As-Siddieq — Kenniscentrum Islam

Kitabu’t Tawbah: Boek over berouw

Onderwerp: Hadith

Lees dit boek in de online lezer

Kitabu’t Tawbah: Boek over berouw

[ In de Islām heeft tawbah twee aspecten: één vanuit Allah en één vanuit de dienaar. Berouw vanuit het perspectief van Allah betekent het vergeven en kwijtschelden van het begane kwaad, de gepleegde zonde of de fout. Vanuit het perspectief van de dienaar betekent het zich bewust zijn van de begane fout of zonde. De foute handeling verlaten en zich tot Allah wenden; dat wil zeggen: zich houden aan Zijn geboden en zich onthouden van wat Hij verboden heeft. Terwijl men tot Allah wendt, Hem om vergeving en kwijtschelding vraagt, berouw toont over wat men heeft gedaan en alleen tot Hem smeekt. Tawbah begint dus met het erkennen dat de daad zondig of fout was en dat een overtreding is begaan. Vanuit dit perspectief behoort tawbah als aanbidding uitsluitend aan onze Rab te worden toegewijd.Daarom is de tawbah die voldoet aan de voorwaarden, tegelijkertijd een daad van aanbidding voor Allah. Omdat aanbidding die aan de voorwaarden geaccepteerd wordt, geldt hetzelfde voor tawbah.Degenen die in Allah geloven mogen, of zij nu bewust of onbewust zonden begaan, niet aarzelen om onmiddellijk tot Allah te keren en tawbah te verrichten. Uit de relevante verzen en aḥadīth blijkt dat Allah oprechte en aan de voorwaarden voldane tawbah aanvaardt en Zijn dienaren vergeeft. Allah houdt van degenen die zich berouwvol tot Hem keren na hun zonden, want voor zondaars is er geen toevlucht dan in de genade, vergeving en vrijgevigheid van Allah. Gelovigen mogen dus niet bang zijn om tawbah te doen, ongeacht de grootte van hun zonden, en moeten onmiddellijk hun Rab aanroepen.Het is duidelijk dat tawbah onmiddellijk na het begaan van een zonde moet plaatsvinden; het verzet tegen de geboden en verboden van Allah, hoe klein dan ook, kan het geloof aantasten. Door onmiddellijk tawbah te doen, herinnert de dienaar zich Allah en versterkt hij zijn geloof.Zoals onze Rab zegt:

وَٱلَّذِينَ إِذَا فَعَلُواْ فَٰحِشَةً أَوۡ ظَلَمُوٓاْ أَنفُسَهُمۡ ذَكَرُواْ ٱللَّهَ فَٱسۡتَغۡفَرُواْ لِذُنُوبِهِمۡ وَمَن يَغۡفِرُ ٱلذُّنُوبَ إِلَّا ٱللَّهُ وَلَمۡ يُصِرُّواْ عَلَىٰ مَا فَعَلُواْ وَهُمۡ يَعۡلَمُونَ ١٣٥

En degenen die, als zij een zedeloosheid begaan hebben, of zichzelf kwaad hebben aangedaan, daarna Allah gedenken en om vergeving voor hun zonden vragen – en wie kan zonden vergeven behalve Allah?

En zij volharden niet in wat zij deden, terwijl zij (het) weten. (surah Âl-i İmrân, 3/135).

en

إِنَّمَا ٱلتَّوۡبَةُ عَلَى ٱللَّهِ لِلَّذِينَ يَعۡمَلُونَ ٱلسُّوٓءَ بِجَهَٰلَةٖ ثُمَّ يَتُوبُونَ مِن قَرِيبٖ فَأُوْلَٰٓئِكَ يَتُوبُ ٱللَّهُ عَلَيۡهِمۡۗ وَكَانَ ٱللَّهُ عَلِيمًا حَكِيمٗا ١٧

En Allah accepteert slechts het berouw van degenen die in onwetendheid of in dwaasheid zondigen en snel daarna berouw tonen; hen zal Allah vergeven, en Allah is voor altijd de Alwetende, de Alwijze. (surah Nisa, 4/17 )

Wat betreft de voordelen en wijsheden van het onmiddellijk tonen van berouw na het begaan van een zonde en het niet volharden daarin zijn: De dienaar, die door zijn zonden Allah vergat, herinnert zich Allah opnieuw en voert Zijn geboden uit, vermijdt Zijn verboden. Met dit bewustzijn heeft hij zijn geloof in Allah opnieuw versterkt en is hij begonnen de daden en gedragingen te verrichten die uit dit geloof voortvloeien.Ten tweede wordt de dienaar, wanneer hij zijn begane zonden overdenkt, bevrijd van het verder zondigen doordat hij, in plaats van te vervallen in wanhoop bij de gedachte ‘ik ben een slechte dienaar van Allah’, een nieuw gevoel van hoop en geloof ontwikkelt; met die hernieuwde toewijding wendt hij zich nauwer tot zijn Rab, spant zich sterk in om Zijn geboden na te leven en onthoudt zich zorgvuldig van wat Hij verboden heeft.Want de mens leeft voort dankzij zijn hoop en dromen die op de toekomst gericht zijn.

Wanneer deze hoop en dromen worden verwoest, wordt het voor een mens steeds moeilijker om zijn leven voort te zetten onder de verschillende zorgen en moeilijkheden van de wereld; daarom schaadt hij ofwel voortdurend anderen, ofwel maakt hij een einde aan zijn eigen leven. Het is algemeen bekend dat hoop en geloof tot de belangrijkste factoren behoren die mensen met het leven verbinden.Zo herwint de berouwvolle persoon zijn verloren hoop en geloof, waardoor hij zich opnieuw met het leven verbindt. Hij leert, afhankelijk van de omstandigheden, geduldig te zijn bij tegenspoed en voorspoed en tracht in elk opzicht van nut te zijn voor anderen.

Zoals onze Rab zegt:أُوْلَٰٓئِكَ جَزَآؤُهُم مَّغۡفِرَةٞ مِّن رَّبِّهِمۡ وَجَنَّٰتٞ تَجۡرِي مِن تَحۡتِهَا ٱلۡأَنۡهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَاۚ وَنِعۡمَ أَجۡرُ ٱلۡعَٰمِلِينَ ١٣٦

Hiervoor is de beloning vergeving van hun Heer en Tuinen (het Paradijs) waar rivieren onderdoor stromen, waarin zij voor altijd zullen verblijven. Hoe uitmuntend is de beloning voor degenen die goede daden verrichten in overeenstemming met de geboden van Allah. (surah Al-i İmrân, 3/136 )] (HA)

Aanmoediging tot berouw en de vreugde die na het berouw wordt gevoeld

في الحض على التوبة والفرح بها

١٧٤٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، قَالَ: قَالَ النَّبِيُّ ﷺ: يَقُولُ اللهُ تَعَالَى: أَنَا عِنْدَ ظَنِّ عَبْدِي بِي وَأَنَا مَعَهُ إِذَا ذَكَرَنِي فَإِنْ ذَكَرَنِي فِي نَفْسِهِ، ذَكَرْتُهُ فِي نَفْسِي وَإِنْ ذَكَرَنِي فِي ملإٍ، ذَكَرْتُهُ فِي مَلإٍ خَيْرٍ مِنْهُمْ وَإِنْ تَقَرَّبَ إِلَيَّ بِشِبْرٍ، تَقَرَّبْتُ إِلَيْهِ ذِرَاعًا وَإِنْ تَقَرَّبَ إِلَيَّ ذِرَاعًا، تَقَرَّبْتُ إِلَيْهِ بَاعًا وَإِنْ أَتَانِي يَمْشِي، أَتَيْتُهُ هَرْوَلَةً

1746 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:An-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: Allahu تعالى zegt:“Ik ben zoals Mijn dienaar over Mij denkt, en Ik ben met hem wanneer hij Mij gedenkt.Als hij Mij in zichzelf gedenkt, dan gedenk Ik hem in Mijzelf (Dzāt).En als hij Mij in een gemeenschap gedenkt, dan gedenk Ik hem in een betere gemeenschap dan die van hem.En als hij zich tot Mij nadert met een handspan, dan nader Ik hem met een el.En als hij zich tot Mij nadert met een el, dan nader Ik hem met een armlengte.En als hij naar Mij toe komt lopend, dan kom Ik naar hem toe rennend.”١٧٤٧ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: للهُ أَفْرَحُ بِتَوْبَةِ عَبْدِهِ، مِنْ رَجُلٍ نَزَلَ مَنْزِلًا، وَبِهِ مَهْلَكَةٌ، وَمَعَهُ رَاحِلَتُهُ، عَلَيْهَا طَعَامُهُ وَشَرَابُهُ فَوَضَعَ رَأْسَهُ، فَنَامَ نَوْمَةً، فَاسْتَيْقَظَ، وَقَدْ ذَهَبَتْ رَاحِلَتُهُ حَتَّى اشْتَدَّ عَلَيْهِ الْحَرُّ وَالْعَطَشُ، أَوْ مَا شَاءَ اللهُ، قَالَ: أَرْجِعُ إِلَى مَكَانِي فَرَجَعَ، فَنَامَ نَوْمَةً، ثُمَّ رَفَعَ رَأْسَهُ، فَإِذَا رَاحِلَتُهُ عِنْدَهُ1747 - Van `Abdullah ibn Mas'ud رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh is blijer met het berouw (tawbah) van Zijn dienaar dan de blijdschap van een man (die op reis is).

Hij is met zijn rijdier waarop zijn proviand (eten en drinken) is. Hij heeft halt gehouden op een verlaten en angstaanjagende plek waar niemand anders aanwezig was, en is daar in slaap gevallen.Wanneer hij wakker wordt, merkt hij dat zijn rijdier (met zijn eten en drinken) verdwenen is. Hij raakt in paniek door de hitte en dorst en vanwege andere zaken die Allah wenst, en zegt tegen zichzelf (nadat hij het zoeken naar zijn kameel heeft opgegeven): 'Ik ga terug naar mijn plek (waar ik halt hield).' Hij keert terug, legt zich weer neer en slaapt. Wanneer hij zijn hoofd opheft, vindt hij ineens zijn rijdier terug.”[In de ḥadīth uit Sahih Muslim van Anas رضي الله عنه staat de volgende aanvulling: “De man zei, uit extreme vreugde: 'O Allāh, U bent mijn dienaar en ik ben Uw heer.’Deze ḥadīth wijst op een van de fundamentele regels van de Islām: In gevallen van extreme vreugde of woede, wordt de persoon niet veroordeeld voor de woorden die hij per vergissing uitspreekt. Daarom wordt iemand niet als een ongelovige beschouwd vanwege de uitspraak “U bent mijn dienaar, en ik ben Uw heer,” als zijn intentie niet zo bedoeld is. Het is bekend dat mensen onder invloed van woede of andere intense emoties in gevaarlijke situaties kunnen terechtkomen zonder dat dit de werkelijkheid van hun geloof of daden verandert. Zo is men niet gescheiden van zijn vrouw (talâq) in geval van woede. Hetzelfde geldt voor oordeel van afvalligheid (irtidâd). Wanneer we de vreugde van een mens koppelen aan de goddelijke grootsheid en aanbidding van Allāh, wordt het belang van die vreugde duidelijker.Allahu تعالى heeft de schepselen slechts geschapen om Hem te aanbidden, wat liefde, overgave en gehoorzaamheid aan Hem inhoudt. De ware reden voor de schepping van de hemelen en de aarde is deze aanbidding. Het doel van de schepping en het bevel is om ons dichter bij Hem te brengen. Allāh houdt zeker van degenen die zich vaak tot Hem wenden in berouw en zich voortdurend reinigen. Deze liefde voor Allāh veroorzaakt een vreugde die groter is dan enige andere vreugde die een mens kan ervaren. Als er een grotere vreugde zou kunnen zijn dan degene die door Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in de voorgaande ḥadīth werd aangegeven, zou Allāh het ongetwijfeld aan ons hebben geopenbaard. De vreugde van een mens die zijn verloren levensmiddelen terugvindt na het verloren te hebben, is niet groter dan de vreugde die Allāh voelt bij het berouw van een dienaar.

De vreugde van Allāh door de berouw van Zijn dienaar is, in feite, zelfs groter dan die van een persoon die iets waardevols terugvindt na het verloren te hebben.] (HY)

١٧٤٨ - حديث أَنَسٍ ﵁، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: اللهُ أَفْرَحُ بِتَوْبَةِ عَبْدِهِ مِنْ أَحَدِكُمْ، سَقَطَ عَلَى بَعِيرِهِ، وَقَدْ أَضَلَّهُ فِي أَرْضٍ فَلاَةٍ1748 - Van Anas ibn Mālik, رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Allāh is meer verheugd over de berouwvolle terugkeer (tawbah) van Zijn dienaar, dan iemand van jullie die zijn kameel terugvindt nadat hij die verloren was in een (uitgestrekte, dorre) woestijn.”

De oneindige omvang van de barmhartigheid van Allahu تعالى en dat Zijn barmhartigheid Zijn toorn heeft overtroffen

في سعة رحمة الله تعالى وأنها سبقت غضبه

١٧٤٩ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: لَمَّا قَضَى اللهُ الْخَلْقَ، كَتَبَ فِي كَتَابِهِ، فهُوَ عِنْدَهُ، فَوْقَ الْعَرْشِ، إِنَّ رَحْمَتِي غَلَبَتْ غَضَبِي

1749 – Van Abû Hurayrah, رضي الله عنه: Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Toen Allāh de schepselen had geschapen, schreef Hij in Zijn Boek dat zich boven de Troon (al `Arsh) bevindt: 'Voorwaar, Mijn genade (rahmah) heeft Mijn woede (ghadab) overwonnen.'

[Het is verplicht om in de eigenschappen van Allāh te geloven zonder enige vervorming, zonder ze te vergelijken met de eigenschappen van de schepselen. Zoals Imām al-Mālik zei in zijn beroemde uitspraak: “Een man vroeg me naar de betekenis van het woord 'istiwā' in de āyah:ٱلرَّحۡمَٰنُ عَلَى ٱلۡعَرۡشِ ٱسۡتَوَىٰ ٥

'De Meest Barmhartige, Die op de Troon (al `Arsh) zetelt. (sûrah Taha 5).Hij antwoordde: 'Istiwā is bekend, maar de manier waarop het gebeurt is onbekend. Het is verplicht om erin te geloven en vragen erover te stellen is een innovatie (bid`ah).'Wat betreft de eigenschap van istiwā, Allahu تعالى heeft Zichzelf hiermee geprezen in zeven plaatsen in de Qur’ān. Het is verplicht om dit te begrijpen en te bevestigen, en het ontkennen ervan is ongeloof (kufr). Niemand anders dan Allāh weet de manier waarop istiwā plaatsvindt, net zoals niemand anders dan Allāh weet hoe Zijn eigenschappen van istiwā is. Hetzelfde geldt voor andere eigenschappen van Allāh: al yad, al `ayn etc.Het kennen en bevestigen van de Namen en Eigenschappen van Allāh is een religieuze noodzaak; het is de fundamentele basis van de Islām en de essentie van de tawhīd. Omdat het kennen van Allāh door Zijn mooie Namen en verheven Eigenschappen de hoogste wetenschap is en het hoogste doel is. Alleen op basis van deze kennis kan een ware īmān en zuivere tawhīd worden opgebouwd. Geloof zonder kennis is ondenkbaar en kan niet bestaan. De kennis van de eigenschappen van Allāh is de basis van het geloof.

Ongetwijfeld is de eenheid van de Namen en Eigenschappen van Allāh breder en vollediger dan de eenheid van Zijn goddelijkheid (Ulūhiyyah) en Zijn Heerschappij (Rubūbiyyah). Het weten dat Allāh de enige ware God is, dat aanbidding alleen aan Hem toebehoort en dat deze gericht moet zijn op Hem, is een onderdeel van Zijn Namen en Eigenschapen. Evenzo is het geloof in Zijn Rab zijn, dat Hij alles heeft geschapen en het uit het niets heeft voortgebracht, en dat Hij de vormen van de schepselen heeft bepaald, een onderdeel van de eenheid van Zijn Namen en Eigenschappen.] (HY)

١٧٥٠ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، قَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: جَعَلَ اللهُ الرَّحْمَةَ مَائَةَ جُزْءٍ فَأَمْسَكَ عِنْدَهُ تِسْعَةً وَتِسْعِينَ جُزْءًا وَأَنْزَلَ فِي الأَرْضِ جُزْءًا وَاحِدًا فَمِنْ ذلِكَ الْجُزْءِ يَتَرَاحَمُ الْخَلْقُ، حَتَّى تَرْفَعَ الْفَرَسُ حَافِرَهَا عَنْ وَلَدِهَا، خَشْيَةَ أَنْ تُصِيبَهُ1750 - Van Abû Hurayra رضي الله عنه: Ik hoorde dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Allāh heeft de barmhartigheid/genade (rahmah) in honderd delen verdeeld. Hij heeft negenennegentig delen bij Zichzelf gehouden en één deel op aarde neergezonden. Van dat ene deel tonen de schepselen elkaar barmhartigheid jegens elkaar. Zelfs een merrie tilt uit angst haar poot op (tijdens het zogen), uit vrees haar veulen pijn te doen, dankzij deze barmhartigheid.'

[De liefdevolle en barmhartige gedragingen die wij tussen de schepselen op aarde waarnemen, blijken slechts het resultaat te zijn van een uiterst klein deel, één procent, van de oneindige barmhartigheid van de Allah. Dat Zijn grenzeloze barmhartigheid in honderd delen is verdeeld, zoals an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) ons heeft meegedeeld, dient om ons hierover een voorstelling te kunnen geven. Als één procent de bron is van alle mededogen, liefde en genegenheid op aarde, dan kun je je voorstellen hoe groot de manifestatie van honderd procent van Zijn barmhartigheid zal zijn in het Hiernamaals: een reden tot hoop en vreugde, en zeker niet tot wanhoop. Deze ḥadīth benadrukt dat er geen grens is aan de barmhartigheid van Allah.. Daarom vormt de mogelijkheid om in het Hiernamaals de volle omvang van die barmhartigheid te ontmoeten, waarvan de mens in dit leven slechts één procent deelt, een bron van grote hoop en zekerheid voor de mens.] (HA)

١ - حديث عُمَرَ بْنِ الْخَطَّابِ ﵁، قَالَ: قَدِمَ عَلَى النَّبِيِّ ﷺ سَبْيٌ، فَإِذَا امْرَأَةٌ مِن السَّبْيِ قَدْ تَحْلُبُ ثَدْيَهَا، تَسْقِي إِذَا وَجَدَتْ صَبِيًّا فِي السَّبْيِ، أَخَذَتْهُ، فَأَلْصَقَتْهُ بِبَطْنِهَا وَأَرْضَعَتْهُ فَقَالَ لَنَا النَّبِيُّ ﷺ: أَتَرَوْنَ هذِهِ طَارِحَةً وَلَدَهَا فِي النَّارِ قلْنَا: لاَ وَهِيَ تَقْدِرُ عَلَى أَنْ لاَ تَطْرَحَهُ فَقَالَ: للهُ أَرْحَمُ بِعِبَادِهِ، مِنْ هذِهِ بِوَلَدِهَا1751 - Van `Umar ibn al-Khattab رضي الله عنه: Er kwam een groep krijgsgevangenen (uit de clan van Hawazin) naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم). Hij zag een vrouw onder de gevangenen. (Ze was haar baby kwijt). Ze maakte haar borst leeg om een kind te voeden. Toen ze haar eigen kind vond onder de gevangenen, nam ze het en plaatste het tegen haar borst om het te voeden. Toen zei an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) tegen ons: 'Denken jullie dat deze vrouw haar kind in het vuur zal gooien?'We zeiden: 'Neen, zij is toch niet in staat om haar kind van zich af te werpen (zij probeert, zoveel als haar kracht reikt), haar kind tegen het vuur te beschermen?”Toen zei hij: 'Allāh is barmhartiger voor Zijn dienaren dan deze (vrouw) voor haar kind.'

١٧٥٢ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ، أَنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ، قَالَ: قَالَ رَجُلٌ لَمْ يَعْمَلْ خَيْرًا قَطُّ: فَإِذَا مَاتَ، فَحَرِّقُوهُ، وَاذْرُوا نِصْفَهُ فِي الْبَرِّ، وِنِصْفَهُ فِي الْبَحْرِ فَوَاللهِ لَئِنْ قَدَرَ اللهُ عَلَيْهِ، لَيُعَذِّبَنَّهُ عَذَابًا، لاَ يُعَذِّبُهُ أَحَدًا مِنَ الْعَالَمِينَ فَأَمَرَ اللهُ الْبَحْرَ، فَجَمَعَ مَا فِيهِ وَأَمَرَ الْبَرَّ فَجَمَعَ مَا فِيهِ ثُمَّ قَالَ: لِمَ فَعَلْتَ قَالَ: مِنْ خَشْيَتِكَ، وَأَنْتَ أَعْلَمُ فَغَفَرَ لَهُ1752 - Van Abû Hurayrah, رضي الله عنه:Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: “Een man zei (tegen zijn familie): ‘Ik heb nooit iets goeds gedaan. Als ik sterf, verbrand mij dan, en strooi de helft van mijn as op het land en de andere helft in de zee. Bij Allāh, als Allāh in staat is om me te straffen, zal Hij me een straf geven die niemand anders in de wereld zal ontvangen.' (Na zijn dood wordt zijn wens uitgevoerd door zijn familie). Toen beval Allāh de zee en zij bracht (de as) bijeen wat erin was. En Hij beval het land en het bracht bijeen wat erin was. Daarna zei Hij: ‘Waarom heb je dit gedaan?’De man zei: ‘Uit vrees voor U en U weet het het beste.’Toen vergaf Hij hem.”

١٧٥٣ - حديث أَبِي سَعِيدٍ الْخُدْرِيِّ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ: أَنَّ رَجُلًا كَانَ قبْلَكُمْ رَغسَهُ اللهُ مَالًا فَقَالَ لِبَنِيهِ لَمَّا حُضِرَ: أَيَّ أَبٍ كُنْتُ لَكُمْ قَالُوا: خَيْرَ أَبٍ قَالَ: فَإِنِّي لَمْ أَعْمَلْ خَيْرًا قَطُّ فَإِذَا مُتُّ فَأَحْرِقُونِي، ثُمَّ اسْحَقُونِي، ثُمَّ ذَرُّونِي فِي يَوْمٍ عَاصِفٍ فَفَعَلُوا فَجَمَعَهُ اللهُ ﷿، فَقَالَ: مَا حَمَلَكَ قَالَ: مَخَافَتُكَ فَتَلَقَّاهُ بِرَحْمَتِه

1753 - Van Abû Sa`īd, رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was een man vóór jullie die Allāh had begunstigd met bezittingen (rijkdom). Toen zijn dood naderde, zei hij tegen zijn zonen: ‘Wat voor een vader ben ik voor jullie geweest?’ (Heb ik mijn vaderlijke plicht vervuld?)Ze zeiden: ‘De beste vader.’Hij zei: ‘Ik heb echter nooit iets goeds gedaan. Wanneer ik sterf, verbrand mij dan, vermaal mijn lichaam dan tot stof, en strooi mijn as op een stormachtige dag in de lucht.’Ze deden wat hij gevraagd had. Toen verzamelde Allāh (عز وجل) (zijn as) en zei: ‘Wat heeft jou ertoe aangezet (dit te doen)?’Hij zei: ‘Mijn vrees voor Uw (bestraffing)!’Toen heeft Allāh (عز وجل) hem met Zijn barmhartigheid ontvangen.”

Al worden de zonden en berouw herhaald, zal het berouw vanwege een zonde worden geaccepteerd

قبول التوبة من الذنوب وإِن تكررت الذنوب والتوبة

١٧٥٤ - حديث أَبِي هرَيْرَةَ قَالَ: سَمِعْت النَّبِيَّ ﷺ، قَالَ: إِنَّ عَبْدًا أَصَاب ذَنْبًا، وَرُبَّمَا قَالَ، أَذْنَبَ ذَنْبًا فَقَالَ: رَبِّ أَذْنَبْتُ وَرُبَّمَا قَالَ: أَصَبْتُ فَاغْفِرْ لِي فَقَالَ رَبُّهُ: أَعَلِمَ عَبْدِي أَنَّ لَهُ رَبا يَغْفِرُ الذَّنْبَ وَيَأْخُذ بِهِ غَفَرْتُ لِعَبْدِي ثُمَّ مَكَثَ مَا شَاءَ اللهُ ثُمَّ أَصَابَ ذَنْبًا، أَوْ أَذْنَبَ ذَنْبًا فَقَالَ: رَبِّ أَذْنَبْتُ، أَوْ أَصَبْتُ آَخَرَ فَاغْفِرْهُ فَقَالَ: أَعَلِمَ عَبْدِي أَنَّ لَهُ رَبًّا يَغْفِرُ الذَّنْبَ، وَيَأْخُذُ بِهِ غَفَرْتُ لِعَبْدِي ثُمَّ مَكَثَ مَا شَاءَ اللهُ ثُمَّ أَذْنَبَ ذَنْبًا وَرُبَّمَا قَالَ: أَصَابَ ذَنْبًا قَالَ: قَالَ رَبِّ أَصَبْتُ أَوْ أَذْنَبْتُ آخَرَ فَاغْفِرْهُ لِي فَقَالَ: أَعَلِمَ عَبْدِي أَنَّ لَهُ رَبًّا يَغْفِرُ الذَّنْبَ وَيَأْخُذُ بِهِ غَفَرْتُ لِعَبْدِي ثَلاَثًا فَلْيَعْمَلْ مَا شَاءَ

1754 - Van Abū Hurayrah رضي الله عنه: an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was een dienaar die een zonde beging, (en soms zei hij): ‘Ik heb een zonde begaan,’ (m.a.w. een zonde begaan bewust of onbewust en zijn zonde erkent en smeekt) zeggende: ‘O mijn Rab, ik heb (bewust of onbewust) een zonde begaan, vergeef me.’ Omdat Mijn dienaar weet dat hij een Rab heeft Die, als Hij wil, vergeeft en als Hij wil, straft, heb Ik hem vergeven.

Vervolgens leefde de dienaar nog een tijdje langer, zolang als Allah wenste. Daarna beging hij opnieuw een zonde en zei: ‘O mijn Rab, ik heb weer een zonde begaan, vergeef mij.’ Allah zei daarop: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft Die, als Hij wil, vergeeft en als Hij wil, straft?’ Vervolgens zei Allah: ‘Omdat hij dat weet, heb Ik Mijn dienaar vergeven.’ Opnieuw leefde de dienaar zolang als Allah het bepaalde, en daarna zondigde hij weer en zei: ‘O mijn Rab, ik heb weer gezondigd, vergeef mij.’ Allah zei opnieuw: ‘Weet Mijn dienaar dat hij een Rab heeft Die, als Hij wil, vergeeft en als Hij wil, straft? Ik heb Mijn dienaar drie keer vergeven. Daarom, als hij zonden blijft begaan, weet Mijn dienaar berouw te tonen laat hem doen wat hij maar wil.”

[De uitdrukking “Daarom, als hij zonden blijft begaan…..” betekent niet dat de dienaar daarmee een zekere toegeeflijkheid of een vrijheidsruimte krijgt om zonden te begaan. Volgens sommige ḥadīth-uitleggers is dit een uitdrukking van berisping en waarschuwing in de betekenis van: “Als hij zich na drie keer nog steeds tot de zonde wendt, dan is dat zijn eigen zaak!” Volgens anderen kan dit daarentegen worden begrepen als een barmhartige uitspraak in de zin van: “Zelfs als hij opnieuw fouten maakt, zolang hij berouw toont en zijn Rab erkent door zich tot Hem te wenden in tawbah, blijft de deur van vergeving voor hem open.” ] (Diyanet)

Allahu تعالى neemt geen genoegen met zonden en beschamend gedrag tot verboden heeft verklaard

غيرة الله تعالى وتحريم الفواحش

١٧٥٥ - حديث عَبْدِ اللهِ بْنِ مَسْعُودٍ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: لاَ أَحَدَ أَغْيَرُ مِنَ اللهِ وَلِذلِكَ حَرَّمَ الْفَوَاحِشَ، مَا ظَهَرَ مِنْهَا، وَمَا بَطَنَ وَلاَ شَيْءَ أحَبُّ إِلَيْهِ الْمَدْحُ مِنَ اللهِ وَلِذلِكَ مَدَحَ نَفْسَهُ

1755 - Van `Abdullah Ibn Mas`ûd رضي الله عنه: Niemand kan meer jaloers zijn dan Allāh, en daarom heeft Hij de verdorvenheden (fawāhish) verboden, zowel de openlijke als de verborgen. En er is niets dat Hij meer liefheeft dan lof (madh), en daarom heeft Hij Zichzelf geprezen.”

[Er is niemand die de gelovigen meer beschermt tegen kwaad dan Allāh. Omdat Allāh de grootste beschermer van de gelovigen is, heeft Hij alle kwaad, zowel openbaar als verborgen, verboden en verwerpelijke daden ḥarām verklaard. Bovendien is er niemand die meer geprezen wil worden dan Allāh. Daarom heeft Hij Zichzelf geprezen.] (AFK)

[In de ḥadīth wordt met de jaloezie van Allāh bedoeld dat Hij geen goedkeuring geeft aan slechte en verwerpelijke daden, en dat Hij zeer vertoornd is wanneer de mens, het meest waardevolle schepsel dat Hij heeft geschapen, deze daden begaat. Want Allāh (عز وجل) heeft alle zonden, zowel openlijk als verborgen, voor Zijn dienaren verboden, en Hij heeft hun bevolen om goede daden te verrichten die in overeenstemming zijn met het doel van hun schepping.Dat Allāh het prijzenswaardig vindt om geprezen te worden, verwijst naar Zijn welbehagen wanneer de dienaren Hem gedenken met lofprijzing, dankzegging en eerbied, en hierdoor grote zegeningen verkrijgen. Allahu تعالى heeft immers in de āyāt aangegeven met welke namen Hij genoemd dient te worden en op welke wijze Hij geprezen moet worden. Met deze aanwijzingen heeft Hij dit gedrag aanbevolen aan de gelovigen, omdat het hun bewustzijn van het dienaarschap versterkt. ] (Diyanet)

١٧٥٦ - حديث أَبِي هُرَيْرَةَ ﵁، عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، أَنَّهُ قَالَ: إِنَّ اللهَ يَغَارُ، وَغَيْرَةُ اللهِ أَنْ يَأْتِيَ الْمُؤْمِنُ مَا حَرَّمَ اللهُ1756 - Van Abû Hurayrah رضي الله عنه:an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: 'Voorwaar, Allāh is jaloers, en de jaloezie van Allāh is dat de gelovige (mu’min) iets doet wat Allāh hem heeft verboden (harrama’llah).”

[Imām Nawawî schreef hierover: ‘De ware betekenis hiervan is dat het een vorm van welzijn voor de dienaren inhoudt. Want de dienaren prijzen Allah, en Hij beloont hen daarvoor, zodat zij er zelf voordeel uit halen. Allah is immers volstrekt onafhankelijk van alle werelden; het prijzen van Hem door de dienaren voegt niets aan Hem toe, en het nalaten ervan berokkent Hem geen enkel nadeel.] (HA)

١٧٥٧ - حديث أَسْمَاءَ، أَنَّهَا سَمِعَتْ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: لاَ شَيْءَ أَغْيَرُ مِنَ اللهِ1757 – Van Asma' (رضي الله عنها):Zij heeft Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen zeggen: “Er is niemand jaloerser dan Allāh.”Het vers: إِن الحسنات يذهبن السيئات Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden

وله تعالى إِن الحسنات يذهبن السيئات

١٧٥٨ - حديث ابْنِ مَسْعُودٍ، أَنَّ رَجُلًا أَصَابَ مِنَ امْرَأَةٍ قُبْلَةً فَأَتَى النَّبِيَّ ﷺ، فَأَخْبَرَهُ فَأَنْزَلَ اللهُ (أَقِمِ الصَّلاَةَ طَرَفَي النَّهَارِ وَزُلَفًا مِنَ اللَّيْلِ إِنَّ الْحِسَنَاتِ يُذْهِبْنَ السَّيِّئَاتِ) فَقَالَ الرَّجُلُ: يَا رَسُولَ اللهِ أَلِي هذَا قَالَ: لِجَمِيعِ أُمَّتِي كُلِّهِمْ اخرجه البخاري في: ٩ كتاب مواقيت الصلاة: ٤ باب الصلاة كفارة

1758 – Van Ibn Mas'ud رضي الله عنه:Een man had een (niet mahram) vrouw gekust. Hij kwam (berouwvol) naar an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) om dit te melden. Toen openbaarde Allāh, (عز وجل) de āyah: وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ طَرَفَيِ ٱلنَّهَارِ وَزُلَفٗا مِّنَ ٱلَّيۡلِۚ إِنَّ ٱلۡحَسَنَٰتِ يُذۡهِبۡنَ ٱلسَّيِّـَٔاتِۚ ذَٰلِكَ ذِكۡرَىٰ لِلذَّٰكِرِينَ ١١٤

En verricht het gebed aan de twee uiteinden van de dag en gedurende de eerste uren van de nacht. Waarlijk, de goede daden verwijderen de slechte daden. Dat is een advies voor degenen die denken. (sûrah Hud: 114)De man vroeg: “O Rasûlullāh, geldt dit ook voor mij?” Hij antwoordde: “Dit geldt voor mijn hele ummah (voor iedereen).'

١٧٥٩ - حديث أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ ﵁ قَالَ: كُنْتُ عِنْدَ النَّبِيِّ ﷺ، فَجَاءَهُ رَجُلٌ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي أَصَبْتُ حَدًّا، فَأَقِمْهُ عَلَيَّ قَالَ: وَلَمْ يَسْأَلْهُ عَنْهُ قَالَ: وَحَضَرَتِ الصَّلاَةُ، فَصَلَّى مَعَ النَّبِيِّ ﷺ فَلَمَّا قَضى النَّبِيُّ ﷺ الصَّلاَةَ، قَامَ إِلَيْهِ الرَّجُلُ فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنِّي أَصَبْتُ حَدًّا، فَأَقِمْ فِيَّ كِتَابَ اللهِ قَالَ: أَلَيْسَ قَدْ صَلَّيْتَ مَعَنَا قَالَ: نعمْ قَالَ: فَإِنَّ اللهَ قَدْ غَفَرَ لَكَ ذَنْبَكَ (أَوْ قَالَ) حَدَّكَ1759 - Van Anas ibn Mālik, رضي الله عنه: Ik was bij an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) toen een man kwam en zei: “O Rasûlullāh, ik heb een straf begaan, voer deze alstublieft uit op mij.” Hij (Anas zei) hij vroeg niet naar de details. Toen het tijd was voor de salāh, verrichtte de man samen met an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de salāh.

Toen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) de salāh had beëindigd, stond de man op en zei: “O Rasûlullāh, ik heb een straf begaan, voer de straf van Allāhs Boek uit op mij.” an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Heb je niet met ons salāh verricht?” De man antwoordde: “Ja.” an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Voorwaar Allāh heeft je zonde vergeven, of zoals hij het zei: 'Je straf is vergeven.'

[Door Allāh vastgestelde straffen worden “ḥad” genoemd. De omvang en de wijze van toepassing van deze straffen zijn in de Qur'ān vermeld, zoals bij de straffen voor overspel, diefstal en laster.

Degenen die deze misdaden begaan, kunnen nooit ontkomen aan de bestraffing, zelfs niet als het door de dochter van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) Fātimah (رضي الله عنها), zou zijn begaan.Hoewel dit zo is, heeft an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) in de hierboven genoemde ḥadīth geen ḥad-straf toegepast op degene die hem van het begaan van een misdrijf beschuldigde waarvoor normaal gesproken een ḥad-straf vereist is.De geleerden hebben dit verklaard door erop te wijzen dat het hier, zoals ook in de voorgaande ḥadīth vermeld wordt, ging om een overtreding waarvoor geen ḥad-straf vereist was.] (AFK)

De berouwbetuiging van een moordenaar wordt aanvaard, zelfs al heeft hij een groot aantal mensen gedood

قبول توبة القاتل وإِن كثر قتله

١٧٦٠ - حديث أَبِي سَعِيدٍ ﵁ عَنِ النَّبِيِّ ﷺ، قَالَ: كَانَ فِي بَنِي إِسْرَائِيلَ رَجُلٌ قَتَلَ تِسْعَةً وَتِسْعِينَ إِنْسانًا ثُمَّ خَرَجَ يَسْأَلُ فَأَتَى رَاهِبًا، فَسَأَلَهُ فَقَالَ لَهُ: هَلْ مِنْ تَوْبَةٍ قَالَ: لاَ فَقَتَلَهُ فَجَعَلَ يَسْأَلُ فَقَالَ لَهُ رَجُلٌ: ائْتِ قَرْيَةَ كَذَا وَكَذَ فَأَدْرَكَهُ الْمَوْتُ فَنَاءَ بِصَدْرِهِ نَحْوَهَا فَاخْتَصَمَتْ فِيهِ مَلاَئِكَةُ الرَّحْمَةِ وَمَلاَئِكَةُ الْعَذَابِ فَأَوْحى اللهُ إِلَى هذِهِ: أَنْ تَقَرَّبِي وَأَوْحى اللهُ إِلَى هذِهِ: أَنْ تَبَاعَدِي وَقَالَ: قِيسُوا مَا بَيْنَهُمَا فَوُجِدَ إِلَى هذِهِ أَقْرَبَ بِشِبْرٍ، فَغُفِرَ لَهُ

1760 - Van Abû Sa`īd al-Khudrī (رضي الله عنه): an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei: “Er was eens een man onder de zonen van Israël die negenennegentig mensen had gedood. Vervolgens ging hij op pad om te vragen (naar vergeving). Hij kwam bij een monnik en vroeg hem: ‘Is er voor mij berouw (tawbah) mogelijk?’ Hij (de monnik) antwoordde: neen (er is geen mogelijkheid voor vergeving). Waarop de man hem ook doodde (en het aantal slachtoffers op honderd bracht). Daarna bleef hij vragen (om een nieuw, schoon leven te beginnen) en kwam hij bij iemand, die zei tegen hem: ‘Ga naar het dorp zo-en-zo.’ Onderweg (naar dat dorp) overviel de dood hem. Terwijl hij naar het dorp met zijn borst gericht was, ontstond er een discussie tussen de engelen van genade en de engelen van straf over zijn ziel.Allāh beval het dorp (waar de man naar onderweg was): ‘Kom iets dichterbij.

En aan het dorp (waar de man vandaan kwam): ‘Ga iets verder weg.’ Vervolgens zei Allāh: ‘Meet de afstand tussen hem en de twee plaatsen.’ Ze ontdekten dat hij met slechts één handbreedte dichter bij het dorp was waar hij naar onderweg was. Zo werd hem vergeving geschonken.”

[De engelen die belast zijn met het toezicht op menselijke handelingen kunnen in hun oordeel over mensen tot verschillende inzichten komen. Zo kan een deel van de engelen iemand als opstandig beschouwen, terwijl anderen hem als een toegewijde dienaar van Allah zien, hetgeen kan leiden tot onenigheid onder de engelen. Allah beslecht deze onenigheid door een andere engel. Om die reden behoort het tot het aanbevolen handelen dat de mens, indien zijn omgeving hem tot zonde verleidt, deze omgeving en die invloeden verlaat en zich begeeft in een samenleving waar goede daden prevaleren.De betreffende ḥadīth bekrachtigt de hogere rangpositie van de geleerde in verhouding tot degene die vooral toegewijd is aan aanbidding maar geen kennis bezit. De moordenaar wendde zich namelijk eerst tot een monnik die hem verzekerde dat berouw geen nut zou hebben, terwijl de tweede persoon, een geleerde, stelde dat niemand hem kon beletten te berouwen en dat berouw daadwerkelijk voordeel zou opleveren.Volgens Qadi `Iyâd duidt deze ḥadīth op dat berouw niet alleen voor gewone zonden effect heeft, maar eveneens bij moord. Hiermee vormt de ḥadīth tevens een verduidelijking van shari`ah van voorgaande gemeenschappen, en hoewel het hanteren van dit soort bewijsmiddelen onderwerp van meningsverschil kan zijn, valt deze bepaling buiten de scope van dergelijke discussies, daar onze eigen wetgeving soortgelijke bewijzen biedt. Wanneer shari`ah dergelijke bevestiging kent, vervalt verdere onenigheid.] (HA)

١٧٦١ - حديث ابْنِ عُمَرَ عَنْ صَفْوَانَ بْنِ مُحْرِزٍ الْمَازِنِيِّ، قَالَ: بَيْنَمَا أَنَا أَمْشِي مَعَ ابْنِ عُمَرَ، آخِذٌ بِيَدِهِ، إِذْ عَرَضَ رَجُلٌ فَقَالَ: كَيْفَ سَمِعْتَ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي النَّجْوَى فَقَالَ: سَمِعْتُ رَسُولَ اللهِ ﷺ، يَقُولُ: إِنَّ اللهَ يُدْنِي الْمُؤْمِنَ، فَيَضَعُ عَلَيْهِ كَنَفَهُ وَيَسْترُهُ: فَيَقُولُ: أَتَعْرِفُ ذَنْبَ كَذَا أَتَعْرِفُ ذَنْبَ كَذَا فَيَقُولُ: نَعَمْ أَيْ رَبِّ حَتَّى إِذَا قَرَّرَهُ بِذُنوبِهِ، وَرَأَى فِي نَفْسِهِ أَنَّهُ هَلَكَ قَالَ: سَتَرْتُهَا عَليْكَ فِي الدُّنْيَا وَأَنَا أَغْفِرُهَا لَكَ الْيَوْمَ فَيُعْطَى كِتَابَ حَسَنَاتِهِ وَأَمَّا الْكَافِرُ وَالْمُنَافِقُونَ فَيَقُولُ الأَشْهَادُ: هؤُلاَءِ الَّذِينَ كَذَبُوا عَلَى رَبِّهِمْ أَلاَ لَعْنَةُ اللهِ عَلَى الظَّالِمِينَ

1761 - Van Safwān Ibn Muhriz al-Mazinie رضي الله عنه:Terwijl ik samen met Ibn 'Umar liep en zijn hand vasthield, kwam er een man naar voren en vroeg: 'Hoe heb jij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) horen spreken over het vertrouwelijke gesprek (najwā) (op de Dag des Oordeels)?' Ibn 'Umar antwoordde: 'Ik hoorde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zeggen: “Voorwaar, Allāh zal (op de Dag des Oordeels) de gelovige (mu’min) dichtbij brengen en hem met Zijn bescherming bedekken en zeggen: 'Weet jij nog dat je die-en-die zonde hebt begaan?

En weet jij nog dat je die-en-die zonde hebt begaan?' De gelovige zal antwoorden: 'Ja, o mijn Rab ' Totdat hij al zijn zonden erkent en denkt dat hij vernietigd wordt, dan zal Hij (Allāh) zeggen: 'Ik heb die zonden in het wereldse leven voor jou verborgen gehouden, en vandaag vergeef Ik het ze voor jou.' Vervolgens zal hij het boek met zijn goede daden ontvangen.Wat betreft de ongelovigen en de hypocrieten, voor hen zullen (de profeten en engelen), die getuige zijn (van hun ongeloof en shirk) zeggen:

ٱلَّذِينَ كَذَبُواْ عَلَىٰ رَبِّهِمۡۚ أَلَا لَعۡنَةُ ٱللَّهِ عَلَى ٱلظَّٰلِمِينَ ١٨

Dit zijn degenen die over hun Heer gelogen hebben!” Geen twijfel! De vloek van Allāh is op de onrechtvaardigen.' [Surah Hud, 11:18].”

[Najwa betekent zachtjes spreken, fluisteren. Het verwijst naar de manier waarop Allahu تعالى op de Dag des Oordeels in het geheim tot Zijn gelovige dienaar zal spreken.)] (HY)

Berouw van Ka`b Ibn Mālik en zijn twee vrienden

حديث توبة كعب بن مالك وصاحبيه

١٧٦٢ - حديث كَعْبِ بْنِ مَالِكٍ قَالَ: لَمْ أَتَخَلَّفْ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فِي غَزْوَةٍ غَزَاهَا، إِلاَّ فِي غَزْوَةِ تَبُوكَ غَيْرَ أَنِّي كُنْتُ تَخَلَّفْتُ فِي غَزْوَةِ بَدْرٍ، وَلَمْ يُعَاتِبْ أَحَدًا تَخَلَّفَ عَنْهَا إِنَّمَا خَرَجَ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُرِيدُ عِيرَ قُرَيْشٍ حَتَّى جَمَعَ اللهُ بَيْنَهُمْ وَبَيْنَ عَدُوِّهِمْ عَلَى غَيْرِ مِيعَادٍ وَلَقَدْ شَهِدْتُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ، لَيْلَةَ الْعَقبَةِ حِينَ تَوَاثَقْنَا عَلَى الإِسْلاَمِ وَمَا أُحِبُّ أَنَّ لِي بِهَا مَشْهَدَ بَدْرٍ، وَإِنْ كَانَتْ بَدْرٌ أَذْكَرَ فِي النَّاسِ مِنْهَا

كَانَ مِنْ خَبَرِي أَنِّي لَمْ أَكُنْ قَطُّ أَقْوَى وَلاَ أَيْسَرَ حِينَ تَخَلَّفْتُ عَنْهُ فِي تِلْكَ الْغَزَاةِ وَاللهِ مَا اجْتَمَعَتْ عِنْدِي قَبْلَهُ رَاحِلَتَانِ قَطُّ، حَتَّى جَمَعْتُهُمَا فِي تِلْكَ الْغَزْوَةِ وَلَمْ يَكُنْ رَسُولُ اللهِ ﷺ، يُرِيدُ غَزْوَةً إِلاَّ وَرَّى بِغَيْرِهَا حَتَّى كَانَتْ تِلْكَ الْغَزْوَةُ غَزَاهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، فِي حَرٍّ شَدِيدٍ، وَاسْتَقْبَلَ سَفَرًا بَعِيدًا، وَمَفَازًا، وَعَدُوًّا كَثِيرًا فَجَلَّى لِلْمُسْلِمِينَ أَمْرَهُمْ لِيَتَأَهَّبُوا أُهْبَةَ غَزْوِهِمْ فَأَخَبْرَهُمْ بِوَجْهِهِ الَّذِي يُرِيدُ وَالْمُسْلِمُونَ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ كَثِيرٌ وَلاَ يَجْمَعُهُمْ كِتَابٌ حَافِظٌ (يُرِيدُ الدِّيوَانَ)

٢٤٧ قَالَ كَعْبٌ: فَمَا رَجُلٌ يُرِيدُ أَنْ يَتَغَيَّبَ إِلاَّ ظَنَّ أَن سَيَخْفَى لَهُ، مَا لَمْ يَنْزِلْ فِيهِ وَحْيُ اللهِ وَغَزَا رَسُولُ اللهِ ﷺ، تِلْكَ الْغَزْوَةَ، حِينَ طَابَتِ الثِّمَارُ وَالظِّلاَلُ وَتَجَهَّزَ رَسُولُ اللهِ ﷺ وَالْمُسْلِمُونَ مَعَهُ فَطَفِقْتُ أَغْدُو لِكَيْ أَتَجَهَّزَ مَعَهُمْ فَأَرْجِعُ وَلَمْ أَقْضِ شَيْئًا فَأَقُولُ فِي نَفْسِي: أَنَا قَادِرٌ عَلَيْهِ فَلَمْ يَزَلْ يَتَمَادَى بِي، حَتَّى اشْتَدَّ بِالنَّاسِ الْجِدُّ فَأَصْبَحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَالْمُسْلِمُونَ مَعَهُ وَلَمْ أَقْضِ مِنْ جَهَازِي شَيْئًا فَقُلْتُ: أَتَجَهَّزُ بَعْدَهُ بِيَوْمٍ أَوْ يَوْمِيْنِ، ثُمَّ أَلْحَقهُمْ فَغَدَوْتُ بَعْدَ أَنْ فَصَلوا، لأَتَجَهَّزَ، فَرَجَعْتُ وَلَمْ أَقْضِ شَيْئًا ثُمَّ غَدَوْتُ ثُمَّ رَجَعْتُ وَلَمْ أَقْضِ شَيْئًا فَلَمْ يَزَلْ بِي حَتَّى أَسْرَعوا، وَتَفَارَطَ الْغَزْوُ وَهَمَمْتُ أَنْ أَرْتَحِلَ فَأدْرِكَهُمْ وَلَيْتَنِي فَعَلْتُ فَلَمْ يُقَدَّرْ لِي ذَلِكَ فَكنْتُ، إِذَا خَرَجْتُ فِي النَّاسِ، بَعْدَ خرُوجِ رَسُولِ اللهِ ﷺ، فَطفْتُ فِيهِمْ، أَحْزَنَنِي أَنِّي لاَ أَرَى إِلاَّ رَجُلًا مَغْمُوصًا عَلَيْهِ النِّفَاقُ، أَوْ رَجلًا مِمَّنْ عَذَرَ اللهُ مِنَ الضُّعَفَاءِ وَلَمْ يَذْكُرْنِي رَسُولُ اللهِ ﷺ حَتَّى بَلَغَ تَبُوكَ فَقَالَ، وَهُوَ جَالِسٌ فِي الْقَوْمِ بِتَبُوكَ: مَا فَعَل كَعْبٌ فَقَالَ رَجُلٌ مِنْ بَنِي سَلِمَةَ: يَا رَسُولَ

اللهِ حَبَسَهُ بُرْدَاهُ وَنَظَرُه فِي عِطْفِهِ فَقَالَ مُعَاذُ بْنُ جَبَلٍ: بِئْسَ مَا قُلْتَ وَاللهِ يَا رَسُولَ اللهِ مَا عَلِمْنَا عَلَيْهِ إِلاَّ خَيْرًا فَسَكَتَ رَسُولُ اللهِ ﷺ

قَالَ كَعْبُ بْنُ مَالِكٍ: فَلَمَّا بَلَغَنِي أَنَّهُ تَوَجَّهَ قَافِلًا، حَضَرَنِي هَمِّي وَطَفِقْتُ أَتَذَكَّرُ الْكَذِبَ، وَأَقُولُ: بِمَاذَا أَخْرُجُ مِنْ سَخَطِهِ غَدًا وَاسْتَعَنْتُ عَلَى ذَلِكَ بِكُلِّ ذِي رَأْيِ مِنْ أَهْلِي فَلَمَّا قِيلَ إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ قَدْ أَظَلَّ قَادِمًا، زَاحَ عَنِّي الْبَاطِلُ، وَعَرَفْتُ أَنِّي لَنْ أَخْرُجَ مِنْهُ أَبَدًا بِشَيْءٍ فِيهِ كَذِبٌ، فَأَجْمَعْتُ صِدقَهُ وَأَصْبَحَ رَسُولُ اللهِ ﷺ قَادِمًا وَكَانَ، إِذَا قَدِمَ مِنْ سَفَرٍ، بَدَأَ بِالْمَسْجِدِ، فَيَرْكَعُ فِيهِ رَكْعَتَيْنِ، ثُمَّ جَلَسَ لِلنَّاسِ فَلَمَّا فَعَلَ ذَلِكَ، جَاءَهُ الْمُخَلَّفُونَ، فَطَفِقُوا يَعْتَذِرُونَ إِلَيْهِ، وَيَحْلِفُونَ لَهُ وَكَانوا بِضْعَةً وَثَمَانِينَ رَجُلًا فَقَبِلَ مِنْهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلاَنِيَتَهُمْ، وَبَايَعَهُمْ، وَاسْتَغْفَرَ لَهُمْ، وَوَكَلَ سَرَائِرَهُمْ إِلَى اللهِ فَجِئْتُهُ فَلَمَّا سَلَّمْتُ عَلَيْهِ، تَبَسَّمَ تَبَسُّمَ الْمُغْضَبِ ثُمَّ قَالَ تَعَالَ فَجِئْتُ أَمْشِي، حَتَّى جَلَسْتُ بَيْنَ يَدَيْهِ فَقَالَ لِي مَا خَلَّفَكَ أَلَمْ تَكُنْ قَدِ ابْتَعْتَ ظهْرَكَ فَقُلْتُ: بَلَى إِنِّي، وَاللهِ لَوْ جَلَسْتُ عِنْدَ غَيْرِكَ مِنْ أَهْلِ الدُّنْيَا، لَرَأَيْتُ أَنْ سَأخْرُجُ مِنْ سَخَطِهِ بِعُذْرٍ وَلَقَدْ أُعْطِيتُ جَدَلًا وَلكِنِّي، وَاللهِ لَقَدْ عَلِمْتُ لَئِنْ حَدَّثْتُكَ الْيَوْمَ حَدِيثَ كَذِبٍ، تَرْضى

بِهِ عَنِّي، لَيُوشِكَنَّ اللهُ أَنْ يُسْخِطَكَ عَلَيَّ وَلَئِنْ حَدَّثْتُكَ حَدِيثَ صِدْقٍ تَجِدُ عَلَيَّ فِيهِ، إِنِّي لأَرْجُو فِيهِ عَفْوَ اللهِ لاَ وَاللهِ مَا كَانَ لِي مِنْ عُذْرٍ وَاللهِ مَا كُنْتُ قَطُّ

أَقْوَى، وَلاَ أَيْسَرَ مِنِّي، حِينَ تَخَلَّفْتُ عَنْكَ فَقَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَمَّا هذَا، فَقَدْ صَدَقَ فَقُمْ حَتَّى يَقْضِيَ اللهُ فِيكَ فَقُمْتُ وَثَارَ رِجَالٌ مِنْ بَنِي سَلِمَةَ، فَاتَّبَعُونِي فَقَالُوا لِي: وَاللهِ مَا عَلِمْنَاكَ كُنْتَ أَذْنَبْتَ ذَنْبًا قَبْلَ هذَا وَلَقَدْ عَجَزْتَ أَنْ لاَ تَكُونَ اعْتَذَرْتَ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ بِمَا اعْتَذَرَ إِلَيْهِ الْمُتَخَلِّفُونَ قَدْ كَانَ كَافِيَكَ ذَنْبَكَ اسْتِغْفَارُ رَسُولِ اللهِ ﷺ لَكَ فَوَاللهِ مَا زَالُوا يُؤَنِّبُونِي، حَتَّى أَرَدْتُ أَنْ أَرْجِعَ فَأُكَذِّبَ نَفْسِي ثُمَّ قلْتُ لَهُمْ: هَلْ لَقِيَ هذَا مَعِي أَحَدٌ قَالُوا: نَعَمْ رَجُلاَنِ قَالاَ مِثْلَ مَا قُلْتَ، فَقِيلَ لَهُمَا مِثْلُ مَا قِيلَ لَكَ فَقُلْتُ: مَنْ هُمَا قَالُوا: مُرَارَةُ بْنُ الرَّبِيعِ الْعَمْرِيُّ، وَهِلاَلُ بْنُ أُمَيَّةَ الْوَاقِفِيُّ فَذَكَرَوا لِي رَجُلَيْنِ صَالِحَيْنِ، قَدْ شَهِدَا بَدْرًا، فِيهِمَا أُسْوَةٌ فَمَضَيْتُ حِينَ ذَكَرُوهُمَا لِي

وَنَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ الْمُسْلِمِينَ عَنْ كَلاَمِنَا، أَيُّهَا الثَّلاَثَةُ، مِنْ بَيْنِ مَنْ تَخَلَّفَ عَنْهُ فَاجْتَنَبنَا النَّاسُ، وَتَغَيَّرُوا لَنَا، حَتَّى تَنَكَّرَتْ فِي نَفْسِي الأَرْضُ، فَمَا هِيَ الَّتِي أَعْرِفُ فَلَبِثْنَا عَلَى ذَلِكَ خَمْسِينَ لَيْلَةً

فَأَمَّا صَحِبَاي، فَاسْتَكَانَا، وَقَعَدَا فِي بُيُوتِهِمَا، يَبْكِيَانِ وَأَمَّا أَنا فَكنْتُ أَشَبَّ الْقَوْمِ، وَأَجْلَدَهُمْ فَكُنْتُ أَخْرُجُ فَأَشْهَدُ الصَّلاَةَ مَعَ الْمُسْلِمِينَ، وَأَطُوفُ فِي الأَسْوَاقِ وَلاَ يُكلِّمُنِي أَحَدٌ وَآتِي رَسُولَ اللهِ ﷺ فَأُسَلِّمُ عَلَيْهِ، وَهُوَ فِي مَجْلِسِهِ بَعْدَ الصَّلاَةِ فَأَقُولُ فِي نَفْسِى: هَلْ حَرَّكَ شَفَتَيْهُ بِرَدِّ السَّلاَمِ عَلَيَّ، أَمْ لاَ ثُمَ أُصَلِي قَرِيبًا مِنْهُ، فَأُسَارِقُهُ النَّظَرَ فَإِذَا أَقْبَلْتُ عَلَى صَلاَتِي، أَقْبَلَ إِلَيَّ وَإِذَا الْتَفَتُّ نَحْوَهُ، أَعْرَضَ عَنِّي حَتَّى إِذَا طَالَ عَلَيَّ ذَلِكَ مِنْ جَفْوَةِ النَّاسِ، مَشَيْتُ حَتَّى تَسَوَّرْتُ جِدَارَ حَائِطِ أَبِي قَتَادَةَ، وَهُوَ ابْنُ عَمِّي، وَأَحَبُّ النَّاسِ إِلَيَّ، فَسَلَّمْتُ عَلَيْهِ فَوَاللهِ مَا رَدَّ عَلَيَّ السَّلاَمَ فَقُلْتُ: يَا أَبَا قَتَادَةَ أَنْشُدُكَ بِاللهِ هَلْ تَعْلَمُنِي أُحِبُّ اللهَ وَرَسُولَهُ فَسَكَتَ فَعُدْتُ لَهُ، فَنَشَدْتُهُ فَسَكَتَ فَعُدْتُ لَهُ فَنَشَدْتُهُ، فَقَالَ: اللهُ وَرَسُولُهُ أَعْلَمُ فَفَاضَتْ عَيْنَايَ، وَتَوَلَّيْتُ حَتَّى تَسَوَّرْتُ الْجِدَارَ

قَالَ: فَبَيْنَا أَنَا أَمْشِي بِسُوقِ الْمَدِينَةِ، إِذَا نَبَطِيٌّ مِنْ أَنْبَاطِ أَهْلِ الشَّامِ، مِمَّنْ قَدِمَ بِالطَّعَامِ يَبِيعُهُ بِالْمَدِينَةِ، يَقُولُ: مَنْ يَدُلُّ عَلَى كَعْبِ بْنِ مَالِكٍ فَطَفِقَ النَّاسُ يُشِيرُونَ لَهُ حَتَّى إِذَا جَاءَنِي، دَفَعَ إِلَيَّ كِتَابًا مِنْ مَلِكِ غَسَّانَ فَإِذَا فِيهِ: أَمَّا بَعْدُ فَإِنَّهُ قَدْ بَلَغَنِي أَنَّ صَاحِبَكَ قَدْ جَفَاكَ وَلَمْ يَجْعَلْكَ اللهُ بِدَارِ هَوَانٍ، وَلاَ مَضْيَعَةٍ فَالْحَقْ بِنَا نُوَاسِكَ فَقلْتُ لَمَّا قَرَأْتُهَا: وَهذَا أَيْضًا مِنَ الْبَلاَءِ فَتَيَمَّمْتُ بِهَا التَّنُّورَ فَسَجَرْتُهُ بِهَا حَتَّى إِذَا مَضَتْ أَرْبَعُونَ لَيْلَةً مِنَ الْخَمْسِينَ، إِذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ يَأْتِينِي فَقَالَ: إِنَّ رَسُولَ اللهِ ﷺ يَأْمُرُكَ أَنْ تَعْتَزِلَ امْرَأَتَكَ فَقُلْتُ: أُطَلِّقُهَا أَمْ مَاذَا أَفْعَلُ قَالَ: لاَ بَلِ اعْتَزِلْهَا، وَلاَ تَقْرَبْهَا وَأَرْسَلَ إِلَى صَاحِبَيَّ مِثْلَ ذَلِكَ فَقُلْتُ لامْرَأَتِي: الْحَقِي بِأَهْلِكِ، فَكُونِي عِنْدَهُمْ حَتَّى يَقْضِيَ اللهُ فِي هذَا الامْرِ

قَالَ كَعْبٌ: فَجَاءَتِ امْرَأَةُ هِلاَلِ بْنِ أُمَيَّةَ، رَسُولَ اللهِ ﷺ، فَقَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ هِلاَلَ بْنَ أُمَيَّةَ شَيْخٌ ضَائِعٌ، لَيْسَ لَهُ خَادِمٌ فَهَلْ تَكْرَهُ أَنْ أَخْدُمَهُ قَالَ: لاَ وَلكِنْ لاَ يَقْرَبْكِ قَالَتْ: إِنَّهُ، وَاللهِ مَا بِهِ حَرَكَةٌ إِلَى شَيْءٍ وَاللهِ مَا زَالَ يَبْكِي مُنْذُ كَانَ مِنْ أَمْرِهِ مَا كَانَ، إِلَى يَوْمِهِ هذَا فَقَالَ لِي بَعْضُ أَهْلِي: لَوِ اسْتَأْذَنْتَ رَسُولَ اللهِ ﷺ فِي امْرَأَتِكَ، كَمَا أَذِنَ لاِمْرَأَةِ هِلاَلِ بْنِ أُمَيَّةَ أَنْ تَخْدُمَهُ فَقُلْتُ: وَاللهِ لاَ أسْتأْذِنُ فِيهَا رَسُولَ اللهِ ﷺ وَمَا يُدْرِينِي مَا يَقُولُ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا اسْتَأْذَنْتهُ فِيهَا، وَأَنَا رَجُلٌ شَابٌّ فَلَبِثْت بَعْدَ ذَلِكَ عَشْرَ لَيَالٍ، حَتَّى كَمَلَتْ لَنَا خَمْسُونَ لَيْلَةً، مِنْ حِينَ نَهى رَسُولُ اللهِ ﷺ عَنْ كَلاَمِنَا فَلَمَّا صَلَّيْتُ صَلاَةَ الْفَجْرِ، صُبْحَ خَمْسِينَ لَيْلَةً، وَأَنَا عَلَى ظَهْرِ بَيْتٍ مِنْ بُيُوتِنَا فَبَيْنَا أَنَا جِالِسٌ عَلَى الْحَالِ الَّتِي ذَكَرَ اللهُ، قَدْ ضَاقَتْ عَلَيَّ نَفْسِي، وَضَاقَتْ عَلَيَّ الأَرْضُ بِمَا رَحُبَتْ سَمِعْتُ صَوْتَ صَارِخٍ، أَوْفَى عَلَى جَبَلِ سَلْعٍ، بِأَعْلَى صَوْتِهِ: يَا كَعْبُ بْنَ مَالِكٍ أَبْشِرْ قَالَ: فَخَرَرْتُ سَاجِدًا، وَعَرَفْتُ أَنْ قَدْ جَاءَ فَرَجٌ وَآذَنَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بِتَوْبَةِ اللهِ عَلَيْنَا، حِينَ صَلّى صَلاَةَ الْفَجْرِ فَذَهَبَ

النَّاسُ يُبَشِّرُونَنَا، وَذَهَبَ قِبَلَ صَاحِبَيَّ مبَشِّرُونَ، وَرَكَضَ إِلَيَّ رَجُلٌ فَرَسًا، وَسَعَى سَاعٍ مِنْ أَسْلَمَ، فَأَوْفَى عَلَى الْجَبَلِ وَكَانَ الصَّوْتُ أَسْرَعَ مِنَ

الفَرَسِ فَلَمَّا جَاءَنِي الَّذِي سَمِعْتُ صَوْتَهُ يُبَشِّرُنِي نَزَعْتُ لَهُ ثَوْبَيَّ، فَكَسَوْتُهُ إِيَّاهُمَا بِبُشْرَاهُ وَاللهِ مَا أَمْلِكُ غَيْرَهُمَا يَوْمَئِذٍ وَاسْتَعَرْتُ ثَوْبَيْنِ، فَلَبِسْتُهُمَا وَانْطَلَقْتُ إِلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ فَيَتَلَقَّانِي النَّاسُ فَوْجًا فَوْجًا، يُهَنُّونِي بِالتَّوْبَةِ يَقُولُونَ: لِتَهْنِكَ تَوْبَةُ اللهِ عَلَيْكَ

قَالَ كَعْبٌ: حَتَّى دَخَلْتُ الْمَسْجِدَ فَإِذَا رَسُولُ اللهِ ﷺ جَالِسٌ حَوْلَهُ النَّاسُ فَقَامَ إِلَيَّ طَلْحَةُ بْنُ عُبَيْدِ اللهِ يُهَرْوِلُ، وَهَنَّانِي وَاللهِ مَا قَامَ إِلَيَّ رَجُلٌ مِنَ الْمُهَاجِرِينَ غَيْرَهُ وَلاَ أَنْسَاهَا لِطَلْحَةَ

قَالَ كَعْبٌ: فَلَمَّا سَلَّمْتُ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ، قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، وَهُوَ يَبْرُقُ وَجْهُهُ مِنَ السُّرُورِ: أَبْشِرْ بَخَيْرِ يَوْمٍ مَرَّ عَلَيْكَ مُنْذُ وَلَدَتْكَ أُمُّكَ قَالَ: قُلْت أَمِنْ عِنْدِكَ يَا رَسُولَ اللهِ أَمْ مِنْ عِنْدِ اللهِ قَالَ: لاَ بَلْ مِنْ عِنْدِ اللهِ وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ، إِذَا سُرَّ اسْتَنَارَ وَجْهُهُ، حَتَّى كَأَنَّهُ قِطْعَةُ قَمَرٍ وَكُنَّا نَعْرِفُ ذلِكَ مِنْهُ فَلَمَّا جَلَسْتُ بَيْنَ يَدَيْهِ، قُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ مِنْ تَوْبَتِي أَنْ أَنْخَلِعَ مِنْ مَالِي صَدَقَةً إِلَى اللهِ وَإِلَى رَسُولِ اللهِ قَالَ رَسُولُ اللهِ ﷺ: أَمْسِكَ عَلَيْكَ بَعْضَ مَالِكَ، فَهُوَ خَيْرٌ لَكَ قُلْتُ: فَإِنِّي أُمْسِكُ سَهْمِي الَّذِي بِخَيْبَرَ

فَقُلْتُ: يَا رَسُولَ اللهِ إِنَّ اللهَ إِنَّمَا نَجَّانِي بِالصِّدْقِ، وَإِنَّ مِنْ تَوْبَتِي أَنْ لاَ أُحَدِّثَ إِلاَّ صِدْقًا مَا بَقِيتُ فَوَاللهِ مَا أَعْلَمُ أَحَدًا مِنَ الْمُسْلِمِينَ أَبْلاَهُ اللهُ فِي صِدْقِ الْحَدِيثِ، مُنْذُ ذَكَرْتُ ذَلِكَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ، أَحْسَنَ مِمَّا أَبْلاَنِي مَا تَعَمَّدْتُ، مُنْذُ ذَكَرْتُ ذَلِكَ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ إِلَى يَوْمِي هذَا، كَذِبًا وَإِنِّي لأَرْجُو أَنْ يَحْفَظَنِي اللهُ فِيمَا بَقِيتُ

وأَنْزَلَ اللهُ عَلَى رَسُولِهِ ﷺ (لَقَدْ تَابَ اللهُ عَلَى النَّبِيِّ وَالْمُهَاجِرِينَ) إِلَى قَوْلَهِ (وَكُونوا مَعَ الصَّادِقِينَ)

فَوَاللهِ مَا أَنْعَمَ اللهُ عَلَيَّ مِنْ نِعْمَةٍ قَطُّ، بَعْدَ أَنْ هَدَانِي لِلإِسْلاَمٍ، أَعْظَمَ فِي نَفْسِي مِنْ صِدْقِي لِرَسُولِ اللهِ ﷺ أَنْ لاَ أَكُونَ كَذَبْتُهُ، فَأَهْلِكَ كَمَا هَلَكَ الَّذِينَ كَذَبُوا فَإِنَّ اللهَ قَالَ لِلَّذِينَ كَذَبُوا، حِينَ أَنْزَلَ الْوَحْيَ، شَرَّ مَا قَالَ لأَحَدٍ فَقَالَ، ﵎ (سَيَحْلِفُونَ بِاللهِ لَكُمْ إِذَا انْقَلَبْتمْ) إِلَى قَوْلِهِ (فَإِنَّ اللهَ لاَ يَرْضى عَنِ الْقَوْمِ الْفَاسِقِينَ) قَالَ كَعْبٌ: وَكُنَّا تَخَلَّفْنَا، أَيُّهَا الثَّلاَثَةُ، عَنْ أَمْرِ أُولئِكَ الَّذِينَ قَبِلَ مِنْهُمْ رَسُولُ اللهِ ﷺ، حِينَ حَلَفُوا لَهُ، فَبَايَعَهُم وَاسْتَغْفَرَ لَهُمْ وَأَرْجَأَ رَسُولُ اللهِ ﷺ أَمْرَنَا، حَتَّى قَضَى اللهُ فِيهِ

فَبِذلِكَ قَالَ اللهُ (وَعَلَى الثَّلاَثَةِ الَّذِينَ خُلِّفُوا) وَلَيْسَ الَّذِي ذَكَرَ اللهُ مِمَّا خُلِّفْنَا عَنِ الْغَزْو، إِنَّمَا هُوَ تَخْلِيفُهُ إِيَّانَا، وَإِرْجَاؤُهُ أَمْرَنَا، عَمَّنْ حَلَفَ لَهُ، وَاعْتَذَرَ إِلَيْهِ، فَقَبِلَ مِنْهُ

1762 - `Abdullah Ibn Ka`b Ibn Mālik رضي الله عنه:Eén van de zonen van Ka`b Ibn Mālik (رضي الله عنه) die hem begeleidde toen hij blind werd, zei: “Ik hoorde Ka`b Ibn Mālik (mijn vader) verslag doen van zijn achterblijven (bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) toen hij) Tabûk ondernam”:Ka`b (Ibn Mālik) zei: Ik had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in iedere veldtocht vergezeld, behalve de Tabûk.Ik had ook niet deelgenomen aan Badr. Toen had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen van de achterblijvers veroordeeld, want Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (en de moslims) hadden slechts opgerukt om de karavaan van de Quraisjieten (die vanuit Shām kwam) te verkennen. Maar niettegenstaande bracht Allāh hen (de moslims) en hun vijanden onverwachts tegenover elkaar.

Ik was in de nacht van `Aqabah, waarin ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op Islām trouw zwoor, met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) aanwezig. Tot heden is voor mij de deelname aan Badr niet meer geliefd dan het aanwezig zijn bij `Aqabah, hoewel Badr meer bekendheid geniet onder de mensen dan de `Aqabah eed.

Wat betreft het verslag van mijn achterblijven bij Tabûk is als volgt: Ik was sterker en welvarender dan ooit in de tijd van het achterblijven van deze veldtocht. Bij Allāh, vòòr de veldtocht had ik nooit twee kamelen bij elkaar gehad, (maar toen had ik er twee).

Eén van Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) gewoontes was, wanneer hij een veldtocht wilde ondernemen, gaf hij het doel van zijn tochten bijna altijd slechts bij benadering aan (en duidde hij een andere richting en tijd aan dan hij werkelijk uit wilde). Maar bij de veldtocht naar Tabûk deed hij dat niet.

Hij noemde het doel uitdrukkelijk, omdat het jaargetijde ondragelijk heet, de weg lang en gevaarlijk en de te ontmoeten vijand zeer sterk en groot in getal was, zodat de mensen zich behoorlijk konden uitrusten. Maar het aantal moslims die klaar stonden Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te vergezellen op deze veldtocht was ook groot. Geen register was voldoende om de namen van al de mujāhidien op te schrijven.

Ka`b zei: Niemand wilde zich verstoppen (voor de jihād), behalve degenen die dachten dat hun afwezigheid (voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) onopgemerkt zou blijven, totdat (ze onthuld zouden worden) door een openbaring van Allāh. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ondernam deze veldtocht in een tijd dat het fruit aan de bomen rijp was en de schaduw van de bomen verfrissend je tegemoet kwam. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moslims waren druk bezig met de voorbereidingen voor de veldtocht.

Ik ging ‘s ochtend van huis met het voornemens me ook voor te bereiden, echter, ik keerde (’s avonds) terug zonder iets te hebben geregeld. Ik zei tegen mezelf: “Ik heb mogelijkheid en tijd om me nog voor te bereiden.” Terwijl deze luiheid bij mij aanhield, waren ze klaar met de voorbereidingen. En op een morgen vertrokken Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moslims naar het front, maar ik had nog steeds niets gedaan voor mijn vertrek.

Ik zei tegen mijzelf: “Ik ben in één of twee dagen klaar om hem te volgen en me bij hen aan te sluiten.” (Toen het leger Madīnah had verlaten) ging ik weer ‘s ochtends van huis, met het voornemen me voor te bereiden, echter, ik keerde (’s avonds) terug zonder iets te hebben geregeld. Vervolgens ging ik de volgende ochtend op pad, weer zonder iets te hebben ondernomen. Ik verkeerde in steeds dezelfde situatie.

Ze (de mujāhidīn) waren flink opgeschoten. De veldtocht was (uit mijn handen) ontglipt. Ondanks dit wilde ik het leger achterna gaan om hen in te halen. Had ik dat maar gedaan! Maar het was niet voorbestemd zo te zijn.

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op veldtocht was, begaf ik me onder de mensen en liep rond in de stad. Eén ding deed mij pijn om te zien: onder diegenen die net als ik achter gebleven waren, waren ofwel met huichelarij bestempelde mannen ofwel de zwakken, (moslim)mannen, die door Allahu تعالى verontschuldigd waren (vanwege hun handicaps of ouderdom) van oorlogsplicht.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) sprak geen woord over mij totdat hij bij Tabûk aankwam. Terwijl hij tussen zijn metgezellen zat, informeerde hij naar mij: “Wat is er gebeurd met Ka`b?’ Een man van Banī (zonen van) Salīmah (`Abdullah Ibn Unays) zei: ‘0 Rasûlullāh , hij (Ka`b) heeft zich opgesloten (in Madīnah) vanwege zijn twee gewaden en zijn trots blik om zich heen”. Hierop berispte Mu`adz Ibn Jabal de spreker (`Abdullah Ibn Unays): “Hoe durf je zo iets gemeens te zeggen”. Tegen an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) zei hij: “Bij Allāh, 0 Rasûlullāh, we weten niets dan goeds van hem (Ka’b Ibn Mālik).” Daarop zweeg Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم).

Ka’b Ibn Mālik vervolgde zijn verhaal en zei: Hierop werd Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) stil. Op dat moment sloeg hij iemand in witte woestijnkleding van een afstand gade, en riep uit: ‘ Moge het Abû Khaythamah zijn! En wat zagen ze, ja inderdaad, hij bleek Abû Khaythama uit Ansār (Helpers uit Madīnah) te zijn. Hij was diegene die door de huichelaars bespot werd, toen hij een sa`a (aantal kilogram) dadels bijdroeg.

Ka`b ging verder: Toen ik vernam dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) uit Tabûk (naar Madīnah) vertrok, voelde ik me erg angstig en begon valse excuses te verzinnen. Ik zei tegen mij zelf: “Hoe kan ik straks mijzelf redden van zijn kastijding”? Ik raadpleegde ook naar de mening van sommige van mijn vooraanstaande familieleden. Toen ik hoorde dat de aankomst van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) nabij was, verdwenen de valse gedachtes uit mijn hoofd. Ik was ervan overtuigd dat ik op deze manier nooit iets zou kunnen bereiken. Daarom besloot ik de waarheid te spreken.

Op een ochtend kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Madīnah binnengereden. Het was Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) gewoonte telkens wanner hij van een reis terugkwam, eerst de moskee binnen te treden en dan twee raka`ah (vrijwillige) salāh te verrichten, vervolgens te zitten om de mensen te woord te staan. Deze keer deed hij dat ook. Hij ging in de moskee zitten en diegenen die achter waren gebleven van de veldtocht (naar Tabûk), kwamen naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zworen om hun excuses (kracht bij te zetten). Het waren er meer dan 80 personen. Op basis van hun (uiterlijke) intentie aanvaardde Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (hun excuses). Ze vernieuwden hun bay`ah (trouw zweren) (aan an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en hij bad voor hen voor vergeving. Hij liet hun innerlijke intentie en waarheidsgetrouwheid over aan Allāh.

(Toen ik aan de beurt was) gaf ik hem de salām. Hij glimlachte op een boze manier en beval: “Kom naar voren”. Ik stapte naar voren en ging voor hem zitten. Hij vroeg: “Welke reden weerhield je (van deze veldtocht)? Had je geen rijdier gekocht?” Ik antwoordde: ‘0 Rasûlullāh, waarlijk bij Allāh, als ik niet tegenover u stond maar tegenover een ieder ander mens in de wereld, dan had ik zeker een reden kunnen verzinnen, om te ontsnappen aan diens woede.

Want ik ben begunstigd met overredingsvermogen. Echter, bij Allāh, ik ben er zeker van dat als ik u vandaag tevreden zou stellen met een vals verhaal, dan zou het niet lang duren of Allāh u (mijn leugen bekend zal maken) en uw woede op mij opwekken. En als ik u het ware verhaal vertel en u boos wordt op mij, dan hoop ik dat Allāh (عز وجل) mijn misstap zal vergeven. (Nee, o Rasûlullāh!) Bij Allāh, ik heb geen enkel excuus. Bij Allāh, nooit was ik zo gezond, sterk en welvarend als op het moment dat ik u niet vergezelde en achterbleef (van de veldtocht naar Tabûk).

Daarop zei Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم): ´Wat betreft hem (Ka`b), hij heeft de waarheid gesproken. Ga, (en wacht) totdat Allāh over je heeft geoordeeld! (Ik stond op). Sommige mannen van (de klan van) Banī Salamah (stonden ook op en) volgden mij (op weg naar huis). Ze zeiden tegen mij: “Bij Allāh, wij weten dat je eerder niet hebt gezondigd. Je hebt geen moed gehad om je bij Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te excuseren, zoals de anderen die ook weggebleven waren van de veldtocht. De vergiffenis die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor jouw zonde zou hebben gedaan, zou genoeg zijn geweest voor jou´.

(Ka`ab gaat verder met zijn verhaal): Bij Allāh, ze bleven me zo lang verwijten, dat ik geneigd was terug te gaan naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en mijn verklaring in te trekken. Toen vroeg ik hen: “Is er iemand anders, die in dezelfde situatie verkeert als ik?” Zij zeiden: “Ja, er zijn twee mannen, die hetzelfde (aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hebben verteld als jij en wat (Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tegen jou zei, zei hij ook tegen hen”. Ik vroeg: “Wie waren het?” Ze zeiden: “Murarah Ibn Rabi’a al `Amrī en Hilāl Ibn Umayyah al Waqifī.

Ze hadden het over twee deugdzame personen, die aanwezig waren in de oorlog van Badr en voorbeeldig in hun handelen waren. Toen ze vertelden over deze twee personen, verdwenen mijn twijfels (en voelde ik mij gesterkt in mijn oorspronkelijke verhaal).

Daarna verbood Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) iedereen (de muslims) te praten met ons drieën, degenen die achtergebleven waren van de veldtocht. (Ka`b ging verder): De mensen vermeden ons. (De overleveraar zei:) Ze werden vreemdelingen voor ons. Ik dacht zelfs dat ik in een vreemd land was. Het was alsof het niet mijn eigen land was.

Deze toestand duurde vijftig nachten. Wat betreft mijn andere twee vrienden, ze hadden zich van de mensen afgezonderd en zichzelf opsloten in hun huizen, terwijl ze huilend hun tijd doorbrachten. Maar ik was de jongste en de sterkste van ons drieën. Daarom ging ik naar buiten om samen met de muslims salāh te verrichten en in de straten te lopen. Maar niemand praatte tegen mij. Na de salāh ging ik altijd naar Rasûlullāhs (صلى الله عليه وسلم) gezelschap om hen salām te geven. Ik zei in mijzelf: “Heeft Rasûlullāh zijn lippen bewogen om mijn salām te beantwoorden of niet.”

Bovendien stond ik altijd vlakbij hem in de salāh om stiekem te kijken of hij naar mij keek. Als ik me klaarmaakte voor de salāh, richtte hij zich in mijn richting, maar op het moment dat ik naar hem keek, draaide hij zich om.

Toen de afwijzende houding van de moslims zo kwellend lang duurde, ging ik op een dag op pad. Ik klom over de tuinmuur van mijn neef Abû Qatadah, die het meeste van de mensen van mijn hield. Ik gaf hem salām, maar, bij Allāh, hij beantwoordde mijn salām niet.

Ik zei tegen hem: ‘O Abû Qatadah, ik vraag je in naam van Allāh! Je weet toch dat ik van Allāh en Zijn Boodschapper houd.’ Maar hij bleef stil. Ik herhaalde mijn verzoek. Nog was er geen antwoord. Ik herhaalde mijn verzoek tot drie keer toe.

Toen zei hij: ‘Allāh en Zijn Boodschapper weten het het best.’ Toen ik dit hoorde kon ik mijn tranen niet bedwingen en keerde terug naar huis.

Op een dag wandelde ik op de markt in Madīnah. Een boer uit Shām (huidige Syrie en omgeving), die graan verkocht, vroeg: ‘Kan iemand van jullie mij vertellen waar ik Ka’b Ibn Mālik kan vinden?’ Mensen wezen naar mij. Die persoon kwam naar mij en gaf mij een brief van de koning van Ghassan. Aangezien ik geletterd was, las ik de brief.

Het volgende stond er in: ‘ (Na de groetenis) bericht ik je het volgende. We hebben vernomen dat je sāhib (meester) (an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) je droefenis en kwelling heeft gebracht. Allāh heeft je niet geschapen om vernederd en slecht behandeld te worden. Kom naar ons en we zullen je met open armen onthalen.’ Amr ging verder en zei: Na deze brief gelezen te hebben zei ik tegen mijzelf: ‘Dit is ook een beproeving voor me en ik gooide de brief in de oven’.

Veertig van de vijftig ondragelijke dagen waren gepasseerd. Op een dag zag ik een bode van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (Huzayma Ibn Thabit) naar mij komen. Hij zei: ‘Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft bevolen dat je niet meer samen met je vrouw mag wonen’. Ik vroeg: ‘Moet ik van haar scheiden, of moet ik wat anders doen?’ Hij zei: ‘Nee, onthoud je alleen van het omgaan met haar.’

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had dezelfde bevelen doen uitgaan naar mijn twee vrienden. Zodoende vroeg ik mijn vrouw: ‘Ga naar je familie (vader en moeder) toe en blijf bij hen tot Allāh over deze zaak heeft beslist.’

Hilāl Ibn Umayya’s vrouw ging naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en vroeg: ‘O Rasûlullāh Hilāl Ibn Umayyah is oud en zwak, bovendien heeft hij geen bediende. Zou u het mishagen als ik doorga met zijn verzorging?’ Hij zei: ‘Neen, mits hij niet toenadering zoekt met jou.’ Ze zei:’Bij Allāh, hij vertoont geen enkel beweging.

Bij Allāh, sinds dit voorval huilt hij aan een stuk door.’

Ka`b vertelt verder: Sommige van mijn familieleden zeiden tegen mij: ‘Waarom vraag jij Rasûlullāh ook geen toestemming, kijk Hilāl Ibn Umayyah’s vrouw heeft toestemming gekregen om haar man te verzorgen.Ik zei: ‘Ik ga Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) geen toestemming vragen, want ik weet niet wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zal zeggen, bovendien ben ik jong.’ Hierna bleef ik nog tien nachten zo.

Eindelijk eindigde de 50ste nacht van ons sociale boycot en op de ochtend van de 50ste nacht verrichtte ik de ochtendsalāh. Ik zat op het dak van een van mijn huizen. Ik zat daar in de houding zoals Allahu تعالى (in sûrah at Tawbah āyah 118) het beschreef: de aarde werd met al haar wijdsheid te nauw en ik voelde benauwdheid. Op dat moment hoorde ik iemand zo hard als hij kon roepen vanaf de top van de heuvel Sal’, ‘0 Ka’b Ibn Mālik, (ik heb) blijde tijding (voor je)! Onmiddellijk wierp ik mij ter aarde (om mijn dankbaarheid aan Allāh te betuigen) en besefte dat (benauwdheid plaats had gemaakt) voor ruimte en opluchting.

Het scheen dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de mensen op de tijd van de ochtendsalāh bekend had gemaakt dat Allahu (عز وجل), ons berouw had geaccepteerd. Hierop verdrongen de mensen elkaar om de blijde tijding aan ons bekend te maken. Er gingen ook mensen naar mijn andere twee vrienden met de blijde tijding. Eén man (Zubayr Ibn al ´Awwām) haastte zich te paard naar mijn huis. Een lid van de stam van Aslam (Hamza Ibn ´Amr) klom de heuvel (Sal´) op (en kondigde de blijde tijding aan) en zijn stem kwam eerder aan dan (de ruiter) op het paard.

Toen de persoon, wiens stem ik had gehoord, arriveerde om mij te feliciteren, trok ik mijn beide kledingstukken uit en bood het hem aan als beloning voor zijn blijde tijding.

Bij Allāh, op die dag bezat ik geen andere kleren dan deze twee, en daarom moest ik een paar kledingstuk lenen (bij Abû Qatadah). Vervolgens haastte ik me naar Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) De mensen ontvingen mij in groepjes. Ze feliciteerden mij met de aanvaarding van mijn berouw (en vergiffenis van mijn zonde) en zeiden: `Gefeliciteerd met de aanvaarding van je berouw door Allāh´.

Uiteindelijk, betrad ik de moskee bereikte. Daar zat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) omgeven door mensen. Ṭalḥah Ibn Ubaydullah stond onmiddellijk op, haastte zich naar mij, schudde mijn hand en feliciteerde mij. Bij Allāh, hij was de enige onder de Muhajirûn (Emigranten) die me zo warm ontving. (´Amr) heeft Ṭalḥah´s gebaar nooit vergeten.

Ka`b gaat verder met zijn verhaal: ‘Toen ik Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) salām gaf, straalde zijn gezicht van vreugde en zei: ‘Wees verheugd met de beste dag der dagen sinds je geboorte’. Ik zei: ‘O Rasûlullāh is deze (blijde tijding) van u of van Allāh?’ Hij antwoordde: ‘Neen, het is van Allāh (عز وجل).’

Als Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) (door Allāh) verblijd werd, straalde zijn gezicht licht uit, zijn gezicht scheen als maneschijn. Als er een blije openbaring kwam, konden we dat aan zijn gezichtsuitdrukking raden. Toen ik tegenover Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ging zitten, zei ik: ‘O Rasûlullāh als blijk van dank voor de aanvaarding van mijn berouw, wil ik mijn gehele bezit aan Allāh en Zijn Boodschapper aanbieden om te worden uitgegeven als liefdadigheid.’Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zei: ‘Het is beter voor je een deel van je bezit te behouden.’ Hierop zei ik: ‘Ik zal mijn aandeel in Khaybar achterhouden’.

Daarna zei ik: ‘O Rasûlullāh Allahu تعالى , heeft mij alleen (van deze verdriet) bevrijd door het spreken van de waarheid en daarom, ten einde mijn berouw te voltooien, heb ik besloten voor de rest van mijn leven nooit anders dan de waarheid te vertellen.’

Bij Allāh, sinds ik dit voor Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) had verklaard, heeft Allahu تعالى, niemand van de moslims zo schoon beproeven als mij in het spreken van de waarheid. Bij Allāh, tot aan deze dag, sinds mijn verklaring aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), heb ik ooit in mijn hoofd gehaald een leugen te vertellen, en ik hoop dat Allāh mij ertegen zal beschermen in de rest van mijn leven.

Ka´b vertelt verder: Allahu تعالى openbaarde:

لَّقَد تَّابَ ٱللَّهُ عَلَى ٱلنَّبِيِّ وَٱلۡمُهَٰجِرِينَ وَٱلۡأَنصَارِ ٱلَّذِينَ ٱتَّبَعُوهُ فِي سَاعَةِ ٱلۡعُسۡرَةِ مِنۢ بَعۡدِ مَا كَادَ يَزِيغُ قُلُوبُ فَرِيقٖ مِّنۡهُمۡ ثُمَّ تَابَ عَلَيۡهِمۡۚ إِنَّهُۥ بِهِمۡ رَءُوفٞ رَّحِيمٞ ١١٧

Allāh heeft het berouw van de Profeet aanvaard en van de Muhajirīn en de Ansār die hem volgden in het uur van de nood, nadat de harten van een gedeelte van hen bijna waren afgedwaald, daarna aanvaarde Hij hun berouw. Zeker, Hij is vol vriendelijkheid voor hen, Genadevol.

وَعَلَى ٱلثَّلَٰثَةِ ٱلَّذِينَ خُلِّفُواْ حَتَّىٰٓ إِذَا ضَاقَتۡ عَلَيۡهِمُ ٱلۡأَرۡضُ بِمَا رَحُبَتۡ وَضَاقَتۡ عَلَيۡهِمۡ أَنفُسُهُمۡ وَظَنُّوٓاْ أَن لَّا مَلۡجَأَ مِنَ ٱللَّهِ إِلَّآ إِلَيۡهِ ثُمَّ تَابَ عَلَيۡهِمۡ لِيَتُوبُوٓاْۚ إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلتَّوَّابُ ٱلرَّحِيمُ ١١٨

En (Hij vergaf ook) de drie die waren achtergebleven totdat de aarde, met al haar wijdsheid voor hen te nauw werd en zij begrepen dat er geen vlucht voor Allāh was en geen toevlucht behalve bij Hem. Toen aanvaarde Hij hun berouw, opdat zij berouwvol zouden blijven. Waarlijk Allāh is Berouwaanvaardend, Gernadevol.

يَٰٓأَيُّهَا ٱلَّذِينَ ءَامَنُواْ ٱتَّقُواْ ٱللَّهَ وَكُونُواْ مَعَ ٱلصَّٰدِقِينَ ١١٩

O, jullie die geloven! Vrees Allāh en wees met de waarachtigen. Surah (at Tawbah: 117-119)

Ka’b vertelt verder: Bij Allāh, sinds de tijd dat Allāh de zegen van Islām aan mij heeft geschonken, is voor mij het vertellen van de waarheid aan Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) de grootste zegen. Ja, de grootste gunst is dat ik mezelf niet te gronde heb gericht door het vertellen van leugen tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم), zoals diegenen die te gronde werden gericht door leugens tegen hem te vertellen.

In een openbaring van Allahu تعالى, heeft Hij diegenen streng veroordeeld die zich overgaven aan leugens. Allahu تعالى zegt (in de Qurān):

سَيَحۡلِفُونَ بِٱللَّهِ لَكُمۡ إِذَا ٱنقَلَبۡتُمۡ إِلَيۡهِمۡ لِتُعۡرِضُواْ عَنۡهُمۡۖ فَأَعۡرِضُواْ عَنۡهُمۡۖ إِنَّهُمۡ رِجۡسٞۖ وَمَأۡوَىٰهُمۡ جَهَنَّمُ جَزَآءَۢ بِمَا كَانُواْ يَكۡسِبُونَ ٩٥

Zij zullen voor jullie bij Allāh zweren als jullie tot hen terugkeren, dat jullie je van hen moge afkeren. Keer je dus van hen af. Zeker zij zijn onrein en de Hel is hun verblijfplaats – als een vergelding voor wat zij verdiend hebben.

يَحۡلِفُونَ لَكُمۡ لِتَرۡضَوۡاْ عَنۡهُمۡۖ فَإِن تَرۡضَوۡاْ عَنۡهُمۡ فَإِنَّ ٱللَّهَ لَا يَرۡضَىٰ عَنِ ٱلۡقَوۡمِ ٱلۡفَٰسِقِينَ ٩٦

Zij zullen voor jullie zweren dat jullie blij met hen zullen zijn, maar als jullie blij met hen zijn, zeker Allāh is niet blij met het volk dat verdorven is. (sûrah at Tawbah: 95-96)

Ka’ b zei: Wij drieën werden in tegenstelling tot de anderen voor lange tijd uitgesteld (van berechtiging). Immers zij hadden voor hun afwezigheid gezworen, waarop Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) hun ede had geaccepteerd, hun trouw zweren had ontvangen en voor hun vergeving had gebeden. Daarentegen had Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) ons geval uitgesteld in afwachting van Allahu تعالى´s besluit. Toen zei Allahu تعالى: … En (Hij heeft het berouw van) de drie die waren achtergebleven (aanvaard) …(sûrah at Tawbah: 119)

Hiermee wordt niet bedoeld dat we achtergebleven waren van de veldtocht, maar het betekent dat Allāh onze gevallen uitstelde, tot na de beschikking over de gevallen van die personen die onder de ede pleitten in het bijzijn van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en hij hun excuses accepteerde.

[Kâ'b Ibn Mâlik رضي الله عنه was de enige zoon in het gezin en was welgesteld. Hij behoorde tot de vooraanstaande dichters van Arabië. Nadat de Islām zich snel begon te verspreiden in Madīnah, nam hij deel aan de tweede `Aqabah-belofte en werd daar moslim. Kâ'b, die een van de dichters van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was, overleed in het jaar 50 na de Hijrah, tijdens het khalifaat van Muʿâwiyah (رضي الله عنه) op 77-jarige leeftijd.] (HY)

[Deze verzen van surah at-Tawbah beschrijven de gelovigen die deelnamen aan de Tabûk, “de veldtocht van moeilijkheden”. Het werd uitgevoerd op een moment van intense hitte, met weinig vervoermiddelen, voedsel en water. De deelnemers aan deze veldtocht ondervonden grote moeilijkheden.Umar رضي الله عنه zei over deze veldtocht: “Wij gingen samen met Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) tijdens een periode van intense hitte naar Tabûk. We legden halt op een plek.

We hadden verschrikkelijke dorst en we waren bijna ten dode opgeschreven door de uitdroging. Sommigen slachtten hun kamelen en dronken het water uit hun ingewanden, zodat ze hun longen konden verlichten. Abû Bakr رضي الله عنه zei: 'O Rasûlullāh, Allāh schenkt ons het beste antwoord op onze smeekbeden, bid voor ons.' Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg: 'Wil je dat?'Abû Bakr antwoordde: 'Ja.' Daarop hief Rasûlullāh zijn handen op en smeekte Allāh. Nog voordat Hij zijn handen weer naar beneden had gehaald, veranderde het weer, de wolken kwamen en regen begon uit de lucht te vallen. Iedereen vulde de kommen die ze bij zich hadden. We keken om ons heen en zagen dat de regen alleen over ons leger viel en nergens anders.”De drie mensen bij wie de berouw werd geaccepteerd waren Ka'b ibn Mālik, Murarah ibn Rabi` en Hilāl ibn `Umayyah.Ka'b ibn Mālik was een vooraanstaand man die deelnam aan de belofte van `Aqabah Hij had gezworen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de Islām met zijn eigen leven te beschermen en overal en altijd voor hen te strijden. Murarah ibn Rabi` en Hilāl ibn `Umayyah hadden ook deelgenomen aan de Slag van Badr en waren rechtschapen mensen met voorbeeldig gedrag voor de gemeenschap.] (AFK)

Ḥadīth van de beschuldiging (ifk) en het aanvaarden van de tawbah van degene die laster verspreidt

في حديث الإفك وقبول توبة القاذف

١٧٦٣ - حديث عَائِشَةَ، زَوْجِ النَّبِيِّ ﷺ، حِينَ قَالَ لَهَا أَهْلُ الإِفْكِ مَا قَالُوا

قَالَتْ عَائِشَةُ: كَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ إِذَا أَرَادَ سَفَرًا، أَقْرَعَ بَيْنَ أَزْوَاجِهِ فَأَيُّهُنَّ خَرَجَ سَهْمُهَا، خَرَجَ بِهَا رَسُولُ اللهِ ﷺ مَعَهُ قَالَتْ عَائِشَةُ: فَأَقْرَعَ بَيْنَنَا فِي غَزْوَةٍ غَزَاهَا فَخَرَجَ فِيهَا سَهْمِي فَخَرَجْتُ مَعَ رَسُولِ اللهِ ﷺ بَعْدَ مَا أُنْزِلَ الْحِجَابُ فَكُنْتُ أُحْمَلُ في هَوْدَجِي، وَأُنْزَلُ فِيهِ فَسِرْنَا، حَتَّى إِذَا فَرَغَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ غَزْوَتِهِ تِلْكَ، وَقَفَلَ دَنَوْنَا مِنَ الْمَدِينَةِ قَافِلِينَ، آذَنَ لَيْلَةً بِالرَّحِيلِ فَقُمْتُ، حِينَ آذَنُوا بِالرَّحِيلِ، فَمَشَيْتُ حَتَّى جَاوَزْتُ الْجَيْشَ فَلَمَّا قَضَيْتُ شَأْنِي، أَقْبَلْتُ إِلَى رَحْلِي، فَلَمَسْتُ صَدْرِي، فَإِذَا عِقْدٌ لِي، مِنْ جَزْعِ ظَفَارِ، قَدِ انْقَطَعَ فَرَجَعْتُ، فَالْتَمَسْتُ عِقْدِي، فَحَبَسَنِي ابْتِغَاؤُهُ قَالَتْ: وَأَقْبَلَ الرَّهْطُ الَّذِينَ كَانُوا يُرَحِّلُونِي، فَاحْتَمَلُوا هَوْدَجِي، فَرَحَلُوهُ عَلَى بَعِيرِي الَّذِي كُنْتُ أَرْكَبُ عَلَيْهِ، وَهُمْ يَحْسِبُونَ أَنِّي فِيهِ وَكَانَ النِّسَاءُ، إِذْ ذَاكَ، خِفَافًا لَمْ يَهْبُلْنَ وَلَمْ يَغْشَهُنَّ اللَّحْمُ إِنَّمَا يَأْكُلْنَ الْعُلْقَةَ مِنَ الطَّعَامِ فَلَمْ يَسْتَنْكِرِ الْقَوْمُ خِفَّةَ الْهَوْدَجِ حِينَ رَفَعُوه وَحَمَلُوهُ وَكُنْتُ جَارِيَةً حَدِيثَةَ السِّنِّ فَبَعَثُوا الْجَمَلَ فَسَارُوا وَوَجَدْتُ عِقْدِي، بَعْدَ

مَا اسْتَمَرَّ الْجَيْشُ فَجِئْتُ مَنَازِلَهُمْ وَلَيْسَ بِهَا مِنْهُمْ دَاعٍ وَلاَ مُجِيبٌ فَتَيَمَّمْتُ مَنْزِلِي الَّذِي كُنْتُ بِهِ، وَظَنَنْتُ أَنَّهُمْ سَيَفْقِدُونِي، فَيَرْجِعُونَ إِلَيَّ فَبَيْنَا أَنَا جَالِسَةٌ فِي مَنْزِلِي، غَلَبَتْنِي عَيْنِي، فَنِمْتُ

وَكَانَ صَفْوَان بْنُ الْمُعَطَّلِ السُّلَمِيُّ، ثُمَّ الذَّكْوَانِيُّ مِنْ وَرَاءِ الْجَيْشِ فَأَصْبَحَ عِنْدَ مَنْزِلِي فَرَأَى سَوَادَ إِنْسَانٍ نَائِمٍ، فَعرَفَنِي حِينَ رَآنِي، وَكَانَ رَآنِي قَبْلَ الْحِجَابِ فَاسْتَيْقَظْتُ بِاسْتِرْجَاعِهِ، حِينَ عَرَفَنِي فَخمَّرْتُ وَجْهِي بِجِلْبَابِي وَوَاللهِ مَا تَكَلَّمْنَا بِكَلِمَةٍ، وَلاَ سَمِعْتُ مِنْهُ كَلِمَةً غَيْرَ اسْتِرْجَاعِهِ وَهَوَى حَتَّى أَنَاخَ رَاحِلَتَهُ، فَوَطِىءَ عَلَى يَدِهَا، فَقُمْتُ إِلَيْهَا، فَرَكِبْتَهَا فَانْطَلَقَ يَقُودُ بِي الرَّاحِلَةَ، حَتَّى أَتَيْنَا الْجَيْشَ، مُوغِرِينَ فِي نَحْرِ الظَّهِيرَةِ، وَهُمْ نُزُولٌ

قَالَتْ: فَهَلَكَ مَنْ هَلَكَ وَكَانَ الَّذِي تَوَلّى كِبْرَ الإِفْكِ عَبْدَ اللهِ بْنَ أُبَيِّ بْنَ سَلُولَ

قَالَ عُرْوَةُ (أَحَدُ رُوَاةِ الْحَدِيثِ): أُخْبِرْتُ أَنَّهُ كَانَ يُشَاعُ وَيُتَحَدَّثُ بِهِ عِنْدَهُ، فَيُقِرُّهُ وَيَسْتَمِعُهُ وَيَسْتَوْشِيهِ

وَقَالَ عُرْوَة أَيْضًا: لَمْ يُسَمَّ مِنْ أَهْلِ الإِفْكِ أَيْضًا إِلاَّ حَسَّانُ بْنُ ثَابِتٍ، وَمِسْطَحُ بْنُ أُثَاثَةَ، وَحَمْنَةُ بِنْتُ جَحْشٍ، فِي نَاسٍ آخَرِينَ، لاَ عِلْمَ لِي بِهِمْ غَيْرَ أَنَّهمْ عُصْبَةٌ كَمَا قَالَ اللهُ تَعَالَى وَإِنَّ كُبْرَ ذلِكَ يُقَالُ عَبْدُ اللهِ بْنُ أُبَيٍّ بْنُ سَلُولَ

قَالَ عُرْوَةُ: كَانَتْ عَائِشَةُ تَكْرَهُ أَنْ يُسَبَّ عِنْدَهَا حَسَّانُ وَتَقُولُ: إِنَّه الَّذِي قَالَ:

فَإِنَّ أَبِي وَوَالِدَهُ وَعِرْضِيلِعِرْضِ مُحَمَّدٍ مِنْكُمْ وِقَاءُقَالَتْ عَائِشَةُ: فَقَدِمْنَا الْمَدِينَةَ فَاشْتَكَيْتُ حِينَ قَدِمْتُ شَهْرًا، وَالنَّاسُ يُفِيضُونَ فِي قَوْلِ أَصْحَابِ الإِفْكِ لاَ أَشْعُرُ بِشَيْءٍ مِنْ ذَلِكَ وَهُوَ يَرِيبُنِي فِي وَجَعِي أَنِّي لاَ أَعْرِفُ مِنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ اللُّطْفَ الَّذِي كُنْتُ أَرَى مِنْهُ حِينَ أَشْتَكِي إِنَّمَا يَدْخُلُ عَلَيَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَيُسَلِّمُ ثُمَّ يَقُولُ: كَيْفَ تِيكُمْ ثُمَّ يَنْصَرِفُ فَذلِكَ يَرِيبُنِي وَلاَ أَشْعُرُ بِالشَّرِّ حَتَّى خَرَجْتُ حِينَ نَقَهْتُ فَخَرَجْتُ مَعَ أُمِّ مِسْطِحٍ قِبَلَ الْمَنَاصِعِ وَكَانَ مُتَبَرَّزَنَا وَكُنَّا لاَ نَخْرُجُ إِلاَّ لَيْلًا إِلَى لَيْلٍ وَذَلِكَ قَبْلَ أَنْ نَتخِذَ الْكُنُفَ قَرِيبًا مِنْ بُيُوتِنَا قَالَتْ: وَأَمْرُنَا أَمْرُ الْعَرَبِ الأُوَلِ فِي الْبَرِّيَةِ قِبَلَ الْغَائِطِ وَكُنَّا نَتَأَذَّى بِالْكُنُفِ أَنْ نَتَّخِذَهَا عِنْدَ بُيُوتِنَا قَالَتْ: فَانْطَلَقْتُ أَنَا وَأُمُّ مِسْطَحٍ، وَهِيَ ابْنَةُ أَبِي رُهْمِ بْنِ الْمُطَّلِبِ بْنِ عَبْدِ مَنَافٍ، وَأُمُّهَا بِنْتُ صَخْرِ بْنِ عَامِرٍ، خَالَةُ أَبِي بَكْرٍ الصِّدِّيقِ وَابْنُهَا مِسْطَحُ بْنُ أُثَاثَةَ بْنِ عَبَّادِ بْنِ الْمُطَّلِبِ فَأَقْبَلْتُ أَنَا وَأُمُّ مِسْطَحٍ قِبَلَ بَيْتِي، حِينَ فَرَغْنَا مِنْ شَأنِنَا فَعَثَرَتْ أُمُّ مِسْطَحٍ فِي مِرْطِهَا فَقَالَتْ:

تَعِسَ مِسْطَحٌ فَقُلْتُ لَهَا: بِئْسَ مَا قُلْتِ أَتَسُبِّينَ رَجُلًا شَهِدَ بَدْرًا فَقَالَتْ: أَيْ هَنْتَاهْ وَلَمْ تَسْمَعِي مَا قَالَ قَالَتْ: وَقُلْتُ: مَا قَالَ فَأَخْبَرَتْنِي بِقَوْلِ أَهْلِ الإِفْكِ قَالَتْ: فَازْدَدْتُ مَرَضًا عَلَى مَرَضِي فَلَمَّا رَجَعْتُ إِلَى بَيْتِي، دَخَلَ عَلَيَّ رَسُولُ اللهِ ﷺ فَسَلَّمَ ثُمَّ قَالَ: كَيْفَ تِيكُمْ فَقُلْتُ لَهُ: أَتَأْذَنُ لِي أَنْ آتِيَ أَبَوَيَّ قَالَتْ: وَأُرِيدُ أَنْ أَسْتَيْقِنَ الْخَبَرَ مِنْ قِبَلِهِمَا قَالَتْ: فَأَذِنَ لِي رَسُولُ اللهِ ﷺ فَقُلْتُ لاِمِّي: يَا أُمَّتَاهُ مَاذَا يَتَحَدَّثُ النَّاسُ قَالَتْ: يَا بُنَيَّةُ هَوِّنِي عَلَيْكِ فَوَاللهِ لَقَلَّمَا كَانَتِ امْرَأَةٌ قَطُّ وَضِيئَةً عِنْدَ رَجُلٍ يُحِبُّهَا، لَهَا ضَرَائِرُ، إِلاَّ كَثَّرْنَ عَلَيْهَا قَالَتْ: فَقُلْتُ سُبْحَانَ اللهِ أَوَ لَقَدْ تَحَدَّثَ النَّاسُ بِهذَا قَالَتْ: فَبَكَيْتُ تِلْكَ اللَّيْلَةَ حَتَّى أَصْبَحْتُ، لاَ يَرْقَأُ لِي دَمْعٌ، وَلاَ أَكْتَحِلُ بِنَوْمٍ ثُمَّ أَصْبَحْتُ أَبْكِي

قَالَتْ: وَدَعَا رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلِيَّ بْنَ أَبِي طَالِبٍ، وَأُسَامَةَ بْنَ زَيْدٍ، حِينَ اسْتَلْبَثَ الْوَحْيُ، يَسْأَلُهُمَا، وَيَسْتَشِيرُهُمَا فِي فِرَاقِ أَهْلِهِ قَالَتْ: فَأَمَّا أُسَامَةُ فَأَشَارَ عَلَى رَسُولِ اللهِ ﷺ بِالَّذِي يَعْلَمُ مِنْ بَرَاءَةِ أَهْلِهِ، وَبِالَّذِي يَعْلَمُ لَهُمْ فِي نَفْسِهِ فَقَالَ أُسَامَةُ: أَهْلَكَ وَلاَ نَعْلَمُ إِلاَّ خَيْرًا وَأَمَّا عَلِيٌّ، فَقَالَ: يَا رَسُولَ اللهِ لَمْ يُضَيِّقِ اللهُ عَلَيْكَ وَالنِّسَاءُ سِوَاهَا كَثِيرٌ وَسَلِ الْجَارِيَةَ تَصْدُقْكَ قَالَتْ: فَدَعَا رَسُولُ اللهِ ﷺ بَرِيرَةَ فَقَالَ: أَيْ بَرِيرَةُ هَلْ رَأَيْتِ مِنْ شَيْءٍ يَرِيبُكِ قَالَتْ لَهُ بَرِيرَةُ: وَالَّذِي بَعَثَكَ بِالْحَقِّ مَا رَأَيْتُ عَلَيْهَا أَمْرًا قَطُّ أَغْمِصهُ، غَيْرَ أَنَّهَا جَارِيَةٌ حَدِيثَةُ السِّنِّ، تَنَامُ عَنْ عَجِينِ أَهْلِهَا، فَتأتِي الدَّاجِنُ فَتَأْكُلُهُ

قَالَتْ: فَقَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مِنْ يَوْمِهِ، فَاسْتَعْذَرَ مِنْ عَبْدِ اللهِ بْنِ أُبَيٍّ، وَهُوَ عَلَى الْمِنْبَرِ، فَقَالَ: يَا مَعْشَرَ الْمُسْلِمِينَ مَنْ يَعْذِرُنِي مِنْ رَجُلٍ قَدْ بَلَغَنِي عَنْهُ أَذَاهُ فِي أَهْلِي وَاللهِ مَا عَلِمْتُ عَلَى أَهْلِي إِلاَّ خَيْرًا وَلَقَدْ ذَكَرُوا رَجُلًا مَا عَلِمْتُ عَلَيْهِ إِلاَّ خَيْرًا وَمَا يَدْخُلُ عَلَى أَهْلِي إِلاَّ مَعِي قَالَتْ: فَقَامَ سَعْدُ بْنُ مُعَاذٍ، أَخُو بَنِي عَبْدِ الأَشْهَلِ فَقَالَ: أَنَا، يَا رَسُولَ اللهِ أَعْذِرُكَ فَإِنْ كَانَ مِنَ الأَوْسِ ضَرَبْتُ عُنُقَهُ وَإِنْ كَانَ مِنْ إِخْوَانِنَا مِنَ الْخَزْرَجِ أَمَرْتَنَا فَفَعَلْنَا أَمْرَكَ قَالَتْ: فَقَامَ رَجُلٌ مِنَ الْخَزْرَجِ، وَكَانَتْ أُمُّ حَسَّانَ بِنْتَ عَمِّهِ، مِنْ فَخِذِهِ وَهُوَ سَعْدُ بْنُ عُبَادَةَ وَهُوَ سَيِّدُ الْخَزْرَجِ قَالَتْ: وَكَانَ قَبْلَ ذَلِكَ رَجُلًا صَالِحًا وَلكِنِ احْتَمَلَتْهُ الْحَمِيَّةُ، فَقَالَ لِسَعْدٍ: كَذَبْتَ لَعَمْرُ اللهِ لاَ تَقْتلُهُ، وَلاَ تَقْدِرُ عَلَى قَتْلِهِ وَلَوْ كَانَ مِنْ رَهْطِكَ مَا أَحْببْتَ أَنْ يُقْتَلَ فَقَامَ أُسَيْدُ بْنُ حُضَيْرٍ، وَهُوَ ابْنُ عَمِّ سَعْدٍ، فَقَالَ لِسَعْدِ بْنِ عُبَادَةَ: كَذَبْتَ لَعَمْرُ اللهِ لَنَقْتُلَنَّهُ فَإِنَّكَ مُنَافِقٌ تُجَادِلُ عَنِ الْمُنَافِقِينَ قَالَتْ: فَثَارَ الْحَيَّانِ، الأَوْسُ وَالْخَزْرَجُ، حَتَّى هَمُّوا أَنْ يَقْتَتِلُوا وَرَسُولُ اللهِ

ﷺ قَائِمٌ عَلَى الْمِنْبَرِ قَالَتْ: فَلَمْ يَزَلْ رَسُولُ اللهِ ﷺ يُخَفِّضُهُمْ حَتَّى سَكَتُوا وَسَكَتَ قَالَتْ: فَبَكَيْتُ يَوْمِي ذَلِكَ كُلَّهُ لاَ يَرْقَأُ لِي دَمْعٌ، وَلاَ أَكْتَحِلُ بِنَوْمٍ

قَالَتْ: وَأَصْبَحَ أَبَوَايَ عِنْدِي، وَقَدْ بَكَيْتُ لَيْلَتَيْنِ وَيَوْمًا لاَ يَرْقَا لِي دَمْعٌ، وَلاَ أَكْتَحِلُ بِنَوْمٍ حَتَّى إِنِّي لأَظُنُّ أَنْ الْبُكَاءَ فَالِقٌ كَبِدِي فَبَيْنَا أَبَوَايَ جَالِسَانِ عِنْدِي، وَأَنَا أَبْكِي، فَاسْتَاذَنَتْ عَلَيَّ امْرَأَةٌ مِن الأَنْصَارِ، فَأَذِنْتُ لَهَا فَجَلَسَتْ تَبْكِي مَعِي قَالَتْ: فَبَيْنَا نَحْنُ عَلَى ذَلِكَ، دَخَلَ رَسُولُ اللهِ ﷺ عَلَيْنَا فَسَلَّمَ، ثُمَّ جَلَسَ قَالَتْ: وَلَمْ يَجْلِسْ عِنْدِي، مُنْذُ قِيلَ مَا قِيلَ، قَبْلَهَا وَقَدْ لَبِثَ شَهْرًا لاَ يُوحى إِلَيْهِ فِي شَأْنِي بِشَيْءٍ قَالَتْ: فَتَشَهَّدَ رَسُولُ اللهِ ﷺ حِينَ جَلَسَ، ثُمَّ قَالَ: أَمَّا بَعْدُ يَا عَائِشَةُ إِنَّهُ بَلَغَنِي عِنْكِ كَذَا وَكَذَا فَإِنْ كُنْتِ بَرِيئَةً، فَسَيُبَرِّئُكِ اللهُ وَإِنْ كُنْتِ أَلْمَمْتِ بِذَنْبٍ فَاسْتَغْفِرِي اللهَ، وَتُوبِي إِلَيْهِ فَإِنَّ الْعَبْدَ، إِذَا اعْتَرَفَ، ثُمَّ تَابَ، تَابَ اللهُ عَلَيْهِ

قَالَتْ: فَلَمَّا قَضى رَسُولُ اللهِ ﷺ مَقَالَتَهُ، قَلَصَ دَمْعِي، حَتَّى مَا أُحِسُّ مِنْهُ قَطْرَةً فَقُلْتُ لأَبِي: أَجِبْ رَسُولَ اللهِ ﷺ عَنِّي فِيمَا قَالَ فَقَالَ أَبِي: وَاللهِ مَا أَدْرِي مَا أَقُولُ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ فَقُلْتُ لأُمِّي: أَجِيبِي رَسُولَ اللهِ ﷺ فِيمَا قَالَ قَالَتْ أُمِّي: وَاللهِ مَا أَدْرِي مَا أَقُولُ لِرَسُولِ اللهِ ﷺ فَقُلْتُ: وَأَنَا جَارِيَةٌ حَدِيثَةُ السِّنِّ، لاَ أَقْرَأُ الْقُرْآنَ كَثِيرًا: إِنِّي، وَاللهِ لَقَدْ عَلِمْتُ لَقَدْ سَمِعْتُمْ هذَا الْحَدِيثَ حَتَّى اسْتَقَرَّ فِي أَنْفُسِكُمْ وَصَدَّقْتُمْ بِهِ فَلَئِنْ قُلْتُ لَكُمْ إِنِّي بَرِيئَةٌ لاَ تُصَدِّقُونِي وَلَئِنِ اعْتَرَفْتُ لَكُمْ بِأَمْرٍ، وَاللهُ يَعْلَمُ أَنِّي مِنْهُ بَرِيئَةٌ، لَتُصَدِّقُنِّي فَوَاللهِ لاَ أَجِدُ لِي وَلَكُمْ مَثَلًا إِلاَّ أَبا يُوسُفَ حِينَ قَالَ (فَصَبْرٌ جَمِيلٌ وَاللهُ الْمُسْتَعَانُ عَلَى مَا تَصِفُونَ) ثُمَّ تَحَوَّلْتُ وَاضْطَجَعْتُ عَلَى فِرَاشِي وَاللهُ يَعْلَمُ أَنِّي حِينَئِذٍ بَرِيئَةٌ وَأَنَّ اللهَ مُبَرِّئِي بِبَرَاءَتِي وَلكِنْ وَاللهِ مَا كُنْتُ أَظُنُّ أَنَّ اللهَ مُنْزِلٌ فِي شَأنِي وَحْيًا يُتْلَى لَشَأنِي فِي نَفْسِي كَانَ أَحْقَرَ مِنْ أَنْ يَتَكَلَّم اللهُ فِيَّ بِأَمْرٍ وَلكِنْ كُنْتُ أَرْجُو أَنْ يَرَى رَسُولُ اللهِ ﷺ فِي النَّوْمِ رُؤْيَا يُبَرِّئُنِي اللهُ بِهَا فَوَاللهِ مَا رَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ مَجْلِسَهُ، وَلاَ خَرَجَ أَحَدٌ مِنْ أَهْلِ الْبَيْتِ، حَتَّى أُنْزِلَ

عَلَيْهِ فَأَخَذَهُ مَا كَانَ يَأْخُذُهُ مِنَ الْبُرَحَاءِ حَتَّى إِنَّهُ لَيَتَحَدَّرُ مِنْهُ مِنَ الْعَرَقِ مِثْلُ الْجُمَانِ وَهُوَ فِي يَوْمٍ شَاتٍ، مِنْ ثِقَلِ الْقَوْلِ الَّذِي أُنْزِلَ عَلَيْهِ

قَالَتْ: فسُرِّيَ عَنْ رَسُولِ اللهِ ﷺ وَهُوَ يَضْحَكُ فَكَانَتْ أَوَّلَ كَلِمَةٍ تَكَلَّمَ بِهَا أَنْ قَالَ: يَا عَائِشَةُ أَمَّا اللهُ فَقَدْ بَرَّأَكِ

قَالَتْ: فَقَالَتْ لِي أُمِّي: قُومِي إِلَيْهِ فَقُلْتُ: وَاللهِ لاَ أَقُومُ إِلَيْهِ، فَإِنِّي لاَ أَحْمَدُ إِلاَّ اللهَ ﷿ قَالَتْ: وَأَنْزَلَ اللهُ تَعَالَى:

(إِنَّ الَّذِين جَاءُوا بِالإِفْكِ عُصْبَةٌ مِنْكُمْ لاَ تَحْسبُوهُ شَرًّا لَكُمْ، بَلْ هُوَ خَيْرٌ لَكُمْ لِكُلِّ امْرِىءٍ مِنْهُمْ مَا اكْتَسَبَ مِنَ الإِثْمِ، وَالَّذِي تَوَلَّى كِبْرَهُ مِنْهُمْ لَهُ عَذَابٌ عَظِيمٌ لَوْلاَ إِذْ سَمِعْتُمُوهُ ظَنَّ الْمُؤْمِنُونَ وَالْمُؤْمِنَاتُ بِأَنْفُسِهِمْ خَيْرًا وَقَالُوا هذَا إِفْكٌ مُبِيِنٌ لَوْلاَ جَاءُوا عَلَيْهِ بِأَرْبَعَةِ شُهَدَاءِ، فَإِذْ لَمْ يَأْتُوا بِالشُّهَدَاءِ فَأُولئِكَ عِنْدَ اللهِ هُمُ الْكَاذِبُونَ وَلَوْلاَ فَضْلُ اللهِ عَلَيْكُمْ وَرَحْمَتُهُ فِي الدُّنيَا وَالآخِرَةِ لَمَسَّكُمْ فِي مَا أَفَضْتُمْ فِيهِ عَذَابٌ عَظِيمٌ إِذْ تَلَقَّوْنَهُ بِأَلْسِنَتِكُمْ وَتَقُولُونَ بِأَفْوَاهِكُمْ مَا لَيْسَ لَكُمْ بِهِ عِلْمٌ وَتَحْسَبُونَه هَيِّنًا وَهُوَ عِنْدَ اللهِ عَظِيمٌ وَلَوْلاَ إِذْ سَمِعْتُمُوهُ قُلْتُمْ مَا يَكُونُ لَنَا أَنْ نَتَكَلَّمَ بِهذَا سُبْحنَكَ هذَا بُهْتنٌ عَظِيمٌ يَعِظُكُمُ اللهُ أَنْ تَعُودُوا لِمِثْلِهِ أَبَدًا إِنْ كُنْتُم مؤْمِنِينَ وَيُبَيِّنُ اللهُ لَكُمُ الآيتِ، وَاللهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ إِنَّ الَّذِينَ يُحِبُّونَ أَنْ تَشِيعَ الْفَاحِشَةُ فِي الَّذِينَءَامَنُوا لَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ، وَاللهُ يَعْلَمُ وَأَنْتُمْ لاَ تَعْلَمُونَ وَلَوْلاَ فَضْلُ اللهِ عَلَيْكُمْ وَرحْمَتُهُ وَأَنَّ اللهَ رَءُوفٌ رَحِيمٌ يأيُّهَا الَّذِينَءَامَنُوا لاَ تَتَّبِعُوا خُطُوتِ الشَّيْطنِ وَمَنْ يَتَّبِعْ خُطُوتِ الشَّيْطنِ فَإِنَّهُ يَأْمُرُ

بِالْفَحْشَاءِ وَالْمُنْكَرِ وَلَوْلاَ فَضْلُ اللهِ عَلَيْكُمْ وَرَحْمَتُهُ مَا زَكَى مِنْكُمْ مِنْ أَحَدٍ أَبَدًا وَلكِنَّ اللهَ يُزَكِّي مَنْ يَشاءُ وَاللهُ سَمِيعٌ عَلِيمٌ وَلاَ يَأْتَلِ أْولُوا الْفَضْلِ مِنْكُمْ وَالسَّعَةِ أَنْ يُؤْتُوا أُولِي الْقُرْبى وَالْمَسكِينَ وَالْمُهجِرِينَ فِي سَبِيلِ اللهِ وَلْيَعْفُوا وَلْيَصْفَحُوا أَلاَ تُحِبُّونَ أَنْ يَغْفِرَ اللهُ لَكُمْ وَاللهُ غَفُورٌ رَحِيمٌ إِنَّ الَّذِينَ يَرْمُونَ الْمُحْصَنتِ الْغفِلتِ الْمُؤْمِنتِ لُعِنُوا فِي الدُّنْيَا وَالآخِرَةِ وَلَهُمْ عَذَابٌ عَظِيمٌ يَوْمَ تَشْهَدُ عَلَيْهِمْ أَلْسِنَتُهُمْ وَأَيْدِيهِمْ وَأَرْجُلُهُمْ بِمَا كَانُوا يَعْمَلونَ يَوْمَئِذٍ يُوَفِّيهِمُ اللهُ دِينَهُمُ الْحَقَّ وَيَعْلَمُونَ أَنَّ اللهَ هُوَ الْحَقُّ الْمُبِينُ الْخَبِيثتُ لِلْخَبِيثِينَ وَالْخَبِيثُونَ لِلْخَبِيثتِ، وَالطَّيِّبتُ لِلطَّيِّبِينَ وَالطَّيِّبُونَ لِلطَّيِّبتِ، أُولئِكَ مَبَرَّءُونَ مِمَّا يَقُولونَ، لَهُمْ مَغْفِرَةٌ وَرِزْقٌ كَرِيمٌ)

ثُمَّ أَنْزَلَ اللهُ هذَا فِي بَرَاءَتِي

قَالَ أَبُو بَكْرٍ الصِّدِّيقُ، وَكَانَ يُنْفِقُ عَلَى مِسْطَحِ بْنِ أُثَاثَةَ، لِقَرَابَتِهِ مِنْهُ وَفَقْرِهِ: وَاللهِ لاَ أُنْفِقُ عَلَى مِسْطَحٍ شَيْئًا أَبَدًا، بَعْدَ الَّذِي قَالَ لِعَائِشَةَ مَا قَالَ فَأَنْزَلَ اللهُ (وَلاَ يَأْتَلِ أُولُوا الْفَضْلِ مِنْكُمْ) إِلَى قَوْلِهِ (غَفُورٌ رَحِيمٌ)

قَالَ أَبُو بَكْرٍ الصِّدِّيقُ: بَلَى وَاللهِ إِنِّي لأُحِبُّ أَنْ يَغْفِرَ اللهُ لِي فَرَجَعَ إِلَى مِسْطَحِ النَّفَقَةَ الَّتِي كَانَ يُنْفِقُ عَلَيْهِ وَقَالَ: وَاللهِ لاَ أَنْزِعُهَا مِنْهُ أَبَدًا

قَالَتْ عَائِشَةُ: وَكَانَ رَسُولُ اللهِ ﷺ سَأَلَ زَيْنَبَ بِنْتَ جَحْشٍ عَنْ أَمْرِي فَقَالَ لِزَيْنَبَ: مَاذَا عَلِمْتِ أَوْ رَأَيْتِ قَالَتْ: يَا رَسُولَ اللهِ أَحْمِي سَمْعِي وَبَصَرِي وَاللهِ مَا عَلِمْتُ إِلاَّ خَيْرًا

قَالَتْ عَائِشَةُ: وَهِيَ الَّتِي كَانَتْ تُسَامِينِي، مِنْ أَزْوَاجِ النَّبِيِّ ﷺ فَعَصَمَهَا اللهُ بِالْوَرَعِ قَالَتْ: وَطَفِقَتْ أُخْتُهَا حَمْنَةُ تُحَارِبُ لَهَا فَهَلَكَتْ فِيمَنْ هَلَكَ

قَالَتْ عَائِشَةُ: وَاللهِ إِنَّ الرَّجُلَ الَّذِي قِيلَ لَهُ مَا قِيلَ، لَيَقُولُ: سُبْحَانَ اللهِ فَوَالَّذِي نَفْسِي بَيَدِهِ مَا كَشَفْتُ مِنْ كَنَفِ أُنْثى قَطُّ قَالَتْ: ثُمَّ قُتِلَ، بَعْدَ ذَلِكَ، فِي سَبِيلِ اللهِ

1763 – Urwah ibn Zubayr, Saîd ibn al-Mûsāyyab, Alqamah ibn Waqqās en `Ubaydullah ibn `Abdullah ibn Utbah ibn Mes’ûd (رضي الله عنهم) hebben overgeleverd wat de vrouw van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) `Âishah zei toen de laster tegen haar werd verspreid. Deze vier overleveraars hebben elk een deel van de ḥadīth van `Âishah aan mij overgeleverd. Sommigen van hen bewaarden de ḥadīth beter dan anderen, en ze waren beter in het nauwkeurig overleveren van de woorden van `Âishah, met een sterkere ḥadīth. Ik heb deze ḥadīth goed geleerd en bewaard zoals zij het aan mij overbrachten. Alhoewel sommigen van hen de ḥadīth beter bewaarden, bevestigen de aḥadīth van anderen de aḥadīth van degenen die het minder goed bewaarden. Zij zeiden dat `Âishah het volgende zei: 'Wanneer Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op reis wilde gaan, trok hij lot tussen zijn vrouwen, en degene wiens lot viel, ging met Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم) mee. `Âishah zei: 'Dus er werd een loting gehouden voor een van de veldtochten waarin an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) deelnam, en het lot viel op mij, dus ging ik met Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم) mee nadat het hijāb-vers werd opgelegd.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) keerde terug van de veldtocht tegen de Banī Mustalik. Toen we dicht bij Madīnah kwamen, hielden we halt. Hij bracht een deel van de nacht daar door. Daarna gaf hij de opdracht om het kamp ’s nachts te verlaten. Toen het bevel om te vertrekken aan het leger werd gegeven, stond ik op en verliet het leger om mijn behoeften te doen. Nadat ik klaar was, keerde ik terug naar de verblijfplaats van het leger.Toen tastte ik mijn borst en ontdekte dat mijn ketting van Jemenitische agaat was gebroken, dus keerde ik terug en zocht mijn ketting. Mijn zoektocht hield me op (van het leger). De groep mensen die mij droegen, kwam naar de draagstoel (hawdaj) toe, en ze droegen mijn draagstoel en zetten hem op mijn kameel, denkend dat ik erin zat. De vrouwen aten in die tijd weinig en wogen licht. Dus de mensen bemerkten niet dat de draagstoel licht aanvoelde toen ze hem optilden en droegen. Ik was nog een jonge vrouw, en ze vertrokken met de kameel. Nadat de legerkolonne verder was gegaan, vond ik mijn ketting en keerde terug naar de kamp, maar niemand was daar om me te roepen of te antwoorden, dus besloot ik mijn tent op te zoeken, denkend dat ze me zouden missen en naar me zouden terugkeren. Terwijl ik daar zat, overviel de slaap me en ik viel in slaap. Het was Safwān Ibn al-Mu`attal al-Sulamī az Zakwanī, en daarna al-Dhakwanī, die achter het leger was gebleven en mijn slaapplaats bereikte. Toen hij de silhouet van een slapend persoon zag, herkende hij me, omdat hij me voordat de bedekking (hijāb) verplicht werd, had gezien. Safwân zag mij en riep verbaasd: “Innā lillāhi wa innā ilayhi rājiʿūn” (Wij behoren aan Allāh en tot Hem keren wij terug). Toen ik gewekt werd door zijn stem, bedekte ik mijn gezicht met mijn sluier en, bij Allāh, we spraken geen enkel woord tegen elkaar. Ik hoorde van hem alleen het geluid van zijn terughouding.Safwân liet zijn kameel knielen, en ik klom erop.

Safwân leidde de kameel te voet terwijl hij voor mij uit liep. We bereikten het leger op een moment dat zij in de hitte van de middag een rustpauze hadden genomen.Dit was het moment waarop degenen die mij van laster beschuldigden, te gronde gingen. Degene die de laster voor het eerst verspreidde, was `Abdullah ibn Ubay ibn Salûl. Urwah zei: 'Ik ben geïnformeerd dat het via hem werd verspreid en gehoord, en hij bevestigde het en luisterde ernaar en vond het goed.' Urwah zei verder: 'Er werd ook gezegd dat Hanan Ibn Jash, Hassan Ibn Thabit, Misthah Ibn Uthathah en andere mensen ook deel uitmaakten van die laster, maar het was `Abdullah Ibn Ubay die het grootste deel hiervan verspreidde.' Urwah zei dat `Âishah het niet fijn vond dat Hassan genoemd werd in haar aanwezigheid, en ze zei: 'Hij is degene die dit heeft gezegd, want mijn vader, mijn familie en mijn eer zullen de eer van Muhammad verdedigen tegen zulke laster.' `Âishah zei verder: Toen we in Madīnah aankwamen, lag ik een maand ziek op bed. Ondertussen begonnen mensen de woorden van degenen die mij van laster beschuldigden overal te verspreiden. Tijdens mijn ziekte merkte ik dat ik de genegenheid van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) die ik normaal gesproken tijdens eerdere ziektes ervoer, nu niet voelde. In deze periode kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) mijn kamer binnen, gaf mij de salām en zei: 'Hoe gaat het, `Âishah?' Ik was me nog niet bewust van de laster die over mij werd verspreid. Mijn gezondheid begon echter langzaamaan te herstellen. Op een nacht ging ik samen met Ummu Mistah (Mistah ibn Uthāthah was een van de lasteraars) naar buiten om onze behoefte te doen in het gebied Masânī’. Wij gingen daar alleen ’s nachts naartoe. Dit was in de tijd voordat we voorzieningen dichter bij onze huizen hadden.Hoe we ons naar buiten begaven om onze behoeften te vervullen leek op hoe de bedoeïenen die naar de woestijn gingen om hun behoeften te doen of om zich te reinigen.

Het zou ons ongemakkelijk zijn als de toiletten naast onze huizen zouden zijn.Mistah, de zoon van Abi Ruhm Ibn al-Muttalib Ibn Abd Manaf, en zijn moeder was de dochter van Sakhr Ibn Amar, de tante van Abû Bakr al-Siddieq. Haar zoon was Mistah Ibn Uthāthah Ibn Abbad Ibn al-Muttalib.Toen we in onze behoeften hadden voorzien, gingen wij naar mijn huis toe. Ummu Mistah struikelde over haar mantel en viel. Ze riep uit: “'Moge Mistah verloren gaan!”Ik zei tegen haar: “Wat een vreselijke uitspraak! Hoe kun je iemand vervloeken die heeft deelgenomen aan de Slag van Badr?”Ummu Mistah antwoordde:”O vrouw! Heb je niet gehoord wat de mensen over jou zeggen?”Daarop vertelde ze mij de lasterlijke woorden die over mij werden verspreid. Toen ik dit hoorde, verergerde mijn ziekte. Bij terugkomst in mijn huis kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) langs, gaf mij salām en vroeg:“Hoe is het met je zieke?”Ik antwoordde: “Sta mij toe om naar mijn ouders te gaan.”Ik wilde van hen de waarheid horen en bevestiging krijgen over wat er werd gezegd. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) gaf mij toestemming.Ik ging naar mijn ouders en vroeg mijn moeder: “O moeder, wat zeggen de mensen over mij?”“O mijn dochter! Maak je geen zorgen. Bij Allāh, een vrouw die zo mooi is als jij, geliefd is bij haar man, en als haar man bovendien meerdere echtgenotes heeft, zal altijd roddels over haar aangewakkerd worden. Dit is iets wat zelden niet voorkomt.”Ik zei: 'Subhānallah! Hebben de mensen hierover gesproken?' Ze zei: 'Ja’.Die nacht bracht ik door in het huis van mijn vader. Tot aan de ochtend sloot ik geen oog en hield niet op met huilen.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) riep Ali ibn Abi Ṭālib en Usamah ibn Zayd bij zich. Omdat de openbaring (om de laster teniet te doen) vertraagd werd, wilde hij met hen overleggen over het eventueel scheiden van zijn familie.Usamah sprak over de liefde die Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) voor zijn familie koesterde en zei:“O Rasûlullāh, bij Allāh!

Wij kennen niets anders dan goedheid over uw vrouw `Âishah.”Ali ibn Abi Ṭālib zei: “O Rasûlullāh! Allāh heeft jou in deze zaak geen beperking of benauwdheid opgelegd. Er zijn vele vrouwen naast `Âishah. Vraag hierover aan haar slavin Barirah, want zij zal de waarheid spreken.”Hierop liet Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Barirah bij zich komen en vroeg haar: “ Barirah, heb jij iets gezien bij `Âishah dat jou in twijfel heeft gebracht?”Barirah antwoordde: “Bij Degene Die jou met de waarheid heeft gezonden, ik heb bij `Âishah niets gezien dat mij in twijfel bracht of een fout leek. Het enige is dat `Âishah nog jong is. Soms valt ze in slaap terwijl ze deeg kneedt, en dan komt het schaap van het huis en eet van het deeg.”Hierop stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op in de moskee en sprak de mensen toe. Hij vroeg om vrijstelling van blaam ten opzichte van de leugenaar die de beschuldiging had gestart, `Abdullah ibn Ubay ibn Salul, en zei: “Wie helpt mij tegen een man die mij over mijn familie leed heeft berokkend? Bij Allāh, ik weet niets anders dan goeds over mijn familie. En ook van de man (Safwân) die zij noemen, weet ik niets anders dan goeds. Deze man heeft nooit mijn huis betreden, tenzij ik zelf aanwezig was.”Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) deze woorden uitsprak, stond Sa`d ibn Mu`adz, de broer van Banu Abd al-Ashhal, op en zei: “O Rasûlullāh, bij Allāh, ik zal u steunen tegen hem! Als degene die deze laster verspreidde iemand uit de Aws-stam is, zullen we zijn hoofd afhakken. En als het iemand is van onze broeders uit de Khazraj-stam, dan zullen we uw bevel afwachten en daarna uitvoeren.”Na deze woorden stond Sa’d ibn `Ubadah, de leider van de Khazraj-stam en de vader van Hassan Ibn Thabit, op. Voorheen was hij een vrome man, maar zijn jaloezie had hem kwaad gemaakt en zei tegen Sa`d: “Bij Allāh, jij liegt!

Bij Allāh, je kunt hem niet doden en je bent daartoe ook niet in staat! En als hij één van jouw mensen was, zou je het niet gewild hebben dat hij gedood zou worden”

Hierop stond Useyd ibn Hudayr, de neef van Sa'd, op en zei tegen Sa'd Ibn `Ubadah: “Bij Allāh, jij liegt! Bij Allāh, wij zullen hem zeker doden. Jij bent een hypocriet en neemt het op voor de hypocrieten tegen ons!”

Na deze discussie kwamen de Awsen Khazraj-stammen in beweging en stonden op het punt elkaar te bevechten. Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) bevond zich nog steeds op de preekstoel (minbar). Toen daalde Rasûlullāh af van de minbar, kalmeerde hen en bracht hen tot stilte. Zelf zei hij verder niets en zweeg.

Die dag huilde ik de hele dag. Mijn tranen stopten niet, en ik kon geen slaap vatten. De volgende ochtend kwamen mijn vader en moeder bij mij. Ik had twee nachten en een dag lang gehuild, en het voelde alsof mijn hart in stukken zou breken van verdriet.

Terwijl mijn ouders bij mij zaten en ik bleef huilen, vroeg een vrouw van de Ansār toestemming om binnen te komen. Ik gaf haar toestemming. Ze ging naast me zitten en huilde met me mee. Terwijl wij in deze toestand verkeerden, kwam Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) binnen en gaf salām aan ons en ging zitten. Hij had niet bij mij gezeten sinds de laster was begon, want hij had een maand lang geen openbaring ontvangen over mijn situatie.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) prees Allāh en zei vervolgens: “O, `Âishah! ik heb gehoord dat er over jou gesproken is, en als je rein bent, zal Allāh je zuiveren, maar als je iets hebt gedaan, vraag dan vergiffenis en toon berouw, want als een dienaar zijn zonden erkent en vervolgens berouw toont, zal Allāh hem vergeven

Toen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) zijn woorden had beëindigd, stopten mijn tranen plotseling. En ik voelde niet eens een druppel meer.

Ik richtte me tot mijn vader en zei: “O, vader, antwoord namens mij op wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd!”Mijn vader antwoordde: “Bij Allāh, ik weet niet wat ik tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moet zeggen.”Toen richtte ik me tot mijn moeder en zei: “O moeder, antwoord namens mij op wat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) heeft gezegd!”Ook zij antwoordde: “Bij Allāh, ook ik weet niet wat ik tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) moet zeggen.”

Ik was nog jong en kende niet veel van de Qur’ān uit mijn hoofd. Daarom zei ik: “Bij Allāh, ik weet zeker dat jullie de geruchten over mij hebben gehoord, dat deze zich in jullie harten hebben genesteld, en dat jullie erin zijn gaan geloven. Als ik zou zeggen dat ik onschuldig ben, terwijl Allāh weet dat ik dat ben, zouden jullie mij niet geloven. Maar als ik iets zou toegeven, terwijl Allāh weet dat ik onschuldig ben, zouden jullie mij dan wel geloven. Bij Allāh, ik kan jullie geen beter voorbeeld geven dan dat van Yusuf's vader (Ya`qub), die zei:

وَجَآءُو عَلَىٰ قَمِيصِهِۦ بِدَمٖ كَذِبٖۚ قَالَ بَلۡ سَوَّلَتۡ لَكُمۡ أَنفُسُكُمۡ أَمۡرٗاۖ فَصَبۡرٞ جَمِيلٞۖ وَٱللَّهُ ٱلۡمُسۡتَعَانُ عَلَىٰ مَا تَصِفُونَ ١٨

En zij brachten zijn hemd met vals bloed (daarop). Hij zei: “Nee, jullie verzinnen maar een verhaal. (Spoor dus aan) tot geduld (want dat) is passender. En het is slechts Allāh Wiens hulp gezocht kan worden tegen wat jullie beweren.” (Sura Yusuf: 18)

Na deze woorden draaide ik me om en ging op mijn bed liggen.

Bij Allāh, ik weet dat ik onschuldig ben en dat Allāh mij zou vrijspreken. Maar ik dacht niet dat Allāh voor mij verzen in de Qur’ān zou openbaren, omdat ik mezelf niet belangrijk genoeg achtte. Ik hoopte slechts dat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) in een droom iets zou zien waardoor Allāh mij zou vrijpleiten.

Bij Allāh, Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) was nog niet opgestaan, en niemand was de kamer uit gegaan, toen hem openbaring werd gebracht. De hitte overmande hem, en zoals gebruikelijk bij openbaring, zweette hij zelfs op een koude dag alsof het parels waren, vanwege het zware gewicht van de openbaring die aan hem werd geopenbaard. Toen de openbaring voorbij was, glimlachte Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) opgewonden.

Het eerste wat hij tegen mij zei, was: “O `Âishah! Dank Allāh, want Hij heeft jou vrijgepleit van de laster die tegen jou was verspreid.”Toen mijn moeder deze woorden hoorde, zei ze tegen mij: “Sta op en dank Rasûlullāh !”Maar ik antwoordde: “Nee, ik ga niet naar hem toe. Ik dank alleen Allāh.”

Allahu تعالى heeft mij gereinigd van de laster die tegen mij werd uitgesproken door middel van de volgende verzen:إِنَّ ٱلَّذِينَ جَآءُو بِٱلۡإِفۡكِ عُصۡبَةٞ مِّنكُمۡۚ لَا تَحۡسَبُوهُ شَرّٗا لَّكُمۖ بَلۡ هُوَ خَيۡرٞ لَّكُمۡۚ لِكُلِّ ٱمۡرِيٕٖ مِّنۡهُم مَّا ٱكۡتَسَبَ مِنَ ٱلۡإِثۡمِۚ وَٱلَّذِي تَوَلَّىٰ كِبۡرَهُۥ مِنۡهُمۡ لَهُۥ عَذَابٌ عَظِيمٞ ١١

Waarlijk! Degenen die de laster zijn begonnen zijn een groep onder jullie. Beschouw het niet als iets slechts voor jullie. Integendeel, het is goed voor jullie. Een iedere van hen wordt belast voor de zonde die hij gepleegd heeft. En degene van hen die grootste aandeel had: voor hem zal er een grotere bestraffing zijn. (sûrah an-Nur: 24/11)Toen deze verzen werden geopenbaard, weigerde Abû Bakr as-Sıddîq (رضي الله عنه) na de laster over `Âishah nog verder steun te geven aan Mistah Ibn Uthāthah, vanwege hun verwantschap en zijn armoede.Hij zei: “Bij Allāh, na wat Mistah over `Âishah heeft gezegd, zal ik hem niets meer geven.”

Toen zond Allahu تعالى de volgende āyah:وَلَا يَأۡتَلِ أُوْلُواْ ٱلۡفَضۡلِ مِنكُمۡ وَٱلسَّعَةِ أَن يُؤۡتُوٓاْ أُوْلِي ٱلۡقُرۡبَىٰ وَٱلۡمَسَٰكِينَ وَٱلۡمُهَٰجِرِينَ فِي سَبِيلِ ٱللَّهِۖ وَلۡيَعۡفُواْ وَلۡيَصۡفَحُوٓاْۗ أَلَا تُحِبُّونَ أَن يَغۡفِرَ ٱللَّهُ لَكُمۡۚ وَٱللَّهُ غَفُورٞ رَّحِيمٌ ٢٢

En laat degenen onder jullie die gezegend zijn met gunsten en welvaart niet zweren het niet weg te geven aan de verwanten, de armen die bedelen en degenen die in hun huizen voor de Zaak van Allāh zijn achtergelaten. Laat hen vergeven en lankmoedig zijn. Houden jullie er niet van dat Allāh jullie zou vergeven? En Allāh is Vergevingsgezind, Genadevol. (sûrah an-Nur: 22)

Na deze openbaring zei Abû Bakr: “Bij Allāh, ik wens dat Allāh mij vergeeft,” en hij hernam zijn ondersteuning aan Mistah.Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) vroeg aan (zijn vrouw) Zaynab bintu Jahsh hoe het met mij ging en zei:“Zaynab, wat weet jij van `Âishah, wat heb jij gehoord?”Zaynab antwoordde: “O Rasûlullāh! Ik ben voorzichtig om te zeggen dat ik heb gezien of gehoord wat ik niet heb gezien of gehoord.

Bij Allāh, ik weet niets anders dan goed over `Âishah.”`Âishah zei: 'Zaynab was degene die me steunde van de vrouwen van an-Nabī (صلى الله عليه وسلم) en Allāh heeft haar beschermd door haar vroomheid.' Haar zus, Hamnah, steunde haar niet en stierf met degenen die stierven.Haar zus, Hamnah, daarentegen verspreidde de laster en was nauw betrokken bij wat de lasteraars hadden gezegd, en daardoor viel zij samen met hen in ondergang.Zuhri zei: Dit is het verhaal dat ik heb gehoord over deze groep.Urvah voegde eraan toe: `Âishah zei: “Bij Allāh, de man over wie de geruchten gingen, zei altijd: Subhânallah! Bij Hem in Wiens handen mijn ziel is, ik heb nooit het bed van een vrouw gedeeld in mijn leven.”Later stierf Safvân ibn Mu’âtal als martelaar voor de zaak van Allāh.

(İfk; betekent leugen, grote leugen, laster, en specifiek de lastering van de eer van een deugdzaam persoon. Het “İfk-incident” verwijst naar de valse beschuldiging die werd uitgesproken door de huichelaars over`Âishah رضي الله عنه, de vrouw van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en de moeder van de gelovigen (al-Ahzab, 33/6). Het incident was een leugen die werd verzonnen door de huichelaars en had tot doel de heilige eer van onze moeder`Âishah te schaden.De echte aard van het incident was dat de huichelaars, die groeiende Islāmitische gemeenschap in een veilige stad Madīnah wilden ondermijnen, de privacy van de familie van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) wilden aanvallen. Ze probeerden de vriendschap tussen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) en zijn naaste metgezellen te verstoren.

Ze dachten dat ze hiermee de Islām konden vernietigen.Tijdens de militaire expeditie tegen de Banu Mustaliq, in het vijfde jaar van de Hijrah, probeerden de huichelaars een normaal voorval dat `Âishah overkwam uit te buiten om onenigheid tussen Abû Bakr (رضي الله عنه) en Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) te zaaien en de reputatie van an-Nabī te schaden. De huichelaars, die wisten dat de strijd tegen de Banu Mustaliq waarschijnlijk niet hevig zou zijn, waren in grote aantallen naar de strijd gekomen.Voordat Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op veldtocht ging, had hij zoals gewoonlijk lootjes getrokken met zijn vrouwen om te bepalen wie met hem mee zou gaan. `Âishah werd geselecteerd om met hem te reizen. Tijdens een avond bij de terugkeer van de veldtocht, stopte het leger op een plek om uit te rusten. `Âishah ging naar buiten om haar behoefte te doen en ontdekte toen dat haar halsketting, die haar moeder Ummu Rumān haar als bruidsgeschenk had gegeven, was gevallen en gebroken.Ze ging terug om de ketting te zoeken en merkte toen dat de karavaan, inclusief haar bewakers, inmiddels vertrokken was, en zij bleef achter, denkend dat men haar zou zoeken.Ze viel in slaap op de grond. De achterhoede van het leger, Safwaan Ibn Muattal (رضي الله عنه), zag haar en zonder iets te zeggen, zette hij haar op zijn kameel. Hij trok de teugels van de kameel en bracht haar naar het leger. Bij de tweede halte werd ontdekt dat `Âishah niet op haar kameel zat. Een tijdje later arriveerde een jonge soldaat met zijn kameel. De huichelaars zagen dit als een kans. Ze begonnen roddels te verspreiden. `Abdullah Ibn Ubay voedde deze roddels stiekem. De moslims begrepen dat het een laster was.

Helaas lieten drie moslims zich ook door deze roddels meeslepen; zij waren Hassan Ibn Sābit, die wraak wilde nemen op Safwān Ibn Muattal, de zus van Zaynab bint Jahsh, vrouw van Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) Hamnah, en Mistaḥ Ibn Uthāthah, die hun levensonderhoud van Abû Bakr ontvingen. Toen werden de verzen geopenbaard: وَٱلَّذِينَ يَرۡمُونَ ٱلۡمُحۡصَنَٰتِ ثُمَّ لَمۡ يَأۡتُواْ بِأَرۡبَعَةِ شُهَدَآءَ فَٱجۡلِدُوهُمۡ ثَمَٰنِينَ جَلۡدَةٗ وَلَا تَقۡبَلُواْ لَهُمۡ شَهَٰدَةً أَبَدٗاۚ وَأُوْلَٰٓئِكَ هُمُ ٱلۡفَٰسِقُونَ ٤

En degenen die kuise vrouwen beschuldigen (van ontucht) en geen vier getuigen kunnen leveren, straf hen met tachtig zweepslagen en verwerp voor altijd hun getuigenis, zij zijn zeker de verdorvenen.

إِلَّا ٱلَّذِينَ تَابُواْ مِنۢ بَعۡدِ ذَٰلِكَ وَأَصۡلَحُواْ فَإِنَّ ٱللَّهَ غَفُورٞ رَّحِيمٞ ٥

Behalve degenen die daarna berouw tonen en goede daden verrichten (voor hen) waarlijk, is Allāh Vergevingsgezind, Genadevol. (al-Nur, 24:4-5).

In de verzen worden drie straffen voor de lasteraars uiteengezet: 1- De lasteraar zal tachtig zweepslagen krijgen. 2- Zijn getuigenis zal voor altijd niet geaccepteerd worden. 3- Hij zal worden gekarakteriseerd als een fāsiq vanwege zijn afvalligheid van de gehoorzaamheid aan Allāh.

Na de openbaring van deze verzen liet Rasûlullāh, (صلى الله عليه وسلم) Hassan, Hamnah en Mistaḥ tachtig zweepslagen geven als straf voor de lastering van overspel. `Abdullah Ibn Ubay kreeg deze straf niet. Laster is de methode van de hypocrieten, die twee gezichten hebben, met een andere bedoeling van binnen dan wat ze aan de buitenkant tonen. We moeten vermijden om laster te verspreiden, de onschuldigen die met laster worden beschuldigd steunen, en de tirannen en lasteraars ontmaskeren.”] (HY)

١٧٦٤ - حديث عَائِشَةَ، قَالَتْ: لَمَّا ذُكِرَ مِنْ شَأْنِي الَّذِي ذُكِرَ، وَمَا عَلِمْتُ بِهِ، قَامَ رَسُولُ اللهِ ﷺ فِيَّ خَطِيبًا فَتَشَهَّدَ، فَحَمِدَ اللهَ وَأَثْنَى عَلَيْهِ بِمَا هُوَ أَهْلُهُ ثُمَّ قَالَ: أَمَّا بَعْدُ أَشِيرُوا عَلَيَّ فِي أُنَاسٍ أَبْنُوا أَهْلِي، وَايْمُ اللهِ مَا عَلِمْتُ عَلَى أَهْلِي مِنْ سُوءٍ وَأَبَنُوهُمْ بِمَنْ، وَاللهِ مَا عَلِمْتُ عَلَيْهِ مِنْ سُوءٍ قَطُّ وَلاَ يَدْخُلُ بَيْتِي قَطُّ إِلاَّ وَأَنَا حَاضِرٌ وَلاَ غِبْتُ فِي سَفَرٍ إِلاَّ غَابَ مَعِي

قَالَتْ: وَلَقَدْ جَاءَ رَسُولُ اللهِ ﷺ بَيْتِي فَسَأَلَ عَنِّي خَادِمَتِي فَقَالَتْ: لاَ وَاللهِ مَا عَلِمْتُ عَلَيْهَا عَيْبًا إِلاَّ أَنَّهَا كَانَتْ تَرْقُدُ حَتَّى تَدْخُلَ الشَّاةُ فَتَأْكُلَ خَمِيرَهَا أَوْ عَجِينَهَا وَانْتَهَرَهَا بَعْضُ أَصْحَابِهِ، فَقَالَ: اصْدُقِي رَسُولَ اللهِ ﷺ، حَتَّى أَسْقَطُوا لَهَا بِهِ فَقَالَتْ سُبْحَانَ اللهِ وَاللهِ مَا عَلِمْتُ عَلَيْهَا إِلاَّ مَا يَعْلَمُ الصَّائِغُ عَلَى تِبْرِ الذَّهَبِ الأحْمَرِ وَبَلَغَ الأَمْرُ إِلَى ذَلِكَ الرَّجُلِ الَّذِي قِيلَ لَهُ فَقَالَ: سُبْحَانَ اللهِ وَاللهِ مَا كَشَفْتُ كَنَفَ أُنْثى قَطُّ قَالَتْ عَائِشَةُ: فَقُتِلَ شَهِيدًا فِي سَبِيلِ اللهِ

1764 – Van Abû Usāmah via Hishām ibn Urwah en die van zijn vader (رضي الله عنهم):`Âishah zei:” Toen er over mijn (Ifk)zaak gesproken werd, waar ik niets van af wist, stond Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) op (de preekstoel) en hield een toespraak. Hij begon met de getuigenis (tashahhud), prees Allāh en roemde Hem zoals Hij het verdient. Hij zei: “Amma ba`d (wat volgt): Zeg mij wat ik moet doen over een aantal mensen die mijn familie beschuldigen. Bij Allāh, ik weet niets dan goed over mijn familie. En over de man die mijn familie beschuldigde, weet ik ook niets dan goed. Deze man is niet naar het huis van mijn familie gekomen, tenzij ik er niet bij was.

Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم) kwam naar mijn huis en vroeg naar mijn dienares.

Hij vroeg haar: 'O Barirah, heb je iets gezien bij `Âishah dat je in twijfel bracht?'Zij antwoordde: “Bij Allāh, die jou met de waarheid zond, zweer ik dat ik bij `Âishah niets heb gezien dat mij in twijfel ik heb niets slechts van haar gezien. Alleen, omdat `Âishah een jonge vrouw is, sliep ze vaak terwijl ze deeg kneedde, en het schaap in het huis kwam en het deeg op at of het zuurdeeg op at. Een aantal van zijn metgezellen vermaande haar, en zeiden: 'Wees eerlijk tegen Rasûlullāh (صلى الله عليه وسلم). Totdat ze hem hiermee beviel. Zij zei: 'Subhanallāh! Bij Allāh, ik heb geen idee van wat hen is verteld. `Âishah zei: Bij Allāh, de man die hierover sprak, zou zeggen: “Subhanallāh!” En bij Allāh, die mijn ziel in Zijn hand heeft, nooit heb ik het beddengoed van een vrouw onthuld.' Daarna werd hij op weg van Allāh gedood.”