Kitâbu't- Ṭalāq: Boek van de echtscheiding
[De lexicale betekenis van het woord ṭalāq is het losmaken en opheffen van een band. Buiten het huwelijk wordt dit woord in de vierde (if‘āl-)vorm gebruikt: men zegt طلقت فرسي ("Ik liet mijn paard los"). In het huwelijk wordt het echter in de causatieve (tafīl-)vorm gebruikt: men zegt فلان طلق امرأته ("Die en die heeft zijn vrouw verstoten").In de sharia is ṭalāq het opheffen van de huwelijksband met een specifiek uitgesproken woord. Met de term ‘specifiek uitgesproken woord’ wordt bedoeld het gebruik van een expliciete of impliciete uitdrukking die in het Arabisch is afgeleid van de wortel طلق en die wordt gebruikt om een echtscheiding tot stand te brengen.De reden voor ṭalāq is de noodzaak tot scheiding wanneer man en vrouw qua karakter niet met elkaar verenigbaar zijn, of wanneer boosheid zodanig oploopt dat het de vervulling van de voorschriften van Allāh belemmert.In principe is ṭalāq niet toegestaan, maar afkeurenswaardig, omdat het neerkomt op ondankbaarheid tegenover de grote gunst die het huwelijk vormt. In gevallen van noodzaak kan het echter onder bepaalde omstandigheden worden toegestaan. Zo luidt artikel 21 van de Mecelle: “Noodzaak maakt afkeurenswaardige zaken geoorloofd.”Daarom is het, om niet te verhongeren, toegestaan een kleine hoeveelheid varkensvlees te eten, of om bij levensbedreigende dorst enkele slokken wijn te drinken. Op dezelfde wijze is het scheiden van een vrouw slechts toegestaan wanneer samenleven onmogelijk is geworden.Er is overgeleverd dat sommige sahābah meerdere vrouwen hebben gescheiden. Zij deden dit steeds uit noodzaak en behoefte, en niet uit willekeur of lichtzinnigheid. Scheiden zonder noodzaak geldt als ondankbaarheid tegenover de gunst en als een slechte omgangsvorm en is daarom afkeurenswaardig (makrūh). Er zijn echter ook geleerden die, uitgaande van de algemene formulering van de verzen en ahādīth over ṭalāq, van mening waren dat het toegestaan (mubāḥ) is.De voorwaarden voor ṭalāq zijn als volgt: de man moet bij verstand zijn, volwassen en bij bewustzijn.
Daarnaast moet de vrouw een wettige echtgenote zijn, of zich bevinden in een ʿiddah-periode waarin echtscheiding nog mogelijk is.Het essentiële pijler (rukn) van ṭalāq is het uitspreken van het scheidingswoord.Wat betreft het rechtsgevolg van ṭalāq: bij een herroepelijke scheiding (ṭalāq-i rajʿī) wordt de scheiding van kracht na het verstrijken van de ʿiddah-periode, terwijl bij een onherroepelijke scheiding (ṭalāq-i bāʾin) de scheiding onmiddellijk rechtsgeldig is.Ṭalāq kent ook positieve aspecten. Zo kan worden gesteld dat de wettigheid ervan bij Allāh een vorm van barmhartigheid is. Door ṭalāq kunnen man en vrouw worden verlost van religieuze of wereldlijke moeilijkheden. Dat de bevoegdheid tot ṭalāq bij de man ligt en dat deze maximaal drie keer kan worden uitgesproken, geldt als een uitdrukking van deze barmhartigheid. In religieuze bronnen wordt vermeld dat vrouwen, in vergelijking met mannen, minder belast zijn met verstandelijke en religieuze verantwoordelijkheid, zoals blijkt uit de overlevering waarin wordt gezegd: “Zij hebben een tekort in godsdienst en verstand.”Vrouwen worden over het algemeen als emotioneler beschouwd dan mannen. Als het recht op ṭalāq bij hen zou liggen, zouden zij door hun soms impulsieve temperament hun echtgenoten bij het minste of geringste kunnen verlaten. Zelfs een grap over echtscheiding (ṭalāq) wordt juridisch op dezelfde manier beoordeeld als een serieuze uitspraak.De wijsheid achter het toestaan van maximaal drie ṭalāq is als volgt: de mens bezit een ‘ego’ (nafs), een kracht die zowel tot goed als tot kwaad kan neigen, maar van nature sterker geneigd is tot het kwade, zoals vuur geneigd is hout te verbranden. Dit ego is ook misleidend: het kan het kwade als goed en het goede als kwaad laten lijken. Hierdoor kan een man, gedreven door zijn ego, ten onrechte besluiten dat zijn vrouw niet geschikt is en haar onterecht verstoten. Wanneer hij zich door dit valse gevoel laat leiden en haar daadwerkelijk verstoot, zal hij uiteindelijk spijt krijgen.Om het ego te temmen is ṭalāq driemaal toegestaan: een man die zijn vrouw voor de eerste keer scheidt, krijgt de gelegenheid om goed na te denken en zijn beslissing zorgvuldig te overwegen.
Als een man vaststelt dat de ṭalāq die aanvankelijk door zijn nafs aantrekkelijk leek, werkelijk uit noodzaak en behoefte was, dan is zijn handeling gerechtvaardigd. In dat geval vermijdt hij contact met zijn ex-vrouw in haar woongebied. Zo loopt de ʿiddah af en wordt de wettelijke wachttijd voltooid voordat zij opnieuw kan trouwen.
Als een man echter ṭalāq uitspreekt zonder dat er werkelijk noodzaak is, en zijn nafs hem misleidt door het aantrekkelijk voor te stellen, kan hij terugkeren naar zijn vrouw (rijʿah). Bij een tweede scheiding volgt opnieuw hetzelfde proces van overweging en rijʿah. Maar wanneer hij voor de derde keer scheidt, heeft hij zijn nafs twee keer getest en geleerd; vanaf dat moment is de deur voor excuses gesloten en kan hij zich niet langer op noodzaak beroepen.
Zoals eerder vermeld, is ṭalāq in wezen niet toegestaan maar afkeurenswaardig, en wordt het alleen in noodsituaties toegestaan. Bovendien is het bij Allāh het meest verfoeide van de toegestane zaken, zoals blijkt uit de ahādīth.
Vooraf moet worden opgemerkt dat ṭalāq drie vormen kent: ahsan, hasan en bid‘ī.Ahsan (de beste ṭalāq): De vrouw wordt één keer verstoten tijdens een reinheidsperiode (ṭahārah-periode), periode waarin nog geen gemeenschap heeft plaatsgevonden, waarna zij met rust wordt gelaten tot het verstrijken van de ʿiddah.
Hasan (de goede ṭalāq): De vrouw wordt in drie opeenvolgende reinheidsperioden, telkens zonder gemeenschap, één keer verstoten.
Bid‘ī (de verwerpelijke ṭalāq): De vrouw wordt ineens met drie ṭalāq verstoten, of tijdens haar menstruatie.
Wat betreft de effectiviteit van ṭalāq, wordt deze ingedeeld in herroepelijk (ar-rij‘ī) en onherroepelijk (al-bā’in)] (Bulugh al-Marām)
[Ṭalāqu ar-rij‘ī (herroepelijke echtscheiding)
Dit is het type scheiding waarbij de man zijn vrouw kan terugnemen zonder een nieuwe nikāh. De voorwaarden zijn:
Het huwelijk moet daadwerkelijk zijn begonnen met consumptie van het huwelijk (zifāf).
Volgens de Hanafī-school moet de scheiding worden uitgesproken met duidelijke woorden, zonder overdreven of hevige uitdrukkingen.
Het mag niet de derde echtscheiding zijn.
Tijdens de ʿiddah-periode kan de man terugkeren naar zijn vrouw door dit openlijk te verklaren of door het huwelijksleven feitelijk te hervatten, zonder dat een nieuwe nikāh of mahr nodig is. Gedurende deze periode blijft het huwelijk als voortgezet gelden. Als de man echter niet terugkeert voor het einde van de ʿiddah, verandert de Ṭalāqu ar-rij‘ī in een Ṭalāqu al-bā’in, waarna de voorwaarden voor terugkeer volgens dat type scheiding van toepassing zijn.
Ṭalāqu al-bā’in (onherroepelijke echtscheiding)
Dit type scheiding wordt uitgesproken met indirecte, vage of verhullende bewoordingen. De man kan zijn vrouw daarna alleen terugnemen door een nieuwe nikāh. Volgens de Hanafī-school vallen de volgende gevallen ook onder Ṭalāqu al-bā’in:
Echtscheidingen zonder zifāf of nieuwe nikāh die voortkomen uit wederzijds akkoord van de partijen.
De derde scheiding die een man uitsprak volgens zijn maximale recht.
Echtscheidingen met dubbelzinnige woorden of woorden die overdreven of gewelddadig zijn.
Een Ṭalāqu al-bā’in beëindigt het huwelijk onmiddellijk en de echtgenoten moeten direct van elkaar gescheiden blijven.] (HA)
Verbod op het scheiden van een menstruerende vrouw zonder haar instemming. En als haar man hiertegen handelt, geldt de scheiding wel, maar wordt hij bevolen haar terug te nemen
تحريم طلاق الحائض بغير رضاها وأنه لو خالف وقع الطلاق ويؤمر برجعتها
٩٣٦ - حديث ابْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ طَلَّقَ امْرَأَتَهُ وَهِيَ حَائِضٌ عَلَى عَهْدِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَسَأَلَ عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنْ ذلِكَ، فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: مُرْه فَلْيُرَاجِعْهَا ثُمَّ لِيُمْسِكْهَا حَتَّى تَطْهُرَ، ثُمَّ تَحِيضَ، ثُمَّ تَطْهُرَ، ثُمَّ إِنْ شَاءَ أَمْسَكَ بَعْدُ، وَإِنْ شَاءَ طَلَّقَ قَبْلَ أَنْ يَمَسَّ؛ فَتِلْكَ الْعِدَّةُ الَّتِي أَمَرَ اللهُ أَنْ تُطَلَّقَ لَهَا النِّسَاءُ
936 - Van Ibn ʿUmar (رضي الله عنهما):Ten tijde van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) scheidde Ibn `Umar van zijn vrouw terwijl zij menstrueerde.ʿUmar ibn al-Khattâb vroeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hierover. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde: “Beveel hem haar terug te nemen, en houd haar vast totdat zij rein is, daarna menstrueert, dan weer rein wordt. Daarna, als hij wil, mag hij haar vasthouden, en als hij wil mag hij haar scheiden voordat hij gemeenschap met haar heeft gehad. Dit is de ʿiddah (wachttijd) die Allāh heeft bevolen voor vrouwen die gescheiden worden.”
[يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ إِذَا طَلَّقۡتُمُ ٱلنِّسَآءَ فَطَلِّقُوهُنَّ لِعِدَّتِهِنَّ وَأَحۡصُواْ ٱلۡعِدَّةَۖ وَٱتَّقُواْ ٱللَّهَ رَبَّكُمۡۖ لَا تُخۡرِجُوهُنَّ مِنۢ بُيُوتِهِنَّ وَلَا يَخۡرُجۡنَ إِلَّآ أَن يَأۡتِينَ بِفَٰحِشَةٖ مُّبَيِّنَةٖۚ وَتِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِۚ وَمَن يَتَعَدَّ حُدُودَ ٱللَّهِ فَقَدۡ ظَلَمَ نَفۡسَهُۥۚ لَا تَدۡرِي لَعَلَّ ٱللَّهَ يُحۡدِثُ بَعۡدَ ذَٰلِكَ أَمۡرٗا ١
O, Profeet! Als jullie van de vrouwen scheiden, scheidt dan van hen met inachtneming van hun perioden, en bereken de perioden (precies) en vrees Allāh, jullie Heer. Verwijder hen niet uit hun huizen, noch mogen zij zelf weggaan, behalve wanneer zij duidelijk zedeloosheden begaan. En dat zijn de Wetten van Allāh. En wie de Wetten van Allāh overschrijdt, die heeft zichzelf zeker onrecht aangedaan. Jij weet niet of Allāh misschien daarna een nieuwe omstandigheid zal doen ontstaan. (Waardoor je haar misschien terugneemt).
فَإِذَا بَلَغۡنَ أَجَلَهُنَّ فَأَمۡسِكُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٍ أَوۡ فَارِقُوهُنَّ بِمَعۡرُوفٖ وَأَشۡهِدُواْ ذَوَيۡ عَدۡلٖ مِّنكُمۡ وَأَقِيمُواْ ٱلشَّهَٰدَةَ لِلَّهِۚ ذَٰلِكُمۡ يُوعَظُ بِهِۦ مَن كَانَ يُؤۡمِنُ بِٱللَّهِ وَٱلۡيَوۡمِ ٱلۡأٓخِرِۚ وَمَن يَتَّقِ ٱللَّهَ يَجۡعَل لَّهُۥ مَخۡرَجٗا ٢
Als zij dan op het punt staan om de aangewezen tijd te voltooien, neem haar dan op een goede manier terug of scheidt van haar op een goede manier. En neem twee rechtvaardige personen van jullie als getuigen. En laat dit een ware getuigenis zijn voor Allāh. Dit is een vermaning voor hem die in Allāh en de Laatste Dag gelooft. En al wie Allāh vreest, die zal Hij een oplossing geven. sûrah at- Talâq 1-2)]
[In de islamitische wet (shari`ah) wordt ṭalāq ingedeeld in twee categorieën, afhankelijk van of deze in overeenstemming is met de algemene principes van de Qur’ān en de uitleg en aanbevelingen van an-Nabie (صلى الله عليه وسلم). Deze indeling heeft voornamelijk een religieus-moreel karakter en niet zozeer een zuiver juridische aard. In wezen is het erop gericht de echtscheidingsbevoegdheid van de echtgenoot, die niet aan objectieve juridische criteria is gebonden, te beperken en te reguleren door deze te verbinden aan zijn godsvrucht (taqwā).
1.
Ṭalāqu as-sunnī (scheiden volgens de sunnah):Deze vorm van echtscheiding wordt uitgevoerd met inachtneming van de regels en beperkingen die an-Nabie (صلى الله عليه وسلم) hierover heeft vastgesteld.Allereerst moet de Ṭalāqu as-sunnī een ṭalāq-i rij‘ī zijn, dat wil zeggen: een herroepelijke scheiding.Daarnaast moet de echtgenoot zijn vrouw pas scheiden nadat haar periode van reinheid (ṭuhr) is begonnen, zonder dat er in die periode seksuele gemeenschap heeft plaatsgevonden, en bovendien moet deze scheiding slechts één ṭalāq betreffen. Deze voorschriften zijn bedoeld om hetzelfde doel te dienen: het behoud van de huwelijksband.
2. Ṭalāqu al-bid‘ī (innovatieve of onwettige scheiding)Dit verwijst naar een scheiding die in strijd is met de Sunnah. Er is sprake van een ṭalāqu al-bid‘ī wanneer:
de echtgenoot zijn vrouw scheidt tijdens haar menstruatie (ḥayḍ),
of haar scheidt in een reinheidsperiode (ṭuhr) waarin hij gemeenschap met haar heeft gehad,
of wanneer hij meer dan één ṭalāq uitspreekt binnen dezelfde periode van reinheid.
In dat geval is de scheiding niet in overeenstemming met de Sunnah en dus een bid‘ī (ongeoorloofde) scheiding.Wie zijn vrouw scheidt terwijl zij menstrueert, moet haar terugnemen en, als hij nog steeds wil scheiden, wachten tot zij een volgende menstruatie heeft gehad en daarna weer rein is alvorens opnieuw te scheiden.Imām Mālik, Abū Yūsuf en Imām Muḥammad zijn van mening dat dit verplicht (farḍ) is. Volgens Imām Aḥmad, Imām ash-Shāfi‘ī en Imām Abū Ḥanīfa is een ṭalāq die tijdens de menstruatie wordt uitgesproken geldig (jā’iz), maar het is aanbevolen (mandūb) om de scheiding te laten plaatsvinden tijdens een periode van reinheid.] (HA)
٩٣٧ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ يُونُسَ بْنِ جُبَيْرٍ، قَالَ: سَأَلْتُ ابْنَ عُمَرَ؛ فَقَالَ طَلَّقَ ابْنُ عُمَرَ امْرَأَتَهُ وَهِيَ حَائِضٌ، فَسَأَلَ عُمَرُ النَّبِيَّ ﷺ، فَأَمَرَهُ أَنْ يُرَاجِعَهَا، ثُمَّ يُطَلِّقَ مِنْ قُبُلِ عِدَّتِهَا؛ قُلْتُ: فَتَعْتَدُّ بِتِلْكَ التَّطْلِيقَةِ قَالَ: أَرَأَيْتَ إِنْ عَجَزَ وَاسْتَحْمَقَ937 – Van Yunus ibn Jubayr (رضي الله عنه):Ik vroeg aan Ibn ʿUmar (over het scheiden van iemands vrouw terwijl ze menstrueert). (Ibn `Umar antwoordde) “Ik scheidde van mijn vrouw terwijl zij menstrueerde. (Mijn vader) ʿUmar vroeg het aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en die beval Ibn `Umar haar terug te nemen en van haar te scheiden voordat haar ʿiddah afgelopen is (en tijdens haar rein toestand scheiden). Ik vroeg: “Telt zij die éne verstoting (tijdens de menstruatie) mee?”Hij zei: “(Natuurlijk), wat denk je, als hij (ibn `Umar) onbekwaam wordt en dwaas handelt?” ( Wat verhindert dat het een geldige scheiding (talâq) is.)
De verplichting van kaffarah voor degene die zijn vrouw voor zichzelf harām verklaart zonder intentie te willen scheiden
وجوب الكفارة على من حرّم امرأته ولم ينو الطلاق
٩٣٨ - حديث ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: فِي الْحَرَامِ يُكَفِّرُ؛ وَقَالَ: (لَقَدْ كَانَ لَكُمْ فِي رَسُولِ اللهِ أُسْوَةٌ حَسَنَةٌ)
938 - Van Ibn ʿAbbâs (رضي الله عنهما):Als iemand tegen zijn vrouw zegt: “Je bent voor mij harām’. (Omdat deze situatie als een eed wordt beschouwd) moet hij kaffarah (boetedoening) betalen. لَّقَدۡ كَانَ لَكُمۡ فِي رَسُولِ ٱللَّهِ أُسۡوَةٌ حَسَنَةٞ لِّمَن كَانَ يَرۡجُواْ ٱللَّهَ وَٱلۡيَوۡمَ ٱلۡأٓخِرَ وَذَكَرَ ٱللَّهَ كَثِيرٗا ٢١
Voorzeker, de Boodschapper van Allāh is (in elk opzicht) een lichtend voorbeeld voor jullie, voor wie op (de ontmoeting met) Allāh en de Laatste Dag hoopt. En voor wie Allāh veelvuldig gedenkt. ( sûrah al-Ahzâb, 33/21)
[Sinds de tijd van de jāhiliyyah bestond er een praktijk die ook in de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) door sommige Arabieren werd toegepast, bekend als ẓihār. Wanneer gehuwde mannen besloten niet langer met hun vrouwen samen te leven, spraken zij woorden uit die de betekenis van een eed droegen en een permanent juridisch effect hadden. Hierbij vergeleken zij hun echtgenotes met vrouwen die voor hen voorgoed verboden waren (mahram), zoals hun moeder of zuster. Ze zeiden bijvoorbeeld: “Jij bent voortaan voor mij zoals mijn moeder”, waarmee zij duidelijk maakten dat zij geen enkele vorm van huwelijksrelatie meer met hun vrouw wensten te hebben.Dit was echter geen volledige echtscheiding en stond ook niet in overeenstemming met de doelen van het huwelijk, waardoor het voor vrouwen een bezwarende en benauwende situatie vormde. An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) legde uit dat de praktijk van ẓihār geen ṭalāq betekende, maar een vorm van eed. Hij bepaalde dat de onrechtvaardigheid die hieruit voortkwam, moest worden opgeheven door het betalen van de kaffārah (boetedoening voor een eed), zodat het huwelijk op normale wijze kon worden voortgezet.
In de Qur’ān staat:ٱلَّذِينَ يُظَٰهِرُونَ مِنكُم مِّن نِّسَآئِهِم مَّا هُنَّ أُمَّهَٰتِهِمۡۖ إِنۡ أُمَّهَٰتُهُمۡ إِلَّا ٱلَّٰٓـِٔي وَلَدۡنَهُمۡۚ وَإِنَّهُمۡ لَيَقُولُونَ مُنكَرٗا مِّنَ ٱلۡقَوۡلِ وَزُورٗاۚ وَإِنَّ ٱللَّهَ لَعَفُوٌّ غَفُورٞ ٢
Degenen onder jullie die hun echtgenotes onwettig maken door tegen hen te zeggen: “Jullie zijn als de rug van mijn moeder,” deze zijn hun moeders niet, hun moeders zijn slechts degenen die hun gebaard hebben. En waarlijk, zij uiten een slecht woord en een leugen. En waarlijk, Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol.
وَٱلَّذِينَ يُظَٰهِرُونَ مِن نِّسَآئِهِمۡ ثُمَّ يَعُودُونَ لِمَا قَالُواْ فَتَحۡرِيرُ رَقَبَةٖ مِّن قَبۡلِ أَن يَتَمَآسَّاۚ ذَٰلِكُمۡ تُوعَظُونَ بِهِۦۚ وَٱللَّهُ بِمَا تَعۡمَلُونَ خَبِيرٞ ٣
En degenen die hen (hun echtgenotes) onwettig hebben gemaakt en zich van hun uitspraken wensen te bevrijden: (de straf) in dat geval (is) het vrijlaten van een slaaf voordat zij elkaar aanraken. Dat is een vermaning voor jullie. En Allāh is Zich welbewust van wat jullie doen.
فَمَن لَّمۡ يَجِدۡ فَصِيَامُ شَهۡرَيۡنِ مُتَتَابِعَيۡنِ مِن قَبۡلِ أَن يَتَمَآسَّاۖ فَمَن لَّمۡ يَسۡتَطِعۡ فَإِطۡعَامُ سِتِّينَ مِسۡكِينٗاۚ ذَٰلِكَ لِتُؤۡمِنُواْ بِٱللَّهِ وَرَسُولِهِۦۚ وَتِلۡكَ حُدُودُ ٱللَّهِۗ وَلِلۡكَٰفِرِينَ عَذَابٌ أَلِيمٌ ٤
En wie daartoe geen mogelijkheid vindt (het geld voor de bevrijding van een slaaf) moet twee opeenvolgende maanden vasten, voordat zij elkaar beiden aanraken. En degene die hiertoe niet in staat is, moet zestig armen voeden. Zodat jullie een volmaakt geloof in Allāh en Zijn Boodschapper mogen hebben. Dit zijn de grenzen die door Allāh zijn gesteld. En voor de ongelovigen is er een pijnlijke bestraffing. ] (Diyanet)
٩٣٩ - حديث عَائِشَةَ، أَنَّ النَّبِيَّ ﷺ كَانَ يَمْكُثُ عِنْدَ زَيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ وَيَشْرَبُ عِنْدَهَا عَسَلًا، فَتَوَاصَيْتُ أَنَا وَحَفْصَةُ أَنَّ أَيَّتَنَا دَخَلَ عَلَيْهَا النَّبِيُّ ﷺ فَلْتَقُلْ: إِنِّي أَجِدُ مِنْكَ رِيحَ مَغَافِيرَ، أَكَلْتَ مَغَافِيرَ فَدَخَلَ عَلَى إِحْدَاهُمَا، فَقَالَتْ لَهُ ذلِكَ؛ فَقَالَ: لاَ بَلْ شَرِبْتُ عَسَلًا عِنْدَ زَيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ، وَلَنْ أَعُودَ لَهُ فَنَزَلَتْ (يأَيُّهَا النَّبِيُّ لِمَ تُحَرِّمُ مَا أَحَلَّ اللهُ لَكَ) إِلَى (إِنْ تَتُوبَا إِلَى اللهِ) لِعَائِشَةَ وَحَفْصَةَ وَإِذْ أَسَرَّ النَّبِيُّ إِلَى بَعْضِ أَزْوَاجِهِ لِقَوْلِهِ: بَلْ شَرِبْتُ عَسَلًا939 - Van ʿÂ'ishah (رضي الله عنها):An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) verbleef bij Zaynab bint Jahsh, en dronk daar honingdrank. Ik en Ḥafṣah spraken met elkaar af dat degene van ons die an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zou bezoeken, tegen hem zou zeggen: ‘Ik ruik een maghāfir* geur, heb je maghāfir gegeten?’ Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) bij een van hen binnenkwam, zei zij dat tegen hem.
Hij antwoordde: ‘Nee, ik heb honingdrank gedronken bij Zaynab bint Jahsh, en ik zal dat nooi meer drinken.’ Toen werd het volgende vers neergezonden (sûrah At-Tahrîm 66:1-4):
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ لِمَ تُحَرِّمُ مَآ أَحَلَّ ٱللَّهُ لَكَۖ تَبۡتَغِي مَرۡضَاتَ أَزۡوَٰجِكَۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١
O, Profeet! Waarom verbied jij iets wat Allāh voor jou wettig heeft gemaakt? Om jouw vrouwen een genoegen te doen? En Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol.
قَدۡ فَرَضَ ٱللَّهُ لَكُمۡ تَحِلَّةَ أَيۡمَٰنِكُمۡۚ وَٱللَّهُ مَوۡلَىٰكُمۡۖ وَهُوَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡحَكِيمُ ٢
Allāh heeft reeds het verbreken van jullie eden verordend. En Allāh is jullie Heer, en Hij is de Alwetende, de Alwijze.
وَإِذۡ أَسَرَّ ٱلنَّبِيُّ إِلَىٰ بَعۡضِ أَزۡوَٰجِهِۦ حَدِيثٗا فَلَمَّا نَبَّأَتۡ بِهِۦ وَأَظۡهَرَهُ ٱللَّهُ عَلَيۡهِ عَرَّفَ بَعۡضَهُۥ وَأَعۡرَضَ عَنۢ بَعۡضٖۖ فَلَمَّا نَبَّأَهَا بِهِۦ قَالَتۡ مَنۡ أَنۢبَأَكَ هَٰذَاۖ قَالَ نَبَّأَنِيَ ٱلۡعَلِيمُ ٱلۡخَبِيرُ ٣
En (gedenk) toen an-Nabī iets vertrouwelijks tot één van zijn vrouwen zei. En toen zij dit vertelde, en Allāh hem dit liet weten, maakte hij het deels bekend en deels hield hij het stil.
Toen hij haar (Ḥafṣah) daarvan vertelde, zei zij: “Wie heeft jou dit verteld?” Hij zei: “De Alwetende, de Kenner heeft het mij verteld.”
إِن تَتُوبَآ إِلَى ٱللَّهِ فَقَدۡ صَغَتۡ قُلُوبُكُمَاۖ وَإِن تَظَٰهَرَا عَلَيۡهِ فَإِنَّ ٱللَّهَ هُوَ مَوۡلَىٰهُ وَجِبۡرِيلُ وَصَٰلِحُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَۖ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ بَعۡدَ ذَٰلِكَ ظَهِيرٌ ٤
Als jullie twee (Ḥafṣah en ʿÂ'ishah) in berouw tot Allāh keren (zal het beter voor jullie zijn), dan neigen jullie harten waarlijk (naar het goede). Maar als jullie elkaar bijstaan tegen hem (de Boodschapper), dan is Allāh waarlijk jouw Helper, en Jibriël en de rechtvaardigen onder de gelovigen en daarnaast zullen de Engelen helpers zijn
“Als jullie twee in berouw tot Allāh keren…” — dit is gericht tot ʿĀʾishah en Ḥafṣah .
En de uitspraak En (gedenk) toen an-Nabī iets vertrouwelijks tot één van zijn vrouwen zei verwijst naar zijn woorden: “Ik heb honingdrank gedronken.”
{*: Maghāfīr is een soort kleverige, harsachtige substantie die uit bepaalde bomen in Arabië wordt gewonnen, vooral uit de ‘urfuṭ-boom. Het heeft een zoetige maar onaangename geur.
In de tijd van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) werd het soms gebruikt als zoetstof of gom, maar mensen vermeden het vanwege de sterke geur die na consumptie uit de mond kon komen.}
[Maghāfīr was de naam die men in die streek gaf aan het zoete maar slecht ruikende sap van een boom. Wanneer de bijen zich op die boom neerlieten, kreeg ook hun honing een onaangename geur. an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) had de honingdrank gedronken, bij een van zijn echtgenotes en bleef langer bij haar. De andere echtgenotes werden jaloers en probeerden hem weg te houden door de slechte geur als excuus aan te voeren. Uiteindelijk ervoeren zij spijt over hun handelen door goddelijke tussenkomst, en vroegen zij vergiffenis.] (Diyanet)
٩٤٠ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يُحِبُّ الْعَسَلَ وَالْحَلْوَاءَ، وَكَانَ إِذَا انْصَرَفَ مِنَ الْعَصْرِ دَخَلَ عَلَى نِسَائِهِ، فَيَدْنُو مِنْ إِحْدَاهُنَّ، فَدَخَلَ عَلَى حَفْصَةَ بِنْتِ عُمَرَ، فَاحْتَبَسَ أَكْثَرَ مَا كَانَ يَحْتَبِسُ، فَغِرْتُ، فَسَأَلْتُ عَنْ ذَلِكَ، فَقِيلَ لِي، أَهْدَتْ لَهَا امْرَأَةٌ مِنْ قَوْمِهَا عُكَّةً مِنْ عَسَلٍ، فَسَقَتِ النَّبِيَّ ﷺ مِنْهُ شَرْبَةً فَقُلْتُ: أَمَا وَاللهِ لَنَحْتَالَنَّ لَهُ فَقُلْتُ لِسَوْدَةَ بِنْتِ زَمْعَةَ أَنَّهُ سَيَدْنُو مِنْكِ، فَإِذَا دَنَا مِنْكِ فَقُولِي: أَكَلْتَ مَغَافِيرَ فَإِنَّهُ سَيَقُولُ لَكِ: لاَ فَقُولِي لَهُ: مَا هذِهِ الرِّيحُ الَّتِي أَجِدُ مِنْكَ فَإِنَّهُ سَيَقُولُ لَكِ: سَقَتْنِي حَفْصَةُ شَرْبَةَ عَسَلٍ، فَقُولِي لَهُ: جَرَسَتْ نَحْلُهُ الْعُرْفُطَ، وَسَأَقُولُ ذَلِكَ، وَقُولِي أَنْتِ يَا صَفِيَّةُ ذَاكقَالَتْ: تَقُولُ سَوْدَةُ فَوَاللهِ مَا هُوَ إِلاَّ أَنْ قَامَ عَلَى الْبَابِ فَأَرَدْتُ أَنْ أُبَادِيَهُ بِمَا أَمَرْتِنِي بِهِ فَرَقًا مِنْكِ فَلَمَّا دَنَا مِنْهَا، قَالَتْ لَهُ سَوْدَةُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَكَلْتَ مَغَافِيرَ قَالَ: لاَ قَالَتْ: فَمَا هذِهِ الرِّيحُ الَّتِي أَجِدُ مِنْكَ قَالَ: سَقَتْنِي حَفْصَةُ شَرْبَةَ عَسَلٍ، فَقَالَتْ: جَرَسَتْ نَحْلُهُ الْعُرْفُطَ فَلَمَّا دَارَ إِلَيَّ، قُلْتُ لَهُ نَحْوَ
ذَلِكَ؛ فَلَمَّا دَارَ إِلَى صَفِيَّةَ قَالَتْ لَهُ مِثْلَ ذَلِكَ فَلَمَّا دَارَ إِلَى حَفْصَةَ، قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ ﷺ أَلاَ أَسْقِيكَ مِنْهُ قَالَ: لاَ حَاجَةَ لِي فِيهِ
قَالَتْ: تَقُولُ سَوْدَةُ وَاللهِ لَقَدْ حَرَمْنَاهُ؛ قُلْتُ لَهَا: اسْكُتِى
940 - Van ʿÂ'ishah (رضي الله عنها):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) hield van honing en zoetigheden (halwā’). Wanneer hij terugkwam van de ṣalāh al-`asr, ging hij naar zijn vrouwen toe en toonde hij genegenheid aan hen. Op een keer verbleef hij langer dan gewoonlijks bij Ḥafṣah bint ʿUmar. Daar werd ik jaloers op en vroeg ernaar. Mij werd verteld dat een vrouw namens haar familie een pot honing had gestuurd. Ze liet an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) honingdrank van drinken. Ik zei: “Bij Allāh, wij zullen hem zeker een list opzetten.”Ik sprak Sawdah bint Zamʿah aan en zei dat hij bij haar zou komen en genegenheid zou tonen. Als dat gebeurt, moest ze zeggen: “Je hebt maghāfir gegeten.”Dan zal hij zeggen: “Nee.” Dan moet ze zeggen: “Wat is die geur dan die ik bij jou ruik?”Hij zal zeggen: “Ḥafṣah heeft mij een honingdrank geschonken.”Dan moet ze zeggen: “De bij van die honing heeft haar nectar verzameld van de ‘urfuṭ-boom.” “En (als hij bij mij komt) zal ik dat ook zeggen. O Safiyyah, dat moet jij ook zeggen.”ʿÂ'ishah vervolgde: Sawdah placht te zeggen: “Bij Allāh, uit respect voor jou begon ik meteen te doen wat je mij opdroeg zodra Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) aan de deur verscheen. Maar toen hij dicht bij haar kwam, zei Sawdah tegen hem: “Rasûlullāh, heb je maghāfir gegeten?”- “Nee”.- “Wat is dan die geur die ik bij je ruik?” - “Ḥafṣah heeft mij een honingdrank geschonken.” - “De bij van die honing heeft haar nectar verzameld van de ‘urfuṭ-boom.”Toen hij naar mij kwam, zei ik iets vergelijkbaars. Toen hij naar Safiyyah ging, zei zij ook hetzelfde.
Toen hij bij Ḥafṣah kwam, zei zij: “O Rasûlullāh, zal ik je nog wat geven?” Hij zei: “Nee, ik heb daar geen trek in.”ʿÂ'ishah vervolgde: “Sawda zei: “Bij Allāh, wij hebben hem (de honingdrank) verboden.” Ik zei tegen haar: “Zwijg.”
Uitleg dat het een keuze geven aan zijn vrouw geen talāq is, behalve wanneer hij daarbij de intentie heeft (om te scheiden)بيان أن تخيير امرأته لا يكون طلاقا إِلا بالنية
٩٤١ - حديث عَائِشَةَ زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: لَمَّا أُمِرَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِتَخْيِيرِ أَزْوَاجِهِ، بَدَأَ بِي؛ فَقَالَ: إِنِّي ذَاكِرٌ لَكِ أَمْرًا فَلاَ عَلَيْكِ أَنْ لاَ تَعْجَلِي حَتَّى تَسْتَأْمِرِى أَبَوَيْكِ، قَالَتْ: وَقَدْ عَلِمَ أَنَّ أَبَوَيَّ لَمْ يَكُونَا يَأَمُرَانِي بِفِرَاقِهِ قَالَتْ، ثُمَّ قَالَ: إِنَّ الله جَلَّ ثَنَاؤُهُ قَالَ (يأَيُّهَا النَّبِيُّ قُلْ َلأزْوَاجِكَ إِنْ كُنْتُنَّ تُرِدْنَ الْحَيَاةَ الدُّنْيَا وَزِينَتَهَا) إِلَى (أَجْرًا عَظِيمًا) قَالَتْ: فَقُلْتُ فَفِي أَيِّ هذَا أَسْتَأْمِرُ أَبَوَيَّ، فَإِنِّي أُرِيدُ الله وَرَسُولَهُ وَالدَّارَ الآخِرَةَ؛ قَالَتْ: ثُمَّ فَعَلَ أَزْوَاجُ النَّبِيِّ ﷺ مِثْلَ مَا فَعَلْتُ
941 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها), echtgenote van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم):Toen aan de echtgenotes (die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) lastigvielen door hem om bezit te vragen), de keuze gegeven werd of het verkrijgen van bezittingen en gescheiden worden, of het opgeven van de wereldse schijn en bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) blijven, vroeg hij eerst naar mijn mening, en hij zei tegen mij: “Ik wil je iets vragen, maar je hoeft niet haast te maken totdat je je ouders hebt geraadpleegd.”Ik zei: “Hij wist dat mijn ouders mij niet zouden aanraden om hem te verlaten.”Toen zei hij: “Waarlijk, Allāhu Jalla Thanāuh (Allāh, verheven is Zijn lof) zegt:يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ قُل لِّأَزۡوَٰجِكَ إِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱلۡحَيَوٰةَ ٱلدُّنۡيَا وَزِينَتَهَا فَتَعَالَيۡنَ أُمَتِّعۡكُنَّ وَأُسَرِّحۡكُنَّ سَرَاحٗا جَمِيلٗا ٢٨
“O Profeet! Zeg tegen jouw vrouwen: “Als jullie het leven van deze wereld wensen, en haar schijn, - Kom dan! Ik zal jullie een geschenk geven en jullie op een mooie manier bevrijden.
وَإِن كُنتُنَّ تُرِدۡنَ ٱللَّهَ وَرَسُولَهُۥ وَٱلدَّارَ ٱلۡأٓخِرَةَ فَإِنَّ ٱللَّهَ أَعَدَّ لِلۡمُحۡسِنَٰتِ مِنكُنَّ أَجۡرًا عَظِيمٗا ٢٩
Maar als jullie (het welbehagen van) Allāh en Zijn Boodschapper wensen en het Huis in het Hiernamaals dan waarlijk, Allāh heeft voor weldoensters onder jullie een geweldige beloning voorbereid.” (sûrah Ahzâb: 33/28-29)Ik zei: “Bij welke van deze twee moet ik mijn ouders raadplegen? Terwijl ik Allāh, Zijn Rasûl en het Hiernamaals wil.”Daarna deden de echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) hetzelfde wat ik had gedaan.”
٩٤٢ - حديث عَائِشَةَ عَنْ مُعَاذَةَ، عَنْ عَائِشَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ كَانَ يَسْتَأْذِنُ فِي يَوْمِ الْمَرْأَةِ مِنَّا بَعْدَ أَنْ أُنْزِلَتْ هذِهِ الآيَةُ (تُرْجِي مَنْ تَشَاءُ مِنْهُنَّ وَتُؤْوِي إِلَيْكَ مَنْ تَشَاءُ وَمَنِ ابْتَغَيْتَ مِمَّنْ عَزَلْتَ فَلاَ جُنَاحَ عَلَيْكَ) فَقُلْتُ لَهَا مَا كُنْتِ تَقُولِينَ قَالَتْ: كُنْتُ أَقُولُ لَهُ: إِنْ كَانَ ذَاكَ إِلَيَّ فَإِنِّي لاَ أُرِيدُ، يَا رَسُولَ اللهِ أَنْ أُوثِرَ عَلَيْكَ أَحَدًا942 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Mu`ādzah zei dat ʿĀishah zei: Na de openbaring van het vers: تُرۡجِي مَن تَشَآءُ مِنۡهُنَّ وَتُـٔۡوِيٓ إِلَيۡكَ مَن تَشَآءُۖ وَمَنِ ٱبۡتَغَيۡتَ مِمَّنۡ عَزَلۡتَ فَلَا جُنَاحَ عَلَيۡكَۚ ذَٰلِكَ أَدۡنَىٰٓ أَن تَقَرَّ أَعۡيُنُهُنَّ وَلَا يَحۡزَنَّ وَيَرۡضَيۡنَ بِمَآ ءَاتَيۡتَهُنَّ كُلُّهُنَّۚ وَٱللَّهُ يَعۡلَمُ مَا فِي قُلُوبِكُمۡۚ وَكَانَ ٱللَّهُ عَلِيمًا حَلِيمٗا ٥١
Jij mag uitstel geven aan wie van hen jij wenst en je mag ontvangen wie je wenst. En naar wie jouw hart uitgaat van hen van wie jij afstand hebt genomen: het is geen zonde voor jou. Dat is beter; dat zij tevreden zijn en niet bedroefd en dat zij blij zijn met alles wat je hen geeft. Allāh weet wat in jullie harten is.
En Allāh is Alwetend, Verdraagzaam. (sûrah Ahzâb: 51)begon Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) toestemming te vragen om de beurt van een van zijn echtgenotes te nemen.
Ik vroeg haar wat ze tegen hem zei.Zij zei: “Ik zei tegen hem: Als het mijn beurt is, wil ik niet iemand jou boven mij verkiest, O Rasûlullāh .”
٩٤٣ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: خَيَّرَنَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فَاخْتَرْنَا الله وَرَسُولَهُ، فَلَمْ يَعُدَّ ذَلِكَ عَلَيْنَا شَيْئًا943 - Van ʿĀishah (رضي الله عنها):Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf ons de keuze, en wij kozen Allāh en Zijn Rasûl. Deze keuze werd voor ons niet als een echtscheiding beschouwd.
Afstand nemen van vrouwen (al-īlā’), hen de keuze geven en het vers : وَإِن تَظَٰهَرَا عَلَيۡهِ “En als zij zich tegen hem verenigen (sûrah at-Tahrīm, 66/4)
في الإيلاء واعتزال النساء وتخييرهن وقوله تعالى (وإِن تظاهرا عليه)
٩٤٤ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: مَكَثْتُ سَنَةً أُرِيدُ أَنْ أَسْأَلَ عُمَرَ بْنَ الْخَطَّابِ عَنْ آيَةٍ، فَمَا أَسْتَطِيعُ أَنْ أَسْأَلَهُ هَيْبَةً لَهُ؛ حَتَّى خَرَجَ حَاجًّا فَخَرَجْتُ مَعَهُ، فَلَمَّا رَجَعْتُ، وَكُنَّا بِبَعْضِ الطَّرِيقِ، عَدَلَ إِلَى الأَرَاكِ لِحَاجَةٍ لَهُ، قَالَ: فَوَقَفْتُ لَهُ حَتَّى فَرَغَ، ثُمَّ سِرْتُ مَعَهُ فَقُلْتُ: يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ مَنِ اللَّتَانِ تَظَاهَرَتَا عَلَى النَّبِيِّ ﷺ مِنْ أَزْوَاجِهِ فَقَالَ: تِلْكَ حَفْصَةُ وَعَائِشَةُ قَالَ: فَقُلْتُ: وَاللهِ إِنْ كُنْتُ لأُرِيدُ أَنْ أَسْأَلَكَ عَنْ هذَا مُنْذُ سَنَةٍ فَمَا أَسْتَطِيعُ هَيْبَةً لَكَ قَالَ: فَلاَ تَفْعَلْ؛ مَا ظَنَنْتَ أَنَّ عِنْدِي مِنْ عِلْمٍ فَاسْأَلْنِي، فَإِنْ كَانَ لِي عِلْمٌ خَبَّرْتُكَ به قَالَ ثُمَّ قَالَ عُمَرُ: وَالل إِنْ كُنَّا فِي الْجَاهِلَيَّةِ مَا نَعُدُّ لِلنِّسَاءِ أَمْرًا حَتَّى أَنْزَلَ اللهُ فِيهِنَّ مَا أَنْزَلَ، وَقَسَمَ لَهُنَّ مَا قَسَمَ؛ قَالَ: فَبَيْنَا أَنَا فِي أَمْرٍ أَتَأَمَّرُهُ، إِذْ قَالَتْ امْرَأَتِي: لَوْ صَنَعْتَ كَذَا وَكَذا قَالَ فَقُلْتُ لَهَا: مَا لَكِ وَلِمَا ههُنَا، فِيمَا تَكَلُّفُكِ فِي أَمْرٍ أُرِيدُهُ فَقَالَتْ لِي: عَجَبًا لَكَ يَا ابْنَ الْخَطَّابِ مَا تُرِيدُ أَنْ تُرَاجَعَ أَنْتَ، وَإِنَّ ابْنَتَكَ لَتُرَاجِعُ رَسُولَ اللهِ ﷺ حَتَّى يَظَلَّ يَوْمَهُ غَضْبَانَ فَقَامَ عُمَرُ
فَأَخَذَ رِدَاءَهُ مَكَانَهُ حَتَّى دَخَلَ عَلَى حَفْصَةَ؛ فَقَالَ لَهَا: يَا بُنَيَّةُ إِنَّكِ لَتُرَاجِعِينَ رَسُولَ اللهِ ﷺ حَتَّى يَظَلَّ يَوْمَهُ غَضْبَانَ فَقَالَتْ حَفْصَةُ: وَاللهِ إِنَّا لَنُرَاجِعُهُ فَقُلْتُ: تَعْلَمِينَ أَنِّي أُحَذِّرُكِ عُقُوبَةَ اللهِ وَغَضَبَ رَسُولِهِ ﷺ، يَا بُنَيَّةُ لاَ يَغُرَّنَّكَ هذِهِ الَّتي أَعْجَبَهَا حُسْنُهَا حُبُّ رَسُولِ اللهِ ﷺ إِيَّاهَا (يُريدُ عَائِشَةَ)
قَالَ، ثُمَّ خَرَجْتُ حَتَّى دَخَلْتُ عَلَى أُمَّ سَلَمَةَ، لِقَرَابَتِي مِنْهَا، فَكَلَّمْتُهَا؛ فَقَالَتْ أُمُّ سَلَمَةَ: عَجَبًا لَكَ يَا ابْنَ الْخَطَّابِ دَخَلْتَ فِي كُلِّ شَيْءٍ حَتَّى تَبْتَغِي أَنْ تَدْخُلَ بَيْنَ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَأَزْوَاجِهِ فَأَخَذَتْنِي، وَاللهِ أَخْذًا كَسَرَتْنِي عَنْ بَعْضِ مَا كُنْتُ أَجِدُ، فَخَرَجْتُ مِنْ عِنْدِهَا
وَكَانَ لِي صَاحِبٌ مِنَ الأَنْصَارِ، إِذَا غِبْتُ أَتَانِي بِالخَبَرِ، وَإِذَا غَابَ كُنْتُ أَنَا آتِيهِ بِالْخَبَرِ؛ وَنَحْنُ نَتَخَوَّفُ مَلِكًا مِنْ مُلُوكِ غَسَّانَ ذُكِرَ لَنَا أَنَّهُ يُرِيدُ أَنْ يَسيرَ إِلَيْنَا، فَقَدِ امْتَلأَتْ صُدُورُنَا مِنْهُ فَإِذَا صَاحِبِي الأَنْصَارِيُّ يَدُقُّ الْبَابَ؛ فَقَالَ: افْتَحْ افْتَحْ فَقُلْتُ: جَاءَ الْغَسَّانِيُّ فَقَالَ: بَلْ أَشَدُّ مِنْ ذَلِكَ، اعْتَزَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَزْوَاجَهُ؛ فَقُلْتُ: رَغَمَ أَنْفُ حَفْصَةَ وَعائِشَةَ فَأَخَذْتُ ثَوْبِي فَأَخْرُجُ حَتَّى جِئْتُ فَإِذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي مَشْرُبَةٍ لَهُ يَرْقَى عَلَيْهَا بِعَجَلَةٍ، وَغُلاَمٌ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ أَسْوَدُ عَلَى رَأْسِ الدَّرَجَةِ؛ فَقُلْتُ لَهُ: قُلْ هذَا عُمَرُ بْنُ الْخَطَّابِ، فَأَذِنَ لِي قَالَ عُمَرُ: فَقَصَصْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ هذَا الْحَدِيثَ، فَلَمَّا بَلَغْتُ حَدِيثَ أُمِّ سَلَمَةَ تَبَسَّمَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَإِنَّهُ لَعَلَى حَصِيرٍ مَا بَيْنَهُ وَبَيْنَهُ شَيْءٌ، وَتَحْتَ رَأْسِهِ وِسَادَةٌ مِنْ أَدَمٍ حَشْوُهَا لِيفٌ، وَإِنَّ عِنْدَ رِجْلَيْهِ قَرَظًا مَصْبُوبًا، وَعِنْدَ رَأْسِهِ أَهَبٌ مُعَلَّقَةٌ؛ فَرَأَيْتُ أَثَرَ الْحَصِيرِ فِي جَنْبِهِ، فَبَكَيْتُ؛ فَقَالَ: مَا يُبْكِيكَ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ كِسْرى وَقَيْصَرَ فِيمَا هُمَا فِيهِ، وَأَنْتَ رَسُولُ اللهِ فَقَالَ: أَمَا تَرْضى
أَنْ تَكُونَ لَهُمُ الدُّنْيا وَلَنَا الآخِرَةُ
944 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Hoewel ik (uitleg van) een āyah aan ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb wilde vragen, was ik onder de indruk van zijn majesteitelijke verschijning en voelde respect voor hem, kon ik het niet over mijn lippen krijgen om het te vragen. Ik heb een jaar gewacht. Totdat hij op weg ging voor de Ḥaj, en ik met hem meereisde. Op de terugweg (van de Ḥaj) wendde hij zich op een gegeven moment naar een struikgewas langs de weg om daar zijn behoefte te doen. Ik bleef daar staan en vormde een afscherming voor hem, totdat hij klaar was. Daarna vervolgde hij zijn weg en ik liep met hem mee en vroeg: “O leider van de gelovigen, wie waren de vrouwen van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) die in sûrah at-Taḥrīm, āyah 4, worden bedoeld, degenen die zich gezamenlijk tegen hem samenspanden?” ʿUmar antwoordde: “Dat zijn Ḥafṣah hen ʿĀishah.”Ibn ʿAbbās zei: “Bij Allāh, ik wilde u dit al een jaar geleden vragen, maar vanwege uw majesteitelijke verschijning voelde ik respect voor u, daarom durfde ik het niet.”ʿUmar zei: “Als jij denkt dat ik kennis heb over die kwestie, en dat ik dat onderwerp begrijp, stel mij (gerust) een vraag over. Als ik daar inderdaad kennis over heb, dan zal ik je erover inlichten.”(`Umar zei:) “Bij Allāh, in de tijd van de jāhiliyyah namen wij vrouwen totaal niet serieus, totdat Allāh Zijn oordeel betreffende hen openbaarde en hen hun rechten gaf. Op een dag was ik over een zaak aan het nadenken, toen mijn vrouw tegen mij zei: ‘Waarom doe je het niet zo en zo?’ Ik zei tegen haar: “Wat is er met jou, dat je je bemoeit met een zaak waar ik over nadenk?!” Ze zei toen: “O zoon van al-Khaṭṭāb, jij bent echt vreemd. Jij duldt het niet dat er tegen jou wordt gesproken, maar kijk, jouw dochter (Ḥafṣah) spreekt Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen en hij blijft zelfs een hele dag boos!’Meteen pakte ik mijn kleren en verliet het huis om naar Ḥafṣah te gaan.
Ik zei tegen haar: “O mijn dochter, is het waar dat jij tegen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) durft in te gaan, en dat hij soms zelfs een hele dag boos op jou blijft?!”Ze antwoordde: “Bij Allāh, wij spreken Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) inderdaad tegen.”Ik zei tegen haar: “Weet dan dat ik jou waarschuw voor de bestraffing van Allāh en de toorn van Zijn Rasûl! O mijn dochter, laat de vrouw die haar eigen schoonheid bewondert en de liefde van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) voor haar geniet, jouw voeten niet doen wankelen!”Met de laatste zin verwees `Umar naar ʿĀishah.`Umar zei: “Daarna verliet ik haar en ging naar mijn verwante, Ummu Salamah en sprak ook met haar.”Zij zei: “O zoon van al-Khaṭṭāb, wat ben jij vreemd! Je bemoeit je overal mee, en nu wil je je zelfs mengen in de zaak tussen Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn vrouwen!” Haar antwoord trof mij, en het kalmeerde enigszins het verdriet dat ik in mijn hart voelde. Daarna verliet ik haar woning.”(De reactie van ummu Salamah zorgde ervoor dat ʿUmar zich pas tegen het einde van de maand bewust werd van het feit dat Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) boos was op zijn vrouwen, waarna hij opnieuw ingreep. Hij sprak toen met Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) en probeerde zijn gemoed te verzachten.)In die tijd had ik een vriend uit de Anṣār. Wanneer ik niet bij Rasûllullāh(صلى الله عليه وسلم) aanwezig kon zijn, bracht hij mij het nieuws en als hij afwezig was, deed ik dat voor hem. In die periode maakten wij ons zorgen over een koning van de Ghasṣānieten, van wie gezegd werd dat hij tegen ons zou oprukken. Dat hield ons hart gespannen.Plotseling kwam mijn Anṣār-vriend bij mij, klopte op de deur en riep: “Doe open!
Doe open!”Ik zei: “Zijn de Ghasṣānieten gekomen?” Hij zei: “Er is iets veel ergers gebeurd! Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zich van zijn vrouwen afgezonderd!” Ik zei: “Moge de neus van Ḥafṣah en van ʿĀishah in het stof worden gewreven!’ Vervolgens pakte ik mijn kleren en ging naar Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم).Hij bevond zich in zijn privévertrek, een ruimte waar voorraden, wapens en voedsel werden opgeslagen en waar hij zich soms alleen terugtrok. Dit vertrek werd ‘Ḥizānah’ genoemd, terwijl de bovenverdieping waar hij zich afzonderde ‘Mashrabah’ heette. Bilāl was hiervoor verantwoordelijk en had de sleutel. Om de bovenverdieping te bereiken, gebruikte men een uitgeholde dadelpalmstam als trap. Bovenaan de trap stond de donkere dienaar van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم). Ik zei: ‘Ik ben ʿUmar.’ Er werd mij daarop toestemming gegeven om binnen te gaan.”Ik vertelde hem over wat ik met zijn vrouwen had besproken. Toen ik bij de woorden van Ummu Salamah kwam, glimlachte Rasûllullāh(صلى الله عليه وسلم).Hij lag op een mat, zonder iets ertussen, en onder zijn hoofd lag een kussen gevuld met palmvezel. Aan zijn voeten lagen enkele acaciabladeren, en bij zijn hoofd onbewerkt leer. Ik zag de afdrukken van het matje op zijn zij, daardoor begon ik te huilen.Hij vroeg: “Waarom huil je?”Ik zei: “O Rasûllullāh, Kisrā (Khosrau: de Perzische keizer) en Qaysar (Caesar: de Romeinse keizer) leven in weelde, terwijl u, o Rasûlullāh, in deze toestand verkeert.”Hij zei: “Ben jij dan niet tevreden dat zij de wereld hebben, en wij het Hiernamaals?”
٩٤٥ - حديث عُمَرَ عَنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ عَبَّاسٍ، قَالَ: لَمْ أَزَلْ حَرِيصًا عَلَى أَنْ أَسْأَلَ عُمَرَ ابْنَ الْخَطَّابِ عَنِ الْمَرْأَتَيْنِ مِنْ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ اللَّتَيْنِ قَالَ اللهُ تَعَالى (إِنْ تَتُوبَا إِلَى اللهِ فَقَدْ صَغَتْ قُلُوبُكُمَا) حَتَّى حَجَّ وَحَجَجْتُ مَعَهُ، وَعَدَلَ وَعَدَلْتُ مَعَهُ بِإِدَاوَةٍ، فَتَبَرَّزَ، ثُمَّ جَاءَ فَسَكَبْتُ عَلَى يَدَيْهِ مِنْهَا فَتَوَضَّأَ؛ فَقُلْتُ لَهُ: يَا أَمِيرَ الْمُؤْمِنِينَ مَنِ الْمَرْأَتَانِ مِنْ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ اللَّتَانَ قَالَ اللهُ تَعَالَى (إِنْ تَتُوبَا إِلَى اللهِ فَقَدْ صَغَتْ قُلُوبُكُمَا) قَالَ: وَاعَجَبًا لَكَ يَا ابْنَ عَبَّاسٍ هُمَا عَائِشَةُ وَحَفْصَة ثُمَّ اسْتَقْبَلَ عُمَرُ الْحَدِيثَ يَسُوقُهُ، قَالَ: كُنْتُ أَنَا وَجَارٌ لِي مِنَ الأَنْصَارِ فِي بَنِي أُمَيَّةَ بْنِ زَيْدٍ، وَهُمْ مِنْ عَوَالِي الْمَدِينَةِ، وَكُنَّا نَتَنَاوَبُ النُّزُولَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ، فَيَنْزِلُ يَوْمًا وَأَنْزِلُ يَوْمًا، فَإِذَا نَزَلْتُ جِئْتُهُ بِمَا حَدَثَ مِنْ خَبَرِ ذَلِكَ الْيَوْمِ مِنَ الْوَحْيِ أَوْ غَيْرِهِ، وَإِذَا نَزَلَ فَعَلَ مِثْلَ ذَلِكَ؛ وَكُنَّا، مَعْشَرَ قُرَيْشٍ، نَغْلِبُ النِّسَاءَ؛ فَلَمَّا قَدِمْنَا عَلَى الأَنْصَارِ إِذَا قَوْمٌ تَغْلِبُهُمْ نِسَاؤُهُمْ، فَطَفِقَ نِسَاؤُنَا يَأْخُذْنَ مِنْ أَدَبِ الأَنْصَارِ؛ فَصَخِبْتُ عَلَى امْرَأَتِي فَرَاجَعَتْنِي، فَأَنْكَرْتُ أَنْ تُرَاجِعَنِي؛ قَالَتْ: وَلِمَ تُنْكِرُ
أَنْ أُرَاجِعَكَ فَوَاللهِ إِنَّ أَزْوَاجَ النَّبِيِّ ﷺ لَيُرَاجِعْنَهُ، وَإِنَّ إِحْدَاهُنَّ لَتَهْجُرُهُ الْيَوْمَ حَتَّى اللَّيْلِ، فَأَفْزَعَنِي ذَلِكَ، وَقُلْتُ لَهَا: قَدْ خَابَ مَنْ فَعَلَ ذَلِكَ مِنْهُنَّ
ثُمَّ جَمَعْتُ عَلَيَّ ثِيَابِي، فَنَزَلْتُ فَدَخَلْتُ عَلَى حَفْصَةَ؛ فَقُلْتُ لَهَا: أَيْ حَفْصَةُ أَتُغَاضِبُ إِحْدَاكُنَّ النَّبِيَّ ﷺ الْيَوْمَ حَتَّى اللَّيْلِ قَالَتْ: نَعَمْ فَقُلْتُ: قَدْ خِبْتِ وَخَسِرْتِ، أَفَتَأْمَنِينَ أَنْ يَغْضَبَ اللهُ لِغَضَبِ رَسُولِهِ ﷺ فَتَهْلِكِي لاَ تَسْتَكْثِرِي النَّبِيَّ ﷺ، وَلاَ تُرَاجِعِيهِ فِي شَيْءٍ وَلاَ تَهْجُرِيهِ، وَسَلِينِي مَا بَدَا لَكِ، وَلاَ يَغُرَّنَّكَ أَنْ كَانَتْ جَارَتُكِ أَوْضَأَ مِنْكِ وَأَحَبَّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ (يُرِيدُ عَائِشَةَ)
قَالَ عُمَرُ: وَكُنَّا قَدْ تَحَدَّثْنَا أَنَّ غَسَّانَ تُنْعِلُ الْخَيْلَ لِغَزْوِنَا، فَنَزَلَ صَاحِبِي الأَنْصَارِيُّ يَوْمَ نَوْبَتِهِ، فَرَجَعَ إِلَيْنَا عِشَاءً، فَضَرَبَ بَابِي ضَرْبًا شَدِيدًا؛ وَقَالَ: أَثَمَّ هُوَ فَفَزِعْتُ، فَخَرَجْتُ إِلَيْهِ؛ فَقَالَ: قَدْ حَدَثَ الْيَوْمَ أَمْرٌ عَظِيمٌ، قُلْتُ: مَا هُوَ، أَجَاءَ غَسَّان قَالَ: لاَ، بَلْ أَعْظَمُ مِنْ ذَلِكَ وَأَهْوَلُ، طَلَّقَ النَّبِيُّ ﷺ نِسَاءَهُ؛ فَقُلْتُ: خَابَتْ حَفْصَةُ وَخَسِرَتْ، قَدْ كُنْتُ أَظُنُّ هذَا يُوشِكُ أَنْ يَكُونَ فَجَمَعْتُ عَلَيَّ ثِيَابِي، فَصَلَّيْتُ صَلاَةَ الْفَجْرِ مَعَ النَّبِيِّ ﷺ، فَدَخَلَ النَّبِيُّ ﷺ مَشْرُبَةً لَهُ، فَاعْتَزَلَ فِيهَا، وَدَخَلْتُ عَلَى حَفْصَةَ فَإِذَا هِيَ تَبْكِي؛ فَقُلْتُ: مَا يُبْكِيكِ أَلَمْ أَكُنْ حَذَّرْتُكِ هذَا أَطَلَّقَكنَّ النَّبِيُّ ﷺ قَالَتْ: لاَ أَدْرِي، هَا هُوَ ذَا مُعْتَزِلٌ فِي الْمَشْرُبَةِ فَخَرَجْتُ فَجِئْتُ إِلَى الْمِنْبَرِ، فَإِذَا حَوْلَهُ رَهْطٌ، يَبْكِي بَعْضُهُمْ؛ فَجَلَسْتُ مَعَهُمْ قَلِيلًا، ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَجِدُ، فَجِئْتُ الْمَشْرُبَةَ الَّتِي فِيهَا النَّبِيُّ ﷺ، فَقُلْتُ لِغُلاَمٍ لَهُ أَسْوَدَ، اسْتَأْذِنْ لِعُمَرَ؛ فَدَخَلَ الْغُلاَمُ، فَكَلَّمَ النَّبِيَّ ﷺ، ثُمَّ رَجَعَ، فَقَالَ: كَلَّمْتُ النَّبِيَّ ﷺ وَذَكَرْتُكَ لَهُ فَصَمَتَ؛ فَانْصَرَفْتُ،
حَتَّى جَلَسْتُ مَعَ الرَّهْطِ الَّذِينَ عِنْدَ الْمِنْبَرِ ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَجِدُ، فَجِئْتُ فَقْلتُ لِلْغُلاَمِ اسْتَأْذِنْ لِعُمَرَ؛ فَدَخَلَ ثُمَّ رَجَعَ، فَقَالَ: قَدْ ذَكَرْتُكَ لَهُ فَصَمَتَ؛ فَرَجَعْتُ فَجَلَسْتُ مَعَ الرَّهْطِ الَّذِينَ عِنْدَ الْمِنْبَرِ ثُمَّ غَلَبَنِي مَا أَجِدُ فَجِئْتُ الْغُلاَمَ، فَقُلْتُ: اسْتَأْذِنْ لِعُمَرَ؛ فَدَخَلَ ثُمَّ رَجَعَ إِلَيَّ فَقَالَ: قَدْ ذَكَرْتُكَ لَهُ فَصَمَتَ؛ فَلَمَّا وَلَّيْتُ مُنْصَرِفًا (قَالَ) إِذَا الْغُلاَمُ يَدْعُونِي فَقَالَ: قَدْ أَذِنَ لَكَ النَّبِيُّ ﷺ
فَدَخَلْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَإِذَا هُوَ مُضْطَجِعٌ عَلَى رِمَالِ حَصِيرٍ لَيْسَ بَيْنَهُ وَبَيْنَهُ فِرَاشٌ، قَدْ أَثَّرَ الرِّمَالُ بِجَنْبِهِ، مَتَّكِئًا عَلَى وِسَادَةٍ مِنْ أَدَمٍ، حَشْوُهَا لِيفٌ؛ فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ ثُمَّ قُلْتُ، وَأَنَا قَائِمٌ: يَا رَسُولَ اللهِ أَطَلَّقْتَ نِسَاءَكَ فَرَفَعَ إِلَيَّ بَصَرَهُ، فَقَالَ: لاَ، فَقُلْتُ: اللهُ أَكْبَرُ ثُمَّ قُلْتُ، وَأَنَا قَائِمٌ: أَسْتَأْنِسُ، يَا رَسُولَ اللهِ لَوْ رَأَيْتَنِي، وَكُنَّا، مَعْشَرَ قُرَيْشٍ، نَغْلِبُ النِّسَاءَ، فَلَمَّا قَدِمْنَا الْمَدِينَةَ، إِذَا قَوْمٌ تَغْلِبُهُمْ نِسَاؤُهُمْ؛ فَتَبَسَّمَ النَّبِيُّ ﷺ ثُمَّ قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ لَوْ رَأَيْتَنِي، وَدَخَلْتُ عَلَى حَفْصَةَ، فَقُلْتُ لَهَا: لاَ يَغُرَّنَّكِ أَنْ كَانَتْ جَارَتُكِ أَوْضَأَ مِنْكِ وَأَحَبَّ إِلَى النَّبِيِّ ﷺ (يُرِيدُ عَائِشَةَ) فَتَبَسَّمَ النَّبِيُّ ﷺ تَبَسُّمَةً أُخْرَى؛ فَجَلَسْتُ حِينَ رَأَيْتُهُ تَبَسَّمَ، فَرَفَعْتُ بَصَرِي فِي بَيْتِهِ، فَواللهِ مَا رَأَيْتُ فِي بَيْتِهِ شَيْئًا يَرُدُّ الْبَصَرَ غَيْرَ أَهَبَةٍ ثَلاَثَةٍ فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ ادْعُ اللهَ فَلْيُوَسِّعْ عَلَى أُمَّتِكَ، فَإِنَّ فَارِسًا وَالرُّومَ قَدْ وُسِّعَ عَلَيْهِمْ، وَأُعْطُوا الدُّنْيَا وَهُمْ لاَ يَعْبُدُونَ اللهَ
فَجَلَسَ النَّبِيُّ ﷺ، وَكَانَ مُتَّكِئًا، فَقَالَ: أَوَ فِي هذَا أَنْتَ يَا ابْنَ الْخَطَّابِ إِنَّ أُولئِكَ قَوْمٌ عُجِّلُوا طَيِّبَاتِهِمْ فِي الْحَيَاةِ الدُّنْيَا فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ اسْتَغْفِرْ لِي
فَاعْتَزَلَ النَّبِيُّ ﷺ نِسَاءَهُ مِنْ أَجْلِ ذلِكَ الْحَدِيثِ، حِينَ أَفْشَتْهُ حَفْصَةُ إِلَى عَائِشَةَ، تِسْعًا وَعِشْرِينَ لَيْلَةً، وَكَانَ قَالَ: مَا أَنَا بِدَاخِلٍ عَلَيْهِنَّ شَهْرًا مِنْ شِدَّةِ مَوْجِدَتِهِ عَلَيْهِنَّ، حِينَ عَاتَبَهُ اللهُ
فَلَمَّا مَضَتْ تِسْعٌ وَعِشْرُونَ لَيْلَةً، دَخَلَ عَلَى عَائِشَةَ فَبَدَأَ بِهَا، فَقَالَتْ لَهُ عَائِشَةُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّكَ كُنْتَ قَدْ أَقْسَمْتَ أَنْ لاَ تَدْخُلَ عَلَيْنَا شَهْرًا، وَإِنَّمَا أَصْبَحْتَ مِنْ تِسْعٍ وَعِشْرِينَ لَيْلَةً أَعُدُّهَا عَدًّا فَقَالَ: الشَّهْرُ تِسْعٌ وَعِشْرُونَ
فَكَانَ ذلِكَ الشَّهْرُ تِسْعًا وَعِشْرِينَ لَيْلَةً قَالَتْ عَائِشَةُ: ثُمَّ أَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى آيَةَ التَّخَيُّرِ، فَبَدَأَ بِي أَوَّلَ امْرَأَةٍ مِنْ نِسَائِهِ فَاخْتَرْتُهُ ثُمَّ خَيَّرَ نِسَاءَهُ كُلَّهُنَّ، فَقُلْنَ مِثْلَ مَا قَالَتْ عَائِشَةُ
945 - Van Ibn ʿAbbās (رضي الله عنهما):Ik verlangde er steeds naar om aan ʿUmar te vragen wie die twee vrouwen waren over wie Allāhu تعالى heeft gezegd:
إِن تَتُوبَآ إِلَى ٱللَّهِ فَقَدۡ صَغَتۡ قُلُوبُكُمَاۖ وَإِن تَظَٰهَرَا عَلَيۡهِ فَإِنَّ ٱللَّهَ هُوَ مَوۡلَىٰهُ وَجِبۡرِيلُ وَصَٰلِحُ ٱلۡمُؤۡمِنِينَۖ وَٱلۡمَلَٰٓئِكَةُ بَعۡدَ ذَٰلِكَ ظَهِيرٌ ٤
Als jullie twee (Ḥafṣah en A’ishah) in berouw tot Allāh keren (zal het beter voor jullie zijn), dan neigen jullie harten waarlijk (naar het goede). Maar als jullie elkaar bijstaan tegen hem (de Boodschapper), dan is Allāh waarlijk jouw Helper, en Jibriël en de rechtvaardigen onder de gelovigen en daarnaast zullen de Engelen helpers zijn. (sûrah at-Tahrīm, 66/4), bedoelend twee echtgenotes van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Uiteindelijk ging ʿUmar op Ḥaj en ik ging met hem mee. Op een bepaald moment tijdens de reis ging hij zich ontlasten. Ik nam een waterkruik en ging met hem mee. Toen hij terugkwam, goot ik water over zijn hand zodat hij wudûʾ kon verrichten.Ik zei tegen hem: “O leider van de gelovigen! Wie zijn die twee vrouwen over wie Allāh heeft gezegd (Nederlandse betekenis): “Als jullie beiden berouw tonen tot Allāh — jullie harten zijn immers afgeweken...”?’Hij zei: “O Ibn ʿAbbās, wat een merkwaardige vraag stel je.
Dat waren Ḥafṣah en ʿĀʾishah.”Eén van de overleveraars, az-Zuhrī, zei: ‘Bij Allāh, hij vond het geen prettig vraag, maar hij hield niets voor zich.’ Toen begon ʿUmar het volgende te vertellen: “Wij, de Quraysh, hadden gewoonlijk de overhand over onze vrouwen. Maar toen wij naar Madīnah kwamen, troffen wij daar mensen aan bij wie de vrouwen de overhand hadden over de mannen. Toen begonnen ook onze vrouwen dit gedrag van hen over te nemen. Mijn huis bevond zich in al-ʿAwālī bij de Banu Umayyah ibn Zayd. Op een dag werd ik boos op mijn vrouw, en plots antwoordde ze me terug! Ik vond dat niet prettig. Zij zei: “Waarom vind je het vreemd dat ik je weerwoord geef? Bij Allāh, zelfs de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) antwoorden hem terug, en sommigen van hen negeren hem zelfs een hele dag tot in de nacht!”Ik ging meteen naar Ḥafṣah en zei tegen haar: “Geef jij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) weerwoord?”- “Ja.”- “En blijft een van jullie dan een hele dag tot in de nacht boos op hem?”- “Ja.”- “Weet dan dat wie van jullie dit doet zichzelf in gevaar brengt. Denk je dat als an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) boos is op jou, Allāh’s boosheid ook op jou zou kunnen komen? Dan ben je verloren! Geef an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) geen weerwoord en vraag hem niets. Als je iets nodig hebt, vraag het mij! En laat het feit dat jouw vriendin (bedoeld wordt ʿĀʾishah) geliefder en aantrekkelijker is voor an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) dan jij, jou niet doen struikelen.’Ik had een buurman van de Anṣār, en wij wisselden elkaar af in het bezoeken van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Één dag ging hij, de volgende ik, en we vertelden elkaar dan wat er geopenbaard of gezegd was.In die periode deden geruchten de ronde dat de mensen van Ghasṣān hun paarden aan het beslaan waren voor een aanval.
Op een dag was het de beurt van mijn buurman om te gaan. ’s Avonds kwam hij terug, klopte op mijn deur en riep: “Er is een grote zaak gebeurd!”- “Wat is er aan de hand? Zijn de mensen van Ghasṣān gekomen?”- “Nee, erger nog! Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft zijn vrouwen verstoten!”- “Ḥafṣah is verloren! Ik had al zoiets verwacht!”Na de ṣalāh al-fajr kleedde ik mij aan en ging naar haar. Ze huilde.- “Heeft Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) jullie verlaten?”- “Ik weet het niet. Hij heeft zich teruggetrokken in zijn privévertrek.”Ik ging naar zijn donkere bediende en zei: “Vraag an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toestemming voor ʿUmar om naar binnen te gaan.’Hij ging naar binnen, kwam terug en zei: “Ik heb hem over jou verteld, maar hij heeft geen antwoord gegeven.”Ik ging naar de moskee en ging bij de minbar zitten. Ik zag dat daar een groep mensen zitten en sommigen huilden. Ik kon mijn verdriet niet langer bedwingen en keerde terug naar de bediende. Ik zei opnieuw: “Vraag opnieuw toestemming voor mij.”Hij ging naar binnen, kwam terug en zei: “Ik heb hem weer over jou verteld, maar hij heeft geen geantwoord gegeven.”Ik wilde weggaan, maar toen riep de bediende me: “Kom binnen, je hebt toestemming gekregen.”Ik ging naar binnen en begroette Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) met de salām. Hij lag op een gevlochten mat, en de afdruk ervan was op zijn zijde te zien.Ik zei: “O Rasûlullāh, heeft u uw vrouwen verlaten?”Hij hief zijn hoofd op en zei: ‘”Neen.”Ik zei: “Allāhu akbar! O Rasûlullāh, je had ons moeten zien! Wij Qurayshieten hadden macht over onze vrouwen. Toen we in Madīnah kwamen, troffen we mensen aan bij wie de vrouwen de overhand hebben, en onze vrouwen namen dat over. Op een dag werd ik boos op mijn vrouw en tot mijn verbazing gaf zij mij weerwoord. Ze zei: “Waarom vind je dat vreemd?
Zelfs de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) doen dat, en sommigen negeren hem zelfs een hele dag!”Ik zei:”Wie dat doet, lijdt schade. Denk je dat Allāh niet boos wordt als Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) boos is?”Bij deze woorden glimlachte Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم).Ik ging naar Ḥafṣah en zei tegen haar: “Laat het feit dat jouw vriendin geliefder is bij Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) dan jij, jou niet doen struikelen.”Bij die woorden glimlachte Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) opnieuw.- “O Rasûlullāh, mag ik nog even blijven zitten?”- “Ja.”Ik keek rond in de kamer en zag niets dat het oog streelde, behalve drie huiden.- “O Rasûlullāh, vraag Allāh om overvloed voor jouw gemeenschap. De Perzen en Romeinen, terwijl zij Allāh niet aanbidden, leven in weelde!”Hij ging rechtop zitten en zei: “O zoon van al-Khaṭṭāb! Twijfel jij eraan dat zij mensen zijn van wie het goede leven reeds in de wereld is gegeven?”- “O Rasûlullāh, vraag vergeving voor mij bij Allāh.”An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zonderde zich af van zijn vrouwen wegens dat voorval, toen Hafṣah het geheim had doorverteld aan ʿĀʾishah. Hij bleef negenentwintig nachten van hen weg.Hij had gezegd: “Ik zal gedurende een maand niet bij hen binnengaan,” uit grote boosheid op hen, totdat Allāh hem hierover terechtwees.Toen negenentwintig nachten verstreken waren, ging hij naar ʿĀʾishah en bracht tijd met haar door. Toen zei zij tegen hem: “O Rasûlullāh, u had toch gezworen dat u een maand niet bij ons zou komen?
En het is nu slechts negenentwintig nachten; ik heb ze geteld.”Hij zei: “De maand telt negenentwintig nachten, want die maand was inderdaad negenentwintig nachten.”ʿĀʾishah zei: “Daarna openbaarde Allāh (تعالى) de ayah van de keuze (sûrah at-Tahrīm, 66/1) Hij begon bij mij, als eerste van zijn vrouwen. Ik koos hem. Vervolgens bood hij al zijn vrouwen de keuze, en zij zeiden allen hetzelfde als wat ʿĀʾishah (رضي الله عنها) had gezegd”.
[Uiteindelijk openbaarde Allāh hieromtrent het volgende vers:
يَٰٓأَيُّهَا ٱلنَّبِيُّ لِمَ تُحَرِّمُ مَآ أَحَلَّ ٱللَّهُ لَكَۖ تَبۡتَغِي مَرۡضَاتَ أَزۡوَٰجِكَۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ١
O, Profeet! Waarom verbied jij iets wat Allāh voor jou wettig heeft gemaakt? Om jouw vrouwen een genoegen te doen? En Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol.’ (sûrah at-Tahrīm, 66/1)
Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) verbleef een maand afgezonderd in het vertrek dat in de overlevering wordt genoemd. Dit voorval staat bekend als het Īlā-incident.] (HY)
De vrouw die drie keer is gescheiden en het recht op onderhoud
المطلقة ثلاثا لا نفقة لها
٩٤٦ - حديث عَائِشَةَ وَفَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ عَنْ عَائِشَةَ، أَنَّهَا قَالَتْ: مَا لِفَاطِمَةَ أَلاَ تَتَّقِي اللهَ، يَعْنِي فِي قَوْلِهَا لاَ سُكْنَى وَلاَ نَفَقَةَ
946 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) (Fāṭimah bint Qays had gezegd als een vrouw die definitief drie keer is gescheiden heeft noch recht op verblijf bij haar ex-man noch op onderhoud van hem.)Wat is er met Fāṭimah (bint Qays) aan de hand? Waarom vreest zij Allāh niet in wat zij zegt? Dit betekent dat een vrouw die definitief drie keer is gescheiden (tijdens de ʿiddah-periode) noch recht heeft op verblijf bij haar ex-man noch op onderhoud van hem.
[In de islamitische wetgeving kunnen echtgenoten drie keer met elkaar trouwen en drie keer van elkaar scheiden. Na de derde scheiding is er sprake van een volledige en definitieve echtscheiding. In dat geval kan de vrouw pas opnieuw met haar voormalige echtgenoot trouwen als zij op normale wijze met een andere man is getrouwd en vervolgens, eveneens op normale wijze, van hem is gescheiden.Een vrouw die van haar man gescheiden is, heeft gedurende haar ʿiddah-periode zowel het recht om in de woning te verblijven die haar echtgenoot voor haar heeft verzorgd, als het recht op levensonderhoud. Fatima bint Qays (رضي الله عنها), een van de vrouwen uit de metgezellen, was een vrouw die voor de derde keer van haar echtgenoot gescheiden was. Na deze laatste scheiding verbleef zij, op aanwijzing van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), gedurende haar ʿiddah-periode eerst in het huis van Ummu Sharīk (رضي الله عنها) en daarna in het huis van haar neef ʿAbdullah ibn Ummu Maktūm (رضي الله عنه), waar zij haar wachttijd voltooide.Fatima bint Qays concludeerde hieruit dat dit een algemene regel was en zei dat an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) voor een vrouw die drie keer gescheiden is geen recht op nafaqah (levensonderhoud) en geen recht op maskan (huisvesting) had vastgesteld.
Echter, zowel sommige verzen van de Qur’ān als andere overleveringen van de sunnah, evenals de bezwaren van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en ʿUmar (رضي الله عنه), maken duidelijk dat dit een uitzonderlijke situatie was die alleen voor Fatima bint Qays gold, en dat ook een vrouw die drie keer gescheiden is recht heeft op onderhoud en huisvesting.De woorden van ʿĀʾishah: “Wat is er toch met Fatima? Vreest zij Allāh niet?” waren een reactie op het feit dat Fatima haar persoonlijke, bijzondere situatie tot algemene regel wilde verheffen.] (Diyanet)
٩٤٧ - حديث عَائِشَةَ، وَفَاطِمَةَ بِنْتِ قَيْسٍ قَالَ عُرْوَةُ بْنُ الزُّبَيْرِ لِعَائِشَةَ: أَلَمْ تَرَيْنَ إِلَى فُلاَنَةَ بِنْتِ الْحَكَمِ، طَلَّقَهَا زَوْجُهَا الْبَتَّةَ فَخَرَجَتْ فَقَالَتْ: بِئْسَ مَا صَنَعَتْ قَالَ: أَلَمْ تَسْمَعِي فِي قَوْلِ فَاطِمَةَ قَالَتْ: أَمَا إِنَّهُ لَيْسَ لَهَا خَيْرٌ فِي ذِكْرِ هذَا الْحَدِيثِ947 – Van ʿĀʾishah (رضي الله عنها) en Fāṭimah bint Qays (رضي الله عنها):ʿUrwah ibn az-Zubayr zei tegen ʿĀʾishah: “Heb je niet gezien wat die-en-die, de dochter van al-Ḥakam, gedaan heeft?
Haar echtgenoot heeft haar met een onherroepelijke echtscheiding (ṭalāq bāʾin) verstoten en zij is toen weggegaan (uit haar huis).”Waarop ʿĀʾishah zei: “Wat heeft zij het slecht gedaan.”ʿUrwah zei: “Heb je dan niet gehoord wat Fāṭimah bint Qays hierover heeft gezegd?”Zij (ʿĀʾishah) zei: “Bij Allāh, er zit geen goedheid voor haar in het noemen van die woorden.”
Bovenkant formulier
[Yahyā ibn Saʿīd trouwde met de dochter van ʿAbdurraḥmān ibn Ḥakam en scheidde later van haar.
Vervolgens haalde haar vader haar bij haar (ex-)echtgenoot weg, nog vóór zij de ʿiddah-periode in diens huis voltooid had.[Allāhu تعالى heeft gezegd: أَسۡكِنُوهُنَّ مِنۡ حَيۡثُ سَكَنتُم مِّن وُجۡدِكُمۡ وَلَا تُضَآرُّوهُنَّ لِتُضَيِّقُواْ عَلَيۡهِنَّۚ وَإِن كُنَّ أُوْلَٰتِ حَمۡلٖ فَأَنفِقُواْ عَلَيۡهِنَّ حَتَّىٰ يَضَعۡنَ حَمۡلَهُنَّۚ فَإِنۡ أَرۡضَعۡنَ لَكُمۡ فَـَٔاتُوهُنَّ أُجُورَهُنَّ وَأۡتَمِرُواْ بَيۡنَكُم بِمَعۡرُوفٖۖ وَإِن تَعَاسَرۡتُمۡ فَسَتُرۡضِعُ لَهُۥٓ أُخۡرَىٰ ٦
Laat hen (gedurende de wachttijd) wonen zoals jullie zelf wonen, overeenkomstig jullie middelen, en behandel hen niet op een schadelijke manier, zodat zij verplicht zijn weg te gaan. En als zij zwanger zijn, onderhoudt hen dan tot zij bevallen. En als zij jullie kinderen zogen, geef hun dan hun vergoeding en laat ieder van jullie het advies van de ander op een goede manier accepteren. Maar als jullie het elkaar moeilijk maken, laat dan een andere (vrouw het kind) voor hem zogen. (sûrah at-Ṭalāq: 65/ 6)
Volgens deze āyah zou de hierboven genoemde gescheiden vrouw gedurende haar ʿiddah-periode in het huis van haar echtgenoot moeten verblijven. Toch heeft haar vader haar bij haar echtgenoot weggehaald.Tijdens het leven van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deed zich een soortgelijke situatie voor.
Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf toen toestemming aan een gescheiden vrouw om het huis van haar echtgenoot te verlaten.ʿĀʾishah (رضي الله عنها) bekritiseerde het feit dat de gescheiden vrouw uit de bovengenoemde situatie door haar vader werd weggehaald, en baseerde haar kritiek op āyah 6 van surah at-Ṭalāq. Anderen verwezen echter naar de handelwijze van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) als voorbeeld.Volgens ʿĀʾishah betrof de handelwijze van Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) in die specifieke situatie een bijzondere beschikking, en blijft de algemene regel zoals verwoord in surah at-Ṭalāq: āyah 6 leidend. Daarom zei zij: “Er is geen nut in het aanhalen van de overlevering (de praktijk) over Fāṭimah bint Qays.”] (AFK)
Het einde van de iddah-periode van de vrouw van wie de man is overleden door het baren van het kind
انقضاء عدة المتوفى عنها زوجها وغيرها بوضع الحمل
٩٤٨ - حديث سُبَيْعَةَ بِنْتِ الْحارِثِ: أَنَّهَا كَانَتْ تَحْتَ سَعْدِ بْنِ خَوْلَةَ، وَهُوَ مِنْ بَنِي عَامِرِ بْنِ لُؤَىٍّ، وَكَانَ مِمَّنْ شَهِدَ بَدْرًا، فَتُوُفِّيَ عَنْهَا فِي حَجَّةِ الْوَدَاعِ، وَهِيَ حَامِلٌ فَلَمْ تَنْشَبْ أَنْ وَضَعَتْ حَمْلَهَا بَعْدَ وَفَاتِهِ؛ فَلَمَّا تَعَلَّتْ مِنْ نِفَاسِهَا تَجَمَّلَتْ لِلْخُطَّابِ، فَدَخَلَ عَلَيْهَا أَبُو السَّنَابِلِ بْنُ بَعْكَكٍ، رَجُلٌ مِنْ بَنِي عَبْدِ الدَّارِ؛ فَقَالَ لَهَا: مَا لِي أَرَاكِ تَجَمَّلْتِ لِلْخُطَّابِ تُرَجِّينَ النِّكَاحَ، فَإِنَّكِ، وَاللهِ مَا أَنْتِ بِنَاكِحٍ حَتَّى تَمُرَّ عَلَيْكِ أَرْبَعَةُ أَشْهُرٍ وَعَشْرٌ قَالَتْ سُبَيْعَةُ: فَلَمَّا قَالَ لِي ذلِكَ جَمَعْتُ عَلَيَّ ثِيَابِي حِينَ أَمْسَيْتُ، وَأَتَيْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَسَأَلْتُهُ عَنْ ذَلِكَ، فَأَفْتَانِي بِأَنِّي قَدْ حَلَلْتُ حِينَ وَضَعْتُ حَمْلِي، وَأَمَرَنِي بِالتَّزَوُّجِ إِنْ بَدَا لِي
948 – Van Subayʿah bint al-Ḥārith (رضي الله عنها):Zij (Subay`ah) was de vrouw van Saʿd ibn Khawlah, die tot Banū ʿĀmir ibn Luʾay behoorde en deelnam aan de Slag bij Badr. Hij overleed tijdens de Afscheids-Haj (Ḥajatu’l-Wadāʿ) terwijl zij zwanger was.
Kort na zijn dood beviel zij van hun kind.
Toen zij gereinigd was van haar postnatale bloeding (nifās), maakte zij zich mooi voor de huwelijkskandidaten. Abū as-Sanābil ibn Baʿkak, een man van Banū ʿAbdi’d-Dār, kwam bij haar en zei tegen haar: “Waarom zie ik jou opgemaakt alsof je je hebt versierd voor huwelijkskandidaten? Hoop je op een huwelijk? Bij Allāh, je mag niet hertrouwen totdat er vier maanden en tien dagen zijn verstreken (na het overlijden van je echtgenoot, wanneer je `iddah-periode eindigt)!”Subayʿah zei: “ Toen hij dit tegen mij zei, kleedde ik me ’s avonds aan en ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) om hem hierover te vragen. Toen gaf hij mij fatwā dat ik ḥalāl (vrij) was om te hertrouwen vanaf het moment dat ik bevallen was, en hij beval mij te trouwen als ik dat wenste.”
[Zijn vader, ʿAbdullāh ibn ʿUtbah, schreef een brief aan ʿUmar ibn ʿAbdillāh ibn Arqam az-Zuhrī. In die brief droeg hij hem op om naar Subayʿah, de dochter van al-Ḥāriṯh al-Aslamī, te gaan en aan haar te vragen naar haar overlevering (wat zij aan Rasûllullāh (صلى الله عليه وسلم) had gevraagd en welk antwoord hij (صلى الله عليه وسلم) haar had gegeven).] (AFK)
[‘Iddah (wachttijd) is de periode die een vrouw moet afwachten voordat zij een nieuw huwelijk kan aangaan, na beëindiging van haar huwelijk door scheiding (ṭalāq), ontbinding van het huwelijk (fasḥ) of overlijden van haar echtgenoot.
De iddah is voorgeschreven om de volgende redenen:
Om vast te stellen of de vrouw zwanger is van haar vorige echtgenoot.
Om eerbied te tonen aan een overleden echtgenoot tijdens de overlijdenswachttijd.
Om bij een at-talāqu ar-rij‘ī de echtgenoot de mogelijkheid te geven zijn beslissing te herzien.
Met andere woorden, hoewel de iddah in wezen bedoeld is om vast te stellen of de vrouw zwanger is maar het is niet correct om haar uitsluitend tot dit doel te beperken.
Bij de overlijdenswachttijd moet men het zien als een teken van respect voor de overleden echtgenoot en als uiting van toewijding aan het gezin, aangezien de vrouw van nature gevoeliger is dan de man en sterker aan het huis gebonden.De scheidingswachttijd kan daarentegen worden beschouwd als een maatregel om verkeerde vermoedens in de samenleving te voorkomen en zo de reputatie van de vrouw te beschermen.Daarom kan men niet stellen dat het verstrijken van de wachttijd niet meer nodig is, omdat tegenwoordig via medische methoden vastgesteld kan worden of de vrouw zwanger is of niet.Er zijn twee vormen van iddah :
Overlijdenswachttijd (rouwperiode):Deze geldt voor een vrouw van wie de echtgenoot is overleden.Als zij zwanger is, eindigt haar wachttijd bij de bevalling.
Als zij niet zwanger is, duurt de wachttijd vier maanden en tien dagen.
Een vrouw in een ongeldig huwelijk hoeft geen rouwperiode van vier maanden en tien dagen in acht te nemen.
Indien de man overlijdt terwijl zijn vrouw in een herroepelijke scheidingsperiode (at-talāqu ar-rij‘ī) zit, verandert haar wachttijd in de rouwperiode.
Scheidingswachttijd:Als de vrouw zwanger is, eindigt de wachttijd bij de bevalling.
Als zij niet zwanger is en normale menstruatie heeft, dan bedraagt de wachttijd drie menstruatieperioden.
Volgens de Hanafien Hanbali-wetscholen tellen menstruaties die samenvallen met de scheiding niet mee.
Volgens de Malikien Shafi‘i-wetscholen bestaat de wachttijd uit drie periodes van reinheid. Dit verschil komt voort uit de uitleg van het woord qûru’ in surah al-Baqara 2:228, dat zowel “menstruatie” als “reinheid” kan betekenen.
Voor vrouwen die vanwege jeugd of ouderdom geen menstruatie hebben, bedraagt de wachttijd drie maanden.
De Mâlikîen Shâfi'î-wetscholen interpreteren het woord qûru’in surah al-Baqarah 2:228 als reinheid, terwijl de Hanafîen Hanbelî-wetscholen het opvatten als menstruatie. Dit verschil in interpretatie leidt tot verschillende berekeningen van de wachttijd voor vrouwen die niet menstrueren.
De Mâlikîen Shâfi'î-geleerden rekenen de wachten als drie periodes van reinheid, terwijl de Hanafîen Hanbelî-geleerden het zien als drie menstruatieperioden.] (HA)
٩٤٩ - حديث أُمِّ سَلَمَةَ عَنْ أَبِي سَلَمَةَ، قَالَ: جَاءَ رَجُلٌ إِلَى ابْنِ عَبَّاسٍ وَأَبُو هُرَيْرَةَ جَالِسٌ عِنْدَهُ، فَقَالَ: أَفْتِنِي فِي امْرَأَةٍ وَلَدَتْ بَعْدَ زَوْجِهَا بِأَرْبَعِينَ لَيْلَةً؛ فَقَالَ ابْنُ عَبَّاسٍ: آخِرُ الأَجَلَيْنِ قُلْتُ أَنَا (وَأُولاَتُ الأَحْمَالِ أَجَلُهُنَّ أَنْ يَضَعْنَ حَمْلَهُنَّ) قَالَ أَبُو هُرَيْرَةَ: أَنَا مَعَ ابْنِ أَخِي (يَعْنِي أَبَا سَلَمَةَ) فَأَرْسَلَ ابْنُ عَبَّاسٍ غُلاَمَهُ كُرَيْبًا إِلَى أُمِّ سَلَمَةَ يَسْأَلُهَا فَقَالَتْ: قُتِلَ زَوْجُ سُبَيْعَةَ الأَسْلَمِيَّةِ، وَهِيَ حُبْلَى، فَوَضَعَتْ بَعْدَ مَوْتِهِ بِأَرْبَعِينَ لَيْلَةً، فَخُطِبَتْ، فَأَنْكَحَهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَكَانَ أَبُو السَّنَابِلِ فِيمَنْ خَطَبَهَا949 – Van Ummu Salamah via Abû Salamah (رضي الله عنهما):Er kwam een man naar Ibn ‘ʿAbbās terwijl Abû Hurayrah bij hem zat.De man zei: “Geef mij fatwā over een vrouw die bevallen is na veertig nachten nadat haar echtgenoot was overleden.”
Ibn ʿAbbās antwoordde: “Zij dient te wachten tot het laatste van de twee termijnen (afgelopen is).”
Ik (de overlever) zei: (Allāh zegt):
وَأُوْلَٰتُ ٱلۡأَحۡمَالِ أَجَلُهُنَّ أَن يَضَعۡنَ حَمۡلَهُنَّ… ٤
…
En voor degenen die zwanger zijn (of zij nu van hun echtgenoot gescheiden zijn of dat hij overleden is) geldt de wachttijd tot zij bevallen zijn… (sûrah at-Ṭalāq (65:4)(Ibn ʿAbbās bedoelde: dit vers geldt pas als dit later is dan vier maanden en tien dagen.)
Toen zei Abū Hurayrah: “Ik ben het met mijn neef eens.” (Daarmee bedoelde hij Abū Salamah).
Daarop stuurde Ibn ʿAbbās zijn dienaar Kurayb naar Ummu Salamah om haar hierover te vragen. Zij antwoordde: “De echtgenoot van Subayʿah al-Aslamiyyah was gedood, terwijl zij zwanger was. Na zijn dood beviel zij na veertig nachten. Vervolgens werd zij ten huwelijk gevraagd en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) liet haar huwen. Abū as-Sanābil was een van degenen die haar ten huwelijk vroeg.”
Het is verplicht dat de vrouw van wie de man is overleden rouwt tijdens de `iddah-periode, en buiten dat is het verboden om meer dan drie dagen te rouwen
وجوب الإحداد في عدة الوفاة، وتحريمه في غير ذلك إِلا ثلاثة أيام
٩٥٠ - حديث أُمِّ حَبِيبَة زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، وَزْيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ، وَأُمِّ سَلَمَةَ، وَزَيْنَبَ ابْنَةِ أَبِي سَلَمَةَ قَالَتْ زَيْنَبُ: دَخَلْتُ عَلَى أُمِّ حَبِيبَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، حِينَ تُوُفِّيَ أَبُوهَا، أَبُو سُفْيَانَ بْنُ حَرْبٍ، فَدَعَتْ أُمُّ حَبِيبَةَ بِطِيبٍ فِيهِ صُفْرَةٌ، خَلُوقٌ أَوْ غَيْرُهُ، فَدَهَنَتْ مِنْهُ جَارِيَةً، ثُمَّ مَسَّتْ بِعَارِضَيْهَا، ثُمَّ قَالَتْ: وَاللهِ مَالِي بِالطِّيبِ مِنْ حَاجِةٍ، غَيْرَ أَنِّي سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ لاَ يَحِلُّ لاِمْرَأَةٍ تُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمِ الآخِرِ أَنْ تُحِدَّ عَلَى مَيِّتٍ فَوْقَ ثَلاَثِ لَيَالٍ إِلاَّ عَلَى زَوْجٍ، أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَعَشْرًا
قَالَتْ زَيْنَبُ: فَدَخَلْتُ عَلَى زَيْنَبَ ابْنَةِ جَحْشٍ، حِينَ تُوُفِّيَ أَخُوهَا، فَدَعَتْ بِطِيبٍ فَمَسَّتْ مِنْهُ، ثُمَّ قَالَتْ: أَمَا وَاللهِ مَالِي بِالطِّيبِ مِنْ حَاجَةٍ، غَيْرَ أَنِّي سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَقُولُ عَلَى الْمِنْبَرِ لاَ يَحِلُّ لاِمْرَأَةٍ تُؤْمِنُ بِاللهِ وَالْيَوْمَ الآخِرِ أَنْ تُحِدَّ عَلَى مَيِّتٍ فَوْقَ ثَلاَثٍ لَيَالٍ إِلاَّ عَلَى زَوْجٍ أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَعَشْرًا
قَالَتْ زَيْنَبُ: وَسَمِعْتُ أُمَّ سَلَمَةَ تَقُولُ: جَاءَتِ امْرَأَةٌ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ ابْنَتِي تُوُفِّيَ عَنْهَا زَوْجُهَا، وَقَدِ اشْتَكَتْ عَيْنُهَا، أَفَتَكْحُلُهَا فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لاَ مَرَّتَيْنِ أَوْ ثَلاَثًا، كُلُّ ذَلِكَ يَقُولُ: لاَ ثُمَّ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: إِنَّمَا هِيَ أَرْبَعَةُ أَشْهُرٍ وَعَشْرٌ، وَقَدْ كَانَتْ إِحْدَاكُنَّ فِي الْجَاهِلَيَّةِ تَرْمِي بِالْبَعَرَةِ علَى رَأْسِ الْحَوْلِ
قَالَ حُمَيْدٌ (الرَّاوِي عَنْ زَيْنَبَ) فَقُلْتُ لِزَيْنَبَ: وَمَا تَرْمِي بِالْبَعَرَةِ عَلَى رَأْسِ الْحَوْلِ فَقَالَتْ زَيْنَبُ: كَانَتِ الْمَرْأَةُ إِذَا تُوُفِّيَ عَنْهَا زَوْجُهَا، دَخَلَتْ حِفْشًا وَلَبِسَتْ شَرَّ ثِيَابِهَا، وَلَمْ تَمَسَّ طِيبًا حَتَّى تَمُرَّ بِهَا سَنَةٌ ثُمَّ تُؤْتَى بِدَابَّةٍ، حِمَارٍ، أَوْ شَاةٍ، أَوْ طَائِرٍ فَتَفْتَضُّ بِهِ، فَقَلَّمَا تَفْتَضُّ بِشَيْءٍ إِلاَّ مَاتَ، ثُمَّ تَخْرُجُ فَتُعْطَى بَعَرَةً فَتَرْمِي، ثُمَّ تُرَاجِعُ بَعْدُ مَا شَاءَتْ مِنْ طِيبٍ أَوْ غَيْرِهِ
سُئِلَ مَالِكٌ (أَحَدُ رِجَالِ السَّنَدِ) مَا تَفْتَضُّ بِهِ قَالَ: تَمْسَحُ بِهِ جِلْدَهَا
950- Van Umm Ḥabībah, de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم), en Zaynab bint Jaḥsh en Umm Salamah Zaynab bint Abī Salamah (رضي الله عنهم):
Zaynab zei: “Ik bezocht Ummu Ḥabībah de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen haar vader, Abū Sufyān ibn Ḥarb, was overleden. Ummu Ḥabībah riep om een geurige olie waarin iets geels zat, het was een geurende zalf of parfum van saffraan en muskus of iets dergelijks, en ze wreef het op een dienstmeisje, waarna ze het ook op haar eigen wangen aanbracht (dus zichzelf een beetje parfumeerde)”.
Toen zei ze: “Bij Allāh, ik heb geen behoefte aan parfum, maar ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: ‘Het is een gelovige vrouw, die in Allāh en de Laatste Dag gelooft, niet toegestaan om langer dan drie nachten te rouwen om een overledene, behalve voor haar echtgenoot, dat is vier maanden en tien dagen.’Zaynab (bint Abū Salamah) vervolgde: “Daarna bezocht ik Zaynab bint Jaḥsh toen haar broer was overleden. Ook zij riep om parfum, en gebruikte het. Toen zei ze: “Bij Allāh, ik heb geen behoefte aan parfum, maar ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op de minbar zeggen:“Het is een vrouw, die in Allāh en de Laatste Dag gelooft, niet toegestaan om langer dan drie nachten te rouwen om een overledene, behalve voor haar echtgenoot, dat is vier maanden en tien dagen.’Zaynab zei verder: “En ik hoorde Ummu Salamah zeggen: “Een vrouw kwam naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zei: “O Rasûlullāh, de echtgenoot van mijn dochter is overleden en haar oog doet pijn; mag ze kohl (oog make-up) gebruiken?”Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) antwoordde tweemaal of driemaal: “Nee!”, en hij bleef telkens zeggen: “Nee!”Daarna zei hij: “De wachttijd voor de vrouw bedraagt vier maanden en tien dagen. Vroeger, in de tijd van jāhiliyyah, gooide iemand van jullie aan het einde van het jaar dierenmest (als symbool van beëindiging van de rouwperiode).”Ḥumayd, de overleveraar van Zaynab, zei: “Ik vroeg aan Zaynab:”Wat betekent dat ze dierenmest aan het einde van het jaar gooide?’Zij antwoordde: “Wanneer de echtgenoot van een vrouw stierf, trok zij zich terug in een hut, droeg haar slechtste kleding en raakte geen parfum aan totdat het jaar voorbij was. Vervolgens werd er een dier bij haar gebracht, een ezel, een geit of een vogel, en zij wreef haar lichaam ermee af (als rituele zuivering). Zelden gebeurde het dat het dier daarna niet stierf.
Daarna kwam zij naar buiten, kreeg een mestbal van een kameel aangereikt en gooide die weg. Pas daarna kon zij zich weer parfumeren of doen wat zij wilde.”Er werd aan Mālik, een van de overleveraars, gevraagd: “Wat betekent: zij wreef zich ermee af?”Hij zei: “Zij streek het over haar huid.”
٩٥١ - حديث أُمِّ عَطِيَّةَ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَتْ: كُنَّا نُنْهَى أَنْ نُحِدَّ عَلَى مَيِّتٍ فَوْقَ ثَلاَثٍ، إِلاَّ عَلَى زَوْجٍ أَرْبَعَةَ أَشْهُرٍ وَعَشْرًا، وَلاَ نَكْتَحِلَ وَلاَ نَتَطَيَّبَ، وَلاَ نَلْبَسَ ثَوْبًا مَصْبُوغًا إِلاَّ ثَوْبَ عَصْبٍ، وَقَدْ رُخِّصَ لَنَا عِنْدَ الطُّهْرِ، إِذَا اغْتَسَلَتْ إِحْدَانَا مِنْ مَحِيضِهَا فِي نُبْذَةٍ مِنْ كُسْتِ أَظْفَارٍ951 - Van Ummu ʿAtiyyah (رضي الله عنها): Van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم): Ummu `Atiyyah zei: “Wij werden verboden om langer dan drie nachten te rouwen over een overledene, behalve voor de echtgenoot, dan is het vier maanden en tien dagen. En wij mochten geen kohl (oog make-up) aanbrengen, geen geurige oliën gebruiken, en geen gekleurde kleding dragen behalve een doek van aswad (donkere kleur).Maar het was ons toegestaan, zodra een van ons klaar was met haar menstruatie, om te baden en daarbij een beetje van een mengsel van ‘buhur’ te gebruiken.