الْيَتَامَى فَانْكِحُوا مَا طَابَ لَكُمْ مِنَ النِّسَاءِ)قَالَتْ عَائِشَةُ: وَقَوْلُ اللهِ فِي الآيَةِ الأُخْرَى (وَتَرْغَبُونَ أَنْ تَنْكِحُوهُنَّ) يَعْنِي ⦗٣٣٣⦘ هِيَ رَغْبَةُ أَحَدِكُمْ لِيَتِيمَتِهِ الَّتِي تكُونُ فِي حَجْرِهِ، حِينَ تَكُونُ قَلِيلَةَ الْمَالِ وَالْجَمَالِ فَنُهُوا أَنْ يَنْكِحُوا مَا رَغِبُوا فِي مَالِهَا وَجَمَالِهَا مِنْ يَتَامَى النِّسَاءِ، إِلاَّ بِالْقِسْطِ، مِنْ
أَجْلِ رَغْبَتِهِمْ عَنْهُنَّ1896 – Van ʿUrwah ibn Zubayr (رضي الله عنه): Hij vroeg ʿĀishah (رضي الله عنها) over het Woord van Allahu تعالى :
وَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تُقۡسِطُواْ فِي ٱلۡيَتَٰمَىٰ فَٱنكِحُواْ مَا طَابَ لَكُم مِّنَ ٱلنِّسَآءِ مَثۡنَىٰ وَثُلَٰثَ وَرُبَٰعَۖ فَإِنۡ خِفۡتُمۡ أَلَّا تَعۡدِلُواْ فَوَٰحِدَةً أَوۡ مَا مَلَكَتۡ أَيۡمَٰنُكُمۡۚ ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَلَّا تَعُولُواْ ٣
En als jullie vrezen, dat jullie niet rechtvaardig met de (vrouwelijke) wezen kunnen handelen (in hun recht op een bruidsschat), trouw dan (andere) vrouwen naar keuze, twee of drie of vier, maar als jullie vrezen dat jullie niet rechtvaardig (met hen) kunnen handelen dan slechts één of wat jullie rechterhanden bezitten. Zo kunnen jullie beter voorkomen onrechtvaardig te handelen. (sûrah an-Nisā’ 4/3)
Zij zei: “O zoon van mijn zuster, dit gaat over het weesmeisje dat in de voogdij is van haar voogd, die haar deelgenoot is in haar bezit. Haar bezittingen en schoonheid bevallen hem, en hij wil haar huwen zonder haar een rechtvaardige bruidsschat te geven, zoals andere vrouwen die krijgen.Daarom werden zij verboden deze meisjes te huwen tenzij zij rechtvaardig tegenover hen zouden zijn en hen een passende bruidsschat zouden geven, die gelijk is aan wat anderen krijgen. Zij werden bevolen andere vrouwen te huwen die hen wel bevielen.”ʿUrwah zei: ʿĀishah zei vervolgens:“Daarna vroegen de mensen fatwā aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) over de vrouwen, waarop Allahu تعالى openbaarde:
وَيَسۡتَفۡتُونَكَ فِي ٱلنِّسَآءِۖ قُلِ ٱللَّهُ يُفۡتِيكُمۡ فِيهِنَّ وَمَا يُتۡلَىٰ عَلَيۡكُمۡ فِي ٱلۡكِتَٰبِ فِي يَتَٰمَى ٱلنِّسَآءِ ٱلَّٰتِي لَا تُؤۡتُونَهُنَّ مَا كُتِبَ لَهُنَّ وَتَرۡغَبُونَ أَن تَنكِحُوهُنَّ وَٱلۡمُسۡتَضۡعَفِينَ مِنَ ٱلۡوِلۡدَٰنِ وَأَن تَقُومُواْ لِلۡيَتَٰمَىٰ بِٱلۡقِسۡطِۚ وَمَا تَفۡعَلُواْ مِنۡ خَيۡرٖ فَإِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِهِۦ عَلِيمٗا ١٢٧
Zij vragen jou wettige aanwijzingen over de vrouwen, zeg: “Allāh instrueert jullie wat in het Boek is gereciteerd over de weesmeisjes die jullie niet het aangewezen deel hebben gegeven en die jullie toch willen huwen. En (over) de kinderen die zwak en onderdrukt zijn en dat jullie moeten zorgen voor de rechtvaardigheid voor de wezen. En al het goede wat jullie doen, voorwaar, Allāh weet ervan. (sûrah an-Nisā’ 4/127)
Wat Allāh noemde dat aan jullie wordt voorgelezen in het Boek, is de eerste āyah waarin Hij zegt:
﴿وَإِنْ خِفْتُمْ أَلَّا تُقْسِطُوا فِي الْيَتَامَى فَانكِحُوا...﴾ En als jullie vrezen, dat jullie niet rechtvaardig met de (vrouwelijke) wezen kunnen handelen (in hun recht op een bruidsschat), trouw dan (andere) vrouwen naar keuze, twee of drie of vier
ʿĀishah zei: En Allāhs Woord in de andere āyah:
﴿وَتَرْغَبُونَ أَن تَنكِحُوهُنَّ﴾ die jullie toch willen huwen (met wees meisjes)
“Dat wil zeggen: het gaat om de begeerte van een van jullie naar zijn vrouwelijke wees die onder zijn voogdij is, wanneer zij weinig bezit en weinig schoonheid heeft.Zij (de mannen) werden daarom verboden om hen te huwen enkel vanwege begeerte naar hun bezit of schoonheid van de vrouwelijke wezen, tenzij zij (hen huwen) met rechtvaardigheid (qisṭ). Dat vanwege hun (eerdere) afkeer van hen.”
[Wanneer iemand een weesmeisje dat zich in zijn huis bevindt, dus onder zijn bescherming is, niet wil huwen omdat haar bezit gering is en zij ook niet mooi is, en toch met haar trouwt met als enige doel haar bezit te verkrijgen, dan is het verboden om met dat weesmeisje te trouwen. Want zijn doel is enkel om haar bezittingen te bemachtigen. Het weesmeisje krijgt op onrechtvaardige wijze een lagere bruidsschat (mahir) toekent dan aan andere vrouwen.] (AFK)
[In de tijd van de jāhiliyyah, als een man een weesmeisje onder zijn hoede had en hij wierp een kledingstuk over haar heen, dan mocht niemand anders met dat weesmeisje trouwen. Als het weesmeisje mooi was, dan huwde die man met haar en eigende zich ook haar bezit toe. Als zij echter onaantrekkelijk was, verbood hij haar om te trouwen totdat zij stierf. Daarna nam hij haar erfenis. De Islām heeft dit verboden.] (HY)
١٨٩٧ - حديث عَائِشَةَ قَالَتْ: (وَمَنْ كَانَ غَنِيًّا فَلْيَسْتَعْفِفْ، وَمَنْ كَانَ فَقِيرًا فَلْيَأْكُلْ بِالْمَعْرُوفِ) أُنْزِلَتْ فِي وَالِي الْيَتِيمِ الَّذِي يُقِيمُ عَلَيْهِ، وَيُصْلِحُ فِي مَالِهِ، إِنْ كَانَ فَقِيرًا أَكَلَ مِنْهُ بِالْمَعْرُوفِ1897 - Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها:وَٱبۡتَلُواْ رًا وَمَن كَانَ فَقِيرٗا فَلۡيَأۡكُلۡ بِٱلۡمَعۡرُوفِۚ فَإِذَا دَفَعۡتُمۡ إِلَيۡهِمۡ أَمۡوَٰلَهُمۡ فَأَشۡهِدُواْ عَلَيۡهِمۡۚ وَكَفَىٰ بِٱللَّهِ حَسِيبٗا ٦
…En wie onder hun voogden rijk is, moet geen loon nemen, maar als hij arm is, moet hij voor zichzelf nemen wat rechtvaardig en redelijk is. (sûrah an-Nisā’ 4/6)
Deze āyah werd geopenbaard over de voogd van een wees die die hem/haar opvoedt en goed zorg draagt voor zijn bezit. Als hij (voogd) arm is, mag hij er op een fatsoenlijke manier en volgens de gangbare gewoonte van gebruiken.
١٨٩٨ - حديث عَائِشَةَ (وَإِنِ امْرَأَةٌ خَافَتْ مِنْ بَعْلِهَا نُشُوزًا أَوْ إِعْرَاضًا) قَالَتْ: الرَّجُلُ تَكُونُ عِنْدَهُ الْمَرْأَةُ لَيْسَ بِمُسْتَكْثِرٍ مِنْهَا، يُرِيدُ أَنْ يُفَارِقَهَا فَتَقُولُ: أَجْعَلُكَ مِنْ شَأْنِي فِي حِلٍّ فَنَزَلَتْ هذِهِ الآيَةُ فِي ذَلِكَ1898 - Van ‘Ā’ishah رضي الله عنها ze zei over de āyah:وَإِنِ ٱمۡرَأَةٌ خَافَتۡ مِنۢ بَعۡلِهَا نُشُوزًا أَوۡ إِعۡرَاضٗا ١٢٨ : En als een vrouw wreedheid of verwaarlozing van haar man vreest … (sûrah an-Nisā’ 4/128)
“Een man heeft een vrouw (onder zijn huwelijk), maar hij waardeerde haar niet veel of hield niet van haar (vanwege haar ouderdom of slecht gedrag. En wil hij van haar scheiden, en daarom spreekt hij niet meer met haar). Daarop zei de vrouw tegen haar man: ‘Ik doe afstand van de rechten en plichten die het huwelijk mij toekent en ik schenk het jou.’ Daarom is dit vers in dit verband geopenbaard.
١٨٩٩ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ سَعِيدِ بْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: آيَةٌ اخْتَلَفَ فِيهَا أَهْلُ الْكُوفَةِ فَرَحَلْتُ فِيهَا إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ، فَسَأَلْتُهُ عَنْهَا فَقَالَ: نَزَلَتْ هذِهِ الآيَةُ (وَمَنْ يَقْتُلْ مُؤْمِنًا مُتَعَمِّدًا فَجَزَاؤُهُ جَهَنَّمُ) هِيَ آخِرُ مَا نَزَلَ، وَمَا نَسَخَهَا شَيْءٌ1899 – Van Sa‘īd ibn Jubayr (رضي الله عنه):Er was verschil van mening onder de mensen (geleerden) van Kûfah over een bepaalde āyah. Daarom ging ik naar Ibn ‘Abbās om hem te vragen. Hij zei: “Deze āyah werd geopenbaard:
وَمَن يَقۡتُلۡ مُؤۡمِنٗا مُّتَعَمِّدٗا فَجَزَآؤُهُۥ جَهَنَّمُ خَٰلِدٗا فِيهَا ٩٣
En iedereen die bewust een gelovige doodt, zijn vergelding is de Hel om daarin eeuwig te verblijven. ( sûrah an-Nisā 4:93)Dit is de laatst geopenbaarde āyah hierover en niets heeft haar opgeheven.
١٩٠٠ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ ابْنُ أَبْزَى: سُئِلَ ابْنُ عَبَّاسٍ عَنْ قَوْلِهِ تَعَالَى (وَمَنْ يَقْتُلْ مُؤْمِنًا مُتَعَمِّدًا فَجَزَاؤُهُ جَهَنَّمُ)، وَقَوْلِهِ (وَلاَ يَقْتُلُونَ النَّفْسَ الَّتِي حَرَّمَ اللهُ إِلاَّ بِالْحَقِّ) حَتَّى بَلَغَ (إِلاَّ مَنْ تَابَ) فَسَأَلْتُهُ، فَقَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ قَالَ أَهْلُ مَكَّةَ: فَقَدْ عَدَلْنَا بِاللهِ وَقَتَلْنَا النَّفْسَ الَّتِي حَرَّمَ اللهُ إِلاَّ بِالْحَقِّ، وَأَتَيْنَا الْفَوَاحِشَ فَأَنْزَلَ اللهُ (إِلاَّ مَنْ تَابَ وَآمَنَ وَعَمِلَ عَمَلًا صَالِحًا) إلى قَوْلِهِ (غَفُورًا رَحِيمًا)1900 – Van Abdurrahman Ibn Abzā (رضي الله عنه) vroeg Ibn ‘Abbās over de volgende ayāt:
َمَن يَقۡتُلۡ مُؤۡمِنٗا مُّتَعَمِّدٗا فَجَزَآؤُهُۥ جَهَنَّمُ خَٰلِدٗا فِيهَا ٩٣
En iedereen die bewust een gelovige doodt, zijn vergelding is de Hel om daarin eeuwig te verblijven. ( sûrah an-Nisā 4:93)en
وَٱلَّذِينَ لَا يَدۡعُونَ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ وَلَا يَقۡتُلُونَ ٱلنَّفۡسَ ٱلَّتِي حَرَّمَ ٱللَّهُ إِلَّا بِٱلۡحَقِّ وَلَا يَزۡنُونَۚ وَمَن يَفۡعَلۡ ذَٰلِكَ يَلۡقَ أَثَامٗا ٦٨
En degenen die geen andere god naast Allāh aanroepen en die niemand doden, waarvan (het doden) door Allāh verboden is, behalve volgens een gerechtelijke zaak. En die geen ontucht plegen, want wie dat doet zal een bestraffing ontvangen!
يُضَٰعَفۡ لَهُ ٱلۡعَذَابُ يَوۡمَ ٱلۡقِيَٰمَةِ وَيَخۡلُدۡ فِيهِۦ مُهَانًا ٦٩
De bestraffing zal voor hem op de Dag der Opstanding verdubbeld worden en hij zal daarin met schande verblijven. (sûrah Furqān: 68-69)
Hij antwoordde: Toen deze ayāt geopenbaard werd, zei de Makkanen (polytheisten): “We hebben het rechtvaardig gemaakt bij Allāh en hebben de mens gedood die Allāh verbiedt, we riepen, naast Allāh, andere goden aan en begingen allerlei soorten slechtheid” Daarna werd de volgende āyah geopenbaard:
إِلَّا مَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ عَمَلٗا صَٰلِحٗا فَأُوْلَٰٓئِكَ يُبَدِّلُ ٱللَّهُ سَيِّـَٔاتِهِمۡ حَسَنَٰتٖۗ وَكَانَ ٱللَّهُ غَفُورٗا رَّحِيمٗا ٧٠
Behalve degenen die berouw hebben en geloven en goede daden verrichten.
Voor diegenen zal Allāh hun zonden in goede daden veranderen, en Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (sûrah Furqān: 70)
١٩٠١ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ ﵁ (وَلاَ تَقُولُوا لِمَنْ أَلْقى إِلَيْكُمُ السَّلاَمَ لَسْتَ مُؤْمِنًا) قَالَ: كَانَ رَجُلٌ فِي غُنَيْمَةٍ لَهُ، فَلَحِقَهُ الْمُسْلِمُونَ، فَقَالَ: السَّلاَمُ عَلَيْكُمْ فَقَتَلُوهُ وَأَخَذُوا غُنَيْمَتَهُ فَأَنْزَلَ اللهُ فِي ذَلِكَ، إِلَى قَوْلِهِ (عَرَضَ الْحَياةِ الدُّنْيَا) تِلْكَ الْغُنَيْمَةُ1901 - Van Ibn ‘Abbās رضي الله عنهما:وَلَا تَقُولُواْ لِمَنۡ أَلۡقَىٰٓ إِلَيۡكُمُ ٱلسَّلَٰمَ لَسۡتَ مُؤۡمِنٗا …en zeg niet tot degene die jullie salām (groet) geeft: “jij bent geen gelovige,” (sûrah an-Nisā’ 4/94)
Ibn ‘Abbās zei: “Een man stond bij een kleine kudde schapen. De moslims kwamen hem tegen. De man begroette de moslims met: as-salamu ʿalaykum. Desondanks doodden zij die man en namen zijn schapen mee.
Daarom werd Allāh’s Woord geopenbaard:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُوٓاْ إِذَا ضَرَبۡتُمۡ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِ فَتَبَيَّنُواْ وَلَا تَقُولُواْ لِمَنۡ أَلۡقَىٰٓ إِلَيۡكُمُ ٱلسَّلَٰمَ لَسۡتَ مُؤۡمِنٗا تَبۡتَغُونَ عَرَضَ ٱلۡحَيَوٰةِ ٱلدُّنۡيَا فَعِندَ ٱللَّهِ مَغَانِمُ كَثِيرَةٞۚ كَذَٰلِكَ كُنتُم مِّن قَبۡلُ فَمَنَّ ٱللَّهُ عَلَيۡكُمۡ فَتَبَيَّنُوٓاْۚ إِنَّ ٱللَّهَ كَانَ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٗا ٩٤
O, jullie die geloven!
Wanneer jullie gaan (vechten) voor de zaak van Allāh, controleer dan (de waarheid) en zeg niet tot degene die jullie Salam (groet) geeft: “jij bent geen gelovige,” verlangend naar de vergankelijke goederen van het wereldse leven. (sûrah Nisā’ 4/94)
Ibn ‘Abbās las het woord ‘as-salam’ als “as-salām” .
[O jullie die in Allāh geloven en Zijn Rasûl bevestigen in wat hij van Hem heeft gebracht: wanneer jullie in de weg van Allāh op tocht gaan om tegen jullie vijanden te strijden, onderzoek dan goed wie tot de vijand behoort en wie niet. Dood niet overhaast iemand zonder zeker te weten wie hij is. Dood alleen degenen waarvan jullie met zekerheid weten dat zij oorlog voeren tegen Allāh en Zijn Rasûl.En dood iemand niet die zich aan jullie overgeeft, die duidelijk maakt dat hij niet tegen jullie strijdt en die verklaart dat hij tot jullie godsdienst behoort, met de woorden: “Jij bent geen gelovige,” louter om wereldse gewin. Want de genade en beloning die Allāh bij Zich heeft, is veel groter dan de buit die jullie verkrijgen door die persoon te doden. En dat is ook beter voor jullie.Jullie waren immers zelf ooit zoals die persoon die zich nu aan jullie overgeeft: jullie verborgen jullie Islām, zoals hij dat nu ook doet. Maar Allāh heeft jullie geëerd met de Islām, jullie daarmee verheven en jullie aantal vermeerderd. Dus wees niet haastig in het doden van mensen waarvan jullie niet zeker weten of zij ongelovig zijn.
Onderzoek het goed, het zou kunnen dat Allāh ook hem heeft begunstigd met de Islām, zoals Hij dat bij jullie heeft gedaan.Waarlijk, Allāh weet wie van jullie vijanden jullie doden, wie jullie sparen, en al jullie andere daden. Op de Dag der Opstanding zal Hij iedereen vergelden naar wat hij heeft gedaan, en niets zal verloren gaan.Deze verzen werden geopenbaard nadat een eenheid van strijders, uitgezonden door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) , een man had gedood die reeds moslim was geworden, ofwel de geloofsgetuigenis had uitgesproken, of zich aan hen had overgegeven en zijn schapen en bezittingen had afgestaan. Allāh heeft de moslim die hem doodde hierom berispt, terwijl iemand die een ongelovige doodt niet berispt wordt.De uitspraak in het vers: “Allāh heeft jullie begunstigd”, betekent: “Allāh heeft jullie, ondanks dat jullie een overgegeven persoon hebben gedood, toch Zijn genade geschonken door jullie berouw te aanvaarden.] (HY)
1902 – Van al-Barā’ ibn Azib رضي الله عنه:Deze āyah werd geopenbaard met betrekking tot ons, de Anṣār. Toen zij op Haj gingen en terugkwamen, kwamen ze niet binnen via de deuren van hun huizen, maar via de achterkant ervan. Op een keer kwam een man van de Anṣār binnen via de deur van zijn huis en werd daarom bekritiseerd. Toen werd de āyah geopenbaard:
وَلَيۡسَ ٱلۡبِرُّ بِأَن تَأۡتُواْ ٱلۡبُيُوتَ مِن ظُهُورِهَا وَلَٰكِنَّ ٱلۡبِرَّ مَنِ ٱتَّقَىٰۗ وَأۡتُواْ ٱلۡبُيُوتَ مِنۡ أَبۡوَٰبِهَاۚ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ ١٨٩
…. Het is niet vroom dat jullie de huizen van de achterkant binnengaan, vroom zijn zij die Allāh vrezen en die de huizen binnengaan door hun deuren.
En vrees Allāh zodat jullie succes mogen hebben. (sûrah al-Baqarah 2:189)
Het vers (Nederlandse betekenis:) “… Zoek de middelen om Hem te benaderen”…
في قوله تعالى أولئك الذين يدعون يبتغون إِلى ربهم الوسيلة
١٩٠٣ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ (إِلَى رَبِّهِمُ الْوَسِيلَةَ) قَالَ: كَانَ نَاسٌ مِنَ الإِنْسِ يَعْبُدُونَ نَاسًا مِنَ الْجِنِّ، فَأَسْلَمَ الْجِنُّ، وَتَمَسَّكَ هؤُلاَءِ بِدِينِهِمْ
1903 - Van Abû Ma‘mar van `Abdullah رضي الله عنه:Over de woorden van Allāh:يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَٱبۡتَغُوٓاْ إِلَيۡهِ ٱلۡوَسِيلَةَ وَجَٰهِدُواْ فِي سَبِيلِهِۦ لَعَلَّكُمۡ تُفۡلِحُونَ ٣٥
O, jullie die geloven! Verricht jullie plichten voor Allāh en vrees Hem. Zoek de middelen om Hem te benaderen… (sûrah al Maidah 5/35)
Onder de mensen waren er die een groep jins aanbaden, maar de jins accepteerden de Islām en hielden zich aan hun geloof. Maar de anderen bleven op hun dwalende religies voortgaan."
Ash-Shā‘irī voegde toe, op gezag van Sufyān, van al-‘Almashī: قُلِ ٱدۡعُواْ ٱلَّذِينَ زَعَمۡتُم مِّن دُونِهِۦ فَلَا يَمۡلِكُونَ كَشۡفَ ٱلضُّرِّ عَنكُمۡ وَلَا تَحۡوِيلًا ٥٦
Zeg: “Roep degenen die jullie naast Allāh (als god) veronderstellen maar aan, Zij zij niet bij machte het kwade bij jullie te verwijderen of het te veranderen.” (sûrah al Isrā’ 17/56)
De suwar al-Bara’ah (at-Tawbah), al-Anfāl en al-Ḥadîdي سورة براءة والأنفال والحشر
١٩٠٤ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ عَنْ سَعِيدٍ بْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: قُلْتُ لاِبْنِ عَبَّاسٍ، سُورَةُ التَّوْبَةِ قَالَ: التَّوْبَةُ هِيَ الْفَاضِحَةُ مَا زَالَتْ تَنْزِلُ (وَمِنْهُمْ، وَمِنْهُمْ)، حَتَّى ظَنُّوا أَنَّها لَمْ تُبْقِ أَحَدًا مِنْهُمْ إِلاَّ ذُكِرَ فِيهَا قَالَ: قُلْتُ: سُورَةُ الأَنْفَالِ قَالَ: نَزَلَتْ فِي بَدْر قَالَ: قُلْتُ، سُورَةُ الْحَشْرِ قَالَ: نَزَلَتْ فِي بَنِي النَّضِيرِ
1904 - van Sa‘īd ibn Jubayr رضي الله عنه:Ik vroeg Ibn ‘Abbās over sûrah At-Tawbah. Hij zei: “At-Tawbah is de al Fādihah (onthuller: de ware aard van mensen blootlegt). Want het bleef voortdurend neerdalen met woorden als: 'En sommigen van hen zijn zodanig...' , 'En sommigen van hen zijn zodanig...' totdat de hypocrieten dachten dat er niemand van hen overbleef die in deze surah niet genoemd zou worden.”Ik vroeg over sûrah al-Anfāl, hij zei: “Zij werd geopenbaard bij (de Slag van) Badr.”Ik vroeg over sûrah al-Ḥashr, hij zei: “Zij werd geopenbaard over Banu an-Naḍīr.”
[Zoals de onderstaande ayat: sura At Tawbah: 49,58 en 75:
وَمِنۡهُم مَّن يَقُولُ ٱئۡذَن لِّي وَلَا تَفۡتِنِّيٓۚ أَلَا فِي ٱلۡفِتۡنَةِ سَقَطُواْۗ وَإِنَّ جَهَنَّمَ لَمُحِيطَةُۢ بِٱلۡكَٰفِرِينَ ٤٩
En onder hen is degene die zegt: “Geef mij toestemming en beproef mij niet.” Zeker, zij zijn voor de beproeving gezakt. En waarlijk, de Hel omringt de ongelovigen.
وَمِنۡهُم مَّن يَلۡمِزُكَ فِي ٱلصَّدَقَٰتِ فَإِنۡ أُعۡطُواْ مِنۡهَا رَضُواْ وَإِن لَّمۡ يُعۡطَوۡاْ مِنۡهَآ إِذَا هُمۡ يَسۡخَطُونَ ٥٨
En onder hen zijn er die jou beschuldigen in de zaak van de aalmoezen. Als zij daar een deel van krijgen zijn zij blij, maar als zij niets krijgen, zie, dan zij zijn woedend!
وَمِنۡهُم مَّنۡ عَٰهَدَ ٱللَّهَ لَئِنۡ ءَاتَىٰنَا مِن فَضۡلِهِۦ لَنَصَّدَّقَنَّ وَلَنَكُونَنَّ مِنَ ٱلصَّٰلِحِينَ ٧٥
En onder hen zijn er die aan Allāh beloofden: “Als Hij ons Zijn overvloed geeft, dan zullen wij zeker verplichte en vrijwillige liefdadigheid in de zaak van Allāh geven en dan zullen wij zeker onder de rechtvaardigen zijn.”]
De openbaring van het vers dat alcohol (khamr) ḥarām verklaartفي نزول تحريم الخمر
١٩٠٥ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ عَنِ ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: خَطَبَ عُمَرُ عَلَى مِنْبَرِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَقَالَ: إِنَّهُ قَدْ نَزَلَ تَحْرِيمُ الْخَمْرِ وَهِيَ مِنْ خَمْسَةِ أَشْيَاءَ: الْعِنَبِ وَالتَّمْرِ وَالْحِنْطَةِ وَالشَّعِيرِ وَالْعَسَلِ وَالْخَمْرُ مَا خَامَرَ الْعَقْلَ وَثَلاَثٌ، وَدِدْتُ أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ لَمْ يُفَارِقْنَا حَتَّى يَعْهَدَ إِلَيْنَا عَهْدًا: الْجَدُّ وَالْكَلاَلَةُ وَأَبْوَابٌ مِنْ أَبْوَابِ الرِّبَا
1905 - Van Ibn ‘Umar رضي الله عنهمما:Ik hoorde ‘Umar (رضي الله عنه ) spreken vanaf de preekstoel van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij zei: “Het verbod op wijn is geopenbaard. Wijn wordt gemaakt van vijf dingen: druiven, dadels, honing, tarwe en gerst. Alles wat het verstand bedwelmt is wijn.
Er zijn drie zaken waarvan ik wenste dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons er volledig over had geïnformeerd voordat hij van ons wegging: de erfenis van de grootvader, kalālah (erfenis zonder directe erfgenamen), en een aantal regels omtrent rente (ribā).”(Abû Hayyān at-Taymī zei: Ik zei tegen ‘Amir ash-Sha‘bī: “Wat is het oordeel over de drank die van rijst wordt gebrouwen in Sind?”Hij zei: “Die drank bestond niet ten tijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) of (in de khalifaat periode) van ‘Umar.”)
Het vers (Nederlandse betekenis:) Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer
في قوله تعالى هذان خصمان اختصموا في ربهم
١٩٠٦ - حديث أَبِي ذَرٍّ عَنْ قَيْسٍ، قَالَ: سَمِعْتُ أَبَا ذَرٍّ يُقْسِمُ قَسَمًا، إِنَّ هذِهِ الآيَةَ (هذَانِ خَصْمَانِ اخْتَصَمُوا فِي رَبِّهِمْ) نَزَلَتْ فِي الَّذِينَ بَرَزُوا يَوْمَ بَدْرٍ: حَمْزَةَ، وَعَلِيٍّ، وَعُبَيْدَةَ بْنِ الْحَارِث، وَعُتْبَةَ وَشَيْبَةَ ابْنَيْ رَبِيعَةَ، وَالْوَلِيدِ بْنِ عُتْبَةَ
1906 – Qays ibn ʿUbād (رضي الله عنه) zei:
هَٰذَانِ خَصۡمَانِ ٱخۡتَصَمُواْ فِي رَبِّهِمۡۖ فَٱلَّذِينَ كَفَرُواْ قُطِّعَتۡ لَهُمۡ ثِيَابٞ مِّن نَّارٖ يُصَبُّ مِن فَوۡقِ رُءُوسِهِمُ ٱلۡحَمِيمُ ١٩
Deze twee tegenstanders redetwisten met elkaar over hun Heer. Voor degenen die ongelovig zijn zal er kleding van vuur uitgesneden worden, kokend water zal over hun hoofden uitgegoten worden. (sûrah al-Hajj, 22:19)
Deze āyah werd neergezonden over de zes personen die elkaar tijdens de slag bij Badr in een tweegevecht (mubārizah) bevochten. Dit waren: (moslims): ʿAlī, Hamzah, ʿUbaydah ibn al-Ḥārith (رضي الله عنهم) en (polytheisten:) Shaybah ibn Rabīʿah, ʿUtbah ibn Rabīʿah en Walīd ibn ʿUtbah.[Hamza had Shaybah in een tweegevecht gedood. ʿAlī had Walīd in de strijd gedood. ʿUbaydah ibn al-Ḥārith had met ʿUtbah gevochten, maar hij raakte gewond en is tijdens de terugkeer van de veldslag aan deze wond overleden.] (HA)
Het boek is voltooid met de lof van Allah en dankzij Zijn gunst. Alle lof zij Allah, in het begin en aan het eind.
En zegeningen en vrede zij op de beste van Zijn schepping, sayyidinā Muhammad, en op zijn familie en zijn metgezellen, en (moge dit zijn) voor hen allen.