Kitâbu't-Tahârah: Boek van de Reinheid
De verplichting van reiniging voor de ṣalāh
وجوب الطهارة للصلاة[Ṭahârah betekent reinheid of zuiverheid. Reinheid neemt een belangrijke plaats in binnen de Islām. Terminologisch betekent ṭahârah het gebruik van water, aarde of beide in een toegestane manier om de daadwerkelijke onreinheid (najasah) of de spirituele onreinheid (hadath) van degene die zich wil reinigen, te verwijderen.
Fiqh-geleerden beperken zich tot het vaststellen van de juridische status van de handelingen van de verantwoordelijken (mukallafīn), zoals of een daad farḍ, wājib, enzovoort is. In het hoofdstuk ṭahârah gaat het in essentie over water, dat de basis van reiniging is en het gebruik verplicht is gesteld.
Wuḍû’ (kleine rituele wassing)
Het nemen van de wuḍū’is een van de belangrijkste voorwaarden van de ṣalāh (vijfmaal dagelijksgebed).
In de volgende authentieke (ṣaḥīḥ) hadîth die door Bukhārī en Muslim als marfū‘ (direct van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) is overgeleverd via Abū Hurayrah (رضي الله عنه):
“Er bestaat geen twijfel dat wanneer iemand zijn wuḍū’verbreekt, Allāh zijn ṣalāh niet aanneemt totdat hij opnieuw wuḍū’verricht.” En wuḍū’is de helft van de îmān (geloof).”
Het feit dat wuḍū’verplicht (farḍ) is, wordt ook in de Qur’ān duidelijk gemaakt, namelijk in sûrah al-Mā’ida, 6.
Imām Mālik en anderen hebben via Abū Hurayrah (رضي الله عنه) eveneens marfū‘ ahadîth overgeleverd waarin het volgende staat:
“Wanneer een gelovige zijn gezicht wast tijdens wuḍû’, worden al zijn zonden die hij met zijn ogen heeft begaan samen met het water of de laatste druppel ervan weggespoeld. Wanneer hij zijn handen wast, worden al zijn zonden die hij met zijn handen heeft gedaan weggespoeld. Wanneer hij zijn voeten wast, worden alle zonden die voortkomen uit het lopen met zijn voeten samen met het water weggespoeld, totdat hij helemaal schoon is van zonden.”
Ook is er een bredere hadîth overgeleverd via Abdullāh as-Sunabihī van Imām Mālik:
Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:“Wanneer de gelovige zijn wuḍū’voltooit en zijn mond spoelt, gaan de zonden uit zijn mond weg; wanneer hij zijn neus spoelt, gaan de zonden uit zijn neus weg; wanneer hij zijn gezicht wast, gaan de zonden van zijn gezicht weg, zelfs van onder zijn wimpers; wanneer hij zijn handen wast, verdwijnen de zonden uit zijn handen, zelfs onder zijn nagels; wanneer hij zijn hoofd wrijft, gaan de zonden van zijn hoofd weg, zelfs uit zijn oren; wanneer hij zijn voeten wast, verdwijnen de zonden van zijn voeten, zelfs van onder zijn teennagels. ….”] (Bulûğul MerâmTercümesi ve Şerhi Selâmet Yolları, Ahmed Davutoglu, 1965)
١٣٤ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: لاَ يَقْبَلُ اللهُ صَلاةَ أَحَدِكُمْ إِذَا أَحْدَثَ حَتَّى يَتَوَضَّأَ134-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘De ṣalāh van iemand die in staat van kleine onreinheid (hadath) verkeert, wordt niet aangenomen voordat hij de kleine wassing/ ablutie (wuḍū’) verricht.
[Kleine onreinheid (hadath) betekent dat iemand (met geluid of geruisloos) een windje laat.] (AFK)
{In een andere hadith staat: Hammām ibn Munabbih vertelt dat hij Abû Hurayrah (رضي الله عنه) heeft horen zeggen: an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd:"De salaah van iemand die in staat van kleine onreinheid verkeert wordt niet aangenomen voordat hij de kleine wassing verricht."Een man uit Hadramaut vroeg: "Wat is kleine onreinheid, Abû Hurayrah?"Hij antwoordde: "Als je een wind laat." }
De beschrijving en volledigheid van de wuḍū’
صفة الوضوء وكماله١٣٥ - حديث عُثْمَانَ بْنِ عَفَّانَ دَعَا بِإِنَاءٍ فَأَفْرَغَ عَلَى كَفَّيْهِ ثَلاَثَ مِرَارٍ فَغَسَلَهُمَا، ثُمَّ أَدْخَلَ يَمِينَهُ فِي الإِنَاءِ، فَمَضْمَضَ وَاسْتَنْشَقَ، ثُمَّ غَسَلَ وَجْهَهُ ثَلاَثًا، وَيَدَيْهِ إِلَى الْمِرْفَقَيْنِ ثَلاَثَ مِرَارٍ، ثُمَّ مَسَحَ بِرَأْسِهِ، ثُمَّ غَسَلَ رِجْلَيْهِ ثَلاَثَ مِرَارٍ إِلَى الْكَعْبَيْنِ، ثُمَّ قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مَنْ تَوَضَّأَ نَحْوَ وُضُوئِي هذَا ثُمَّ صَلَّى رَكْعَتَيْنِ لاَ يُحَدِّثُ فِيهِمَا نَفْسَهُ غُفِرَ لَهُ مَا تَقَدَّمَ مِنْ ذَنْبِهِ135-) Een keer vroeg Uthmān ibn `Affān (رضي الله عنه) om een schaal water (om wuḍū’ te verrichten): Hij waste:- zijn handen drie keer, - vervolgens stopte hij zijn rechterhand in het water, spoelde zijn mond, - gaf zijn neus water en snifte het uit, - waste zijn gezicht drie keer, - waste zijn handen tot aan de ellebogen drie keer, - wreef over zijn hoofd, - en waste zijn voeten tot aan de enkels drie keer. Toen zei hij: “Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wie zijn wuḍū’ precies zoals ik verricht en daarna twee rak`ah ṣalāh verricht, en tijdens en in deze handelingen (de wuḍū’ en de ṣalāh ) niet praat, dan zullen zijn eerdere zonden vergeven worden.'
De wuḍū’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم)
في وضوء النبي ﷺ١٣٦ - حديث عَبْدِ الله بْنِ زَيْدٍ سُئِلَ عَنْ وُضُوءِ النَّبِيِّ ﷺ، فَدَعَا بِتَوْرٍ مِنْ مَاءٍ، فَتَوَضَّأَ لَهُمْ وُضُوءَ النَّبِيِّ ﷺ، فَأَكْفَأَ عَلَى يَدِهِ مِنَ التَّوْرِ، فَغَسَلَ يَدَيْهِ ثَلاَثًا، ثُمَّ أَدْخَلَ يَدَهُ فِي التَّوْرِ، فَمَضْمَضَ وَاسْتَنْشَقَ، وَاسْتَنْثَرَ بِثَلاَثِ غَرَفَاتٍ، ثُمَّ أَدْخَلَ يَدَهُ فَغَسَلَ وَجْهَهُ ثَلاَثًا، ثُمَّ غَسَلَ يَدَيْهِ مَرَّتَيْنِ إِلَى الْمِرْفَقَيْنِ، ثُمَّ أَدْخَلَ يَدَهُ فَمَسَحَ رَأْسَهُ، فَأَقْبَلَ بِهِمَا وَأَدْبَرَ مَرَّةً وَاحِدَةً، ثُمَّ غَسَلَ رِجْلَيْهِ إِلَى الْكَعْبَينِ136-) Een man vroeg `Abdullah Ibn Zayd (رضي الله عنه): “Kun je me laten zien hoe an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zijn wuḍū’ verrichtte?” Hij antwoordde: “Ja,” en vroeg om water: Daarop verrichtte hij voor hen de wuḍū’ zoals de wuḍū’ van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) - hij goot het drie keer over zijn beide handen en waste ze, - daarna spoelde hij drie keer zijn mond en zijn neus waarna hij het uitblies - vervolgens waste hij zijn gezicht drie keer, - zijn handen tot aan de ellebogen twee keer, - daarna wreef hij met beide handen eenmaal over zijn hoofd, van het voorhoofd naar de achterkant van het hoofd en terug naar de voorkant. - ten slotte waste hij zijn beide voeten.
Slechts eenmaal uitvoeren van istinthār (neus uitblazen) en istijmār (reinigen van de schaamdelen)
الإيتار في الاستنثار والاستجمار١٣٧ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ عَنِ النَّبيِّ ﷺ أَنَّهُ قَالَ: مَنْ تَوَضَّأَ فَلْيَسْتَنْثِرْ، وَمَنِ اسْتَجْمَرَ فَلْيُوتِرْ
أخرجه البخاري في: ٤ كتاب الوضوء: ٢٥ باب الاستنثار في الوضوء
Bovenkant formulier
137-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie wuḍū’ verricht, laat hem water in zijn neus nemen en zijn neus uitblazen (istinthār). Wie (de schaamdelen) met stenen reinigt (istijmār), laat dit met oneven keer doen (een, drie, vijf... enzovoort).”
١٣٨ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ قَالَ: إِذَا اسْتَيْقَظَ أَحَدُكُمْ مِنْ مَنَامِهِ فَتَوَضَّأَ فَلْيَسْتَنْثِرَ ثَلاَثًا فَإِنَّ الشَّيْطَانَ يَبِيتُ عَلَى خَيْشُومِهِ138-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie uit zijn slaap ontwaakt, moet hij wuḍū’ verrichten en drie keer zijn neus uitblazen. Want de satan verblijft 's nachts in zijn neusholtes.” [De satan (shaytān) is een onzichtbaar wezen, geschapen uit uitgedoofd vuur. Wij kunnen bepaalde dingen die wij niet kunnen zien, ook niet volledig begrijpen. Daarom moeten we vertrouwen op wat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons heeft verteld. Geloven houdt in dat wij het bestaan van iets aanvaarden op basis van het vertrouwen in degene die ons daarover heeft geïnformeerd.Wat betreft de satan die in de neusholtes overnacht, tijdens het geeuwen in je mond blaast, slechte dromen veroorzaakt, of de verspreiding van de satan in de nacht, kunnen we in de materiële zin niet waarnemen. De gelovigen die vertrouwen hebben in Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), accepteren dit, terwijl degenen die geen vertrouwen hebben, het afwijzen. Allāh heeft ons over dingen verteld die we niet kunnen zien of begrijpen, en we geloven in deze zaken, zelfs als we ze in de materiële wereld niet kunnen waarnemen.] (AFK)
De verplichting de voeten volledig te wassen
وجوب غسل الرجلين بكمالهما١٣٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عَمْرٍو قَالَ تَخَلَّفَ عَنَّا النَّبِيُّ ﷺ فِي سَفْرَةٍ سَافَرْنَاهَا فَأَدْرَكَنَا، وَقَدْ أَرْهَقَتْنَا الصَّلاَةُ، وَنَحْنُ نَتَوَضًّأُ، فَجَعَلْنَا نَمْسَحُ عَلَى أَرْجُلِنَا، فَنَادَى بِأَعْلَى صَوْتِهِ: وَيْلٌ لِلأَعْقَابِ مِنَ النَّارِ مَرَّتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا139-) Van `Abdullah Ibn `Amr (رضي الله عنه): Toen we samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op reis waren, bleef hij een beetje achter. Terwijl wij wuḍū’ verrichtten, haalden hij ons in. Omdat de tijd voor de ṣalāh krap was, haastten wij ons, en we wasten onze voeten slordig, alsof we ze afveegden. Hij schreeuwde met zijn luidste stem: “Wee voor de hielen die in de Hel zullen branden!' Hij herhaalde dit twee of drie keer.”
[Imām Bukharī heeft deze ḥadīth aangehaald als bewijs dat het is toegestaan om de stem te verheffen tijdens een toespraak over kennis (ʿilm). De uitdrukking: ‘hij schreeuwde met zijn luidste stem’ wijst hierop. Dit werd noodzakelijk geacht vanwege bijvoorbeeld afstand, een grote menigte, of andere redenen.
Zoals ook blijkt uit de overlevering van Jābir (رضي الله عنه), wordt de stem verheven tijdens het geven van de khuṭbah. In die overlevering wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) wanneer hij tijdens de khuṭbah sprak over de Dag der Opstanding, in woede ontstak en zijn stem verhief.
In de overlevering van Nuʿmān (رضي الله عنه) overgeleverd door Aḥmad Ibn Hambal, is de volgende toevoeging opgenomen: “Zó zelfs dat iemand op de markt hem kon horen.”
Ook blijkt uit deze ḥadīth dat het herhalen van woorden is toegestaan om de boodschap begrijpelijker te maken.] (HY)
١٤٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ كَانَ يَمُرُّ وَالنَّاسُ يَتَوَضَّؤُونَ مِنَ الْمِطْهَرَةِ؛ فَقَالَ: أَسْبِغُوا الْوُضوءَ، فَإِنَّ أَبَا الْقَاسِمِ ﷺ قَالَ: وَيْلٌ لِلأَعْقَابِ مِنَ النَّارِ140-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Hij liep voorbij terwijl de mensen hun wuḍū’ verrichtten bij het waterbekken.Hij zei: “Voltooi (zorgvuldig) de wuḍū’, want Abū al-Qāsim (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd (toen de voeten niet volledig waren gewassen): ‘Wee de hielen voor het Vuur!’
De aanbeveling om de de voorkant van het gezicht, handen en voeten uitgebreid te wassen tijdens de wuḍū’
استحباب إطالة الغرة والتحجيل في الوضوء١٤١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: إِنِّي سَمِعْتُ النَّبِيَّ ﷺ يَقُولُ إِنَّ أُمَّتِي يُدْعَوْنَ يَوْمَ الْقِيَامَةِ غُرًّا مُحَجَّلِينَ مِنْ آثَارٍ الْوُضُوءِ، فَمَنِ اسْتَطَاعَ مِنْكُمْ أَنْ يُطِيلَ غُرَّتَهُ فَلْيَفْعَلْ141-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):Ik hoorde an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Mijn gemeenschap (ummah) zal op de Dag der Opstanding geroepen worden met lichtende gezichten en lichaamsdelen vanwege de sporen van de wuḍū’ (taḥjīl). Dus wie van jullie in staat is zijn licht (ghurrah) te laten toenemen, laat hem dat dan doen.”
[Abû Nuʿaym zei dat hij niet wist of de laatste zin van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was of van Abū Hurayrah (رضي الله عنه). Bij de tien metgezellen die deze ḥadīth van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) hebben overgeleverd, heb ik die zin niet gezien. Deze is alleen aanwezig in de overlevering van Abû Nuʿaym. Allāh weet het beste. Wat betreft het wassen van de lichaamsdelen tijdens de wuḍūʾ (ablutie) (in bepaalde ahadīth): de handen worden tot en met de bovenarmen gewassen en de voeten tot en met de enkels, zoals in de overlevering van Abū Hurayrah (رضي الله عنه) in Muslim, waarin hij dit toeschrijft aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).] (HY)
(Over) de siwāk
السواك١٤٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: لَوْلاَ أَنْ أَشُقَّ عَلَى أُمَّتِي أَوْ عَلَى النَّاسِ لأَمَرْتُهُمْ بِالسِّوَاكِ مَعَ كُلِّ صَلاَةٍ142-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als ik het mijn ummah of de mensen niet te moeilijk zou maken, dan zou ik hun bevelen om de siwāk (tandenstokje) te gebruiken bij elke ṣalāh.”
[De hadîth geeft de tijd voor het gebruik van de siwâk: het wordt aanbevolen om bij elke wuḍū’ te gebruiken. Desalniettemin is het aanbevolen om altijd een siwâk te gebruiken. Vooral in de volgende vijf situaties wordt het sterk aanbevolen:
Vlak voordat je de ṣalāh verricht: ongeacht of dit nu met wuḍū’ of met tayammum gebeurt.
Tijdens het verrichten van de wuḍū’,
Bij het reciteren van de Qur’ân.
Na het wakker worden uit de slaap,
Wanneer de adem of mond een onaangename geur heeft.
Het geheim achter het gebruik van de siwâk vóór het verrichten van de ṣalāh en andere aanbiddingen is dat we ons, omwille van de eer van de aanbidding, in elke toestand en onder alle omstandigheden waarin we Allāh aanbidden, volledig schoon en rein dienen te zijn.] (AFK)
١٤٣ - حديث أَبِي مُوسى قَالَ: أَتَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ فَوَجَدْتُهُ يَسْتَنُّ بِسِوَاكٍ بِيَدِهِ، يَقُولُ: أُعْ أُعْ وَالسِّوَاكُ فِي فِيهِ كَأَنَّهُ يَتَهَوَّعُ143-) Van Abû Mûsâ al `Asharī (رضي الله عنه): Ik kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en zag dat hij zijn tanden aan het schoonmaken was met een siwāk. Terwijl hij de siwāk in zijn mond had, zei hij: 'Oeh, oeh' (alsof hij wilde overgeven).”
١٤٤ - حديث حُذَيْفَةَ قَالَ كَانَ النَّبيُّ ﷺ إِذَا قَامَ مِنَ اللَّيْلِ يَشُوص فَاهُ بِالسِّوَاكِ144-) Van Hudzayfah (رضي الله عنه). an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) gebruikte de siwāk om zijn mond te reinigen wanneer hij 's nachts opstond voor de ṣalāh (al-layl/tahajjud).”
De eigenschappen van de fiṭrah
خصال الفطرة١٤٥ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: الْفِطْرَة خَمْسٌ أَوْ خَمْسٌ ⦗٦٠⦘ مِنَ الْفِطْرَةِ: الْخِتَانُ، وَالاِسْتِحْدَادُ، وَنَتْفُ الإِبْطِ، وتَقْلِيمُ الأَظْفَارِ، وَقَصُّ الشَّارِبِ145-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: ‘De fiṭrah (natuurlijke aanleg) bestaat uit vijf zaken of vijf zaken behoren tot de fiṭrah: - de besnijdenis (khitān), - het scheren van de schaamstreek, - het eruit trekken van de haren onder de oksels, - het kortknippen van de snor en - het knippen van de (vinger en teen) nagels.
[De term “fiṭrah” in deze ḥadīth heeft verschillende betekenissen. De breedste interpretatie is dat het verwijst naar dingen die in overeenstemming zijn met de natuurlijke staat van de mens. Deze zaken worden dus beschouwd als dingen die de menselijke natuur volgen. In deze ḥadīth wordt aangegeven dat er vijf van deze handelingen zijn, maar in een andere ḥadīth wordt gezegd dat het er tien zijn. ) Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei:Tien handelingen behoren tot de natuurlijke aanleg (fiṭrah):1- de snor kort knippen2- de baard lang laten groeien3- (voor de tandverzorging) de siwāk gebruiken4- de neus met water schoonmaken (istinshāq)5- nagels kort knippen6- tenen wassen7- de haren onder de oksels eruit trekken8- de schaamstreek scheren9- na de grote behoefte met water reingen (istinjā').Zakariya (één van de overleveraars in de keten) zei: Mus`ab (ook één van de overleveraars in de keten) zei: Ik heb de tiende vergeten, dit zou mond wassen (madhmadhah) kunnen zijn. (Muslim. K. at Taharah, B.16/H56)Dit betekent dat het aantal vijf niet een beperking is, maar dat er vijf specifieke handelingen worden genoemd.] (AFK)
١٤٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: خَالِفُوا الْمُشْرِكِينَ، وَفِّرُوا اللِّحَى وَأَحْفُوا الشَّوَارِبَ
146-) Van `Abdullah) Ibn `Umar (رضي الله عنهما): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Doe het tegengestelde van wat de polytheisten (mushrikīn) doen: Scheer de snorren en laat de baarden (lang) groeien.’
١٤٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أنْهِكوا الشَّوَارِبَ وَأَعْفُوا اللِّحَى147-) Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Maak je snor kort en laat je baard groeien.”
(Over) de istinjā’
الاستطابة٨ - حديث أَبِي أَيُّوبَ الأَنْصَارِيِّ أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ قَالَ: إِذَا أَتَيْتمُ الْغَائِطَ فَلاَ تَسْتَقْبِلُوا الْقِبْلَةَ وَلاَ تَسْتَدْبِرُوهَا، وَلكِنْ شَرِّقُوا أَوْ غَرِّبُوا
قَالَ أَبُو أَيُّوبَ: فَقَدِمْنَا الشَّأْمَ فَوَجَدْنَا مَرَاحِيضَ بُنِيَتْ قِبَلَ الْقِبْلَةِ، فَنَنْحَرِفُ وَنَسْتَغْفِرُ اللهَ تَعَالَى
148-) Van Abû Ayyûb al Ansârî (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Wanneer een van jullie naar het toilet gaat, laat hem noch zijn gezicht noch zijn rug naar de richting van Qiblah (gebedsrichting) richten. Wend je dus naar het oosten of naar het westen
Abû Ayyub zei verder nog: 'Toen we in Syrië (Shām) aankwamen, vonden we daar toiletgebouwen die al gebouwd waren in de richting van de Qiblah. We gebruikten die zo min mogelijk en vroegen Allahu تعالى om vergiffenis.'
(* Istinjā’ is specifiek reinigen van de anus en/of urinebuis na ontlasting/urine)
١٤٩ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ كَانَ يَقولُ: إِنَّ نَاسًا يَقُولُونَ إِذَا قَعَدْتَ عَلَى حَاجَتِكَ فَلاَ تَسْتَقْبِلِ الْقِبْلَةَ وَلاَ بَيْتَ الْمَقْدِسِ، فَقَالَ عَبْدُ اللهِ بْنُ عُمَرَ لَقَدِ ارْتَقَيْتُ يَوْمًا عَلَى ظَهْرِ بَيْتٍ لَنَا، فَرَأَيْتُ رسُولَ اللهِ ﷺ عَلَى لَبِنَتَيْنِ مُسْتَقْبِلًا بَيْتَ الْمَقْدِسِ لِحَاجَتِهِ149-) Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Sommige mensen zeiden: 'Wanneer je naar het toilet gaat, richt je dan niet naar de Qiblah of naar Bayt al-Maqdis (Jeruzalem).'`Abdullah Ibn `Umar zei: “Op een dag was ik op het dak van ons huis en zag ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zich omdraaien in de richting van Bayt al-Maqdis terwijl hij op twee bakstenen zijn behoefte deed.”١٥٠ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ عُمَرَ، قَالَ ارْتَقَيْتُ فَوْقَ ظَهْرِ بَيْتِ حَفْصَةَ لِبَعضِ حَاجَتِي فَرَأَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقْضِي حَاجَتَهُ مُسْتَدْبِرَ الْقِبْلَةِ مُسْتَقْبِلَ الشَّامِ150-) Van `Abdullah Ibn `Umar (رضي الله عنهما):Ik klom op het dak van het huis van (mijn zuster) Ḥafṣah vanwege een of andere noodzaak, en ik zag Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn behoefte doen met zijn rug naar de Qiblah toe en zijn gezicht naar Shām gericht.
[In de ḥadīth wordt vermeld dat het verboden is om je bij het doen van je behoefte te richten naar de Qiblah of Bayt al-Maqdis. Tegelijkertijd zijn er andere aḥadīth waarin wordt overgeleverd dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit wel deed. Dit ogenschijnlijke verschil wordt als volgt verklaard: het verbod geldt voor situaties op open terrein, waar geen afscherming (sutrah) aanwezig is.
De aḥadīth waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich wél in die richting richtte, hebben betrekking op een afgesloten of afgeschermde ruimte, en niet op een open omgeving. Dit is vergelijkbaar met het verbod om zich naakt te wassen in een open ruimte, terwijl dit in een afgesloten ruimte wel is toegestaan. Het verbod is dus specifiek van toepassing op open plaatsen en niet op afgesloten ruimtes.] (AFK)
Het verbod om je met de rechterhand te reinigen (istinjā’)
النهي عن الاستنجاء باليمين١٥١ - حديث أَبِي قَتَادَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِذَا شَرِبَ أَحَدُكُمْ فَلاَ يَتَنَفَّسْ فِي الإِنَاءِ، وَإِذَا أَتَى الْخَلاَءَ فَلاَ يَمَسَّ ذَكَرَهُ بِيَمِينِهِ وَلاَ يَتَمَسَّحْ بِيَمِينِهِ151-) Van Abû Qatadah (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Wanneer een van jullie iets drinkt, laat hem niet in de beker ademen. En wanneer hij naar het toilet gaat, laat hij zijn geslachtsdeel niet met zijn rechterhand vastpakken. En laat hij zijn rechterhand niet gebruiken om zich af te vegen (en droog te maken) (istinjā’).”
Beginnen met rechts bij reiniging en andere zaken
التيمن في الطهور وغيره١٥٢ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُعْجِبُهُ التَّيَمُّنُ فِي تَنَعُّلِهِ وَتَرَجُّلِهِ وَطُهُورِهِ، وَفِي شَأْنِهِ كُلِّهِ152-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hield er van om rechts te beginnen bij het aandoen van zijn sandalen, het kammen van zijn haar, reinigen (ṭahārah) en in al zijn (andere) zaken.
Reinigen (istinjā’) met water na de grote behoefte
الاستنجاء بالماء من التبرز١٥٣ - حديث أَنَسٍ، قَالَ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يَدْخُلُ الْخَلاَءَ فَأَحْمِلُ أَنَا وَغُلاَمٌ إِدَاوَةً مِنْ مَاءٍ وَعَنَزَةً؛ يَسْتَنْجِي بِالْمَاءِ153-) Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه): Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar het toilet, dan bracht ik samen met een jongen een waterkruik en een stokje. Hij reinigde zich (istinjāʾ) met water.”
١٥٤ - حديث أَنسِ بْنِ مَالِكٍ، قَالَ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ إِذَا تَبَرَّزَ لِحَاجَتِهِ أَتَيْتُهُ بِمَاءٍ فَيَغْسِلُ بِهِ154-) Van Anas Ibn Mālik (رضي الله عنه):Wanneer an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zich terugtrok om zijn behoefte te doen bracht ik hem water, en dan waste hij zich daarmee.”
Strijken (masḥ) over de lerenoverschoenen
المسح على الخفين١٥٥ - حديث جَرِيرٍ بْنِ عَبْدِ اللهِ بَالَ ثُمَّ تَوضَّأَ وَمَسَحَ عَلَى خُفَّيْهِ ثُمَّ قَامَ فَصَلَّى، فسُئِلَ فَقَالَ: رَأَيْتُ النَّبِيَّ ﷺ صَنَعَ مِثْلَ هذَا155-) Van Hammān ibn’l Harith: Ik zag dat Jarîr Ibn `Abdullah zijn kleine behoefte deed, de wuḍū’ verrichtte en over zijn lerenoverschoenen (khuffayn) streek (masḥ) en daarna de ṣalāh verrichtte. Toen hem werd gevraagd naar deze handeling, zei hij: “Ik zag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dit op deze manier doen.”
[De overleveraar Ibrāhīm an-Nakhaʿī zei:“Deze ḥadīth was geliefd bij de metgezellen van ʿAbdullāh ibn Masʿūd (رضي الله عنه), omdat Jarīr (رضي الله عنه) tot de laatste metgezellen behoorde die de Islām aannamen. Sommigen keuren het verrichten van masḥ over lerenoverschoenen af en stellen dat de verzen van de Qur’ān over wuḍū’ (Sūrah al-Māʾida: 6) deze praktijk zouden hebben opgeheven. Aangezien Jarīr echter pas na de openbaring van deze verzen moslim werd, blijkt hieruit dat het strijken over de leren overschoenen bleef toegestaan. Dit sluit aan bij de opvatting van de metgezellen van ʿAbdullāh ibn Masʿūd.”] (AFK)
[Het verrichten van masḥ over leren overschoenen die aan de voeten worden gedragen, behoort tot de sunnah die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zowel tijdens reizen als bij verblijf thuis in praktijk bracht. De lerenoverschoenen moeten zijn aangetrokken terwijl men zich in staat van wuḍū’ bevindt. De toegestane duur voor het strijken bedraagt voor niet-reizigers één dag en één nacht, en voor reizigers drie dagen en drie nachten. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat de wuḍū’ voor het eerst wordt verbroken nadat de overschoenen in een staat van reinheid zijn aangetrokken. (Bukhārī, Wudūʾ; 61; Muslim, Ṭahārah, 74).] (Diyanet)
١٥٦ - حديث حُذَيْفَةَ، قَالَ: رَأَيْتُنِي أَنَا وَالنَّبِيَّ ﷺ نَتَمَاشَى، فَأَتَى سُبَاطَةَ قَوْمٍ خَلْفَ حَائِطٍ فَقَامَ كَمَا يَقُومُ أَحَدُكُمْ، فَبَالَ، فَانْتَبَذْتُ مِنْهُ، فَأَشَارَ إِلَيَّ فَجِئْتُهُ، فَقُمْتُ عِنْدَ عَقِبِهِ حَتَّى فَرَغَ156-) Van Hudzayfah (رضي الله عنه): Ik herinner mij dat ik eens samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) meeliep. Toen kwam hij bij een mesthoop van een volk, achter een muur. Hij ging staan zoals een van jullie zou staan en urineerde. Ik ging bij hem vandaan, maar hij wenkte mij, waarop ik naar hem toe kwam en bij zijn hielen bleef staan (om hem af te schermen) totdat hij klaar was.
[In deze ḥadīth wordt vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), in afwijking van de gebruikelijke wijze, zijn behoefte staand verrichtte. In andere overleveringen wordt echter duidelijk gemaakt dat het verrichten van de kleine behoefte in staande houding onwenselijk is. Deze aanbeveling is begrijpelijk vanuit zowel gezondheidsals hygiënisch oogpunt. Sommige geleerden die deze ḥadīth hebben toegelicht, geven aan dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op dat moment last had van zijn knie en moeite had deze te buigen. Anderen stellen dat de plaats waar hij zich bevond zeer onrein was en dat hij, indien hij was gaan zitten, vreesde dat er onreinheid op zijn kleding terecht zou komen.
Hieruit blijkt dat het verrichten van de behoefte in zittende houding zowel religieus als medisch de aanbevolen wijze is. Staand urineren is echter niet ḥarām, en er kan, afhankelijk van gezondheidsredenen of de omstandigheden van plaats en privacy, van deze toestemming gebruik worden gemaakt.
In de ḥadīth wordt bovendien vermeld dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Ḥudhayfah (رضي الله عنه) verzocht hem te helpen bij het waarborgen van zijn privacy.] (Diyanet){In een andere hadith staat: Van Abû Wa’il (رضي الله عنه): Abû Mûsā (رضي الله عنه) was erg streng ten aanzien van urineren. Hij deed het zelfs in een fles en zei: "De Israëlieten plachten, als iemands huid in aanraking kwam met urine, deze weg te knippen met een schaar."Hudzaifah zei: "Ik zou wensen dat jullie vriend niet zo streng was. Ik heb meegemaakt dat an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) en ik samen opliepen en bij een vuilnishoop achter een muur terechtkwamen. an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) ging staan plassen net zoals een van ons dat zou doen. Ik wilde mij terugtrekken maar hij wenkte, dus ik ging achter hem staan tot hij klaar was."}
١٥٧ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ خَرَجَ لِحَاجَتِهِ فَاتَّبَعَهُ الْمُغِيرَةُ بِإِدَاوَةٍ فِيهَا مَاءٌ، فَصَبَّ عَلَيْهِ حِينَ فَرَغَ مِنْ حَاجَتِهِ، فَتَوَضَّأَ وَمَسَحَ عَلَى الْخُفَّيْنِ157 -) Van Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging naar buiten om zijn behoefte te doen, en Mughīrah volgde hem met een waterkruik waarin water zat. Toen hij klaar was met zijn behoefte, goot hij water over hem, waarna hij de wuḍū’ verrichtte en over zijn lerenoverschoenen (khuffayn) wreef.
١٥٧ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، أَنَّهُ خَرَجَ لِحَاجَتِهِ فَاتَّبَعَهُ الْمُغِيرَةُ بِإِدَاوَةٍ فِيهَا مَاءٌ، فَصَبَّ عَلَيْهِ حِينَ فَرَغَ مِنْ حَاجَتِهِ، فَتَوَضَّأَ وَمَسَحَ عَلَى الْخُفَّيْنِ158-) Van Mughīrah ibn Shuʿbah (رضي الله عنه):
Ik was met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) op reis. Hij zei: “O Mughīrah, neem de waterkruik mee!” Ik nam het mee, en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liep weg tot hij uit mijn zicht verdween en verrichtte zijn behoefte. Hij droeg een Syrische mantel (jubbah), en hij probeerde zijn hand via de mouw eruit te halen, maar het paste niet, dus haalde hij zijn hand van onderuit de mantel. Ik goot water over hem, waarop hij zijn wuḍūʾ verrichtte voor de ṣalāh, en hij veegde over zijn lerenoverschoenen (khuffayn). Daarna verrichtte hij de ṣalāh.
١٥٩ - حديث الْمُغِيرَةِ بْنِ شُعْبَةَ ﵁، قَالَ: كُنْتُ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ ذَاتَ لَيْلَةٍ فِي سَفَرٍ، فَقَالَ: أَمَعَكَ مَاءٌ قُلْتُ: نَعَمْ؛ فَنَزَلَ عَنْ رَاحِلَتِهِ، فَمَشَى حَتَّى تَوَارَى عَنِّي فِي سَوَادِ اللَّيْلِ، ثُمَّ جَاءَ، فَأَفْرَغْتُ عَلَيْهِ الإِدَاوَةَ، فَغَسَلَ وَجْهَهُ وَيَدَيْهِ وَعَلَيْهِ جُبَّةٌ مِنْ صُوفٍ فَلَمْ يَسْتَطِعْ أَنْ يُخْرِجَ ذِرَاعيْهِ مِنْهَا، حَتَّى أَخْرَجَهُمَا مِنْ أَسْفَلِ الْجبَّةِ، فَغَسَلَ ذِرَاعَيْهِ، ثُمَّ مَسَحَ بِرَأْسِهِ، ثُمَّ أَهْوَيْتُ لأَنْزِعَ خُفَّيْهِ، فَقَالَ: دَعْهُما فَإِنِّي أَدْخَلْتُهُمَا طاهِرَتَيْنِ فَمَسَحَ عَلَيْهِمَا159-) Van Mugîre ibn Şu'be (رضي الله عنه): Ik was tijdens een nachtelijk reis samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Hij vroeg me: 'Heb je water bij je?' Ik zei: 'Ja.' Toen stapte hij van zijn rijdier af en liep, totdat hij volledig uit mijn zicht verdween in de duisternis van de nacht. Daarna kwam hij terug. Ik goot water over hem, en hij waste zijn gezicht en handen. Hij droeg een wollen mantel.
Omdat de mouwen van de mantel smal waren, kon hij zijn handen niet eruit halen. Hij trok de mouwen van de mantel omhoog en waste zijn armen. Vervolgens wreef hij over zijn hoofd. Toen ik bukte om zijn lerenoverschoenen uit te trekken, zei hij: 'Raak ze niet aan! Zeker, ik heb ze in staat van wuḍū’ aangedaan, en hij wreef over de bovenkant van zijn lerenoverschoenen.”
Regel van de kom die door een hond wordt uitgelikt
حكم ولوغ الكلب١٦٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَالَ: إِذَا شَرِبَ الْكَلْبُ فِي إِنَاءِ أَحَدِكُمْ فَلْيَغْسِلْهُ سَبْعًا160-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Als een hond uit iemands vaatwerk jullie drinkt, laat hem die dan zeven keer wassen.”Het verbod om in stilstaand water te urineren
النهي عن البول في الماء الراكد١٦١ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ أَنَّهُ سَمِعَ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: لاَ يَبُولَنَّ أَحَدُكُمْ في الْمَاءِ الدَّائِمِ الَّذِي لاَ يَجْرِي ثُمَّ يَغْتَسِلُ فِيهِ161-) Van Abû Hurayrah (رضي الله عنه):an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat niemand van jullie in stilstaand water, dat niet stroomt, urineren. waarmee je je daarna nog wilt wassen.”
De verplichting om urine en andere onreinheden met water uit te spoelen wanneer die in de moskee terechtkomen, en dat de grond door water gereinigd wordt zonder dat er noodzaak is om het uit te schrapen
وجوب غسل البول وغيره من النجاسات إِذَا حصلت فِي المسجد وأن الأرض تطهر بالماء من غير حاجة إلى حفرها١٦٢ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ أَنَّ أَعْرَابِيًّا بَالَ فِي الْمَسْجِدِ فَقَامُوا إِلَيْهِ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ تُزْرِمُوهُ ثُمَّ دَعَا بِدَلْوٍ مِنْ مَاءٍ فَصُبَّ عَلَيْهِ162 - Van Anas ibn Mālik (رضي الله عنه):Een bedoeïen urineerde in de moskee. De mensen wilden naar hem toe gaan en hem tegen te houden. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Laat hem zijn begaan (tot hij klaar is)”. Toen (de bedoeïen klaar was) liet hij (een emmer) water komen, en over de plek gieten.”
[In de overlevering van At-Tirmidzīe (Taharah, 112) wordt verteld dat de bedoeïen daarna ṣalāh heeft verricht in de moskee en daarna zei: “O Allāh, wees barmhartig voor mij en voor Muhammed, maar wees niet barmhartig voor anderen.” Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) draaide zich naar hem om en zei: “Je hebt de ruimte die ruim was verkleind.” Even later stond de bedoeïen op en deed zijn kleine behoefte in de moskee. In een andere overlevering zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): “Laat hem doen wat hij moet doen en giet er een emmer water overheen. Jullie zijn immers niet gekomen om het moeilijk te maken, maar om het te vergemakkelijken.” (Bukhārī, Wudū’: 58; At-Tirmidzīe, Taharah: 112)] (AFK)
Regel betreffende de urine van een zogend kind en hoe dit gereinigd wordt
حكم بول الطفل الرضيع وكيفية غسله١٦٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ النَّبِيُّ ﷺ يُؤْتَى بِالصِّبْيَانِ، فَيَدْعُو لَهُمْ، فَأُتِيَ بِصَبِيٍّ فَبَالَ عَلَى ثَوْبِهِ، فَدَعَا بِمَاءٍ فَأَتْبَعَهُ إِيَّاهُ وَلَمْ يَغْسِلْهُ163-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها), de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) :an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd kinderen (pasgeborenen) gebracht, en hij verrichtte duʿāʾ (smeekbede) voor hen. Er werd een kind bij hem gebracht en het plaste op zijn kleding. Toen liet hij water halen en sprenkelde het erover, maar hij waste het niet helemaal
١٦٤ - حديث أُمِّ قَيْسٍ بِنْتِ مِحْصَنٍ أَنَّهَا أَتَتْ بِابْنٍ لَهَا صَغِيرٍ لَمْ يَأْكُلِ الطَّعَامَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَأَجْلَسَهُ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي حِجْرِهِ فَبَالَ عَلَى ثَوْبِهِ، فَدَعَا بِمَاءٍ فَنَضَحَهُ وَلَمْ يَغْسِلْهُ164-) Van Ummu Qays bintu Mihsan (رضي الله عنها):Zij kwam met haar zoontje, dat nog niet oud genoeg was om vast voedsel te eten, naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zette hem op zijn schoot, waarna hij op zijn schoot (kleding) plaste. Vervolgens riep hij water om water en sprenkelde dat op zijn kleding, maar hij waste het niet helemaal.”
Wassen en wrijven van sperma uit kleding
غسل المني في الثوب وفركه١٦٥ - حديث عَائِشَةَ سُئِلَتْ عَنِ الْمَنِيِّ يُصِيبُ الثَّوْبَ، فَقَالَتْ: كُنْتُ أَغْسِلُهُ مِنْ ثَوْبِ رَسُولِ اللهِ ﷺ فَيَخْرُجُ إِلَى الصَّلاَةِ وَأَثَرُ الغَسْلِ فِي ثَوْبِهِ، بُقَعُ الْمَاءِ165-) Van ʿĀishah (رضي الله عنها): Ik waste de vlekken van sperma op de kleding van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hoewel er sporen van het wassen op zijn kleding zichtbaar waren, ging hij toch naar de ṣalāh.”
De onreinheid van bloed en de wijze van reinigen
نجاسة الدم وكيفية غسله١٦٦ - حديث أَسْماءَ قَالَتْ: جَاءتِ امْرَأَةٌ النَّبِيَّ ﷺ، فَقَالَتْ: أَرَأَيْتَ إِحْدَانَا تَحِيضُ فِي الثَّوْبِ كَيْفَ تَصْنَعُ قَالَ: تَحُتُّهُ ثُمَّ تَقْرُصُهُ بِالْمَاءِ وَتَنْضَحُهُ ثُمَّ تُصَلي فِيهِ166-) Van Asma (رضي الله عنها): Een vrouw kwam naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: 'Als de menstruatiebloed van een van ons op haar kleding komt, hoe moet ze dit reinigen?'
Hij zei: “Krab het eraf, daarna wrijft je het met water en sprenkelt het vervolgens. Daarna verricht je daarin (in het kledingstuk) je ṣalāh.”
Het bewijs voor de onreinheid van urine en de verplichting om zich daarvan te reinigen (istibrā’).
الدليل على نجاسة البول ووجوب الاستبراء منه١٦٧ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ قَالَ: مَرَّ النَّبِيُّ ﷺ بِقَبْرَيْنِ، فَقَالَ: إِنَّهُمَا لَيُعَذَّبَانِ، وَمَا يُعَذَّبَانِ فِي كَبِيرٍ؛ أَمَّا أَحَدُهُمَا فَكَانَ لاَ يَسْتَبْرِى مِنَ الْبَوْلِ؛ وَأَمَّا الآخَرُ فَكَانَ يَمْشِي بِالنَّمِيمَةِ ثُمَّ أَخَذَ جَرِيدَةً رَطْبَةً فَشَقَّهَا نِصْفَيْنِ، فَغَرَزَ فِي كلِّ قَبْرٍ وَاحِدَةً قَالُوا يَا رَسُولَ اللهِ لِمَ فَعَلْتَ هذَا قَالَ: لَعَلَّهُ يُخَفَّفُ عَنْهُمَا مَا لَمْ يَيْبَسَا167-) Van Ibn `Abbās (رضي الله عنهما):
an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) passeerde twee graven en zei: “Zij worden zeker allebei gestraft, maar niet voor iets groots. Wat de één betreft: hij placht zich niet te reinigen na het urineren, en de ander verspreidde roddelpraat (namimah) onder de mensen.” Daarna pakte hij een verse dadelpalm-tak en sneed deze doormidden, en plaatste op elk graf een helft. Wij vroegen: “O Rasûlullāh, waarom hebt u dat gedaan?” Hij zei: “Hopelijk wordt hun straf verlicht zolang het (dadelpalm-tak) niet uitgedroogd is.”
[De waarschuwing over het niet beschermen tegen urine en over roddelen, die tot straf in het graf kan leiden, mag niet verkeerd worden opgevat. Er zijn namelijk ook andere daden die tot deze straf kunnen leiden; de straf in het graf beperkt zich niet uitsluitend tot deze twee handelingen. We moeten ons bewust zijn van de vragen die in het graf gesteld zullen worden, zoals wie onze Rab is en wie onze Nabī is.
Deze uitleg mag ook niet geïnterpreteerd worden als een onderschatting van het belang van het beschermen van kleding tegen urine. Het nalaten hiervan leidt inderdaad tot straf in het graf, zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) heeft vermeld. Toch mogen we ons niet uitsluitend op dit ene punt fixeren en andere belangrijke zaken verwaarlozen.
De uitdrukking “ze worden gestraft, maar niet voor een grote zonde” kan op twee manieren worden opgevat: ofwel één van deze twee personen werd door de bestraffers niet als grote zonde beschouwd, terwijl het in werkelijkheid grote zonden waren; ofwel deze handelingen waren niet moeilijk te vermijden, maar mensen hechtten er geen waarde aan.] (AFK)
{Een hadith:Van Qatadah via Anas ibn Malik (رضي الله عنه):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd: "Als een dode in zijn graf is gelegd en de begrafenisgangers zich verwijderen hoort hij het gedreun van hun sandalen. Dan komen er twee engelen bij hem, die hem overeind laten zitten en hem vragen: ‘Wat heb je altijd over die man, over Muhammad, gezegd?’ Als de dode een gelovige was zegt hij: ‘Ik getuig dat hij de dienaar en de Rasoel van Allah is.’ Dan wordt er tegen hem gezegd: ‘Kijk, daar is je plaats in de Hel; maar voor jou heeft Allah die verruild voor een plaats in het Paradijs,’ en hij zal beide plaatsen kunnen zien."(Qatadah vult hier aan: Men zegt dat zijn graf dan zeventig el ruimer gemaakt wordt en wordt gevuld met groene planten tot de dag dat de doden worden opgewekt.)
Van Ibn Abbaas (رضي الله عنهما):an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) kwam eens langs een van de muren in Madinah of Makkah en hoorde daar de stemmen van twee mensen die werden gestraft in hun graf. an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) zei: "Zij worden gestraft, maar niet voor een grote zonde. Nee, de ene heeft zijn geslacht niet gereinigd van de laatste urinedruppels; de andere is met lasterpraatjes rondgegaan."Daarop riep hij om een palmtak, brak die in tweeën en legde op elk van beide graven een stuk. Toen de mensen vroegen waarom hij dat deed zei hij:"Misschien wordt hun lot wat verlicht zolang deze takken niet verdord zijn."}